Page 1

Hoofdstuk 2

FLARDEN UIT HET VERLEDEN 2.1. KONTICH Voor velen is Kontich één van de vele gemeenten die langzaam maar zeker door randstad Antwerpen worden opgeslorpt. Voor sommigen begint - of eindigt - hier het platteland. Enkelen hebben horen spreken over de “ramp van Kontich” en ook de naam “Kontich-Kazerne” is spreekwoordelijk geworden. Toch is dit dorp ooit belangrijker geweest dan Antwerpen. Wie zich in dat verleden wil verdiepen, kan in het monumentale geschiedeniswerk van wijlen Robert Van Passen duiken of het knappe Museum voor Heem- en Oudheidkunde bezoeken. In deze historische schets is alleen maar ruimte voor enkele krachtlijnen en merkwaardigheden. Over de prehistorie kan weinig worden verteld, gezien de enige getuigen - de walvissen, dolfijnen en haaien - ondertussen helaas verdwenen zijn. Het doet toch wel vreemd aan als we ons realiseren dat zovele miljoenen jaren geleden de zee tot op ons grondgebied kwam. Kontich Plage, stel je voor! Getuigen hiervan vind je in het museum: ruggenwervels van walvissen, de schedel van een spitsneusdolfijn en vooral veel haaientanden. Veel jonger zijn de mammoettanden: toen die kolos Kontich onveilig maakte had de zee zich al lang teruggetrokken. En zwierf hier ook de wolharige neushoorn, het rendier en... de Neanderthaler rond.

Schelde, Nete en Rupel waren nog niet de gekanaliseerde rivieren die wij nu kennen. Minder dan 1.000 jaar geleden was de invloed van de zee tot hier merkbaar en de rivieren waaierden breed uit, zodat ook de afwatering na regenval veel trager gebeurde. Het gevolg was dat de lager gelegen gebieden onbewoonbaar waren en dat de voorhistorische mens de hoger gelegen plekken opzocht om te wonen. Kontichse Oude Belgen Toen in 1937 de Koningin Astridlaan werd aangelegd, werden er ter hoogte van de Beukenlaan stenen gebruiksvoorwerpen opgegraven. Die stenen dateren uit het begin van het Neolithicum, inderdaad: het Jonge Steentijdperk, dat liep van 2.600 tot 1.600 vóór 0 (of vóór Christus, zoals wij vroeger op school leerden). Kontich moet er toen uitgezien hebben als een oerwoud met ondoordringbare moerassen, zoals het Broekbos en de laaggelegen weiden daaromheen. Gedurende de volgende eeuwen woonden hier alleen maar herten, beren, wolven en andere min of meer lieve dieren, want er zijn geen menselijke sporen meer te vinden tot de bronstijd en de ijzertijd. Zoals de naam laat vermoeden, had de mens toen de stenen wapens en werktuigen vervangen door voorwerpen in metaal. Toen men in 1898 een bos wou planten in de buurt van Duffelshoek, op een 13


perceel dat in de volksmond “Pronkenberg” heette, stootte men op enkele grote urnen met daarrond massa’s bijpotjes en overblijfselen van beenderen. Een andere vindplaats was het Blauwesteenbos, nu een industrieterrein. Ook daar werden dus voorlopers van onze “Oude Belgen” begraven, maar of dat nu al in de 11de of pas in de 7de eeuw vóór 0 was, daar zijn de geleerden nog niet uit. Vanaf 450 vóór 0 kwamen hier Galliërs wonen. Het waren boeren die schapen en geiten hielden en gerst en knolgroenten teelden. Zo woonde er een stam op het huidige Neerveld, de Alfsberg en tussen de Kauwlei en de Ooststatiestraat. Zij woonden er nog toen Julius Caesar met zijn Romeinen kwam binnenmarcheren: ofwel vermoordden zij hen ofwel voerden zij hen als slaven weg. Rond het begin van onze jaartelling mochten nieuwe volksstammen de vrijgekomen grond bewonen. Toch blijkt dat het nog bijna honderd jaar duurde eer ze zich lieten “romaniseren”. En dan zitten we al op het einde van de eerste eeuw van onze tijdrekening. Van 1964 tot 1987 deed de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (AVRA) op de vroegere woonplek van die Oude Belgen opgravingen. Daaruit bleek dat de meeste gebouwen van die Gallo-Romeinen nog in hout en vlechtwerk waren opgetrokken en met leem waren bestreken. Het dak was van stro. In de grond vonden ze interessante scherven van aardewerk: sommige potten waren eenvoudig, met de hand gevormd. Voor andere fijnere voorwerpen hadden onze voorouders een draaischijf gebruikt. Ze troffen zelfs kostbaar Romeins luxe keukengerei 14

aan, dat als “terra sigillata” (gestempeld aardewerk) bekendstaat, het Val Saint-Lambert van die tijd. Nog meer fraais dat gevonden werd, ligt te pronk in het Museum: bronzen sieraden, glas en muntstukken. En niet te vergeten: de hele pottenbakkersoven die werd blootgelegd, met inhoud en al. Alleen jammer dat hij 1800 jaar eerder was ingestort, want zo vind je natuurlijk alleen maar misbaksels…

