Go, gebiedsontwikkeling in beweging #3

Page 1

Gebiedsontwikkeling in beweging #3

Vancouver, de groenste stad ter wereld? p12

Burgemeestersdebat p6

Go 3x op projectbezoek p2 - p24 - p34

Thema Transitie Najaar 2015 / â‚Ź12,50


Met haar centrale ligging heeft de gemeente Barneveld een sterke positie in transport en logistiek. Jarenlang zag de gemeente hoe bedrijven zich elders vestigden of vertrokken omdat vestiging of uitbreiding planologisch nog niet mogelijk was. Sinds deze zomer kan het bestaande bedrijventerrein Harselaar worden uitgebreid. Hier is ook ruimte gereserveerd voor een Container Railterminal, voor vervoer van goederen via de railverbindingen tussen Randstad/Amersfoort-Apeldoorn/Duitsland.


G 0 Transitie en Gebiedsontwikkeling In het vorige nummer van Go met als thema organisatiekracht spraken we over ‘quad leaders’, mensen die zich bewegen tussen ondernemingen, overheden, maatschappij en de universiteit. Go#3 gaat over transitie, structurele veranderingen, in deze context. Economische ontwikkelingen, de aanpak van klimaatverandering en verschuivingen in de bevolkingssamenstelling zijn enkele voorbeelden van transitie met effect op gebiedsontwikkeling. Wereldwijd zijn steden in opkomst. Op de klimaattop in Parijs werd duidelijk dat Canada zoekt naar een passend klimaatbeleid. In dit nummer aandacht voor Vancouver. Een stad die lessen biedt hoe de transitie te maken naar duurzame stedelijke ontwikkeling. Met regels over energieprestaties, private bijdragen aan gemeenschapsvoorzieningen en een structurele daling van het aantal gereden autokilometers. Een inspirerend voorbeeld van hoe steden dicht bij burgers kunnen staan. In Nederland zijn steden divers en maken ze deel uit van een regionale context. Zo maakt de gemeente Barneveld deel uit

van FoodValley en staat ze in verbinding met de Rotterdamse haven en het Duitse achterland. Gebiedsontwikkeling blijft gaan over het inspelen op de regionale en lokale ruimtelijk-economische ontwikkelingen in programma, ambities, omvang en tempo. Dit is maatwerk, de afgelopen jaren zijn de verschillen tussen regio’s steeds duidelijker geworden. Het aantal inwoners groeit in de grote steden overigens niet harder dan het landelijk gemiddelde. Uitdagingen liggen er bij de instroom van buitenlandse migranten en de vergrijzing. Naast centrumstedelijke opgaven staan we voor opgaven in buitenstedelijke gebieden en kleinere winkelcentra. In dit nummer aandacht voor de projecten Binckhorst in Den Haag, VU campus in Amsterdam en Duin in Almere. De projecten maken duidelijk dat er vandaag de dag veel oog is voor het omgaan met onzekerheden. Drie totaal verschillende opgaven, maar alle met plannen die zich richten op hoofd­ lijnen. Ruimte voor flexibiliteit en om onverwachte hobbels te kunnen nemen en te kunnen inspelen op de actuele

marktvraag. In dit nummer van Go ook een terugblik op het najaarscongres over de Omgevingswet, die in 2018 in werking treedt. De beste voorbereiding is om nu al volgens de principes van de Omgevingswet te gaan werken. Minstens zo belangrijk als de wet zelf is adequate implementatie en daad­ werkelijk gebruikmaken van de mogelijkheden: flexibiliteit in de regels en bestuurlijke afwegingsruimte zoals naar voren kwam tijdens het najaarscongres. In 2016 bestaat de SKG tien jaar. Op ons voorjaarscongres op 10 maart staat de betekenis van technologische innovaties voor gebiedsontwikkeling centraal. Hier zullen we in Go#4 ook aandacht aan besteden. Voor nu, als afsluiting van dit jaar, een twitterbericht dat ik langs zag komen en mooi past bij dit nummer: ‘Een goed leven is iets meer doen, iets minder nodig hebben, vaak lachen, groots dromen en dankbaar zijn voor wat er is.’ Agnes Franzen Directeur Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling (SKG) 1


Binckhorst — Den Haag

G0ing places — 1

Nieuwe start voor de Binckhorst 2


tekst Jeroen Mensink

Praktische lessen

Ruurd Gietema, Sabrina Lindemann & Wil van der Hoek

De Binckhorst is een voormalig binnenstedelijk bedrijventerrein in Den Haag dat wordt ontwikkeld tot een gemengd woon-werkgebied. In 2011 nam de gemeente afscheid van de planningsstrategie volgens een masterplan en sindsdien hanteert men voor de transformatie een nieuwe, open aanpak, waarbij de investering in de nieuwe verkeersstructuur vooruitloopt op de geleidelijke en flexibele transitie van het gebied. Daarbij wordt vooral gekeken naar initiatieven van onderop. Wil van der Hoek (gemeente Den Haag), Sabrina Lindemann (OpTrek/Stichting I’M BINCK) en Ruurd Gietema (KCAP Architects&Planners) vertellen vanuit verschillende perspectieven over het gebied. Lindemann: ‘Het heeft heel lang geduurd voordat mensen begrepen dat het grote masterplan niet doorging.’

Een nieuwe start

Van der Hoek: ‘De gemeente Den Haag had een masterplan gemaakt voor de Binckhorst in de tijd dat nog ISV-gelden werden verdeeld. Den Haag rekende erop dat ook de rijksoverheid en de markt zouden bijdragen aan de herstructurerings­ opgave voor de Binckhorst. De crisis kwam, het geld kwam niet en we zaten met een vastgesteld bestemmingsplan met een enorm tekort. Op dat moment was ook wel de tijd aangebroken dat we met andere ogen zijn gaan kijken naar herontwikkeling, niet meer op basis van een grootschalig masterplan. In 2011 heeft de gemeenteraad een besluit genomen en gekozen voor een nieuwe manier van “organisch ontwikkelen”. Dat is echt een nieuwe gebiedsaanpak, waarbij het woord faciliteren vooropstaat. Niet meer vooraf alles bepalen of denken dat we het allemaal kunnen plannen.’

→→ Bewaar de rust en communiceer. Blijf nadenken over de kwaliteit van het gebied, zonder dit direct om te zetten in een verbeelding. →→ Leg contact in het gebied zelf. Tussen gemeente en ondernemers en tussen partijen onderling. Sta open voor suggesties van ondernemers, maar wees open en eerlijk over wat wel en niet kan. →→ Stuur en kanaliseer de energie die in het gebied aanwezig is én de energie die op het gebied afkomt.

Toch staat het gebied voor een grote opgave. Nietsdoen is geen optie. Van der Hoek: ‘Het is overduidelijk dat Den Haag moet verdichten. De bevolkingsaanwas is nog steeds groot en de groei gaat door. De ruimte daarvoor moet binnen de bestaande stad worden gevonden. De stad staat voor een aantal aanzienlijke veranderingen, echt voor grote transities. Bijvoorbeeld op het terrein van economie en duurzaamheid. De ontwikkeling van de Binckhorst moet wel vanuit een zekere urgentie gestuurd worden. Het moet de noden van de stad verlichten. Een van die noden, die zeer pregnant begint te worden, is woningbouw. Den Haag barst uit z’n voegen. Tegelijkertijd ziet iedereen dat dit een hartstikke mooi gebied is. Dat bijzondere karakter van de Binckhorst moeten we wel zien te bewaren.’

Geduld en communicatie

Van der Hoek: ‘Tegelijk met het besluit om afscheid te nemen van het masterplan is in 2011 een budget – overigens helemaal niet zo groot – goedgekeurd om al die kleine initiatieven in het gebied te ondersteunen. Niet om zaken te initiëren natuurlijk, want dat moeten mensen zelf doen. We willen gebruikmaken van de kracht in het gebied. Zoiets duurt jaren. Je moet geduld hebben en vooral niet te veel willen. Voor vakmensen is dat heel moeilijk op te brengen. Je hebt de juiste mensen nodig, die snappen dat je initiatieven de tijd moet gunnen om iets te ontwikkelen. Door dat geduld is nu wel een hele beweging ontstaan binnen de Binckhorst. Het gaat voor een groot deel over zorgvuldige communicatie. De ronde tafels die worden georganiseerd in het gebied zijn daar een belangrijk onderdeel van. Mensen raken geïnteresseerd in het gebied en wij, als overheid, komen luisteren en praten mee.’

3


Een beperkt aantal locaties is nog steeds in handen van projectontwikkelaars. Van der Hoek: ‘Af en toe hebben die ook wel voorstellen gedaan en plannen gepresenteerd, maar de juiste aanpak zat daar niet tussen. Op termijn wordt pas duidelijk wat voor potentie die locaties eigenlijk hebben. Pas nu gaan mensen zien wat voor gouden plekken we hier hebben. Ik ben ervan overtuigd dat het feit dat het enigszins stil heeft gestaan, voor de stad een zegen is. Nu kunnen we nog wat met die lege plekken.’

