Page 1

Meister Eckhart "Alle wezens zijn één met God." De inzichten van een mysticus

1


Inleiding Het heeft ruim zeven eeuwen geduurd voordat zijn werk opnieuw in de belangstelling kwam, maar tegenwoordig staat Meister Eckhart (ca. 1260 – 1327). bekend als één van de grootste mystici van de Westerse geschiedenis. Hoewel sommige Eckhart-deskundigen betwisten of de Duitse dominicaan – vanwege zijn rationalistische denkwijze – eigenlijk wel getypeerd kan worden als mysticus, vormt de unio mystica, de goddelijke eenwording, de onbetwiste hoeksteen van zijn prediking. Eckhart heeft nooit een systematische filosofie ontwikkeld. Zijn geschriften zijn daarom het beste te lezen als persoonlijke notities bij de twee grote polen van de mystiek: God en de menselijke ziel. God is voor de mens volstrekt onkenbaar en iedere eigenschap die we aan Hem willen toekennen schiet te kort. Hij is als het ware de afgrond van het niets, waar alles in verdwijnt. De menselijke ziel is geschapen naar het evenbeeld van God en bestaat uit een drieeenheid: kennen, voelen en willen, wat overeenkomt met de deugden geloof, hoop en liefde. Boven deze drie staat de Goddelijke vonk. De taak van de mens is het nu om met zijn ziel op te stijgen naar God. Concreet betekent dit dat alle zonden geweerd worden, er gestreefd wordt naar gelatenheid en er afstand wordt gedaan van alles wat werelds is. Het uiteindelijk ideaal is afstand doen van het eigen ik en opgaan in Gods wil. Eckhart was dominicaner monnik en doceerde theologie aan de universiteit van Parijs. Tegen hem liepen verschillende onderzoeken wegens vermeend pantheïsme en andere vormen van ketterij. Eckhart zou op aandrang van de paus een aantal stellingen terug hebben genomen. Na zijn dood veroordeelde de paus alsnog 28 stellingen. Een opmerkelijk voorval, tekent zijn passie voor een open spiritualiteit en een persoonlijk doorleeft geloof. Het verhaal speelde zich af in het jaar 1311 in Parijs waar meister Eckhart tijdelijk verbleef om gastcolleges te geven. In de stad werd het toen een kerkelijk proces gevoerd tegen een vrouwelijke religieuze: de begijn Margarète de Porète. De officiële kerk voelde zich behoorlijk bedreigd door de geschriften van deze vrouw. Zij sprak over het bestaan van een ‘Kleine Kerk’ in de individuele geest van ieder mens, waar God tenminste even goed te ontmoeten was als in de officiële ‘grote, sacramentele kerk’ van paus, bisschoppen, priesters. Het proces eindigde voor haar helaas op de brandstapel, maar dat verhinderde niet, dat de ideeën van deze vrouw in heel West-Europa de vrouwenkloosters en begijnhoven deden zinderen! Ook meister Eckhart werd er sterk door aangesproken. De magister-generaal van de Dominicanen was in die tijd in Parijs op bezoek en besefte blijkbaar dat een brandstapel niet het juiste antwoord was op moderne religieuze ideeën.

2


Het vroeg eerder om een goede doordenking ervan binnen het kader van de grote kerkelijke traditie en begrijpelijke vertaling daarvan naar de gelovigen. Toevallig ‘ontdekte’ hij daar Eckhart. Blijkbaar had hij gemerkt, dat ook Eckhart gevoelig was voor deze nieuw spirituele ideeën en vroeg hem deze ideeën serieus op te pakken en tegelijk voor al te hevig uitglijden te behoeden. Aldus gebeurde. Daarmee begon zijn grote werk, dat enorm bevrijdend was voor degenen, die zijn preken aanhoorden en zijn tractaten lazen. Ikzelf kende al wel Eckhart Tolle, die vrij recent een bestseller heeft geschreven over het leven in het nu. Maar deze Eckhart is toch al van ietsje langer geleden. Voor het eerst hoorde ik van deze Eckhart tijdens een retraite in een klooster, enkele jaren geleden. Een van de broeders was een echte kenner van deze Eckhart. Daardoor ben ik wat over deze meister Eckhart gaan lezen. Het is niet altijd eenvoudig om zijn gedachtengoed te lezen en te begrijpen. En toch sprak het me aan omdat ikzelf op zoek was naar een nieuw denken over ‘god’ en de visie van Eckhart een visie is van een vrijdenker. En hij laat ruimte voor het onkenbare, de mystiek. Tevens lijkt er enige overeenkomst in zijn denken over het godsbeeld met enkele gnostische geschriften. Een perspectief dat me aansprak en me nog steeds aanspreekt. Ik heb hier in deze bundel enkele artikelen geplaatst die ik tegen ben gekomen op internet en die me aanspreken. Enkele er van heb ik al eerder los geplaatst in mijn bundels genaamd: Wisdomflash. Nu, gebundeld, staan ze mooi bij elkaar. Geert van der Leest, oktober 2014, www.geertvanderleest.com .

‘Het God-zaad is in ons. Zoals peerzaad uitgroeit tot perenbomen, notenzaad tot notenbomen, zo groeit God-zaad uit tot God’ citaat Meister Eckhart

3


Leven zonder waarom – eenvoud bij Meister Eckhart Het heeft ruim zeven eeuwen geduurd voordat zijn werk opnieuw in de belangstelling kwam, maar tegenwoordig staat Meister Eckhart (ca. 1260 – 1327). bekend als één van de grootste mystici van de Westerse geschiedenis. Hoewel sommige Eckhart-deskundigen betwisten of de Duitse dominicaan – vanwege zijn rationalistische denkwijze – eigenlijk wel getypeerd kan worden als mysticus, vormt de unio mystica, de goddelijke eenwording, de onbetwiste hoeksteen van zijn prediking. Nu is er wel iets bijzonders met die mystieke eenwording bij Eckhart, namelijk dat deze onmogelijk door een mens gevonden of bereikt kan worden om de eenvoudige reden dat God en mens in de kern nooit van elkaar gescheiden zijn geweest en ook nooit zullen zijn. God is zo ontzaglijk nabij, dat de mens, in zijn diepste grond of wezen, zelfs volledig met hem samenvalt. Eckharts mystiek draait dus niet zozeer om eenwording ( in de zin van ‘ver-eniging’ van wat daarvoor nog gescheiden was) maar om eenheid, oftewel: om wat ís. En hier blinkt Eckhart uit in eenvoud: we hoeven helemaal nergens naartoe, er valt niets te bereiken, want we zijn er al. En je kunt nu eenmaal niet bereiken wat er al is. Maar wat valt er in mystiek opzicht nu eigenlijk nog te zeggen, te doen of te ontdekken als het ultieme doel – de goddelijke eenheid – helemaal geen doel blijkt te zijn maar een soort ingeboren gegeven is? En belangrijker nog: als wat Eckhart zegt waar is, waarom ervaren we die eenheid (doorgaans) dan niet? De eeuwige geboorte Nu is die Godsgeboorte of goddelijke eenwording voor Eckhart niet iets wat slechts een enkele uitverkorene op een goed moment en onder bepaalde gunstige omstandigheden in zijn of haar leven ten deel valt, maar een permanent gebeuren dat hier en nu, onophoudelijk en in ieder mens plaatsheeft. Eigenlijk kunnen we daarom niet spreken van een-wording, want dat suggereert dat er voorafgaand aan die eenwording een onderscheid tussen mens en God bestaat. Dat onderscheid is er niet bij Eckhart. ‘Gods grond en mijn grond is één grond, luidt een van zijn beroemde uitspraken. In de grond van de mens is pure, eeuwige eenheid, en dát is, aldus Eckhart, wat we hier in de tijd vieren. Maar let op die woordjes ‘in de tijd’. Hiermee doelt hij niet zozeer op een aspect of kenmerk van de werkelijkheid als zodanig, maar op de werkelijkheid zoals wij 4


mensen die begrijpen en waarnemen. We worden geboren, worden gaandeweg ouder, en uiteindelijk sterven we. Zo ervaren wij, in een notendop, het menselijk bestaan: als een verhaal met een begin en een einde. Een wegtikkende klok. Eckhart had ook kunnen zeggen: ‘wij vieren hier in de ruimte…’ enz.,want behalve door de tijd wordt onze werkelijkheid door nog een ander fenomeen gekarakteriseerd: de ruimte. Wij ervaren de werkelijkheid niet alleen als een zich langs de lat van de tijdelijkheid voltrekkend iets, maar ook als een wereld waarin de dingen naast, bij, onder, op, achter, in, tussen en met elkaar bestaan. Kortom: een wereld waarin we de dingen als onderscheiden van onszelf en van elkaar ervaren. Twee perspectieven In God is er geen sprake van zoiets als ‘tijd’ en ‘ruimte’ maar alleen van eeuwigheid, onbegrensdheid, eenheid. Kort gezegd is de werkelijkheid van de mens er een van tijdelijkheid en onderscheid, terwijl de werkelijkheid van God eeuwigheid en eenheid is. De eenwording of eenheid van God en mens houdt niet zozeer in dat deze twee perspectieven zich verenigen, maar dat het menselijk perspectief helemaal wegvalt, verdwijnt. De eenheid en het ‘ik’ De mens kan het mysterie dat we de naam God hebben gegeven niet begrijpen of ervaren, want begrijpen en ervaren doen we met ons bewustzijn, met dat wat we herkennen als het ‘ik’. En juist dit ‘ik’, dat enkel iets kan begrijpen of ervaren in relatie tot zichzelf staat de oorspronkelijke eenheid – die elke relatie buitensluit – in de weg. Dit betekent dat als wij werkelijk aan die eenheid deelhebben en, zoals Eckhart dit noemt, ‘God schouwen’, wij ons hiervan niet bewust zijn. Wij kúnnen ons hier niet bewust van zijn want du moment dat we beseffen dat we God ervaren, treden we weer in een verhouding of relatie tot God en zijn we de oorspronkelijke eenheid kwijt. Vergelijk het met een stuk muziek waarin je volkomen opgaat. Er is even geen ik, alleen nog maar de zinderende schoonheid van de klanken. Dan bedenk je je ineens wat een ongelofelijk mooie muziek dit is. Precies op het moment dat je dit beseft ben je niet meer volkomen aan het opgaan-in, maar creëer je een zekere afstand of verhouding ten opzichte van de muziek waardoor het een ‘ervaring’ voor je wordt – iets wat jij meemaakt en wat je nu bovendien binnen een bredere context van ervaringen kan plaatsen. Ontvankelijkheid als sleutel Hoewel er geen weg, geen manier of mogelijkheid is om de goddelijke werkelijkheid bewust te ervaren, toch kunnen we deze wel in onszelf, ons bestaan, tot 5