In het museum staat ook een maquette van de tempel, één van de grootste die er in onze omgeving is gevonden. De constructie was stevig, want op dit dak lagen pannen. En in de omgeving ervan werden votiefbeeldjes van Romeinse goden en offerresten gevonden. Merkwaardig was dat er ook een zwaard van het Germaanse type


bovenkwam. Op basis van de sporen in de grond kon men een hele straat reconstrueren (op papier weliswaar), waarlangs een hele reeks eenvoudige huisjes van boeren en arbeiders stond. De belangrijkste huizen, de villa’s, stonden het dichtst bij de tempel. Dwars door dit oude dorp werd op het einde van de 20ste eeuw een nieuwe straat getrokken, met de toepasselijke naam “Gallo-Romeinenlaan”... Ook op de Alfsberg stond een villa: dat blijkt onder meer uit de fragmenten van een “hypocaustum”, Romeinse vloer- en muurverwarming. Deze plek is in de volksmond beter gekend als de IJzermaalberg: er werden dan ook sporen van industrie gevonden. Uit dat ijzermaal wonnen de bewoners immers ijzer! De “slakken” gebruikten ze om de Romeinse weg te verharden. Maar er moeten nog andere plaatsen bewoond zijn geweest. Een getuige daarvan is de Romeinse waterput die

werd gereconstrueerd in het Gemeentepark. Die was in 1947 gevonden in de velden links van de Groeningenlei, vlak voorbij de brug over de E19. Het dakje is uiteraard van recente makelij! Dergelijke relicten wijzen er op dat de weg van ons Gallo-Romeins dorp (Condacum of Contiacum) naar Wilrijk (Villariacum) druk bewoond was. En wat er in Antwerpen in die periode is gevonden, duidt maar op een klein gehucht! Condacum of Contiacum? En zo zijn we terloops op de oudste naamgeving van Kontich gestoten. Eigenlijk weten we daar niet veel van. Er zijn drie “sagen” om uit te leggen hoe Kontich aan zijn naam is gekomen. Eerst de mooiste. Er stond eens een reus met zijn ene voet op de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen en met de andere op de 15


Sint-Romboutstoren van Mechelen. En in ’t midden, vlak onder zijn... achterste, juist, daar lag Kont-ich. Dat is uiteraard een vertelselke voor kinderen! Een tweede verhaal ging uit van de veronderstelling dat de oudste naam van onze gemeente Condacum was. In de taal van onze voorouders, de Kelten en Gallo-Romeinen, betekende dat “de plaats bij de samenvloeiing”. Inderdaad: wat verder vloeien Rupel en Schelde samen. Toch wel een uitgestrekt gebied! En het centrum ligt dan wel ver van het water... Toch zou Kontich zich uitgestrekt hebben tot aan Rupel en Schelde en omvatte het Aartselaar, Boom, Edegem, Hemiksem, Hove Lint, Mortsel, Niel, Reet, Schelle en... Waarloos. Een derde hypothese gaat uit van een naam als Contiacum: de nederzetting van Contius, de naam van een Keltisch hoofdman. Een collega van Abraracourcix dus, voor wie de strips van Asterix leest. En dat er hier Kelten of “Oude Belgen” hebben woonden, werd al eerder in deze tekst aangetoond. Deze stelling wordt tegenwoordig al meer aanvaard, maar ook hier weer geen zekerheid. Het zou immers nog 1.000 jaar duren eer men iets opschreef! Vroege middeleeuwen Volgens de legende zou de heilige Renilde hier zijn geboren. Zij was niet de minste: haar moeder (ook al een heilige) Amelberga was de zus van Pepijn van Landen, en die was op zijn beurt voorvader van Karel de Grote. Dat er weinig kans is dat ze hier werkelijk werd geboren, werd elders uitvoerig aangetoond. Wat wel vaststaat 16

is dat zij hier grond bezat en die schonk aan de abdij van Lobbes in Henegouwen. Dat gebeurde in de zevende eeuw, toen men nog volop heidenen aan het bekeren was. Enkele eeuwen later gooiden de Vikingen hier een en ander overhoop. En zo komt het dat de bisschop van Kamerrijk in 1149 nog eens moet bevestigen dat de kerk van Kontich eigendom is van Lobbes. Dat was wel belangrijk, want behalve dat zij dan het recht hadden om een pastoor te benoemen, mocht de abdij ook de tienden innen, m.a.w. een belasting van 10% van de oogst opeisen. Dat jaar 1149 is ook de eerste geschreven vermelding die verwijst naar een kerk. Nu was Kontich in die tijd een speciale gemeente: er stonden hier toen twee kerken. En het strafste was dat ze amper op een steenworp van elkaar stonden. De oudste is ondertussen verdwenen: dat was het oorspronkelijke Sint-Martinuskerkje. Het stond op het huidige Sint-Martinusplein. Daarrond lag het uitgestrekte kerkhof, waar alle parochianen, ook die van heinde en verre, een laatste rustplaats kregen. Het was immers de gewoonte om in de moederparochie te worden begraven.