Community building

Lindemann: ‘Toen de gemeente in 2011 liet weten het gebied organisch te willen ontwikkelen en de grote plannen niet meer doorgingen, ben ik naar de Binckhorst getrokken om vanuit mijn ervaring in andere stadsvernieuwingswijken een strategische bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het gebied. De eerste stap in dat proces was een community opbouwen, want je kan het alleen maar samen met anderen doen. Goed contact met de gemeente is belangrijk, dat wist ik uit eerdere projecten. Daarnaast ben ik gesprekken aangegaan met ondernemers, letterlijk door in snackbars te gaan zitten. Daar kwam cruciale informatie uit, die voor mij doorslaggevend was om verder te gaan en nieuwe dingen te initiëren of in beweging te zetten. Veel mensen die iets wilden en goede ideeën hadden, kenden elkaar niet. Daarom was het zo belangrijk om die mensen bij elkaar te brengen, zodat een community kon ontstaan. En het liefst op zo’n manier dat die community uiteindelijk zelf initiatief neemt. We organiseren elke maand netwerkbijeenkomsten bij De Lunchboxx, een centrale plek in de Binckhorst. Daar komen iedere keer veertig tot vijftig ondernemers op af. Hieraan bestaat dus duidelijk een behoefte. Je moet overigens niet alleen de “creatieven” uitnodigen, maar ook de ambachtelijke familiebedrijfjes, de garagehouder, de advocaten, eigenlijk alle typen ondernemers die in het gebied zitten. Ook de BAM en de KPN. Dus echt een dwarsdoorsnede van alle stakeholders, dan pas is het geslaagd.’ Van der Hoek: ‘We hebben niet altijd alles in de hand. Wij wisten als gemeente ook niet dat Sabrina hier in 2011 zou neerstrijken. In zoiets kan je wel geloven – omdat er altijd mensen zijn die kansen zien en energie in een gebied willen steken – maar mensen zoals Sabrina laten zich niet in een hokje vangen en je kan ze ook niet aannemen. Dan moet je als gemeente wel een team hebben dat dat snapt. Die dus niet onmiddellijk weer gaan tekenen, maar gewoon eerst goede gesprekken aangaan.’ Gietema: ‘Over de hele wereld zijn plekken zoals de Binckhorst. Daar zie je het samenkomen van jonge mensen – of laten we zeggen mensen die jong van geest zijn – die geïnteresseerd zijn in een karaktervolle stedelijke plek. Dan is er vaak een persoon met een krachtige visie die zich langdurig aan die plek verbindt. Langzaam maar zeker wordt zo’n plek dan op de kaart gezet en ontstaat een hotspot in de stad, met een positief katalysatoreffect op de wijdere omgeving.’

4

Pionieren

Hoe krijgt zo’n eerste fase vorm, wie zijn die pioniers die het gebied bekendheid geven bij een groter publiek? Lindemann: ‘Vanuit de community die is ontstaan, zijn we het festival I'M BINCK gaan organiseren. Om het ondernemerschap zichtbaar te maken. Maar ook om de wensen voor het gebied te agenderen, bijvoorbeeld ten aanzien van circulaire economie. Dat festival vindt al drie jaargangen plaats. Daarnaast heb ik met lokale ondernemers het bier de Binckse Belofte ontwikkeld, samen met brouwer Kompaan. Die hebben nu een heuse proeverij geopend. Die doen het zo goed dat ze alweer verhuisd zijn naar een grotere plek. Ze hebben inmiddels ketels gekocht en gaan vanaf 2016 daadwerkelijk hun eigen bier brouwen hier in de Binckhorst. Ook MaMa Kelly, dit jaar geopend in het oude ketelhuis bij de Caballero Fabriek, is een goed voorbeeld. Het restaurant trekt heel veel mensen van buiten het gebied en zet de Binckhorst echt op de kaart.’ Gietema: ‘Die eerste fase is wat ik noem de oerfase. Dat gaat over wat stedelijkheid in feite is: netwerken die bij elkaar komen. Daaruit komen nieuwe netwerken naar voren die, op hun beurt, met nieuwe energie weer gezamenlijk verder gaan en initiatieven ontplooien. Hier in de Binckhorst zie je veel hergebruik plaatsvinden. Gebouwen staan leeg en de ontstane community wil daar graag mee aan de slag. Door de crisis is er bijvoorbeeld niet zo vreselijk veel werk voor architecten. Gecombineerd met hun sociale engagement om aan de stad te werken, worden bestaande gebouwen door die partijen nu omarmd en herontwikkeld.’

Verkeersinfrastructuur en openbare ruimte Nadat van het masterplan afscheid is genomen, werd de ontwikkeling van de Binckhorst gebaseerd op het uitgangspunt van geleidelijke transformatie met een belangrijke focus op de openbare ruimte. Van der Hoek: ‘De verantwoordelijkheid van de overheid ligt met name in de openbare ruimte. Het gebied moet bereikbaar zijn en het groen en het water in het gebied moeten in de basis op orde zijn. Daarop is onze focus gericht. Voor de openbare ruimte is geld beschikbaar gesteld. Maar ook voor de aanleg van de Rotterdamse Baan, een ontwikkeling die helemaal niet organisch is. Op basis van de verkeersontwikkeling is onderzocht hoe de verkeersstructuur voor de Binckhorst eruit moest zien. Dat is top-down stedenbouwkundig en verkeerstechnisch werk. Als die verkeersinfrastructuur op orde is, kan je vervolgens kijken naar de actuele opgaven waar de stad voor staat. In die fase zitten we nu. Het uitgangspunt “organisch faciliteren” is inmiddels wel wat sleets aan het worden.’ Gietema haalt twee projecten uit Rotterdam aan waar ook een stedenbouwkundige structuur over een langere periode flexibel is ingevuld: ‘We hebben een plan gemaakt voor het Laurenskwartier en het Wijnhavengebied. Dat zijn niet zozeer ruimte­ lijke plannen, waarin precies vastligt wat de komende 25 jaar wordt gerealiseerd. We geven meer ruimte voor de energie en de initiatieven die uit de samenleving komen, binnen een overkoepelende visie. Die visie is niet zozeer een vooraf bepaald


Wil van der Hoek is sinds zes jaar directeur Portefeuille Ruimte en Wonen bij de gemeente Den Haag. Daarvoor was ze verantwoordelijk voor het project Stadshaven namens de gemeente Rotterdam. De transformatie van de Binckhorst – en het afscheid nemen van het masterplan – was een van haar eerste opdrachten. Tot op de dag van vandaag is ze bij het gebied betrokken.

Sabrina Lindemann heeft een achtergrond in kunst, cultuur en design. Zij is in de stadsontwikkeling beland doordat ze daar zelf tien jaar lang als bewoner in de Schilderswijk en Transvaal direct mee te maken had. In 2002 heeft ze Mobiel projectbureau OpTrek opgericht om met haar expertise een bijdrage te leveren aan stedelijke ontwikkelvraagstukken. In 2005 leidde dat tot Hotel Transvaal, waarin de hele wijk tot hotel werd verklaard.

ruimtelijk beeld, maar geeft wel een globaal beeld. Hoe dat uiteindelijk gerealiseerd wordt, is nog flexibel. Dat wordt geconditioneerd via een aantal spelregels die nog voldoende ruimte bieden voor nadere uitwerking. We zeggen dus niet: op die hoek moet een gebouw komen van negen lagen en het moet er zo uitzien en dat leggen we vast in het beeldkwaliteitsplan.’

Enkele kritische noten

Het ontwikkelen van een groot gebied als de Binckhorst zonder masterplan roept ook vragen op. Lindemann wil graag weten hoe de gemeente straks omgaat met marktpartijen die zich melden en iets willen bouwen: ‘Hanteert de gemeente criteria op basis waarvan voorstellen kunnen worden geweigerd, omdat ze niet passen in de ambitie, de visie of het beeld dat voor ogen staat? Om te voorkomen dat nu stappen worden gezet die we achteraf zouden betreuren?’ Van der Hoek: ‘Je stelt een terechte vraag. We komen nu in een actievere fase waarin we richting geven aan hoe we de Binckhorst willen ontwikkelen. Voor de Trekvlietzone is dat volop in ontwikkeling, we zitten daar nu middenin.’ Gietema vraagt zich af hoe de gemeente partners vindt die gaan helpen om de noden van de stad op te lossen. ‘Wat voor type plan heb je daarvoor nodig en hoe communiceer je daarmee naar buiten?’ Van der Hoek geeft aan dat het op dit moment precies andersom ligt: ‘Zij vinden ons.’ Gietema vervolgt met wat hij noemt een gewetensvraag: ‘De Binckhorst ligt op steenworp afstand van twee grote stations, van een (inter)nationaal politiek centrum en de binnenstad. Een heel groot gebied, een soort schatkamer voor Den Haag. Maar ondanks dat heel veel wordt geïnvesteerd in infrastructuur en openbare ruimte, vind ik de bestaande situatie er zo weinig op vooruitgegaan. Terwijl alles buiten de Binckhorst op de schop is gegaan. Leidschenveen en Ypenburg zijn in diezelfde periode uit de grond gestampt. Dat heeft aan de rand van de stad geleid tot een enorme verandering. Waarom is met dit gebied zo weinig gedaan in die 25 jaar tijd?’

Ruurd Gietema is stedenbouwkundige en partner bij het bureau KCAP. Hij werkt vanuit Rotterdam en zijn werkgebied ligt voornamelijk in Europa, maar hij werkt ook aan projecten in Rusland en Azië. Leestip The City as Loft, Projects at the Interface of Architecture and Urbanism by KCAP/ ASTOC van Kees Christiaanse (KCAP)

Van der Hoek: ‘Je kan een gebied alleen transformeren op het ritme van de economie, anders lukt het niet. Daar tegenin willen gaan heeft geen zin, dat leidt tot ongelofelijk veel weerstand. Bovendien vergis je je, want hier is juist wel heel veel gebeurd. De grootste investering van de gemeente Den Haag is gedaan in dit gebied; met de aanleg van de Rotterdamse Baan is een investering van 600 miljoen euro gemoeid.’