uitdrukking laten komen. Hoe? Niet zozeer door iets te doen maar juist door iets te laten, door volkomen leeg en ontvankelijk te zijn. Dat woordje ontvankelijkheid is bij Eckhart heel belangrijk. Haaks op de innerlijke ontvankelijkheid staat de geestelijke activiteit van het denken, ervaren, associëren, herinneren, verlangen, willen etc., kortom: het reflexieve, ‘invulling-zoekende-en-gevende’ ik. Want dat is waar we voortdurend mee bezig zijn: op voorhand invulling geven aan alles wat we op onze weg tegenkomen. Ontvankelijk zijn betekent dat je dit op voorhand invulling-geven-aan loslaat of desnoods opschort. Het betekent dat je openstaat voor het onvoorziene, het nieuwe, dat wat groter is dan jijzelf bent en daarom ook niet met het eigen begripsvermogen ‘overzien’ kan worden. Juist die openheid maakt pas dat je hier oog voor krijgt. Ontvankelijk zijn houdt dus een radicale omdraaiing in van de wijze waarop wij ons normaal gesproken verhouden tot de dingen: van een actieve, invulling gevende gerichtheid op, naar een passieve, open ontvankelijkheid voor. Deze ‘geboorte’ vindt eeuwig en onafgebroken in ons plaats zegt Eckhart, maar willen we die bewust ervaren dan kunnen we wachten tot we een ons wegen. Wat we misschien wel kunnen ervaren zijn de gevolgen, de vruchten van die geboorte. Leven zonder waarom Een kind leeft niet, zoals men vaak zegt, in een magische – in de zin van een betover(en)de – werkelijkheid, maar in de werkelijkheid zoals die is: dynamisch, onbegrensd, één. Wij grote mensen zijn het die in een ‘magische’ wereld leven, een wereld van daar en hier, van vurige verlangens, ditjes en datjes, knagende irritaties, diepe ontroering, zich opstapelende rekeningen, schaamte en walging, volle agenda’s, oud zeer en als klap op de vuurpijl: de dood. De wereld kortom, van het ‘ik’. Nu is het niet zo dat Eckhart wil dat we deze werkelijkheid de rug toekeren en letterlijk ons naar binnen richten, mediterend op de goddelijke eenheid en verlichting. De ethische/praktische dimensie van zijn mystiek is minstens zo belangrijk als de metafysische, en laat zien dat de concrete werkelijkheid zeker niet genegeerd mag worden ten behoeve van een contemplatieve en door stille behaaglijkheid omgeven eenheid met God. We hoeven maar naar een kind te kijken om te weten dat leven vanuit eenheid en onbevangenheid de concrete werkelijkheid niet in de weg staat maar deze juist openbreekt. En precies hier komen we weer op het spoor van de eenvoud die aan Eckharts mystieke denken ten grondslag ligt. Eenvoud wil zeggen: op een open en onbevangen wijze zijn en handelen, zonder er iets specifieks van te verlangen of verwachten, zonder hierin iets voor jezelf te beogen, maar gewoon, zonder waarom. Eckhart zegt hierover het volgende:

6


‘Wie duizend jaar lang aan het leven zou vragen: waarom leef je? Die zou, als het kon antwoorden, niets ander te horen krijgen dan: ik leef omdat ik leef. Dat komt omdat het leven vanuit zijn eigen bestaansgrond leeft en opwelt uit zichzelf; daarom leeft het zonder waarom in het zichzelf levende leven. Wanneer een oprecht mens, die handelt vanuit zijn eigen bestaansgrond, de vraag kreeg: waarom doe je de dingen die je doet? zou hij, als hij het juiste antwoord gaf, enkel zeggen: ik doe die dingen om ze te doen.’ Leven zonder waarom betekent niet dat je geen voorstellingen, verlangens of doelen meer hebt, maar dat de fixatie op al deze dingen achterwege blijft. Je wordt er niet door in beslag genomen en legt zelf ook geen beslag op de mensen en dingen om je heen. Je bent bij de dingen, niet in de dingen. Dit is ook wat de 20eeeuwse filosoof Martin Heidegger heel mooi verwoordt als het ‘laten zijn van het zijnde’. Laten zijn van het zijnde houdt geenszins in dat je onverschillig bent ten opzichte van de concrete wereld. Het betekent niet dat je je van die wereld verwijdert maar juist dat je je opent voor de mogelijkheid om de mensen en de dingen werkelijk nabij te zijn. Ook bij Eckhart komt de beweging ‘naar binnen toe’ uiteindelijk niet aan op een loslaten (van je verlangens en fixaties etc.) in de zin van ‘verwijdering’ maar op een zijn-laten. ‘Laat God God in je zijn’, zegt Eckhart. Tja, en wat dan? De vraag wat het nut is van zo’n levenswijze, en of je hier zelf al dan niet iets van merkt, doet er dan eigenlijk niet meer echt toe. Behalve dat je omgeving er wellicht de vruchten van plukt.

[1] Meister Eckhart, Over God wil ik Zwijgen Preken & Traktaten, vertaald door C.O. Jellema, Historische uitgeverij, Groningen, 2010, pr. 5, 4, 34 en 7 (alle citaten in dit artikel zijn afkomstig uit deze uitgave) Posted by: Welmoed (Welmoed Vlieger)

7


Meister Eckhart: Leven in het eeuwige nu, zonder waarom Geschreven en geplaatst door: Leo Oosterveen in Essay, Thema het maakbare leven 11 oktober 2013

De mysticus Meister Eckhart is niet in de laatste plaats populair bij mensen die op afstand staan van het kerkelijke christendom, maar niettemin toegang zoeken tot de religieuze dimensie in hun bestaan. ‘Laten’ is een grondwoord bij Eckhart: achterlaten, toelaten, verlaten. Dominicaan Leo Oosterveen geeft een korte inleiding op zijn laatmiddeleeuwse ordegenoot. De late-middeleeuwer Meister Eckhart (1260-1328) is een van de moeilijkst te begrijpen mystici. Toch is hij op dit moment ook een figuur die weer helemaal in de belangstelling staat. Toen paus Johannes XXII Eckhart in 1329, een jaar na diens dood, veroordeelde om zijn ‘ketterse’ gedachtegoed, kon hij niet vermoeden dat deze voorman van de zogeheten Rijnlandse mystiek zeven eeuwen later weer zo druk bestudeerd zou worden. Begin veertiende eeuw, om precies te zijn tussen 1313 en 1327, heeft Eckhart, dominicaan, filosoof en theoloog, honderden preken gehouden in het Rijndal, van Bazel tot Keulen, onder meer in dominicanessenkloosters en begijnhoven. Die preken baarden opzien. Hij preekte in de volkstaal en stelde ze ook in de volkstaal, het Middelhoogduits, te boek. De inhoud moet verbazing hebben gewekt. Hij bidt God om God te verlaten. Hij relativeert kerkelijke, religieuze en kloosterlijke leefregels en houdt afstand van ascese en de zucht naar extase en visioenen. Alle nadruk legt hij op het ‘laten’: achterlaten van allerlei Godsbeelden waaraan we gehecht zijn, maar ook je verlaten op God, op het toelaten van God die verborgen is achter God: de verborgen Godheid. Dit proces van laten gaat ver. Voor Eckhart gaat het niet alleen om een achterlaten van onze Godsbeelden, maar ook om voorbij God te komen zoals Hij zich in tijd en ruimte openbaart. Laten is een ‘leven zonder waarom’, voorbij elk ‘om te’, een leven dat binnentreedt in de Godheid, in de eeuwige eenheid, het ‘eeuwige nu’. Beter gezegd: het gaat erom dat dit ‘eeuwige nu’ ons leven binnentreedt en het transformeert. Ware armoede is niet dat we alles opgeven om God een plaats te bereiden (een eigen prestatie), ware armoede is dat God zelf in ons voor zichzelf een plaats bereidt en zo in ons ‘werkt’.

8


Eckhart meent dat het ‘eeuwige nu’ voortdurend en dynamisch ontvlamt in de zielenvonk van de mens: dat deel van de ziel dat in het eeuwige nu is gegrond. Het is een proces dat zich voortdurend herneemt. Hij ontkent daarbij het belang van Gods binnentreden in onze geschiedenis niet. Integendeel. Gods menswording en de uitstorting van de Geest gebeuren in ieder mens voortdurend, op de bodem van de ziel. Voortdurend worden wij Gods Zoon. Hieruit blijkt de adel van onze ziel. Ook dit proces ziet hij heel dynamisch. Maar uiteindelijk is deze Godsgeboorte in de ziel de opgang naar het eeuwige nu, boven ruimte en tijd uit. Wie denkt dat Eckhart een wereldvreemde kluizenaar is geweest, vergist zich. Hij was een zeer druk bezette bestuurder, een intellectueel en een docent (o.a. tot twee maal toe had hij een leeropdracht aan de Parijse universiteit). En hij verwierp wereldvlucht. “Wie God in waarheid bij zich heeft, bezit Hem op alle plaatsen, in alle straten en bij alle mensen, net zo goed als in de kerk, in de woestijn, of in een cel.” Hij benadrukte dat de goddelijke werkelijkheid zich overal en zonder tussenkomst aandient. Sacramenten, kerk, het inoefenen van een heilig leven, hij keert zich er niet tegen, maar relativeert het allemaal wel. Eckhart biedt ook geen mystieke ‘methode’. Op zijn manier getuigt Eckhart van het primaat van de genade. Als je hem leest, heb je soms het gevoel voor een reformator avant la lettre te staan. Zijn preken in de zusterkloosters, waar hij zich vrijer en experimenteler kan uitdrukken dan in de academie, bleven niet onopgemerkt. Veel van zijn gedachten vertonen verwantschap met die van los samenhangende bewegingen en groeperingen uit zijn tijd, zoals die van de ‘vrienden van God’ en ‘de vrije geest’ en ook met die van de begijnen die zonder een kerkelijk-religieuze regel leefden. Al deze bewegingen werden door de kerkelijke overheid verdacht van ketterij en heresie. Een sprekend voorbeeld is de begijn Marguerite Porete (1250-1310), een tijdgenoot van Eckhart, die als ketter is veroordeeld en verbrand. Haar gedachten zijn niet identiek met die van Eckhart, maar zijn er wel mee verwant. Ook zij schreef in de volkstaal. Kerkelijke verdachtmakingen leidden tot de pauselijke veroordeling van Eckhart na diens dood en sindsdien gingen zijn geschriften ondergronds, raakten verloren of verstrooid. Leerlingen en medebroeders van hem, zoals Johannes Tauler en Henricus Suso, hielden in afgezwakte vorm aan Eckharts gedachtegoed vast. In het Rijndal waren her en der fragmentarische collecties en compendia van Eckharts werk, al dan niet onder een andere naam. Luther zal in de zestiende eeuw het boek Theologia deutsch vertalen, waarin samenvattingen van de Rijnlandse mystiek te vinden zijn. In de negentiende en twintigste eeuw is het werk van Eckhart, althans wat er van over is (gelukkig veel, maar lang niet alles), opnieuw opgedolven en toegankelijk gemaakt. Talloze vertalingen van zijn preken zijn er wereldwijd verschenen. 9


