Page 1

CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 1

CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN

Peter Paul Rubens (1577–1640) schilderde deze Daniël in de leeuwenkuil, rond het jaar 1615 Schilderij in het National Gallery of Art De profeet werd er ingeworpen omdat men hem vroeg ongehoorzaam te zijn aan zijn godsdienstige verplichtingen, maar hij kon dat niet opbrengen. Hij was ongehoorzaam aan de “overheid.”

Adolf Hitler, Duits staatshoofd van 1933-1945. Wie hem niet als “overheid” wou aanvaarden moest vrezen voor zijn leveen. Guido Biebaut, januari 2012 Alle rechten voorbehouden


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 2

Als inleiding In het profetische boek van Daniël 2:21 NBG lezen we: “Hij [YaHWeH] toch verandert tijden en stonden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die inzicht hebben.” Dat dit wijst naar ondermeer de opkomst en ondergang van rijken als Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome daar zal de gewone Bijbellezer niet aan twijfelen. Maar dat dit ook van toepassing is op de man van de foto, Adolf Hitler of een Napoleon, daar hebben velen een probleem mee. Toch moeten we hetzelfde principe toepassen voor deze tirannen uit het verleden en alle toekomstige gevallen. We gaan naar het begrip “overheden” kijken, zonder de moeilijke en wellicht onverteerbare menselijke filosofie daaraan te koppelen. Drie vertalingen van Romeinen 13:1 een sleuteltekst in deze problematiek: “Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn,” - HSV “Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan” - NBG “Ieder mens moet zich schikken naar de gezagdragers die boven hem staan.” – Willibrord Indien niet anders aangegeven komen de Bijbelteksten uit: Herziene Statenvertaling © 2010 OVERHEDEN AVANT LA LETTRE God heeft de eerste overheid al tot leven geroepen na de zondvloed: een geschapen regering om orde te handhaven, het kwaad te bestraffen en om rechtvaardigheid onder mensen te bevorderen. Het gaat erom samen te leven, met afspraken. Dit zijn drie teksten die daar wat over zeggen: Genesis 9:6 / 1 Corinthiërs 14:33 / Romeinen 12:8. In de wet van Mozes waren uitvoerige instructies ondergebracht voor de rechtvaardigheid tegenover armen en weduwen. De priester en de koning (die een afschrift van de wet dagelijks moest lezen) waren aangesteld om daarop toe te zien. Laten we ze de door God aangestelde autoriteiten noemen, de overheden uit die dagen. Weduwen mochten deelnemen aan de jaarlijkse feesten, waar een overvloed van goederen waren en ze van alles konden meenemen (Deut.16:1014) Zo ook kregen ze hun deel, elk derde jaar, van de tienden die door de priesters waren ontvangen (Deut.14:28,29 / 26:12,13). In de Wet was uitdrukkelijk bevolen dat weduwen onpartijdig recht zou verschaft worden (Ex.22:22-24). Ongevallen en ziekte of luiheid en genotzucht konden iemand en het gezin in armoede dompelen. Ook dan waren er in de Wet voorzieningen voor de armen. Zij hadden het recht om in de oogsttijd op de velden en in de boom- en wijngaarden nalezingen te houden. Ze hoefden daarom niet om brood te bedelen of uit stelen te gaan. De behoeftige Israëliet kon ook geld lenen zonder rente te moeten betalen. (Daar hebben Moslims het ook vandaan gehaald.) Joden waren onderling verplicht hun behoeftige mede-Israëlieten te helpen (Spr.14:21 / 28:27 / Jes.58:6,7). Om zijn financiële positie te verbeteren, kon iemand tijdelijk zijn land verkopen (kreeg hij terug met het Jubelfeest) of zichzelf verkopen en in slavernij gaan. De wet van Mozes schreef gelijke rechten voor aan rijken en armen en er was geen aanzien des persoon. Wanneer later de natie Israël ontrouw werd, kwam


