H2O maart 2015

Page 1

3

Maandblad voor waterprofessionals 26 maart 2015 48ste jaargang

www.vakbladh2o.nl

GRONDWATER WAT DOEN WE MET DE VIEZE ERFENIS? DE BODEM IS EEN HANDIGE BUFFER WATERKONIJN À LA CARTE HET ONZEKERE LOT VAN DE MUSKUSRAT

ESTHER DIEKER

LIEFST MET LAARZEN LANGS DE SLOOT

THEMA

ONDER DE

GROND


2

ACHTER DE

COVER

WIE? Esther Dieker (29), sinds 2014 beleidsmedewerker water- en ­ruimteplannen bij het waterschap Rivierenland. Groeide op langs de Rijndijk bij Arnhem, waardoor ze van jongs af aan vertrouwd raakte met hoogwater en bijna-overstromingen. Was altijd buiten te vinden, “met laarzen aan lekker klooien in de modder langs slootkanten”. Een studie geologie was een voor de hand liggende keuze. Na haar bachelor aan de Universiteit Utrecht volgden een master hydrologie in Wageningen en het nationaal watertraineeship bij de Limburgse drink­ waterproducent WML.

Tekst Barbara Schilperoort Fotografie Kees Hummel

WAAR? “Bij de Pavijen in Culemborg, waar we de bestaande steile oeverwanden veranderen in flauw aflopende, natuurvriendelijke oevers. Goed voor de waterberging én voor de biodiversiteit. Want met zulke oevers is het makkelijker om grote hoeveelheden regenwater op te vangen. Bovendien ontstaat er in en langs die oevers een klimaat waar meer verschillende plant- en diersoorten goed gedijen. En meer biodiversiteit is weer goed voor de waterkwaliteit. Een aantal watergangen in de omgeving is al eerder op die manier ingericht. Daarbij volgen we cultuur-historische landschappelijk waarden. Hier leggen we bijvoorbeeld weer een grote waterplas aan op de plek waar die vroeger ook lag. Op initiatief van de gemeente komt er een wandelpad langs, zodat ook recreanten van dit mooie gebied kunnen genieten. Je ziet, zo sta ik nog steeds regelmatig buiten met mijn laarzen in de modder. Net als in mijn kindertijd…” WAT? Als beleidsmedewerker helpt ze de projectleiders van het buitengebied bij de uitvoering van deze en andere projecten die in het Waterbeheersplan staan genoemd. “Daarvoor ­werken we samen met vele partijen, zoals hier met gemeente en provincie. Ik vind het leuk om ­mensen bij elkaar te brengen en iets gezamenlijk te ondernemen. Extern maar ook intern. Een water­schap heeft een nogal stoffig, ambtelijk imago. Jammer. En niet terecht. Want mij is het afgelopen jaar juist opgevallen met hoeveel gedrevenheid collega’s zich voor hun werk inzetten. Hoe wij met zijn allen werken aan veilige dijken, aan schoon water, aan goed waterbeheer.” “Weinig Nederlanders realiseren zich hoe ons land is ontstaan. Dat wij het eigenhandig ­hebben opgebouwd. Vorig jaar heb ik op de rommelmarkt een schoolkaart gevonden met als titel Bedreigd Waterland, waarop het rampgebied van 1953, de Deltawerken en alle polders staan ingetekend. Ik ben er ronduit trots op dat ik verder meebouw aan Nederland.” Daarom is ze ook bestuurslid van Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW). “Met passie aan iets moois werken, dat is werken aan water. En dat mag best gezien én verteld worden.”


I

3

NHOUD 6

26

12 6 HOE VIES IS ONS GROND­WATER? 12 DE BODEM IS EEN PRIMA BUFFER

40 36

VASTE RUBRIEKEN 17 Hoog water ‘Villa Augustus’ in de watertoren van Dordrecht 18 Hoogstandje Het regelwerk van Pannerden bij de Duitse grens

26 HET ONZEKERE LOT VAN DE MUSKUSRAT (MET RECEPT!) 20 Waternetwerk 36 ZOETE DROMEN IN HET BRAKKE HARINGVLIET 40 H2O-ONDERZOEK: HOE DRAAIEN ONZE WATER­ BEDRIJVEN?

MET BIJLAGE: WATER MATTERS!

NR3 / MAART 2015

• Programma voorjaarscongres KNW op 23 april • Waterbedrijven bieden werk aan arbeidsgehandicapten • Wetskills houdt ‘challenge’ in de VS

NR 3 / MAART 2015 30 Watertechniek • Oasen leert van buitenland bij opsporen lekverliezen • Pompen als het waait blijkt zuinige strategie • Nieuwe methode voor plaatsen beschoeiingen 42 Waterwetenschap • Estland: inspiratie voor meren en plassen in Nederland • Landelijke aanpak voor analyse risico’s drinkwatervoorziening 46 Verder op H2O-Online Overzicht van nieuwe artikelen op de website www.vakbladh2o.nl

COLOFON Maandblad H2O en H2O-Online zijn uitgaven van de Stichting H2O UITGEVER ­Monique­ ­ arloes Bekkenutte (Stichting H2O) HOOFDREDACTEUR Roel Smit REDACTIE Peter Boorsma, M ­ Hooimeijer, Dorine van Kesteren, Charlotte Leenaers, Hans Oerlemans, Sander Peters,­ Barbara ­Schilperoort, Martien Versteegh van Wijk, Nico van der Wel ­REDACTIEADRES Binckhorstlaan 36, M420, 2516 BE Den Haag, e-mail: Redactie@­vakbladh2o.nl ­WEBREDACTIE Mirjam ­Jochemsen ­REDACTIERAAD René ­Arninkhof, ­Matthijs van den Brink, Erwin de Bruin, Henk D ­ ekker, ­Henriëtte van Ekert, ­Roberta Hofman-­Caris, Joost Icke, Daphne de Koeijer, W ­ arry Meuleman, Hans M ­ iddendorp, Johan van M ­ ourik, Jos ­Peters, Jan ­Roelsma, Joris Schaap, Peter Schipper, Marlies ­Verhoeven, ­Marie-José van de Vondervoort, Jason ­Zondag ­VORMGEVER R ­ onald ­Koopmans ­BLADMANAGEMENT ­Gerrit ­Holtman PRODUCTIE Hoeksjan R ­ edactie en ­Communicatie ­ADVERTENTIEVERKOOP PSH M ­ edia ­Sales, Shahin Habbah, Postbus 68, 7000 AB Doetinchem, 0314-355834, e-mail:shahin.habbah@­psh mediasales.nl DRUK ­Senefelder Misset, Doetinchem ­ABONNEMENTEN Secretariaat@vakbladh2o.nl


T

( ADVERTORIAL )

ONDERGRONDS FLOW METEN ZONDER PROCES ONDERBREKING Applicatie Bonnabuis

FLEXIM is specialist op het gebied van clamp-on ultrasone flowmeters voor vloeistoffen en gassen. De voordelen van het van buiten meten wat van binnen stroomt geldt niet alleen binnen Oil & Gas en Chemie, maar zeker ook binnen de waterhuishouding. Ook hier kan het heel lastig en kostbaar zijn het proces te onderbreken en aanpassingen te doen aan het leidingwerk. Daarom past Evides Waterbedrijf de clamp-on meters van Flexim toe in het distributie netwerk. Dit netwerk van waterleidingen bevindt zich volledig ondergronds en er zijn verschillende toegepast. De eerste ondergrondse clamp-on meters van FLEXIM zijn 8 jaar geleden gemonteerd. Nu zijn er al meer dan 30 meters bij Evides in gebruik. De condities onder de grond zijn zwaar, zo heb je te maken met de inwerking van water en de krachten die op de IP68

sensoren worden uitgeoefend zijn groot. Daar is de bevestigingsconstructie dan ook op afgestemd, bovendien worden de sensoren “ingepakt�. Een ander belangrijk punt, is het benodigde grote meetbereik; de leidingen zijn dusdanig gedimensioneerd, dat de capaciteit ook voldoende is bij piekverbruik en bovendien is rekening gehouden met een hogere vraag in de toekomst. Dit betekent dat de meters ook bij verschillende flowsnelheden nog goed moeten kunnen functioneren.

Voor informatie: www.flexim.com of 010-2492333

Uw partner in: (mobiele) slibontwatering en slibDroging HYDraUlisCH en meCHanisCH baggeren sCHoonmaken van slibgistingtanks sCHoonmaken van belUCHtingbassins boUw en verHUUr van apparatUUr en installaties

BeL OnS 073 599 66 08 MaiL OnS info@kurstjens.nl

kUrstjens is tevens speCialist in extraCtieve gronDreiniging

Meer inFO www.kurstjens.nl


T De lezers van maandblad H2O krijgen deze maand een ­stevig extraatje: het nieuwe kenniskatern Water Matters. Een bundel met tien pittige, maar tegelijk zeer toegankelijke, artikelen, geschreven door Nederlandse water­ professionals. Ze geven een beeld van wat de watersector de laatste tijd aan interessante, nieuwe kennis heeft voortgebracht. Op maandag 23 maart werd deze eerste aflevering van ­Water Matters door de uitgever van H2O officieel overhandigd aan Hans Huis in ’t Veld, ‘boegbeeld’ van de Topsector Water. Daarmee werden de ambities duidelijk: Water Matters is een visitekaartje voor de Nederlandse watersector, die het moet hebben van kennis, kennis en nog eens kennis. Het plan is om in de nabije toekomst het nieuwe kenniskatern ook in het Engels uit te geven. Met de naamgeving wordt hierop al een voorschot genomen. VIJF FOUNDING PARTNERS De uitgave van Water Matters is mogelijk gemaakt door vijf belangrijke spelers in de Nederlandse watersector: ­Alterra Wageningen UR, ARCADIS, KWR Watercycle Research ­Institute, Royal HaskoningDHV en de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA). Deze Founding Partners hebben besloten dat Water Matters in principe open staat voor iedere waterprofessional die een bijdrage wil leveren. Het doel is namelijk de beste, nieuwe waterkennis b ­ undelen. Aan publicaties worden eisen gesteld. Een r­edactieraad zorgt voor de inhoudelijke beoordeling van voorstellen voor artikelen en van de uiteindelijke teksten. Deze redactieraad staat onder leiding van (onafhankelijk voorzitter) Huib de NR3 / MAART 2015

5

HET KENNISKATERN VAN MAANDBLAD H2O

NIEUW

WATER

MATTERS!

Vriend en bestaat verder uit Gertjan M ­ edema, Paul Roeleveld, Petra Ross, Caroline van der Salm en Michelle Talsma. MEESCHRIJVEN AAN WATER MATTERS? Wie een bijdrage wil leveren aan Water Matters (maximale lengte van artikelen is circa 1.650 woorden) kan het beste een kort abstract sturen naar redactie@vakbladh2o.nl. Houd dit vooral beknopt en geef antwoord op drie vragen: • welke vraag (meestal de onderzoeksvraag) staat centraal in het artikel dat je wilt schrijven? • wat is het antwoord in hoofdlijnen op die vraag? • wat is de betekenis van het voorgaande voor de praktijk in de watersector? Wie slim is, doet dit voor 8 april, want in die week komt de redactieraad bijeen om te spreken over de volgende editie, die in oktober zal verschijnen. Uit de ingediende abstracts maakt de redactieraad een ­keuze. Daarbij wordt gekeken naar de inhoudelijke waarde van artikelen en naar een goede spreiding van onderwerpen over de hele watersector. Wie een abstract heeft ­ingediend krijgt altijd bericht over hetgeen de redactieraad heeft ­besloten. Na selectie van hun voorstel, krijgen auteurs ongeveer ­anderhalve maand tijd om dit uit te werken tot een artikel. Daarbij kunnen ze gebruik maken van de auteursinstructies. De ingediende artikelen worden vervolgens inhoudelijk beoordeeld door de redactieraad en redactioneel bewerkt door een eindredacteur van H2O. De definitieve versie van een artikel wordt altijd nog een keer voorgelegd aan de ­auteur(s).


6

VERVUILD GRONDWATER: NOG STEEDS EEN RISICO

WAT DOEN WE MET DIE VUILE ERFENIS?

B

egin jaren tachtig opende vrijwel ieder achtuurjournaal met de ontdekking van weer een nieuwe bodemverontreiniging. Of met een reportage van weer een ­bijeenkomst van verontruste bewoners van een ‘gifwijk’. Het leek erop dat je nergens in Nederland een schep in de grond kon steken zonder op een vat chemisch afval te stuiten.

Het begon allemaal op 15 september 1979 met het springen van een hoofdwaterleiding in een nieuwbouwwijk in Lekkerkerk doordat chemische stoffen het pvc hadden aangetast. De gebeurtenis leidde tot de ontdekking van de eerste grote bodemverontreiniging in N ­ ederland. Voor het bouwrijp maken van de nieuwbouwwijk had men puin en huishoudelijk en bedrijfsafval gebruikt, materiaal dat achteraf zwaar vervuild bleek te zijn met tolueen en xyleen. De verontreiniging in Lekkerkerk werd voortvarend opgepakt: 100.000 kubieke meter grond werd afgegraven en vervangen door schoon lava-zand uit het Eiffelgebergte. De sanering kostte 160 miljoen gulden, maar binnen een jaar konden de bewoners weer terug naar hun huizen. BODEMBELEID ‘Lekkerkerk’ was de eerste in een lange reeks van ontdekkingen van ernstige bodemverontreinigingen: de Volgermeerpolder, de Krimpenerwaard, het Griftpark… vervuilingen die ook doorsijpelden in het grondwater. Sinds de jaren vijftig was de industriële activiteit in Nederland enorm toegenomen, maar men was lichtzinnig omgesprongen met het afval dat dit opleverde. ‘Lekkerkerk’ gaf echter de aanzet tot het bodembeleid: in 1981 kwam toenmalig minister Leendert Ginjaar (Volksgezondheid en Milieuhygiëne) met de Interimwet bodemsanering, de voorloper van de huidige Wet bodembescherming (Wbb). Hoe staat het er 35 jaar later voor met de historische bodemverontreinigingen? Is het bijvoorbeeld gelukt het grondwater schoon te krijgen en de drinkwatervoorziening veilig te stellen? Tot op zekere hoogte. De afgelopen jaren zijn er grote vorderingen > (Lees verder op pagina 8)

A


THEMA

ONDER DE

GROND

In 1979 werd de eerste grote bodemverontreiniging ontdekt. Inmiddels is het ruim 35 jaar later en nog steeds lopen veel drinkwaterwinningen het risico dat ze vervuild raken. De drinkwaterbedrijven zijn er niet gerust op dat dit probleem de komende jaren wordt opgelost. Hoe staat het ervoor met het saneren van oude bodemverontreinigingen? En dan nog die andere kwestie: gaat de vervuiler dat betalen? Tekst Peter Boorsma | Beeld Hollandse Hoogte en Istockphoto

De Volgermeerpolder bij Amsterdam in april 2007

NR3 / MAART 2015

7 Foto Chris Pennarts / Hollandse Hoogte

A

ACHTERGROND


8

KADERRICHTLIJN WATER Ook de Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft doelstellingen ten aanzien van grond- en ­drinkwaterbronnen. Beheer

geboekt dankzij het Bodemconvenant dat het Rijk, de gemeenten, de provincies en de waterschappen hebben gesloten. In het kader daarvan zijn eerst de plekken geïnventariseerd die mogelijk verontreinigd zijn: dat bleken er maar liefst 250.000 te zijn. Die worden overigens lang niet allemaal aangepakt, want dan zou heel Nederland op de schop moeten. Er is besloten prioriteit te geven aan het saneren van de ruim 500 ‘humane spoed-locaties’; verontreinigingen die risico opleveren voor de volksgezondheid. Dat moet eind dit jaar klaar zijn en dat lijkt te gaan lukken. Daarnaast zijn er minimaal 1.315 spoedlocaties met een ‘ecologisch risico’ of ‘risico op verspreiding’. De situatie op deze locaties moet eind dit jaar minimaal onder controle zijn.

van het water moet gericht zijn op een duurzame veiligstelling van waterbronnen en behoud van functies zoals drinkwater en natuur. Expliciet doel is het verlagen van de zuiveringsinspanning voor de drinkwater­productie. Onder aanvoering van de provincies zijn gebiedsdos-

GEBIEDSGERICHTE AANPAK De ene verontreiniging is de andere niet. Soms zit de vervuiling zo diep zit dat je er eigenlijk niet of nauwelijks bij kunt. Van veel voorkomende chemicaliën is vaak niet duidelijk waar ze vandaan komen. In sommige situaties stroomt de verontreinigde grondwaterpluim nog twintig jaar richting een waterwinning, zelfs als de oorspronkelijke bronlocatie al is gesaneerd. Dat heeft ook consequenties voor de aanpak, vertelt Niels Hartog, senior wetenschappelijk onderzoeker bij KWR Watercycle Research Institute. Zo kijkt men bij diepe verontreinigingen vooral hoe de situatie kan worden beheerst. “Met een dergelijke gebiedsgerichte aanpak koop je tijd, maar zonder verwijdering van verontreinigingen komen deze alsnog in de winning terecht.”

siers opgesteld. Hierin ­ worden de huidige situatie en alle activiteiten rond een drinkwaterwingebied geïnventariseerd, zodat duidelijk

Ook is grondwaterverontreiniging vaak niet weg te nemen door het saneren van één concrete bron. De verschillende pluimen raken verstrengeld, zodat onduidelijk is wie de v­ eroorzaker van welke schade is. Ook dan wordt meestal gekozen voor een gebiedsgerichte aanpak, waarbij een cluster van locaties in samenhang wordt aangepakt.

wordt wat mogelijke bedreigingen zijn. Ook de relevante partijen en bevoegdheden worden in beeld gebracht. Dat leverde een lijst op van 1.950 locaties die mogelijk een probleem vormen voor de drinkwatervoorziening. Gezien de lange lijst hebben de drinkwaterbedrijven er belang bij scherper te krijgen

NIEUW CONVENANT Inmiddels onderhandelen het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen over een nieuw bodemconvenant voor de periode 2016-2020. Het accent ligt daarbij op het ­saneren van vervuilingen met ecologische of verspreidingsrisico’s. Na afloop van de ­convenantsperiode wil de overheid naar een passiever beleid, van ‘saneren’ naar ‘beheren’. Dat laatste baart de drinkwaterbedrijven zorgen omdat er nog veel problemen zijn die nu of op termijn een risico vormen voor de drinkwaterbronnen. Uit een recent rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat er in 57 van de 200 waterwingebieden in Nederland stoffen zijn aangetroffen van oude verontreinigingen. “Best veel”, vindt RIVM-onderzoeker Susanne Wuijts. Zeker omdat er momenteel maar elf worden aangepakt.

welke locaties daadwerkelijk een grote impact hebben op de concentraties in de winning, aldus Niels Hartog van KWR Watercycle Research ­Institute. “Dat kan voor bepaalde winningen om slechts één of

Ook Rob Eijsink van de vereniging van waterbedrijven Vewin is er niet gerust op. “Het nieuwe convenant is toch een soort ‘laatste ronde’ in het saneren. Dan is het wel zaak dat alle knelpunten die de waterwinning kunnen bedreigen worden meegenomen en dat hier adequate maatregelen genomen worden. Bovendien moeten we ook na 2020 goed blijven beheren: ontstaat er dan toch een bedreiging voor de waterwinning, dan moet de overheid in actie komen.”

twee locaties gaan. Vervolgens moet je de saneringspijlen uit het Bodemconvenant op die locaties richten.”