De teksten van Eckhart en van Marguerite Porete stammen uit een andere wereld, zijn moeilijk en verdienen uitleg, maar ze zijn ook heel direct en spreken aan, zo is de ervaring. Hun taal is heel beeldend. Er gebeurt iets als je met deze teksten bezig bent, alleen of in een groep. De actualiteit ervan wordt vooral aangevoeld door hen die op afstand zijn komen te staan van het traditioneel kerkelijke christendom, maar wel opnieuw naar een toegang tot de religieuze dimensie in hun bestaan zoeken, de grensgangers tussen God als persoon en God als een kracht. Sommigen krijgen via deze mystieke teksten ook weer toegang tot de christelijke traditie. Ook mensen die met de interreligieuze dialoog bezig zijn, of met zen, doen soms verrassende ontdekkingen bij Eckhart en Porete. De Rijnlandse mystiek is nog steeds een vindplaats voor religieuze herbronning. Dorry de Beijer, Evert van den Berg en Leo Oosterveen geven sinds een paar jaar in het vormingscentrum van het Dominicanenklooster Huissen cursussen aan de hand van preken van Eckhart en van tekstfragmenten van de Spiegel der eenvoudige zielen van Marguerite Porete.

10


Meister Eckhart; toen alle dingen in stilte zwegen …de grondgedachte is dat er is niets anders is dan alleen [..], eenheid, één-zijn. En voor zover dit niet zo is, is dat vanwege het ‘ik’, dat er met zijn objectiverende, reflexieve bewustzijn tussen zit. Het bewustzijn (waarmee wij onszelf identificeren) is immers altijd bewustzijn van iets, het gaat uit van een ‘ik’ of een ‘zelf’ dat zich bewust is van iets anders dan wat het zelf is. Omdat het bewustzijn zich per definitie verhoudt tot iets anders buiten zich, is de mens niet in staat de eenheid, die immanent in hem woont, bewust te ervaren of te kennen. Je zou kunnen zeggen dat hier de kern van het menselijk lijden ligt: door zijn bewustzijn, dat met zijn natuur gegeven is, is de mens uitgesloten van dat waar zijn ‘hart vol van is’. Voor Eckhart is dit echter niet de finale werkelijkheid. De mens kan tot goddelijke staat raken en God in zichzelf realiseren omdat hij altijd al goddelijk is. Willen we daarom in verbinding treden met de oorspronkelijke eenheid die aan alle concepten voorafgaat, dan komt het er op aan ons innerlijk aan niets te binden wat zich buiten of in de geest voordoet, alles te laten zijn wat er is en alles in zijn zijn laten. Pas als het eigen ik met al zijn beelden, voorstellingen en begrippen, zijn verlangens, verwachtingen en vooroordelen zwijgt, kan het oorspronkelijke, goddelijke bewustzijn zich aan het intellect openbaren. Het denken kan de goddelijke eenheid dus niet vatten, het kan zich enkel en alleen door die eenheid laten vatten, namelijk door zelf stil en passief te worden. In deze omslag, van de uiterlijk gerichte activiteit (‘spreken’) naar de innerlijke, woord- en beeldloze stilte en passiviteit (‘zwijgen’) geven we [...], de bron, de werkelijkheid, aan zichzelf terug (‘teruggeven’, in de zin van: op zichzelf vrij geven, zou de 20eeeuwse filosoof Heidegger zeggen). Pas met deze omslag kan het hardnekkige, statische ik, dat met zijn wereld middelpunt wil zijn en voor alle lijden bevreesd is, opgegeven worden ten gunste van… Tja, van wat? Hoe nog woorden te geven aan wat aan gene zijde ligt van alle taal, voorstellingen etc.? Laat ik het maar een naamloze stilte noemen. Een naamloze stilte, [….]: waar niets meer de beweging van de eeuwige verandering die we ‘leven’ noemen tegenhoudt. Maar houdt het zwijgen dan enkel en alleen een niet-weten in? Ja en nee. Ja, want juist en alleen in de volstrekte openheid die uitgaat van het niet-weten ontvangen we die mysterieuze gave, die Eckhart ‘een verborgen woord’ noemt. Met het zwijgen, het niet-weten, is dus blijkbaar ook een weten gegeven. En juist dit woordje ‘weten’ noopt hier tot enige voorzichtigheid. Want dat dit begrip, na 11


eeuwen van onderdrukking en uitsluiting uit naam van religieuze dogma’s en leerstellingen, inmiddels voor velen een nare bijsmaak heeft gekregen moge (getuige ook de gestaag oprukkende stroom literatuur die het niet-weten tot thema heeft) duidelijk zijn. Desondanks zou ik er voor willen waken om het ‘weten’ binnen de religieus-spirituele sfeer in het verdomhoekje te stoppen of erger: tot taboe te verheffen, want dan zijn we wederom ver van huis. In het zwijgende niet-weten is bij Eckhart niet zomaar sprake van een weten, maar zelfs van een ‘hoger’ en een ‘bovennatuurlijk’ weten. Hoewel Eckhart van een weten spreekt blijft het echter een weten dat ’verborgen’ is, en dat wil zeggen: het laat zich niet door het beperkte menselijke (reflexieve) bewustzijn begrijpen en bevatten, aan banden leggen. Het heeft dus niets van doen met een weten ‘hoe het zit’, met het hebben van antwoorden, met conclusies en vaststellingen omtrent God en werkelijkheid of wat dan ook. Het laat zich niet begrijpen of bezitten, op geen enkele wijze, hoezeer we ook ons best doen. En wel omdat dit weten niet van míj uitgaat, maar andersom: mij – als een numineuze kwaliteit of ervaring – aanraakt, aangrijpt, opeist en in zich opneemt. De goddelijke eenheid, die de mens in de grond nimmer kwijtraakt, gaat voor hem in het reflexieve bewustzijn verloren. Zich door dát wat hij met zijn natuurlijke bewustzijn tegenhoudt, in een nieuw bewustzijn te laten aanraken, is hier de grote opdracht. Maar wát wordt dan eigenlijk aangeraakt? Niet het op de wereld gerichte en door de wereld ingevulde en bepaalde ‘ik’, maar iets onmetelijk veel diepers, dat aan dit ik zijn bestaansgrond geeft en dat Eckhart aanduidt als de zielevonk en de zielsgrond.

© 13 november 2012; http://www.welmoedvlieger.nl/meister-eckhart-toen-alle-dingen-in-stiltezwegen/

12


Meister Eckhart; Stijgen naar de oergrond De afdaling in de onbewuste regionen van de psyche die we ‘slaapdroom’ noemen kan als een soort ‘innerlijke reis’ worden beschouwd. Niet alleen vindt de droom volkomen ‘intern’ plaats, ook voltrekt deze zich in een soort tijd/ruimtelijke dimensie die overeenkomst vertoont met de realiteit van alledag. Ik droomde in mijn droom dat bepaalde gebeurtenissen in die droom een illusie waren. Interessant! Als het ‘ik’ inderdaad een illusie is: wie reist er dan eigenlijk? Wie maakte het hele gebeuren – de geluiden, gevoelens, gewaarwordingen en inzichten – van A tot Z mee? Geen twijfel mogelijk: dat ben ik, de dromer. Ik ben het die mijn ogen sluit, naar binnen keert en, met het invallen van de zogenaamde remslaap, afreist naar de periferie van mijn bewustzijn. Ik, die nietsvermoedend rondloopt in [….] een werkelijkheid die, zonder het te beseffen, van begin tot eind aan mijn eigen brein ontsproten is. C.G. Jung zegt het zo: ‘De droom is een theater waarbij de dromer alles in alles is. De dromer is tegelijk scène, speler, souffleur, regisseur, publiek en criticus’. Bovendien gelden er voor de droom, aldus Jung, drie regels: (1) altijd droomt men over zichzelf, (2) altijd droomt men vanuit zichzelf, (3) altijd droomt men vanuit de actuele psychische gesteldheid. ‘De droom is een onuitputtelijke bron van spirituele informatie over jezelf’, zegt ook Joseph Campbell in zijn beroemde boek Held met duizend gezichten. De droom kan dus niet onafhankelijk van een ‘ik’ of een ‘zelf’ bestaan, van de dromer die het hele gebeuren tot leven wekt. Kortom: zonder ‘ik’ ook geen droom. Misschien moet ik de droom [red: over de beperkingen van een reis met de trein] , in de traditie van Freud en Jung, als een boodschap vanuit het onbewuste zien, een signaal dat ik mij in het dagelijkse leven teveel laat leiden door angst en controle waardoor ik de realisatie van mijn oorspronkelijke vrijheid in de weg sta. Het zou zomaar kunnen… Wat valt er dan nog meer te zeggen over het mogelijk [red: wel of] niet-bestaan van het ik? De vraag is of mijn aanvankelijke vraagstelling – als het ‘ik’ een illusie is, wie reist er dan ? – eigenlijk nog wel klopt. Als het ‘ik’ een illusie is, is er dan überhaupt nog wel sprake van een reis? Nee, zegt ook de middeleeuwse filosoof/theoloog Meister Eckhart. Er is geen reis, geen pad, of weg, geen ontwikkeling die je doorloopt richting één of ander doel. Er is alleen een eeuwig Nu, de goddelijke werkelijkheid, waar tijd, ruimte en onderscheid geen vat op hebben. 13