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 3 ook de zeer uitgebreide onderdrukking van de armen. Zelfs voor de vreemdelingen moest de koning opkomen. Natuurlijk wordt de koning vooral een “goede koning” genoemd als hij het allemaal doet in de praktijk. In de geschiedenisboeken staat het verhaal van mensen en veroveraars die revoluties maken, imperiums omverwerpen en er zelf een stichten. Je krijgt de indruk dat dit gewoon zijn gang gaat zonder dat er een hogere macht aan te pas komt. “Wie bepaalt de loop van de geschiedenis?” is geen overbodige vraag vanuit het Bijbelse standpunt! “God houdt alle touwtjes in Zijn hand” is daar het antwoord op en we mogen daar niet aan twijfelen. Doen we het: dan hebben we onze eigen visie wellicht niet getoetst aan de Bijbelse leer in dat verband. Paulus zal dat later formuleren als dat God een vaststaand plan heeft en dat Hij alleen de geschiedenis bestuurt. Epheze 1:9,10: “9 toen Hij ons, overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had, het geheimenis van Zijn wil bekendmaakte, 10 om in de bedeling van de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is.” TEKSTEN UIT HET OUDE TESTAMENT Dat God het stuur van de geschiedenis in handen heeft is duidelijk: anders zou Bijbelse profetie totaal ondenkbaar zijn. Er staan in het OT bijvoorbeeld precieze voorzeggingen over het leven en sterven van onze Heer. Of over de opkomst en ondergang van koninkrijken. Zaken die eeuwen voordien beschreven zijn, ze werden geopenbaard door God aan profeten en opgeschreven voor de latere generaties. Dat heeft te maken met regerende vorsten, koninkrijken en omstandigheden. God bepaald zaken en laat ze ontstaan op het moment als de vervullingen in het vizier komen. Voor de Bijbellezer is er dus geen twijfel. We zetten enkele spraakmakende teksten op de voorgrond, over wat de gelovige Jood dacht en wat God bij openbaring ons wil te kennen geven:  Een gelovige Jood zei: “De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd, Zijn Koninkrijk heerst over alles.” - Psalm 103:19  En ook dit: “Onze God is immers in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.” - Psalm 115:3  YaHWeH zegt in Jesaja 46:10,11 van Zichzelf: “10 Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher de dingen die nog niet plaatsgevonden hebben; Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al Mijn welbehagen doen; 11 Die een roofvogel roept uit het oosten, een man van Mijn raad uit een ver land. Ja, Ik heb gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.” Het is niet slechts Israël dat door God is bestuurd, neen het gaat ook om alle koningen en vorsten in alle landen. 

Daniël 2:21: “Hij verandert de tijden en tijdstippen, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij geeft de wijsheid aan wijzen, de kennis aan wie verstand hebben.” HSV


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 4 o Daniël 2:21: “Hij is het die tijden en maanstanden beheerst, die koningen onttroont en kroont, die wijsheid geeft aan de wijzen en inzicht aan de verstandigen.” Willibrordvertaling (editie 1995)  Spreuken 8:15,16: “Door Mij regeren koningen, verordenen vorsten gerechtigheid. 16 Door Mij heersen vorsten, en edelen, alle rechters op aarde.” HSV o Spreuken 8:15,16: “15 Door mij zijn de koningen koning en stellen de vorsten vast wat rechtvaardig is. 16 Door mij heersen de heersers en de gebieders, al degenen die rechtvaardig oordelen.” Willibrordvertaling (editie 1995) Er zijn in het OT twee mooie voorbeelden van niet-joden die zijn aangesteld door God om “werk” te doen voor Hem. Van Cyrus, een Perzische koning, (Kores in andere vertalingen) lezen we dat hij een “herder” is voor God met betrekking tot het Joodse volk. – Jes.44:28 Hij krijgt zelfs de titel van “gezalfde” = aangestelde door God. – Jes.45:1 YaHWeH heeft hem bij zijn naam geroepen, dus individueel. – Jes.45:4 [Er is nog een voorbeeld in het OT van een “gezalfde”, dat is Mozes, die niet met olie werd werd overgoten. – Hebreeën 11:24-26.] Kijk eens met welke “honneurs” de niet-Joodse Nebukadnezar beschreven is in Gods Woord.  Jes.47:5,6: “Zit neer in stilzwijgen, ga het duister in, dochter van de Chaldeeën; want men zal u niet meer noemen: gebiedster van de koninkrijken. 6 Ik was zeer toornig op Mijn volk, Ik ontheiligde Mijn eigendom en Ik gaf hen over in uw hand, maar u bewees hun geen ja, zelfs voor de oude maakte u uw juk zeer zwaar.”  Ezr.5:12: “Maar omdat onze vaderen de God van de hemel hadden vertoornd, heeft Hij hen in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, de Chaldeeër, gegeven, die dit huis heeft vernield en het volk in ballingschap heeft gevoerd naar Babel.”  Jer.22:25: “en u geven in de hand van hen die u naar het leven staan, en in de hand van hen voor wie u met schrik bevangen bent, namelijk in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën.”  Jer.27:6: “Welnu, Ík heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn dienaar. Zelfs ook de dieren van het veld heb Ik hem gegeven om hem te dienen.” Deuteronomium 17 geeft weer dat de priester tot de autoriteit behoort die rechtspraak zal doen. God is soeverein en bepaald de zaken: het wat, waarom en hoe ervan. Als basis van rechtspraak hebben ze de wet van Mozes.  “8 Als bij de rechtspraak een zaak voor u te moeilijk is, bij geschilpunten binnen uw poorten met betrekking tot bloedvergieten, rechtsvordering of geweldpleging, dan moet u opstaan en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. 9 Dan moet u naar de Levitische priesters gaan, en naar de rechter die er in die dagen is, en hen raadplegen. Zij zullen dan een gerechtelijke uitspraak voor u doen. 10 En u moet handelen overeenkomstig de uitspraak die zij u bekendmaken, vanuit die plaats die de HEERE zal uitkiezen. U moet nauwlettend handelen overeenkomstig alles wat zij u leren. 11 Overeenkomstig de wetsregel die zij u leren, en overeenkomstig het vonnis dat zij voor u uitspreken, moet u handelen. U mag van de uitspraak die zij u bekendmaken, niet afwijken, naar rechts of naar links.”