Dat Sint Maarten al van oudsher hier werd vereerd, bewijst ook het bestaan van de Sint-Martinusput in de Nachtegaalwijk. Deze doopput wijst ons terug naar de tijd van het vroegste christendom, toen verwoede pogingen werden gedaan om de bevolking hier te “bekeren”. Wellicht was deze bron zelfs al bekend in de tijd van de Kelten. Een bron met zuiver water was van levensbelang. In de religie van onze voorouders kregen dergelijke plekken vaak een magische betekenis. Pittig detail is dat het water van deze bron nog tot honderd jaar geleden werd geput om...oogkwalen te genezen! Maar we zijn afgedwaald van onze tweede kerk. Die stond binnen de dorpsmuren, op het grondgebied van het Mechelse geslacht van de Berthouts. Andere delen van Kontich behoorden toe aan de hertogen van Brabant en sloten aan bij het Land van Rijen. Dat was geen eenvoudige situatie en leidde tot heel wat bestuurlijke en juridische verwikkelingen. In ieder geval: zo’n kerk was belangrijk, want dan kon je een pastoor aanstellen. En die geestelijke herder werd ook verondersteld de nodige belastingen in zijn “tiendenschuur” te verzamelen. Vandaar die tweede kerk, die werd gebouwd tussen 1088 en 1149 en toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Ze kozen daarvoor de vroegere Frankische biest, die in onbruik was geraakt. Zo’n biest was een gemeenschappelijk dorpsplein, met een drinkplaats voor de dieren (waarin biezen groeiden). De Berthouts dachten ook aan de veiligheid van hun onderdanen. Zij voorzagen de kerk van een massieve toren in Romaanse stijl met muren van meer dan één meter dik.

Daarin konden de parochianen zich terugtrekken wanneer de Noormannen of andere snoodaards hier op plundertocht voorbijtrokken. Met opzet was er onderaan geen deur: die is er veel later in uitgehouwen. Zij kropen via een ladder omhoog, die dan zo nodig kon binnengetrokken worden. En de dikke stenen muren waren lekker vuurbestendig! Het oudste en veel eenvoudigere kerkje was grotendeels van hout en met een strooien dak, dus minder - om niet te zeggen niet - opgewassen tegen al dat geweld of tegen de vaak voorkomende dorpsbranden. Het raakte in onbruik en in de zeventiende eeuw of daaromtrent werd het afgebroken. Brokstukken werden gebruikt in de fundamenten voor een nieuwe boerderij er vlak naast. Er zat zelfs een fragment van de doopvont in uit de 12de eeuw! Dat is allemaal aan het licht gekomen toen de Oude Eendracht - de hoeve was ondertussen de stamherberg van het schuttersgild geworden - op het einde van 1979 werd afgebroken om de Sint-Jozefsschool te vergroten. En zo weten we dat al in de 16de eeuw niet alleen de eredienst maar ook de naam van de patroonheilige geleidelijk aan overgedragen werd naar de “nieuwe” kerk. Het Oude Regime Kontich leek destijds een beetje op Baarle-Hertog/Nassau: een versnipperd gebied dat toebehoorde aan twee heren van hoge adel. De hertog van Brabant wees op zijn beurt de “heerlijkheid” van Kontich (zo werd toen een gemeente genoemd) toe aan een “lagere” heer, als pand of tegen 17


betaling. Die “heren van Kontich” vertegenwoordigden hier het wereldlijk gezag, met recht op leven en dood van hun onderdanen. Zij hadden meestal beide gedeelten in hun hand, en zouden er in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw voor zorgen dat er meer eenheid kwam. De namen van die heren van Kontich zijn bekend en staan vermeld in de Geschiedenis van Kontich: Koenraad Pot (1505), Frans de Schot (1558), kardinaal Granvelle (1572), Lucas van Opmeer (1626) en verschillende leden van het Spaans-Portugese geslacht Franco-y-Feo (1664-1794). De meeste van deze heren hadden hun kasteel te Kontich. Zo was Groeningenhof traditioneel het verblijf van deze heren, vanaf Lucas van Opmeer tot op het einde van de 18de eeuw, toen de Fransen korte metten maakten met het “Ancien Régime”. Het wordt trouwens nog altijd Kontich(s)hof genoemd. Sinds 1830 is het eigendom van de familie della Faille, de vroegere heren van Waarloos. Het prachtige waterkasteel van Groeningen kreeg zijn huidige uitzicht in neo-renaissancestijl rond 1850. Toch zijn er nog gedeelten bewaard die vele eeuwen ouder zijn. Kontich telt nog enkele “hoven van plaisantie”, zoals dergelijke optrekjes werden genoemd. Zij werden gebouwd als luxueuze buitenverblijven voor de adellijke en rijke burgers van de koopmansstad Antwerpen. In oorlogstijd dienden ze vaak als schuilplaats voor de Kontichse bevolking en het vee. Ze waren immers stevig gebouwd en omringd door beschermende grachten. Zo is er nog het minder bekende maar prachtige Tanghof, ook Rozenhof 18

genoemd, op het einde van een (eveneens beschermde) dreef, de Reepkenslei. Het heeft een gaaf gebleven rococo-uitzicht gekregen. De andere hoven zijn verdwenen. Boutersem was ooit een prachtige vesting in het Kontichse Broek. Tot aan de Eerste Wereldoorlog was het een buitenverblijf van de familie Spruyt. Tot de Duitsers er een hoofdkwartier in vestigden. Sindsdien wilde de familie er geen stap meer in zetten. De bevolking hielp de tand des tijds, en geen klein beetje. Nu blijven er nog alleen kelders, stukken muur en brede grachten over. En een herinnering in enkele straatnamen. Andere kastelen waren al eerder verdwenen: dat van Vrijsele (nu de Baddenbroekse hoeven, rechts van de Groeningenlei, aan de neergebliksemde oude eik), Ten Eekhoven of Blauwe Steen (aan het einde van de Blauwesteenstraat en zo genoemd naar de plaats waar de executies plaatsvonden: vlakbij de grote steenweg stond de galg, zodat de passanten konden zien dat het hier menens was), het Pluysegemhof (nu onder een voormalige betonfabriek en een technische school; de dreef ernaartoe is de Pluysegemstraat geworden) en daar al te na(bij) nog het kasteel van Altena. En dan vergeten we er nog enkele! Langs oude wegen Die nobelen en notabelen hadden het goed gezien: Kontich was gunstig gelegen, ver van alle drukte en toch goed bereikbaar. Het dorp had zich in de bocht van de Heerbaan van Antwerpen naar Mechelen gevormd: een weg die er al lag in de tijd van de