Voor Eckhart vormt het passieve, ontvankelijke element in de mens zijn meest wezenlijke, eigenlijke kern. Deze kern is geen afgebakend ‘ding’, geen ‘plaats’ maar een openheid die hij aanduidt met ‘de goddelijke vonk’ en de ‘grond van de ziel’. Hier, in de grond, bestaat geen ’ik’ of ‘zelf’ maar enkel God. Waarom? Omdat het ontvankelijke, passieve in de mens leeg en vrij is van alle voorstellingen, handelingen, verlangens, oordelen – van al het kunstmatige en geconstrueerde – vrij dus van het ‘ik’. In de grond, waar alleen maar pure leegte en ontvankelijkheid is, bestaat geen tijd en geen onderscheid. Er is geen tegenstelling tussen binnen en buiten, tussen ‘ik’ en God. Het is onmogelijk om God, de oergrond, te vangen in specificaties, eigenschappen en bepalingen van wat hij wel en niet is. God is zo volkomen vrij van alle eigenschappen, bepalingen oftewel, van alle zijn (dat per definitie bepaald is), dat Eckhart kan zeggen dat God niet-zijn of niets is. Positief uitgedrukt noemt hij hem zuivere vrijheid. Waar Eckhart zijn toehoorders van bewust wil maken is dat ook de mens in de grond pure vrijheid is. De mens bezit de vrijheid niet, maar andersom, hij wordt pas mogelijk door die vrijheid. Probleem is dat we zo opgaan in onze gerichtheid op de wereld (in de woorden van Husserl en Sartre: onze intentionaliteiten) dat we niet in staat zijn vanuit de oergrond te leven. Waar we ons bij Husserl moeten richten op de betekenis van de verschijnselen, dient bij Eckhart alle gerichtheid ontstegen te worden, of in zijn eigen woorden: ‘tot zwijgen te worden gebracht’. Alleen wanneer de mens zichzelf en alle dingen volledig heeft opgegeven is hij in staat het gedifferentieerde denken te overstijgen ten gunste van een meer goddelijk perspectief, waaruit het ‘ik’ geheel verdwenen is. In ieder geval is het duidelijk dat een droom op verschillende manier kan worden geduid. Vanuit een psychologisch perspectief is droom een prachtig hulpmiddel om meer inzicht te krijgen in mijn persoonlijke levenswandel. Vanuit het [red: Boedhisme] bezien is de persoonlijke levenswandel echter de droom en daarmee het ‘ik’ inderdaad een illusie. Husserl en Sartre ontmaskeren het ‘ik’ als een concreet bestaand ‘ding’, en herkennen het veeleer als ‘activiteit’. Eckhart onderschrijft dit en stelt dat we juist deze activiteit moeten ontstijgen om bij onze oergrond te komen, die hij God of ‘vrijheid’ noemt. Maar wat betekent het om een mogelijkheid van vrijheid te zijn? In elk geval dat we op een meer oorspronkelijke manier met onszelf en met de wereld in relatie treden. Leven vanuit de oergrond –zoals Eckhart dat noemt- is niet zozeer een meditatieve, ingekeerde toestand maar eerder een grondstemming, een levenshouding die misschien nog wel het sterkst ervaarbaar is in intermenselijke relaties. Wanneer je een ander mens op een volstrekt open manier tegemoet treedt 14


– dus zonder op voorhand (d.i. op basis van eerdere ervaringen of verhalen met betrekking tot die persoon) invulling te geven aan wie, hoe of wat die mens is – dán ontstaat er ruimte voor het verrassende, het nieuwe, het onverwachte dat die ander te bieden heeft. Je laat de ander eveneens vrij in de mogelijkheid die hij/zij in wezen is. Dit is een gedeeltelijke weergave van een artikel dat is gepubliceerd in het tijdschrift Prana, nr. 192 © 18 juli 2012; http://www.welmoedvlieger.nl/stijgen-naar-de-oergrond/

15


Enkele belangrijke visies en begrippen bij Eckhart God is niet te bevatten en toch in alles aanwezig: De religieuze ervaring van meister Eckart golft heen en weer tussen twee polen, die met ons logische verstand niet met elkaar te verenigen, maar toch allebei fundamenteel wáár zijn: - God is het mysterie-bij-uitstek, nooit te bevatten in menselijke woorden. - En toch is diezelfde God zo ontzaglijk nabij, dat de diepste grond van mijn menselijke geest en God zelfs samenvallen. De vereniging tussen God en jou is dus het doel. De weg daarheen bereik je door een houding van wat hij noemt: ‘Gelatenheid’. Onze eerste gedachte bij het woord gelatenheid is waarschijnlijk zoiets als ’berusting, lijdzaamheid’. Dat zijn negatieve begrippen, die suggereren dat je alles maar passief hebt te ondergaan wat je overkomt. Bij Meister Eckhart betekent ’gelatenheit’ iets veel positievers. Het is zeker geen berusting. Het betekent ook niet ‘onverschilligheid’. Het is veeleer een houding van volmaakte onbaatzuchtige ontvankelijkheid. In zijn jarenlange zelfonderzoek, en pastorale praktijk, zag hij n.l. hoeveel oneigenlijks er in het handelen van mensen kan zitten. Oók in het godsdienstig handelen. Dat geldt b.v. in praktijken als vasten, bidden, en het doen van goede werken. Precies omdat deze activiteiten al bij voorbaat als heilig en vroom gelden, kan er veel ongerechtigheid meegesmokkeld worden. Dan is Eckhart juist op zijn hoede: het sluipt er heel gemakkelijk in dat je deze dingen doet, omdat je denkt dat het moet, zo hoort, van je verwacht wordt, met de heimelijke verwachting dat je zo waardering krijgt van anderen, en/of van God: dat Hij je dan met Zijn genade vervuld. Maar in wezen ben je dan onvrij, en zo kan God niet werkelijk in jou komen. Bij hem is gelatenheid een juist houding waarbij ons denken, spreken en handelen niet wordt bepaald door zelfzuchtige motieven, maar wordt gedragen door een totale onbaatzuchtige ontvankelijkheid. Dat wil zeggen dat je alle gebondenheid waarin je gevangen zit loslaat, dat je alles loslaat wat niet echt van binnenuit, uit het allerdiepst van je ziel komt. Het is een houding die gebaseerd is op de uitspraak van Jezus in het Evangelie: ‘Je leven verliezen, om het echte leven te winnen’. 16


Dat loslaten geldt zelfs voor je Godsbeelden. In zijn preken en boeken bewandelt hij daarom de zogeheten via negativa, de "weg van de ontkenning": Wij mensen vormen ons graag een ‘beeld’ van God: liefdevolle Vader, goede Herder, de Barmhartige, de ‘Rechtvaardige’. Die beelden kunnen echter gemakkelijk schijnbare zekerheden geven. Elk Godsbeeld kan n.l. het gevaar inhouden van hunkering naar beloning, eeuwig leven, fijne innerlijke gevoelens, of vrome behaaglijkheid. Van deze God moet je als mens afscheid nemen, of zoals hij het in preek 7 zegt: ‘Het hoogste en uiterste wat een mens kan loslaten, is dat hij God omwille van God loslaat’. Omwille van God, dus geen totaal afscheid. Het gaat om het ruimte maken voor God in mijzelf, mijn eigen ziel. Want in de ziel van elke mens, is een vonkje van God. ‘Je moet God niet als buiten jezelf opvatten, maar als het eigenste wat in jou is’. (preek 5) ‘God is verborgen in de grond van de ziel waar Gods grond en de grond van de ziel één grond is’ (Preek 18). Maar om alle misverstand te voorkomen zegt hij nog: ‘Is de ziel dan God? Nee, de ziel is niet God, maar God is in de ziel God, zoals de zon in de spiegel de zon is’ (preek 8 en 11). Hier zien we een gedachte die op Plato en Thomas van Aquino is gebaseerd. Eckhart vergelijkt de ziel wel met een beker die als hij leeg raakt volstroomt met de Godheid. Het gaat dus niet alleen om loslaten, maar ook om toelaten, om ontvankelijkheid. ‘God ‘zijn’ laten’, zegt hij letterlijk. Dan kan Hij in jou geboren worden. Eckhart noemt dit gewaar worden van de Godheid in jezelf: de Godsgeboorte van de Zoon in mij.

Het boek van de goddelijke troost Dit boek, dat hij opdroeg aan koningin Agnes van Hongarije, nadat haar vader vermoord was, handelt over de ware troost. Een van de belangrijkste vragen waarmee de mens vanaf de oertijd heeft geworsteld, is die naar de zin van het lijden. Vanwaar komt het lijden? Wie is er de oorzaak van? Welke zin heeft lijden en welke zin heeft het leven nog als het zo intens wordt getekend door het verdriet om een verlies? Zolang je geniet van een goede gezondheid, succesvol bent in je werk en je een fijne partner en vrienden hebt, vind je het doodgewoon dat alles is zoals het is. De vraag naar het waarom van het lijden komt pas op als het fout loopt. Pas dan komt er ruimte vrij voor de eigenlijke zinvragen. Wie lijdt, wordt kwetsbaar en realiseert zich meestal pas dan hoe kostbaar alles was.