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 5 TEKSTEN UIT HET NIEUWE TESTAMENT ╠ Titus 3:1: “1 Herinner hen eraan dat zij de overheden en machten onderdanig behoren te zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn en dat zij tot elk goed werk bereid zijn.” Laten we beginnen met deze hier boven, geen al te lange Bijbeltekst die al enkele zaken duidelijk maakt zonder dat er veel theologie aan toegevoegd moet worden. Het bovenstaande kopje kreeg in deze Bijbel, de titel: “Plichten tegen overheid en naasten.” Dat er verantwoordelijkheid van de gelovigen tegenover de overheid gevraagd word is duidelijk. ╠ Romeinen 13:1-7: “1 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld, 2 zodat hij die zich verzet tegen het gezag, tegen de instelling van God ingaat, en wie daartegen ingaan, zullen over zichzelf een oordeel halen. 3 Want voor de overheid hoeft men niet te vrezen, wanneer men goede werken doet, maar wel als men kwade werken doet. Wilt u nu van het gezag niets te vrezen hebben, doe het goede en u zult er lof van ontvangen. 4 Zij is immers Gods dienares, u ten goede. Als u echter kwaad doet, vrees dan, want zij draagt het zwaard niet zonder reden. Zij is namelijk Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade doet. 5 Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen omwille van de straf, maar ook omwille van het geweten. 6 Om die reden immers betaalt u ook belastingen. Het zijn namelijk dienaars van God, die juist daarmee voortdurend bezig zijn. 7 Geef dus aan allen wat u verschuldigd bent: belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eer aan wie eer toekomt.” Jehovah’s Getuigen hadden in de jaren 30 van de vorige eeuw hierbij deze uitleg. “De duivel heeft er voor gezorgd, dat godsdienstige dwepers dezen tekst hebben aangegrepen om de menschen te doen gelooven, dat de “hooge overheden” die menschen zijn, die de officieele posities in de regeering dezer wereld bekleeden” - DE WACHTTOREN, augustus 1936, blz. 100 In 1963 is dat gewijzigd in de volgende leerstelling: “Religieuze organisaties in de christenheid hebben zich schuldig gemaakt aan verzet tegen Gods regeling. Op welke wijze? Door zich tegen de toegestane autoriteiten te verzetten in plaats van zich aan hen te onderwerpen. Op welke wijze? Door zich in de politiek te begeven en pogingen te doen een toppositie in de Staat te bekleden en deze te overheersen (...) Zij hebben geprobeerd de politieke “hogere machten” de baas te zijn, in plaats van zich als ware christenen aan hen te onderwerpen... Zij hebben opstanden ontketend tegen niet-katholieke staten en hebben de leiding genomen bij het omverwerpen van regeringen die niet de goedkeuring van de Kerk hadden. (...) En toch noemt de Rooms-Katholieke Kerk zich de Bruid van Christus en beweert aan zijn bevelen onderworpen te zijn, zoals deze via Paulus in Romeinen 13:1, 2 (NW) en via Petrus in 1 Petrus 2:13-17, 21-24 (NW) zijn verschaft. Thans ontvangt de Rooms-Katholieke Kerk een haar toekomend oordeel” - DE WACHTTOREN, 1 februari 1963, blz.81 Wat is de betekenis van deze passage? Dit lang Bijbelgedeelte (sleuteltekst!) maakt ons duidelijk hoe we moeten aankijken tegen de “menselijke overheden.” Die is door God boven ons geplaatst en we moeten de overheid gehoorzamen. In welke mate dienen we die overheid te gehoorzamen? Wel, op alle gebieden: respect tonen, belasting betalen en wetten en regels die er zijn voor het bevorderen van de menselijke verhoudingen te gehoorzamen. Doen we dat niet, dan tonen we in