Romeinen en later de Nerviërs. Nu is dat de Antwerpse en de Mechelsesteenweg. De voetweg sneed min of meer die bocht af. Deze “Kleine Steenweg” werd op het einde van de 19de eeuw opgesplitst in de Magdalenastraat en de Sleutelstraat, met daartussen de Varkensmarkt. Dat laatste pleintje lag vlak achter de tuin van de pastorie: het Sint-Jansplein is dat immers eeuwen geweest. Nu wordt er verwoed basket gespeeld, maar als je goed kijkt, dan herken je in hun clubhuis een eeuwenoud gebouw: de vroegere pastorie. In de muurankers zijn de initialen van Arnoldus van Hembeeck verwerkt, de pastoor die het gebouw in 1650 liet optrekken: AVH. Waarschijnlijk gebeurde dat vlak naast de vorige, bouwvallige pastorie en de tiendenschuur. In de tuin was er een ganzenpoel die af en toe voor een vette brok zorgde! Rond de ommuurde tuin liep de Pastoorsgracht, die verder afvloeide langs de Broekstraat (nu Ooststatiestraat) naar de Boutersembeek. Hoeveel mensen er in het vroegere Kontich woonden, kan nu maar ruw worden geraamd. Voor het jaar 1374 wordt het aantal geschat op 700, voor het grondgebied dat ongeveer het huidige Kontich plus Lint beslaat. Lint is immers een voormalig gehucht dat pas in 1869 een zelfstandige gemeente werd. Voor de 15de eeuw schommelt het getal tussen 800 en 1.000. In 1526 bereikte de bevolking het getal 1.230, waarna een inzinking merkbaar is, tot amper 710 inwoners in 1600: Spaanse troepen en vrijbuiters, zoals het zootje ongeregeld onder leiding van de beruchte Maarten van Rossem, teisterden onze streken! In de

17de eeuw gaat het cijfer weer omhoog naar ongeveer 1.900. Daarna worden de gegevens preciezer: in 1766 worden 2.188 inwoners opgegeven, en in 1789 zelfs 2.790! Het inwoneraantal stijgt verder: in 1840 staat 3.687 genoteerd, in 1900 wordt de kaap van 5.00 overschreden (ondertussen zonder Lint) en het precieze cijfer voor 1950 is 9.393. Daarna gaat het razendsnel omhoog: meer dan 15.000 in 1973, met Waarloos erbij wordt het in 1976 al 17.761 en intussen zijn het er al meer dan 20.000 geworden. Zoals blijkt uit de evolutie van het bevolkingscijfer, is Kontich evenmin als de rest van de regio gespaard gebleven van oorlog en ellende. Dat was dan weer een nadeel van vlak naast die heerbaan te liggen! De benden van Maarten van Rossem lieten een spoor van roof, moord, vernieling en brand achter zich in 1542. Ook de pest kwam

De Reepkapel op de hoek van de Mechelsesteenweg en Reepkenslei. 19


hier langs, van de middeleeuwen tot in de 17de eeuw. De zieken werden buiten het dorp verbannen en moesten wegkwijnen in “pesthuisjes” in de buurt van de Reepkenskapel. Huizen van hout en leem, met daken van stro, waarin ’s winters de open haard duchtig brandde: dat roept om brandgevaar. Er zijn verschillende rampen gekend: in 1538 en 1686 werd telkens een aanzienlijk deel van de dorpskom in puin en as gelegd, in 1572 moest zelfs de kerk het mee ontgelden. De sporen zijn nu nog te zien. Van boerendorp… In de tijd van de Franken was de dorpskern een driehoek, begrensd door een stukje Antwerpse steenweg, de Magdalenastraat, het Sint-Jansplein en een stukje Mechelsesteenweg. Alles in termen van vandaag natuurlijk. In de 15de eeuw was daar de spie bijgekomen die wordt gevormd door de Sleutelstraat en de Mechelsesteenweg. In die tijd werd dat centrum de “Plaetse” genoemd. Rond het kerkhof met het oude kerkje werden stilaan ook grote huizen gebouwd en een kleine lakenhalle. Kontich was immers bekend voor de productie van laken of wollen stof. Niet zo bekend als Duffel, waarvan de dekens “duffels” werden genoemd en nu nog voortleven in “duffelcoat”. Maar toch. Ook andere textiel werd hier geproduceerd, zoals linnen. Het vlas dat daarvoor werd gebruikt, werd hier verbouwd (op de vlasaard), geroot in vlasputten, verwerkt (gezwingeld en gehekeld), gesponnen, geweven en gebleekt, nog tot in de 19de eeuw. Het klinkt als een gedicht, maar voor de 20

werkers was het hard labeur! Hierbij kan nog worden vermeld dat Kontich zich in de loop der eeuwen een behoorlijke reputatie van hoedenmakers had weten op te bouwen. Kontich was in de eerste plaats echter een boerendorp. De Franken en hun opvolgers pasten het drieslagstelsel toe: één strook grond voor winter-, één voor zomergewassen, en één lieten ze “braak” of onbebouwd liggen. Bij gebrek aan meststoffen moest men dat een beurt laten rusten. Sommigen gebruikten mergel of leem om hun akkers te bemesten. Die werd gehaald uit de mergelput aan de Molenstraat, nu onder de speelplaats van de Abraham Hansschool. Bepaalde gedeelten van het grondgebied waren “vroente” of gemeenschapsgronden: Kontichbroek