17


Een bijzondere vorm van lijden is verdriet. Verdriet verwijst altijd naar verlies en rouw om wat voorbij is. Dikwijls gaat het om verdriet om iemand die overleden is, maar even intens - en soms verwaarloosd - is het rouwen om een partner die de relatie verbreekt, een vriend die geen teken van leven geeft, kinderen die met hun thuis breken en een bedenkelijke weg opgaan. Telkens moet je afscheid nemen. Soms is dat afscheid heel fysiek. Andere keren neem je afstand van de voorstelling die je van die ander had. Maar hoe dan ook, verlang je naar troost. Troosten: Uit ervaring weten we dat er veel dingen zijn die kunnen troosten: een wandeling, muziek, esthetische schoonheid en zelfexpressie. Maar de eigenlijke troost kan slechts komen van de ander die ons bij ons diepste zelf brengt en bereid is op die tocht een onvoorwaardelijke gezel te zijn. De ander moet alles aanvaarden wat kan opkomen: woede, verslagenheid, angst of hoop. Nogal wat troost is wel goedbedoeld, maar in wezen niet echt troostend. Zeggen dat het toch mooi weer is, of dat je toch de kinderen nog hebt als je partner dood is, zijn daar voorbeelden van. Dergelijke opmerkingen ontkennen het eigenlijke verdriet. Echte troost bied je, als je alle ruimte geeft om het verhaal te vertellen en onvoorwaardelijk luistert. Juist door het vertellen van het verdriet, vindt het een bestemming in jou die luistert. Dat helpt om het te verwerken. Dan kan er geleidelijk weer een aanvaarding groeien tegenover het leven. Met die achtergrond heb ik de teksten van Eckhart gelezen. De vraag is hoe hij tegen het lijden en het verdriet van zichzelf en van zijn tijd aankeek, en of zijn mystiek daarbij troost kan bieden. Hij komt in meerdere teksten terug op de vraag naar de zin van het lijden. Hij schreef er zelfs een traktaat over: Het boek van de goddelijke vertroosting. Vermoedelijk ontstond het werk na 1311. Op het eerste gezicht biedt de tekst niet de troost waar je als mens op hoopt. Dat is opmerkelijk, want Eckhart leefde in een woelige tijd waarin veel mensen op een heel intense en rauwe manier in vreselijke toestanden waren gedompeld. Grote streken van Europa waren drastisch uitgedund door de pest, die in golven over het continent trok. Er was aanhoudend onrust en militair geweld. Het leven van een enkeling was nauwelijks van tel. Meister Eckhart geeft daarin geen directe troost in de zin van meeleven, ruimte bieden aan het verdriet, helpen bij het verwoorden daarvan, eerbiedig naast de ander blijven staan. In zijn boek wisselt hij heel banale adviezen af met de meest diepzinnige overwegingen. Ik geef enkele voorbeelden van dat banale: - In ons leven is nu eenmaal niets helemaal volmaakt. En wat mensen doen is nooit helemaal zuiver. Alles wat ons overkomt, is een mengsel van geluk en ongeluk. - Indien je wordt getroffen door tegenslag, blijf dan kijken naar wat goed was. - Als je lijdt, kijk naar degenen die er nog erger aan toe zijn dan jezelf. 18


- Als een ongeluk je treft, bedenk dan hoeveel jaren het je goed is gegaan. Het klinkt allemaal nogal koel, en weinig meelevend. Het zijn allemaal rationele zoethoudertjes waar niemand een boodschap aan heeft en die men amper van zo'n diepzinnige man zou verwachten. Maar bij intenser bekijken van de teksten, heb ik het gevoel dat er toch ook iets wezenlijk wordt aangereikt, mystieke inzichten, die onze gangbare opvattingen over troost op een belangrijke manier corrigeren of aanvullen. Voor hem is de uiteindelijk ware troost iets is dat zich binnen in de mens afspeelt in zijn verhouding tot God. Het moet vanuit de diepste kern van onze ziel opwellen. Ook al doet een ander nog zo zijn best om mij te troosten, hij blijft toch buitenstaander. Hij raakt slechts de buitenkant van mijn persoon — of de lagere krachten van de ziel, zoals Eckhart het uitdrukt. Troost is pas troost als die groeit vanuit de innerlijkste helende krachten van de ziel. Vandaar dat zijn uiteenzetting uitmondt in een beschrijving van de grond van de ziel. Dat is immers de plek waar de Godheid in volheid woont. In het boek zegt hij het o.a. als volgt: ‘Nu zeg ik verder dat alle leed wordt veroorzaakt door gehechtheid aan wat mij ontnomen is. Als ik dan verdriet heb om het verlies van uiterlijke dingen, dan is dat een duidelijk bewijs, dat ik gehecht ben aan uiterlijke dingen en dus eigenlijk gehecht ben aan leed en troosteloosheid. Is het dan een wonder dat ik moet lijden, als ik me hecht aan leed en troosteloosheid en die zoek? Mijn hart en mijn liefde verlangen in het geschapene de goedheid te vinden die God toebehoort. Ik richt me op het geschapene dat van nature slechts troosteloosheid biedt en wend me van God af, uit Wie alles stroomt. Is het dan een wonder dat ik moet lijden en treurig ben? Heus, het is bij God en de hele wereld volstrekt onmogelijk dat de mens die in de schepselen troost zoekt ook ware troost vindt. Wie echter in het geschapene alleen God zou liefhebben en het geschapene in God, die zou overal dezelfde ware en juiste troost vinden’. Eckhart schrijft niet: wie lijdt om een uiterlijk verlies, zoekt zijn eigen leed en had beter geleerd zich van deze wereld af te keren en enkel nog van God te houden. Er staat: 'Wie echter in het geschapene alleen God zou liefhebben en het geschapene in God, die zou overal dezelfde ware en juiste troost vinden.' Volgens Eckhart ademt en leeft heel de schepping door een eeuwig ontvangen van leven dat stroomt uit de Godheid. Het wezen van de aardse en uiterlijke dingen is getekend door deze kracht. Daarom is ook alle liefde voor dit leven en de liefde voor de geliefden een uitnodiging om in elkaar de Gevende te vieren. Gehechtheid heeft altijd weer de neiging zich aan het uiterlijk tastbare en zichtbare te hechten. Dat maakt de mens kwetsbaar. De opdracht waarvoor men staat, is te groeien naar een onthechtende gehechtheid. Dat is enkel mogelijk door een proces van verinnerlijking. Om zijn overtuiging te illustreren verwijst Eckhart naar de 19


aansporing van Jezus om vader, moeder, broers en zusters achter te laten. Wie zijn familie loslaat, krijgt hen op twee manieren honderdvoudig terug: ‘In de waarheid van God en bij mijn eigen zaligheid durf ik stellig te zeggen dat al wie zich omwille van God en de goedheid van vader en moeder, broer en zuster of wat dan ook losmaakt, het honderdvoudige op twee manieren ontvangt. In de eerste plaats worden zijn vader, moeder, broer en zuster hem honderdmaal liever dan ze nu zijn. Ten tweede worden niet slechts honderd, doch alle mensen, voorzover het mensen en medemensen zijn, hem onvergelijkelijk veel liever dan hem nu zijn vader, moeder of broer van nature lief zijn’. Het gaat dus niet om een wereldvlucht of een negatieve ascese, maar een diepere openheid naar alles om je heen, in het bijzonder ook de mensen om je heen. Ik sprak laatst iemand die vertelde dat haar moeder 2 jaar geleden overleden was. Tijdens haar moeders ziekbed, had ze als dochter vreselijke angst haar straks te moeten verliezen. Ze dacht het niet aan te kunnen. Ze besloot te bidden, dat God haar daarin zou helpen. En meteen na de begrafenis kreeg ze een overweldigend inzicht: Moeder is bij God, ik ben met mijn hart bij God, dus we zijn helemaal niet gescheiden. We zijn op het allerdiepste niveau bij elkaar, in liefde. Dat gaf haar een diepe echte troost. Een volgende stap in de omgang met lijden en verdriet is de bede in het Onze Vader: ‘Uw wil geschiede op aarde als in de hemel'. Eckhart gaat heel ver in de interpretatie van dit gebed. Het betekent dat men aan God overlaat wat met ons gebeurt. Alles, zowel het goede als het negatieve, lijkt verbonden met de diepere bedoeling die God heeft met de mens. Eckhart gaat zo ver in dat oervertrouwen dat hij tot gewaagde uitspraken komt, waarvoor hij later werd veroordeeld. Een voorbeeld daarvan is de volgende tekst: ‘Daarom zegt het evangelie: 'Zalig zijn de armen van geest', dat wil zeggen: Een dusdanig mens is zo één van wil met God, dat hij alles wil wat God wil en op de manier zoals God het wil’. Eckhart past dit zelfs toe op het doen van zonden. Hoewel het verkeerd is, besef je dat het Gods wil is, en daarom accepteer je zelfs dit, omwillen wan God. Dat is krasse taal. Het gaat Eckhart er dus om, dat we steeds weer biddend herhalen en in de praktijk proberen waar te maken dat niet onze wil maar Gods diepste bedoeling zou mogen geschieden. Dat geeft ons een innerlijke vrijheid tegenover alles wat ons leven tekent, zelfs tegenover zonde en lijden. Een laatste troost van Eckhart klinkt ons wat vertrouwder in de oren. God is in ons lijden en lijdt met ons mee: ‘In de derde plaats zeg ik: dat God met ons is in het lijden, betekent dat God zelf met ons mee lijdt. Heus, wie de waarheid kent, weet 20


dat ik de waarheid spreek. God lijdt met de mensen mee, ja Hij lijdt op Zijn manier eerder en onvergelijkelijk meer dan degene die lijdt, die om Zijnentwil lijdt. Nu zeg ik: wil God dan zelf lijden, dan spreekt het vanzelf dat ik lijd, want als het goed met me gesteld is wil ik wat God wil. Elke dag bid ik wat God van mij verlangt te bidden: 'Heer, Uw wil geschiede', en toch, terwijl God wil lijden, wil ik over het lijden klagen; dat is volstrekt onterecht. Ook zeg ik met overtuiging dat God zo graag met ons mee lijdt, wanneer wij alleen om Zij-nentwil lijden, dat Hij lijdt zonder te lijden. Lijden is voor Hem zo gelukzalig, dat lijden voor Hem geen lijden is. En daarom zou, als het goed met ons was gesteld, ook voor ons lijden geen lijden zijn; het zou ons een zegen en een troost zijn’. Als we terugkijken op de weg die we hebben afgelegd, dan blijven we met een merkwaardig dubbel spoor zitten. Enerzijds leert de dagelijkse ervaring hoe belangrijk een luisterende en meevoelende ander voor ons is als we verdriet hebben. Een empatische (invoelende) houding richt zich niet alleen op wat hier en nu gebeurt, maar op de totale mens zoals hij een geschiedenis schrijft waarin vele momenten van geluk en verdriet samenspelen. Anderzijds leert Eckhart me dat echte troost steeds van binnen moet opwellen en dat de zopas beschreven troost slechts een eerste aanzet daartoe is. Echte troost veronderstelt nog veel andere dingen. De echte troost is niet het verlangen dat je lijden wordt opgeheven, maar het besef, dat God in jouw lijden aanwezig is. Door te leren zich altijd en in alle omstandigheden af te stemmen op Gods wil groeit een vertrouwen dat in ons leven uiteindelijk alles wordt gedragen door een bron van Leven en Licht. Het gaat het er uiteindelijk om die diepste kern in onszelf te ontdekken waar de Godheid woont als eeuwige en enige Schenker van leven. Alles wat we dan doormaken, valt in die Grond en wordt er opgevangen en verwerkt op een andere manier dan wij kunnen vanuit ons ik. God lijdt en troost dan in ons. Alleen die troost kent duurzaamheid. Š http://www.parochie-antonius-abt.nl/images/news/LezingMeisterEckhart.pdf

21


DE VISIE VAN MEISTER ECKHART OVER ……….