Een probleem is volgens Wuijts (RIVM) dat de normen voor drinkwater veel strenger zijn dan die uit de Wet bodembescherming. “Het kan dus gebeuren dat de vervuiling in het ­grondwater de norm voor drinkwater overschrijdt, maar dat die vervuiling volgens de Wet bodembescherming niet hoeft te worden aangepakt.” Relevanter dan dat ‘normengat’ is volgens Hartog (KWR) echter de hoeveelheid verontreiniging die per dag de winning instroomt. “Een smalle pluim met hoge concentraties kan minder impact hebben dan een brede pluim


ACHTERGROND

9

iStockphoto

GEBIEDSGERICHTE AANPAK IN BOTLEKGEBIED

provincie zijn met de bedrijven om tafel gegaan en in 2011 is

“Het bijzondere van de gebiedsgerichte aanpak van de

de pilot gestart. Op veertig plaatsen rondom het ­Botlekgebied

grondwatervervuiling in het oude havengebied van Rotterdam

zijn monitoringspeilbuizen geplaatst, onder meer om na te

is dat er zoveel bedrijven bij betrokken zijn”, vertelt Bert de

gaan of het verontreinigde water de gemeentegrenzen heeft

Doelder, lid projectteam Pilot Botlek.

bereikt, zoals Deltares voorspelde aan de hand van een

De Botlek is in de jaren zestig en zeventig opgehoogd met

grondwatermodel. In 2013 zijn zes clusters gemaakt van écht

havenslib en daarna in gebruik genomen door raffinaderijen,

vervuilende bedrijven (niet alle bedrijven zijn vervuilend) en

chemische bedrijven en olieopslag- en bewerkingsbedrijven,

zijn er kostenberekeningen gemaakt voor de locatie-aanpak

vaak nog steeds de gebruikers van deze locaties. Uit onder-

en gebiedsgerichte aanpak.

zoek van Deltares voor het Havenbedrijf bleek dat de bodem op zeer veel plaatsen verontreinigd is. De onderzoekers

Heel 2015 is uitgetrokken om gesprekken te voeren met

verwachtten dat de eerste pluimen van het v­ erontreinigende

de bedrijven over de verdeling van de kosten. De overheid

water zo rond deze tijd onder de polders ten zuiden van

heeft eerder 5 miljoen euro ter beschikking gesteld en komt

­Rotterdam zouden kunnen komen.

later met nog eens 25 miljoen. Maar ook de bedrijven zullen ­moeten bijdragen. Dat vergt veel overleg omdat de hoofdkan-

De Doelder: “Nu kun je alle bedrijven opdragen hun probleem

toren veelal buiten het gebied staan, elders in Nederland, of

op te lossen. Maar daarvoor staat het havengebied gewoon te

zelfs overzee. Ook juridisch moet de zaak worden dichtgetim-

vol met installaties. Daarbij is er een andere visie op saneren,

merd. Dat is niet makkelijk, juist omdat niet duidelijk is welk

waarbij ook wordt gerekend met natuurlijke zuiveringspro-

bedrijf verantwoordelijk is voor welk deel van de vervuiling. Is

cessen.” Die vaststellingen waren voor Rotterdam aanleiding

het eenmaal gelukt, dan kan het plan naar de gemeenteraad.

om samen met bedrijven een oplossing te zoeken die goed­

“Uiteindelijke hopen we over 20 tot 25 jaar klaar te zijn. Dan

koper uitpakt dan als ieder voor zich aan de slag gaat.

moet het probleem dankzij natuurlijke afbraak, verdunning

DCMR Milieudienst Rijnmond, het Havenbedrijf, gemeente en

en uitspoeling zijn opgelost of in elk geval beheerst.”

met lage concentraties. Zo kan de toepassing van warmtekoude-­opslagsystemen (wko) binnen een gebiedsgerichte aanpak wel tot verdunning van concentraties leiden, maar als de verontreiniging niet wordt verwijderd, verandert er niets aan de impact op een winning”. In dat geval moet het waterbedrijf waarschijnlijk extra kosten maken om het ­water alsnog te zuiveren.

spoed-locaties’ op 298 miljoen euro, waarvan 202 miljoen op te brengen door het bedrijfsleven als veroorzakers. De aanpak van locaties met ecologisch of verspreidingsrisico kost volgens een ruwe schatting nog eens 1,5 miljard; 660 miljoen hiervan is al voorzien in al bestaande programma’s van overheid en bedrijfsleven. Van het resterende bedrag zal de overheid nog zo’n 350 miljoen moeten opbrengen.

KOSTEN Dat roept de vraag op wie nu voor de kosten opdraait. Het gaat om grote bedragen. Vorig jaar begrootte het ministerie van Infrastructuur en Milieu de sanering van de ‘humane

Het principe ‘de vervuiler betaalt’ is nog steeds het uitgangspunt bij het milieubeleid, ook voor de bodem, vertelt woordvoerder Lianne Sleutjes van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Maar voor verontreinigingen van voor >

NR3 / MAART 2015


10

ACHTERGROND 1987 is dat niet altijd mogelijk. Moet er toch worden opgeruimd – het is aan de twaalf provincies en 29 grotere gemeenten die volgens de Wbb het bevoegd gezag zijn om dat te bepalen – dan komt hiervoor geld vanuit het Rijk. Volgens Jurgen Pijpker, directeur van bodemonderzoekbedrijf Vamisol en voorzitter van de Vereniging van Milieu Adviesbureaus VVMA, wordt het principe van ‘de vervuiler betaalt’ steeds vaker losgelaten. “Het is niet bekend wie de vervuiler is of het verontreinigde perceel is inmiddels van een ander bedrijf. Bovendien zijn de nog niet gesaneerde locaties vaak niet spoedeisend omdat geen sprake is van risico’s voor de mens. De prikkel om te saneren ontbreekt dan vaak.” Toch kan een vervuild perceel een bedrijf behoorlijk in de weg zitten, zegt Pijpker, bijvoorbeeld bij uitbreiding van het pand. Een verontreinigd perceel is ook moeilijk verkoopbaar. Het saneren van een perceel en zeker van grondwater­ verontreiniging brengt veel onzekerheden met zich mee. Je weet niet precies wat je tegenkomt, hoe lang het gaat duren en wat het gaat kosten. Ondernemers hebben daar een hekel aan, aldus Pijpker. Daarom bieden gemeenten bedrijven steeds vaker aan het grondwaterprobleem af te kopen. “Als bodemonderzoek­ bedrijf maken we dan een kostenraming van het opruimen van de grondwaterverontreiniging. De gemeente doet hetzelfde en over het verschil wordt dan onderhandeld.” Afkopen heeft voordelen voor zowel de probleemhouder van de vervuiling als voor de gemeenten. Het bedrijf ruimt de makkelijker beheerbare grondverontreiniging op en kan weer verder met uitbreiden of verkopen. Voordeel voor de gemeente is dat deze de saneringsplicht overneemt en zo niet steeds met talloze partijen hoeft te overleggen, ­waardoor een gebiedsgerichte en vaak efficiëntere aanpak eenvoudiger wordt.

bedrijven vervuilers zijn en andere niet, zoals in het Botlekgebied (zie kader Gebiedsgerichte aanpak in Botlekgebied, op pagina 9), is een gebiedsgerichte aanpak eigenlijk alleen van de grond te tillen als deze synergie oplevert. ‘Ieder voor zich’ blokkeert enorm.” Ook de het Utrechtse stationsgebied is volgens Van Rijswick een mooi voorbeeld van hoe partijen de uiterste grens opzoeken om het grondwater te beschermen. “Iedereen wist dat er wat moest gebeuren en iedereen wilde ook verder met de ontwikkeling van het gebied.” Een bijdrage van de (Rijks)overheid werkt vaak als een ­katalysator, aldus Van Rijswick. Als de overheid wat geld beschikbaar stelt, zijn ook de andere partijen bereid bij te dragen. Als de overheid meent dat het écht een maatschappelijk belang is, zoals de bescherming van onze ­drinkwatervoorraden, zou die een probleem naar zich toe moeten trekken om het vlot te trekken, vindt Van Rijswick. Overigens zonder dat verantwoordelijkheden van bijvoorbeeld vervuilende bedrijven daarmee verdwijnen. “Eerst handelen, daarna gedetailleerd uitzoeken wie welk deel moet betalen, die insteek. Misschien niet zo politiek-correct omdat het indruist tegen het principe van ‘de vervuiler betaalt’. Maar wel praktisch en effectief.” 2 MILJOEN Nog één keer terug naar het begin. Hoe is het eigenlijk afgelopen in Lekkerkerk? Is het daar gelukt de 160 miljoen gulden saneringskosten te verhalen? In 2008 – bijna dertig jaar na dato – stond er een berichtje in de krant: de twee ­verantwoordelijke bedrijven waren met de Staat en ­gemeente Nederlek overeengekomen alsnog 2 miljoen euro ­schadevergoeding te betalen. | Met dank aan Cors van den Brink, leading professional grondwater kwaliteits governance bij Royal HaskoningDHV, en lid van

SAMENWERKING ‘De vervuiler betaalt’ is een goed principe, vindt ook hoogleraar Marleen van Rijswick. “Maar je moet wel voorkomen dat door lange procedures maatregelen worden uitgesteld. Zolang er een strijd wordt uitgevochten over het geld, liggen ontwikkelingen in een gebied stil en kan bijvoorbeeld het ­risico worden vergoot dat een verontreiniging zich over een groter gebied verspreidt.” Van Rijswick leidt het Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law aan de Universiteit Utrecht. Het ­succes van een aanpak van een bodemverontreiniging wordt ­volgens haar grotendeels bepaald door de kwaliteit van de ­samenwerking tussen de betrokkenen. “Partijen moeten op zoek naar de gezamenlijke voordelen. Zeker als sommige

de werkgroep Water en Ondergrond van Koninklijk Nederlands ­Waternetwerk (KNW).

‘Gedoe in de ondergrond; een bestuurlijke paradox?’ is op donderdag 23 april het thema van het voorjaarscongres van Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW). Het congres wordt gehouden in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Voor nadere informatie zie pagina 20.


11 ( ADVERTORIAL )

O

H2

BEDRIJFSPORTRET

KELLER MEETTECHNIEK HEEFT VOOR IEDERE SITUATIE EEN TRANSMITTER:

DRUK MEET JE MET KELLER

PR26Y ATEX nivosensor

GSM2 modemlogger

Keller Meettechniek is sinds 1997 in Reeuwijk in gevestigd. Deze volle dochter van Keller AG Druckmesstechnik uit Zwitserland is vertegenwoordiger voor de BeNeLux en marktleider als het gaat om het meten van druk. Elektronisch en digitaal welteverstaan, met sensoren die hun weg vinden naar de industrie, automotive en laboratoria. Daarnaast zijn Keller-sensoren te vinden in bio-, riolering- en watergerelateerde toepassingen. Druk meet je met Keller.

KELLER Meettechniek BV Postbus 59 2810 AB REEUWIJK +31-182-399840 +31-182-399841 sales@keller-holland.nl www.keller-holland.nl

Keller Meettechniek is in april te vinden op de beurs Ocean Business in Southampton, later dit jaar op de M ­ etereological Technology World Expo in Brussel (13-15 oktober, stand 6120) en een maand later op de Aquatech in Amsterdam (3-6 november).

NR3 / MAART 2015

Met een omzet van 2 miljoen euro is meteen duidelijk dat het druk is. “Maar”, zo zegt ­directeur Martijn Smit, “we zien nu wel in toenemende mate klanten die zich oriënteren via onze website die een goed beeld geeft van de mogelijkheden. En dat is maar goed ook, want het vinden van vakkundig personeel is uitermate lastig. Je kunt dit vak niet op school leren. Er is veel technisch inzicht nodig, naast een uitgebreide productkennis. Dat maakt het heel complex.” Keller Meettechniek bezoekt klanten over het algemeen als er sprake is van een praktijk­ situatie waarvoor een oplossing moet worden gevonden. Gaat het om een ontwerp, dan wordt er vooral overleg gevoerd om te bepalen welke mogelijkheden er zijn. Als het bijvoorbeeld om grondwater gaat, dan zijn er al gauw zeven verschillende dataloggers en ­minstens zoveel niveausensoren om metingen te verrichten. Het moederbedrijf Keller AG komt overigens niet voort uit oude mechanische meettech­ nieken; de onderneming begon meteen met de productie van elektronische sensoren. Keller is gespecialiseerd in piëzo-resistieve druk- en niveausensoren. De druk die op zo’n transmitter wordt uitgeoefend, bijvoorbeeld door een vloeistof, wordt door het ­buigende ­silicium omgezet in een stroompje. Met behulp van dat stroompje kan een (geprogrammeerde) microprocessor precies berekenen hoe groot de druk is, maar ook hoeveel ­vloeistof een tank bevat. Dit basisprincipe heeft Keller zeer breed ontwikkeld, waardoor er bijna geen situatie denkbaar is of er is een sensor die is toegesneden op de situatie.


A

12

ONDERGRONDSE OPSLAG VAN ZOETWATER Tekst Dorine van Kesteren Beeld iStockphoto

BODEM ALS

BUFFER


A

ACHTERGROND

Nederland moet zich wapenen tegen verzilting en verdroging. Ondergrondse waterberging kan een oplossing zijn voor het dreigend tekort aan zoetwater. Het principe is even eenvoudig als doeltreffend: overtollig zoetwater in ­natte ­periodes opslaan in de bodem en het in droge periodes weer terugwinnen. ­Moeten we dat niet veel meer doen?

H

et is eigenlijk zo onlogisch als wat. In het najaar en in de winter voeren we veel zoetwater linea recta af naar de zee, terwijl er in het voorjaar en de zomer op sommige plekken een watertekort is. “Op jaarbasis is er in Nederland een neerslagoverschot, maar het water dat in natte periodes is gevallen, is vaak niet meer beschikbaar in tijden van droogte. We moeten dus maatregelen treffen om in droge periodes over voldoende water te kunnen beschikken. Als we niets doen, wordt de situatie door de klimaatverandering en de langere periodes van droogte steeds nijpender”, schetst Carl Paauwe, directeur van de Stichting Waterbuffer, het probleem. Uiteindelijk gebruiken we dus slechts een paar procent van alle neerslag die er valt. Zonde, want dit water is van goede kwaliteit en kan beter worden benut. De oplossing ligt voor de hand: extra voorraden creëren door zoetwater in tijden van overvloed op te slaan. Onder de grond bijvoorbeeld. Dit concept is op zichzelf niet nieuw: de drinkwaterbedrijven langs de kust doen dit al decennialang. Zij leiden oppervlaktewater uit de rivieren naar de duinen, slaan dit daar in de bodem op en pompen het later weer op. Buiten de drinkwaterbedrijven doet er in Nederland bijna niemand aan ondergrondse voorraadvorming en terugwinning. En dat is gek, vindt Marcel Paalman, onderzoeker bij KWR Watercycle Research Institute. “Het principe van ondergrondse waterberging oftewel ­Aquifer Storage and Recovery (ASR) is bij uitstek ook geschikt voor de industrie en de land- en tuinbouw. Dit zijn immers sectoren die het jaar rond grote hoeveelheden zoetwater nodig ­hebben.” PILOTS IN WESTLAND/OOSTLAND KWR is daarom een paar jaar geleden gestart met pilotprojecten bij een orchideeënkweker in het Oostland en een tomatenkweker in het Westland. Deze tuinders stellen hoge eisen aan de kwaliteit van het irrigatiewater. Oppervlaktewater heeft niet de juiste kwaliteit. ­Regenwater is wel geschikt, maar de bassins waarin dit wordt opgeslagen, hebben maar een > NR3 / MAART 2015

THEMA

ONDER DE

GROND

13


14

beperkte capaciteit. Als het water in deze bassins op is, pompen de tuinders grondwater op. Omdat dit in het westen van Nederland brak en zout is, moeten zij het water eerst ontzilten via omgekeerde osmose. Het zoute restproduct (brijn) wordt vaak diep in de bodem geloosd. Dit proces kost niet alleen veel tijd en geld, maar de infiltratie van brijn in de ondergrond is ook minder gewenst vanwege de toename van de verzilting.

Een kweker in het Oostland is geheel self ­supporting geworden dankzij zijn onder­ grondse zoetwaterbel

Volgens Paalman is ondergrondse opslag van zoetwater een goed alternatief. “Onder de grond is het opslagvolume veel groter, de tuinders kunnen hun kostbare bovengrondse ­ruimte gebruiken voor winstgevender doeleinden, er hoeft minder water ontzilt te worden en de brijnlozingen worden beperkt.” Het vernieuwende van de pilots van KWR is dat het zoetwater onder de grond in zout water wordt bewaard. Paalman legt uit: “Het regenwater wordt in een zandige watervoerende laag (aquifer) in de ondergrond geïnjecteerd, op een diepte van circa 10 tot 25 meter onder het maaiveld. Deze laag is aan de boven- en onderkant afgesloten door een slecht waterdoorlatende kleilaag, die moet voorkomen dat het omringende zoute water zich vermengt met het zoetwater. Vervolgens kan een groot deel van het zoetwater weer worden teruggewonnen. Niet alles, omdat een zekere vermenging van zout en zoet water onvermijdelijk is.” BEMOEDIGEND De resultaten zijn tot nu toe bemoedigend. De Oostlandse orchideeënkweker is geheel self supporting geworden dankzij zijn ondergrondse zoetwaterbel. De tomatenkweker (nog) niet: dat bedrijf heeft meer water nodig dan er jaarlijks aan neerslag valt. “Dat komt onder andere doordat tomaten nu eenmaal meer water vragen dan orchideeën. Het zou dus goed zijn als kwekers met een lage watervraag hun water delen met tuinders die veel water nodig hebben. In de praktijk gebeurt dat nu al: de orchideeënkweker uit de pilot levert incidenteel het water dat hij overhoudt uit zijn ondergrondse bel aan de buurman”, zegt Paalman. Een andere oplossing is dat grootverbruikers in de tuinbouw gebruik mogen maken van het

ONDERGRONDSE WATERBERGING IN HET BUITENLAND In veel landen is schaarste aan water voor de landbouw, waardoor de grondwaterstanden dalen en er grootschalige verdroging optreedt. Omdat de natuurlijke aanvulling van grondwater vaak niet toereikend is, groeit wereldwijd het besef dat aanvulling ‘van bovenaf’ onontbeerlijk is om te voorkomen dat de grondwatervoorraad definitief uitgeput raakt. Infiltratie van zoetwater in de bodem is een manier om de grondwatervoorraad op peil te brengen en de voorraad aan zoetwater te vergroten. In Abu Dhabi (Verenigde Arabische Emiraten) wordt op grote schaal zeewater ontzilt en als zoetwater opgeslagen in de ondergrond. Ook in veel andere landen wordt het concept van ondergrondse waterberging toegepast of ontwikkeld. Het principe van zoet water opslaan in een ondergrondse bel die wordt omringd door zout water, komt in het buitenland nog nagenoeg niet voor. Er is wel veel belangstelling voor in andere kust- en deltagebieden. Het pilotproject in het Westland bijvoorbeeld mocht eind vorig jaar een delegatie uit Vietnam ontvangen. In de Vietnamese Mekong Delta wonen namelijk veel mensen die voor hun drinkwater en voedselproductie afhankelijk zijn van voldoende zoet water en te maken hebben met verzilting van het grondwater. De ondergrondse opslag van ‘zoet in zout’ is een innovatie die dan ook zeker kansen biedt voor de internationale markt.


