Page 1

DE ZEVENTIG JAARWEKEN 1

DE ZEVENTIG JAARWEKEN

Deze oude stenen rol, is de Cyrus Cilinder. Het is ’s werelds eerste handvest voor de mensenrechten. De eerste vier artikelen van de De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens komen inhoudelijk overeen met die Cyrus Cilinder. Eigendom van het British Museum. Die koning heeft iets te maken met de vervulling van Daniël 9:24-27. Dit zijn de Bijbelse verwijzingen naar Cyrus/Kores: 2 Kron.36:22,23 / Ezra 1:1-4,7,8 / 3:7 / 4:3,5 / 5:13-17 / 6:3,14 / Jesaja 41:25 / 44:28–45:13 / Dan.1:21 / 6:28 / 10:1. YaHWeH zelf zegt over deze niet-joodse koning het volgende: Jesaja 41:25: “25 IK DOE IEMAND OPSTAAN UIT HET NOORDEN en Hij zal komen: vanwaar de zon opkomt zal Hij Mijn Naam aanroepen; Hij zal komen, de machthebbers als leem vertreden en zoals een pottenbakker klei treedt.” Jesaja 44:28: “28 DIE OVER KORES ZEGT: HIJ IS MIJN HERDER, en HIJ ZAL AL MIJN WELBEHAGEN VOLBRENGEN, door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd, en tegen de tempel: Word gegrondvest.” [Herziene Statenvertaling hier en in het voorwoord.] Allen die in de uitleg van Daniël 9 geen degelijke rekening houden met deze woorden gaan de mist in. Hij is niet de sleutelfiguur in deze profetie, dat is de Messias, maar wel waar de start ligt.

Guido Biebaut, 2 juni 2012 Alle rechten voorbehouden


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 2

Een ander voorwoord We publiceerden hier al: VINDEN WE ISRAEL IN DE APOCALYPS VAN JOHANNES. Daaruit hebben we nu twee hoofdstukken ontkoppeld en plaatsen dit hier afzonderlijk: Hoofdstuk 8, De zeventig jaarweken van Daniël 9:24-27 Hoofdstuk 9, Over dagen en maanden en jaren in Daniël en Openbaring. Dat heeft een reden. We schuimen om de vijf jaar het Internet af, of er wat nieuws te vinden is in verband met de profetie van Daniël over de 70 jaarweken = de 490 jaar. Dat was recent weer zo en we verbazen er ons telkenmale over dat er steeds maar complexer en vreemder theorieën bij komen. Het overgrote deel is echter maar kopieerwerk van wat anderen al eens bedacht hebben. Er zijn slechts weinigen die wat dieper graven dan de oppervlakkigheden. Als we ooit een nieuwe versie maken, wellicht nadat ons commentaar op het boek Openbaring klaar is, zullen bepaalde zaken anders geformuleerd worden, met het grote risico dat het aantal bladzijden zich nog zal uitbreiden. Maar ondertussen zetten we dit hier als een zelfstandig boek, daar is het lijvig genoeg voor. Laat ons een en ander opmerken als inleiding bij een moeilijk onderwerp bij wie dat tot in de puntjes wil uitpluizen. We citeren vooraf waarover het hier zal gaan uit de Herziene Statenvertaling © 2010 Stichting HSV Daniël hoofdstuk 9: 24 Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. 25 U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden. 26 Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. 27 Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 3 Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.” 9:24 eeuwige gerechtigheid - Letterlijk: gerechtigheid van eeuwigheden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste. Verwijzing(en) [9:27] Matt 24:15; Mark 13:14; Luk 21:20 Laten we in omgekeerde tekst, van achter naar voren, enkele inleidende aantekeningen maken. Als u denkt dat we vooral kritiek uitoefenen op de leer van de dispensaties dan heeft u dat goed gelezen. Daar zijn de grote problemen ook te vinden: bij een Bijbelexegese die vanuit een vooropgestelde visie uitgaat. Maar ook de Adventkerk heeft naar onze overtuiging niet de goede uitleg. Vers 27 DE VRAAG IS DEZE: WIE IS HIJ IN DAT VERS? De dispensatieleer zegt: dat wijst naar de antichrist, Satans volgeling Wij leren: Satan heeft nooit een verbond gehad met Israël Vooraf enkele vertalingen: [Staten vertaling, Luther vertaling en Leidsche vertaling samen op http://bijbel.opurk.nl/ ] Dié regeerder sal vir een tydperk 'n vaste ooreenkoms aangaan met die vooraanstaandes en teen die helfte van dié tydperk sal hy die Die Afrikaans Bybel 1953

Daniël 9:27

diereoffers en die graanoffers afskaf. Hy sal op die een hoek van die tempel 'n ding sit wat 'n gruwel is vir God en wat verwoesting aanrig, en dit sal daar staan tot alles verby is. Dan sal oor dié regeerder wat soveel verwoesting aangerig het, losbars wat oor hom besluit is.» En hy sal een week lank met baie 'n sterk verbond sluit, en

Die Afrikaans Bybel 1983

gedurende die helfte van die week sal hy slagoffer en spysoffer laat Daniël 9:27

ophou; en op die vleuel van gruwels sal daar 'n verwoester wees, en wel tot aan die einde; en wat vas besluit is, sal oor wat woes is, uitgestort word. Hij zal een week lang met velen een innig verbond sluiten en op de

Leidsche vertaling

Daniël 9:27

helft dier week slacht offer en meeloffer doen ophouden, en in de plaats daarvan komt een ontzettende gruwel, totdat het voldongen en vastbesloten vonnis wordt voltrokken over het ontzettende. En hij zal velen het verbond versterken ééne week lang; en midden in de week zal het slachtoffer en spijsoffer ophouden; en bij de

Luther vertaling

Daniël 9:27

vleugels zullen staan gruwelen der verwoesting, en het is besloten, totdat het vast besloten verderf zal uitgestort worden over de verwoesting. En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in

NBG-vertaling 1951

Daniël 9:27

de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 4 uitstorten over wat woest is. Met velen zal die vorst een vast verbond aangaan gedurende een week. Op de helft van die week zal hij een einde maken aan de

Willibrordvertaling (1978)

Daniël 9:27

slacht - en spijsoffers en op de vleugel van de tempel de gruwel der verwoesting plaatsen totdat de vernietiging, waartoe besloten is, zich aan de vernieler voltrekt.’ Met velen zal hij een sterk verbond aangaan gedurende één week.

Willibrordvertaling (herziene editie

Daniël 9:27

Op de helft van die week zal hij een einde maken aan de slacht- en spijsoffers en op de vleugel de gruwel van de verwoesting plaatsen, totdat de vernietiging, waartoe besloten is, zich aan de vernieler

1995)

voltrekt.' Herziene Statenvertaling

Daniël 9:27

Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.

In de “leer van de bedelingen” slaat dit gedeelte op de toekomst en heeft het te maken met de Satan en de Antichrist die “het verbond versterkt” met Israël. Die Antichrist staat op het punt zich te manifesteren zegt men in die kringen. Wat is het sleutelwoord in dit gedeelte? “het verbond versterken” = Statenvertaling (Jongbloed-editie) “het verbond voor velen zwaar maken” = NBG-vertaling 1951 “sterk verbond aangaan” = Willibrordvertaling (herziene editie 1995) “voor velen van het volk bezwaarlijk maken” = Groot Nieuws Bijbel (herziene editie 1996) “confirm the covenant” = King James Version (Authorized Version) (1611) “make a firm covenant” = American Standard Version (1901) “firm agreement with many” = Good News Bible (Today's English Version) “a firm agreement” = Contemporary English Version “a firm covenant” = World English Bible (versie 16-2-2002) (Het Hebreeuws kan men zowel vertalen als “een” of als “het” verbond.) Kijken we eens naar het begrip “verbond” bij de profeet Daniël in: Herziene Statenvertaling Dan 9,4: “Ik bad tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis en zei: Och Heere, grote en ontzagwekkende God, Die Zich houdt aan het verbond en de goedertierenheid ten aanzien van hen die Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen” Dan 9,27: “Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.” Dan 11,22: “De krachtige armen van de overstroming zullen vóór hem weggespoeld worden en ze zullen gebroken worden, ook de vorst van het verbond.” Dan 11,28: “En de koning van het noorden zal terugkeren naar zijn land, met grote bezittingen, en zijn hart zal tegen het heilige verbond zijn. Hij zal zijn wil ten uitvoer brengen en terugkeren naar zijn land.” Dan 11,30: “Er zullen schepen van de Kittiërs tegen hem komen en hij zal terugschrikken. Hij zal terugkeren en toornen tegen het heilige verbond en hij zal zijn eigen wil ten uitvoer brengen. Hij zal, terwijl hij terugkeert, op hen letten die het heilig verbond verlaten.” Dan 11,32: “En hen die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 5 vleierijen. Het volk echter, zij die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zij zullen hun wil ten uitvoer brengen.” EN DAARUIT BLIJK, DAT ALLE TEKSTEN over het verbond bij Daniël, betrekking hebben op Gods verbond met Israël. Natuurlijk beweren we niet dat er geen verbonden zijn van mensen onderling. Ook daar zijn genoeg teksten van. Maar wat er niet is, nergens in het OT, blijft duidelijk: een verbond van de Satan met Israël in de oudheid zodat het ook nog eens HERNIEUWD of VERSTERKT KAN WORDEN! Wie is de “hij” en die persoon moeten we bepalen? Dat kan onmogelijk Satan zijn want die heeft NOOIT een verbond gehad met Israël. Satan heeft met Israël niets te HERNIEUWEN of te VERSTERKEN. De enige persoon die het kan zijn gezien de context, en de historie, is: Jezus. VERGEET NIET, maar dat doet men in de bedelingenleer: er is in het boek Openbaring geen enkele rechtstreekse verwijzing terug te vinden naar Daniël 9:27. Dat maakt van Johannes geen slordige schrijver en interpreet van de toekomst. Het geeft wel duidelijk weer dat men moet stoppen met de Schrift geweld aan te doen. We moeten geen verbanden uitvinden die er niet zijn. DE gruwelijkheid van het slot in die tekst heeft betrekking op de val van Jeruzalem, straf van God voor de moord op Zijn zoon. Dat heeft te maken met het jaar 66-73 in het Israël van de eerste apostelen en discipelen. Jezus, was daarin duidelijk met deze uitspraak van Lucas 21:22: “Want dit zijn dagen van wraak, opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt.” - Herziene Statenvertaling Of: “Dagen van vergelding zijn dit, waarin alles wat er geschreven staat in vervulling gaat.” Willibrordvertaling (herziene editie 1995) We citeren uit een boek van het bastion van de dispensatieleer. Uit Old Testament Quotations in the New Testament, Gleason L. Archer and Gregory Chirichigno, The Moody Bible Institute of Chicago, 1983 geven ze volgende verwijzingen en mogelijke citaten bij Daniël. 283

Dan 3:6 Dit is wederom niet een citaat, maar slechts een verwijzing in Mat.13:42,50, waarin een profetische vervulling wordt uiteengezet van een eerdere historische gebeurtenis.

284

Dan 7:13; Mt 24:30; 26:64; Mk 13:26; 14:62; Lk 21:27; 22:69 (zie ook Psalm 110:1 [185],a-e) [Onze opmerking: zeer terecht geeft men Psalm 110 aan, maar dat gaat sinds Pinksteren in vervulling.]

285

Dan 9:27; Mt 24:15; Mk 13:14 dit is gewoon de bekende uitdrukking, bdelugma (…) die Jezus in de Olijfberg-rede als profetisch van de laatste dagen genoemd. De twee evangelisten schrijven deze uitdrukking uitdrukkelijk toe aan Daniël als de persoonlijke auteur. [Onze opmerking: De vraag is natuurlijk wannneer de laatse dagen zijn begonnen. Daarin verschillen we met beide schrijvers, wij zeggen in de tijd van Pinksteren begonnen, zij zeggen in onze tijd, wellicht nabije toekomst.]

Vers 26 DE VRAAG IS DEZE: HEEFT GOD D EKLOK MET ISRAEL GESTOPT? De dispensatieleer zegt: Christus kwam op Palmzondag om zich aan Israël als koning aan te bieden maar ze hebben Hem niet gewild en daarom is de klok voor hen gestopt en zal ze met de komende 70ste week weer gaan lopen.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 6 Wij leren: op Palmzondag zien we niet het hoogtepunt van de reis van Jezus naar Jeruzalem, het hoogtepunt ligt bij het sterven aan het kruis en de opstanding gevolgd door Pinksteren. Dan is Gods gemeente op aarde gesticht en het koninkrijk der hemelen begonnen.

Vooraf enkele vertalingen:

Staten vertaling, Luther vertaling en Leidsche vertaling staan samen op http://bijbel.opurk.nl/ Aan die einde van die twee en sestig tydperke sal 'n regeerder Die Afrikaans Bybel 1953

onskuldig doodgemaak word. Die stad en die heiligdom sal verwoes Daniël 9:26

word deur die volk van 'n ander regeerder wat op die toneel sal verskyn. Die einde sal kom soos 'n oorstroming; daar sal oorlog wees tot die einde toe, rampe soos besluit is. En ná die twee en sestig sewetalle sal 'n Gesalfde uitgeroei word,

Die Afrikaans Bybel 1983

maar sonder iets vir Hom; en die volk van 'n vors wat sal kom, sal Daniël 9:26

die stad en die heiligdom verwoes, maar sy einde sal met 'n oorstroming wees, en tot die einde toe sal dit oorlog wees, vasbeslote verwoestings. En na die twee en zestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, zonderdat iemand hem redt. En de stad en het heiligdom zullen

Leidsche vertaling

Daniël 9:26

verdorven worden door het volk van een vorst die komen en wiens einde in den vloed zijn zal; en tot het einde is er oorlog, duurt het besluit dat verwoestingen zullen aangericht worden. En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden en

Luther vertaling

Daniël 9:26

niet meer zijn; en het volk van een vorst, die komen zal, zal de stad en het heiligdom verwoesten, dat het een einde zal nemen als door een vloed; en tot het einde van den strijd toe zal het woest blijven. En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen

NBG-vertaling 1951

Daniël 9:26

zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is. na die tweeenzestig weken zal een gezalfde gedood worden zonder dat iemand hem opvolgt. De stad en de tempel zullen verwoest

Willibrordvertaling (1978)

Daniël 9:26

worden door het leger van een vorst, die komt en zijn einde zal vinden in een vloed van rampspoed. Maar tot aan het einde zal er volgens het besluit een verwoestende oorlog woeden. na die tweeënzestig weken zal een gezalfde gedood worden zonder

Willibrordvertaling (herziene editie

Daniël 9:26

dat iemand hem opvolgt. De stad en het heiligdom zullen verwoest worden door het leger van een vorst die komt en zijn einde zal vinden in een vloed van rampen. Maar tot aan het einde zal er

1995)

volgens het besluit een verwoestende oorlog plaatsvinden. Herziene Statenvertaling

Daniël 9:26

Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 7 komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is.

De uitleg van de bedelingen is hier bekend: met Palmzondag stopt God de klok voor Israël. Rare uitleg, want God start ze dan toch wederom op met Pinksteren wanneer hij met Israëlieten een splinternieuw verbond aangaat. Voor de zoveelste kern, maar ditmaal voor de laatste keer. Nu is het welletjes geweest. Dit leren wij: dat het niet de bedoeling van Christus was om op Palmzondag naar de macht te grijpen of koning te worden op dat moment. Dispensationalisten geven ook om deze reden een verkeerd verhaal bij die Palmzondag. Dit zijn vijf onvervalste redenen waarom de “uitleg volgens de bedeligenleer” fout is. Dit is de eerste: profetie na profetie moest vervuld worden in die dagen. Ook dit, want Zacharia 9:9 had het voorspeld. 9 Verheug u zeer, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin. Maar toen, op Palmzondag, koning worden was daar geen deel van. De tweede reden waarom de uitleg van de dispensationalisten verkeerd is over Palmzondag is deze. Er loopt namelijk nog een ander parallel verhaal in de evangeliën. Dat, van Israël waar men absoluut geen oren heeft naar de boodschap van Jezus en toch is Hij hun koning, hun priester en hun profeet. Hun ogen, oren en hart zijn afgesloten, verhard en onbekeerd. Met Pinksteren zal het veranderen. Dit is de derde reden: Hij kwam om Zijn bloed = Zijn leven te geven voor zondaars. Dispensationalisten geven ook om deze reden een verkeerde indruk van die Palmzondag. Hij moet nog sterven en dat men in de dispensatieleer dat sterven ontkoppeld heeft uit de profetie van de 490 jaar is een kwalijke zaak. Want leren ze niet dat met die zondag de KLOK VOOR ISRAËL IS GESTOPT. Maar Jezus sterft aldus tussen de 69ste en 70ste week, namelijk 5 dagen nadat men de Messias heeft verworpen! Dat is een verkeerde uitleg van de profetie: want dan kan het vers 24 niet vervuld worden, dat hangt ergens in het ijle. De vierde reden waarom er geen overdreven nadruk mag liggen op de betekenis van het Palmzondagfeest is hoe het evangelie van Johannes dat beschrijft. Palmzondag staat in de vier evangeliën beschreven en Johannes geeft een theologische reden waarom dat feest niet is uitgelopen op wat dispensationalisten er in leggen. [Zie onze uitleg daarover bij dat gedeelte.] De vijfde reden waarom we geen overdreven nadruk mogen leggen op het Palmzondagfeest is wat er profetisch gezegd is over de Messias en Zijn werk in deze wereld. Dat heeft namelijk niet slechts met Israël te maken maar ook het offer van Zijn dood voor de NIET-JODEN. Dat vergeet


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 8 men in de dispensatieleer te vernoemen. God gaf Zijn zoon voor de wereld en niet alleen maar Israël. Vers 25 DE VRAAG IS DEZE: BIJ WIE EN WANNEER START DE 490 JAREN? De dispensatieleer zegt: de vervulling van Daniël 9:24-27 begint met Nehemia [Adventisten beginnen met Ezra] Wij zeggen: de vervulling van Daniël 9:24-27 moet met Kores beginnen Vooraf enkele vertalingen: Jy moet nou goed verstaan, vandat die opdrag gegee is dat Die Afrikaans Bybel 1953

Jerusalem herstel en herbou moet word, totdat 'n regeerder kom wat Daniël 9:25

deur God uitverkies is, sal sewe tydperke wees. Twee en sestig tydperke lank sal Jerusalem opgebou bly, met strate en verdedigingslote, maar dit sal moeilike tye wees. Nou moet jy weet en verstaan: van die uitgang van die woord af om

Die Afrikaans Bybel 1983

Daniël 9:25

Jerusalem te herstel en op te bou tot op 'n Gesalfde, 'n Vors, is sewe sewetalle; en twee en sestig sewetalle lank sal dit herstel en opgebou word, met pleine en slote, maar in tye van benoudheid. Gij moet dan weten en verstaan: van het ogenblik af waarop het woord uitgesproken is om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen,

Leidsche vertaling

Daniël 9:25

tot een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en twee en zestig weken lang zal het hersteld en herbouwd worden, met pleinen en wallen, maar in den druk der tijden. Zo weet nu en geef acht: van dien tijd af als het bevel uitgaat, dat

Luther vertaling

Daniël 9:25

Jeruzalem zal herbouwd worden, tot op den vorst Messias zijn zeven weken en tweeënzestig weken: dan zullen de straten en muren herbouwd worden, hoewel in een benauwden tijd. Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een

NBG-vertaling 1951

Daniël 9:25

vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. Prent dit goed in je hoofd: Vanaf het ogenblik waarop het woord gesproken werd over de terugkeer uit de ballingschap en de

Willibrordvertaling (1978)

Daniël 9:25

herbouw van Jeruzalem tot aan het optreden van de gezalfde vorst zullen er zeven weken verlopen; eenmaal herbouwd met pleinen en wallen zal de stad tweeenzestig weken lang zo blijven. Maar in de benarde tijd Prent dit goed in uw hoofd: vanaf het ogenblik waarop het woord

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)

Daniël 9:25

gesproken werd over de terugkeer uit de ballingschap en de herbouw van Jeruzalem, tot aan het optreden van de uitverkoren vorst, zullen er zeven weken verlopen; eenmaal herbouwd met pleinen en wallen zal de stad tweeënzestig weken lang zo blijven.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 9 Maar in de moeilijke tijd U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te Herziene Statenvertaling

Daniël 9:25

laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden.

Let er goed op, op de twee werkwoorden, die verband houden met wat er te gebeuren staat in vers Daniël 9:25a: “Jeruzalem te herstellen en te herbouwen” (NBG) of “weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen” (SV77). Alleen dan kunnen de juiste conclusies getrokken worden over waar de 70 jaarweken begonnen zijn. Hier moet het profetische woord van Daniël aan de profetie van Jesaja gekoppeld worden. Daar lezen we in Jesaja 44:28 / 45:1,13: “28 Die over Kores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welbehagen volbrengen, door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd, en tegen de tempel: Word gegrondvest.’” “1 Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde, tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand, om de volken vóór hem neer te werpen, en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden; om deuren voor hem te openen, poorten zullen niet gesloten worden.” “13 Ík heb Kores doen opstaan in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken. Híj zal Mijn stad bouwen en hij zal Mijn ballingen vrijlaten, zonder betaling en zonder geschenk, zegt de HEERE van de legermachten.”

Hoe oprecht zijn we nu? Mag ik Daniël 9:24-27 van start laten gaan in het jaar 457 v. Chr. met de aankomst van Ezra in Jeruzalem? Of mag ik die start in het jaar 445/444 v. Chr. laten beginnen, met Nehemia? Dat is uitgesloten! Het is duidelijk: dat Cyrus/Kores daartoe bevel gaf. Is het niet hemeltergend dat ondanks de niet verkeerd te verstane uitspraken van Jesaja er zovelen zijn die daar juist niet van start willen gaan. Maar als ze gelijk hebben dan is de profeet Jesaja verkeerd, en heeft onze God YaHWeH een profetie onvervuld gelaten. Als de leraars van de dispensatieleer zeggen dat er bijna niet werd gebouwd in de hoofdstad Jeruzalem dan zetten ze ons op een verkeerde spoor. Wat verwijt de profeet Haggaï het volk: “Is het voor u wel de tijd om in uw fraai overdekte huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt?” Men had dus meer aandacht voor het eigen huisje dan voor Gods tempel. Wanneer was dat? Wel enkele jaren nadat ze teruggekeerd waren, 520 v. Chr. of zo iets. Dat het in 445/444 v. Chr. toen met Nehemia de muur OPNIEUW HERBOUWD WERD niet zo fraai was in de hoofdstad mag je niet op een verkeerd spoor zetten. We zijn dan 92 jaar na de eerste terugkeer en 75 jaar na de aanklacht van Haggaï. We


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 10 lezen erover in vers 25: “Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden.” Maar ook de muren en de stad zelf kregen het hard te verduren van de omwonende nietJoden. Daar moet u maar Ezra hoofdstukken 2-6 voor nalezen. We gaan wat nader in op de woorden die gebruikt zijn in de Jesajaprofetie en Daniël 9:25 die duidelijk maken dat daar het begin MOET liggen. Het gaat om wat Kores zal doen: “door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd, en tegen de tempel: Word gegrondvest.”

“Herstellen” [in Daniël 9:25] is het begrip “lehâshîb”, en komt van “shûb” dat ook regelmatig vertaald is als “weerkeren.” Dit geeft aan dat Jeruzalem “hersteld” is als hoofdstad van het rijk van Juda en Benjamin. Uit het gebruik van het werkwoord “shûb” zien we dat Daniël 9:25 erop wijst dat er een nieuwe regering is, gebaseerd op de theocratische wetten van de torah. “Herbouwen” is het begrip “libnôth” en komt van “bânâh” dat ook als “bouwen” vertaald mag worden. Dit is het onderscheid; het werkwoord “shûb” is niet gebruikt in het OT om een bouw te beschrijven van een letterlijk gebouw. Dit woord geeft het herstel van Jeruzalem aan als stad van personen. Dat wil zeggen: de terugkeer uit de ballingschap om opnieuw een volk te zijn in een bepaald geografisch gebied zoals in Jer.12:15 / 23:3. Juda staat volgens dat begrip, opnieuw op de politieke kaart van zijn dagen. “Bânâh” echter geeft een bouwen (eventueel herstellen of herbouwen) aan van letterlijke en tastbare zaken: tempels, paleizen, huizen en muren. We illustreren die begrippen met enkele Bijbelse voorbeelden. Een Aramees koning zei tot Ahab, koning van Israël, op een zekere plaats, 1 Kon.20:34: “Daarop zeide deze tot hem: De steden die mijn vader aan uw vader ontnomen heeft, zal ik teruggeven (shûb); voorts moogt gij u een handelswijk in Damascus aanleggen, zoals mijn vader in Samaria heeft aangelegd, en ikzelf moge met een verbond afscheid van u nemen. Toen sloot hij een verbond met hem en nam afscheid van hem.” Het gaat hier zoals in het “shûb” van Daniël 9:25, de teruggave van overwonnen gebied aan de oorspronkelijke bezitter ervan. In dit geval van 1 Koningen is het zeer duidelijk, de steden werden voordien niet verwoest, maar teruggegeven in een intacte toestand. In het verhaal van Azaria die koning was, lezen we dit: “Hij versterkte (bânâh) Elat en bracht het aan Juda terug (shûb), nadat de koning bij zijn vaderen te ruste was gegaan” (2 Kon.14:22 NBG). Zo lezen we het in de Willibrordvertaling van 1995: “Het was deze Azarja die Elat versterkte (bânâh) en weer onder Juda bracht (shûb). Dit gebeurde nadat de koning bij zijn vaderen was gaan rusten.” Dus een teruggave van een voordien veroverd gebied. Niet het opstarten van een bouwwerf. Nog een ander voorbeeld uit 1 Kon.12:21: “Toen Rechabeam te Jeruzalem was gekomen, riep hij het gehele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend strijdbare jonge mannen, om te strijden tegen het huis van Israël en het koningschap terug te brengen (shûb) aan Rechabeam, de zoon van Salomo” NBG. “Toen Rechabeam in Jeruzalem gekomen was, riep hij het hele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen; honderdtachtigduizend strijdbare mannen om de strijd aan te binden met het volk van Israël en het koninkrijk te herwinnen (shûb) voor Rechabeam, de zoon van Salomo” Willibrordvertaling, herziene editie 1995.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 11 In Daniël 9:25 staan twee werkwoorden die aangeven wat er te gebeuren staat, sommigen hebben er in slordigheid één werkwoord van gemaakt. Daarom een reeks vertalingen van Daniël 9:25a, want wie dat verkeerd leest kan alle kanten op in één of andere niet Bijbelse uitleg als het hem/haar wat uitkomt: “om te doen weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen” Statenvertaling, editie 1977. “om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen” Nederlands Bijbelgenootschap. “over de terugkeer uit de ballingschap en de herbouw van Jeruzalem” Willibrordvertaling (herziene editie 1995). King James Version 1611, 1769: “the commandment to restore and to build Jerusalem.” New King James Version, 1982: “the command To restore and build Jerusalem.” New Living Translation, 1996: “the command is given to rebuild Jerusalem.” (1 werkwoord) New International Version, 1984, “decree to restore and rebuild Jerusalem.” The Holy Bible, English Standard Version, 2001: “the word to restore and build Jerusalem.” New American Standard Bible, 1995: “a decree to restore and rebuild Jerusalem.” Revised Standard Version, 1952: “word to restore and build Jerusalem.” American Standard Version 1901: “commandment to restore and to build Jerusalem.” Robert Young Literal Translation, 1898: “the word to restore and to build Jerusalem.” Theoloog Vern Sheridan Poythress, schreef een prachtig artikel: Hermeneutical Factors in Determining The Beginning Of The Seventy Weeks (Daniel 9:25), Trinity Journal 6:2 (Fall 1985), blz.131-149. We citeren er wat uit in vertaling: “5. Het vraagstuk van het herbouwen van Jeruzalem Het belangrijkste argument voor de datum 444 v. Chr gaat uit van het veronderstelde onderscheid tussen het herstel van de tempel en het herstel van de stad Jeruzalem. Het decreet van Cyrus, zo wordt gezegd, had alleen betrekking op het herstel van de tempel. Maar het beginpunt in Dan 9:25 heeft te maken met het herstel van de stad. Vandaar dat we moeten uitkijken naar de afgifte van een decreet dat te maken heeft met de stad, en in het bijzonder met inbegrip van de bouw van vestingwerken (cf. “gracht” of “sleuf” in Dan 9:25). De muur als gebouw van Nehemia, in opdracht van Artaxerxes (Neh.2:7-8), komt overeen met deze eis. Echter in antwoord op dit argument, moeten we eerst enkele zaken bekijken en punten die verband houden met de omvang van het decreet van Cyrus. (A) In enge interpretatie, moeten we er rekening mee houden dat de Israëlieten leefden in een sfeer waar het herstel van de tempel, het herstel van de stad Jeruzalem, en het herstel van het land zelf nauw met elkaar verbonden zijn. De stad vertegenwoordigde de hartslag en de veiligheid van het land rondom, de tempel vertegenwoordigde de hartslag en de veiligheid van de stad (Jer. 7:4). Jeremia profeteerde verwoesting voor het land, voor de stad van Jeruzalem, en voor de tempel. In het bijzonder, Jeremia's profetie over 70 jaar van verlatenheid spreekt uitdrukkelijk van herstel van het volk naar het land (Jer.29:10,14), maar is natuurlijk geïnterpreteerd als herstel van de stad (Dan.9:2,16,18) en dat impliceert herstel van de tempel (Dan.9:17). (B) het decreet van Cyrus, zoals vastgelegd in Ezra 1:2-4 en 2 Kron.36:23, richt zich op de wederopbouw van de tempel. Maar we hebben hier geen volledige tekst van het decreet. Ezra 6:35, is een alternatief rapport van het decreet en dat bevat een niet aantal opgenomen details in Ezra


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 12 1:2-4. Misschien bestaan er nog meer details die niet zijn opgenomen in een van de beide samenvattingen. Josephus de Joodse historicus vermeldt de inhoud van de brief van Cyrus aan de stadhouders van Syrië als volgt: “Koning Cyrus te Sisines en Sarabasanes, groet. Over deze onder de Joden wonende in mijn land, aan die dit wensen, heb ik toestemming gegeven om terug te keren naar hun eigen land en om de stad weer op te bouwen

EN van de tempel van God in Jeruzalem te bouwen, op dezelfde plek

waar hij vroeger stond.” (Joodse Oudheden 11,12 [11.1.3], Loeb editie, cursivering is van mij Zie ook Joodse Oudheden 11,6 [11.1.2]..)” Josephus, de Joodse historicus, heeft dus in zijn werk een brief van Cyrus geschreven aan de satrapen (rijksbeheerders) van Syrië. Hij zegt het volgende: “King Cyrus to Sisines and Sarabasanes, greeting. To those among the Jews dwelling in my country, who so wished, I have given permission to return to their native land

and to rebuild the city and build the temple of

God of Jerusalem on the same spot on which it formerly stood” (wij onderlijnen uit ‘Jewish Antiquities’ 11.12 [ 11.1.3], Loeb edition.) We hebben dus een aanwijzing van een historicus die de herbouw van de stad Jeruzalem bij Kores laat beginnen. En de hoofdstukken 1-8 van het boek Ezra zijn daar een ondersteuning van, de geschiedenis van het herstel speelt zich af rond Jeruzalem. Ezra 5:1: “Maar de profeet Haggaï, en Zacharia, de zoon van Iddo, traden bij de Judeeërs die in Juda en Jeruzalem woonden, als profeten op in de naam van de God van Israël.” Dat bewijst dat er mensen zijn in Jeruzalem die de boodschap kunnen horen. Ezra 6:9: “En wat er nodig is: jonge stieren, rammen, lammeren voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, volgens de opgave van de priesters te Jeruzalem, dat moet hun dag aan dag volledig ter beschikking worden gesteld.” Dat bewijst dat er priesters zijn in Jeruzalem. Ezra 10:7 leest: “Daarop deed men een oproep uitgaan door Juda en Jeruzalem tot al degenen die in de ballingschap geweest waren, om zich te Jeruzalem te verzamelen.” Er zijn dus mensen in Jeruzalem die de oproep horen, het was geen oproep voor de katten en de honden. Zie ook nog: Ezra 7:7,14,24 / 9:9 / 10:6. Dat was alles jaren voordat Nehemia er zijn voet zet. John F. Walvoord en al zijn leerlingen moeten leren lezen wat er staat in de Schrift zonder bokkensprongen te maken. Het is duidelijk dat je met behulp van retoriek de waarheid niet mag verdraaien. Vergeet niet dat Jeruzalem, ondanks de beweringen van dispensationalisten, een relatief bruisende stad is in die dagen. Men bouwt er aan de tempel, muren en huizen. Dat spreekt ook voor zichzelf, want toen men terugkeerde zijn die mensen terug gaan wonen waar ze vroeger woonden. Wie woonden dan permanent in de hoofdstad: enkele priesters, zangers, tempelhorigen en veel Benjaminieten en nog enkelingen uit de andere stammen. Ieder in zijn eigen stad en op zijn eigen grondgebied (Ezra 2:1b / 2:70 / 1 Kron.7:28 / Neh.7:6 en 11:5,6). Dit lezen we in 1 Kronieken 9: “3 Te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse: (…) 34 Dit waren de familiehoofden der Levieten, krachtens hun afkomst hoofden. Dezen woonden te Jeruzalem.” Ook in 1 Kronieken 8 staat er wat over: “28 Dit waren familiehoofden, hoofden over hun geslachten; zij woonden te Jeruzalem.” De stam van Benjamin leefde dus zowel vóór als nà de ballingschap in de hoofdstad Jeruzalem. Men ging toen niet in de morgen aan de tempel werken en s’avonds ergens anders naar huis, men woonde in die stad, men leefde er. Wat niet wil zeggen dat ze er allemaal woonden, want ook de grond werd bewerkt om te kunnen oogsten.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 13 Vers 24 DE VRAAG IS DEZE: De dispensatieleer zegt: al die zaken in dit vers zijn nog niet vervuld, maar slechts drie Wij zeggen: alles is vervuld aan het kruis Vooraf enkele vertalingen: Daar is sewentig tydperke vir jou volk en vir jou heilige stad vasgestel. In dié tyd sal daar aan die goddeloosheid en die sondes Die Afrikaans Bybel 1953

Daniël 9:24

'n einde gemaak word en sal daar versoening gedoen word vir die oortredinge. Dit is die tyd waarin 'n blywende geregtigheid tot stand gebring sal word, waarin die profesie en die visioen tot vervulling sal kom en die tempel heringewy sal word. Sewentig sewetalle is oor jou volk en jou heilige stad bepaal, om die

Die Afrikaans Bybel 1983

goddeloosheid te voleindig en om die maat van die sondes vol te Daniël 9:24

maak en om die ongeregtigheid te versoen en om ewige geregtigheid aan te bring en om gesig en profeet te beseël en om wat hoogheilig is, te salf. Zeventig weken zijn vastgesteld voor uw volk en uw heilige stad; opdat de afval voltooid en de maat der zonden volgemaakt, de

Leidsche vertaling

Daniël 9:24

schuld verzoend en eeuwige gerechtigheid aangebracht, het gezicht van den profeet verzegeld en een allerheiligst voorwerp gezalfd worde. Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad; dan zal de overtreding geweerd en de zonde verzegeld en de

Luther vertaling

Daniël 9:24

misdaad verzoend en de eeuwige gerechtigheid aangebracht en de gezichten en profetiën verzegeld en een allerheiligste gezalfd worden. Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding

NBG-vertaling 1951

Daniël 9:24

te

voleindigen,

de

zonde

af

te

sluiten,

de

ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. Voor je volk en voor je heilige stad is een duur van zeventig weken vastgesteld om aan de misdaad een eind te maken, om de zonde te

Willibrordvertaling (1978)

Daniël 9:24

doen verdwijnen en om de ongerechtigheid uit te boeten, om eeuwige gerechtigheid te brengen, om het zegel te drukken op de openbaringen van de profeten en om het hoogheilige te zalven. Voor uw volk en voor uw heilige stad is een duur van zeventig

Willibrordvertaling (herziene editie

Daniël 9:24

weken vastgesteld om aan de misdaad en de zonde een eind te maken, om de ongerechtigheid uit te boeten, om eeuwige gerechtigheid te brengen, de openbaringen van de profeten te

1995)

benadrukken en het hoogheilige te zalven. Herziene

Daniël 9:24

Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 14 Statenvertaling

stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.

We lezen op http://hijleeft.wordpress.com/syrie-en-iran-katalysatoren-van-grote-verdrukking/ “Dus daarom is het mijn (nederige) mening, dat Daniël 9:24 niet volledig zal worden afgerond totdat Christus 1000 jaar geregeerd heeft. Als 1000 jaar gezien kan worden als “één dag”, dan denk ik niet dat Daniël 9:24 volledig vervuld zal worden tot het moment dat de Heer Jezus Christus 1000 jaar geregeerd heeft. We moeten ook onthouden dat satan wordt opgesloten in de gevangenis voor diezelfde periode van 1000 jaar en dan zal hij losgelaten worden voor een “korte tijd”om de naties van de aarde te misleiden.” Zo zijn er veel van dat idee. 

Jezus ging de hemel binnen met Zijn eigen bloed (Heb.9:12): “en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.”  Hij verscheen in Gods tegenwoordigheid (Heb.9:24): “Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen.” Deze beide teksten zijn maar een inleiding tot deze zes onderdelen: lees verder vanaf blz.122-130.

Graf van Cyrus de Grote, Pasargadae, Iran, het Midden Oosten


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 15

Hoofdstuk 8 De zeventig jaarweken van Daniël 9:24-27 Een inleiding en samenvatting van het probleem In deze korte inleiding willen we op de twee punten wijzen waar in onze overtuiging de dispensatieleer de verkeerde conclusies heeft gemaakt over Daniël 9:24-27. De eerste vraag: Heeft het decreet dat Cyrus uitvaardigde betrekking op de wederopbouw van de stad EVENALS van de tempel? Dispensationalisten dringen erop aan dat het decreet van Cyrus in 538 niet het begin kan zijn van de 70 weken. Want zegt men: zijn decreet heeft geen verwijzing naar de wederopbouw van de stad, alleen de tempel is genoemd. Op deze beschuldiging willen we een reactie formuleren. Moeten we niet vooraf toegeven, zonder enige mogelijke tegenspraak, dat de gelovige Israëlieten, terwijl ze in gevangenschap waren in Babylon, ze in een sfeer leefden van herstel dat God beloofd had. Ik heb het dan niet over de wellicht honderdduizenden die ondertussen opgegaan waren in de volkeren rondom hen. Die hadden hun God verlaten en wilden ook niet meer teruggaan naar het land van hun vaderen. Dat de gelovige Joden in die dagen droomden van de restauratie van de tempel, de restauratie van de stad Jeruzalem, en het herstel van een regering in hun land is gewoon Bijbels te bewijzen. Het is zelfs zo dat deze drie zaken nauw verbonden waren en samen één geheel vormden. De stad Jeruzalem vertegenwoordigde de hartslag van het volk volgens Jeremia 7:4: “Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des HEREN tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit!” De tempel in die stad vertegenwoordigde de hartslag van het religieuze leven. Het was ook Jeremia, onheilsprofeet maar ook profeet van de hoop, die verwoesting profeteerde voor zowel het land, de stad Jeruzalem, als de tempel. Het bijzondere van de profetie van Jeremia over de 70 jaar van verlatenheid spreekt ook duidelijk en uitdrukkelijk van het herstel van het volk in het land. We lezen in Jeremia 29:10,14: “10 Want zo zegt de HERE: Neen, als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen. (…) Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord des HEREN, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des HEREN, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren.” Daniël heeft in deze periode geleefd en heeft troost geput uit wat de profeet Jeremia had voorzegd. Daarom gaat hij ook in gebed en wil van zijn God, YaHWeH, weten wat de nabije toekomst zal brengen. Want de 70 jaren zijn bijna voorbij. In Daniël 9 lezen we dan: “2 in het eerste jaar van zijn koningschap lette ik, Daniël, in de boeken op het getal van de jaren, waarover het woord des HEREN tot de profeet Jeremia gekomen was, dat Hij over de puinhopen van Jeruzalem zeventig jaar zou doen verlopen.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 16 We horen ook glashelder uit zijn woorden dat het herstel VAN DE STAD door hem impliciet en expliciet verwacht wordt. We citeren terug uit zijn gebed in Dan.9: “16 Here, mogen naar al uw gerechtigheid uw toorn en uw grimmigheid zich toch afwenden van uw stad Jeruzalem, uw heilige berg; want om onze zonden en om de ongerechtigheden onzer vaderen zijn Jeruzalem en uw volk tot een smaad geworden voor allen om ons heen.” “18 Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden.” Maar Daniël heeft ook een vraag OVER DE TEMPEL: “17 Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, – om des Heren wil.” - (Dan.9:17) Het gaat in Daniel 9 wel degelijk om het verbond van God en Zijn volk. In dit gebed staat als enige in dit boek de naam YaHWeH en dat wijst op het belang ervan. Deze profeet die het type Jood is dat zijn Bijbel kent wil duidelijk weten: God van onze vaderen, alle gelovige Joden hopen en verwachten dat Gij het herstel zult bewerken van de stad en de tempel! Naar mijn overtuiging heeft het decreet in Ezra 1:2-4 en 2 Kron.36:23 inderdaad betrekking op zowel de tempel als de stad Jeruzalem. Wat belangrijk is te weten in deze zaak, is dat deze passages ons NIET de volledige tekst van het decreet geven. Dat is duidelijk wanneer we er Ezra 6:3-5 bij lezen. Je krijgt er “zogezegd” een kopie van het verslag van het decreet van Cyrus. De “kopie” is driemaal langer dan wat in Ezra 1 staat en daar moet rekening mee gehouden worden. Dat gedeelte bevat gegevens die niet zijn genoemd in Ezra 1:2-4. We zullen ook de bewijsvoering aangeven dat er in dat verslag van Ezra 6 mogelijk nog een laatste deel ontbreekt, dat specifiek betrekking heeft op het bouwen van de stad en de muur rond de stad. Wanneer Josephus, de Joodse historicus uit de dagen van de val van Jeruzalem in het jaar 70, verwijst naar het decreet geeft hij degelijk een verwijzing naar de bouw van de stad. Wanneer we omwille van het argument en het bezwaar dat dispensationalisten hier zullen invoeren, zelfs toegeven dat Josephus verkeerd was in dat citeren van het decreet van Cyrus dan hebben ze het pleit nog niet gewonnen. Er zijn expliciete verwijzingen naar de wederopbouw van de stad vóórdat Nehemia er aankwam. Het herstel van de stad, is een begeleidend element bij het herstel van de tempel. Men kan toch niet beweren dat men een tempel bouwt zonder dat er mensen in de stad rondlopen om die te bouwen. Als de tempel er staat zou dat bovendien weinig zin hebben dat hij er is, zonder een groep van priesters om er hun dienst in te verrichten. In Jeruzalem waren priesters en die sliepen toch niet in tentjes even buiten de stad. Zeggen dat het herstel van de stad moest wachten tot de tijd van Nehemia, dat is waar het dispensationalisme op aandringt, meer het is een ontkenning van de geldigheid van de profetie van Jeremia. Het herstel van de stad, evenals de tempel, zou beginnen nadat de 70 jaar voltooid waren. Dat Jes.44:28 en 45:13, onder verwijzing naar de wederopbouw van de stad over Cyrus, als een gezalfde van God spreken mag men niet verdonkermanen. Bijgevolg is één van de belangrijkste grondslagen voor de interpretatie van de dispensationele uitleg van Daniël 9 gewoon als een kaartenhuisje ingevallen. De historisch


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 17 beschreven resultaten uit het boek Ezra zijn voor ons allen goede beschikbare gegevens. Het leert onder andere dat de vervulling van Dan.9:25 met Cyrus in 538/537 v. Chr. begon. In de termen van de uitleggers, de terminus a quo = startdatum, van de 70 weken. De snelrekenaars onder u, zullen dan opmerken dat de 490 jaar uit de profetie dan niet meer overeenkomen met zaken die Jezus aanbelangen. Dat klopt natuurlijk, maar er is een andere uitleg mogelijk: wanneer men aan deze cijfers een symbolische waarde geeft. Want als puntje bij paaltje komt is 490 = 7 x 7 x 70 of = 49 x 10. De opgegeven cijfers 7 en 10 kunnen beide symbolisch “volheid” of “volledigheid” of “perfectie” voorstellen. Beeld van God die Zijn plan tot in de puntjes uitvoert. Dat lijkt u nu wellicht een ver-van-mijn-bed-show maar neem a.u.b. een stelling na de argumenten gelezen te hebben. Mag ik u er nu al op wijzen dat in de kringen van de dispensationalisten er momenteel 4 diverse uitleggingen zijn voor de cijfers uit de profetie. Ze beweren alle 4 dat hun uitleg van de profetie een vervulling geeft tot-op-de-dag nauwkeurig. Onderling verschillen ze van ofwel een start in 445 of 444 v. Chr. en begin en einddatum zijn ook nog eens verschillend. Schiet niet op ons, de pianist, voordat u het stuk gehoord heeft! Lees dus gewoon verder! De tweede vraag is: Wie is de komende “prins” uit Dan.9:26? Dispensationalisten geloven dat deze “prins” de laatste antichrist is, die zal verschijnen aan het einde van deze tijd. Maar in vers 26 worden we echter verteld dat de stad en het heiligdom vernietigd worden door “het volk (= de mensen) van de prins”, dat zal komen. De stelling van het dispensationalisme dringt er terecht op aan dat dit verwijst naar de Romeinse legers die in 70 na Christus Jeruzalem innemen en de tempel verwoesten. Men is daarna niet consequent meer. Maar zegt men dan in het dispensationalisme: “de prins”, aan wie deze legers of mensen behoren, verwijst niet naar Titus, de Romeinse generaal. De tekst, zo zeggen ze, verwijst naar “een prins” die nog moet komen uit een hersteld Romeins rijk. We zijn 2000 jaar later en de mensen uit de jaren 70 zijn allen gestorven. Maar in onze dagen, zegt de dispensationalist, zijn ook de mensen van de nieuwe prins aan het opkomen en ze zullen zoals vroeger Israël aanvallen. Daar moeten we toch op reageren. Het is onmogelijk te spreken van de Romeinse legers die Jeruzalem aanvallen in 70 na Christus en dan nog eens in de nabije toekomst opnieuw. Er staat toch niet in de tekst dat er TWEE VERVULLINGEN zullen plaats hebben van vers 26. Daar komt het dan eigenlijk op neer. Want van wat nog zou moeten geschieden, kunnen de legers toch niet gezegd worden te behoren tot een prins uit de jaren 70. Of is de “prins” die nu nog niet verschenen is, een incarnatie van generaal Titus. Dan zou het gelijk aan uw kant zijn, maar u leert geen incarnatie of transmigratie van zielen. U zit dus vastgeroest in een dogma. Nu bijna tweeduizend jaar zijn verstreken kan, als we naar de tekst kijken, de genitivieve relatie (= de mensen van een prins) niet waar gemaakt worden. Men verwisselt begrippen en wil iets mee aanvangen dat ingaat tegen de tekst. Het is duidelijk dat “de mensen” EN “de prins” zondermeer tijdgenoten zijn. De mensen die behoren tot de prins, zijn het volk van de prins. De Romeinen van het jaar 70 en de prins Titus zijn het onderwerp van de tekst. De hedendaagse Romeinen zijn niet zijn volk, er ligt maar eventjes negentienhonderd jaar tussen hen in. Ook als de huidige Romeinen zullen behoren tot “een prins” die Israël zal aanvallen hun relatie is niet deze van vers 26. Veronderstel eens dat er een prins moet verschijnen op het toneel


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 18 van de geschiedenis die een Nieuw Romeins rijk zal aanvoeren, dan is het GEEN vervulling van vers 26. Ofwel moeten de legers van Titus en de generaal nog eens opnieuw uit de doden opstaan en Jeruzalem aanvallen. De zeer duidelijk taal van het vers geeft slechts deze mogelijke interpretatie, “het volk” en “de prins” horen bij elkaar. Iets ervan uitknippen en naar een andere toekomst overhevelen is theologisch knutselwerk en toont geen respect voor de tekst van de Schrift. Diverse problemen In wat volgt gaan we niet alleen de visies nagaan van verscheidene dispensatieleraars, maar ook van andere interpretaties zodat dit hoofdstuk ook als een apart geheel mag gezien worden in wat Daniël 9:24-27 leert. William H. Shea, een zevendedagsadventist, is een voorvechter van het jaar 457 voor Christus als het begin van de 70 jaarweken. We citeren uit zijn Internetartikel: ‘When Did the Seventy Weeks of Daniel 9:24 Begin?’ “De specifieke vermelding van de naam “Jeruzalem” helpt voorkomen dat er verwarring ontstaat met de herbouw van de tempel in Jeruzalem. Een stad is niet een tempel en een tempel is niet een stad, maar een stad kan een tempel bevatten of er in de buurt gevestigd zijn. Dit onderscheid is belangrijk omdat het decreet van Cyrus in Ezra 1:2-4 uitdrukkelijk de toestemming vermeldt voor de herbouw van de tempel, maar er is geen vermelding van de stad. Naar aanleiding van dit decreet en een aanvullend decreet van Darius I, werd de tempel herbouwd (Ezra 6:14-16), maar ook na de wederopbouw ervan lag de stad nog in puin. Dit was de toestand waarin Nehemia haar ongeveer 70 jaar later vond, in het twintigste jaar van Artaxerxes I. De tempel werd voltooid in het zesde jaar van Darius I, 516 BC, maar de stad was nog niet herbouwd in de tijd van Artaxerxes in het midden van de volgende eeuw.” Dit is, om spaarzaam te zijn met wat we willen uitdrukken, een verbastering van de feiten zoals de Schrift ze ons vermeld. De schrijver gaat van een verkeerd standpunt uit, door de volle nadruk te leggen op wat we vinden in Ezra 1:2-4. Als zijn visie de werkelijkheid is, dat er namelijk nog geen herstel werd gemaakt met het bouwen van de stad, dan heeft de profeet Jesaja fouten gemaakt. Ofwel, ik geef die theoloog de keuze, dan is God fout geweest in Zijn profetie. Want wat staat er over koning Cyrus (Kores) voorspeld? We gaan naar Jesaja 44 waar: “de HEER, uw verlosser” aan het woord is. In vers 28 (Willibrordvertaling) lezen we: “Die over Kores zegt: “Hij is mijn herder, en alles wat Mij behaagt brengt hij tot stand”, die over Jeruzalem zegt: “Het zal herbouwd worden”, en tegen de tempel: “Word opnieuw gevestigd.”” Is hier iets onduidelijks beschreven: 1° “herbouw” van Jeruzalem en 2° “vestiging” van de tempel? Neen toch! Zodat we de redenering van William H. Shea niet mogen aannemen. Het is Kores die de start geeft voor de bouw van zowel het een als het ander. Zeg me niet: ja maar, want er staat nog meer daarover in het volgende hoofdstuk, in 45! “1 Zo spreekt de HEER tot Kores, zijn gezalfde, die Ik bij de rechterhand heb genomen, (…) 2 ‘Ik zal voor u uit gaan, (…) 13 Ik heb hem laten opstaan voor de overwinning en al zijn wegen maak Ik vlak; HIJ IS HET DIE MIJN STAD ZAL HERBOUWEN en mijn verbannenen zal laten gaan, zonder betaling en niet voor loon’.” We moeten daaruit nog wat herhalen: “hij is het die MIJN STAD zal herbouwen.” Dat laat ons niet toe om met God te kibbelen. Als u bij de uitdrukking MIJN STAD iets anders kan bedenken dan de stad Jeruzalem laat het me a.u.b. toch weten! De argumenten hierboven van William H. Shea zullen voor een dispensationalist ongeveer op


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 19 hetzelfde neerkomen. Bij hem gaat de start dan in met het jaar 445 of 444 voor Christus, want de herbouw van de stad plaatsen ze daar. Ze vinden geen herbouwde stad terug in Ezra. Omdat men het boek niet goed leest en niet wil aannemen dat er al mensen gehuisvest waren. We hebben bij een dergelijke redenering hetzelfde als kritiek. God liegt niet, de ingewikkelde theologische constructies van geen van beiden deugt. U merkt het al, we gaan een zwaar debat aanzwengelen. Laten we God maar spreken over deze zaken, zodat we onze stellingen verlaten als ze met de Bijbel niet overeenstemmen. Wie echt niet kan wachten om de Schrift er nu al bij te halen, hier zijn een reeks teksten die aantonen dat men met het bouwen van de stad geruime tijd bezig was voordat Ezra er kwam of toen Nehemia er kwam. Dus kijk naar: Ezra 5:1 / 6:9 / 4:6 / Neh.3:20,21,23,24,25,28,29 / 7:3 / Hag.1:4,9). Lees vooral Haggaï, dat is duidelijk genoeg op zichzelf. Haggaï zei dit: “4 Is het voor ú de tijd om in uw weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt? 9 Gij hebt op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit, en toen gij het binnengehaald hadt, blies Ik erin. Waarom dat? luidt het woord des HEREN der heerscharen. Om mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft, ieder voor zijn eigen huis.” Over deze profetie van Haggaï heeft John Walvoord het volgende te zeggen. “Het is waar dat de kinderen van Israël huizen hadden gebouwd, maar blijkbaar stonden die niet in Jeruzalem. De tempel van God woest laten liggen, terwijl ze in comfortabele woningen leefden was een belediging voor God. Daarom draagt Haggaï ze op de tempel te bouwen. De vraag of Jeruzalem werd herbouwd wordt beantwoord in de grafische beschrijving uit het boek Nehemia, (…), die de stad als een volslagen volledige ruïne schetst (Nehemia 2:12-15). Hij beschrijft de afgebroken muren, de poorten verteert door vuur, en de straten zo vol puin, dat het beest dat hem droeg er niet door kon. In zijn uitdaging aan de kinderen van Israël, zegt Nehemia: “Nu zei ik tegen hen: ‘Jullie zien in wat voor een ellendige toestand wij verkeren: Jeruzalem is verwoest en de stadspoorten zijn door vuur verteerd. Kom, laat ons de muur van Jeruzalem weer opbouwen, zodat wij die schande niet langer hoeven te dragen.’” (Nehemia 2:17 Willibrord). Verder is in Nehemia 11, is het lot geworpen tot het indelen van de partijen, zodat een op de tien zou moeten verhuizen naar Jeruzalem om er een huis (Nehemia 11:1) te bouwen.” Walvoord heeft er de tekst niet uitgeschreven, maar hier is hij: “De leiders van het volk vestigden zich in Jeruzalem. Het overige volk wees door loting van elke tien mensen er een aan om in Jeruzalem, de heilige stad te gaan wonen, terwijl de negen overigen in de andere steden konden blijven wonen.” – Nehemia 11:1 Willibrord. Vergeet er ook niet bij dat elke stam voordien al een gedeelte van het land was toegewezen en dat ze nu opnieuw op dezelfde plaatsen gaan wonen. Een groot deel van de stam Benjamin was de hoofdstad toegewezen en die woonden er nu ook weer. Walvoord komt tot dit besluit: “Het is zeer belangrijk te begrijpen dat géén van de profetieën in 2 Kronieken of Ezra melding maakt van de stad, maar alleen de tempel. Bijgevolg is de beste verklaring deze: dat het decreet met betrekking tot de wederopbouw van de stad is gegeven aan Nehemia in 445 v. Chr., ongeveer negentig jaar na de eerste gevangenen terug en begon de bouw van de tempel.” Over de andere conclusie van Walvoord, dat de huizen die gebouwd werden volgens Haggaï 1, deze opmerking. We weten niet over welke huizen het gaat, deze in Jeruzalem of daar buiten, omdat de tekst het niet te kennen geeft. Maar het is duidelijk uit wat we in de volgende bladzijden citeren uit de Bijbel, dat er wel degelijk huizen gebouwd werden in de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 20 hoofdstad. Dat maakt het vergelijk van Haggaï nog scherper: terwijl de bouw van de tempel stil ligt is men bezig zich een mooi optrekje aan het maken. De bewering van de dispensatieleer dat de zeventig weken met de wederopbouw van Jeruzalem begint in de tijd van Nehemia (444 v. Chr. of 445) is totaal onjuist. Wanneer we wat verder de toestemming van Artaxerxes aan Nehemia bekijken zien we dit: het staat niet in de vorm van een afkondiging of een decreet. De brieven die Nehemia heeft ontvangen waren in de eerste plaats vrijbrieven voor een veilige doortocht in de verschillende Perzische provincies, op weg naar Juda (Nehemia 2:7). Bovendien is er een brief van “houtkap” dat is de toestemming van het gebruik van hout uit de Koninklijke bossen. Die zijn bedoeld voor het specifieke bouwprogramma, poortdeuren, dat hij zou laten uitvoeren (Nehemia 2:8). Nehemia heeft NOOIT een Koninklijke specifieke uitvaardiging ontvangen die hem toeliet om Jeruzalem te herbouwen. Hij vroeg en kreeg van koning Artaxerxes de toestemming om het gemeenschapsleven in Jeruzalem uit te bouwen. Hij had géén toestemming voor de wederopbouw van een volledig verlaten stad want dat was niet nodig aangezien dat begon met koning Cyrus. De stad was niet verlaten dan alleen, alles verliep er nogal ongeordend. Wanneer we de sombere beschrijving over de stad Jeruzalem in Nehemia 1er op nalezen, merk je enkele dingen op. Zeer waarschijnlijk had hij de stad nooit eerder bezocht, maar had meldingen ontvangen van anderen, hoe het er aan toeging. Je krijgt in dat hoofdstuk 1 in ieder geval de indruk dat er een gemeenschap in Jeruzalem is, maar je loopt er zomaar binnen en buiten want de muren zijn in een hopeloze staat. Anders dan de steden in die dagen lijkt het een open stad. Feit is dat de stad bewoond is, maar nog niet hersteld zoals in zijn oude glorie, maar toch bewoond. We moeten concluderen met de woorden van Jesaja, dat door koning Cyrus de feitelijke opdracht Jeruzalem te herbouwen is gegeven. - Zie Ezra 1:1-8 / 6:1-5. De Schrift leert dat met Cyrus, de herbouw van de stad begon, gesymboliseerd met de herbouw van de tempel. Die werd voltooid rond 516 v. Chr. zeventig jaar na de vernietiging van de eerste tempel. In de tijd van Nehemia zijn het - en lees dat a.u.b. – ook en wellicht vooral de inwoners van Jeruzalem die deelnamen aan de wederopbouw van de muren (Nehemia 3:1-32). Er zijn bovendien meerdere aanwijzingen dat er veel huizen in Jeruzalem zijn op dit moment ondanks dat de dispensationalisten het tegendeel beweren. Maar stukken uit de Bijbel niet lezen is geen afdoende bewijs er niet op te wijzen. Lees dus dit:  Nehemia 3:10 zegt: “Daarnaast was bezig Jedaja, de zoon van Charumaf, en wel TEGENOVER zijn eigen huis.”  Nehemia 3:23: “Verderop waren bezig Benjamin en Chassub TEGENOVER hun huis.”  Nehemia 3:26: “26 de tempelhorigen woonden op de Ofel – tot bij de Waterpoort aan de oostzijde.”  Nehemia 3:28: “Vanaf de Paardenpoort waren de priesters bezig, ieder TEGENOVER zijn huis.”  Nehemia 3:29: “Verderop was bezig Sadok, de zoon van Immer, TEGENOVER zijn huis. Verderop weer was bezig Semaja, de zoon van Sekanja, de wachter van de Oostpoort.”  Nehemia 3:30: “Verderop was bezig Mesullam, de zoon van Berekja, TEGENOVER zijn kamer.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 21 Wie hebben dan al huizen in de stad van de grote koning: gewone burgers, priesters, tempelhorigen en poortwachters. Dus vertel het argument van de dispensatieleer, over de lege stad, in dat verband niet verder. De kritiek die men ook nog geeft is deze van Nehemia 7: “4 De stad nu was ruim en groot, maar het inwonertal was gering, en er waren geen huizen gebouwd.” Maar laten we niet te hard van stapel lopen en zeker niet vergeten wat er vooraf gezegd wordt in vers 3: “En gij zult wachtposten opstellen van de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn post, ieder tegenover zijn huis.” Ja, men verzekerde de wacht in de omgeving van zijn EIGEN HUIS. Zijn het vers 3 en 4 dan niet tegenstrijdig? Op het eerste zicht wel! De diverse uitleggingen gaan we niet opsommen, maar je kunt dat vers 4 niet laten primeren tegenover vers 3 en wat we al citeerden uit hoofdstuk 3. De uitleg van Adam Clarke bij deze tekst lijkt ons nog de beste uitleg: de stad is zeer groot en men heeft de muren herbouwd op dezelfde plaatsen als waar ze vroeger stonden. Gezien er weinig inwoners in de stad zijn lijkt ze totaal verlaten. Wie er woont (in een huis of tent) doet dat dicht bij de muur om ze te kunnen beveiligen. De bebouwde kom was niet groot en veel van de stad lag nog in puin, en op een bepaalde plaats kon zelfs het rijdier van Nehemia er niet door. L. Allen merkt hierbij op dat de stad méér leek op een spookstad, want nadat de muren gebouwd waren gingen allen die uit andere steden kwamen na de bouw van de muren terug naar huis. L. Allen and T. Laniak, ‘Ezra, Nehemiah, Esther’, Hendrickson, 2003, blz.122. We willen nog eens opmerken dat het “besluit” om Nehemia naar Jeruzalem te laten gaan door de Perzische koning, opgenomen is in Nehemia 2. Dat heeft niet hetzelfde niveau als het officiële decreet eerder gegeven aan Ezra. We moeten daar oprecht in zijn. Het verhaal van Nehemia staat in relatie tot het voorgaande (= antecedente) decreet van Ezra. In werkelijkheid is wat in Nehemia staat een “mededeling” aan wie de man ooit zou willen tegenwerken. Nehemia kreeg een brief waarin stond dat hij gemachtigd was om erkenning te hebben in het werk dat beschreven stond. Hij kreeg er het recht door, hulp te ontvangen voor de taken die de koning hem toeliet uit te voeren. Het had iets van een decreet, maar het was niet helemaal hetzelfde als wat voordien al beschreven was door Cyrus en de daaropvolgende koningen. Het klopt dat naarmate men de stukken leest in de betrokken Bijbelboeken, dat er precies aan de mededelingen van de wederopbouwprojecten wat bijgevoegd wordt. Maar de oorspronkelijke vergunning en de aanvullende vergunningen zijn niet anders uit te leggen alsdat het gaat om het bouwen van zowel de tempel als de stad. Door allerlei omstandigheid is wat moest uitgevoerd worden door de jaren heen voltooid door Nehemia. Maar dan een gedeeltelijke afwerking. Want er is dan nog dit: men is zowel aan de tempel als de stad permanent blijven werken tot in de dagen van Jezus. Het was er toen zelfs permanent een bouwwerf door de toenmalige koningen, vooral Herodes de Grote. We willen omwille van de aard van onze aanpak vooraf uitgebreide achtergronden bekijken van de geschiedkundige tijd en taalgebruik voordat we naar de tekst zelf gaan kijken. U leest dit dan in twee opeenvolgende delen. Langdradig, zult u wellicht zeggen naar het einde toe. Maar John Walvoord, de verdediger van het dispensationalisme, schreef jaren geleden het volgende: ”De uitleg van de openbaring van de zeventig weken (Daniël 9:24-27) is één van de beslissende factoren uit het ganse systeem van de profetie. De aandacht die alle scholen van Bijbeluitleg en de aanvallen op de authenticiteit van het boek zelf is als een baken van licht op dit onderzoek. De uitleg van dit gedeelte kleurt zondermeer alle andere profetische inzichten en een goed verstaan ervan is het sine qua non van elke student van de profetie” (Bibliotheca Sacra, volume 101, blz.30, Jan-Mar, 1944, wij onderlijnen). We gaan nog veel dieper graven in die tekst, dan wat


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 22 Walvoord gedaan heeft en zijn zwakke punten belichten als volgeling van de leer van de bedelingen. Wij citeren wat van Harold Camping en zijn kritiek om te starten bij Kores als het begin van de 70 jaarweken, uit zijn brochure ‘The Seventy weeks of Daniel 9’ (blz.4, versie van Internet uit 2005). “Helaas is er een fatale fout om deze kandidatuur onder beschouwing te nemen als het begin van de 70 weken. Er is geen enkele mogelijke manier, op een 70jarenweek basis, om een verband te leggen tussen de jaren 537 voor Christus, van de Heere Jezus, die werd gedoopt in het jaar 29 na Christus gekruisigd en in het jaar 33 na Chr.” Dat Harold Camping geen manier heeft gevonden bij onze uitleg, wil nog niet zeggen dat die er niet is. Als ik een korte uitleg mag geven van wat volgt dan is het dit. Het is zondermeer duidelijk dat we de bouw van de tempel en van de stad Jeruzalem moeten zetten in de vervulling van wat er gebeurde in de tijd van koning Kores. In de ogen van God is deze man: “een gezalfde koning”, iemand die Gods goedkeuring wegdraagt en is aangesteld door God om een bepaald werk te doen. Jesaja 45:1 NBG is daar duidelijk in: “Zo zegt de HERE tot zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik gevat heb om volken vóór hem neer te werpen.” Kores is een gezalfde van God om het herstel van Israël te laten uitvoeren en de bouw van de tempel te laten plaatsvinden. Wanneer we Daniel 9:24-27 niet hier, maar ergens anders laten beginnen dan hebben woorden hun echte betekenis verloren. Want we lezen in de Bijbel duidelijk dat: 

Jesaja 44:28 NBG: “die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren door TOT JERUZALEM te zeggen: Het worde herbouwd EN DE TEMPEL worde gegrondvest.”

2 Kron.36:22,23 SV77: “Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht zou worden het woord des HEEREN, door de mond van Jeremía, verwekte de HEERE de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: 23 Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.” Ezra1:1-5 SV77: “In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht zou worden het woord des HEEREN, uit de mond van Jeremía, verwekte de HEERE de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is. Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis van de HEERE, de God van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont. En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, hem zullen de lieden van zijn plaats bevoordelen met zilver, en met goud, en met have, en met beesten; benevens een vrijwillige gave, voor het huis Gods, Die te Jeruzalem woont. Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten, benevens een ieder, wiens geest God


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 23 verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des HEEREN, die te Jeruzalem woont.” In de NBG-vertaling van 1951, zijn er 19 vindplaatsen in 18 verzen voor het begrip “BEVEL” in de boeken Ezra en Nehemia. De teksten die niets te maken hebben met de bouw van de stad Jeruzalem, de tempel in de stad en de muur ter bescherming geven we niet weer, maar hier is de rest onderverdeeld in twee zaken. Enkele ervan hebben betrekking op de buren van de teruggekeerde Joden uit de Babylonische gevangenschap. Ze willen een verbod uitvaardigen tegen de bouw van de stad en de tempel. Dit zijn er enkele van. Teksten van tegenstanders:  Ezra 4:19: “en door mij is BEVEL gegeven, en men heeft onderzoek gedaan en bevonden, dat deze stad sinds de dagen van ouds tegen de koningen opstandig is geweest, en dat men wederspannigheid en oproer in haar stookte.” 

Ezra 4:21: “Geeft dan nu BEVEL, deze lieden de arbeid te doen staken, opdat deze stad niet herbouwd worde, aleer door mij BEVEL wordt gegeven.”

Ezra 5:3: “In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier, tot hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie heeft u BEVEL gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien?”

Ezra 5:9: “Daarop hebben wij die oudsten ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd: Wie heeft u BEVEL gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien?”

Men onderzoekt later in de koninklijke archieven of Kores (of een andere koning) het bevel heeft gegeven tot het herbouwen van Jeruzalem als stad en er een tempel in op te richten. Dat blijkt waar te zijn, die documenten bestaan. Zodat er geen enkele reden is om de mensen die aan het bouwen zijn in Jeruzalem ook maar iets te verbieden. Er zijn zelfs bevestigingen bij dat het originele bevel van Kores afkomstig is. We citeren deze teksten die betekking hebben op de stad, de tempel en de muren rond de stad, dus de burgerlijke (huizen en muren) en religieuze (tempel en priesterschap) zaken die hersteld werden.  Ezra 5:13: “Maar in het eerste jaar van KORES, de koning van Babel, gaf koning KORES BEVEL dit huis Gods te herbouwen.” 

Ezra 5:17: “Welnu, indien het de koning goeddunkt, dan moge er een onderzoek worden ingesteld in de schatkamer des konings, aldaar, namelijk in Babel, of werkelijk vanwege koning KORES BEVEL is gegeven tot herbouw van dit huis Gods te Jeruzalem; en de koning moge ons zijn beslissing hieromtrent doen toekomen.”

Ezra 6:3: “In het eerste jaar van koning KORES gaf koning KORES dit BEVEL: Wat betreft het huis Gods te Jeruzalem, dat huis moet worden herbouwd tot een plaats waar men slachtoffers brengt; en zijn fundamenten moeten gelegd worden; zijn hoogte moet zestig el bedragen, zijn breedte zestig el.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 24 

Ezra 6:8: “Tevens is door mij BEVEL gegeven aangaande hetgeen gij doen zult aan deze oudsten der Judeeërs bij de bouw van dit huis Gods: uit de koninklijke inkomsten, uit de schatting van het gebied over de Rivier, zal nauwkeurig en zonder uitstel uitbetaling aan die mannen worden gedaan.”

Ezra 6:11: “Voorts is door mij BEVEL gegeven, dat er van ieder die dit besluit overtreedt, een paal uit zijn huis zal worden gerukt, opdat hij daaraan gehangen en vastgeslagen worde, en dat daarom zijn huis tot een puinhoop zal gemaakt worden.”

Ezra 6:12: “De God nu, die zijn naam daar heeft doen wonen, stote iedere koning en elk volk neder, die als overtreders hun hand uitstrekken om dit huis Gods te Jeruzalem te verwoesten. Ik, Darius, heb BEVEL gegeven; het worde nauwkeurig uitgevoerd!”

Ezra 6:14: “De oudsten der Judeeërs bouwden voorspoedig voort tijdens het profeteren van de profeet Haggai en van Zacharia, de zoon van Iddo; zij voltooiden de bouw volgens het gebod van de God van Israël en volgens het BEVEL van KORES, Darius en Artachsasta, koning van Perzië.”

Ezra 7:13: “Door mij is BEVEL gegeven, dat ieder die in mijn koninkrijk tot het volk Israël, zijn priesters of de Levieten behoort, en zich bereid verklaart naar Jeruzalem te gaan, met u mag meegaan.”

Ezra 7:21: “Voorts is door mij, koning Artachsasta, BEVEL gegeven aan alle schatbewaarders van het gebied over de Rivier: alles wat de priester Ezra, de geleerde in de wet van de God des hemels, u zal vragen, zal stipt worden uitgevoerd.”

Nehemia 13:9: “Op mijn BEVEL reinigde men de vertrekken, en ik bracht het gerei van het huis Gods, het spijsoffer en de wierook daarin terug.”

Nehemia 13:19: “Zodra het dan in de poorten van Jeruzalem donker werd, vóór de sabbat, sloot men op mijn BEVEL de deuren, en ik beval, dat men ze niet zou openen tot na de sabbat. En ik stelde enige van mijn knechten bij de poorten op, – er zou geen vracht op de sabbatdag binnenkomen.”

Zonder enige twijfel kunnen drie conclusies getrokken worden uit al deze teksten: 1°) Kores geeft TWEE opdrachten aan de Joodse bevolking in zijn rijk: door tot Jeruzalem te zeggen: a) Het worde herbouwd (dat is een stad bestaande uit huizen en verdedigingsmuren) b) en de tempel worde gegrondvest (dat is een tempel en een dienstdoende klerus) 2°) Het bevel van Kores krijgt een onmiddellijke opvolging, zodat we niet naar een latere datum moeten zoeken waar Daniël 9:24-27 zou kunnen starten. Absoluut niet of we maken van wat daar staat, geankerd aan Jesaja hoofdstukken 44 en 45 een profetie die onvervuld is. Gezien er sprake is over de Kores uit de 6ste eeuw vóór Christus moet men daar de start nemen van de profetie. Je kunt het dan niet meer uitsmeren naar een


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 25 verre of nabije toekomst. We zeggen dit met het oog op de Joden. 3°) Zodat de uitleg van de Adventisten, waar men start in 457 v. Chr., of de dispensationalisten, waar men start in 445 of 444 v. Chr., van Jesaja hoofdstukken 44 en 45 een valse profetie maakt.

We lopen even uit naar wat we later uitleggen. Bijna allen zijn het erover eens dat de eerste twee eenheden in de tijdsperiode (zeven en tweeënzestig) onmiddellijk na elkaar volgen. Waarom zou de laatste periode van zeven dat niet zijn? John Walvoord, de dispensationalist, bekritiseert Philip Mauro omdat hij de laatste zeven jaar als een onbepaalde tijd ziet. Hij zegt: “In het licht van de nauwkeurigheid van de zeventig jaar van de gevangenschap, vermeld in hetzelfde hoofdstuk, blijkt uit de context de waarschijnlijkheid van een letterlijke bedoeling van de openbaring.” Volgens Walvoords commentaar op vers 24. Mauro, advokaat van beroep, maakt van de zeventigste week een periode van veertig jaar. Hij verlengt Gods genadige lankmoedigheid tegenover Israël als deel van die laatste week. Walvoord en de andere dispensationalisten hebben een kloof van bijna 2000 jaar lang. Dat lijkt ons als het ontkennen van de mogelijkheid van de tijdsmeting. Waarom heeft Walvoord dan kritiek op Mauro, hij is toch zelf niet “meer letterlijk?” De mening van Ph. Mauro is hoe dan ook nauwkeuriger dan wat Walvoord schrijft. Bij Mauro zijn de gebeurtenissen van dat laatste vers gerekend bij de tijdperiode van een mensengeslacht in dezelfde eeuw! In Walvoord’s gedachten is het gescheiden door bijna twee millennia!

Iedereen is het er over eens dat er een decreet tot het herbouwen van de tempel, gegeven is door Kores = Cyrus in ongeveer 538 (537 of 536) voor Christus. De vraag is: of dit decreet ook de toestemming aan de wederopbouw ‘van de stad’ geeft? We geven in wat volgt het duidelijke bewijs dat ook de stad werd herbouwd sinds die tijd. Dit geven echter dezen aan die zeggen dat er van een herstel van de stad hier geen sprake is: de precieze formulering van de drie decreten zoals opgetekend in 2 Kronieken 36 en in Ezra lijken alleen met de tempel wat te maken te hebben. Aan een wederopbouw van de stad werd niet voldaan tot de tijd van Nehemia. Deze man kreeg volgens het decreet in Nehemia 2:1-8 duidelijk de opdracht de stad als geheel te bouwen. Tot zover wat dispensationalisten er in het kort over leren.

Dit is wat John Walvoord, de dispensationalist, hierover schrijft in zijn commentaar op Daniel als bewijsvoering hierbij: “Men gebruikt als argument wat uit Ezra 4:12-21 geleerd zou worden: dat de muren van de stad herbouwd waren op dat moment en dat de verwijzing naar “een muur in Juda” in Ezra 9:9 betekent dat ze tot voltooiing gekomen waren. Er is geen bewijs dat de bouw van de muur opnieuw was toegestaan in 457 v. Chr. Een zorgvuldig onderzoek van deze passages bewijst niet met alle duidelijkheid dat de muur ooit werd voltooid of zelfs begonnen. De beschuldigingen van de vijanden van Israël waren grotendeels onjuist, omdat uit de gegevens uitdrukkelijk blijkt dat ze alleen een tempel aan het bouwen waren. De omvang van de puinhopen in de stad Jeruzalem en “van de muur” die twaalf jaar later, vermeld in Nehemia, zijn zodanig van aard dat de beste interpretatie is: ze te verwijzen naar de verwoesting van Jeruzalem in 586 voor Christus. Eventueel een eerdere datum dan 445 v. Chr. aangeven voor de wederopbouw van


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 26 de muur is gebaseerd op onvoldoend bewijs.” We gaan zijn argumenten nauwkeurig na in wat volgt, maar weten u nu al te zeggen dat ze niet al te zwaar wegen. Voor enkele Amerikaanse evangelische theologen die van opvatting zijn dat begin van de zeventig weken in 457 v. Chr. valt zie: G. L. Archer, Jr., ‘A Survey of Old Testament Introduction’, blz.387; J. B. Payne, artikel ‘Daniel,’ Zondervan Pictorial Bible Dictionary’, blz.198; J. B. Payne, ‘The Theology of the Older Testament’, blz.521.

Deel een: de achtergrond In Daniël 9:24-27 NBG staat: “Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is. En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.” Een harde noot om te kraken omdat er nogal wat onkruid in de theologische hof staat, zogezegd gebaseerd op de juiste uitleg van dat Bijbelgedeelte. De tabel onderaan komt uit een artikel van Marc Verhoeven, ‘De 70 jaarweken in het boek Daniël’ van het Internet. Update 28-01-2007. Dat leert men in de dispensaties, een breuk van honderden jaren tussen de dood van Jezus en Zijn Wederkomst. Maar dit kan theologisch niet.

geboorte hemelvaart 445 vC

?

0 30 nC

opname

Satan

komst van de Heer

einde tijden der heidenen 3,5 jaren (1) 49 jaren 7 weken

434 jaren 62 weken

483 prof. jaren

Gemeente verborgenheid

3,5 jaren (2)

Antichrist 70

grote verdrukking ste

jaarweek

7 prof. jaren

70 jaarweken van Daniël 9:24 = 490 profetische jaren

1000 jaren

eeuwigheid


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 27 Als de kloof tussen de weken 69 en 70, in de leer van dispensaties met betrekking tot de zeventigste week er echt is, dan is de kloof tussen de zeventigste week en de negenenzestigste week bijna 2000 jaar lang. Dat is dus vier keer de hele periode van de zeventig weken of 490 jaar! Hoe kunnen dispensationalisten verwachten dat we hen geloven wanneer ze zeggen: we nemen de tekst letterlijk! In werkelijkheid zijn er drie berekeningen, met een andere begindatum en een andere einddatum. Toch beweren alle drie voor de exacte vervulling van de eerste 69 weken: tot op de dag nauwkeurig! Maar dan vragen ze ons dat een onderbreking van duizenden jaren na die 69 weken gewoon in de lijn van de letterlijke uitlegt ligt. Charles Ryrie, lacht zelfs met amillennialisten voor de datering van het decreet van Dan.9:24 in 538 v. Chr. Hij doet het omdat: “dit het effect heeft van het toestaan dat de zeventig zevens een onnauwkeurig duur” hebben. Later in zijn uitleg draait hij echter bij door op te merken: “Er is een interval van onbepaalde duur tussen de eerste negenenzestig weken die elk zeven jaar duren en de laatste of de zeventigste week van zeven jaar!” Aanhangers van de leer dat er een kloof is tussen de laatste en voorlaatste week zullen hierbij opmerken dat er al kerkvaders waren die dat leerden. Men beroept zich op Hippolytus van Portus Romanus (derde eeuw) of Apollinaris van Laodicea (vierde eeuw). Dat vereist een onderzoek naar deze bewering. In de eerste plaats hadden, deze twee mannen opvattingen waarvan de meerderheid in de vroege kerk zijn wenkbrouwen zou fronsen. Ze hadden in hun interpretatie uiteenlopende elementen die weliswaar niet worden opgevolgd door de huidige futuristische uitleggers van de dispensatieleer. Je kunt die kerkvaders niet als voorlopers zien. Zo rekent Hippolytus de jaren vanaf Cyrus (of vanaf Darius de Meed) als het begin van de periode tot de incarnatie van Christus. Dat is natuurlijk een chronologische onmogelijkheid want men verlengt de tijdsperiode. Het gaat niet om letterlijke jaren. Een twee punt: allen die Hippolytus citeren voor de interpretatie van een “kloof” volgen de details van zijn theorie niet. Net zomin zullen zij instemmen met zijn verwachting van de Wederkomst van Jezus omstreeks het jaar 500. Van historische precedenten voor de leer van een “kloof” is dus geen sprake. De Revised Scofield Reference Bible geeft bij Dan.9:24 een lange voetnoot bestaande uit zeven punten om deze Messiaanse profetie als volgt te verklaren: “1. De 70-weken profetie heeft met name betrekking op Daniël's 'volk' en de 'heilige stad', d.w.z. op Israël en Jeruzalem. 2. Er wordt melding gemaakt van twee vorsten: de eerste wordt 'de Messias, de Vorst' (vs 25) genoemd, de tweede de 'vorst die komen zal' (vs.26). De tweede is de 'kleine hoorn' uit hoofdstuk 7 en 8, die het herbouwde Jeruzalem zal verwoesten, nadat de gezalfde vorst gedood is (vs.26). 3. De zeventig weken zijn 'jaarweken', een belangrijke op de sabbat gebaseerde tijdspanne in de joodse kalender 4. De 70 weken zijn 490 profetische jaren van 360 dagen, want 'tijd, tijden en een halve tijd' (Dan.7:25) is volgens Openbaring 11:2 en 13:5 gelijk aan 42 maanden en volgens Openb. 12:6 en 13:3 aan 1260 dagen. 5. De aanvang van de 70 weken wordt gesteld op 'vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 28 Jeruzalem te herstellen' (vs 25). Het enige bevel om Jeruzalem te herstellen dat we in de Bijbel vinden, wordt gemeld in Nehemia 2: de maand Nisan in het 20e jaar van koning Artaxerxes (= 445 v.Chr.) 6. Na 69 weken (62+7) gebeuren er twee belangrijke dingen: 1. Een gezalfde wordt uitgeroeid en 2. De herbouwde stad en het heiligdom worden verwoest door het volk van een andere vorst, die nog zal komen. Over het algemeen wordt aangenomen dat deze gebeurtenissen vervuld werden in het sterven van Christus en de verwoesting van Jeruzalem (70 n.Chr). Er ligt dus een tijd (van ongeveer 40 jaar) tussen de dood van Jezus en de verwoesting van de stad en ook een tussen de 69e en de 70e jaarweek. 7. De hoofdgebeurtenissen van de laatste jaarweek zijn (vs 27): i. Een verbond van 7 jaar wordt door de toekomstige Romeinse vorst (de 'kleine hoorn' uit hfst 7 en 8) met de Joden gesloten. ii. Halverwege de 7 jaar wordt de joodse godsdienst gewelddadig onderbroken door een vorst die een 'gruwel van verwoesting' aanricht en het heiligdom verwoest. iii. Tegelijkertijd laat hij de joden vervolgen. iv. Aan het einde van de 7 jaar zal er een oordeel komen over deze verwoester (vs 27) en zal er een eeuwige gerechtigheid aanbreken (vs 24). Dat deze laatste jaarweek nog niet is aangebroken, zien we in het gegeven dat Jezus deze gebeurtenissen in Matt. 24 (vs 6 en 15) verbindt met zijn tweede komst. Dus moet tussen de 69e en de 70e week de tijd van de gemeente liggen, zoals deze in het NT naar voren komt. Het komen van deze tijd is in het OT niet geopenbaard.” Einde citaat uit de Scofield Reference Bible. Er is in verband met de Scofield Reference Bible vooraf wat op te merken. Albertus Pieters schreef ergens: “Van start tot finish is het [de Scofield Bijbel] zeker een partijdig boek, zowel openlijk als onder bedekte termen, een instrument van propaganda in het voordeel van een uiterst twijfelachtige eschatologie (…) Als Darby en zijn school gelijk hebben, dan had de hele christelijke kerk het mis op een essentieel onderdeel van het christelijk geloof: achttienhonderd jaar lang.” – ‘Candid Examination of the Scofield Bible’, Albertus Pieters, (Union City, PA, Bible Truth Depot, 1932) blz.25,27 Dr. T. T. Shields merkte humoristisch op: “Vanuit een positie van gehele onwetendheid van de Schrift naar een positie van orakelachtig religieuze zekerheid - vooral op het gebied van eschatologisch aangelegenheden - voor sommige mensen lukt het, met maar drie tot zes maanden een Scofield Bijbel bestudeerd te hebben.” – ‘The Gospel Witness’ (Toronto Canada, April 7th, 1932).