Het hoedenmakersalaam uit het museum.


en Boonwit bijvoorbeeld. Op deze uitgestrekte weiden konden de dorpelingen hun vee laten grazen. En te midden van al die percelen lagen de hoeven, soms gegroepeerd in gehuchten, zoals Pluysegem, Duivelshoek (het latere Duffelshoek), Keizershoek, Pierstraat en Lint. In de 19de eeuw kwam daar Kontich-Kazerne bij. Bepalend voor het landschap van weleer waren ongetwijfeld de molens. Daar kon de boer zijn graan laten malen. Op bepaalde ogenblikken waren er vier die tegelijkertijd hun wieken konden laten draaien. Aan de Bergstraat stond de molen op de Luisterbol (vandaar ook enigszins verbasterd de“Lijsterbolstraat”). De Rijkerooimolen stond op het gelijknamige gehucht nabij het Tanghof. Waar nu het bedrijf Groeninghe is gevestigd, aan het begin van de Groeningenlei, stond de Vrijselmolen: die is nog op postkaarten te vinden, want hij werd pas in 1910 afgebroken. Verder was er de molen bij Altena, aan de Antwerpsesteenweg. Een molen van jongere datum werd in 1816 opgericht op het Ploegveld aan de Mechelsesteenweg, dat is op de plaats waar nu het warenhuis “Centrum” staat. Toen hij in 1918 werd afgebroken, verdween de laatste windmolen uit de Kontichse skyline. Geloof het of niet, maar er werd in ons dorp van toen ook aan wijnbouw gedaan. Er waren zelfs twee “Wijngaardleitjes”! Niet te verwonderen met al die kasteelheren hier. Maar zoals elk dorp had Kontich toch vooral zijn talrijke brouwerijen. Enkele namen bleven over, vaak overgedragen op nieuwe gebouwen: de Valk, naast het politiekantoor, de Arend, waar nu het Museum is ondergebracht, en de

Sleutel, waarvan een gedeelte nu beschermd erfgoed is. In die laatste brouwerij werd nog tot in 1933 de vermaarde “seef” gebrouwen, een wit streekbier. Dit is slechts kleine greep uit het vroegere bierwezen. En dan hebben we het nog niet gehad over de brandewijnstokerijen. In 1709 waren er vijf officieel ingeschreven stokers. Er werd dus in de vele Kontichse cafés niet alleen bier geschonken! Zelfs bij baardscheerder Pillegro, die in een van de huizen op het kerkhof woonde, dat toen nog rond de kerk lag, werd “brandewijn geschoncken ende vercoght aen sommige menschen die aldaer hunnen baert quamen laten scheiren”. …met ambachten en neringen… Het nabijgelegen Boom is bekend geworden voor zijn steenbakkerstraditie. De eerste vermelding van een “geleeg” in Kontich dateert van 1666, ook al gebeurde het bakken in die tijd nog occasioneel, naarmate men op de boerderij stenen nodig had. Tot vorige eeuw lagen er nog twee bedrijven langs de Pierstraat. Steenbakkerij Tilly (later Truyts of De Bie) was die met de langste levensduur. Tot 1968 werd er gewerkt en woonden de arbeiders er vlakbij in werkmanshuisjes. Vroeger waren dat er 75, toen nog amper 30. In 1970 werd de reuzenschoorsteen neergehaald: het bedrijf moest plaats maken voor de E19. Antwerpen is van oudsher een diamantcentrum. Op het einde van de 19de eeuw zochten de diamanthandelaars goedkopere werkkrachten en minder vakbondsdruk op “den buiten”. 21


In Kontich verleende de gemeente in 1904 de eerste vergunning voor een slijperij in de Drabstraat. Vanaf 1910 nam de diamantindustrie hier een ware vlucht: dertig diamantmolens aangedreven door een elektrische motor in De Arend aan het St.-Jansplein, in een pand op de plaats van het huidige VTI aan de Edegemsesteenweg werd de “Katholieke Slijperij” opgericht, in de Ooststatiestraat vestigden zich Elbaum en Tolkowsky, en verder waren er nog kleinere bedrijfjes aan de Mechelsesteenweg, Nieuwstraat en elders. In 1924 waren er al een twintigtal. Sommige mensen waren gespecialiseerd in het gladschuren van de schijven. Honderden gezinnen leefden geheel of gedeeltelijk van de diamant. Het heeft geen zin alle ambachten te overlopen. Langs de grote verbindingsweg Antwerpen-MechelenBrussel deden smeden en wagenmakers uitaard goede zaken. Evenals de afspanningen voor het wisselen van paarden, waar de herbergier ook vaak als “bode” fungeerde. Nog een verrassend feit is dat onze gemeente enkele tabaksfabrieken heeft gekend. En in 1876 werd er op Altena een stoomwasserij geïnstalleerd, die legendarisch is geworden omdat het koninklijk linnen er werd gewassen. De laatste honderd jaar werd er ook meer en meer aan tuinbouw gedaan, in open lucht of in serres. Niet alleen groenten werden geteeld, maar ook bloemen en planten. De cactuskwekerij van De Laet aan de Duffelsesteenweg genoot zelfs wereldfaam. Nog in het begin van vorige eeuw werden er in de “Bloem- en fruitkweekerij” van Van der 22