HOE KUN JE BIDDEN? Het krachtigste, machtigste gebed om alles, ja, bovenal het waardigste werk, te bereiken is het gebed dat voortkomt uit een leeg gemoed. Hoe leger het gemoed, des te krachtiger, waardiger, inniger, prijzenswaardiger en volkomener het gebed en het werk. Een leeg gemoed vermag alles. Maar wat is een leeg gemoed? Een leeg gemoed is een gemoed dat nergens door belast of op een dwaalspoor gebracht wordt, dat nergens aan gebonden is, dat op geen enkele manier op eigenbelang uit is, maar dat verzonken is in Gods liefste wil en zich juist van eigenbelang heeft bevrijd. De mens kan nooit ook maar het minste of geringste doen dat niet hieruit — uit een leeg gemoed — zijn kracht en kunnen put. Je moet zo krachtig bidden dat alle ledematen, alle krachten — ogen, oren, hart, mond, alle zintuigen — daarop gericht zijn. En je moet niet ophouden voordat je merkt dat je je wilt verenigen met degene die je voor ogen staat en aanbidt, namelijk God.

JEZELF OPGEVEN: In alles wat je als mens doet steekt vaak nog eigenzinnigheid. Of je je daar nu al dan niet bewust van bent, nooit komt er onvrede in je op die niet — of je dat nu merkt of niet — uit eigenzinnigheid voortkomt. Daar zijn de omstandigheden of wat je dwarszit geen schuld aan, je bent het zelf. Je staat er namelijk verkeerd tegenover. Begin dus bij jezelf en geef jezelf op! Heus, ook al sla je in eerste instantie op de vlucht, je komt, waarheen je ook vlucht, waar je ook bent, enkel hindernissen en onvrede tegen. Wie vrede zoekt in uiterlijke dingen, op bepaalde plaatsen, in bepaalde relaties, bij mensen of in werken, in den vreemde, in armoede of in schande — hoe groot het ook is en wat het ook zijn mag — het stelt allemaal niets voor en schenkt geen vrede. Wie zo zoekt, zoekt op de verkeerde manier. Hoe verder hij gaat, des te minder vindt hij wat hij zoekt. Hij loopt rond als iemand die verdwaald is. Hoe verder hij gaat, des te erger verdwaalt hij. Wat moet hij nu beginnen? Hij moet eerst zichzelf opgeven, dan heeft hij alles opgegeven. Heus, al gaf een mens een koninkrijk of de hele wereld op, maar zichzelf niet, dan had hij nog niets opgegeven. Maar als de mens zichzelf opgeeft en dan iets krijgt, rijkdom, eer of wat dan ook, heeft hij desondanks alles opgegeven... Wat je niet begeert, heb je opgegeven en overgegeven aan Gods wil. Daarom zei onze Heer: 'Zalig zijn de armen van geest', dat wil zeggen, zij die arm zijn aan wil. Je mag er 22


niet aan twijfelen dat onze Heer ons, als er een betere manier was, die wel had aanbevolen toen hij verder zei: 'Wie mij wil volgen, moet eerst zichzelf opgeven.' Dat is het hele geheim. Let dus goed op jezelf en als je jezelf met je eigenzinnigheid tegenkomt, geef jezelf dan op! Dat is het allerbeste.

HET FOUTIEVE VAN RECHTVAARDIGING DOOR WERK — HEBBEN OF ZIJN: De mensen zouden niet zozeer moeten nadenken over wat ze doen dan wel over wat ze zijn. Als de mensen en de manier waarop ze leven goed waren, zouden hun werken stralend oplichten. Als je rechtvaardig bent, zijn ook je werken rechtvaardig. Denk niet dat je heiligheid kunt baseren op doen; heiligheid moet berusten op zijn, want de werken heiligen ons niet, wij moeten de werken heiligen. Hoe zogenaamd heilig de werken ook zijn, ze heiligen ons niet; het zijn immers maar werken. Het is veeleer zo dat wij al onze werken, eten, slapen, waken of wat dan ook, heiligen in de mate waarin we zijn en aan het zijn deel hebben. Als je geen deel hebt aan het grote zijn, komt er, wat je ook doet, niets van terecht. Knoop dus in je oren dat je je er volledig voor moet inzetten dat je goed bent en je niet afvraagt wat je doet of van welke aard de werken zijn, maar op welke grond ze berusten.

Š http://www.parochie-antonius-abt.nl/images/news/LezingMeisterEckhart.pdf

23


Zelfontlediging Zelfontlediging gaat gepaard met het “loslaten van je zelf,” gelatenheid, berusting. Daaronder verstaat Eckhart het loslaten of zich ontdoen van de denk- en doestructuren, die gekenmerkt zijn door wereldse en concrete verhoudingen. Pas de gelaten mens is zoon van God: Die mens, zegt Eckhart, moet zichzelf en de hele wereld opgegeven hebben. Naast het “opgeven van zichzelf” eist Eckhart ook het “opgeven van God ter wille van God.” Het gaat om het opheffen van het “hebben” van God, hem als object en schepper hebben. Enkel in het kennen kan de mens doorbreken tot het fundament van zijn zelf, het goddelijke fundament en gelijkmoedigheid bereiken. Daartoe moet hij niet passief en van de wereld afgewend blijven, maar uiterst actief zijn en net als God, die pure activiteit is, vanuit zijn innerlijk werkzaam worden. Dienovereenkomstig formuleert Eckhart dat in preek 5a: Wat is mijn leven? Wat van binnenuit bewogen wordt. Echt gelijkmoedig is de mens, die zijn eigen wil opgegeven heeft en door zich heen Gods wil laat werken. Ook innerlijk mag hij niet willen. Het doel van het menselijke bestaan is bij Eckhart gelijk worden aan Gods wezen, het leven vanuit en naar God, puur begrijpen als doel op zich. De wezenlijke aspecten van zelfontlediging zijn: 1.Het loslaten van alle gedachten, beelden en kennis – Indien je God op een goddelijke manier wilt kennen, dan moet je kennis een puur niet-kennen en een vergeten van je zelf en alle schepsels worden en niets, dat door de zintuigen ingebracht wordt, kan dat bewerkstelligen. 2.Volkomen doelloosheid en opgeven van de wil – Want ik zeg je met de eeuwige waarheid: zolang je de wil hebt Gods wil te vervullen en verlangt naar de eeuwigheid en God, ben je niet echt arm. Want alleen de mens die niets wil en niets begeert, is arm. 3.Intellect en verstand zijn geen instrument om tot het ervaren van God te komen – Wil God gezien worden, dan moet dat in een licht geschieden, dat God zelf is. Boven het verstand, dat zoekt, is nog een ander verstand, dat niet meer zoekt […]. 4.Het opgeven van het dualistische denken – Het oog waarin ik God zie, is hetzelfde oog waarin God mij ziet; mijn en Gods oog, is één oog en één weten… 5.Het verwijderen van de tijd uit het dagelijkse leven – Op dezelfde wijze als mijn niet-geboren zijn, kan ik ook niet sterven. […]. Wat ik volgens mijn geboren-zijn ben, […] is sterfelijk; daarom moet het samen met de tijd te gronde gaan.

24


6.Het verdiepen van de aandacht – … dat is voor wijze mensen een zaak van weten en voor grofbesnaarden een zaak van geloven. Het gevolg van het loslaten van kennis, wil, tijd, ik, enz., is een grote gelijkmoedigheid. Voor wie God in zijn ‘zijn’ heeft […] smaken alle dingen naar God. Meester Eckhart benadrukt daarbij, dat deze “geestestoestand” doorgaans door jarenlange oefening bereikt wordt. Hij vergelijkt dat met het afleren van lezen en schrijven. © http://nl.wikipedia.org/wiki/Meester_Eckhart Oktober 2014

25


De Mystieke ‘leer’ van Meister Eckhart De term mystiek wordt veel gebruikt maar niet altijd op correcte wijze. De kern van mystiek is (het verlangen naar) de directe ervaring van het goddelijke, van God. Het woord ‘mystiek’ is afgeleid van de Griekse werkwoorden muein en muoo en van het Griekse bijvoeglijk naamwoord mustikos. Mueien en muoo betekenen ‘gesloten zijn’ of ‘sluiten’ (vooral van ogen en mond), en ook ‘niet-zien en zwijgen’; mustikos betekent ‘met de geheimen (musteria) verbonden, geheimzinnig’. Mystiek begint daar waar zien en spreken ophouden, waar ervaringen niet meer in woord en beeld te vatten zijn. Een mysticus of mystica is iemand die op een overweldigende wijze de tegenwoordigheid ervaart van iets wat hem of haar overstijgt, iets wat veel werkelijker is dan wat men doorgaans voor werkelijk aanziet, aldus Paul Mommaers. In de mystieke ervaring ervaart men zichzelf en de hele schepping als één geheel; de mysticus ervaart een vereniging met het transcendente/het goddelijke/God. De zogenaamde christelijke mystiek is de theïstische mystiek die verbonden is met de christelijke geloofsinhoud, dus bijvoorbeeld het geloof in God, Jezus Christus en de sacramenten. Als rond de vierde eeuw na Christus het monnikenleven opkomt binnen het christendom, krijgen christelijke spiritualiteit en mystiek een vanzelfsprekend 'thuis'. Men trekt zich terug in de woestijn en in kloosters en abdijen, weg van wereldse zaken en institutionele kaders, om door middel van vurig gebed, meditatie, contemplatie en ascetisch leven op zoek te gaan naar de ervaring van de goddelijke aanwezigheid en de goddelijke genade. Maar de christelijke mystiek is niet beperkt gebleven tot het monastieke leven; onder de vele christelijke mystici bevinden zich ook begijnen (bijvoorbeeld Hadewijch), kluizenaars, en ook vele (eenvoudige) leken. Na de Reformatie en de opkomst van de moderne wetenschap en het daarmee gepaard gaande scepticisme raakt de mystiek echter in verval. Maar in de twintigste eeuw hebben enkele opmerkelijke gebeurtenissen bijgedragen aan een opleving van de mystiek. Daartoe behoren bijvoorbeeld de opzienbarende ontdekkingen van de quantumfysica, die vaak meer verwantschap lijken te hebben met de mystiek dan met de traditionele natuurkunde van Newton. Ook de sterk toegenomen interesse voor de spirituele wegen van diverse oude godsdiensten en oosterse godsdiensten heeft mystiek in het brandpunt van de religieuze belangstelling geplaatst.