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 29

J.N. Darby We citeren wat uit het artikel: ‘Verbondsleer versus Dispensationalisme, Een kwestie van Wet versus Genade’ naar een artikel van: Bob Nyberg, vertaald en bewerkt D.T. Brinkman vanuit www.scofieldbijbelcollege.nl Het leert ons wie de grondlegger is van de dispensatieleer. “Darby ging uit van een letterlijke, historisch-grammaticale, methode van Bijbeluitleg. Bij zijn studie van Gods Woord, in dit licht, leek het onderscheid tussen Israël en de Gemeente “van de pagina’s af te druipen”” Hij, samen met zijn tijdgenoten, aanvaarde de waarheid van het ‘dispensationalisme’ – en werkte het uit tot een meer systematische, theologische, vorm. God gebruikte dit om de kerk niet alleen terug te laten keren naar de principes van genade als grondslag voor het Christelijke leven, maar ook te wijzen op de aanstaande, premilleniale, komst van Christus.” We moeten voor we verder gaan wat zeggen over de kritiek die degenen gebruiken die geloven in het jaar 457 (456) v. Chr. als de start van de 70 weken contra de dispensatieleer. Dat heeft te maken met de opmerkingen van Ezra over zijn opdracht die hij door de koning heeft ontvangen. Nu geeft zijn commentaar opgenomen in Ezra 9:9 duidelijk aan dat hij begreep dat in zijn opdracht ook de wederopbouw van de stadsmuur van Jeruzalem inbegrepen was. Ezra 9:9 NBG zegt: “want wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten; Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een omtuining gaven in Juda en in Jeruzalem.” De Willibrord vertaling zegt nog duidelijker: “Want slaven zijn wij, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten, maar Hij heeft ons genade laten vinden bij de koningen van Perzië. Zij hebben ons steun gegeven om het huis van onze God weer op te bouwen EN uit de puinhopen te laten herrijzen en onze woonplaatsen in Juda en Jeruzalem te ommuren.” Ezra geeft hier de eigen interpretatie van zijn opdracht door koning Artaxerxes gegeven. Daaruit blijkt dat hij wist dat het meer dan alleen met de tempel te maken had. Hij noemt het herstel van de Tempel maar ook de wederopbouw van de muur rond de heilige stad Jeruzalem en zelfs bakens rond het landsgebied. Als de dispensationalisten het decreet van Artaxerxes uit 457 v. Chr. niet aannemen als met betrekking de bouw van de muren is zondermeer wat Ezra 9:9 leert ons als onjuiste informatie doorgegeven. De Bijbel zou dan verkeerde informatie bevatten, of zeggen we het dan maar gewoon: leugens vertellen. Als dispensationalisten 445 v.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 30 Chr. als uitgangspunt gebruiken en als start nemen om terug te keren naar Jeruzalem en de muren van de stad te herbouwen is geen rekening gehouden met Ezra 9:9. Laten we dan maar starten met deze voor velen wellicht zware taak. We hebben een zoekwerk uitgevoerd in de boeken Ezra en Nehemia met de vertaling van het Nederlandse Bijbelgenootschap van 1951. We bekijken enkele begrippen die te maken hebben met het herstel van Jeruzalem na de gevangenschap in Babylon; van de stad, tempel, poorten en muren. We doen dat vooraf omdat dispensationalisten zeer laks omspringen met die gegevens en vanuit “een muur” die gebouwd wordt in Nehemia de ganse profetie van Daniël 9:24-27 willen uitleggen. Dat is niet mogelijk. Het afwerken van de muur is het slot het eerste deel van de profetie (7 jaarweken) en niet het begin ervan. Dit is het resultaat van dat opzoeken, conclusies volgen hierop. U hoeft al die teksten niet te lezen, dan gaat u vier bladzijden verder. Je kunt er naar een tekst zoeken die we aanhalen. Alles lezen heeft een voordeel, je merkt dan onmiddellijk dat dispensationalisten EN ANDEREN wat beweren over de start van de 70 jaarweken die absoluut niet klopt. “Herstellen”, 1 vindplaats in 1 vers Ezra 9:9: “want wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten; Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een omtuining gaven in Juda en in Jeruzalem.” xxxxxxxxxxxx “Herbouwen”, 8 vindplaatsen in 8 verzen Ezra 4:12: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te HERBOUWEN; zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit.” Ezra 5:11: “Zij hebben ons nu het volgende antwoord gegeven: Wij zijn dienaren van de God van hemel en aarde en wij HERBOUWEN het huis dat vele jaren geleden gebouwd werd; een groot koning van Israël heeft het gebouwd en voltooid.” Ezra 5:13: “Maar in het eerste jaar van Kores, de koning van Babel, gaf koning Kores bevel dit huis Gods te HERBOUWEN.” Nehemia 2:5: “En ik zeide tot de koning: Dat gij, indien het de koning goeddunkt en indien uw knecht u welgevallig is, mij zendt naar Juda, naar de stad waar de graven mijner vaderen zijn, om haar te HERBOUWEN.” Nehemia 2:17: “Toen zeide ik tot hen: Gij ziet de rampspoed, waarin wij verkeren, dat Jeruzalem verwoest is en zijn poorten met vuur verbrand zijn. Komt, laat ons de muur van Jeruzalem HERBOUWEN, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn.” Nehemia 4:1: “Maar toen Sanballat gehoord had, dat wij de muur aan het HERBOUWEN waren, ontstak hij in woede en ergerde zich zeer; hij bespotte de Joden.” Nehemia 4:5: “Bedek hun ongerechtigheden niet en laat hun zonde niet uitgewist worden voor uw aangezicht, omdat zij krenkend zijn opgetreden tegen hen die HERBOUWEN.” Nehemia 6:6: “Daarin stond geschreven: Onder de volken gaat een gerucht en Gesem bevestigt het, dat gij en de Joden van plan zijt in opstand te komen; daarom zijt gij bezig de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 31 muur te HERBOUWEN, en gij wilt volgens dat zeggen hun koning worden.” xxxxxxxxxxxx “Bouwen”, 14 vindplaatsen in 14 verzen Ezra 1:2: “Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te BOUWEN in Jeruzalem, in Juda.” Ezra 1:5: “Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de priesters en de Levieten, zich gereed, allen wier geest God had gewekt om op te trekken teneinde het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont, te BOUWEN.” Ezra 4:2: “kwamen zij tot Zerubbabel en de familiehoofden en zeiden tot hen: Laat ons met u BOUWEN, want wij zoeken uw God evengoed als gij; Hem toch brengen ook wij offers sinds de dagen van Esarhaddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft doen optrekken.” Ezra 4:3: “Maar Zerubbabel, Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het gaat niet aan, dat gij met ons een huis voor onze God bouwt, want wij alleen willen voor de HERE, de God van Israël, BOUWEN, zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden heeft.” Ezra 4:4: “Toen ontmoedigde de bevolking des lands het volk van Juda en schrikte hen af van het BOUWEN.” Ezra 5:2: “Toen maakten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, zich op en begonnen te BOUWEN aan het huis van God, die in Jeruzalem woont; en de profeten Gods stonden hun met hun hulp terzijde.” Ezra 5:3: “In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier, tot hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te BOUWEN en deze muur te voltooien?” Ezra 5:4: “Daarna zeiden zij aldus tot hen: Wat zijn de namen van de mannen die dit gebouw BOUWEN?” Ezra 5:9: “Daarop hebben wij die oudsten ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te BOUWEN en deze muur te voltooien?” Ezra 6:7: “laat de arbeid aan dat huis Gods toe; de stadhouder der Judeeërs en hun oudsten mogen dat huis Gods op zijn plaats BOUWEN.” Nehemia 2:20: “Maar ik diende hen van antwoord en zeide tot hen: De God des hemels, Hij zal het ons doen gelukken, en wij, zijn knechten, zullen ons gereedmaken en BOUWEN; gij echter hebt deel noch recht noch gedachtenis in Jeruzalem.” Nehemia 4:3: “De Ammoniet Tobia nu stond naast hem en zeide: Al BOUWEN zij ook, als er maar een vos tegen hun stenen muur opspringt, doet hij hem afbrokkelen.” Nehemia 4:10: “Juda zeide: De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel; wij zijn niet in staat de muur te BOUWEN.” Nehemia 4:18: “de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan de heup gegord, terwijl zij aan het BOUWEN waren. De hoornblazer stond naast mij.” xxxxxxxxxxxx “Muur” (enkelvoud) 32 vindplaatsen in 29 verzen Ezra 5:3: “In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 32 Rivier, tot hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze MUUR te voltooien? Ezra 5:9: “Daarop hebben wij die oudsten ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze MUUR te voltooien?” Nehemia 1:3: “Zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die daar in het gewest uit de gevangenschap zijn overgebleven, verkeren in grote rampspoed en smaad, en de MUUR van Jeruzalem is afgebroken, en zijn poorten zijn met vuur verbrand.” Nehemia 2:8: “ook een brief aan Asaf, de houtvester des konings, dat hij mij hout geve om de poorten van de burcht die bij de tempel behoort, van zolders te voorzien, en voor de MUUR van de stad en voor het huis, waar ik mijn intrek nemen zal. En de koning gaf ze mij, daar de goede hand van mijn God over mij was.” Nehemia 2:15: “Daarom klom ik in de nacht door het dal naar boven, en stelde een onderzoek in naar de MUUR. Daarop ging ik weer door de Dalpoort en zo keerde ik terug.” Nehemia 2:17: “Toen zeide ik tot hen: Gij ziet de rampspoed, waarin wij verkeren, dat Jeruzalem verwoest is en zijn poorten met vuur verbrand zijn. Komt, laat ons de MUUR van Jeruzalem herbouwen, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn.” Nehemia 3:8: “Daarnaast was bezig Uzziël, de zoon van Charhaja, een van de goudsmeden. Daarnaast was bezig Chananja, een zalfbereider; en zij behoefden aan Jeruzalem bij de brede MUUR niets te doen.” Nehemia 3:13: “De Dalpoort herstelden Chanun en de inwoners van Zanoach; zij herbouwden haar en brachten de deuren, sluitbalken en grendels aan; bovendien (herbouwden zij) duizend el van de MUUR tot aan de Aspoort.” Nehemia 3:15: “De Bronpoort herstelde Sallum, de zoon van Kolchoze, de overste van het district Mispa; hij herbouwde haar en voorzag haar van een dak en bracht de deuren, sluitbalken en grendels aan; bovendien (herbouwde hij) de MUUR van de waterleidingvijver bij de tuin van de koning, tot aan de trappen die afdalen van de stad Davids.” Nehemia 3:27: “Verderop herstelden de Tekoïeten een volgend stuk van bij de grote uitspringende toren tot aan de MUUR van de Ofel.” Nehemia 4:1: “Maar toen Sanballat gehoord had, dat wij de MUUR aan het herbouwen waren, ontstak hij in woede en ergerde zich zeer; hij bespotte de Joden.” Nehemia 4:3: “De Ammoniet Tobia nu stond naast hem en zeide: Al bouwen zij ook, als er maar een vos tegen hun stenen MUUR opspringt, doet hij hem afbrokkelen.” Nehemia 4:6: “Maar wij herbouwden de MUUR, en de gehele MUUR werd tot zijn halve hoogte voltooid, want het volk had lust om te werken.” Nehemia 4:10: “Juda zeide: De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel; wij zijn niet in staat de MUUR te bouwen.” Nehemia 4:13: “liet ik, op de laagst gelegen gedeelten van het terrein achter de MUUR, het volk zich, naar hun geslachten geordend, opstellen met hun zwaarden, speren en bogen.” Nehemia 4:15: “Toen nu onze vijanden gehoord hadden, dat wij op de hoogte gekomen waren en dat God hun plan verijdeld had, konden wij allen terugkeren naar de MUUR, ieder tot zijn werk.” Nehemia 4:17: “dat aan de MUUR bouwde. De lastdragers verrichtten hun arbeid zo, dat zij met de ene hand het werk deden en met de andere hand de werpspies vasthielden.” Nehemia 4:19: “En ik zeide tot de edelen, de leiders en het overige volk: Het werk is groot en uitgebreid en wij zijn langs de MUUR verspreid, ver van elkander.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 33 Nehemia 5:16: “Ook het werk aan deze MUUR nam ik zelf ter hand, zonder enig veld in eigendom te verwerven; en al mijn knechten waren daar bij het werk bijeen.” Nehemia 6:1: “Toen Sanballat, Tobia, de Arabier Gesem, en de rest van onze vijanden vernamen, dat ik de MUUR herbouwd had en dat daarin geen bres meer was overgebleven, hoewel ik tot die tijd nog geen deuren in de poorten aangebracht had.” Nehemia 6:6: “Daarin stond geschreven: Onder de volken gaat een gerucht en Gesem bevestigt het, dat gij en de Joden van plan zijt in opstand te komen; daarom zijt gij bezig de MUUR te herbouwen, en gij wilt volgens dat zeggen hun koning worden.” Nehemia 6:15: “De MUUR nu was voltooid op de vijfentwintigste Elul, in tweeënvijftig dagen.” Nehemia 7:1: “Toen dan de MUUR herbouwd was, bracht ik de deuren aan, en werden de poortwachters, de zangers en de Levieten aangesteld.” Nehemia 12:27: “Bij de inwijding van Jeruzalems MUUR riep men de Levieten uit al hun woonplaatsen op en deed hen naar Jeruzalem komen, om de feestelijke inwijding te verrichten, met lofzangen en liederen bij cimbalen, harpen en citers. Nehemia 12:30: “En de priesters en de Levieten reinigden zich en zij reinigden het volk, de poorten en de MUUR.” Nehemia 12:31: “Toen liet ik de oversten van Juda de MUUR beklimmen en stelde twee grote zangkoren op om in optocht voort te trekken; één naar rechts over de MUUR in de richting van de Aspoort.” Nehemia 12:37: “Langs de Bronpoort beklommen zij, recht tegenover zich, de treden van de stad Davids, waar de MUUR omhoog gaat, langs het paleis van David, en zij trokken tot aan de Waterpoort in het oosten.” Nehemia 12:38: “Het tweede zangkoor, dat in tegenovergestelde richting ging en dat ik met de helft van het volk volgde, (trok) over de MUUR langs de Bakoventoren tot aan de brede MUUR.” Nehemia 13:21: “En ik waarschuwde hen en zeide tot hen: Waarom overnacht gij vóór de MUUR? Indien gij dat nog eens doet, zal ik de hand aan u slaan. Van die tijd af kwamen zij niet meer op de sabbat.” xxxxxxxxxxxx “Muren”, meervoud 5 vindplaatsen in 5 verzen Ezra 4:12: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien de bouw der MUREN en graven de fundamenten uit.” Ezra 4:13: “Nu zij het de koning bekend, dat, als deze stad herbouwd is en de MUREN voltooid zijn, men geen belasting, cijns of tol meer zal betalen, zodat zij ten slotte de koningen schade zal berokkenen.” Ezra 4:16: “Wij doen de koning weten, dat, als deze stad herbouwd is en de MUREN voltooid zijn, gij daardoor het gebied over de Rivier niet zult kunnen behouden.” Nehemia 2:13: “Ik trok des nachts uit door de Dalpoort, in de richting van de Slangebron en naar de Aspoort en ik stelde een onderzoek in naar de MUREN van Jeruzalem, die afgebroken waren, en naar zijn poorten, die door vuur verteerd waren.” Nehemia 4:7: “Maar toen Sanballat, Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de Asdodieten


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 34 gehoord hadden, dat de herstelling van de MUREN van Jeruzalem vorderde, dat de bressen zich begonnen te sluiten, ontstaken zij in hevige woede.” xxxxxxxxxxxx “Poorten” 13 vindplaatsen in 12 verzen Nehemia 1:3: “Zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die daar in het gewest uit de gevangenschap zijn overgebleven, verkeren in grote rampspoed en smaad, en de muur van Jeruzalem is afgebroken, en zijn POORTEN zijn met vuur verbrand.” Nehemia 2:3: “en zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn gezicht niet somber staan, daar de stad, de plaats waar de graven mijner vaderen zijn, verwoest is en haar POORTEN door vuur verteerd zijn?” Nehemia 2:8: “ook een brief aan Asaf, de houtvester des konings, dat hij mij hout geve om de POORTEN van de burcht die bij de tempel behoort, van zolders te voorzien, en voor de muur van de stad en voor het huis, waar ik mijn intrek nemen zal. En de koning gaf ze mij, daar de goede hand van mijn God over mij was.” Nehemia 2:13: “Ik trok des nachts uit door de Dalpoort, in de richting van de Slangebron en naar de Aspoort en ik stelde een onderzoek in naar de muren van Jeruzalem, die afgebroken waren, en naar zijn POORTEN, die door vuur verteerd waren.” Nehemia 2:17: “Toen zeide ik tot hen: Gij ziet de rampspoed, waarin wij verkeren, dat Jeruzalem verwoest is en zijn POORTEN met vuur verbrand zijn. Komt, laat ons de muur van Jeruzalem herbouwen, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn.” Nehemia 6:1: “Toen Sanballat, Tobia, de Arabier Gesem, en de rest van onze vijanden vernamen, dat ik de muur herbouwd had en dat daarin geen bres meer was overgebleven, hoewel ik tot die tijd nog geen deuren in de POORTEN aangebracht had.” Nehemia 7:3: “en ik zeide tot hen: De POORTEN van Jeruzalem mogen niet geopend worden, voordat de zon heet wordt; en, terwijl men op zijn post staat, moet men de deuren sluiten, en gij moet ze grendelen. En gij zult wachtposten opstellen van de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn post, ieder tegenover zijn huis.” Nehemia 11:19: “En de poortwachters: Akkub, Talmon en hun broeders, die de wacht hielden in de POORTEN: honderd tweeënzeventig.” Nehemia 12:25: “Mattanja, Bakbukja en Obadja. Poortwachters waren Mesullam, Talmon en Akkub, die de wacht hielden bij de voorraadkamers der POORTEN.” Nehemia 12:30: “En de priesters en de Levieten reinigden zich en zij reinigden het volk, de POORTEN en de muur.” Nehemia 13:19: “Zodra het dan in de POORTEN van Jeruzalem donker werd, vóór de sabbat, sloot men op mijn bevel de deuren, en ik beval, dat men ze niet zou openen tot na de sabbat. En ik stelde enige van mijn knechten bij de POORTEN op, – er zou geen vracht op de sabbatdag binnenkomen.” Nehemia 13:22: “Ook beval ik de Levieten, dat zij zich zouden reinigen en de POORTEN zouden komen bewaken, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mij ook hierom, mijn God, en ontferm U over mij naar uw grote goedertierenheid.” xxxxxxxxxxxx “Poort”, twee vindplaatsen in twee verzen Nehemia 3:6: “De Oude POORT herstelden Jojada, de zoon van Paseach, en Mesullam, de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 35 zoon van Besodja. Zij voorzagen haar van een zoldering en brachten de deuren, sluitbalken en grendels aan.” Nehemia 12:39: “langs de EfraïmPOORT, de Oude POORT en de VisPOORT, en langs de Chananeltoren en de Meatoren tot de SchaapsPOORT; zij bleven staan bij de GevangenPOORT.” 1°) DE START VAN DE HERBOUW VAN JERUZALEM EN DE TEMPEL, OP BEVEL VAN KORES Op de Internetsite GoedBericht Forum lezen we dit, geschreven door een zekere Jan, Gepost: Jan 10, 2005. “Jeruzalem werd onder Nehemia COMPLEET herbouwd. Muren, poorten, huizen, pleinen, straten, grachten, verdedigingswerken. Er is niet de GERINGSTE aanwijzing in de Schrift te vinden dat er bouwactiviteiten waren tussen 521 BC en 445 BC. Nehemia is degene die de uitdrukkelijke koninklijke verordening ontving, inclusief financiële middelen, om de stad Jeruzalem te herbouwen. De 70 weken zijn dus begonnen in 445/444 BC en zijn vervuld met profetische jaren van 360 dagen.” NEEN, we geloven dat niet, om méér dan één argument. Wie alle stukken van de puzzel in elkaar past zonder ergens wat af te knippen aan die stukjes of aan toe te plakken moet aannemen, dat waar de start van de herbouw van Jeruzalem en de tempel begon, het herstel begon. Dat is onmiddellijk na de terugkeer uit de ballingschap. In Jesaja 44:28 Willibrord 1995 lezen we dat koning Kores twee bevelen zal geven aan wie uit de ballingschap komt: “28 Die over Kores zegt: “Hij is mijn herder, en alles wat Mij behaagt brengt hij tot stand”, die over Jeruzalem zegt: “Het zal herbouwd worden”, en tegen de tempel: “Word opnieuw gevestigd.” ’” In strijd met wat hier staat leren de dispensationalisten dat Jeruzalem NIET herbouwd is geworden in die dagen maar dat alleen de tempel; “opnieuw gevestigd” is. John F. Walvoord, leraar uit de bedelingen zegt in zijn boek Daniel: ‘The Key to Prophetic Revelation’, Moody Press, 1971, blz.226: “the children of Israel had built houses, but apparently they were not in Jerusalem. = de kinderen van Israël hebben huizen gebouwd, maar het is duidelijk dat ze niet in Jeruzalem gebouwd waren.” Deze man kent zijn Bijbel niet, ofwel, hij wil mensen wat wijsmaken zodat zijn andere argumenten enige ondersteuning krijgen. Toen Nehemia er kwam waren er zoals beschreven in hoofdtsuk drie van zijn boek, individuele huizen in Jeruzalem volgens Neh.3:20,21,23,24,28,29 / 7:3. Dat men toen in huizen woonde in Jeruzalem geeft ook het boek Haggaï te kennen, waar de profeet opmerkt dat men zijn eigen huis bouwt en dat van God vergeten is. Jeruzalem was al bewoond toen Nehemia er kwam en hij kreeg van zijn koning dus geen bevel om de stad te bouwen. Het jaar 444 (of 445) is dus NIET het begin van de profetie van Daniël 9. Nehemia 3:25 WIL95 spreekt over een koninklijk paleis, maar wat we er moeten onder verstaan is wat anders, gezien er toen geen koning was. Daar staat: “Palal, de zoon van Uzai, werkte aan het muurpand tegenover de hoek, met de hoge uitspringende toren van het koninklijk paleis vanwaar men uitziet op het binnenplein van de wacht. Daarnaast werkte Pedaja, de zoon van Paros.” We gaan in wat volgt uit van de stelling dat de Bijbelboeken Ezra en Nehemia in deze volgorde moeten gelezen worden; als oudste Ezra en later Nehemia. Zie daarover enkele


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 36 inleidingen op deze boeken. Er zijn nog slechts weinige die de volgorde omkeren. Er zijn twee belangrijke artikelen die ons bij deze studie enorm geholpen hebben: 1°) Vern Sheridan Poythress, ‘Hermeneutical Factors In Determining The Beginning Of The Seventy Weeks (Daniel 9:25)’, Trinity Journal 6:2 (Fall 1985), blz.131-149. Zijn conclusie is dat voordat Nehemia in Jeruzalem aankwam er al aan de muur was gewerkt. Staat op de site van http://www.biblicalstudies.org.uk/ 2°) Meredith G. Kline, ‘The covenant of the seventieth week, The Covenant of the Seventieth Week’, in ‘The Law and the Prophets: Old Testament Studies in Honor of Oswald T. Allis’, ed. by J.H. Skilton, Presbyterian and Reformed, 1974, blz.452-469. Waarom er geen Antichrist beschreven is in vers 27! Dit staat op http://www.covopc.org/Index.html samen met nog andere artikelen van hem. Wie dit niet gelezen heeft weet niet hoe zwak de leer van de bedelingen is in verband met de 70 jaarweken. Jammer dat het meestal zo is. Dit komt alleen doordat de dispensationalisten de goede zaken ondersneeuwen, met de grote hoeveelheid artikelen die ze op Internet hebben staan. Leugen die permanent herhaald is blijft echter toch een leugen! Let er goed op, op de twee werkwoorden, die verband houden met wat er te gebeuren staat in vers Daniël 9:25a: “herstellen en te herbouwen” (NBG) of “weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen” (SV77). Alleen dan kunnen de juiste conclusies getrokken worden over waar de 70 jaarweken begonnen zijn. Dat is duidelijk: toen Kores daartoe bevel gaf. Het jaar 445/444 is uitgesloten ondanks de niet verkeerd te verstane uitspraak van “Jan” hierboven. “Herstellen” is het begrip “lehâshîb”, en komt van “shûb” dat ook regelmatig vertaald is als “weerkeren.” Dit geeft aan dat Jeruzalem “hersteld” is als hoofdstad van het rijk van Juda en Benjamin. Uit het gebruik van het werkwoord “shûb” zien we dat Daniël 9:25 erop wijst dat er een nieuwe regering is, gebaseerd op de theocratische wetten van de torah. “Herbouwen” is het begrip “libnôth” en komt van “bânâh” dat ook als “bouwen” vertaald mag worden. Dit is het onderscheid; het werkwoord “shûb” is niet gebruikt in het OT om een bouw te beschrijven van een letterlijk gebouw. Dit woord geeft het herstel van Jeruzalem aan als stad van personen. Dat wil zeggen de terugkeer uit de ballingschap om opnieuw een volk te zijn in een bepaald geografisch gebied zoals in Jer.12:15 / 23:3. Juda staat volgens dat begrip opnieuw op de politieke kaart van zijn dagen. “Bânâh” echter geeft een bouwen (eventueel herstellen) aan van letterlijke en tasbare zaken; tempels, paleizen, huizen en muren. We illustreren die begrippen met Bijbelse voorbeelden. Een Aramees koning zei tot Ahab, koning van Israël, op een zekere plaats, 1 Kon.20:34: “Daarop zeide deze tot hem: De steden die mijn vader aan uw vader ontnomen heeft, zal ik teruggeven (shûb); voorts moogt gij u een handelswijk in Damascus aanleggen, zoals mijn vader in Samaria heeft aangelegd, en ikzelf moge met een verbond afscheid van u nemen. Toen sloot hij een verbond met hem en nam afscheid van hem.” Het gaat hier zoals in het “shûb” van Daniël 9:25, de teruggave van overwonnen gebied aan de oorspronkelijke bezitter ervan. In dit geval van 1 Koningen is het zeer duidelijk, de steden werden voordien niet verwoest, maar teruggegeven in een intacte toestand. In het verhaal van Azaria die koning was, lezen we dit: “Hij versterkte (bânâh) Elat en bracht het aan Juda terug (shûb), nadat de koning bij zijn vaderen te ruste was gegaan” (2 Kon.14:22 NBG). Zo lezen we het in de Willibrordvertaling van 1995: “Het was deze Azarja die Elat


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 37 versterkte (bânâh) en weer onder Juda bracht (shûb). Dit gebeurde nadat de koning bij zijn vaderen was gaan rusten.” Dus een teruggave van een voordien veroverd gebied. Niet het opstarten van een bouwwerf. Nog een ander voorbeeld uit 1 Kon.12:21: “Toen Rechabeam te Jeruzalem was gekomen, riep hij het gehele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend strijdbare jonge mannen, om te strijden tegen het huis van Israël en het koningschap terug te brengen (shûb) aan Rechabeam, de zoon van Salomo” NBG. “Toen Rechabeam in Jeruzalem gekomen was, riep hij het hele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen; honderdtachtigduizend strijdbare mannen om de strijd aan te binden met het volk van Israël en het koninkrijk te herwinnen (shûb) voor Rechabeam, de zoon van Salomo” Willibrordvertaling, herziene editie 1995. Daarom een reeks vertalingen van Daniël 9:25a, want wie dat verkeerd leest kan alle kanten op in één of andere onbijbelse uitleg als het hem/zij wat uitkomt: “om te doen weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen” Statenvertaling, editie 1977. “om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen” Nederlands Bijbelgenootschap. “over de terugkeer uit de ballingschap en de herbouw van Jeruzalem” Willibrordvertaling (herziene editie 1995). King James Version 1611, 1769: “the commandment to restore and to build Jerusalem.” New King James Version, 1982: “the command To restore and build Jerusalem.” New Living Translation, 1996: “the command is given to rebuild Jerusalem.” New International Version, 1984, “decree to restore and rebuild Jerusalem.” The Holy Bible, English Standard Version, 2001: “the word to restore and build Jerusalem.” New American Standard Bible, 1995: “a decree to restore and rebuild Jerusalem.” Revised Standard Version, 1952: “word to restore and build Jerusalem.” American Standard Version 1901: “commandment to restore and to build Jerusalem.” Robert Young Literal Translation, 1898: “the word to restore and to build Jerusalem.” John Darby Translation, 1890: “word to restore and to build Jerusalem.” Noah Webster Version, 1833: “commandment to restore and to build Jerusalem.” Hebrew Names Version, 2000: “the mitzvah to restore and to build.” Josephus de Joodse historicus heeft in zijn werk een brief van Cyrus geschreven aan de satrapen (rijksbeheerders) van Syrië. Hij zegt het volgende: “King Cyrus to Sisines and Sarabasanes, greeting. To those among the Jews dwelling in my country, who so wished, I have given permission to return to their native land and to rebuild the city

AND build the temple

of God of Jerusalem on the same spot on which it formerly stood” (wij onderstepen uit ‘Jewish Antiquities’ 11.12 [ 11.1.3], Loeb edition. Zie ook zijn ‘Jewish Antiquities’ 11.6 [11.1.2]). We hebben dus een aanwijzing van een historicus die de herbouw van de stad Jeruzalem bij Kores laat beginnen. En de hoofdstukken 1-8 van het boek Ezra zijn daar een ondersteuning van, de geschiedenis van het herstel speelt zich af rond Jeruzalem. Ezra 5:1: “Maar de profeet Haggai, en Zacharia, de zoon van Iddo, traden bij de Judeeërs die

in Juda en Jeruzalem


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 38

WOONDEN, als profeten op in de naam van de God van Israël.” Dat bewijst dat er mensen zijn in Jeruzalem die de boodschap kunnen horen. Ezra 6:9: “En wat er nodig is: jonge stieren, rammen, lammeren voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, volgens de opgave van de priesters

te Jeruzalem,

dat moet hun dag aan dag

volledig ter beschikking worden gesteld.” Dat bewijst dat er priesters zijn in Jeruzalem. Ezra 10:7 leest: “Daarop deed men een oproep uitgaan door

Juda en Jeruzalem

tot al

degenen die in de ballingschap geweest waren, om zich te Jeruzalem te verzamelen.” Er zijn dus mensen in Jeruzalem die de oproep horen, het was geen oproep voor de katten en de honden. Zie ook nog; Ezra 7:7,14,24 / 9:9 / 10:6. Dat was alles jaren voordat Nehemia er zijn voet zet. John F. Wolvoord en al zijn leerlingen moeten leren lezen wat er staat in de Schrift zonder bokkensprongen te maken. Het is duidelijk dat je met behulp van retoriek de waarheid niet mag verdraaien. Vergeet niet dat Jeruzalem, ondanks de beweringen van dispensationalisten, een relatief bruisende stad is in die dagen. Men bouwt er aan de tempel, muren en huizen. Dat spreekt ook voor zichzelf, want toen men terugkeerde zijn die mensen terug gaan wonen waar ze vroeger woonden. Wie woonden dan permanent in de hoofdstad: enkele priesters, zangers, tempelhorigen en veel Benjaminieten en nog andere stammen. Ieder in zijn eigen stad en eigen grondgebied (Ezra 2:1b / 2:70 / 1 Kron.7:28 / Neh.7:6 en 11:5,6). Dit lezen we in 1 Kronieken 9: “3 Te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse: (…)34 Dit waren de familiehoofden der Levieten, krachtens hun afkomst hoofden. Dezen woonden te Jeruzalem.” Ook in 1 Kronieken 8 staat er wat over: “28 Dit waren familiehoofden, hoofden over hun geslachten; zij woonden te Jeruzalem.” De stam van Benjamin leefde dus zowel vóór als nà de ballingschap in de hoofdstad Jeruzalem. Men ging toen niet in de morgen aan de tempel werken en s’avonds ergens anders naar huis, men woonde in die stad, men leefde er. Een andere leraar van de bedelingen, Sir Robert Anderson, heeft een speciale betekenis gegeven aan de profetieën van de gevangenschap in Babylon. Zijn argumentatie is dat er aan de tempel niet gewerkt werd dan in het jaar 520 voor Christus en baseert zich op Haggaï 2:18,19 Maar hoe hij het uitlegt is in strijd met deze teksten: Ezra 3:10: “Toen nu de bouwlieden het fundament van de tempel des HEREN legden, stelden zij de priesters op, gekleed in ambtsgewaad, met trompetten, en de Levieten, de zonen van Asaf, met cimbalen, om de HERE te loven naar de aanwijzing van David, de koning van Israël.” Zacharia 4:9: “De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien, en gij zult weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft.” Ezra 6:15,16: “en zij waren met dit huis GEREED tegen de derde dag van de maand Adar, en wel in het zesde jaar van de regering van koning Darius. Toen vierden de Israëlieten, de priesters, de Levieten en de overigen die in de ballingschap geweest waren, de inwijding van dit huis Gods met vreugde.” Dit is de goede conclusie: het grootste werk aan de tempel is gedaan tijdens de periode van Zerubabel. Dat zegt Zacharia 4:9 over hem: “gegrondvest, (en) zijn handen zullen het ook voltooien.” Ik zal dus niet wat anders beweren dan wat hier geschreven staat. Zo oprecht moeten


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 39 we de Bijbel toch lezen! De gebeurtenissen in 539 voor Christus, en in de geschiedenis van Babylon, hebben het startsein gegeven van de terugkeer van de gelovige Joden. Het zijn de Meden en de Perzen die dat mogelijk maken. Dit zijn enkele data uit dat jaar overgenomen van Wikipedia: “4 april: Het Nieuwjaarsfeest wordt voor het eerst in lange tijd weet naar behoren gevierd in Babylon, maar de priesters zijn niet blij dat de koning alle goden van de andere steden ook de poorten heeft binnengehaald. 11 oktober: Na de Slag van Opis brandt Cyrus II een stuk van Akkad plat. De burgers van Sippar geven zich zonder tegenstand gewonnen. 13 oktober: Gobrias van Gutium trekt Babylon binnen. Daarmee valt de stad in handen van de Perzen van Cyrus II. Einde van het Nieuw-Babylonische rijk.” Volgens Ezra 9:9 hebben meerdere Perzische koningen de Joden: “een omtuining gegeven in Juda en in Jeruzalem.” Deze omtuining kan niet anders worden uitgelegd als de symbolische grenzen van Juda. Men had rondom dat land géén muur gebouwd, zoals men ooit in China heeft gedaan. De omtuining geeft aan dat ze als een zelfstandige natie bestaan, weliswaar met verdragen en verplichtingen tegenover Perzië. Dat is de “shûb,” herstel van geestelijk en sociaal leven. De lijst van deze Perzische koningen (de koningen van de Achemeniden) staat hieronder zodat u een idee heeft over wie we spreken:  Cyrus de Grote, (de Bijbelse Kores) ca 550 v. Chr. - 530 v. Chr. De Bijbel rekent echter niet vanuit zijn vroeger koningschap. Zijn eerste (bijbel)jaar is 538 of 537 voor Christus.  Cambyses, 530 v. Chr. - 521 v. Chr.  Smerdis, 521 v. Chr.  Darius I, 521 v. Chr. - 486 v. Chr.  Xerxes I, 486 v. Chr. - 465 v. Chr.  Artexerxes I, 464 v. Chr. - 424 v. Chr.  Darius II, 423 v. Chr. - 404 v. Chr.  Artexerxes II, 404 v. Chr - 358 v. Chr. En datzelfde met enkele Bijbelverwijzingen: EZRA-NEHEMIA PERZISCHE GESCHIEDENIS Kores (Cyrus) (Ezra 1:4 / 4:3 / Cyrus (539-530 v. Chr.) 5:13 / 6:3,14) Cambyses (530-521 v. Chr.) Pseudo Smerdis (521 v. Chr.) Darius (Ezra 4:5,24 / 5:6 / 6:1,13)

Darius (521-486 v. Chr.)

Xerxes (Ezra 4:6)

Xerxes (486-465 v. Chr.)

Artaxerxes I (Ezra 4:7,8, 11,23 / 6:14 / 7:1 / 8:1 Neh.2:1 / 5:14 / 13:6)

Artaxerxes I (465-423 v. Chr.)


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 40

Darius II (Neh.12:22)

Darius II (423-404 v. Chr.) Artaxerxes II (404-359 v. Chr.)

Ezra 4:12 is een zeer belangrijke tekst om te begrijpen wat er gaande is vanaf het prille begin van de mensen die teruggekomen zijn. We lezen daar het volgende: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit.” Dit is één van de belangrijkste teksten uit gans dit probleem van het bepalen waar de 490 jaar beginnen. Wanneer de herbouw begon weten we zeer precies namelijk, in de dagen van koning Kores. Een ander begin vooropstellen zou dit profetische woord van Jesaja hieronder weergegeven tegenspreken. Er zijn weinig heidenen te noemen die door God op zo een manier persoonlijk zijn aangesproken.  Jesaja 44:24-28: “Zo zegt de HERE, uw Verlosser, en uw Formeerder van de moederschoot aan: Ik ben de HERE, die alles gemaakt heb; die de hemel heb uitgespannen, Ik alleen; die de aarde uitgebreid heb door eigen kracht; die de tekenen der leugenprofeten tenietdoe en de waarzeggers als dwazen aan de kaak stel; die de wijzen doe terugwijken en hun kennis tot dwaasheid maak; die het woord van mijn knecht gestand doe en de aankondiging mijner boden volvoer; die tot Jeruzalem zeg: Het worde bewoond; tot de steden van Juda: Laten zij herbouwd worden, haar puinhopen richt Ik weer op; die tot de diepte zeg: Verdroog, uw rivieren doe Ik opdrogen; die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de tempel worde gegrondvest.”  Jesaja 45:13: “Ik ben het, die hem verwekt heb in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik effen maken; hij is het, die mijn stad herbouwen zal en mijn ballingen vrijlaten, zonder koopprijs en zonder geschenk, zegt de HERE der heerscharen” (NBG). En zo staat het in de Willibrord van 1995: “Ik heb hem laten opstaan voor de overwinning en al zijn wegen maak Ik vlak; hij is het die mijn stad zal herbouwen en mijn verbannenen zal laten gaan, zonder betaling en niet voor loon’, zegt de HEER van de machten.” DE ENIGE MENSELIJKE BOUWER VAN DE STAD IS KORES, allen die dat werk uitvoeren doen het onder zijn bevel. Een bevel op last van God die de eigenlijke bouwer is. Maar niet Ezra is de bouwer en niet Nehemia is de bouwer, dat zijn de werklieden in dienst van God en Kores.  We lezen over de vervulling van deze profetie in Jesaja in Ezra 1:1-5 SV77: “In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht zou worden het woord des HEEREN, uit de mond van Jeremía, verwekte de HEERE de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is. Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis van de HEERE, de God van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont. En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, hem zullen de lieden van zijn plaats bevoordelen met zilver, en met goud, en met have, en met beesten; BENEVENS EEN VRIJWILLIGE GAVE, VOOR HET HUIS GODS, Die te


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 41

Jeruzalem woont. Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten, benevens een ieder, wiens geest God verwekte, DAT ZIJ OPTROKKEN OM TE BOUWEN HET HUIS DES HEEREN, DIE TE JERUZALEM WOONT.” We beweren dat de start van de 70 jaarweken bij Kores moet liggen. De critici van onze visie zeggen dat er slechts het bevel is de tempel te bouwen en een terugkeer van mensen. Dat is een spijker op laag water zoeken, want als het zo is dan moeten we ook leren dat er géén herstel is van de tempeldienst. Dat er ook dan moet geleerd worden dat de mensen niet in Jezuzalem mogen wonen, want ook dat zit niet in dat bevel. Of dat geen onzin zou zijn! Nehemia is een relatief hoge ambtenaar aan het hof en we veronderstellen dat hij op de hoogte was van de terugkeer, 13 jaar tevoren onder Ezra. Nehemia is aangeslagen door het recente nieuws dat de muur van Jeruzalem is afgebroken en de poorten met vuur zijn verbrand. Deze opmerking is ongerijmd indien Nehemia tegenover de koning zou verwijzen naar een gebeurtenis uit de tijd van DARIUS méér dan anderhalve eeuw voordien. (Zie verder punt 3.) Als u me zegt dat Kores de voorstelling is van de totaliteit van het herstel over een zo lange periode van 537 v. Christus tot 444 v. Christus, dan kunnen we met zo een uitspraak leven. Maar alles begon MET HET BEVEL VAN KORES. God liegt toch niet in Jesaja 44 en 45.  Ds. H. H. Grosheide schreef in een brochure over dit onderwerp getiteld ‘De terugkeer uit de Ballingschap’, Van Keulen, 1957: “B. Het eerste edict (Ezra 1 :24). Het edict spreekt in bevelende vorm. Op andere wijze konden Oosterse heersers niet spreken. Maar natuurlijk gaat het om “vergunning, “verlof” tot terugkeer en tempelbouw. Dat blijkt uit heel het verband, zie m.n. vs 5. In Sept. en L.,(Septuaginta en Latijnse GB) wordt het in vs 3 zelfs uitdrukkelijk gezegd, maar dat zal wel een verduidelijkende aanvulling zijn. (…) 2. Het doel van deze terugkeer is vooral de herbouw van de tempel. Door de Joden tot deze herbouw toestemming te geven wil Cyrus ze gunstig voor zich stemmen, ze zeer loyale onderdanen van zijn rijk maken” (blz.30).

Er is ook in die tijd al een grote weerstand van dezen die overgebleven zijn in de streek van Jeruzalem vooral Samaritanen. Weerstand hebben ze trouwens die ganse periode door. We geven deze opmerking omdat dispensationalisten de profetie uitleggen en samenbinden aan de woorden van de profetie: “zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden” (Dan.9:25). Wie volgens de bedelingenleer dit vooral opde laatste 52 dagen - de duur van de afwerking van de muur - laat slaan, geeft een verwrongen uitleg. De vijanden waren géén andere Israëlieten, ze hadden geen ruzie over het bouwen. Maar de tegenstand kwam meestal van Samaritanen, hoewel dat nog niet hun naam is in die dagen. We lezen er dit van en de daaropvolgende oplossing die van rechtswege (de Perzische koning) gegeven wordt.  Ezra 4:1-5,11-23: “Toen de tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden, dat zij die in ballingschap waren geweest, een tempel voor de HERE, de God van Israël, bouwden, kwamen zij tot Zerubbabel en de familiehoofden en zeiden tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij zoeken uw God evengoed als gij; Hem toch brengen ook wij offers sinds de dagen van Esarhaddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft doen optrekken. Maar Zerubbabel, Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 42 tot hen: Het gaat niet aan, dat gij met ons een huis voor onze God bouwt, want wij alleen willen voor de HERE, de God van Israël, bouwen, zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden heeft. Toen ontmoedigde de bevolking des lands het volk van Juda en schrikte hen af van het bouwen. Zelfs kochten zij raadslieden tegen hen om, teneinde hun plan te verijdelen, zolang Kores, de koning van Perzië, leefde, tot de regering van Darius, de koning van Perzië, toe. (…) aldus luidt het afschrift van de brief die zij hem zonden – aan koning Artachsasta, uw dienaren, de mensen van het gebied over de Rivier. Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen;

ZIJ VOLTOOIEN DE BOUW DER

MUREN EN GRAVEN DE FUNDAMENTEN UIT. Nu zij het de koning bekend, dat, als deze stad herbouwd is en de muren voltooid zijn, men geen belasting, cijns of tol meer zal betalen, zodat zij ten slotte de koningen schade zal berokkenen. Aangezien wij aan het paleis verbonden zijn, en het voor ons niet aangaat toe te zien bij de smaad welke de koning wordt aangedaan, daarom hebben wij de koning bericht gezonden, opdat men onderzoek doe in het gedenkboek uwer vaderen. Gij zult in het gedenkboek vinden en ontdekken, dat deze stad een oproerige stad is, dat zij aan koningen en gewesten schade heeft toegebracht en dat men in haar oproer gestookt heeft sinds de dagen van ouds. Daarom is deze stad verwoest. Wij doen de koning weten, dat, als deze stad herbouwd is

en de muren voltooid zijn,

gij daardoor het gebied over de Rivier niet zult kunnen behouden. o De koning zond als antwoord: Aan Rechum, de landvoogd, Simsai, de schrijver, en hun overige ambtgenoten, die wonen in Samaria en in het verdere gebied over de Rivier, heil! Welnu, de brief, welke gij ons gezonden hebt, is mij duidelijk voorgelezen; en door mij is bevel gegeven, en men heeft onderzoek gedaan en bevonden, dat deze stad sinds de dagen van ouds tegen de koningen opstandig is geweest, en dat men wederspannigheid en oproer in haar stookte. Er zijn zelfs machtige koningen over Jeruzalem geweest, die heersten over het gehele gebied aan de overzijde der Rivier en aan wie men belasting, cijns en tol betaalde. Geeft dan nu bevel, deze lieden de arbeid te doen staken, opdat deze stad niet herbouwd worde, aleer door mij bevel wordt gegeven. En wacht u ervoor nalatigheid in deze zaak te betonen; waarom zou het nadeel tot schade van de koningen groter worden? Nadat nu het afschrift van de brief van koning Artachsasta voorgelezen was aan Rechum, Simsai, de schrijver, en hun ambtgenoten, begaven zij zich in allerijl naar Jeruzalem tot de Judeeërs en deden hen met kracht en geweld de arbeid staken.” Het begrip voor “muur” hier in Ezra hoofdstuk vier is niet hetzelfde woord als voor de “muur” van het boek Nehemia. In Ezra 4:12 staat Strong’s nummer H7792, het begrip “shuwr” (Aramees) en is drie maal gebruikt: Ezra 4:12 / Ezra 4:13 / Ezra 4:16. Strong’s nummer H7791 heeft gelijkenis met “shuwr” (met een andere uitspraak) en is 4 maal gebruikt in het OT; Gen.49:22 / 2 Sam.22:30 / Job 24:11 / Ps.18:29. De “muur” in het boek Nehemia is Strong’s


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 43 nummer H2346 = chowmah. Totaal 133 maal gebruikt in het OT en als muur of omwalling weergegeven. Ondanks een andere naam gaat het in beide Bijbelboeken om DEZELFDE muur. De uitdrukking “tussen de twee muren” wijst erop dat er later zelfs twee muren en in de dagen van derde tempel (van Herodes) drie muren rond de stad Jeruzalem waren. Zie bijvoorbeeld naar: 2 Kon.25:4 / Jesaja 22:11 / Jeremia 39:4. De derde muur was er één rond de tempel om de heidenen er buiten te houden. Ik denk dat Philip Mauro het dichtst de waarheid benaderd door op te merken dat wat Nehemiah 1:13 beschrijft, naar een recente vernietiging van de muren verwijst. Ook toen waren er nog vijanden in die streken. Zie: ‘The Seventy Weeks and the Great Tribulation: A Study of the Last Two Visions of Daniel, and of the Olivet Discourse of the Lord Jesus Christ’, Swengel, PA: Bible Truth Depot, 1944, blz.38. Uit Ezra 4:24 blijkt dat Israël gebouwd heeft tot en met het tweede jaar van Darius en dat is 519 v. Chr. Men is aan de werken begonnen in waarschijnlijk 537 v. Chr., het jaar van de terugkeer of een jaar later, afhankelijk van het berekenen van het begin van het jaar in de lente of in de herfst. Dat wil zeggen dat er al jaren gewerkt is aan zowel de tempel, de stad (met huizen) en de muur (of muren). Alles bleef niet zonder enig herstel tot aan de periode van Nehemia, negentig jaar later. Het zou onwaarschijnlijk zijn omdat de afwerking van de muur door Nehemia slechts 52 dagen in beslag nam. God is op geen enkel moment tijdens die bouw persoonlijk of in positieve zin opgetreden. Ook in die tijd van Nehemia is er een tegenstand van de omringende volkeren evenals bij Ezra. Beider opmerking in dat verband is duidelijk; jullie hebben geen deel aan Israëls erfdeel of gedachten (Ezra 4:2,3 / Nehemia 2:20). We komen nog enkele malen het begrip “bevel” tegen in de boeken Ezra en Nehemia en dat is belangrijk, want daar moet ook gedacht worden aan wat in het begin staat van de profetie van Daniël 9:24-27. De zoekterm “BEVEL” in de boeken Ezra en Nehemia, Statenvertaling, 1977 geeft het volgende resultaat. 21 vindplaatsen in 19 verzen 1. Ezra 4:19: “En toen door mij BEVEL gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat deze stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.” 2. Ezra 4:21: “Geeft dan nu BEVEL, om die mannen te beletten, dat die stad niet opgebouwd wordt, totdat door mij BEVEL zal worden gegeven.” 3. Ezra 5:3: “In die tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft u BEVEL gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltrekken?” 4. Ezra 5:9: “Toen hebben wij die oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft u BEVEL gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltrekken?” 5. Ezra 5:13: “Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores BEVEL gegeven dit huis Gods te bouwen.” 6. Ezra 5:17: “Zo het dan nu de koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis van de koning aldaar, dat te Babel is, of het zo is, dat een BEVEL van de koning Kores gegeven is, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men het believen van de koning hiervan tot ons zende.” 7. Ezra 6:1: “Toen gaf de koning Daríus BEVEL; en zij zochten in de kanselarij, waar de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 44 schatten waren weggelegd, in Babel.” 8. Ezra 6:3: “In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit BEVEL: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen.” 9. Ezra 6:8: “Ook wordt door mij BEVEL gegeven, wat gij doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de schatting aan gene zijde van de rivier, de onkosten aan deze mannen spoedig gegeven worden, opdat men hen niet belette.” 10. Ezra 6:11: “Voorts wordt BEVEL door mij gegeven, dat van ieder, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wil tot een drekhoop gemaakt worden.” 11. Ezra 6:12: “De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neer alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Daríus, heb het BEVEL gegeven, dat het spoedig gedaan worde.” 12. Ezra 6:14: “En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoedig voort, door de profetie van de profeet Haggaï en Zacharía, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het BEVEL van de God Israëls, en naar het BEVEL van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van Perzië.” 13. Ezra 7:13: “Door mij wordt BEVEL gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van zijn priesters en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga.” 14. Ezra 7:21: “En door mij, mij, koning Arthahsasta, wordt BEVEL gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde van de rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God des hemels, van u zal begeren, spoedig gedaan worde.” 15. Ezra 7:23: “Al wat naar het BEVEL van de God des hemels is, dat het vlijtig gedaan worde, voor het huis van de God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk van de koning en van zijn kinderen?” 16. Ezra 8:17: “En ik gaf hun BEVEL aan Iddo, het hoofd in de plaats Kasífja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broeder, en de Nethínim, in de plaats Kasífja, dat zij ons brachten dienaars voor het huis van onze God.” 17. Neh.7:2: “En ik gaf BEVEL aan mijn broeder Hanáni, en aan Hanánja, de overste van de burcht te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezend boven velen.” 18. Neh.13:9: “Voorts gaf ik BEVEL, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar de vaten van Gods huis weer in, met het spijsoffer en de wierook.” 19. Neh.13:19: “Het geschiedde nu, toen de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor de sabbat, dat ik BEVEL gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na de sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op de sabbatdag.” We wijzen hierbij op vier zaken:


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 45 1°) Niet alle teksten hier spreken over het bevel van een Perzische koning. 2°) Daar waar het bevel gegeven is van een Perzische koning zijn ze allen te herleiden tot deze van Kores, alle andere steunen daarop. We beginnen dus daar de vervulling van de 70 jaarweken. 3°) Daar waar het bevel gegeven is van een Perzische koning is het ook het bevel van God (Ezra 6:14). 4°) In het boek Nehemia is wat de koning hem toelaat te doen, GEEN BEVEL GENOEMD. 2°) WIE KWAM TERUG UIT BALLINGSCHAP? Laten we vooraf als eerste punt, wat ingaan op de geschiedenis van de 10 stammen, de 2 stammen en dat aparte “koninkrijk” waaruit ze kwamen, van David en Salomo, Gods theocratie op aarde. Rond het jaar 975 v. Chr. scheurde tien stammen af zich van de twaalf stammen. Het ging samen met oprichten van een apart koninkrijk waar de eerste koning Jerobeam werd. Wat er op volgt is geen fraai verhaal: zelfs na een lange lijst van profeten die predikten tegen deze anarchie en het geloofsafval van deze 10 stammen viel het rijk in handen van de Assyriërs. De vele waarschuwingen en oordelen hebben niet geholpen, deze afvalligen tot God te brengen. Hun hoofdstad Samaria werd verwoest en een groot deel van de bevolking werd als slaven weggevoerd. Ze werden gedwongen te wonen in: “Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden” (2 Kon.17:6 en 1 Kron.5:26). We geven aandacht aan drie punten van belang: 1° Na de scheuring bestond het koninkrijk van Juda uit de stammen Juda en Benjamin, en de Levieten die trouw waren gebleven aan het huis van David, zodat het godsdienstige centrum in Jeruzalem bleef. Een gedeelte van de Levieten die in de noordelijke delen van het land woonden, verhuisden naar de streken rond Jeruzalem. We lezen het in 2 Kronieken 11:5,13,14 SV77: “Rehábeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vestingen in Juda. (...) Daartoe de priesters en de Levieten, die in het ganse Israël waren, stelden zich bij hem uit heel hun gebied. Want de Levieten verlieten hun weidegronden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen.” Priester zijn van de cultus van YaHWeH was gebonden aan afstamming van Levi, maar onder de heidenen ging dat gemakkelijk en wel als volgt: “U hebt de priesters van de HEER verdreven, de zonen van Aäron en de Levieten, en u hebt priesters over u aangesteld zoals de andere volken overal doen: als iemand met een stier en zeven rammen komt om tot priester gewijd te worden, kan hij priester worden van wat geen goden zijn.” – 2 Kron.13:9 Willibrord 2° Behalve Juda, Benjamin en Levi waren er ook individuen uit het tienstammenrijk, die trouw bleven aan de Heer en aan Jeruzalem als plaats voor aanbidding. We lezen dat nogal vlug na de opstand er “na hen” (de Levieten uit 2 Kronieken 11:14): “De priesters en Levieten werden gevolgd door velen uit alle stammen van Israël, die vastbesloten waren de HEER, de God van Israël, te blijven vereren, en die naar Jeruzalem kwamen om offers op te dragen voor de HEER, de God van hun voorouders. Ze versterkten het koninkrijk van Juda en waren drie jaar lang een steun voor Rechabeam, de zoon van Salomo, want drie jaar lang bewandelden


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 46 zij de weg van David en Salomo.” (2 Kron.11:16,17 Willibrord) Tijdens de periode van het bestaan van het rijk van de twee stammen – tot hun gevangenschap door de Babyloniërs - hebben gelovige Israëlieten uit de tien stammen zich afgescheiden en zich daarop aangesloten bij 'Juda.' In de perioden van nationale opleving van het zuidelijke koninkrijk en tijdens de regeringen van koningen die de Heer vreesden zochten ze zich opnieuw als gelovigen te identificeren (zie 2 Kron.15:9-15). 3° We lezen dat: “de koning van Assur Samaria innam en Israël (= de 10 stammen) in ballingschap voerde naar Assur.” Maar hij heeft niet het gehele volk met zich meegevoerd. Zeer waarschijnlijk de notabelen en meer invloedrijke personen. Het is bijna zeker dat velen in het land achterbleven hoewel we er geen echt Bijbels bewijs voor hebben. We mogen dat veronderstellen omdat later in het geval van de omverwerping van het zuidelijk tweestammenkrijk door de Babyloniërs ook slechts een deel is weggevoerd. We lezen in 2 Kon.25:12 SV77 het volgende: “Maar van de armsten des lands liet de overste der lijfwachten enigen over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.” Er zijn bovendien aanduidingen voor het eerste, omdat tijdens de regering van koning Josia – dat is wel 100 jaar na de val van Samaria - een gedeelte van de stammen Manasse en Efraïm en “een overblijfsel vanuit geheel Israël” die nog in het land waren bijdragen leverden voor de wederopbouw van de Tempel. Dat was tijdens een inzameling gedaan door de Levieten. Ook vierden zij het Pascha mee tijdens het 18e jaar van de regering van de jonge koning: “Sinds de dagen van de profeet Samuël was Pasen in Israël nog nooit zo gevierd; geen van de koningen van Israël had Pasen gevierd zoals koning Josia het vierde met de priesters en Levieten, met alle aanwezigen van Juda EN ISRAËL en de inwoners van Jeruzalem.” - 2 Kron.35:18 Willibrord. Maar ook het zuidelijk koninkrijk van 'Juda' komt het punt te bereiken dat er, vanwege hun afgoderij en geloofsafval, geen herstel meer mogelijk is. In 2 Kron.36:16 Willibrord is het beschreven: “Maar ze overlaadden de gezanten van God met smaad, sloegen hun waarschuwingen in de wind, en spotten met de profeten, zodat de toorn van de HEER wel onverbiddelijk moest neerkomen op zijn volk.” Het zuidelijk koninkrijk en Jeruzalem worden uiteindelijk door Nebukadnezar ingenomen, ongeveer 130 jaar na de verovering van Samaria door de Assyriërs. Het grote Assyrische Rijk is dan al opgevolgd door het Babylonische Rijk. De landen waar Nebukadnezar over regeerde waren ongeveer dezelfde als waarover Salmanezer en Sargon tijdens het Assyrische Rijk regeerden. Er was een iets uitgebreider territorium. Een opmerking van 2 Kon.23:29: waar de koning van Babel de koning van Assur wordt genoemd geeft aan wat we willen zeggen. Tweede belangrijk punt in deze zaak: de stammen waren in de ballingschap weer bij elkaar. Waar de exacte verblijfplaats van de ballingen uit het twee stammenrijk was wordt niet genoemd in de Bijbel. De Schrift geeft wel duidelijk aan dat er drie verschillende groepen van ballingen door Nebukadnezar worden meegenomen ‘naar Babel’. De eerste groep tijdens de regering van Jojakim in 606 v. Chr., de tweede tijdens de regering van Joachin in 599 voor Christus. De derde groep, die ook de grootste is, bij de uiteindelijke omverwerping van Jeruzalem in de regering van koning Zedekia in 588 v. Chr. (zie 2 Kon.24 en 25 / Dan.1). Ezechiël was één van de 10.000 ballingen, die door Nebukadnezar samen met Joachin was meegenomen en die leefde in ballingschap bij de rivier Chabor in Gozan. Meer dan een eeuw voordien werden daar al, door de Assyriërs, ballingen van de tien stammen gebracht. Met al die perikelen in de beide koninkrijken


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 47 kwam er een einde aan de verdeeldheid en rivaliteit tussen ‘Juda’ en ‘Israël.’ Toen, in die dagen, waren geen van beide nog belangrijk, maar een speelbal van de groten: Egypte, Assyrië en Babylon. In die dagen was er wel hoop, iets waar velen naar uitkeken: het door profeten beloofde nationale herstel. Amos, Hosea, Joël, en enkele andere profeten tot aan de val van Samaria hadden dat beeld in hun vaandel. Dat beeld van opnieuw hersteld te worden bevorderde ook in grote mate de eenheid onder het volk. Althans voor dezen die zich ondertussen niet geassimileerd totaal hadden met de heidenen rondom hen. Later horen we van Daniël, Jeremia en Ezechiël - de profeten uit de Babylonische ballingschap - die gezamenlijke hoop van de leden van de twee koninkrijken beschrijven en bezingen. Het mooiste voorbeeld hiervan staat in Ezechiël 37:15-28. Bekijken we eens in het kort het verhaal van dezen die uit de ballingschap komen om de tempel te herbouwen en de profetie van Jesaja 44 en 45 in vervulling te laten gaan. Het volk dat op dat moment in de omgeving van Jeruzalem woont, grotendeels Samaritanen, dus met gedeeltelijke Israëlische wortels, tracht het herstel van Israël te verhinderen op drie manieren; 1°) Ze willen meebouwen en zo iets van de eer opstrijken Ezra 4:2,3 (2 Kon.17:25-41 geeft aan dat ze geen echte aanbidders van YaHWeH zijn.) 2°) Ontmoedigen de Israëlieten te bouwen Ezra 4:4. 3°) De Perzische koningen worden overstelpt met leugenachtige taal Ezra 4:5,6. De bouw van de muur zien ze als een bedreiging tegenover Perzië Ezra 4:12. We leren ook uit deze zaak: dat er geen totale leegloop was in Israël, alleen het gebied van Juda had te maken met de straf van 70jarig verwoest liggen van het land, letterlijk en figuurlijk. Een derde belangrijk punt: er was een gezamenlijke terugkeer naar het land van alle stammen. In de zesde en vijfde eeuw voor Christus zijn meerdere bannelingen teruggekeerd naar het land van de hoop. In het jaar 538 v. Chr. had Kores, de koning van Perzië, Babylon veroverd. De eerste groep ballingen die in het jaar 606 v. Chr. door Nebukadnezar naar Babylon waren weggevoerd, waren er ondertussen ongeveer 70 jaren. Profetisch stond er wat te gebeuren. We lezen in Ezra 1:13 NBG: “1 In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de HERE, opdat het woord des HEREN, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzië, op, om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte, deze oproep te doen uitgaan: 2 Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. 3 Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort – zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwe het huis van de HERE, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont.” De zaak van hierboven moeten we nog eens benadrukken, zowel tegen wat dispensationalisten zeggen als de Brits-Israël verenigingen, die in een terugkeer geloven van alleen de 2 stammen en niet de 10 anderen. Wij leren: de terugkeer van Israël als één geheel. Het profetische verhaal uit Ezechiël, van de twee stokken, is vervuld en moet geen tweede maal gerealiseerd worden in een duizendjarig rijk. Ze keren in drie groepen terug. Dit zijn enkele details.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 48 De eerste terugkeer: Dit werd mogelijk na een toelating van koning Kores. Zijn decreet had betrekking op het gehele volk, dus alle onderdanen van het koninkrijk, de 10 en de 2 stammen. In het jaar 537 v. Chr., twee jaar na de verovering van Babel door Kores, werd dit uitgevaardigd. Het ‘gehele koninkrijk’ waarover hij regeerde omvat het gebied waarover Nebukadnezar en zijn opvolgers op de troon zaten. Aangezien het rijk van Babel identiek was aan dat van Assur, waar het tienstammenrijk naar was afgevoerd, had dit tevens betrekking op de 10 stammen. We hebben daar Bijbels ook een aanduiding voor: Kores en Darius l worden zonder onderscheid aangeduid met de titels, ‘Koning van Perzië’ (Ezra 4:5), ‘Koning van Babel’ (Ezra 5:13) en ‘Koning van Assur’ (Ezra 6:22). Na de oproep van Kores verzameld zich een karavaan naar het beloofde land Ezra 2:64,65 en bij telling krijgen we volgende cijfers: “64 De gehele gemeente tezamen was tweeënveertigduizend driehonderd zestig, 65 afgezien van hun slaven en slavinnen, van welke er zevenduizend driehonderd zevenendertig waren; zangers en zangeressen hadden zij tweehonderd.” Het is onder de leiding van een afstammeling uit het koningshuis van David, de man Zerubbabel, dat ze van Babel op weg naar Jeruzalem gaan. De leiders van de teruggekeerden zijn “Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de priesters en de Levieten, zich gereed.” (Ezra 1:5) Maar onder hun leiding reisden ook ballingen uit de andere stammen mee. “Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de priesters en de Levieten, zich gereed, allen wier geest God had gewekt om op te trekken teneinde het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont, te bouwen.” (Ezra 1:5). Hier hebben we ook te maken met een nieuwigheid in Bijbelse terminologie: mensen worden niet langer genoemd naar de stam waartoe zij behoren, maar naar hun families en naar hun steden waar zij vroeger gewoond hadden. Wanneer we dat opzoeken in de tijden waar ze woonden VOOR DE BALLINGSCHAPPEN, is het niet zo moeilijk vast te stellen hoeveel er tot Juda en hoeveel er tot Israël behoorden. In het gezelschap van dezen die terugkeerden waren 223 mannen van Bethel en Ai (Ezra 2:28) die duidelijk uit het noordelijke komen. Bethel dat op de grens van Benjamin lag, behoorde tot de stam Efraïm en die stad was het centrum van aanbidding van heidense goden ingesteld door Jerobeam. Een mogelijke latere aanwijzing zou het boek Jacobus in het NT kunnen zijn. Is het een brief gericht aan de twaalf stammen die in de verstrooiing (letterlijk de ‘diaspora’) zijn (Jac.1:1)? Als het om de letterlijke stammen gaat zijn de “twaalf stammen” dus geen verloren stammen. Maar het zou ook kunnen slaan op de gelovigen van het NT die op dat moment al verdrukt zijn en overal verspreid over de toen gekende wereld: ze zijn door de verdrukking in verstrooiing gegaan. Dus: in 537 v. Chr., is er een belangrijkst en grote terugkeer. Onder leiding van Zerubbabel keren 42.360 Joden terug met nog eens 7.337 dienaren en 200 zangers. En daarboven duizenden slaven en slavinnen (Ezra 2:65). De tweede groep: Na een toelating van Artaxerxes Longimanus in het jaar 458 v. Chr. is Ezra uit Babel getrokken met nog een andere groep Joden. Dit staat onder andere in dit Koninklijke besluit, in Ezra 1:3: “Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort – zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwe het huis van de HERE, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont.” Het resultaat is beschreven in: “Zo trokken ook een aantal Israëlieten en priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempelhorigen naar Jeruzalem, in het zevende jaar van koning Artachsasta.” - Ezra 7:7 Deze groep keert terug onder leiding van Ezra bestaande uit 1.754 mannen. Hun reis neemt vier maanden in beslag. Hoeveel vrouwen erbij waren weten we niet. In Ezra 8:27 is vermeldt dat ze meekwamen maar het aantal wordt niet vernoemd. Men mag aannemen ongeveer eenzelfde aantal en bovendien ook nog hun kinderen. Een bont gezelschap dat


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 49 bestond uit ongeveer 1800 families, de priesters, de Levieten en de tempelhorigen niet meegerekend. Het waren ‘de kinderen Israëls’ ongeacht uit welke stam. (Zie het bijvoegsel.) Zij kwamen uit alle delen van het Assyrische of Babylonische rijk waar ze naar toe gebracht waren. Tegen de tijd van Jezus was de Joodse populatie in Palestina uitgegroeid tot enkele miljoenen. De derde terugkeer: is onder Nehemia die begeleiding krijgt van een legerescorte. Hij komt terug om de herbouw af te werken, opnieuw met de financiële steun van de Meden en de Perzen. Een totaal dus van ruim 50.000 personen ging terug naar Juda. Dat zijn meer dan 42.000 personen van de stammen Juda en Benjamin en nog wel 11.000 anderen. We moeten dus niet spreken van het raadsel van de verloren stammen. Een vierde punt is: de situatie in de dagen van Christus bevestigd dat de 12 stammen toen opnieuw verenigd waren. Het gedeeltelijk herstel van Israël in de dagen van Cyrus en zijn opvolgers, in de zesde en vijfde eeuw voor Christus, had de nakomelingen van Jacob opnieuw tot één volk gemaakt. De stammenen geslachtsregisters, vooral van de inwoners van het land tot aan de verwoesting van de tweede Tempel (586 v. Chr.) waren grotendeels bewaard waren gebleven. De overgrote meerderheid bleef nog in de diaspora, ze waren er aan het werk en hadden gemeenschappen gevormd. Want ook in de verstrooiing blijven mensen van hetzelfde ras dicht bij elkaar, letterlijk en geestelijk. Natuurlijk zijn er die zich geassimileerd hadden. Dat wil niet zeggen dat er tijdens de feesten van Pesach, Pinksteren en het Loofhuttenfeest, geen pelgrimstochten naar Jeruzalem gemaakt werden, waar de mannen die feesten moesten vieren. Philo, de Egyptische Jood schrijft eens aan de Romeinse Keizer Caligula dat: “Jeruzalem niet alleen als hoofdstad van Judea beschouwd moest worden, maar als het centrum van een natie, verspreid over oneindig veel plaatsen, die hem bekwame versterking kon leveren voor zijn verdediging.” Waar verbleven toen de meeste Joden: de landen Egypte, Macedonië, Bythinië, en enkele steden in het rijk van de Perzen en van Babylon alsook de eilanden Cyprus en Kandia. Dus meestal waarnaar ze in gevangenschap gingen of gevlucht waren en bij dat laatste hoort Egypte. Daar was een massa naar toegegaan na de vernietiging van de tempel en ze centreerden zich vooral rond Alexandria. Philo is ook de tijd van het boek Handelingen en in hoofdstuk twee zien we deze beschrijving van mensen uit andere gebieden dan Palestina: “8 Hoe is het dan mogelijk dat ieder van ons de taal van zijn geboortestreek hoort? 9 Parten en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en het Libische gebied bij Cyrene, en hier woonachtige Romeinen, 11 Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken over de grote daden van God.” – Willibrordvertaling Zij worden allen Joden genoemd en ondanks hun afstand waar ze echt leven en werken is Jeruzalem hun nationale hoofdstad. Nu even terug naar de 5de eeuw voor Christus. Ds. H. H. Grosheide schreef een brochure over dit onderwerp getiteld ‘De terugkeer uit de Ballingschap’, Van Keulen, 1957. Hij zegt bijvoorbeeld dit: “Bij juiste opvatting van vs 3-14 komen alle twaalf in deze verzen genoemde geslachten in Ezra 2 voor. (…) Verreweg het grootste deel van de teruggekeerden behoorde dus tot de stammen Juda, Benjamin en Levi” (blz.38). En ook dit: “De som der afzonderlijke getallen is in Ezra


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 50 (volgens M.T.) 29818, in Neh. (volgens M.T.) 31089 in III. 30143. Alle drie noemen als totaal 42360 (2:64); Neh.7:66 – met kleine verschillen in de tekstoverlevering, zo leest Sept.B. 42308 – en III. 4:41). Dit totaalcijfer staat dus tekstkritisch zeer vast, het zal wel juist zijn” (blz.53). Waarop hij ingaat op de totaliteit van de cijfers; met of zonder vrouwen, met alle kinderen of slechts met deze boven de twaalf jaar, maar nog niet volwassen. Moeilijke beslissingen zijn hier te maken maar we gaan er ook niet verder op in. In 1 Kronieken 9:1-9 is ons iets duidelijk gemaakt, namelijk, dat er méér dan twee stammen en de levieten zijn teruggekeerd uit de Babylonische gevangenschap. Bij het herstel van de offerdienst worden voor alle twaalf stammen offers gebracht! We lezen er dit: “Geheel Israël was in registers opgenomen; zij waren opgeschreven in het boek der koningen van Israël. De Judeeërs werden naar Babel weggevoerd om hun ontrouw. En de eersten, die zich weer op hun bezitting in hun steden kwamen vestigen, waren gewone Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de tempelhorigen. Te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse: Utai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, uit de zonen van Peres, de zoon van Juda; van de Silonieten: Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen; en van de zonen van Zerach: Jeüel, en hun broeders; zeshonderd negentig. Van de zonen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodawja, de zoon van Hassenua; Jibneja, de zoon van Jerocham; Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Mikri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Jibnia; voorts hun broeders, naar hun afstamming, negenhonderd zesenvijftig. Al deze mannen waren hoofden van hun families.” We herhalen nog eens een gedeelte uit het vers drie: “te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse.” Efraïm en Manasse zijn teruggekeerd en zijn dus géén verloren stammen. We weten uit het NT dat er ook nog van de stam van Aser aanwezig waren in het Israël van die dagen. Luc.2:36: “Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd.” En het is zeker dat er nog van de andere stammen aanwezig waren, alleen ze konden niet meer bewijzen uit welke stam, hun stamregister was verloren. Dat is ook duidelijk uit Ezra 6:17: “En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël, naar het getal van de stammen Israëls.” De “twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël” geven aan dat er van alle twaalf stammen aanwezig waren in de terugkerende of dat er al zoveel getrouwd is onder elkaar dat dit symbolische verwijst naar alle twaalven. We zien het ook nog eens in Ezra 8:35: “En de weggevoerden, die uit de gevangenschap gekomen waren, offerden de God Israëls brandoffers; twaalf varren voor gans Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer voor de HEERE.” Wie zijn die mensen dan? Het is het “overblijfsel” volgens Hag.1:12 / Zach.8:11,12 / Jer.42:2,15,19 / Jes.43:5 / 44:7,12,14. Uit Zacharia 2:16 en 8:7,8 krijg je zelfs de indruk dat er nog geen terugkeer is, maar dat is omdat het aantal zo klein is naar zijn mening. In dat boek staat duidelijk dat er mensen van Israël en van Juda teruggekeerd zijn (Zach.8:13), maar het merendeel is van “Juda” of het “huis van Juda” (Zach.2:16 / 8:19). Maar er is ook deze terminologie: “Israëls families” (Ezra 8:29), “volk Israël” (Ezra 9:1), “schare van Israël” (Ezra 10:1). Volgens Ezra is het duidelijk dat men zich nog steeds als “slaven” van Perzië ziet in die dagen


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 51 (Ezra 9:9). Uit de Bijbel is het duidelijk dat er een herstel was van het sociale leven vanaf het prille begin van de terugkeer. Men laat mensen wonen in hun eigen stad waar men vroeger woonde. Waar de stam recht op had sinds de verdeling in de tijd van Jozua, daar ging wie teruggekeerd was opnieuw wonen. Ezra 2:70: “De priesters nu en de Levieten, alsook sommigen van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempelhorigen, gingen wonen in hun steden, en alle andere Israëlieten in hun steden.” Ezra 3:1: “Toen nu de zevende maand aanbrak, terwijl de Israëlieten in hun steden waren, verzamelde het volk zich als één man te Jeruzalem.” Nehemia 7:72: “De priesters nu en de Levieten, de poortwachters, de zangers, alsook sommigen van het volk, en de tempelhorigen en alle andere Israëlieten gingen wonen in hun steden.” Nehemia 11:1: “De oversten van het volk gingen te Jeruzalem wonen, maar het overige volk wierp het lot, om een op de tien aan te wijzen in Jeruzalem, de heilige stad, te gaan wonen, en negen tienden in de andere steden.” Nehemia 11:3: “Dit zijn de hoofden van het gewest, die zich in Jeruzalem vestigden; – in de steden van Juda woonden, ieder op zijn bezit, in hun steden: Israël, de priesters, de Levieten, de tempelhorigen en de nakomelingen van Salomo’s knechten.” Nehemia 11:20: “Het overige Israël, de priesters, de Levieten, woonde in al de steden van Juda, ieder in zijn erfdeel.” Van velen wist men de afkomst niet meer zoals in Ezra 2:61-65 SV77 beschreven is: “En van de kinderen van de priesters, de kinderen van Habája, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was. Dezen zochten hun register, onder hen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. En Hattirsátha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met tummim. Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd zestig. Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.” Voor de stam Juda, de koningsstam, en Levi, de stam van de priesters, was het bewijs van afstamming zonder meer een noodzakelijkheid. Het herstel van de tempeldienst, nodig voor het sociale leven van die mensen, is als volgt beschreven door Ezra 3:1,6,8 SV77: “Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israëls in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem. (…) VAN DE EERSTE DAG AF VAN DE ZEVENDE MAAND BEGONNEN ZIJ DE HEERE BRANDOFFERS TE OFFEREN; DOCH DE GROND VAN DE TEMPEL DES HEEREN WAS NIET GELEGD. (…) In het tweede jaar nu van hun aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenschap naar Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten aan, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van het huis des


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 52 HEEREN.” De tempel die men toen bouwde was niet erg groot van formaat, slechts zestig el hoog en zestig el breed, dat is ongeveer 26 x 26 meter. Dus zeker niet zo indrukwekkend als deze van Salomo of deze van Herodes. Voor de bouw van de tempel van Salomo was het beste hout gebuikt, cederhout uit de Libanon. Nu werd gewoon het lokale hout gekapt (Haggaï 1:8). Alles op de kosten van Kores en Darius, de koningen van de Perzen!

IS ER DAN VERSCHIL IN DE TERMEN: JOOD EN ISRAËLIET? Het zal u ondertussen al duidelijk geworden zijn dat de namen “Jood” en ‘Israëliet’ grotendeels ook synoniem aan elkaar zijn SINDS DE TIJD VAN DE BALLINGSCHAP. Het is geen Bijbelse theologie te veronderstellen dat de term “Jood” slechts verwijst naar de biologische afstammelingen van Juda. Als het woord “Jood” gebruikt is werd regelmatig iedere nakomeling van Jacob aangeduid als hij zichzelf maar rekende tot het koninkrijk van Juda. Het is dat “overblijfsel van echte gelovigen” die verwachten dat de beloofde “Zoon van David”, komt om Juda te herstellen. We lezen over Zijn heerschappij: “DAN KONDIGT HIJ VREDE AAN ONDER DE VOLKEREN, EN GAAT ZIJN HEERSCHAPPIJ VAN ZEE TOT ZEE EN VAN DE RIVIER TOT DE GRENZEN VAN DE AARDE.” - Zach.9:10 De tien stammen bestonden dus niet langer als een eigen onafhankelijk gebied en daarom werd het begrip “Jood” de algemene naam voor alle Israëlieten. Wanneer, bijvoorbeeld, iemand van de stam Ephraïm zich “verenigde” met de kerngedachte van de Judeërs (= er komt een Messias en een nieuw rijk) die zag men als een “Jood.” In de kringen van dezen die zeggen dat de verloren stammen zijn opgegaan naar bijvoorbeeld Engeland en van daaruit naar de Verenigde Staten maken bezwaar bij onze uitleg. Ze beweren dat leden van de tien stammen nooit Joden genoemd werden of dat Joden geen Israëlieten zijn. Dat is een verkeerd kijk op de zaak en verwijzen nog eens naar het bijvoegsel. Het is er duidelijk dat niet alleen de ballingen van het zuidelijke koninkrijk die uit Babel terugkeerden de naam ‘Joden’ droegen maar ook de anderen die ook als ze geen echte afstamming meer konden bewijzen toch tot “Israël” hoorden. Niet minder dan veertig keer is in het boek Ezra, het overblijfsel als “Israël” beschreven en niet steeds als “Joden” (= van de stam Juda). In Nehemia worden ze 11 keer ‘Joden’ genoemd en 22 keer “Israël.” Het boek Esther, dat ongeveer dezelfde periode beschrijft heeft dezelfde manier van weergeven. Daar worden dezen die in 127 provincies van het Perzische Rijk achterbleven, 45 keer “Joden” genoemd. Maar er waren veel Judeeërs (= van de 2 stammen) achtergebleven in die streken en toch horen we niet één keer “Israël” als omschrijving. Wanneer we dat principe toepassen op het NT is het ook niet zo verwonderlijk dat men OM HETZELFDE VOLK te beschrijven: ze 174 keer als “Joden zijn genoemd en 75 keer “Israël.” Een voorbeeld wat dat allemaal wil zeggen zonder te morren met de inhoud van een Bijbeltekst. De Brits-Israël beweging beweerd dat slechts afstammelingen van de stam Juda “Joden” mogen genoemd worden. Paulus, die weet wat men als termen hanteerde in die dagen heeft daar geen weet van: hij noemt zichzelf nu eens “een Jood” en een andere keer “een Israëliet” (Hand.21:39 / Rom.11:1 / 2 Cor.11:22 / Phil.3:5). Beide termen zijn op hem van toepassing en de Brits-Israël beweging heeft alleen maar verwarring rondgestrooid met enkele van die teksten in te


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 53 kleuren met de inkt die er niet bij hoort. Wanneer we lezen dat Jezus uit het geslacht van David was gaat het om letterlijk afstamming van die koning gaat. Maar evenwaardig zegt Paulus van Hem dat Hij wat het vlees betreft uit “hen” (= de Israëlieten) is. - Rom.9:4,5 En ook de gelovige Anna was een “Jodin” in Jeruzalem, maar zegt Lukas tegelijk “uit de stam Aser”, die tot het noordelijke tienstammenrijk behoorde. - Luk.2:36

BIJVOEGSEL Uit de Willibrordvertaling (herziene editie 1995), geven we u de 26 teksten uit Ezra en de 9 teksten uit Nehemia waarin het begrip “Israël” voorkomt. De bedoeling is dat u een aanwijzing over mag houden waaruit blijkt dat die 12 stammen voor God en de profeten niet verloren zijn maar in die dagen ook in het land en des stad Jeruzalem aanwezig zijn. Dat het om een kleine groep gaat dat zullen we niet betwisten, maar zij zijn het toch die de stammen vertegenwoordigen. Velen in Israël zijn ondertussen al opgegaan in de massa heidenen rondom hen. De conclusie is dat de 12 stammen niet zijn verloren gegaan. 946. Ezra 1,3 Laten al degenen onder u die tot zijn volk behoren – moge zijn God hem bijstaan – onder zijn hoede optrekken naar Jeruzalem in Juda en een huis bouwen ter ere van de HEER, de God van Israël, de God die in Jeruzalem woont. 947. Ezra 3,10 Terwijl de bouwlieden de fundering legden voor de tempel van de HEER, stelden de priesters, uitgerust met trompetten, en de Levieten, de zonen van Asaf, uitgerust met cimbalen, zich op om de HEER te loven volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël. 948. Ezra 3,11 In beurtzang loofden zij de HEER met het danklied: ‘Want Hij is goed, want in eeuwigheid duurt zijn barmhartigheid voor Israël’, en heel het volk begon luid te juichen en de HEER te prijzen, omdat er een begin gemaakt werd met de oprichting van het huis van de HEER. 949. Ezra 4,1 Toen de vijanden van Juda en Benjamin hoorden dat de teruggekeerde ballingen een tempel bouwden voor de HEER, de God van Israël, 950. Ezra 4,3 Maar Zerubbabel, Jesua en de overige familiehoofden van Israël antwoordden: ‘Een huis bouwen voor onze God is geen zaak voor u en ons samen. Voor de HEER, de God van Israël, moeten wij alleen bouwen, want zo heeft koning Kores, de koning van Perzië, ons bevolen.’ 951. Ezra 5,11 Zij hebben ons het volgende antwoord gegeven: “Wij zijn dienaren van de God van hemel en aarde en wij bouwen het huis dat vele jaren geleden door een groot koning van Israël gebouwd en voltooid werd.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 54

952. Ezra 6,14 De oudsten van de Judeeërs zetten de bouw voort. Deze verliep voorspoedig, dankzij het optreden van de profeten Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo. Zij voltooiden het werk dat hun opgelegd was door de God van Israël, door Kores en Darius, en door Artachsasta, de koning van Perzië. 953. Ezra 6,17 Bij de inwijding van het huis van God offerden zij honderd stieren, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken als zondeoffer voor heel Israël, evenveel als het aantal stammen. 954. Ezra 6,21 Het werd gegeten door de Israëlieten en door iedereen die zich had afgekeerd van de onreinheid van de heidenen, om de HEER, de God van Israël, te dienen, en de ongerechtigheden van de heidenen in het land af te zweren. 955. Ezra 6,22 Vol vreugde vierden zij zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden, want de HEER had hun vreugde gebracht door koning Assur gunstig te stemmen, zodat hij hen had gesteund bij de bouw van het huis voor de God van Israël. 956. Ezra 7,6 Hij was een schriftgeleerde, zeer bedreven in de Wet van Mozes, de Wet die de HEER aan Israël geschonken heeft. En de koning was Ezra in alles ter wille, want de HEER zijn God was met hem. 957. Ezra 7,10 want Ezra had zich toegelegd op de studie van de Wet van de HEER en op de naleving ervan, om haar voorschriften en bepalingen in Israël te onderwijzen. 958. Ezra 7,11 Hier volgt een afschrift van de brief die Artachsasta meegaf aan Ezra, de priester en schriftgeleerde, bedreven in de wetten en geboden van de HEER, voor Israël. 959. Ezra 7,13 Hierbij bepaal ik dat allen in mijn koninkrijk die behoren tot het volk van Israël, evenals de priesters en Levieten, en degenen die vrijwillig naar Jeruzalem willen trekken, met u mee kunnen gaan. 960. Ezra 7,15 Bovendien moet u het zilver en het goud meenemen dat de koning en zijn raadslieden willen offeren aan de God van Israël, die zijn woning heeft in Jeruzalem, 961. Ezra 7,28


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 55 en die mij genade heeft laten vinden bij de koning en zijn raadslieden en bij alle invloedrijke ambtenaren van de koning. Ik vatte moed, omdat de HEER mijn God met mij was, en ik verzamelde leiders uit het volk van Israël om met mij mee te gaan.’ 962. Ezra 8,18 Omdat God ons welgezind was, brachten ze ons een verstandig man, een afstammeling van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Serebja, met zijn zonen en broeders, achttien in getal; 963. Ezra 8,29 Bewaar dat alles dus zorgvuldig, tot u het in Jeruzalem, in de ruimten van het huis van de HEER, overdraagt aan de leiders van de priesters en Levieten en aan de voornaamste familiehoofden van Israël.’ 964. Ezra 8,35 De ballingen die uit de gevangenschap waren teruggekeerd, droegen brandoffers op aan de God van Israël: twaalf stieren voor heel Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren, en als zondeoffer twaalf bokken. Het was een groot brandoffer ter ere van de HEER. 965. Ezra 9,1 Na afloop van dit alles kwamen de leiders naar mij toe en zeiden: ‘Het volk van Israël, de priesters en de Levieten, hebben de omgang met de omwonende volken niet gemeden, maar zich schuldig gemaakt aan de gruweldaden van de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten. ****** 972. Neh 1,6 buig uw oor, open uw ogen en luister naar het gebed dat ik, uw dienaar, nu dag en nacht tot U richt voor de zonen van Israël, uw dienaren. Ik belijd de zonden die wij, zonen van Israël, ook ikzelf en mijn familie, tegenover U begaan hebben. 973. Neh 7,72 De priesters, de Levieten, de poortwachters en de zangers, een gedeelte van het volk en de tempelknechten vestigden zich in hun eigen steden; de anderen van Israël vestigden zich ook in hun steden. En de zevende maand was aangebroken. Alle Israëlieten die zich in de steden gevestigd hadden, 974. Neh 8,1 stroomden samen op het plein voor de Waterpoort en verzochten Ezra, de schriftgeleerde, om het boek te gaan halen van de leer van Mozes, die de HEER aan Israël opgelegd heeft. 975. Neh 8,14 En zij ontdekten dat er in de leer, die de HEER via Mozes gegeven heeft, geschreven staat dat de kinderen van Israël tijdens het feest van de zevende maand in loofhutten moeten wonen 976. Neh 10,34


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 56 voor de toonbroden, het dagelijkse spijs- en brandoffer, voor de sabbatdagen, de nieuwemaanfeesten en de hoogtijdagen, voor de heilige gaven en zondeoffers voor de verzoening voor Israël, voor heel de eredienst in het huis van onze God. 977. Neh 12,47 Ten tijde van Zerubbabel en Nehemia bracht Israël de dagelijkse rantsoenen op voor de zangers en de poortwachters; zij schonken de gewijde gaven aan de Levieten en de Levieten op hun beurt gaven daarvan de zonen van Aäron hun deel. 978. Neh 13,3 Toen men deze bepaling vernam, zonderde men iedereen die tot een gemengde afstamming behoorde van Israël af. 979. Neh 13,18 Hebben uw vaders ook niet dergelijke dingen gedaan en heeft onze God daarom niet al die rampen over ons en onze stad gebracht? En wilt u nu opnieuw woede over Israël afroepen door de sabbat te schenden?’ 980. Neh 13,26 Ik zei tegen hen: ‘Heeft Salomo, de koning van Israël, zich immers ook niet hieraan schuldig gemaakt? Onder alle volken was er geen koning als hij; hij werd bemind door God, en God heeft hem tot koning gemaakt over heel Israël. Maar zijn buitenlandse vrouwen hebben zelfs hem tot zonde verleid! 3°) WAAROM GEEN START MET NEHEMIA? Dit lezen we in Nehemia 1:2-4 SV77: “Zo kwam Hanáni, een van mijn broeders, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vroeg hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenschap), en naar Jeruzalem. En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenschap aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en JERUZALEMS MUUR IS VERSCHEURD, EN HAAR POORTEN ZIJN MET VUUR VERBRAND. En het geschiedde, toen ik deze woorden hoorde, zo zat ik neer, en weende en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van de God des hemels.” En wat erop volgt is dit, Nehemia 2:1-8 SV77: “Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van de koning Arthahsasta, toen er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik de wijn opnam, en hem aan de koning gaf; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. Zo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gans zeer. En ik zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! HOE ZOU MIJN AANGEZICHT NIET TREURIG ZIJN, DAAR DE STAD, DE PLAATS VAN DE BEGRAFENISSEN VAN MIJN VADEREN, WOEST IS, EN HAAR POORTEN MET VUUR VERTEERD ZIJN? En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? (…) Voorts zeide ik tot de koning: Zo het de koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier,


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 57 dat zij mij laten doortrekken, totdat ik in Juda zal gekomen zijn; Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van de lusthof, die de koning heeft, DAT HIJ MIJ HOUT GEVE OM TE ZOLDEREN DE POORTEN VAN HET PALEIS, DAT AAN HET HUIS IS, EN VOOR DE STADSMUUR, EN VOOR HET HUIS, WAAR IK INTREKKEN ZAL. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand van mijn God over mij.” (Tussen haakjes, de vrouw in Nehemia 2:6 die samen aan het gastmaal zit met de koning is NIET Esther zoals men wel eens beweerd, maar één van zijn bijvrouwen. De Septuaginta heeft het begrip “pallakh” hier gebruikt = hoer.) We geven nog enkele andere vertalingen bij dat vers acht om de zin te achterhalen van: “DE POORTEN VAN HET PALEIS.” WE DOEN DAT, OMDAT WE ZOWEL IN EZRA ALS NEHEMIA NIETS MEER HOREN VAN EEN PALEIS IN JERUZALEM. Dit is de Nieuwe Bijbelvertaling, 2004: “Ook verzocht ik om een brief voor Asaf, het hoofd van de koninklijke houtvesterijen, om mij hout te leveren voor de balken van de poorten van de tempelburcht, voor de stadsmuur en voor de woning waarin ik mijn intrek zou nemen. Omdat mijn God mij bescherming bood, gaf de koning mij de verlangde brieven.” Dit is de NBG-vertaling, 1951: “ook een brief aan Asaf, de houtvester des konings, dat hij mij hout geve om de poorten van de burcht die bij de tempel behoort, van zolders te voorzien, en voor de muur van de stad en voor het huis, waar ik mijn intrek nemen zal. En de koning gaf ze mij, daar de goede hand van mijn God over mij was.” Dit is de Willibrordvertaling, herziene editie 1995: “En ook een brief voor Asaf, de koninklijke houtvester, dat hij mij boomstammen zal leveren om er balken van te maken voor de poorten van de tempelburcht, voor de stadsmuur en voor een huis voor mijzelf.’ Omdat mijn God mij genadig was, voldeed de koning aan mijn verzoek.” Het gaat dus niet om een paleis in de ware zin van het woord. Wat het wel is blijkt niet zo duidelijk. Maar de uitleg van de Statenvertaling is deze: “Versta, het huis Gods, dat is, de tempel, welks voorhof [hier, gelijk enigen menen, het paleis genoemd] tot dezen tijd toe open heeft gelegen. Vergelijk Ezra 10:9; 1 Kron. 29:1.” Maar je kunt er in het boek Nehemia niet uit opmaken dat er toen iets aan de tempel zelf gedaan werd. De tempeldienst is begonnen in het eerste jaar dat ze terugkeren uit de Babylonische gevangenschap en aan de tempel zelf is men beginnen bouwen vanaf het tweede jaar. Dat is in het jaar 536 of 535 vóór Christus. Dat is negentig jaar voordat Nehemia naar Juda gaat. Wanneer we, zoals de dispensationalisten doen, hier bij Nehemia de sleutel willen vinden om de 490 jaren van Daniël 9:24-27 te laten starten dan doen we de Schrift geen eer aan. Er is géén echt volk zonder dat er offers gebracht worden. Ook dat geeft Daniël negen aan, wanneer de stad hersteld wordt heeft het volk zijn rechten teruggekregen! Dat was JAREN voordat Nehemia naar Jeruzalem gaat. Nehemia is aangeslagen door het laatste nieuws van de muur in Jeruzalem. Het heeft geen zin om te beweren, zoals men doet in de kringen van de dispensationalisten, dat hier naar een periode van VIJFTIG JAAR VOORDIEN VERWEZEN WORDT. Dat is ongerijmd want er was veel handelsverkeer in die landen onderling en nieuws van Jeruzalem zal niet meer dan een half jaar na de feiten gekend zijn in Perzië. Dit is wat Daniël 9:25 zegt in de Statenvertaling: “Weet dan, en versta (80) van den uitgang des woords, (81) om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias (82) den Vorst, (83) zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, (84) en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. (85)” Dit zijn de voetnoten erbij:


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 58 81) van den uitgang des woords, Dat is, van dien tijd af, dat er een bevel zal uitgaan dat men het volk, [te weten het Joodse volk] wederbrengen, dat is loslaten zal uit de Babylonische gevangenschap, en hetzelve Jeruzalem herbouwen zal. Versta hier door het woord het bevel, gelijk Dan. 9:23, te weten het bevel van Cyrus, naar sommiger gevoelen. Zie 2 Kron. 36:22,23, en Ezra 1:1, en boven de aantekening Dan. 9:24, van het begin der zeventig weken. Anders: om weder te brengen; dat is, om weder ter hand te stellen; te weten de vaten des tempels, die uit den tempel naar Babel gevoerd waren. Anders: om te herstellen, namelijk den staat der kerk en der regering. 82) Messias Dat is, tot op Christus, het Hebreeuwse woord Messias, [hetwelk even hetzelfde, dat Christus betekent, namelijk een gezalfde] staat ook Joh. 1:42, en Joh. 4:25. 83) den Vorst, Of, leidsman, gelijk Jes. 55:4, of hertog, gelijk 2 Sam. 7:8, en 2 Kon. 20:5. 84) de straten, Hebreeuws, de straat en de gracht. Anders: uitgehouwen gracht. Versta dit van de stadsgrachten. 85) in benauwdheid der tijden. Want al wat onder Ezra aan de muren gebouwd was, dat werd kort daarna door de vijanden der Joden weder omvergeworpen, en de poorten met vuur verbrand. En onder Nehemia moesten zij bouwen met den troffel in de ene en het geweer in de andere hand, Neh. 4:17; waarom de Joden zich zozeer haastten, dat zij het gebouw van den muur optrokken in twee en vijftig dagen. Dat laat terecht niets aan onduidelijkheid over. Wat gaat Nehemia doen? Niets anders dan de muren afwerken, want daar is men al jaren voordien aan begonnen. Hoe de brand van de poorten ontstaan is weten we niet. Maar wanneer de poorten nog rechtstaan dan staan ook grote gedeelten van de muren nog recht. Want wat zijn die twaalf poorten (waarvan we er negen met naam kennen)? Het zijn openingen in de muren om mensen en dieren binnen en buiten te laten. We kennen de omtrek niet van de stad in die dagen, maar herhalen het nog eens, dat Nehemia dat alles in 52 dagen heeft HERSTELD. Je kunt dat bouwen noemen, maar niet vanaf de grond, NIET vanaf nul beginnend. De start van de profetie MOET, indien we oprecht zijn, beginnen bij het “WEDERKEREN, EN OM JERUZALEM TE BOUWEN.” DAT IS IN 536 VOOR CHRISTUS (EVENTUEEL 537 OF 535). HET STARPUNT IS WANNEER KONING KORES DAARTOE HET BEVEL GEEFT. ZO SPRAK DE PROFETIE VAN JESAJA EN WE KUNNEN ZE NIET OMZEILEN MET EEN ARGUMENT DAT GEEN HOUT SNIJDT. DIT IS DE PROFETIE VOOR EEN TWEEDE MAAL, WANT DAT IS ZEER BELANGRIJK:  Jesaja 44:24-28: “Zo zegt de HERE, uw Verlosser, en uw Formeerder van de moederschoot aan: Ik ben de HERE, die alles gemaakt heb; die de hemel heb uitgespannen, Ik alleen; die de aarde uitgebreid heb door eigen kracht; die de tekenen der leugenprofeten tenietdoe en de waarzeggers als dwazen aan de kaak stel; die de wijzen doe terugwijken en hun kennis tot dwaasheid maak; die het woord van mijn knecht gestand doe en de aankondiging mijner boden volvoer; die tot Jeruzalem zeg: Het worde bewoond; tot de steden van Juda: Laten zij herbouwd worden, haar puinhopen richt Ik weer op; die tot de diepte zeg: Verdroog, uw rivieren doe Ik opdrogen; die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de tempel worde gegrondvest.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 59

Wat doet Nehemia? Hij doet de laatste afwerking! Wanneer we spreken over de bouw van de derde tempel (deze van Herodes) zeggen we toch ook, dat men begon in 18 voor Christus en bouwde tot 62 na Christus. Zodat wie persé de start van de bouw van de tempel en de stad Jeruzalem zoekt bij de laatste 52 dagen dat men aan het bouwen was, géén besef heeft wat betreft taalgebruik en de vervulling van profetie. Dat is exegetisch geklungel. Laten we ook wat zeggen over de poorten rond de stad Jeruzalem een begrip dat zovele malen in Nehemia terugkeert. Waar vinden we zoal poorten? 1°) Een poort rond een stad als Jeruzalem in Jeremia 37:13, of Sodom zoals in Genesis 19:1, of Gaza zoals in Richteren 16:3. 2°) Of zoals voor een koninklijk paleis (Nehemia 2:8). 3°) Of voor de tempel van Salomon (1 Kon.6:34-36 / 2 Kon.18:16); van een heilige plaats (1 Kon.6:31,32 / Ezech.41:23,24); aan de uiterlijke muur van de tempel Handelingen 3:2. 4°) Gevangenissen Handelingen 12:10 / 16:27. 5°) Grotten 1 Koningen 19:13. 6°) Legerkampen Exodus 32:26,27 / Hebreeën 13:12. Deze poorten werden in de volgende materialen gebouwd: 1°) Ijzer en brons Psalm 107:16 / Jesaja 45:2 / Handelingen 12:10. 2°) Stenen met bezetting Jesaja 54:12 / Openbaring 21:12. 3°) Hout Richteren 16:3. 4°) HET TWEEDE EN DERDE BEVEL (afkondiging, decreet) In het boek Ezra kunnen we ook de twee andere bevelen vinden die later na Kores nog aan de mensen in Juda gegeven zijn. De omstandigheden van die vernieuwde decreten zijn er gekomen omdat Israëls vijanden bezwaar hadden aangetekend tegen de bouw van de tempel of het bouwen van huizen in Jeruzalem. Beide malen krijgen ze geen gelijk bij de koning van Perzië. Integendeel, men moet er zo vlug mogelijk mee verder gaan de tempel te bouwen. Dat komt allemaal overeen met wat in Daniël 9 staat: de tempel en de stad zullen in moeilijke tijden herbouwd worden. Welke juridische en politieke middelen de vijanden hebben gekozen om de herbouwactiviteiten te dwarsbomen, het is hun niet gelukt. De eerste belangrijke teksten in dat verband zijn Ezra 4:12,13. Men krijgt daar een verhaal van de vijanden van de Joden die een brief schrijven aan de koning van Perzië. Hun vraag is: laat de Joden stopppen met hun bouwen van de muur en de fundamenten. Maar wanneer we zeggen “bouwen” dan zijn er andere vertalingen die het hebben over voltooien of herstellen. Enkele Engelse vertalingen zeggen; are finishing (NKJV,NASB), have finished (YOUNG), they complete (DARBY). Dat zijn allemaal mogelijkheden van vertaling. Ezra 4:12,13 NBG: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit.” Ezra 4:12,13 WV 95: “De koning moet weten dat de Judeeërs die uit uw land naar hier