Groen bij Kontich-Kazerne zeldzame sierplanten gekweekt. Tegenwoordig wordt de Kontichse hemel bij nacht verlicht door één van de grootste snijrozenteeltbedrijven van België. ...tot randstad Het is duidelijk dat Kontich het imago van boerendorp heeft verloren. Kleine en middelgrote industrie werd aangetrokken zodat enkele duizenden mensen hier werk vinden. Landbouwgronden worden stelselmatig omgezet in industrieterreinen en woongebieden. Oude huizen moeten plaats maken voor flatgebouwen, want er zijn meer gegadigden dan woningen. De nabijheid van Belgiës drukste treinverbinding en verkeersweg is daar niet vreemd aan. De rasechte Kontichnaar met zijn uitstervend dialect loopt er verloren tussen de veel talrijker wordende inwijkelingen. Gelukkig heeft het gemeentebestuur op tijd ingezien dat wat er nog is, moet worden gered, bewaard en doorgegeven. Zo kan de inwoner van Kontich en Waarloos een blik werpen op het plaatselijke verleden via vier magistrale boekwerken: de twee toponymieën en twee geschiedenissen, respectievelijk van Kontich en Waarloos, geschreven door prof. dr. Robert Van Passen in opdracht van de gemeente. Daar is in 2004 nog het fotoboek “Archiefbeelden Kontich” bijgekomen. Bovendien steunt het bestuur ook de werking van de Koninklijke Kring voor Heem- en Oudheidkunde, die alles verzamelt en tentoonstelt in het Documentatiecentrum (Duivenstraat 22) en het Museum voor Heem- en Oudheidkunde (Cultuurgebouw,


St.-Jansplein). Wie iets meer wil weten over de “Ramp van Contich” in het jaar 1908of wat dan ook, kan daar terecht. 2.2. WAARLOOS Op 1 januari 1977 fusioneerde Waarloos met Kontich. De oudste vermelding van deze gemeente vinden we terug in 1149 onder de benaming “Warlos”. Deze naam is vermoedelijk afgeleid van de Germaanse woorden “wardo” en “loos”, die respectievelijk “wacht” en “weide, glooiing” betekenen. De samenstelling betekende dan waarschijnlijk “uitkijkhelling” of “uitzichtweide”. Mogelijk bevond er zich een wachtpost op de Keizerenberg. Later zijn kerk en centrum dan dichter naar Kontich toe opgeschoven. Het grondgebied van Waarloos werd doorkruist door oude wegen. Eén ervan, uit de Gallo-Romeinse tijd, moet de

Het documentatiecentrum in de Duivenstraat. oude weg van Rumst naar de Steenakker in Kontich-Kazerne zijn geweest. Een andere was de ’s-Heerenstraat, die van Antwerpen via Mechelen naar Brussel en Leuven leidde, de andere grote steden van het hertogdom Brabant. De heer naar wie die straat verwees, was de hertog. Van 1704 tot 1706 werd deze kronkelende straat rechtgetrokken, zodat het centrum verder van de weg kwam te liggen. Om de aanleg en het onderhoud van die weg te bekostigen, werd er sinds mensenheugenis tol geheven. In Waarloos nog tot 1869! Oud Waarloos Van de oudste geschiedenis tot de 16de eeuw valt er weinig te vertellen, wegens 23


een gebrek aan geschreven bronnen. Toen er in 1877 een Frankische begraafplaats met dito voorwerpen werd gevonden, was de beschrijving zo weinig wetenschappelijk dat er nu niets meer te situeren valt. Een verloren kans. In de middeleeuwen lag Waarloos in het Land van Mechelen of van Arkel, dat behoorde tot het markgraafschap Antwerpen. In de 15de eeuw vormde het samen met het aangrenzende Reet een schepenbank. In 1530 kwam het onder de schepenbank van Kontich. Deze toestand duurde tot 1620. In 1670 kreeg Waarloos een zelfstandige schepenbank. In 1572 werd de heerlijkheid aan kardinaal Granvelle verkocht. Zo kwam het dat Waarloos tot in 1616 tot het graafschap Cantecroy bleef behoren. Later wisselde de heerlijkheid nog enkele keren van eigenaar. Lucas van Opmeer was heer van Waarloos in 1626. Na hem kwam het gebied achtereenvolgens in handen van Maximiliaan van der Gracht, Jan-Karel de Cordes en zijn gelijknamige zoon en Jacques de Raedt. De laatste heren kwamen uit het geslacht della Faille: zij beheerden Waarloos tot aan de Franse Revolutie. Op kerkelijk vlak behoorde Waarloos van oudsher tot de moederparochie Kontich. Rond 1200 werd de Sint-Michielsparochie echter zelfstandig. Het aanstellen van een priester en het innen van de tienden was evenals in Kontich het recht van de Henegouwse abdij van Lobbes. In de 17de eeuw kwam het echter in handen van kardinaal Granvelle. Van hem ging het over op de graven van Cantecroy.

24

Boerenbuiten Waarloos evolueerde van een bescheiden parochie en gehucht tot een klein dorp. In de 15de eeuw werden er slecht 18 tot 34 huizen geteld. Dan ging het bevolkingsaantal stilaan omhoog de cijfers zijn telkens benaderend: 200 inwoners in de 17de eeuw, 340 in de 18de, 560 in de 19de en in 1910 werd de kaap van 1.000 overschreden. Het jaar van de fusie, 1977, werden de 1560 inwoners bij die van Kontich geteld. De bevolking leefde in de eerste plaats van de landbouw. Een merkwaardige herenboer uit de 19de eeuw zal niet licht vergeten worden. Hij is de enige mannelijke maker van een tekendoek die hier bekend is. Zijn huisvlijt uit 1853 is een pronkstuk van het Museum voor Heemkunde en draagt als opschrift “Het lijden en de dood van Christus door Egidius Annot tot Waerloos”. De volksmond noemde hem “zotten Annot”.