Wordt vervolgd

Voor de Binckhorst breekt een nieuwe fase aan. De verkeersstructuur is uitgewerkt en lokale initiatieven hebben zich gemeld. Nu moet worden bedacht hoe de verdere ontwikkeling concreet wordt gemaakt. Van der Hoek houdt in het verdere planproces vast aan een aantal uitgangspunten. Ze wil het gebruik van beelden zo veel mogelijk vermijden en wil voorlopig absoluut geen tekeningen met nieuwe gebouwen en huizen zien. ‘Zodra je een verbeelding laat zien, heb je een discussie over het beeld en niet meer over de inhoud.’ Gietema ziet al nieuwe mogelijkheden ontstaan vanuit het gebied zelf: ‘Neem bijvoorbeeld de Binck Twins langs de Binckhorstlaan, dat is een gestapeld bedrijventerrein gecombineerd met kantoren. Die gebouwen zouden in een nieuwe typologie terug kunnen komen en kunnen leiden tot een enorme verdichting van de stad en een rijke menging van stedelijke functies. Ik ben erg voor menging van functies, zelfs voor industrie in de stad, en dit is een manier om die menging te realiseren. Zo zou je een veel hogere dichtheid en een heleboel arbeidsplaatsen kunnen realiseren op deze locatie.’ Het is niet zo dat de gemeente alles helemaal heeft losgelaten en dat alles maar kan. Al is het maar doordat stadssteden­ bouwer Erik Pasveer als het geweten van de stad tijdens de transformatie een oogje in het zeil houdt. Van der Hoek: ‘Als gemeente faciliteren we de markt. Wat we niet meer willen, is gedetailleerde plannen maken en gedetailleerde programma’s van eisen opstellen. Dan is de beheersing van het eindbeeld, de uiteindelijke kwaliteit, wel wat ingewikkelder. Dat betekent niet dat we daar niet over nadenken. We willen natuurlijk dat het hier hartstikke goed wordt. Niet zozeer mooi, maar dat het klopt en dat het blijft kloppen. De Binckhorst is een geweldige plek. De strijd is niet zozeer hoe we het volgebouwd krijgen, maar hoe we het geduld bewaren en de potentie ten volle benutten.’ 5


Burgemeestersdebat

6


tekst Wouter Jan Verheul

Wat als burgemeesters het echt voor het zeggen hebben? Steden zijn enorm in opkomst. Terwijl de natiestaat invloed en draagvlak verliest. Geef steden en hun burgemeesters daarom meer autonomie. Dat is het uitgangspunt van de recente bestseller If Mayors Ruled the World van Benjamin Barber, die ook in Nederland niet onopgemerkt is gebleven. Landelijke dagbladen hebben er aandacht aan besteedt, in diverse plaatsen in het land zijn over Barbers boek bijeenkomsten gehouden en burgemeesters lopen met hem weg. Wat maakt dit boek zo spraakmakend? Bestuurskundige Wouter Jan Verheul behandelt Barbers ideeën en verkent wat het betekent als burgemeesters en steden het echt voor het zeggen hebben. In een bijna 500 pagina’s dik boekwerk, waarvan in 2014 de Nederlandse vertaling verscheen, ontvouwt Barber zijn ideeën. Benjamin Barber is een Amerikaanse politicoloog die vooral bekend werd met zijn boek Jihad versus Mc­World (1996), waarin hij uiteenzet dat zowel de globalisering van multinationals als het tribalisme van fundamentalisten een bedreiging vormt voor onze democratie. In zijn nieuwste boek laat Barber zien dat burgemeesters en het stedelijk bestuur veel dichter bij de leefwereld van burgers staan dan nationale overheden. Niet zozeer de nationale staat maar steden zorgen ervoor dat burgers een aangenaam leven hebben. Benjamin Barber schrijft anekdotisch en verwijst vaak naar burgemeesters als Michael Bloomberg van New York, Boris

Johnson van Londen en Wolfgang Schuster van Stuttgart. Opvallend is dat Barber stelt dat ook de grote mondiale uitdagingen beter kunnen worden opgepakt door steden en hun burgemeesters. Nationale overheden kunnen volgens de politicoloog niet omgaan met mondiale vraagstukken als armoede, klimaatverandering, terrorisme of mensen­­s­mokkel. Politieke strijd, principes, macht en trots van natie­staten maken de overheid op nationaal en inter­ nationaal niveau weinig slagvaardig. Vrijwel iedere publicatie over de stad begint tegenwoordig met de constatering dat meer dan de helft en binnenkort zelfs twee derde van de wereldbevolking in steden woont. De wereldeconomie voltrekt zich in globale netwerken van kapitaal-, goederen- en communicatiestromen, waarin steden de knooppunten vormen. Het proces van massale urbanisatie en globalisering heeft zich in enkele decennia voltrokken, terwijl overheidssturing vooral plaatsvindt vanuit nationale staten. Volgens Barber zijn natiestaten disfunctioneel doordat ze zijn georganiseerd als een gesloten ruimte en daardoor niet effectief toezicht kunnen houden op grensoverschrijdende stromen. Stedelijke vraagstukken zijn nauwelijks een kernvraagstuk voor de nationale overheid en vormen zelden een onderdeel van het nationale politiek debat. Politieke partijen en de media zijn evenzo hoofdzakelijk nationaal georiënteerd. Volgens Barber worden steden en stedelijke regio’s geconfronteerd met onuitvoerbare regelgeving vanuit de nationale staat. Terwijl de grote stedelijke vraagstukken, zoals multi­ culturaliteit, verhoogde mobiliteit, stedelijke verdichting of de opkomst van nieuwe stedelijke economieën, niet goed kunnen worden opgepakt vanuit nationaal bestuur. Burgemeesters zijn pragmatisch ingesteld. Zij zien direct

7


de problemen op straat verergeren als zij niets doen. In Barbers woorden: ‘Presidenten profeteren principes, burgemeesters halen de vuilnis op’ (Barber, 2014, p. 23). Een gekozen burgemeester aan het hoofd van de stad is bovendien directer afrekenbaar op behaalde resultaten; ze moeten voortdurend laten zien dat ze de stad leefbaar houden. Hun afrekenbaarheid en de korte afstand tot de burger maken de stad als bestuursvorm democratischer, stelt Barber. Nationale overheden zouden daarom een stapje terug moeten doen en steden meer autonomie moeten geven.

Stedelijk bestuur in transitie Hoe valt de boodschap van Barber in Nederland? Dat uitgerekend burgemeesters met Barbers ideeën weglopen, is natuurlijk niet heel verwonderlijk. Zij voeren al jaren strijd voor meer autonomie. Zoals burgemeester Jozias van Aartsen van Den Haag, die vindt dat gemeenten de eerste overheid moeten zijn. Of burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam, die ook pleit voor meer lokaal budget en bevoegdheden. Niet de landelijke maar de lokale overheid hoort volgens Aboutaleb aan de top van de bestuurs­ piramide te staan.

‘Innovatiekracht komt uit steden en niet uit Den Haag’, aldus Aboutaleb Tijdens het ‘burgemeestersdebat’ dat Master City Developer organiseerde over het boek van Barber stelt Aboutaleb dat de inrichting van het binnenlands bestuur, het zogenoemde huis van Thorbecke, aan grondige vernieuwing toe is. Het huis van Thorbecke is als het bouwen aan een huis zonder bouwplan, zonder sturing, iedereen doet maar wat. Er zou een minister ‘grote steden en metropoolregio’s’ moeten komen, stelt Aboutaleb. De plek waar mensen wonen, werken en recreëren bevindt zich op stedelijk en regionaal niveau, daarom werken nu 24 Zuid-Hollandse gemeenten samen in één metropoolregio. Als steden als Den Haag en Rotterdam hun economieën en arbeidsmarkten integreren, scoren ze aanzienlijk hoger op de ranglijsten van succes­ volle Europese steden. Stadsregionale samenwerkings­ verbanden zouden een veel belangrijker rol moeten krijgen in het bestuursstelsel, want dat zijn de motoren van onze economie: ‘Innovatiekracht komt uit steden en niet uit Den Haag’, aldus Aboutaleb. Vanwege hun moeizame relatie met de nationale overheid, proberen steden zo veel mogelijk hun eigen koers te varen en zoeken daarbij samenwerking over de grenzen heen. Rotterdam startte met het Havenbedrijf en een groot aantal bedrijven onlangs een economisch vernieuwingstraject onder adviserende leiding van de Amerikaanse econoom Jeremy Rifkin. Het noordelijke deel van de Randstad doet het economisch beter dan het zuidelijke deel en alleen als er sterke coalities worden gevormd met bedrijven en met