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 60 gekomen zijn en naar Jeruzalem zijn vertrokken, de opstandige, trouweloze stad weer opbouwen; zij trekken de muren weer op en herstellen de fundamenten.” Ezra 4:12,13 SV77: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit.” Ezra 4:12,13 NBV: “Het zij de koning bekend dat de Judeeërs die bij u zijn weggegaan bij ons in Jeruzalem zijn aangekomen, en dat zij deze opstandige en slechte stad aan het herbouwen zijn: ze herstellen de muren en repareren de fundamenten.” Dit zijn enkele vertalingen uit het Engelse repertoire voor Ezra 4:12c: King James Version 1611, 1769: “and have set up the walls [thereof], and joined the foundations.” New King James Version, 1982 Thomas Nelson: “and are finishing its walls and repairing the foundations.” New Living Translation, 1996 Tyndale Charitable Trust: “They have already laid the foundation for its walls and will soon complete them.” New International Version, 1984, International Bible Society: “They are restoring the walls and repairing the foundations.” The Holy Bible, English Standard Version, 2001 Crossway Bibles: “They are finishing the walls and repairing the foundations.” New American Standard Bible, 1995 Lockman Foundation: “and are finishing the walls and repairing the foundations.” Revised Standard Version, 1952: “they are finishing the walls and repairing the foundations.” American Standard Version, 1901: “and have finished the walls, and repaired the foundations.” Robert Young Literal Translation, 1898: “and the walls they have finished, and the foundations they join.” J.N.Darby Translation, 1890: “and they complete the walls and join up the foundations.” Noah Webster Version, 1833: “and have set up its walls, and joined the foundations.” Hebrew Names Version: “and have finished the walls, and repaired the foundations.” De conclusie van dat alles is dat men de start van de bouw niet in die periode moet plaatsen, maar ver daarvoor: met KORES. Ook niet op een latere datum. Ezra 4:1 SV77: “Toen nu de tegenpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen der gevangenschap de HEERE, de God Israëls, de tempel bouwden; Zo kwamen zij aan tot Zerubbábel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gij; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-Haddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft doen optrekken. Maar Zerubbábel, en Jésua, en de overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gij en wij voor onze God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het de HEERE, de God Israëls, bouwen, zoals de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft. Evenwel maakte het volk des lands de handen van het volk van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen; En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Daríus, de koning van Perzië. En onder het koninkrijk van Ahasvéros, in het begin van zijn koninkrijk, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 61

Het resulaat is dat men de bouw onmiddellijk moet stoppen, de leugen heeft het op dit moment gehaald. Ezra 4:21-24 SV77 zegt: “Geeft dan nu bevel, om die mannen te beletten, dat die stad niet opgebouwd wordt, totdat door mij bevel zal worden gegeven. Weest gewaarschuwd, van verzuim in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aangroeien? Toen, van dat het afschrift van de brief van de koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, de schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, trokken zij met haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met arm en geweld. Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Daríus, de koning van Perzië.” Maar volgens Ezra heeft men in de koninklijke bibliotheek een document gevonden dat de Joden wel het recht hebben om Jeruzalem te herbouwen. Men weet: “dat een bevel van de koning Kores gegeven is.” Ezra 5:1-3,13,14,17 SV77 zegt: “Haggaï nu, de profeet, en Zacharía, de zoon van Iddo, profeten, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in de naam van de God van Israël profeteerden zij tot hen. Toen maakten zich op Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden. In die tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltrekken? (…) Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen. Ja, de vaten van Gods huis, die van goud en zilver waren, die Nebukadnézar uit de tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en ze gebracht in de tempel van Babel, die heeft de koning Kores gehaald uit de tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, die hij tot landvoogd had gesteld. (…) Zo het dan nu de koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis van de koning aldaar, dat te Babel is, of het zo is, dat een bevel van de koning Kores gegeven is, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men het believen van de koning hiervan tot ons zende.” Zodat de nieuwe koning, nog eens opnieuw verwijzende naar wat Kores al had uitgevaardigd, de bouw van de tempel en herstel van Jeruzalem niet slechts toelaat maar ook daadwerkelijk zijn steun geeft. Ezra 6:1-4,7-15 SV77: “Toen gaf de koning Daríus bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel. En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS: In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen; Met drie rijen van grote steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit het huis des konings gegeven worden. (…) LAAT HEN AAN DE ARBEID VAN DIT HUIS GODS; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats. Ook wordt door mij bevel gegeven, wat gij doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de schatting aan gene zijde van de rivier, de onkosten aan deze mannen spoedig gegeven worden, OPDAT MEN HEN NIET BELETTE. En wat nodig is, als jonge


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 62 runderen, en rammen, en lammeren, tot brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, DAT ER GEEN VERZUIM ZIJ; Opdat zij offeranden van liefelijke reuk aan de God des hemels offeren, en bidden voor het leven van de koning en van zijn kinderen. Voorts wordt bevel door mij gegeven, dat van ieder, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wil tot een drekhoop gemaakt worden. De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neer alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. IK, DARÍUS, HEB HET BEVEL GEGEVEN, DAT HET SPOEDIG GEDAAN WORDE. Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde van de rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoedig alzo, naar hetgeen de koning Daríus gezonden had. En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoedig voort, door de profetie van de profeet Haggaï en Zacharía, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God Israëls, en naar het bevel van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van Perzië. En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar; dat was het zesde jaar van het koninkrijk van de koning Daríus.” We zijn nu in het jaar 520 voor Christus. DERDE BEVEL De Zevendedagsadventisten zeggen dat we de 70 jaarweken moeten beginnen in 457 voor Christus. Laat ons dat eens verder bekijken. Dat is het derde bevel in het boek Ezra. Hier enkele details erover. Ezra 7:11-17 SV77: “Dit is nu het afschrift van de brief, die de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde; de schriftgeleerde van de woorden van de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israël: Arthahsasta, koning der koningen, aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God des hemels, volkomen vrede en op zulke tijd. Door mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van zijn priesters en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga. Omdat gij van voor de koning en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judéa, en te Jeruzalem, naar de wet van uw God, die in uw hand is; En om heen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig gegeven hebben aan de God Israëls, Wiens woning te Jeruzalem is; Alsook al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het ganse landschap van Babel, met de vrijwillige gave van het volk en van de priesters, die vrijwillig geven, voor het huis van hun God, dat te Jeruzalem is; Opdat gij spoedig voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun spijsoffers, en hun drankoffers, en die offert op het altaar van het huis van uw God, dat te Jeruzalem is. Daartoe, wat u en uw broeders goeddunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult gij doen naar het welgevallen van uw God.” Ezra 8:21-24 SV77: “Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht van onze God, om van Hem te verzoeken een rechte weg, voor ons, en voor onze kinderkens, en voor al onze have. Want ik schaamde mij van de koning een leger en ruiters te begeren, om ons te helpen tegen de vijand, op de weg; omdat wij tot de koning hadden gesproken, zeggende: De hand van onze God is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 63 Alzo vastten wij; en verzochten zulks van onze God; en Hij liet zich door ons verbidden. Toen zonderde ik twaalf af van de oversten der priesters: Sérebja, Hasábja, en tien van hun broeders met hen.” Een grote groep van zowel Adventisten als evangelische gelovigen (want ze zijn niet allemaal uit het kamp van de dispensationalisten) zeggen dat men hier moet starten met de berekening van het herstel van de tempel enz. Dat is dan het jaar 457 (of 456) voor Christus. In het bevel gegeven door Artaxerxes staan de volgende zaken beschreven: 1°) De Joden die nog willen terugkeren kunnen dat doen (Ezra 7:13), 2°) Men krijgt zelfs fondsen uit de koninklijke schatkamers om de bouw van de tempel af te werken (Ezra 7:15,16,21,22), 3°) Volgens een regeling zullen de priesters en het personeel van de tempeldienst géén belastingen betalen (Ezra 7:24), 4°) Ezra moet een onderzoek doen naar wat het volk doet op moreel gebied en zo nodig daarover regelingen treffen van aanpassing (Ezra 9:1,2, bijvoorbeeld de vreemde vouwen die uitgezet worden), 5°) Er moet een wettelijk systeem bedacht worden dat alles in regel is met de Torah en dat zal gelden voor alle Joden in dat gebied (Ezra 7:25,26). Dit krijgt een volgende bekrachtiging achteraan dat bevel in Ezra 7:26: “Aan ieder die de wet van uw God en de wet van de koning niet volbrengt, zal stipt recht geoefend worden: hetzij ter dood, hetzij tot verbanning, hetzij tot geldboete of tot gevangenzetting” (NBG). “Mocht iemand de Wet van uw God en de wet van de koning niet gehoorzamen, dan moet een streng oordeel over hun geveld worden, hetzij de doodstraf, hetzij de verbanning, met verbeurdverklaring van zijn bezit, of met gevangenschap” (Willibrord 1995). We willen dus niets afdoen aan het belang van die bevelende uitspraken. Maar er ontbreekt wat aan de argumenten van de Adventisten en al wie hier de start legt van de 70 jaarweken. Want de tempel WAS AL HERBOUWD. En ook leefde men met min of meer een gelovig godsdienstig gevoel, in elk geval werden er offers gebracht. De priesters wisten wanneer die gebracht werden en er was dus een religieuze opvoeding! Dat alles niet perfect verliep kan niemand betwisten. Ezra is als wetsgeleerde er om de puntjes op de “i” te zetten. Hier de start van de profetie van de zeventig jaarweken zetten is niet mogelijk. Wat hier aan de orde is, is allemaal al gebaseerd op wat er door Kores was goedgekeurd in 537 voor Christus. HE IS DUS EEN HERHALING, VAN EEN VROEGER BEVEL. Er is één tekst die hier niet lijkt te passen in deze redeneringen. Dat is Ezra 6:14,15 waar dit staat: “De oudsten der Judeeërs bouwden voorspoedig voort tijdens het profeteren van de profeet Haggai en van Zacharia, de zoon van Iddo; zij voltooiden de bouw volgens het gebod van de God van Israël en volgens het bevel van Kores, Darius en Artachsasta, koning van Perzië, en zij waren met dit huis gereed tegen de derde dag van de maand Adar, en wel in het zesde jaar van de regering van koning Darius.” Dat moet gelezen worden met de leestekens tussen haakjes alsdat de twee laatste koningen die het bevel van Kores herhaald hebben. Dus op deze wijze: “volgens het bevel van Kores, (en later Darius en Artachsasta), koning van Perzië.” Dat moet zo zijn omdat er slechts over één bevel gesproken wordt en over één koning.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 64 Meer dan dat moet men er niet achter zoeken. Ds. H. H. Grosheide schreef een mooie brochure (van 60 bladzijden) over dit onderwerp getiteld ‘De terugkeer uit de Ballingschap’, Van Keulen, 1957. Dit lees ik op bladzijde 18: “In geen geval kan men uit Hag. en Zach. afleiden dat er in 536 beslist geen begin met de tempelbouw is gemaakt. 1. Hag. 1:4,9: Het huis ligt “verwoest”. Kort nadat de bouw in 536 was begonnen is hij weer gestaakt. Er was dus in 520 niet veel meer te zien van de ruïne van de oude tempel, een ruïne, waarover 16 jaar lang regen en storm gegaan waren. Hierop past “verwoest” uitstekend. 2. Sommigen menen, dat er volgens Hag. en Zach. In 520 een “eerste steen” voor de tempel is gelegd. De argumentatie voor deze opinie berust voor een deel op een sterk m.i. onverantwoord ingrijpen in de tekst van Hag. De enige tekst, die naar mijn mening op een grondlegging kan wijzen is Zach. 8:9,10 (Zach. 4:9 kan op 536 slaan.) Tegenwoordig houden velen vs 9b (juist de woorden, waar het op aankomt) voor een glosse (= toegevoegde tekst GB). O.i. is het niet zeer waarschijnlijk, dat in 520 een “eerste steenlegging” heeft plaats gehad. Ezra 5 spreekt er niet van…” 5°) DE SITUATIE NA DE BALLINGSCHAP De laatste drie profeten die profeteerden ná de ballingschap zijn Haggaï, Zacharia en Maleachi. Daar gaan we ook wat over zeggen, het is ten slotte de periode van Daniel hoofdstuk 9. Haggaï en Zacharia worden beiden genoemd in Ezra 5 en 6 en herkend als de toenmalige profeten Gods. “Maar de profeet Haggaï, en Zacharia, de zoon van Iddo, traden bij de Judeeërs die in Juda en Jeruzalem woonden, als profeten op in de naam van de God van Israël” (Ezra 5:1). “De oudsten der Judeeërs bouwden voorspoedig voort tijdens het profeteren van de profeet Haggaï en van Zacharia, de zoon van Iddo” (Ezra 6:14). Beiden hebben nogal kritiek over hoe het herstel verloopt. Haggaï spoort de mensen aan eerst de tempel te herbouwen. De uit ballingschap gekomen mensen waren druk doende aan het bouwen van hun eigen huizen. De tempel was toen niet meer dan een bouwwerf. Men was er aan begonnen maar gestopt, want hun eigen zaak had in hun ogen voorrang. Dit zijn drie teksten uit de profeet die het duidelijk maken. Hag.1:2: “Zo zegt de HERE der heerscharen: Dit volk zegt: de tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat des HEREN huis herbouwd worde.” Hag.1:4: “Is het voor ú de tijd om in uw weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt?” Hag.1:8: “Beklimt het gebergte, haalt hout en herbouwt dit huis; dan zal Ik er welgevallen aan hebben en verheerlijkt worden, zegt de HERE.” Het profetische optreden van Haggaï heeft effect: het volk gaat de tempel verder afwerken! De bouw van de tempel neemt nog ongeveer 4 jaar in beslag. Van het tweede regeringsjaar van Darius (de koning van de Perzen) tot in het zesde jaar van zijn regeerperiode (zie Ezra 6:15). De teruggekeerde Joden hadden het zwaar te verduren, zij leden onder; droogte, ziekte en misoogsten, straffen van God volgens de profeet Haggaï. God laat ook zien waarom: het volk was ongehoorzaam aan de opdracht een tempel voor Hem te bouwen! Over het “hout” van de tempel in die dagen een opmerking. We hebben dat begrip in zoekfunctie gezet voor de boeken Ezra en Nehemaia. Dat leert dat er later beter hout gebruikt werd en dat het hier gaat om een voorlopige bouw. Nadien heeft men het gewone hout vervangen door


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 65 het beste wat er was, cederhout van de Libanon. “Daarom gaven ze geld aan de steenhouwers en de steenbewerkers, evenals voedsel en drank en olie aan de Sidoniërs en Tyriërs, om ceders van de Libanon over zee te vervoeren naar Jafo, overeenkomstig de toestemming die ze van Kores, de koning van Perzië, verkregen hadden” Willibrordvertaling, 1995. Ezra 3:7 SV heeft het begrip “vergunning” een term die we nu nog gebruiken in die zaken. Zoekfunctie “hout” in: SV77: 6 vindplaatsen in 6 verzen 1. Ezra 5:8: “De koning zij bekend, dat wij getrokken zijn naar het landschap Juda, ten huize van de grote God, dat gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en dat werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoedig door hun handen voort.” 2. Ezra 6:4: “Met drie rijen van grote steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit het huis des konings gegeven worden.” 3. Ezra 6:11: “Voorts wordt bevel door mij gegeven, dat van ieder, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wil tot een drekhoop gemaakt worden.” 4. Neh.2:8: “Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van de lusthof, die de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en voor de stadsmuur, en voor het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand van mijn God over mij.” 5. Neh.10:34: “Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou in het huis van onze God, naar het huis van onze vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar van de HEERE, onze God, gelijk het in de wet geschreven is.” 6. Neh.13:31: “Ook voor het offer van het hout, op bestemde tijden, en voor de eerstelingen. Gedenk mij, mijn God, ten goede.” Haggaï krijgt een boodschap van God voor Zerubbabel. Wie is die man? We vinden in Mattheus 1:12 duidelijkheid over hem: “Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel.” Zerubbabel is in zijn dagen de gouverneur van Juda. Dat was zijn “Babylonische naam.” Het was het gebruik van de Joden in die dagen een andere naam te krijgen, wanneer zij taken verrichten onder het bewind van Babylon of Perzië. Daniël, werd Belsassar genoemd door Nebukadnezar. Het koningshuis van Israël was NIET hersteld, maar het was tóch een nakomeling van David die “landvoogd” was. De profeet Haggai heeft een goddelijke boodschap voor hem: “Gij hebt op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit, en toen gij het binnengehaald hadt, blies Ik erin. Waarom dat? luidt het woord des HEREN der heerscharen. Om mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft, ieder voor ZIJN EIGEN HUIS. Daarom heeft de hemel over u de dauw ingehouden en de aarde haar opbrengst. Ook riep Ik een droogte over het land en de bergen, over het koren, de most, de olie en wat de aardbodem voortbrengt, over mens en dier en alle arbeid der handen. Toen hoorden Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jozua, de zoon van Josadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks naar de stem van de HERE, hun God, en naar de woorden waarmede de HERE, hun God, de profeet Haggaï gezonden had, en het volk vreesde voor het aangezicht des HEREN. En Haggaï, de bode des HEREN, zeide, krachtens de boodschap des HEREN, tot het volk: Ik ben met u, luidt het woord des HEREN” (Haggaï 1:9-13). De


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 66 herbouw wordt hervat en later is de tempel ingewijd. De profeet heeft nog een andere boodschap: “Te dien dage, luidt het woord van de HERE der heerscharen, zal Ik u, Zerubbabel, zoon van Sealtiël, mijn knecht, nemen, luidt het woord des HEREN, en Ik zal u tot een zegelring maken, want u heb Ik uitverkoren, luidt het woord van de HERE der heerscharen” (Haggaï 2:24). Dit is niet onmiddellijk aan hem persoonlijk beloofd. De uitdrukking “te dien dage” is namelijk een aanduiding van wat in de toekomst zal gebeuren. Uit zijn geslacht zal een directe nakomeling komen van wereldformaat: de Messias Jezus van Nazaret. Een groot problem was toen dat mannen uit Israël zich vrouwen namen uit de heidense volkeren. Met alle risico dat ze hun geloof konden verliezen en ook Gods wet overtraden. Dit is de beschrijving van die toestand en hoe de oplossing er kwam. Ezra 9:1-3 SV77 zegt: “Toen nu deze dingen voleindigd waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israëls en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken van deze landen, naar hun gruwelen, (…). Want zij hebben van hun dochters genomen voor zichzelf en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilige zaad met de volken van deze landen; ja, de hand der vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding. Toen ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar van mijn hoofd en van mijn baard uit, en zat verbaasd neer.” En verder Ezra 10:3-5,12 SV77: “Laat ons dan nu een verbond maken met onze God, dat wij al die vrouwen, en wat uit hen geboren is, zullen doen uitgaan, naar de raad van de HEERE, en van hen, die beven voor het gebod van onze God; en laat er gedaan worden naar de wet. Sta op, want deze zaak ligt op u; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het. Toen stond Ezra op, en deed de oversten der priesters, de Levieten en gans Israël zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren. (…) En de ganse gemeente antwoordde en zeide met luider stem: Naar uw woorden, alzo ligt het op ons te doen.” Wie is de Ahasveros waarover sprake is in het boek Esther, de Perzische koning ook iemand uit die dagen? De ‘Bijbelse encyclopedie’, uitgeverij Kok geeft aan: Ahasveros = Hebreeuwse vorm voor het Griekse Xerxes. Zeer waarschijnlijk is ‘Ahasveros’ een titel zoals ‘Farao’ = koning of heerser. Het kan dus op meerdere koningen betrekking hebben. Dan zou de koning uit Esther 1:1: “hij is de Ahasveros”, de zelfde zijn als Xerxes I. De kanttekeningen op de Statenvertaling geeft het als mogelijkheid, de kanttekeningen op de NBG gaan er gewoon van uit. Men meent dus dat hij dezelfde Ahasveros was als tijdens Esther. Dan.9:1 SV: “In het eerste jaar van Daríus, den zoon van Ahasvéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën.” In die dagen was er nog een ander profeet: Zacharia. De naam Zacharia betekent letterlijk ‘YaHWeH wordt herinnerd.’ Hij leefde in de zesde eeuw v. Chr. Hij is een ‘zoon van Berechja, zoon van Iddo.’ In het boek Ezra eenvoudigweg ‘zoon van Iddo’ genoemd. Zijn boek beschrijft een periode van 520-518 v. Chr., maar bevat tevens veel profetische hoofdstukken. Hij profeteerde dus in het tweede, derde en vierde regeringsjaar van koning Darius I. Hij is ook de tijdgenoot van Haggai wiens profetisch werk om de tempel te bouwen hij onderschrijft. De grote klacht van Zacharia is dat het Joodse volk te weinig vertrouwen heeft in zijn God. Geestelijk moet men zich


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 67 herstellen en bekeren van zijn zonden. Er is in die dagen ook ruzie onder de twee stammen en hij tracht dat te sussen. Voor ons is dit gedeelte van het profetische woord van deze “ziener” het belangijkste, Israël is ondanks zijn herstel niet bezig met de dingen Gods maar zoekt zijn eigen zaken eerst af te handelen. Zacharia 1:7-17 SV77: “Op de vier en twintigste dag, in de elfde maand (die de maand Schebat is), in het tweede jaar van Daríus, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharía, de zoon van Beréchja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende: Ik zag des nachts, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden. En ik zeide: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zeide tot mij de Engel, Die met mij sprak: Ik zal u tonen, wat deze zijn. Toen antwoordde de Man, Die tussen de mirten stond, en zeide: Deze zijn het, die de HEERE uitgezonden heeft, om het land te doorwandelen. En zij antwoordden de Engel des HEEREN, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het ganse land zit en het is stil. Toen antwoordde de Engel des HEEREN, en zeide: HEERE der heerscharen! hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren? En de HEERE antwoordde de Engel, Die met mij sprak, goede woorden, troostrijke woorden. En de Engel, Die met mij sprak, zeide tot mij: Roep uit, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heerscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver. En Ik ben met een zeer grote toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen. Daarom zegt de HEERE alzo: Ik ben tot Jeruzalem weergekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de HEERE der heerscharen, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. Roep nog, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heerscharen: Mijn steden zullen nog uitgebreid worden vanwege het goede; want de HEERE zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen” (wij onderstrepen). De naam Maleachi betekent: “Mijn Boodschapper.” Maleachi was de láátste boodschapper van het Oude Testament. Na hem zijn er geen meer. De eerstvolgende profeet is Johannes de Doper, die de komst van de Messias, voorbereidde als een heraut. Over het persoonlijke leven van Maleachi is niets bekend. Hij was een man zonder aanzien des persoons en predikte zonder angst zijn boodschap van God. De tijd waarin hij preekt is ongeveer deze van Nehemia en Ezra hoofdstukken zeven tot tien, ongeveer 445 tot 425 v. Chr. Hij heeft veel kritiek op de handelingen van zijn geloofsgenoten: 1°) De gewone mensen houden zich niet aan de wet. Ze verwaarlozen hun plicht om gave dieren te offeren, (Mal.1:6-14) 2°) Priesters verwaarlozen en negeren hun plichten en dienst in de tempel, (Mal.2:1-9) 3°) het volk twijfelt openlijk aan God’s goedheid, (Mal.3:6-12,14) 4°) Echtscheiding en overspel was een ‘normale zaak’ geworden, (Mal.2:10-16) 5°) De Messias zal verschijnen in de tempel. Dat vervulde zich doordat de Here Jezus in deze tem pel vele uren predikte! God is in eigen persoon, naar deze tempel gekomen en het volk heeft het niet gemerkt! (Mal.3:1-6) Jezus gaf wanneer hij in Jeruzalem was dagelijks onderwijs in de tempel (Lucas 19:45-47). Jezus noemde het ook: “het Huis van Zijn Vader.” Jezus zond zijn discipelen uit volgens Mattheus 10:5-7, naar de “verloren schapen van het huis Israëls.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 68

Maar er komt ook een tijd dat de tempel van geen tel meer is. Aan de Samaritaanse legt Jezus uit dat de tijd nu is aangebroken God in waarheid en geest te dienen, niet méér in tempels (Johannes 4). Nadat het evangelie gepreekt wordt in Jeruzalem, onder het Joodse volk, komt hetzelfde verhaal dat Jezus de Messias is, naar de Samaritanen in Handelingen 8. En enkele tijd later gaat dit verhaal van verlossing naar de heidenen. “En Petrus opende zijn mond en zeide: Inderdaad bemerk ik, dat er bij God geen aanneming des persoons is, maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, naar het woord, dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen Israëls om vrede te verkondigen door Jezus Christus. DEZE IS ALLER HEER” (Handelingen 10:34-36). Het is nu nooit meer als vroeger! Daarom is de Schrift ook duidelijk: “er is geen onderscheid” meer tussen de volkeren en de afstamming (Rom.10:12 / Gal.3:28 / Col. 3:11). Over de tempel zei Jezus nog dit in Lucas 19:41-44: “En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.” Er is ook nog dit: orthodoxe Joden houden nog steeds de gedachte van een herstel, levend in hun gebeden. Het Achttiengebed (Sjemonee esree) is het centrale gebed in de eredienst van de synagoge. Daarin wordt ook gebeden om de verlossing van Israël. Dit gebed spreekt achtereenvolgens van:  de bevrijding en inzameling der ballingen in het beloofde land,  het herstel van de geestelijke leiders en van het koningschap van God,  het herstel van Jeruzalem,  het herstel van het huis van David en  het herstel van de offerdienst in de tempel. De traditionele verwachting van een Jood, aangaande het herstel van Israël is dat dit zal gebeuren in de genoemde volgorde van dit gebed. Nadat de staat Israël is opgericht is aan dit gebed nog een 19e bede toegevoegd: “Onze Vader in de hemel, zegen de Medienat Jisraeel, de staat Israël, het ontluikend begin van onze verlossing.” Dit is een gebed om het welzijn van deze jonge staat maar we moeten één en ander retaliveren. In het verhaal ontbreekt dat Israël zich eerst MOET bekeren voordat ze hersteld kunnen worden. Dat is duidelijk in Deuteronomium 30 en die opmerking van Mozes verdwijnt bij velen gewoon in het onbekende. Hoe dacht men over herstel van de Joden onder de reformatoren? Luther heeft een bekering van de Joden zeker verwacht. Hij was er zich wel van bewust dat zij niet massaal christen zullen worden. Later hebben lutheranen en evangelischen, piëtisten en puriteinen deze gedachte ontwikkeld. Zowel Turken, Joden als ketters en valse christenen zijn in gemeenschap onder het schild van de Antichrist. Volgens Luther zal de “rest”, waarvan het behoud door Jesaja is voorzegd (Jes. 10:20-22) toegang hebben tot de bekering in Jezus. We moeten de Joden niet onvriendelijk behandelen: “want er zijn christenen onder hen op komst.” (Zie, H.A. Oberman, ‘Wortels van het antisemitisme’, Kampen 1983, blz.109 v.) Bij Calvijn vinden we een dubbele lijn. Nu eens blijkt dat hij geen oog heeft voor een heilvolle toekomst voor Israël. Ze hebben toch de Christus


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 69 afgewezen. Maar een andere maal dan weer pleit hij op voor een blijvende plaats voor de Joden in het heilshandelen van God omdat Hij Zijn verbond getrouw blijft. Men heeft erop gewezen dat Calvijn Rom.11 niet los van Rom.9 leest: Gods verbond en verkiezing liggen op eenzelfde lijn. Vanwege hun ongeloof is het merendeel der Joden verworpen. Toch is de blijvende geldigheid van de beloften voor Israël en het behoud van de uitverkoren een centraal punt in zijn theologie. (Zie, M. van Campen, ‘Het verbond en Israël bij Calvijn en de Nadere Reformatie’, in: Zicht op Israël 3, 's-Gravenhage 1988, blz.161 v.) Voor Calvijn is er alleen toekomst met een niet-nationale bekering van de Joden. Eenmaal benadrukt hij dat Joden binnen de christelijke gemeente de eerste plaats behouden. (Zie, W.J. op't Hof, ‘De visie op de joden in de Nadere Reformatie’, Amsterdam 1984, blz.52.) Beza, opvolger van Calvijn in Zwitserland, was wat betreft die toekomstige bekering nog beslister. (Zie idem als hierboven.) De vertalers van de Statenbijbel (1626-1637) dachten in de lijn van Calvijn. C.J. Meeuse, komt tot de slotsom daarover, dat zij wel duidelijk een bekering van de joden verwachten maar geen nationale bekering. (C.J. Meeuse, ‘De toekomstverwachting van de Nadere Reformatie in het licht van haar tijd’, Kampen 1990, blz.33.) Onder invloed van de geschriften van de Engelse puriteinen zijn een aantal Nederlandse predikanten van de Nadere Reformatie ruimte gaan geven voor Israël. De commentaren van M. Bucer en P. Martyr Vermigli op Romeinen (vooral hoofdstuk 11!) hebben de toekomstige bekering der Joden benadrukt. (Zie, P. den Butter, ‘Volk tussen eeuwigheid en eenzaamheid’, Lisse 1978, blz.125-149.) Nog een woordje apart over Martin Luther. Hij was diep teleurgesteld over het feit dat de Joden niet tot het protestantisme wilden overgaan. In die dagen van de boekdrukkunst verschenen ook kritische geschriften tegen het christendom vanuit Joodse hoek. Jezus was een Joodse afvallige, de zoon van een overspelige vrouw. In 1546 publiceert Luther zijn antisemitische studie: 'Over de Joden en hun Leugens.' Hij schreef er bijvoorbeeld dit: “Verbrandt hun synagogen en scholen, wat niet wil branden, begraaf dat in de grond zodat er geen stenen of rommel overblijft. Breek op dezelfde manier in hun huizen en vernietig ze. Neem weg hun gebedsboeken en Talmoeds waarin niets anders dan goddeloosheid staat en leugens, vloeken en zweren. Verbied hun rabbi’s te leren over pijn in lijf en leden. Verbied ze te reizen, wat ze ook zijn, landheer, hoogwaardigheidsbekleder of koopman ze moeten thuis blijven.” We moeten dat plaatsen in die tijd en onder die omstandigheden van de Joodse aanvallen op Jezus. Doe je dat niet dan leg je Luther verkeerd uit.

Deel twee: de tekst Enkele ongewone vertalingen als inleiding, jammer maar niet omgezet in het Nederlands:

Hebrew text Verse

Mesorah Heritage Hebrew text

Foundation

Institute for Scripture Research http://www.eliyah.com/

www.csg.net/eschatol ogy/Daniel-9.htm Isaac Newton, Observations Upon


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 70 the Prophecies of Daniel and the

JPS 1917 VERSION

Apocalypse of St. John, 1733. 24. Seventy weeks are decreed

upon

24

thy

people and upon thy 24 Seventy septets have been holy city, to finish the decreed upon your people and transgression, and to upon your holy city to make an end of sin, terminate transgression, to and to forgive iniquity, end sin, to wipe away Dan 9:24 and to bring in iniquity, to bring everlasting everlasting righteousness, to confirm the righteousness, and to isions and the prophets, and seal vision and to anoint the Holy of Holies. prophet, and to anoint the most holy place.

25.

Know

weeks

are

decreed for your people and for your set-apart city, to put

an

end

to

the

transgression, and to seal up sins,

and

to

crookedness, bring

cover

and

in

to

everlasting

righteousness, and to seal up

vision

and

prophet,

and to anoint the Most Set-apart.

25

therefore

“Seventy

“Know,

then,

and

the going forth of the From the emergence of the forth of the command to build Jerusalem unto Jerusalem Dan 9:25

until

the

cut upon thy people, and upon the holy city, to finish transgression, and to make an end of sins, to expiate iniquity, and to bring in everlasting righteousness, to consummate the Vision and the Prophet, and to anoint the most Holy.

and discern, that from 25 Know and comprehend: understand: from the going word to restore and to word to return and to rebuild restore

24 Seventy weeks are

and

build

Yerushalayim

until

one anointed, a prince, anointment of the prince

Messiah

the Prince

is

shall be seven weeks; will be seven septets, and

seven

weeks

and for threescore and for sixty-two septets it will

sixty-two weeks. It shall

and

two weeks, it shall be be rebuilt, street and moat, be built again, with streets built again, with broad but in troubled times.

and a trench, but in times of

place and moat, but in

affliction.

25 Know also and understand, that from the going forth of the commandment to cause to return and to build Jerusalem, unto the Anointed the Prince, shall be seven weeks.

troublous times. 26.

And

after

threescore weeks

and shall

the two an

anointed one be cut off, and be no more; and the people of a prince Dan 9:26 that shall come shall destroy the city and the sanctuary; but his end shall be with a flood; and unto the end of the war

desolations

determined.

are

26 Then, after the sixty-two septets, the anointed one will be cut off and will exist no longer; the people of the prince

will

come

will

destroy the city and the Sanctuary; but his end will be [to be to be swept away as ] in a flood. Then, until the

end

of

the

desolation is decreed.

war,

26 Yet threescore and 26

“And after the sixty-two two weeks shall it

weeks Messiah shall be cut return, and the street off and have naught. And the be built and the wall; people of a coming prince but in troublesome shall destroy the city and the times: and after the set-apart place. And the end threescore and two of it is with a flood. And weeks, the Anointed wastes are decreed, and shall be cut off, and it fighting until the end.

shall not be his; but the people of a Prince to come shall destroy the city and the Sanctuary:


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 71 and the end thereof shall be with a flood, and unto the end of the war, desolations are determined.

27. And he shall make a firm covenant with

27 Yet shall he confirm

many for one week; 27 He will forge a strong

27

“And he shall confirm a the

covenant

with

and for half of the covenant with the great ones covenant with many for one many for one week: week he shall cause the for one septet; but for half of week. And in the middle of and in half a week he sacrifice

and

the that septet he will abolish the week he shall put an end shall

cause

the

offering to cease; and sacrifice and meal-offering, to slaughter- ing and meal sacrifice and oblation Dan 9:27

upon

the

wing

of and the mute abominations offering. And on the wing of to cease: and upon a

detestable things shall will be upon soaring heights, abominations he shall lay wing of abominations be that which causeth until appalment;

and

extermination

as waste,

even

until

the he

shall

make

it

that decreed will pour down complete end and that which desolate, even until the

until the extermination upon

the

wholly determined be [abomination].

mute is decreed is poured out on consummation, the one who lays waste.”

that

which

and is

poured out upon that

determined be poured

which

upon the desolate.

causeth

appalment.'

Wat zij op dat gebied zeggen In een ‘min of meer’ letterlijke weergave van een lezing van D. Steenhuis met als titel ‘WIKKEN EN WEKEN’gevonden op Internet, staat het volgende: “Daniel 9 is moeilijk. Gods gedachten zijn altijd moeilijk. De gedachten van God zijn hoger dan onze gedachten. Dat is voor ons niet makkellijk. Het gaat erom dat wij begrijpen dat alle zegen alleen maar komen kan om dat Hij, mijn Heiland en mijn Verlosser, het avondoffer is. God hanteert de tijd en die is door niets en niemand te beïnvloeden. Wij hebben een geweldige Here en onze tijden zijn in Zijn hand. Hij maakt waar wat Hij ooit heeft gezegd. Wij mogen blij zijn met het feit dat wij bij de Gemeente horen die nu (nog) op aarde en straks bij de Here Jezus zal zijn. Vanaf het moment dat de Gemeente niet meer hier is zal de tijd van Israël, hier op aarde, verdergaan met de zeven jaren die nog restten.” Op http://www.bijbelarchief.nl/default.asp?id=1003 schreef de Werkgroep ‘Bijbel: Aktueel!’, een artikel over Daniël twee. We citeren uit de laatste bewerking van 10-3-2002, onderstrepingen zijn door onszelf aangebracht: “De eerste vier delen zijn vervuld; 1e Het hoofd van goud was Babylon 2e De schouders en armen Medo-Perzië. 3e De twee armen, een voor Media en een voor Perzië. 4e De buik en de lendenen van koper verbeeldden het Griekse rijk onder Alexander de Grote


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 72 Dit waren de belangrijkste delen van het beeld. Dan komen we aan de benen van ijzer en zij stellen het Romeinserijk voor, maar merk op dat er twee benen waren. Het Romeinse rijk was verdeeld in twee delen. West-Rome met de hoofdstad Rome en Oost-Rome met de hoofdstad Byzantium. Het is van belang, want als dit imperium wordt gereproduceerd, moeten beide benen gereproduceerd worden. Dus Europa zoals we het nu kennen, kan niet de uiteindelijke vervulling zijn. Dan komen we tot de voeten van ijzer en leem en die moeten de uiteindelijke heidense macht zijn, want de steen die zonder mensenhand losraakt (het koninkrijk van Jezus) valt op die voeten en verbrijzelde ze (Daniël 2:34). Dat moet dus het heidense dominium zijn dat Jezus verbreekt bij Zijn wederkomst. De tien tenen moeten overeenkomen met de tien koningen, want beide zijn de laatste toestanden van de heidense rijken. Als we dus iets gaan zien van het herstel van het Romeinse rijk, moeten het beide benen zijn. Mensen spreken nu over de huidige stand van Europa als de uiteindelijke staat, maar dat lijkt op een been met alle tien de tenen aan één voet. Ook is Europa niet de finale van de uiteindelijke Bijbelse vervulling. Europa is belangrijk, maar het is niet het uiteindelijk centrum van het toekomstbeeld. Het centrum moet zijn in het Midden-Oosten. Jezus’ wederkomst zal op de berg bij Jeruzalem zijn en als de antichrist Hem succesvol wil imiteren, zal dat ook daar zijn. Als we dus twee benen en tien tenen hebben, zijn vijf staten van het oude Romeinse machtgebied in Europa, maar laten we nagaan wat de vijf tenen zijn van de rechtervoet. Dan moeten wij vijf namen noemen in het Midden-Oosten: Griekenland, Turkije, Syrië, ‘Palestina’ en Egypte. Dat is het beeld van het oostelijke Romeinse rijk. Een ding dat dit bevordert is een één-wereld-religie die kan makkelijk komen. Israël is het centrum van drie monotheïstische wereldreligies, judaïsme, christendom en islam. Als die drie verenigd zouden worden, beslaan zij dat hele gebied. Er is slechts één probleem dat die vereniging belemmert: Jezus van Nazareth. Als die uit de weg geruimd zou kunnen worden, is er niets dat die drie religies in de weg staat. En men is druk bezig die Jezus uit de weg te krijgen. Zowel de leiders van de rooms-katholieke kerk als de anglicaanse kerk hebben in hun kerken diensten uitgevoerd waarbij zij vertegenwoordigers van de islam, het hindoeïsme, het boeddhisme en andere heidense religies samen brachten en zich richtten tot één God (!)”(wij onderstrepen). Eén van de problemen wanneer profetie aan bod komt is: in hoeverre moet dat “redelijk” zijn. Moeten we dat kunnen begrijpen tot in alle details en verstandelijk kunnen afwegen. We denken het niet en citeren hiervoor de twee grote Reformatoren. Geloof is méér dan wat wij menselijke rede noemen. Over “de Rede” zegt Calvijn o.a. het volgende: “Maar aangezien wij, door een valse mening aangaande ons inzicht beneveld, ons met de grootste moeite laten overtuigen, dat dat inzicht in Goddelijke zaken geheel blind en verstompt is, zal het, meen ik, beter zijn dit te bewijzen met getuigenissen der Schrift dan met redeneringen. Johannes leert dit zeer schoon op de plaats, die ik kort te voren aanhaalde (Joh.1:4), wanneer hij schrijft, dat het leven van den beginne in God geweest is, en wel dat leven, dat het licht der mensen was; dat licht schijnt in de duisternis, maar dat het door de duisternis niet begrepen is. Hij geeft te kennen, dat de ziel des mensen wel door de glans van het Goddelijk licht bestraald wordt, zodat ze nooit geheel van een althans geringe vlam of althans een vonkje daarvan beroofd is, maar dat ze toch door die verlichting God niet begrijpt. Waarom dat? Omdat haar scherpzinnigheid, voor wat de kennis Gods aangaat, louter duisternis is. Want wanneer de Geest de mensen duisternis noemt, berooft Hij hen eens en voor al van alle vermogen van geestelijk verstand. Daarom betuigt Hij, dat de gelovigen, die Christus omhelzen, niet uit bloed, noch uit de wil des vleses of des mans, maar uit God geboren zijn (Joh.1:13). Alsof Hij wilde zeggen, dat het vlees een zo verheven wijsheid niet


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 73 kan bevatten, dat het God en wat van God is, zou kunnen begrijpen, wanneer het niet door Gods Geest verlicht werd. Gelijk Christus getuigd heeft (Mat.16:17), dat wat Petrus van Hem beleed een bijzondere openbaring des Vaders was.” Uit ‘Institutie van Calvijn’, vert. Dr. A. Sizoo, W.D. Meinema Delft, Boek II, Hoofdstuk II, 19, z.j. (wij onderstrepen). De Franse filosooftheoloog P.E. Metzger schrijft in de Revue Réformée van maart 1999 over de visie van Luther op “de Rede” als volgt: “In de laatste prediking van Luther in Wittenberg, één maand voor zijn dood, gaat hij een hevige kritiek uitoefenen op “de Rede” en noemt haar: “de verloofde van de duivel”, “de grootste hoer van de duivel”, “een door melaatsheid aangetaste hoer”, “een vervloekte hoer” en zo verder. Hoe moeten we dat begrijpen? De bedoeling van de preek, een uitleg van Rom.12:3, is zoals Paulus zegt christenen te waarschuwen voor pretentie. Luther zegt o.a.: “we moeten ons hoeden, niet slechts voor grove verlangens maar ook voor (zogeheten) hogere verlangens die de eenheid van het geloof uit elkaar scheuren en die ons voeren naar prostitutie, t.t.z. naar afgoderij”, want “alles moet onderworpen zijn aan het geloof. Luther maakt over pretentie de volgende analyse: het is een vleselijke lust die haar zetel heeft in het verstand, in de Rede die zich niet aan het Woord van God onderwerpt, en de heerschappij van het geloof niet aanneemt. De Rede verlangt zelf God-te-zijn, ze is afgoderij. Merken we tevens op dat Luther klaar en duidelijk verband legt tussen de term prostitutie om afgoderij te beschrijven, en volgt hierin Bijbelse voorbeelden. De heftige kritiek op de Rede in deze tekst geeft dus niet meer of niet minder aan dat de algemene fundamentele natuurlijke Rede slechts afgoderij is. Dat had Luther trouwens op andere plaatsen in zijn geschriften al duidelijk gemaakt.” De titel van dit artikel over de rede is: ‘De hoer van de Duivel.’ Calvijn schreef o.a. dit in zijn vijftigste lezing op het boek Daniël (verschenen in 1561): “Hoe komen we tot een bepaalde conclusie? Het is niet genoeg om de onwetendheid tot weerleggen van de anderen, tenzij dat de waarheid laat uitschijnen en ze bewezen wordt door klare en afdoende redeneringen” (onze vertaling). Een raad die we ook zullen opvolgen.In de bundel gezangen ‘Uit het ‘Liedboek voor de Kerken’ lied n° 322 vers 3 staat wat in die aard en we citeren het in de hoop dat we het allen oprecht mogen meezingen: Gij ziet en hoort wat onze mond wil spreken, het is een staamlend, ontoereikend teken, een zwak en machtloos mensenwoord. In de Bijbel zijn er twee boeken die al eeuwenlang het spotpunt zijn van hogere kritiek, het boek Jesaja en dat van Daniël. Hoe dit komt is niet moeilijk te begrijpen. Beide schriftgedeelten bevatten namelijk enkele profetieën welke bij hun latere vervullingen de waarachtigheid van de Schrift waarborgen. Eén bepaalde profetie zal ons nu bezighouden: de profetie der 70 jaarweken opgetekend in Dan.9:24-27. Vóór we een vers voor vers bespreking hierover houden is het nochtans interessant om enkele punten te onderzoeken welke door de hogere kritiek tegenover het boek Daniël worden ingebracht. De éérste die de authenticiteit van Daniël in twijfel heeft getrokken was de Griekse filosoof Porphyrius (omstreeks 233-304 na Chr.). Deze persoon was een christenhater en schreef een boek met de titel ‘Tegen de christenen.’ Omdat verschillende dingen in het boek Daniël zo nauwkeurig waren beschreven wou deze Porphyrius niet geloven dat dit


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 74 boek was geschreven door de Daniël die in de zesde eeuw vóór Christus leefde en werkte in de steden Babel en Susa onder de Babylonische en Medo-Perzische koningen uit die tijd. Porphyrius zei, dat aangezien in dit boek het leven van de Syrische koning Antiochus IV Epiphanes zo nauwkeurig was beschreven, hij niet kon aannemen dat het profetie was. Om deze reden klasseerde hij het boek Daniël ná deze Antiochus: nl. rond plus/min 160 voor Chr. Het zou geschreven zijn door een schrijver (zeg maar bedrieger!) die met gebruikmaking van Daniël’s naam het boek zou hebben opgetekend. Dit standpunt is dan later door hogere critici aanvaard en verder uitgewerkt. Dit is thans ook de visie van de Rooms Katholieke Kerk en moderne Protestantse exegeten. De oppervlakkigheid van zulke beweringen is echter groot. Het feit alléén dat ná 160 voor Chr. profetieën vervuld werden die in Daniël staan opgetekend is een waarborg dat Daniël’s boek werkelijk in de 6de eeuw vóór Christus kan opgetekend zijn. Ook, en dit is wel doorslaggevend: dat Jezus Christus zelf Daniël heeft aanvaard als een geïnspireerde Bijbelschrijver. Hij zegt in Mat.24:15,16: “Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan - wie het leest, geve er acht op - laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen.” Verder is belangrijk dat Daniël tijdens zijn leven zulke beroemdheid had verkregen dat de profeet Ezechiël hem vernoemd in Ezech.14:14: “en er zouden dan deze drie mannen zijn: Noach, Daniël en Job (...) ” Hier wordt Daniël dus met twee andere beroemde mannen genoemd. Slechts Mozes en Samuël zijn nog de twee grote andere profeten volgens Ps.99:6. Uit Bijbelmanuscripten weten we dat het Bijbelboek van Daniël ook behoorde tot de oorspronkelijke stukken van de Septuaginta uit de 3de/2de eeuw VC. Men heeft ook tesamen met de Dode-zee-rol van Jesaja gedeelten gevonden van Daniël. Geleerden hebben dit nu zelf geklasseerd als geschreven tussen 150 en 100 VC (Deze gedeelten komen uit de grotten n°4 en n°6.) Indien het boek Daniël rond plus/min 160 VC geschreven zou zijn dan moeten we hieruit besluiten, dat wat men daar heeft gevonden misschien wel gedeelten van het oorspronkelijke manuscript kunnen zijn of één van de eerste afschriften en dit is zeer onwaarschijnlijk. Joden hebben ook nooit problemen gehad met de authenticiteit van het boek Daniël. Typerend is dat toen de hogepriester werd voorbereid tot de dienst op de dag van de Verzoening hem behalve de Tora ook gedeelten van het boek Daniël werden voorgelezen, maar welke het waren weten we niet. Zie de Mishnah Yoma 1:6. Ook van belang is wat de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vermeld. Dat in 332 voor Chr. wanneer Alexander de Grote de stad Jeruzalem binnentrad, de hogepriester hem de profetie toonde uit Dan.8:21,22 waarin er voorzegd was dat Alexander naar Jeruzalem zou komen. Alexander was hierdoor zo geëerd schrijft Flavius Josephus dat hij tot het volk zei, dat hij wat ze van hem zouden verlangen, zou voldoen. We kunnen hieruit dan moeilijk de gevolgtrekking trekken dat het boek later dan Alexander de Grote zou geschreven zijn. Nog twee feiten willen we aanhalen. Ten eerste dat ten tijde van Antiochus (dus plus/min 160 voor Chr.) bijna geen enkele persoon onder het volk de Hebreeuwse taal meer kende maar slechts de volkstaal, het Aramees. We zouden dus als schrijver van Daniël iemand dienen te vinden bij de priesterklasse die wél nog Hebreeuws kende en dit is onmogelijk want geen enkele priester van de Levitische orde zou het ooit gewaagd hebben zulk een boek op te stellen. Hogere critici van de Bijbel storen zich niet aan dit argument. (Zie o.a. J.G. Baldwin, ‘Is there pseudonomity in the Old Testament’, in het Engelse


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 75 tijdschrift ‘Themelios’, 4.1 september 1978, blz.6-12.) Het andere feit is dat de studie van een ander Joods boek namelijk Makkabeeën, spreekt over het boek Daniël en zoals alle hogere critici toegeven is dit boek rond plus/min 160 voor Chr. geschreven. Zo zou de verwijzing naar “de gruwel van de verwoesting” in 1 Mak.1:54,59 gebaseerd zijn op Dan.9:27. En een andere belangrijke verwijzing van Josephus staat in ‘De Oudheden’ Boek X. Hij verwijst naar Dan.9:27 dat voor hem tweemaal is vervuld, éénmaal met Antiochus en een tweede maal bij de vernietiging van de tempel in 70 A D. Maar zegt ons 1 Mak.9:27, dat toen dat boek werd geschreven, er in Israël geen enkele profeet te vinden is. Hoe zou dan iemand de profetie der 70 jaarweken hebben opgetekend of nog andere profetieën zoals Daniël hoofdstukken 11 en 12, welke voor het grootste deel op latere tijden betrekking hebben. Dit is dus onmogelijk. We zeggen dat omdat moderne Bijbelcritici niet twijfelen aan de echtheid van de geschriften van de Makkabeeën. Er zijn bij de vroege kerkvaders regelmatig aanwijzingen dat ze het boek Daniël kennen: Clemens Romanus (97,98 na Christus) Brief van Barnabas (100-150 na Christus) Justinus de Martelaar (138-165 na Christus) Melito van Sardis (170-180 na Christus) Irenaeus van Lyon (182-188 na Christus) Tertullianus (200-240 na Christus) Clemens Alexandrinus (193-220 na Christus) Hippolytus heeft een commentaar op hoofdstukken 1, 2, 3, 7, 9, 10, 12 (222-236 na Christus) Origenes (225-254 na Christus) Anoniem geschrift tegen Novatianus (rond 248-258 na Christus) Cyprianus, bisschop van Carthago (248-258 na Christus) Firmilianus van Caesarea aan Cyprianus (256 na Christus) Victorinus van Petau (martelaar in 304 na Christus) Methodius van Olympus aan Patara (260-312 na Christus) Lactantius (315-325/330 na Christus) Hoe zit het met andere zaken en documenten? Bijvoorbeeld deze uit de Dode Zee? En de grote Bijbelmanuscripten? 4QDan is uit de late Hasmoneaanse periode of de vroeg Herodiaanse periode en heeft gedeelten van Daniël 1:16-20 / 2:9-11,19-49 / 3:1-2 / 4:29-30 / 5:5-7,12-14,16-19 / 7:5-7,25-28 / 8:1-5 / 10:16-20 / 11:13-16. 4QDan b is uit 20-50 na Christus en heeft gedeelten van Daniël 5:10-12,14-16,19-22 / 6:8-22,2729 / 7:1-6,11(?),26-28 / 8:1-8,13-16. 4QDan c is uit 125-100 voor Christus en heeft gedeelten van Daniël 10:5-9, 11-16, 21 / 11:1-2,1317,25-29. 4QCan d / 4QDan heeft kleine snippers. 6QPapDan (6Q7) heeft gedeelten van Daniël 8:16,17(?),20,21(?) / 10:8-16 / 11:33-36,38. Deze gedeelten komen zeer goed overeen met de proto-Massoretische text. Theodotion, zelf een Jood (na Christus), heeft een nieuwe Griekse vertaling gemaakt omdat de Christenen teveel citeerden uit de voorgaande Griekse Septuaginta. We hebben van hem


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 76 bijvoorbeeld ook Daniël en enkele andere Bijbelboeken. Het Chester Beatty Papyrii IX and X (3de/4de eeuw) heeft bijvoorbeeld Ezechiël en Daniël. Het Vaticanus-manuscipt (325-350 A.D.) heeft gans het boek Daniël. In de Sinaïticus (340-350 na Chr.) staat het niet, maar daar ontbreekt meer dan dat. Alexandrinus (rond 450 na Christus) heeft ook Daniël. We moeten dan tot dit besluit komen, en evenals Christus zeggen, dat er rond plus/min 605537 voor Chr. in Babylon een profeet leefde die dit alles heeft te boek gesteld. Behalve dat zijn er veel uit Daniël’s verklaringen door de oudheidkundigen bevestigd. Zo is bijvoorbeeld een vurige oven, zoals deze waarin de jongelingen geworpen zijn, door de archeologen ontdekt. Ook een leeuwenkuil als deze waarin Daniël later is geworpen is ontdekt enzovoort. (Zie over de echtheid van het boek Daniël o.a.: G. Hasel, ‘The book of Daniël and matters of language: Evidences relating to Names, Words and the Aramaic language’, Andrews University Seminary Studies, Vol.19, Spring 1981, n°1 en G. Hasel, ‘The book of Daniël: Evidences relating to Persons and chronology’, idem., Vol.19, Autumn 1981, n°3. En van W. Shea, ‘Extra biblical texts and the convocation of the Plain of Dura’, idem, Vol.20, Spring 1982, n°1.) Daarom ook als inleiding op wat volgt een lijstje van de manier waarop Joodse theologen profetie in verband met de Messias bekijken. PROFETIE OT

VERVULLING NT

Gen.3:15 Deut.18:15-18 Jes.7:14 Jes.9:5

Rom.16:20 Hand.3:19-23 Mat.1:22,23 1 Cor.1:24 / Rom.9:5 / Joh.8:58 Eph.2:14

Jes.52:13-53:12

Joh.12:37,38 / Hand.8:30-35 / 1 Pet.2:21-25 Mat.26:27,28 / Luc.22:20 Heb.8:7-13 Mat.2:4-6 Mat.21:1-5 Joh.12:14,15 Joh.19:33-37

Jer.31:31-34 Micha 5:1 Zach.9:9 Zach.12:10 Ps.22 Dan.9:24-27

Mat.27:46 / Heb.2:11,12 Gal.4:4

Marc.15:34

MESSIAANSE UITLEG VOLGENS RABBIJNEN Targum Pseudo-Jonathan Ralbag (Gersonides) Targum Jonathan Pereq Shalom Midrash Mishle

/

Sanhedrin 98 a Berachot 56 b Sukkah 52 a / Pesikta Rabbati In Sanhedrin 97 b staat het verbod om de komst van de Messias te berekenen.

De tekst van Daniël 9:24-27 Deze nogal lange inleiding zal door sommigen wellicht overbodig bevonden zijn maar het


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 77 was vooral nodig om de belangrijkheid en juistheid van het Bijbelboek Daniël te bevestigen. Met dit in gedachten kunnen we onze Bijbel dan openslaan bij Dan.9:24-27. Hieronder de NBGvertaling: “Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen waartoe vast besloten is. En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.” Wat is een jaarweek?

Drie definities van het woord “shabu’a” “[Dn 9:24]. ... Zeventig zevens] letterlijk ‘ Zevens zeventig.’ het woord ‘zevens’ wordt meestal vertaald –week – en staat er als eerste omwille van de nadruk. Dat vormt het grote thema van de passage. Om dezelfde reden staat het cijfer hier na het zelfstandig naamwoord, en niet daaraan voorafgaande, zoals meestal het geval is. De gedachte van de auteur kan dan geparafraseerd worden: “zevens” - en in feite zeventig van hen - zijn afgekondigd, enz. Het woord “zevens” hier komt voor in de m.m. [Mannelijk meervoud], terwijl het woord normaal een v.m. [Vrouwelijk meervoud] heeft (...) Wat bracht Daniël ertoe het mannelijke te gebruiken in plaats van het vrouwelijke. Het is zeker niet duidelijk, tenzij het is om een doelbewuste aandacht te vragen voor het feit, dat het woord “zevens” hier in een ongewone betekenis gebruikt word. (...) Het lijkt vanzelfsprekend dat geen gewone weken van 7 dagen aan de orde zijn.” (E. J. Young, ‘A Commentary on Daniel’, Eerdmans, 1949, Reprinted Banner of Truth, 1978, blz.195,196). “Terwijl in Deut 16:9, hierboven besproken, shabu’a een periode van zeven dagen vertegenwoordigt, in Dan 9:24,25,26,27 duidt het op een periode van zeven jaar in elk van deze vier verzen. Dit wordt bewezen door de context, waarin Daniël erkent dat de zeventig jaar van gevangenschap bijna voorbij is. Het land lag zeventig jaar braak en aldus betaalden de Joden zeventig sabbatsjaren aan de Heer terug. Dat waren ze Hem verschuldigd voor de voorafgaande zeventig perioden van zeven jaar (Dan 9:2; Jer 25:12, zie. II Chr 36:21!). Net als Daniel in gebed is over dit onderwerp, verschijnt de engel Gabriël hem en vertelt dat het herstel van Israël niet compleet zal zijn totdat een andere periode van zeventig-zevens, (“shabua”) vervuld gaat worden (Dan 9:24)! Let ook op de schijnbare verwijzing in Dan 12:11 van de helft van de laatste zeventig Daniel’s (9:27), het is 1290 dagen, ongeveer drie en een half jaar. Dus zijn dit hier jaren. Shabua ` wordt ook gebruikt als een technische term in Deuteronomium 16:10,16 waar het staat voor het


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 78 Wekenfeest (hag Shabu `ot), dat wil zeggen het Feest van de Zeven-perioden.” (R.L. Harris, G.L.Archer, & B.K Waltke., eds, ‘Theological Wordbook of the Old Testament’, Moody Press, 1980, Twelfth Printing, 1992, Vol. II, blz.899.) “Het woord voor “week” sabuac, dat van seba` afgeleid is: het woord voor “zeven.” Het normale vrouwelijk meervoud is in de vorm: “sebu `ot.” Alleen in dit hoofdstuk van Daniël staat het er in het mannelijk meervoud sabu`im. (De enige andere gebeurtenis in de combinatie sebu `e sebu` ot [‘heptaden of weken’] in Ezechiël 21:28 [21:23 Engels tekst]). Daarom is het sterk suggestief voor het idee van een “heptade” (een serie of een combinatie van zevens), in plaats van een “week” in de zin van een serie van zeven dagen. Er is geen twijfel over dat we het in dit geval worden gepresenteerd met zeventig zevens van jaren, eerder dan van dagen. Dit leidt tot een totaal van 490 jaar.” (G.L. Archer,’Encyclopedia of Bible Difficulties’, Zondervan, 1982, blz.289). Eerst dienen we er nota van te nemen wat de betekenis is van de uitdrukking “zeventig weken.” - [In het oorspronkelijk = shavu'im shiv'im] Het Hebreeuws woord dat hier in Daniël 9:24-27 regelmatig met “weken” is vertaald is “shabuîm” het enkelvoud ervan is “shabua.” Er is een overweldigende consensus van de wetenschappers dat de tijd die de eenheid “shabua” moet voorstellen wordt beschouwd als een jaar. Het ligt in het verlengde dat lexicografen op het gebied van het Hebreeuws deze tijdseenheid definiëren als een “periode van zeven (dagen, jaren),” of “zevental” = “heptaden, weken.” - Brown, Driver, and Briggs, ‘A Hebrew and English Lexicon of the Old Testament’, blz.988. Het woord “shabua” betekent een éénheid van zeven; dus zowel zeven dagen als zeven jaren. Deze Hebreeuwse uitdrukking is later in de Septuaginta vertaald met “hebdomas.” Het betekent hetzelfde als de Hebreeuwse uitdrukking namelijk: een éénheid van zeven. We dienen dus trachten uit te maken of hier een éénheid van zeven dagen of zeven maanden of zeven jaren is bedoeld. Deze uitdrukking “shabua” komt behalve de 6 maal dat het in Dan.9:24-27 is gebruikt ook nog voor in Dan.10:2,3. Het interessante in die schriftuurplaats is dat hier het woord “shabua” is gevolgd door het Hebreeuwse woord “yamîm.” Dit laatste betekent: “van dagen.” In Dan.10:2,3 kunnen we dus met alle recht de vertaling gebruiken “drie weken van dagen.” Omdat deze nadere verklaring “yamîm” niet voorkomt in Dan.9:24-27 kunnen we daar dan vertalen als “jaarweken” zoals vele vertalingen doen, want door het dubbele gebruik van “shabua” en “shabua yamîm” geeft Daniël ons te kennen dat er “twee eenheden” worden gebruikt die in betekenis verschillen. Een tweede reden waarom we dit zo kunnen vertalen is dat we dit gebruik aldus kunnen vinden in verschillende Joodse overgeleverde manuscripten van vóór Jezus Christus en daarna in de Talmoed, de Mishnah en de Middrash. Een derde reden waarom we dit mogen vertalen als jaarweken is dat dit overeenstemt met de feiten. Dit zou niet het geval zijn moesten we het interpreteren als 70 gewone weken of maanden. Zeventig gewone weken zouden aldus vermenigvuldigd 7 x 70 = 490 weken vormen of ongeveer negen jaren en zes maanden. Uit wat we nu weten is die berekening onmogelijk. Want aan de herbouw van de muren van Jeruzalem en de stad heeft men niet ongeveer negenenveertig jaren gewerkt (7 jaarweken) maar van 535 tot 444 v. Chr. In deze periode dient volgens de profetie in de periode van de “70 shabuîm” te vallen. Otto Zöckler, was hoogleraar theologie aan de universiteit van Greifswald in Pruisen in de 19e eeuw. Hij voerde interne bewijzen binnen het boek Daniël aan, om te zeggen dat de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 79 Hebreeuwse term die staat voor een “week” als een periode van zeven jaar vertaald dient te worden. “Dit kan onmogelijk zeventig weken aanduiden in de gewone zin van het begrip, dus 490 dagen. Want het cijfer heeft een duidelijke relatie tot de zeventig jaar van Jeremia 5:2. Een korte termijn van 490 dagen zou niet geschikt zijn om als mystieke parafrase te dienen van de periode van drie en een half jaar. Bovendien is volgens de beschrijvingen uit de hoofdstukken 7 en 8, de drie en een half jaar een periode van lijden en onderdrukking, terwijl in 9:25 e.v. de laatste en meer uitgebreide indeling van de zeventig weken (ten beloop van tweeënzestig weken) wordt gekenmerkt als relatief vrij zijnde van moeilijkheden. Ten slotte, de drie en een half jaar komen blijkbaar weer tevoorschijn in 9:27, in de vorm van de “halve-week” waarin de offers gestaakt worden. Deze onmiskenbare identiteit van die kleine tijdsfractie aan het eind van de zeventig weken, met de drie en een half jaar van verdrukking, voorheen beschreven, verwijdert dan de reden van twijfel dat de zeventig weken zijn te beschouwen als zeventig weken in een jaar, en dus als een versterking van de zeventig jaar van Jeremia.” – We citeren en vertalen deze opmerking uit het commentaar van John Walvoord. De enige aannemelijke en mogelijke verklaring is dat hier sprake is over 70 jaarweken of vermenigvuldigt een periode over 490 jaren. Voor ons kan het slechts een symbolische tijd van 490 jaar zijn. Het is een VOLLE tijd van Gods handelen in de geschiedenis van Israël, want 7 x 7 x 10 is de vermenigvuldiging van enkele “volmaakte” getallen. Want dit moeten we onthouden: de profetie ergens anders beginnen dan met Kores komt niet overeen met de werkelijkheid. De realiteit dwingt ons tot deze symbolische verklaring. Ook in het NT krijgen we van Jezus te horen dat getal van 7 x 70 (490 in totaal) in symbolische zin gebruikt kan worden! Dit staat in Mattheus 18: “21 Toen kwam Petrus bij Hem en zeide: Here, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? 22 Tot zevenmaal toe? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.” Dit laat geen letterlijke uitleg toe, veronderstel eens dat je letterlijk 490 maal vergeeft, moet het dan nog niet een volgende keer? Sommige amillennaristen gebruiken echter wel een letterlijke tijdseenheid in jaren, voor alles of gedeeltelijk. Voor de eerste negenenzestig weken heeft Philip Mauro een letterlijke tijd in jaren maar geeft een onbepaalde periode voor de laatste zeven jaar (blz.232-237). De eerste periode was NIET exact 49 jaar, symbolisch interpreteren is dus geen probleem. “De ene combinatie die samenvalt met de haar bekende geschiedenis, begint met het decreet van Artaxerxes in zijn zevende jaar: 457 BC. Een periode van zeven weken of negenenveertig jaar kwam ten einde in 408 voor Chr., en de reformatie onder Ezra en Nehemia werd uitgevoerd gedurende deze periode en wordt gekenmerkt als één geheel. Wanneer deze hervorming ten einde was en we niet langer het dominerende kenmerk van Gods regering hebben in deze zaken is onbekend. Want de opvolger van Nehemia [dat is Bagoas], was een Pers en natuurlijk niet een onderhouder van de exclusieve religie van Jehovah en die kwam in functie in 411 voor Christus, VÓÓR HET AFSLUITEN VAN DE ZEVENDE WEEK.” (J.D. Davis, 1924, ‘A Dictionary of the Bible,’ [1898], Baker, Fourth Edition, Fifteenth Printing, 1966, blz.163). “De boeken van Ezra en Nehemia geven de uitleg erbij. Ezra kwam naar Jeruzalem, in v.Chr. 457; hij werkte bij het herstel van het Joodse staatsbestel, binnen en buiten, voor 13 jaar, voordat Nehemia werd gezonden door Artaxerxes, BC 444. [Neh 2:1 e.v.] ... We hebben zondermeer voor


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 80 deze periode de twee grote restauratoren van het Joodse staatsbestel, Ezra en Nehemia werken eensgezind, OVER EEN TIJD VAN IETS MEER DAN 45 JAAR; zodat we weten dat het herstel werd voltooid in het laatste deel van de 7de week van de jaren. Het is waarschijnlijk dat het niet was afgesloten vóór het eind ervan. Met betrekking tot “de druk der tijden” te midden waarvan dit herstel zou plaatsvinden, daar geven de boeken van Ezra en Nehemia het commentaar bij. Tot aan de voltooiing van de muren, was er een opeenvolging van tegenwerkingen van de kant van de vijanden van de Joden.” (E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, ‘Nine Lectures, Delivered in the Divinity School of the University of Oxford. With Copious Notes.’ Funk & Wagnalls, 1885, blz.189-191). Mensen van de dispensatieleer zeggen dat een symbolische uitleg van de 70 jaarweken niet mogelijk is. Men neemt dan ofwel Daniël als voorbeeld, maar aangezien ze geen conformiteit hebben in de uitleg van de cijfers uit Daniël12 neemt men dan maar meestal de Openbaring van Johannes als voorbeeld. Volgens Robert L. Thomas, in zijn ‘Revelation 8 to 22: An Exegetical Commentary,’ (Chicago: Moody Press, 1992), blz.408 staan er in het boek Openbaring geen teksten met een symbolische betekenis van cijfers. “No verifiably symbolic numbers” = zegt hij, zodat het niet-symbolische voor hem de norm is. Dat geloven we niet en de redenen staan in het volgende. We nemen ook het boek Openbaring als tekst hierbij. Het getal ”1” vinden we als symbool niet in dit boek. Maar in bepaalde uitdrukkingen zoals ”de alpha en de omega” zien we toch het idee van éénheid. Het is in Opb.1:8 op YaHWeH van toepassing en in Opb.1:17,18 / 2:8 en 22:13 op Christus. Aangezien alpha en omega de eerste en laatste letter is van het Griekse alfabet wijst dit erop dat God en Christus beiden een éénheid zijn die alomvattend is. Bij God is het zijn eeuwigheid welke er door aangegeven is (Jes.44:6) en bij Christus de ”enigzijnde” (unieke, énige, éne), volgens de letterlijke vertaling van het gebeuren bij de opstanding aangezien alle opstanding door hem zal komen. Het getal ”2” is niet dikwijls gebruikt in het boek Openbaring. We vinden het in Opb.11:3-12 waar sprake is van de twee getuigen. Het is het symbool van gecombineerde macht (Pred.4:9-12). Christus zond zijn discipelen per twee uit (Marc.6:7) en bij de opstanding en Hemelvaart waren er telkens twee engelen zichtbaar (Luc.24:4 / Hand.1:10). Het symbool van getuigenis vinden we terug in het begrip twee van het O.T. (Deut.17:6). In de dagen van de schepping is twee de schepping van een dualiteit volgens Gen.1:6-8. Het getal ”3” is niet altijd een goddelijk getal. Het herhalen van de lofprijzing ”Heilig”, tot driemaal toe is hier het belangrijkste (Opb.4:8 / vgl. Jes.6:3). Driedelig was ook de zegen van Aäron (Num.6:24-26). En drie maal per jaar op de grote feestdagen moest de gelovige naar Jeruzalem optrekken om er te aanbidden. In het boek Openbaring is het soms een aards en satanisch getal. Johannes zegt o.a. dat het derde deel van de aarde brand (Opb.8:7) het derde van de zee wordt bloed (Opb.8:8-11 het derde van de hemelen is getroffen (Opb.8:12,13). Gedurende het tweede wee sterft het derde der mensheid (Opb.9:13 e.v.) en drie onreine geesten zijn de aanstichters van de oorlog van Armageddon (Opb.16:12-16). Het getal ”4” is een aards getal. In dit boek vinden we aanwijzingen over vier paardrijders (Opb.6), vier engelen die winden van vernietiging vasthouden (Opb.7:13 / Jer.49:36 / Ezech.37:9),


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 81 de aarde die vier richtingen heeft (Opb.20:8 / Ezech.7:2 enz...). Alleen in Opb.4:6,7 waar sprake is van vier levende wezens is het getal ”4” hemels te noemen. Maar anderzijds ook aards omdat ze Gods eigenschappen afbeelden zoals we ze kennen in de aardse schepping. M. Wilcock merkt ook hier op dat we niet te ver moeten gaan bij het interpreteren. Zo moet het tafelkleed dat Petrus ziet in een visioen niet uitgelegd worden als een beeld van de wereld. Een tafelkleed had ook in die tijden gewoon vier hoeken. Zie naar Handelingen 10. Het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel nederdaalt, is een volledige kubus of een piramide, waar de hoogte en de zijden gelijk zijn (Opb. 21:16). Het getal ”5” is ook een aards getal. Symbolisch is waarschijnlijk het gebruik ervan in Jes.19:18, de vijf steden een voorstelling zijnde van de totaliteit van de heidense gelovigen. Samen met ”vier” een symbool van een kleine hoeveelheid in Jes.17:6. Maar in Gen.43:34 / 45:22 beeld van overvloed. Als collectief beeld staat het gebruikt in Gen.47:2. En wellicht zijn de vijf koningen van Kanaän beeld van alle vijanden van Israël (Jozua 10:1-27). In Opb.9:1-12 is sprake van een sprinkhanenplaag die vijf maanden duurt. Deze sprinkhanen zijn satanische krachten zoals we later zien. Het getal ”6” is het teken van het kwade en zonde. Het nummer van het beest in Opb.13:18 is ”666.” Dit wil zeggen, zes maal honderd, zes maal tien en zes; de volledigheid van zonde. Kwaad in al zijn macht. Op de zesde dag van de schepping is de mens geschapen. Goliath was zes kubits lang. Het beeld dat Nebukadnessar laat bouwen is zestig kubits hoog en zes kubits breed. Het getal ”7” is het meest gekende Bijbelse symbool. In de Openbaring alleen is het al 54 maal gebruikt. Het is de afbeelding van volledigheid soms aards, soms hemels. Wanneer Johannes aan zeven gemeenten schrijft wil dit zeggen, alle gemeenten (Opb.2,3). Er zijn zeven lampenstaanders en zeven afbeeldingen van engelen van Gods volledige gemeente en de leiding van Gods gemeente Opb.1:20. Zoals men het in beeldspraak heeft over het bevaren van de zeven zeeën zo spreekt de Heer over Zijn zeven gemeenten. Het is ook opvallend dat de profetische gedeelten van Openbaring tot zeven delen te herleiden zijn, zoals hieronder afgebeeld. 1°) Zeven zegels 6:1 tot 8:6. 2°) Zeven trompetten 8:7 tot 11:19. 3°) Zeven visioenen van Satans koninkrijk 12:1 tot 13:18. 4°) Zeven visioenen van aanbidders van God en Satan 14:1-20. 5°) Zeven schalen van toorn 15:1 tot 16:21. 6°) Zeven visioenen van de val van Babylon 17:1 tot 19:10. 7°) Zeven visioenen van het einde van Satan, Gods koninkrijk en het eeuwige leven daarna 19:11 tot 21:8. Het getal zeven is in de rest van de Schrift zo belangrijk dat we nog enkele andere voorbeelden willen geven. In het modelgebed staan zeven verscheidene dingen (Mat.6:9-13), over de Farizeeën worden zeven weeën uitgesproken (Mat.23:13,15,16,23,25,27,29). In Rom.8:35 staan zeven soorten verdrukking, in Rom.12:68 zeven giften, in Jac.3:17 zeven soorten hemelse wijsheid, in 2 Pet.1:5-8 zeven vruchten voortkomende uit geloof enz... Iemand die de zeven zeeën bevaart is iemand die overal op de wereld is geweest


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 82

Sommigen trachten door enkele dingen aan te passen nog grotere nadruk te leggen op het getal zeven. J.H. Alexander, Zwitser en dispensationalist, schreef een commentaar op Openbaring en spreekt op blz.43 van 49 maal of 7 x 7, dat het is gebruikt (in plaats van 54 maal). Dan het getal ”12” wat een afbeelding is van organisatie. Zoals in de oudheid er twaalf stammen waren zo zijn er twaalf apostelen. De vrouw van Openbaring heeft 12 sterren. Het Nieuwe Jeruzalem heeft 12 poorten, twaalf fundamenten enz... (Opb.21:12,14). Ook in de 24 ouderlingen wat 2 x 12 is, zien we dit symbool (Opb.4:4). In de 144.000 of 12 x 12 x 1000 zien we ook een organisatorisch geheel van heiligen (Opb.7:4).

Zie ook op http://catholic-resources.org/Bible/Revelation_Numbers.htm wat een katholieke theoloog Felix Just, Jezuïet, schreef over de cijfers in het boek Openbaring. Ja, er staan symboolcijfers in het boek Openbaring. Robert L. Thomas heeft in zijn ‘Revelation 8 to 22: An Exegetical Commentary,’ de verkeerde conclusie getrokken. Maar genoeg over Openbaring, want het was maar een aanzet om te zeggen dat er wel degelijk symboliek zit in bepaalde Bijbelse cijfers. Leupold, was lutheraan prof en amillennarist (geloofde niet in een toekomstig duizendjarig rijk). Hij zei in dat verband: “Sinds de scheppingsweek, heeft ‘zeven’ altijd al het merkteken van goddelijk handelen in de symboliek van getallen. ‘Zeventig’ bevat zeven vermenigvuldigd met tien en aangezien het een rond getal is perfectie betekend of voltooiing. Daarom zijn ‘zeventig heptads’ - dat is 7x7x10 - de periode waarin het goddelijke werk van het grootste moment tot in de perfectie wordt gebracht. Er is niets fantastisch of ongewoon daarover voor deze vertolker gezien hoe vaak de symboliek van getallen een belangrijke rol speelt in de Schrift.” – Leupold’s commentaar, blz.409. Gezien de belangrijkheid van het Hebreeuwse woord “shabua” hierover nog dit. Zo is het mogelijk door vergelijking met Lev.25:8 te zien dat “shabua” ook daar als een periode van zeven jaren is weergegeven. Men leest er (wij onderstrepen): “En gij moet u zeven jaarsabbatten tellen, zeven maal zeven jaren en de dagen van de zeven jaarsabbatten moeten negenenveertig jaren voor u bedragen.” Door vergelijking zien we dat; zeven jaarsabbatten = zeven maal zeven jaren, en zeven jaarsabbatten = negenenveertig jaren. In de bovenaan weergegeven vertaling van de Wachttoren hebben de vertalers vertaald door “jaarsabbatten” maar meestal spreken andere Bijbels hierover als “week.” Dit aangezien het Hebreeuwse woord hier “shabua” is. Maar in elk geval is 7 x 7 = 49, en in dit geval 49 jaren. Een ander Bijbels voorbeeld - ofschoon hierover geen zekerheid bestaat - is Gen.29:27. Hier is het huwelijk van Jacob en Lea aan de orde. De schoonvader van Jacob had hem bedrogen, want zijn liefde ging tot diens jongste dochter Rachel. Jacob’s schoonvader doet dan de suggestie: “Breng de bruiloftsweek met deze ten einde, dan zal u ook de andere gegeven worden voor den dienst, waarmede gij nog eens zeven jaren bij mij dienen zult.” In deze tekst is het woord “week” nogmaals: “shabua.” Sommigen verklaren deze “shabua” als “zeven dagen”, doelende op de lengte van de bruiloftsweek zoals normaal was bij de Joden uit dien tijd (vergelijk


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 83 Richt.14:12). Maar het is waarschijnlijker dat deze “shabua” een verwijzing is naar de zeven jaren van dienst die Jacob moet volbrengen voor Rachel. Voor het gebruik van “shabua” als een periode van zeven dagen vergelijk Deut.16:9 en Ex.34:22 waar het woord als “week” is vertaald. Ex.20:8-10 Weeksabbat “Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van den HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen” Lev.25:2-4 Jaarsabbat “dan zal het land rusten, een sabbat voor den HERE. Zes jaar zult gij uw akker bezaaien; en zes jaar zult gij uw wijngaard snoeien maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben, een sabbat voor den HERE.” Het is echter vooral door het gebruik in buiten-Bijbelse geschriften dat we weten dat men zowel bij de Joden als de Grieken een woord had dat een zevendelige gedachte weergaf. Bij de Grieken was dit het woord “hebdomas” en dit is ook het woord dat voor “shabua” vertaald is in de Griekse Septuagintavertaling. “Hebdomas” als een periode van zeven dagen of zeven jaren vinden we bij de Griekse schrijvers Solon, Aristoteles, Herodotos en Plutarchus. Ook de Joden zelf die in de Griekse taal schreven, Josephus en Philo van Alexandrië, gebruiken “hebdomas” als een periode van zeven jaren. Zo spreekt Josephus over de tijd dat Nebukadnessar zwakzinnig was als een “hebdomas” van zeven jaren. Philo van Alexandrië gebruikt “hebdomas” beide voor een periode van zeven dagen of zeven jaren. Voor het sabbatjaar gebruikt hij het woord in zijn boek ‘De decaloog’ (De Tien geboden) hoofdstuk 30 par.158,159. Zelfs de Joden hebben bijna altijd de “shabuîm” (meervoud van “shabua”) van Dan.9:2427 verklaard als jaren. Het Midrash commentaar van Klaagliederen 3:4 verklaart het zo. Ook in de Talmoed, volgens het traktaat Nedarim 8:1 en Sanhedrin 5:1. Zie ook Nazir 32b en Yoma 54a. De moderne ‘The Universal Jewish Encyclopedia’ geeft te kennen dat Dan.9 mogelijks kan spreken over 490 jaren. Zie het artikel ‘Daniël’ in deel 3, blz.462. Het is dan niet te verwonderen dat vele Bijbelvertalingen spreken over “70 jaarweken” zoals in de Revised Standard Version, Moffatt, Goodspeed, Sharpe, Amplified, J.P.S. voetnota, Canisius, Willibrord. Meestal staat er echter “70 weken” zoals in de KJV, ERV, NEB, NAB. In de Zuid-Afrikaanse ‘Die bybel, Nuwe vertaling’ van 1984, staat: “Sewentig tydperke.” Maar, zowel van de 19de als de 20ste eeuw zijn er uitleggers geweest die zeggen dat de “shabuîm” naar “perioden” verwijzen en niet naar JAAR-weken. Zie o.a.; Keil, C.F. & F. Delitzsch, red., ‘Commentary on the Old Testament’, vol IX reprint, Eerdmans, 1975, blz.338,339 en Young E.J., ‘The Prophecy of Daniel’, Eerdmans 1949, blz.195197. In zijn artikel, ‘Hermeneutical Factors In Determining The Beginning Of The Seventy Weeks’ (Daniel 9:25)’, zegt Vern Sheridan Poythress dat in het Boek Enoch de “weken” niet steeds eenzelfde lengte hebben. Hij heeft ook enkele goede opmerkingen over wat het Boek Jubileeën zegt. Zie; Trinity Journal 6:2 (Fall 1985), vanaf blz.143. Zoiets moet u lezen! Het staat op de site van http://www.biblicalstudies.org.uk/ En daarom nog eens samengevat, de Griekse Septuaginta van Daniel heeft “jaren” in plaats van “weken” voor Dan.9:25-27 en “jaren” in plaats van “tijden” in Dan.4:16,32. Na de tijd van Jezus volgden zowel Joden als christenen meestal die visie: R. Akiba b. Joseph (130) / Clement of Alexandria (200) / Hippolytus (240) / Julius Africanus (240) / Eusebius (340) /


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 84 Athanasius (370) / Cyril (385) / Hieronymus (420) / Augustinus (430) / Polychronius (430) / Theodoret (455) / Sardis (640) / Bede (730) / Saadia (900) / Solomon b. Jehoram (955) / Jephet b. Ali (970) / Rashi (1080) / Abraham b. Hiyya Hanasi (1130) / Abr. b. Ezra (1160) / Nachmanides (1265) / Aquinas (1270) / Arnulf (1190) / d’Olivi (1295) / Brute (1393) / Savonarola (1497) / Abravanel (1505) / Luther (1522) / Oecolampadius (1530) / Melanchthon (1543) / Bullinger (1557) / the Geneva Bible of Knox & Whittingham (1560) / Calvin (1561) / Ribera (1590) / Napier (1593) / Bellarmine (1593) / Statenvertaling (1637) / Mede (1631) / Parker (1646) / Tillinghast (1655) / Matthew Poole (1685) / Lowth (1700) / Cocceius (1701) / Fleming (1701), Matthew Henry (1707) / Sir Isaac Newton (1727) / Bengel (1740) / Bisschop Thomas Newton ((1754) / Bellamy (1758) / Petri (1768) / Langdon (1774) / Priestley (1794) / Faber (1804) / Thomas Scott (1809) / Adam Clarke (1813) / Horne (1818) / Keith (1828) / Drummond (1830) / Bisschop Daniel Wilson (1836) / Bickersteth (1836) / Albert Barnes (1851) / Van Proosdij (1901) / B.H. Carroll (1948) / E.J. Young (1949) en enkele moderne Joodse geleerden als Slotki en Isaac Leeser. Deze zaken zijn samengesteld aan de hand van de 4 boeken over profetie van de Adventist Leroy Froom.

Een laatste opmerking, veeleer een vraag: heeft dit gedeelte uit Daniël 9 iets te maken met het begrip van het zevenvoudig straffen door God in Lev.26:18? S.R. Driver zegt dat zijn collega Bevan deze twee zaken aan elkaar heeft verbonden en hij doet hetzelfde. De zeventig jaar van 2 Kron.36:20 e.v. worden met zeventig vermenigvuldigd om Gods straf compleet te maken. Maar zo een uitleg zegt ons persoonlijk niet zoveel. Om de reden: Daniël 9 beschrijft in de eerste plaats herstel en géén straf, Daniël 9 is een troostwoord! Hoe te berekenen: vier interpretaties In een ‘min of meer’ letterlijke weergave (dat zegt men zelf) van een lezing van D. Steenhuis met als titel ‘WIKKEN EN WEKEN’gevonden op Internet, staat het volgende: “Over de 70 jaarweken van Daniël is al heel veel gezegd en geschreven. Voor een ieder die geïnteresseerd is in de profetie, zal het duidelijk zijn dat je niet om de 70 jaarweken van Daniël heen kunt. Bij de uitleg van de profetie zijn de 70 jaarweken van Daniël namelijk van essentieel belang. Uitgangspunt blijft altijd Gods genade en Gods voorziening; op grond van Gods voorziening kan er überhaupt iets gebeuren in ons leven maar ook in dat wat van Israël geschreven staat. ‘70 weken zijn bepaald over uw volk, over uw heilige stad’ (vers 24). Hier gaat het over Israël, niet over u of over de gemeente; Daniëls volk wordt genoemd. Het zijn geen weken van 7 dagen elk, maar ‘zeventig zevens’. Zeventig perioden van 7 jaar elk; 490 jaar dus. Alhoewel de Bijbel geen puzzelboek is, worden toch veel stukjes aan elkaar gelegd in dit stuk. Deze ‘zeventig zevens’ zien als een symbolisch getal, is onjuist” (wij onderstrepen). Maar wat als het getal zeven hier symbolisch (490 = 7 x 7 x 10) is en al de rest letterlijk? De uitleggingen van de 70 jaarweken zijn te herleiden tot de volgende vier. We baseren ons voor deze indeling op de prachtige brochure (ondanks dat we met hem verschillen in de uitleg) van G. Hasel, ‘The Seventy weeks of Daniël 9:24-27’, extra nummer bij een tijdschrift van de Adventkerk, ‘The Ministry’, May 1976, blz.7.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 85 1) De Symbolische 7 weken: van 538 voor Chr. tot 1ste Komst van Jezus 62 weken: van 1é komst tot 2de komst in relatie tot de zichtbare Kerk 7 weken: de onzichtbare Kerk van de eindtijd voorafgaande aan de 2de komst H.C. Leupold (Lutheraan) zegt over deze visie in zijn ‘Exposition of Daniel’, Augsburg Publishing House, reprint 1961, blz.409: “Daarom zijn zeventig heptaden – 7 x 7 x 10 - de periode waarin Gods werk op een groots moment tot zijn voltooiing gebracht wordt. Voor de uitlegger is hierin niets fantastisch of abnormaal gezien in de Schriften, symbolen van cijfers een belangrijke plaats innemen.” 2) De half symbolische van de voorstanders van de leer der bedelingen, t.t.z. die een toekomstige Millennium leren. 69 weken: van 445 voor Chr. tot de intocht van Jezus in Jeruzalem op 6 april 32 na Chr. of van 444 voor Chr. tot de intocht van Jezus in Jeruzalem in 33 na Chr. daarna een niet nader gekende tijd van onderbreking: tot opname van de gemeente 1 week: in de toekomst 3) De historisch-kritische De langste berekening die start in 605 voor Chr., toen Jeremiah zijn profetie der 70 jaren verdrukking predikte tot 146 voor Chr. beloopt slechts 441 jaar, geen 490 letterlijke jaren. Maar meestal rekent men vanaf 587 voor Chr. als volgt: 7 weken: van 587 voor Chr. tot 539 voor Chr. vanaf val van Jeruzalem tot val van Babylon 62 weken: van 539 voor Chr. tot 171 voor Chr. vanaf val van Babylon tot de moord op de hogepriester Onias III 1 week: van 171 voor Chr. tot 164 voor Chr. de aanval van Antiochus Epiphanes en verontreiniging van de tempel Volgens J. Baldwin, ‘Le livre de Daniël’, Farel/Sator, 1986, blz.169 is er een eerste vervulling in de tijd van Antiochus en een tweede vervulling in de toekomst. Maar zo een positie is uitzonderlijk. 4) De traditionele Visie van Adventisten: vanaf 7de jaar van Artaxerxes Ezra 7:7-26. 7 weken: van 457 voor Chr. tot 408 voor Chr. bouw van de muur en de stad 62 weken: 408 voor Chr. tot 27 na Chr. tot aan de doop van Jezus


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 86

1 week: vanaf de doop van Jezus totaan de prediking bij Cornelius in 34 na Chr. Jezus sterft in het midden van deze week. Gezien de grote verscheidenheid van meningen die geen christologische vervulling vinden in deze passage, moet de exegeet (= de vertolker) noodzakelijkerwijs de aanpak van de christologische interpretatie met enige voorzichtigheid benaderen. Ook hier is echter ondanks de diversiteit van meningen aangetoond, dat men het er bijna steeds over eens is, dat de profetie betrekking heeft op de Messias van Israël. Young heeft een niet-christologische interpretatie van dit gedeelte en ook het orthodoxe Jodendom heeft geconcludeerd dat de periode eindigt met de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Maar in de tekst is er geen afdoende verklaring voor. Christologische interpretaties zijn te verdelen in twee grote categorieën. Alle christologische interpretaties zijn geneigd de eerste negenenzestig zevens te interpreteren als letterlijk. De scheiding der interpretaties komt bij de betekenis van de zeventigste week of “zevens.” Amillennaristen beschouwen de zeventigste “zevens” aldus: het volgt onmiddellijk op de negenenzestigste “zevens” en daarom is het al vervuld. Het andere standpunt is van een andere mening met betrekking tot de zeventigste zeven: ze is gescheiden van de eerdere reeks van 483 jaren. De laatste week is gepland om in de toekomst voor vervuld te worden. Het zijn de zeven jaar onmiddellijk voorafgaande aan de tweede komst van Christus. Het nog steeds onovertroffen commentaar van E.W. Hengstenberg (in Duits of Engels) geeft 200 bladzijden lang deze visie. (Zijn chronologie is wel verkeerd!) De recente Engelse uitgave van Kregel is sterk ingekort! En E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, Funk and Wagnalls, 1891. Ook van dit werk is meerdere herdruk verschenen. Maar we hebben bezwaren tegen deze oplossing gezien de opmerking van een adventist (Bob Pickle, ‘An Examination of Anderson’s Chronological Errors Regarding Daniel 9’s First 69 Weeks.’ Op http://www.pickle-publishing.com/ .) Hij schrijft: “Het bevel van Kores, Darius en deze van Artaxerxes in het zevende jaar uit Ezra 6:1 zijn in werkelijkheid één toelating. Het is alsof men na de toelating van Cyrus eraan begon en na Artaxerxes alles afwerkte. Om die reden staat er in Daniël 9:25: “dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen.” Eénmaal dit proces voltooid is KUNNEN DE 70 WEKEN BEGINNEN.” Bob Pickle schreef een prachtige weerlegging tegen de leer van de bedelingen van dat Bijbelgedeelte uit Daniël 9:24-27, maar slaat hier zelf de bal mis. De profeet, eigenlijk de engel, is hier duidelijk; vanaf het “herstellen en herbouwen” is de profetie begonnen, nadien starten is een andere zin aan de profetie geven. Wie niet met Kores start zit fout! De vier mogelijke startpunten die gegeven zijn als begin van de 70 jaarweken zijn dus mogelijk de volgende: 1°) een BEVEL van Kores in 538/537 v. Chr. (Ezra 1:1-4 / Jesaja 45:1), 2°) een BEVEL van Darius in 520 v. Chr. (Ezra 6:1-12), 3°) een BEVEL van Artaxerxes in 457 v. Chr. (Ezra 7:12-26), 4°) een TOELATING (en u leest goed want dit is géén bevel) van Artaxerxes aan Nehemiah de muur van Jeruzalem af te werken in 446/445/444 v. Chr. (Nehemia 2). Laat ons eens kijken naar de argmenten van mogelijkheid drie en vier. 457 voor Christus als start: HET ENIGE HAALBARE DECREET,


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 87 GEWELDIGE PRECISIE, VOLGENS SOMMIGEN, OF OOK WEER NIET?