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 6 laatste instantie geen respect voor God. Want is Hij niet degene die deze regering boven ons heeft geplaatst? De apostel Paulus wil ons in dit stuk, Romeinen 13:1-7, leren dat hijzelf onder het gezag van Rome staat, ook in de moeilijke tijd van Nero. Behalve hem waren er later nog andere Romeinse Keizers die het christendom niet goed gezind waren. Maar de apostel had geen probleem in de erkenning van dat gezag/regering over hem. Wij mogen niet minder doen? ╠ Mattheüs 22:17-21: “17 Zeg ons dan: Wat denkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? 18 Maar Jezus, die hun boosaardigheid kende, zei: 19 Huichelaars, waarom verzoekt u Mij? Toon Mij de belastingmunt. En zij brachten Hem een penning. 20 En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? 21 Zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tegen hen: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.” Uit deze tekst zien we weeral eens duidelijk, dat men Jezus wil vangen met een af andere spitsvondigheid, maar Hij doorziet wat ze willen. Zijn antwoord: geef Caesar wat van hem is en geef God wat van God is. Anders gezegd, betaal je belastingen aan de staat, maar en daar stopt men dikwijls er staat ook geef aan God wat Hem toekomt. Collecten zijn daarbij de aangewezen manier maar het kan ook door vrijwillige bijdragen: 1 Corinthiërs 16:1,2 / 2 Corinthiërs 8:1-5 / 9:6,7. We zien hier echter ook in deze uitspraak, dat iedere overheid door God aangesteld niet absoluut onbeperkt kan handelen. Ook God heeft zijn rechten en christenen hebben ook de plicht bij te dragen tot de verspreiding van het evangelie. Tertullianus, kerkvader uit de 2de / begin 3de eeuw heeft over deze problematiek een mooie opmerking, die we in zijn geheel laten. Hij schreef dat christenen nauwgezet hun taksen betalen: “Wij zijn geen Brahmanen of Indische fakirs en wij verschuilen ons niet ver van de wereld in de bossen. Ons leven in de wereld heeft ook uw forum, uw vleesmarkt, uw badgelegenheden, uw winkels en werkplaatsen, uw hotels, uw weekmarkten en al dergelijke dingen nodig. Wij varen met u op de zee, wij zijn soldaten en boeren, wij kopen onze waren bij u, en wat wij van kunst en huiswerk vervaardigen komt ook u ten goede. Maar uw godsdienstige feesten vieren wij niet mee. Wij lopen daar niet met kransen op ons hoofd, wij bezoeken niet uw schouwspelen, en wij kopen geen wierook. Inderdaad worden door ons uw tempelbelastingen minder: wij geven ons geld liever aan de armen dan aan uw tempelkassen. De andere belastingen kunnen echter van ons op consciëntieuze betaling rekenen en de staat wint bij ons, wat hij door uw valse aangiften en oneerlijke praktijken te kort komt.” - Citaat uit A. Janse, De geschiedenis der kerk, DE VUURBAAK, Groningen, 1966 ╠ 1 Petrus 2:11-15: “11 Geliefden, ik roep u op als bijwoners en vreemdelingen u te onthouden van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen de ziel. 12 Houd uw levenswandel onder de heidenen goed; opdat zij die nu van u kwaadspreken als van kwaaddoeners, door de goede werken die zij in u waarnemen, God verheerlijken mogen op de dag dat er naar hen omgezien wordt. 13 Onderwerp u dan omwille van de Heere aan alle menselijke orde, hetzij aan de koning, als hoogste machthebber, 14 hetzij aan de stadhouders, als mensen die door hem gezonden worden tot straf van de kwaaddoeners, maar tot lof van hen die goeddoen. 15 Want zo is het de wil van God, dat u door goed te doen het onverstand van de dwaze mensen de mond snoert.” Dat gedeelte spreekt voor zichzelf. We willen slechts wat opmerken over vers 15. Het begrip