26


Mystiek brengt de teloorgang van de ervaring weer terug in het (christelijk) leven, zij bevredigt de honger naar de persoonlijke beleving die is ondergesneeuwd onder nuchtere objectiviteit en de daarbij horende kritische houding jegens de subjectieve mystiek. Het meest typerende en vernieuwende van Eckharts mystiek was zijn leerstuk rond de radicale ‘afgescheidenheid’ (Abgeschiedenheit). Om bij God te komen moet je alles loslaten, onthechten, leeg worden, waarlijk arm worden van geest, je eigenheid verliezen. Hiermee bedoelt hij dat de mens (Eckhart spreekt zelf vaak van Seele, ziel) zich van alle vergankelijke zaken moet ontdoen, zich volledig dient af te scheiden van alles wat hij kent, van al zijn emoties, verlangens, ideeën, gedachten, woorden en beelden, hij moet louter ‘zijn’. Eckhart noemt dit vaak het Bloss-sein, het ‘naakt’ oftewel arm van geest zijn. Arm zijn van geest betekent bij Eckhart het leeg zijn van zichzelf en dus ook niets willen en niets begeren. Dat is volgens hem de conditie waarin God geboren wordt in de ziel van de mens. De ziel is een tempel waarin een plek is die gelijk is aan God; we moeten de tempel daarom leeg maken van alles wat niet God is. Waar het schepsel eindigt, daar begint God te zijn, zegt Eckhart dan ook. Daarom leert de ziel God pas kennen als hij zichzelf vergeet en verliest. Door zich volledig af te scheiden van alles wat tussen God en de mens instaat, dus van alle ikheid en daarmee samenhangend ook van alle beelden en namen, kan de uiterlijke verhouding met God omgevormd worden naar een innerlijke; de mens maakt zich dan leeg van zichzelf en kan vervolgens God in zichzelf, als ‘zijn eigenste’ vinden. God is voor Eckhart het absolute oneindige zijn. Vanwege zijn ontkenning van godsnamen en -beelden noemen we Eckharts theologie een negatieve theologie. Dit zijn stromingen in het geloofsdenken die het God of het Uiteindelijke slechts trachten te beschrijven door middel van de ‘ontkenning’; wat Hij in elk geval allemaal niet is. Meister Eckhart zegt herhaaldelijk dat hij spreekt over iets wat zich aan woorden en namen onttrekt, maar dat hij ook niet over dit onzegbare kan zwijgen en daarom zijn toevlucht neemt tot de via negativa. Hij benadrukt dat God oneindig veel groter is dan alles wat we over Hem kunnen zeggen of denken. Eckhart noemt God in zijn absolute vorm ‘Godheid’; pas als we God, die alle verstand te boven gaat, kunnen zien zonder beelden, vergelijkingen of middelen mogen we spreken van Godheid. God is dus wel Godheid maar Godheid is geen God; Godheid is namelijk nóg veelomvattender, want Hij is zonder beperkingen. God is nog steeds ‘iets’, Godheid is ‘niets’ omdat het voorbij alles gaat. Daarom zegt Eckhart ook [..] dat God nog niet bestond voordat de schepselen bestonden; toen was er alleen de Godheid; God is iets wat de mens kan bedenken, Godheid is daarboven verheven.

27


God woont in onze ziel, maar God is niet hetzelfde als onze ziel; Hij blijft altijd oneindig veel groter. Het schepsel is niet gelijk aan zijn Schepper, de mens is niet God en daarom past het hem om nederig te zijn. Omdat God de absolute grond van het bestaan is en eeuwig, onveranderlijk en tijdloos is, moet de mens inzien dat er derhalve slechts een eeuwig nu bestaat en dat alles één is in God. Men moet al het geschapene loslaten omdat dit vergankelijk en derhalve niet God is, want God is louter ‘zijn’, Niets. Hoewel hij in zijn mystiek uitgaat van de christelijke geloofsinhoud, vinden we in Eckharts werk praktisch geen verwijzingen naar de kerk/het instituut. Het gaat bij hem om rechtstreeks contact tussen God en het individu, om de individuele geloofsbeleving zonder bemiddeling. God en ziel moeten één worden, één enkel hier-en-nu zijn; dan word ‘ik’ God en God wordt ‘ik’, zegt Eckhart. Door velen is reeds gewezen op de grote overeenkomsten tussen Eckharts mystiek en de leer van het boeddhisme, vooral het zenboeddhisme. Bij beiden draait het er namelijk om zichzelf te ontdoen van het ego/de eigenheid, waartoe men zich leeg moet maken van verlangens, emoties, gedachten, woorden, beelden en concepten om vervolgens op te kunnen gaan in de grond van het bestaan. Een groot verschil tussen beiden ligt echter precies in de definitie van die grond van het bestaan: voor het boeddhisme is dit het Niets, de Leegte[..]. Eckhart noemt God, of beter gezegd de Godheid, weliswaar ook herhaaldelijk ‘Niets’, maar toch blijft God voor hem wel degelijk ‘Iets’, namelijk een op zichzelf staande andere, transcendente werkelijkheid waarmee de mens een relatie kan hebben. © http://karinleeuwenhoek.com/

28


LEVEN ZONDER WAAROM Meister Eckhart over het goede leven

‘Waarom heb je God lief?’ ‘Ik weet het niet, omwille van God.’ ‘Waarom heb je de waarheid lief?’ ‘Om der wille van de waarheid.’ ‘Waarom heb je de gerechtigheid lief?’ ‘Omwille van de gerechtigheid.’ ‘Waarom heb je de goedheid lief?’ ‘Omwille van de goedheid.’ ‘Waarom leef je?’ ‘Echt, dat weet ik niet. Ik leef graag.’ Meister Eckhart in Preken1

Veronderstel dat ik een middeleeuwer was en mij werd gevraagd waarom ik leef, negen kansen op tien dat ik zou zeggen: ‘Om God te dienen.’ Of als ik enkele eeuwen later had geleefd zou ik wellicht antwoorden: ‘Om deugdzaam te leven en mij vrij te kopen, zodat ik gered word van mijn fundamentele zondigheid.’ Eckhart zegt eenvoudig en radicaal: ‘Ik leef zonder een verklaring te kunnen geven. Ik leef vanuit een eeuwig ontvangen van leven vanuit de Onnoembare. Zoals je in- en uitademt zo wil ik op het ritme van het leven bestaan, en dat geeft een lichtheid en vreugde waarvoor geen verklaring gegeven kan worden, geen waarom en geen waartoe. Het is een kwaliteit van zijn, hier en nu.’ Het zegt dat nergens letterlijk, maar ik denk Eckhart zo te mogen samenvatten en via hem een aanzet te geven voor een hedendaagse spiritualiteit en een evenwichtige manier van leven. Zijn raad is voor de gestreste westerse mens een koninklijke weg naar onthaasting. Leven in het nu heeft te maken met het achter zich laten van de kwetsuren en de pijn die men vanuit het verleden meedraagt. Het heeft ook te maken met wijsheid en durf om een mens- en wereldbeeld los te laten waarbij alles plicht en streven naar volmaaktheid is en men zich in alles tekort voelt schieten. En tenslotte is het een aansporing om te zoeken naar een nieuwe taal om het heilige op te roepen. Eckhart was een echte Lebe- und Lesemeister, voor wie levensstijl en theoretisch inzicht onlosmakelijk met elkaar waren verweven. Dat wil ik aantonen door één aspect uit zijn denken toe te lichten: leven zonder waarom.

29


In de Middeleeuwen bestond er een rijke voorstellingswereld rond de symboliek van de roos. De roos die daar staat te bloeien, mooi en geurig, en dat alles zonder waarom. Angelus Silesius (1624 – ’77) kende als filosoof en mysticus het werk van Eckhart heel goed en was 2 tegelijk vertrouwd met de roos-symboliek. Vandaar dat hij in zijn werk Cherubinischer Wandersmann in het eerste boek onder nummer 289 schrijft: Die Ros’ ist ohn warumb sie blühet weil sie blühet Sie achtt nicht jhrer selbst fragt nicht ob man sie sihet.2 In het rijm zit een belangrijke tegenstelling. Eerst gaat het over een roos, die bloeit en enkel maar schoonheid en geschenk is, en waarvoor geen verklarend waarom bestaat, geen door de ratio te begrijpen reden. Precies daarom is zij zo mooi in haar kwetsbare, kortstondige verschijning. Dit in schril contrast met de tweede versregel, die op indirecte wijze naar de mens verwijst. Mensen kijken naar zichzelf, willen gezien worden en zijn beducht om wat anderen over hen denken. Bij alles wat zich aandient, vraagt hun onderzoekend verstand waarom iets is zoals het is in de hoop inzicht te krijgen en via kennis in te dringen in het levensgeheim. Het is onze westerse manier om naar geluk te streven. De verworven inzichten zijn inderdaad ontzettend belangrijk om te overleven. Ze hebben ons van veel onheil, van honger en ziekten verlost. Tegelijk moest daarvoor een tol worden betaald. Ons contact met de realiteit ging zich beperken tot wat wij ons ervan voorstellen. Echte schoonheid, en eigenlijk alle belangrijke aspecten van ons leven – liefde, gastvrijheid, vergeving, onbaatzuchtigheid, ons artistiek scheppingsvermogen – hebben geen waarom. Ze zijn om wat ze zijn, waardevol in zichzelf. Natuurlijk kan bij dat alles naar een verklaring worden gezocht, maar hun diepste wezenheid blijft altijd ongrijpbaar. In zijn boek Der Satz vom Grund maakt Heidegger over dit vers van Angelus Silesius deze bedenking: ‘Het ongezegde van de spreuk – en daar komt alles op aan – zegt veeleer dat de mens in de diepste verborgen grond van zijn wezen pas waarlijk is wat hij is, wanneer hij op zijn manier net zo is als de roos – zonder waarom.’3