“Hoe kunnen we iets zinnigs maken uit de profetie van Daniël van de zeventig weken? De profetie van de zeventig weken in Daniël 9:24-27 is ÉÉN VAN DE MEEST OPMERKELIJKE VOORSPELLINGEN OVER LANGE AFSTAND in de hele Bijbel. Dit is waarschijnlijk een van de meest besproken zaken, door studenten en geleerden van elke overtuiging in het spectrum van de christelijke kerk. En toch, als het zorgvuldig wordt onderzocht in het licht van alle relevante gegevens van de geschiedenis en de beschikbare informatie uit andere delen van de Schrift: het is heel duidelijk EEN NAUWKEURIGE VOORSPELLING van het moment van de komst van Christus en een vooruitblik van de bloedstollende laatste akte van het drama van de menselijke geschiedenis vóór die wederkomst.” (G.L. Archer,’Encyclopedia of Bible Difficulties’, Zondervan, 1982, blz.289). “Als, dan, het decreet van 457 toegekend aan Ezra, als de terminus a quo is genomen, dat is de aanvang - voor de 69 heptaden - of 483 jaar, komen we uit bij het PRECIEZE JAAR van de verschijning van Jezus van Nazareth als Messias (of Christus): 483 minus 457 komt uit op AD 26. (...) Een zeer OPMERKELIJKE NAUWKEURIGHEID in de vervulling van een dergelijke oude profetie. Alleen God kon met een dergelijke GEWELDIGE PRECISIE iets voorspeld hebben over de komst van zijn zoon: het TART ALLE RATIONALISTISCHE UITLEG.” (G.L. Archer, ’Encyclopedia of Bible Difficulties’, Zondervan, 1982, blz.290,291.) “(...) Wij merken op dat vers 25 - de herbouw van de stad Jeruzalem met straten en grachten zal worden afgerond binnen negenenveertig jaar en specificeert de terminus a quo. ( ...) Als, dan, het a quo (begin) voor het decreet in vers 25 gerekend wordt als 457 v.Chr. (De datum van Ezra’s terugkeer naar Jeruzalem), dan kunnen we berekenen dat de eerste zeven heptaden lopen van 457 tot 408. De tijd binnen welke de herbouw van de muren, straten en grachten werden voltooid. Dan tellen we van 408 de tweeënzestig heptaden uit, ook vermeld in vers 25, en komt tot AD 26 (408 is 26 jaar minder dan 434). Maar eigenlijk kunnen we toch uitkomen met AD 27, sinds een jaar ongedaan is gemaakt met onze rekening want als we rechtstreeks van 1 v.Chr. op n.Chr 1 gaan, is er geen jaar nul tussenin. Als Christus gekruisigd werd op 14 Abib 30 AD, zoals algemeen wordt aangenomen (…) zou dit uitkomen op EEN OPMERKELIJK EXACTE VERVULLING van de voorwaarden van vers 25. Het openbaar leven van Christus, vanaf het moment van zijn doop in de Jordaan tot aan zijn dood en opstanding in Jeruzalem, moet ongeveer drie jaar hebben geduurd. De 483 jaar na de start van het decreet van Artaxerxes tot het einde is dan AD 27, het jaar van de “komst van de Messias” als heerser (nasi). Het was inderdaad “na de tweeënzestig” zevens” drie jaar nadien - dat “de Gezalfde” werd “afgesneden.” (G.L. Archer, 1985, ‘Daniel’, in Gaebelein, F.E., ed., ‘Expositor's Bible Commentary, Vol. 7: Daniel and the Minor Prophets, Zondervan, blz.113,114.) “Met behulp van de datum van 457 vóór de christelijke rekening als uitgangspunt, zoals voorgesteld door sommige geleerden, en de twee reeksen weken opgeteld (7 x 7 + 7 x 62), dan komen we bij een totaal van 483 jaar, eindigend op 27 van de christelijke rekening, het duidelijke jaar dat Jezus begon aan zijn openbaar getuigenis. [De reden dat er slechts 483 jaar van 457 v.Chr. tot en met 27 CE zijn - in plaats van 484 jaar - is omdat er geen “nul-jaar” bestaat. Met


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 88 andere woorden, wij rekenen direct met ingang van 1 voor in de christelijke rekening tot 1 na de christelijke rekening.] WAT EEN ONGELOFELIJK NAUWKEURIGE PROFETIE ZOU DIT ZIJN!” (Michael L. Brown, ‘Answering Jewish Objections to Jesus, Objections to Messianic Prophecy,’ Vol. 3, Baker, Third printing, 2006, blz.102,220). “… maar de WERKELIJKE FEITEN van deze profetie zijn het meest VERBAZINGWEKKEND en wel als volgt: De datum waarop de 70 weken moesten worden geteld was het decreet om Jeruzalem weer op te bouwen. Er waren drie decreten uitgevaardigd door de Perzische koningen voor dit doel (536 vC, 457 vC, 444 vC, zie onder Ezra). De belangrijkste opdrachtgever was deze van 457 v.Chr. De 70 weken zijn onderverdeeld in 7 weken, 62 weken en 1 week (25,27). Het is moeilijk de toepassing van de “7 weken” in te zien, maar de 69 weken (met inbegrip van de 7) zijn gelijk aan 483 dagen, dat wil zeggen, vanuit de jaar=dag theorie (Ezechiël 4:6), is dat in de algemeen aanvaarde interpretatie = 483 jaar. Deze 483 jaar is de periode tussen het decreet om Jeruzalem te herbouwen en de komst van de “Gezalfde” (25). Het decreet om Jeruzalem te herbouwen, zoals hierboven vermeld, is 457 v.Chr. Het toevoegen van 483 jaar aan het jaar 457 v.Chr. brengt ons bij AD 26, het jaar dat Jezus werd gedoopt en begon met zijn openbare bediening. EEN ZEER OPMERKELIJKE VERVULLING VAN DE PROFETIE VAN DANIËL, ZELFS OP HET JAAR NAUWKEURIG. Verder werd Jezus gekruisigd binnen 3 ½ jaar, dat wil zeggen “in het midden van de ene week “de Gezalfde” werd “afgesneden” maar het was een zuivering “en de zonde werd weggedaan en eeuwige gerechtigheid kwam tot stand” (24,26,27). ZO VOORSPELDE DANIEL NIET ALLEEN HET TIJDSTIP WAAROP DE MESSIAS ZOU VERSCHIJNEN, MAAR OOK DE DUUR VAN ZIJN OPENBAAR OPTREDEN, en zijn verzoenende dood voor de zonde van de mens.” (H.H. Halley, ‘Halley's Bible Handbook: An Abbreviated Bible Commentary,’ [1927], Oliphants, Twenty-fourth edition, 1965, blz.349). “De “zeventig zevens” worden meestal verstaan als “weken van jaren (het woord “zeven” kan ook betekenen “week”, zie. NIV noot), maar de gebruikelijke vrouwelijke vorm voor “week” die optreedt op een andere plaats in het OT, wordt hier niet gebruikt. Bovendien, in overeenstemming met het gebruik elders gevonden in dit boek, wil Daniël ons door deze zeventig “heptaden” zegen dat het is als zeventig eenheden van zeven jaar, of zeventig keer zeven jaar (dat wil zeggen, 490 jaar). Deze jaren zijn “afgekondigd” door Gods vooraf bepaalde plan door de eeuwen heen en nu worden geconfronteerd, tot Daniel aangekondigd in EEN VAN DE MEEST VERBAZINGWEKKENDE ONTHULLINGEN van de toekomst om te vinden in het OT. Maar let er op dat de “heptaden” voor het volk van Daniël Israël bestemd zijn en voor hun hoofdstad, Jeruzalem.” (W.C. Kaiser Jr., ‘The Messiah in the Old Testament’, Zondervan, 1995, blz.202). “De terminus a quo, de aanvang, van deze negenenzestig weken van het jaar wordt verklaard met het starten van de uitspraak van het woord (of decreet) om Jeruzalem te herstellen en te bouwen (ver 25). Dit kan verwijzen naar het goddelijke decreet, of een van de drie historische uitvoeringsdecreten: (1) decreet van koning Cyrus in 538 voor Christus (Ezra 1-4), (2) de brief van ARTAXERXES AAN EZRA IN 457 v. Chr (Die blijkbaar ook de bevoegdheid omvat de muren rond Jeruzalem te bouwen, cfr. Ezra 7.6, 7; 9,9), (3) het bevel tot Nehemia in 445 vóór Christus voor het uitvoeren van de herbouw van de muren (dat Ezra niet had kunnen bereiken). Van deze keuzes moet (1) worden uitgesloten omdat ze nergens in de tijd van Christus uitkomt, (3)


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 89 komt te laat, tenzij maanjaren gebruikt zijn in de berekening. Alleen (2) komt volgens het gebruik van regelmatige zonnejaren uit, want het geeft het resultaat van AD 27, of het begin van de bediening van Christus. Ezra en Nehemia zijn een verslag van de herbouw van Jeruzalem in negenenveertig jaar in een benauwdheid der tijden. Vervolgens komen de tweeënzestig weken, waarna de Messias werd afgesneden voor de zonde.” (H. Lindsell, ed., ‘Harper Study Bible,’ Revised Standard Version, Zondervan, 1964, Nineteenth printing, 1983, blz.1312,1313). “”Tot Messias, de Prins”, zijn zeven weken en zestig en twee weken [vers 25], dat zijn de eerste 483 jaar van de periode, waarbij de laatste 7 uitgeschakeld worden. Maar 483 jaar vanaf het BEGIN VAN 457 v.Chr. werden afgesloten tijdens het begin van 27 AD, die (sinds de geboorte van Jezus 4 jaar eerder was dan onze jaartelling) wat zou samenvallen met Zijn doopsel, “van ongeveer 30 jaar oud,” wanneer de afdaling van de Heilige Geest op hem geopenbaard werd en de zalving met de Heilige Geest, de Christus plaats had. Meer nog, de gehele periode van 70 weken is verdeeld in drie opeenvolgende perioden, 7, 62, 1 (...) Elk woord in deze gecondenseerde profetie heeft zijn plaats en betekenis en de verdeling zou nietszeggend zijn, tenzij er iets aan werd toegewezen in dit eerste gedeelte. De tekst gaat er toe wijzen. Die zegt: “hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.” De boeken van Ezra en Nehemia geven de uitleg erbij. Ezra kwam naar Jeruzalem, in v.Chr. 457; hij werkte bij het herstel van het Joodse staatsbestel, binnen en buiten, voor 13 jaar, voordat Nehemia werd gezonden door Artaxerxes, BC 444. [Neh 2:1 e.v.] ... We hebben zondermeer voor deze periode de twee grote restauratoren van het Joodse staatsbestel, Ezra en Nehemia werken eensgezind, OVER EEN TIJD VAN IETS MEER DAN 45 JAAR...” (E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, ‘Nine Lectures, Delivered in the Divinity School of the University of Oxford. With Copious Notes.’ Funk & Wagnalls, 1885, blz.189-191). “Waarschijnlijk was het Ezra, de schrijver, die het woord gaf van herstellen en om Jeruzalem te bouwen in het voorjaar van 457 v. Chr. (...) Dit is de terminus a quo van de passage. Gerekend vanaf die datum - zeven zevens en tweeënzestig zevens jaren - zou het duren voordat de MessiasPrins zou verschijnen. Zeven jaar zevens zijn gelijk 49 jaar: tweeënzestig zeventallen gelijk aan 434 jaar. (...) 483 jaar afgetrokken VAN HET UITGANGSPUNT VAN 457 VOOR CHRISTUS dan is het jaar 27 n.Chr bereikt. In het moderne systeem van het tellen van jaren is er geen jaar nul. Van daaruit moet het jaar AD 27 worden verminderd met één jaar voor chronologische nauwkeurigheid. Volgens Daniel, zou de Messias-Prins verschijnen in AD 26. Het is TOCH MEER DAN TOEVAL DAT HET DOOPSEL VAN JEZUS ZICH IN AD 26 VOLTROK. [Finegan (HBC, pp. 259-69) dateert het doopsel van Jezus in november, AD 26.] Op dat moment stelde Johannes Hem voor aan de natie, als hun Messias, het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.” (J.E. Smith,

‘What the Bible teaches about the promised Messiah: An In-

depth Study of 73 Key Old Testament Prophesies About the Messiah,’ Thomas Nelson, 1993, blz.386). “De Traditionele interpretatie. Dit standpunt wordt vertegenwoordigd door E. B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, een uitstekend commentaar dat is afgedrukt in de Barnes Notes serie. Pusey begint het tellen van de zeventig weken in 458 voor Christus, het decreet van Artaxerxes aan Ezra. De eerste negenenveertig jaar, die ook het werk van Nehemia omvatten, beëindigen in 409 voor


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 90 Christus. De gezalfde is Christus, die gedoopt werd in AD 26 en onmiddellijk daarna begon zijn Messiaanse bediening. Hij was afgesneden door zijn dood aan het kruis. De prins, die is genoemd om te komen tot het oordeel over Jeruzalem: is Christus of Titus, die dan fungeert als een vertegenwoordiger voor Christus. Het verbond dat moet worden bevestigd is het Nieuwe Verbond (Testament) van Christus. Het Oude Testamentische systeem van offergaven eindigde in het midden van de zeventigste week, toen Christus aan het kruis stierf (AD 30). De zeventigste zeven eindigt met de steniging van Stefanus, de joodse afwijzing van het Nieuwe Testament, en de

roeping van Paulus (AD 33).” (J.E. Smith, What the Bible teaches about the promised Messiah: An In-depth Study of 73 Key Old Testament Prophesies About the Messiah,’ Thomas Nelson, 1993, blz.390). “Daniël 9:25- Het uitgangspunt van de zeventig weken staat vermeld in vers 25: een decreet om Jeruzalem te herbouwen. “De opdracht” moet zijn “een opdracht.” De Perzische keizers hebben in totaal vier decreten gegeven, dus hebben we een keuze te maken van wat het beste past bij de feiten. HET ENIGE HAALBARE DECREET is deze gemaakt door ARTAXERXES I IN 457 v.Chr. Dat is de terugkeer onder Ezra, de schrijver (Ezra 7:1-10). Gabriël splitst de eerste negenenzestig weken in zeven weken (negenenveertig jaar) en tweeënzestig weken (434 jaar). Tijdens de negenenveertig jaar 457 tot 408 voor Christus, werd Jeruzalem herbouwd. Na deze tijd was Jeruzalem een volledig functionerend handelscentrum in een fort. DAT VOLDOET PRECIES AAN DE PROFETIE.” Uit Forerunner Commentary op bibletools.org/index.cfm/ Zevende dags-Adventisten hebben een site http://www.dagelijksmanna.net/index.html “De grootste tijdsprofetie Les 14 Zeven weken en twee en zestig weken zijn negen en zestig weken of 483 profetische dagen (483 letterlijke jaren). Gerekend vanaf de herfst van 457 voor Christus brengen 483 jaren ons tot de herfst van 27 A. D. Volgens de profetie verschijnt dan de Messias. “Messias” is het Hebreeuwse woord voor gezalfde. De Bijbel vertelt ons “hoe God Hem (Jezus Christus)met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd.” Handelingen 10:38. Deze zalving vond plaats bij Zijn doop (Joh. 1:32). Jezus werd gedoopt in de herfst van 27 A. D., op HET PRECIEZE TIJDSTIP voorzegd in de profetie van Daniel.” ******** 445 of 444 voor Christus als start: EXACTE TIJD VOORSPELD, BOVEN ELKE REDELIJKE TWIJFEL, VOLGENS SOMMIGEN, OF OOK WEER NIET? Het volgende is een citaat uit ‘The Wonders of Prophecy’, van John Urquhart, Charles C. Cook, Fifth Edition. “Een woord of twee van uitleg zal het nu volledig duidelijk maken. De 476 jaren van toepassing brengen op de voorspelling van dit punt (446 jaar vóór de geboorte van onze Heer) vinden we dat we zijn teruggebracht tot die gebeurtenis en is er meer dan 30 jaar over gelaten. Dat het jaar 30 AD is opgegeven als dat van het afsnijden van de Heiland in zijn kruisiging. Terwijl iedereen zal voelen HOE ONGEWOON HET IS – dat het jaar en de betrokken maand, de maand Nisan - van de dood van onze Heer eeuwen tevoren voorzegd was, kunnen sommige veronderstellen dat er toch een lichte onnauwkeurigheid was. Er wordt ons verteld (Lucas 3:23) dat Jezus met dit getuigenis begon toen hij ongeveer 30 jaar oud was. Het jaar 30 AD zou derhalve het jaar zijn waarin zijn openbaar leven zou beginnen en niet het jaar


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 91 van zijn kruisiging zijn. DE SCHRIFT IS ABSOLUUT NAUWKEURIG. Wanneer de scheiding tussen de tijd voor Christus en de tijd na Christus werd gemaakt, was het jaar 1 na Christus, in werkelijkheid het jaar 5 na Christus. Het jaar 10 in feite het jaar 14 AD, en het jaar 30 het jaar 34 na Christus. En zo is het jaar 30 na Christus in onze tijdrekening echt het jaar van onze Heer de dood. De chronologie heeft gedwaald, ER WAS GEEN FOUT IN DE SCHRIFT; en het offer dat werd aangeboden OP DE AFGESPROKEN TIJD, dat zal herdacht en gevierd worden tot in de eeuwigheid.” Op http://www.tribulationperiod.com/ staat een artikel van 30 november, 2007, ‘Daniel’s 70 Weeks of Years Prophetic Wall Uncovered!’ We citeren: “De profetie van 70 jaarweken in Daniël 9:24-27 is misschien wel de MEEST VERBAZINGWEKKENDE PROFETIE IN HET OUDE TESTAMENT. (...) Al deze dingen maken het moeilijk om te beslissen welke van de vier decreten van toepassing is op Daniël 9:25. Waren wat Daniël aangeeft, zonnejaren van 365,25 of profetische maanjaren van 360 dagen? WAARSCHIJNLIJK BEDOELDE HIJ JAREN VAN 360 DAGEN.” Op http://ldolphin.org/70weeks.html er is een artikel uit NW Hutchings, ‘Seventy Prophetic Weeks of Daniel.’ We citeren: “Door de overgrote meerderheid van de Bijbelse autoriteiten is het aangenomen dat Christus gekruisigd werd op de leeftijd van 33 1 / 2 jaar. Daarom vond deze plaats in n.Chr 34. Er is ontdekt en dat is op grote schaal gemeld in duizenden betrouwbare publicaties, dat er een fout van 4 jaar werd gemaakt door de Romeinen bij het opzetten van hun kalender, dezelfde kalender die we nu nog gebruiken. Dit was een plus factor, daarom hebben wij aan de 34 jaar, 4 jaar toe gevoegd. Vervolgens hebben 483 jaar van de 69 weken afgetrokken, de som van 34 jaar en 4 jaar, en KOMEN WE UIT OP 445 JAAR. Artaxerxes ondertekende toen het decreet om Jeruzalem te herbouwen in 445 voor Christus, waaruit BOVEN ELKE REDELIJKE TWIJFEL dat Jezus Christus de Messias van Israël. De Messias moest worden afgesneden in AD 34, en Christus is de enige persoon die de geschiedenis inging met de bewering dat hij de Beloofde was.” Van Thomas Ice vonden we op The Seventy Weeks of Daniel’, Part VI, on http://ldolphin.org: “Ik denk dat ik aangetoond heb in mijn vorig artikel dat het uitgangspunt voor de profetie in Daniël 9:25 het decreet van Artaxerxes (Nehemia 2:5-8,17,18) is om Jeruzalem te herbouwen. In dit artikel hoop ik aan te tonen dat het decreet werd gegeven aan Nehemia OP 5 MAART, 444 BC (...) Een andere waarde van de letterlijke benadering komt van Dr Hoehner waar deze profetie een EXACTE TIJD VOORSPELD waarin de Messias van Israël te voorschijn zou komen in de geschiedenit. “41 En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, 42 en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. 44 en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.” (Lucas 19:41-42, 44). Hoe kon Israël kennis hebben van de tijd van hun bezoeking? Van een letterlijke interpretatie van de profetie van Daniël.” John Walvoord publiceerde: ‘EVERY PROPHECY OF THE BIBLE’, Chariot Victor Publishing, 1999. Pagina's 248-259 hebben met 'Daniel's Zeventig weken' te maken heeft:


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 92 “Geleerden verschillen van mening over de vraag of de precieze datum is de laatste maand van 445 voor Christus of de eerste maand van 444 voor Christus. Hoewel wetenschappers blijven verschillen over het onderwerp is de meest plausibele verklaring de 444 v.Chr. datum, omdat DEZE PRECIES WERKT met de vervulling van de profetie en ook samen valt met de werkelijke wederopbouw van de stad. Deze interpretatie biedt de meest letterlijke uitleg zonder daarbij een aantal van de specifieke kenmerken van de profetie.” In tabelvorm ziet het er zo uit BRON: Bijbels-panorama.nl

Op http://home.insightbb.com/~callihan/24Jul05Sermon%20Daniel.htm vonden we van John E. Callihan, ‘Daniel 9:20-27, Seventy Sevens’, versie van 24 July 05 en de man zegt er dit: “Hoe geweldig is het dat wanneer we HET MEEST WAARSCHIJNLIJKE DECREET kiezen en gebruik maken van het maanjaar (soms ook wel profetische jaar genoemd), en de 69 zevens tellen, we ongeveer belanden bij het tijdstip van de kruisiging.” Hij kiest 445 of 444 als de start van de vervulling van Daniël 9. Norbert Lieth, schreef over Daniël 9 de brochure: ‘Profetie - kort en krachtig De 70 jaarweken van Daniël Een bewijs voor de waarheid van de Bijbel’ Het verscheen bij Middernachtsroep waar men er volgende reklame over maakt. “De openbaring van de 70 jaarweken in Daniël 9 is een van de sterkste bewijzen om te laten zien hoe nauwkeurig Gods Woord in vervulling gaat. Heel precies wordt daarin het verloop van de heilsgeschiedenis, het lot van Israel, de komst van de Messias en het handelen van God met de naties voorzegd. De exacte overeenstemming van reeds plaatsgevonden gebeurtenissen met de profetieën van Daniël 9 IS ADEMBENEMEND. Wat de levende God in gecomprimeerde vorm door de profeet Daniël openbaart, is een bemoediging voor elke christen en moet iedere scepticus aan het denken zetten.” We citeren van http://www.allabouttruth.org/dutch/bijbelse-profetie.htm in het artikel Bijbelse


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 93 Profetie - Goddelijk Geïnspireerd: “De profetie stelt: 69 weken van jaren (69 x 7 = 483 jaar) zouden voorbijgaan tussen de verordening om Jeruzalem te herbouwen en de komst van de Messias. Dit is volgens de Babylonische kalender die 360 dagen telt, omdat het boek Daniël in Babylon werd geschreven tijdens het Joodse gevangenschap na de val van Jeruzalem. Dus, 483 jaren x 360 dagen = 173,880 dagen. Volgens de verslagen die door Sir Henry Creswicke Rawlinson in het Shushan (Susa) Paleis werden gevonden, en die door Nehemia 2:1 worden bevestigd, werd DEZE VERORDENING OP 14 MAART, 445 VOOR CHRISTUS, uitgevaardigd door Artaxerxes Longimanus. PRECIES 173,880 dagen later, op 6 April, 32 na Christus, rijdt Jezus op een ezel Jeruzalem binnen (hiermee de profetie in Zacharia 9:9 vervullend).” Op http://www.windmillministries.org/frames/NL-CH24-8A.htm staat een artikel: ‘Bewijsstuk #13: Daniel’s “zeventig weken”’ We citeren uit het bijna slot: “Voor de volledigheid volgen hieronder nog paar opmerkingen over deze analyse om in overweging te nemen: 

De exacte dag in het jaar dat de profetie van start ging is niet bekend. We weten alleen dat dit de Joodse maand Nisan was. De berekende datum van 6 maart, 444 BC lijkt met de gegeven informatie overeen te komen. (…)

Analyse van de profetie: 

Zelfs de meest extreem voorgestelde late datering van Daniël, van de tweede eeuw BC, gecombineerd met het bewijs van de Dode Zeerollen en de Septuagint, leidt nog steeds tot de conclusie dat deze profetie eeuwen voor haar vervulling was geschreven. HET IS EXPLICIET EN GEDETAILLEERD. Het specificeert een startpunt, een tijdsperiode en de voorspelde gebeurtenis zelf.”

APPENDIX I: Enkele wiskundige problemen in de leer dat 1 profetisch jaar = 360 dagen. Anderson, een onderzoeker bij Scotland Yard, heeft met behulp van een leer van 360-dagen per jaar, berekent dat er 173.880 dagen van het decreet zijn om de stad Jeruzalem te herstellen tot op de triomfantelijke intocht van Jezus in de stad. Dit is wat Walvoord erover zei: “Het is gebruikelijk dat de Joden rekenden met twaalf maanden van elk 360 dagen en daarbij af en toe een dertiende maandaan toegevoegd wanneer het nodig is de kalender te corrigeren.” Walvoord liegt hier minstens tweemaal in eenzelfde zin. Zie verder. De dispensationalisten (zoals Clarence Larkin, Tim LaHaye, Hall Lindsey, enz.) nemen de start van de profetie van Daniël 9:24-27 vanaf Nehemiah 2. We geloven dat men hier niet moet starten met de profetie. Ze hebben trouwens enkele variaties op die berekening, een start in 446 of 445 of 444 v. Chr. Opgepast er bestaat géén jaar “nul.” Want van 1 voor Chr. tot 1 nà Christrus is slechts één jaar en geen twee zoals wel eens gedacht wordt. We denken dat men niet vanaf Ezra 7:12-26 mag tellen, zoals men doet onder het dispensationalisme omdat dit, in onze visie, niet overeenkomt met wat de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 94 profetie zegt in Jesaja 44/45. Het bevel tot herstel van JERUZALEM als stad is gegeven door Kores in 538 v. Christus. Van Dr. Thomas Ice voorvechter van de bedelingenleer verscheen op de site van www.pretrib.org/ ‘The Seventy Weeks of Daniel.’ Hij bespreekt er onder andere de nieuwe stelling van Harold Hoehner dat Nehemia start in 444 v. Chr. en heeft er enkele hoogdravende woorden: “Dr. Hoehner heeft een waterdicht bewijs gegeven voor het verstaan van het begin en einde van de eerste negenenzestigste weken van Daniël. (…) Tot op heden heeft niemand het werk dat Dr. Hoehner heeft gedaan, degelijk weerlegd. Het is de volle ondersteuning van de letterlijke interpretatie van de profetie van Daniël en is voor zover de enige aanpak die de cijfers laat kloppen” (wij onderlijnen en zetten in zwart). Maar dat is niet zo en doet de echte waarheid geweld aan. Dr. Hoehner is op zijn minst driemaal verkeerd. Zie de slottabel verderop of ga naar het Internet voor Bob Pickle, ‘An Examination of the Chronological Difficulties of Hoehner and Ice’s Calculations of Daniel 9’s First 69 Weeks.’ Op http://www.pickle-publishing.com/ Men rekent dus in sommige kringen, vrij recent zo: “Bij gebruikmaking van de (geaccepteerde) 360 dagen [maand] rekening verkrijgen we dit resultaat. De vermenigvuldiging van 69 weken X zeven dagen voor elke week geeft een totaal van 173.880 dagen. Het verschil tussen 444 n. Chr. en 33 na Chr. is 476 zonnejaren. Door de vermenigvuldiging van 476 met de lengte van een ZONNEJAAR, dat is 365,24219879 of 365 dagen, 5 uren, 48 minuten, 45,975 seconden, bekomt men 173.855,28662404 dagen of 173.855 dagen, 6 uren, 52 minuten en 44 seconden. Zodat we nog slechts 25 dagen moeten toevoegen tussen 444 n. Chr. en 33 na Chr. Wanneer we de 25 dagen van 5 maart (van 444 v. Chr.), rekenen tot 30 maart (van 33 na Chr.), dan is dat 10 Nissan [van de Joodse kalender] van het jaar 33 na Christus. De dag van de triomfantelijke tocht van Jezus in Jeruzalem…” (we parafraseren Hoehner). Dat klopt allemaal natuurlijk niet met de werkelijkheid van 1 jaar = 365 1/4 dagen. Maar ook 360 dagen interpreteren als dagen van een “profetisch” jaar doet de Bijbel NERGENS EN NOOIT. Door een jaar aan te passen als een profetisch jaar van 360 dagen, zijn 476 gewone jaren gelijk aan 483 profetische jaren. De dispensationalisten hebben hun rekening laten kloppen. Dat kan natuurlijk slechts indien er werkelijk zoiets bestaat als een profetisch jaar van 360 dagen. Die visie trachten ze als volgt te bewijzen. Dispensationalisten zeggen dat Mozes een kalender had van 360 dagen in een jaar van 30 dagen in één maand. Hij zou die gebruikt hebben in het verslag van de zondvloed. De argumentatie die men gebruikt zijn dan de volgende: Genesis 7:11: “In Noachs zeshonderste levensjaar, in de tweede maand op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle sluizen der grote waterdiepte open en werden de sluizen des hemels geopend.” Genesis 7:24: “En de wateren hadden de overhand over de aarde, honderd vijftig dagen lang.” Genesis 8:3,4: “en de wateren vloeiden gestadig van de aarde weg. Aldus namen de wateren na verloop van honderd vijftig dagen af. En in de zevende maand, op de zeventiende dag der maand, bleef de ark vastzitten op het gebergte van Ararat.” Van de 17de dag van de tweede maand tot de 17de dag van de zevende maand is volgens


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 95 deze rekening (van Mozes of van diegenen van wie Mozes het verhaal overschreef) gewoon, 5 maanden = 150 dagen. Daar valt niets op aan te merken. Alleen mogen we niet zeggen dat hier zou staan dat één maand = 30 dagen. Want dat staat niet in het verslag. Stel dat men toen rekende met alternatief maanden van 29 dagen en 31 dagen. Ook dan is de som van 5 maanden = 150 dagen. Wat denkt u van deze rekening die de onze is: Februari = 28 dagen Maart = 31 dagen April = 30 dagen Mei = 31 dagen Juni = 30dagen Juli = 31 dagen, een mooie optelling van bijna 180 dagen (181 inclusief?), zes maanden in het totaal of 6 x 30! Mozes was echter ook geen dommerik: zelfs indien hij rekende met maanden van 30 dagen dan moet hij om het jaar rond te maken op het einde van die 12 maanden van 30 dagen nog de ontbrekende dagen invoeren. Want Mozes heeft van God in de Thora een instructie gekregen te rekenen volgens de maan EN de zon. Dat is wat men gedaan heeft in Egypte honderden jaren lang: een jaar van 360 dagen rond, maar ze haddan geen feesten die berekend waren op de stand van de maan, de Joden wel. Bij de Joden heeft zo een jaar van 360 dagen NOOIT bestaan, niet bij Mozes en niet in de rest van het OT. We gaan nu nog een stap verder. Er staat niet dat daarom in die tijd één jaar gelijk is aan 360 dagen. En er staat ook niet dat daarom één profetisch jaar = 360 dagen. Dat zijn twee conclusies die voortijdig en zonder énige dwingende reden door de leerlingen van het dispensationalisme gemaakt worden. Wanneer we schrift-met-schrift vergelijken dan is er nog een tekst dwingend aan de orde. Dit staat in Handelingen 7:22: “En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken.” In de astronomische rekeningen van de Egyptenaren duurde één jaar 365 1/4 dagen lang en niet 360 dagen lang. Egyptenaren hebben een tijd de rekening gehad van 360 dagen maar dat was niet de werkelijke kalender maar een berekening vanuit een religieuze overweging. Wat men wel had, waarschijnlijk om praktische redenen; is dat één jaar bestond uit 12 x 30 dagen plus 5 supplementaire dagen. En dat 1/4 dagen schoof gewoon op. Mozes opgevoed als een prins der Egyptenaren moet dat geweten hebben. Maar dat is niet de BIJBELKALENDER. Hij zal in Genesis dus niet zomaar over profetische jaren gesproken hebben van 360 dagen. Dat gedeelte heeft niets met profetie te maken heeft. De vloed was de vervulling van een profetie. Want het verhaal van de vloed begint wanneer God aan Noach laat weten dat er 120 jaar later een vloed komt om de goddeloosheid van de aarde te vegen. Dát is een profetie. En indien er zoiets bestaat als een profetisch jaar dan moet het hier gerekend worden; 120 x 360. Maar al dezen die zo een jaar willen aannemen rekenen voor deze profetie van 120 jaar niet volgens de kalender van 360 dagen per jaar. Ik ken er geen enkele. Dat wil zeggen dat men het niet toepast waar het hoort en gebruikt waar er geen profetie aan te pas komt. Begrijpt u het? Ik niet! Dit staat er in de Bijbel over die vloedperiode: DATUM vanaf de GEBEURTENIS BRONTEKST ouderdom van Noah God gebied Noah een ark te bouwen, om later Jaar 480. Genesis 6:14-21. dieren in te verzamelen.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 96 Jaar 600: 10de de 2de maand.

van

Noah moet de ark vullen met dieren. De vloed zal Genesis 7:4. beginnen in 7 dagen. Waterdiepten gaan open. De regens beginnen te Jaar 600: 17de van de Genesis 7:4 en stromen. Ze vallen voor veertig dagen en veertig 2de maand. 10,11. nachten. Jaar 600: 27st van de De regen stopt. Genesis 7:12. 3de maand. Jaar 600: 17de van de De aarde staat onder water voor 150 dagen. De ark Genesis 7:24 en 7demaand. komt tot rust op de bergen van Ararat en de 8:3,4. wateren beginnen te zakken. Jaar 600: 1st van de De wateren trekken terug tot deze datum. Toppen Genesis 8:5. 10de maand. der bergen worden zichtbaar. Jaar 600: 11de van de Noach zend een raaf uit en blijft nog 40 dagen in Genesis 8:6,7. 11de maand. de ark. Jaar 600: 18de van de Noach zend een duif uit die terugkeert. Genesis 8:8,9. 11de maand. Jaar 600: 25st van Noach zend opnieuw de duif uit die terugkeert met Genesis 8:10,11. de 11de maand. een tak in de bek. Jaar 600: 2st van 12de Noach zend een derde maal de duif uit die niet Genesis 8:12. maand. terugkeert. Jaar 601: 1st van de De aarde is bijna gedroogd. Noah opent de ark. Genesis 8:13. 1st maand. Jaar 601: 27st van de De aarde is droog en men verlaat de ark. Genesis 8:14-19. 2de maand. De profeten Daniël, Ezra, en Nehemiah leefden allen in de periode van het Babylonisch en Medo-Perzisch rijk. De kalenders die men dan gebruikte zijn gekend als de lunisolare rekening. Één jaar bestond er uit 12 of 13 perioden van 29-dagen of 30-dagen, maanden genoemd. Men moest zo wel rekenen omdat men keek naar de stand van de maan en de zon om de kalender te rekenen. En gezien de maan 29 ½ dag nodig heeft om rond de aarde te draaien en op hetzelfde punt terug te keren, moet men nu eens 29 en een ander maal 30 dagen rekenen. Maar dat is niet alles. Men heeft dan slechts 354 dagen per jaar wanneer men 12 maanden rekent. Rekent men er één maand meer bij (dus 13 per jaar) dan klopt het niet, want dan zit men vlug aan één volle maan teveel over een periode van 3 jaar. Men had dan het systeem bedacht om over een periode van 19 jaar zeven maal een dertiende maand in te voeren. En dan klopt alles ongeveer op enkele minuten na, de omwentelingen van de aarde rond de zon en deze van de maan rond de aarde lopen dan ongeveer gelijk of synchroon. Deze manier van maand-jaar berekening gebruiken de Joden nu nog. De stelling waarvan we dan moeten uitgaan is deze: er is geen enkele reden om een profetisch jaar van 360 dagen aan te houden. Dat bestaat niet dan slechts in de verbeelding van enkelen. Men staat niet meer op de vaste grond. En daar een theologisch bouwwerk op bouwen is ondoordacht. In ‘The Cambridge History of Iran’ Volume 2, The Median and Achaemenian Periods, (Edited by Ilya Gershevitch, Cambridge, MA, USA: Cambridge University Press, 1985, blz.750 staat het volgende: “Er is geen reden aan te nemen dat er iets is als een ”rond jaar” van


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 97 360 dagen (…) niet in de Perzische mythologische lijst van regeerders of ergens anders in Iran. Het is een geleerde constructie, zonder historische gronden, maar niettemin wijdverspreid ook onder recente historici.” Archeoloog Cyrus Gordon zegt in ‘Opgravingen in Bijbelse grond’: “Ook het Egyptische zonnejaar van 365 dagen heeft ons bereikt, zij het dan met Juliaanse en Gregoriaanse verbeteringen. Met het zonnejaar hebben we ook de maand van Egyptenaren geërfd, onafhankelijk van de fasen van de maan. Bovendien komt onze dagindeling in vierentwintig uur, zoals zovele westerse beschavingsvormen uit het land van de Farao’s ” (Het Spectrum, Aulapocket n°553, 1960, blz.12.) Berekening van Sir Robert Anderson Sir Robert Anderson, geeft in The Coming Prince (Kregel, 1957, 10de uitgave), blz.128 de volgende data : START 14 maart 445 voor Chr. (1 Nissan) EINDE 6 april 32 na Chr. (10 Nissan) 476 jaren x 365 dagen (per jaar) = 173.740 dagen 173.740 dagen 116 dagen (schrikkeljaren) 24 dagen (14 maart tot 6 april, inclusief) =173.880 dagen ---------------173.880 dagen ÷ 360 dagen (voor een “profetisch” jaar) --------------483 jaren (of 360-dagen lengte) In deze rekening moet men van één en ander uitgaan waar geen echte zekerheid over bestaat. Spreekt Nehemiah 2:1 over een gebeurtenis die op de eerste Nisan plaats vond? Gewoon elke dag van de maand zou passen in dit verhaal zonder iets uit de tekst tegen te spreken! Dus opgepast met dit axioma! Wanneer iets zeer belangrijk is moeten we ervan uitgaan dat de Bijbel ons dat ook weet te vertellen. In Nehemiah 8:2 wordt dan iets gemeld op de eerste dag van de zevende maand. Waarom? Omdat de Schrift die informatie belangrijk acht. Dan moeten we ook vanuit Neh.2:1 besluiten dat de dag van de gebeurtenis niet belangrijk is; de profetie komt niet in het geding indien de start ervan enkele dagen later zou zijn. Het gaat niet om het rekenen van de dagen, maar van de jaren! Daar gaat het dispensationalisme in de fout wat betreft het begin van de periode. Want de 173.880 dagen zijn hier als een “wettekst” in het systeem ingebakken. En er is nog wat anders waarover onzekerheid bestaat. Sir Robert Anderson telt van 14 maart tot 6 april geen 23 dagen maar 24. Hij rekent beide dagen inclusief. Laat ons een beetje mathematisch te werk gaan. Indien we zeggen: we zullen elkaar morgen over deze zaak verder zien dan bedoelen we één dag later en geen twee. Stel het is vandaag zondag en u spreekt af: ik zie je daarover volgende week, dan bedoelen we zeven dagen later en niet acht dagen later. Jaren, maanden en dagen worden niet inclusief opgeteld. Bijvoorbeeld 1 Nisan van het jaar 5 tot 1 Nisan van het jaar 10 is niet = 6 jaren maar in werkelijkheid 5 jaren. Het is de onderliggende (tussenliggende) periode die men moet optellen. (Sommige dingen zijn natuurlijk afhankelijk van het taalgebruik want in het Frans in “une quizaine” = letterlijk 15 dagen, maar het is in werkelijkheid slechts 14 dagen.)


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 98

Dit maakt de berekening van Anderson totaal onmogelijk als interpretatie; Christus sterft nadat de 69ste week is gestopt (op Palmzondag) maar die dood valt niet zelf in de 70ste week. David Guzik, is één van de schrijvers die een groot aandeel hebben in de Blue Letter Bible. Hij schreef ook een ‘Study Guide for Daniel 9’: “Niemand vandaag is in staat dogmatisch te verklaren dat Sir Robert Anderson’s berekeningen ONMOGELIJK zijn.” Dit is een citaat van Walvoord, dat we tevergeefs hebben trachten terug te vinden, maar we hebben ook maar 4 boeken van deze man. Als het waar is wat Guzik schrijft en ik heb geen reden eraan te twijfelen, dan het merendeel van dezen die in de dispensatieleer geloven fout. De meesten onder hen hebben namelijk ondertussen een andere uitleg dan wat Anderson beweerde. Berekening van Sir Robert Anderson AANGEPASTE VERSIE (die ook fout is) Er zijn in de berekeningen van R. Anderson slechts enkele varianten aan te brengen en het systeem klopt nog minder dan wat hij beweert. Veronderstel dat Nehemiah de brieven op 7 Nisan krijgt dus slechts één week later dan wat R. Anderson zegt. Dan moeten we één week later starten na 14 Nisan: namelijk 20 Nisan. Zodat er dan ook minder dagen zijn in het jaar 32 na Chr. tussen 20 maart en 6 april. START 20 maart 445 voor Chr. (7 Nisan) EINDE 6 april 32 na Chr. (10 Nisan) 476 jaren x 365 dagen (per jaar) = 173.740 dagen 173.740 dagen 116 dagen (schrikkeljaren) + 17 dagen (20 maart tot 6 april) = 173.873 dagen --------------173.864 dagen - 360 dagen (per “profetisch” jaar) --------------482 jaren (of 360-dagen lengte) (plus 353 dagen) Volgens deze telling is de laatste dag van de 69st week 17 Nisan, de dag van de opstanding van Christus. Nu zegt de profetie van Daniël dat de Messias afgesneden wordt NA de 69ste week. Wat we hier voorstellen klopt dus ook niet met de voorzegging. Dat wil ook zeggen dat deze van Anderson in zijn geheel niet klopt. Slechts indien we zeggen dat de aanvang van de voorspelling begint VÓÓR 5 NISAN kan de profetie juist zijn. Natuurlijk dan nog steeds gerekend met de verkeerde visie dat één profetisch jaar = 360 dagen. De visie van R. Anderson is dus verkeerd omwille van de volgende punten: 1°) De begindatum in Nisan is verkeerd. 2°) Een jaarkalenderrekening van 360 dagen bestaat niet. 3°) De einddatum is dus ook verkeerd. 4°) De inclusieve telling die hij gebruikt, is verkeerd. 5°) Christus sterft in de periode die de breuk is tussen week 69 en 70.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 99

Berekening van Gavin Finley volgeling van R. Anderson, AANGEPASTE VERSIE (ook fout) Op http://endtimepilgrim.org/ staan een reeks artikelen van Gavin Finley MD, over ‘THE 70 WEEKS OF DANIEL’ (130 bladzijden A4, we citeren enkele zaken, soms zonder vertaling). Daar dienen we wat over te zeggen. De schrijver is de belangrijkste verdediger van de berekeningen van Sir Robert Anderson die we kennen. Het is een leerling van deze gewezen inspecteur van Scotland Yard, maar gaat ook nog verder dan hem. Volgens Finley is Anderson slechts een twee- of drietal dagen mis in zijn berekeningen. Dit is één van zijn conclusies: “All this notwithstanding, Sir Robert ANDERSON'S REMARKABLY ACCURATE AND FAITHFUL WORK, perhaps set back in time by no more than 2-3 days is recorded in his book, now available online, "The Coming Prince". IT IS A LANDMARK PIECE OF SCHOLARSHIP still being published today long after the first edition came out in 1894. His book should put to rest any historicist or preterist notions that 70 weeks or 69.5 weeks have already been completed” (wij onderlijnen en onze hoofdletters). Robert Anderson (later ‘Sir’) schreef in 1877 een brief naar informatie over maanstanden in de tijd van Nehemia aan de Astronomer Royal of Greenwich Observatory. Dit was het antwoord: “ROYAL OBSERVATORY, GREENWICH.” June 26th, I877. “SIR, – I have had the moon's place calculated from Largeteau's Tables in Additions to the Connaisance des Tems 1846, by one of my assistants, and have no doubt of its correctness. The place being calculated for – 444, March 12d. 20h., French reckoning, or March 12d. 8h. P. M., it appears that the said time was short of New Moon by about 8h. 47m., and therefore the New Moon occurred at 4h. 47m. A. M., March 13th, Paris time.” I am, etc., “ (Signed,) G. B. AIRY.” (Opgepast in wat volgt: in de Engelse taal is een komma = een punt voor ons en is punt = komma.) Gavin Finley rekent als volgt: “Let us not immediately assume that these 'years' are earthly years of 365.2422 days. This is where many have gone wrong in their calculations of the 70 weeks of Daniel. Remember that these 'seventy weeks (sevens) of years' are issued to us from the throne of God.” Dit moet het volgens hem zijn: Het eerste deel van de 70 weken omvat 7 + 62 = 69 weken (heptaden). Je moet het rekenen als 69 “zevens” of Bijbelse jaren. Die 69 weken tijdspanne = 69 x 7 = 483 Bijbelse jaren. 483 Bijbelse jaren = 483 x 360 dagen = 173.880 dagen. “This is the all important time span. Our task now is to insert this time segment between two auspicious dates in holy history.” Hij laat het inpassen in zijn schema als volgt: “As we trace out the first 69 of the 70 weeks through time we see that the time span began very early in the month of Nisan in the 20th year of Artaxerxes Longinus. (Nehemiah 2) This was the spring of 445 B.C. We know that it was soon after the new moon of Nisan because 173,880 days is 5,888 moons plus 8 days. Going back 8 days from Nisan 10, (Palm Sunday) we get Nisan 2, (Sir Robert Anderson said


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 100 it was Nisan 1 but this difference is of little consequence)” (wij onderstrepen). Wij zeggen: het bouwen van de muur (muren) in Nehemia is NIET DE SLEUTEL om de profetie te begrijpen. De sleutel is dat Kores de toelating geeft om naar Juda terug te keren en een nieuwe tempel te bouwen. Jesaja hoofdstukken 44 en 45 zijn véél belangrijker dan Nehemia 2. Toch blijft Finley beweren: “As we have determined above, the 69 weeks is a timespan of 173,880 days inclusive. This is 173,879 days for the difference between the first and last days of the 173,880 days. The true solar year astronomically is 365.242199 or 365.2422 days. How many years then is in this interval of 69 "weeks"/sevens/173,879 days? Let us pull out our calculators and see. 173,879 days divided by 365.2422 days = 476.0649 years. So the 69 weeks/sevens = 476 years plus a small fraction of a year. That small fraction is 0.06492 of a year. 0.06492 x 365.2422 days per year = 23.7 days or 24 days.” “And when is our finishing day? As we shall see the 173,880 day time line comes to its terminus on a very auspicious day in the Passover month of Nisan in 32 A.D., specifically Nisan 10 of that year. As we shall discover, it was 5,888 moons and 8 days later.” (…) “Having established a well fixed terminus for the 173,880 days let us remember that this April 9 Palm Sunday date is 24 days further down the solar year than the day of Nehemiah's edict 476 years and 24 days before. So if we back up 24 days from April 9 we shall get to our Gregorian calendar date in which Nehemiah went before the king and made his appeal to rebuild Jerusalem. April 9 minus 24 days = March 16 of 445 B.C. The question we must ask ourselves now is what date on the Hebrew calendar is March 16? Well again we shall need to determine when the new moon for Nisan 445 B.C. came through. Sir Robert Anderson's own data from the Astronomer Royal of Greenwich gives us a new moon time of 0709 hrs. or 7:09 a.m. on March 13. Nehemiah was at Susa in Persia and 700 miles to the east. This would give a new moon time for Susa about 45 minutes earlier than this Jerusalem time. Would the new moon have been seen the following morning when it was 24 hours old? It may well have been. Sir Robert Anderson tagged this March 14 date as Nisan 1. But it might well have been reckoned as Nisan 2. Again, this is not a big issue. A forty-eight hour window after a passage of 476 years is exceedingly good accuracy!” (wij onderstrepen). Onthouden dus, dat Anderson, exinspecteur van Scotland Yard, wel eens twee dagen mis zou kunnen zijn. Maar dan moeten we ook de SUPERLATIEVEN WEG-LATEN, DAT ALLES TOT OP DE DAG NAUWKEURIG KLOPT IN DANIEL 9:24-27. Volgens Anderson’s cijfers natuurlijk, want de profetie klopt om gans andere redenen niet. Men moet zich niet achter zijn beroep verschuilen en beweren, zoals men ook nu nog doet, dat hij alles nauwkeurig heeft onderzocht zoals een dedective het zou gedaan hebben en tot die verbluffende oplossing kwam. Zoals zoveel kalenders uit vroegere tijd was die van de Joden gebaseerd op de standen van de maan. Zodat iedereen die het geleerd was, aan de stand van de maan (des nachts) je kon vertellen welke dag van de maand het ongeveer was. Een geoefend oog kon dat met een zekere nauwkeurigeheid zeggen. Maar het grootste probleem was het vaststellen van de eerste dag van die nieuwe maanmaand. Bij slecht weer kon je het niet en wie geen echte telling gevolgd had van de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 101 vorige maanmaanden (die allen 29,5 dagen duurden) was één of twee dagen mis. Normaal was de nieuwe maan slechts 24 uur nadien echt zichtbaar. Op de Islamietische website moonsighting.com/ kan je er veel over te weten komen. Die rekenen namelijk liturgisch met dat soort maandagen, maar passen alles aan de wereldse kalender aan voor het gewone leven. Hieronder een ander argument en illustratie van Finley. Dit is nog niets vergeleken bij de twee verschillen tussen Gavin Finley en Robert Anderson’s berekeningen. BIBLICAL TIME AND THE SEVENTY WEEKS OF DANIEL 360 DEGREES TO A SIÈCLE, AND 360 DAYS TO A YEAR. 12 SECTORS OF 30 DEGREES, AND 12 MONTHS OF 30 DAYS. THE SOLAR CYCLES AND LUNAR CYCLES IN THE MATHEMATICA L AND GEOMETRIC PERFECTION OF GOD.

Gavin Finley komt met een kalender aanzetten van 360 dagen = Gods superkalender. (Finley is niet de énige die met zo een superkalender werkt maar ook bijvoorbeeld de leiders van www.360calendar.com) Dit lezen we bij G. Finley: “In Genesis we are told that the flood of Noah began on the 17th day of the 2nd month. Gen.7:11) On that day the "fountains of the deep were broken up and the windows of heaven were opened". Exactly five months later on the 17th day of the 7th month "the floodwaters receded and the ark came to rest on Mount Ararat". This five month span of time is stated twice in Genesis to be 150 days. -Gen.7:24 and 8:3) 150 divided by 5 = 30 days. This is a bit different from what we see in our damaged solar system today. Five of our present months/lunar cycles would be 5 x 29.530 = 147.5 days. But the Genesis account records a span of precisely 150 days. So we must conclude that edicts coming to us from the throne of God up in the third heaven regarding time involve perfect months containing 30.0000000000 days each.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 102 Wanneer Finley gaat schrijven over het jaar van 365,2422 dagen gebruikt hij; éénmaal de uitdrukking “damaged and imperfect cosmos” en tweemaal “damaged cosmos.” En daarbij heeft hij in zijn artikelen met regelmaat een tabel die ons dat moet duidelijk maken. Met de vloed is de dagindeling van de aarde rond de zon veranderd van 360 dagen naar 365,2422 dagen. Dit is zijn besluit: “This is a bit different from what we see in our damaged solar system today. Five of our present months/lunar cycles would be 5 x 29.530 = 147.5 days. But the Genesis account records a span of precisely 150 days. So we must conclude that edicts coming to us from the throne of God up in the third heaven regarding time involve perfect months containing 30.0000000000 days each.” Hier een andere tabel van Finley, die op die manier zijn zaak wil halen tegenover Anderson en Dr. Harold Hoehner. Het is waarschijnlijk bij een eerste oogopslag voor velen niet duidelijk wat het verschil is. Het is dit: Finley is er van uitgegaan dat het jaar waar Nehemia toelating krijgt van Artaxerxes om naar Jeruzalem te gaan er één was van 13 MAANDEN. Wetenschappelijke term hiervoor: een embolysmaal jaar. U merkt op de tekening dat er 3 varianten zijn; 1°) Gavin Finley 2°) Robert Anderson 3°) Harold Hoehner (hierover later meer) In wat volgt gebruiken we enkele malen een term uit de astronomie “embolistisch” en heeft deze betekenis: “Embolistisch betekent ‘er tussen gevoegd.’ Een embolistische maand is een extra maand die alleen in sommige jaren aan een kalender wordt toegevoegd, meestal om een maankalender in de pas te laten lopen met het tropische jaar. Een embolistische dag heet ook wel schrikkeldag.” http://www.astro.uu.nl/~strous/AA/nl/woordenboek.html En de betekenis van een ander begrip dat we nog enkele malen tegenkomen, “equinox”: van http://www.astro.uu.nl/~strous/AA/nl/woordenboek.html#E “De equinox is het tijdstip waarop de Zon de hemelevenaar oversteekt. Dit wordt ook wel de nachtevening genoemd. Rond zo'n tijd zijn de dag en nacht overal op Aarde bijna even lang. Het begin van de (astronomische) seizoenen van lente en herfst worden door een equinox aangegeven (waar die seizoenen relevant zijn).” Dit is een gedeelte van het commentaar van Gavin Finley bij de illustratie. Wij wijzen erop dat dit niet onze visie is, maar het bewijst dat de argumentatie tussen de aanhangers van Nehemia als het startsein van de 69 weken niet verschoond is van harde onderlinge kritiek. Dit zegt Finley: “In de tabel zien we dat de periode van 173.880 dagen in onze tijdsberekening bijna een maand langer duurt van de 476 jaar, gerekend van equinox tot equinox. Dat is een lange tijdsperiode en het moet beginnen in de maand van Pasen, de maand nisan in de dagen van Nehemia en eindigend in de maand nisan van het jaar van de kruisiging. Men ziet dat slechts in het geval van een late Pasen van de kruisiging zoals in een embolistisch-jaar (een jaar met een extra dertiende maand “Adar”), deze extra lengte kan opleveren.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 103 Dit zijn de feiten in dat verband. Slechts het jaar 32 na Christus past in dit plaatje. Elke andere berekening eindigende in 30, 31, 33 of 34 na Christus is foutief. Zowel de periode eindigend in 31 en 33 na Christus komen te vroeg in die jaren om de 173.880 dagen vol te maken. En deze tijdslijnen beginnen werkelijk ook in een embolistisch-jaar. Men start dus te laat. De tussentijd van de éne nisan naar de andere is in werkelijkheid te kort. In het totaal is die tijdspanne te kort voor het aantal dagen van de 69 jaarweken. Elke periode, anders dan deze van 32 na Christus, kan geen 173.880 dagen volmaken door de 25 dagen extra van die 476 jaren te vullen. We zien dat de tijdspanne #2, beginnend in het jaar 445 v. Chr. en eindigend in 32 na Christus alles laat kloppen. Dat is de tijdspanne voorgesteld door Sir Robert Anderson in zijn klassiek werk, ‘The coming Prince.’ Slechts deze tijdslijn kan een verbinding maken tussen de twee maanstanden van de maand nisan, de nisan beginnend bij Nehemia en het einde met de nisanmaand van de kruisiging van de Heer en Pasen. Bekijk eens de details. Een waarachtige en correcte tijdspanne van de 69 weken van Daniël moet goed uitgelegd worden. De 69 weken (of zevenen) zijn 69 x 360 = 173.880 dagen. De tijdspanne van 173.880 dagen moet de overbrugging zijn van de nisanmaand van Nehemia hoofstuk twee en de nisanmaand rond Palmzonsdag van de paastijd in het jaar van de kruisiging. Dat is deze tijd: 173.880 dagen of 476 jaar plus een extra aan 25 dagen. Deze extra 25 dagen maken het een moeilijke taak. We moeten de lange lijn van nisan van “punt A” naar de nisan van “punt B” doorgaan en slechts een late Pasen (en late nisan) lost dat allemaal. Je kunt dat zien in het diagram voor het jaar 32 na Christus, daar heb je zo een late Pasen op weergegeven. Dat was een embolistisch-jaar met een extra maand “Adar.” Dat krijg je in een regelmaat van 7 maal over een periode van 19 jaren. En de nisan van het jaar 32 na Christus is zo een jaar. Daarom klopt alles hier exact. Alleen wanneer de terminus van de 173.880 dagen eindigen in 32 na Chr., zullen de 173.880 dagen passen in een kader tussen twee nisanmaaanden en 476 jaar omvatten. En de reden waarom het einde in 32 na Christus valt is ook eenvoudig, 32 na Christus is namelijk een embolistisch-jaar. De twee of drie jaar voordien waren dat niet. In 32na Christus kwam de maand nisan dus aan de late kant zodat er extra dagen waren om in te voegen. Zowel het begin van de periode als het slot ervan moet in een nisanmaand vallen. De Heilige Schrift is daar zeer duidelijk in, het is een absoluutheid en verplichting om de 69 weken, of de 173.880 dagen nauwkeurig te laten passen (…) Wanneer we de tijdslijn afgaan van 25 dagen en 476 jaren dan is er een verbinding van paasgebeurtenissen, en Palmzondag moet in een late nisan vallen. Het moet zondermeer een embolistisch jaar zijn. Was er in 32 na Christus een extra maand “adar” en was daardoor de vroege maand nisan verschoven naar een latere tijd? Was 32 na Christus een embolistisch jaar? Ja, zondermeer!” Dus straffe taal van Finley: “One year = 360 days = 12 months. And each month is a time period of precisely 30 days. The biblical or prophetic year is made up of twelve 30 day months. So the biblical year does not match our present cosmos. It is not 365 days, 5 hours, 48 minutes and 45.51 seconds. It is not 365.2422 days. It is precisely 360 days.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 104 This matches perfectly the 360 degrees of a circle” (wij onderstrepen). Berekening van Gavin Finley, volgeling van R. Anderson CONTRA Dr. Harold Hoehner Dr. Harold Hoehner heeft volgens Gavin Finley een fout van één jaar in zijn berekeningen en die aantekeningen zijn interresant genoeg om te vertalen. Vergeet het niet; wie niet de leer van Anderson volgt, is meestal leerling van deze man. Dit zegt Gavin Finley als kritiek op H. Hoehner: “Laat ons nu gaan kijken naar de derde oplossing, deze van Dr. Harold Hoehner. Hij stelt voor dat de 173.880 dagen in hun tijdslijn eindigen in Nisan van het jaar 33 na Christus. Maar zoals u kunt merken in de grafische voorstelling was het jaar na Christus géén embolistisch jaar. Wanneer de tijdspanne doorlopen wordt zal ze eindigen in het jaar 33 na Christus, met een vroege nisanmaan. Bovendien, terugrekenend naar het begin van de 476 jaren en 25 dagen kom je in 444 v. Christus terecht in een vroege lente, dan ben je 15 dagen verkeerd, 15 dagen vóór de lente equinox. Die maan zou te vroeg zijn om als een nisanmaand gebruikt te kunnen worden. Je zit in werkelijkheid in de twaalfde maand, de maand “adar.” Wat zien we in de bovenstaande diagramvoorstelling, de nieuwe maan van die bepaalde maand zou in de vroege uren vallen van 2 maart. De volle maan zou 14 dagen later vallen op 16 maart. Deze lentemaand zou zijn volheid bereiken op 16 maart en zou 5 dagen vroeger zijn dan de werkelijke lente-equinox (punt 'E' en dat is 21 maart). Een fout van dien aard geeft aan dat deze maand in dat jaar geen kandidaat kan zijn voor de maand nisan. Er zou een deriende maand moeten aan zijn toegevoegd en een embolistiche maand zijn. Een kalenderjaar met een tweede “adarmaand.” Ons besluit is dan, dat Professor Hoehner gefaald heeft om de werkelijke verbinding te leggen tussen de maand nisan uit de tijd van Nehemia en de 173.880 dagen. Nehemia zou op geen enkele wijze de tweede maand, de maand “nisan” genoemd hebben, maar zondermeer “adar.” Een Rabbijn of elke goede onderzoeker zou in het verband van de maan tegenover de lenteequinox, geen fout hebben gemaakt van zo een groot kaliber.” Trouwens er is nog wat anders. De Bijbel is geschreven onder toezicht van de Heilige Geest. De Heilige Geest maakt géén fouten. Het is onmogelijk dat de Heilige Geest zo een fout zou maken in het bepalen van een Hebreeuwse kalendertijd. Zowel de Schriften als de astronomische gegevens hebben gesproken. De tijdslijn tussen 444 v. Chr. 33 na Christus van de 69 weken van Daniël is te kort. De feiten die we hebben uit de Schrift en de astronomische gegevens over de standen van de zon en de maan in de hemel komen niet overeen met de uitleg van Hoehner. Dit hebben we gezien, 444 v. Chr. kan niet de start zijn van Nehemia die naar de koning gaat. En 33 na Chr. was niet het jaar waar we de passie van Jezus moeten zetten. Deze tijdspanne geeft géén nisanmaanden in de betrokken jaren. Dat alles is één jaar te laat en slechts de tijdslijn tussen 445 v. Chr en 32 na Chr. komt overeen met alle feiten. Er zijn nog andere schriftuurlijke gegevens die hier bij aansluiten. Er is in de geschiedenis genoeg bewijs voor het 20ste jaar van Artaxerxes Longinus uit Nehemia 2 als 445 v. Chr.” Het is duidelijk: men moet rekening houden met die embolistische-jaren. Want wat we ook mogen beweren, de kalender moet steeds aangepast worden aan de werkelijkheid. De reden


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 105 daartoe is zeer eenvoudig. Joden hebben jaarlijks meerdere feesten en op die feesten moeten offers gebracht worden van producten uit de landbouw. Je kunt niet doen zoals men het heeft geregeld in de Islam waar met een maankalender gerekend wordt van 354 dagen en waar de ramadanmaand gewoon mag opschuiven. Dat kan niet onder de Joodse wet. Men heeft dus de volgende vorm van aanpassing gevonden: in een periode van 19 jaar moet zevenmaal een DERTIENDE MAAND TOEGEVOEGD WORDEN AAN DE KALENDER. Op die wijze heeft een maanjaarkalender dezelfde lengte als een zonnejaarkalender. En daar zit ook de fout van alle berekenaars (Finley incluis) van jaren van 360 dagen: dat klopt niet met de werkelijkheid. Bereken je aan de hand van een maanjaar dan ben je 11,24 dagen kwijt gerekend naar het astronomische jaar. Reken je aan een zogezegd “Bijbels profetisch jaar van 360 dagen” dan ontbreken er nog 5,24 dagen om het astronomische jaar vol te maken. Wat Finley of anderen van deze leer ook mogen beweren de uitleg van Anderson is NIET:“the “Rosetta Stone” of biblical/prophetic time” (uitspraak van Finley.) Deze slotbewering van Finley is niet Bijbels te verantwoorden en bovendien niet op astronomische gronden te verklaren: “John the Beloved in two sentences eight verses apart gives two different descriptions of the flight of the woman and her subsequent exile at a wilderness place of safety and nurturing. In the first instance the time period is stated in terms of days. Then, eight verses later, in the same chapter the Holy Spirit restates the very same story using 'times' (or years) rather than days. Surely God did this to inform His people that one 'time' or one year, whenever it is issued to us as a period of years in scripture equals 360 days and not the 365.24 days presently observed in our solar system. This is the pattern or the Biblical 'code' for time. This is the biblical standard for time which is being consistently kept throughout God's Holy Word from Genesis to Revelation.” Finley komt tot de verklaring van zijn afwijkingen met Anderson’s berekeningen: “This is an amazing solution to the prophecy of the 69 weeks. Sir Robert Anderson's timeline for the 69 weeks/173,879 days was March 14, 445 B.C <------> April 6, 32 A.D. Nisan 1, 445 B.C. <------> Nisan 10, 32 A.D. This author's timeline, using the astronomical data of the solar and the lunar cycles, was very close to that of Sir Robert Anderson. March 16, 445 B.C. <------->April 9, 32 A.D. (476 years plus 24 days (inclusive)) Nisan 2, 445 B.C. <------->Nisan 10, 32 A.D. (5888 moons plus 8 days (inclusive))” (…) “One online resource that gives some lunar data is the U.S. Naval Observatory. Unfortunately it does not go back further than the year 1700. I have used Sir Robert Anderson's new moon data for 445 B.C. and 32 A.D. for this study. Armed with this lunar information we can then construct a combined Gregorian/Hebrew calendar on which to lay out the 69 weeks.” Berekeningen van Clarence Larkin, volgeling van R. Anderson, die niet meer zo populair is, maar het vijftig jaar terug wel was. (En zijn boeken zijn nog steeds in herdruk.) Clarence Larkin, geeft in ‘Dispensational Truth’ (1920), blz.70,71 de volgende data. 14 maart 445 voor Chr. (1 Nisan) 2 april 30 na Chr. (Palmzondag)


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 106 445 B.C. +30 A.D. --------------476 jaren (inclusief) 476 jaren x 365 dagen (per jaar) --------------173.740 dagen 173.740 dagen 119 dagen (schrikkeljaren) + 20 dagen (14 maart tot 2 april, inclusief) --------------173.879 dagen 173.879 dagen - 360 dagen (voor een “profetisch” jaar) --------------483 jaren (of 360-dagen lengte) Clarence Larkin was een ingenieur mechanica en architect. Hoe komt het dan dat hij zoveel fouten maakt in zijn berekeningen.? Hier zijn ze; 1°) Ten eerste: van 445 voor Chr. tot 30 na Chr. is niet 476 jaar inclusief gerekend, want er bestaat géén jaar 0. Wanneer je Larkin goed volgt moet Jezus sterven in het jaar 31 na Chr., maar hij zegt dat het 30 na Chr is. 2°) Ten tweede: welke formule is er om jaren inclusief te tellen? Is dat op alles toepasselijk of slechts in dit éné geval? 3°) Ten derde: welke formule is er om dagen inclusief te tellen? Zodat Larkin de fout maakt van TWEE JAAR EN ÉÉN DAG! Moet je de profetie geloven of de berekenaars? Contra de berekeningen van de leer van de bedelingen volgens een Adventist Over de berekening van Sir Robert Anderson één van de geestelijke vaders van de redenering dat er nog een toekomstige 70ste jaarweek te vervullen valt (zie de tweede uitleg en berekening) kunnen we de kritiek overnemen die G. F. Hasel (blz.7) hierover gaf. Hij zegt: “De nauwkeurige chronologie van Sir Robert Anderson rekent 173.880 dagen, van 14 maart (1 Nisan) 445 voor Chr. tot 6 april (10 Nisan) 32 na Chr., de intocht in triomf van Jezus op Palmzondag. Deze berekening kan slechts aangehouden worden (1°) bij de veronderstelling dat de jaren hier geen zonnejaren zijn maar profetische jaren van 360 dagen (2°) de veronderstelling dat de uitvaardiging van het decreet op 1 Nisan 445 voor Chr. was (3°) de veronderstelling dat Christus stierf in het jaar 32 A.D. (4°) de hypothese dat de 70ste week naar een verdere toekomst verschoven wordt (5°) aanvaarden dat er geen overeenkomst is tussen zonnejaren en profetische jaren zonder dat er willekeurig extra dagen worden toegevoegd.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 107 En we geven in het kort nog de rest van zijn bezwaren (zie blz.8-10) tegen R. Anderson, hier en daar door ons aangevuld. 1°) Er is geen rekening gehouden met de verschillen tussen de Juliaanse en Gregoriaanse kalenders. Er worden in de rekening 130 dagen toegevoegd zonder veel argumenten. 2°) Anderson (en zijn opvolger Hoehner) nemen 1 Nisan als uitgangspunt van Neh.2:1. Maar die tekst zelf geeft niet aan dat het de eerste dag is van de maand. Men rekent dus vanaf het begin met een hypothese. 3°) Het verschil tussen 69 weken volgens de zonnejaarberekening en de profetische jaarrekening van 360 dagen beloopt over die periode bijna 7 jaar. Een berekening van zonnejaren levert voor Anderson dan de jaartallen 445 voor Chr. tot 39 na Chr. op. Het is niet mogelijk om 173.880 profetische dagen (69 weken x 7 jaren x 360 dagen) en 173.855 zonnedagen (van 444 voor Chr. tot 33 na Chr.) elkaar te laten overlappen. In de rekening van Anderson is er een verschil van 140 dagen. In de vernieuwde berekening van Hoehner nog steeds 25 dagen. Maar opgepast, slechts één volk had in die tijd een rekening van 360 dagen en 5 supplementaire dagen, dat waren de Egyptenaren. Heeft Israël daar zijn profetische rekening gehaald? Mocht Gods volk dat? Berekeningen van dien aard hebben de Joden niet. En nog een historische notitie in dit verband. Rond het jaar 200 na Chr. schreef Julius Africanus een soort ‘Kerkgeschiedenis’ waarin ook Dan.9 besproken wordt. Daarin rekent hij voor 1 jaar = 356 dagen, dus een gewoon maanjaar. De 490 zonnejaren zijn dan in werkelijkheid slechts 475 maanjaren geworden. 4°) Het jaar van de dood van de Heer nemen in 32 (Anderson) of 33 na Chr. (Hoehner) geeft moeilijkheden met de chronologie van het NT. 5°) Aannemen dat er een breuk is tussen de 69ste en 70ste week schept problemen. Waarom geen breuk tussen de eerste 7 (jaar)weken en de 62 (jaar)weken? Gezien dat niet kan op basis van de exegese van de tekst zelf moet men gewoon lezen wat er staat. De 70 jaarweken volgen elkaar op zonder onderbreking. 6°) De suggestie van H. A. Ironside, A. J. McClain en anderen dat er nog meer profetie is waar een breuk is aangegeven in de profetische uitspraak bewijst nog niet dat die regel van toepassing zou zijn op Dan.9:24-27. Als regel moet veeleer gelden dat waar een profetie een tijdselement bevat, men moet rekenen met een ononderbroken lijn van tijd. Voorbeelden zijn: de 430 jaar van Gen.15:13 = Ex.12:40 / Gal.3:17 de 40 jaren in de wildernis = Num.14:34 de 7 hongerjaren van Gen.45:6 de 3 dagen van Jezus in het graf Mat.12:38-40 Dan.9:24-27 zou hierop de enige uitzondering zijn! 7°) Men tracht vers 26 te scheiden van vers 27. Vers 26 is te vervullen in de dagen van Jezus en vers 27 is toekomstig, honderden jaren later. Maar hier is geen enkele bewijsvoering voor aan te geven vanuit Dan.9:24-27. De context wijst niet in de richting van een gescheiden profetische uitspraak maar van één ononderbroken profetie. 8°) De dominante uitleg van dezen die geloven in de breuk tussen de 69ste en 70ste week berust op de gedachte dat er een toekomstige regering van de Satan komt. Maar dat is een gedachte die vreemd is aan de theologie van het OT. Daarin lezen we alleen over een toekomstige regering van de Messias, niet van Satan. Daarom is de persoon beschreven in Dan.9:26 = de persoon uit Dan.9:27. 9°) In vers 26 ligt de nadruk op “het volk” in vers 27 op “de prins.” Beide uit elkaar halen maakt


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 108 de profetie onverklaarbaar moeilijk. Het volk is natuurlijk Israël (letterlijk en/of geestelijk) zodat de “prins” ofwel een koning is over Israël of de Messias, maar zeker niet de Satan of een “prins” van Satan. En daarenboven, “het volk” en “de prins” leven in hetzelfde tijdperk en niet gescheiden door honderden jaren. (Einde argumentatie van G. Hasel.) We denken niet dat de uitleg van één dag = één jaar een goede visie is op, hoe het OT spreekt over tijd. Wanneer in verband met een voorzegging, een tijd gekoppeld is lijkt het voor ons, dat de tijd letterlijk moet opgevat worden. We geven enkele voorbeelden: PROFETIE VERVULLING Aankondiging van de zondvloed (zeven dagen) (*) Gen.7:4 en 7:10 Duur van de zondvloed (40 etmalen)

Gen.7:4b en 7:12

Omtrent de schenker en de bakker (3 dagen)

Gen.40:13 / 40:20 / 40:22

Zeven jaren van overvloed en honger (later)

Gen.41:29,30 / 41:53,54

De hagelplaag van Egypte (morgen)

Ex.9:18 en 9:22-28

40 jaar in de woestijn

Num.14:34 / Heb.3:17

Rondtrekking om Jericho

Joz.6:3,4 en 6:14,15

Geen regen of dauw (3 ½ jaar)

1 Kon.17:1 / Jac.5:17

Hongersnood in Samaria (morgen)

2 Kon.7:1 / 7:18

Ballingschap van Juda (duur) (70 jaar)

Jer.29:10 / Dan.9:2

(*) Zijn we consequent dan moeten we dit rekenen volgens het dag = jaar beginsel of 120 jaar x 360. Dus een voorspelling van hoevele jaren? NOTA: Om alles niet nog complexer te maken hebben we het niet over de jaarkalender, die sommigen gebruikten in de tijd van Jezus, die 364 dagen telde. Eén jaar was verdeeld in vier delen van 90 dagen + 1 supplementaire dag. En uiteindelijk had men in elk jaar een tekort van 11/2 dag. Er zit wat symboliek achter van; 52 weken x 7 dagen. De extra dagen werden volgens het apocriefe boek Jubileeën 6:23 gerekend na de 1ste, 4de,7de en 10de maand. (Dr. Shemaryahu Talmon de grote specialist van kalenders uit die periode van Christus geeft aan dat deze sekte elke zeven jaar een extra week invoegde en twee weken elke 28 jaar. Zie Talmon, Shemaryahu, ‘The World of Qumran from Within: Collected Studies’ Jerusalem: Magnes Press, 1989, blz.147-185.) En we gaan ook niet verder uitwerken wat er allemaal aan de orde kwam op chronologisch gebied in de 1ste en 2de eeuw voor Christus. Maar vernoemen we toch deze: de menselijke geschiedenis telt 4.900 jaar.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 109

Volgens het boek Enoch 93:3-10 / 91:12-16 Begin schepping 3.668 voor Chr. Herstel van de tempel 253 na Chr. Het Laatste oordeel 1.233 na Chr. Latere aanpassingen volgens de boeken Maccabeën Begin schepping 4.088 voor Chr. Herstel van Israël 168 voor Chr. (volgens Dan.9:24) Derde aanpassing (Testament van Levi 17) Begin schepping 3.941 voor Chr. Begin laatste Millennium in 41 voor Chr. (jaar 3.900 na schepping) Laatste oordeel 960 na Chr. (jaar 4900 na Chr.) Men speelt dus met veelvouden van 7 x 10 x 70 = 4.900 of 490 x 10. APPENDIX II: de leer van de bedelingen hierover in tabelvorm

Zeventig Wekenprofetie = 490 jaar Daniël 9:24-27 gerekend aan letterlijke jaren van 360 dagen, volgens dispensationalisten (Bijbels gezien een onbestaande jaartijd). BEVEL IN HET JAAR Van Artaxerxes I in 445 v. Chr. [1]

Van Artaxerxes I in 444 v. Chr. [2] Van Artaxerxes I in 444 v. Chr. [3] Van Artaxerxes I in 446 v. Chr. [4]

LEIDER VAN DE TERUGKEER EN START Nehemia Nehemia 2:1-11 10 nisan = 14 maart 445 v. Chr. Nehemia Nehemia 2:1-11 1 Nisan = 4 of 5 maart 444 v. Chr. Nehemia Nehemia 2:1-11 5 Nisan Nehemia Nehemia 2:1-11 24 november 446 v. Chr.

VERSCHIJNING VAN DE MESSIAS OP PALMZONDAG

DOOD VAN JEZUS

6 april 32 na Chr.

Vrijdag daarop

30 maart 33 na Christus

Vrijdag daarop

30 maart 33 na Christus

Vrijdag daarop

Palmzondag niet aangegeven.

3 april 33 na Christus

[1] Sir Anderson R., ‘The Coming Prince’ 10th ed., Kregel, rep. 1980.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 110 

 

Goede kritiek op R. Anderson is: Bob Pickle, ‘An Examination of Anderson’s Chronological Errors Regarding Daniel 9’s First 69 Weeks.’ Op http://www.picklepublishing.com/ Recente Babylonische kalenders tonen aan dat 1 Nisan in 445 v. Chr. viel in een SCHRIKKELJAAR en dat 1 Nisan = 13 april. Dat is niet wat Sir R. Anderson leert. Zodat ook de Palmzondagdatum van die schrijver niet klopt in de berekening. Zie: Richard A. Parker and Waldo H. Dubberstein, ‘Babylonian Chronology 626 BC - AD 75’, Brown University Press, 1956, blz.32. Op ‘The Shepherd's Page’ (http://www.abdicate.net/cal.aspx) staat een programma om de omrekening te maken van een Joodse dag naar de Juliaanse of Gregoriaanse kalenderdag. De zondag 6 april was geen 10de Nisan, maar waarschijnlijk 6 Nisan, en Pasen acht dagen later op maandag 14 Nisan. Vern Sheridan Poythress, ‘Hermeneutical Factors In Determining The Beginning Of The Seventy Weeks (Daniel 9:25)’, Trinity Journal 6:2 (Fall 1985), blz.146-149 heeft nog een andere kritiek op Anderson, namelijk zijn berekeningen van de 70 jaren van ballingschap. Neen, er zijn geen twee of zelfs drie perioden hierin te onderscheiden. Zie dit op http://www.biblicalstudies.org.uk/ Chuck Missler schreef op www.khouse.org/articles/2004/552/ een artikel, ‘Daniel’s 70 Weeks’ en zegt er bijvoorbeeld dit: “De nauwkeurigheid van profetie Wanneer we de periode bekijken van 14 maart 445 v. Chr. tot 6 april 32 na Chr. en de correcties maken voor de schrikkeljaren hebben we exact 173.880 dagen! Hoe kon Daniël zoiets van tevoren weten? Hoe zou iemand zo een gedetailleerde voorzegging kunnen geweten hebben.” Dit is een ingekort artikel van zijn boek met dezelfde titel verschenen bij Koinonia House, 2004. Dus vrij recent, een promotie voor Anderson’s berekeningen. Deze Chuck Missler is één van de schrijvers voor ‘The Blue letter Bible.’ Heeft hij nog niets gehoord van al de fouten in de zaak die R. Anderson heeft bedacht? In ‘A Bible Study’ van Jack Kelley ‘The 70 Weeks of Daniel’ geschreven in de laatste jaren vóór het jaar 2.000 àp www.gracethrufaith.com/ikvot/the-70-weeks-of-daniel lezen we: “Maar volgens Nehemia 2:1 is het bevel gegeven om Jeruzalem te herbouwen in de eerste maand van het 20ste jaar van de regering van koning Artaxerxes van Perzië (maart van 445 v. Chr. op onze kalender… ). Exact 483 jaar daarna reed de Heer Jezus in Jeruzalem op een ezel en riep men “Hosanna.” Dat was de enige dag in Zijn leven dat Hij toeliet dat zijn discipelen hem koning van Israël noemden, zodat de profetie van Daniël tot op de dag vervult werd.” We hebben hier eenzelfde vraag: heeft hij nog niet gehoord van al de fouten in de zaak die R. Anderson heeft bedacht? Hij was geen goede rechercheur, want uitgaande van een verkeerde inlichting kwam hij tot een verkeerde uitslag. Op http://www.harvardhouse.com/prophetictech/elephantine.htm#elephantine staat een vertaling van enkele documenten uit Elephantine (Egypte) waar de datum van Koning Artaxerxes' 20ste jaar begon op 18 september 446 v. Chr. en liep tot 5 september 445 v. Chr. (Hebreeuwse kalender). Hoe dit past met het vorige is ons een raadsel. Wellicht heeft Egypte op dat moment een andere maand in zijn kalender dan Suza waar Nehemia is! Maar het zou eenvoudiger kunnen zijn dan dat. De schrijver is tweemaal gezalfd met de Heilige Geest, heeft telepatische gaven en heeft uit-het-lichaam ervaringen. En dergelijke zaken klasseer ik in een bepaald verband, maar niet in Bijbels verband. Bovendien staan er


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 111 zaken in, die doen denken aan valse profetie, die de schrijver na het evenement met veel verve weet te minimaliseren. U hoeft het artikel dus niet echt te lezen tenzij u alle rarigheden over Daniël 9 moet onder ogen hebben gehad, zoals wijzelf. [2] Dr. Hoehner H. W., ‘Chronological Aspects of the Life of Christ’, Zondervan, 1977.  Dr. Hoehner zegt dat de datum 445 v. Chr. zoals Anderson die geeft niet historisch juist is. Want het 20ste jaar van Artaxerxes is 444 v. Chr. Dr. Hoehner geeft een ander probleem aan van Anderson, men mag niet eindigen in 32 na Christus. Hij toont aan dat wanneer we uitgaan van de 10de Nisan, zoals Sir Robert Anderson doet, Christus gestorven zou zijn op een zondag of maandag. Wie rekent op een sterven van de Heer op een vrijdag komt met Anderson verkeerd uit. Wie rekent zoals anderen doen dat Christus stierf op een woensdag komt ook verkeerd uit met de berekeningen van Anderson. o De beste kritiek op H. Hoehner is: Bob Pickle, ‘An Examination of the Chronological Difficulties of Hoehner and Ice’s Calculations of Daniel 9’s First 69 Weeks.’ Op http://www.pickle-publishing.com/  Volgens Richard A. Parker and Waldo H. Dubberstein, ‘Babylonian Chronology 626 BC AD 75’, (Providence: Brown University Press, 1956), blz.17, was het eerste jaar van Arthaxerxes niet december 465 v. Christus maar augustus. Dus hier ook een fout. In ‘The Cambridge Ancient History, Second Ed., Vol V, The Fifth Century BC.’ (Cambridge University Press, 1992) staat, “de dood van Xerxes is recent duidelijk bevestigd als augustus 465” (blz.13), “ergens tussen 4 en 8 augustus” (blz.13, voetnoot 47). Zie ook van Stolper, M. W. ‘Some Ghost Facts About Achaemenid Babylonian Texts’, Journal of Hellenic Studies 108 (1988), blz.196-8.  Maar met de schrikkelmaand in dat jaar zou dat op 3 of 4 april moeten zijn en niet 4 maart. Zie: Richard A. Parker and Waldo H. Dubberstein, ‘Babylonian Chronology 626 BC - AD 75’, (Providence: Brown University Press, 1956), blz.32.  (We plaatsen nog een recente nota bij deze studie van Edwin Yamauchi die behoort tot de belangrijkste deskundigen van het Oud Testament. Zijn bijdrage over de Bijbelboeken Ezra en Nehemia aan, Zondervan Illustrated Bible Backgrounds (enig in zijn soort), geeft ons bijvoorbeeld deze datum: 25 ellul, de dag dat de muren klaar zijn komt overeen met 27 oktober 445 v. Chr. Het jaar 444 komt bij hem niet te pas in enige berekening. Zie volume 3 blz.438. The ZIBBC Old Testament volumes verschenen november 2009.) [3] Dr. Ron J. Bigalke Jr. (Chafer Theological Seminary)  Dr. Ron J. Bigalke Jr. zet het begin van het jaar van Artaxerxes in augustus 465 v. Chr., in tegenstelling van R. Anderson en H. Hoehner die december 465 v. Chr. nemen.  Zie naar http://www.eternalministries.org/articles/weeks.html 

Kritiek hierop, ja! Zie punt 1 en 2 hierboven.

[4] Op de site van The Moorings (USA) staat nog een andere uitleg die weinigen zullen aannemen.  Nehemia hoofdstuk één start op 24 november in 446 v. Chr. Daar rekenen we nog 173.880 dagen aan toe en dat geeft 15 december 31 na Christus, de dag van de tranfiguratie = verheerlijking op de berg. Daar bovenop een periode van 62 gewone weken van 7 dagen die eindigen wanneer Jezus, Lazarus opwekt uit de doden. Dat is dan 20 februari van het


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 112

jaar 33 na Christus. Onmiddellijk daarop veroordelen de Joodse leiders Jezus, Hij moet sterven (Joh.11:45-57). Daarbij moet men volgens een Joodse regeling in de Talmud veertig dagen rekenen van de “verdediging.” Jezus mag personen oproepen ter zijner verdediging, mensen laten spreken als getuigen vóór hem. De 42 dagen later (begin en einddag van die 40 dagen) brengen ons op 3 april 33 na Christus, de dag van de kruisiging. Zie naar http://www.themoorings.org/apologetics/prophecy/69weeks/weeks1.html

En ook dit hebben we gevonden, Nehemia gecombineerd met het jaar 446 v Chr. Op het Internet: http://www.morgenster.org/profetie.htm Hun uitleg is deze: “Vervulling: Nehemia kreeg in het 20e regeringsjaar van de Perzische koning Artaxerxes toestemming om Jeruzalem te herbouwen (Nehemia 2:1-6). Dat was omstreeks 446 v Chr. De tijd tot de Gezalfde (Messiach in het Hebreeuws en Christos in het Grieks) bedraagt dan 7 + 62 = 69 (jaar)weken (letterlijk zevens of zeven tijden). De tijdseenheid van Daniël is net iets korter dan een jaar, namelijk 360 dagen. De tijd tot de Messias bedraagt dan 69 x 7 x 360 = 173880 dagen = 476 jaar en 21 dagen, vanaf 446 v Chr: 446 v Chr 445 v Chr . 1 2

... ...

1 v Chr 446

1 AD 447...

... ...

30 AD 476

31 AD

.

Zelfs het jaar 30 als eind-datum van de 69 weken is nog in zwang. Van Wayne Jackson onder andere is dit zijn ‘Daniel’s Prophecy of the Seventy Weeks’, November 9, 1998’: op www.christiancourier.com/articles/read/daniels_prophecy_of_the_seventy_weeks lezen we “In werkelijkheid is deze chronologie verdeeld in drie stukken, waar het totaal 486½ jaar beslaat. Dat is de periode tussen het bevel Jeruzalem te bouwen en de dood van de Messias. (…) Inderdaad. Wanneer we starten in 457 v. Chr. en 486 ½ jaar verder gaan komen we in 30 na Chr. het ware jaar van de kruisiging van Christus! Dat is de algemene opvatting (Scott, blz.364 [1]). (…) In het midden van de zeventigste week, na de vervulling van de 486½ jaren wordt de Gezalfde “afgesneden.” Dat wijst naar de dood van Jezus. Ook Jesaja voorzei dat op eenzelfde wijze, dat Christus zou afgesneden worden van de levenden” (Jesaja 53:8). (…) Het tweede segment van de tweeënzestig weken (434 jaar), opgeteld bij de vroegere negenenveertig geven een resultaat van 483 jaren. Dat cijfer mogen we rekenen vanaf 457 v. Chr., en loopt tot 26 na Chr. Dat was het jaar dat Jezus werd gedoopt en begon aan zijn openbaar leven. Tot slot, “het midden van de week” (3½ jaar) geeft de tijd aan hoelang de prediking duurde. Dat gedeelte stopt in 30 na Chr. Het jaar van de dood van de Verlosser.” [1] Scott J.B., Seventy Weeks, ‘Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible’ ed. Merrill C. Tenney, Zondervan, 1975. (Over het jaar 29 als eind-datum van de 69 weken, in zwang in de 18de tot begon 20ste eeuw, zie naar de vroegere publicaties daarover.) Er is één conclusie bij dit alles: het Internet en de boeken van de dispensationalisten die handelen over de 490 jaar baseren zich in hun uitleg voor waarschijnlijk nog 60% op wat Sir Robert Anderson zegt (of de latere Clarence Larkin). Zonder énige wijziging krijgen we dat steeds te lezen. Maar het is duidelijk dat zijn berekeningen TOTAAL FOUT ZIJN. De begindatum van de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 113 rekening is namelijk verkeerd, dus ook het slot klopt niet. Hoe oprecht is men dan in dit alles? Of heeft men gewoon wat horen klingelen en hebben die leerlingen van hem, zonder wat anders gehoord te hebben dit vastgegrepen als het enige dat zinnig is? Verbazingwekkend is de slordigheid van Josh McDowell, in de regel iemand die zijn zaken goed onderzoekt, in zijn ‘The New Evidence that Demands a Verdict’, blz.197-201. Bij hem is het niet belangrijk of men de start neemt in 445 v. Chr. of 444 v. Chr. Dat is gewoon het belang van de zaak onder de mat vegen.

De verklaring en de teksten Vers 24

STATENVERTALING DAN.9:24 “Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.”

LUTHERVERTALING DAN.9:24 “Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad; dan zal de overtreding geweerd en de zonde verzegeld en de misdaad verzoend en de eeuwige gerechtigheid aangebracht en de gezichten en profetieën verzegeld en een allerheiligste gezalfd worden.”

LEIDSCHEVERTALING DAN.9:24 “Zeventig weken zijn vastgesteld voor uw volk en uw heilige stad; opdat de afval voltooid en de maat der zonden volgemaakt, de schuld verzoend en eeuwige gerechtigheid aangebracht, het gezicht van den profeet verzegeld en een allerheiligst voorwerp gezalfd worde.”