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 7 “goed” (Grieks woord n°2570 = kalos) impliceert veel meer dan gewoon het vertellen van de waarheid of van het doen wat juist is. Dat begrip draagt ook het idee van “schoonheid of bevalligheid” mogelijke vertalingen uit het klassieke Grieks. Het heeft ook iets van zaken die eervol en bewonderenswaardig zijn. We gebruiken het ook nog als we het hebben over “mooie mensen” en we niet hun uiterlijk bedoelen maar hun innerlijke mens. We mogen niet alleen getuigenis afleggen van ons geloof met onze lippen, we moeten ook onze levenswandel aanpassen aan ons “praten.” Met ons gedrag en onze goede werken kunnen we een indruk maken op de ongelovigen en ze winnen voor Christus. Jezus, zei dit OOK in Mat.5:16 als we ons geestelijk licht laten schijnen in de wereld is dat al een getuigenis van de waarheid. De krachtige invloed die Christenen kunnen maken op de verloren wereld door een godvruchtig leven te leiden en een liefhebbend getuigenis komt het evangelie ten goede. We kennen allemaal de voorbeelden van een aantal bekeringen simpelweg omdat toegewijde christenen hun “licht” lieten schijnen. Van de andere kant zijn mensen verloren gegaan en hebben het getuigenis van Christus afgewezen omdat het Woord niet inconsequent beleefd werd door de “belijdende” gelovigen. ╠ 1 Timotheüs 2:1,2: “1 Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden1smekingen, gebeden,2 voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen;3 2 Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust4 en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en5eerbaarheid.” Statenvertaling, met de oude aantekeningen hier onder. Alles is duidelijk, je kunt geen goede reden vinden dit niet na te volgen dan wanneer de overheid tegen het evangelie in zou gaan. 1) dat gedaan worden Namelijk niet alleen in het bijzonder, maar voornamelijk in de vergadering der gelovigen, alzo de openbare gebeden een deel zijn van de bediening der leraren. Zie Hand. 6:4.

2) smekingen, gebeden, Hoewel deze soorten van gebeden somwijlen wat breder worden genomen, zo kunnen nochtans deze hier bekwamelijk worden onderscheiden, namelijk dat smekingen zijn verbiddingen van allerlei straffen en zwarigheden; gebeden, begeerten van Gods hulp en van allerlei zegen; voorbiddingen, gebeden of ook klachten, die wij bij God doen voor anderen; dankzeggingen, die geschieden voor de weldaden Gods door ons of anderen ontvangen.

3) voor alle mensen; Dat is, voor allerlei mensen, van welk beroep of volk zij zijn, hogen of lagen, gelijk dit woord alle dikwijls in Gods Woord voor allerlei wordt genomen. Zie Matth. 4:23; Luk. 11:42; Ef. 1:3; 1 Cor. 10:25. En dat het woord alle hier zo moet worden genomen, blijkt uit Joh. 17:9; Gal. 5:12; 2 Tim. 4:14; 1 Joh. 5:16; Openb. 6:10, waar betuigd wordt, dat wij voor allen en ieder niet moeten bidden, ja dat de gelovigen ook tegen sommigen hebben gebeden.

4) opdat wij een gerust Dit nemen sommigen als het doel, of de oorzaak, waartoe de overheden in hoogheid gesteld zijn, namelijk opdat wij onder hunne regering in rust zouden mogen leven, gelijk Paulus ook leert, Rom. 13:3,4. Het wordt


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 8 van anderen ook bekwamelijk gebruikt voor de zaak, om welke wij voor de overheden moeten bidden, daar er dikwijls overheden zijn, gelijk ten tijde der apostelen, die de Kerk Gods vervolgen en zoeken te beletten, dat haar leden in Godzaligheid en rust zouden leven.

5) godzaligheid en Dit gaat den Godsdienst of de eerste tafel van de geboden Gods aan, gelijk het volgende woord eerbaarheid, of zedigheid, op de geboden van de tweede tafel, en op de diensten, die de een den ander schuldig is, slaat. Want de rechte overheden zijn bewaarders, of beschermers, van de beide tafelen der wet.