ACHTERGROND regenwater dat bij ‘gewone’ bedrijven in de buurt valt. Paalman: “Zo’n combinatie van glastuinbouw en bedrijventerrein is beoogd in het Glasparel+-project in de Zuidplaspolder. De bedoeling is dat het water dat op de daken van de bedrijfsgebouwen valt, wordt opgevangen en geïnfiltreerd in de ondergrond, waarna de glastuinbouw het weer als irrigatiewater kan benutten. Op deze manier kunnen de tuinders ook profiteren van het water dat op de daken van nabijgelegen bedrijven valt. Hetzelfde is denkbaar in woonwijken, waar we het regen­ water ondergronds kunnen opslaan en hergebruiken nadat het is afgekoppeld van het riool.” OPSLAG IN STEDELIJK GEBIED De Stichting Waterbuffer borduurt voort op deze gedachte en heeft samen met kenniscentrum van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (Stowa) en het ministerie van ­Infrastructuur en Milieu een verkenning laten uitvoeren naar de mogelijkheden van ­ondergrondse opslag en terugwinning in het stedelijk gebied. Dit is niet alleen nuttig voor de zoetwatervoorziening, maar kan ook de wateroverlast in steden beperken, als de sloten het regenwater daar na een fikse bui niet kunnen verwerken. Paauwe: “Regenwater dat in de diepe ondergrond wordt geïnfiltreerd, belast het oppervlaktewatersysteem minder, zodat de kans op overlast kleiner wordt. Het voordeel is dat ondergrondse opslag weinig ruimte kost ten opzichte van bovengrondse alternatieven. En je kunt het water later altijd weer terugwinnen, bijvoorbeeld om groenvoorzieningen of sportvelden van water te voorzien, of het oppervlaktewatersysteem door te spoelen. Een aandachtspunt is wel dat het water in voldoende mate moet worden gezuiverd om putverstopping en mogelijke verontreiniging van de ondergrond te voorkomen.” Ook de mogelijkheden van ondergrondse opslag in het oosten van Nederland zijn het onderzoeken waard. Waar het westen wel genoeg water heeft, maar niet altijd van de ­juiste ­kwaliteit en op het juiste moment, hebben de hoge zandgronden al jaren te maken met verdroging. Paalman: “In het oosten kan infiltratie van zoetwater in de bodem helpen om het ­gebiedseigen water langer vast te houden en de voorraad aan zoetwater te vergroten. ­Waterberging is mogelijk op de zandgronden, maar wel lastiger, omdat het water ­moeilijker kan worden vastgehouden. Recentelijk hebben we dit onderzocht in het gebied van de ­Stippelberg in Noord-Brabant.”

‘ Regenwater dat in de diepe onder­ OP DE AGENDA De Stichting Waterbuffer en KWR twijfelen niet aan de potentie én de noodzaak van de grond wordt ­ondergrondse opslag van zoetwater. Maar voordat deze techniek een vlucht kan nemen, geïnfiltreerd, moet er nog wel wat gebeuren. Zo is het belangrijk dat het onderwerp hoog op de politieke en bestuurlijke agenda blijft staan, aldus Paauwe. Hij vindt dat het Deltaplan Zoetwater belast het “goede aanknopingspunten” biedt. “Dat doet een beroep op de zelfvoorzienendheid van de oppervlakte­ gebruikers. Ondergrondse opslag past in die strategie.” watersysteem In het verlengde hiervan werkt de Stichting Waterbuffer aan de ontwikkeling van een nieuw minder, zodat wettelijk toetsingskader, dat naar verwachting in mei klaar is. Paauwe: “Nu passen de de kans ­vergunningverleners het Infiltratiebesluit bodembescherming toe, dat eigenlijk bedoeld is op overlast voor grootschalige infiltratie in de duinen ten behoeve van de drinkwatervoorziening. Voor kleiner kleinschalige toepassingen leidt dit tot onnodig hoge kosten.” wordt’ INVESTERING BEDRIJFSLEVEN Daarnaast moeten er de komende jaren nog flink wat meer pilotprojecten worden uitgevoerd – en die moeten betaald worden. “Tot nu kwam het leeuwendeel van de financiering van de > NR3 / MAART 2015

15


16

ACHTERGROND

‘ Het is belangrijk dat de water­ schappen de potentie van de onder­grond herkennen en integreren in hun water­ beheertaken’

overheid, maar wij doen steeds nadrukkelijker een beroep op de eindgebruikers zelf. Niet voor niets spreekt het Deltaprogramma over de onmisbare rol van het bedrijfsleven bij de ontwikkeling van waterinnovaties. Hoe meer goede business cases beschikbaar zijn, hoe ­beter wij het bedrijfsleven kunnen tonen dat investeringen in deze technologie renderen. Voor de glastuinbouw is het verbod op brijnlozing dat in 2022 in werking treedt, in ieder geval een goede prikkel”, zegt Paauwe. Als laatste voorwaarde voor een succesvolle doorontwikkeling noemt Paalman een actieve houding van de waterschappen. “Het is belangrijk dat de waterschappen de potentie van de ondergrond herkennen en integreren in hun waterbeheertaken. Het waterbeheer is nu vooral gericht op de aan- en afvoer van oppervlaktewater van en naar het hoofdwatersysteem. Door actief de ondergrond te betrekken in het waterbeheer – zeg maar 3D-waterbeheer – kunnen we tot een robuuster watersysteem komen.” | Lees over dit onderwerp ook het artikel ‘Nederlandse zoethouder wereldwijd toepasbaar’ op pagina 43 van Water Matters, het kenniskatern bij deze editie van maandblad H2 O. Het is geschreven door Klaasjan Raat (KWR), Ate Oosterhof (Vitens), Frans Heinis (BAM Nelis de Ruiter) en Petra Ross (Arcadis).

LEES VERDER OVER DIT ONDERWERP OP H2O-ONLINE Vanwege dit themanummer ‘Onder de grond’ van maandblad H2O zijn op H2O-Online verschillende artikelen gepubliceerd over zoetwaterberging onder de grond. Ze zijn te lezen door gebruik te maken van de QR-codes of te kijken op www.vakbladh2o.nl. Het gaat om de volgende artikelen: Zelfvoorzienende zoetwaterberging in de land- en tuinbouw draagt bij aan zoetwaterbesparing en het beperken van economische schade, geschreven door Arjen Oord (Acacia Water), Wendalin Kolkman (Antea Group) en Rowena Kuijper (provincie Noord-Holland). Het behandelt een meerjarige proef met zoetwaterberging bij een bollenkweker op Texel. Minder wateroverlast en betere zoetwatervoorziening in glastuinbouwgebieden door ondergrondse waterberging, geschreven door Martin van der Schans en Marcel Paalman (KWR), Mia Süss en Peter Hollanders (hoogheemraadschap van Delfland) en Erik de Haan (provincie Zuid-Holland). Het behandelt de ondergrondse berging van piekbuien in het Westland. Innovatieve putconcepten maken zoetwaterreservoir in verzilte ondergrond mogelijk, geschreven door Koen Zuurbier en Marcel Paalman (KWR), Siebren van der Linde (Universiteit Utrecht), Dick de Gelder (B-E De Lier BV) en Peter Meeuwse (Meeuwse Handelsonderneming BV). Het behandelt twee innovatieve putconcepten om ondergrondse waterberging ook op k ­ leine schaal in brak en zout grondwater mogelijk te maken.

‘Gedoe in de ondergrond; een bestuurlijke paradox?’ is op donderdag 23 april het thema van het voorjaarscongres van Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW). Het congres wordt gehouden in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Voor nadere informatie zie pagina 20.


HOOG <

WATER

17

DORDRECHT Watertorens: er werden er ooit 260 gebouwd om druk te houden op het leidingnet en altijd te beschikken over schoon drinkwater. De meeste hebben nu een andere bestemming. In de derde aflevering van deze serie: een watertoren in Dordrecht.

33M

VROEGER Deze watertoren aan het Wantij dateert uit 1882 en is een Rijksmonument. Het bouwwerk heeft de allure van een kasteel en was onderdeel van een waterfabriek van de Dordtse drinkwatervoorziening. Op het terrein rond de toren werd het rivierwater gezuiverd in open zandfilterbassins. Op de begane grond van de watertoren stonden de machines, op de verdiepingen waren machinistenwoningen. Daar was ook een laboratorium dat de waterkwaliteit in de gaten hield. Dit gebeurde met forellen die tegen de stroom in zwommen. Als ze dat niet meer deden, was dat het teken dat er iets aan de hand was met het water en ging er een alarm af. De water­ toren verloor zijn functie als drukvat in 1965.

> GEBOUWD: 1882 INHOUD RESERVOIR 500 M3

NU Bijzonder is de herbestemming die het complex (nu Villa Augustus) heeft gekregen. De watertoren en de bijgebouwen hebben 37 hotelkamers, drie zalen en een restaurant (in het voormalige pompgebouw). Het realiseren van hotelkamers in de vroegere machinistenwoningen was simpel, maar in het waterreservoir was dit veel lastiger. Uit de smeedijzeren bak moeten ramen en deuren gezaagd worden. Een van de kamers heeft ook een stalen vloer; de bodem van het reservoir. Het restaurant maakt gebruikt van biologische producten, onder andere uit de eigen tuin, nu te vinden die op de plek van de vroegere waterbassins. Markt-CafĂŠ in het vroegere pompgebouw

Tekst en fotografie Roel Smit

NR3 / MAART 2015


18

O

HOOGSTANDJE

H2

RIJKSWATERSTAAT REGELT HET AL BIJ DE DUITSE GRENS 175 meter lang en vijf meter hoog: het nieuwe ‘regelwerk’ is imposant. Rijkswaterstaat bouwde het aan de oostgrens van Gelderland om de verdeling van het Rijnwater over het Nederlandse rivierengebied nauwkeurig te kunnen bepalen. Tekst Roel Smit | Fotografie Marcel Molle

De staanders zijn vijf meter hoog; daartussen passen betonnen balken van één bij vijf meter


19

Bij hoogwater, als de hele uiterwaard volloopt, stroomt er water door het regelwerk. De openingen daarin kunnen helemaal of gedeeltelijk met de betonnen balken worden afgesloten.

Een nieuwe deur op de Nederlandse delta. Zo kun je het nieuwe regelwerk dat Rijkswaterstaat bij de Gelderse grensplaats Pannerden heeft gebouwd, misschien nog wel het beste noemen. Het is een ‘deur’ met een i­ mposante omvang: 175 meter breed en met staanders van vijf meter hoog. Tussen de staanders passen betonnen balken van één bij vijf meter. Het afgelopen najaar werd het nieuwe ­regelwerk, dat circa 4 miljoen euro heeft gekost, officieel in gebruik ­genomen. Het nieuwe regelwerk vervangt de oude Pannerdensche Overlaat op deze locatie. Dat was stalen damwand met een vaste hoogte van twee meter. Vanwaar dit enorme bouwwerk midden in de uiterwaarden, dat bovendien het grootste deel van het jaar geen enkele rol vervult omdat het droog staat? Daarvoor is een goede reden: de veiligheid langs de Nederlandse rivieren. Een groot deel van het rivierwater komt Nederland binnen via de Rijn, die in de buurt van Pannerden het land binnenkomt. Bij de Pannerdensche Kop splitst deze (Boven-)Rijn zich in de Waal en het Pannerdensch Kanaal. Bij normale waterstanden allemaal geen probleem, maar bij hoogwater is een juiste waterverdeling heel belangrijk. Daarom is al sinds de 18e eeuw wettelijk vastgelegd dat het rivierwater bij hoogwater in een vaste verhouding over beide waterlopen wordt verdeeld: twee derde gaat via de Waal en een derde via het Pannerdensch Kanaal richting de noordelijker gelegen IJssel. Deze vaste verhouding is belangrijk om te voorkomen dat een van beide waterlopen teveel water te verwerken krijgt, wat tot overstromingen kan leiden. Ingrijpen op deze strategische plek heeft dus veel invloed op de rest van het rivierengebied, van het IJsselmeer in het noorden tot de delta in het westen. Wie het nieuwe regelwerk op een ‘normale’ dag bezoekt, ziet dat er waarschijnlijk NR3 / MAART 2015

niet aan af. De enorme constructie doorsnijdt dan een droge uiterwaard. Bij hoogwater, als de hele u ­ iterwaard volloopt, stroomt er water door het regelwerk. De ­openingen daarin kunnen helemaal of gedeeltelijk met de betonnen balken worden afgesloten. Elk jaar, voor de start van het hoogwaterseizoen, zal Rijkswaterstaat het ­regelwerk instellen (dat wil zeggen met een mobiele hijskraan meer of minder ­balken plaatsen) op basis van de nieuwste berekeningen. Hierbij wordt met veel factoren rekening gehouden, waaronder bodemdaling en de ontwikkeling van de vegetatie. Het regelwerk Pannerden is niet het enige regelwerk in Nederland. Bij Westervoort, vlakbij het punt waar Rijn en IJssel zich splitsen, staat het regelwerk Hondsbroeksch Pleij. Dit regelwerk heeft een vergelijkbare functie. Een video (gemaakt in opdracht van Rijkswaterstaat) over het regelwerk bij Pannerden is te zien door gebruik te maken van de QR-code (of zoek op Youtube met de zoekterm ‘Regelwerk Pannerden’)


20

23 APRIL IN UTRECHT KNW-VOORJAARSCONGRES

‘GEDOE IN DE ONDERGROND’ ‘Gedoe in de ondergrond – een bestuurlijke paradox?’ Dat is op donderdag 23 april in het Utrechtse Spoorwegmuseum het thema van het voorjaarscongres van Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW). Achtergrond van het congresthema is dat de ontwikkelingen in de ondergrond snel gaan, zo snel dat de overheid niet kan achter­ blijven om gedoe in de ondergrond te voorkomen. Terwijl het ene i­nitiatief na het andere ontstaat, ontbreekt het nog aan de ­gewenste structuurvisie van het Rijk op de ondergrond, STRONG. Is dat een probleem? Hoe kunnen we daar als water- en ondergrondprofessional nu alvast mee omgaan? Foto Spoorwegmuseum

Het congres bestaat uit twee dagdelen. In het plenaire deel in de morgen zullen onder leiding van dagvoorzitter ­oud-minister ­Jacqueline Cramer de complexiteit van het handelen in de ­ondergrond en de kansen hierbij in beeld worden gebracht. In een discussie werpen

bestuurders en prominente beslissers daarna vanuit hun eigen perspectief hun licht op de dilemma’s en paradoxen in de praktijk. Om vervolgens na te gaan wat ze van de ­toekomstige wetgeving en beleidskaders verwachten, zoals de omgevingswet en STRONG. “Het is nu nog een goed moment om ideeën uit de waterwereld mee te geven voor het onderzoek voor de Structuurvisie Ondergrond”, zegt Ruud Cino, programmamanager STRONG bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu. “De inspraakprocedure is nu net a ­ fgerond, waarbij alle partijen hun zienswijzen hebben ­kunnen indienen. Voor het congres hopen we ook het advies van de ­commissie Milieu Effect Rapportage over alle zienswijzen te ­hebben.” Voor het tijd is voor de lunch, zal de morgen worden afgesloten met de uitreiking van de H2O-prijs voor het beste vakartikel in de ­watersector van 2014. ’s Middags zal verdere verdieping plaatsvinden tijdens elf interactieve sessies waar de paradoxen en dilemma’s in de ondergrond aan bod komen. Congresdeelnemers kunnen hieruit hun keuze maken. Het wordt steeds drukker in de ondergrond. Kiezen we voor gedoe of regie? Kunnen we waterafhankelijke bedrijven betrekken bij het grondwaterbeheer? En hoe gaan we op het gebied van communicatie om met deze dilemma’s? Het middagprogramma biedt voor elk wat wils. De dag wordt afgesloten met een borrel en ­gelegenheid tot napraten en netwerken. Het volledige programma is te vinden op de website. Daar kunnen deelnemers zich ook aanmelden. www.waternetwerk.nl

WATERBEDRIJVEN BIEDEN WERK AAN ARBEIDSGEHANDICAPTEN Werkgevers in onder andere de watersector hebben vorig jaar 80 nieuwe banen gecreëerd voor werknemers die door een arbeidshandicap moeilijk aan de slag komen. Dit gebeurde in het kader van het project ‘Samenwerken & Verbinden’, dat door werkgeversorganisaties WENb en WWb samen met leden in de energie-, telecom-, milieu- en watersector is gestart. Dit jaar zullen nog 150 werknemers uit deze doelgroep worden geplaatst. Aan de pilot deden zestien bedrijven mee. Sinds 1 januari is de Participatiewet van kracht. Sindsdien is er geen nieuwe instroom meer mogelijk in de Wajong en de ­sociale werkvoorziening. Werknemers met een arbeidshandicap zijn hierdoor steeds meer aangewezen op de reguliere arbeidsmarkt.