We moeten in het oog houden dat God van Zijn volk wil, dat ze: “het verbond in gedachten houden” en Zijn raad is “gedenk het verbond gesloten met de vaderen” (Leviticus 26:42,45). Dat is dan ook wat Daniël beleden heeft in zijn gebed aan het begin van hoofdstuk 9. En het antwoord is de profetie van de zeventig jaarweken. Het heeft dus betrekking op Israël. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

Terugkeren naar YaHWeh (Deuteronomium 30:2 / Daniël 9:13 / 9:4) Zijn hart openstellen voor God (Leviticus 26:41 / Daniël 9:5) Begrijpen en aanvaarden dat God met reden straft (Leviticus 26:41 / Daniël 9:7,11,12) Luisteren naar God (Deuteronomium 30:10) Alle persoonlijke zonden belijden (Leviticus 25:40 / Daniël 9:4,14-15) Zonden van de vaderen belijden (Leviticus 26:40 / Daniël 9:4) Wetten en geboden onderhouden (Deuteronomium 30:2,16) God liefhebben (Deuteronomium 30:15,20) In Gods wegen wandelen (Deuteronomium 30:16)


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 114 Hieronder de voetnoten en aantekeningen van de Statenvertaling bij Dan.9:24. 69) Zeventig DaniĂŤl had maar gebeden om de verlossing van zijn volk uit Babel, de Heere geeft hem dat niet alleen, maar oneindig meer, want Hij openbaart hem daarenboven den tijd, wanneer niet alleen de Joden, maar ook zijn ganse volk uit de macht des duivels en der eeuwige verdoemenis door den Messias zou verlost worden. 70) weken Versta hier jaarweken, gelijk Lev. 25:8; elke week van zeven jaren, tezamen makende vier honderd en negentig jaren; waar nu deze vier honderd en negentig jaren beginnen en waar zij eindigen, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen beginnen ze van het eerste jaar der monarchie van Cyrus, en eindigen ze in den dood van Christus; hetwelk wel de eenvoudigste mening schijnt te zijn, uit Jes. 44:28, en Jes. 45:13; 2 Kron. 36:22,23; Ezra 1:1, enz.; doch anderen beginnen ze van het zevende jaar van Artaxerxes Longimanus, en eindigen ze ook in den dood van Christus. Anderen beginnen ze van het tweede jaar van Darius Nothus, en eindigen ze in de verstoring van Jeruzalem door Titus. Van welk alles de verstandige lezer zal mogen oordelen. 71) zijn bestemd Te weten van God. Hebreeuws, zijn afgehouwen, of afgesneden; dat is bescheiden, besloten. 72) over uw volk, Gedurende welke uw volk en uw heilige stad zal overkomen hetgeen ik u straks zal openbaren. 73) om de overtreding te sluiten, Of, om op te sluiten, of om te bedwingen de overtreding. Anders: dat Hij, te weten Christus] de overtreding besluit; dat is, dat hij voor de zonden des volks genoeg doe, opdat dezelve als in een kerker besloten worden, dat zij niet meer voor Gods aangezicht komen. 74) om de zonden te verzegelen, Dat is, om te bedekken de zonden der uitverkorenen, dat zij voor het aangezicht van God niet komen. Dit heeft Christus door zijnen dood teweeg gebracht. Anders: om de zonden te verdelgen. 75) om de ongerechtigheid te verzoenen, Te weten door de offerande van Christus aan het kruis. 76) om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, Hebreeuws, ene gerechtigheid der eeuwigheden, door welke alleen zij, die ooit


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 115 gerechtvaardigd zijn en rechtvaardig zullen worden, moeten gerechtvaardigd worden voor God, Hebr. 9:12. Deze gerechtigheid is gelegen in de vergeving der zonden en toerekening der gerechtigheid van Jezus Christus. 77) den profeet te verzegelen, Dat is, de profetie, te weten de profetieën der profeten van Christus' lijden en de heerlijkheid daarop volgende, 1 Petr. 1:11, welke God den profeten door gezichten heeft geopenbaard. 78) de heiligheid der heiligheden Dat is, den Heere Christus, die daar is het waarachtige heilige der heiligen, omdat in Hem al de schatten van heiligheid, rechtvaardigheid, en ook van wijsheid en kennis van God verborgen zijn, ons ten goede; en dat Hij is de ware ark des verbonds, door welken God de woorden des levens tot de wereld spreekt; de rechte genadestoel, door welken wij de verzoening hebben, enz. 79) te zalven. Te weten met den Heiligen Geest; dat is als in te wijden en te bereiden tot zijn zaligmakend ambt. Wat zij op dat gebied zeggen Dit eerste vers is in 6 delen verdeeld of in 6 verschillende gebeurtenissen die ten tijde van de 70 jaarweken of 490 jaren moeten geschieden. Deze dingen moeten gebeuren aan het Joodse volk en haar stad Jeruzalem en niet aan de heidense natiën. En volgens E. Bullinger (een hyperdispensationalist) Appendix 91 zou dit slechts “ten volle” in de 70ste toekomende week zijn. P.A. Slagter die hierover dezelfde visie heeft schrijft in ‘Israël en de Bijbel’, oktober 1993, blz.9 het volgende over Daniël 9:24: “Er worden zes zaken genoemd, die vervuld zullen zijn c.q. vervuld zullen worden als deze periode voleindigd is. De eerste drie hebben vooral te maken met het afronden / verdwijnen van iets; de laatste drie spreken over het volbrengen / voltooien van iets. Anders gezegd: Drie negatieve dingen worden beëindigd en drie positieve zaken worden tot stand gebracht... De tweede conclusie is dus, dat het herstel van Israël eerst plaatsvindt nadat deze dingen, t.w. de overtreding, de ongerechtigheid en de zonde, zijn weggedaan. Met andere woorden: voordat de 70 weken ten einde zijn en bovengenoemde dingen zijn voleindigd is er geen sprake van het door God beloofde herstel van Israël! Dat is ook wat elders in het profetisch Woord duidelijk wordt bevestigd” (wij onderstrepen). Het NT leert het toch nog anders: wat de Messias bewerkt voor de Joden, werpt zijn vruchten af voor de Heidenen. Want het gaat NIET om de vervulling van het verbond met de aanwezigen (of de afstammelingen) dat op de Sinaï gesloten is. Het gaat om het verbond met Abraham. Over Dan.9:24 zegt een Amerikaanse theoloog dat dit vers een beschrijving geeft van het priesterlijke werk van de Messias. En dat is een terechte opmerking. (Zie J. Barton Payne, ‘The theology of the Older Testament’, Zondervan, 8ste druk 1975, blz.276.) In een ‘min of meer’ letterlijke weergave van een lezing van D. Steenhuis met als titel


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 116 ‘WIKKEN EN WEKEN’gevonden op Internet, staat het volgende: “Daniël 9 wordt niet meer besproken en de sleutel tot het verstaan der profetie wordt niet meer gezien. Het wordt allemaal grijs. Dit komt alleen maar doordat de Gemeente niet meer gezien wordt als het geheimenis. Het wordt niet meer gezien dat de gelovigen uitverkoren zijn van voor de grondlegging der wereld. Israël is uitverkoren vanaf de grondlegging der wereld en de Gemeente van voor die tijd. Onze plaats is niet hier, niet in Jeruzalem, niet op de heilige berg Sion; onze plaats is in het huis van de Vader. Ook al zou u letterlijk wonen in Jeruzalem, u hoort er niet. U bent een vreemdeling, een bijwoner, u hoort in het huis van de Vader. Daar waar de Here Jezus Zijn plaats heeft, daar horen wij! Wij moeten wennen aan de idee dat wij niet Israël zijn. Het unieke van de Gemeente is niet om te wisselen of te vergelijken met het unieke van Israël. Er komt een moment waarop Gods Zoon zal zeggen: “Kom Gemeente.” De Here Jezus is heengegaan om u plaats te bereiden. Als Hij plaats bereid heeft komt Hij weer, opdat wij zullen zijn waar Hij is. Hij is in het huis van de Vader, daar gaan wij naar toe, daar horen wij, dat is ons tehuis, onze eeuwige bestemming. Vanaf het moment dat de Gemeente van de aarde weg is, gaat Gods ‘tijdklok’ weer tikken. De hele tijdsperiode van de Gemeente hier op aarde is een interim-periode” (wij onderstrepen). Wat deze leraar zegt is in strijd met die tekst Daniël 9:24-27. Zijn argumenten zijn gemaakt vanuit het aannemen van de leer van de dispensaties en de breuk tussen de 69ste en 70ste week. P. Beker schrijft in ‘Israël en de Bijbel’, april 2003, blz.15 na eerst de zes onderdelen van Daniël 9:24 te hebben geciteerd: “Aan het eind van die 490 jaren zal de overtreding van Israël ten einde zijn en hun zonden verzoend, omdat de Messias verzoening voor hun ongerechtigheden heeft aangebracht. De periode van Israëls lijden zal voorbij zijn en er zal een eeuwige gerechtigheid zijn aangebracht. Dit alles heeft betrekking op het komende Messiaanse rijk, zoals omschreven in Jer.31: “Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken”. “Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn” (vs.31 en 33).” Een onderbreking De beschrijving die Daniël geeft, maakt duidelijk dat er een onderbreking is in de tijdsorde. Er is een indeling in 7 weken, 62 weken en tenslotte een laatste week die valt na de 69e, , de 70e week dus. Uit de tekst blijkt dat deze 70e jaarweek niet direct op de 69e week volgt, want de vervulling ervan heeft nooit plaats gevonden. De periode tussen de 69e en 70e jaarweek duurt dus ondertussen al bijna 2000 jaar. Uit de tekenen der tijd kunnen we echter opmaken dat de aanvang van deze 70e jaarweek niet lang meer op zich zal laten wachten” (wij onderstrepen). Wat wij op dat gebied zeggen


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 117

WIJ GELOVEN NIET DAT DEZE ZES ONDERDELEN VAN DE PROFETIE SLECHTS IN DE TOEKOMST TEN VOLLE VERVULD ZULLEN WORDEN. TOCH IS HET DIT WAT DISPENSATIONALISTEN BEWEREN. ZE ZIJN – NAAR ONZE OVERTUIGING - REEDS VERVULD IN HET EEN-MALIGE OFFER VAN DE DOOD VAN JEZUS. DE UITWERKING ERVAN IS NOG STEEDS IN UITVOERING. Bekijken we de details: 1) “Om de overtreding te voleindigen.” Dit kan twee betekenissen hebben. Een eerste is wanneer we dit opvatten alsof de overtreding zou worden doorgevoerd tot een hoogtepunt. Dan kunnen we dit begrijpen als dat het Joodse volk door hun verwerping van de Messias de overtreding tot een hoogtepunt hebben gevoerd (Mat.23:32 / 1 Thes.2:15,16). We mogen dit zeker niet bezien als iets dat nu nog moet vervuld worden. De tweede mogelijke betekenis is deze en dit is voorzeker duidelijker in verband met het volgende: dat door het offer van Christus de overtreding van Adam die hij heeft begaan is voleindigd. Ofwel dat er een verzoenende waarde voor in de plaats is gegeven (Joh.1:29 / Rom.5:20). De woorden die Zacharias sprak, toen zijn zoon Johannes (later de doper genoemd) werd opgedragen, zouden dan een goede betekenis voor ons krijgen. Hij zei volgens Luc.1:68: “Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht.” Door deze woorden profeteerde Zacharias dat Jezus Christus de overtreding zal voleindigen en daardoor de weg tot het echte zoonschap met God terug zou vrijmaken. En daartoe heeft Jezus alle nodige eigenschappen (Jes.61:1). 2) “de zonde af te sluiten.” Andere vertalingen zeggen dit als volgt: “om een einde te maken aan de zondoffers” en dit omdat hier het Hebreeuwse woord “chatta’th” gebruikt werd. Het heeft betrekking op het offer dat onze Heer Jezus Christus op de Calvarieberg heeft gebracht en daardoor het offer werd dat de zonden der wereld zou vrijkopen of afsluiten (Joh.1:29). Door zijn komst hebben we kans op vergeving indien we Hem aanvaarden tot onze redding. Het Hebreeuwse woord voor “afsluiten” vinden we in die betekenis ook in 1 Kon.21:8 en Ester 8:8. Ook dit voorspelde Zacharias volgens Luc.1:77: “om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner zonden.” En zie ook Joh.3:33 en 6:27. 3) “de ongerechtigheid te verzoenen.” Paulus zegt ons over Christus in Col.1:20: “en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.” Of volgens Rom.3:25: “de zonden (...) die te voren (...) gepleegd waren” zijn verzoend. God was in Christus en verzoende zich tot de wereld (2 Cor.5:19). Zie ook Rom.5:10 en Heb.10:26 vergeleken bij


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 118 Zach.3:4. Het offer dat Christus bracht heeft de ongerechtigheid, van de zondige Adam en diens afstammelingen verzoend, waardoor we vrede met God kunnen krijgen. Het Hebreeuwse “kaphar” of “verzoenen” vinden we o.a. in Ex.30:10 / Lev.4:20. Wanneer alles verzoend zal zijn, is de verzoening opgehouden. Greijdanus zegt in, ‘De Openbaring des Heren aan Johannes’, (uitgave van 1925, blz.136): “Hij staat daar,”als Lam, dat geslacht is, d.w.z. Zijn verzoeningsarbeid, in het midden, om de verterende werkingen van Gods heilige gerechtigheid, ook die door middel van het schepsel en van de schepping, van Zijn gemeente af te keren, en haar als Zijn verloste kerk, in heiligheid en vrede en zaligheid te doen leven vóór Gods troon en heerlijke majesteitsopenbaring.” En er zijn ook Gereformeerde theologen die geloven dat elke vorm van middelaarschap zal ophouden. Zo bijvoorbeeld Calvijn, ‘Institutie’, Boek II, XV, 5 en A. Kuyper, Collegedictaten, De Christo III. 4) “en om eeuwige gerechtigheid te brengen.” Dit wil zeggen dat er door dit verzoeningsoffer van Christus over de hemelen en aarde een eeuwige gerechtigheid zal komen. Dat offer geeft ons de kans om voor eeuwig in Gods ogen gerechtvaardigd te worden. Het hangt alleen van onszelf af (en Gods genade) of we dit zullen worden of niet. Vergelijk met Mat.1:21 / 1 Cor.1:31 / Titus 3:5 / Rom.3:25 / Mat.3:15. De knecht des Heren zal voor “eeuwig onze ongerechtigheid dragen” (Jes.53:11). Over die rechtvaardige God gaat het ook in het gebed van Daniël. Dat gaat vooraf aan de openbaring van deze profetie. Zie Dan.9:7,14,16 en vergelijk met Jer.23:6. P.A. Slagter die de 2de visie aanhangt hierboven beschreven (de bedelingen), schrijft in ‘Israël en de Bijbel’, november/december 1993, blz.7, het volgende over dit gedeelte: “4) Eeuwige gerechtigheid wordt gebracht; De gerechtigheid zorgt ervoor, dat Israël ‘recht’ komt te staan tegenover God. En dat kan alleen in verbinding met de Here Jezus Christus. Het volbrachte werk van de Messias, nu bijna 2.000 jaar geleden, is de grondslag voor het behoud van Israël als volk. Als een overblijfsel in de toekomst de Naam des HEREN aanroept zal het behouden worden. Dat betekent: het zal gerechtvaardigd worden in en door het verlossingswerk van Christus. Niet door eigen inspanning, niet door de werken (der Wet), maar door geloof zal Israël deel krijgen aan het heil. Als de verzoening met God heeft plaatsgevonden, en Israël vergeving ontvangt in het reinigende bloed van het Lam, zal er een nieuw begin zijn.” Dat is geen terechte opmerking. Waarom de verlossing van Israël verzetten naar een toekomst 2.000 jaren later? Jezus, gaf zijn discipelen de opdracht dat wanneer ze zouden prediken, zich eerst tot de Joden moesten wenden en dan met dezelfde boodschap naar de heidenen moesten gaan (Mat.28:19 / Hand.1:8 / Rom.15:19). Wanneer een X aantal Joden - het grootste deel jammer genoeg - zijn Messias verwerpt geeft ons dat toch niet het recht om nog een aparte verzoening voor dezen te prediken. De stelling: eerst de Jood, dan de Griek blijft als een paal boven water staan in alle eeuwen (Rom.1:16 / 2:9,10). Het is op die manier vervuld. Een nieuwe hoeft niet want er is nooit een breuk geweest in Gods roep tegenover Zijn volk. De tijd van genade is zowel voor Israël als voor de heidenen gegeven in het NU, het HEDEN, en niet na een onderbreking van een 69st week in Gods roeping. Het zou erop neer komen dat het offer van Christus niet goed genoeg zou geweest zijn. Wat begon aan het kruis loopt in zijn vervulling gewoon zonder onderbreking door tot alle mensen die het verdienen gered te worden, vanuit Gods genade gered.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 119 5) “gezicht en profeet te bezegelen.” Dit betekent dat de komst en dood van Christus de bezegeling of vervulling betekende van gezicht en profetie die is opgetekend, en allen die deze profetieën later hebben bekendgemaakt of profeten. Lees eens bijvoorbeeld voor uzelf wat Jesaja in zijn 53ste hoofdstuk over de Messias profeteerde en dan zul je merken dat Christus dit ganse gedeelte door zijn lijden en dood heeft bezegeld of vervuld. Zie in dit verband Mat.11:13 / Luc.24:44 / Hand.3:19-25. Door de dood van de Heer is met Israël een nieuw verbond gesloten en aangegaan (Heb.9:17).  Wanneer we Hand.3:19-25 bespreken dan moet dat ook gedaan worden met Hand.1:6 erbij. Daar vragen de discipelen naar het “herstel.” De gelijkluidende term kwam al voor in de Griekse Septuaginta. Het begrip “apokathistanai” is er gebruikt om zowel het letterlijke als het geestelijk herstel van Israël te beschrijven. Zie o.a. Jer.15:19 / 16:15 / 23:8 / 24:6 / 27:19 / Ezech.16:55 en Mal.3:23. Deze laatste tekst is in onze Bijbels weergegeven in Mal.4:6. En we drukken er nog eens op; het gaat om zowel geestelijk als letterlijk herstel, de context laat ons meestal weten waar de nadruk op ligt. En zo ook Hand.3:19 waar we dan “apokatastasis” vinden, slechts éénmaal in gebruik in het NT. Waar ligt de nadruk in dit gedeelte, op het letterlijke of het geestelijke herstel? Duidelijk het laatste want dat volgt uit het vers 22. Er staat dat de wederoprichting komt nadat Christus is opgenomen, en dan volgt een verwijzing naar Deut.18:15-19, de tekst over de profeet zoals Mozes naar wie moet geluisterd worden. Dat wordt ingeleid door de woorden “Mozes toch heeft gezegd (...)”, zodat het “toch” wijst naar het verband van vers 21 en 22. Wat wil dat zeggen? Gezien men in de Messias moet geloven vóórdat Jezus werkelijk de tweede maal zal terugkeren om dingen te herstellen, is door/in geloof dat herstel al op geestelijke wijze begonnen. En dezelfde opmerking mag gemaakt worden voor vers 24. “Deze dagen” die aangekondigd zijn wijzen op de tijd van Petrus en niet naar de toekomst. Dus is het geestelijk herstel vanaf Pinksteren begonnen. En ook de wederoprichting van alle dingen, want herstellen houdt dat al in. Hierover nog iets meer. 6) “en iets allerheiligst te zalven.” De uitdrukking “allerheiligst” is volgens sommige vertalingen “het heilige der heiligen” anderen nog zeggen “een heilige plaats.” Dit heeft dus méér betrekking dan alleen op de zalving van Jezus Christus, in de Jordaan. We dienen op te merken dat nergens in de ganse Schrift de uitdrukking “heilige der heiligen” gebruikt is in verband met een individuele persoon. Nochtans is hier ook niet de tempel van Jeruzalem bedoeld die door God wordt geheiligd. We moeten beseffen dat deze tempel een voorbeeld was van iets wat later nog diende te komen. Want God zalfde op Pinksteren de eerste levende stenen van zijn geestelijke tempel (Hand.2:33 / Heb.6:20). Het is Jezus Christus en met hem als fundamentsteen, dat de door de Heilige Geest gezalfde discipelen van Christus als tempel Gods, vanaf die tijd dienst verrichten. De zalving van deze leden van Gods tempel is niet gebeurd zoals de zalving van het eerste tabernakel namelijk door middel van welriekende olie. Deze leden zijn gezalfd door iets veel belangrijker, namelijk Gods Heilige Geest (2 Cor.1:21,22 / Eph.1:11-14 / Eph.4:30). Hoe we ook vertalen of hoe we het ook mogen uitleggen, in elk geval is Christus “meer dan de tempel” (Mat.12:6). Het heeft géén zin te beweren, zoals dispensationalisten doen, dat dit zou verwijzen naar een nog toekomstige tempel in het millennium, want God gaat niet meer wonen in één aardse tempel. Hij woont in de gemeente. In tabelvorm ziet de werkelijke vervulling er zo dus uit vergeleken bij wat de schrijvers van het NT hierover zeggen. De zwarte tekst is de Bijbeltekst


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 120 zoals in de SV77. Daniël 9:24-27

Hebreeën 1:1-3

Hebreeën 9:26

1 Petrus 1:19,20

“God, voortijds “en om het gezicht, veelmaal en op velerlei “van de grondlegging “Die wel voorgeen de profeet te wijze, tot de vaderen der wereld af” kend is geweest” verzegelen” gesproken hebbende door de profeten” “heeft tot ons “tot op Messías, de gesproken door de “maar nu is Hij “maar geopenbaard Zoon … Erfgenaam Vorst” eenmaal geopenbaard” is” van alles” “En na die twee en “(vóór de grondzestig weken zal de “in de voleinding der legging der wereld) “in deze laatste dagen” Messías uitgeroeid eeuwen” in deze laatste tijworden” den” “nadat Hij de “maar het zal niet reinigmaking onzer “door de offerande van “om uwentwil” voor Hemzelf zijn” zonden door Zichzelf te Zichzelf” weeg gebracht heeft” “en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen.”

“is gezeten aan de “(als van een onberechter hand der “om de zonde te niet te straffelijk en onbeMajesteit in de hoogste doen,” vlekt) Lam om hemelen” uwentwil”

Over de Hebreeuwse uitdrukking “qodesh qodashin” willen we nog iets verder uitweiden. Deze term wil letterlijk vertaald zeggen “iets zeer heilig” en is normaal weergegeven als “allerheiligst” of “heilige der heilige.” Het begrip is 44 maal gebruikt in het OT, waarvan er 14 betrekking hebben op het binnenste kubusgedeelte van het tabernakel, de tempel en de nieuwe tempel (Ex.30: 26-29 / Ezech.41:4). Andere heilige dingen waren: Het altaar der brandoffers Ex.30:10. De zalfolie Ex.30:30-36. Het overblijfsel van offers Lev.2:3 / 6:15-17 / 10:12,17. Het zondoffer Lev.6:25,26,29. Het schuldoffer Lev.7:1,6. Het toonbrood Ex.25:30 / Lev.24:9. Elk offer aan God Lev.27:28 enz... enz... De Schrift heeft ook nog een belangrijk onderscheid in verband met deze zaken. Er waren namelijk “gezalfde” heilige dingen en “ongezalfde” heilige dingen met betrekking tot de tempel en de dienst daar. De dertien “gezalfde” dingen zijn:


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 121 1°) De tabernakel in zijn geheel Ex.30:26-29 / 40:9 / Lev.8:10. 2°) De ark des verbond Ex.30:26-29. 3°) De tafel der toonbroden Ex.30:26-29. 4°) Het gerei der tafel Ex.30:26-29. 5°) De gouden kandelaar Ex.30:26-29. 7°) Het reukaltaar Ex.30:26-29. 8°) Het brandofferaltaar Ex.29:36,37 / 40:10,16 / Num.7:1. 9°) Het gerei van het brandofferaltaar Ex.30:26-29. 10°) Het wasbekken Ex.30:26-29. 11°) Het voetstuk van het wasbekken Ex.30:26-29. 12°) Het voorhof Num.18:10. 13°) Het ganse bovengenoemde bij elkaar Ex.26:33,34 / 40:9,16 / Lev.8:10 / Num.7:1 / vergelijk met Heb.9:3. De zeven “ongezalfde” dingen zijn: 1°) De zalfolie Ex.30:31,35,36. 2°) Overblijfsel van spijsoffers Lev.2:3 / 6:15-17 / 10:12. 3°) Zondoffers Lev.6:25,26,29 / 10:17. 4°) Schuldoffers Lev.7:1,6. 5°) Toonbrood Ex.25:30 / Lev.24:5-9. 6°) Alle gaven aan God gegeven Lev.27:28. 7°) Gaven aan de Levitische dienst Num.18:9. Zoals we hebben opgemerkt is er geen enkele schriftuurplaats die over een “allerheiligst gezalfde persoon” spreekt, het gaat altijd om zaken en offers. Zelfs 1 Kron.23:13 is hierop geen uitzondering, hoewel sommige vertalingen hier zeggen dat Aäron een “allerheiligst gezalfde” is. Deze vertaling, zoals we ze vinden in de NBG onder andere, is echter fout. Een juiste vertaling is bijvoorbeeld de Statenvertaling die zegt dat Aäron de allerheiligste dingen heiligde. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen personen werden gezalfd in het OT. Hieronder een lijst van gezalfde personen: 1) koningen in Israël, 1 Sam.9:16 / 1 Sam.10:1 / 2 Sam.2:4 / 5:3. 2) de hogepriesters, Lev.4:3,5,16 / 6:15 3) de vorst van Dan.9:25. Jezus, werd gezalfd met het oog op zijn sterven aan het kruis, volgens de uitspraak in Mat.26:6-12 en Joh.12:3. Ook zijn voeten werden gezalfd bij een voorafgaande gelegenheid (Luc.7:37-46). 4) de aartsvaders, Ps.105:15 vergeleken bij 1 Kron.16:22 5) Cyrus koning van Meden en Perzen een heiden is Gods gezalfde, zonder olie, Jes.45:1 Ofschoon volgens enkele kerkvaders, bijvoorbeeld Hippolytus en Tertullianus, alsook Calvijn en Luther en de Joodse commentator Nachmanides, het “gezalfde allerheiligste” in Dan.9:24 op de Messias toepassen geeft ons geen enkele reden om dit als énige uitleg te aanvaarden. Het zou de enige maal zijn in de Schrift dat een “allerheiligst” ding op een persoon zou toegepast worden. Op zijn hoogst zou er kunnen gezegd worden dat de Heer de tegenbeeldige tempel zalfde die Mozes heeft gezien (Heb.8:1,2 / 9:12 / Opb.11:19). Ook dit laat als uitleg te wensen over aangezien we feitelijk niets weten over dat hemelse heiligdom. Bovendien omdat de voorgaande schriftuurplaatsen gemakkelijk symbolisch verklaard kunnen worden. De derde uitleg die overblijft, is dat de Messias, de geestelijke tempel (zijn gemeente) heeft gezalfd door haar te


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 122 doordringen van Heilige Geest die figuurlijk als het ware zalfolie is (2 Cor.3:3 / Heb.10:15-18). De tekst bij uitstek bij dit is Joh.16:15: “Hij (de Heilige Geest) neemt uit het mijne en zal het u verkondigen.” Hoe we dit ook maar uitleggen, de 1ste, 2de, of 3de: het verwijst naar het werk van de Messias Jezus van Nazareth. Volgens Jehovah’s Getuigen is: “het Heilige der Heiligen” = “het hemelse Allerheiligste, de grote geestelijke tempel van Jehovah”. Gods geestelijke tempel trad in werking toen Jezus zich bij Johannes aanbood om gedoopt te worden. Zie voor deze uitleg ‘DE WACHTTOREN’ van 15 mei 2001, blz.27. Wat is de taak van de Messias die zondermeer beschreven is in dat vers 24 in het negende hoofdstuk van Daniël. We beschrijven het nog eens met Bijbelteksten. De zes onderdelen zijn deze: A.

1.

om de overtreding te voleindigen, (NBG 51) A. om de overtreding te sluiten, (SV 77)

Jezus zal een eind maken aan de zonde 

2.

Mattheus 1:21 – Jezus de redder, verlost Zijn volk van zonden: “Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden.” 1 Corinthe 15:3 – Hij stierf ook voor onze zonden, ook deze van de heidenen: “Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften.” Galaten 1:4 - Gaf zichzelf voor onze zonden, zonder dwang: “die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader.” Hij zal als verzoener optreden

 

3.

Mattheus 20:28 - Jezus kwam om Zijn leven te geven als een losprijs: “gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.” Epheze 1:7 – In Zijn bloed is vergeving: “En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade.” Colossenzen 1:20 – Door Zijn offer zijn alle dingen in hemel, aarde en onder de zee verzoend: “en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.” Het herstel was voorzegd

Exodus 34:6,7 SV77: “Toen nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 123

4.

weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde geslacht.” Psalm 32:1,5 SV77: “Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. (…) Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.” Het herstel heeft ook betrekking op de heidenen

Rom.5:18 SV77: “Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis, alzo komt ook door één rechtvaardigheid de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens. Rom.5:19SV77 “Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die éne mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Een velen tot rechtvaardigen gesteld worden. Rom.5:10 SV77: “Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.” B. de zonde af te sluiten, (NBG 51) B. en om de zonden te verzegelen, (SV 77)

1.

Jezus neemt onze zonden op zich 

 

2 Corinthe 5:21 – Hij neemt de zonde op zich zodat we er vrij van zijn en gerechtvaardigd “Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.” 1 Petrus 2:24 – Wij zijn door Zijn striemen geheeld: “die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen.” De zonde die Jezus heeft verzoend had het niet nodig om later dan eens gebruikt te worden en toegepast. Het had een onmiddellijke vervulling. Het is toen aan het kruis volbracht. Hebreeën 9:23-28 – Het was een éénmalige gebeurtenis: “Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze. Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen; ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat, want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld; maar thans is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen. En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 124 éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten.” 2.

“Verzegelen” wil zeggen dat iets tot zijn vervulling is gekomen. De zaak is opgelost en afgesloten. Men hoeft er niet meer aan te sleutelen op één of andere manier.  1 Corinthe 15:3: “Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat.” En dat is nogal wat, dat wil zeggen dat in de Schriften van het Oude Verbond al voorzegd is dat HEIDENEN met God verzoend worden.

3.

In het OT is voorzegd dat de zonde zal ophouden. 

Jer.3:12 SV77: “Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afkerige Israël! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden.” C. C.

1.

de ongerechtigheid te verzoenen, (NBG 51) en om de ongerechtigheid te verzoenen, (SV 77)

Daniël kreeg antwoord over de vergeving van het volk Israël De eerste komst van Christus heeft niet de zonde uit de wereld genomen zodat er géén meer was. De zonde heeft echter wel door Hem zijn kracht verloren.  Met wat Jezus doet is datgene gebracht dat de zonde definitief oplost.  Hebreeën 9:26 - Jezus stierf éénmaal, voor allen. Dat hoeft niet meer herhaald te worden: “want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld; maar thans is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen.” 2. Jesaja 53:1-10 gebruikt woorden als “overtredingen, ongerechtigheden en straf” om het werk te beschrijven waar Christus als Verlosser de oplossing aan geeft. “Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des HEREN geopenbaard? Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen, en wie onder zijn tijdgeno


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 125 ten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest. En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. Maar het behaagde de HERE hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen des HEREN zal door zijn hand voortgang hebben. Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe.” Jesaja 53 is regelmatig in het NT gebruikt om het offer van Jezus te beschrijven.  Mattheus 8:17: “opdat in vervulling ging wat gezegd is door de profeet Jesaja: ‘Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.’”  Marcus 9:12: “Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad eerst en herstelt alles, maar over de Mensenzoon staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden?”  Handelingen 8:32: “Dit was het schriftgedeelte dat hij las: ‘Als een schaap werd hij naar de slacht geleid; als een lam dat stil is bij zijn scheerder deed hij zijn mond niet open.”  Romeinen 4:25: “hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging.”  1 Petrus 2:24: “Hij heeft in zijn lichaam onze zonden het kruishout op gedragen, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen.” D. D.

1.

en om eeuwige gerechtigheid te brengen, (NBG 51) en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, (SV 77)

In het OT is voorzegd dat Gods gerechtigheid nabij is. 

Jes.51:5-11 SV77: “Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten; en op Mijn arm zullen zij hopen. Heft uw ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouderen, en haar inwoners zullen op gelijke wijze sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van de mens, en ontzet u voor hun smaadredenen niet. Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten. Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, Gij arm des HEEREN! ontwaak als in de verleden dagen, als in de geslachten van ouds; zijt Gij het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgrond, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen? Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN weerkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvluchten.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 126 2.

Paulus wijst erop dat Jezus’ offer effectief ingaat vanaf die dood aan het kruis. 

3.

Romeinen 3:21-26: “Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden – om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.” Deze gerechtigheid wordt aan mensen gebracht door de prediking van het evangelie.

4.

Romeinen 1:16,17: “Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.” Met dat ene offer van Jezus zijn alle offers van het OT opgehouden effectief te zijn.

5.

Hebreeën 10:8-10: “In de aanhef zegt Hij: Slachtoffers en offergaven, brandoffers en zondoffers, hebt Gij niet gewild, noch daarin een welbehagen gehad, hoewel zij naar de wet gebracht worden. (Doch) daarna heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik om uw wil te doen. Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus.” Jezus nagelde de Wet van Mozes aan het kruis en heeft hem hierdoor ongeldig gemaakt Colossenzen 2:14: “door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen.” Jezus heeft de vijandschap tussen Joden en heidenen weggedaan.

Epheziërs 2:13-17: “Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren.” Het oude verbond zal door een totaal nieuw worden vervangen - Hebreeën 8:7-9: “Want indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede. Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 127

zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond.” Jezus is de Middelaar van het Nieuw Verbond - Hebreeën 9:15: “En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.” E. E.

 

en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, (NBG 51) en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, (SV 77)

“Verzegelen” wil zeggen dat iets tot zijn vervulling is gekomen. De zaak is opgelost en men hoeft er niet meer aan te sleutelen op één of andere manier. De profetie van het OT heeft meerdere malen Jezus en Zijn lijden op het oog. - 1 Petrus 1:10-12: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan.” Met de komst van de Nieuwe Wet was er geen noodzaak meer voor een blijvende vorm van profetie volgens 1 Corinthe 13:8-13. Want “ De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zij zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben. Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.” God zou op een bepaald moment stoppen met het zenden van profeten - Zacharia 13:2,3: “En Ik zal te dien dage, luidt het woord van de HERE der heerscharen, de namen van de afgoden uit het land uitroeien, zodat niet meer aan hen gedacht zal worden; ook de profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen. Wanneer dan nog iemand als profeet optreedt, zullen zijn vader en zijn moeder, die hem ver-wekt hebben, tot hem zeggen: Gij zult niet blijven leven, omdat gij leugens gesproken hebt in de naam des HEREN; ja, zijn vader en zijn moeder, die hem verwekt hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij als profeet optreedt.” Er vanuit gaan dat we Jezus volgen en al dan niet profetische gaven hebben is niet de basis - Mattheus 7:21-23: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here,

hebben wij niet in uw


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 128

naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.”

F.

 

F. en iets allerheiligst te zalven. (NBG 51) en om de heiligheid der heiligheden te zalven. (SV 77) Eerste versie = Christus

God is het meest heilige wat er bestaat. Jezus, is God in menselijke vorm - Johannes 1:1-4,14: “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen (…) Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.” Zalving was gebruikt voor de aanstelling van iemand in Gods dienst. Een soort verklaring DAT DE PERSOON GEMACHTIGD IS TE HANDELEN VAN GODSWEGE. o Voorbeeld: Exodus 28:41 - een priester: “Dan zult gij daarmede uw broeder Aäron en zijn zonen bekleden en hen zalven, wijden en heiligen, zodat zij voor Mij het priesterambt bekleden kunnen.” o Voorbeeld: 1 Koningen 19:16 - een koning en een profeet: “Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats.” Cyrus koning van Meden en Perzen een heiden was zelfs gezalfd, Jes.45:1 o Christus bezit elk van die drie functies. “Christus” en “Messias” is DE TERM = “de gezalfde”  Handelingen 3:30-22 = een profeet: “en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher. Mozes toch heeft gezegd: De Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal.”  Hebreeën 3:1 = een priester: “Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus.”  Mattheus 21:5 = een koning: “Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van een lastdier.” Het is voorzegd door de profeet Jesaja dat de Messias de Geest zal hebben - Jesaja 61:1: “De Geest des Heren HEREN is op mij, omdat de HERE mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 129 o Vervuld bij de doop van Jezus - Mattheus 3:16,17: “Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.” o We hebben dit getuigenis ook bij de apostelen - Handelingen 10:38: “van Jezus van Nazaret, hoe God Hem met de heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.”

F.

F. en iets allerheiligst te zalven. (NBG 51) en om de heiligheid der heiligheden te zalven. (SV 77) Tweede versie = de hemelse tempel

1°) Christus kwam als Hogepriester tot ZIJN TEMPEL (Heb.9:11): “Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping,” 2°) Hij ging er binnen met Zijn eigen bloed (Heb.9:12): “en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.” 3°) Hij verscheen in Gods tegenwoordigheid (Heb.9:24): “Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen.” 4°) Zijn bloed reinigde de zonden van Zijn volk OM God te dienen (Heb.9:14): “hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?” 5°) De verzoening was volledig en hoefde géén supplementaire reiniging (Heb.10:11-14): “Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde offers te brengen, die nimmer de zonden kunnen wegnemen; deze echter is, na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten. Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.” 6°) HIJ REINIGDE DE AFBEELDINGEN (DUS HET AARDSE) VAN DE HEMELSE DINGEN (Heb.9:23): “Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze.” F. en iets allerheiligst te zalven. (NBG 51) F. en om de heiligheid der heiligheden te zalven. (SV 77) Derde versie = de gemeente van Christus = God woont er in


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 130

  

1 Cor.3:16,17 NBG: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!” 1 Cor.6:19 NBG: “Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?” 2 Cor.6:16b NBG: “Wij toch zijn de tempel van de levende God.” Eph.2:21,22 NBG: “In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.” Vers 25

STATENVERTALING DAN.9:25 “Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid.”

LUTHERVERTALING DAN.9:25 “Zo weet nu en geef acht: van dien tijd af als het bevel uitgaat, dat Jeruzalem zal herbouwd worden, tot op den vorst Messias zijn zeven weken en tweeënzestig weken: dan zullen de straten en muren herbouwd worden, hoewel in een benauwden tijd.”

LEIDSCHEVERTALING DAN.9:25 “Gij moet dan weten en verstaan: van het ogenblik af waarop het woord uitgesproken is om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen, tot een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en twee en zestig weken lang zal het hersteld en herbouwd worden, met pleinen en wallen, maar in den druk der tijden.”

Hieronder de voetnoten en aantekeningen van de Statenvertaling bij Dan.9:25. 80) Weet dan, en versta: Onze Heere Jezus Christus doet even deze zelfde vermaning, aangaande deze profetie; Matth. 24:15. 81) van den uitgang des woords, Dat is, van dien tijd af, dat er een bevel zal uitgaan dat men het volk, [te weten het Joodse volk] wederbrengen, dat is loslaten zal uit de Babylonische gevangenschap, en hetzelve Jeruzalem herbouwen zal. Versta hier door het woord het bevel, gelijk Dan. 9:23, te weten het bevel van Cyrus, naar sommiger gevoelen. Zie 2 Kron. 36:22,23, en Ezra 1:1, en boven de aantekening Dan. 9:24, van het begin der zeventig weken. Anders: om weder te brengen; dat is, om weder ter hand te stellen; te weten de vaten des tempels, die uit den tempel naar Babel gevoerd waren. Anders: om te herstellen, namelijk den staat der kerk en der regering.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 131 82) Messias Dat is, tot op Christus, het Hebreeuwse woord Messias, [hetwelk even hetzelfde, dat Christus betekent, namelijk een gezalfde] staat ook Joh. 1:42, en Joh. 4:25. 83) den Vorst, Of, leidsman, gelijk Jes. 55:4, of hertog, gelijk 2 Sam. 7:8, en 2 Kon. 20:5. 84) de straten, Hebreeuws, de straat en de gracht. Anders: uitgehouwen gracht. Versta dit van de stadsgrachten. 85) in benauwdheid der tijden. Want al wat onder Ezra aan de muren gebouwd was, dat werd kort daarna door de vijanden der Joden weder omvergeworpen, en de poorten met vuur verbrand. En onder Nehemia moesten zij bouwen met den troffel in de ene en het geweer in de andere hand, Neh. 4:17; waarom de Joden zich zozeer haastten, dat zij het gebouw van den muur optrokken in twee en vijftig dagen. Vers 25 zegt volgens de NBG: “vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.” Volgens deze vertaling zou er na het bevel tot heropbouw en de komst van een gezalfde, slechts 7 (zeven) jaarweken zijn of 49 jaren. Dat is verkeerd omdat deze tekst is gebaseerd op de Masoretische tekst die tussen “zeven weken” en “twee en zestig” weken een “atnach”-teken heeft. Dat teken dat door de Masoreten achter het woord “zeven” (“sibhah”) is gezet brengt dus verwarring. Het gaat dus om een teken dat is toegevoegd aan de Hebreeuwse tekst NA de 6de eeuw na Christus. Professor E. B. Pusey doceerde aan de Universiteit van Oxford een schreef een nog steeds in druk uitgegeven commentaar op Daniël 9. Hij zegt in een voetnoot bij een van zijn in drukvorm verschenen colleges over de accentuatie door de masoreten: “De joden zetten de hoofddeler van het vers onder ‫[ ?בעה‬zeven], met de bedoeling de twee getallen, 7 en 62, te scheiden. Dit moeten zij met onoprechte bedoelingen hebben gedaan, ‫( למען המינים‬zoals Rasji) zegt in een afwijzing van de letterlijke uitleg, die de christelijke zienswijze ondersteunde) ’wegens de ketters’, d.w.z. de christenen. Wanneer het laatste zinsdeel zo afgescheiden wordt, kan het niets anders betekenen dan dat ’straat en muur gedurende tweeënzestig weken hersteld en gebouwd zullen worden’, d.w.z. dat de herbouw van Jeruzalem 434 jaar zou moeten duren, en dat zou onzinnig zijn.” — Daniel the Prophet, 1885, blz.190. We hebben een opmerking in dat verband van Gerald Sigal de Jood die een kritisch artikel schreef over hoe christenen dat gedeelte vertalen. Titel: ‘Daniel’s 70 Weeks: Dan. 9:24-27’op www.word-gems.com/ “De Masoretische tekst zegt niet “dat Jeruzalem 434 jaar zou worden gebouwd, maar dat zij zou worden opgebouwd gedurende deze lengte van de tijd. Het werkwoord


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 132 banah is als “op te bouwen” maar wordt soms gebruikt voor “uitbreiding.” Zoals te zien is, bijvoorbeeld in de uitdrukking: “Vanaf de dag dat deze stad gebouwd werd tot op de dag van vandaag, heeft ze [dat is Jeruzalem] zozeer mijn boosheid en mijn woede opgewekt dat Ik haar laat verdwijnen.” (Jeremia 32:31 ). (In 1 Koningen 12:25 heeft het werkwoord banah in werkelijkheid de betekenis van “versterken”.) Sinds Jeruzalem als stad bestond, lang voordat de verovering door David van de Jebusieten plaats had, is het duidelijk dat wat wordt bedoeld met Jeremia naar de periode verwijst waarin de stad uitgebreid werd door David en degenen die hem opvolgden. Dit is hier ook de betekenis van het werkwoord in Daniël. Het is een verwijzing naar de periode van toen de uitbreiding van de stad, zoals trouwens het was tijdens de tweede gemenebest.” Dat “atnach”-teken heeft volgens Gesenius, een deskundige van de Hebreeuwse taal, niet alleen de betekenis van een punt maar dikwijls ook van een rustperiode of als een pauze. Men mag namelijk niet vergeten dat de Joden de Bijbel niet alleen luidop voordragen maar ook zelfs zingen. En dat zou ook de betekenis hier zijn van het “atnach”-teken, een rustperiode tijdens de zang der profetie. Het is dan niet te verwonderen dat de Griekse Septuaginta vertaling en de Latijnse Vulgata die zulke tekens niet gebruiken de 7 weken met de 62 weken aan elkaar verbinden wat juist is. De Messias kwam dus niet 7 weken ná het woord van herstel maar degelijk na 7+62 = 69 weken. Het 25ste vers zegt ons dat wanneer “het woord” uitgaat om Jeruzalem te bouwen tot op een gezalfde (een vorst) er 7 weken + 62 weken zijn. De vertaling van het Nederlandse Bijbelgenootschap is zeer duister. Er wordt precies in gezegd alsof er tot op de Messias slechts zeven weken zouden zijn (vanwage het “atnach”-teken) wat niet het geval is en ook niet overeenkomt met vele vertalingen. De Griekse Septuaginta is hierin veel duidelijker. Zij zegt (volgens de Thomson vertaling): “Gij behoort te weten en te begrijpen dat van het uitvaardigen van een woord voor het geven van een antwoord en voor het bouwen van Jeruzalem tot een gezalfden heerser zijn: zeven weken en twee en zestig weken. Zij zullen inderdaad terugkeren en een straat zal worden gebouwd en een muur, en deze tijden zullen worden vervuld.” Dit heeft allemaal, zoals vroeger opgemerkt, te maken met de punctuatie van de manuscripten. Wijzen we er nog eens op dat de oorspronkelijke teksten géén punten of komma’s hebben. In de Septuaginta, Theodotion, de Vulgaat en de Syrische vertalingen behoren de 7 en de 62 jaarweken bij elkaar. En dat zijn vertalingen die honderden jaren ouder zijn dan gelijk welke van de Masoretische teksten! Er zijn enkele vertalingen die hiermee rekening houden: KJV, ASV, ERV (voetnoot), MLB, JB. Tot aan de Messias is er volgens deze 7 + 62 jaarweken. Maar de andere lezing is ook gangbaar die is gebaseerd op de veel latere punctuatie van de Masoretische tekst. En dat is gevolgd in o.a.: ERV, RSV, NEB, NASB. Tot slot: die tekst is op zijn minst niet ouder dan de 6de eeuw na Christus en waarschijnlijker nog de 8ste eeuw. Zou hier kunnen achterzitten dat de Joodse Masoreten zich door deze punctuatie willen distantiëren van de christelijke uitleg en Messiaanse interpretatie van Dan.9:24-27? Een opmerking bij Rabbi Rashi schijnt dit vermoeden te ondersteunen. Ofschoon: we moeten in oprechtheid ook toegeven dat de Septuaginta sterk afwijkt van de Masoretische tekst en we ons


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 133 niet slechts daarop mogen blind staren. In vele Septuagintamanuscripten staat ook niet de versie van de Septuaginta voor Dan.9:24-27, maar een aangepaste uit de Griekse Theodotion. Gerald Sigal is een Jood die de uitleg van christenen over deze profetie van Daniël heftig aanvalt. Hij schreef ‘Daniel's 70 Weeks: Dan. 9:24-27’ op www.word-gems.com/ Hij gaat uit de van de Engelse King James vertaling, maar het is evengoed van toepassing op onze Nederlandse. Wij citeren er dit uit: “De King James Version gaat voorbij aan de Hebreeuwse interpunctie: a. Het leesteken ‘ atnah fungeert als de belangrijkste pauze in een zin. De ‘ atnah is als het ingeschatte equivalent van de puntkomma in de moderne systemen van leestekens. Het heeft dus het effect van het scheiden van de zeven weken na de tweeënzestig weken: “Totdat een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken, daarna voor tweeënzestig weken zal het weer worden opgebouwd.” (9:25). b. Door het creëren van een aaneenschakeling van negenenzestig weken die niet zijn opgedeeld in twee afzonderlijke periodes van zeven weken en tweeënzestig weken respectievelijk komen christelijke zendelingen tot een onjuiste conclusie: dat de Messias zal komen 483 jaar na de verwoesting van de eerste tempel.” We gaan daar niet dieper op in, omdat het begrip ‘atnah, dat is weergegeven door een LEESTEKEN maar geen echte letter is die iets aan de TEKST toevoegt, volgens andere Joodse uitleggingen geen tijd inschakelt tussen de zeven en de tweeënzestig weken. Dus ook in die Joodse kringen zijn er theologen die het als één gedeelte lezen, waar twee opeenvolgende evenementen plaats hebben. In de serie ‘Bijbelstudie’ van Vlichthus Bijbelinformatie, waar de dispensatatieleer hoog in het vaandel staat, verscheen een studie ‘Tijden en gelegenheden.’ Het commentaar bij Daniël 9:25 heeft deze inleiding: “Er staat niet ”vanaf het moment, dat men wederkeerde of dat men begon met Jeruzalem te bouwen”, noch ”vanaf het moment, dat men de tempel begon te bouwen/ verfraaien”. In 536, in het eerste jaar van Kores, kregen de Joden toestemming om terug te keren en de tempel te herbouwen. In het jaar 520 werd de fundering van de tempel gelegd (Ezra 4 : 24 en Haggaï: op de 24e van de negende maand). Dit was het tweede jaar van Daríus, de koning van Perzië (een andere Daríus dan de Daríus uit Daniël 6). Beide situaties beantwoorden niet aan de beschrijving van Daniël 9 : 25, want er wordt niet over de tempel gesproken. Het jaar 458 voor onze jaartelling (Ezra 7), toen men toestemming kreeg om de inmiddels gebouwde tempel te verfraaien, heeft evenmin met Daniël 9 : 25 te maken. De enige juiste datum is die van het jaar 445 vóór onze jaartelling. Dit is het twintigste jaar van Artaxerxes (of: Arthasastha/Ahasvéros), in de maand nisan (de eerste maand van het Joodse godsdienstige jaar; Nehemía 2 : 1). Wanneer er geen datum van een maand wordt genoemd, dan wordt de eerste dag van de maand bedoeld.” Over datgene wat we onderstrepen gaan we uitvoerig aantonen dat dit een verkeerde kijk is op de zaak. Dat 25ste vers spreekt ook over “herbouw van plein en gracht” volgens de NBG. De Septuaginta echter zegt “straat en muur” en dat is te verkiezen, zo ook de King James en andere vertalingen. Dat de stad werkelijk in moeilijke tijden is herbouwd daarvoor moet men slechts Neh.4:1-14 / 6:1-14 / 9:36,37 na lezen. Dat er “pleinen” waren in Jeruzalem is niet te betwisten


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 134 zoals uit Nehemia 8:1,3,16 blijkt. Op die pleinen werden er uitspraken gedaan op politiek en religieus vlak volgens Ezra 10:9: “En alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen drie dagen te Jeruzalem, en wel in de negende maand, op de twintigste der maand. Het gehele volk zat neer op het plein van het huis Gods, rillend zowel om de zaak als door de regenbuien.” Het was in die dagen een tijd van tegenstand. De profeten spreken over de weerstand die men heeft ondervonden van Samaritanen en omliggende volkeren bij de bouw van de poorten van de stad en de muur. En in Neh.12:27-43 is de inhuldiging van de muur beschreven. (Enkele vertalingen suggereren een tegenstand van 483 jaar, wat historisch echt niet klopt.Wat niet wil zeggen dat het geen moeilijke tijden voor Israël waren.) Gezien het belang van de uitdrukking van deze begrippen, ook enkele vertalingen ter illustratie. Duitse vertalingen / Nederlandse / Zuid-Afrikaanse. Einheitsüberzetzung: “met pleinen en grachten” V. Hamp / M. Stenzel: “plein en grachten” Luther: “plaatsen en grachten” Aalders in de ‘Korte Verklaring’: “plein en gracht” Het Boek: “Straten en stadsmuren” Leidsche Vert.: “met pleinen en wallen” Statenvertaling: “de straten en de grachten” Vulgaat: “plaatsen en muren” Willibrord 1975: “met pleinen en wallen” Die bybel, Nuwe Vertaling, 1984: “met strate en verdedigingsslote” Engelse vertalingen. American Revised 1901: “met straat en gracht” Byington: “plein en gracht” Douay: “de straten... de wallen” Fenton: “straten en gracht” J.P.S. 1982: “plein en gracht” Leeser (Jood): “straten en grachten (rondom)” Living Bible: “straten en wallen” Masoretic (J.P.S.) 1917: “de brede plaats (of plein=place) en gracht” Moffatt: “met pleinen en straten” New English Bible 1970: “straten en verbindingen (conduits)” New International Version: “met straten en een gracht (trench)” Rotherham: “de brede straat en de wal” Septuaginta (Thomson / Muses edit.): “een straat en een wal” Smith (Mormonen): “de straat en de wallen” Franse vertalingen. Crampon: “pleinen en omheining” Darby: “het plein en de gracht”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 135 Français courant: “de stad en versterkingen” Kahn (Jood): “straten en aarden wallen (fossés de remparts)” Liénart: “met plaats en gracht” Maredsous: “pleinen en omheining” Martin: “de pleinen en de bressen” Ostervald: “de pleinen en de grachten” Segond: “de pleinen en de grachten” TOB (1975): “pleinen en grachten” Er zijn niet zoveel moeilijkheden met de tekst. Wel met het laatste woord dat slechts éénmaal gebruikt is in het OT. De meest waarschijnlijke vertaling is dat het gaat om de muur of de gracht die rond de stad loopt. Een vergelijk van het Hebreeuws met een deel uit de Koperen Rol van de manuscripten uit de Dode Zeegrotten zou dit ondersteunen. (Zie bijvoorbeeld het commentaar van Porteus blz.142). De vraag die zich nu stelt is: wie is de “gezalfde heerser” waarover hier sprake is? Eerst en vooral kunnen we opmerken dat er van katholieke en protestantse zijde pogingen zijn gedaan om deze gezalfde niet als Christus te beschouwen. De katholieke kerk tracht deze gezalfde wel eens op te vatten als Kores (Cyrus) de Grote en dit is soms de uitleg van de Joodse Talmoed. Deze verklaring is ver gezocht en zeer moeilijk in verband te brengen met de andere verzen. Deze uitlegging is er slechts één die de katholieke kerk de laatste tijd heeft aanvaard. Slechts nadat ze zijn overgegaan naar hogere Bijbelkritiek. Vroegere katholieke uitleggers brachten deze gezalfde eveneens zoals wij doen in verband met Christus. Zo bv. de Douay vertaling, deze van Knox en ook de Franse kardinaal Liénart. De laatste zegt in zijn voetnota over vers 26 dat ze voorzeker op de doop van Christus betrekking heeft. De uitleg dat in vers 25 de gezalfde naar Jezus Christus verwijst, is ook deze die sinds het begin van de christelijke gemeente is aanvaard. De kerkvaders Clemens van Alexandrië, Tertullianus, Origenes en Julius Africanus hadden deze mening al. Vele protestantse commentators van de Bijbel waren ook deze gedachte toegedaan vb.; Calvijn, Clarke, Delitzsch, Robinson, Scott, Von Orelli en Young. Ook de gekende King James Vertaling verklaart dit als op de Christus doelende. De Hebreeuwse uitdrukking die hier gebruikt wordt om dit uit te drukken is “mashiach nagid”, let op, er staat GEEN LIDWOORD. Sommige vertalers zeggen dat dit dient vertaald te worden als “een gezalfde, een vorst” maar de voorkeur verdiend de uitdrukking “Messias de vorst” of “Messias de leider.” Hiermee bedoelen we dat de enige werkelijke gezalfde die in verband met het vers 24 past, Jezus de Christus de bedoelde Messias is. We geloven niet dat dit slaat op Cyrus (Jes.45:1) die ook één gezalfde van YaHWeH is. Echter niet in de betekenis dat “koningen” of “hogepriesters” van het volk gezalfd zijn (Zach.4:14 en Lev.4:3,5). Over de jaarweken is er gezegd dat deze beginnen te tellen wanneer het bevel wordt uitgevaardigd om de stad Jeruzalem en de muren te herbouwen. “Met een openbaar plein en een gracht” zegt de NWV. Maar zoals veel commentatoren opmerken, een gracht rond de stad of rond de tempel, daarvoor is er nooit een archeologisch bewijs gevonden. Men moet het dus niet in die richting zoeken. Wanneer is dit bevel gegeven? Er zijn vier mogelijkheden maar slechts één ervan kan juist zijn.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 136

Om de eerste mogelijkheid te onderzoeken moeten we weten dat in het jaar 587 voor Chr. de stad Jeruzalem met haar prachtige tempel volledig is verwoest door de Babyloniërs onder de leiding van Koning Nebukadnessar. Deze Babylonische koning heeft toen het grootste gedeelte van de Israëlieten die in het land leefden als gevangenen meegevoerd naar zijn land en de rest van de bevolking is uit schrik naar het land Egypte gevlucht. Zo kwam het dan dat in oktober van 587 voor Chr. Jeruzalem volledig van mensen was ontdaan en deze toestand heeft zolang geduurd om de profetieën van Jeremia in vervulling te laten gaan. Maar voordien, in 606 (605) voor Chr. was Nebukadnessar al verwoester van Jeruzalem wanneer hij de edelen van het volk als slaven nam en de tempel plunderde (Dan.1:1,2). In 537 voor Chr. kwam er verandering in deze woeste toestand. In het jaar 537 (of 536) voor Chr. vaardigde de Perzische koning Kores de Grote (die had namelijk Babylon veroverd) een bevel uit dat alle volkeren die als gevangenen naar Babylon waren gekomen terug mochten keren naar hun geboorteplaats, om daar terug hun eigen aanbidding te beoefenen. Aan de Joden in Babylon werd dan het volgende bevel gegeven zoals Ezra 1:2,3 zegt: “Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort - zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwe het huis van de HERE, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont.” (Vergelijk en zie ook 2 Kron.36:22,23). Het blijkt hieruit “ogenschijnlijk” dat deze Joden niet het bevel kregen om de stad en stadsmuren rond Jeruzalem te herbouwen. Het bevel had alleen betrekking op de tempelbouw. Maar zoals uit het boek Haggaï blijkt is men ook bezig met huizenbouw. De profetie der 70 jaarweken neemt dus zondermeer in 537 voor Chr. haar aanvang. Dit heeft te maken met het begrp ”shûb” waar we naar verwijzen in de bespreking van vers 1. Er is door Kores een sociaal en politiek herstel aan Israël gegeven. Een opmerking vanuit de vorige paragraaf waar we verwijzen naar de Joden die naar Egypte gevlucht zijn. Jeremia 44:26-30 zegt er dit over: “Hoort daarom het woord des HEREN, gij geheel Juda, dat in het land Egypte woont: Zie, Ik zweer bij mijn grote naam, zegt de HERE: mijn naam zal niet meer worden aangeroepen door de mond van een Judeeër, die zegt: zo waar de Here HERE leeft! in het gehele land Egypte. Zie, Ik waak over hen ten kwade en niet ten goede, en alle Judeeërs die in het land Egypte zijn, zullen te gronde gaan door het zwaard en de honger, totdat zij vernietigd zijn. En, aan het zwaard ontkomen, zullen weinigen in getal uit het land Egypte naar het land van Juda terugkeren; zo zal het gehele overblijfsel van Juda, dat naar het land Egypte kwam om daar te verblijven, weten, wiens woord standhoudt, het mijne of het hunne. En dit zal u het teken zijn, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan u bezoeking doe in deze plaats, opdat gij weet, dat mijn woorden zeker zullen standhouden tegen u ten verderve: Zo zegt de HERE: zie, Ik geef Farao Chofra, de koning van Egypte, in de macht van zijn vijanden en van wie hem naar het leven staan, zoals Ik Sedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de macht van Nebukadressar, de koning van Babel, zijn vijand, die hem ook naar het leven stond.” Ook dezen ontlopen de straf van God niet. De tweede mogelijkheid die door sommigen is aangenomen als het beginpunt der 70 jaarweken is het decreet van Darius zoals gegeven in Ezra 6:1-12. Maar terug zien we dat dit niets te maken heeft met de herbouw van de stadsmuren en poorten van Jeruzalem. Het bevel had alleen


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 137 betrekking op de tempelbouw. Maar er zijn ook huizen en gedeelten van muren rond de stad. In feite is het slechts een vernieuwing van wat Kores al had gezegd. Een derde mogelijkheid als beginpunt dienen we te onderzoeken: in het geval van Ezra. Deze Joodse Schriftgeleerde die in Babylon vertoefde kreeg daar van de Perzische koning Artachsasta een volgend bevel zoals hij ons in Ezra 7:27 vertelt: “Geprezen zij de HERE, de God onzer vaderen, die de koning zulks in het hart gegeven heeft, om het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont, luisterrijk te maken.” En “luisterrijk maken” is niet bouwen maar opfleuren. Op welke wijze is niet gezegd. We beginnen dus daar niet als startpunt van de 70 jaarweken. Er zijn vele protestantse en evangelische commentators die het houden bij het decreet van Arthaxerxes aan Ezra gegeven. Maar verscheidene argumenten spreken dit tegen. We zien uit Ezra 6:14 dat de drie eerste decreten slechts als één beschouwd zijn. Er staat bij die schriftuurplaats: “zij voltooiden den bouw volgens het gebod van de God van Israël en volgens het bevel van Kores, Darius en Artachsasta, koning van Perzië, en zij waren met dit huis gereed tegen de derde dag van de maand Adar” (wij onderstrepen). Men zegt: het is dus duidelijk dat het bevel van God zoals ingegeven aan Kores, Darius en Arthaxerxes slechts te maken heeft met “den bouw” of “dit huis” en dat is daarom alléén de tempel. Men zegt: er is in deze decreten geen enkel woord gezegd over herbouw van de muren of de stad zelf. Maar… dat er gedeelten van de stad en van de muur door deze mensen herbouwd zijn geworden is duidelijk. Zo kan men Ezra 4:11,12,23 hierbij lezen. “Aldus luidt het afschrift van de brief die zij hem zonden – aan koning Artachsasta, uw dienaren, de mensen van het gebied over de Rivier. Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit. (…) Nadat nu het afschrift van de brief van koning Artachsasta voorgelezen was aan Rechum, Simsai, de schrijver, en hun ambtgenoten, begaven zij zich in aller ijl naar Jeruzalem tot de Judeeërs en deden hen met kracht en geweld de arbeid staken.” Maar dat is de taal van de vijand. De werkelijkheid is dat een tempel in Jeruzalem zonder dat er mensen wonen, in HUN HUIZEN, geen steek houdt. Want de tempel wordt gebouwd om er offers te brengen en die offers worden door mensen aangebracht. In elk geval, er is gebouwd zonder dat een bevel ervoor gegeven was door, de koningen van Perzië. Zonder dat “het woord” gesproken was. Maar de bouwers hebben uit het bevel van Kores begrepen dat het bouwen van de muur deel uitmaakte van de herbouw van de stad. Zie hiervoor Ezra 5:3,9: “In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier, tot hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien? (…) Daarop hebben wij die oudsten ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien?” Dit is duidelijk uit de viering van de afwerking van de muur in Nehemia 6:15. Men heeft alleen maar bressen gedicht en géén volledige muur gebouwd. Dat kan men niet op zo een korte tijd. Hier enkele vertalingen van die tekst: De Nieuwe Bijbelvertaling zegt: “Na tweeënvijftig dagen was de muur voltooid, op 25 elul.” De Statenvertaling, editie 1977 zegt: “De muur nu werd volbracht op de vijf en twintigste van Elul, in twee en vijftig dagen.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 138 De NBG-vertaling 1951 zegt: “De muur nu was voltooid op de vijfentwintigste Elul, in tweeënvijftig dagen.” De Willibrordvertaling (herziene editie 1995) zegt: “De muur was hersteld op vijfentwintig elul; men had er tweeënvijftig dagen aan gewerkt.” Hier nog enkele vertalingen van uit de Engelse taal bij Nehemia 6:15:  King James Version 1611, 1769: “So the wall was finished in the twenty and fifth [day] of [the month] Elul, in fifty and two days.”  New King James Version, 1982 Thomas Nelson: “So the wall was finished on the twenty-fifth day of Elul, in fifty-two days.”  New Living Translation, 1996 Tyndale Charitable Trust: “So on October 2 the wall was finally finished-just fifty-two days after we had begun.”  New International Version, 1973, 1978, 1984 International Bible Society: “So the wall was completed on the twenty-fifth of Elul, in fifty-two days.”  The Holy Bible, English Standard Version, 2001 Crossway Bibles: “So the wall was finished on the twenty-fifth day of the month Elul, in fifty-two days.”  New American Standard Bible, 1995 Lockman Foundation: “So the wall was completed on the twenty-fifth of {the month} Elul, in fifty-two days.”  Revised Standard Version, 1947, 1952: “So the wall was finished on the twenty-fifth day of the month Elul, in fifty-two days.  American Standard Version, 1901: “So the wall was finished in the twenty and fifth [day] of [the month] Elul, in fifty and two days.”  Robert Young Literal Translation, 1862, 1887, 1898: “And the wall is completed in the twenty and fifth of Elul, on the fifty and second day.”  J.N.Darby Translation, 1890: “So the wall was finished on the twenty-fifth of Elul, in fifty-two days.”  Noah Webster Version, 1833: “So the wall was finished in the twenty and fifth [day] of [the month] Elul, in fifty and two days.”  Hebrew Names Version, 2000: “So the wall was finished in the twenty-fifth [day] of [the month] Elul, in fifty-two days.” Er is één argument dat waard is onderzocht te worden. Het is Ezra 9:9 en daar staat: “in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten; Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een OMTUINING gaven in Juda en in Jeruzalem.” Dat wil zeggen dat de bouw van de tempel, stad Jeruzalem, huizen en muren bij de koningen van Perzië gekend is. De omtuining = de staatkundige grenzen van Israël, zijn ontstaan met de goedkeuring van Perzië. Dertien jaren nadat Ezra de tempel ging versieren (457 v. Chr.) gebeurde er het volgende met Nehemia (445/444 v. Chr.). Deze persoon was de schenker van Koning Artachsasta (zijn Bijbelse naam) volgens de wereldse geschiedschrijvers Arthaxerxes I Longimanus genaamd. In het 20ste jaar van de regering van Artachsasta kreeg deze Nehemia bezoek van verwanten uit Juda. Nehemia die in Susan (Perzië) woonde, in het paleis van de koning, was zeer verontrust. Hij hoorde van hen het volgende, over Jeruzalem en zijn inwoners: “De overgeblevenen, die daar in


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 139 het gewest uit de gevangenschap zijn overgebleven, verkeren in groten rampspoed en smaad, en de muur van Jeruzalem is afgebroken en zijn poorten zijn met vuur verbrand” (Neh.1:3). Hieruit blijkt dat Jeruzalem’s muren nog niet volledig hersteld waren (of opnieuw al afgebroken waren zoals we zelf denken) en dit bedroefde Nehemia zeer. Bij wijze van illustratie: iedereen, zowel vriend als vijand, loopt Jeruzalem binnen en buiten zoals het hem belieft. Kort nadien, toen Nehemia wijn schonk aan de koning, bemerkte deze hoe mistroostig zijn getrouwe onderdaan was en ontspon zich het volgende gesprek waarin de koning het woord nam. Nehemia schrijft in zijn boek: “De koning zeide tot mij: waarom staat uw gezicht zo somber, hoewel gij niet ziek zijt? Dit kan niets anders dan hartzeer zijn. Toen werd ik ten zeerste bevreesd, en zeide tot den koning: De koning leve in eeuwigheid. Hoe zou mijn gezicht niet somber staan, DAAR DE STAD, DE PLAATS WAAR DE GRAVEN MIJNER VADEREN ZIJN, VERWOEST IS en haar poorten door vuur verteerd zijn? En de koning zeide tot mij: Wat is dan uw verzoek? Toen bad ik tot den God des Hemels. En ik zeide tot den koning: Dat gij, indien het den koning goeddunkt en indien uw knecht u welgevallig is, mij zendt naar Juda, naar de stad waar de graven mijner vaderen zijn; om haar te herbouwen” Neh.2:2-5, wij onderstrepen. Nehemia loopt nogal hard van stapel, want men is Jeruzalem beginnen bouwen in 537 (536 of 535) voor Christus. DE STAD WAS IN ZIJN DAGEN DUS NIET VERWOEST. Hij heeft dus wel een nogal diplomatische aanpak. Het enige besluit van dit alles is dat men zijn visie niet als het begin mag nemen van de profetie van Daniël negen. Wat hierna gebeurde is vlug gezegd: Nehemia verkreeg de toelating van de koning om de stadsmuur te herstellen en omdat dit werk hem zeer ter harte ging vertrok hij kort daarop naar Jeruzalem. Daar aangekomen liet hij de oudsten van Jeruzalem vergaderen met het volk. Gezien er oudsten zijn in de stad gaat het dus om een levende stad. Geen spookstad zoals je zou veronderstellen bij dispensationalisten die het uitleggen alsof er geen huizen zijn. Wanneer Israël uit Babylon terugkeerd naar het land van hun vaderen lezen we volgens Ezra 2:1: “Dit nu zijn de bewoners van het gewest, die optrokken uit het midden van de in ballingschap weggevoerden, welke Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Babel had weggevoerd, en die terugkeerden naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn stad.” Nehemia toonde die afstammelingen het schriftelijke bevel dat Artachsasta hem had gegeven, en stelde voor aan de bouw van de muren van Jeruzalem te beginnen = af te werken. Het volk was zeer enthousiast en stemde hiermee in. Er werd onmiddellijk aan begonnen. De datum waarop het werk een aanvang nam staat in het verslag van Nehemia vermeld nl. de 3de dag van de Joodse maand Ab. En 52 dagen later was alles klaar volgens Nehemia 6:15. De inwijding van de muur had plaats in het 28st jaar van Artachsasta zegt Josephus in ‘Oorlogen’ XI, V, 8 en vergelijk Neh.12:27. Hoe ik dat moet rijmen met de gegevens van de Bijbel, die een andere datum heeft, weet ik niet naar behoren uit te leggen. Laat ons dit alles in het kort herhalen. We weten dat het “woord” = “dabar” in Hebreeuws om Jeruzalem te herbouwen gegeven is door Kores. Bij Nehemia gaat het zondermeer om de AFWERKING en niet de volledige bouw. De bouw van de muur (muren) was voordien begonnen, wel tachtig jaar voordien. De Perzische koningen hebben erop aangedrongen dat de bouw van de tempel gewoon zo vlug mogelijk verder gezet zou worden. Dat wil zeggen dat in hun ogen ook de bouw van de muren, als bescherming tegen vijanden, daarbij inbegrepen is. De uitleg van de dispensationalisten die hier 445 v. Chr. (of 444) vooropzetten als de datum van de start van de 490 jaarweken kan niet aangenomen worden. Want het “WOORD” tot de bouw van de stad en de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 140 tempel is gegeven door Kores. Men moet de Schrift géén geweld aandoen en dat begin dat voorspeld is in Jesaja 44 en 45 gewoon aannemen. Respect voor de vervulling moet hoger staan dan een ingewikkelde leer van 490 jaar van 360 dagen. U hebt het allemaal tot hiertoe gevolgd! Dan zal uw opmerking waarschijnlijk zijn: hoe ik dan de 490 jaren laat rijmen met een oplossing van 536 voor Christus tot 37 na Christus. Dat is toch véél meer dan 490 jaren! J. Baldwin besluit zijn kritiek op één van de berekeningen van deze 70 jaarweken (een variante van Anderson) niet geheel ten onrechte als volgt: “Het is beter dat we omwille van redenen in de samenhang, voor het geheel aannemen dat de cijfers om een symbolische interpretatie vragen” (‘Le livre de Daniël’, Farel/Sator, 1986, blz.172). Ik maak die woorden tot mijn woorden en als u het wenst kunnen we u nog een tiental citaten in die aard vinden. Rekening houden met al de feiten, kan tot geen andere conclusie leiden. Mijn visie is ook deze van oudtestamenticus Young E. J., ‘The Prophecy of Daniel’, Eerdmans’, 1949, blz.202-6. APPENDIX III: diverse berekeningen van 365 ¼ dagen per jaar.

Zeventig Wekenprofetie = 490 jaar Daniël 9:24-27 (gerekend aan letterlijke jaren van 365 ¼ dagen). BEVEL IN HET JAAR

LEIDER(S) VAN DE TERUGKEER

VERSCHIJNING VAN DE MESSIAS [JAAR VAN DECREET +

BELANGRIJKE GEBEURTENIS

483 JAAR]

Van Cyrus in 537 v. Chr. Kores laat de bouw toe op basis van de wil van God.

Sesbassar Ezra 1:1-11 Zerubbabel Ezra 2:1

Van Darius in 520 v. Chr. na een klacht.

Het werk aan de tempel wordt hervat Ezra 5 en 6

Van Artaxerxes I in 457 v. Chr. Start vlg. Adventisten.

Ezra Ezra 7:1-10

Van Artaxerxes I in 445/444 v. Chr. Start vlg. Dispensationalisten.

Nehemia Nehemia 2:1-11

55 v. Chr. Een letterlijke lezing van de 490 jaar is dus niet mogelijk. 37 v. Chr. Een letterlijke lezing van de 490 jaar is dus niet mogelijk. 27 na Chr. Jezus gedoopt. Begin van Zijn prediking. Klopt niet met de feiten. 40 na Chr. te laat op de kalender om waar te zijn. Rekenen dat één jaar = 360 dagen mag niet.

Vanaf Kores is er bouw van de stad en huizen en muren (muur) Herhaling van wat volgens Kores was vastgelegd Herhaling van wat volgens Kores was vastgelegd Géén bevel iets te bouwen, de rest was al gebouwd: maar alleen toelating de muur af te werken.

Fred G. Zaspel schreef: ‘Daniel's Seventy Weeks, An Historical and Exegetical Analysis’ we hebben het gevonden op http://www.biblicalstudies.com/bstudy/eschatology/daniel.htm. Een


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 141 eigenaardige uitleg: met meerdere breuken in de profetie, die zeer gekunsteld lijken. Dat heeft wel een voordeel, dat men niet gaat berekenen wanneer de Heer wederkomt. We geven in deze tabel zijn gedachten weer. In het kort verlopen de zeventig weken van 365,25 dagen als volgt:

587 v. Chr. (“Uitgaan van het woord Jeruzalem te herstellen en herbouwen”) -49 jaren (“zeven zevens”) 538 v. Chr. (“een gezalfde, een prins”; Cyrus) Waarom het jaar 587 v. Chr.? God heeft HET WOORD GESPROKEN TOT JEREMIA DAT ER EEN EIND KOMT AAN gevangenschap en de herbouw van Jeruzalem zal starten (Jer.32:1,6-9,13-17,24-27).Dat is het begin, de profetie van herstel! (onderbreking van onbekende duur) (Dan.11:2,3 / Micah 5:1,2 zijn voorbeelden van breuken vlg. Finley)

440 v. Chr.

(“straat en plein wederom gebouwd, doch in benauwdheid”)

-434 jaren (“twee-en-zestig zevens”) 6 v. Chr. (geboorte van de “Messias,” Jezus Christus) (onderbreking van onbekende duur) Gebeurtenissen beschreven (“na de twee-en-zestig zevens”): 1) Kruisiging van de Messias (het jaar 30 na Chr. of 33 na Chr.) 2) Vernietiging van Jeruzalem “tot het einde” ?? n. Chr. (“bevestiging van het verbond” met Israël) +3½ jaren (“de helft van de zeven”) ?? n. Chr. (“gruwel der verwoesting”) +3½ jaar ?? n. Chr. (“het einde”; wederkomst van Christus; oordeel over “de komende prins”) Hoe komt F. Zaspel aan het jaar 440 v. Chr.? Nehemia doet een aanvraag bij Artaxerxes om terug te keren naar Jeruzalem in april, 444 v. Chr. (Neh.2:1). Maar volgens Josephus (in zijn Oudheden, XI, V, 7), gaat Nehemia vooraf naar Babylon om helpers en vrijwilligers te vinden onder de Joden om terug te keren. Hij moet ook nog verdere voorbereidingen doen en bouwmaterialen uitzoeken (en dat is zeer waarschijnlijk want bij zijn terugkeer begint men onmiddellijk aan de bouw in Jeruzalem). Zijn werkelijke opgang naar Jeruzalem neemt waarschijnlijk enkele jaren in beslag. Volgens Josephus is dat “het vijfentwintigste jaar” van


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 142 Artaxerxes dus: 440 v. Chr. Zaspel zegt dan: “Again the years fit exactly” = “Alles klopt wonderbaarlijk.” Bij de bespreking van de geboorte van Jezus in 6 v. Chr. zegt hij: “The prophecy fits perfectly with the events of history” = ”deze profetie komt perfect overeen met de feiten uit de geschiedenis.” Maar ik ben er niet door overtuigd. Integendeel! Al die onderbrekingen lijken me teveel, in een profetie die “uitgesneden” is uit de wereldgeschiedenis en een aparte heilstijd voor Israël moet benadrukken. Op het Internet staat van een zekere Emmanuel Bertin, in de Franse taal, enkele documenten die moeten bewijzen dat Artaxerxes I in 475 v. Chr. begon te regeren. Zo komt men met jaren van 365 ¼ dagen vanaf 455 v. Chr. (20ste jaar van die koning) in het jaar 33 na Christus voor zijn dood. De schrijver is een Jehovah’s Getuige maar zoals duidelijk, dat is een chronologie die slechts door hen gevolgd is, enkele Russellisten en niemand anders. En ze zullen die niet wijzigen, want dan klopt hun chronologie van de tijden der heidenen, eindigende in 1914 niet meer. Dit is niet belangrijk verder te onderzoeken. Vers 26 STATENVERTALING DAN.9:26

LUTHERVERTALING DAN.9:26

LEIDSCHEVERTALING DAN.9:26

“En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot”

“En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden en niet meer zijn; en het volk van een vorst, die komen zal, zal de stad en het heiligdom verwoesten, dat het een einde zal nemen als door een vloed; en tot het einde van den strijd toe zal het woest blijven.”

“En na die twee en zestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, zonder dat iemand hem redt. En de stad en het heiligdom zullen verdorven worden door het volk van een vorst die komen en wiens einde in den vloed zijn zal; en tot het einde is er oorlog, duurt het besluit dat verwoestingen zullen aangericht worden.”

Hieronder de voetnoten en aantekeningen van de Statenvertaling bij Dan.9:26. 86) na die twee en zestig weken Namelijk na de negen en zestigste week, want de zeven voorgenoemde weken moeten bij deze twee en zestig weken gevoegd worden. 87) uitgeroeid worden, Het Hebreeuwse woord betekent somtijds zoveel als een misdadiger om het leven brengen. Zie Lev. 17:4.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 143 88) maar het zal niet voor Hem zelven zijn; Dat is, niet tot zijn voordeel, maar tot voordeel van zijne uitverkorenen; of niet om zijner zonden wil. Anders, doch Hij zal gene [schuld] hebben, of maar zonder zijne [misdaad]. Of, zonder enige [schuld]. Anders, en zal geen [helper] hebben. Zie Dan. 11:44. Anders, en niet meer zijn; te weten onder de mensen, opgenomen zijnde ter rechterhand des Vaders. Vergelijk Gen. 5:24. 89) een volk des vorsten, Dat is, het heirleger der Romeinen. 90) zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, Te weten het einde, hetwelk de Romeinse vorst het Joodse volk zal aanbrengen. Of, het laatste dat hij het Joodse volk zal aandoen. 91) vastelijk besloten verwoestingen. De zin is: Zij zijn vastelijk besloten, en de tijd is precies bestemd, wanneer zij komen en wanneer zij ophouden zullen. Sommigen verstaan dit aldus: Totdat Gods oorlog tegen zijn volk een einde hebbe, zijn de verwoestingen precies bestemd. Wat zij op dat gebied zeggen We citeren P. Slagter, die de visie der bedelingen aanneemt. Uit ‘Israël en de Bijbel’, januari 1994, blz.3: “Eerst moeten de 62 weken (en dus ook de 7 weken die daaraan voorafgingen, samen 69 weken) voleindigd zijn en daarna zal de Messias worden uitgeroeid. Er staat niet bij hoelang erna, maar het woordje “na”, in de grondtekst, geeft aan dat het niet té lang daarna zal zijn. Vervolgens lezen we in de NBG-vertaling: “terwijl er niets tegen hem is”, terwijl de Statenvertaling zegt: “het zal niet voor Hemzelven zijn.” Er blijkt dus enig verschil van mening te zijn over de betekenis van de grondtekst. De Engelse Revised Version heeft het meer letterlijk vertaald met: “Hij zal niet hebben” of: “zonder dat Hij heeft.” Dat is: Hij heeft niets voor Zichzelf, Hij ontvangt niet, waar Hij recht op heeft. Hij kwam als de rechtmatige kroonpretendent van David. Alle bezit, eer en waardigheid, daaruit voortvloeiende, zou Hij moeten ontvangen. Het einde van die 62 (of 69) weken zou dus bepalend zijn voor wat er daarna ging gebeuren: 1. Of Hij wordt aangenomen en Hij zal hebben (ontvangen). 2. Of Hij wordt niet aangenomen en zal niet hebben (ontvangen). Daniël profeteert nog erger. Hij zal worden uitgeroeid! De periode van 69 weken, oftewel 483 jaar, moet dus eindigen vlak voor de uitroeiing van de Messias” (wij onderstrepen). En momenteel moeten we dat ook doen. Interpreteren we als letterlijke jaren (van 365 dagen) dan komen we met deze berekening ergens in de jaren 40 A.D. Toen is er niets uitzonderlijks geschiedt in Israël! Een valse profeet liep er toen rond volgens Flavius Josephus en er was hongersnood, maar dat is toch wel wat weinig om deze profetie te vervullen. In een lezing van D. Steenhuis met de titel ‘WIKKEN EN WEKEN’ gevonden op Internet,


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 144 staat het volgende: “Er zijn wel beelden die toegepast worden op de gemeente, maar rechtstreekse profetieën over de gemeente zijn er niet. In de tweede plaats gaat het bij de profetieën over de Koning der Koningen en over de Here der Heren. Gezicht en profeet te bezegelen duidt op een punt waarop alles tot volheid komt wat de profeten hebben gezegd in de loop van de eeuwen. Het loopt uit op de zalving van iets ‘allerheiligst’. Dan zal de ongerechtigheid verzoend zijn. Het is voor mij zo dat hier gedoeld wordt op de komende Gezalfde, de Messias, de Christus (gezalfde)” (wij onderstrepen). Orthodoxe Joden verwijten christelijke evangelisten slordigheid in hun interpretatie van Daniël 9:25. Drie zaken zitten hun dwars en vooral de lezing: “de Messias, de Prins.” Ze zeggen dat de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst zonder lidwoord staat zodat we moeten spreken van “een MASHIACH = EEN “gezalfde” en EEN “prins.” Men verwijst naar bijvoorbeeld koning Cyrus als EEN gezalfde (Jesaja 45:1,13/ Ezra 1:1,2). Bovendien kan men van dat begrip geen persoonlijke naam maken en het met hoofdletters schrijven, het is maar als titel bedoeld van de autoriteit van een koning of een hogepriester. Zodat de enige juiste weergave van het oorspronkelijke Hebreeuws moet zijn: “een gezalfde, een prins.” Dat klopt voor wat betreft het Oud Testament maar de christengelovigen hebben van dat begrip een soort eigennaam gemaakt. Je krijgt namelijk in het Nieuw Testament de terminologie “Jezus, de Christus.” Ook al kende men in de dagen toen het NT (of ook het OT) werd geschreven geen onderscheid tussen hoofdletters en kleine letters, al vlug kreeg dat begrip “Messias” een hoofdletter. Uit respect en ontzag voor de persoon. We geven nog enkele vertalingen zodat u kunt inzien dat niet iedereen die hoofdletter gebruikt, ook al zijn het christenen die de vertaling hebben gemaakt. “tot op Messias, den Vorst” Statenvertaling (Jongbloed-editie) “tot op een gezalfde, een vorst” NBG-vertaling 1951 “tot aan het optreden van de uitverkoren vorst” Willibrordvertaling (herziene editie 1995) “unto the Messiah the Prince” King James Version, 1611 “unto the anointed one, the prince” American Standard Version, 1901 “until God's chosen leader comes” Good News Bible, 1992 (parafrase) “until the coming of the Chosen Leader” Contemporary English Version, 1999 (parafrase) “to the Anointed One” (parafrase) In de voetnota: “can also be translated “Messiah” (same as “Christ”). the prince” World English Bible, 2002 Let er ook op: je krijgt in Joodse vertalingen zowel “the anointed one” als ”an anointed one.” JPS VERSION TANAKH JPS 1917 VERSION JUDAICA PRESS (1985) TANAKH (CHABAD.ORG) 26. And after the threescore and


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 145 26. And after those sixty- two weeks shall an anointed one be 26. And after the sixty-two two weeks, the anointed cut off, and be no more; weeks, the anointed one will one will disappear and be cut off, and he will be no vanish. more, Wat wij op dat gebied zeggen Het vers 26 zegt dan: “EN NA de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is.” Het is nadat de eerste periode van 7x7 jaren = 49 jaren, de tijd dat de herbouw van de stad heeft geduurd dat hierbij onmiddellijk de 62 jaarweken aansluiten. Daarna zal de Messias of Christus “uitgeroeid” worden. Het werkwoord in het Hebreeuws voor “uitroeien” (“ikkaret”) heeft steeds de betekenis van een gewelddadige dood. Het woord is o.a. gebruikt in Gen.17:14 / 1 Kon.18:13 / Zach.13:8. De gewelddadige dood die Christus stierf was als van een lam dat de zonden der wereld wegnam (Joh.1:29 / 2:2). Er klinkt ook iets in van slachtoffer in relatie tot een verbond (Gen.15:10,18). Maar er zit niet in wat Jehovah’s Getuigen er in lezen, namelijk het “vernietigen” van de ziel van de persoon. Hetzelfde werkwoord is gebruikt voor ongelovigen en de straf die ze ontvangen: Ps.5:6 / 37:9,34 / Jes.13:9. De voorstanders van de uitleg volgens de bedelingen zeggen over het eerste deel uit dit vers (hier weergegeven als “EN NA”) dat zoiets wijst op een onmiddellijk erna. In hun uitleg slechts vijf dagen erna, want de Heer kwam als koning op Palmzondag er werd op de vrijdag van die week al aan het kruis gehangen. Wij geloven in een traditioneler uitleg en nemen aan dat dit in het midden van de zeventigste week is, wat 3 ½ jaren later is. Beter geformuleerd: in het midden van de laatste symbolische week. Vraag is of “en na” hier een kortere of een langere tijd wil aanduiden. De Hebreeuwse woordkeuze laat beide vertaleningen toe zonder dat er gezondigd wordt tegen duidelijke regels. Een concordantie maakt dat duidelijk. Dit leren we: het was niet de bedoeling van Christus om op Palmzondag naar de macht te grijpen of koning te worden op dat moment. Er zijn vijf redenen waarom de uitleg van de dispensationalisten over het gebeuren van Palmzondag verkeerd is. Dit is de eerste: Hij kwam om Zijn bloed = Zijn leven te geven voor zondaars. Profetie na profetie moest vervuld worden in die dagen. Maar toen koning worden, was daar geen deel van. Dit gebeurde met Palmzondag volgens Mat.21:1-5 SV77: “En toen zij nu Jeruzalem naderden, en gekomen waren te Bethfagé, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegenover u ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij. En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond zenden. Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door de profeet, zeggende: Zegt de dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong van een jukdragende ezelin.” Hij gaat naar de tempel, Hij verdord een boom die het symbool is van het ongelovige Israël, en verwijst naar


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 146 Johannes de Doper die tot hen kwam. Hij verwees ze naar Jezus, Lam van God. Die zij niet gewild hebben. Lees dat eens in Marcus 11. Dat Palmzondag slechts een gewone episode is in het leven van Christus blijkt duidelijk uit wat we er later over horen door de apostelen en profeten van het NT, namelijk niets. Met Palmzondag was er een profetische vervulling zoals blijkt uit de verwijzing (Ps.118:26 / Zach.9:9). Maar naar Daniël negen is GEEN ENKELE VERWIJZING. Waarom dan dat verhaal opkloppen totdat het een waarde gekregen heeft die de Schrift het niet geeft! Er was natuurlijk een aanbod van het koninkrijk, maar dan alleen in de boodschap dat het niet van deze wereld was. Je kon je er wel al, door bekering, op voorbereiden.  Mat.11:12: “Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar.”  Luc.16:16: “De wet en de profeten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het evangelie gepredikt van het Koninkrijk Gods en ieder dringt zich erin.”  Joh.18:36: “Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.”  Joh.18:37: “Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem.” Een zeer belangrijk begrip, vooral in het evangelie van Johannes is “wereld” dat 79 vindplaatsen heeft in 57 verzen van de NBG. We geven er enkele van weer en het is er duidelijk aangegeven: Jezus, komt om de wereld te redden, niet om op de troon van David koning te worden. Dat komt, maar later, en in een ander aspect dan wat de Joden verwachten. Ook vóór die tijd wil men Jezus al eens koning maken, bij de vermenigvuldiging van de broden. Alle problemen zouden met zo een koning opgelost zijn! Dat wil Jezus bewust niet volgens Joh.6:15: “Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen.” Het resultaat is in Joh.6:66 te lezen: “Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede.” Hier zijn enkele teksten over de “wereld”:  Joh.1:10: “Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend.”  Joh.6:14: “Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou.”  Joh.6:33: “want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het leven geeft.”  Joh.6:51: “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.”  Joh. 9:5: “Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 147    

 

Joh.9:39: “En Jezus zeide: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden.” Joh.12:31: “Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden.” Joh.12:46: “Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve.” Joh.12:47: “En indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden.” Joh.17:23: “Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.” Joh.17:24: “Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.” Joh.17:25: “Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt.” Joh.18:20: “Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de synagoge geleerd en in de tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken.”

Dispensationalisten verwijzen dan in dat verband ook naar de opmerking van Jezus nadat de stoet al op gang is gebracht. Lucas 19:37-44 SV77 zegt: “En toen Hij nu naderde aan de helling van de Olijfberg, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stem, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden; Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam des Heeren! Vrede zij in de hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen! En sommigen van de Farizeën uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen. En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg u, dat, zo dezen zwijgen, de stenen haast roepen zullen. En toen Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar, Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, wat tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, en u zullen omsingelen, en u van alle zijden benauwen; En u tot de grond zullen neerwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten; daarom dat gij de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt” (wij onderstrepen). MAAR, ZO MAAR, DE LINK LEGGEN NAAR DANIËL 9 IS HIER NIET AAN TE TONEN OF AAN DE ORDE. De tweede reden waarom de uitleg van de dispensationalisten verkeerd is over Palmzondag is deze. Er loopt nog een ander verhaal in de evangeliën. Dat, van Israël dat absoluut geen oren heeft naar de boodschap van Jezus en toch is Hij hun koning, hun priester en hun profeet. Hun ogen, oren en hart zijn afgesloten, verhard en onbekeerd. Dit staat ook in de Schrift:  Mat.11:12,13 SV77: “En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen het met geweld. Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 148 

Hand.3:20-24 SV77: “En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u te voren gepredikt is; Die de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broeders, gelijk mij; Die zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal. En het zal geschieden, dat alle ziel, die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk. En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.” Heb.1:8,9 SV77: “Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter van Uw koninkrijk is een rechte schepter. Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uw medegenoten.” Heb.5:4,5,9 SV77: “En niemand neemt zichzelf die eer aan, maar die door God geroepen wordt, zoals Aäron. Alzo heeft ook Christus Zichzelf niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. En is door God genaamd een Hogepriester, naar de ordening van Melchizédek.”

Dit is de derde reden: Hij kwam om Zijn bloed = Zijn leven te geven voor zondaars. Dispensationalisten geven ook om deze reden een verkeerde indruk van die Palmzondag. In het boek Jesaja staan de profetieën die over “De Knecht des HEEREN” handelen. Wat er zou moeten gebeurd zijn, op die dag, moet afgemeten worden aan de dood van Jezus aan het kruis en dat is dan nog toekomst. DAT STAAT OP HET PROGRAMMA VAN DE REDEN VAN DE KOMST VAN JEZUS. Dit moet trouwens voorafgaan aan de stichting van Zijn koninkrijk. Er kan dus theologisch geen sprake zijn, van een greep naar de macht op deze dag en de Romeinen gewoon buiten Judea te vegen. Lees eens dat verhaal van Palmzondag vanuit deze bril van wat Jesaja voorzei:  Hij zal door Zijn volk verworpen worden, Jesaja 53:3 SV77: “Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.”  Hij zal sterven voor de zonden van Israël, zoals uitgelegd door de apostelen voor elke gelovige, ook die uit de heidenen, Jesaja 53:6 SV77: “Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheden op Hem doen aanlopen.”  Hij zal voor eeuwig leven na gestorven te zijn, Jesaja 53:10 SV77: “Doch het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkig voortgaan.”  Hij zal alle gelovigen rechtvaardigen, ook heidenen, zeggen later de discipelen van Jezus, Jesaja 53:11 SV77: “Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 149 

Hij zal de plaag van het volk op zich nemen, Jesaja 53:8 SV77: “Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest.” Hij is de onschuld zelf en toch moet Hij sterven, Jesaja 53:7 SV77: “Toen deze geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.” Hij is niet slechts voor de Joden gekomen maar ook voor de heidenen, Jesaja 49:6 SV77: “Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om terug te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.” Hij zal gewoon afgesneden worden = vermoord (Dan.9:24-27).

De vierde reden waarom er geen overdreven nadruk mag liggen op de betekenis van het Palmzondagfeest is hoe het evangelie van Johannes dat beschrijft. Palmzondag staat in de vier evangeliën beschreven en Johannes geeft een theologische reden waarom dat feest niet is uitgelopen op wat dispensationalisten er in leggen. Dit zegt Johannes 12:12-19: “De volgende dag, toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoorde, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakken, gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren! en: De koning van Israël! En Jezus vond een jonge ezel en Hij ging erop zitten, gelijk geschreven is: Wees niet bevreesd, dochter Sions, zie, uw Koning komt, gezeten op het veulen van een ezel. DIT BEGREPEN ZIJN DISCIPELEN AANVANKELIJK NIET. MAAR TOEN JEZUS VERHEERLIJKT WAS, TOEN HERINNERDEN ZIJ ZICH, DAT DIT MET HET OOG OP HEM GESCHREVEN WAS en dat zij dit met Hem gedaan hadden. De schare dan, die bij Hem was geweest, toen Hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de doden opgewekt had, getuigde daarvan. Daarom ging de schare Hem ook tegemoet, omdat zij gehoord hadden, dat Hij dit teken gedaan had. De Farizeeën dan zeiden tot elkander: Gij ziet voor uw ogen, dat gij niets bereikt; zie, de gehele wereld loopt Hem na.” De discipelen van Jezus begrepen de ware toedracht van het gebeuren van Palmzondag slechts nadat ze de Heilige Geest hadden ontvangen, meer dan vijftig dagen na de gebeurtenis. Zodat we het gewone volk in Jeruzalem niet moeten aansmeren dat ze hun koning verwerpen en daar dan de reden zoeken van het einde van de negenenzestigste week. De echte verwerping komt later met de 14de nisan, wanneer Hij aan het kruis sterft nadat men hem enkele uren voordien als Messias verworpen heeft. Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Dat kan de man in de straat niet begrijpen. Zo zijn ze niet opgevoed en ook zijn discipelen dachten nog aan een aards rijk veertig dagen ná zijn opstanding uit de doden (Handelingen 1:6,7). De teksten uit het evangelie van Johannes spreken duidelijk niet van een rijk dat moet opgericht worden op aarde in die dagen met Jezus als koning ervan. Integendeel:  Joh.3:3: “Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 150  

Joh.3:5: “Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. Joh.18:36: “Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.