8

andere gemeenten in de regio kan een echte metropool worden gevormd die zich op internationaal niveau manifesteert en welvaart brengt aan zo veel mogelijk inwoners. Grensoverschrijdende samenwerking is ook voor perifeer gelegen steden harde noodzaak. ‘Burgemeesters moeten grenzen afbreken’, stelt de burgemeester van Doetinchem, Niels Joosten. Ook landsgrenzen, want voor Doetinchem ligt Keulen dichterbij dan Rotterdam. Verschillende wetgeving in Nederland en Duitsland vormt een belemmering voor de lokale economie. Landelijk onderwijsbeleid heeft Duits in het vakkenpakket onder druk gezet, terwijl de Duitse taal voor de economische veerkracht van Doetinchem juist van groot belang is. ‘Laat gemeenten dit zelf bepalen’, stelt Joosten. ‘Den Haag zit steden vooral in de weg’, zegt ook de nieuwe burgemeester van Enschede Onno van Veldhuizen. De bijdrage van lokale belastingen vormt slechts 3% van de stedelijke begroting, terwijl dat in veel buitenlandse steden een veel groter aandeel is. Politie en veiligheid worden momenteel sterk gecentraliseerd, terwijl de uitvoering van het zorgbeleid op de gemeenten wordt afgewenteld. Het Rijk heeft ook de zogenoemde WGR+regio’s afgeschaft, waardoor de bestuurlijke versnippering compleet is geworden, aldus Van Veldhuizen. Het rijks­ beleid voor gemeenten lijkt volgens hem op ‘een dronken man die zwalkt door de nacht’. In Nederland wordt de huidige invloed van burgemeesters als relatief gering beschouwd. Veiligheid is doorgaans de enige inhoudelijke portefeuille van de burgemeester binnen het College van Burgemeester en Wethouders. Een burgemeester heeft verder vooral een ceremoniële en samen‑ bindende functie binnen het stadhuis en de lokale gemeenschap. Het is de vraag in hoeverre de rol van de burgemeester in Nederland past in het profiel dat Benjamin Barber voor ogen heeft. Volgens Barber moet een burgemeester sowieso worden gekozen door de bevolking. In golfbewegingen wordt al decennialang gedebatteerd over het niet benoemen maar rechtstreeks door de bevolking kiezen van de burgemeester. Momenteel wordt een burgemeesterskandidaat vanuit een gemeenteraadscommissie geselecteerd en voorgedragen om te worden benoemd door de Kroon, die deze voordracht bijna altijd overneemt, maar van rechtstreekse verkiezing is nog geen sprake. Een verkiezing zal de burgemeester een duidelijke politieke agenda geven, die de inzet vormt van de burgemeesterscampagne. Landenvergelijkend onderzoek laat zien dat een eenmaal verkozen burgemeester zich minder politiek en meer samenbindend opstelt dan de verkiezingsstrijd doet vermoeden (Verheul & Schaap, 2010). In Nederland wordt een te grote machtsconcentratie in een individueel persoon gevreesd. Moet de burgemeester, zoals in sommige landen het geval is, ook zijn eigen wethouders kunnen benoemen en ontslaan? Ja, zeggen voorstanders, omdat hij of zij dan ook daadwerkelijk de beleidsbeloften uit de campagne kan waarmaken. Nee, zeggen anderen, omdat het model van


collegiaal bestuur in een team van burgemeester en wethouders zal zorgen voor meer checks and balances. Het debat over het aanwijzen van de burgemeester zal voorlopig nog niet zijn beëindigd.

De aanpak van mondiale vraagstukken Het pleidooi dat Benjamin Barber in zijn boek houdt, gaat verder dan meer invloed en autonomie van stedelijk bestuur. Het democratisch gehalte, het pragmatisme en de slagvaardigheid van burgemeesters vragen om een ‘wereldwijd parlement van burgemeesters’ dat mondiale vraagstukken aanpakt. Alleen dan kunnen volgens Barber grensoverschrijdende problemen die zich in de steden concentreren worden aangepakt. Steden zullen in de toekomst alleen maar meer met de gevolgen van de groei van de wereldeconomie worden geconfronteerd. Denk aan de uitputting van grondstoffen, afname van biodiversiteit, klimaatverandering, voedselproblematiek, stedelijke congestie, vluchtelingen en multiculturele spanningen.

Voor Benjamin Barber is het wereldwijde parlement van burgemeesters niet slechts een intellectuele exercitie.

deelnemende burgemeesters coalities vormen met het maatschappelijk middenveld. Door in de eigen stedelijke regio bijeenkomsten met maatschappelijke stakeholders en kleinere gemeenten te organiseren, kunnen burgers zich daadwerkelijk vertegenwoordigd weten door de burgemeesters. Met behulp van ICT-toepassingen hoeven de (inter-) nationale bijeenkomsten niet altijd fysiek plaats te vinden, waardoor geld en lange reistijden worden bespaard door burgemeesters en hun stafleden.

Toenemende hiërarchie tussen steden Het pleidooi voor zowel meer stedelijke autonomie als een wereldwijd parlement van burgemeesters roept de vraag op wat dit betekent voor de positie van steden en hun inwoners. Vermoedelijk zal de hiërarchie tussen grote, centraal gelegen steden en kleine perifeer gelegen steden erdoor toenemen. In Nederland zien we al dat de ongelijkheid tussen steden en regio’s geleidelijk groter wordt. Er is een trek van vooral hogeropgeleiden naar de grote steden in het westen van Nederland. Zij keren meestal niet meer terug naar de plaats waar ze vandaan kwamen. De groei van werkgelegenheid en van culturele voorzieningen volgt deze beweging. We zien in de ontwikkeling van de huizenprijzen dat met name de Randstad en in het bijzonder Amsterdam aantrekkelijk zijn, ten koste van de perifeer gelegen plaatsen.

Volgens Barber dwingen deze problemen steden ertoe niet langer te wachten op het beleid van disfunctionele staten en hun internationale samenwerkingsverbanden. Ze moeten zelf het heft in handen nemen en een wereldwijd parlement van burgemeesters vormen. Dit parlement komt niet in de plaats van bestaande structuren, maar vormt bottom-up een aanvulling daarop. Een wereldwijd parlement van burgemeesters zou intergemeentelijke samenwerking op het wereldtoneel een krachtig gezicht geven en de uiteen­ lopende agenda’s van steden kunnen integreren. Het parlement van burgemeesters moet bovenal een plek zijn om te leren, te inspireren en te luisteren, maar ook een plek om met elkaar gezamenlijke nieuwe initiatieven te ontwikkelen en collectieve opdrachten te formuleren in de aanpak van mondiale vraagstukken.

Meer autonomie in de vorm van lokale belastingruimte en beleidsvrijheid zal dit proces vermoedelijk versterken. Grotere steden met draagkrachtiger inwoners kunnen meer belastinginkomsten innen en daarmee zorgen voor een goed voorzieningenniveau. In de krimpende gebieden is dat veel lastiger. De burgemeesters van Enschede en Doetinchem pleiten voor meer autonomie en geven aan last te hebben van de nationale overheid, maar deze steden hebben ook veel te danken aan het Rijk. Na het wegvallen van de textielindustrie investeerde het Rijk in het opzetten van de Universiteit Twente. En op veel andere perifere plekken in het land is geïnvesteerd in infrastructuur en werkgelegenheid. Als steden minder geld van het Rijk krijgen en meer zelf moeten organiseren vanuit lokale belastingen en investeringen vanuit het lokaal gevestigde bedrijfsleven, zullen de kleinere steden in de uithoeken van het land daar dan van profiteren?

Voor Benjamin Barber is het wereldwijde parlement van burgemeesters niet slechts een intellectuele exercitie. Barber organiseert in samenwerking met verschillende burgemeesters en universiteiten (ook in Nederland) voorbereidingsbijeenkomsten om het idee van het parlement verder te ontwikkelen in de hoop het in de toekomst daadwerkelijk gestalte te geven. Daarvoor is een aantal principes geformuleerd. Het burgemeestersparlement moet een vertegenwoordiging kennen van burgemeesters van zowel megasteden, van grote steden, als van middelgrote steden. Deelnemende burgemeesters moeten tevens hun stedelijke regio vertegenwoordigen, dus ook de kleinere nabijgelegen gemeenten betrekken. Daarnaast moeten

Vragen als deze raken de kern van ons nationale beleid voor ruimtelijke ordening en binnenlands bestuur. In hoeverre zijn we bereid toenemende ongelijkheid tussen steden te accepteren? Daarover verschillen de meningen. Stop met de verdelende rechtvaardigheid van het ruimtelijk beleid voor Nederland, zo stellen sommigen. Volgens de Amsterdamse hoogleraar grootstedelijke vraagstukken Zef Hemel moeten we niet meer investeren in dure infrastructurele verbindingen naar de uithoeken van het land, maar aansluiten op de stroom inwoners die naar Amsterdam trekt. Amsterdam moet flink verdichten en investeren in het metronetwerk, zodat het aantal inwoners kan verdubbelen. Alleen dan hebben we in Nederland een stedelijk knooppunt dat

9


aan­gesloten kan blijven op de internationale netwerken van grote economische stedelijke motoren. Niet iedereen zal gelukkig zijn met de toegenomen ongelijkheid tussen steden en een beleid dat ertoe leidt dat de verschillen groter worden. Ondanks de massale stroom van hogeropgeleiden naar de Randstad, zijn er nog steeds genoeg mensen die liever niet in een drukke stedelijke regio wonen. Soms ook kiezen stadsbewoners er later in hun leven voor terug te keren naar hun regio van herkomst. ‘Ook in Emmen kun je domweg gelukkig zijn’, schrijft Gert-Jan Hospers in zijn boek Geografie en gevoel (2013). Stop daarom met het beleid dat probeert om steden te doen stijgen op internationale ranglijsten, stelt Hospers. Ranglijsten laten niets zien over de verbondenheid van mensen met plekken. Mogelijk leidt de focus op het belang van megasteden als knooppunten in internationale netwerken tot een homo­ genisering van plekken en daarmee wordt de behoefte aan lokale culturele identiteit miskent (Verheul, 2015). De vraag blijft of Barbers wereldwijde parlement van burgemeesters voldoende oog heeft voor de perifeer gelegen gebieden. Gemeenten binnen een grootstedelijke agglomeratie kunnen zich vertegenwoordigd weten via de centrale stad, maar hoe zit het met gemeenten in de Achterhoek? Of om het te formuleren in het belang van landen die veel groter zijn: hoe zit het met de gemeenten in het noorden van Scandinavië of in de afgelegen gebieden van Spanje? Zijn zij ook voldoende vertegenwoordigd? En is het wel handig als er meer lokale beleidsverschillen ontstaan? Dus als bijvoorbeeld het belastingklimaat in de ene gemeente gunstiger is dan in de andere? Of het softdrugsbeleid per gemeente in Nederland verschilt?