Werkgevers maakten daarom afspraken met het kabinet en de vakbonden om tot 2026 100.000 banen te creëren voor mensen die niet zelfstandig het (volledige) minimumloon kunnen verdienen. Lukt dat niet, dan treedt de heffing van 5.000 euro per niet gerealiseerde plaats per jaar in werking (de Quotumwet). Samenwerken & Verbinden is in Nederland het enige project voor een sectorbrede aanpak om werk te bieden aan arbeidsgehandicapten. Het doel is werkgevers te ondersteunen bij succesvolle instroom. Bedrijven die hiermee aan de slag willen, krijgen vanuit het project zowel advies en informatie als praktische begeleiding bij de uitvoering. Kijk voor meer informatie op de website. www.wenb.nl/projecten


WATERNETWERK

NIEUWS UIT HET NETWERK VAN WATERPROFESSIONALS

De deelnemers aan Wetskills 2014 in Canada

KORT

NIEUWS

WETSKILLS HOUDT ‘CHALLENGE’ IN DE VS Na het succes van eerdere challenges in onder andere China, Roemenië, Marokko, Indonesië, Zuid-Afrika, Nederland en Canada houdt Wetskills van 12 tot 26 juni een nieuwe Wetskills water challenge. Deze zal plaatsvinden in Milwaukee, Wisconsin (VS). De challenge wordt georganiseerd in samenwerking met universiteiten uit de regio, de Nederlandse ambassade in Washington en het consulaat in Chicago. Het doel is om gezamenlijk met Amerikaanse en Canadese studenten innovatieve oplossingen te bedenken voor case studies die door de watersector aangeleverd worden. Na een teambuildingprogramma wordt in groepen aan deze cases gewerkt, met als doel om ­mogelijke oplossingen te presenteren op de aansluitende Milwaukee Water Summit (23-24 juni). In deze editie van de Wetskills water challenge staan watergerelateerde problemen centraal die ­specifiek spelen in de staat Wisconsin. Voornaamste thema’s zijn: stedelijk waterbeheer en herontwikkeling van binnensteden, resource recovery in de bier- en kaasindustrie en het waterbeheer van Lake Michigan. De organisatie van Wetskills is op zoek naar sponsors voor deze editie. Sponsoren mogen een case study aanleveren waarmee deelnemers aan de slag gaan. Er wordt gewerkt in interdisciplinaire teams om tot een innovatieve oplossing te komen, die wordt gepresenteerd op de Milwaukee Water Summit. Voor case sponsoren is de water challenge een kans om zichzelf op een originele en inter­ actieve manier in beeld te brengen bij mogelijke Amerikaanse zakenpartners. Voor meer informatie: Erwin Vonk van Wetskills (erwin.vonk@wetskills.com) of Jantienne van der Meij-Kranendonk, Nederlandse ambassade in Washington (jantienne@nost.org).

NR3 / MAART 2015

Call for Papers Vlaams-Nederlands Watersymposium Onder de titel De waarde van water - Duurzaam omgaan met water en waterhergebruik, organiseert de Stichting Kennisuitwisseling ­Industriële ­Watertechnologie (SKIW) ­samen met een aantal Nederlandse en Vlaamse partners het tweejaarlijkse symposium op donderdag 17 september. De organisatie van het evenement, dat wordt gehouden bij hogeschool Avans in Breda, heeft nog behoefte aan voorstellen voor cases en pitches. Het watersymposium van SKIW is inmiddels een geliefd platform voor de ­industriële watergebruiker en zijn toeleveranciers. De deelnemers zijn behalve industriële procestechnologen, watertechnologen, watermanagers en utilitymanagers, ook procestechnologen van ­adviesbureaus en vertegenwoordigers van de toeleverende industrie. Het symposium omvat een uitgebreid lezingenprogramma en een aan het symposium ­gekoppelde beperkte vaktentoonstelling. De lezingen ­worden gehouden tijdens één plenaire en meerdere ­parallelle sessies. Nieuw in deze editie zijn de themagerichte rondetafelgesprekken. Naast het officiële gedeelte biedt het symposium uitgebreid de mogelijkheid om te netwerken. Inschrijfformulieren voor cases en pitches en het volledige programma zijn te downloaden via de website. www.skiw.nl

21


22

AGENDA iStockphoto

2 APRIL, UTRECHT

Emissiesymposium

Jaarlijks symposium over de laatste ontwikkelingen op het gebied van emissieregistratie en recente projecten waarbij emissies een belangrijke rol spelen. Organisatie: Deltares in samenwerking met de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (Stowa), Rijkswaterstaat, Alterra Wageningen UR en Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW). www.stowa.nl

2 APRIL, BEEGDEN

Ibrahym netwerkdag en presentatie Ibrahym 2.0.

Netwerkdag met de presentatie van Ibrahym 2.0, het nieuwe geohydrologsich model voor de provincie Limburg. Organisatie: provincie Limburg in samenwerking met waterschap Peel en Maasvallei, waterschap Roer en Overmaas en Waterleidingmaatschappij Limburg. http://ibrahymnews.deltares.nl

Organiseert u een evenement voor waterprofessionals dat vermelding verdient in de rubriek Agenda? Meld het dan aan de redactie van maandblad H2O: redactie@vakbladh2o.nl

Doelgroep: portefeuillehouders ruimtelijke ordening, ambtenaren en professionals. Organisatie: Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW). www.waternetwerk.nl

29-30 APRIL, WAGENINGEN

Environmental Technology for Impact 2015 (ETEI2015)

Tweedaagse internationale conferentie ter gelegenheid van 50 jaar milieutechnologie aan de Wageningen Universiteit. De focus ligt op innovatieve milieutechnologie en toekomstige mogelijkheden voor hergebruik van grondstoffen uit afval en afvalwater. Organisatie: Wageningen University. www.etei2015.org

1 MEI, WAGENINGEN

Alumnidag ‘50 jaar vakgroep Milieutechnologie in Wageningen’

22 APRIL, UTRECHT

Reünie voor oud-studenten, en –medewerkers ter gelegenheid van 50 jaar milieutechnologie aan de Wageningen Universiteit. Organisatie: Wageningen University. www.wageningenur.nl

Diner ter bevordering van samenwerking in de watercyclus. Organisatie: KNW Themagroep Watervoorziening. www.waternetwerk.nl

3 JUNI, TIEL

22 APRIL, AMERSFOORT

Jaarlijkse netwerkbijeenkomst voor vrouwen in de watersector. Organisatie: Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW). www.waternetwerk.nl

Samenwerking in de watercyclus, intervisiediner

Seminar ‘Groene daken verdienen een plek in de klimaatadaptieve stad’

Jaarlijks ‘groene-dakenseminar’ voor waterschappen, gemeenten, kennisinstellingen, gebruikers, productontwikkelaars en –leveranciers over het optimaal benutten van groene daken. Organisatie: Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (Stowa) in samenwerking met Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW) en Rioned. www.stowa.nl

23 APRIL, UTRECHT

KNW-voorjaarscongres ‘Gedoe in de ondergrond een bestuurlijke paradox?’ Congres over de ondergrond: hoe helpen we vanuit de inhoud bestuurders inzicht en handvatten te geven om de juiste afwegingen en keuzes te kunnen maken? Welke bestuurlijke paradoxen bepalen het benutten van kansen in de ondergrond?

Vrouwenwaternetwerk

8 JUNI, DEN BOSCH

World café

Eerste van twee kennisbijeenkomsten om de watersector kennis te laten nemen van de inzichten vanuit mediation en hoe deze in relevante cases succesvol kunnen worden toegepast. Organisatie: Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW) in samenwerking met Stichting Mediation in Milieu en Ruimtelijke Ontwikkeling. www.waternetwerk.nl

22-24 JUNI, GRONINGEN

Fish Passage 2015

Internationaal congres over vismigratie. Organisatie: Sportvisserij Nederland in samenwerking met diverse kennisinstellingen en stichtingen in binnen- en buitenland. http://www.fishpassageconference.com


WATERNETWERK

23

NIEUWS UIT HET NETWERK VAN WATERPROFESSIONALS

KORT

NIEUWS

Foto Kees Broks

Panama (Kadir van Lohuizen)

‘ WATER, WATER’ THEMA FOTOFESTIVAL NAARDEN

Van donderdag 14 mei tot en met zondag 21 juni wordt het FotoFestival Naarden 2015 gehouden. ‘Water, water’ is het hoofdthema tijdens deze veertiende editie van het culturele evenement, dat tweejaarlijks tienduizenden fotoliefhebbers trekt. Op het FotoFestival Naarden 2015 zijn nieuwe series te bewonderen van Frans Lanting, Kadir van Lohuizen, Jimmy Nelson en tientallen andere topfotografen. Verder zijn er onder meer rondleidingen, openbare interviews, een fotoboekenwinkel, een tentoonstelling in het kader van de Kees Scherer Prijs voor het beste fotoboek, de uitreiking van de Joke Veeze Award 2015 voor beginnende mode­ fotografen en de buitententoonstelling The Fence met werk van jonge talenten. Aan het programma wordt tot de opening gewerkt. Uitgebreide achtergrondinformatie en het laatste nieuws is te vinden op de website. www.fotofestivalnaarden.nl

PERSONALIA Sinds 1 maart heeft Jan Hofman de leiding over het nieuwe Water Innovation & Research Centre WIRC@Bath in Groot-Brittannië. Dit centrum is door de Universiteit van Bath opgericht in samenwerking met watercyclusbedrijf Wessex Water. Met WIRC@Bath beoogt de universiteit het leidende wateronderzoeksinstituut in het Verenigd Koninkrijk te worden. De multidisciplinaire onderzoeksteams van het WIRC richten zich op vijf waterkwesties: waterbehandeling, waterbronnen, watermanagement, water & volksgezondheid en de duurzame combinatie van water, milieu en infrastructuur. Hofman (1964) heeft na zijn opleiding als chemisch ingenieur en zijn promotie aan de TU Eindhoven ruim 25 jaar ervaring opgedaan in toepassingsgericht wateronderzoek, waarvan een groot deel bij watercyclusbedrijf Waternet en KWR Watercycle Research Institute, waar hij tot 1 maart senior onderzoeker Industrie, Afvalwater en Hergebruik was. Zijn expertises zijn onder meer drinkwaterbehandeling, afvalwaterbehandeling (waaronder verwijdering van geneesmiddelen) en nanotechnologie.

NR3 / MAART 2015

22 april: Groene daken in een klimaatactieve stad Op 22 april houdt de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (Stowa) samen met Rioned en Koninklijk Nederlands Waternetwerk (KNW) het jaarlijkse groene-daken-­ seminar in vergadercentrum De Observant in Amersfoort. Dit jaar is het thema: Groene daken verdienen een plek in de klimaatactieve stad! Hoe benutten we ze optimaal? Rioned en Stowa presenteerden onlangs een rapport over de hydrologische effecten van groene daken. Het wordt steeds duidelijker wat groene daken wel en niet kunnen betekenen. De koppeling met ­andere terreinen, zoals gezondheid, biodiversiteit en energie wordt steeds aantrekkelijker. Welke kansen biedt dit voor het waterbeheer en hoe kunnen we die kansen benutten? Tijdens het seminar wordt ook aandacht besteed aan governance-aspecten. Deelnemers maken kennis met de visie van onder anderen een waterschapsbestuurder, een wethouder en een gedeputeerde. Het seminar is bedoeld voor waterschappen, gemeenten, kennisinstellingen, -gebruikers en productontwikkelaars en -leveranciers. Het uitgebreide programma is te vinden op de website van Stowa, waar men zich ook voor deelname kan aanmelden. www.stowa.nl


24

BOEKEN Niet bang voor water? Wat doen de waterschappen voor ons? Wie dat precies wil weten, kan het boek lezen van Hans Middendorp. Zijn boek ‘Niet bang voor water?’ vertelt het verhaal van onze strijd tegen het water vanaf het ontstaan van de eerste polders tot het huidige Deltaprogramma. Concreet gaat het om onderwerpen als: het verschil tussen waterveiligheid en wateroverlast, de effecten van bodemdaling en klimaatverandering op het waterbeheer, het zuiveren van ons afvalwater en het terugwinnen van grondstoffen en energie, de kwaliteit van het oppervlaktewater en de problemen met grondstoffen en bestrijdingsmiddelen. En natuurlijk behandelt het boek – dat vlak voor de waterschapsverkiezingen van 18 maart verscheen – ook de betekenis van deze verkiezingen. Niet bang voor water? Wat de waterschappen voor je doen Auteur: Hans Middendorp | 147 blz. ISBN 978-90-484-3648-4 Prijs: € 16,95 (inclusief verzending) www.hansmiddendorp.nl

7 OKTOBER: WATERNETWERK PRAKTIJKDAG ‘POMPEN EN SEALS’ De jaarlijkse Waternetwerk Praktijkdag wordt gehouden op woensdag 7 oktober en gaat over pompen en seals. Het doel van de bijeenkomst, die wordt gehouden bij waterschap Vallei en Veluwe in Apeldoorn, is om kennis te delen en bewustwording te kweken over het werken met pompen en seals. Zo kan schade worden voorkomen en kan het werk effectiever, efficiënter en tegen lagere kosten worden gedaan. Een paar thema’s: uitlijning, seals: eigenschappen en asafdichtingen, lageringen en asbussen, energie en waar let je op bij levering? De praktijkdag is bedoeld voor medewerkers en ­leidinggevenden die werken met pompen bij waterbedrijven, waterschappen, ­industrie en gemeenten. Het gaat om de koppeling van het voortraject met onderhoud en praktijk. Meer informatie en aanmelden via de website. www.waternetwerk.nl

De eerste bijeenkomst van VIA Water in Delft

VIA WATER TRAPT AF MET DRUKBEZOCHT EVENEMENT Op 20 februari werd het eerste evenement gehouden van VIA Water, een programma voor waterinnovatie in Afrikaanse steden. Belangstellenden konden kennismaken met programma en zien wat een VIA Water-project is en ervaren wat de VIA Water Community behelst. In YES! Delft ‘centre for high tech entrepeneurs waren ongeveer 85 mensen aanwezig: een mix van (Afrikaanse) studenten, NGO- en overheidswerkers, zakenmensen en mensen uit de watersector. Rolf Hut van de TU Delft, zorgde voor de ‘ijsbreker’, waarin hij benadrukte dat innovaties zo snel mogelijk getest moeten worden, en dat men niet bang moet zijn om te falen. Of simpel gezegd: stop met denken, begin met knutselen. De dag werd vervolgd met een informatieve sessie over VIA Water, de Community en het fonds: belangrijke componenten werden besproken, zoals het belang van het delen van je ideeën in de Community, het concept ‘leren door innoveren’, en de criteria waaraan een projectvoorstel moet voldoen voor indiening bij het fonds. In vier workshops werden daarna de bouwstenen van het programma belicht. Kevin Maina uit Kenia, die aan het UNESCO-IHE Institute for Water Education studeert, liet zien welke barrières hij tegenkomt bij het uitvoeren van zijn plan om afval te verwerken tot dakpannen. De workshop illustreerde de noodzaak van een goed plan, iets dat in de selectieprocedure van VIA Water ook een belangrijke rol speelt. In zo’n plan is het essentieel de onderzoeksvraag goed te verwoorden. Dat werd ook duidelijk tijdens de workshop die Osman Zafar (SWS International) hield over struvietproductie uit urine. Daarnaast sprak Saskia Reus-Makkink (Africa Funded en Aqua for All) over het omzetten van innovatieve ideeën in levensvatbare business-modellen, en Rolf Hut liet deelnemers zien wat hij bedoelt met beginnen met knutselen door ter plekke een regensensor te maken. Meer informatie over het evenement (waaronder een korte video) en informatie over de VIA Water Community is te vinden op de website. www.viawater.nl


WATERNETWERK

NIEUWS UIT HET NETWERK VAN WATERPROFESSIONALS

iStockphoto

Mijn mening

DE ETALAGE VAN DE TOPSECTOR MAG GROTER Jos Peters

Nederland staat vooraan in de wereld met onze kennis van waterveiligheid. Een belangrijk exportproduct. Er is echter meer, veel meer. De mening van waterprofessional Jos ­Peters. Vier jaar geleden ontmoette ik Kumar, een jonge boer in Rajasthan, een droge deelstaat van India. Kumar is trots op zijn gezin, heeft een paar koeien en de pech te leven waar water schaars is. Toch lukt het hem om rond te komen met tweemaal per jaar een oogst, mogelijk gemaakt door beregening met ­grondwater. Kumar weet dat daardoor de grondwaterstand daalt. In zijn woorden, “In a few years I’ll make a deeper well”. Onlangs dacht ik aan Kumar, symbool voor wereldwijd honderden miljoenen boeren die proberen een bestaan op te ­bouwen en hun kinderen kansen te bieden. In voorbereiding op de ­Wereld Waterdag 2015 las ik het UN World Water Development Report 2014, een lijvig document over de mondiale waterproblematiek en de in elkaar grijpende crises op het vlak van ­water, ­voedsel, energie. Geen rapport dat goed afloopt. Wereldwijd hebben 0,8 miljard mensen geen toegang tot goed water en 3,5 miljard mensen worden matig bediend. Ongeveer 20 p ­ rocent van de bodemlagen wordt nu al sterk overpompt. Als dit allemaal nog niet onheilspellend genoeg is, laten we dan eens 35 jaar vooruit kijken. We schrijven 2050, de meeste lezers zullen dat meemaken. Ik misschien ook, als ik zo oud mag worden als mijn opa. Onze planeet zal bevolkt zijn door bijna 10 miljard mensen, 30 procent meer dan nu. Circa 40 procent zal leven in gebieden met ernstig watertekort. De mondiale vraag naar zoet water zal

55 procent groter zijn dan nu. En de productie van voedsel 60 procent groter. Terug naar het heden. Wij Nederlanders leven in een delta ­achter duinen, dammen, dijken. Van oudsher kijken we naar waterveiligheid. We staan paraat als waterrampen zich ­voordoen, waar ook ter wereld. In het debat over klimaatverandering hebben we veel oog voor de stijging van de zeespiegel. Veranderende weeren windpatronen raken echter de continenten zo mogelijk nog heftiger. Ze maken droge gebieden droger en natte natter. Het eerste resulteert in minder grondwater. Het tweede in overstromingen. Per saldo leidt ook het veranderende klimaat tot verdroging van de continenten. Voor deze sluipende, geniepige tegenhanger van zeespiegelstijging is veel te weinig aandacht. Hebben we niet ook een grote rol te vervullen op het vlak van waterzekerheid? En bij de immense uitdagingen verscholen in het vasthouden van zoet water op land en in de bodem? Bijzondere expertise daarover is op de achtergrond geraakt in de proeftuin van de Topsector Water. Dat is meer dan jammer. ­Nederlandse waterbedrijven hebben namelijk 60 jaar ervaring met kunstmatige aanvulling van water in de bodem. Die unieke expertise moet vooraan in de etalage. Naast de Stormvloed­ kering, de Zandmotor en de MarkerWadden is nog plek. Jos Peters Royal HaskoningDHV @JosPeters56

ONDERWIJS EN WATERSCHAP PAKKEN REGIONAAL WATERBEHEER SAMEN AAN Waterschap Rivierenland heeft onlangs een convenant ondertekend met de Hogeschool Van Hall Larenstein (VHL) en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Daarin spreken de partijen af om de komende vier jaar gezamenlijk strategische en innovatievraagstukken op het gebied van regionaal waterbeheer op te pakken. Volgens de drie partijen is een sterke samenwerking tussen ­onderwijs en waterschappen essentieel voor een goede aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. “Bij de opleiding Civiele Techniek zoeken we de samenwerking met het werkveld om meerwaarde te creëren voor student én bedrijfsleven”, zegt Dickjan Schaap, opleidingscoördinator bij de HAN. “We willen de aantrekkelijkheid van deze opleiding vergroten

NR3 / MAART 2015

door de thema’s ‘water’ en ‘dijken’ in de opleiding te benadrukken en daarvoor onder andere specifieke opgaven uit de waterschapspraktijk in te bouwen.” De opleiding Land- en Watermanagement van Hogeschool VHL zal in onderwijs en praktijkgericht onderzoek meer focus leggen op het thema ‘rivieren, beken en kanalen’. Het is de bedoeling dat het waterschap Rivierenland op die manier nieuwe kennis en oplossingen aangereikt krijgt voor duurzaam beheer van dijken en rivieren. Peter van Dongen, voorzitter van het college van bestuur van VHL: “Met het convenant zetten de Hogeschool VHL, de HAN en waterschap Rivierenland een belangrijke stap bij het bundelen van kennis op het gebied van rivieren en dijken. Samen kunnen we ervoor zorgen dat het waterschap klaar is voor de toekomst.”