╠ Handelingen 5:29: “Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen.” Het sanhedrin vroeg de apostelen niet meer te spreken over Jezus en dat kan natuurlijk niet. Dit is één enige uitzondering in het NT waar de gelovige niet de overheid kan of mag gehoorzamen: dat is wanneer zij van hem de overtreding van een Goddelijk gebod zou vragen. In zo een geval moet hij God meer gehoorzamen dan de mensen. Er is een voorbeeld daarvan in het OT als Daniël en zijn drie vrienden niet willen buigen voor het beeld van de staat/koning. Dat weigeren brengt soms tot lijden en in extreme gevallen de dood. Gaat het hier in het Sanhedrin om een “wet?” Wellicht wel, want dat is per definitie een omschrijving van wat men moet “doen” of “niet mag doen.” Twee voorbeelden: wij moeten belasting betalen (dat is het “doen” van de wet), en we mogen niet stelen (dat is het “niet doen” van een gebod). Wat hier aan de orde is gaat buiten de gronden waarover de autoriteit is aangesteld: ze kan de wet van God niet verbieden. Het preken was hun opgelegd. De hoogste plaats hier op aarde berust bij Jezus Christus. Hij staat boven alle overheden.  Epheze 1:21: “ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de komende.”  In Mattheüs 28:18 staat: “En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.”  Openbaring 1:5: “en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden en de Vorst van de koningen der aarde, Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.” ╠ Handelingen 22:25-29: “25 En terwijl zij hem met de riemen in gestrekte houding vastbonden, zei Paulus tegen de hoofdman over honderd die erbijstond: Is het u geoorloofd een Romein te geselen, en dat nog wel onveroordeeld? 26 Toen de hoofdman over honderd dat gehoord had, ging hij naar de overste en berichtte het hem; hij zei: Pas op wat u gaat doen, want deze man is een Romein. 27 En de overste ging naar hem toe en zei tegen hem: Zeg mij, bent u een Romein? En hij zei: Ja. 28 En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een groot bedrag verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben zelfs zogeboren. 29 Meteen lieten zij die hem zouden verhoren hem verder ongemoeid. En ook de overste werd bevreesd, toen hij merkte dat hij een Romein was en dat hij hem had vastgebonden.” Een buitengewoon mooi voorbeeld is dit: als een gelovige beroep doet op de regering en die komt haar taak na, dan heb je ook rechten. In dit geval bescherming tegen willekeur van handelen van de mindere “overheid.” Adam Clarke heeft in zijn ‘Commentary’ de volgende nota bij vers 28:


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 9 “Maar ik was vrij geboren. Het is algemeen aangenomen dat de bewoners van Tarsus, geboren in die stad, dezelfde rechten en privileges hadden als Romeinse burgers, ten gevolge van een charter of gunst van Julius Caesar. Calmet bestrijdt dat echter, omdat Tarsus een vrije niet koloniale stad was, en hij veronderstelt dat de vader van Paulus zou kunnen beloond zijn met de vrijheid van een Romeins burgerschap voor een aantal militaire diensten, en dat Paulus als gevolg vrij was geboren. Maar dat de stad Tarsus de voorrechten had van een vrije stad lijkt zeer waarschijnlijk. In Handelingen 21:39 zegt Paulus dat hij werd geboren in Tarsus in Cilicië, en in Handelingen 22:28, zegt hij dat als vrije geboren te zijn, en later in Handelingen 22:26, noemt hij zichzelf een Romein, zoals hij ook had gedaan in Handelingen 16:37. Dus mogen we besluiten dat, zonder veel show, Tarsus, hoewel geen Romeinse kolonie was, toch dit voorrecht verleend werd en dat de inwoners burgers van Rome waren. Zie Plinius, in Hist. Nat. boek v. 27, die vertelt dat Tarsus een vrije stad was.” ╠ Handelingen 25:10-12: “10 Maar Paulus zei: Ik sta voor de rechterstoel van de keizer en daar behoor ik geoordeeld te worden. Ik heb de Joden geen onrecht gedaan, zoals ook u heel goed weet. 11 Want als ik onrecht doe en iets gedaan heb wat de dood verdient, weiger ik niet te sterven; maar als er niets waar is van dat waarvan zij mij beschuldigen, kan niemand mij bij wijze van gunst aan hen uitleveren. Ik beroep mij op de keizer! 12 Toen antwoordde Festus, nadat hij met de raad gesproken had: U hebt u op de keizer beroepen? U zult naar de keizer gaan.” De IVP New Testament Commentaries die ondertussen op http://www.biblegateway.com staan hebben een volgende commentaar hierop. Het geeft duidelijk aan dat de “overheid”, Rome in dit geval, de door God ingestelde macht is en dat Paulus daar kan op terugvallen. Hij zal later in Rome nog getuigenis afleggen in het huis waar hij in bewaring is gebracht. Dit is het evangelie ten goede gekomen, zoals ook de vervolging van christenen toen en thans dat kan zijn. “Ik beroep me op Caesar! Paulus onthult niet alleen zijn eigen integriteit, waarin hij toegeeft dat indien hij schuldig is niet zal weigeren om de volledige straf en ban te ondergaan, maar hij ontmaskert ook de tekortkomingen van de gouverneur. De gouverneur weet dat Paulus onschuldig is, maar zal hem geen vrijspraak geven. De gouverneur heeft een verandering van de plaats van rechtspraak voorgesteld, die op een illegale wijze de verandering van de jurisdictie is. Want “Paulus overleveren” (charizomai) aan de Joodse leiders is inderdaad de Joden een gunst (Grieks “charis”, in 25:9) verlenen. De enige manier om deze tekortkomingen te overwinnen voor Paulus is: de zaak uit de handen van deze lagere rechter te nemen. Door een rechtstreeks beroep te doen voor een proces in het keizerlijk hof, dat het recht is van iedere Romeinse burger, stopt Paulus de gerechtelijke procedure (…). Deze scherpzinnigheid stelt Paulus in staat de morele tekortkomingen van de gouverneur en de noodlottige resultaten die zij waarschijnlijk zouden produceren af te wenden. Het maakt het ook mogelijk dat Paulus het initiatief kan behouden van het goddelijke “moeten” en hij de uiteindelijke controle over zijn persoonlijke lot (23:11) heeft. Wederom heeft God in Zijn voorzienigheid, de beslissingen van individuen en naties bevolen, zodat de beroepsprocedure die nu ingebed is in het Romeinse recht door hem kan worden gebruikt, hij die geboren werd als een Romeins burger. Maar het vereist van Paulus geloof uit te oefenen, moed, integriteit en scherpzinnigheid.