Een nieuwe klassieker? Vaststaat dat Benjamin Barber een boek heeft geschreven dat prikkelt tot denken. Barber laat, zij het met veel her­halingen en parafrases, overtuigend zien hoe steden in opkomst zijn en hoe natiestaten disfunctioneren, vooral in de aanpak van mondiale stedelijke vraagstukken. Bewonderenswaardig is dat hij niet alleen een uitvoerige beschrijving geeft van een fenomeen, maar ook pogingen onderneemt om alternatieven op te zetten. Een bottom-up

georganiseerd samenwerkingsverband van steden en burgemeesters zou wel eens een vorm van soft power kunnen worden; een coalitie die problemen weet aan te pakken, waar dat tot dusverre onvoldoende door natiestaten en internationale organisaties is gelukt (Denters, 2015). Lastig aan het boek van Barber is dat het voornamelijk een gedachte-experiment blijft, waarvan we nog weinig echte bewijzen hebben kunnen zien. Er worden selectief succesvoorbeelden van burgemeesters aangehaald, waarbij het de vraag is of alle steden wel zulke superburgemeesters kunnen leveren. Daarbij dringt zich ook een andere vraag op. Dat burgemeesters momenteel een stuk pragmatischer te werk gaan dan landelijke politici en bestuurders is niet moeilijk voor te stellen. Maar wat als het stedelijke bestuur wordt getransformeerd naar meer lokale autonomie, en burgemeesters een steviger rol krijgen in grote mondiale vraagstukken, waar ook religie, cultuur en grote economische belangen mee gemoeid zijn? Is het burgemeestersambt dan niet ook gevoeliger voor politisering? En is de weerstand die nu tegen de natiestaat ontstaat en oplossingen tegenhoudt niet ook aan de orde als stadstaten te groot en machtig worden? Voorlopig is het debat over de bestseller van Benjamin Barber nog niet afgesloten. Het is nu te vroeg om te zeggen of Barber een klassieker heeft geschreven die past in het rijtje van invloedrijke werken over de stad, zoals respectievelijk Jane Jacobs, Manuel Castells, Richard Florida en Edward Glaeser dat hebben gedaan en daarmee tot op de dag van vandaag mensen inspireren die zich met stedelijk beleid bezighouden. Maar het is zonder meer waardevol dat er naast de bestellers die zijn geschreven door sociologen en economen, nu ook een stevig werk ligt dat aanzet tot debat over de bestuurlijke vraagstukken die gepaard gaan met de populariteit van de stad.

Dr. Wouter Jan Verheul is bestuurskundige, zelfstandig adviseur en als docent en onderzoeker verbonden aan de TU Delft, Faculteit Bouwkunde, sectie Urban Development Management.

Literatuur Barber, B. (2014). Als burgemeesters zouden regeren. Haperende staten, opkomende steden, Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers. Vertaling van If Mayors Ruled the World. Dysfunctional Nations, Rising Cities (2013). Denters, B. (2015). ‘Utopie of utiliteit? Enige kanttekeningen bij het debat over een Wereldwijd Parlement van Burgemeesters’, Bestuurswetenschappen. jrg. 69, nr. 1, p. 41-46.

10

Hospers, G.-J. (2013). Geografie en gevoel. Wat plekken met ons doen, Assen: Koninklijke Van Gorcum. Verheul, W.J. (2015). ‘Plaatsgebonden identiteit. Het anker voor stedelijke ontwikkeling’, in: W. Hafkamp et al. (red.), De stad kennen, de stad maken. Kennis voor krachtige steden, Den Haag: Platform 31. Verheul, W.J. & L. Schaap (2010). ‘Strong Leaders? The Challenges and Pitfalls in Mayoral Leadership’, Public Administration, vol. 88 (2), p. 439-454.


Opinie

tekst Pieter van der Heijde

De functie van nieuwe centra voor de toekomst van het suburbane gebied Nederland is sinds de Tweede Wereldoorlog sterk verstedelijkt met omvangrijke woongebieden en bedrijventerreinen aan de flanken van de stad. Hoewel het overheidsbeleid vooral gericht was op versterking van de binnensteden, zijn er in deze periode toch veel nieuwe centra ontstaan. In vergelijking met de binnensteden is het centrumstedelijke karakter van nieuwe centra echter beperkt. De veranderingsopgave is het versterken en complementeren van de functionele positie van deze centra. Dit is de komende jaren van groot belang voor de verdere verstedelijking van de Nederlandse stadsgewesten en de revitalisatie van het omliggende suburbane gebied. Nederland verstedelijkt in hoog tempo. In de afgelopen eeuw is het stedelijke gebied verzesvoudigd. De ontwikkeling van het suburbane gebied in de naoorlogse periode bestond met name uit woonwijken en bedrijventerreinen. Daarnaast is in de afgelopen decennia een groot aantal nieuwe centra tot stand gekomen, zoals Rotterdam Alexandrium, Amsterdam Arena, Houten Centrum, Arnhem Kronenburg en Brusselse Poort in Maastricht. Samen met de oude binnensteden en talloze werklocaties zijn dit de brandpunten van de Nederlandse stadsregio’s. Het initiatief voor de ontwikkeling van nieuwe centra komt voort uit de ambitie van lokale overheden om de ruimtelijk-economische positie van hun steden te versterken door toename van het aantal woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen. De ontwikkeling van nieuwe centra was hierbij geen doel op zich, maar een resultante van de uitbreiding van het stedelijk gebied. Ook in de toekomst zal de verstedelijking zich voortzetten. In 2040 telt Nederland naar verwachting één miljoen meer huishoudens. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving is er in de stadsgewesten nog behoefte aan zo’n 700.000 woningen.

Gemeenten geven voorrang aan versterking binnensteden

Over het algemeen gaat de voorkeur van gemeenten uit naar de vernieuwing van de binnensteden. Om dit te bevorderen wordt de ontwikkeling van specifieke functies in nieuwe centra nogal eens afgeremd of verhinderd. Dit gaat ten koste van het centrumstedelijke karakter van deze gebieden. Zo is in vergelijking met de binnensteden het aantal verschillende functies in nieuwe centra geringer en is ook het aantal voorzieningen met een (boven-) stedelijke reikwijdte beperkter. Dit probleem doet zich minder voor als het nieuwe centrum tevens de centrale kern is van de betreffende gemeente (bijvoorbeeld in Zoetermeer of Houten). Maar in dat geval is er wel weer sprake van competitie met de (nieuwe) centra in de buurgemeenten. Voor beide situaties geldt dat een goede regionale afstemming van de planning en programmering van nieuwe centra deze problematiek mogelijk kan reduceren.

Versterken nieuwe centra voor revitalisatie suburbane gebied Aangezien de meeste suburbane gebieden in Nederland in de naoorlogse periode zijn gerealiseerd, zullen deze in de komende periode massaal aan veroudering onderhevig zijn. Voor de toekomstige leefbaarheid van deze gebieden kunnen de nieuwe centra een belangrijke rol spelen. Hiervoor is het van belang dat de centrumstedelijke functie ervan wordt versterkt, met name door het vergroten van het multifunctionele karakter. Dit kan gestalte krijgen door uitbreiding van deze gebieden met bijvoorbeeld vrijetijdsvoorzieningen (zoals bioscopen, cafés, restaurants, theaters), zorgvoorzieningen, kleinschalige bedrijven en appartementen. Hierdoor neemt niet alleen de aantrekkelijkheid ervan toe voor de bewoners van de omgeving, maar wordt bovendien het draagvlak vergroot voor de huidige winkels. Deze kunnen daardoor ondanks de toename van internetaankopen overleven. Op een hoger aggregatieniveau is de versterking van het centrumstedelijke karakter van nieuwe centra bovendien van belang voor de verdere verstedelijking en verbetering van de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse stadsregio’s.

Pieter van der Heijde is algemeen directeur van Bureau Stedelijke Planning B.V. en is recent gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn proefschrift Nieuwe centra in Nederland. Het krachtenspel in de arena van de stedelijke ontwikkeling (ISBN 978-90-823020-0-4) is verkrijgbaar door een verzoek tot verzending te mailen naar amsterdam@stedplan.nl 11


G0ing abroad

Vancouver

de groenste stad ter wereld in 2020? 12


tekst Wendy de Hoog, Stadsruim foto's Robert Pennings, Stadsruim

Typisch stadsbeeld van de binnenstad uitkijkend over False Creek Vanaf dit punt op Point Grey Road is geen doorgaand autoverkeer meer toegestaan. De rijbaan is herbestemd voor fietsers

Herbestemming van autorijbaan naar fietspad, waarbij de beplanting wordt onderhouden door omwonenden

De ligging van Vancouver aan de westkust van Canada is spectaculair. De stad wordt omringd door een bergketen en ligt aan de Grote Oceaan, waardoor toegang tot de natuur nooit ver weg is. Het immens groene Stanley Park, de toegankelijkheid van het waterfront voor fietsers en voetgangers, en de uitstekende openbaarvervoersmogelijkheden maken het een aantrekkelijke stad om in te leven. Niet voor niets staat Vancouver hoog op de lijstjes van ‘best places to live’.

Kiezen voor duurzame ontwikkeling

Vancouver wil in 2020 de groenste stad ter wereld zijn. Een ambitieus plan, maar de stad heeft alles in zich om dit waar te maken. De afgelopen twintig jaar heeft het centrum van Vancouver een ongekende ontwikkeling doorgemaakt en is het aantal inwoners verdubbeld. Met oog voor groen is de binnenstad slim verdicht door hoogbouw af te wisselen met groene openbare ruimten en kleinschalige (commerciële) voorzieningen. De menselijke maat tussen alle hoogbouw is terug te vinden aan de straatzijde, waar meestal sprake is van laagbouw met maximaal drie bouwlagen, de zogeheten ‘podium towers’. De hoogbouw krijgt daardoor een ‘setback’ en lijkt minder dominant in het straatbeeld, waardoor er een prettige leefomgeving op straat ontstaat. De gemeente zet in op het realiseren van goed per openbaar vervoer bereikbare, compacte wijken waar inwoners met verschillende achtergronden en inkomens

wonen, werken en recreëren. Zo ontstaat er een geconcentreerde dichtheid in combinatie met functiemenging die er voor zorgt dat de dagelijkse voorzieningen op loopafstand zijn (‘smart growth’ principe). Een andere belangrijke planningskeuze, uit de jaren zestig, die heeft bijgedragen aan het vergroten van de leefbaarheid in de stad, is het besluit om geen snelweg dwars door de binnenstad aan te leggen. Een bijzondere beslissing voor een Noord-Amerikaanse stad, waar auto’s meestal de openbare ruimte dicteren. Vancouverites hebben in de loop der jaren consequent keuzes gemaakt om hun stad te verduurzamen. Maar net als andere steden wordt Vancouver geconfronteerd met een groeiend inwonersaantal, torenhoge huizenprijzen, negatieve effecten van de klimaatverandering en verschuivende economische kansen. Reden genoeg om als gemeente in 2010 te komen met een gewaagd beleidsplan: The Greenest City 2020 Action Plan. Een concrete visie om de stad te transformeren naar ’s werelds meest gezonde, welvarende en veerkrachtige stad voor nu en toekomstige generaties.