25


A

26

WATERSCHAPPEN TESTEN ALTERNATIEVE BESTRIJDING

HET ONZEKERE LOT VAN DE MUSKUSRAT Tekst Marloes Hooimeijer en Roel Smit | Beeld iStockphoto


A

ACHTERGROND

27

Muskusrattenbestrijding: kan het ook diervriendelijker, met minder slachtoffers? De waterschappen zoeken naar antwoorden in een grootschalige veldproef. Geen reden voor de muskusrat om de vlag uit te hangen. Zolang hij met zijn gegraaf waterkeringen ondermijnt, zal hij in meer of mindere mate bestreden worden.

D

e Ondatra zibethicus, de muskusrat dus, graaft zich via een ingang onder ­water een gang naar boven door dijken, kades en oevers om vervolgens boven de ­waterspiegel een hol uit te graven. Helaas kunnen zijn imposante gangenstelsels de veiligheid van waterkeringen aantasten. Sinds jaar en dag is muskusrattenbestrijding met klemmen en verdrinkingsvallen daarop het antwoord. De waterschappen geven hieraan jaarlijks 35 miljoen euro uit; er zijn in Nederland 450 muskusrattenbestrijders (uitgedrukt in voltijdbanen) actief. En met succes, zo stellen zij, want het aantal vangsten is sterk gedaald: in 2003 vingen zij nog 400.000 muskusratten (eigenlijk geen ratten- maar een woelmuissoort), in 2014 nog maar 94.284. Toch vraagt de Dierenbescherming zich af of al dat muskusrattenleed wel per se nodig is. “Vooralsnog is het gokken wat er zou gebeuren als je niets doet: is er dan altijd meer schade?”, zegt programmamanager Femmie Smit. Daarom loopt er mede op aandringen van haar organisatie momenteel een proef in het stedelijk gebied van Lelystad (waterschap ­Zuiderzeeland) en in het agrarisch gebied Dinteloord (waterschap Brabantse Delta). Tot 1 april 2017 worden daar geen muskusratten gevangen. Alleen als er bij ­waterkeringen aan de randen van deze gebieden gevaarlijke situaties dreigen te ontstaan, grijpen b ­ estrijders in. Eventuele schade door muskusratten in het binnengebied, zoals verzakking van landbouwgrond, wordt op kosten van de waterschappen gerepareerd. VELDPROEF MUSKUSRATTEN De proef is onderdeel van de landelijke veldproef muskusratten (januari 2013 tot januari 2016) van de Unie van Waterschappen, waarin drie varianten van muskusrattenbestrijding worden onderzocht. Dolf Moerkens, beleidsadviseur waterbeleid bij de Unie van Waterschappen: “Deze variant, die het dichtst in de buurt komt van ‘stoppen met bestrijden’, wordt ‘objectbescherming’ genoemd.” Het viel niet mee waterschappen voor de proef te vinden; ze vreesden voor onveilige situaties in hun gebied. “We zouden het ook niet aandurven in de kop van Groningen, waar de populatie nog steeds heel groot is.” De Dierenbescherming hoopt natuurlijk dat de proef aantoont dat het aantal schades er niet exponentieel toeneemt en dat dieronvriendelijke bestrijding niet altijd noodzakelijk is. Smit, tevens lid van de begeleidingscommissie van de veldproef: “Niet ieder gebied is even aantrekkelijk voor de muskusrat. De dieren hebben voorkeur voor moerasgebied met stevige oevers en veel riet. Het is dus niet gezegd dat zich in een wat ongunstiger gebied opeens > NR3 / MAART 2015

Waterschappen geven jaarlijks 35 miljoen euro uit aan de bestrijding van muskusratten


28

een enorme populatiegroei zou voordoen als de bestrijding wordt gestaakt.” Het kan volgens haar ook zijn dat de hoge natuurlijke s­ terfte onder muskusratten hier uit zichzelf al voor zorgt. Meer dan de helft van de jonkies gaat dood, door voedselgebrek of ze worden opgegeten door een snoek. “Bovendien is het zo dat bestrijding in een gunstig muskusrattengebied juist maakt dat de overlevers zich sneller gaan v­oortplanten, doordat condities zoals beschikbaarheid van voedsel er verbeteren.” “Allemaal waar”, zegt onderzoeker Daan Bos, vanuit ecologisch onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga betrokken bij de veldproef, “maar toch geloof ik – op grond van wetenschappelijke literatuur – dat bestrijden effect heeft op de populatiegrootte. Tenminste, als je dat met de juiste intensiteit doet, want als je een gelijk aantal dieren doodt als dat anders op natuurlijke wijze was gestorven is de inspanning inderdaad voor niks.” INTENSIEVER BESTRIJDEN Daarom is een andere variant in de veldproef ‘het jaar rond bestrijden’, maar dan met verschillende intensiteit. In een derde van de 117 (gevarieerde) proefgebieden van 5 bij 5 ­kilometer wordt 30 procent minder tijd besteed aan de bestrijding, in een derde 30 procent meer en in een derde blijft de tijdsbesteding gelijk. Vangsten worden via de ­smartphone bijgehouden en schade-experts registreren de aangebrachte graafschade. Moerkens: “Het enige dat ik hier tot nu toe over kan zeggen is dat we verschillen zien ontstaan – daar houd ik het voorlopig bij.” Mocht de vergelijking straks aantonen dat in de ‘plusgebieden’ de populatie kleiner wordt én daarmee de schade ­minder, dan kan dat volgens Bos een pleidooi zijn voor intensievere bestrijding. En dus slecht nieuws voor de muskusrat? Bos: “Dat is maar net hoe je het bekijkt. Aangezien je de populatie nagenoeg uitroeit, hoef je op de langere termijn uiteindelijk veel minder muskusratten te doden. Realiseer je dat stoppen met bestrijden door het waterschap in het binnengebied er ook toe kan leiden dat landeigenaren dit zelf gaan doen, en of dat beter is voor het dierenwelzijn…?”

VARIATIE EN PREVENTIE Moerkens vermoedt dat de varianten uit de veldproef op termijn een plek kunnen krijgen in de m ­ uskusrattenbestrijding. “Afhankelijk van het type gebied en de stand van de populatie. Schade in het ene gebied is misschien ook wel acceptabeler dan in het andere.” Bos benadrukt dat wel sprake moet blijven van relatief grote bestrijdingsgebieden. “Als het een lappendeken wordt en een muskusratvrij gebied steeds gehinderd wordt door instroom vanuit allerlei andere bronnen, is het bijna niet ‘schoon’ te houden.” Tijdens de veldproef krijgt een aantal muskusratten een oormerk om vast te stellen hoe honkvast ze zijn of hoever ze zich verspreiden. Bovendien geeft dit oormerken een beeld van het percentage muskusratten dat bestrijders weten te vangen. “Tot op heden hebben we wel zicht op het aantal vangsten, maar niet op de grootte van de werkelijke populatie”, zegt Smit. Ze is ook blij dat de effectiviteit van preventieve maatregelen, zoals betongaas of ondoordringbaar doek in de dijkwand, tijdens de proef wordt onderzocht. Moerkens: “Dit soort maatregelen kunnen we nemen op plekken waar veelvuldig schade optreedt, maar natuurlijk niet op alle 17.000 kilometer waterkering – de meerkosten zijn 100 tot 150 euro per meter.” VERDRINKINGSVALLEN In de veldproef wordt niet gekeken naar gehanteerde vangmiddelen. Dus blijft de Dierenbescherming er ondertussen op hameren dat bestrijders moeten stoppen met de ‘­wrede’ verdrinkingsvallen. “Muskusratten leveren daarin een minutenlange doodstrijd. We dringen er al tijden bij waterschappen op aan het gebruik ervan te staken, maar ze zijn bang de verdrinkingsval als effectief vangmiddel te ­verliezen.” Moerkens reageert: “In gebieden waar de populatie nog niet onder controle is, hebben we die echt nog nodig; je kunt meerdere muskusratten in één verdrinkingsval vangen. In ‘onder controle’-gebieden, zoals Friesland, wordt het aantal al sterk afgebouwd. Of ze worden uitgerust met klemmen, zodat de gevangen muskusratten snel doodgaan. Nadeel is dat er niet meer dan twee klemmen in passen en dat ze duurder zijn.” Smit: “Maar het betekent wel een verzachting van het dierenleed.” | Een videoreportage over de schade die

De derde variant betreft ‘seizoensbestrijding’, in het ­voorjaar en de winter. “Alles wat je dan vangt, zorgt niet voor nakomelingen. In het voorjaar trekken jonge mannetjes er op uit om een vrouwtje te vinden en in de winter worden er ­nauwelijks muskusratten geboren. Per saldo hoef je er dan waarschijnlijk minder te vangen”, aldus Moerkens.

muskusratten kunnen aanrichten is gemaakt in opdracht van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (Stowa). Te bekijken door gebruik te maken van de QR-code of te zoeken op Youtube (zoekterm ‘Stowa muskusratten’).


ACHTERGROND

DODE MUSKUSRAT: OP DE MENUKAART OF DOOR DE HAKSELAAR?

Het leek wel een klein verkiezingsrelletje afgelopen

Terug naar de Nederlandse verkiezingsstrijd. De Unie van

maand. Met als inzet: wat doen we met de muskusrat

Waterschappen voelde zich geroepen het pleidooi van het

­als-ie toch dood moet?

CDA meteen tegen te spreken. De Unie is een groot tegen-

Het begon met een artikel in De Telegraaf. De muskusrat

stander van het consumeren van muskusratten, maar kiest

moet op de menukaart komen, zei Henk Lammers, lijst-

een wat omslachtige redenering. Als we de dieren gaan

trekker van het CDA in het waterschap Reest en Wieden.

opeten (het gaat naar schatting om 100.000 kilogram vlees

“Het is eeuwig zonde dat we al dat vlees verspelen.”

per jaar) ontstaat volgens de belangenorganisatie een

Een sterrenrestaurant in Giethoorn reageerde meteen

markt waarvoor gefokt kan worden. En dan: “Dit heeft als

enthousiast. “Wij werken volop met streekproducten,

risico dat er muskusratten ontsnappen, die zich in de vrije

dus daar zou de muskusrat perfect bij passen.” Wat helpt

natuur weer kunnen vermeerderen. Muskusratten kunnen

is een andere naam: waterkonijn wordt het dier ook wel

zich razendsnel voortplanten en hebben in Nederland

genoemd.

nauwelijks natuurlijke vijanden.” En dan is er nog een

Het klinkt meteen smakelijker. “Het is geen rat, maar een

praktisch punt: “De waterschappen kunnen de door hen

exoot”, zegt Lammers. “Een muskusrat verspreidt ook

gevangen muskusratten ook niet leveren, omdat deze voor

geen ziekten.” De enige complicatie is dat het niet mag,

consumptie na de vangst in leven moeten worden gehou-

muskusrattenvlees verkopen. Dat staat in de Flora- en

den. Dit is in de praktijk vrijwel onmogelijk.”

Faunawet. Bejaagde dieren die schadelijk zijn voor de omgeving mogen niet gegeten worden.

Kwestie afgedaan? Niet helemaal. Een dag later deed de Algemene Waterschapspartij van zich spreken. De “mus-

In België mocht het tot voor kort wel, maar nu ook niet

kusbiefstuk is maar één optie”. Hans Middendorp van deze

meer. Maar toch, voor wie belangstelling heeft: op

partij vindt dat we meer out-of-the-box moeten denken.

www.smulweb.nl staat een recept voor de bereiding van

“De kadavers kunnen gemakkelijk door een grote hakse-

dit ­‘Belgische hoofdgerecht’. De voorbereiding is geen

laar en dan kan de smurrie mee in de afvalwaterzuivering

­sinecure: “In Nederland is een rat niet gemakkelijk ver-

van waterschappen om er biogas van te maken. Nu worden

krijgbaar. Vang ze daarom zelf of laat je hond het doen.

de kadavertjes juist verbrand en dat kost fossiele energie

Net als een haas even laten besterven, kop eraf en schoon-

en veroorzaakt extra CO2. In Delft en Rotterdam staan bij

maken. Haartjes met een brander afbranden, net als bij

ziekenhuizen al zulke installaties die dat doen met alle

een varken.” Dan marineren, anderhalf uur smoren, en

niet-opgegeten maaltijd en ander ziekenhuisafval.”

eten met brood en “een goede pot bier”.

NR3 / MAART 2015

29


30

OASEN LEERT VAN HET BUITENLAND BIJ OPSPOREN VAN LEKVERLIEZEN GRONTMIJ HOUDT REKENING MET AARDBEVINGEN BIJ DIJKVER­BE­TERING Advies- en ingenieursbureau Grontmij maakt het voorlopig ontwerp en het contract voor de dijkverbetering van de zeedijk tussen Eemshaven en Delfzijl. Opdrachtgever waterschap Noorderzijlvest wil met de verbetering de ­veiligheid blijvend te garanderen. Vanwege de aardbevingsproblematiek willen het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het ministerie van Economische Zaken in samenspraak met het waterschap de dijk versneld aanpakken. Daarom vindt de ­oplevering van het voorlopig ontwerp en het contract al in november 2015 plaats. Naast het maken van een ontwerp bereidt Grontmij alle procedures en ­vergunningen voor en stelt een contract op waarop uitvoerende partijen voor de realisatie in kunnen schrijven. Bij het ontwerp wordt rekening gehouden met aardbevings­ bestendigheid en mogelijkheden voor andere gebiedsontwikkelingen zoals een stadsstrand in Delfzijl, diverse recreatieve voorzieningen bij de Eemshaven en eventuele natuurontwikkeling. Het project dijkverbetering ­EemshavenDelfzijl valt onder het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), in het kader waarvan waterschappen en het Rijk maatregelen uitvoeren om de primaire waterkeringen aan veiligheidsnormen te laten voldoen.

Een dankzij DMA opgespoorde lekkage in een leiding in Reeuwijk

Drinkwaterbedrijf Oasen heeft veel geleerd van collega’s in het Verenigd ­Koninkrijk en Denemarken. Daar voorspellen ze wanneer een drinkwaterleiding­ systeem aan vervanging toe is door per wijk of per buurt slimme meters in het leidingnet aan te brengen. Daarmee wordt geregistreerd of water dat de leidingen wordt ingepompt de klant ook daadwerkelijk bereikt. Oasen heeft nu watermeters geplaatst in negen van deze zogeheten District Metered Areas (DMA’s). De eerste resultaten wijzen erop dat niet alleen het tijdstip van vervanging goed te voorspellen is, maar dat ook lekkages en overlast die daarmee samenhangen beter voorkomen kunnen worden.

De lekverliezen van Nederlandse drinkwaterbedrijven zijn ongeveer 6 procent en dat is internationaal gezien relatief laag. Bovendien is het leidingnet relatief jong (gemiddeld 30 jaar) vergeleken met dat van de bedrijven in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken (gemiddeld 50 jaar). Punt is wel dat een groot deel van de leidingen de komende tien, twintig jaar aan vervanging toe is en dat het prettig is te weten welke leidingen het eerst aan de beurt zijn. Bij het toepassen van een DMA wordt de watertoevoer naar groepen klanten (500 tot 1.000 aansluitingen) gemeten door watermeters in transportwaterleidingen en hoofd­ waterleidingen met een diameter van 11 centimeter tot 50 centimeter. Door deze meters op specifieke plekken in het net te plaatsen, wordt een gebied als het ware afgebakend. Door te kijken naar het nachtverbruik en afwijkingen in afnamepatronen te signaleren, kunnen lekkages worden gesignaleerd en opgespoord. Oasen wil de komende jaren het aantal DMA’s gestaag uitbreiden. Het gaat in totaal dan om circa 250 extra meters in het leidingnet. Veel leidingbreuken worden ingeleid door kleinere lekkages. Door het gebruik van DMA’s kunnen die kleine lekkages eerder en gerichter worden opgespoord. De eerste zes DMA’s bleken na een aantal weken al verrassende resultaten op te leveren. Zo kon onder meer aan de hand van het theoretisch nachtverbruik worden vastgesteld dat het feitelijke gebruik in een van deze gebieden erg hoog was. Door gericht met geluidsapparatuur te gaan zoeken, kon een lekkage binnen enkele dagen gelokaliseerd worden. Na reparatie daalde het nachtgebruik naar normale waarden. In een ander gebied zag Oasen het nachtgebruik van dag tot dag gestaag toenemen. Ook door dit signaal kon het betreffende lek vroegtijdig worden opgezocht en gerepareerd. Oasen is ervan overtuigd dat in beide situaties het lek ­zonder DMA-gegevens pas veel later (als het dus al veel groter was) ­gevonden zou zijn. Peter Mense (drinkwaterbedrijf Oasen) schreef voor H2O-Online een ­uitgebreid artikel over dit onderwerp; het is te lezen door gebruik te maken van de QR-code of te kijken op www.vakbladh2o.nl


WATERTECHNIEK

TECHNISCHE INFORMATIE UIT DE WATERSECTOR

360 METER UITKLAPBARE WATERKERING IN SPAKENBURG

In de nieuwe haven in Spakenburg (Kerkemaat), komt de waterkering in een muurtje

Langs de oude en de nieuwe haven in de historische kern van Bunschoten-Spakenburg komt een ingebouwde, uitklapbare waterkering met een lengte van 360 meter. Het plan is onderdeel van dijkverbeteringsproject van het waterschap Vallei en Veluwe, dat in totaal betrekking heeft op 22 kilometer dijk langs de Zuidelijke Randmeren en de rivier de Eem. Bij de oude historische haven komt de uitklapbare waterkering in de straat en bij de nieuwe haven (in de Kerkemaat) in een muurtje. Dat maakt deze nieuwe waterkering volgens het waterschap uniek in Nederland. De opdrachtverlening verloopt daarom anders dan gebruikelijk. De gekozen aannemer voert niet alleen het werk uit, maar maakt ook zelf het ontwerp voor de waterkering. Begin maart start de aanbestedingsprocedure.

Anders dan bij flexibele waterkeringen langs bijvoorbeeld grote rivieren, waarbij balken en schotten elders staan opgeslagen, moet de volledige waterkering in Spakenburg ter plekke aanwezig zijn. Een forse storm met windkracht 12 stuwt het water vanuit de Randmeren zo snel op dat er weinig tijd is een waterkering op te zetten. De nieuwe waterkering moet daarom binnen drie uur door een paar medewerkers opgezet kunnen worden. Het belang van het aanzicht van de historische kern van Spakenburg (beschermd stadsgezicht) vraagt volgens het waterschap bovendien om een zorgvuldige inpassing in de omgeving. Najaar 2016 start de bouw van de waterkering en de oplevering staat gepland voor het voorjaar van 2017.