De vijfde reden waarom er geen overdreven nadruk mag komen te liggen op het Palmzondagfeest is wat er profetisch gezegd is over de Messias en Zijn werk in deze wereld.  Vooraf Jesaja 7:14: “Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven.” Dat Jezus er is, is de godsopenbaring in deze wereld van het Joodse volk. Dat hebben ze als volk niet opgemerkt. Slechts enkelen hebben dat geheim begrepen.  In het evangelie van Johannes staan twee mooie teksten Johannes 1:15,34: “Johannes heeft van Hem getuigd en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie ik zeide: Die na mij komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik. (…) En ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is.” De Doper heeft het geweten en ook bekend gemaakt: deze man is God, Zoon van God!  In een latere fase van de geschiedenis van de manier waarop het volk Israël omgaat met die Jezus lezen we in Johannes 10:33: “De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt.”  Aan het einde van Zijn aards bestaan is dit gedeelte van de confrontatie met de hogepriester sprekend voor de manier waarop de clerus van Israël Jezus bekijkt: “Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels. Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?” (Mattheus 26:63-65).  Met andere woorden Israël heeft, in massa, niet begrepen wie Jezus was: namelijk dat GOD MET HEN WAS. Enkelen hebben het verstaan. Maar na de opstanding hebben, ondanks Palmzondag, duizenden die boodschap aangenomen. Neen, deze vijf redenen geven duidelijk aan dat men Palmzondag niet moet lezen met de woorden van de engel Gabriël aan David – en aan ons - in Daniël 9. Wie daar een verkeerde nadruk legt komt in strijd met wat de Schrift ons duidelijk maakt, Jezus kwam om te sterven en niet om in Jeruzalem koning te zijn over aardse burgers. Die enkele dagen vóór de dood van Jezus is er dus een opflakkering van nationalisme onder de Joden en is er de tocht van Jezus naar Jeruzalem (Joh.12:13). Hoe interpreteren we het dan? Bij Zijn aanhouding zal Jezus, wellicht om deze reden, aangeklaagd worden als iemand met politieke aardse ambities (Joh.18:33 / 19:12). Men stelt Hem voor als de rivaal van de keizer, maar Jezus maakt het duidelijk, Hij is koning. Maar Zijn rijk is niet van DEZE WERELD en Zijn discipelen mogen niet op de vuist gaan met de Romeinse overheerser (Joh.18:36). Christus heeft


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 151 trouwens al eens geweigerd koning te worden in deze aardse omstandigheden (Joh.6:15). Jezus, kwam niet om Pilatus buiten te zetten, Zijn tijd komt nog en is trouwens niet zo ver meer af (Joh.19:10,11). Maar het is een geestelijk rijk, de keizer moet niet bang zijn. Wanneer Jezus gegeseld wordt als inleiding op zijn kruisiging dan zal men ook een plakkaat op het kruis spijkeren dat Hij gezegd heeft koning te zijn van de Joden (Joh.19:1-3 / John 19:19). Zijn vijanden weten dus wat ze aan Hem hebben. Zijn leerlingen begrijpen dat later beter, na de uitstorting van de Heilige Geest.  Dit zegt de apostel Petrus, enkele minuten voordien opnieuw herboren, in Handelingen 2:29-32: “Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van de patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag. Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lendenen, zoveel het vlees aangaat, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; ZO HEEFT HIJ, DIT VOORZIENDE, GESPROKEN VAN DE OPSTANDING VAN CHRISTUS, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. Deze Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn” (wij onderstrepen).  Wie het geheim van de prediking van Petrus begrijpt kan ook Amen zeggen op dit: in het ‘Book of Church Order’ van ‘The Presbyterian Church in America’ is de aanhef deze: “Jesus Christ ... sits upon the throne of David.” = Jezus Christus … zit op de troon van David. De profetie in Dan.9:26 voorzei ook dat de Messias zou sterven “ve ain lo”, iets waar Bijbelvertalers de grootste moeilijkheid mee hebben. Er zijn wel zes verscheidene manieren om dit te vertalen. De NBG zegt “niets tegen hem.” Kahn, de Franse rabbijn, vertaald “zonder wettelijke opvolger”, Segond zegt “zonder opvolger”, Crampon vertaald “niemand voor hem”, Ostervald zegt “niet voor zichzelf” en Liénart heeft “zonder dat hij fout was.” Al deze vertalingen kunnen juist zijn omdat ze allemaal passen in het beeld van het leven en werk van Christus. Vergelijk met 1 Pet.1:19 / Joh.1:11. P. Slagter (hyperdispensationalist) zegt in het citaat bovenaan: “Hij ontvangt niet waar Hij recht op heeft.” In elk geval is dit een verkeerde gevolgtrekking. De Messias heeft wel degelijk alles ontvangen waar Hij recht op heeft. Petrus liegt toch niet op de Pinksterdag wanneer hij zegt dat Jezus uit de doden is opgestaan als Heer en Messias (Hand.2:36)! Paulus liegt toch niet wanneer hij zegt dat Jezus boven alles verheven is, boven alles wat er in het universum is (Phil.2:9-11). Johannes liegt toch niet wanneer hij zegt dat de Vader leven geeft aan de gelovige dóór Zijn Zoon (1 Joh.5:11). Of liegt Jacobus wanneer hij schrijft dat wanneer iemand lijdt en tot de Here gaat, Hij “hem zal oprichten” (Jac.5:15)? Dat wijst er toch op dat de Heer over “allen” en “alles” regeert (Hand.10:36). Gerald Sigal de Joodse tegenstander van de uitleg van christenen over deze profetie van Daniël, heeft hier een commentaar. Hij schreef: ‘Daniel's 70 Weeks: Dan. 9:24-27’ op www.wordgems.com/ “4. De woorden v’ayn lo (9:26) zijn onjuist vertaald door de King James Version als “maar niet voor zichzelf.” “Het moet worden vertaald als: “hij niets heeft” of “hij zal niets hebben.” Hoe kunnen christelijke missionarissen dit vers op Jezus toepassen gezien wat in Jesaja 53:12


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 152 staat, waar Gods dienaar een “deel met de groten” krijgt? Bovendien kan v’ayn lo niet verwijzen naar de situatie van Jezus met of na de dood, want, in tegenstelling tot de gewone sterveling die na de dood verval ondergaat, beweren christelijke evangelisten dat Jezus lichamelijk naar de hemel ging, waar hij zit aan de rechterhand van de troon van de Majesteit. Het kan zeker niet verwijzen naar een gebrek aan rijkdom of volgelingen, want dat zou Jezus niet onderscheiden van de grote meerderheid van de wereldbevolking. Iemand die “niets” heeft (Daniël 9:26) of niets ontvangt, dus “geen deel met de groten” heeft (Jesaja 53:12), niet lichamelijk in de hemel geleid werd (Handelingen 1:9), en niet zit aan de “rechterhand van de troon van de Majesteit” (Hebreeën 8:1). Het is precies met zijn dood dat Jezus naar verluidt in staat was om zijn beloning te ontvangen. Daarom, kan “zal hij niets hebben” niet verwijzen naar de Jezus van de christelijke evangelisatietheologie.” Een ander Hebreeuws theoloog zegt dat de woorden V’AYN LO betekenen “en hij zal niets hebben” of “er blijft niets voor hem over.” Als men wil zeggen, “maar niet voor zichzelf”, zou je moeten zeggen V’AYN L’ATZMO. Onze kennis van die taal is niet van dien aard dat we het kunnen beamen. Laten we dat eens bekijken. Er zijn op zijn minst twee mogelijke betekenissen: de eerste heeft betrekking op het koninkrijk Gods. Jamieson, Fausset & Brown schrijven in hun commentaar: “niet voor zichzelf - in deze plaats is beter vertaald “er is niets tot Hem” [Hengstenberg]; niet dat het werkelijke doel van Zijn eerste komst (Zijn geestelijk koninkrijk) gefaald heeft, maar het aardse koninkrijk toen door de Joden verwacht zal niets opbrengen en dus niet worden gerealiseerd. Tregelles verwijst de titel, “de prins” (Dan 9:25), naar de tijd van zijn intocht in Jeruzalem op een ezelsveulen als Zijn enig uiterlijk als een koning, en zes dagen nadien al ter dood gebracht als ‘Koning van de Joden.’” De tweede uitleg is, deze die de zaak bekijkt vanuit het offer van Jezus. De Wet van Mozes had voorzegd dat verzoening wordt gemaakt door het vergieten van bloed (Leviticus 17:11). We weten dat de dood van de Messias “niet voor zichzelf” is, maar voor anderen, zodat Hij op die manier, de zonden en ongerechtigheid van Israël voor God verzoent. DE NBG geeft de vertaling: “terwijl er niets tegen hem is” en dat zou er kunnen op wijzen. Het belangrijke punt is dan, dat tussen het einde van het tweede deel (de 69 zeven) en vóór het begin van de 70ste zeven, de Messias zou worden gedood en zou sterven in een plaatsvervangende dood. Hij hoeft niet te sterven (“voor zichzelf”) maar doet het voor anderen. We weten dat de Here God niets doet zonder Zijn geheim te onthullen aan Zijn knechten, de profeten (Amos 3:7) en dat heeft Hij ook gedaan. Jesaja 53 spreekt over die gruwelijke dood van Jezus, Hij hoefde het niet te doen maar al voor de grondlegging van de Nieuw Wereld heeft de drie-enige het al gepland. Dit zijn enkele Nederlandstalige en Engelse vertalingen van dat gedeelte uit Daniël 9:26 en u merkt hoe moeilijk het is een leesbare tekst ervan te maken. Want dat moet men ook toegeven dat is een moeilijke tekst. Statenvertaling (Jongbloed-editie) “ En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn” NBG-vertaling 1951 “26 En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 153 Willibrordvertaling (herziene editie 1995) “Na die tweeënzestig weken zal een gezalfde gedood worden zonder dat iemand hem opvolgt.” KJV And after threescore and two weeks shall Messiah be cut off, but not for himself NKJV And after the sixty-two weeks Messiah shall be cut off, but not for Himself NLT After this period of sixty-two sets of seven,* the Anointed One will be killed, appearing to have accomplished nothing, Footnote: * Hebrew After 62 sevens. NIV After the sixty-two ‘sevens,’ the Anointed One will be cut off and will have nothing.* Footnote: * Or off and will have no one; or off, but not for himself ESV “And after the sixty-two weeks, an anointed one shall be cut off and shall have nothing. NASB Then after the sixty-two weeks the Messiah will be cut off and have nothing RSV And after the sixty-two weeks, an anointed one shall be cut off, and shall have nothing ASV And after the threescore and two weeks shall the anointed one be cut off, and shall have nothing YNG And after the sixty and two weeks, cut off is Messiah, and the city and the holy place are not his (dat is een tegenstrijdigheid inbouwen in de vertaling) DBY And after the sixty-two weeks shall Messiah be cut off, and shall have nothing WEB And after sixty and two weeks shall Messiah be cut off, but not for himself HNV After the sixty-two weeks the Anointed One shall be cut off, and shall have nothingVUL We moeten wanneer we naar Dan.9:26b gaan, vooraf opmerken dat we moeten lezen wat er staat. Niet doen zoals de volgelingen van de leer van de bedelingen en vertalen bijvoorbeeld als in de Groot Nieuws Bijbel van 1996: “Er zal een koning verschijnen die met zijn leger…” enz. Uit die vertaling gaat men het begin van vers 27 interpreteren en “HIJ” (= een koning) gelijkstellen aan een vijand van het toekomstige Israël, aan de antichrist. Dit kan niet volgens een goede vertaling van 26b, want we dienen dat te vertalen als “een volk van de vorst.” Het is een volk (de Romeinse legers) onder leiding van een vorst (generaal Titus) die: “de stad en het heiligdom verderven.” We komen hier later op terug. Deze vertalingen ondersteunen wat we zeggen, drie ervan zijn aangegeven als slechte: NBV: “Het volk van een toekomstige vorst”, SV: “en een volk des vorsten”,


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 154 SV77: “een volk van de vorst”, NBG: “en het volk van een vorst”, WIL95: “door het leger van een vorst”, GNB96: “Er zal een koning verschijnen die met zijn leger” (ZEER SLECHTE VERTALING), Luther Nederlandse vertaling: “en het volk van een vorst”, Leidsche vertaling: “het volk van een vorst die komen”, Naardense Bijbel: “door de manschap van een leidsman.” Enkele Engelse vertalingen: King James Version, 1769: “and the people of the prince that shall”, New King James Version, 1982 Thomas Nelson: “And the people of the prince who is to come”, New Living Translation, 1996 Tyndale Charitable Trust: “and a ruler will arise whose armies”, (SLECHTE VERTALING) New International Version, 1984: “The people of the ruler who will come”, The Holy Bible, English Standard Version, 2001: “And the people of the prince who is to come”, New American Standard Bible, 1995: “and the people of the prince who is to come”, Revised Standard Version, 1952: “and the people of the prince who is to come”, American Standard Version, 1901: “and the people of the prince that shall come”, Robert Young Literal Translation, 1898: “the Leader who hath come doth destroy the people”, (SLECHTE VERTALING) J.N.Darby Translation, 1890: “and the people of the prince that shall come”, Noah Webster Version, 1833: “and the people of the prince that shall come”, Hebrew Names Version, 2000: “and the people of the prince who shall come”, Hieronymus Latijnse Vulgate, 405: “Et civitatem, et sanctuarium dissipabit populus cum duce venturo.” Vers 26b verteld van een volk en een vorst die komen om de stad en de tempel te vernietigen. De Hebreeuwse tekst zegt “nagid habbo” wat wil zeggen “de komende vorst.” Sommigen hebben dit daarom verklaard als ware Christus zelf de vernietiger van Jeruzalem in het jaar 70 na Chr. En het is waar dat Christus “de komende” genoemd wordt in Luc.7:19 en Mat.11:3 / 21:9. Anderen hebben zelfs de parabel van de bruiloft verklaard als vervuld in deze vernietiging (Mat.22:7). Christus voorzei ook dat vóórdat zijn discipelen de steden van Israël zouden doorgelopen hebben, de Zoon des mensen zou komen (Mat.10:23). Maar al deze dingen kunnen ook anders verklaard worden. Zo is het niet naar de vernietiging van Jeruzalem dat de parabel van de bruiloft verwijst, maar naar de Wederkomst. Niet vergeten dat Mat.10:23 voorzeker wijst naar de transfiguratie op de berg volgens Mat.17. Er is dus alle reden om aan te nemen dat de komende vorst in Dan.9:26b een verwijzing is naar de Romeinse generaal die Jeruzalem in 70 na Chr. veroverde. Of het is een verwijzing naar de caesar in Rome voor wie de generaal werkt. Toen ging in vervulling de woorden die de Joden hadden uitgesproken: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” (Mat.27:25). In voetnota geeft de NWV ook nog de lezing van 26b als volgt: “En het einde van hem zal door de vloed zijn.” Dit wijst dan op “hem” (als mannelijk woord), die de verwoester is en niet naar de stad en het heiligdom. Die lezing is vanuit het Hebreeuws zeker mogelijk. Een vloed wijst in figuurlijke taal naar een leger (Jesaja 8:7,8). Calvijn merkt bij dit vers op dat de engel deze strenge woorden op die wijze doorgeeft, om aan te tonen dat zelfs indien de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 155 Joden de oorlog winnen tegen Rome, ze toch tegenover God verliezen en hun lot tot vernietiging bezegeld is. Een opmerking over de derde visie (de historisch kritische) van dit 26ste vers. Antiochus Epiphanus (de vorst) heeft de tempel niet verwoest, alleen maar ontheiligd (1 Mak.1:54). En dat is te weinig om dit als de vervulling te beschouwen (1 Mak.1:31,38). En de stad Jeruzalem bleef in die tijd ongedeerd. Een Joodse exegeet, Gerald Sigal, schreef een kritisch artikel over de wijze waarop christenen dat gedeelte vertalen. Titel: ‘Daniel’s 70 Weeks: Dan. 9:24-27’op www.wordgems.com/ “3. De King James Version verzuimt het bepaald lidwoord in Daniël 9:26, dat moet lezen: “En na de tweeënzestig weken.” Door het behandelen van de tweeënzestig weken als een aparte periode, geeft dit vers, in het oorspronkelijke Hebreeuws, er blijk van dat de tweeënzestig weken genoemd in vers 25 gescheiden zijn van de zeven weken door de ‘atnah. Daarom is er over twee gezalfden gesproken in dit hoofdstuk, van wie er één komt na zeven weken, en de andere na een nieuwere periode van tweeënzestig weken.” Op de site van Jews for Jesus vonden we: ‘The Evolution of Some Messiah Legends’ van David Brickner, gearchiveerd op March 1, 1987. Het toont op een overzichtelijke manier dat Joodse exegeten het niet altijd met elkaar eens zijn over wat de Messias doet/moet doen en de varianten op dat thema door de eeuwen heen. We geven u ook dit mee: twee rabbijnse uitleggingen die voor zowel de eerste als de tweede gezalfde een andere persoon invullen. Neem wat Joodse geleerden zeggen dus niet als “de echte waarheid” en laat u niet inpakken door “exegetische hoogstandjes.” Jewish Study Bible Notes Rashi’s Comments (Orthodox) Comments 2004 (Reform/Conservative) 25-26 Anointed leader…anointed Daniel 9:25 And you shall know and understand from the one: The word anointed in vv. 25 emergence of the word From the emergence of this word, and 26 is the Heb “mashiah” which emerged at the beginning of your supplications to (Messiah); thus these vv. Have given tell you, you shall know to understand [how] to restore rise to much Christian speculation. and build Jerusalem. until the anointed king Time will be In the context of the other historical given from the day of the destruction until the coming of references, however the anointed Cyrus, king of Persia, about whom the Holy One, blessed leader probably refers to either be He, said that he would return and build His city, and He Zerubabel or the high priest Joshua called him His anointed and His king, as it says (Isa. (Ezra 3.2; Hag. Ch 1; Zech. 6.9-15), 45:1): “So said the Lord to His anointed one, to Cyrus while the anointed one is most likely etc.” (verse 13): “He shall build My city and free My the high priest Onians III, killed in exiles, etc.” 171 BCE (2 Macc. 4.30-34). The Daniel 9:26 And after those weeks. the anointed one will prince is Antiochus IV Epiphanes. be cut off Agrippa, the king of Judea, who was ruling at the time of the destruction, will be slain.and he will be no more Heb. ‫ ְואֵין לוֹ‬, and he will not have. The meaning is


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 156 that he will not be.the anointed one Heb. ‫ ָמשִׁי ַח‬. This is purely an expression of a prince and a dignitary.and the city and the Sanctuary lit. and the city and the Holy.and the people of the coming monarch will destroy [The monarch who will come] upon them. That is Titus and his armies. and his end will come about by inundation And his end will be damnation and destruction, for He will inundate the power of his kingdom through the Messiah, and until the end of the wars of Gog the city will exist.cut off into desolation a destruction of desolation. Vers 27 STATENVERTALING DAN.9:27

LUTHERVERTALING DAN.9:27

LEIDSCHEVERTALING DAN.9:27

“En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde,”

“En hij zal velen het verbond versterken eene week lang; en midden in de week zal het slachtoffer en spijsoffer ophouden; en bij de vleugels zullen staan gruwelen der verwoesting, en het is besloten, totdat het vast besloten verderf zal uitgestort worden over de verwoesting.”

“Hij zal een week lang met velen een innig verbond sluiten en op de helft dier week slacht offer en meeloffer doen ophouden, en in de plaats daarvan komt een ontzettende gruwel, totdat het voldongen en vastbesloten vonnis wordt voltrokken over het ontzettende.”

Hieronder de voetnoten en aantekeningen van de Statenvertaling bij Dan.9:27. 92) velen het verbond versterken Of, voortreffelijken; te weten de uitverkorenen en gelovigen. 93) een week; Dat is, zeven jaren, in het midden van welke de Heere Christus is gedood, en in den overigen tijd hebben de apostelen de Joden met het Evangelie van Christus bediend. 94) in de helft der week Te weten in het midden van die zeventigste week. 95) doen ophouden, Te weten door zijnen dood, die een offerande en slachtoffer is, waardoor alle heiligen in der eeuwigheid geheiligd worden, voor welken al de Levietische offeranden verdwenen zijn, gelijk


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 157 de schaduw voor de zon. Want hoewel zij nog een weinig tijds na de hemelvaart van Christus geduurd hebben, zo heeft nochtans met den dood van Christus straks al hare wettelijkheid en nuttigheid opgehouden. 96) over den gruwelijken Hebreeuws, over den vleugel der verfoeiselen, of verfoeiingen. Versta, het verfoeilijke heidense Romeinse krijgsvolk, [Matth. 24:15], over hetwelk een krijgsoverste zal zijn, die deze verwoesting zal aanrichten naar Gods rechtvaardig oordeel. 97) vleugel Of, benden. Zie Ezech. 12:14. 98) tot de voleinding toe, Zie de aantekening Jer. 4:27. 99) die vastelijk besloten zijnde, Zie Jes. 28:22. Vooreerst nog enkele andere vertalingen van dit vers 27. “En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is” (NBG). “Met velen zal hij een sterk verbond aangaan gedurende één week. Op de helft van die week zal hij een einde maken aan slacht en spijsoffers en op de vleugel de gruwel van de verwoesting plaatsen, totdat de vernietiging waartoe besloten is, zich aan de vernieler voltrekt” (Willibrord 1995.) “Maar met velen een innig verbond sluiten, een hele week lang. En op de helft van die week zal hij slacht en spijsoffer doen ophouwen; en in plaats daarvan komt een ontzettende gruwel, totdat verdelging en wraakgericht zich aan den vernieler voltrekt” (Canisius). Wat zij op dat gebied zeggen over vers 27 (over de laatste week) H. Schouten schreef in ‘Het Zoeklicht’ van 24 juli 1999, blz.17: “Na de uitroeiing van de Gezalfde, werd stad en heiligdom te gronde gericht. En daarmee eindigde voorlopig ook de aftelling van de 70 jaarweken. God zette de klok stil, waarom? Omdat de Here God bepaalde dingen verborgen had gehouden, worden een aantal zaken hier wat onduidelijker, toch kunnen we inzicht krijgen. We moeten dan aankloppen bij de apostel Paulus. Hij schrijft ons in Efeze, dat aan hem, Paulus, een geheimenis’ geopenbaard is. Namelijk (Efeze 3:6) ‘dat de heidenen medeërfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de beloften in Christus Jezus’. Wat zijn nu die beloften in Christus? Dat zijn de dingen waar, onder andere, Daniël van profeteerde: de afsluiting van de zonde, de verzoening van ongerechtigheid en het brengen van eeuwige


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 158 gerechtigheid. Dat was ten tijde van vroegere geslachten, dus ook voor Daniël, niet bekend (Efeze 3:5). Dat er een kloof in de geschiedenis van Gods handelen met Israël ligt wordt wel heel helder geformuleerd door Paulus, wanneer Hij aan de Romeinen schrijft: ‘Want broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden” (Romeinen 11:25,26). Wanneer de gemeente zal zijn thuisgehaald, zal God Zijn plan met Israël doorzetten, dan zal het aftellen van de 70 jaarweken vervolgd en voltooid worden” (wij onderstrepen). T. Niemeijer zegt in ‘Het Zoeklicht’, n°18 van 28 november 1998, blz.20 (wij onderstrepen): “Er blijft echter nog één jaarweek (7 jaar) over, die nog op zijn vervulling wacht. Deze jaarweek is tot op de dag van vandaag nog niet vervuld. Na de verwerping van de Messias bleef voor het volk Israël de klok stil staan. Israël werd uit zijn land verdreven en over de gehele aarde verstrooid. Er is een onderbreking gekomen in deze 70 jaarweken, een onderbreking, waarin de Here in de eerste plaats met een ander volk bezig is: De Gemeente. Het tijdperk van de gemeente ligt eigenlijk tussen het eindigen van jaarweek 69 en het begin van jaarweek 70. In deze periode staat Israël langs de zijlijn. De laatste tijd zien we echter, dat de Here de draad met Israël weer oppakt. De gemeente zal plaats moeten maken voor Gods handelen met Israël. God heeft Israël niet verworpen, zoals vele christenen jaren gedacht hebben, nee Hij zal ook met zijn volk Israël tot zijn doel komen. Wij leven in de tijd, waarin deze dingen staan te gebeuren. Op het moment dat Christus zijn gemeente tot zich zal halen en wij in een oogwenk weggevoerd zullen worden om door onze hemelse Bruidegom als Bruidsgemeente naar het Vaderhuis gebracht te worden, zal de klok voor Israël weer gaan lopen. Dan breekt de laatste jaarweek voor Israël aan, die zal eindigen met de zalving van de Here Jezus als de grote Vredevorst. Deze periode wordt ook wel de Grote Verdrukking genoemd en bestaat, zoals het boek Openbaring, maar ook zoals Daniël aangeeft uit 2x3,5 jaar. Het is een periode, die ook wel de tijd van benauwdheid voor Jacob genoemd wordt (Jeremia 30). De laatste jaarweek zal dus aanbreken op het moment, waarop de gemeente weggenomen wordt en de Here God de draad met zijn volk Israël weer op zal pakken”. We lezen het volgende in ‘AMEN’ nummer 49 van juni 2003 op blz.12: “Er zijn vele Schriftplaatsen, die de derde tempel voorspellen, waarvan we er enkele zullen noemen. Wij lezen in 2 Tessalonicenzen 2: “Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die (de dag van Christus) komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen is, en dat geopenbaard is de mens der zonde, de zoon des verderfs, die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzo, dat hij in de tempel Gods als een god zal zitten, zichzelf vertonende, dat hij God is”. (vs.3-4 SV) Het is duidelijker dat als deze profetie in vervulling moet gaan gedurende de grote verdrukking, er een Joodse tempel moet bestaan. De Here Jezus Zelf waarschuwt in Mattheüs 24, vers 15: “Wanneer gij dan zult zien de gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats, dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen.” (SV) Om te begrijpen waar onze Heiland op doelt, moeten we het boek Daniël opslaan. In Daniël 9:27 vernemen wij, dat de vorst, die komen zal, een verbond zal sluiten met Israël voor de tijd van één


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 159 jaarweek (dus zeven jaren); maar “ …in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen en wel tot de – voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.” Hieruit vernemen wij, dat de Joodse eredienst in de tempel verstoord zal worden en er iets anders voor in de plaats komt. Daniël 12 geeft hier meer licht op: “En van de tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen worden en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.” (vers 12) De mens der zonde zal zich in de tempel zetten, en de Schrift spreekt dan over “de gruwel der verwoesting” en van het volk zal verwacht worden, dat het dit zal aanbidden. In het 13de hoofdstuk van Openbaring wordt het ons duidelijker, als wij lezen, dat de valse profeet een beeld zal maken voor het beest en de mensen zal dwingen dit te aanbidden op straffe des doods. Uit dit alles blijkt, dat er een tempel (of wellicht een deel daarvan) moet zijn, om deze dingen in vervulling te doen gaan.” P.A. Slagter zegt in ‘Israël en de Bijbel’, februari 1994, blz.4 het volgende over de zeventigste week: “Een vorst die komen zal Nadat dus de 69é jaarweek voorbijgegaan was, is de geschiedenis onderbroken (nu bijna 2.000 jaar) en zal straks worden voortgezet met de 70ste, oftewel de laatste jaarweek. Daniël 9:27 beschrijft verder de relatie tussen “een vorst... die komen zal” en het volk Israël: “En hij (dit is dus: een vorst in de eindtijd) zal het (beter: een) verbond voor (de) velen zwaar maken, een week lang”. De uitdrukking “zwaar maken” kan ook worden vertaald met “bekrachtigen” of “versterken” (zie bijv. de Statenvertaling). Het feit dat “Hij” (= die vorst) het zal doen, wijst op een figuur die veel macht c.q. invloed zal hebben op de gang van zaken in het Midden-Oosten. Israël zal hem veel vertrouwen schenken. Dit verbond zal door velen worden begroet en aanvaard. Niet door allemaal! Er zullen mensen zijn die zich er van distantiëren. In het verleden heeft Israël, onder aanvoering van de leiders, dikwijls vertrouwd op verbonden met anderen. Telkens opnieuw werd dat vertrouwen beschaamd! Gods Woord waarschuwt er ook uitdrukkelijk voor: “Het is beter tot de HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen” (Ps.118:9 SV; zie ook Ps.146:3; Jes.28:15 e.a.). Ook deze “prins”, de vorst van de eindtijd, zal het vertrouwen volledig beschamen en zich zelfs tegen hen keren!” (wij onderstrepen). In een artikel op Internet, uit www.BijbelsArchief.nl (5 mei 2003) met als titel: ‘De gemeente van Christus’ lezen we het volgende: “Vanaf Genesis 11:10 tot Maleachi 4:6 houdt de Bijbel zich voornamelijk bezig met het volk Israël. Dit betreft dus bijna het hele Oude Testament. De Gemeente is in het Oude Testament een ‘verborgenheid’ ‘En in het licht te stellen [wat] de bediening van het geheimenis [inhoudt], dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, Opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden’. Efeze 3:9-10 De Gemeente wordt zelfs nooit genoemd, de heidenen worden genoemd als ze iets met Israël te maken hebben. Ook de vier Evangeliën spreken voornamelijk over Israël (Joden). Maar wél wordt daar de Gemeente als op handen zijnde gebeurtenis aangekondigd in verband met een wereldwijde prediking van het Evangelie aan Israël en de heidenen in Matthéüs 16:18 lezen we:


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 160 ‘En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze Petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen’. Matthéüs 16:18 ‘Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen’. Romeinen 15:8.” In ‘De komst van de Heer is nabij’ van H. Bouter Jr. lezen we:”Wat de antichrist betreft, denk ik dat l Johannes 2:18v.v duidelijk maakt dat er vele voorlopers zijn geweest van de antichrist, die nog moet komen in de eindtijd en die pas kan komen nadat de weerhoudende machten (de Gemeente en de in haar wonende Geest) zijn weggenomen van de aarde (vergelijk 2 Thessalonicenzen 2:6-7). In die zin heb ik er geen moeite mee om - zoals vele christenen dat gedaan hebben in het verleden het pausdom te betitelen als een antichristelijke macht. Maar het is niet meer dan een “voorloper” van de antichrist, want Johannes zegt dat de antichrist de Vader en de Zoon loochent. Dat betekent dus dat hij de fundamentele belijdenis van het christendom zal opgeven, namelijk God als Vader geopenbaard in zijn Zoon Jezus Christus. Dat gaat verder dan de dwalingen van Rome. Het optreden van de mens der zonde in de eindtijd zal aanleiding geven tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus in vlammend vuur van de hemel (2Thess. 1:7; 2:8; Openbaring 19:15,20)” (Uit het ‘Woord der Waarheid’, Winschoten, maart/april 1992). In de derde visie (de historisch kritische) interpreteert men de “hij” als de vorst van vers 26. Maar wat we hebben opgemerkt bij 26 is ook hier toepasselijk. Wat wij op dat gebied zeggen De dispensatieleer geeft weer dat de zeventigste week nog steeds toekomstig is. Volgens het getuigenis van Jezus zelf, in Mat.24:15, zegt men dan. Als de Heer citeert uit dit gedeelte van de passage van Daniël, dus Daniel 9:24-27, dan moeten we echt bezorgd zijn over zo een uitleg, want die ligt dan buiten de zeventig weken. Zelfs de dood van Jezus valt buiten de 70 weken, want Hij stierf tussen de door God ingepaste periode van de gemeente van Christus. Het beeld is: de periode van de zesennegentig weken loopt van Nehemia tot aan Palmzondag, God stopt zijn klok voor Israël, Jezus sterft vijf dagen later en dan zal ooit in de toekomst de zeventigste week starten. Dat leert de Schrift niet, het klinkt “science fiction.” Er worden allerhande pogingen gedaan om toch maar een breuk te kunnen verklaren tussen de 69 en de 70ste jaarweek. De argumentatie is dan: er zijn meerdere Bijbelteksten aan te halen die erop wijzen dat er een breuk is tussen het sterven van de Heer aan het kruis als offer voor de mensen, en zijn latere Wederkomst als koning. Wij citeren hierbij niemand maar dit zijn de dienaangaande Bijbelteksten die aangehaald worden in dat verband; Psalm 22:3 / 110:1,2 / Jesaja 61:2 / Daniël 2:31-45 / Daniël 7:23-27 / Daniël 8:2,25 / Daniël 11:35,36 / Hosea 3:4,5 / Hosea 5:15 / Hosea 6:1,2 / 1 Petrus 3:10-12. We hebben alles opgezocht in dit verband, maar veronderstel dat er nog wat aan toegevoegd moet worden, doe het dan. We zijn echter niet onder de indruk van zo een lijst. De reden waarom we het niet zijn is deze: géén enkele van die teksten heeft in zijn tekst of context een TIJDSBEGRIP. Maar Daniël 9 heeft dat wel: 70 “shabua” of 490 letterlijke of symbolische jaren. Dat men dat in een onderbroken lijn moet interpreteren is duidelijk uit andere teksten waar een tijdsbegrip in verwerkt is. De zeventigjarige tijd die Israël zal doorbrengen in ste


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 161 Babylonische gevangenschap kan men niet uitleggen als 65 jaar, daarop een breuk van 200 jaar (of wat anders) en dan de vijf resterende jaren erop volgend. Jeremia 29:10 SV77 is duidelijk: “Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u terugbrengende tot deze plaats.” Dat is onzin om er wat anders in te leggen dan 70 ononderbroken jaren. In Daniël 9:27 een breuk invoegen is de Schrift geweld aandoen. Het heeft géén zin daartegen in te gaan met de opmerking dat er toch gesproken wordt van 7 jaarweken plus 62 jaarweken plus 1 jaarweek. Wat heb je eraan, aan zo een uitleg, wanneer men niet consequent is. Daar kan men toch niet in terugvinden dat er een breuk is tussen de 7 en de 62 jaarweken. Zoek er dan toch ook geen tussen en 62 en de laatste week. Robert Anderson de schrijver van een standaardwerk over de bedelingen, ‘The Coming Prince’ gaf zijn boek een ondertitel. Het is deze: ‘The Marvelous Prophecy of Daniels Seventy Weeks concerning the Antichrist.’ In onze interpretatie is vers 27 een nadere uitleg bij vers 26 en is er géén sprake van DE of Een

ANTICHRIST in gans de profetie, niet rechtstreeks en niet

als ondertoon in symbolische zin. Het vers 26 beschrijft de historische zaken en vers 27 geeft er de betekenis van weer. Dat kent men uit de Joodse manier van schrijven en parallellisme genoemd wordt van twee gelijklopende verzen. Dat parallellisme geven we hier weer in de Naardense vertaling (die te onleesbaaar is in vele teksten): VERS HET POSITIEVE 9:25 weet en begrijp: vanaf de uitgang van een woord is het, om nog een keer Jeruzalem op te bouwen tot aan de zalving van een leidsman een zevental zevendaagsen; 9:26 en ná die tweeënzestig zevendaagsen wordt een gezalfde weggemaaid zonder dat er iets tegen hem is;

9:27

HET NEGATIEVE in zestig en een dubbeltal zevendaagsen zal zij nog een keer worden herbouwd, met plein en gracht, in die benarde tijden;

de stad en het heiligdom worden verdorven door de manschap van een leidsman die komt, maar zijn einde vindt in de overstroming, en tot zo'n einde is er oorlog, vastbesloten is het: verwoesting! één zevendaagse lang zal hij met velen op de vleugel van gruwelen is hij een krachtig verbond hebben; op de verwoestend bezig tot het voleindigd is, en helft van de zevendaagse zal hij wat vastbesloten is wordt uitgestort over ophouden met offerdier en broodgift; een verwoester!

G. van den Brink, discipel van de bedelingenleer, schreef het artikel, ‘De eindtijd in Daniël en de weeklacht van Jezus’ in het tijdschrift Soteria 16/4 (1999, blz.28-38). Het zijn aantekeningen bij Daniël 9:24-27 en de rede van Christus in Mattheüs 23 waar de Joodse leiders een koude douche krijgen van Christus waar ze moeilijk kunnen aan ontsnappen. Hij geeft (bij kopje 5) deze opmerking: “We kunnen onze bespreking van de '70-perioden' profetie besluiten met de conclusie dat men er vanuit Daniël en het OT geen zicht op krijgen wie met de tweede gezalfde bedoeld wordt.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 162 De grote vraag is: is Jezus nu de tweede gezalfde of niet? En wie is de 'vorst die komen zal'? Nog belangrijker: is hij al gekomen of moet hij nog komen? We gaan naar het NT om te zien of we op deze vragen een antwoord krijgen. (…) We willen hiervoor Jezus' klacht over Jeruzalem in Matt. 23:37-39 (= Luc. 13:34-35) onder de loep nemen. Wat betreft de tekst is dit één van de plaatsen waar de verwoording van Mattheus en Lucas bijna gelijk is” (wij onderstrepen). Zijn conclusies zijn dan, aan het slot, onder andere deze: “3 Door de dood van de spreker, die hier een Messiaans zelfbewustzijn toont, zal het oordeel van God over volk en stad komen en breekt er een heilloze tijd aan voor Israël. 4. “erēmos” in vs.38 is mogelijk een toespeling op Daniël 9:26b-27, waar het wel drie keer voorkomt.” Om bij punt drie te beginnen, neen, er breekt GEEN heilloze tijd aan voor Israël wanneer ze Christus verwerpen. De rest van de gelovigen onder de Israëlieten, die Jezus aannemen als verlosser, zijn opgenomen in wat de gemeente van Christus zal genoemd worden. Ze hebben hun heil gevonden in Jezus en daar zijn meerdere teksten bij aan te voeren (Rom.3:21-26). Het heil van Israël verbinden aan een letterlijke tempel is sinds Jezus een verkeerde conclusie. Lees wat Hij zegt tot de Samaritaanse in Johannes 4:21-24. We gaan dat andere argument eens bekijken. Dit is wat er in Mattheus 23:37-39 staat: ”Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild. 38 Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. 39 Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!” In de Statenvertaling is er bij Mat.23:37 de verwijzing naar Mat.21:35,36, we citeren de SV77 er van. Daar staat: ” En de landlieden, zijn dienstknechten nemende, hebben de ene geslagen, en de andere gedood, en de derde gestenigd. Weer zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun evenzo.” In de Statenvertaling zijn er bij Mat.23:38 de volgende verwijzingen; Ps 69:26 / Jes.1:7 / Jer.7:34 / Micha 3:12 / Hand 1:20. Dit zijn ze uitgeschreven in de SV77. Ps.69:26: “Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.” Jes.1:7: “Uw land is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw bouwland verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden.” Jer.7:34: “En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden.” Micha 3:12: “Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van een woud.” Hand.1:20: “Want er staat geschreven in het boek der Psalmen: Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die daarin wone. En: Een ander neme zijn opzienersambt.” We leren hieruit dat er van Godswege een aankondiging was van vernietiging. Van braakleggen van stad en cultuur indien Israël blijft doorgaan met Zijn God ontrouw te zijn. Israël, het volk en de steden waarin ze wonen zullen als een wildernis worden als men zich niet onder God wil


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 163 plaatsen. Er komt een “erēmos” = (Strong's G2048) aan de orde, een wildernis, verwoesting, verlaten enz. in zowel Daniel 9 als Mat.23. Dat klopt! We geven dat grif toe aan G. van den Brink. Maar G. van den Brink vergeet de achtergrond te vertellen: hoe was het vóór de vernietiging in het jaar 70 na Christus. Jezus, heeft de tempel verlaten toen hij stierf aan het kruis. Geen enkele van Zijn verschijningen ging door in de tempel of heeft wat te maken met die plaats. Het is duidelijk dat zowel de Vader, de Zoon als de Heilige Geest waren niet meer was nadien. Het huis Gods, de tempel Gods, het huis mijns Vaders de termen die Jezus gebruikt voor de tempel krijgen ineens een andere dimensie. Het is UW HUIS geworden in Mat.23:37-39 = Luc. 13:34,35. Dat geeft aan dat het complex door God verlaten word. Nu is het Zijn tempel niet meer. Ook in Ezechiël verlaat God de tempel die zal vernietigd worden in vier stappen. Bekijk eens de verzen:  Mat.12:4: “Hoe hij het huis Gods binnengegaan is en zij de toonbroden hebben gegeten, waarvan hij noch die met hem waren mochten eten, doch alleen de priesters?”  Mat.21:13: “en Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een bedehuis heten, maar gij maakt het tot een rovershol.”  Mat.23:38: “Zie, uw huis wordt aan u overgelaten.”  Mat.26:61: “Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen.  Mat.27:40: “en zeiden: Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, indien Gij Gods Zoon zijt, en kom af van het kruis!”  Joh.2:16: “En tot de duivenverkopers zeide Hij: Neemt dit alles hier vandaan, maakt het huis mijns Vaders niet tot een verkoophuis.”  Psalm 81:11,12: “Ik, de HERE, ben uw God, die u opvoerde uit het land Egypte; doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen. Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, Israël was onwillig tegen Mij.” Deze psalm van Asaf geeft weer waar het schoentje wringt: de tien stammen hebben het pleit verloren tegen God en de twee overblijvende stammen zijn nu aan de orde.  Ps.69:10, aangehaald in Johannes hoofdstuk twee, geeft de woorden weer van David, hier door discipelen van Jezus toegepast op hun Meester: ”want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder.” G. van den Brink schreef als opmerking: “We kunnen onze bespreking van de '70-perioden' profetie besluiten met de conclusie dat men er vanuit Daniël en het OT geen zicht op krijgen wie met de tweede gezalfde bedoeld wordt” (uit het citaat hierboven). Bekeken bij zijn andere argumenten, die geen echt bewijs zijn, moet de enige conclusie dan deze zijn, er komt géén tempel meer. Nadat deze van Herodes vernietigd is zal God in geen nieuwe aardse tempel meer gaan wonen. Er is dus géén vorst daarna die met Israël wat zal opzetten dat een tempel moet zijn. Wij moeten de zaken van Daniël 9:27 zonder omwegen naar de gezalfde verwijzen uit het vers 26, dat is Jezus van Nazareth. Het is zondermeer duidelijk dat er géén breuk is tussen die weken. We geven hier de redenen; de woordkeuze van de profetie laten die uitleg niet toe en bovendien komt men in strijd


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 164 met duidelijke theologische uitspraken die men niet moet “profetisch” interpreteren. In vers 27 staat het offer van Christus centraal wanneer Hij sterft aan het kruis. Daarom kwam hij trouwens op deze aarde. Vooraf echer willen we dit punt nog eerst afmaken. Men blijft het toch maar proberen, als de breuk tussen de 69st en 70st week er niet is dan klopt het plaatje niet. Van het Internet citeren we zo een tabel, van: http://www.bijbels-panorama.nl/S19_Profetieen_tijdslijn_van_de_profetie.html

Er staat bij deze uitleg en tekening van de breuk tussen de 69ste week en de 70ste week: “Gezien vanuit het Nieuwe Testament kunnen we opmaken dat God de klok aangaande de 70 jaarweken voor het volk Israël stil zette bij het eind van de 69e week. In het in het jaar 70 A.D. werd Jeruzalem verwoest en de Joodse inwoners gedood of in ballingschap weggevoerd.” De enige basis voor het geloof in een toekomstige zevenjarige periode die de grote verdrukking genoemd is, leren we uit wat kan worden genoemd: de “uitstel-interpretatie.” Men zegt dat er een kloof staat, van een onnoemelijk aantal jaren, tussen de 69ste en 70ste weken van Daniël 9. Nochtans, bij het lezen van Daniël 9 zonder de invloed van de adviezen van andereen en Schriftuurlijke gymnastiek komt men niet vanzelf tot die conclusie. Men moet daar vooraf over gehoord hebben en ooit een dergelijke gedachte van een “kloof” geleerd hebben. Dat is omdat er niets in Daniël 9 die uitleg vooropstelt en het inbrengen van een kloof tussen deze laatste twee perioden van weken zie je niet in de tekst. In de dispensatie leert men dat: “In het verslag van de profetie, de vernietiging van de stad, volgens vers 26b, geplaatst is vóór de laatste week (v. 27a). Gezien dit gebeurde in 70 na Christus, moeten we aanhouden dat er een kloof is tussen die zaken.” Zo een argument gaat voorbij aan de eigenaardigheden van Hebreeuwse poëtische stijl en geeft blijk van onwetendheid over die taal. Want in de oosterse manier van denken moeten we geen westerse zin van chronologische


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 165 opvolging invoegen. De westerse denkwijze kan niet worden opgedrongen in deze passage. De “paralele patronen” (twee volzinnen die aan elkaar verwant zijn) die oosterlingen gebuiken (en daar horen de Joden bij) laat toe dat een parallelgedachte als een repetitie en uitbreiding van het onderwerp gebruikt wordt. Soms zonder dat de werkelijke opeenvolging in de tijd daarbij genomen is. Het juiste begrip van de relatie tussen de verzen 26 en 27 wordt weergegeven als repetitie van gedachten. Woordonderzoek van Daniël 9:27a Doug Krieger, een dispensationalist, geeft duidelijk aan waarin hij verschilt met anderen op dit punt. We citeren uit hoofdstuk 25 van ‘ANTICHRIST, REFLECTIONS ON THE DESOLATOR’ www.the-tribulation-network.com (de tabel vertalen we niet, het is ook niet onze voorstelling van de zaken maar deze van vooral Adventkerken): “Het is het Antichristelijke-Beest die het verbond verbreekt, niet Jezus Christus! Gods verbond met Abraham en herhaaldelijk bevestigd volgens de Hebreeuwse Geschriften (en we spreken hier niet van de bilaterale-VOORWAARDELIJKE akkoorden onder het Mozaïsche verbond, maar we spreken van de Davidische, Palestijnse, Abrahamitische) als onvoorwaardelijk en onherroepelijk. Echter, degenen die beweren de genoemde periode van zeven jaar van de 70e week van Daniël al gebleken, bieden een grafiek die iets ziet er als volgt uit:

Het gehele tweede gedeelte van het boek Daniël moet volstaan de domheid aan te tonen van deze misleide zielen: die ofwel met opzet of per ongeluk het werk van de Antichrist aan Christus toeschrijven! In het beste geval zijn het de “mensen van de prins” - NIET “de prins die komt” die Jeruzalem en de Tempel verwoesten in 70 na Christus - en dit is geen kleine technische opmerking die ik hier vernoem. Want nadat de Messias is “afgesneden” en na de stad en tempel vernietigd zijn, net wat doet de Messias (hun “hij”) dan nu: hij maakt een verbond met Israël verbreekt het in het midden van de week. Ze zijn verward met behulp van hun eigen kronkels, het grote punt van de feiten is dat de Messias dan al gekruisigd is: afgesneden! Dus, hoe kan 'hij' nu een verbond maken met “de vele” voor een week - in zijn herrezen staat? In Zijn opgevaren staat? Genoeg van al deze onzin!”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 166 Twee opmerkingen voordat we verder gaan met het onderzoek van wie de “Hij” is uit vers 27. Doug Krieger, schrijver van het citaat hierboven, is een sprookjesverteller. Hij beschrijft wat de niet-dispensationalist zou zeggen over dit laatste vers van Daniël hoofdstuk negen. Maar wat hij ervan maakt is een gedrocht en dat leert niemand van ons. Wij leren dat Jezus sterft IN de zeventigste week terwijl hij, als dispensationalist, leert dat Jezus stierf tussen de negenenzestigste week en de zeventigste. Dus in een periode die buiten de 70 weken valt en hoe kan Hij dan de zaken vervullen die in vers 24 staan? Wij leren, als tweede opmerking, dat Jezus in de zeventigste week Zijn verbond met Israël OPNIEUW heeft bevestigd. Zoals het ook vroeger al gebeurd was zo is het op het Laatste avondmaal nog maar eens verkondigd. Of niet soms? Je weet toch, Doug Krieger, dat tijdens het avondmaal Jezus verwijst naar het Nieuwe Verbond waarover Jeremia 31:31-34 wat aankondigde. Wij leren dat als Hij sterft, de dag nadien Zijn bloed het offer is om dat verbond te VERNIEUWEN. U leert dat Satan een verbond met Israël vernieuwt maar vergeet erbij te citeren waar er ergens zou staan in de Schrift dat Satan al eens een verbond was aangegaan met dat volk. Het staat er niet, in het Oud Testament, en je weet het ook maar tracht wat wij leren belachelijk te maken met wat we niet onderwijzen. Vertel me ook eens waarom met het daaropvolgende Pinksteren niet zou aangeven zijn, dat het Nieuwe Verbond met Israël in voege zou gegaan zijn! Het is dus niet oprecht wat u zegt, Doug Krieger, HET is werkelijke onzin en is zondermeer te bewijzen, dat het om een sprookje gaat dat u de mensen wijs maakt. John Walvoord zegt dit in zijn commentaar op Daniël bij dit vers 27 nadat hij enkele manieren van het benaderen van de tekst heeft besproken: “Uiteindelijk is de vraag die elke uitlegger moet onder ogen zien: wat is de interpretatie die de meest natuurlijke en intelligente uiteenzetting van de tekst geeft. Als het niet nodig is dit als letterlijke profetie te beschouwen, en de tijdseenheden niet letterlijk zijn, is een verscheidenheid aan interpretatie onmiddellijk mogelijk geworden.” Walvoord wist waarschijnlijk wel dat geen enkele theoloog of Bijbelcommentator tot het jaar 1740 een andere uitleg gaf over de “HIJ” in het begin van vers 27, dan dat het over de Messias Jezus sprak. Als ik zijn conclusie doortrek, dan waren dat allen personen van een MINDERE intelligentie dan hijzelf en wat andere dispensationalisten leerden. Zijn redenering loopt ook mank zoals we zullen aantonen. We hoeven in werkelijkheid niet te gissen wie de gezalfde is in vers 26a. Er is een nauw verband tussen de Messias en het verbond waarnaar vers 27a verwijst. Zijn dood is aangegeven door het werkwoord “karath” (Strong n°3772). Dat is dat Hebreeuwse begrip dat we zondermeer tegenkomen wanneer het over het of een verbond gaat en er offers gebracht zijn die “versneden” worden = aan stukken gesneden = gedood. De verklaring over het verbond in vers 27 wijst zondermeer naar het verbond van vers 26. De engel, die de profetie brengt aan Daniël, wil hierdoor aangeven, dat het afsnijden van de gezalfde (uit vers 26) niet naar Zijn falen verwijst, maar naar wat Zijn missie is. Het gaat om de vervulling van wat moet geschieden om een NIEUW VERBOND te bekrachtigen = een NIEUW OFFER. In de dood van de Messias is de laatste bekrachtiging gegeven aan het Oude Verbond, nu is het ook totaal vervuld. In vers 27 krijgen we de profetische verzekering dat alles OK is. Men mag niet vergeten, of bewust ontwijken zoals de dispensationalisten doen, wat het werkwoord is dat hier gebruikt wordt. Het is “karath” dat gebruikt wordt in vers 26a en geeft aan: het offer voor het Nieuwe Verbond is gebracht. De dispensationalisten nemen hier soms eens een loopje met de originele tekst. Ze doen het in


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 167 hun verklaringen van dat vers en ook in hun Bijbelvertalingen. Bijvoorbeeld, ‘The Living Bible’ geeft het begin van vers 27 aan, als “make” (maken) terwijl bijna iedereen zegt zoals het moet “confirm” (bevestigen, sterken, bekrachtigen). ‘The Living Bible’ wijzigt hierdoor gewoon de betekenis van het vers. Men doet alsof er iets nieuw tot stand komt, namelijk een verbond Israël/antichrist. Dat kan niet vanuit de woordkeuze van de engel Gabriël bewezen worden. Er is namelijk een enorm verschil tussen, wat het één zegt en het ander zegt; het gaat in dat vers om VERSTERKEN van wat al bestaat, NIET OM IETS NIEUWS MAKEN. God zal Zijn verbond beschermende maatregelen opleggen. Wie met God wandelt, hoeft niets te vrezen. Het Hebreeuws werkwoord hier gebruikt in vers 27 is “gabar” (Strong n° 1396) = sterken, sterkte geven, bevestigen, consolideren of verstevigen in zijn positieve betekenis. Maar in een negatieve zin ook: zwaar te dragen of te verduren. Het is bijvoorbeeld vertaald als: SV: “En Hij zal velen het verbond versterken één week.” NBG: “En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang.” WB95: “Met velen zal hij een sterk verbond aangaan gedurende één week.” Groot Nieuws Bijbel (herziene editie 1996): “Een week lang zal hij de tempeldienst voor velen van het volk bezwaarlijk maken.” Luther vertaling Nederlands: “En hij zal velen het verbond versterken eene week lang.” Leidsche vertaling: “Hij zal een week lang met velen een innig verbond sluiten.” Engelse vertalingen van Dan.9:27: King James Version, 1611: “And he shall confirm the covenant with many for one week.” New King James Version, 1982: “Then he shall confirm a covenant with many for one week.” New Living Translation 1996 Tyndale Charitable Trust: “He will make a treaty with the people for a period of one set of seven.” New International Version, 1984: “He will confirm a covenant with many for one ‘seven’.” The Holy Bible, English Standard Version, 2001: “And he shall make a strong covenant with many for one week.” New American Standard Bible, Lockman Foundation: “And he will make a firm covenant with the many for one week.” Revised Standard Version, 1952: “And he shall make a strong covenant with many for one week.” American Standard Version, 1901: “And he shall make a firm covenant with many for one week.” Robert Young Literal Translation, 1898: “And he hath strengthened a covenant with many -one week.” J.N.Darby Translation 1890: “And he shall confirm a covenant with the many [for] one week.” Noah Webster Version 1833: “And he shall confirm the covenant with many for one week.” Hebrew Names Version 2000: “He shall make a firm covenant with many for one week.” Hieronymus Latijnse Vulgate 405 A.D: “Confirmabit autem pactum multis hebdomada una.” Dit is hoe dat woord “gabar” (Strong n°1396), in de King James Translation gebruikt is. Totaal: 25 maal vertaald als: — prevail 14, strengthen 3, great 2, confirm 1, exceeded 1, mighty 1, put 1, stronger 1, valiant 1. Het gaat niet om het opstarten van een nieuw verbond.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 168 Strong

gabar

Confirm = Dan.9:27

number

Exceeded = Job 36:9

1396

Great = Ps.102:11 / Ps.117:2 Mighty = Job 21:7 Prevail = Gen. 7:20 / 1 Sam.2:9 / Ps.12:4 / Ps.65:3 / Jes.42:13 Prevailed = Gen.7:18 / Gen.7:19 / Gen.7:24 / Gen.49:26 / Ex.17:11 / Ex.17:11 / 2 Sam.11:23 / 1 Kron.5:2 / Klaagl.1:16 Put = Pred.10:10 Strengthen = Zach.10:6 / Zach.10:12 Strengtheneth = Job 15:25 Stronger = 2 Sam.1:23 Valiant = Jer.9:3

Er zit in het Hebreeuwse begrip “higbir” zoveel van het verbond dat God heeft met Israël dat er uitgesloten door wordt dat een toekomstige antichrist, daar niets kan aan wijzigen. Volgens dispensationalisten gaat dat verbond Israël en de antichrist in voege aan het begin van de nog toekomstige zeventigste jaarweek. En in het midden van die week zal hij zijn contract verbreken en de offers doen ophouden in de toekomstige tempel. Zelfs indien dat werkwoord “higbir” alleen zou verwijzen naar de zeventigste week, ook dan is een verbond met de antichrist uitgesloten. Behalve “karath” heeft het Hebreeuws nog enkele andere werkwoorden die te maken hebben met het aangaan of bevestigen van een verbond. Dit zijn de belangrijkste: Heqim = “bevestigen” of “confirmeren” Nathan = “geven” Sim = “plaatsen” Tsiwwah = “bevelen” `abhar = “voorbijgaan” gevolgd door “be”, “tot” Bo = “binnen gaan” Er is wat te zeggen over het werkwoord “gabar” uit vers 27 en wat daaraan gelijkenis heeft, het Hebreeuwse “heqim”, meestal in het Engels vertaalt als “cause to stand” (bevestigen). Dit werkwoord was al gebruikt door Daniel in zijn gebed dat vooraf ging aan de profetie die de engel Gabriël hem gaf. In Daniël 9:11,12SV77 lezen we “Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, door af te wijken, dat zij Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, de knecht Gods, omdat wij tegen Hem gezondigd hebben. En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 169 groot kwaad, dat niet geschied is onder de ganse hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.” Gods woorden tot Israël waren van dien aard, dat er strenge straffen bij waren als er overtredingen aan te pas kwamen. Het was “vloek” en “eed” die er aan verbonden waren. En “heqim” was ook gebruikt in de profetie van de zeventig jaar ballingschap. In Jeremia 29:10 lezen we: “Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u terugbrengende tot deze plaats.” God straft niet alleen maar is ook een God met een grote barmhartigheid. Dat zal Hij niet alleen doen in de nabije toekomst maar ook nog voor later. Voor wat nu komt is het werkwoord “heqim” gebruikt maar voor de toekomst mag zeker een sterker begrip dat onderlijnen ”higbir” = “make strong, cause to prevail” = sterk maken, doen overheersen. In twee psalmgedeelten is “gabar” gebruikt in verband met Gods verbond met Israël. In Psalm 103:11, staat er een contrast met hoe goed God is en wat het verbond inhoudelijk voorstelt. In Psalm 117:2, is het onderwerp dan de “trouw” van God en waar Gods trouw is heeft Hij een verbond aangegaan. Israël mag op God rekenen, Hij zal vervullen wat Hij beloofde, indien ze in Zijn woord blijven. Zo ook is het in Daniël: Gods belofte in de profetie houdt in: “en om eeuwige gerechtigheid te brengen” (NBG 51) of “en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen” (SV 77). Het verbond OF eventueel de HERBEVESTIGING VAN DAT VERBOND heeft inhoudelijk wat te maken met Daniël 9:27.  Psalm 103:10,11: “Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden; maar zo hoog de hemel is boven de aarde, zo MACHTIG (Heb. “gabar”) is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen.”  Psalm 117:2: “want zijn goedertierenheid is MACHTIG (Heb. “gabar”) over ons, en des HEREN trouw is tot in eeuwigheid. Halleluja.” De handeling van het bekrachtigen van het verbond (weergegeven door dat woord “gabar”) is het werk van een “machtig” iemand. En YaHWeH is dat zondermeer. God is in de Schrift ook een machtige held = Hebreeuws “gibbor.” Die term komen we regelmatig tegen waar er verbondsafspraken gemaakt worden. God is bij machte = held genoeg om Zijn volk te beschermen van alle vijanden.  Deut.7:9,21SV77: “Gij zult dan weten, dat de HEERE, uw God, die God is, die getrouwe God, Die het verbond en de weldadigheid houdt aan hen, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten. (…) Ontzet u niet voor hun aangezicht; want de HEERE, uw God, is in het midden van u, een groot en vreselijk God.”  Deut.10:17SV77: “Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt.” Dat is ook zo waar er verbondsbeloften hernieuwd worden, na belijdenis van de zonden.  Dan.9:4SV77: “Ik bad dan tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt hen, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 170 

Neh.1:5SV77: “En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt hun, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.” Neh.9:32SV77: “Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesters, en onze profeten, en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen van de koningen van Assur af tot op deze dag.” Jer.32:18 SV77: “Gij, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid der vaderen vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen; Gij grote, Gij geweldige God, Wiens Naam is HEERE der heerscharen!”

Het is niet zo dat God dit verschrikkelijke lot zou afgeschaft hebben en de Joden zondermeer met Zijn vaderhart vergiffenis schenkt. Laat één parabel dat illustreren. Mat.22:1-13 zegt ons dit: “En Jezus, antwoordende, sprak tot hen weer door gelijkenissen, zeggende: Het koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; En zond zijn dienstknechten uit, om de genodigden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen. Weer zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt de genodigden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft. Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap. En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen. Toen nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn legers zendende, heeft die doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken. Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genodigden waren het niet waardig. Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. En die dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. En toen de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed; En zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende? En hij verstomde. Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.” Met God valt niet te spotten, ook niet als je een liefderijk verbond met Hem bent aangegaan! Zien we dat verband in tussen de “gabar” en een machtige held = Hebreeuws “gibbor” dan moeten we denken aan Jezus die de Machtige is in profetische zin. Jesaja 9:5,6SV77: “Want een Kind IS ons geboren, een Zoon IS ons gegeven, en de heerschappij IS op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, STERKE GOD, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; Aan de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van de HEERE der heerscharen zal zulks doen.” Ook dan gaat het om het verbond met een ingekrompen Israël, het gaat uiteindelijk om het OVERBLIJFSEL. Over wie nog in het geloof van de vaderen is. Want in Jesaja 10:21,22 SV77 lezen we: “En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 171 Israël, en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op hem, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige Israëls, in oprechtheid. Het overblijfsel zal weerkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de sterke God! Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan weerkeren; de verdelging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid.” Om te illustreren hoeveel verbonds-vernieuwingen er niet waren in Israël, hier een lijstje:  Vernieuwing door Jozua. Na de verovering van het land is er een vernieuwing van het verbond te Shechem (Joz.8:30-35 / 24:14-16 / Deut.7:1-8).  Vernieuwing door Samuël. In 1 Samuël 12 is het woord verbond niet gebruikt maar alles wat er gebeurd lijkt op een bevestigen van het vroegere verbond van God met Israël. De geschiedenis van Israël herhaalde zich (12:8-13). De profeet roept het volk op God te gehoorzamen (12:14, 20-21) en merkt op dat er consequenties zijn bij eventuele overtreding (12:15, 25). Waarop het volk toezegt, te doen wat God vraagt (12:22).  Vernieuwing onder Elia. 1 Koningen 18 vertelt het verhaal van Elia met de profeten van de Baäl en Ashera op de berg Carmel. Elia is er het beeld van Mozes. Het altaar bestaat uit 12 stenen, de voorstelling van de 12 stammen (18:31). Veel van wat beschreven staat op de berg Sinaï (Exodus 24:4) en wat Jozua bij de verovering van Kanaän gedaan heeft (Jozua 4:8-9,20). Elia beklaagt zich over de zonden van het volk en roept ze op trouw te zijn aan het verbond (1 Kon.19:10). Wie de wet zal verbreken zal door Gods zwaard gestraft worden, een term uit het verbond (Lev.26:25) en de zwaarden van Hazaël en Jehu (1 Kon.19:17). Wanneer men trouw is aan het verbond is men ook zeker van de goddelijke aanwezigheid en het wonen in het land (1 Kon.19:18 / Rom.11:2-5).  Vernieuwing door Jehoïda & Joash. 2 Kon.11:17-18 beschrijft tweemaal een verbondsvernieuwing. Het volk en de koning zweren trouw aan God en het volk bevestigd zijn trouw aan David en zijn opvolgers Athaliah (11:1-3). Daaropvolgende is er een grote kuis in de tempel. Alles wat aan Baäl-aanbidding doet denken wordt weggedaan en Mattan, de priester van Baäl verwijdert.  Vernieuwing door Hezekia. De reformatie onder deze koning is zeer goed beschreven in 1 Kronieken 29-30. Er is een herstel van de tempel die al vervallen lijkt en een vernieuwing van de beloften van priesters en levieten. Hij laat de bronzen slang vernietigen want ze was als een afgodspaal voor velen geworden (Num.21:9 / 2 Kon.18:4). Wanneer de tempeldienst hersteld is worden alle Israëlieten uitgenodigd naar Jeruzalem te komen om er Pesach te vieren (Deut.16:1-8), zelfs dezen van het tienstammenrijk zijn uitgenodigd (1 Kron.30:1-12). Het volk reinigt zich van alle soorten plaatselijke afgoderij (31:1). Door deze handeling van Hezekiah is hij zegevierend ten oorlog getrokken tegen zijn vijanden (1 Kon.18:7,8).  Vernieuwing door Josia. Josia was slechts acht toen hij koning werd en begon God te zoeken (2 Kron.34:3). Toen hij twaalf was reinigde hij Jeruzalem, Juda, Manasse, Ephraïm en Simeon van de altaren van afgoden (34:4-7). Op zijn achttiende werd het boek van de wet opnieuw gevonden in de tempel (2 Kon.22:3-10 / 2 Kron.34:14-18). Vanaf die tijd gaat hij op zoek naar andere afgodische praktijken in het ganse land (2 Kon.23:1-25) en laat het Pesach vieren (2 Kron.35:1-19). Dit was volgens de historicus


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 172 die Kronieken schreef het grootste Paasfeest ooit gehouden sinds de dagen van Samuël (2 Kron.35:18).  Vernieuwing onder Ezra & Nehemia. Het lange gebed van verootmoediging door de Levieten (Neh.9:5-37) doet denken aan Gods genadeverbond met de kinderen van Abraham. In het gebed is duidelijk onderstreept dat het volk alle voorgaande dingen heeft ondergaan omdat ze ontrouw waren aan Gods verbond. Het volk gaat hierop in en zal zich in de toekomst houden aan Gods wetten die Mozes heeft ontvangen (9:38; 10:28-29). Men zal de vreemde vrouwen uitbannen (10:30 / Exod.34:16) en de Sabbat en de Sabbatsjaren naar de wet onderhouden (Neh.10:31 / Exod.23:10-12 / Lev.25:1-7). Men zal zowel de tempel als de levieten in ere houden en volgens de wet er naar leven (Neh.10:32-39). Deze conclusie is de énige die met dat alles rekening heeft gehouden; Israël heeft NOOIT een verbond gehad met de (of een) antichrist. Zo een onbestaand verbond is dus niet onderhevig aan een VERNIEUWING. Gezien er van een VERNIEUWING sprake is in vers 27 moet dit wijzen op Gods handelen in Zijn Zoon in de dagen van diens prediking. Het heeft ook geen zin zich te verschuilen achter de gedachte dat er nog andere profetie is waarin tijdselementen afgebroken worden. Ook dat is niet waar. In dat verband geeft men graag het volgende citaat ter ondersteuning. Louis Berkhof professor aan het Calvin Theological beschreef hoe we profetie dienen te bekijken: “Het begrip tijd is iets dat mag verwaarloosd worden bij de profeten. (The element of time is a rather negligible quantity in the prophets.) De profeten duwen alle grote gebeurtenissen van de toekomst in één tijdelijke beweging, dicht bij elkaar in één momentopname. Je ziet het allemaal in één oogopslag. Dat noemt men ‘profetisch perspectief ’ of zoals Delitzsch het beschreef ‘het inkrimpen van de profetische horizon.’ Men bezag de toekomst als reiziger die een gebergte bekijkt van op grote afstand. Hij ziet de ene bergtop neven de andere terwijl in werkelijkheid tussen elke bergtop in grote afstanden zijn. Zo is het ook in profetie met betrekking tot de Dag van de Heer en de tweevoudige komst van Christus” in Louis Berkhof, ‘Principles of Biblical Interpretation’, Baker, 1950, blz.150. Maar vanuit zo een opmerking de lijn doortrekken dat er een toekomstige antichrist is die met Israël een verbond aangaat is op zijn minst twee bruggen te ver. Het boek Openbaring spreekt NIET van een verbond van Israël/antichrist. Integendeel zelfs, Satan en zijn trawanten hebben het daar aan de stok met al wie het teken heeft van Christus, aan de hand en het voorhoofd! Het is de strijd tussen twee soorten getekenden, deze van de satan en deze van het Lam. John Walvoord, de dispensationalist, zegt dit in zijn commentaar op Daniël: “De precieze voorspelling van vers 27 geeft aan dat de persoon die op het oog is een verbond sluit met vele, letterlijk, “met de vele,” (zie de vele, letterlijk, “de velen,” in Dan 11:39; 12:2). Dit is een duidelijke verwijzing naar de ongelovige Joden, die in alliantie treden met de prins die zal komen.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 173 Dat ze Joden zijn wordt aangegeven door uw volk in vers 24. Als de voorgaande chronologie als letterlijke jaren worden verstaan, moet dit ook een periode van letterlijk zeven jaar zijn. In één woord, de profetie leert dat er een toekomstig pact of verbond tussen een politiek heerser aangewezen als de vorst die komen zal in vers 26 - met de vertegenwoordigers van het Joodse volk zal zijn. Een dergelijke alliantie zal natuurlijk een onheilige relatie zijn en uiteindelijk ten koste van het volk van Israël uitdraaien, hoe veelbelovend de oprichting er van kan gezien worden.” Er zijn ook enkele dispensationalisten die het eerste deel van vers 27 gewoon laten slaan op Christus en ná zijn dood een breuk maken voor de toekomst. Ook dat kan onze goedkeuring niet wegdragen. Dit is zo een variante op vers 27 van Messiasbelijdende Joden in de USA, waar Christus sterft in het midden van de zeventigste week. Daar ligt ook de onderbreking.“Zodat ik dit voorstel; er is géén zevenjarige verdrukking of een zevenjarige periode van de Antichrist. Dat is alles het resultaat van een onnauwkeurige interpretatie van Daniël 9:27 en heeft geen andere schriftuurlijke ondersteuning. De laatste 31/2 jaar uit de 70ste week is nog te vervullen in de toekomst.” Zie het artikel: Daniel 9:25-27 and Messiah the Prince, http://shalach.org/index.htm Volgens V. Condarcuri, ‘Daniels prophecy 9:24-27 Opinions’, is de “Hij” van vers 27 = Christus die op het einde van die week sterft en in 2016 zal waarschijnlijk het tweede deel van die laatste week aanvangen. http://www.geocities.com/daniel999_ca/index.html#My%20Interpretation De eerste woorden van vers 27 uit Daniël hoofdstuk 9 zeggen: “En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang.” Dat dit betrekking heeft op de laatste week spreekt voor zichzelf. Het is ná 7+62 = 69 weken dat de Messias kwam en het is deze die het verbond zwaar maakt voor velen. Welk verbond kan hier wel bedoeld zijn? Er zijn hierover drie uitleggingen mogelijk: het verbond met Abraham, het nieuwe verbond met de gemeente en als derde uitleg een verbond dat in de toekomst met de Joden nog zal gesloten worden. Deze laatste uitleg is deze van de Broeders en een groot deel “evangelischen.” In elk geval is deze uitleg verkeerd en wel om de reden dat volgens die verklaring de 70ste jaarweek gescheiden wordt van de andere 69 weken. Het is waar dat sommige profetieën uit de Hebreeuwse geschriften soms gedachten bevatten die zowel bij de eerste komst als bij de tweede komst vervuld zullen worden. Zo een tekst die hierbij meestal gebruikt wordt is Jes.61 en de manier waarop Jezus ermee omgaat. Men zegt dan: aangezien Jezus niet spreekt over de dag des Heren in Luc.4:16-21 moeten we een breuk aannemen van 2.000 of meer jaren. Maar daar gaat het niet om een tijdsprofetie. En Jesaja 61 aldus uitleggen is verkeerd. (Zie verder voor nadere uitleg in hoofdstuk 10.) We citeren Biederwolf in dit verband (Daniël blz.224): “Diegenen die dit vers verwijzen naar de Christus, de Messias, houden staande dat er een verwijzing is naar Zijn perfect zoenoffer aan het kruis, waarbij Hij voor altijd een einde stelt aan de Levitische offers (Fausset, Auberlen, Storr, Havernick, Hengstenberg). Deze gezaghebbende schrijvers houden daarom staande dat de helft van Daniël’s zeventigste week is voorbijgegaan tijdens de drie en een half jaar van het predikingwerk van de Heer. Maar de duidelijke en aparte verdeling van de verzen 26 en 27 gaat hiertegen in en wijst erop dat de ganse week nog ontbreekt en in de toekomst ligt.” Dit argument ligt aan de basis van de leer van wie de 70ste week in de toekomst ziet, maar klopt niet met de werkelijke betekenis van deze verzen. Uit de tekst zelf blijkt niet dat er enige onderbreking mag gemaakt worden in de jaarweken. Dat is niet te bewijzen en daarom moet men het ergens anders zoeken, in moeilijke interpretaties van het sterk symbolische


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 174 boek Openbaring en de speciale visie op de mens der wetteloosheid in 2 Thes.2. Hierover later meer. In elk geval moeten we vanuit de Masoretische tekst van de Schrift, of de eerste Griekse vertaling ervan, de Septuaginta, aannemen dat een breuk zonder gegronde redenen. Want een scheiding maken in de profetie van Daniël is verkeerd omwille van grammaticale gronden. In vers 24 staat er namelijk dat “70 jaarweken afgesneden worden.” Er staat niet 69 + 1 week maar 70 jaarweken als één geheel. Het woord in dat vers is slechts eenmaal gebruikt in de Schrift. Door het latere gebruik ervan moeten we aannemen wat uit de Talmud blijkt; “nechtakh” = “chathak” = afsnijden. En zo ook zeggen de Engelse en Amerikaanse Revised. De Griekse Septuaginta vertaalt het als: “krinoo = gerechterlijk bepalen.” De Griekse vertaling van Theodotion zegt: “suntemnoo = afkorten.” De Vulgata zegt: “abbreviare = afkorten.” Biederwolf geeft te kennen (blz.219) dat men de 7de week niet mag scheiden van de 62ste week. Maar ook de 69ste en 70ste week scheiden is fout. In Scofield (blz.914) lezen we over vers 26: “Verse 26 is obviously an intermediate period = Het vers 26 beschrijft overduidelijk een tussenperiode.” Waarschijnlijk wil de schrijver hierdoor van te voren aangeven, dat vers 27 een interim of tussenperiode is. En dat is een argument achter de hand houden om een breuk te kunnen rechtvaardigen tussen de 69ste en 70ste week. Maar om dat waar te maken moet men op een vreemde wijze omspringen met de beschrijving dat er 70 weken in één stuk zijn afgesneden uit de wereldtijd met een speciale betrekking tot het Joodse volk. Want het gaat niet om één groot stuk bestaande uit honderden jaren en later nog een restje achteraan toegevoegd. We hebben nog een opmerking in dat verband van Gerald Sigal, de Jood, die ook kritisch reageert op een andere groep. Titel: ‘Daniel’s 70 Weeks: Dan. 9:24-27’op www.word-gems.com/ Hij maakt ook bezwaren tegen de manier van vertalen zoals men gedaan heeft in de Nieuwe Wereldvertaling van Jehovah’s Getuigen. Aangezien hij een boek van hen citeert maar dat slechts gedeeltelijk doet, neem ik de betrokken paragraaf in zijn geheel over uit ‘Inzicht in de Schrift’, deel 2 uit het artikel zeventig jaarweken.“Enkele Nederlandse vertalingen wijken hier van de masoretische punctuatie af. Ze plaatsen hetzij een komma na de uitdrukking “zeven weken” of geven door de bewoordingen aan dat de 62 weken op de 7 weken volgen als onderdeel van de 70 weken, en dat de 62 weken dus niet van toepassing zijn op de periode waarin Jeruzalem werd herbouwd. (Vgl. Da 9:25 in Lu; NW; SV.) Een redactionele opmerking van James Strong in Langes Commentary on the Holy Scriptures (Da 9:25, vtn., blz. 198) luidt: “De enige rechtvaardiging voor deze vertaling, die de twee tijdsperiodes — de zeven weken en de tweeënzestig weken — van elkaar scheidt en de eerste periode bestempelt als de terminus ad quem van de Gezalfde Vorst en de tweede als de tijd van de herbouw, ligt in de masoretische interpunctie, die er een Athnac [versdeler] tussen plaatst. . . . en bij de weergave in kwestie gaat het om een rammelende constructie van het tweede zinsdeel, dat geen voorzetsel heeft. Het is daarom beter, en eenvoudiger, om vast te houden aan de Authorized Version, die alle oudere vertalingen volgt.” — Vertaald en geredigeerd door P. Schaff, 1976.” Dit is het antwoord van Sigal: “James Strong is verkeerd door te stellen dat “de vertaling in kwestie een harde constructie van het tweede lid weergeeft, want het staat zonder voorzetsel.” De Masoretische tekst is prima en correct Bijbels Hebreeuws. Er is geen vergelijking met het Engels van waarde noodzakelijk, omdat elke taal zijn eigen grammaticale en syntactische regels


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 175 heeft. In feite, terwijl in het Engels het voorzetsel “voor” wordt vaak gebruikt met de tijdsduur, in het Bijbelse Hebreeuws is het grammaticaal onjuist het zo weer te geven (bijvoorbeeld; 5:6 Genesis, 9, 12, enz. a.fr.). De King James Version volgt meestal de letterlijke Hebreeuwse en geeft niet het voorzetsel “voor” niet weer. Echter, de Nieuwe Wereld vertaling van de Heilige Schrift, de vertaling van de Jehovah’s Getuigen van de Bijbel, heeft “voor” toe gevoegd om te voldoen aan het gewone Engelse gebruik.” Dit is een zwak argument, want als de grammatica van twee talen verschillen zal er een tekst ontstaan die aan die taal voldoet. De voorbeelden die Sigal aanhaalt bewijzen niet zoveel, neem er eens enkele andere vertalingen bij en u merkt wel dat het argument van James Strong hout snijdt. Natuurlijk geeft dat gedeelte van vers 26b en 27 de periode achteraan de 70 jaarweken. Maar het gaat dan om de beschrijving van de consequenties die verbonden zijn aan de verwerping van de Messias. Trouwens, Scofield bewijst niets met de opmerking in zijn voordeel. Het vers 26b is voor hem tussenperiode en 27 wijst naar de 70st week, waartussen nog eens honderden jaren braak gebied liggen voor het Joodse volk. Voor ons is zowel 26b als 27 de beschrijving van dezelfde evenementen - van de val en vernietiging van Jeruzalem - beide na de 70ste week en relatief kort nadat de weken zijn voorbijgegaan. Want een dergelijke uitleg (van Scofield of Biederwolf) gaat uit van iets dat onmogelijk lijkt in Bijbelse profetie. Iets waaraan “tijden” gekoppeld zijn, die niet in vervulling gaan zoals het er staat. Men heeft van tevoren gezegd dat in de leer van de bedelingen er nog een antichrist komt die vers 27 moet vervullen. Wist God niet van tevoren dat Israël Zijn Messias zou verwerpen? Een profetie van 69 weken zou dan veel logischer zijn, want dan zou alles kloppen zonder tijdssprongen te maken? Alleen nu niet, omdat Israël niet wil meegaan met de Messias Jezus die méér dan bewezen heeft de Godsgezant te zijn! Maar, nogmaals, wist God dit niet? Krijgt u geen onaangenaam gevoel, alleen maar bij de gedachte dat zoiets zou kunnen waar zijn! Gerald Sigal is een Jood die een kritisch artikel schreef over de wijze waarop christenen dat gedeelte uitleggen. We citeren van: ‘Daniel’s 70 Weeks: Dan. 9:24-27’op www.word-gems.com/ “Na die negenenzestig opeenvolgende weken, worden de meeste christelijke missionarissen en apologeten gedwongen om de zeventigste week apart van de rest van die periode te zien. Deze laatste week verbannen ze naar een toekomstige tijd. Maar er is geen overeenstemming tussen de christelijke evangelisten en exegeten over de wijze waarop deze laatste week uitlgelegd moet worden en ook nog een directe voortzetting van de voorgaande negenenzestig weken is. In feite heeft men het negende hoofdstuk van Daniël in een ‘profetie van negenenzestig weken’ veranderd.” Dat is een terechte opmerking, hoewel we de uitlegging van deze man over Daniël 9 niet aannemen. Er is nog een andere reden waarom alle 70 jaarweken elkaar dienen op te volgen en er geen breuk mag zijn tussen elk onderdeel ervan onderling. Dus niet tussen de 7 en 62 weken. Ook niet tussen de 62 en de resterende week. De structuur van de tekst zou dit bewijzen. Volgens één deskundige is die als volgt: A 1 (vers 25a)

B 1 (vers 25b)

A 2 (vers 26a)

B 2 (vers 26b)


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 176

A 3 (vers 27a)

B 3 (vers 27b)

De eerste reeks is deze: A 1 Opbouw mãsiah nãgid A 2 Afbouw

B 1 Opbouw

B 2 Afbouw ‘am nãgid

En de tweede: A 2 Afbouw mãsiah nãgid A 3 Afbouw

B 2 Afbouw B 3 Afbouw ‘am nãgid

We verwijzen de lezer naar een indringend artikel van de Franse adventist J. Doukhan dat verscheen in ‘Andrews University Seminary Studies’, Vol.17, Spring 1979, n°1. De 70 jaarweken zijn dus door God als één geheel van de tijd afgekort of afgemeten. Ze zijn gerechtelijk door Hem bepaald als één specifiek deel uit de geschiedenis van het Joodse volk. De 70ste week verklaren als een apart en nog toekomstig deel der Joodse geschiedenis is daarom verkeerd en strijdig met de tekstverbanden. Men kan zich niet wegsteken achter het argument dat vers 27a naar het slot van 26 verwijst. Doen we dat, dan komen we met een argumentatie die nietszeggend is; want het is niet “de vorst” waarnaar zou kunnen verwezen worden, maar naar “HET VOLK VAN DE VORST.” Er is niemand onder de volgelingen van de bedelingenleer die dat aanneemt, maar dat is toch, na zinsontleding, het onderwerp in vers 26b = het volk, niet de vorst. Men mag in “het verbond” waarover sprake is niet het wetsverbond zien, want dit is opgehouden te bestaan als wettelijke regeling voor het Joodse volk. Jezus heeft dat verbond “volbracht” en het daardoor als contract tussen God en Israël tenietgedaan. Dat blijkt duidelijk uit o.a. Gal.3:13,14 / Col.2:14. De gedachte dat God ooit nog in de 70ste week een apart verbond aangaat met dat volk, zou inhouden dat het Mozaïsche verbond opnieuw geldig zou verklaard worden. Wat niet kan zonder het offer van Jezus belachelijk te maken! Maar geen nood. De Schrift spreekt zichzelf niet tegen. Het vleselijke Israël als huis is door Jezus (en God) verlaten (Mat.23:38). En de gedachte dat Satan (of de antichrist) met Israël in die 70ste week een verbond aangaat is een vreemde gedachte invoegen in een verhaal van herstel tussen God en Israël. Want de profetie is het antwoord van God aan Daniël dat er een tijd van herstel komt na de periode van 70 jaar gevangenschap in Babylon. Het “verbond” waarover sprake is in Dan.9:27 kan wel een verwijzing zijn naar het


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 177 verbond met Abraham. Het was aan Abraham voorzegd, dat zijn zaad over de volkeren zou heersen, en uit hem koningen zouden voortkomen. Dit alles heeft volgens Paulus aan de Galaten uiteindelijk vervulling in Christus en zijn gemeente. Zij zijn het zaad en tevens de koningen die heersen (Gal.3:6-9,26-29 / Opb.2:26-28 / 20:4,6). Dit zaad bestaat uit mensen die geroepen zijn uit Joden en Heidenen. Het is uitzonderlijk in die laatste der 70 jaarweken dat Christus en zijn discipelen predikten tot de Joden alleen. Het is slechts vanaf Cornelius (Handelingen hoofdstuk 10) dat het goede nieuws ook tot de heidenen werd gepredikt. Dit moet dan ongeveer 3 ½ jaren ná de dood van Christus geweest zijn. Die 3 ½ jaren kunnen gerust symbolische jaren zijn en iets voorstellen als 2 ½ of 5 jaren. De velen, in het Hebreeuws “larabbîm” (met lidwoord), met wie Christus het verbond zwaar maakt is niet voor zijn volgelingen maar voor dezen die hem verworpen hebben. Zie Jes.52:14 waar hetzelfde woord, profetisch is gebruikt voor het Joodse volk dat Christus zal verwerpen. Dit zijn enkele details over verbonden en het verbond. God heeft een verbond aangegaan met:  Abraham – Genesis 15:7-18 / 17:2-14 / Lucas 1:72-75 / Hand.3:25 / Gal.3:16  Isaak - Genesis 17:19,21 / 26:3,4  Jacob - Genesis 28:13,14 / 1 Kron.16:16,17  Israël - Exodus 6:4 / Handelingen 3:25  David – 2 Samuël 23:5 / Ps.89:3,4 Christus, is inhoudelijk dat verbond – Jesaja 42:6 / 49:8 Christus, is de engel; van dat verbond – Maleachi 3:1 Christus, is de Middelaar van dat verbond – Heb.8:6 / 9:15 / 12:14 Door het evangelie vernieuwd – Jer.31:31-33 / Rom.11:27 / Heb.8:8-10,13 Vervuld in Christus – Lucas 1:68-79 Bevestigd door Christus – DANIËL 9:27 / Gal.3:17 Bekrachtigd door Jezus bloed – DANIËL 9:26 / Heb.9:11-14,16-23 Straf voor wie het niet aanneemt Heb.10:29,30 Voor Joden was het verboden:    

Verbonden aan te gaan met de Kanaänieten - Exodus 23:32 / Deut.7:2 Met andere natiën – 1 Kon.5:12 / 2 Kon.17:4 Wat anders te doen dan wat in de wet stond, anders is men verdoemd – Jesaja 30:2-5 / Hosea 12:1 Deze wet te verbreken – Jozua 9:16-19 / Psalm 15:4

Waarom zou Israël dan ooit een verbond sluiten met de antichrist? Alle teksten in het boek Daniël die over een “verbond” spreken zijn deze hier onder in de SV77. Alleen deze van Daniël 9:27 zou over een verbond spreken van de antichrist met de Joden. De énige tekst in Daniël en ook de enige tekst in zowel het Oud als Nieuw Testament. Raar! 7 vindplaatsen in 6 verzen 1. Dan.9:4: “Ik bad dan tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! ij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt hen, die Hem


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 178 liefhebben en Zijn geboden houden.” 2. Dan.9:27: “En hij zal velen het verbond versterken, één week; en op de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vast besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste.” 3. Dan.11:22: “En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst van het verbond.” 4. Dan.11:28: “En hij zal in zijn land weerkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en weerkeren in zijn land.” 5. Dan.11:30: “Want er zullen schepen van Kittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal weerkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want weerkerende zal hij acht geven op de verlaters van het heilig verbond.” 6. Dan.11:32: “En die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.” We willen de uitleg, dat het verbond in Dan.9:27 op het nieuwe verbond betrekking heeft niet verwerpen, omdat het in werkelijkheid een variatie op het voorgaande is. We geven toch de voorkeur er aan, dat men hier te maken heeft met het verbond van Abraham en zijn zaad. Over het nieuwe verbond is het echter wel goed om volgende schriftuurplaatsen te bestuderen: Jer.31:31-34 / Mal.3:1 / Heb.9:12 / 10:9. De woorden van Christus dat hij een verbond sluit voor “velen” in Luc.22:20 / Mat.26:28 kan wel een zinspeling op Dan.9:27. We lezen in Mat.26:26-28: “En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van mijn verbond, dat VOOR VELEN vergoten wordt tot vergeving van zonden.” Het verbond van deze 70ste week heeft zijn aanvang bij de doop van Jezus (Luc.3:21 / Heb.10:8,9). Vanaf dat moment worden de dingen voor Israël zwaar gemaakt. De Messias vergeeft wie Hij wil, maar spreekt ook, waar het moet, de vervloeking uit. Afvalligen van het verbond horen niet in het Rijk Gods. Bekijk eens deze teksten:  Mat.9:2-7: “En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven. En zie, sommige der schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God. En daar Jezus hun overleggingen kende, zeide Hij: Waarom overlegt gij kwaad in uw hart? Want wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? Maar, opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven – toen zeide Hij tot de verlamde: Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. En hij stond op en ging naar huis.”  Luc.5:20-25: “En hun geloof ziende, zeide Hij: Mens, uw zonden zijn u vergeven. En de schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen en zeiden: Wie is deze, die (zulke) godslasterlijke dingen zegt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen? Doch Jezus doorzag hun overleggingen en antwoordde en zeide tot hen: Wat overlegt gij in uw harten? Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? Maar, opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 179 op aarde zonden te vergeven – zeide Hij tot de verlamde: Tot u zeg Ik, sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. En onmiddellijk stond hij voor hun ogen op, nam hetgeen, waar hij op gelegen had, mede en ging naar zijn huis, God verheerlijkende.”  Luc.7:47-50: “Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde. En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. En die met Hem aan tafel waren, begonnen bij zichzelf te zeggen: Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft? En Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!” De uitleg van de dispensationalisten dat Satan met Israël een verbond sluit is een “verschrikkelijke” uitleg. Wanneer ze dat echt doen is hun band met God verbroken en kan zelfs Hij die niet meer herstellen. Dan nog wat naar voren schuiven over de bekering van 144.000 Joden is dan toch op individuele basis en heeft niets meer te maken met het volk op zich! Herstel van het volk kan dan toch niet meer! Over Maleachi 3:1 b mag niet gezegd worden zoals men in de kringen van de bedelingen doet; dat is voor de toekomst. HIJ = JEZUS is al tot zijn tempel gekomen, Hij is de Engel van het verbond. Die profetie is al vervuld. Bekijk eens elk onderdeel: “PLOTSELING zal tot Zijn tempel komen PLOTSELING = vanuit menselijk oogpunt. Volgens Gods regeling juist op tijd. Jezus kwam een eerste maal tot de tempel aan het begin van zijn prediking = Joh.2:18-23 Jezus kwam een tweede maal tot de tempel aan het einde van zijn prediking = Mat.21:12 Dat is het symbolische beeld van wat er geestelijk zal geschieden in Israël. (Zie ons commentaar in hoofdstuk acht op Daniël 9:27a.) de Here in het Hebreeuws = ha’ adhon’ / in de Septuaginta = kurios. Eén van de namen voor de énige God = YaHWeH. Die Christus is Ha’ adhon = de Heer = de Enige. Zo is Maleachi 3:1a tweemaal toegepast op Jezus volgens = Marc.1:2 / Luc.3:4-6 Maleachi 3:1b is een parallelvers zoals er zoveel zijn in het Hebreeuws, want: de Here = namelijk de Engel des verbonds, die gij zoekt, = die gij zoekt, die gij zoekt, zie Johannes 12:19 = het volk liep Jezus achterna en ziet hem als “de komende” = Hij die komt voor de schapen van Israël = Mat.15:24 = DE GELOVIGE JODEN, WANT DE REST ZIJN VOLGELINGEN VAN DE SATAN VOLGENS JOHANNES 8:44. namelijk de Engel des verbonds, ENGEL in het Hebreeuws = mal’ahk’ / in de Septuaginta = angelos. Jezus zal volgens de profetie van Zacharias (vader van Johannes de Doper) de vervulling brengen


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 180 van het “heilig verbond” dat God aanging met Vader Abraham = Lucas 1:72. Het zal in vervulling gaan met zijn zoon Johannes die uitgaat VOOR HET AANGEZICHT DES HEREN (VERS 76). Het moet dus in DIE tijd in vervulling gaan. die gij zoekt, Volgens de uitspraak van Jezus in Joh.8:56 zou Abraham zich verheugen Hem te horen preken (zie ook Heb.11:13). Profeten en rechtvaardigen zouden dit hebben willen zien, namelijk dat wat Jezus aan het doen was Mat.13:17. MIJN CONCLUSIE: de vervulling was tijdens Zijn eerste komst. Er komt géén tweede tempel waar de HEER = YaHWeH nog naartoe komt. Er zijn dus, als we het mogen herhalen, verschillende problemen bij de interpretatie van een “antichrist” in vers 27. Meredith G. Kline, heeft deze punten zeer duidelijk gemaakt met zijn ‘The Covenant of the Seventieth Week’, in ‘The Law and the Prophets: Old Testament Studies in Honor of Oswald T. Allis.’ ed. by J. H. Skilton, Presbyterian and Reformed, 1974, blz.452-469. Ht staat ook op het Internet. 1. Het verbond is hier niet “gemaakt” in de zin dat van een nieuw verbond sprake is. Het is de bevestiging van iets dat al bestond. Dit is eigenlijk niets meer dan de bevestiging van een al bestaand verdrag. Dat wil zeggen, het verbond van verlossende genade Gods aan de vaderen van Israël, is opnieuw bevestigd door Christus (Romeinen 15:8). Die visie van de dispensatieleer gaat mank. 2. De term die van de naam van de engel van God beschreven is: Gabriel ( ‘God is groot’) staat ook in verband met het bericht aan Daniel gegeven. Die engel onthult de zeventig weken aan Daniël. Er is een woordkundige relatie tussen de naam van de engel van God en de bevestiging van het verbond. Het wijst op verbondsgehoorzaamheid zoals in Deut.7:9, 21 / 10:17 / Jes.9:6 / Dan.9:4. 3. Het onbepaald voornaamwoord “hij” (vers 27) wijst niet terug naar “de prins” die komt van vers 26. Dat de “prins” een achtergesteld zelfstandig naamwoord is en dat “het volk” daar het dominante zelfstandig naamwoord is kan niet aangevochten worden. Zo verwijst “hij” naar de laatste dominante figuur afzonderlijk vermeld als de “Messias” (vers 26a). De Messias is de centrale figuur in de gehele profetie. Zodat we de vernietiging van de tempel in relatie aan Zijn dood moeten bekijken. In feite, de mensen die de vernietiging van de tempel veroorzaken kunnen zondermeer als “Zijn legers” beschreven worden (Mattheüs 22:2-7). Het is een straf van God die ze ondergaan.