30


Net als over de roos kan men over de mens vanuit diverse wetenschappelijke hoeken hypothesen maken en tot coherente kennis komen, maar wie hij uiteindelijk is – hoe hij vanuit zijn diepste verborgen grond openbloeit – blijft ongrijpbaar. De toevoeging door Heidegger ‘vanuit zijn diepste verborgen grond’ is niet toevallig (de betekenis van die grond werd de kern van Der Satz vom Grund). Die grond is de zijnsgrond waar de mens op het snijpunt van Das Geviert staat, in de ontmoeting van hemel en aarde, goden en mensen. Dankzij deze begronding bestaat de mens in een bloeiende tijdelijkheid, kortstondig als het gras zegt de bijbel, kwetsbaar en vaak gekwetst als een zwakke rietstengel, maar tegelijk geënt op een grond, die aan alle be-grijpende kennis ontsnapt, en die hem een onuitputtelijke rijkdom geeft. Meister Eckhart, die over de Godheid en de mens spreekt als een louter Niets en die op een retorische manier tot zijn toehoorders zegt: ‘Ik weet niet waarom ik leef, maar ik leef graag.’ Ik zou zeggen: ‘precies daarom leef ik zo graag, omdat ik mij verbonden voel met een Bron die aan alle waarom ontsnapt.’ In een van zijn preken schrijft Eckhart: De gerechte mens wil niets en zoekt niets, daar hij geen waarom kent. Als hij geen waarom kent wanneer hij iets doet, dan handelt hij zoals God, die ook zonder waarom doet. Zoals God werkt, zo werkt ook de gerechte zonder waarom. En zoals het leven leeft om zichzelf en geen waarom zoekt waarom het leeft, zo heeft de gerechte geen verklaring waarom hij iets doet.5 Leven zonder waarom kan men evengoed doortrekken naar een leven zonder waartoe. Het is leven in het hier en nu, in tijdloze tijdelijkheid, zonder telos en zonder archè. Spontaan denken we dat weet hebben van onze oorsprong en eindbestemming kracht geeft, want zo hebben we greep op ons leven en kunnen we ons een doel stellen. Deze kennis is echter schijn. Het hoort immers tot de courante raad, die mensen elkaar geven: niet piekeren over wat morgen brengt, niet blijven hangen bij pijnlijke herinneringen, maar op gaan in het moment en waarderen wat hebt. Zo geformuleerd getuigt dat van grote oppervlakkigheid. Stel je voor dat een politieke vluchteling, een slachtoffer van een aardbeving of een door soldaten misbruikte vrouw de raad krijgen te leven in het hier en nu, wat een verschrikkelijke raad zou dat zijn. Dus, om niet te vervallen in goedkope adviezen van een kleinburgerlijke moraal aan mensen die aan niets gebrek hebben, dient nader onderzocht te worden waarover de genoemde dichter, denker en mysticus spreken.

31


Waarom leef je? Om te leven, en toch weet je niet waarom je leeft. Zo begerenswaard is het leven in zichzelf, dat men het om het leven zelf begeert. Zij die in de hel eeuwig pijn lijden, duivels en zielen, zelfs zij zouden hun leven niet willen verliezen, want hun leven is zo edel, dat het direct uit God in de ziel stroomt. En juist omdat het zo direct uit God stroomt, willen zij leven. Wat is leven? Gods zijn is mijn leven. Is mijn leven Gods zijn, dan moet Gods zijn mijn zijn zijn en Gods wezenheid ‘gotes istichei’t mijn wezenheid ‘mînisticheit’, niet meer en niet minder.7 ‘Gods zijn is mijn leven’: bondiger en krachtiger kan het niet gezegd worden. Hier ligt dan ook de sleutel voor een leven zonder waarom waarbij men in een eeuwig nu staat. Over dit zijn van God en hoe zijn zijn ons leven wordt, moeten we verder denken. Het leven komt rechtstreeks uit God voort, alles wat leeft bestaat in het ontvangen van dat leven uit Gods hand. Daarom komt de mens, die zich onbelemmerd overgeeft aan de diepte van dat leven, God helemaal nabij. Eckharts mystiek is een zeer aardse, levensnabije mystiek waar God en het Leven één en ondeelbaar zijn. Ons leven wordt transparant als we o ns beschikbaar stellen voor deze grunt. Een grond die tegelijk een afgrond is, onpeilbare diepte, in tegenstelling tot de oppervlakkigheid van de dingen op zichzelf. Los van hun grond zijn ze niets, zelfs een mislukking, zegt Eckhart. Voor God bestaat het grootste genot erin zich in de ziel en in heel de schepping te kunnen uitgieten. Eckhart wil dat de mens en met hem heel de kosmos een transformatie doormaken, waardoor aan ons diepste verlangen tegemoet wordt gekomen. Dat verlangen [red: alsof er een gedachte of gevoelen is dat we afgescheiden zouden zijn] is onze isticheit, de ondeelbare eenheid in de Godheid. Ook Bernardus van Clairvaux spreekt over eenheid, maar was daarbij steeds beducht om in pantheïstische ketterij te vervallen. Daarom spreekt hij over de vereniging van de geesten. Eckhart kent die vrees niet en plaatst zich zo in de lijn van de vrouwenmystiek uit de dertiende eeuw. Wie zijn het die God eren? Dat zijn zij die zichzelf helemaal hebben losgelaten en in geen enkel opzicht hun eigenbelang zoeken, in welke vorm ook, niet in het groot, niet in het klein; die niet achtslaan op iets boven of iets onder of iets naast of iets aan zichzelf; die niet uit zijn op voordeel of eer of gemak of genot of baat of verinnerlijking of heiligheid of loon of hemelrijk; en die dat alles achter zich hebben gelaten, al het hunne; van die mensen ontvangt God eer, en zij eren God wezenlijk en geven Hem wat het Zijne is.10

32


Deze visie op de mens en de raad te leven in een eeuwig ontvangen staan lijnrecht tegenover de gangbare mentaliteit. De mens, zeker de westerse mens, is een wezen dat denkt en onderzoekt en vraagt waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Elk waarom heeft te maken met kritisch nadenken, met denken over de werkelijkheid via de voorstellingen die in onze geest zijn opgeslagen. Het zijn gefilterde afschaduwingen, die op de eerste plaats verwijzen naar de mens, niet naar de werkelijkheid. Ook de taal waarin die beelden en hun wetmatige samenhang worden verwoord, is een instrumentele taal, die ons ten dienste staat. Alle kennis, ook de theologische, is hierdoor getekend. Vandaar dat Eckhart durft te zeggen dat alle namen en eigenschappen van God Godsverduisterend werken. Het zijn doeken, die we over God gooien, schrijft hij. Vanuit die diepe stilte en het eerbiedig zwijgen [red: kunnen we] naar een nieuw licht te komen. [red:Dit] …is slechts mogelijk als de mens alles uit handen geeft: al zijn weten en ervaren, alle structuren die zichzelf sterk maakten omdat ze hierop voortbouwden: de dogmatiek, de leer en het gezag dat waakt over die leer. [red: Hoe? Door]..ons spreken [….]omslaan in zwijgend luisteren. [red:Door…] de werkelijkheid aan zichzelf teruggeven. [red: Door..] naar een ander gebied in zijn persoon gaan, voorbij zijn kennen, willen en voelen, en inkeren in zijn diepste kern: de plek waar hij onbegrensde openheid en passieve en actieve ontvankelijkheid is, aldus Eckhart. Ook dat is geen keuze van een eigenmachtig, voorzienig ego dat weet wat het beste is. De keuze wordt eerder bepaald door het besef van een fundamentele armoede en het verlangen naar volheid en leven. ‘Denk niet dat je voor de Godheid een plek in je hart kunt vrijmaken,’ schrijft Eckhart, ‘de Godheid moet dat zelf doen.’11 Zozeer was hij doordrongen van onze machteloosheid als het om het echte leven gaat. Het ik kan niet anders dan zich overgeven. Hoe intenser het contact met deze diepste openheid, des te sterker groeit het besef van honger. “Wie hier eet krijgt nog meer honger, wie hier drinkt nog meer dorst. Alles wat leeft streeft naar volheid van zijn.”12 Leven vanuit de Godheid, niet meer de God waarover we zoveel wisten en die we baden om nabijheid en verhoring van onze verzuchtingen. Tussen God en Godheid is er een verschil als tussen hemel en aarde. Een fundamenteel onderscheid tussen de Godheid en alles wat aards is. Een onderscheid dat echter niet voert naar een nieuw dualisme, maar tot een vernieuwde eenheid. Werken en worden zijn één. Als de timmerman niet werkt, wordt het huis niet gebouwd. Waar de bijl blijft liggen, ligt ook het worden stil. God en ikzelf, wij zijn één in deze werkzaamheid; Hij is de werker en ik de wordende. Het vuur verandert datgene wat eraan wordt toegevoegd in zichzelf en het wordt zijn natuur.13 33


Laat jezelf helemaal los en laat God het werk in je en voor je doen zoals Hij dat wil. Het werk is dan het Zijne, het woord het Zijne, de geboorte de Zijne en alles wat je bent helemaal. Want jij hebt jezelf losgelaten en bent uit je krachten en hun werking en uit de eigenheid van jouw wezen weggetrokken. Daarom moet God helemaal in je wezen en je krachten binnengaan, omdat jij jezelf van alle eigenheden hebt beroofd en jezelf woest en ledig gemaakt hebt, zoals geschreven staat: ‘De stem roept in de woestijn.’ Laat deze eeuwige stem in je roepen zoals het haar behaagt, en wees leeg van alles, wees woestijn.16 © Marcel Braekers O.P. http://www.kerknet.be/admin/files/assets/cultuur/leven.pdf

1 Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen, dl. II. Preken. Vertaald door C.O. Jellema, Historische Uitgeverij, Groningen 2001, p. 206.Verder geciteerd als: Preken. 2 Angelus Silesius, Cherubinischer Wandersman. Kritische Ausgabe, Reclam, Stuttgart, 1984, p. 69. 3 M. Heidegger, Der Satz vom Grund. Vertaald als Het beginsel van zijn door M. Waldschut, Boom, Amsterdam, 2009, p. 52. 5 Preken. Deze tekst komt niet in de vertaling ‘Preken’ van Jellema voor, vandaar het citaat. 7Ibidem, p. 160. 9 Preken. p. 231. 10 Ibidem p. 157. 11 Preken p. 14. 12 Eccl. n. 144. 13 Preken p. 163. 16,. Preken p. 298

_____________________einde van dit document _______________________

34

20141023 meister eckhart  
20141023 meister eckhart  
Advertisement