REEST EN WIEDEN BEPROEFT NIEUWE METHODE VOOR PLAATSEN BESCHOEIINGEN Waterschap Reest en Wieden gebruikt een innovatieve manier voor het aanbrengen van beschoeiingen langs watergangen waar het werk wordt gehinderd door ‘loopzand’, dat wil zeggen zand dat onstabiliteit veroorzaakt. Dit gebeurt in het waterverbeteringsproject Landbouwpolders Scheerwolde in Noordwest-Overijssel. In het project wordt een groot aantal duikers dieper gelegd. Ook krijgt een flink aantal watergangen in de vier polders in de kop van Noordwest-Overijssel een ander profiel. Bij het herprofileren van die watergangen, dat is verbreden en verdiepen, komt de aannemer forse lagen met loopzand tegen in de ondergrond. Het zand komt in beweging en bij het minste geringste stroomt het weg. Hierdoor ontstaan onstabiele oevers, die daarom met een beschoeiingsconstructie verstevigd moeten worden. Door het extreem uitstromen van het loopzand bij het graven voor de beschoeiing is het onmogelijk om de schotten aan de palen te bevestigen. Normaal wordt daar waar beschoeiing moet worden geplaatst

NR3 / MAART 2015

de grond weg gegraven en worden de palen aangebracht en de schotten er eenvoudig achter gehangen. De schotten worden vastgeschroefd aan de palen en vervolgens wordt de uitgegraven grond weer in de oever aangevuld en netjes afgewerkt. De alternatieve methode die nu wordt toegepast is het met het water los spuiten van de ondergrond over de lengte en dikte van de schotten. Met behulp van waterdruk, een stalen plaat aan de kraangiek, een tiental spuitmondjes op deze plaat en een klem voor het schot, worden de beschoeiingsschotten aangebracht. Met deze methode blijft het schot volledig intact en kan de aannemer het werk goed en vlot uitvoeren. In opdracht van waterschap Reest en Wieden is een videoproductie gemaakt over deze werkmethode. Deze is te zien door gebruik te maken van de QR-code of te zoeken (met zoektermen ‘walkantbeschoeiingen reest en wieden’) op Youtube

31


32

GROOT SALLAND BRENGT GASVEILIGHEID OP ORDE Vorige maand heeft waterschap Groot Salland de aangepaste biogasinstallatie op de rioolwaterzuivering Zwolle officieel in bedrijf gesteld. Hiermee is volgens het waterschap de gasveiligheid op de riool­waterzuiveringen Zwolle en D ­ eventer op orde. Verbetering was nodig na de ­gasexplosie op de rioolwaterzuivering in Raalte in 2012, waarbij grote materiële schade werd aangericht. Uit onderzoek bleek dat de gasveiligheid op rioolwaterzuiveringen waar biogas vrijkomt, onvoldoende was. Adviesgroep SAVE van Antea Group heeft de veiligheidssituatie van de biogasinstallaties geanalyseerd. Het waterschap heeft dit advies overgenomen. Vervolgens is een programma van eisen opgesteld voor de ombouw van de installaties en de organisatie van de veiligheid. Voor de aanpassing van de gasinstallaties heeft advies- en ­ingenieursbureau Tebodin het ontwerp gemaakt. Het bereiken van een veilige situatie is vooral gecreëerd door het elimineren van risico’s. Waar nodig zijn maatregelen opgenomen in het ontwerp, zoals gasveiligheid, alarmering van de operators en de bediening van de installatie.

Het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft een veelbelovende praktijk­ proef uitgevoerd, waarbij elektrische gemalen real time werden aangestuurd op basis van actuele waterstanden, neerslagvoorspellingen en het aanbod van (goedkope) energie. Uit de proef blijkt dat het waterschap in elk geval een kostenbesparing van 15 procent kan behalen op de kosten van energiegebruik, terwijl de gebruikte energie bovendien veel duurzamer is. In theorie is een nog grotere besparing (tot 25 procent) mogelijk. Of dit in praktijk haalbaar is, moet blijken uit vervolgonderzoek. De analyses voor hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zijn gemaakt door ingenieursbureau Nelen & Schuurmans; dit bureau noemt de resultaten van de proef “veelbelovend”. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier verbruikt jaarlijks bijna 30 miljoen kiloWattuur aan elektriciteit voor peilbeheer, wat gelijk staat aan het energieverbruik van 8.000 huishoudens. Het waterschap wil het gebruik van duurzame energie stimuleren door stroom af te nemen op momenten dat er een overschot is. Dat zijn ook precies de momenten dat de energieprijzen laag zijn. De fluctuaties in die prijzen worden namelijk mede bepaald door het fluctuerende aanbod van zonne- en windenergie. Het is dus goedkoper en duurzamer om te malen als de zon schijnt en het waait. De prijs voor elektriciteit van uur tot uur op een dag wordt een dag tevoren bepaald door vraag en aanbod op de Day Ahead Market (APX). Gedurende de dag ontstaan echter fluctuaties en dat leidt tot een ‘onbalans’ in verbruik en aanbod. Soms zijn er plotseling overschotten (meestal door een extra aanbod van zon of wind) die tegen een lage prijs afgenomen kunnen worden. Het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier beschikt over een systeem waarmee gemalen op afstand bestuurd kunnen worden. Hierin is nu een module ingebouwd om ­optimaal van energieoverschotten gebruik te kunnen maken (naast gegevens over verwachte waterstanden en neerslaghoeveelheden). Gedurende de proef was de energieprijs 45 procent van de tijd goedkoop. Het systeem bleek dit in 82 procent van de gevallen goed te voorspellen. In de praktijkproef is op 40 dagen alleen op de ‘goedkope’ momenten gemaald. Bij een neerslaghoeveelheid van ruim 20 millimeter in 24 uur is ook op ‘dure’ momenten gemaald om het peil te handhaven. Thomas Berends, Joep Grispen (beiden Nelen & Schuurmans), Klaas Jan de Hart (hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) en Tys Leenders (HVC) schreven voor H2 O-Online een uitgebreid artikel over dit onderwerp; het is te lezen door gebruik te maken van de QR-code of te kijken op www.vakbladh2o.nl

iStockphoto

POMPEN ALS HET WAAIT BLIJKT ZUINIGE STRATEGIE


WATERTECHNIEK

TECHNISCHE INFORMATIE UIT DE WATERSECTOR

Foto Gerrit Boer

SINT ANTHONIS WINT RIONED INNOVATIEPRIJS Een laatste inspectie van de plantpalen in de werkplaats

WATERSCHAPPEN HERGEBRUIKEN MAAISEL VOOR BESCHOEIINGEN Drie waterschappen gaan werken met een milieuvriendelijke vorm van wandbeschoeiing, die wordt gemaakt van bermmaaisel. Het gaat om een nieuw product, genaamd de Plantpaal, dat is ontwikkeld in samenwerking met het bedrijf Millvision en Stenden Hogeschool Emmen. De betrokken waterschappen zijn Reest en Wieden, Hunze en Aa’s en Vechtstromen. De drie waterschappen maaien ieder jaar 800.000 kilo gras langs de walkanten. Voorheen bleef het maaisel liggen langs de kant. Halverwege vorig jaar werd de samenwerking gezocht met het midden- en kleinbedrijf om te kijken naar mogelijkheden om dit groene afval opnieuw te gebruiken als grondstof. De Kamer van Koophandel bracht de waterschappen aan tafel met Millvision uit Waalwijk, gespecialiseerd in het bedenken van innovatieve en duurzame productiesystemen. Zo ontstond het product Plantpaal, dat op termijn het (maai)werk van de waterschappen goedkoper kan maken. De palen zouden een levensduur moeten hebben van 25 jaar. De komende tijd wordt onderzocht of de paal inderdaad zijn duurzaamheid bewijst. Begin maart heeft Ard van der Tuuk, gedeputeerde van de Drenthe, de eerste Plantpaal in de grond gebracht. Dit gebeurde in het Drentse Orvelte. Als pilot is hier 30 meter hardhouten walbeschoeiing vervangen door duurzame beschoeiing van Plantpaal. Het project wordt gefinancierd door de drie waterschappen en ondersteund met een ­financiële bijdrage vanuit de provincie.

ONDERZOEKSPROGRAMMA VOOR GOEDKOPER RIOOLONDERHOUD In het kader van het nieuwe onderzoeksprogramma TISCA (Technologie Innovatie voor Sterkte- en Conditiemeting van Afvalwaterleidingen) is de komende vijf jaar 3 miljoen euro beschikbaar voor het ontwikkelen van nieuwe technieken om de toestand van rioleringen beter in kaart te brengen. In de Nederlandse bodem ligt van 100 miljard euro aan riolering. Vervanging, renovatie of reparatie van riolen en persleidingen kost jaarlijks circa 1,5 miljard. Die kosten kunnen mogelijk flink omlaag als beter vastgesteld kan worden wanneer een leiding onderhoud nodig heeft. Het onderzoeksprogramma is een initiatief van Technologiestichting STW, Stichting Rioned, Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (Stowa) en het Kennis­ programma Urban Drianage.

NR3 / MAART 2015

Vorige maand werd de jaarlijkse Rioneddag ­gehouden. Ongeveer 750 stedelijk waterbeheerders kwamen naar Utrecht voor de laatste ontwikkelingen in hun vakgebied. Daar werd onder andere de Rioned Innovatieprijs uitgereikt. Die werd gewonnen door de gemeente Sint Anthonis, wiens oppervlakkige toepassing van permeoblokken voor infiltratie werd uitgeroepen tot de rioleringsinnovatie van het jaar. Het permeoblok is een zeer poreuze betonnen buis om regenwater in bodems met hoge grondwaterstand ondergronds te infiltreren. Perry Peeters en Antoine van Hout van de gemeente Sint Anthonis ontdekten dat regen ook prima is af te voeren door permeoblokken verticaal te plaatsen met de openingen naar het maaiveld. “De infiltratiestrook van permeoblokken zorgt in onze gemeente al anderhalf jaar voor vlotte verwerking van het regen­ water”, aldus de prijswinnaars. “Het systeem blijkt goed te reinigen, zowel aan het wegoppervlak als van binnenuit via de holle ruimte. Daarmee is de langdurige werking verzekerd.” De organisatie wil graag weten wat deelnemers van de Rioneddag vonden. Wat waren hoogtepunten en wat kon beter? Reacties en suggesties kunnen gestuurd worden naar Hugo Gastkemper, directeur van Rioned, via Sandra Onstein: sandra.onstein@rioned.org. De presentaties van het plenaire programma zijn terug te vinden op de website. http://www.riool.net/-/presentatiesrioneddag-2015

33


34

iStockphoto

GROOT AANTAL MEERVALLEN IN WESTEINDERPLASSEN

De drijvende rietvelden (rietzudden) in de Westeinderplassen (bij Aalsmeer) moeten beschermd worden, vinden het hoogheemraadschap van Rijnland en Sportvisserij Nederland. Het gebied vormt namelijk een uniek leefgebied voor de Europese meerval, een grote roofvis, die verder nergens in Nederland lijkt voor te komen. Het dier kan een lengte krijgen van 1,50 tot 1,80 meter. Het waterschap en de sportvissersorganisatie hebben samen onderzoek gedaan naar het migratiegedrag van de meerval in de Westeinderplassen. Doel was na te gaan hoe groot de populatie ongeveer is en welke eisen het dier stelt aan zijn natuurlijke omgeving. In het kader van het onderzoek zijn meervallen gevangen, gemerkt en opnieuw gevangen. Er zijn in totaal enkele honderden exemplaren één of meer keren gevangen. Daarnaast is gebruik gemaakt van telemetrie, waarbij meervallen in de buikholte zijn voorzien van een zender.

Er blijken in de Westeinder tussen 1.500 en 2.000 meervallen rond te zwemmen; alle vissen die zijn waargenomen, zijn echter kleiner dan 1,50 meter en één- en tweejarige meervallen zijn niet aangetroffen. Het lijkt erop dat meervallen in dit gebied niet zo groot worden als sommige van hun soortgenoten en ook niet veel ouder dan twaalf jaar. De rietzudden, met name de ruimte daaronder, spelen voor de dieren een belangrijke rol als overwinteringsgebied en schuilgebied. Uit het onderzoek blijkt ook dat de meerval een duidelijk dag-nachtritme heeft. Het dier houdt van schaduw en gaat vooral ’s nachts op zoek naar voedsel, waarvoor het vooral het open water gebruikt. Overdag zoekt het een donkere en rustige schuilplaats. Het onderzoeksrapport is te lezen op de website van het hoogheemraadschap van Rijnland. www.rijnland.net/vis

Vacaturebank

OP ZOEK NAAR DE PERFECTE KANDIDAAT OF EEN DROOMBAAN IN DE WATERSECTOR?

Stop met het uitbesteden van recruitment aan dure bureaus of het eindeloos zoeken op LinkedIn naar jouw droombaan en bespaar tijd en geld met de vacaturebank van H2O. Bij H2O kunt u nu ook terecht voor i­ nteressante vacatures in de watersector. Voor werkgevers: • Direct onder de aandacht bij waterprofessionals • Eenvoudig en snel een vacature plaatsen, aanpassen of verwijderen • Overzichtelijk en gebruiksvriendelijk dashboard voor al uw vacatures • Zoek naar kandidaten op vaardigheden, ervaring, werkveld en meer Voor werkzoekenden: • Direct reageren op actuele vacatures • Overzichtelijk aanbod van alle vacatures • Eenvoudig en snel je CV en motivatiebrief toesturen • Zoek op werkveld, salaris, specifieke functie en meer

Gebruik actiecode: H2OVACATURE en krijg één maand lang een gratis vermelding op onze vacaturebank t.w.v. € 250,-. Werkzoekenden kunnen GRATIS een profiel aanmaken. Ga nu naar www.vakbladh2o.nl/vacatures of stuur een email naar vacatures@vakbladh2o.nl of bel met Shahin Habbah via 0314 355 834 voor meer informatie.


WATERTECHNIEK

TECHNISCHE INFORMATIE UIT DE WATERSECTOR

VITENS BRENGT DNA-PROFIELEN GRONDWATER IN KAART Drinkwaterbedrijf Vitens heeft samen met onderzoeksinstituut TNO het DNA-profiel van 32 van haar ruim 100 grondwaterwinningen in kaart gebracht. Het onderzoek werd vorige maand gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Environmental Microbiology. Vitens werkt met behulp van het in kaart brengen van de DNA-profielen, zogeheten DNA Fingerprinting, aan een methode om real time te kunnen meten wat de microbiologische kwaliteit van het grondwater is. Uit het onderzoek blijkt dat de grondwater­ bronnen allemaal een unieke microbiologische samenstelling hebben, waarmee je als het ware een vingerafdruk van het water kunt maken. Deze vingerafdrukken blijven jaren stabiel, ook tijdens het transport door de leidingen naar de kraan. Daardoor is de herkomst van een glas kraanwater nauwkeurig te herleiden tot een specifieke bron. Bij elke vorm van verstoring, door bijvoorbeeld een vervuiling, verandert deze vingerafdruk direct. Daarom is het mogelijk DNA Fingerprinting te gebruiken om veranderingen te detecteren en daarmee de veiligheid en kwaliteit van het kraanwater te volgen en te verbeteren. De techniek is toegepast in samenwerking met

3M, Wavin, onderzoeksinstituut TNO, KWR Watercycle Research Institute en drinkwaterbedrijf Oasen. Nu controleren waterbedrijven wereldwijd de kwaliteit van het kraanwater door het handmatig nemen van monsters en deze te analyseren in een laboratorium op een vastgesteld aantal parameters. Voor de microbiologische bepalingen zijn de methodes op kweek gebaseerd, zo wordt bijvoorbeeld de aanwezigheid van een E. coli bacterie getest. Deze methoden kosten relatief veel tijd en geld om tot een uitslag te komen. Met behulp van DNA Fingerprinting verwacht Vitens tijd en geld te kunnen besparen. De techniek is namelijk te automatiseren. Daarnaast is de innovatie nog eens toe te passen voor alle soorten micro-organismen, terwijl klassieke technieken voor elke soort anders zijn. Er zijn drie vervolgonderzoeken gestart bij Wetsus en KWR Water­ cycle Research Institute. Deze zijn gericht op g ­ ebruikmaking van de DNA Fingerprint techniek voor ‘early warning’, impact analyse (track and trace) van een mogelijke besmetting door een lekkage of het doorslaan van een filter in de zuivering (zuivering/­ distributie).

ONLINE TOOL ANALYSEERT OVERSTROMINGSRISICO’S Sinds begin maart is een online instrument beschikbaar, dat kan laten zien wat de gevolgen zijn van rivieroverstromingen. Deze gevolgen worden uitgedrukt in termen van verlies aan bruto ­nationaal product (bnp), getroffen bevolking en schade in stedelijke gebieden voor elke staat, land en stroomgebied ter wereld. De tool is ontwikkeld door het Amerikaanse World Resources Institute (WRI), samen met vier Nederlandse organisaties: ­Deltares, VU Amsterdam, de Universiteit Utrecht en het Nederlandse Milieuagentschap. Uit eerste analyses blijkt dat overstromingen van rivieren in 2030 meer mensen zullen treffen en aanzienlijk meer schade veroorzaken naarmate het klimaat verandert en economieën groeien. Nu al treffen rivieroverstromingen jaarlijks 21 miljoen mensen en leiden ze tot een verlies aan bnp van 96 miljard dollar wereldwijd. De nieuwe analyse laat zien dat tegen 2030 die getallen kunnen oplopen tot 54 miljoen mensen en 521 miljard dollar. Via de Aqueduct Global Flood Risk Analyzer, zoals de nieuwe tool wordt genoemd, komen complexe data eenvoudig beschikbaar voor niet-wetenschappers. De Analyzer vormt de gegevens om tot bruikbare informatie en laat de risico’s per land of gebied zien, maar ook welke winst er te behalen valt met een bescherming. Zodoende kunnen beleidsmakers meer doen om tijdig catastrofale schade te voorkomen.