Duurzaam leiderschap en samenwerking

Lokale overheden in binnen- en buitenland hebben de mooiste duurzaamheidsambities als het gaat om het groener en leefbaarder maken van hun stad. Vancouver is daarmee geen uitzondering. De vraag is hoe en of Vancouver zijn duurzaamheidsambities gaat waarmaken. In de eerste vijf jaar zijn er voorzichtige stappen gezet om de tien geformuleerde groene doelstellingen te behalen, maar de stad ligt met dit tempo nog niet op schema en zal nog flinke stappen moeten zetten om haar doelstellingen te behalen. De tien doelstellingen lopen uiteen van het stimuleren van een groene economie, het 13


G0ing abroad reduceren van energieverbruik en broeikasgassen, tot het produceren van lokaal voedsel. De gemeente realiseert zich dat het verduurzamen van de stad een leerproces is waarbij men nog niet precies weet hoe de stad zich de komende jaren gaat ontwikkelen. De technologische mogelijkheden om klimaatverandering aan te pakken zijn er, maar vinden nog maar mondjesmaat hun weg naar de praktijk. Het planologisch-juridisch kader, de financiën, de politiek en het gebrek aan daadkracht gooien soms roet in het eten. Maar één ding is zeker: het eindbeeld is duidelijk. De weg ernaartoe kan variëren, maar de resultaten komen ongetwijfeld ten goede aan de leefomgeving. De gemeente realiseert zich ook dat de (lokale) politiek en private partijen, zoals projectontwikkelaars, bouwbedrijven, beleggers en energieleveranciers, hun verantwoordelijkheid moeten nemen om een duurzaamheidsversnelling op gang te brengen. De gemeente neemt het voortouw door groene initiatieven te faciliteren, duurzaamheidsambities te verwerken in hun bouwverordening en kritisch te kijken naar haar eigen bedrijfsvoering. De gemeente wil laten zien dat verduurzaming mogelijk is door haar eigen gebouwen, voorzieningen en activiteiten zo groen mogelijk in te richten en de uitstoot van broeikasgassen te minimaliseren.

Het bereiken van dit doel heeft niet alleen betrekking op het planten van nieuwe bomen, maar ook op het behoud van de bestaande begroeiing, het vergroten van de diversiteit aan plantensoorten en het uitvoeren van onderhoud om de gevolgen van klimaatverandering te ondervangen (heftige regenval en stormen zorgen voor veel omvallende bomen). De gemeente wil er ook voor zorgen dat al haar inwoners op vijf minuten loopafstand van groen wonen. Op strategische plekken in de stad wordt er bewust gekozen om parken aan te leggen in plaats van bebouwing. Dit is vooral te zien bij de herbestemming van industriegebieden tot groene woongebieden aan de waterkant van False Creek. Om een leefbare woonwijk met groen en andere voorzieningen te creëren, onderhandelen de gemeente en ontwikkelaars over de financiële gemeenschapsvoorzieningenbijdrage (Community Amenities Contributions) die een ontwikkelaar moet betalen als hij wil afwijken van het bestemmingsplan. Een andere manier om meer groen te creëren, is de herbestemming van rijbanen naar wandel- of fietspaden. Een voorbeeld hiervan is de koppeling van twee afzonderlijke fietsenpaden door eerst de verbindende rijbaan af te sluiten voor autoverkeer en in een tweede stap het straat­profiel aan te passen naar een vrijliggend wandel- en fietspad met groenstroken.

Groene gebouwen

De Seawall, het onafgebroken fiets-en wandelpad langs de waterkant van Vancouver

Stadsbos

Uitkijkend vanaf een hoge woontoren valt pas echt op hoe groen de stad is. Een passende omschrijving is ‘stedelijk bos’. De bedekkingsgraad van een stadsbos, het deel van de stad dat bedekt wordt door bomen, wordt vaak door steden gebruikt om aan te tonen hoe groen de stad is en welke voordelen dat met zich meebrengt (denk aan de verbetering van luchtkwaliteit en regenwaterberging). Het bladerdak van Vancouver is de afgelopen twintig jaar afgenomen tot 18%. Dit komt grotendeels door het verlies van grote bomen op privéterreinen. De gemeente wil het bladerdak weer laten groeien tot 22% in 2055.

14

Vancouver is uniek in de provincie British Columbia, omdat het naast het landelijke bouwbesluit zijn eigen bouwverordening kan formuleren. Dit stelt de gemeente in staat om een voor­ loper te zijn op het gebied van groene bouwregelgeving. Naast strengere regelgeving voor de energieprestaties van nieuwbouw, zijn er ook regels vastgesteld om de CO2-uitstoot door bestaande gebouwen terug te dringen. Met een jaarlijkse uitstoot van 800.000 ton CO2 zijn de bestaande gebouwen de grootste uitdaging van de stad. Om de uitstoot te verminderen, stimuleert en faciliteert de gemeente initiatiefnemers die nog duurzamer willen bouwen dan het bouwbesluit en de bouw‑ verordening voorschrijven. Het pilotproject Belmont is daar een voorbeeld van. Deze woontoren is volledig gerenoveerd om het woonklimaat te verbeteren en het energieverbruik terug te dringen. Met een beperkte investering (2% van het renovatiebudget) zijn grote stappen gezet richting een energiezuinig woongebouw. In vergelijking met Nederland zijn de Canadese ingrepen nog niet zo vergaand als sommige projecten in Nederland. Dit is deels te verklaren doordat de energieprijzen in Vancouver één derde zijn van die in Nederland en worden opgewekt uit CO2-arme bronnen zoals stuwmeren. De noodzaak om het energieverbruik te verminderen, wordt in Vancouver dus minder gevoeld, maar de gemeente en steeds meer private partijen worden zich ervan bewust dat veel energiebesparende ingrepen ook het wooncomfort en de kwaliteit van een gebouw vergroten.

Actieve vervoersmogelijkheden

Ondanks de verdubbeling van het aantal inwoners, is het autoverkeer in de binnenstad niet toegenomen. Oplossing: gewoon geen wegen aanleggen, dan gaan mensen zich vanzelf


De Cleveland Dam aan het Capilano-meer in North Vancouver Uitzicht vanaf de Lions Gate Bridge over Stanley Park met op de achtergrond de binnenstad

op een andere manier verplaatsen, aldus stedenbouwkundige en voormalig politicus Gordon Price. Zo simpel is het natuurlijk niet, maar het uitgangspunt is helder. Verbeter de actieve vervoersmogelijkheden door veilige wandel- en fietspaden aan te leggen en investeer in een goed functionerend openbaarvervoersnetwerk. Net als veel andere Noord-Amerikaanse steden is Vancouver (nog) niet ingericht op voetgangers en fietsers: de auto speelt een dominante rol. Maar daar komt snel verandering in. Sinds 2010 zet de gemeente in op het tijdelijk of definitief inrichten van voetgangersgebieden. In de zomer­ maanden wordt een van de belangrijkste kruisingen aan Robson Street (de hoofdwinkelstraat) afgezet voor auto’s en vrijgehouden voor voetgangers. Een daverend succes. Elk jaar wordt er een prijsvraag gehouden voor de inrichting van dit voetgangersgebied tot een plaza. Daarnaast zijn er gescheiden fietspaden aangelegd om zo de veiligheid te vergroten en mensen te stimuleren om eerder de fiets te pakken dan de auto. Een voorbeeld hiervan is de Burrard Bridge, een van de belangrijkste verbindingen tussen de binnenstad en de woonwijken ten zuiden hiervan. Op deze brug is een van de autorijbanen omgezet in een vrijliggend fietspad. Ondanks veel weerstand van politici, automobilisten en lokale ondernemers, heeft het project ervoor gezorgd dat er sinds 2009 vijf miljoen fietsers over de brug zijn gegaan. De zomer van 2014 brak voor Vancouver alle records, in de maand juli gingen er 195.000 fietsers over de brug. Voor de komst van de 2010 Olympische Winterspelen naar Vancouver is er fors geïnvesteerd in het openbaarvervoersnetwerk. Dit heeft geleid tot de aanleg van een metrolijn tussen het vliegveld en de binnenstad. Naast geslaagde ontwikkelingen kent Vancouver ook tegen‑ slagen. Begin dit jaar heeft de regio Vancouver een uitgebreid openbaarvervoersplan voor de komende tien jaar gepresenteerd. Inwoners van de regio Vancouver, bestaande uit

21 gemeenten, konden voor of tegen een BTW-verhoging van 0,5% stemmen om zo de investeringen in bijvoorbeeld de uitbreiding van het metronetwerk en de aanleg van fietspaden te bekostigen. De meerderheid (62%) heeft tegen het plan en daarmee ook tegen de belastingverhoging gestemd.