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 10 Festus gaat dan in beraad. Het was gebruikelijk dat de gouverneur, zelfs de keizer, een lichaam van beoordelaars hebben - hogere militaire officieren, jongere ambtenaren in opleiding en hoogwaardigheidsbekleders van de lokale bevolking - om te helpen rechtszaken te evalueren. Festus wil er zeker van zijn dat het beroep in orde is en gebaseerd op de aard van klachten die zijn in gebracht. Zo verzekert, maakt hij de bondige verklaring: U moet een beroep doen op Caesar. Naar Caesar zul je gaan! De macht van Rome beschermt de apostel en de macht van Rome zorgt zelfs voor de transport. Paulus zal getuigenis afleggen in Rome, mogelijk voor de keizer zelf (Handelingen 9:15 / 23:11).” HOE GAAT GOD TE WERK? De hoogste plaats hier op aarde berust bij Jezus Christus. Hij staat boven alle overheden.  Epheze 1:21: “ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de komende.”  In Mattheüs 28:18 staat: “En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.”  Openbaring 1:5: “en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden en de Vorst van de koningen der aarde, Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.” Gods invloed op de wereldgeschiedenis komt in de praktijk op deze 4 punten neer. 1°) God bestuurt de geschiedenis door het aanstellen en laten vallen van heersers of regeringen. Dat blijkt specifiek uit een reeks teksten die te maken hebben met het koninkrijk Israël/Juda.  Hoséa 13:11: “In Mijn toorn gaf Ik u een koning, Ik nam hem weg in Mijn verbolgenheid.”  Klaagliederen 3:38: “Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort mem het kwade en het goede?”  Amos 3:6: “Of wordt in een stad de bazuin geblazen zonder dat het volk beeft? Of komt er kwaad in de stad voor zonder dat de HEERE dat doet?” Het frappante voorbeeld uit het NT is wat in Johannes 19 staat. Tijdens de ondervraging en veroordeling van Jezus door Pilatus heeft het volgende gesprek plaats gehad:  “10 Pilatus dan zei tegen Hem: Spreekt U niet tot mij? Weet U niet dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten? 11 Jezus antwoordde: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven gegeven was; daarom heeft hij die Mij aan u overgeleverd heeft, een grotere zonde dan u. 12 Van toen af probeerde Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden: Als u Deze loslaat, bent u niet de vriend van de keizer; iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen de keizer.” 2°) Maar niet alleen over Zijn koninkrijk weet YaHWeH het heden en de toekomst maar dat gaat ook op voor alle volkeren. Gods invloed strekt zich uit over de wereld van de natuur zoals een zondvloed, aardbevingen, epidemieën en hongersnoden. Dan zijn er verder ook dingen als oorlogen en opstanden. Dat zal allemaal te maken hebben met straffen van afvalligheid en dergelijk meer. Men vraagt wel eens hoe het komt dat Stalin of Hitler zo bruut te werk zijn gegaan. Waarom niet denken aan deze mogelijkheid dat Satan hier wat mee te maken heeft. Als men achter