Ambachten In de herbergen “De Hespketel”, “De Vos en de Craen” en “De Wildeman” werd er resp. in de 16de en 18de eeuw bier gebrouwen. Aanvankelijk deed men dat voor eigen en lokaal gebruik, maar geleidelijk werd ook gerstenat uit Waarloos uitgevoerd. Dan duikt er eerst de naam op van Het Wit Kruis, tegenover de kerk. De naam Brouwershuis herinnert aan de vergane glorie van deze brouwerij. Daar vergaderde ooit ook de Raad en het College, en beschilderde J.B. Reykers de muren met taferelen in italianiserende stijl, soms dan weer gebaseerd op het landschap rondom, met tonnenwagen en al. Voldoende voor Monumenten en Landschappen om het gebouw met interieur te beschermen! De andere grote brouwerij was

Sint-Michaël, aan de Grote Steenweg. Zij kwam in de 19de eeuw in het bezit van een steenbakker uit Rumst. Zijn zonen Ferdinand en Théophile legden de basis van de later zo vermaarde Brouwerij Maes. Ferdinand werd zelfs even burgemeester, van 1927 tot 1932, toen hij plots stierf. Twee jaar later werd de Dorpsstraat naar hem omgedoopt. Hij zal wel nooit vermoed hebben dat zijn bedrijf zou uitgroeien tot de nummer twee op de Belgische markt. En evenmin dat het in de 21ste eeuw zou gedaan zijn met bier brouwen, en dat met het hele complex ook de trotse koperen ketels uit het dorpsbeeld zouden verdwijnen, om vanaf 2005 plaats te maken voor een industrieterrein. Even verder in de richting van de Vosberg, stond de molen van Waarloos, die in 1761 in werking trad. Nadat de

25


familie Servaes jarenlang de maalderij had uitgebaat, kwam in het begin van de 19de eeuw de naam Spruyt opduiken. Ook van deze familie zal een “spruit” burgemeester van Waarloos worden. Helaas moest de molen in 1914 worden afgebroken, want zowel als waarnemingspost van de Belgen als in functie van herkenningspunt voor de Duitsers moest hij verdwijnen. Maar de firma bestaat nog steeds onder de naam “Puffex”. Een ander bedrijf dat nog niet uit de herinnering van de Waarlozenaars is verdwenen, is de zuivelfabriek of melkerij Sint-Michaël. Daar werd van 1925 tot 1959 melk gepasteuriseerd en andere melkproducten bereid. Sinds de jaren 1960 werd het de pleisterplaats voor het Waarlose verenigingsleven en in 1977 verbouwd en omgedoopt tot Berkenhof. Ten slotte moet er nog één glorierijk feit uit het ambachtelijk verleden van

Het Feugère-orgel van de St.-Martinuskerk 26

Waarloos worden gelicht. Er woonden namelijk generaties smedenhorlogemakers met de naam Piron. Hun reputatie ging ver. In 1992 werd een klok van Alexander Piron, gedateerd 1773, door de gemeente op een veiling aangekocht. Het pronkstuk kan nu worden bewonderd in het Documentatiecentrum van de Kring voor Heemkunde. 2.3. BEZIENSWAARDIGHEDEN Kontich en Waarloos hebben niet de allure van Brugge, Gent of Antwerpen, maar voor elke inwoner of bezoeker valt er nog heel wat te ontdekken. Om dat te vergemakkelijken zijn er trouwens fiets- en wandelpaden uitgestippeld, zoals de Abraham Hansroute en het kerk- en buurtwegelpad van Vakantiegenoegens. Wat nog niet in voorgaande tekst aan bod kwam, wordt in volgend hoofdstukje nog eens op een

Foto: F. Mattys


rij gezet. Eerst de kerken. Van de SintMartinuskerk zijn behalve de toren, nog oude fragmenten bewaard gebleven. Zo zijn het middenkoor en de twee zijkoren in laatgotische stijl nog oorspronkelijk. Zij werden na de brand van 1572 opgetrokken. Het huidige uitzicht dateert van 1928 en zorgde voor een aanzienlijke uitbreiding, zodat er plaats kwam voor bijna duizend stoelen. Het interieur werd in de jaren 1960 drastisch versoberd, maar nog altijd valt het imposante hoogaltaar op, dat de tenhemelopneming van Sint-Maarten voorstelt. Koorbanken en preekstoel zijn zeventiende-eeuws. Zeer fraai beeldhouwwerk is de groep van de H. Familie van Walter Pompe. De kruisweg wordt toegeschreven aan J.B. Reykers. Het Feugère-orgel werd op het einde van de 20ste eeuw van de vroegere middenbeuk, nu zijbeuk, naar het midden van de kerk verplaatst en wordt weer dankbaar gebruikt. De neogotische parochiekerk van Waarloos uit 1864, toegewijd aan Sint-Michiel, bleef goed bewaard. De toren is wel enkele eeuwen ouder: 15de - 16de eeuw. Het fraaie, neogotische interieur is het werk van de bekende West-Vlaamse baron J.B. Béthune, grondlegger van de neogotiek in België. Merkwaardig is het opgehoogde kerkhof rond de kerk, met nog mooie zerken. Ook de tombe van de familie della Faille de Waerloos uit de 17de eeuw is nog achter de kerk te vinden. Er staan nog twee moderne kloosterkerken in twee buitenwijken. Bij het klooster van de paters Montfortanen in Kontich-Kazerne hoort de kerk van O.-L.-Vrouw Onbevlekt