Eindsprint

Bij een gedurfde doelstelling als die van de groenste stad ter wereld, is het interessant om te zien welke voortgang er nu geboekt is, halverwege het traject, en hoever Vancouver nog heeft te gaan. Sinds 2007 is het aantal gereden autokilometers met 21% per persoon afgenomen. 50% van de uitstapjes in de stad wordt gemaakt met de fiets, te voet of met het openbaar vervoer. Ook is er inmiddels een fietspadennetwerk van 275 kilometer. Het huisvuil dat naar de vuilstort wordt gebracht, is met 18% afgenomen. Een van de grootste uitdagingen ligt nog op het gebied van het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen die door de bestaande woningvoorraad wordt geproduceerd. Sinds 2007 is er een afname van 5%, terwijl het doel voor 2020 een afname van 20% is. Er moet op dit gebied dus nog een flinke eindsprint worden ingezet. Ondanks dat de technologieën in binnen- en buitenland voorhanden zijn om woningen energiezuiniger te maken, is er door het versnipperde eigendom (private vastgoedeigenaren, woningcorporaties, beleggers), de hoge investeringskosten en de lange terugverdientijden nog niet voldoende draagvlak en daadkracht om de bestaande woningvoorraad grootschalig aan te pakken. Energieleveranciers spelen een belangrijke rol in het verduur‑ zamen van de woningvoorraad, omdat ze hun klanten met kortingen stimuleren om te investeren in het energiezuiniger maken van hun woning. De tijd zal het leren of Vancouver de groenste stad ter wereld wordt. Het ambitieuze beleidsplan heeft in ieder geval de innovatiekracht en creativiteit van de gemeente, bedrijven en inwoners aangewakkerd.

15


G0 take a look

Met dank aan Jonker & Schut → www.jonker-schut.nl

Barneveld

Gemeente Barneveld

Barneveld is in pluimvee een wereldspeler. De gemeente langs de A1 maakt onderdeel uit van de regio FoodValley. Een samen­ werkingsverband van acht gemeenten (Barneveld, Ede, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Veenendaal en Wageningen) die tezamen 330.000 inwoners hebben. Het streven van FoodValley is een top-5-regio in Europa te worden op het gebied van gezonde en duurzame voeding. De FoodValley-regio is een unieke en omvangrijke clustering op wereldniveau van kennis en wetenschap, bedrijven en onderzoeksinstituten. Onderwijs is een belangrijke verbinding tussen kennis, bedrijvigheid en arbeidsmarkt. Barneveld is een verrassend jonge, actieve en groeiende stad. Het percentage jongeren is veel hoger en het aandeel ouderen is juist lager dan landelijk. 16

Sinds deze zomer kan het bestaande bedrijven­terrein Harselaar in de gemeente Barneveld worden uitgebreid. Op deze plek wordt ruimte geboden aan bedrijven in milieu­categorie 2 tot en met 5.1. Omdat de gemeente niet alle gronden in eigendom heeft, zijn exploitatieplannen opgesteld. Deze stellen de gemeente in staat om voorzienbare ontwikkelingskosten te verhalen op de betrokken grondeigenaren. Ook is ruimte gereserveerd voor een Container Railterminal, voor vervoer van goederen via de railverbindingen tussen Randstad/AmersfoortApeldoorn/Duitsland. Zie www.regiofoodvalley.nl


17


G0 see

Stedelijke klimaatadaptatie: In de Zuid-Koreaanse blockbuster Haeundae (2009) wordt de stad Busan getroffen door een minimaal vijftig meter hoge, allesver­ nietigende vloedgolf. Uiteraard weet een van de protagonisten in dit spektakelstuk zijn oude moeder op wonderbaarlijke wijze voor het naderend onheil te behoeden. Terwijl het gros van de inwoners de ramp niet lijkt te overleven, is het voor de film doorgaans voldoende dat de hoofdrolspelers van het familie- of liefdesdrama zich weten te redden. Dat zien we mooi in Deep Impact (1998), waarin president Morgan Freeman je na zijn ontroerende toespraak toch het gevoel geeft dat alles goed is gekomen,

18

terwijl een halfuurtje eerder zo’n beetje de halve wereldbevolking is verdronken. In Al Gores An Inconvenient Truth (2006) zien we spectaculaire beelden van de consequenties van zeespiegelstijging, waarbij er overigens voor het gemak van uit wordt gegaan dat we onze dijken daaraan niet weten aan te passen. Wellicht biedt de in de documen­ taire gepresenteerde klimaatverandering een herwaardering voor Kevin Costners flop Waterworld uit 1995, waarin de wereld ten onder is gegaan aan het smelten van de poolkappen.

In de meeste films resulteren de effecten van klimaatverandering in reusachtige rampen waarvoor er maar één probaat middel lijkt: snel wegtrekken naar hoogvlaktes, je verschansen in enorme bunkers of nog beter, in een drijvende megaconstructie: de ark van Noach. De realiteit is gelukkig een stuk minder spannend. De stedelijke opgave voor klimaatadaptatie bestaat voornamelijk uit het gradueel ophogen van stukjes maaiveld en het aanpassen van straatprofielen, woning­entrees, tunnels en allerlei andere stedelijke infrastructuur. Dat is nauwelijks sexy te noemen en past al helemaal niet in de grootschalige rampscenario’s die


tekst William Veerbeek still Haeundae (2009)

de film was beter

Hollywood ons pleegt voor te schotelen. Het probleem is: grote rampen nopen tot actie, terwijl een graduele toename van neerslag, droogte en hitte wel tot overlast leidt, maar zelden aanleiding is voor een radicaal ander ontwerp van onze stedelijke omgeving. Het feit dat de tijd van grootschalige stedelijke herstructurering achter ons ligt, maakt die nieuwe inrichting alleen maar moeilijker. Natuurlijk betekent klimaatverandering meer dan een trendmatige verandering van ons weer. Het is vooral de toename van variabiliteit, van weerextremen, die zorgt voor een substantiĂŤle stedelijke adaptatieopgave. Lokale wolkbreuken, lange periodes van

extreme droogte en extreme hittegolven vormen nieuwe uitdagingen waar we ons beter tegen moeten wapenen. Ontwerpen voor overschrijding heet dat onder civiel technici. Meestal betekent dat niet veel meer dan het multifunctioneel inrichten van de openbare ruimte, bijvoorbeeld een straat die kan dienen om extreme neerslag af te voeren of een extra waterbassin dat bruikbaar is als koelwater, mocht Nederland toch massaal voor de airconditioning kiezen. In Hollywood moeten we voor een wat genuanceerdere versie van de stedelijke klimaatproblematiek toch terug naar de dystopische versie van Los Angeles zelf in Blade Runner (1982). Een

Los Angeles waar het altijd (mot)regende, overigens zonder dat dit ertoe leidde dat hoofdrolspeler Harrison Ford vanwege overstromingen in lieslaarzen of in een rubberbootje achter Rutger Hauer aan moest. Ironisch genoeg wordt Los Angeles, anders dan in Blade Runner, al tijdenlang geteisterd door droogte en zouden ze daar maar wat blij zijn met het druilerige weer dat zo kenmerkend werd voor deze filmklassieker.

William Verbeek is projectcoĂśrdinator bij UNESCO-IHE, Institute for Water Education.

19


G0 congres Omgevingswet 2015

tekst Kees Hagendijk beeld Jean van Lingen

Aan de en menta slag de liteit met visie juiste De Omgevingswet is in formele zin vrijwel een voldongen feit, maar de precieze invulling hangt af van de algemene maatregelen van bestuur die eraan komen. Schuilt de duivel in de details? Intussen dient de voorbereiding bij rijksdiensten, provincies, gemeenten, waterschappen en marktpartijen al wel te beginnen. Goede implementatie van de wet en goed gebruik van de mogelijkheden – ruimte voor flexibiliteit, procedurele vereenvoudiging – is essentieel. Met een felicitatie voor het voortvarende wetgevingsproces werd directeur-generaal Chris Kuijpers van het ministerie van Infrastructuur en Milieu uitgenodigd het spits af te bijten van het Congres Omgevingswet 2015 van de Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling van de TU Delft. Kuijpers toonde een A4-formaat document met de omvang en uitstraling van een scriptie: de Omgevingswet. ‘Juristen zullen er nog wel wat meer van maken’, wist de topambtenaar. En daarin schuilt ook gevaar: dat het ongewild weer meer en meer wordt, en daarmee ook ingewikkelder. De bomvolle zaal grinnikte besmuikt. Na de zegetocht in de Tweede Kamer – vrijwel Kamerbrede goedkeuring – zal voorjaar 2016 naar grote waarschijnlijkheid ook de senaat instemmen met het wetsvoorstel. Echt met spanning wordt uitgezien naar vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). Van de AMvB’s, ook wel uitvoeringsregels genoemd, liggen momenteel conceptversies ter consultatie bij de koepels van de lagere overheden: IPO, VNG en Unie van Waterschappen. Kuijpers presenteerde de hoofdlijnen waarlangs de AMvB’s worden opgebouwd: →→ Omgevingsbesluit: taken en toedeling bevoegdheden tussen overheden, procedures en vergunningverlening. Hierin wordt ook eenvoudiger kostenverhaal geregeld. →→ Besluit kwaliteit leefomgeving: omgevingswaarden,

20

instructieregels, beoordelingsregels, monitoring. Inzet is het aantal onderzoeksverplichtingen te verminderen. Flexibiliteit moet gevonden worden in: a. ruimte in de regels, b. gebiedsgericht maatwerk, c. specifiek maatwerk. →→ Besluit bouwwerken leefomgeving. Hieronder valt het huidige Bouwbesluit. →→ Besluit activiteit leefomgeving.