4. Het parallellisme met vers 26 geeft aan dat de dood van de Messias rechtstreeks verband houdt met de bevestiging van het verbond. Hij is “afgesneden”, maar “niet voor zichzelf” (v. 26a), want Hij “confirmeert het verbond” voor de “vele” van Israël (v. 27a). Zijn “afsnijding” brengt de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 181 bevestiging van het verbond, want “zonder bloedstorting is er geen vergeving” (Hebreeën 9:22). Een historische nota We willen graag een opmerking maken over de eventuele bouw van een tempel in Jeuzalem. Voor Jezus komt die er niet en een vroegere poging daartoe is op een sisser uitgelopen. In de regering van keizer Julianus, de Afvallige, (361-363) verkregen de Joden de toelating om de tempel in Jeruzalem te herbouwen. De werkzaamheden begonnen op 18 mei 363. Maar één dag later al, op 19 mei, werd alles onderbroken na een aardbeving. Dit zag men als een voorteken: “Een aardbeving en een vuur dat opschoot uit de grondvesten hebben geleid tot het stilleggen van de pas begonnen werkzaamheden, niet alleen omdat het verder zetten ervan materieel onmogelijk werd, maar ook omdat het gebeuren begrepen werd als een goddelijke straf en een veroordeling van deze onderneming.” (F. Thelamon, ‘Païens et chrétiens au quatrième siècle. L’apport de l’Histoire ecclésiastique de Rufin d.Aquilée’, Études augustiniennes, 1981, blz.304). Rufinus van Aquilea, Latijns schrijver, zegt er wat over in het begin van de vijfde eeuw. We citeren uit zijn geschiedenis van de Kerk in de vierde eeuw. Wie het leest, beseft de grote weerslag van die gebeurtenis op de tijdgenoten: “De laatste nacht vóór het begin van de werkzaamheden vond een geweldige aardbeving plaats. Niet alleen vlogen de rotsblokken van de funderingen in alle richtingen, maar bovendien werden bijna alle gebouwen in de buurt verwoest. De publieke portieken waar zich een massa joden bevond die zich bezighielden met de uitvoering van het werk, stortten in en verpletterden alle joden die zich daar ophielden. Toen de dag aanbrak, dachten de anderen dat zij aan de ramp ontsnapt waren en zij liepen toe om op zoek te gaan naar hen die onder het puin bedolven waren. Binnen in de funderingen van de Tempel bevond zich een lokaal, waarvan de ingang lag tussen de twee portieken die ingestort waren. Men bewaarde er gereedschap en alles wat voor het werk noodzakelijk was. Plotseling rees er een vuurbol uit op, die zich in alle richtingen verplaatste over de ganse plek, en die alle daar aanwezige joden verbrandde en doodde. Dit voorteken herhaalde zich die dag verschillende keren en met korte onderbrekingen, en maakte zo met wrekende vlammen een einde aan de vermetelheid van dit halsstarrige volk.” (idem). De historica Françoise Thelamon zoekt een verklaring voor wat zij: “de onmogelijke heropbouw van de Tempel van Jeruzalem” noemt. Over de aardbeving schrijft ze: “kan een ontploffing veroorzaakt hebben van gas dat zich opgehoopt had in een onderaardse ruimte, gevolgd door een brand die de materialen verwoestte en slachtoffers maakte.” Hoe zwaar was de druk op Israël? John Walvoord zegt dit in zijn commentaar op Daniël over dit gedeelte: “De laatste periode van zeven jaar begint met de introductie van een verbond tussen de toekomstige “prins die zal komen” en “de velen,” het volk van Israël. Dit pact wordt genomen in de eerste helft van de toekomstige periode van zeven jaar, vandaar de bijzondere vrijheden en de bescherming verleend aan Israël. Als die zijn weggehaald, en Israël wordt vervolgd zijn we in hun tijd van grote verdrukking beland.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 182 Bekijken we nog eens die zeventigste week en het verbond. Jezus heeft tijdens zijn prediking in Israël meermalen de druk op de ketel gezet; Hij maakt het zwaar voor Israël in de zin dat ze bij hoogdringendheid het verzoek krijgen zich te BEKEREN. Mat.23:31-38: “Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten. Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol! Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel? Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad, opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar. Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u overgelaten.” De onvruchtbare vijgenboom is een gelijkenis die daar wat over zegt, over de dringende noodzaak van bekering. We lezen Lucas 13:6-9: “En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand bezat een vijgeboom, die in zijn wijngaard was geplant, en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond er geen. En hij zeide tot de wijngaardenier: Zie, het is nu al drie jaar, dat ik vrucht aan deze vijgeboom kom zoeken en ik vind ze niet. Hak hem om! Waarom zou hij de grond nutteloos beslaan? Hij antwoordde en zeide tot hem: Heer, laat hem nog dit jaar staan, ik zal er eerst nog eens omheen graven en er mest bij brengen, en indien hij in het komende jaar vrucht draagt, (dan is het goed,) maar anders, dan moet gij hem omhakken” (wij onderstrepen). De HEERE predikte drie jaar, lang genoeg om Israël tot bezinning te brengen. Komt dat niet ongeveer overeen met het eerste deel van de laatste zeventigste jaarweek? De wijnstok was al voordien één van de symbolen om Israël aan te duiden: Joël 1:7: “Het heeft mijn wijnstok tot een voorwerp van ontzetting en mijn vijgeboom tot een geknakte stam gemaakt; het heeft de schors geheel en al afgeschild en weggeworpen; zijn ranken zijn wit geworden.” Jer.24:5: “Zo zegt de HERE, de God van Israël: Gelijk deze goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeeën heb weggezonden, aanzien, ten goede.” Hos.9:10: “Als druiven in de woestijn vond Ik Israël; als vroege vijgen, als eerste opbrengst aan de vijgeboom, zag Ik uw vaderen. Zij echter gingen naar Baäl-Peor en wijdden zich aan de schandgod; daardoor werden zij even gruwelijk als het voorwerp van hun liefde.” En het verhaal, de gelijkenis, gaat ook werkelijk in vervulling. Marcus 11:20-26: “En toen zij des morgens vroeg langs de vijgeboom kwamen, zagen zij, dat hij van de wortel af verdord was. En Petrus herinnerde het zich en zeide tot Hem: Rabbi, zie de vijgeboom, die Gij vervloekt hebt, is verdord. En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hebt geloof in God. Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden. Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden. En wanneer gij staat te bidden, vergeeft wat gij tegen iemand mocht hebben,


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 183 opdat ook uw Vader in de hemelen uw overtredingen vergeve. [Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is, uw overtredingen niet vergeven.]” Nog een gelijkenis in hetzelfde verband staat in Mat.21:37-46: “Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? Zij zeiden tot Hem: Een kwade dood zal hij die kwaden doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren. Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt. [En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.] En toen de overpriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hadden gehoord, begrepen zij, dat Hij hen bedoelde. En hoewel zij Hem trachtten te grijpen, vreesden zij de scharen, daar die Hem voor een profeet hielden” (wij onderstrepen). En ook deze in Mat.22:1-10: “En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen. Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen. En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand. Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.” Het ziet er echt niet goed uit voor Israël als volk, het zal op een individuele redding aankomen, het overblijfsel van gelovigen zal gered worden. Alleen zij zullen mogen meevieren. Het eerste deel van dit 27ste vers zegt verder dat: “in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden.” Over de “helft” (“chasi”) hebben we al opgemerkt dat dit niet speciaal juist de helft moet zijn daar we niet met zekerheid weten hoe Lucas 3:23 moet begrepen worden. Moeten we dat echter wel weten? Wat belangrijker is en ook blijft is dat het Christus was die slachtoffer en spijsoffer der Joodse wet heeft doen ophouden door de schaduw te vervullen. De wet was slechts een schaduw van het ware offer dat Christus bracht en verloor dus zijn waarde toen Christus aan het kruis stierf. Zie hiervoor 2 Cor.5:21 / Rom.3:25 / Heb.10:1-10. Dit is ook in overeenstemming met vers 26 waar staat dat ná de 62 weken (+ de 7 andere) de Messias uitgeroeid wordt. De belangrijkste recente verdedigers, uit de 19de en 20ste eeuw, van de Messias die sterft in het midden der 70ste week zijn o.a.; Auberlen, Boutflower, Hävernick,


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 184 Hengstenberg, Keil, Wright. Het volgende deel van Dan.9:27 zegt: “en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen” dat wel de juiste vertaling is van de Masoretische tekst. De Septuaginta echter zegt: “en op de tempel zal er verwoesting zijn.” De Vulgata zegt: “en in de tempel zal er verwoesting zijn.” De Arabische vertaling zegt: “en op het heiligdom zal er de gruwel der verwoesting zijn.” Wanneer Christus deze profetie aanhaalt in de Olijfbergprofetie zegt Hij: “Wanneer gij de gruwel der verwoesting (...) op de heilige plaats ziet staan, wie het leest, geve er acht op.” Adam Clarke geeft bij deze tekst ook nog aan dat de Griekse Theodotion en de Syrische Hexapla afwijken van de Masoreten. Eén Hebreeuws manuscript van de 13de eeuw zegt: “En in de tempel zal er verwoesting zijn.” De Joodse vertaling van Isaak Leeser uit de 19de eeuw geeft hier: “because of the prevalence of the abominations which bringeth devastation.” Het is dus alleen maar de Masoretische tekst die spreekt over een komende gruwel. Alle andere vertalingen - die ouder zijn dan deze tekst - zeggen dat de gruwel op de tempel rust vóór zijn vernietiging en zo ook zegt het de Christus. Wat is die gruwel die er op Gods tempel is? Het woord “gruwel” is in het Hebreeuws soms een synoniem van afgod. Dat de Joden tijdens de 70ste jaarweek en daarna nog tot aan de vernietiging een zichtbare afgod over hun tempel brachten is niet te bewijzen en voorzeker onwaarschijnlijk. Maar een geestelijke afgod die de tempel verontreinigde was o.a. de hypocrisie van Schriftgeleerden en Farizeeën, de blinde leiders, de schijnheiligen. Voor hen is iemand die zweert bij de tempel niet gebonden zijn eed te houden, maar wie het zweert bij de gaven op het altaar dient dat wel te doen (Mat.23:16-22). Een handelswijze der Joden die de Heer in Mat.23 speciaal aan de kaak heeft gesteld en zelfs als reden aangeeft voor hun verwerping is Mat.23:37,38. We citeren dit uit de Willibrordvertaling: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en diegenen stenigt die tot haar gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen niet onder mijn hoede willen nemen, zoals een kip haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels. Maar u hebt het niet gewild.” Een nog grotere gruwel is de samenzwering “in de tempel” om de Gezalfde van God en koning van Israël aan te klagen bij de Romeinse macht is er zeker niet (Mat.26:56-58 en vooral Joh.11:55-57). Laten we dat niet minimaliseren. Daarom zijn de verwijzingen naar de betrokkenheid van het volk of van de priesters naar de dood (moord) op Jezus een belangrijk onderdeel in de prediking door de eerste discipelen (Hand.2:33,36 / 3:13-15 / 4:10 / 5:30 / 10:39). Wanneer Israël de Heer verloochend, is er ook de mogelijkheid dat een deel van het nieuwe Israël Hem verloochend (Mat.10:33 / 2 Tim.2:12). Ook nu is er afval van de leer van Christus. (Een degelijke achtergrond, waar we het toch niet steeds mee eens zijn, van de situatie waarin de schuld van de priesters voor Jezus’ dood besproken wordt is te vinden in ‘Dictionaire de la Bible, Supplement 6’, Letouzay 1 Ané, 1966, kol.1100-1110.) Vergeten we niet dat de Heer ooit een scherpe analyse heeft gemaakt van de wereldgeschiedenis en de relatie van Gods profeten en de handelswijze van Gods volk. Israël verwerpt Gods profeten die tot haar gezonden zijn. Het is volgens Lucas 11:50,51 dan ook zo dat van het geslacht dat leeft in de tijd van de prediking van Jezus, het bloed van de profeten die ze vergoten hebben zal “afgeëist” worden. En de situatie van de inval van de Romeinen in Jeruzalem en de vernietiging van de tempel in het jaar 70 is daar de vervulling van. Nadat het in de profetie beloofde herstel kwam is diezelfde tempel opnieuw de plaats geworden van verdrukking van Gods


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 185 profeten. In dit geval van de Messias en zijn volgelingen. God vervloekte hen in de 6de eeuw voor Christus al eens voor dergelijke zaken. Deze maal zal er ook geen ontkomen aan zijn. De Romeinen zullen hun zwaarden en speren slijpen en het Joodse bloed zal vloeien bij deze straf van God. De tempel die volgens de boodschap van de engel Gabriel hersteld wordt, diezelfde gaat ook nog vernietigd worden. Het is een profetie van hoop, maar ook van tranen! We geloven dus niet in één van de vier mogelijkheden die men meestal geeft voor dit gedeelte in de klassieke interpretatie van deze teksten. Deze vier zijn: 1°) De Romeinse standaarden met de beeltenissen van hun goden, die de plaats in de omgeving van Jeruzalem verontreinigen tijdens de belegering van de stad. 2°) De afbeelding van Titus of Hadrianus die men na de inname van de stad in de tempel heeft gezet als teken van de onderwerping. 3°) De Zeloten die tijdens de belegering meerdere keren de tempel, de buitenkant en niet het Heilige der heiligen, hebben ontheiligd. 4°) De gruwel die ontstaat doordat de stad en de heilige tempel in een brand opgaan. Deze dingen zijn natuurlijk allen even waar, maar zijn niet voor ons de gruwel waarover geprofeteerd wordt. Want met uitzondering van n°1 gaat het om zaken die geschieden aan de al ingenomen stad, en dat klopt niet met wat Jezus hierover zegt in de context van Mat.24:15. De VOORAFGAANDE VERONTREINIGING van de tempel is namelijk de reden tot de verwoesting. Scofield heeft een opmerking over de verwoesting op blz.915: “De uitdrukking komt driemaal voor in Daniël. In Dan.9:27 en 12:11 is het een verwijzing naar “het beest”, “de man van zonde”: (2 Thes. 2:3,4) en is identiek aan Mat. 24:15. In Dan.11:31 verwijst het naar de handelswijze van Antiochus Epiphanes, het prototype van de man van zonde, die op het altaar een varken offerde en zelf in het heilige der heiligen binnentrad.” Gelieve dan te onthouden dat Scofield aan de term zelf twee interpretaties geeft. Twee interpretaties die gescheiden zijn door méér dan tweeduizend jaar. Ook dat klopt nog niet. De bewering van Keil en Kliefoth dat we in de uitspraak van Jezus veeleer een verwijzing naar Dan.11:3 en 12:11 moeten zoeken is daarom ook te verkiezen. Het is zeker waar dat deze twee over “gruwel” in het enkelvoud spreken en Dan.9:27 “gruwelen” in het meervoud. Maar om de grootsheid van iets aan te duiden kan een Jood enkelvoud bedoelen en meervoud schrijven: vb. hemel = hemelen en zee = zeeën. Volgens Biederwolf (blz.333) moet Mat.24:15 verwijzen naar de laatste tijd, vóór het duizendjarige rijk zal beginnen, want dat is ook de tijd waarin het volk Israël bevrijdt wordt volgens Daniël 12. Alsof Jezus dat vergelijk maakt! Wie worden gered volgens Hem? Niet alle Joden maar slechts de gelovigen! Dus is ook de volgende opmerking fout. Th. Niemeijer zegt in ‘Het Zoeklicht’, 12 juni 1999, blz.19: “In Matth.24:15 zien we duidelijk, dat Mattheüs deze Grote Verdrukking verbindt met een profetie uit Daniël. Het is een tijd, die zijnsgelijke nog nooit gehad heeft en ook nooit zal krijgen. Deze periode zal direct na de opname van de Gemeente aanbreken.” Vergeet niet in welk verband dit gedeelte is aangehaald; i.v.m. de bescherming van de gemeente, niet de opname. Jezus zegt: “vlucht naar de bergen” (slot van Mat.24:15), niet “gij zult opgenomen worden door de engelen!” Over die opname, maar dan wegnemen, wordt er slechts wat gezegd ná Mat.24 vers 29 namelijk verzen 36-44. En dat is niet in verband met de verwoesting van Jeruzalem maar de werkelijke komst waarvan niemand de dag of het uur weet. De volgelingen


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 186 van Darby lezen dus niet wat er staat in de tekst. We lezen in ‘Uit het Woord der Waarheid’, n°10 van oktober 1999 het volgende: “Wanneer we Mattheüs 24 vergelijken met Lukas 21, zien we dat er tussen beide profetieën een groot verschil bestaat. In Lukas voorzegt de Heer de verwoesting van Jeruzalem (zie vs. 20) en de daaraan voorafgaande gebeurtenissen; in Mattheüs voorzegt Hij de gebeurtenissen van de laatste dagen. Toch zijn er vele overeenkomsten tussen de beide hoofdstukken van de verwoesting van Jeruzalem en lijken op die van de laatste dagen.” Dat is een straffe hersenkronkel die hier op papier staat. Geen enkel van de synoptische evangeliën die we bezitten (en dat zijn er toch drie) geeft weer wat men hier beweerd. Het gaat in de eerste verzen om hetzelfde, zowel in Mattheüs als in Lucas (en ook Marcus); de val van Jeruzalem. Al de rest is het niet willen aanvaarden van de evidentie zelf die uit de teksten naar voor wordt gebracht. Dat is een iets uitdokteren en het dan bewijzen, wat het ook mag kosten aan geloofwaardigheid uit Gods Woord. Men wil het probleem waarover het hier gaat gewoon omzeilen. Dan.9:27 in Mattheüs 24:15 lezen is niet bewezen, want waarschijnlijker is de verwijzing naar Daniël 11:31 of Daniël 12:11. De vergelijking met de parallelteksten van Marc.13:14,15 en Luc.21:20,21 is hier duidelijk. Vergeet niet dat de val van Jeruzalem ook al eens voorzegd was in Luc.19:43,44. Daar staat: “Want er zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.” Daarom zeggen sommigen: men moet rekening houden met twee vervullingen. Daarop zeggen we categorisch en zonder mogelijke tegenspraak; een tweede vervulling bestaat niet, zo werkt de Bijbel niet. In ‘AMEN’ nummer 49 van juni 2003 lezen we op blz.35: “Voetnoot. 1. In vele profetieën in het OT wordt de komst van de Messias voorzegd. Die komst bestaat uit twee elementen: lijden en heerlijkheid (vgl. 1 Pet.1:11). Met andere woorden: Hij zou komen in vernedering om te lijden (1e komst) en in heerlijkheid om te heersen. Zie bijv. Jes.61:2 en vgl. Luk.4:17-21; Hosea 3:4 en 5; Zach.9:9 en 10. Uit deze teksten wordt in één lijn verwezen naar Zijn komst in vernedering en daarna in heerlijkheid. Wat er in die tussentijd zou plaatsvinden is in die profetieën niet geopenbaard. Dat heeft God verborgen gehouden tot de tijd van Paulus’ gevangenschap in Rome en door hem bekendgemaakt. Zo werd het ontbrekende in de Gods openbaring nog aangevuld en kwam het Woord tot z’n volheid” (wij onderstrepen). Dit is nogal een simplistische aanpak. Je kunt niet zomaar beweren dat iets uit een profetie nog vervuld moet worden omdat er geen onmiddellijke band zou zijn met zaken die toch doorlopend zijn. We bedoelen dit te zeggen, wanneer er wat staat over het koningschap van de Heer, we niet zondermeer mogen beweren dat Zijn regeren over Israël stopt als ze Hem verwerpen. Maar later zal Hij opnieuw, volgens dispensationalisten, koning over hen worden. Hier is veel on-Bijbels taalgebruik. Want er is altijd, door de eeuwen heen, een overblijfsel geweest dat getrouw was aan God. We moeten of mogen ons niet wegstoppen achter een zogenaamde breuk in de profetie. Er zijn géén voorbeelden van onderbrekingen en uitstellingen in profetie. (Behalve deze die voorwaardelijk zijn opgesteld.) Stel je eens voor dat we een breuk aangeven in de profetie waar Daniël negen in de eerste verzen naar verwijst: de 70jarige gevangenschap in Babylon. Waar moet je dan een tijd van jaren inlassen waar God zich niets zou aantrekken van Zijn volk? Ook als er ogenschijnlijk niets spectaculair is aan te merken in de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 187 geschiedenis van de Joden, ook dan is God met hen bezig! De engel heeft daarom een boodschap die in één ononderbroken lijn moet gelezen en geïnterpreteerd worden. Géén jaren waar God in het niets verdwijnt in Israëls heilsgeschiedenis! We hebben ook nog een opmerking bij wat we lezen in de ‘New Scofield Bible’, O.U.P., 1970, blz.913: “Het bewijs dat de laatste week nog niet is vervuld zien we in het feit dat Christus daarover een definitief verband maakt met betrekking tot zijn tweede komst (Mat.24:6,15). Er moet dan een tussenperiode zijn tussen de 69st en 70st week, dat het tijdperk is van de Kerk, maar niet was voorzegd in het OT”. De Heer zegt in Mat.24:15,16: “Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan - wie het leest, geve er acht op - laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen.” Laten we de opmerking van de nieuwe Scofield eens letterlijk toepassen en zien waar we terechtkomen! Wat krijgen we dan? Dat de 70ste week volgens Mat.24:15 in vervulling gaat in en rond de verwoesting van de stad en de (nog te bouwen) tempel in een nog toekomende week. Terug is het de vergelijking met Lucas die deze visie onmogelijk maakt? In Lucas 21:22 is de tijd van de vernietiging van stad en tempel, IN HET JAAR ZEVENTIG NA CHRISTUS, beschreven als: “dagen der wraak” (SV / Luther / Canisius) of “dagen der vergelding” (Leidse Vert.) / Brouwer / NBG). En ook Luc.2341: “En wij terecht, want wij ontvangen vergelding, naar wat wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.” Tussen haakjes dezelfde termen die gebruikt worden voor de vernietiging van de eerste tempel. Dit staat in 2 Kron.36:15,16 “De HERE, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, 16 maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des HEREN zich zozeer tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was.” Zo moet het in het jaar 70 na Chr. geschieden: “ter vervulling van de gehele schrift” (vers 22b). Dan beginnen ook de “tijden der heidenen” (vers 24). Maar in de uitleg van de ‘New Scofield’ loopt wat vóór 70 geschiedt en wat vóór de onzichtbare komst van de Heer, allemaal door elkaar. Is er ook nog een tijd der heidenen ná de Wederkomst? Wanneer er nog een massale bekering is van de Joden zoals de New Scofield ze verwacht, waarom is de leer van Jezus dan deze van een kleine kudde die in Hem zal geloven? En waarom spreekt Petrus op die eerste dag van het apostelenconcilie uit dat Joden en heidenen dezelfde genade van de Heilige Geest hebben ontvangen? En waarom is er volgens de stelling van Paulus géén onderscheid tussen Joden en heidenen? Zie: Luc.12:32 / Hand.15:11 / Col.3:11. Als u een volgeling bent van Scofield, dan is dit een vraag aan u: de tempel waarover de profetie van Daniël 9:24-26 spreekt is verwoest in het jaar 70 na Christus. Maar u zegt dat vers 27 van de verwoesting van een tempel spreekt. Als u zegt diezelfde tempel uit de profetie, is uw uitleg verkeerd. Dat wijst naar een nabije toekomst en een nog te bouwen tempel zal u wellicht zeggen. Maar dan heeft het niets te maken met Daniël 9:27! Is de tempel uit vers 27 dezelfde die de antichrist zal herbergen? Dat is de hamvaag! Over Mat.24:15 zegt J.T. Nielsen dan ook terecht het volgende: “Met woorden en beelden die volledig aan het jodendom ontleend zijn, wordt in dit gedeelte (vs.15-28, vgl. Marc.13:14-22 en Luc.21:20-26) gesproken over wat Jeruzalem en Judea te wachten staat. De val van de stad Jeruzalem en de oorlogsellende worden samen gezien met het einde van deze aeon”. (‘Het


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 188 evangelie naar Mattheüs’, Callenbach, 1974, deel III, blz.42.) Besluit: Mat.24:15 toepassen op iets anders, dan met de verwoesting van de tempel te Jeruzalem in het jaar 70 na Chr., is aan de woorden van Christus een uitleg geven die Hij er zelf niet heeft ingelegd. Men tracht dan iets te bewijzen uit woorden die de Heer niet heeft gezegd en niet kan bedoeld hebben. En nog een kort citaat uit J. Schmid, ‘Het evangelie van Matteüs’, Patmos 1963, blz.409: “In v.15 maakt Matteüs door het uitdrukkelijk vernoemen van de profeet Daniël de bij Mc 13,14 onduidelijke betrekking tot hem duidelijk. ‘Waar hij niet zijn mag’ (Mc.13,14) is omschreven door ‘op heilige plaats’, waarmee door de betrekking met Dan. 9,27 alleen de tempel bedoeld kan zijn (vgl. Hand.6,13, en niet het ‘heilige land’.” Een kleine opmerking over wat de WT hierover leert. Ze leerden vroeger, tot 1993, dat er twee vervullingen waren van Mat.24:15, één met de vernietiging van de tempel en een andere in de tijd vanaf 1914. Recent heeft men aangenomen dat Mat.24:3 tot aan vers 28 betrekking heeft op de vernietiging van de tempel en dat slechts vanaf vers 29 de eindtijd besproken wordt. Zie hierover ‘DE WACHTTOREN’ van 15 februari 1994 op bladzijden 14 en 15, de tabel van de vergelijkingen van de drie synoptische evangeliën en de uitleg op blz.16-21. Dat is al een verbetering in wat ze vroeger leerden. Maar ze weten nog steeds niet hoe de rest van de Wederkomst verloopt. En de laatste opmerking over de gruwel. Als argument geven bijna allen die geloven in de bedelingen nog aan dat Mattheüs wijst naar de eindtijd: want vers 29 gaat uit van een “onmiddellijk” dat er moet op volgen. Men mag geen tijd X inschakelen tussen vers 28 en 29 is dan de redenering. Er staat echter ook nog een toevoeging; “van die dagen”, en daarin ligt de ontbrekende tijd verscholen. “Die dagen” wijzen naar de eindtijd en niet de verwoesting van de tempel. Er is in dat gedeelte het antwoord op twee of drie vragen van de discipelen volgens de inleiding van dat gedeelte (Mat.24:3 / Marc.13:4 / Luc.21,6,7). Eén in verband met de val van Israël, in welks verband over “een verdrukking”, zonder lidwoord in het Grieks gesproken wordt. Maar in het geheel, dat de tijd van het einde beschrijft, dus alle tekenen tussen Pinksteren en de Wederkomst is er een verdrukking (waar de eerste een deeltje van is) die “de verdrukking, de grote” is genoemd. Daar staat het lidwoord in de Griekse tekst. Over deze laatste spreekt vers 29 en geeft dus wat anders aan dan het einde van de verdrukking die er was tijdens de belegering en de val van Jeruzalem. Wanneer er dan “onmiddellijk” staat in vers 29 slaat dit “onmiddellijk” op het einde van de totaliteit van de tekenen, wanneer alle tekenen van die periode voorbij zijn gegaan. De Amerikaanse theoloog E. J. Young schrijft in zijn ‘The Prophecy of Daniël’, Eerdmans 1949, blz.128 dat de “vleugel der verwoesting” (de letterlijke vertaling zoals in de Franse TOB) wijst naar het “hoogste” gedeelte van de tempel. Dat is in elk geval door de Septuaginta aangeven met het begrip “pterugion.” En het Hebreeuwse “kenaf” kan ook aldus vertaald worden, want dat kan zeggen “hoogste deel of uiteinde.” (Vergelijk ook Montgomery in de I.C.C. blz.387). Daarom zegt ook waarschijnlijk de Zuid-Afrikaanse ‘Die bybel, Nuwe Vertaling’, vijfde druk, 1984: “Hy sal op die hoek van die tempel n’ ding sit wat n’ gruwel is vir God.” In het laatste deel van Dan.9:27 staat wat over die gruwel: “en wel tot het einde toe, en waartoe vast besloten is dat zal zich uitstorten over wat woest is.” Hier wordt gezegd dat God


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 189 in Zijn voorkennis der geschiedenis van Israël weet dat het Joodse volk, stad en tempel verwoest zal worden. Het ongelovige Israël toonde zich een onproductieve plant en wordt daarom uitgeroeid (Luc.13:6-9). Meer zelfs, het volk dat leefde toen ze de Christus verwierpen zondigde tegen Gods Geest. Zie hierover Marc.3:29,30 / Hand.7:51. En vergelijk Jes.1:4 en 63:10 in het OT. Dit is ook de reden waarom ze als volk door God verworpen zijn (Luc.20:13-18). En ofschoon God hen in de eerste plaats de gelofte aan Abraham zou hebben doen toekomen kon dit niet omwille van hun ongeloof (Ex.19:5,6 / Gen.22:18). Gods belofte is daarom dan ook overgedragen naar de gemeente, het waarachtige Israël van God, van Joden en heidenen (Gal.6:16). Slechts een rest van het volk; dezen die geloof oefenden in de Christus werden daarom ook gered van de vernietigende Romeinse macht in het jaar 66-70 na Chr. Toen deze grootmacht de stad en tempel vernietigde, werd het Nieuwe Jeruzalem gered (Amos 3:13 / Jer.50:20 / Micha 2:12 / Zef.3:13 / Rom.11:5). Nadat God jaren met open armen voor hen klaarstond. Die vernietiging, ofschoon zichtbaar door de Romeinen toegebracht, was in werkelijkheid de straf van God. Zie hiervoor Hosea 9:17 / Jer.19:11 / Hand.13:46. H.C. Leupold merkt dan terecht op dat “de vorst” uit vers 26 nu een andere naam ontvangt “de vernieler” = Hebreeuws “meshomem.” Zie ook Scofield blz.914,915 die een gelijkaardige opmerking maakt. Zelf geloven we niet dat het om de Antichrist gaat maar om de vernietiger van de stad in 70 na Chr. Hier is ook een begrip na te gaan dat in het NT, in het boek Openbaring aan de orde is: uitgieten om te vernietigen. Dit is hoe Luther Daniël 9:27c weergeeft: “totdat het vast besloten verderf zal uitgestort worden over de verwoesting.” In het OT, zie daarover deze teksten:  2 Kron.12:7 SV77: “Toen nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semája, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in korte tijd ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden.”  2 Kron.34:25 SV77: “Daarom dat zij Mij verlaten, en andere goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle werken hunner handen; zo zal Mijn grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.”  Jer.7:20 SV77: “Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het geboomte des velds, en over de vrucht van het aardrijk; en zal branden, en niet uitgeblust worden.”  Jer.42:18 SV77: “Want zo zegt de HEERE der heerscharen, de God Israëls: Zoals Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzo zal Mijn grimmigheid over u uitgestort worden, als gij in Egypte zult gekomen zijn; en gij zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien.”  Eze.22:22 SV77: “Gelijk het zilver in het midden van de oven gesmolten wordt, alzo zult gij in het midden van haar gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgegoten heb.”  Dan.9:11 SV77: “Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, door af te wijken, dat zij Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, de knecht Gods, omdat wij tegen Hem gezondigd hebben.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 190 In het Hebreeuws staat hier in Daniël 9:27c een onpersoonlijke vorm zodat er ook kan gezegd worden dat hetgeen al verwoest is, nog eens verwoest wordt. En dat past zeer goed in wat we over dit vers denken. Israël was al een geestelijke verwoesting, die leefde van een godsdienst als was het een zaak van papier. Het uitmoorden van de profeten en Jezus was de laatste druppel en zal in 70 na Christus tot een letterlijke verwoesting uitlopen. Dat is hoe ook de Engelse King James Vertaling het beziet: “and that determined shall be poured upon the desolate.” En de American Standard Version 1901 zegt: “and even unto the full end, and that determined, shall [wrath] be poured out upon the desolate.” New King James Version, 1982 Thomas Nelson: “Even until the consummation, which is determined, Is poured out on the desolate.” Noah Webster Version 1833: “even until the consummation, and that determined shall be poured upon the desolate.” Hebrew Names Version 2000: “and that determined, shall [wrath] be poured out on the desolate.” Hieronymus Latijnse Vulgata, 405: “et usque ad consummationem et finem perseverabit desolatio.” En nog drie Franstalige in diezelfde aard; Darby: “et jusqu'à ce que la consomption et ce qui est décrété soient versés sur la désolée.” Ostervald: “ jusqu'à ce que la ruine qui a été déterminée fonde sur le désolé.” Martin: “même jusqu'à une consomption déterminée, [la désolation] fondra sur le désolé. ” En nog een laatste opmerking, achteraf. We kiezen voor Hand.10, de bekering van de eerste “heiden” tot het Christelijk geloof, als terminus van de 70 jaarweken. Er zijn (en dat zijn we ons bewust) andere voorstellen. Bijvoorbeeld, de moord op Stephanus (Hand.7), de bekering van Saulus (Hand.9) of de uitspraak van Paulus: “zie we keren ons dan tot de heidenen” in Hand.13:46. Waarom onze keuze? Het geheel van deze profetie moet in de eerste plaats betrekking hebben op het Joodse volk in zijn geheel (vers 24). En het verbond is zwaar voor hen (vers 27) omdat ze heen en weer geslagen zijn door de argumenten vóór en tegen de Messias Jezus vanaf Pinksteren (Hand.2:36 / 3:19-21 / 4:12 / de redevoering van Stephanus in hoofdstuk 7!). Ten tweede, God zelf hakt de knoop door en kiest voor uitbreiding van het verbond. Maar dat was al voorzegd in het verbond met Abraham. Israël is zijn exclusiviteit kwijt sinds op Cornelius en zijn gezin dezelfde Heilige Geest is gekomen als over de Joden waarover Handelingen hoofdstuk twee handelt (Hand.10:44-48 / 11:15-18). Dr. C.I. SCOFIELD, de grote man van de dispensationalisten met de allures van een hogepriester, geeft eens commentaar op 2 Timotheus 2:15 en beweert dat er een blijvende kloof is tussen Joden en heidenen. Dit zijn zijn teksten die het moeten ondersteunen. DE JODEN Rom.9:4,5 Joh.4:22 Rom.3:1, 2

DE HEIDENEN Eph.2:11, 12 Eph.4:17,18 Marcus 7:27,28

DE KERK Eph.1:22,23 Eph.5:29-33 1 Pet.2:9

Maar uit zowel het OT als het NT blijkt toch ook nog wat geheel anders. Al die zaken die we citeren liggen in de lijn van de vervulling van beloften van God in het Oude Testament. Men zou in die kringen van bedelingen, toch moeten beseffen dat er sinds de dood (moord) van Jezus van Nazareth geen echte onderscheidingen meer zijn. Bekijk eens de teksten hieronder en laat wat


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 191 Scofield zegt je niet van het belangrijkste weerhouden. 1° in het OT is slechts ISRAËL uitverkoren (zie teksten A en B hieronder) 2° In het OT is er een belofte van Gods aanvaarding voor andere volkeren. Vanaf Jezus zal dit in voege gaan (zie teksten C hieronder) (ALLE TEKSTEN UIT DE SV77.) A°) God heeft in het OT slechts Israël uitverkoren, uit alle volkeren: Exodus 19:5 : ”Zo zult gij mijn eigendom zijn uit alle volken.” Deuteronomium 7:6: ”U heeft de HEERE uw God verkoren.” Deuteronomium 14:2: ”En u heeft de HEERE verkoren, (…) uit al de volken.” 1 Kronieken 16:13: ”Gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene.” Psalm 33:12: ”Het volk, (…) dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.” Psalm 105:6: ”Gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene.” Psalm 105:43: ”Zijn volk (…) Zijn uitverkorenen.” Psalm 135:4: ”Jakob verkoren, Israël tot Zijn eigendom.” Jesaja 41:8, 9: ”Gij Jakob, die Ik verkoren heb.” Jesaja 43:20: ”Mijn volk, (…) Mijn uitverkorenen.” Jesaja 44:1: ”Mijn knecht Jakob, en Israël, dien Ik uitverkoren heb.” Jesaja 44:2: ”Jakob (…) die Ik uitverkoren heb.” B°) Israël is volgens een andere uitdrukking het erfdeel van God, ZIJN VOLK: Exodus 34:9: ”Neem ons aan tot een erfdeel.” Deuteronomium 9:26: ”Verderf Uw volk en Uw erfdeel niet.” Deuteronomium 9:29: ”Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel.” 1 Samuel 10:1: ”Dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?” 1 Samuel 26:19: ”Dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel des HEEREN.” 2 Samuel 20:19: ”Waarom zoudt gij het erfdeel des HEEREN verslinden?” 2 Samuel 21:3: ”Dat gij het erfdeel des HEEREN zegent?” 1 Koningen 8:51: ”Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die Gij uitgevoerd hebt.” 2 Koningen 21:14: ” En Ik zal het overblijfsel van Mijn erfdeel verlaten.” Psalm 94:5: ”0 HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.” Psalm 106:5: ”Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.” Psalm 106:40: ”Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.” Psalm 127:3: ”Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN.” Jesaja 63:17: ”Keer weer om Uw knechten, de stammen van Uw erfdeel.” Joël 3:2: ”Vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël.” C°) In enkele oudtestamentische uitspraken wordt profetisch naar een Gemeente = qhahal = synagoge, verwezen waar ook heidenen deel aan hebben: Psalm 65:6: ”O God van ons heil! o Vertrouwen van alle einden der aarde, en van de ver gelegenen aan de zee!” Jesaja 19:25: ” Want de HEERE der heerscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 192 Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk Mijner handen, en Israël, Mijn erfdeel!” Jesaja 57:19: ” Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede hun, die ver zijn, en hun, die nabij zijn, zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen.” Jesaja 59:14: ”De gerechtigheid staat van verre.” Jesaja 59:20: “En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt de HEERE.” Dat is de tekst die in Romeinen 11:26 gedeeltelijk is aangehaald. Wie zal dat erven en meemaken; alle Joden of “hen, die zich bekeren.” Jesaja 66:19: ”En Ik zal een teken aan hen stellen, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen, naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.” Jeremia 30:10: ”Ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land van hun gevangenis.” Jeremia 31:10: ”Hoort het woord des HEEREN, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weer vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.” Jeremia 46:27: ”O Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen.” Jeremia 51:50: ”Gedenkt des HEEREN van verre.” Micha 4:3: ”En het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de krijg niet meer leren.” Zo eindigt Gods profetie aan Daniël gegeven. Hoe kunnen de kinderen en afstammelingen van de christenhater Porphyrius zo blind zijn. Maar ook dit heeft hij gemist: het is een boek over de Messias.

De Messias in het boek Daniël Profetie

OT tekst

NT vervulling

De Messias zal na Zijn Daniël 7:13,14a opstanding ten hemel stijgen

Hand.1:9-11

De Messias zal met God een Daniël 7:13,14b hoge plaats krijgen

Eph.1:20-22

De Messias krijgt een eeuwig Daniël 7:13,14c koninkrijk

Luc.1:31-33 Heb.1:8

De Messias komt om zonde en Daniël 9:24a dood te overwinnen

Gal.1:3-5

De Messias is de Gezalfde van Daniël 9:24b God

Lucas 1:35

De Messias zal zich 483 jaar Daniël 9:25 na de herbouw van Jeruzalem openbaren

Joh.12:12,13

De Messias

zal ter dood Daniël 9:26

Mat.27:35


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 193 gebracht worden en sterven De Messias zal de zonden van Daniël 9:24b de wereld wegnemen

Heb.2:9

De Messias sterft vóór de Daniël 9:24c vernietiging van de tempel

Mat.27:50,51

Daniël zag de Messias al in Daniël 10:5,6 een visioen

Opb.1:13-16

De leer van de bedelingen heeft enkele grote problemen van Bijbels interpreteren geschapen bij deze profetie. De gewone regels van uitleg worden regelmatig met de voeten getreden;  De breuk die er zou moeten zijn tussen de 69ste jaarweek en de 70ste is een toevoegsel van enkele theologen.  De profetie, uitgelegd volgens dispensationalisten, spreekt van een herstel van Israël zonder dat er bekering moet aan vooraf gaan en zonder het aannemen van Jezus als Messias. Zegt het Nieuwe Testament niet dat men niet tot God kan komen dan door Jezus.  De profetie geeft een duidelijk beeld van de dood van de Messias. Het moet “NA” de 69ste week zijn! DAT WIL ZEGGEN DAT HET IN DE 70STE WEEK VALT. Maar zeggen dispensationalisten, die week ligt in TOTALITEIT nog te vervullen in de toekomst.  Dan moeten toch ook de voordelen van zo een offer nu voor iedereen geldend zijn zodat we niet mogen beweren dat die voor Joden nog moet uitgesteld worden tot na de opname van de gemeente. Deze leer houdt geen rekening met het boek Hebreeën hoofdstukken acht, negen en tien. De redding van Israël moet in deze genadetijd geschieden en niet met een gemak naar later verschoven worden.  In hun leer wordt Jeruzalem gered van vernietiging, maar de profetie zelf zegt dat niet, maar het omgekeerde. Moet er nog wat vervult worden uit Daniël 9:24-27. Neen, en dit is waarom! Een gedeelte uit de tekst Handelingen 3:24 zegt volgens de Willibrordvertaling van 1995: “Vanaf Samuël en zijn opvolgers hebben alle profeten die gesproken hebben, deze dagen aangekondigd. U bent de zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen heeft gesloten”, en dit wijst op vervulling want het zijn deze dagen die zijn aangekondigd. Geboorte, prediking, verwerping door het volk, en onverdiende moord op de persoon van Jezus, is voorzegd en in DIE DAGEN vervuld. Na de opstanding en verschijning aan twee discipelen is de opmerking van Jezus dat de Christus moest lijden op die wijze om zijn heerlijkheid in te gaan (Luc.24:16). Ook dat had te maken met vervulling. Enkele dagen later zegt in: “Mozes en de profeten en de psalmen staat moet vervuld worden (...) zodat zij de Schriften begrepen” (Luc.24:44,45). De beloofde Messias is gekomen, m.a.w. de ware Koning van Israël is gekomen (Hand.13:22-34 / Rom.1:1-7). We citeren één klein stukje uit deze laatste teksten: “En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is dat namelijk God deze vervuld heeft aan ons, hun kinderen, toen Hij Jezus verwekt heeft.” Zo zegt Paulus volgens Hand.13:32 SV. Waarom zijn er dan die beweren dat de belofte niet is vervuld, maar uitgesteld, en nog eens opnieuw aan Israël zal aangeboden worden? En tot Agrippa spreekt hij jaren later als volgt,: “En nu sta ik, en wordt geoordeeld over de hoop der belofte die van God tot de vaderen geschied is; Tot welke onze twaalf


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 194 stammen, gedurig dag en nacht God dienende, hopen te komen over welke hoop ik, o koning Agrippa, door de Joden beschuldigd wordt” (SV). Dus Paulus heeft zijn leer op dat punt niet veranderd. Ter attentie van wie in de bedelingen zijn soulaas zoekt de: “belofte die van God tot de vaderen geschied is”, blijft geldig tot Zijn Wederkomst volgens Gods nieuwe versie. Tot de Mormonen en Brits-Israël zeggen we dit; de 12 stammen zijn in de dagen van Paulus niet verloren, ze aanbidden God in die tijd, in de tempel!

En vervuld is ook al wat YaHWeH aan Abraham beloofde: Zowel aan Joden als heidenen.

 Gods verbond met Abraham = Gods verbond werd eerst met Abraham gesloten, niet met 'Israël' Gods verbond werd gesloten 430 jaar vóór de 'wet' gegeven werd (Galaten 3:17,18). Gods verbond werd gesloten vóór de besnijdenis (Romeinen 4:10). Gods verbond was universeel; voor héél de schepping. (Gen.12:3 en 17:4 / Rom.4:16.17 / Galaten 3:8,26-29). Israël zou een zegen voor de wereld zijn, maar ze zijn er niet aan toegekomen (Romeinen 9:31,32 en 10:21). Zij verbraken daardoor het verbond. Slechts een “gelovige rest” is ingevoegd in het Israël Gods: de gemeente (Galaten 6:16).

Het nieuwe verbond, de vervulling: Gesloten met gelovige Joden en gelovige heidenen (Jeremia 31:31-34 / Mattheüs 26:28). Het nieuwe verbond heeft het oude ééns en voor altijd vervangen (Hebreeën 7:18 / 8:6-13 / 10:9). Gelovigen uit Joden en heidenen, zonder onderscheid des persoons (Rom.2:28,29 / Gal.3:6-9,28,29 / Fil.3:3 / Jac.1:1 / 1 Pet.1:1 / Eph. 2:11-19). Meerdere malen is in de Schrift, het nummer “40” in verband gebracht met het testen en beproeven van Israël door God (Gen.7:4 / Ex. 24:18 / 34:28 / Num.13:25 / 14:33,34 / 32:13 / Deut.8:2 / 10:10 / Deut.25:3 / 1Sam.17:16 / Joh.3:4 / Mat. 4:1-11 / Marc.1:13 / Luc.4:2.) Het is al of niet toevallig, dat de Joodse Talmoed over die periode van 40 jaar (30-70 na Chr.[?]), zegt dat er tekenen zijn dat God de jaarlijkse offers op de verzoendag (Jom Kippoer) niet accepteerde vanwege de zonden van het volk (Lev.16). Rekenen we dan van 30-70 na Chr. of van 33-73 na Chr. de verovering van het fort Masada. Tegen die tijd was het hele land bijna verlaten, 1.100.000 gestorven in de oorlog en bijna 100.000 Joden als slaaf verkocht. Een toevalligheid of een teken van God, ik weet het niet! APPENDIX IV: de 4 interpretaties naast elkaar Wij geven hieronder een vergelijking (in een licht gewijzigde vorm) uit J. Barton Payne,


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 195 ‘The theology of the Older Testament’, Zondervan, 8ste druk, december 1975, blz.520-522. Hij citeert uit volgende werken om een viertal interpretaties te belichten van Daniël 9:2-27: Symbolisch; H.C. Leupold, ‘Exposition of Daniel’, Wartburg Press, 1949, Bedelingen; Joseph A. Seiss, ‘Voices from Babylon or, the Records of Daniel the Prophet’, Philadelphia: Muhlenberg Press, c. 1879, met aanvullingen van A.C. Gaebelein, ‘The Prophet Daniel’, New York, ‘Our Hope’ Publishing Co., c. 1911), Liberaal; James A. Montgomery, ‘A Critical and Exegetical ‘Commentary on the book Daniel’, New York, Charles Scribner’s Sons, 1927, Traditioneel; E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, New York, Funk and Wagnalls, 1891. De bladzijdennummers verwijzen naar de aangehaalde werken. We gebruiken de volgende afkortingen: Symbolisch = Symb Bedelingen = Bed Liberaal = Lib Traditioneel = Trad Daniël 9:24 - uw volk Symb: Israël en de Kerk verleden en toekomst blz.411 Bed: Israël verleden en toekomst blz.240 Lib: Israël in het verleden blz.393 Trad: Israël en de Kerk verleden blz.185 Daniël 9:24 - weken Symb: Volheid blz.409 Bed: 7 x 360 dagen Gaebelein blz.140 Lib: 7 jaren blz.373 Trad: 7 jaren blz.186 Daniël 9:24 - om de gerechtigheid uit te boeten om eeuwige gerechtigheid te brengen Symb: Nieuwe hemel en aarde blz.411 Bed: Alle beloften aan Israël vervuld blz.242 Lib: Droom van de Makkabeeën blz.375 Trad: Verzoening op Kalvarie blz.194 Daniël 9:24 - het hoogheilige te zalven Symb: Mensheid geheiligd in God volgens Opb.21:3 blz.416 Bed: Zalving van de Joden in het duizendjarige rijk blz.241 Lib: Reiniging van het altaar blz.375 Trad: Christus gezalfd door de Heilige Geest blz.196 Daniël 9:25 - en de herbouw van Jeruzalem


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 196

Symb: Decreet van Cyrus blz.418 Bed: Arthaxerxes I aan Nehemiah blz.444 Lib: Woord van Jeremiah over val van Jeruzalem blz.392 Trad: Arthaxerxes I aan Ezra blz.189 Dan.9:25 - einde van 7 weken Symb: Geboorte van Jezus blz.421 Bed: Herstelling voltooid in 396 (voor Chr.) (?) Gaebelein blz.136 Lib: Terugkeer in 537 voor Chr. blz.379 Trad: De Reformatie door Nehemiah in 409 voor Chr. blz.191 Daniël 9:25 - 7 en 62 aan elkaar Symb: Neen blz.417 Bed: Ja blz.242 Lib: Neen blz.392 Trad: Ja blz.189 Daniël 9:25 - de uitverkoren vorst Symb: Geboorte van Christus blz.422 Bed: Intocht in Jeruzalem blz.243 Lib: Jeshua, de eerste hogepriester na de ballingschap blz.379 Trad: Doop van Christus blz.189 (zalving als profeet) Daniël 9:25 - einde van 62 weken Symb: Einde van de groei van de Kerk blz.424 Bed: 30 na Chr. blz.247 Lib: 171 voor Chr. blz.394 Trad: 26 na Chr. blz.189 Daniël 9:26 - zal een gezalfde gedood worden Symb: Einde van de groei van de Kerk blz.427 Bed: Kruisiging van Christus blz.249 Lib: Moord op de hogepriester Onias III blz.381 Trad: Kruisiging van Christus blz.198 Daniël 9:26 - na die tweeënzestig weken Symb: Onmiddellijk erna blz.427 Bed: Vijf dagen later blz.248


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 197 Lib: Onmiddellijk erna blz.394 Trad: Later in het midden der volgende week blz.201 Daniël 9:26 - zonder dat iemand hem opvolgt Symb: Zonder invloed blz.427 Bed: Door Joden verworpen blz.250 Lib: Zonder schuld blz.381 Trad: Door Joden verworpen blz.197 Daniël 9:26 - een vorst die komt Symb: Antichrist in de toekomst blz.428 Bed: Titus in 70 na Chr. blz.251 Lib: Antiochus IV in 168 voor Chr. blz.383 Trad: Christus (blz.257) of Titus in 70 na Chr. blz.200 Daniël 9:26 - aan het einde zal er volgens het besluit een verwoestende oorlog plaatsvinden Symb: Tot de dood van de Antichrist bij het verschijnen van de Christus blz.429 Bed: Tot het herstel van Israël 7 jaar vóór de verschijning van Christus blz.250 Lib: Tot zijn dood in 164 voor Chr. blz.384 Trad: Tot de val van Jeruzalem blz.201 Daniël 9:27 - betekenis van “en hij” in Daniël 9:26 Symb: Vers 27 is verdere uitleg van 26 blz.431 Bed: Spreekt over andere dingen blz.251 Lib: Vers 27 is verdere uitleg van 26 blz.384 Trad: Vers 27 is verdere uitleg van 26 blz.192 Daniël 9:27 - een sterk verbond Symb: De Antichrist verleidt de massa blz.432 Bed: Antichrist gaat een verbond aan met de afvallige Joden blz.252 Lib: Antiochus in verbond met Grieken blz.385 Trad: Christus’ Nieuw Verbond met hen die gered zijn blz.193 Daniël 9:27 - begin van de 70é week symb: Volgt de 69ste blz.427 Bed: Een breuk tussen de 69ste en 70ste week blz.251 Lib: Volgt de 69ste blz.386 Trad: Volgt de 69ste blz.192


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 198 Daniël 9:27 - op de helft van die week Symb: Na 3 ½ jaren voor eerste deel blz.432 Voor tweede deel later blz.433 Bed: Na 3 ½ jaren in de grote verdrukking blz.252 eerste deel, later andere helft Lib: van 168 - 165 voor Chr. voor 3 ½ jaren blz.386 Trad: Na 3 ½ jaren in 30 na Chr. blz.192 Daniël 9:27 - een einde maken aan de slacht- en spijsoffers Symb: Er is geen aanbidding meer blz.433 Bed: Het altaar wordt verontreinigd blz.253 Lib: Het altaar wordt verontreinigd blz.386 Trad: Het OT heeft afgedaan blz.192 Daniël 9:27 - einde van de week Symb: Gods oordeel blz.436 Bed: Gods oordeel blz.251 Lib: Overwinning van de Makkabeeën blz.386 Trad: Steniging van Stephanus, Joden weigeren het Nieuwe Verbond blz.193 Daniël 9:27 - “de gruwel van de verwoesting” Symb: Door afgoderij blz.433 Bed: Een afgod in de tempel blz.253 Lib: Griekse afgod in de tempel blz.388 Trad: Tegen de tempel in het jaar 70 na Chr. bij de verwoesting blz.199 Daniël 9:27 - “totdat de vernietiging” is voltrokken Symb: Tot zijn dood blz.436 Bed: Tot de dood van de Antichrist blz.255 Lib: Tot de dood van Antiochus blz.389 Trad. Tot de vernietiging van Jeruzalem blz.200. Laten we toch ook nog vermelden dat niet allen die in de bedelingen geloven, hetzelfde zeggen. S. van Mierlo, leerling van E. Bullinger – maar deze volgt diens chronologie NIET - is zo een uitzondering. Alle weken zijn gescheiden volgens hem en moeten als volgt aanvangen. We verwijzen naar zijn ‘De zeventig weken van Daniël 9’, Uitg. Uit de Schriften, z.j. (ongeveer 1955). 1st jaarweek van 588 voor Chr. tot 539 voor Chr. 62 daaropvolgende jaarweken van 437 voor Chr. tot 30 na Chr. 70ste week in de toekomst. De tempel in de 70st week zal slechts een klein gebouwtje zijn (blz.22). Zelf heeft hij kritiek op de uitleg van Anderson waarvan we de 4de opmerking citeren: “Dan 9:25 zegt dat Messias eerst nà de 62 weken uitgeroeid wordt? Niets laat ons toe deze gebeurtenis juist aan het einde van de 62


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 199 weken te plaatsen” (blz.16). Maar ook vóór E. Bullinger waren er mensen op de gedachte gekomen om het begin van de profetie te plaatsen bij het moment dat de uitspraak van de profetie door Daniël gedaan wordt. Zo Orelli (‘Messianic prophecy’, T & T Clark, blz.465) die de profetie laat beginnen in 588 voor Chr. voor de eerste zeven weken. Ze lopen verder tot het jaar 536 voor Chr. De daaropvolgende reeks neemt zijn aanvang met 536 voor Chr. om te eindigen in 170 na Chr. Dat is natuurlijk slechts ongeveer 52 jaarweken. Dean Farrar (ook einde 19de eeuw) merkt in zijn commentaar op Daniël dan ook op, dat 62 jaarweken gelijk stellen aan 52 jaarweken niet te rijmen is. En nog enkele uitleggingen volgens het liberale leerplan verkort weergegeven uit Driver S.R., ‘The Book of Daniel,’ Cambridge University Press, 1901, blz.143,148,149: 1°) Wieseler (in 1846) 7e week vanaf 606 voor Chr. 62 weken tot 172 voor Chr. laatste week 172 voor Chr. - 165 voor Chr. Er is ook een geestelijke uitleg die loopt tot de komst van Christus = de gezalfde, de prins. 2°) Delitzsch (1878) Begin vanaf 605 voor Chr. 62 weken tot 171 voor Chr. Laatste week tot dood van Antiochus in 164 voor Chr. 7 weken volgen hierop en dat zou ons tot de Messias moeten gebracht hebben maar is onoplosbaar. 3°) Kranichfeld (1868) 7 weken van 588 voor Chr. tot 539 voor Chr. De gezalfde, de prins is Cyrus. 62 weken van 539 voor Chr. tot aan de dood van de gezalfde (Christus). De lacune van 135 jaar heeft Daniël in zijn profetisch perspectief niet gezien. 4°) Von Orelli (1882) 7 weken van 588 voor Chr. tot 536 voor Chr. 62 weken van 536 voor Chr. tot 29 na Chr. = de dood van Christus = de gezalfde van verzen 25 én 26. Het zijn geen echte weken maar “typische” weken. Laatste week zit tussenin de andere 62 weken in de tijd van Antiochus van 171 voor Chr. tot 164 voor Chr. 5°) Nägelsbach (1858) 7 weken van 536 voor Chr. tot feest van de stadswal volgens Neh.12 in 434 voor Chr. 62 weken vanaf Neh.12 (434 voor Chr. tot de geboorte van Christus. Laatste week van geboorte van Christus tot vernietiging van Jeruzalem in 70 na Chr. De weken zijn symbolisch en kunnen elke totaalsom van 7 voorstellen. De eerste 7 is eigenlijk 7 + 7=14 jaarweken. De laatste week is 7 x 10 = 70 jaarweken. 6°) Kliefoth (1868) en Keil (1869) De weken zijn symbolen. 7 weken van Edict van Cyrus (537 voor Chr.) tot komst van Christus. 62 weken van Christus tot komst van de Antichrist. Laatste week, week van de grote afval afgesloten door Wederkomst van Christus. Vers 27 spreekt over de Antichrist. 7°) Van Lennep (1888) Bespreekt enkele mogelijke oplossingen. Letterlijk of figuurlijk of combinaties van beiden. Men mag rekenen volgens 6 + 62 + 1 week / of / 62 + 7 + 1 week / of / 62 + 1 + 7 week schema. Al naar gelang de schrijver kunnen er hiaten zijn tussen een tijdstip. We hebben te kiezen tussen maanjaren, Egyptische jaren (als ze echt hebben bestaan) of


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 200 zonnejaren, of symbolische en “typische” Godstijden. APPENDIX V: de 4 Bijbelteksten over de ANTICHRIST Weinig mensen weten dat er in de Bijbel maar vier teksten zijn die over “een antichrist” of over “DE antichrist” spreken, allen te vinden in twee brieven van de apostel Johannes. 1ste tekst 1 Joh.2.18 SV77 (voetnoten uit de gewone SV): “Kinderkens, het is de laatste ure; (61) en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist (62) komt, zo zijn ook (63) nu vele antichristen (64) geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure (65) is.” Voetnoten: 61)

het is de laatste ure; Dat is, wij beleven nu den laatsten tijd der wereld, waarvan tevoren gezegd is, dat in deze de antichrist zal komen en vele valse leraars zullen opstaan. Zie Matth. 24:5; 1 Cor. 10:11; 2 Thess. 2:3; 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 3:1; 2 Petr. 3:3. 62) de antichrist Grieks ho antichristos; welk woord in het algemeen betekent iemand die, onder den naam van Christen te zijn, zich stelt tegen de leer van Christus’ persoon en ambt, en in het bijzonder een onder deze bijzonder uitstekende, die niet bestaat in een persoon alleen, maar in verscheidene elkander in een staat opvolgende of in elkanders plaats komende, gelijk men door den keizer van Rome dikwijls niet alleen verstaat den regerenden keizer, maar ook al degenen die in het keizerrijk den een na den ander opvolgen. Hier spreekt de apostel van den uitstekenden antichrist, gelijk het Griekse woord ho te kennen geeft, die 2 Thess. 2:3, enz. en in de Openbaring van Johannes doorgaans beschreven wordt. 63) komt, zo zijn ook Dat is, komen zal, of gelijk als op den weg is om te komen; zie 2 Thess. 2:7. 64) vele antichristen Dat is, vele valse leraars onder de christenen, die voorlopers van den groten antichrist zijn geweest en van één geest gedreven, want hier wordt dat woord in het algemeen en in het brede genomen. 65) dat het de laatste ure Namelijk volgens de voorzeggingen van Christus en der apostelen, tevoren aangetekend. 2de tekst 1 Joh.2:2 SV77 (voetnoten uit de gewone SV): “Wie is de leugenaar, dan (80) die loochent, dat Jezus is de Christus? (81) Deze is de antichrist, die den Vader en (82) den Zoon loochent. (83)” Voetnoten: 80) de leugenaar, dan Dat is, de voornaamste valse leraar. 81) is de Christus? Grieks niet is; dat is, die de waarheid loochenende zegt, dat Jezus niet is de Christus, dat is, de Messias, de Gezalfde, de beloofde Zaligmaker. Zie Joh. 20:31.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 201 82) die den Vader en Hoe de Vader wordt geloochend, wordt nader in 1 Joh. 2:23 verklaard. 83) den Zoon loochent. De Zoon van God de Heere Jezus Christus wordt geloochend, niet alleen ten opzichte van Zijn persoon, wanneer men loochent, òf Zijne Goddelijke, òf Zijn ware menselijke natuur, òf dergelijke; maar ten opzichte van Zijn ambt, als men loochent dat Hij de Zaligmaker is, of dat Hij de enige en volmaakte Zaligmaker is, en als men benevens Hem nog andere middelaars tot de zaligheid stelt, enz. 3de tekst 1 Joh 4:3 SV77 (voetnoten uit de gewone SV): “En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van (13) den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld.” Voetnoot: 13) de geest van Dat is, de leer van den antichrist, die strijdt tegen de waarheid van den persoon en het ambt van Christus. 4de tekst 2 Joh 1:7 SV77 (voetnoten uit de gewone SV): “Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, (20) dat Jezus Christus (21) in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist. (22)” Voetnoten: 20) die niet belijden, Zie de aantekeningen 1 Joh. 2:22, en 1 Joh. 4:2. 21) dat Jezus Christus Grieks Jezus Christus in het vlees komende. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Joh. 4:2. 22) de antichrist. Zie 1 Joh. 4:3. Het is bovendien niet oprecht dat in de kringen van de dispensationalisten een reeks teksten uit het boek Daniël toegepast worden of een komende antichrist. Daarvan beweren de meesten dan nog dat er een kleine vervulling is in de persoon van Antiochus Epiphanes (later met de bijnaam Epimanes = de gek) en een latere vervulling in één nog komende antichrist. We hebben over de zaak van de antichrist al één en ander geschreven. We nemen in hoofdstuk 10 wat over uit onze ‘De Wederkomst van Jezus, de Joden en de duizendjarige regering.’ Een uitleg van 2 Thessalonicenzen 2:1-10. Conclusie Dit is de belichting van slechts één aspect van de Wederkomst. Dat moment waar zowel de gelovigen als ongelovigen bij elkaar staan en dat overeenkomt met “de voleinding der wereld” (Mat.13:41,49 en lees de context). Het moment waar de schapen en bokken van elkaar gescheiden


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 202 worden (Mat.25:31-46). Hier nog een toekomstige duizendjarige regering willen lezen (in te lezen) kan niet zonder fantasie van mensen. We komen aan het slot toe van de profetie, het vers 27. In de bedelingen heeft men hier een uitleg die niet voldoet aan de betekenis van dat vers 26. Laat ons eens nagaan of de argumenten van de leer van de bedelingen kunnen standhouden in een vergelijk van logische conclusies. We zetten alles in een tabelvorm uitgaande van twee publicaties. Dat is voor de Bedelingen; Joseph A. Seiss, ‘Voices from Babylon or, the Records of Daniel the Prophet’, Philadelphia: Muhlenberg Press, c. 1879, met aantekeningen van A.C. Gaebelein, ‘The Prophet Daniel’, New York, ‘Our Hope’ Publishing Co., c. 1911). En voor de Traditionele uitleg; E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, New York, Funk and Wagnalls, 1891. De bladzijdennummers verwijzen naar de aangehaalde werken. We gebruiken de volgende afkortingen: Bedelingen = Bed Traditioneel = Trad Daniël 9:26 - zal een gezalfde gedood worden Bed: Kruisiging van Christus blz.249 Trad: Kruisiging van Christus blz.198 Daniël 9:26 - na die tweeënzestig weken Bed: Vijf dagen later blz.248 Trad: Later in het midden der volgende week blz.201 Daniël 9:26 - zonder dat iemand hem opvolgt Bed: Door Joden verworpen blz.250 Trad: Door Joden verworpen blz.197 Daniël 9:26 - een vorst die komt Bed: Titus in 70 na Chr. blz.251 Trad: Christus (blz.257) of Titus in 70 na Chr. blz.200 Daniël 9:26 - aan het einde zal er volgens het besluit een verwoestende oorlog plaatsvinden Bed: Tot het herstel van Israël 7 jaar vóór de verschijning van Christus blz.250 Trad: Tot de val van Jeruzalem blz.201 Daniël 9:27 - betekenis van “en hij” in Daniël 9:26 Bed: Spreekt over andere dingen blz.251 Trad: Vers 27 is verdere uitleg van 26 blz.192


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 203

Daniël 9:27 - een sterk verbond Bed: Antichrist gaat een verbond aan met de afvallige Joden blz.252 Trad: Christus’ Nieuw Verbond met hen die gered zijn blz.193 Daniël 9:27 - begin van de 70é week Bed: Een breuk tussen de 69ste en 70ste week blz.251 Trad: Volgt de 69ste blz.192 Daniël 9:27 - op de helft van die week Bed: Na 3 ½ jaren in de grote verdrukking blz.252 eerste deel, later andere helft Trad: Na 3 ½ jaren in 30 na Chr. blz.192 Daniël 9:27 - een einde maken aan de slacht- en spijsoffers Bed: Het altaar wordt verontreinigd blz.253 Trad: Het OT heeft afgedaan blz.192 Daniël 9:27 - einde van de week Bed: Gods oordeel blz.251 Trad: Steniging van Stephanus, Joden weigeren het Nieuwe Verbond blz.193 Daniël 9:27 - “de gruwel van de verwoesting” Bed: Een afgod in de tempel blz.253 Trad: Tegen de tempel in het jaar 70 na Chr. bij de verwoesting blz.199 Daniël 9:27 - “totdat de vernietiging” is voltrokken Bed: Tot de dood van de Antichrist blz.255 Trad. Tot de vernietiging van Jeruzalem blz.200. Wat leren we hieruit? Dat de leer van de dispensaties een verband legt van de aanhef van “en hij” in het begin van 27 dat niet van de Messias spreekt, maar van de antichrist. Lezen we toch eens wat er staat in vers 26 als een verwijzing naar twee personen: ”zal een gezalfde gedood worden” (Jezus) en ”een vorst die komt” (de Romeinse generaal Titus). Dus, let er op, er is in vers 26 géén sprake van een antichrist, en Titus is nergens een antichrist genoemd in de Bijbel. De aanhangers van de leer van de bedelingen zeggen dat “en hij” moet verwijzen naar de persoon die het dichts genoemd is in vers 26. In hun visie dus Titus! Verder geredeneerd is het dus die persoon (generaal Titus) die een verbond met Israël aangaat enz. Neen zegt men dan, dat wijst naar de antichrist die op het punt staat zich nu (we zijn 2008) te openbaren. Is die dan de reïncarnatie van


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 204 generaal Titus? Neen, zal men zeggen. Maar daar hoeven we niet in te trappen, dat is een onBijbelse redenering. Titus is het werktuig in Gods hand om Israël te straffen voor een laffe daad: de moord op hun gezalfde. Zodat we moeten aannemen dat het “en hij” naar de andere persoon wijst die ook in vers 26a genoemd is, de gezalfde die zal gedood worden: Jezus de Messias. Er is dan ook nog een tweede probleem met de uitleg van de bedelingenleer. Aan het slot van vers 26 staat beschreven over generaal Titus: “aan het einde zal er volgens het besluit een verwoestende oorlog plaatsvinden.” Dat wijst naar de verschrikking van de oorlog van 66-71 na Christus. Rome moet zijn opstandige provincie Israël een les leren. Het kost aan Israël bijna één miljoen honderdduizend doden en zevenennegentigduizend slaven die verkocht worden. Daarboven de vernietiging van de stad en de tempel. Van de tempel zal geen steen op een andere blijven, zo had Jezus het voorspeld. Dan zou er volgens de leer van de bedelingen wanneer die antichrist komt in vers 27 ineens, opkomende uit het niets, een nieuwe tempel zijn. APPENDIX VI: de Joodse interpretaties We vonden ergens een verwijzing naar een zekere Ds. Cachemaille en zijn boek ‘The Seventy Weeks and the Messiah.’ Daar schrijft hij op blz.25: “Het is een interessant feit dat tot op vandaag nog verschillende verzen uit de belijdenis van de zonden van zijn volk door Daniël elke maandag en donderdag door de Joden worden opgezegd; maar dat het laatste gedeelte van Daniël 9, dat zo duidelijk over het lijden van de Messias spreekt, nooit gelezen wordt. De rabbijnen hebben werkelijk een verschrikkelijke vloek uitgesproken over ieder die de profetie van de zeventig weken onderzoekt. Zij zeggen: "Laat de botten verrotten van hem die het einde van de tijd berekent.” Ik hen niemand anders gevonden die een dergelijke opmerking maakt, maar het is niet uitgesloten. We hebben geen reden om Cachemaille’s opmerking te betwijfelen. Joden hebben een andere uitleg bij Daniël 9:23-27 en vertellen ons graag waarom de christelijke interpretatie fout is. Op http://www.geocities.com/bergZion/Daniel9NL.htm is alles uit de doeken gedaan. Wij onderlijnen zelf enkele zaken in wat volgt en het zijn onze hoofdletters. Wat ze hier zeggen over de spitsing van de 69ste en de 70ste jaarweek: “Sommige christenen proberen hier onderuit te komen door te zeggen dat de laatste week nog niet geweest is. EEN WANHOOPSDAAD, want het is erg vreemd om te zeggen dat de 7 weken en de 62 weken aaneengesloten waren, en dat dan de laatste week nog ergens in twilight zweeft om wie weet wanneer nog is langs te komen. Het is ook niet mogelijk dat de laatste week nog niet is geweest, want de profetie zegt: “En hij zal het verbond zwaar maken, een week lang, in de helft van de week zal hij het slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen.” Wat ze hier zeggen over start en einde van de profetie: “Laten we nu eens kijken wat er werkelijk loos is in deze profetie. De profetie eindigt met de verwoesting van de tempel in het jaar 70. De hele profetie beslaat 70 profetische weken, dat staat voor 490 jaar, dus de profetie begint in het jaar 70 minus 490 jaar, is 420 BCE. (before the common era) Volgens de joodse traditie werd de eerste tempel verwoest in het jaar 3338 vanaf de schepping, dat is 423 BCE. De 70


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 205 profetische weken beslaan het tijdperk van de 70 jarige joodse ballingschap in Babylon en het tijdvak van ongeveer 420 jaar dat de tweede tempel bestaan heeft.” Wat ze hier zeggen over Kores: “Wanneer ging er voor het eerst een woord uit, werd er voor het eerst gesproken over het feit dat de joden zouden terugkeren vanuit de babylonische ballingschap en Jeruzalem zouden herbouwen? Dat was bij monde van de profeet Jeremiah, die dat profeteerde aan het begin van de babylonische ballingschap. Zie Jer. 25:11-12. En het was deze profetie die Daniel aan het bestuderen was toen hij het visioen kreeg betreffende de 70 weken. Zie het begin van Daniel 9. Dus de uitgang van het woord is niet de toestemming van koning Kores om terug te keren, maar Jeremiah’s profetieen aan het begin van de Babylonische ballingschap.” Wat ze hier zeggen over de gezalfde: “Even tussendoor: JC is nooit tot koning gezalfd zoals een joodse koning gezalfd moet worden, hij was ook nooit een koning, dus, hij was geen messias, geen gezalfde. Daarom kan Daniel 9 geen betrekking hebben op hem. 52 jaar na het begin van de ballingschap kwam koning Kores aan de macht in Babel, en hij was het die de joden toestemming gaf terug te keren en de tempel te herbouwen, zoals beschreven is in Ezra 1:1. Kijk nu in Jesaja 45:1; "Zo zegt de Here tot zijn gezalfde, tot Kores, ..." Hier noemt God bij monde van de profeet Jesaja de niet joodse koning Kores “Zijn gezalfde”. In het hebreeuws: “meshiach”. Dus Kores die toestemming gaf voor de herbouw van de tempel is de gezalfde, de messias. Koning Kores besteeg de troon 52 jaar nadat de joden in ballingschap waren gegaan, dat is 7 profetische weken die staan voor 49 jaar, plus 3 jaar. (de drie jaar zijn niet vermeld omdat het geen volledige “week” is) (…) De 7 weken, 49 jaar, starten in het jaar 3338 na creatie, 423 BCE. Ze eindigen in 3380 na creatie met het verschijnen van koning Kores, 377 BCE. Ze worden gevolgd door de 62 weken, oftewel 434 jaar, en dat brengt ons tot het jaar 3824 na creatie, 63 CE. Blijft er over 1 week, die ons brengt tot 3828 na creatie, 70 CE." Wat ze hier zeggen over het slot: “In het midden van de laatste week die loopt van 63 tot 70, zouden de dieroffers ophouden. De tempeldienst met de dieroffers was na de dood van JC gewoon doorgegaan, totdat in 66 de joden rebbelleerden tegen de romeinen. Als reactie hierop belegerden de romeinen Jeruzalem. Door de omsingeling was het onmogelijk voor de joden om schapen en stieren de stad in te brengen voor de offerdienst, en daardoor werd de offerdienst onderbroken." En het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten," Dit gaat over de romein Titus, die het bevel gaf tot de verwoesting van Jeruzalem en de tempel.” Op http://www.shalomcenter.nl/verborgen_teksten.htm staat nog een andere uitleg over Daniël 9:23-27 vanuit Joodse hoek. We citeren enkele zaken: “Gebaseerd op het hebreeuws worden hier echter TWEE GEZALFDEN genoemd. De eerste is er na 7 shabbatsjaren nadat het woord uitging. De andere gezalfe is er na 69 shabbatsjaren. De eerste is Kores, die een gezalfde van God wordt genoemd (Jes. 45:1 Zo zegt de Eeuwige tot zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik gevat heb om volken voor hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren voor hem te openen, geen poorten blijven gesloten.) (Jes. 44:28 die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 206 herbouwd en de tempel worde gegrondvest. 45:1 Zo zegt de Eeuwige tot zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik gevat heb om volken voor hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren voor hem te openen, geen poorten blijven gesloten.). De gezalfde die in vers 26 wordt genoemd is Agrippa, de laatste joodse koning (in Davids lijn). Hij stierf net voor het einde van de 2e tempelperiode. De vorst die verder in vers 26 wordt genoemd is de Romeinse Titus. Let op: de juiste vertaling van vers 26a (En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is) is: En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, en niet meer zijn (zoals het in de Lutherse vertaling vertaald wordt). Ook nu wordt de vertaling (zonder dat uit een bepaalde vooronderstelling te doen) heel anders.” In de Joodse vertalingen kunt u wel eens wat anders lezen dan in onze vertalingen. Dat heeft te maken met het feit dat Joodse vertalingen zeer sterk de Massoretische tekst vertalen die is bekrachtigd in de 8ste/9de eeuw na Christus. Voorzeker was die al een beetje aangepast aan de “leesbaarheid van de tekst”, want die is op sommige plaatsen zeer moeilijk te begrijpen. In katholieke en prostestanse Bijbels wordt rekening gehouden met wat de Septuaginta zegt, de Latijnse Vulgaat en nu recenter zelfs de Dode-zee-rollen. We hebben in deze drie Joodse vertalingen het begrip “messias” onderstreept en u merkt dat men hier zelfs voor eenzelfde tekst eens met het lidwoord heeft vertaald en een andere maal niet. JPS VERSION TANAKH

JPS 1917 VERSION

JUDAICA PRESS TANAKH (CHABAD.ORG)

24. “Seventy weeks” have been decreed for your people and your holy city until the measure of transgression is filled and that of sin complete, until iniquity is expiated, and eternal righteousness ushered in; and prophetic vision ratified” and the Holy of Holies anointed.

24. Seventy weeks are decreed upon thy people and upon thy holy city, to finish the transgression, and to make an end of sin, and to forgive iniquity, and to bring in everlasting righteousness, and to seal vision and prophet, and to anoint the most holy place.

24. Seventy weeks [of years]

25. You must know and understand: From the issuance of the word to restore and rebuild Jerusalem until the [time of the] anointed leader is seven weeks; and for sixtytwo weeks it will be

25. Know therefore and discern, that from the going forth of the word to restore and to build Jerusalem unto one anointed, a prince, shall be seven weeks; and for threescore and two weeks, it shall be built again, with broad place and moat, but in troublous

(1985) have been decreed upon your people and upon the city of your Sanctuary to terminate the transgression and to end sin, and to expiate iniquity, and to bring eternal righteousness, and to seal up vision and prophet, and to anoint the Holy of Holies. 25. And you shall know and understand that from the emergence of the word to restore and to rebuild Jerusalem until the anointed king [shall be] seven weeks, and [in] sixty-two weeks it will return and be built street


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 207 rebuilt, square and moat, times. but in a time of distress.

and moat, but in troubled times.

26. And after those sixtytwo weeks, the anointed one will disappear and vanish. The army of a leader who is to come will destroy the city and the sanctuary, but its end will come through a flood. Desolation is decreed until the end of war.

26. And after the threescore and two weeks shall an anointed one be cut off, and be no more; and the people of a prince that shall come shall destroy the city and the sanctuary; but his end shall be with a flood; and unto the end of the war desolations are determined.

26. And after the sixty-two weeks, the anointed one will be cut off, and he will be no more, and the people of the coming monarch will destroy the city and the Sanctuary, and his end will come about by inundation, and until the end of the war, it will be cut off into desolation.

27. During one week he will make a firm covenant with many. For half a week he will put a stop to the sacrifice and the meal offering. At the corner [of the altar] will be an appalling abomination until the decreed destruction will be poured down upon the appalling thing.”

27. And he shall make a firm covenant with many for one week; and for half of the week he shall cause the sacrifice and the offering to cease; and upon the wing of detestable things shall be that which causeth appalment; and that until the extermination wholly determined be poured out upon that which causeth appalment.'

27. And he will strengthen a covenant for the princes for one week, and half the week he will abolish sacrifice and meal- offering, and on high, among abominations, will be the dumb one, and until destruction and extermination befall the dumb one.

Dit zijn enkele opmerkingen van Joodse rabbijnen en geschriften over de periode van de 490 jaren uit Daniël 9.  De Talmud lijkt ergens te verwijzen naar de laatste week van Daniël 9. B. San 97a: ”Onze meesters dachten als volgt over de bewuste zevendedagperiode wanneer op het einde ervan (Messias) zoon van David zal verschijnen.”  B. San 97b: ”Rav zei: alle tijden van verlossing zijn voorbij, alles is nu afhankelijk van berouw en goede daden.”  B. San 97b: ”R. Samuel bar Nahmani zei in de naam van R. Jonathan: laat de beenderen van hen die veronderstellen de tijd van verlossing te berekenen, weggeblazen worden in de wind. Ze zeggen allicht dat ‘gezien de verlossing niet gekomen is, ze nooit zal plaatsvinden.' Integendeel men moet blijven wachten (…) wat houdt het tegen? De maat van gerechtigheid stelt het uit (…)” Hieruit blijkt dat er rabbijnen waren die tijdsberekeningen verrichtten vanuit het boek Danël. Volgens velen was de tijd voorbij dat de Messias zou komen, maar gezien de diversiteit onder Joodse theologen waren nog andere berekeningen in zwang. Het was echter voor allen zo dat de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 208 jaren van Daniël er iets mee te maken hadden.  Maimonides (Rabbi Moses Ben Maimon) zei: “Daniël heeft voor ons de kennis van het einde uitgelegd. Maar aaangezien ze een mysterie zijn, hebben de Wijzen (de Rabbijnen) verboden de dagen van de Messias te berekenen zodat het gewone niet onderwezen volk, niet van de wijs gebracht wordt en inziet dat het einde al gekomen is, want er is geen teken van de komst van de Messias” (Igeret Teiman, Chapter 3, blz.24).  Rabbi Moses Abraham Levi leerde: “Ik heb gans de Heilige Schrift onderzicht en doordacht en heb de tijd van de komst van de Messias niet gevonden met uitzondering van de woorden van Gabriël aan de profeet Daniël die in de het negende hoofdstuk staan.” (‘The Messiah of the Targums’, Talmuds and Rabbinical Writers, 1971, blz.141-142.)  De Targumim van de Megillot (Klaagliederen 4): “17 Onze ogen merken nog steeds niet de hulp die we verwachten van de Romeinen, maar die als niets voor ons waren. In onze hoop keken we ook naar de Edomieten die als natie ons geen hulp konden bieden. Ze hebben ons pad gekruist zodat we niet veilig onze plaatsen konden betreden. We leerden‘Ons einde is nabij, onze dagen zijn vervuld’ want ons einde is gekomen.” En ook dit:  Aquila geciteerd in ‘Demonstratio Evangelica’ Book VIII leert: “Over uw volk, en over uw heilige stad (...) Voor het beëindigen van hun ongehoorzaamheid, en voor het aanvullen van hun overtreding. Voor de vervulling van hun ongehoorzaamheid en de voltooiing van hun zonde. Voor de verzoening van hun overtreding, Voor het brengen van eeuwige gerechtigheid. En voor het vervullen aan de visie en de profeet. Voor de zalving van de meest geheiligde.”  Josephus schreef: “Daniël profeteerde en schreef over al deze zaken vele jaren geleden. We kunnen in zijn geschriften ook lezen over de manier waarop onze mensen onder het juk van de Romeinse slavernij kwamen en de manier waarop onze natie werd vernietigd door de Romeinen. Al deze geschriften van Daniël, door Gods opdracht achtergelaten, geven aan de lezers en studenten van de geschiedenis, het bewijs van de grote eer die God hem had verleend. Bovendien iets voor de twijfelaars, die alle mogelijkheid van leiding in het leven verwerpen, dat God nog steeds bezig is met de koers van de geschiedenis te bepalen.”“(Josephus, Antiquities, X.10 en 11).”  Rabbi Judah (Grote verzamelaar van de Talmud): “Deze tijden zijn al lang voorbij.” (Regarding Daniel's prophecy - Babylonian Talmud Sanhedrin 98b and 97a)  Samuel Samuel Levine (1925): “Christenen, bij gebrek aan een beter antwoord, beweren dat de 70ste week zal plaatsvinden wanneer Jezus terugkeert als een koning bij zijn tweede komst. Het probleem werd veroorzaakt doordat Daniël een totaal van 70 weken heeft genoemd en ze heeft weergegeven als 7 plus 62, waardoor een week is overgebleven. De christenen zeggen dat de eerste 69 weken na elkaar waren, maar dan is er minstens een 1900 jarige kloof voordat vroeg of laat de 70ste week kan plaatsvinden. Dit is natuurlijk een zeer gedwongen uitleg, geboren uit wanhoop.” (‘You take Jesus, I'll Take God: How to Refute Christian Missionaries’, Los Angeles: Hamoroh Press, 1980, blz.31). APPENDIX VII: In welk jaar stierf Jezus? John Pratt, is een Mormoons astronoom die enkele artikelen schreef over de datum van de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 209 geboorte en dood van Christus. In een artikel verschenen in ’The Quarterly Journal of Royal Astronomical Society’ 32, (Sept. 1991), blz.301-304, staat een lijst van mogelijke data wanneer Christus stierf. Het is gebaseerd op de Bijbelse maankalender die vanuit enkele tabellen kan afgelezen worden. Jezus stierf volgens hem op 14 Nisan van het jaar 33. Dat is het jaar dat we zelf aannemen. (Voor dergelijke tabellen zie: http://sunearth.gsfc.nasa.gov/eclipse/LEcat/LE0001-0100.html ) (Of een andere: Redshift 3 Astronomy software) DAG START VAN DE VERDUISJAAR TERING OM 18.00 UUR 30 na Christus 15 Nisan Donderdag 31 na Christus 15 Nisan Dinsdag 32 na Christus 15 Nisan Zondag 33 na Christus 15 Nisan Vrijdag 34 na Christus 15 Nisan Woensdag Wanneer we ervan uitgaan dat de kruisiging op een vrijdag was, dan zijn er enkele mogelijkheden: 14 nisan was een vrijdag in de jaren 27 / 33 / 36. Ook het jaar 30 kan een mogelijke dag zijn, wanneer de waarneming van de nieuwe maan toen zichtbaar was in Jeruzalem. Joden rekenden niet astronomisch, maar met het blote oog om de start te bepalen van een nieuwe maan. De onderstaande tabel geeft de mogelijke dagen aan wanneer 14 nisan op een woensdag of een donderdag viel tussen de jaren 30 en 36 na Christus. Absolute zekerheid van die dag of één dag meer is er niet, want het gaat om de zichtbaarheid van de maan op de dag van de lente-equinox (21 of 22 maart). Deze berekening komt uit de tijd van de Babyloniërs en wordt nog steeds, sinds hun terugkeer, gebruikt door de Joden. Sinds Hillel II (4de eeuw na Chr.), een rabbijn, heeft alles meer structuur gekregen. De lijst komt van Kevin Kluetz in zijn artikel op Internet ‘The Dates of Jesus' Crucifixion, Resurrection, and Ascension: Conclusions of Three Documents.’ Zelf gelooft hij in een sterven van Jezus op woensdag. Jammer niet vertaald. De cijfers van kolom drie en vier geven de standen aan van de maan zoals astronomen die weergeven.

Year

30 A.D.

Passover, based on The Jewish month of modern Jewish Nisan, assuming it is the calendar rules (1st lunar month containing 14th day of a lunar Passover as defined to month on or after the the left spring equinox)

Th, 4/6 or Fr, 4/7

same as right

The Babylonian month of Nisanu according to Parker and Dubberstein's tables, defined as the lunar month that begins after the spring equinox

Passover, based on the possibility that the firstcentury- andearlier Jewish month of Nisan always equaled the Babylonian month of Nisanu

[3/24-4/21] or [3/25-4/22]

same as far left


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 210

(3/22 sun/moon conjunction @ approx.13:08 Jerusalem time, angular separation btwn sun & moon: 4.734 degrees; visible new moon evening of 3/23 [sunset @ 17:51 & moonset @ 18:33] or 3/24 [sunset @ 17:52 & moonset @ 19:27]) [3/13-4/10] or [3/144/11]

31 A.D.

4/12-5/11

(3/11 sun/moon (4/10 sun/moon conjunction @ conjunction @ approx.18:58 Jerusalem approx.09:47 Jerusalem time, angular separation time, angular separation Mo, 3/26 or Tu, 3/27 btwn sun & moon: btwn sun & moon: 2.492 3.915 degrees; visible degrees; visible new moon new moon evening of evening of 4/11 [sunset @ 3/12 [sunset @ 17:44 & 18:02 & moonset @ moonset @ 18:20] or 19:03]) 3/13 [sunset @ 17:45 & moonset @ 19:19])

We, 4/25

[3/31-4/28] or [4/1-4/29]

32 A.D.

33 A.D.

Su, 4/13 or Mo, 4/14

Fr, 4/3

same as right

(3/29 sun/moon conjunction @ approx.16:24 Jerusalem time, angular separation btwn sun & moon: 1.630 degrees; visible new moon evening of 3/30 [sunset @ 17:56 & moonset @ 18:42] or 3/31 [sunset @ 17:56 & moonset @ 19:46])

3/21-4/18

4/19-5/18

(3/19 sun/moon conjunction @ approx.08:05 Jerusalem time, angular separation btwn sun & moon:

(4/17 sun/moon conjunction @ approx.17:31 Jerusalem time, angular separation btwn sun & moon: 1.150

same as far left

Sa, 5/2


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 211 0.787 degrees; visible degrees; visible new moon new moon evening of evening of 4/18 [sunset @ 3/20 [sunset @ 17:50 & 18:07 & moonset @ moonset @ 19:08]) 19:04]) [3/10-4/7] or [3/11-4/8]

34 A.D.

4/9-5/7 (3/9 sun/moon conjunction @ (4/7 sun/moon conjunction approx.00:49 Jerusalem @ approx.07:31 Jerusalem time, angular separation time, angular separation btwn sun & moon: Tu, 3/23 or We, 3/24 btwn sun & moon: 2.176 0.344 degrees; visible degrees; visible new moon new moon evening of evening of 4/8 [sunset @ 3/9 [sunset @ 17:43 & 18:01 & moonset @ moonset @ 18:13] or 19:23]) 3/10 [sunset @ 17:43 & moonset @ 19:24])

Th, 4/22

[3/29-4/26] or [3/30-4/27]

35 A.D.

Mo, 4/11 or Tu, 4/12

same as right

3/18-4/16

36 A.D.

Sa, 3/31

(3/16 sun/moon conjunction @ approx.11:44 Jerusalem time, angular separation btwn sun & moon: 2.970 degrees; visible new moon evening of 3/17 [sunset @ 17:48 & moonset @ 18:46])

(3/28 sun/moon conjunction @ approx.02:15 Jerusalem time, angular separation btwn sun & moon: 2.316 degrees; visible new moon evening of 3/28 [sunset @ 17:54 & moonset @ 18:25] or 3/29 [sunset @ 17:55 & moonset @ 19:35])

same as far left

[4/16-5/14] or [4/17-5/15] (4/15 sun/moon conjunction @ approx.01:13 Jerusalem time, angular separation btwn sun & moon: 4.172 degrees; visible new moon evening of 4/15 [sunset @ 18:05 & moonset @ 18:41] or 4/16 [sunset @ 18:06 & moonset @ 19:50])

Su, 4/29 or Mo, 4/30

De schrijver zegt: â&#x20AC;&#x153;The only possible crucifixion date, based on the reasoning in the above article, is Wednesday, 3/28/31.â&#x20AC;? Copyright 1998 by Kevin Kluetz.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 212

APPENDIX VIII: Tabellen van vergelijk Van Dr. J. Paul Tanner, een USA dispensationalist verscheen het artikel ‘SURVEY OF VIEWS ON DANIEL'S "SEVENTY WEEKS" PROPHECY’ gedateerd 24 maart 1999. Oorspronkelijk staat het in één lang document, maar we hebben het gesplitst in drie te vergelijken uitleggingen. Zo zie je in een eerste oogopslag de drie grote verschillen: niet-messiaanse (eerste tabel) en Messiaanse verklaringen (twee latere tabellen). We geven het onvertaald weer. Deze opmerking geven we u wel mee, de schrijver geeft voor de laatste tabel meer dan in de andere tabellen een reeks voorstanders van de leer van de dispensaties. We kunnen echter in de 3de 4de en 5de nog tientallen namen toevoegen. Ofwel wil hij de indruk wekken dat de dispensatieleer goed vertegenwoordigd is of dat de andere onbelangrijk zijn, maar dat zijn ze niet. Dispensatiegedachten stammen uit de beginjaren van de 19de eeuw, vergeet dat niet. U krijgt het oorspronkelijke zonder enige aanpassing.

Name of view Adherents

Description

Decree 1st 7 wks 2nd 62 wks 3rd - 70th Anointed of vs 25 Anointed of vs 26 Prince to Come One who Makes Covenant (vs 27) Makes Desolation

MACCABEAN VIEW Porphyry (232-c. 305) Critical Scholars: Montgomery (ICC) Collins (Hermeneia) Hartman-DiL. (Anchor) Goldingay (Word) All details fulfilled in the Maccabean era during the time of Antiochus Epiphanes (171-164 BC) God's command - Jer 25:1 587/86 — 538/36 BC 538/36 BC — 171/70 BC

NON-MESSIANIC VIEWS ROMAN DESTRUCTION VIEW Jewish Sources: Seder Olam Rabbah Rashi (AD 1040-1105) Ibn Ezra (AD 1089-1164)

The prophecy culminates with the destruction of the 2nd Temple in AD 70 (or possibly as late as AD 135) Cyrus' decree - 538 BC 1st exile until 538 BC (or 520) time in land until 1st Jewish revolt of the 60's AD 171/70 — 164 BC Dest of Jeru. in AD 70 (possibly extending to 135) Joshua the High Priest in Zerub.'s Usually Cyrus day Onias III, the High Pr. assassinated in King Agrippa II at time of AD 70 (so Rashi) 171 BC Antiochus Vespasian or Titus Antiochus's alliance with Hellenizing Romans with Jews in 1st century AD Jews Pagan altar erected on top of Jewish Roman defilement of Temple in AD 70 and/or altar (ca. 168/67 BC) the establishment of Aelia on ruins of Jerus. By Hadrian


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 213 2nd Half 70th Week

of Antiochus' Judaism

attempt

to

destroy Events about AD 70 or 132-135

MESSIANIC VIEWS Name of view Adherents

Description

Decree 1st 7 wks 587/86 2nd 62 wks 3rd - 70th Anointed of vs 25 Anointed of vs 26 Prince to Come

1ST CENTURY VIEW Conservative Amillennial: E. J. Young Meredith Kline Anthony Hoekema

SYMBOLIC-ESCH. VIEW Conservative Amillennial: T. Kliefoth C. F. Keil H. C. Leopold

J. Barton Payne (Payne is premill.—post-trib.) The “anointed” of vs 26 is Christ who is crucified; and Christ makes a covenant with God's people in vs 27. Cyrus' decree - 538 BC 538/37 BC until completion of work by Ezra-Neh Completion of work by Ezra-Neh until 1st Advent of Christ Most say 1st Century (mid. of wk = crucifixion) Christ Jesus (after the 1st 69 weeks)

70 “weeks” are symbolic of 3 periods. The 62 wks are the present age as “spir. Jer.” being built. 70th wk is for Antichrist. Cyrus' decree - 538 BC 538 BC until the 1st Coming of Christ After 1st Coming as “spiritual Jerusalem” (Church) is built Era of the Antichrist before the 2nd Coming of Christ Christ Jesus (after the 1st 7 weeks)

Jesus Christ (“cut off” = Jesus Christ (“cut off” = His crucifixion; presum. AD 30) influence cut off by Antichrist) Titus (so Young); or The Antichrist Jesus Christ (so Kline) One who Makes A covenant by Christ with the 1) Leopold - made in imitation of Christ and covenant Church (“ratified” at time of imposed on masses; or (vs 27) crucifixion) 2) Keil - made to deceive people to follow him as God Makes Christ de-legitimizes the sacrificial Presumably the work of Desolation system; the Jewish temple is an Antichrist abomin. to be destroyed later by Titus 2nd Half of (1) Young, Hoekema - work of Titus Judgment the Antichrist's hatred for the city and 70th Week in AD 70 temple (2) Kline, West - an eschatological


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 214

Name of view Adherents

Description

Decree 1st 7 wks 587/86 2nd 62 wks 3rd - 70th Anointed of vs 25 Anointed of vs 26 Prince to Come One who Makes covenant (vs 27) Makes Desolation

2nd Half 70th Week

MESSIANIC VIEWS POSTPONEMENT VIEWS SOLAR-YEAR CALCULATION PROPHETIC-YEAR CALCULATION Gleason Archer Sir Robert Anderson Leon Wood Alva J. McClain John Walvoord Charles L. Feinberg Paul Feinberg Harold Hoehner Josh McDowell First 69 weeks culminate with crux. First 69 weeks culminate with crux. of Christ, of Christ, and 70th wk is still future and 70th wk is still future awaiting Antichrist. awaiting Antichrist. Calcul. based on Calcul. based on 360-day year. 365-day yr. Artaxerxes' decree of 458-57 BC Artaxerxes' decree of 445-44 BC 458/57 — ca. 409 BC 445/44 — ca. 396/95 BC ca. 409 BC — ca. AD 26 Future 7 years before the 2nd Coming of Christ Christ Jesus (after the 1st 69 weeks)

Jesus Christ (“cut off” = crucifixion in AD 32/33) The Antichrist A covenant made by the Antichrist with the Jews. Breaking the covenant starts the final 3 1/2 yrs of the Tribulation. The Antichrist halts sacrificial system and commits the “abomination of desolation” in the Jewish temple of Trib.(cf. Mt 24:15; 2 Thes 2:4) of The 3 1/2 years of the Great Tribulation when the Antichrist is in power

445/44 BC — AD 32/33 Future 7 years before the 2nd Coming of Christ Christ Jesus (after the 1st 69 weeks) Jesus Christ (“cut off” = crucifixion in AD 32/33) The Antichrist A covenant made by the Antichrist with the Jews. Breaking the covenant starts the final 3 1/2 yrs of the Tribulation. The Antichrist halts sacrificial system and commits the “abomination of desolation” in the Jewish temple of Trib.(cf. Mt 24:15; 2 Thes 2:4) The 3 1/2 years of the Great Tribulation when the Antichrist is in power


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 215

Hoofdstuk 9 Over dagen en maanden en jaren in Daniël en Openbaring. We gaan in het kortste hoofdstuk van dit werk enkele zaken aangeven waarom men niet mag cijferen in Bijbelse profetie zoals in de bedelingenleer gedaan wordt: één maand = 30 dagen. Om daar te geraken moeten we in deze hof eerst wat “onkruid” wieden zodat men een klaar overzicht krijgt. Bij wijze van inleiding enkele jaarkalenders vergeleken met ons jaar 2000 is:


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 216           

Het jaar 208 volgens de Franse Republikeinse kalender Het jaar 1378 volgens de Perzische kalender Het jaar 1421 volgens de Islamitische kalender Het jaar 1716 volgens de Koptische kalender Het jaar 2544 volgens de Boeddihistische kalender Het jaar 2749 volgens de Oudbabylonische kalender Het jaar 2753 volgens de Oudromeinse kalender Het jaar 5119 in de huidige grote cyclus van de Maya's Het jaar 5760 volgens de Joodse kalender Het jaar 6236 volgens de eerste Egyptische kalender Het jaar van de draak volgens de Chinese kalender

Er is dus veel variatie in het berekenen van tijd. Maar dit mag men niet vergeten:   

Het zonnejaar 2000 was 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 45 seconden lang Het verschil in kalendertijd sinds 1 n. Chr. is 10 seconden (zie hier onder) De gemiddelde afname van de kalendertijd door de geleidelijke vertraging van de rotatie (ronddraaien) van de aarde is ½ seconde per eeuw

Zodat we ons oprecht mogen afvragen: waarom een profetische kalender leren of aanhouden van 360 dagen? Hoe ziet een Joods jaar er uit? Joden rekenen met maanjaren. Hoe lang duurt een maanjaar? Dat is = 354 dagen (in werkelijkheid 354 dagen, 8 uren, 48 minuten, en 40 seconden). Maar, er is variatie in haar jaarcyclus omdat er ook rekening gehouden wordt met de zonnekalender. Een gewoon jaar heeft, gezien vanuit de maankalender: 1°) 353 dagen (onvolledig jaar), 2°) of 354 dagen (regelmatig jaar), 3°) of 355 dagen (volledig jaar). De Babyloniërs bedachten 26 eeuwen geleden het begrip “de dertiende maand.” Een schrikkelmaand, is een maand die eens in de zoveel jaar wordt ingevoegd om een jaar kloppend te krijgen en in de pas te doen lopen met het zonnejaar dat 365,24 dagen telt. Gezien de Joodse kalender van de Babylonische/Assyrische is afgeleid, kwam deze schrikkelmaand ook in de Joodse tijdrekening terecht. Een schrikkeljaar had toen 383 of 384 of 385 dagen. Een gewoon jaar telt 12 maanden van 29 of 30 dagen. Een maanmaand heeft namelijk 29,5 dagen. Je moet dus de ene maal afronden naar beneden (=29) en de andere maal naar boven (=30). Een schrikkeljaar heeft 13 maanden. Elke maand start ongeveer op de dag van de nieuwe maan, maar hier moet men de kalender wel eens aanpassen aan de zichtbaarheid van een nieuwe maanstand. Een kalenderjaar van 354 dagen geeft na drie jaar echter een verschuiving van bijna 34 dagen t.o.v. de seizoenen. Het artikel van Remy Landau, ‘Hebrew Calendar Science and Myths’, op Internet is het


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 217 belangrijkste voor de berekeningen www.geocities.com/Athens/1584/

volgens

de

Joodse

kalender.