NR3 / MAART 2015

De initiatiefnemers noemen als voorbeelden: • Internationale ontwikkelings- en financieringsorganisaties, zoals de Wereldbank, kunnen prioriteit geven aan investeringen in veelbelovende strategieën voor natuurlijke beperking van rampenrisico’s. • Internationale en nationale organisaties die zich bezighouden met beperking van rampenrisico’s kunnen de risicofactoren evalueren en de voortgang bewaken van activiteiten ter beperking van risico’s. • (Her)verzekeringsmaatschappijen kunnen snel risico’s en verwachte trends in risico’s analyseren in al hun portefeuilles en aan potentiële klanten het belang van verzekering uitleggen. • Multinationals kunnen risico’s beoordelen voor hun productiebedrijven en leverketens over de hele wereld en prioriteit geven aan bepaalde locaties voor verdere analyse en maatregelen ter beperking van risico’s. De tool wordt in de toekomst uitgebreid. Naast overstromingsrisico’s van rivieren zullen ook overstromingsrisico’s van kusten worden meegenomen en wordt gekeken naar de haalbaarheid en effectiviteit van maatregelen tegen overstromingen, zoals dijken, waterbergingssystemen voor noodsituaties, herstel van ­mangrovebossen, verantwoord landgebruik en bouwvoorschriften. De tool is voor iedereen online te gebruiken. http://www.wri.org/floods

35


36

RIJKSWATERSTAAT ZET DE BOEL

OP EEN KIER Tekst Dorien ter Veld Beeld Hollandse Hoogte e.a.

A


Zes natuurorganisaties, waaronder het Wereld Natuur Fonds (WNF), kregen 13,5 miljoen euro uit het Droomfonds van de Nationale Postcode Loterij voor hun gezamenlijke project ‘Natuurontwikkeling Haringvliet’. Doel is het terugbrengen van het oer-Hollandse getijdenlandschap in en rond het Haringvliet. Vanaf 2018 ligt de rode loper uit voor trekvissen, vogels én mensen.

13,5

miljoen euro is een behoorlijk zakcentje, maar 2018 is hier het magische getal. 2018 is namelijk het jaar waarin het Kierbesluit (Besluit Beheer Haringvlietsluizen) wordt uitgevoerd. Rijkswaterstaat zet de Haringvlietsluizen dan deels open. Hiermee ­voldoet Nederland aan internationale afspraken over v­ ismigratie. Het besluit werd al in 2000 genomen, maar aanvankelijk door het eerste kabinet-Rutte weer ter discussie gesteld. In 2011 werd echter, na druk vanuit ­Europa, alsnog tot uitvoering besloten. In 2014 tekenden Rijkswaterstaat, Evides Water­ bedrijf en ­waterschap Hollandse Delta het projectbesluit en de realisatie-­overeenkomst. Esther Blom, hoofd zoetwaterprogramma bij het WNF: “De kier biedt mooie kansen. Met het project ‘Natuurherstel Haringvliet’ zorgen we ervoor dat de natuur maximaal profiteert van de nieuwe situatie. Als WNF zijn we initiatiefnemer van dit project, maar de ontwikkeling en de uitvoering doen we helemaal samen met Natuurmonumenten, ARK Natuurontwikkeling, Sportvisserij Nederland, Staatsbosbeheer en Vogelbescherming Nederland.” VISMIGRATIE EN DELTANATUUR Blom: “Veel mensen realiseren zich niet dat het Haringvliet de monding is van twee grote Europese rivieren; de Rijn en de Maas. Pas sinds de aanleg van de Haringvlietdam in 1970, is hier geen getij meer. Met eb staat de sluis nog wel open om rivierwater af te voeren, maar met opkomend tij is de sluis gesloten. Hierdoor en door vervuiling in het verleden, is de natuurlijke intrek van trekvissen als Atlantische zalm, paling en steur enorm afgenomen.” “Andere landen hebben inmiddels miljoenen geïnvesteerd in het herstel van de rivieren als trekroutes”, vervolgt ze. “Het wordt tijd dat we nu in Nederland de voordeur openzetten, zodat trekvissen weer tussen de zee en de rivier kunnen migreren. Door de overgangs­dynamiek tussen zoet en zout terug te brengen, maken we bovendien ruimte voor de typische delta­ natuur die we nu vrijwel niet meer hebben in Nederland.” Wat er allemaal gaat gebeuren in en rond het Haringvliet vertelt Bjørn van den Boom, belangenbehartiger Zuidwestelijke Delta bij Natuurmonumenten: “We gaan veel doen aan natuurontwikkeling. We gaan het gebied zo inrichten dat delen bij eb droogvallen en bij vloed weer overstromen. Polders langs het Zuiderdiep bouwen we gefaseerd om tot brakke slikken en > NR3 / MAART 2015

37 Foto Siebe Swart / Hollandse Hoogte

A

ACHTERGROND


38

De droom van het Wereld Natuur Fonds voor het Haringvliet in beeld

Esther Blom (WNF):

‘ Wij pleiten voor een geheel open Haringvliet’

schorren, zodat er uitgestrekte rietvelden ontstaan met kreken en slikken. Verder maken we harde oevers zacht, leggen we vogeleilandjes aan, en in het westelijk deel van het Haringvliet komen rust- en paaigebieden voor trekvissen.” Van den Boom: “In de voordelta brengen we de meerjarige schelpdierbanken terug, want deze harde riffen zijn hot spots voor de biodiversiteit. Het zijn goede samenscholingsplekken, die ook weer roggen, haaien en dolfijnen aantrekken.” Ook de steur heeft een bijzondere plek binnen het project. Blom: “Tot de jaren vijftig bewogen Atlantische steuren van zo’n twee meter zich tussen de Noordzee en hun geboortegrond, 800 kilometer stroomopwaarts in Duitsland. Om herintroductie van steuren mogelijk te maken, zetten we een Rijn-opkweekcentrum op.” De natuurorganisaties willen dat straks iedereen kan genieten van het unieke natuurgebied. Daarom komen er fiets- en wandelpaden langs de oevers, boardwalks langs het getijden­ gebied, uitkijktorens, vaarroutes met aanlegsteigers etcetera. TUSSEN DROOMFONDS EN WERKELIJKHEID De donatie van de Postcode Loterij maakt de uitvoering van het project voor een groot deel mogelijk, “maar”, zegt van den Boom, “we willen het bedrag minimaal verdubbelen om ál onze ideeën te kunnen realiseren. Alle projectpartners leggen daarom geld bij en we gaan in gesprek met de overheid en het bedrijfsleven. We vragen ook Europese fondsen aan.” In de tussentijd wordt niet stil gestaan. Van den Boom: “Dit voorjaar beginnen we met de schelpdierbanken en in de gebieden van Staatsbosbeheer beginnen we met natuurontwikkeling. Natuurlijk zijn er nog wel hindernissen te nemen. We willen bijvoorbeeld grond aankopen op Goeree-Overflakkee en dat kost tijd. In dit geval gaat het om gronden die boeren pachten van de provincie. De motie-Geurts, van januari 2015, had hiervoor een struikelblok kunnen zijn. Het CDA in de Tweede Kamer wilde met deze motie alle omzetting van landbouwgronden in natuur verbieden. Gelukkig is die motie verworpen.”


ACHTERGROND

Foto Rudolf Svenson

Foto Jelger Helder

NIET BLIJ De ideële Adviesgroep Borm en Huijgens, bestaande uit natuurliefhebbers, heeft op vrijwillige basis gevochten als een leeuw om staatssecretaris Joop Atsma en Deltacommissaris Wim Kuijken te laten inzien dat het Kierbesluit voor de vismigratie niet voldoet.

Foto Holland EMS Films

Foto Holland EMS Films

De groep maakt zich zorgen om de zoetwatervoorziening, de waterveiligheid en de ecologie. Wil Borm, docent biologie: “De acute overgang tussen zoet en zout die straks ontstaat, is niet goed voor de vissen. Als de sluizen nu open staan, wemelt het van de vogels die azen op in zee stervende vissen. Ons

Vanaf linksboven naar rechtsonder: de Atlantische steur, de witsnuitdolfijn, de zeearend en de dwergstern

ideaalbeeld voor de Zuidwestelijke Delta is één verbonden estuariumgebied, afsluitbaar met stormvloedkeringen.

Arie Verhorst, provinciaal voorzitter bij LTO Noord Zuid-Holland schrikt van de plannen van natuurorganisaties voor grondaankoop. “Als LTO hopen we dat het geld niet besteed wordt aan nog meer grondaankoop, maar aan de verbetering van bestaande natuur”, zegt hij. “We maken ons ook zorgen over de beschikbaarheid van zoetwater. Het Haringvliet is namelijk de tweede zoetwaterbron van Nederland. Er is een streep getrokken die aangeeft tot waar het zoute water straks mag komen. We blijven er scherp op dat de overheid zich hieraan houdt.”

Onderzoek naar de haalbaarheid van duurzame varianten en combinaties, zoals met een S-bocht, migratierivieren of de inzet van de Voordelta, lijkt ons een belangrijke taak voor de overheid.”

MEER DELTANATUUR? De natuurorganisaties denken er anders over dan LTO. Als het aan hen ligt, komt het zoute water op de lange termijn zeker verder dan in 2018 het geval zal zijn. Blom: “Wij pleiten voor een geheel open Haringvliet, zodat de deltanatuur op grote schaal terugkomt. Met extra aanpassingen zal er voldoende zoetwater beschikbaar blijven.”

Rijkswaterstaat en het WNF begrijpen de zorgen van de adviesgroep, maar ­herkennen het beeld dat Borm en ­Huijgens schetst niet. Beeldman (Rijkswaterstaat):

Voorlopig lijkt een open Haringvliet er echter niet in te zitten. Pieter Beeldman, projectleider Kierbesluit bij Rijkswaterstaat: “Als we de sluizen verder openzetten dan gepland, komt het zoute water voorbij de lijn Spui-Middelharnis. Dat is in strijd met het Kierbesluit. Die lijn is bewust gekozen, omdat anders de kosten van de compenserende maatregelen die nodig zijn om de beschikbaarheid van zoetwater te garanderen, te hoog worden. De kosten zitten hem onder andere in het naar het oosten verplaatsen van de zoetwater-innamepunten van het waterschap en het drinkwaterbedrijf.” De compenserende maatregelen betreffen afspraken tussen Rijkswaterstaat, waterschap Hollandse Delta en Evides Waterbedrijf. De totale kosten die het Kierbesluit voor Nederland met zich meebrengt, liggen rond 75 miljoen euro. | www.kierharingvliet.nl NR3 / MAART 2015

“Met de kier komt er juist een meer geleidelijke overgang tussen zout en zoet.” Blom (WNF): “Incidenteel kan er wel een hardere overgang tussen zoet- en zoutwater ontstaan door een lagere afvoer van rivierwater. Dat gaan we goed in de gaten houden.”

39


40

WATERMETER: TR

BEDRIJFSL VOL OPTIMI

Ondernemingen werkzaam in de watersector zijn optimistisch over de ontwikkelingen in 2015. Ze verwachten dit jaar in meerderheid een groeiende orderportefeuille en stijgende omzetten. Ook de ontwikkeling van winstgevendheid en werkgelegenheid is over het algemeen positief. Dit blijkt uit de eerste aflevering van het jaarlijkse onderzoek Watermeter, een initiatief van maandblad H2O in samenwerking met brancheorganisatie ENVAQUA en de Aqua Nederland Vakbeurs.

A

an het onderzoek, dat in de maand januari werd gehouden, werd deelgenomen door 86 bedrijven, met gemiddeld per onderneming 140 werknemers (fte). Het zijn merendeels bedrijven die actief zijn op het gebied van watertechnologie (afvalwater, drinkwater en industriewater). Deze bedrijven halen g ­ emiddeld twee derde van hun omzet uit eigen land, de rest is export. In het kader van de Watermeter is gevraagd naar de ontwikkelingen in de afgelopen twaalf maanden en naar de vooruitzichten voor de komende twaalf maanden. Daarbij ging het om ­orderpositie, omzetontwikkeling, winstgevendheid en werkgelegenheid. Daarnaast is gevraagd naar ­mogelijke b ­ elemmeringen voor eventuele groei van de onderneming. ORDERPOSITIE EN OMZET Van de ondervraagden noemt een kleine 60 procent de huidige orderpositie ‘gunstig’ of ‘zeer gunstig’, terwijl eenzelfde percentage een verdere groei van de orderportefeuille voorziet in de komende twaalf maanden. Slechts 6 procent noemt de huidige orderpositie ongunstig en een ongeveer even groot aandeel verwacht dat de portefeuille de komende twaalf maanden zal afnemen. De omzet heeft zich in 2014 volgens de meeste ondervraagde bedrijven gunstig ontwikkeld: iets meer dan de heeft een toename van de omzet gesignaleerd, terwijl bij ongeveer een derde de omzet gelijk gebleven is. De vooruitzichten voor 2015 lijken nog iets gunstiger: twee derde van de ondervraagde bedrijven verwacht dat de omzet zal toenemen, terwijl slechts 8 procent een daling voorziet. WINST EN WERK Belangrijker vaak nog dan omzet is voor bedrijven het rendement, de winstgevendheid van de onderneming. Ook die ontwikkelt zich – gemiddeld genomen – in de goede richting. Een kleine 40 procent heeft de winstgevendheid in 2014 zien toenemen, terwijl bij bijna de helft de winstgevendheid ongeveer gelijk gebleven is. Ook hier neemt het optimisme toe: ruim

A


A

ACHTERGROND

ENDONDERZOEK VOOR WATERSECTOR

EVEN WATERSECTOR SME OVER 2015

45 procent verwacht in 2015 meer winstgevend te zullen worden, terwijl eenzelfde aandeel verwacht dat de winst ongeveer gelijk zal zijn als in 2014. Interessant is ook de ontwikkeling van de werkgelegenheid bij de ondervraagde bedrijven. Een derde heeft het aantal banen bij de eigen onderneming in 2014 zien groeien, terwijl een nog iets groter aandeel ook voor 2015 een toename van de werkgelegenheid voorziet. Overigens blijft bij de meeste bedrijven (een kleine 60 procent) het aantal banen in 2014 én in 2015 op hetzelfde niveau. GROEIREMMERS De deelnemende bedrijven zijn vervolgens ondervraagd over enkele factoren die de groei kunnen belemmeren, zoals kredietverlening, personeelstekorten en bureaucratische regelgeving. Kredietverlening wordt door veel bedrijven ervaren als een knelpunt. Dat blijkt uit de reacties op de stelling Banken zijn op dit moment te voorzichtig met het verstrekken van kredieten aan ondernemingen; bijna zes op de tien bedrijven zijn het hiermee eens. Eveneens bijna zes op de tien bedrijven zijn het eens met de stelling Tekort aan geschikt personeel is een belemmering voor de ontwikkeling van onze onderneming. Een ongeveer even groot aandeel van de bedrijven onderschrijft de stelling Overheidsregels en/of administratieve lasten belemmeren de innovatie door ondernemingen. OPDRACHTGEVERS Wie zijn de belangrijkste opdrachtgevers voor de ondervraagde bedrijven? Dat blijken vooral andere ondernemingen in de marktsector te zijn. Pas daarna volgen – op gelijke hoogte – de gemeenten en de waterschappen, en pas daarna de waterschappen. Rijkswaterstaat en de provincies zijn voor de meeste ondernemingen minder belangrijke klanten. Het streven naar een duurzame bedrijfsvoering is voor hun opdrachtgevers een belangrijke drijfveer, zo stelt bijna 70 procent van de ondervraagde bedrijven. Een probleem is soms nog wel het ontbreken van kennis en professionaliteit bij opdrachtgevers. Hoewel de ondervraagden voor de professionaliteit van hun opdrachtgevers gemiddeld het rapportcijfer 6,8 geven, vindt ongeveer een derde dat deze professionaliteit de laatste vijf jaar verslechterd is. Argumenten die daarbij genoemd worden zijn: “Mede door de vergrijzing is de technische kennis bij opdrachtgevers aan het afnemen.” “Diverse ervaren krachten lijken met pensioen of via een VUT-regeling vertrokken.” “De technische kennis op het gebied van regen/rioolwaterbeheersing en –zuivering is al ­jaren onder de maat.” “Klanten beoordelen vaak alleen op prijs, kijken minder naar de techniek en al helemaal niet naar de cost of ownership.” “Ze volgen de innovatie in de markt, maar doen geen moeite deze door te voeren.” | NR3 / MAART 2015

De Watermeter is een jaarlijks onderzoek naar de economische ontwikkeling in de watersector. Het wordt door H2O uitgevoerd in samenwerking met brancheorganisatie ENVAQUA en Aqua Nederland Vakbeurs.

41


42

LANDELIJKE AANPAK VOOR ANALYSE RISICO’S DRINKWATERVOORZIENING Het is in Nederland normaal dat er schoon en veilig drinkwater uit de kraan komt. Drinkwaterbedrijven maken daarom ook al sinds jaar en dag risicoanalyses, wat sinds de Drinkwaterwet van 2011 bovendien verplicht is. Dat laatste was voor de sector aanleiding om de koppen bij elkaar te steken en één methodiek te ontwikkelen. Doel: een betere inschatting van alle mogelijke risico’s en meer kennisuitwisseling. Drinkwater is een primaire levensbehoefte, belangrijk voor de volksgezondheid en uitval kan ook nog eens grote gevolgen hebben voor bedrijven. Sinds 2011 moeten de drinkwaterbedrijven in hun leveringsplannen een risicoanalyse en eventuele maatregelen die daaruit voortvloeien, opnemen. Die leveringsplannen gaan elke vier jaar naar de toezichthouder, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de volgende keer in 2016. In 2012 hebben de drinkwaterbedrijven besloten om als sector één nieuwe methodiek te ontwikkelen. Hiermee kunnen de bedrijven verstoringen van de drinkwatervoorziening systematisch rangschikken en waar nodig aanpakken. Een gezamenlijke aanpak is bovendien goed voor de kennisuitwisseling en de afstemming tussen de bedrijven – neem alleen al het feit dat de methodiek is vastgelegd in één handleiding voor heel Nederland. Bovendien wordt het toezicht op de sector eenvoudiger, en wordt een goede vergelijking tussen b ­ edrijven ­mogelijk. SAMENWERKEN VOOR VEILIGHEID De drinkwaterbedrijven en hun brancheorganisatie Vewin hebben twee jaar gewerkt aan de nieuwe methodiek, waarbij het gedachtegoed van de Nationale Risicobeoordeling (NRB) het uitgangspunt was. De NRB is een wetenschappelijke methode die door het Rijk wordt gebruikt om inzicht te krijgen in de risico’s voor de nationale veiligheid. De veiligheidsregio’s (brandweer, meldkamers, ambulancediensten enzovoorts) gebruiken de NRB bij de inschatting van de risico’s in hun regio (regionaal risicoprofiel). Door ook als drinkwatersector de NRB te gebruiken, is een betere afstemming mogelijk. Omdat elk drinkwaterbedrijf al een eigen risicomethodiek had, is de nieuwe aanpak zo ontworpen dat voor elk bedrijf vertaling naar de eigen situatie relatief eenvoudig is. Dat garandeert de bruikbaarheid én drinkwaterbedrijven hoeven geen onnodig grote veranderingen door te voeren in hun manier van werken. De benadering is ontwikkeld aan de hand van werkelijk opgetreden voorvallen, en op basis van de eisen uit zowel de Drinkwaterwet als het Drinkwaterbesluit. Ook is gebruik gemaakt van ervaringen uit het buitenland en best practices uit de wereld van het risicomanagement.