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 11 de werking van Satan niet kan doordringen, dan geeft de man/vrouw van de straat God schuld aan deze dingen. Anderzijds zijn het dan weer de christelijke invloeden geweest die zowel Stalin als Hitler ten val gebracht hebben. Dat mes snijdt aan beide kanten.  Jesaja 45:7: “Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik maak de vrede en schep het onheil; Ik, de HEERE, doe al deze dingen.” 3°) God beinvloedt ook de geschiedenis door middel van zijn engelen. Deze staan onbeperkt ter beschikking van wat God staat te doen. Hij werkt door Zijn engelen aan te stellen zaken de doen in Zijn naam. In het Boek Daniël staan enkele teksten die aantonen dat engelen zich bemoeien met de wereldrijken.  Psalm 103:20,21: “20 Loof de HEERE, u, Zijn engelen, sterke helden, die Zijn woord uitvoeren, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt. 21 Loof de HEERE, al Zijn legermachten, dienaren van Hem, die Zijn welbehagen doen.”  Hebreeën 1:14: “Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die de zaligheid zullen beërven?” 4°) Bovendien beïnvloed God politieke stromingen en meningen en dat kan ten goede zijn als ze zich bekeren maar ook omgekeerd, ten kwade bij halsstarrige afvalligheid of obstructie van Gods plannen.  “Het hart van een koning is in de hand van de HEERE als waterbeken.” - Spreuken 21:1  “Hij deed Zijn volk zeer toenemen en maakte het machtiger dan zijn tegenstanders. Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten en Zijn dienaren listig behandelden.” Psalm 105:24,25  “Hij dacht hun ten goede aan Zijn verbond; Hij had berouw, naar Zijn grote goedertierenheid. Daarom gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden” - Psalm 106:45,46 WAT MOET ONZE HOUDING ZIJN TEGENOVER DE OVERHEID Waarom zouden christenen onderworpen moeten zijn aan de wereldse autoriteit? Een eerste reden is dat we geen aanleiding hebben ons te verzetten tegen deze regeling die door God in het leven wordt geroepen. We hebben dus alle reden om onderworpen te zijn. Natuurlijk kan een regeringsleider corrupt zijn. Maar de normale gang van zaken is dat wanneer burgers het goede doen, dat wil zeggen, zich aan de wetten houden iedereen een grote mate van bescherming heeft. Als iemand zich schuldig maakt aan wetteloosheid, aan diefstal, moord of wat dan ook, zal men van de autoriteit het oordeel daarover mogen verwachten. De opzettelijke moordenaar zal voor zijn misdaad terechtgesteld worden. Wie door het rode licht zal rijden krijgt een boete of sanctie want dat gedrag brengt anderen in gevaar. Ten tweede: er is een uitzondering. Dat is als regel te vinden in Handelingen 5:29 WIL waar Petrus zegt: “God moet men meer gehoorzamen dan de mensen.” Hoe moet onze houding zijn tegenover de overheid? Dit is een derde reden! We lezen in de Schrift duidelijk dat we ons moeten onderwerpen aan de overheid. Met andere woorden: we moeten de overheid gehoorzamen. In Romeinen 13 en 1 Petrus 2:13,14 zeggen Paulus en Petrus dat onverbloemd: we dienen ons aan alle menselijke instellingen te onderwerpen. Aan de keizer en stadhouders. Als de gelovige de staat erkend is dat in overeenstemming met Gods wil. Jezus had het erover in Mattheüs 22:21: we geven de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. Laten


CHRISTENEN EN DE OVERHEDEN 12 we als gelovigen geroepen zijn, ons in Bijbelse gehoorzaamheid te onderwerpen aan de organen die de overheid heeft ingesteld. Als God dat van ons vraagt als een principe dat is dit uiterst belangrijker, we kunnen Gods instelling toch niet naast ons neerleggen. En een laatste punt. Het ligt voor de hand dat als een regeerder zijn autoriteit misbruikt hij daarover bij God rekenschap zal afleggen. De apostel Paulus beschreef dat duidelijk: “Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat dat over aan Gods toorn; er staat immers geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal vergelden, zegt de Heer.’” – Rom.12:19 WIL Voor burgerlijke ongehoorzaamheid is dus in de Schrift geen plaats! De regeringen hebben waardevolle diensten in het leven geroepen teneinde onze veiligheid, en welzijn te waarborgen. Wat wil zeggen: ze hebben ook het recht om de vergoeding voor deze diensten in de vorm van belasting te innen. Jezus zei tot zijn apostelen maar ook tot ons:  “Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf.” - Johannes 15:10 HVS o “Als je mijn opdracht ter harte neemt, zul je in liefde met Mij verbonden blijven, zoals ook Ik de opdracht van mijn Vader ter harte heb genomen en met Hem in liefde verbonden blijf.” - Johannes 15:10 Willibrordvertaling  “U bent Mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied.” - Johannes 15:14 HVS o “Mijn vrienden zijn jullie, maar dan moeten jullie ook doen wat Ik jullie opdraag.” Johannes 15:14 Willibrordvertaling

Christenen en de overheden  

Dat de profeet Daniël wijst naar ondermeer de opkomst en ondergang van rijken als Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome daar zal de gewo...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you