Op

We kennen allemaal het fenomeen dat er om de 4 jaar een extra dag toegevoegd wordt aan onze kalender, dat is 29 februari. Het moet zo om onze kalenders die we gebruiken aan te passen aan de werkelijke astronomische kalender. Zo ook zal om de zoveel tijd een extra maand in de Joodse rekening alles opnieuw gelijk laten lopen. Rekenen we 19 jaar x 12 maanden = is 228 maanden. In werkelijkheid zijn het er 235 over een periode van 19 jaar. Met de hedendaagse waarden krijg je dan: 19 x 365,2422 = 6.939,6 wat nagenoeg gelijk is aan 235 x 29,5306 = 6.939,7. Wanneer er het 3de, 6de, 8st, 11de, 14de, 17de en 19de jaar een extra maand toegevoegd wordt is alles opnieuw o.k. Deze zeven extra maanden brengen gelijkheid in de twee soorten kalender. Deze cyclus van aanpassing is ook om de 57 jaar opnieuw dezelfde. Elephantine papyri (uit Egypte) en the Cairo Sandstone Stele leren ons echter dat alles in die zin nog niet echt geregeld was onder de Joden. Het gaat in die papyrussen namelijk om de periode van de 5de eeuw voor Christus onder een Joodse bevolking in Egypte. De Elephantine papyri tonen aan dat in de periode van 465 v. Chr tot 459 v. Chr., geen schrikkelmaanden werden toegevoegd. Dat was niet normaal zodat men in het zevende jaar van het nieuwe Joodse jaar (Tishri 1) een sprong maakte van 24 augustus, 460 v. Chr. naar 12 september van het jaar 459 v. Chr. Latere rabbijnen hebben een naam gegeven aan dit systeem van rekenen: het negentienjarige huwelijk. Er is één aanwijzing van een dertiende ingevoegde maand per jaar in de Schrift. Dat is in het boek Ezechiël. Dit aan de hand van de volgende redenering. Als er rekening gehouden wordt met de beide soorten kalenders – deze van de zon en van de maan - dan moet er regelmatig zo een dertiende maand ingevoegd worden. Bekijk eens eerst te teksten: Ezechiël 1:1,2: “In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde der maand, toen ik te midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van Godswege. 2 Op de vijfde der maand – het was het vijfde jaar der ballingschap van koning Jojakin.” Ezechiël 2:7: “Maar gij, spreek mijn woorden tot hen, of zij horen dan wel het nalaten, want zij zijn weerspannig.” Ezechiël 3:15: “Ik kwam bij de ballingen in Tel-Abib, die aan de rivier de Kebar woonden, en waar zij woonden, bleef ik zeven dagen onder hen, verbijsterd.” Ezechiël 4:1-8: “Gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, leg die vóór u en teken daarop een stad, Jeruzalem. 2 En breng haar in staat van belegering: bouw een schans tegen haar, werp een wal op tegen haar, sla legerkampen tegen haar op, breng aan alle kanten stormrammen tegen haar in stelling. 3 En gij, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Richt uw blikken vast op haar, zodat zij in staat van belegering komt; en beleger haar. Dit zal voor het huis Israëls een teken zijn. 4 En gij, ga op uw linkerzijde liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls; naar het getal der dagen dat gij daarop liggen zult, zult gij hun ongerechtigheid dragen. 5 En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op, naar het getal der dagen: driehonderd en negentig dagen. Zo zult gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen. 6 Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op. 7 Gij zult uw blikken vast op het


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 218 belegerde Jeruzalem richten, met ontblote arm, en ertegen profeteren. 8 En zie, Ik zal touwen om u heen slaan, zodat gij u niet van de ene op de andere zijde kunt keren, totdat gij de dagen van uw belegering ten einde hebt gebracht.” Ezechiël 8:1: “In het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde der maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, viel daar de hand van de Here HERE op mij.” In Ezechiël 1:1,2 geeft YaHWeH een visioen van iets weer, over 5de dag van de vierde maand, in het vijfde jaar van de gevangenschap van Jehoiachin. In Ezechiël 2:7 moet de profeet in de naam van YaHWeH een aanklacht tegen het volk doen. In Ezechiël 3:15 zijn we in 11de dag van de vierde maand van het vijfde jaar gevangenschap. Daarna gaat Ezechiël 4:1-8 van start, de profeet zal 430 jaar profetisch handelen om het volk op hun overtredingen te wijzen. De daaropvolgende datum is deze van Ezechiël 8:1. Ezechiël zit in het huis op de vijfde dag van de zesde maand van het zesde jaar gevangenschap. Hij zit op dat moment in zijn huis, zodat zijn profetisch handelen voorbij is. Nu is er een simpele rekening: van dag 11 van de vierde maand van het vijfde jaar tot en met dag 5 van de zesde mand van het zesde jaar is = 413 dagen. Het is 17 dagen minder dan wat men zou verwachten. Dat is volgens de maandkalender. Maar, met een extra 13de maand hebben we exact 430 dagen en is de profetie vervuld. Bedenk hierbij dat de profeet ineens, voordat de profetie aanvangt, alle broden voor deze 430 dagen ineens bakt volgens Ezechiël 4:9,10. En bovendien deze kalender vangt aan in de lente en niet in de herfst zoals men soms zegt. Want de kalender van de feesten moet kloppen. De namen van de maanden en het aantal dagen van de maand zijn de volgende: Naam van de Lengte in een onvolledig Lengte in een regelmatig Lengte in een volledig maand jaar jaar jaar Tishri

30

30

30

Heshvan

29

29

30

Kislev

29

30

30

Tevet

29

29

29

Shevat

30

30

30

Adar I

30

30

30)

Adar II

29

29

29

Nisan

30

30

30

Iyar

29

29

29

Sivan

30

30

30

Tammuz

29

29

29

Av

30

30

30

Elul

29

29

29

Total: 353 of 383 354 of 384 355 of 385 De maand Adar II is er slechts maar in een schrikkeljaar. In een gewoon jaar is Adar II gewoon de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 219 maand ”Adar.” In een regelmatig jaar wisselen de nummers 29 en 30 elkaar af; in een volledig jaar wordt er bij Heshvan één dag toegevoegd en in een onvolledig jaar wordt er van Kislev één dag afgetrokken. De vroegst mogelijke Pasen is 22 maart, de laatste 25 april. Deze tabel geeft weer hoe dat er uit ziet wat betreft de Joodse feesten: Jaar 2007

Aswoensdag - Pasen - Hemelvaart - Pinksteren 21 FEB

8 APR

17 MEI

27 MEI

2008

6 FEB

23 MAR

1 MEI

11 MEI

2009

25 FEB

12 APR

21 MEI

31 MEI

2010

17 FEB

4 APR

13 MEI

23 MEI

2011

9 MAR

24 APR

2 JUN

12 JUN

2012

22 FEB

8 APR

17 MEI

27 MEI

2013

13 FEB

31 MAR

9 MEI

19 MEI

2014

5 MAR

20 APR

29 MEI

8 JUN

2015

18 FEB

5 APR

14 MEI

24 MEI

2016

10 FEB

27 MAR

5 MEI

15 MEI

2017

1 MAR

16 APR

25 MEI

4 JUN

2018

14 FEB

1 APR

10 MEI

20 MEI

2019

6 MAR

21 APR

30 MEI

9 JUN

2020

26 FEB

12 APR

21 MEI

31 MEI

2021

17 FEB

4 APR

13 MEI

23 MEI

2022

2 MAR

17 APR

26 MEI

5 JUN

2023

22 FEB

9 APR

18 MEI

28 MEI

2024

14 FEB

31 MAR

9 MEI

19 MEI

2025

5 MAR

20 APR

29 MEI

8 JUN

De volgende tabel geeft het Hebreeuwse Nieuwjaar (1 Tishri) in de gregoriaanse kalender aan voor een aantal jaren. (Als Joods jaar en onze kalender, 5760 = ons jaar 2000.) 5759 5760 5761 5762 5763 5764 5765 5766 5767

21 sep 1998 11 sep 1999 30 sep 2000 18 sep 2001 7 sep 2002 27 sep 2003 16 sep 2004 04 okt 2005 23 sep 2006

5768 5769 5770 5771 5772 5773 5774 5775 5776

13 sep 2007 30 sep 2008 19 sep 2009 9 sep 2010 29 sep 2011 17 sep 2012 05 sep 2013 25 sep 2014 14 sep 2015

De islamitische kalender, niet voor onze streken De islamitische kalender is een zuivere maankalender. Een jaar van twaalf maanmaanden telt 354 of 355 dagen. Deze kalender trekt zich niets aan van de loop van de seizoenen. Van jaar tot


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 220 jaar beginnen die seizoenen dan ook steeds vroeger. Maar daar hebben ze geen problemen mee zoals in de Bijbel. Islamieten hebben geen speciale feesten die gekoppeld zijn aan de oogst van één of ander. In een periode van 33 jaren is men het ganse jaar rond en kan men van vooraf aan opnieuw beginnen. Het gevolg daarvan is dat de vastenmaand Ramadan dus ook in de langste dagen van het jaar kan komen te liggen. Voor de hier verblijvende islamieten is dat onplezierig. Want tijdens de vastenmaand is er een verbod te eten en te drinken tussen zonsopkomst en zonsondergang. Hoe noordelijker gelegen, hoe langer tijd de middernachtszon schijnt. Daar kan men geen ramadan vieren volgens de regels. In Oosterse landen is dat natuurlijk geen echt probleem. In een islamitisch kalenderjaar zijn er twaalf maanden van afwisselend 29 of 30 dagen: Muharram (30), Safar (29), Rabi I (30), Rabi II (29), Jumada I (30), Jumada II (29), Rajab (30), Shaban (29), Ramadan (30), Shawwal (29), Dhu am-Qada (30), Dhu am-Hijja (29 of 30). Romeinen, vaders van onze kalendermaanden Onze kalender is, grotendeels afgeleid van de Romeinse. Het originele Romeinse kalenderjaar begon vroeger op 20 maart en telde 304 dagen, verdeeld over 10 maanden. Later werden daar nog twee maanden (Januarius (29) en Februarius (28)) aan toegevoegd en is het begin van het kalenderjaar verschoven naar januari. De Romeinen begonnen hun jaar in de lente. Een jaar was verdeeld in twaalf maanden en u zult merken dat de namen ervan ons bekend in de oren klinken. We hebben; Martius (31 dagen), Aprilis (29), Maius (31), Junius (29), Quintilis (31), Sextilis (29), September (29), October (31), November (29), December (29), Januarius (29) en Februarius (28). Om het andere jaar werd een extramaand van 22 of 23 dagen ingelast. Februarius moest vijf dagen afstaan aan de “mensis intercalaris” en zo een extramaand telde dan 27 of 28 dagen. In het Romeinse rijk van toen het instellen van extra maanden toevertrouwd aan de pontifex, maar die man was vaak niet ongevoelig voor steekpenningen. ”Kalendae”, de eerste dag van de maand (ons woord kalender komt ervan), was bijvoorbeeld de dag waarop rente moest worden betaald. De woekeraars hadden dus liefst een extra korte maand. Profetisch jaar, Bijbels waar of niet? Wat moeten we geloven van het verhaal dat er in de Schrift ook sprake is van profetische jaren van 360 dagen? Als het waar is in één tekst moet het dan ook in andere teksten van toepassing zijn? Twee vragen waar we in het volgende, na nog enkele andere aantekeningen, wat moeten over zeggen. Maar we geven nog eens de tabel van het hoofdstuk acht en wat we schreven in verband met de zeventig jaarweken. De redenering dat er in de vloed een kalender van 360 dagen gebruikt is = één jaar, klopt niet. Men verwijst naar Genesis 7:24 en 8:3,4 waar 150 dagen = 5 maanden. Daarom deze tabel voor een tweede maal. DATUM vanaf de ouderdom van GEBEURTENIS BRONTEKST Noah God gebied Noah een ark te bouwen, om later Jaar 480. Genesis 6:14-21. dieren in te verzamelen.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 221 Jaar 600: 10de Noah moet de ark vullen met dieren. De vloed van de 2de maand. Genesis 7:4. zal beginnen in 7 dagen. Jaar 600: 17de van Waterdiepten gaan open. De regens beginnen te de 2de maand. stromen. Ze vallen voor veertig dagen en veertig nachten. Jaar 600: 27st van de De regen stopt. 3de maand. Jaar 600: 17de van De aarde staat onder water voor 150 dagen. De de 7demaand. ark komt tot rust op de bergen van Ararat en de wateren beginnen te zakken. Jaar 600: 1st van de De wateren trekken terug tot deze datum. 10de maand. Toppen der bergen worden zichtbaar. Jaar 600: 11de van Noach zend een raaf uit en blijft nog 40 dagen de 11de maand. in de ark. Jaar 600: 18de van Noach zend een duif uit die terugkeert. de 11de maand. Jaar 600: 25st van Noach zend opnieuw de duif uit die terugkeert de 11de maand. met een tak in de bek. Jaar 600: 2st van Noach zend een derde maal de duif uit die niet 12de maand. terugkeert. Jaar 601: 1st van de De aarde is bijna gedroogd. Noah opent de ark. 1st maand. Jaar 601: 27st van de De aarde is droog en men verlaat de ark. 2de maand.

Genesis 7:4 en10,11. Genesis 7:12. Genesis 7:24 en 8:3,4. Genesis 8:5. Genesis 8:6,7. Genesis 8:8,9. Genesis 8:10,11. Genesis 8:12. Genesis 8:13. Genesis 8:14-19.

Het zogenaamde één dag = één jaar schema dat in bepaalde kringen in verband met voorspellingen gebruikt wordt, moeten we omwille van de belangrijkheid nader onderzoeken. Willen we dat aantonen met de Schrift in de hand, dan zijn dit de Bijbelteksten die het moeten bewijzen. Grotendeels is die zaak gebaseerd op twéé schriftuurplaatsen: Numeri 14:34 en Ezechiël 4:4-6. Dit is de eerste tekst, Num.14:34 SV77: “Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreken.” En dit zijn de varianten erop. Ps.95:10 SV77 heeft daar een reactie op: “Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.” En ook Heb.3:17 SV77: “Over wie nu is Hij vertoornd geweest, veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, wier lichamen gevallen zijn in de woestijn?” Wat leert Num.14:34 in wezenlijkheid? Die schriftuurplaats staat in verband met de veertig dagen dat de verspieders van Israël in Kanaän waren. Bij hun terugkeer komt het volk in opstand tegen God: ze zeggen, in Egypte was het beter. Daarop geeft God ze een straf en zegt dat ze voor elke dag die de verspieders weg waren, ze een jaar in de wildernis zullen vertoeven. Het


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 222 profetische deel van deze profetie is dus het laatste. Meestal kijkt men daarover! Zodoende zou volgens die regel van het dag = jaar beginsel die veertig jaren in dagen moeten gerekend worden en dan als jaren vermenigvuldigd. Dan zou de straf 14.400 jaren zijn. Dat is niet geschiedkundig, want de Joden waren wel degelijk 40 jaren in de woestijn. Numeri spreekt van een voldongen feit. Dat geeft ons niet de minste reden om dit als een Bijbelbeginsel te bezien van waaruit alle andere Bijbelse tijdsprofetieën moeten verklaard worden. Allen die dit gebruiken om van een profetisch jaar te spreken komen bedrogen uit: HIER WORDEN GEEN MAANDEN VAN 30 DAGEN BESPROKEN. Dit is de tweede tekst, Ezech.4:4-6 SV77: “Daarna moet je op je linkerzij gaan liggen en die de schuld van het volk van Israël laten dragen – alle dagen dat je op je zij ligt, zul je hun schuld dragen. Driehonderdnegentig dagen lang geef ik je die last te dragen, één dag voor elk jaar dat het volk van Israël schuldig is geweest. Wanneer je die dagen hebt volgemaakt, ga je vervolgens op je rechterzij liggen om de schuld van het volk van Juda te dragen, veertig dagen lang: één dag voor elk jaar geef ik je die last te dragen.” Dit is het verhaal van een profetische handeling Wat is dat? Hier staan enkele symbolische handelingen: Hosea 1:3 / Jes.20:1-6 / Jer.27:2 / 32:6-36. Ahijah moet een kleed in twaalf stukken scheuren wat de afbeelding is dat het rijk Israël in 12 stukken zal verscheurd worden (1 Kon.11:29,30). Jeremia moet met een kleed dingen doen die betekenen dat Israël een vuile natie is, in bezoedelde toestand tegenover God (Jer.13:1-11). Zijn bezoek aan de pottenbakker moet de voorstelling zijn dat God met Zijn werk doet wat Hij wil. Want Hij is soeverein in wat Hij doet en ziet niet naar de mens (Jer.18:110). Jeremiah moet een kruik breken om te tonen wat God met Israël zal doen (Jer.19:1-14). Ezechiël slaapt 390 dagen op zijn ene zijde en 40 dagen op de andere als beeld van de straf die God over het volk zal brengen (Ezech.4:1-11). Ezechiël moest meerdere dingen doen (profetische handelingen noemt men dat):  Loopt rond met ontblote arm (Ezech.3:7). Als iemand die op oorlogspad is.  390 dagen lang op zijn linkerzij liggen voor de schuld van Israël op zich moest nemen, daarna 40 dagen op zijn rechterzij, om de schuld van Juda te dragen, waarbij hij per dag een maaltijd van 20 shekels brood, ongeveer 200 gram mocht eten, gekookt op een vuur van uitwerpselen. Drinken mocht hij 1/6 hin, dat is ongeveer 1 liter (zie Ezech.4)  Hij moest zijn hoofd en baard kaalscheren (zie Ezech.5:1) vanwege de verontreiniging van het Heiligdom (zie Ezech.5:11)  Teken voor het opstandige volk in Ezech.12  Hij mocht geen verdriet tonen over de dood van zijn vrouw (zie Ezech.24:16) Wat wil Ezech.4:4-6 dan wel zeggen? Laat ons ook dat nader bezien. Dan zal men als eerste punt moeten aannemen dat hier geen sprake is van een profetie maar van een symbolische handeling van Ezechiël. Als profetische handeling moest de profeet veertig dagen op één zijde liggen en 390 dagen op een andere zijde. Die dagen waren symbolisch de voorstelling van een straf die Israël al had uitgemaakt en een andere die over Juda nog komt. Het is dus gedeeltelijk een handeling die plaatsvond nadat de straf al grotendeels ten einde was. Wanneer we het gaan narekenen spreekt dit NIET van profetische jaren van als beginsel van 360 jaardagen. Maar het gaat om werkelijke jaren van 365 dagen. Indien dat zou toegepast worden op alle straffen die Israël gehad heeft door God dan zou de 70jarige dienstbaarheid aan Babylon als 70 x 360 = 25.200 jaren


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 223 moeten gerekend worden wat absurd is. Over voorspellingen die géén straf bespreken vinden we in de Schrift nog minder gezegd: namelijk niets. Op zulke wankele basis is die leer dan gebaseerd. Dit is één van de uitleggingen die gegeven worden bij die teksten. “De pijn en het lijden die de profeet doorstond tijdens de 390 (351 jaar van de koningen plus 39 jaar van Eli’s periode) dagen van vast gekluisterd zijn zouden verzoening brengen voor de zonden van het volk is van de wortel vergeven Zie Ex. 34: 7 Voor het 2 stammen rijk 40 dagen voor 40 jaar zondigen (Manasse (22 jr), Ammon, Yehoyakim en Zidkiyahu).” Dr. A. Dirkzwager schrijft in zijn, ‘De profetie over de jaarweken in Dan 9 - deel 2’ (Was het God Zelf?) dit over “Daniël 12: 11-12: “Van de tijd, halverwege het laatste zevental, waarop het offeren gestaakt wordt, is het 1290 dagen tot het moment waarop Israël afvalt van de antichrist en de vrijheid herwint. Niettemin moet men tot 1335 dagen wachten eer alles opgelost is door de terugkomst van Christus. Overigens moeten we, als we 1290 en 1335 dagen willen vergelijken met 3½ jaar bedenken, dat in de eindtijd de tijden wat anders kunnen lopen dan in onze tijd.” (wij onderstrepen, artikel uit de Studiebijbel.) Dat wil voor mij zeggen, dat men er alles aan doet om een jaar van 360 dagen te creëren en dit dan als regel aan zijn laars lapt om de laatste drie en een half jaar uit te leggen. Dergelijke zaken maken op mij weinig indruk. Philip B. Brown schreef nog een andere uitleg neer over de dagen van Daniël 12 in ‘Problems with the Pre-Tribulation Rapture’ (op www.newwine.org ) Er staat onder andere dit: “9 – The rapture is not directly mentioned in Daniel 12. However, those who are alive at the rapture are those who will have waited for and reached the end of the 1,335 days. “Blessed is the one who waits for and reaches the end of the 1,335 days” (Daniel 12:12). Therefore, the resurrection precedes the rapture (1st Thessalonians 4:16).” En wat vereder; “Earlier, from our study of Daniel 12, we learned that the resurrection occurs 1290 days after the abomination. Then the rapture is 45 days after that. The resurrection is the “last day” before the millennium. So 1290 days after the abomination is the “last day” before the millennium.” Margaret Odell schreef een zeer degelijk commentaar op het boek Ezechiël (The Smyth & Helwys Bible commentary, 2005). Ze heeft enekel zeer goede aantekeningen bij de symboliek. We citeren uit dat commentaar bij Ezechiël 4 (onze hoofdletters). Tekenen en Geloof In Ezech.4:4, voert Ezechiël een handeling uit die een “teken” wordt genoemd voor het huis van Israël. In twee andere verhalen, zijn acties van hem als de aanwijzing dat de profeet zelf als een teken is (Ezechiël 12:1-16 / 24:15-24). Terwijl twee verschillende woorden worden gebruikt, <oˆt in 4:3 en moˆp·t in de hoofdstukken 12 en 24, zijn de woorden synoniem en vaak weergegeven als een “paar”, zoals in de “tekenen en wonderen” die Mozes heeft uitgevoerd in Egypte. In feite zijn de termen het meest intensief gebruikt in de verhalen van de Exodus (Ex.7:3 / 8:19 / 10:1,2 / Num.14:11,17,20 / Deut.4:34 / 6:22 / 7:19 / 11:2,3 / 26:8 / 29:2 / 34:11 / Jozua 24:17 / Ps.78:43). Recente trends in de interpretatie van symbolische handelingen als communicatieve en retorische gebeurtenissen hebben de neiging om het kenniselement van de tekenen te


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 224 benadrukken: ze zijn bedoeld als aanzet tot een nieuw begrip van een bepaalde gebeurtenis. Hoewel dergelijke interpretaties impliceren dat de tekenen transparant en begrijpelijk zijn, is dat helemaal niet het geval in de literatuur van het Oude Testament. In de meeste gevallen, verkrijgt een teken zijn betekenis door middel van een willekeurige aanwijzing van het teken, meestal door Yahweh. De lichten in het hemel dienen als tekenen (Gen.1:14), de regenboog is een teken (Gen.9:12,13); besnijdenis is een teken (Gen.17:11); sabbatten zijn tekenen (Ex.31:13 / Ezech.20:12). Evenzo, als profeten tekenen geven, kunnen ze natuurlijke of historische gebeurtenissen aangeven en die tekenen zullen dienen als een profetisch bevestigen (2 Kon.19:21 (Jes.37:30) / 2 Kon 20:8,9 (Jes.38:7) / Jes.7:11,14 / 38:22 / 44:25 / 66:19). Dergelijke tekenen kunnen ook bovennatuurlijke of wonderbaarlijke gebeurtenissen zijn, zoals de tekenen door Yahweh aan Mozes gegeven om te bevestigen dat hij is gestuurd door Yahweh (Ex 3:12 / 4:1-9,17,28,30). In veel gevallen is het teken alleen in de toekomst bevestigd. Als een teken verschijnt of wordt uitgevoerd, is de nodige respons geen daad van onderkennen, maar een daad van geloof. Dat is, om een teken te begrijpen, moet men geloven dat het de betekenis heeft die eraan wordt toegeschreven. Inderdaad, de koppeling van “mijn tekenen”en “mijn heerlijkheid” in Num.14:17, 20, wijzen erop dat het om tekenen gaat als afkomstig van Yahweh. Maar nogmaals, tekenen vereist geloof in om te kunnen worden waargenomen. Het eerste teken van Yahweh aan Mozes is weinig meer dan een belofte: “Toen zeide Hij: Ik ben immers met u! En dit zal u het teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg.” (Ex.3:12). En toen Mozes de tekenen uitvoerde voor de kinderen van Israël, was de juiste reactie deze van geloof in de God die hem gestuurd had (Exodus 4:1,5,8,9,31). De tekenen leiden niet altijd tot een dergelijke overtuiging. In Num.14:11, bijvoorbeeld, klaagt de HEERE dat de mensen weigeren te geloven, zelfs al hebben ze de tekenen gezien. Sinds tekenen de activiteit van Yahweh vermelden en het geloof ervoor vereisen moeten ze als zodanig worden opgevat, ze zijn niet zo maar doorzichtig. Wat maakt de geboorte van een kind (Jes.7:14) over zo een realistisch lange periode of het herstel van de invasie (2 Kon.19:29) tot een openbaarmaking van de realiteit van het werk van Yahweh en de overtuiging dat het zo is. Fasen van deze symbolische daad. Als de huizen van Israël en Juda dezelfde entiteit vertegenwoordigen, zijn de twee fasen van deze symbolische daad, van het liggen aan de linkerkant voor 390 dagen en aan de rechterkant voor 40, geen sancties opgelegd op twee verschillende koninkrijken, maar is dit in één beweging de geschiedenis van Israël, vanaf het begin van zijn overtreding tot aan het einde, van de ballingschap. Het eerste deel van de handeling, dat 390 dagen duurt, is de lange geschiedenis van de schuld van Israël. Het cijfer van 390 dagen voor 390 jaar zou erop wijzen dat de schuld van Israël begon in 982, ongeveer aan het begin van de monarchie. Dit is consequent met de karakterisering door Ezechiël van de geschiedenis van Israël als EEN LANGE REEKS VAN OPSTANDEN (zie Ezechiël hoofdstukken 16,20,23). Het tweede deel van de handeling, dat duurt 40 dagen, betekent Juda's straf voor deze lange opeenhoping van schuld. Het cijfer van 40 dagen/40 jaar kunnen Ezechiël’s gedachten reflecteren dat de ballingschap een tweede wildernis-


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 225 ervaring is, die zal duren voor een hele generatie (20:33-39 / vergelijk Num.14). Wat betekent het om te zeggen dat Ezechiël de schuld / straf “draagt”? Verschillende interpretaties zijn mogelijk. Als een individu wordt gedwongen om haar eigen schuldgevoel te dragen, dan lijdt zij alleen aan de gevolgen, of draagt de straf. Echter, aangezien schuld kan worden gedragen door anderen, kan de uitdrukking van dit “dragen” de zin van vergeving of plaatsvervangende lijden hebben. BIJVOORBEELD, EEN OUDE FORMULE VOOR YAHWEH'S VRIENDELIJKHEID VERKLAART DAT YAHWEH DE SCHULD VAN DE MENSEN DRAAGT: de NRSV vertaalt deze uitdrukking als “vergeven” (Ex.34:7 / zie Num.14:18). Vanuit het perspectief van het individu, is de schuld inderdaad vergeven. Echter, goddelijke verdraagzaamheid wil niet zeggen: goddelijk vergeten. Het hart van deze uitdrukking is de overtuiging dat Yahweh verkiest, de last van het individu op te nemen. Een soortgelijke logica ligt aan de grondslag aan de rituelen van schuldoverdracht. In de rituelen van verzoening, kan bijvoorbeeld een individu of de gemeenschap zonde overgeven aan een offer, dat de priesters vervolgens eten. Omdat de priesters in een staat van zuiverheid zijn, zal hun gebruik van het offer het effect van de zonde te niet doen (Lev.10:17). In een andere ritus, is de gemeenschappelijke zonde overgebracht naar een zondebok, die vervolgens in de woestijn wordt gestuurd (Lev.16:22). Door haar schuld zo uit te bannen, is de gemeenschap gespaard van de straf. Maar terug naar Ezechiël. Er staat dus in Ezechiël 4: “voor elke dag één jaar” en “voor elk jaar leg Ik u een dag op.” Maar we moeten ons niet vergalopperen aan gewaagde verklaringen waar er profetisch gesproken wordt. Nog enkele opmerkingen. Wil dit zeggen dat in alle voorspellingen die God geeft er een dag als een jaar moet gerekend worden? Want het zou dan natuurlijk in meerdere gevallen moeten terug te vinden zijn en niet in een aantal profetische uitspraken waar we het graag zouden in vinden. Laat ons die basis toepassen van één dag = één jaar en zien hoe absurd dat is. Het eerste voorbeeld is Joh.2:19 en daar lezen we: “Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Sprak Christus hier een profetie uit? Jazeker! Maar als de één dag = één jaar teorie juist is, zou men dan niet moeten lezen dat Christus na drie jaren uit de doden is opgestaan. Waren het maanjaren (= 354 dagen) of zonnejaren (= 365 dagen) of de hypothetische profetische jaren (= 360 dagen)? Indien Christus drie jaar in het graf was is Hij dan geen valse Messias (Mat.12:3840)? Een ander onrealistisch voorbeeld zou Genesis 15:12-16 kunnen zijn. Daar voorzei God dat de nakomelingen van de aartsvader Abraham 400 jaren in een vreemd land verdrukt zouden worden. Volgens het jaarbeginsel van deze leer (één dag = één jaar), gezien het hier om een profetie gaat, zouden het echter 144.000 jaren worden, want dat is de som van 400 x 360. Als laatste voorbeeld de zeventig-jarige dienstbaarheid van Jeruzalem aan Babylon (Jer.25:9-11). Gerekend volgens die leer dat één dag = één jaar zou het 25.200 jaren zijn. U ziet hoe onwaarschijnlijk zulk een leer is! Hoe men die jaren moet berekenen weet ik momenteel zelf niet zo goed. Maar het heeft in elk geval te maken met afvalligheid. Dit argument is dan als volgt in te schatten. Ahia de profeet moest van God aan Jerobeam het volgende bekend maken volgens 1 Kon.11 SV77: “En hij zeide tot Jeróbeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Zie, Ik zal


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 226 het koninkrijk van de hand van Sálomo scheuren, en u tien stammen geven.” Na de verdeling van het koninkrijk Israël in Juda (de 2 stammen) en Israël (de 10 stammen) gaat het van kwaad tot erger. Salomo (die 40 jaren regeerde) heeft ook Juda toegelaten de goden van de heidenen te vereren.  1 Kon.11:33 SV77: “omdat hij Mij heeft verlaten, en zich neergebogen heeft voor Astarte, de godin der Sidoniërs, voor Kemos, de god van Moab, en voor Milkom, de god der Ammonieten, en niet in mijn wegen gewandeld heeft en niet gedaan heeft wat recht is in mijn ogen: mijn inzettingen en mijn verordeningen, zoals zijn vader David.”  2 Kon.23:13 SV77: “De hoogten ten oosten van Jeruzalem, ten zuiden van de berg der Verwoesting, welke Salomo, de koning van Israël, gebouwd had voor Astoret, de gruwel der Sidoniërs, voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Milkom, de afschuw der Ammonieten, ook die verontreinigde de koning.” Men heeft ook getracht het bewijs van “dag = jaar beginsel” te vinden in Dan.9:24-27. In die schriftuur is een speciaal woord gebruikt “shabua.” Volgens Gesenius, een Hebreeuws lexicograaf, wil dit woord zeggen “een zeventallig nummer”, een “heptade” of een “hebdomades.” “Shabua” kan dus betrekking hebben op zowel een periode van zeven dagen, of zeven jaren of zeven tijdperken. Soms nu, zoals in Dan.10:2,3 is er duidelijk sprake over een “shabua” van dagen, maar het merendeel van die verwijzingen heeft betrekking op jaren. Zo is het ook in Dan.9:24-27 waar de “70 shabua” in feite 70 x 7 = 490 jaren zijn. Zie ook nog naar Gen.29:10 en Ezech.45:21. Men ziet dus dat het dag = jaar beginsel geen steun heeft bij het gebruik van “shabua.” Het zegt alleen dat iets waarover sprake is “zevendelig” is. Indien dat beginsel zou aangenomen worden in bespreking van andere Bijbelprofetieën dan zou 1 dag = 7 jaren zijn. 

Jesaja 7:8 SV77: “Maar Damaskus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en binnen nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk is.” Is dat profetisch? Ja! Maar niet te berekenen als: 65 x 360 = 23.400 letterlijke jaren.

Jesaja 16:14 SV77: “Maar nu spreekt de HEERE, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren van een huurling), dan zal de eer van Moab verachtelijk gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.” Is dat profetisch? Ja! Maar niet te berekenen als: 3 x 360 = 1.080 letterlijke jaren.

Jesaja 23:17 SV77: “Want het zal geschieden ten einde van zeventig jaren, dat de HEERE Tyrus zal bezoeken, en dat zij weerkeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koninkrijken der aarde, die op de aardbodem zijn.” Is dat profetisch? Ja! Maar niet te berekenen als: 70 x 360 = 25.200 letterlijke jaren.

Jeremia 29:1 SV770: “Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u terugbrengende tot deze plaats.” Is dat profetisch? Ja! Maar niet te berekenen als: 70 x 360 = 25.200 letterlijke jaren. Je hoort Gods straf: zeventig jaar. Reken dat eens aan de leer van 360 dagen = 1 jaar en een gewoon astronomisch jaar van 365 dagen. (We laten de schrikkeljaren gewoon vallen voor het gemak van berekenen.)


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 227 We krijgen dan 365,24 (een zonnejaar) X 70 = 25.566,8 dagen Of aan het mysterieuze profetisch jaar gerekend 360,00 X 70 = 25.200 dagen Zodat we als slotsom krijgen 25.566,8 dagen - 25.200 dagen = 366,8 dagen. Zo is dan een vol astronomisch jaar foetsie. Men heeft dan eigenlijk ongeveer 69 jaar voor Gods profetie. Dat kan niet, want dan moeten we ook onze geschiedenisboelken herschrijven. Die hebben het namelijk over 70 astronomische jaren die Israël als straf onderging. Of men moet het symbolisch zien als een heilig getal 7 x een heilig getal 10 = 70, het symbool van de volle straf van God. 

Mattheus 20:18,19 SV77: “Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; En zij zullen Hem aan de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weer opstaan.” Is dat profetisch? Ja! Maar niet te berekenen als: 3 x 360 = 1.080 letterlijke jaren.

De leer van de “één dag = één jaar” in Bijbelse profetie heeft dus samengevat de volgende zwakheden. De wankele basis van die uitleg is deze: 1. Vanuit het beginsel dat men wil aanhouden van “één dag = één jaar” vergeet men het belangrijkste, dat is namelijk de betekenis van de begrippen. Zowel in Ezechiël 4 als in Numeri is; één dag = één dag en één jaar = één jaar. Een dag is niet het symbool van een jaar en ook niet omgekeerd. Zo moeten we het beginsel dat men vooropzet ook niet zoeken in het gedeelte van Daniël 9. Het gaat hier over “weken” en dat met een speciaal woord “shabua.” Dat wijst naar een periode van “zevens.” Dan moet men trachten uit te zoeken; dagen of weken of maanden of jaren! Zijn het jaren, dan mag men niet grijpen naar een “shabua” van jaren = 360 dagen. Maar in Daniël 9 zijn de “zevens” een symbool van volledigheid. Zie de uitleg hierover in hoofdstuk acht. 2. Het beginsel van één dag = één jaar is in zichzelf niet consequent. Want de profetie moet letterlijk gelezen worden terwijl men er alles aan doet van één jaar een periode van 360 dagen te maken. Een “shabua” is geen geheime code voor iets dat 360 dagen moet inhouden. Dat kent de Bijbel niet als maatstaf van een jaarberekening. 3. Het startpunt van de zeventig jaarweken is: “van het uitvaardigen van het decreet om Jeruzalem te bouwen” (Dan 9:25). Maar die datum is voor allen die geloven in een 360 dagen = één jaar beginsel niet houdbaar. De data 457 of 445 (444) v. Chr. zijn uitgesloten. Slechts 536 (535) v. Chr. geeft de Bijbel en de geschiedenis alle eer en maakt geen rare sprongen met de kalender. Er is geen enkele goede reden te twijfelen aan die start. Het is de belangrijkste datum, in alles wat men er mag over denken. 4. De profetie van Daniël geeft geen enkele aanwijzing dat er een breuk is te verwachten tussen de 69st en 70st week van jaren. Alles wijst erop dat die voorspelling van de engel, verwijst naar DE EERSTE KOMST EN NIET NAAR DE WEDERKOMST VOOR EEN TWEEDE MAAL. Dat is een veilige menselijke uitleg van die profetie, je hoeft er geen goddelijke uitstel ergens in te voeren. 5. In de zeventigste week plaats Jezus een periode van “gruwel der verwoesting” met de vernietiging van Jeruzalem. Maar dat was in het jaar zeventig n. Chr. (Mat.24:15 / Lucas


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 228 21:20). Dispensationalisten zeggen dat het over een tempel gaat van latere datum, nog altijd een toekomstig bouwwerk. Dat klopt dan niet meer met de profetie want Mat.24:15 spreekt van de toen bestaande tempel, deze die men heeft gebouwd in de periode van de 70 jaarweken. Over een nieuwe tempel nà de verneitiging in 70 na Chr. is geen sprake. 6. De gedachte dat God profetisch zijn heilsverwachting met de Joden stopt voor een periode van 2.000 jaar (of meer) wordt ons niet opgedrongen door een “onweerlegbaar bewijs.” Maar wel door een zekere gedachte dat God zijn beloften aan Israël niet zou nagekomen zijn tijdens de eerste komst van Christus. Daar staat ook nog achter dat men in die kringen zegt dat het koninkrijk niet is ingesteld met de eerste komst. Maar dat de kerk en het koninkrijk in het NT hetzelfde zijn dat is duidelijk in bijvoorbeeld Col.1:13-20 en Eph.1:1823 7. Er is geen enkele reden van deze veronderstelling uit te gaan; dat wanneer de Joden de eerste maal falen in het aannemen van Jezus als de Messias, dat ze na tweeduizend jaar er wel toe bereid zijn Jezus als dusdanig aan te nemen. Maar zeggen dispensationalisten; er sterven in de grote verdrukking van die toekomstige dagen, toch ook nog meer dan tweederden van alle Joden. In Daniël zelf is daar geen reden voor te vinden. Ook niet in de rest van de Schrift of in het boek Openbaring. 8. Bij een volgeling van Charles Taze Russell, lezen we het volgende om de profetische kalender te verklaren: 12 maanmaanden (plusminus 354,367 dagen) + één zonnejaar (365,24) gedeeld door twee is 359,804 dagen, bijna 360 dagen. Ook dat is een uitleg die geen Bijbelse uitleg is maar een spel met cijfers die toevallig in de buurt komt van de 360. 9. Is het niet zo dat ook Jezus dat getal van 7 x 70 (490 in totaal) eens in symbolische zin gebruikt? Dit is de tekst uit Mattheus 18: “21 Toen kwam Petrus bij Hem en zeide: Here, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? 22 Tot zevenmaal toe? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.” Dit laat geen letterlijke uitleg toe, veronderstel eens dat je letterlijk 490 maal vergeeft, moet het dan nog niet een volgende keer? 10. Sommigen leren dat een Egyptisch kalenderjaar bestond uit 12 maanden van 30 dagen. Anderen zeggen echter dat de kalender met 365 dagen in gebruik was vanaf 4.000 v. Chr. Nog anderen zeggen dat de invoering van een eerste Egyptische kalender in 4.236 v. Chr. plaats had. Op zijn minst vanaf 1.500 v. Chr. werd één kalender gebruikt van 365 dagen. Dat jaar had 12 maanden van 30 dagen: Toth, Paophi, Athyr, Choiakh, Tybi, Mecheir, Phamenoth, Pharmuti, Pachon, Payni, Epiphi, Mesore. Om het jaar vol te maken werden nog vijf extra dagen aangevuld. Die dagen werden beschouwd als de geboortedagen van; Osiris, Isis, Seth, Nephthys, Horus. De maanden hoefden in Egyptische ‘feeling’ niet gelijk te lopen met de maanfasen. Het jaar verdeelde men in nog drie ‘seizoenen’ gegroepeerd als vier maanden. Vanaf de maand Toth zijn het; het zaaiseizoen of overstromingsseizoen (Akhet), het groeiseizoen (Pert) en het oogstseizoen (Shemu). De Epyptenaren waren goede astronomen.Toen wist men al dat de periode tussen twee opeenvolgende heliacale opkomsten van de ster Sirius ongeveer 365,25 dagen telde. En men wist dus ook dat het kalenderjaar, een kwart dag te kort was voor het correct volgen van die jaarlijkse overstromingen. (Helicale = siderische dag (eng. sidereal day) = Is het tijdverschil tussen twee opeenvolgende meridiaanpassages van een bepaalde ster. Dit is de werkelijke rotatieperiode van de aarde en bedraagt momenteel 23h56m04,1s. Wordt ook wel sterrendag genoemd.)


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 229

De Schrift geeft meerdere malen aan dat de begrippen “jaar” en “dag” (zowel in het enkelvoud als het meervoud) verwisselbaar zijn. Dit zijn enkele van die teksten: In Genesis 5:3-5 SV77: “En Adam leefde honderd dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth. En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochters. Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.” Deuteronomium 32:7 SV77: “Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.” Psalm 77:6 SV77: “Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.” Psalm 90:9,10 SV77: “Want al onze dagen gaan heen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte. Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snel afgesneden, en wij vliegen daarheen.” Job 10:5 SV77: “Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen van een man?” Job 15:20 SV77: “Te allen dage doet de goddeloze zichzelf weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor de tiran weggelegd.” Job 36:11 SV77: “Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.” Maar al deze teksten hebben niets met profetie te maken zodat we ze ook niet kunnen of mogen gebruiken in een berekening van profetie. En dan nu de teksten! Omdat er nogal slordig omgesprongen wordt met tijdsprofetie onder de dispensationalisten moeten we ook eerst naar Daniël 12:1,2,7,11-13 kijken om iets te illustreren. Er staat dit: “1 Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. 2 Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. (…) 7 Toen hoorde ik de man die met linnen klederen bekleed was en zich boven het water van de rivier bevond, zweren bij Hem die eeuwig leeft, terwijl hij zijn rechter- en zijn linkerhand naar de hemel hief: Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn. (…) 11 En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend tweehonderd en negentig dagen; 12 welzalig hij die blijft verwachten en duizend driehonderd vijf-endertig dagen bereikt. 13 Maar gij, ga het einde tegen, en gij zult rusten en opstaan tot uw bestemming aan het einde der dagen.” Wat leert de dispensatieleer hier? Het is al duidelijk dat er iets niet klopt met de uitleg van dit gedeelte met het slot van Daniël 9:27. Want zegt men niet: het gaat daar om jaren van 360 dagen zogenaamde profetische jaren. Maar hier in hoofdstuk 12 komen we eens 1260 dagen tegen, 1290 en 1335. Bekijk eens de volgende tabel.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 230

1260 dagen (vers 7) = een tijd, tijden en een halve tijd

1290 dagen (vers 11)

1335 dagen (vers 12)

Ik lees bij een dispensationalist: “Profetische jaren zijn jaren van 360 dagen. Men moet ze voor berekeningen omrekenen naar dagen. De 70 jaarweken, of 490 profetische jaren, zijn dan eigenlijk 176.400 dagen, opgesplitst in 173.880 dagen (69 jaarweken, tot aan de kruisdood) + 2.520 dagen (70ste jaarweek). Goede reden hiervoor is dat er PRECIES 1260 dagen geteld worden (Op 11:3) voor 42 maanden (Op 11:2; 13:5) en voor “een tijd, tijden en een halve tijd” (Dn 7:25; 9:27; 12:7; Op 12:14).” Wij hebben de naduk ergens gelegd door de hoofdletters en onderstreping. Waarom? Omdat er duidelijk uit volgt dat men dan niet meer kan vertellen dat er nà de 1260 nog dagen zijn tot 1290 en dan ook nog eens tot 1335. Want dan is dat tweede deel van de 70ste jaarweek niet PRECIES gelijk aan wat Marc Verhoeven zegt in ‘De 70 jaarweken in het boek Daniël.’ Want daar komt het vandaan: users.skynet.be/fa390968/_70jaarwekenDaniel.doc Dit is de uitleg daarover in ‘Profetisch Perspectief Handboek bij de studie van de Bijbelse profetie’ C. van der Haagen (Het Zoeklicht, kopje ‘TIJDEN IN DANIEL EN OPENBARING’) : “4. 1290 dagen (Dan. 12:11). Telkens weer wordt op verschillende wijzen in Daniël en Openbaring de periode van 31/2 jaar aangegeven. Dat is een tijdruimte van 1260 dagen. Nu wordt ineens gesproken van 1290 dagen, dat is een maand langer. Ook dit vers stelt de verklaarders voor moeilijke problemen. Een van de geopperde mogelijkheden is, dat de bijgevoegde dertig dagen te danken zijn aan de maand Ve-Adar, een ingeschoven schrikkelmaand, die eens in de zeven jaar werd ingevoegd. Het jaar was namelijk ingesteld op 360 dagen, in plaats van 365. Het verschil met de zonnetijd werd gecompenseerd, door op gezette tijden de schrikkelmaand Ve-Adar in te lassen. Wanneer we aannemen, dat op de 1260e dag de wederkomst des Heren  op de Olijfberg plaats heeft, dan zou in de 30 daaropvolgende dagen mogelijk Openb. 16:14 vervuld kunnen worden, waarin de draak  tezamen met de antichrist  en de valse profeet , de volken mobiliseren “tot de oorlog op de grote dag van de almachtige God”. 5. 1335 dagen (Dan. 12:12). Nog eens wordt de termijn van 1290 dagen verlengd. Nu met 45 dagen, waarmee het totaal wordt gebracht op 1260 + 30 + 45 = 1335 dagen. In deze laatste 45 dagen wordt mogelijk de strijd van Armageddon  gevoerd, waarin Christus het land doortrekt van Bozra  tot Megiddo , om in grote overwinningskracht de persbak te treden van de wijn des toorns en der gramschap van de almachtige God (Jes. 63:1-6; Openb. 19:15). Daarom worden de overlevenden, die de 1335 dagen bereiken, welgelukzalig geprezen, want daarmee is voor hen aan alle rampspoed een einde gekomen en mogen zij zich met Israël en de volken verlustigen in de vrede en vreugde van het dan aanvangende Duizendjarig Rijk.”


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 231 Op http://www.hoddenbagh.nl/bijbelopen/Onderwrp.html staat een artikel getiteld ‘Opmerkingen over Daniël 11 en de gruwel der verwoesting.’ Dit hebben we daar gelezen: “Uit een ander bijbelgedeelte weten we, dat de gruwel der verwoesting, ofwel de antichrist, zijn werk 1260 dagen zal doen. Toch wordt in Dan.12:11 gesproken over 1290 dagen. Ik denk, dat hieruit valt af te leiden, dat die antichrist 30 dagen in de tempel zal zitten, waarbij men zal geloven dat hij een god is, de Messias, voordat hij de vervolgingen tegen de heiligen, die het getuigenis van Jezus hebben, zal beginnen.” Dit staat op http://www.netrover.com waar de cijfers van Daniël 12 gerekend zijn met een extra Joodse maand, iets dat men niet zo vlug ziet. “De 3 ½ jaar (1260 of 1290 dagen) wordt verder onderverdeeld in een “tijd, tijden en een halve tijd.” (Klik hier voor een nadere bespreking van de “tijd, tijden en een halve-tijd” van Daniël 7:25, 12:7 en Openbaring 12:14). TIME

TIMES

HALF-TIME

== > 31/2 times

(1 year) 360 days

(2 years) 720 days

(1/2- year) 180 days

= 31/2 days = 1260 days

Or, + 30 days = Or, + 30 days = Or, + 30 days = = 1290 390 (if we here add the 750 (if we here add 210 (if we here add the (or 1260+ 30 days) leap year) the leap year) leap month) Ook dit op een andere plaats: “De vier oordelen beschreven in drie van de boeken (het boek van Daniël, het boek van Ezechiël hoofdstuk veertien en het boek van de Openbaring hoofdstuk zes) stammen af van dezelfde God. In drie van deze boeken hebben we een “tijd” gekregen (in het boek van de Openbaring 1.260 dagen, in het boek van Daniel 1.290 dagen. In het boek van Ezechiël zien we 390 +40 dagen op de rechter- en linkerzijde en die 430 X 3 = 1.290 dagen ).”Ook dat is een eenzijdige uitleg van kabbalistische inslag! Het getal van 430 is ook het aantal jaren dat Israel in Egypte is geweest. Sommigen leggen ook daar een link maar dat ook is pons niet erg overtuigend. Onze conclusie bij dit alles is zeer eenvoudig! Wil dit zeggen dat er na de 1260 dagen = een tijd, tijden en een halve tijd = tweede helft van de zeventigste week, er nog eens 1290 dagen komen of zijn het er slechts 30? Ja, één van beide uitleggingen! Maar dat kan toch niet volgens de leer van de dispensaties: die tweede helft van de laatste week mag maar 1260 dagen duren en géén dag langer. De profetie die tot op de dag klopt voor de eerste 69 weken, volgens dispensationalisten, blijkt dus niet waar te zijn voor de zeventigste week! Want het gaat dan niet meer om 7 x 360 dagen, maar nog eens dertig dagen daarbij gerekend, of nog meer. Omdat God zogezegd nog wat te doen heeft. Maar mag ik u, dispensationalist, dan deze opmerking erbij geven; de opstanding van de gemeente van Christus duurt in uw leer minder dan één seconde. God zal zowel levenden als doden uit die gemeente opgewekt hebben in “in één ogenblik.” 1 Cor.15 leest: “51 Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, 52 in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.” God heeft echt geen tijdstip nodig om iets voor te bereiden. Wanneer die


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 232 periode langer duurt dan 7 x 360 dagen, dan is de profetie niet exact in uw leer. Hetzelfde is ook van toepassing op de 1335 dagen. De leer van de bedelingen, komt dus schaamteloos tekort bij welke uitleg men hier ook geeft. Zodat het veel gemakkelijker is deze dagen niet te laten slaan op de tijd vóór de Wederkomst maar de tijd van de Makkabeeën zoals het beschreven is in de gelijknamige boeken. Het is daar, in die periode, dat we de koningen van het “noorden en het zuiden” moeten situeren. Josephus heeft de “kleine hoorn” van Daniël 8 toegepast op Antiochus Epiphanes (Oudheden X. 275-276). Het element “tijd” in de profetie leest hij als 1296 dagen (Oudheden X. 271). Dit lijkt op de 1290 dagen uit Daniël 12:11 en “de gruwel der verwoesting” die voor hem ook de 2300 avonden en morgens zijn uit Dan.8:14. Die 1296 dagen zijn ongeveer de drie letterlijke jaren dat de tempeldienst door Antiochus niet werd toegelaten en zijn dienst in de plaats gesteld. Als Josephus die 1290 dagen aanhaalt is dat een indirect bewijs dat de 2300 avonden en morgens in werkelijkheid korter waren dan die tijd. Dat wil zeggen dat Josephus er niet van uitgaat dat de 2300 avonden en morgens een periode van 1150 dagen zouden zijn, zoals wel eens gezegd wordt. Een reden voor zijn uitleg geeft hij verder niet. G. Roelofs, iemand op het Internet, met enkele goede opmerkingen tegen de adventisten van de zevende dag schreef een artikel: ‘De 2300 avonden en morgens.’ Dit citaat komt er uit: “In vers 26 wordt vervolgens uitgelegd wat de betekenis is van het gezicht van de avonden en de morgens. Dit gaat terug op de tijdsbepaling omtrent de duur van de periode van de godsdienstvervolging van Antiochus. Daniël 8:26 – En het gezicht van de avonden en de morgens, waarvan gesproken werd, dat is waarheid. Over het eindpunt kan geen misverstand bestaan. Op 25 december van het jaar 165 voor Chr. werd het heiligdom weer in rechte staat gebracht, toen in de door Judas de Maccabeër gerestaureerde tempel voor het eerst weer naar de Mozaïsche inzettingen het dagelijkse morgen- en avondoffer werden gebracht voor de Here. Wanneer wij vanaf deze datum 1150 dagen terug tellen komen wij uit op 27 oktober 168, 3 jaren en 58 dagen ervoor. Daarbij is rekening gehouden met de Joodse maanjaren van 354 dagen (12 maanden van 29 of 30 dagen) en met een schrikkelmaand van 30 dagen. Deze schrikkelmaand werd om de drie jaren ingelast, ter vereffening van het belangrijke verschil met het zonnejaar. In de 1150 dagen zitten in elk geval 3 jaren, zodat zeker één schrikkelmaand moet worden afgetrokken. Het is niet precies bekend wanneer het bestendig offer is afgeschaft. Wel weten we dat op 25 december 168, drie volle jaren voor het herstel van de tempeldienst, het eerste heidense offer werd gebracht. Maar tien dagen ervoor was het altaar gebouwd, waarop de heidense offers zouden worden gebracht. En nog vroeger was het koninklijke besluit uitgevaardigd waarbij de Joodse eredienst officieel verboden werd. Dat toen de dagelijkse morgen- en avondoffers al niet meer gebracht werden is vanzelfsprekend. Helaas is de juiste datum van dit besluit onbekend (KV Daniël, 177-178).


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 233 1 Makkabeeën 1:54 – De vijftiende van Kislew van het honderdvijfenveertigste jaar (dit is het jaar 168 voor Christus) liet de koning de gruwel der verwoesting (de geheimzinnige aanduiding voor het afgodsaltaar) bouwen op het brandofferaltaar (Willibrord-vertaling). 1 Makkabeeën 1:59 – De vijfentwintigste van de maand werd er een offer opgedragen op het afgodsaltaar dat op het brandofferaltaar stond (Willibrord-vertaling). Kortom: het is beslist niet uitgesloten dat deze datum 27 oktober 168 voor Christus is. Verder is nog bekend dat Antiochus IV Epiphanes in de lente van het jaar 168 naar het oosten, richting Kanaän vertrok. Ook hiermee wordt bevestigd dat in het jaar 168 deze gebeurtenissen uit de profetie van Daniël 8 hebben plaatsgevonden.” Wanneer dit dan duidelijk verwijst naar Antiochus, dan hoeft men niet zoals in de meeste kringen van het dispensationalisme beweren, dat Daniël hoofdstuk 8 ook over de eindtijd zou spreken. Laten we nog enkele andere uitleggingen onderzoeken van die laatste verzen van Daniël. Wat leerde Nahmanides, de Jood, hierover? Mozes Nahmanides was één van de grote rabbijnen uit de dertiende eeuw. In zijn studies kwam hij tot de conclusie dat het geloof in de Messias en zijn komst tot het belangrijkste hoorde. Nahmanides was een volgeling van de “gematria”, de leer van de waarde van cijfers in de Bijbel. En hij legde zich er met enthousiasme op toe om het exacte jaar van verlossing uit te dokteren. Vooral het boek Daniël moest in deze context worden bestudeerd. Het einde der tijden zou heel dicht nabij gekomen zijn. Maar andere rabbijnen namen afstand van zijn eindtijdberekening. Toen leerde men dat er twee Messiassen waren die nog moesten komen. De 1290 dagen uit Dan.12:11 was volgens Nahmanides de 1290 jaar na de verwoesting van de tempel (in het jaar 70), tot het jaar 1358. Dan zou de eerste Messias, de Messias ben Jozef komen. Vijfenveertig jaar later, zou gerekend vanuit de 1335 dagen uit Dan.12, de eerste Messias ben Jozef worden opgevolgd door de regerende Messias ben David. Nahmanides heeft daarbij een aantal, soms moeilijke berekeningen. Gematria zou dat allemaal onthullen. U merkt het: dagen zijn hier jaren van 365 dagen. Maar de voorspellingen bleken niet uit te komen. Nahmanides en andere van de grote voormannen als: bar Hiyya, Rashi en Maimonides bleken maar speculaties op papier te hebben gezet. Honderdenvijftig jaar later kwamen andere rabbijnen met andere berekeningen. Dit geeft een ander Joods idee over de betekenis van het slot van Daniël. En over het begrip profetische jaren dat zo nauw vastzit aan deze uitleg hier wat de WT erover zegt. In ’DE WACHTTOREN’, van 1 november 1993, blz.11 interpreteren Jehovah’s Getuigen de dagen van Daniël als letterlijk 1 dag = 1dag. Hoewel ze ook in andere gevallen geloven in een profetisch jaar: ”Daniëls profetische tijdsperiodes 1260 dagen: december 1914 tot juni 1918 ________________ 1290 dagen: januari 1919 tot september 1922


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 234 ________________ 1335 dagen: september 1922 tot mei 1926” ________________ En u had waarschijnlijk niet anders verwacht, het is in de geschiedenis van Jehovah’s Getuigen dat deze voorspellingen (naar hun uitleg) vervuld worden! En ook dit is een uitleg van deze dagen van Daniël 12 onvertaald weergegeven. De 1260 dagen zijn EXACT het aantal dagen dat de Holocaust in Duitsland duurde. Gevonden op: http://www.1260days.com/1260days.htm

1260 dagen De Holocaust in de Schrift De profeet Daniël werd in visioenen datgene wat: “ziet op een verre toekomst” (Dan.8:26), “wat zal gebeuren met uw mensen [de Joden] in de toekomst” (Dan.10:14), met inbegrip van “en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe.” Dan 12:1) “1260 dagen” = “42 maanden” = “een tijd, tijden en een halve tijd” (3 ½ jaar) (Een profetische “tijd” = 12 profetische “maanden” van elk 30 dagen = 360 dagen) De verdrukking zou het hoogtepunt bereiken in de Joden die in de hand van hun vijand worden overgeleverd voor 3 1 / 2 jaar, “een tijd, tijden en een halve tijd” (Dan.7:25) Nazi-vernietigingskampen werden 3 ½ jaar geëxploiteerd. Was deze duivelse poging om het joodse volk uit te roeien voorspeld in de Bijbel? December 1941 vernietigingskampen operationeel <- 3 ½ jaar -> vernietigingskampen bevrijd mei 1945 Wat willen dispensationalisten ons verder nog leren? Het citaat hieronder, vanuit Internet, geeft weer wat men zegt in kringen van de bedelingen over de Antichrist en de Grote Verdrukking. ”De Grote Verdrukking zal 7 jaar duren en bestaan uit twee gedeelten van 3½ jaar. Dit blijkt o.a. uit: Dan. 7:25 "Hij zal de heiligen des allerhoogste te gronde richten... voor een tijd, tijden en een halve tijd.". ’Een tijd’ is een jaar, ’tijden’ zijn twee jaren. Dan. 9.27 "in de helft van de week zal hij (de antichrist) slachtoffer en spijsoffer doen ophouden... zal een verwoester komen". Een week van zeven jaren. Dan. 12:11 "vanaf... een gruwel wordt opgericht... zijn het 1290 dagen.".


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 235 Opb. 11:2,3 "twee g­e­t­u­i­g­e­n­... 42 maanden lang... 1260 dagen lang." Opb. 12:6,14 de vrouw (Israël) wordt door de Heer onderhouden in de woestijn voor "een tijd, tijden en een halve tijd." Dit is 1260 dagen, 3½ jaren van 360 dagen. Opb. 13:5 het beest "werd macht gegeven... 42 maanden lang." 42 maanden van 30 dagen.” Mag ik daarbij, een voor enkelen wellicht rare opmerking maken. In zijn boek ’De planeet die aarde heette’ zegt Hall Lindsey op blz.58: ”Eeuwenlang, lange tijd voor de huidige gebeurtenissen de ideeën zouden hebben kunnen beïnvloeden van mannen die de bijbel verklaarden, heeft men al erkend dat Ezechiël in zijn profetie over het land dat de noordelijke volken aankondigde, op Rusland doelde.” Lindsey heeft zo tientallen uitspraken en anderen – teveel om op te noemen - met hem, hebben tot de val van de communistische overheersing in Rusland en omstreken geleerd dat er een grote oorlog op til is tussen de URSS (Rusland met al zijn trawanten) en Israël. Men heeft dat spoor verlaten, maar wie het geleerd heeft past het schoentje: hij/zij is een valse profeet geweest. Momenteel zoekt men de vijand van Israël ergens anders. Daar geven we al een besluit bij; dispensationalisten hebben door de twee eeuwen dat ze bestaan, al allerhande uitleggingen gegeven over allerlei profetische zaken. Zelfs een Johannes de Heer bezondigde zich aan uitspraken die hij later heeft teruggenomen. (Zie zijn brochure over het ‘Romeinse vraagstuk’ uit de tijd van de duce Mussolini.) Dan wijst men ons op wat een echte gelijkenis zou moeten zijn van het aantal dagen.

Daniël 7:25

“Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tijden en een halve tijd.” Verwijst dit naar wat hier onder staat?

Openbaring 11:2

“Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang.”

Openbaring 11:3

“En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang.”

Dat roept vragen op! Zijn de 1260 dagen letterlijk of een symbool van iets anders? Er worden in deze perikoop van Openbaring 11 twee perioden van ongeveer gelijke lengte genoemd, het optreden der twee getuigen dat 1260 dagen duurt en het vertreden van de heilige stad door de heidenen voor een periode van 42 maanden. Vallen deze twee perioden wel samen? Of komen ze na elkaar? Of overlappen ze elkaar gedeeltelijk? Dat zegt de tekst allemaal niet en alles is dan mogelijk als uitleg. Is er een reden om aan te nemen dat ze niet samenvallen? Of dat ze na elkaar komen, waarbij dan het optreden van de twee getuigen het eerst komt, gevolgd door het vertreden van de heilige


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 236 stad door de heidenen gedurende 42 maanden. Welke redenen zijn hiervoor aan te voeren? Dispensationalisten zeggen hierover: het is logisch, dat tijdens het optreden der twee getuigen Jeruzalem voor de heidenen geen aanlokkelijke plaats is. De profeten beschikken namelijk over een grote macht, hoewel ze niet echt bewapend zijn. Maar nadat ze gedood zijn door het beest uit de afgrond, zal het voor de heidenen gemakkelijker zijn naar Jeruzalem te komen en het aan te vallen. Wat moeilijk te bepalen is volgens al deze berekeningen van Daniël en Openbaring is: lopen ze allemaal gelijk aan elkaar? Want slechts in dat geval zou de leer van de profetische jaren een been hebben om op te staan. Dan zou 1260 = 42 maanden = 3 ½ jaar. Maar stel dat één van deze data niet zo gerekend wordt en afwijkt, dan rest er 3 ½ jaren = 1177 maandagen of 1278 astronomische dagen. Lopen al deze perioden gelijk? Want één maanmaand heeft slechts 29 dagen, 12 uur en 44 minuten. En is één jaar omgerekend heeft men dan 11 en ¼ dagen tekort om een vol zonnejaar te maken van 365 en ¼ dagen. Want een leer van een profetisch jaar van 360 dagen/jaren is uitgesloten. Dat hoort tot de leer van de fabelen gezien het Bijbels niet te bewijzen valt. En ook dit moeten we aantekenen: die dagen (maanden, jaren) hebben volgens dispensationalisten allemaal betrekking op de drie en een half laatste jaren van de 70ste jaarweek. Ze geven zelf toe dat er van de eerste drie en een half jaren, niets in de Openbaring van Johannes beschreven staat. Want er is géén sprake van een sluiten van een verbond tussen Israël en de Antichrist in het boek Openbaring! Waarom zou dit dan echter iets te maken hebben met een 70ste jaarweek? Er staat in Openbaring 11:2,3 NIET dat 1260 dagen exact gelijk is aan 42 maanden, want er is ook aanwijzing in de Schrift, dat er wel eens afgerond wordt naar onder (= 42,5 maanden) of naar boven (= 41,5 maanden). Je kunt er dus geen staat op maken dat één jaar exact 360 dagen zou omvatten. We moeten bij dit alles ook synchroon blijven. Want men zegt in de kringen van de bedelingen, dat dan de feesten in het land Israël opnieuw zullen ingevoegd worden. Met een zogenaamd profetische kalender klopt dat niet. Men is na drie jaar en zes maanden namelijk al 17 dagen niet meer in evenwicht met de zonnekalender. Het heeft bovendien weinig zin om te beweren, wat dispensationalisten doen: te zeggen dat de periode van Openbaring 11:2,3 te maken heeft met wat in Daniël 9:27 staat. Waarom niet? Omdat ze zelf zeggen dat dit naar slechts één deel van die periode in Daniël verwijst. Het is dus geen optelling van deel drie en een half plus drie en een half om de zeven van Daniël te bekomen! De 3½ jaren verwijzen naar het symbool van onvolkomenheid, naar iets dat nog niet af is en volgroeid. Het is de periode van testen en verdrukking van de gemeente van Christus. Zeven is het beeld van volheid, iets dat op zichzelf staat en waar niets meer aan toegevoegd moet worden. Zo is 3½, de helft van een “volle” tijdsperiode. Zou het de voorstelling kunnen zijn van de tijd van éénmaal de tijd van het OT en éénmaal deze van het NT. Gewoon maar 3½ + 3½ = zeven tijden van verdrukking van Gods volk. Dit spreekt me wel aan als oplossing. Ik las ook dit: dat in het boek Esther er een rekening is van 30 dagen in één maand. Ja, dat klopt waarschijnlijk, maar daar heb ik niets aan want dat is de tijdsrekening van de Perzische koningen en niet deze van de Schrift. Dit zijn de betrokken teksten. Esther 1:3,4 SV77: “In het derde jaar van zijn regering maakte hij een maaltijd voor al zijn vorsten en zijn knechten; de


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 237 macht van Perzen en Meden, de grootste heren en de oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht; Toen hij vertoonde de rijkdom der heerlijkheid van zijn rijk, en de kostbaarheid van het sieraad van zijn grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen.” Esther 2:10-12 SV77: “Esther had haar volk en haar afkomst niet te kennen gegeven; want Mórdechai had haar geboden, dat zij het niet zou te kennen geven. Mórdechai nu wandelde elke dag voor het voorhof van het huis der vrouwen om te vernemen naar de welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou. Toen nu de beurt van elke jonge dochter naderde, om tot de koning Ahasvéros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was; want alzo werden vervuld de dagen van haar versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen der vrouwen.” Bekijken we eens nader het verhaal van de twee getuigen in Openbaring 11:3 en verder. De enige degelijke uitleg is dat de twee profeten symbolisch gezien de gemeente van de eindtijd voorstellen. Symbolisch als profeet omdat hun werk en functie daarop gericht is. De nadruk van het getal ”twee” heeft dan te betekenen dat die getuigen een volledig (volkomen) getuigenis afleggen ten opzichte van de wereld. Want de goddelijke regel is dat twee of drie getuigen iets volledig bevestigen (Deut.17:6,15,19 / Joh.5:31). En de Heer zond zijn discipelen uit twee per twee (Luc.10:1). Hoe moeten we de 1260 dagen rekenen? Vanuit Opb.12:6 moet blijkbaar vanaf het begin gerekend worden. En Opb.11:11 en 15 die respectievelijk de opstanding van de doden en het oordeel beschrijven zullen het einde ervan aangeven. Dat wil zeggen dat de 1260 dagen symbolisch te tijd voorstellen tussen de tijd van Pinksteren (de geboorte van de gemeente Gods) en de Wederkomst van de Heer om te oordelen over de levenden en de doden. Enkele commentatoren zoeken een verband tussen de 3 ½ jaar droogte in de tijd van Elia. Hij is een beeld van wie ware profeet is of mag zijn (Luc.4:25 / Jac.5:17). Dit is de uitleg van een dispensationalist over de twee getuigen die de meesten niet zullen aanvaarden. We geven het weer zodat u weet dat het dispensationalisme een bonte verzameling is van allerlei gedachten en leerstellingen. In een artikel door Ab Klein Haneveld ‘De Opname van de Gemeente en de Grote Verdrukking’ gevonden op het Internet lezen we: “Indien de 1260 dagen van het profeteren der twee getuigen identiek zouden zijn aan de tweede helft van de 70ste week, zou de dood en opstanding van deze getuigen en ook de erop volgende aardbeving plaats vinden ná de 70ste week. Maar na de 70ste week is volgens Daniël 9:24 de bekering van Israel en de wederkomst van Christus een feit. Uit de gebeurtenissen, die hier in Openbaring 11 beschreven worden, blijkt echter duidelijk, dat dit nog niet het geval is. Wij moeten dus concluderen, dat deze getuigen niet optreden tijdens de tweede helft van de week, ofwel de Grote Verdrukking, maar tijdens de eerste helft van die week. Deze periode duurt eveneens 1260 dagen en ligt tussen de Opname van de gemeente en de Grote Verdrukking. Het blijkt dus, dat deze twee getuigen de lege plaats van de gemeente innemen, en dat er door hun werk weer gelovigen op aarde zullen zijn bij de aanvang van de grote verdrukking. En over deze gelovigen spreekt uiteraard het volgende hoofdstuk van Openbaring.” Veel van zijn vrienden aanhangers van de bedelingenleer zullen steigeren bij zo een uitspraak. Men zet de twee getuigen voor 99% in de tweede helft van de week. Ellis H. Skolfield is een USA theoloog die onder andere een tweedelig werk schreef over ‘The False Prophet.’ Dit staat in deel één: “Before that date, both Jew and Christian were free to


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 238 worship in Jerusalem, even on the temple mount itself. After 688 the Moslems persecuted the Christians and Jews and drove them out of the land.” Voor hem zijn alle data van 1260, 1290 en1335 zaken die te maken hebben met één dag = één jaar systeem dat te maken heeft met de opkomst en ondergang van de Islam. Zie: http://www.ellisskolfield.com/downloadablebooks.shtml Het beest van Openbaring 13 = de Islam.

Openbaring 12:6 SV77

“En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar door God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.”

Openbaring 12:12 SV77

“Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont! Wee hun, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grote toorn, wetende, dat hij een kleine tijd heeft.”

Openbaring 12:14 SV77

“En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugels van een grote arend, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halve tijd, buiten het gezicht der slang.”

Openbaring 13:5 SV77

“En het werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en het werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.”

Zijn al die perioden gelijk? Gebeuren ze op hetzelfde moment? Op het Internet waar alles te rapen valt, ook de grootste rommel, lees ik op één site dat er al 486,5 jaar verlopen zijn van de 490 jaar van Daniël 9. Logisch wanneer je het eerste deel van de laatste week laat eindigen bij de dood van Christus aan het kruis. De laatste jaren zijn te beginnen bij 1967. Vanaf de zesdaagse oorlog van Israël, daarbij opgeteld 49 jaar, zodat u in 2016 komt voor het begin van de prediking van de twee getuigen. Verder ga ik er niet op in. Op de site van een Messiasbelijdende groep Joden http://www.rockofoffence.com/ staat een artikel ‘Those “CERTAIN” Years And Days Of ‘Daniel’s People’ waar Christus sterft in het midden van de tweede helft van de 70 ste week. De verdrukking van Israël is slechts het laatste deel, namelijk 3 en 1/2 jaar. Gans het artikel is een complex spel met cijfers. Concentreren we ons op de tijdsbepalingen van Openbaring 12. Wie is die vrouw in het verhaal, ze zal ons helpen te bepalen waar we die tijd moeten inschakelen. De vrouw is NIET Israël zoals men in de kringen van de dispensationalisten zegt. Zeker niet het vernieuwde Israël sinds 14 mei 1948. Het is natuurlijk waar dat Christus uit/in het volk Israël is geboren. Want hij is zoon van Abraham, Judah en David (Mat.1:1 / Heb.7:14 / 2 Tim.2:8). Maar hiermede is men ook aan het einde van de gelijkenis. Vergeet niet dat het hier NIET om letterlijke uitleggingen gaat, dat


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 239 doen dezen die de bedelingleer aanhangen ook niet. (Hun ijzeren regel, alles letterlijk uitleggen, is dus niet zo sterk.) Is Israël door de draak vervolgd? Integendeel! Christus noemde hun leiders wel: ”de zonen van de duivel” die de draak is (Joh.8:40-44). Wanneer was Israël in de woestijn onder Gods bescherming toen Christus werd geboren? Zo een periode is er niet! En indien we zeggen: Christus is het mannelijke kind, wie is dan het zaad? Th. Niemeijer, volgeling van Darby, schrijft in, ’Het Zoeklicht’, 7 maart 1998, blz.18 over deze uitleg.”Zo wordt Israël in Openbaring 12:16 beschreven als de vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van 12 sterren op haar hoofd... ”En zij baarde een Zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf” (vs.5). Daarmee wordt de profetie uit Jesaja 54:1 vervuld waarin Israël als de ’onvruchtbare’ en ’eenzame’ beschreven wordt, die ’toch zal baren’.” (wij onderstrepen). Een zeer eigenaardige uitleg vinden we in het speciaal nummer van september 2001, blz.6 van ’Christenen voor Israël.’ J. van Barneveld zegt na de aanhaling te hebben gedaan van Openbaring 12:1: ”Deze vrouw heeft het moeilijk: barensweeën! Israël ondergaat nu de barenweeën van de komende Koning en Zijn Rijk. Wij, als gelovigen, staan hierbij naast en achter Israël.” (wij onderstrepen.) Dat is verwarrende taal. De Koning is reeds gekomen zowel voor Israël als voor de heidenen die tot geloof komen. Spaar ons voor de stelling der twee vervullingen! Met Pinksteren zegt Petrus duidelijk dat de vermoorde en opgewekte Jezus zowel Koning (Kurios) is als Gezalfde (Messias). De Joden die de ware aard van hun zondigheid begrepen hebben vragen daarom wat ze dienen te doen en bekeren zich daadwerkelijk (Hand.2:36 tot slot). Wie is dan de vrouw in Openbaring 12? (Grieks voor vrouw is = ”gunè”) Het woord ”vrouw” is in de Schrift letterlijk gebruikt voor: een persoon van de tweede sekse (Mat.11:11 / Joh.16:21), een getrouwde vrouw (Deut.13:7 / Luc.1:5) of een bruid (Deut.22:23-25 / Gen.29:21 / Opb.19:7). Deze hier in Openbaring beschreven, is echter symbolisch want geen letterlijke vrouw is ooit tot God gegaan in de hemel om er bescherming te genieten of haar zoon evenmin. Deze vrouw moet ook collectief zijn in plaats van slechts één individu. Het idee dat één als velen is afgebeeld vinden we al verscheidene malen in het O.T. In Dan.2:37,38 staat één koning afgebeeld voor een koninkrijk. Eén beest is afgebeeld voor twee koninkrijken omdat het twee horens heeft (Dan.8:20,21). Een beest met zeven hoofden is echter per definitie niet gelijk aan zeven rijken. Opb.17:9 zou dat moeten ondersteunen maar die identificatie die we bij Daniël vinden is niet dezelfde. Zeven is het symbool van volledigheid. Wat op elkaar lijkt is daarom nog niet gelijk aan! Want één beest kan de afbeelding zijn van de totaliteit van alle aardse machten en de zeven symbool van de volheid van iets. Wie is dan de vrouw? Van wie of wat is ze de zinnebeeldige voorstelling? Daarvoor gaan we eerst terug tot de geschriften van het Oude Testament. Daar zien we dat iemand met de naam Zion is afgebeeld als ”de vrouw” van God in o.a. Jes.54:1,5,6 / Jer.3:20 / Ezech.16:8-14 / Hosea 2: 18,19. Die iemand is Israël, maar dan gezien vanuit het gelovige volk van God. Zij is een moeder met talloze kinderen en die kinderen zijn de individuele personen van het gelovige Israël (Jes.49:21 / 50:1 / 66:7-11 / Hosea 4:5). Er zijn zelf enkele schriftuurplaatsen die over vrouw Zion


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 240 spreken als in barensweeën (Micha 4:9,10 / Jes.26:16-18 / Jer.4:31 / 13:21). Deze vrouw is hemels in de zin van haar planning maar aards in werking. Haar oorsprong is hemels en haar Man is hemels. Zodat ze de voorstelling is van het ideale en ongerepte. Deze schriftuurplaatsen bewijzen echter twee dingen. Ze spreken ten eerste nooit over het feit dat Zion een individuele Messias voortbrengt. Ten tweede dat Zion in barensnood een ”volk” voortbrengt. Dit laatste als kritiek op de uitspraken van de Wachttoren. Volgens hen heeft Zion in 1914 een volk voortgebracht, namelijk al dezen die op dat moment met Charles Taze Russell, hun eerste president, mee werkten en hem als geestelijke leider aanschouwden. In het NT vinden we een vrouw beschreven in verband met Christus. Het is de gemeente die in twee parabels van het Koninkrijk als ”vrouw” beschreven is (Luc.15:8 / Mat.13:33). En vergelijk hier verder nog Mat.9:15 / Joh.3:29,30 / 2 Cor.11:2 / Eph.5:23-32. Is de gemeente van Christus niet de vrouw van Opb.12? De sleutel wie die vrouw is vinden we in Gal.4:25-27! Daar zegt Paulus: ”Het woord Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij en dat is onze moeder.” Dan beschrijft Paulus hoe deze vrouw baart en geeft als ondersteuning van zijn visie Jesaja 54:1. Vergelijk ook Heb.12:22. Deze tekst uit het OT is toepasselijk op Gods gemeente uit het OT. Maar ook op de bruid van Christus wanneer je het NT bekijkt. Over de anderen is er niet altijd zekerheid en kan ook op het letterlijke Israël toepasselijk zijn. De vrouw is in barensnood, en wat wil dat zeggen? De vrouw, de gemeente bestaande uit Joden en heidenen die de Messias aannemen, van Opb.12 is in nood. Ze is roepende voor verlossing uit haar weeën (Mat.9:27 / 27:50 / Luc.23:46). Gods hemelse koningin staat op het punt een zoon te baren. Over letterlijke weeën spreekt de Schrift niet al te dikwijls (1 Sam.4:19 / Jes.43:10 / 51:2). Het is echter een uitdrukking (Hebreeuws = chul) die volgens de symbolische taal, de betekenis heeft van alle soorten noodtoestanden of geestelijke pijnen. Zie naar: Jes.13:8 / 21:3 / Jer.4:31 / 6:24 / 13:21 / 22:23 / 1 Thes.5:3. Wanneer u deze teksten erop naziet dan merkt u tevens op dat het niet steeds spreekt over gelovigen. Ook de wereld is in weeën zoals in 1 Thes.5:3. Of Babylon is in weeën volgens Jer.50:41-43. In Gal.4:19 zegt Paulus: ”mijn kinderen, terwille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat Christus in u gestalte verkregen heeft.” Zo ook moet men de pijnen van deze vrouw begrijpen. Symbolisch heeft Sion moeilijkheden met het baren omdat ze het mannelijke kind als het ware aan Satans wereld moet ontrukken. Daarom is er ook gezegd dat ze pijn heeft om te baren. Het is het gewone woord ”basanidzo” dat hier is gebruikt. We kunnen dat het best begrijpen door te vergelijken met de ”pijnen” van Lot in 2 Pet.2:8. Het zou absurd zijn zulke dingen letterlijk te nemen. De tekst van Gal.4:19 spreekt over “kinderen” in de meervoudsvorm. Laten we duidelijk zijn; Paulus her-interpreteert hier de oorspronkelijke tekst. Jesaja 54:1 is door Paulus geher-interpreteert, de éne die baart worden velen die baren. De gemeente Gods is in permanente barenweeën telken male iemand tot het geloof in de Messias komt (1 Cor.4:15 / Col.1:27-29 / 3:9,10). Het mannelijke kind in Opb.12 kan dus alléén die groep gelovigen zijn uit de eindtijd, vanaf Pinksteren. Zij zullen zoals alle andere gezalfden Gods de natiën met een ijzeren roede regeren (Opb.2:26,27 / 19:15 / Ps.2:9 / Col.3:4). Biederwolf, leerling van de leer der bedelingen, zegt over het neerwerpen van de Satan in Opb.12: ”Heeft het neerwerpen vanuit de hemel plaats gehad ná de tenhemelopneming, volgende


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 241 op een oorlog?” Er is echter een onoverbrugbare bedenking met deze visie gezien er in vers 12 staat dat de Satan weet dat hij slechts ”een korte tijd” heeft voordat hij gebonden wordt. En gezien dit is opgemerkt vanuit een bovennatuurlijke kennis van de Duivel, en de ouderlingen in de hemel kan dit zeker niet dezelfde betekenis hebben als wanneer de apostelen de uitdrukking gebruiken ”een kleine tijd”, ”wat kortelings zal geschieden” enz... Het wil dus betekenen datgene wat we bedoelen met die uitdrukking, namelijk, een zeer kleine tijd en niet een periode van 2000 jaar of meer gerekend vanaf de tenhemelopneming. En anderzijds, Eph.6:12 laat doorschemeren dat Satan nog steeds in de hemelse gewesten is gedurende de periode dat hij prins van de wereld is. Deze opmerkingen zijn echter niet helemaal onoverbrugbaar. Maar gezien het voorgaande, en andere redenen nemen de Futuristen de positie in dat deze oorlog in de hemel zal plaatsvinden ná de opname van de gemeente, dat Satan dan tegenwoordig is en de broeders voor God, dag en nacht aanklaagt, waarna de Christus hem zal berispen (Zach.3:2). Michaël zal de hemelse legerscharen aanvoeren tegen hem met het reeds gekende resultaat” (blz.624, wij onderstrepen). We gaan deze twee argumenten uit dit gedeelte even na en beginnen met het laatste. Ephese 6:12 bewijst niet wat Biederwolf zo pertinent zegt. Hier volgen de zes grote Nederlandse vertalingen die Biederwolf’s stelling weerleggen. S.V.: ”Tegen de geestelijke boosheden in de lucht” Luther: ”tegen de booze geesten onder de hemel” Leidse V.: ”met de boosaardige geesten in het luchtruim” Brouwer: ”tegen het rijk der booze geesten in het hemelruim” Canisius: ”tegen de boze geesten in de lucht” N.B.G.: ”tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” En zes Engelse vertalingen. King James: ”against spiritual wickedness in high places” Living Bible: ”against huge numbers of wicked spirits in the spirit world” Today E.V.: ”and cosmic powers of this dark age” N.I.V.: ”against the spiritual forces of evil in the heavenly realms” Philips: ”it is against organisations and powers that are spiritual” R.S.V.: ”against the spiritual hosts of wickedness in the heavenly places” Het is duidelijk uit deze vertalingen dat wat Biederwolf er in leest in werkelijkheid daar niet te vinden is. De lucht / luchtruim / hemel waar Satan vertoefd is niet het verblijf van YaHWeH, niet Gods hemel. Het is een plaats ergens tussen Gods hemel en onze hemel waar de vogels vliegen. Het gaat over Satans ”hemelse rijk” en dat is een onzichtbare zaak voor ons. En het andere argument van Biederwolf: volgens de uitdrukking ”een korte tijd” moet dat kort voor de wederkomst zijn en niet op bijvoorbeeld Pinksteren zoals we zelf zeggen. Wanneer u echter daarbij het volgende leest is die uitleg van deze schrijver niet te aanvaarden. Johannes zegt in de Apocalyps 1:3: ”Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.” We leven trouwens SINDS de tijd der apostelen, meer bepaald SINDS met Pinksteren de Heilige Geest is uitgestort in: ”de laatste ure”, 1 Joh.2:17


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 242 ”laatst der dagen”, Jac.5:3 ”het einde der eeuwen”, 1 Pet.1:20 ”het einde des tijds” Judas 17,18. De argumenten van Bierderwolf en de (bedelingen) houden dus geen steek. En ook Scofield heeft een opmerking in die aard. We citeren uit zijn vertaalde cursus die verscheen bij ’Het Morgenrood’. ”Hij is de God en Overste dezer wereld Joh.12:31 ”Overste dezer wereld” (Kosmos, orde, organisatie) Eph.2:2 ”Overste van de MACHT der lucht” Joh.14:30 ”Overste dezer wereld”, ook Joh.16:11 Eph.6:11,12 ”Geweldhebbers der wereld, der duisternis” ”De bestaande wereldorde, d.w.z. de organisatie van het mensdom op politiek, sociaal, economisch gebied, enz. is gebaseerd op macht, zelfzucht, ambitie, eerzucht en genoegens. Dit wordt beperkt en verzacht door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest in de Gemeente (2 Thes.2:7). Met de opname van de Gemeente (1 Thes.4:14-17) zal de ”Wetteloze” van 2 Thes.2:8 worden geopenbaard, aan wie satan al zijn macht geven zal (Opb.13:2).” Marc Verhoeven schreef een artikel: ‘De ‘Rede over de laatste dingen’ begrijpen’ te vinden op users.skynet.be/fa390968/_RedeLaatsteDingen-MV.doc Er staat bijvoorbeeld dit over de cijfers die we bespreken: “Hier begint de “grote verdrukking”. De Joden kunnen het tijdstip ervan gemakkelijk berekenen zodat het hen niet onverwachts overvalt. Ze omvat de tweede helft van de ‘week’ in Dan 9:27. Deze is 1260 dagen (Op 11:3; 12:6), 42 maanden (Op 11:2; 13:5) of ‘een tijd, tijden en een halve tijd’ (Dan 7:25; 12:7; Op 12:14) lang. Dit zijn 3,5 profetische jaren. De grote verdrukking begint onzichtbaar met het neerwerpen van de duivel uit de hemel (Op 12:7-9). In Daniël 12:11 lezen we dat aan het begin van de laatste halve week het dagelijks offer zal worden gestaakt en dat daarvoor in de plaats een “gruwel” zal worden opgericht (Dan 9:27 en 12:11; Mat 24:15; Mark 13:14). Dit is het zichtbare begin van de “grote verdrukking” (Mat 24:21; Mark 13:19; Op 7:14). Dit is de “tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jer 30:7; zie ook Dan 12:1).”(Wij onderstrepen.) Bedroevend dat deze man dat beweert. Er valt namelijk niets te berekenen en hij is gevangen in zijn eigen uitleg. Want als dispensationalist beweert hij dat Mat.24:36 over die periode spreekt en die ondersteund niet wat hij tracht te bewijzen. Daar staat het volgende: “Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen.” De mensen die de leer van de bedelingen volgen beweren nu twee dingen: 1) Dat de opname van de gemeente zal plaatsvinden, zeven jaar voordat de echte Wederkomst zal plaats hebben. 2) Dat na de opname een periode van zeven jaar aanvangt van de antichrist, van prediking van herstel van Israël en enkele zaken meer. Op het einde van die periode komt de Heer. Dat juist is in tegenstrijd met de woorden van Jezus: “Doch van die dag en van die ure weet niemand.” Dat sluit zondermeer uit dat er iemand die leeft in de periode


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 243 van de laatste zeven jaar, dus voor de echte zichtbare Wederkomst iets zou afweten van die komst. Dat sluiten de woorden: “Doch van die dag en van die ure weet niemand “ uit. Er valt niets te berekenen ook niet in die periode en daar zondigt Marc Verhoeven zich aan en alle andere dispensationalisten. En de context is even duidelijk. Die zet de komst van Jezus in een vergelijkbare periode van de niet te berekenen tijd van de zondvloed. Dit staat er in Mattheus 24:37-42: “Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Dan zullen er twee in het veld zijn, één zal aangenomen worden en één achtergelaten worden; twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, één zal aangenomen worden, en één achtergelaten worden. Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt.” Ook de vernietiging van Sodom en Gomorra, op een andere plaats door Christus besproken, verwijst naar een onbekende tijd van de komst. En let er op dat zowel de vloed als Sodom de verwijzing is naar wat een dispensationalist leert over die zaken; juist voorafgaande aan de Wederkomst. En die laatste periode is zeven jaar na de opname en dus te berekenen voor Marc Verhoeven en zijn collega’s. Waarom de Schrift niet aannemen in plaats van een stelling die onbijbels is. Lucas 10:12 SV77: “En Ik zeg u, dat het die van Sódom verdragelijker wezen zal in die dag, dan die stad.” Lucas 17:29 SV77: “Maar op de dag, op welke Lot van Sódom uitging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf ze allen.” Het beeld dat Christus en Petrus schetsen over Noach is door dispensationalisten géén eer aangedaan, ja zelfs verminkt en misbruikt.

Illustratie van de nog te bouwen tempel volgens: http://christenenvoorisrael.nl/ Dat is echter niet wat men dient te veewachten.


DE ZEVENTIG JAARWEKEN 244 De gemeente van Jezus is Gods tempel. Daar ligt onze toekomst!

DE ZEVENTIG JAARWEKEN  

We schuimen om de vijf jaar het Internet af, of er wat nieuws te vinden is in verband met de profetie van Daniël over de 70 jaarweken = de 4...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you