WATERWETENSCHAP

TOEGEPASTE WETENSCHAP IN DE WATERSECTOR

Risicobepaling bij gevaren en dreigingen in de drinkwatervoorziening

artikel zijn als voorbeeld de twee gevaren ‘Ergst ­Denkbare Overstroming’ en ‘Besmetting van drinkwater door een productiefout’ geplot. De matrix is een goed hulpmiddel om te kiezen welke gevaren of dreigingen prioriteit krijgen in termen van te nemen preventieve maatregelen.

MOGELIJKE SCENARIO’S De hoofdlijn van de methodiek bestaat uit: • Het vaststellen van mogelijke gevaren (zoals technisch falen, een natuurramp) of dreigingen (zoals een cyber­ aanval) en de kans dat die zich voordoen. • Het maken van scenario’s voor gevolgen voor de drinkwatervoorziening en het vaststellen van de waarschijnlijkheid dat deze scenario’s zich voordoen. Belangrijk in de methodiek is de gestandaardiseerde basislijst van mogelijke gevaren en dreigingen. Deze lijst is gebaseerd op de NRB, het risicoprofiel van de veiligheidsregio en scenario’s van alle drinkwaterbedrijven. De basislijst is het uitgangspunt voor de drinkwaterbedrijven om te onderbouwen welke dreigingen en gevaren wel of niet relevant zijn. INSCHATTEN VAN GEVOLGEN De waarschijnlijkheid van een concrete verstoring van de drinkwatervoorziening is gebaseerd op de kans dat bijvoorbeeld een dijktraject faalt en het gebied overstroomt én op de kans dat dit daadwerkelijk gevolgen heeft. Een dijkdoorbraak kan bijvoorbeeld leiden tot vervuiling van bronnen, het stilvallen van pompen en het breken van leidingen. Een vervuiling van een bron kan vervolgens gevolgen hebben voor 1) de waterkwaliteit en daarmee de gezondheid van burgers (denk daarbij ook aan eventuele extra ­hulpverlening), 2) de leveringszekerheid (de waterlevering kan stil komen te liggen), 3) het aantal getroffen mensen, en 4) hoeveel dagen het duurt om weer schoon water te leveren. Het eindresultaat van de analyse is een ‘verstoringsrisico-matrix’ (bekend uit de NRB-benadering). Daarin zijn de waarschijnlijkheid van een incident en de gevolgen tegen elkaar uitgezet, elk in vijf categorieën. In de figuur bij dit NR3 / MAART 2015

PROEFDRAAIEN Elk leveringsplan dat in 2016 naar de toezichthouder gaat, zal een matrix bevatten, als resultaat van de nieuwe landelijke aanpak van risicoanalyse. De drinkwaterbedrijven zijn nu aan het proefdraaien. Dit jaar bespreken ze de eerste ­resultaten van de tien risicoanalyses met elkaar. Ze kunnen nu gemakkelijker dan in het verleden kijken waar verschillen zitten en hoe dat komt. Deze uitwisseling verbetert naar verwachting het inzicht in de mogelijke dreigingen en gevaren voor de drinkwatervoorziening. Bas van Eijk (Evides Waterbedrijf) Laurens van der Sluys Veer (International Safety Research Europe) Sabine Gielens (Vewin)

Een uitgebreide versie van dit artikel is te vinden op H2O-Online. Het is te lezen door gebruik te maken van de QR-code of te kijken op www.vakbladh2o.nl

SAMENVATTING De tien Nederlandse drinkwaterbedrijven hebben vanaf 2012 samen een methodiek ontwikkeld voor het in kaart brengen van risico’s voor de drinkwatervoorziening. Hiermee kunnen de bedrijven de mogelijke verstoringen rangschikken en waar nodig ­maatregelen treffen. Eén methodiek voor de hele sector leidt tot meer kennisuitwisseling en daarmee tot betere inschattingen van risico’s. Bovendien wordt het toezicht eenvoudiger en het vergelijken van drinkwaterbedrijven gemakkelijker. De nieuwe aanpak is gebaseerd op de Nationale Risicobeoordeling (NRB) waarmee ook de veiligheidsregio’s werken.

43


44

WATERNATUUR IN ESTLAND: INSPIRATIE VOOR MEREN EN PLASSEN IN NEDERLAND Viisjaagu, een prachtig voorbeeld van een meer in ongestoorde toestand

Zuid-Estland heeft een rijke, natte natuur. De meeste wateren zijn er veel ­natuurlijker dan in Nederland en veel (hoog)veengebieden zijn intact. Een studie­reis van Nederlandse waterdeskundigen naar Zuid-Estland leidde tot interessante discussies over de toestand van Nederlandse meren en plassen, over herstelmaatregelen en over de ecologische normen van de Europese ­Kaderrichtlijn Water. Het Platform Ecologisch Herstel Meren en Plassen (PEHM) bestaat uit ongeveer 230 waterbeheerders, onderzoekers en adviseurs. Zij houden zich bezig met ecologisch herstel van stilstaande wateren, zoals meren en plassen, kanalen en sloten. Vorig jaar bezochten 42 PEHM-leden het zuiden van Estland (mede mogelijk gemaakt door het ministerie van Infrastructuur en Milieu). Estland is rijk aan meren en plassen en ook aan intacte (hoog)veenlandschappen (ruim 20 procent van de landoppervlakte bestaat uit veen). Het land is nagenoeg vlak en bestaat voor ongeveer de helft uit bos. De bevolkingsdichtheid van Estland is met 28 inwoners per vierkante kilometer minder dan 6 procent van die in Nederland. Van de rivieren had 67 procent in 2012 een goede ecologische status, van de meren en plassen 69 procent. In Nederland is volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (2014) de ecologische kwaliteit van de 700 voornaamste rivieren, meren en plassen bijna overal matig tot slecht. Hoewel de wateren in Estland er goed voor staan, hebben ze – ondanks de relatief extensieve landbouw – meer en meer te lijden onder fosfaat en stikstof. Een vertegenwoordiger van het


WATERWETENSCHAP

TOEGEPASTE WETENSCHAP IN DE WATERSECTOR

Estse ministerie van Milieu gaf aan dat er een directe relatie is tussen stijgende EU-landbouwsubsidies en de verslechterende waterkwaliteit. Daarnaast zijn zowel ongezuiverde lozingen als het effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties belangrijke vervuilingsbronnen. TWEE MEREN Het Võrtsjärv is het op een na grootste meer van Estland. Het heeft een natuurlijke peilvariatie van 1,5 meter, waardoor de oppervlakte varieert tussen 237 en 326 vierkante kilometer (de orde van grootte van de Wieringermeer). De ­gemiddelde diepte is slechts 2,8 meter. Het wordt gebruikt door (beroeps)vissers en voor recreatie. Opvallend zijn de langs de oever gelegen open rietvelden van honderden meters breed, met daartussen veel ondergedoken planten in lage ­dichtheden. Aan de zuidwestoever gaat het meer geleidelijk over in een prachtig en volledig intact hoogveenreservaat van ruim 250 hectare (Järveküla); een prachtige toegift voor het Nederlandse bezoek. Het Võrtsjärv is voedselrijk vanwege landbouw en ongezuiverde lozingen en troebel door de wind, die bij lage waterstanden voor opwerveling zorgt. Het bijna volledig natuurlijke systeem is daardoor eigenlijk altijd troebel geweest. Dat valt af te lezen uit de fantastische langjarige waarnemingsreeksen die er van dit meer bestaan – een uitdrukking van een voor Nederlandse begrippen bijna ongekend lange traditie van intensief monitoren. Ten oosten van het Võrtsjärv ligt het Viisjaagu, een veel kleiner (23 hectare) en dieper meer (gemiddeld 7,4 meter). Dit is een prachtig voorbeeld van een meer in o ­ ngestoorde ­toestand. Het wordt gevoed door regenwater en kalkrijk grondwater, en is voedselarm. Het Viisjaagu bevat dan ook vele kranswieren die beslagen zijn met kalk. Terug in Nederland wezen berekeningen uit dat alleen de ­ondergedoken vegetatie van het meer ‘zeer goed’ (0,9) scoort op de Nederlandse maatlat van de Europese Kaderrichtlijn Water, de oeverplanten en de kleine waterdieren haalden dat niet. Ondanks vele overeenkomsten is de ­Nederlandse systematiek echter niet meteen toepasbaar. Het klimaat in Estland is kouder en er komen andere planten en dieren voor. Maar ook in Nederland zijn de maatlatscores niet in alle gevallen een aanwijzing voor de ecologische potentie van een water. STOF TOT NADENKEN De veldbezoeken waren aanleiding voor flinke discussies over de doelen en normen in de Kaderrichtlijn WaNR3 / MAART 2015

ter. De situatie in Nederland is niet te vergelijken met die in ­ Estland: wij hebben geen natuurlijke wateren meer, onze wateren zijn ‘sterk veranderd’ of ‘kunstmatig’ (KRW-­ termen). De meeste deelnemers vonden dat ecologen met een g ­ edegen watersysteemanalyse moeten bepalen wat er ecologisch ­gezien mogelijk is (‘Goed ecologisch potentieel’ ofwel GEP) en daarvoor gaan. Daarbij moeten maatschappelijke afwegingen – ofwel de haalbaarheid – niet al in een vroeg s­ tadium ­meewegen. De Kaderrichtlijn Water heeft als eindjaar 2027. Wat precies haalbaar en aanvaardbaar is als ‘beleidsdoel’ kan, als het echt niet anders kan, bij de tussentijdse ­evaluatie in 2021 altijd nog worden bijgesteld. Renske Diek Laura Moria (Waternet) Marcel van den Berg (Rijkswaterstaat) Bas van den Boogaard (Bureau Waardenburg) Gijs van Dijk (Onderzoekcentrum B-WARE/Radboud Universiteit) Bas van der Wal (Stowa) Een uitgebreide versie van dit artikel is te vinden op H2O-Online. Het is te lezen door gebruik te maken van de QR-code of te kijken op www.vakbladh2o.nl Voor het volledige verslag van de studiereis: www.helpdeskwater (zoektermen: verslag Estland reis).

SAMENVATTING Vorig jaar bracht een groep waterbeheerders, onderzoekers en adviseurs een bezoek aan het zuiden van Estland. Ruwweg twee derde van de wateren in Estland heeft een goede ecologische status (EU-Kaderrichtlijn Water), een voor Nederlandse begrippen zeer hoge score. De veldbezoeken waren aanleiding voor ­discussies over de toestand van Nederlandse meren en plassen, over herstelmaatregelen en over de vraag hoe we in Nederland tot goede ecologische normen kunnen komen.

45


46

VERDER OP H2O-ONLINE

MEER WETEN? KIJK OP DE SITE VAN H2O!

Wie aan dit maandblad niet genoeg heeft en de ­verdieping zoekt, heeft altijd nog de ­website H2O-Online: www.vakbladh2o.nl. Daar vindt u onder andere vakartikelen op het gebied van wetenschap en techniek. Op deze pagina enkele van de meest recente artikelen die op de site zijn verschenen.

CONTROLEREN VAN ZUURSTOFINBRENGEND VERMOGEN OP DE RWZI Het waterschap controleert bij oplevering van een beluchtingsinstallatie op de rwzi niet altijd of het systeem voldoet aan de ­eisen. Zo’n onderzoek is namelijk tijd­ rovend en de resultaten vaak niet eenduidig. Tauw en waterschap Groot Salland hebben een snelle, eenvoudige methode ontwikkeld om de zuurstofinbrengende capaciteit voor rwzi Dalfsen te bepalen met CFD-modellering.

WATER EN NATUUR: EEN MOOI KOPPEL Nederland staat voor forse investeringen in waterveiligheid en zoetwatervoorziening. Dit is het moment om aan slimme combinaties van water- en natuuropgaven te werken. Wat is er voor nodig om de kansen maximaal te benutten? Alterra Wageningen UR deed onderzoek.

Ronnie Berg (Tauw), Herman Evenblij (waterschap Groot Salland), Berend Reitsma (Tauw)

LAND- EN TUINBOUWSECTOR PROFITEERT VAN ZOETWATERBERGING Op Texel is de zoetwatervoorziening een probleem door zilte ondergrond. De provincie doet een proef met zoetwaterberging bij een bollenteler. Zelfvoorziening op perceelniveau blijkt ook in droge perioden goed mogelijk. Grootschalige implementatie van zelfvoorziening kan ook interessant zijn voor regionaal waterbeheer.

ONDERGRONDSE WATERBERGING IN GLASTUINBOUWGEBIEDEN Bij piekbuien valt veel water op de daken van kassen in het Westland. Het meeste verdwijnt in het oppervlaktewatersysteem. Ondergronds bergen levert een extra voorraad kwalitatief goed gietwater, reduceert het ruimtebeslag voor bovengrondse berging en beperkt de belasting van het oppervlaktewatersysteem. Martin van der Schans (KWR), Mia Süss en Peter Hollanders (hoogheemraadschap van Delfland), Erik de Haan (provincie Zuid-­Holland), Marcel Paalman (KWR)

POMPEN ALS HET WAAIT Door voor het bemalen van de polders gebruik te maken van overschotten aan zonne- en windenergie snijdt het mes aan twee kanten: meer duurzaam energiegebruik en minder energiekosten. ­Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier deed een praktijkproef. Thomas Berends en Joep Grispen (Nelen & Schuurmans), Klaas Jan de Hart (hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier), Tys Leenders (HVC)

Tim van Hattum en Cees Kwakernaak (Alterra Wageningen UR), Robert van Cleef (Sterk Consulting)

Arjen Oord (Acacia Water), Wendalin Kolkman (Antea Group) en Rowena Kuijper (provincie Noord-Holland)

INNOVATIEVE PUTCONCEPTEN MAKEN ZOETWATERRESERVOIR IN VERZILTE ONDERGROND MOGELIJK Recent zijn innovatieve putconcepten ontwikkeld en gevalideerd om ondergrondse waterberging ook op kleine schaal in brak en zout grondwater mogelijk te maken. De crux van deze concepten zit in het optimaliseren van de plaatsing en aansturing van de putfilters. ‘ASR-Coastal’ maakt diepe injectie en ondiepe winning van zoetwater mogelijk in brakke pakketten. ­‘Freshmaker’ gebruikt juist lange horizontale putten. Koen Zuurbier, Marcel Paalman (KWR), Siebren van der Linde (Universiteit Utrecht), Dick de Gelder (B-E De Lier), Peter Meeuwse (Meeuwse Handelsonderneming)

HARMONISATIE VERSTORINGSRISICO­ ANALYSE DRINKWATERBEDRIJVEN Drinkwaterbedrijven hebben voor het maken van verstoringsrisicoanalyses een gezamenlijke methodiek ontwikkeld. Deze leidt tot betere analyses. Bas van Eijk (Evides), Laurens van der Sluys Veer (International Safety Research Europe), Sabine Gielens (Vewin)

STUDIEREIS ESTLAND – PLATFORM ECOLOGISCH HERSTEL MEREN De Estse wateren verkeren in een veel natuurlijker toestand dan de Nederlandse. Wat zien wij als goede ecologische toestand? En is Nederland hierin te ­ambitieus? Renske Diek, Laura Moria (Waternet), Marcel van den Berg (Rijkswaterstaat), Bas van den Boogaard (Bureau Waardenburg), Gijs van Dijk (Onderzoekcentrum B-WARE/Radboud Universiteit), Bas van der Wal (STOWA) Van elk nieuw artikel op H2O-Online een melding krijgen? Volg ons dan op Twitter: @vakbladh2o.

U kunt ook elke maand onze nieuwsbrief met attenderingen ontvangen. Meld u aan via de website, www.vakbladH2O.nl, pagina H2O-Online/recente artikelen.

Zelf een artikel schrijven voor H2O-Online? Kijk op onze website voor de a ­ uteursinstructies en/of neem contact op met de redactie via redactie@vakbladh2o.nl


TANKS SILO’S AFDEKKINGEN GASOPSLAG FUNDATIE

ADVIES ONTWERP UITVOERING

>>>>>

Professionele Monostore tanks geven uw water alle ruimte! Tanks en silo’s

type toepassing afmeting situering bouwtijd ervaring

Gewapend betonnen tanks; monoliet gestort Drinkwater, afvalwater, slib, enz. Diameter onbeperkt, hoogte tot 40 m. Bovengronds of ingegraven; ook in grondwater Zeer korte bouwtijd (speciale bekisting) Al meer dan 60.000 tanks gebouwd

Monostore Monostore is een bedrijvengroep die zich gespecialiseerd heeft in het ontwerpen en bouwen van ronde constructies, zowel in gewapend beton als in gecoat staal. Monostore beschikt over een eigen uniek en gepatenteerd bouwsysteem waarmee de ontworpen tanks en silo’s worden gerealiseerd. En, misschien wel het belangrijkste, Monostore heeft eigen bouwteams die de werkzaamheden snel en efficiënt op locatie uitvoeren. Deze werkwijze van ‘ontwerpen en bouwen’, ‘turnkey’, ‘design and construct’ maakt dat de opdrachtgever geen zorgen meer heeft over de anders vaak zo problematische verantwoordelijkheidsscheiding. Voor alles één verantwoordelijke, zo luidt ons motto.

Tankbouw in beton en staal

MONOSTORE Carlsonstraat 17 8263 CA Kampen t. +31 (0)38 33 70 700 i. www.monostore.com


SMART MONITORING NETWORK connected devices & services

Schlumberger Water Services biedt een compleet scala aan technologie en advies op het gebied van grondwater management. Betrouwbare en nauwkeurige sensoren worden gecombineerd met de laatste ontwikkelingen op het gebied van draadloze communicatie en data visualisatie. Naast kwalitatief hoogwaardige grondwaterdata biedt Schlumberger Water Services tevens oplossingen om een grondwatermeetnet effectiever en efficiënter te beheren.

Grond- & oppervlaktewater monitoring

Diver-NETZ Visualisatie

Draadloze data collectie vanuit het veld naar kantoor Het monitoren en managen van grondwater meetnetten wordt steeds belangrijker. Daarnaast neemt het op afstand uitlezen en beheren van dergelijke meetnetten een steeds grotere vlucht. Diver-NETZ borduurt verder op het gebruik van de Diver datalogger voor deze toepassingen. Het systeem is ontworpen om de diverse workflows zowel in het veld als op kantoor zo efficiënt en naadloos mogelijk op elkaar te laten aansluiten. Hierdoor neemt de betrouwbaarheid van het gehele systeem sterk toe.

Eigenschappen • Elke Diver uit de huidige portfolio kan worden geïmplementeerd in het systeem. • De gehele keten is gebaseerd op low-power technieken • Het systeem biedt de mogelijkheid om het meetnet te beheren, te analyseren en te visualiseren • Standaard kunnen rapporten m.b.v. gebruiksvriendelijke software worden gegenereerd • De visualisatie van het meetnet m.b.v. een web portal.

Data management & controle

Communicatie

Diver datalogger

Waterkwantiteit & - kwaliteit Tel. 015 275 50 00 sales-swsthenetherlands@slb.com www.swstechnology.com