Ontvangen, ingewijd in 1933. In de wijk Pierstraat-Keizershoek staat de parochiekerk van Sint-Rita (1937). Elk jaar trekt deze patrones van de hopeloze gevallen nog honderden pelgrims. De paters hebben in 2004 echter het klooster verlaten. Om in de religieuze sfeer te blijven: de kapellen. Langs de Mechelsesteenweg, op de hoek van de Reepkenslei, staat de Reepkenskapel, toegewijd aan O.-L.-Vrouw-ter-Sneeuw. Vroeger was dit een kapel voor de pestlijders en voor hen die tot de galg waren veroordeeld. Het Lievevrouwebeeldje uit de 16de eeuw werd uit veiligheidsoverwegingen overgebracht naar de Martinuskerk. Waar het kort daarop werd gestolen...Ten slotte is er nog het Kapellekensbos, een beschermd dorpsgezicht vlakbij Lint en Duffel. Hier werd in 1683 een gestolen Mariabeeld gevonden. De kapel die er werd opgericht trok massa’s bedevaarders en dus geld in de offerblok. De inwoners van Lint wilden echter ook een graantje meepikken en richtten een tweede kapel op, vlakbij de spoorweg. Vandaar… Beschermd is ook het oude gemeentehuis van Kontich in neo-Romaanse stijl uit 1860. De raadzaal wordt nog als trouwzaal gebruikt. Alle wanden ervan zijn beschilderd met beelden van hoven en taferelen uit het Kontichse verleden. Er hangt ook een prachtige kopie van Van Dycks Sint-Maarten te paard, waarvan het origineel in de parochiekerk van Zaventem hangt. De provinciale afdeling van Monumenten en Landschappen vond nog een aantal gebouwen en 27


dorpsgezichten beschermenswaard. Op de hoek van de Edegemse- en Antwerpsesteenweg staat het Sint-Martinushof of Hof van Cols. Deze neoclassicistische villa werd in 1836 gebouwd. Achteraan werd rond 1900 een mooie veranda in ijzer gebouwd. Merkwaardig (maar niet beschermd) is ook de villa “Rest and Be Thankful”, die tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol heeft gespeeld. Daar werd immers de overgave van de stad Antwerpen aan de Duitsers getekend, gekend als de Conventie van Kontich.

Ingesloten in de nieuwe wijk rond de Vredestraat is de 18deeeuwseVerbrande hoeve gelegen. Terug in het dorp vermelden we het Kruisken of Hofke van Janssens: een alleenstaand herenhuis uit de 18de eeuw binnen een ommuurde tuin. De voormalige brouwerij De Sleutel werd (gedeeltelijk) als monument beschermd, de omringende Sleutelstraat met het brouwershuis en de bescheiden werkmanshuisjes als dorpsgezicht. Verder op de lijst staan de kastelen Groeningenhof en Tanghof, elk met hun omgeving.

De villa”Rest and be thankfull” op de Antwerpsesteenweg, waar de “Conventie van Kontich” getekend werd. 28


In Waarloos gaat het ook om het dorpsgezicht, met als ijkpunten de kerk met het unieke kerkhof, het voormalige gemeentehuis en het Brouwershuis of “Trappeken op”. Deze deelgemeente kan bovendien prat gaan op een waardevol natuurreservaat, dat in de plaats kwam van de oude spoorwegbedding. Deze “diepe route” liep ooit van Wilrijk naar Mechelen. De werken waren in 1905 begonnen, in 1970 werd het station gesloopt en de spoorbedding verwijderd. Naast de voormalige pastorie uit 1650 op het Sint-Jansplein tekent zich het moderne bibliotheek- en cultuurcomplex af. Op de tweede en derde verdieping nestelt zich nu - in een oude vleugel van de oude maalderij/diamantslijperij De Arend, het Museum voor Heem- en Oudheidkunde. De boeiendste stukken die uit de ondergrond van Kontich en Waarloos zijn opgedolven, worden hier tentoongesteld. Het verenigingsleven en de ambachten van weleer komen hier weer tot leven. De verzameling tekendoeken en stoplappen is een van de uitgebreidste van Europa. Via de cultuurdienst kan iedereen hier overdag komen snuisteren met de gratis catalogus in de hand voor de nodige uitleg. Elke zondag zijn er van 14 tot 17 uur twee gidsen beschikbaar: ook al gratis! Ook rondleidingen voor groepen, in het museum of door de dorpskom, overdag of ’s avonds (eventueel zelfs met de nodige straffe verhalen…) zijn mogelijk. Voor afspraken voor deze didactische maar ook ludieke initiatieven, kan contact worden opgenomen met voorzitter Paul Catteeuw (tel. 03 457 19 38) of conservator Guido Theys (tel. 03 457 54 68).

Deze tekst is een grondige bewerking van de “Historische Schets” van wijlen Robert Van Passen, gebaseerd op de vier vermelde werken van zijn hand. Hij werd samengesteld door Frank Hellemans, m.m.v. Elza Broes, Paul Catteeuw, Jos De Hert, Guido Pede en Rik Verbeeck. Bert Verbeeck zorgde voor de illustraties.

29

Historische schets Kontich  

Historische schets van de gemeente Kontich

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you