De vier AMvB’s vervangen zestig bestaande. Behalve met opruimwerk gaat dit gepaard met het harmoniseren van begrippen. Daarmee wordt een basis gelegd voor digitalisering, waarbij de informatie over de staat van de omgeving en het milieu die van belang is voor de vergunningaanvraag direct toegankelijk wordt. Het koppelen van bestanden met deze gegevens zal in zes jaar tijd gefaseerd worden doorgevoerd. 2016 wordt een druk jaar voor IenM, want naast de AMvB’s moeten nog vier aanvullingswetten (geluid, bodem, grond­ eigendom, natuur) en de Invoeringswet worden geproduceerd en door het parlement geloodst. ‘Alle verloven zijn ingetrokken’, aldus Kuijpers. Invoering van de Omgevingswet per 2018 is nog steeds het streven, ‘maar het kan ook 2019 worden’.

Implementatie en voorbereiding

Net zo belangrijk als de Omgevingswet zelf is adequate implementatie en het daadwerkelijk gebruikmaken van de mogelijkheden. ‘De wet is slechts een stuk tekst, als er geen goed gebruik van wordt gemaakt is alle moeite voor niets geweest.’ Met de lagere overheden is een bestuursakkoord gesloten over een gezamenlijk implementatieprogramma.

Zes uitdagingen: versterkte dijkbewaking

Voor Friso de Zeeuw, praktijkhoogleraar Gebiedsontwikkeling en directeur Nieuwe Markten BPD, is het voor gejuich duidelijk nog te vroeg. Hij benoemde tijdens het congres ‘zes uitdagingen’ voor de Omgevingswet. Ten eerste is het de vraag of de beoogde flexibiliteit en bestuurlijke afwegingsruimte voldoende uit de verf zullen komen. Dat is vooral afhankelijk van de AMvB’s


en daarop wordt nog gewacht. Van wat bekend is lijkt er voor lucht, geluid en waterveiligheid inderdaad meer flexibiliteit mogelijk; voor bodem, geluid en natuur is dat nog in onderzoek. Wat het terugbrengen van onderzoeksverplichtingen betreft, ziet het er zonder meer gunstig uit, aldus De Zeeuw. ‘Nu nog moeten alle mogelijke invullingsvarianten van een globaal plan onderzocht worden, dat hoeft straks niet meer.’ Een tweede uitdaging is het voorkomen van ‘sectorale fragmentatiebommen’. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daar een voorbeeld van. ‘Goed in zijn intentie, rampzalig in de uitwerking!’ De superstrenge geluidsgrenzen van Schiphol is een ander voorbeeld van hoe het niet meer moet. Transformatie van leegstaande kantoren mag bijvoorbeeld niet binnen de aanvliegroutes. Digitalisering is de derde uitdaging: een kwetsbaar onderdeel van de gehele operatie. De bevindingen van de commissie-Elias over digitalisering bij de overheid stemmen niet optimistisch.

Omgevingsplan wordt een leuke

De vierde uitdaging is de werking van de nieuwe instrumenten van de Omgevingswet in de praktijk. Denk aan het omgevingsplan, de programmatische aanpak, instructie- en beoordelingsregels, en maatwerkvoorschriften. Als deze instrumenten niet werkbaar blijken of overheden deze instrumenten niet weten te hanteren, is er gerede kans op vertraging, onzekerheid en

juridisering bij inwerkingtreding van de wet. Uitdaging vijf is of er echt een nieuwe bestuursmentaliteit ontstaat. ‘Gaat een wethouder direct het gesprek aan met initiatiefnemers, of schrijft hij een brief van 25 kantjes?’ De zesde en laatste uitdaging betreft de integratieslag. De gemeente Haarlem bijvoorbeeld heeft vijftien bestemmingsplannen – wat nog bescheiden is – en 65 beleidsdocumenten voor ruimtelijke ordening. Het vergt nogal wat om daar één omgevingsplan van te maken. ‘Zeker als er drie á vier wethouders over gaan. Dat wordt een leuke!’, aldus De Zeeuw.

Planologisch overspel

In een algemene evaluatie noemde de hoogleraar het kenmerkend voor de Omgevingswet dat die eigenlijk het oude Artikel 19 rehabiliteert. ‘We komen uit een cultuur waarin de afwijking toch een beetje planologisch overspel was; dat wordt met de Omgevingswet echt anders. De uitzondering is de nieuwe regel.’ Als een initiatief of project past in de omgevingsvisie en er zijn verder geen belemmeringen, dan kan het gemeentebestuur het omgevingsplan makkelijk aanpassen. Het omgevingsplan (de vervanger van het bestemmingsplan) is volgend. ‘Zo wordt planafwijking de nieuwe regel.’ Dat bracht Chris Kuijpers tot de oproep aan gemeenten om voor 2018 een actuele omgevings­ visie beschikbaar te hebben, want hiermee heb je een goed afwegingskader.

Lessen uit vier deelsessies tekst Duco Stadig, Roos Bruijnsteen, Fred Hobma en Wendy Braanker beeld Jean van Lingen

De Omgevingswet gaat er zeker komen, was het algemene geluid tijdens het Congres Omgevingswet 2015 op 11 november in Utrecht. Tijdens het ochtendprogramma was er ruimte voor de stand van zaken en de dilemma’s die spelen rond de invoering van de nieuwe wet. In de vier parallelsessies tijdens het middagprogramma lag de focus vooral op wat de wetswijziging (nu al) betekent voor de praktijk. En welke lessen we kunnen trekken uit de ervaringen die zijn opgedaan. Belangrijk aandachtspunt was ook dat gemeenten, provincies, waterschappen en andere betrokkenen nu al in beweging moeten komen om de implementatie van de wet vlot te laten verlopen. 2018 is dichterbij dan je denkt!

Frank de Vries

Adviseur openbaar bestuur, publiek recht en ruimtelijke vraagstukken bij Berenschot ‘Het grootste struikelblok is de gedachte dat de overheid visieloos moet zijn en dat de overheid het moet overlaten aan de markt. Daar geloof ik niet zozeer in. Ik geloof wel dat de markt nu initiatieven moet nemen en dingen moet vlottrekken, maar de markt heeft een goede gesprekspartner nodig en omgekeerd: de overheid heeft ook de markt nodig om dingen te realiseren. Dus dat gesprek is nodig en dat veronderstelt meer dan velen denken toch een opvatting van lokale bestuurders; wethouders maar ook van gedeputeerden en zelfs ook van het Rijk.’

21


A

G0 congres Omgevingswet 2015

College Omgevingswet: van A naar AMvB Het raamwerk staat, de invulling is nog in volle gang. Afgelopen zomer ging de Tweede Kamer al akkoord met de invoering van de Omgevingswet en de beurt is nu aan de Eerste Kamer. Als het om de invulling gaat: de koepelorganisaties van gemeenten, provincies en waterschappen bekijken momenteel de conceptversies van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur. De vier AMvB’s zijn van groot belang voor de inhoud van het omgevingsrecht. Een ander belangrijk punt is de implementatie. Om de overgang soepel te laten verlopen, moeten nog meer gemeenten nu al aan de slag met de Omgevingswet. Er lopen zeventig pilots. Wat zijn de grote veranderingen voor de praktijk? Workshopleider Arjan Nijenhuis plaatsvervangend directeur Eenvoudig Beter ministerie van IenM

Praktische lessen

→→ De komst van de Omgevingswet vraagt om een cultuurverandering bij gemeenten, provincies en andere organisaties die er mee te maken hebben en krijgen. Hiervoor is een integrale aanpak vereist. →→ Tussen het moment dat de Omgevingswet ingaat (waarschijnlijk 2018) en het moment dat de digitalisering moet zijn afgerond (2024) bestaat een nadrukkelijk verschil. Dat betekent overigens dat het omgevingsloket in 2018 al wel online moet zijn, maar er zal meer tijd nodig zijn om bestuurders en anderen de mogelijkheid te bieden om met één druk op de knop alle informatie over de staat van de leefomgeving te beschikken. →→ De Omgevingswet moet meer mogelijk maken. Als aan de voorkant meer wordt toegestaan, zijn toezicht en handhaving van nog groter belang. En ook: ‘high trust, high penalty’.

B

Nu al een omgevingsplan: bestemmingsplan met verbrede reikwijdte

Met behulp van de Crisis- en herstelwet wordt de mogelijkheid geboden om middels een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vooruit te lopen op het omgevingsplan, dat over twee á drie jaar door de Omgevingswet zal worden geïntroduceerd. Meer dan 10 procent van de gemeenten experimenteert nu al met de mogelijkheden die het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte biedt. Veghel en Deventer behoren tot de gemeenten die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet biedt. Veghel heeft de CHV Noordkade – voorheen de vestigingsplaats was van Coöperatieve Handelsvereeniging – kunnen herontwikkelen met behoud van het unieke karakter en Deventer heeft een grondgebied-dekkend bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vastgesteld. Workshopleiders Monique Arnolds programmamanager Implementatie Crisis- en herstelwet ministerie van IenM, Stefan van Bogget projectmanager Ruimte gemeente Veghel, Rick Keim projectleider Omgevingsplan gemeente Deventer, Arjen de Snoo advocaat Houthoff Buruma.

Praktische lessen

→→ Met behulp van de Crisis- en herstelwet is het mogelijk om middels het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vooruit te lopen op het omgevingsplan: maak goede initiatieven mogelijk in plaats van drempels op te werpen en ontwikkelingen tegen te houden. →→ Zorg bij het vaststellen van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte voor voldoende participatie van de stakeholders aan de voorkant van het project, zo kan goed ingespeeld worden op de vragen uit de markt en een latere ontmoeting bij de rechter worden voorkomen. →→ Stel een grondgebied-dekkend bestemmingsplan op aan het begin van het project. Dat zal veel tijd kosten en een aanzienlijke cultuuromslag vergen, maar heeft de potentie om gaandeweg juist veel tijdswinst op te leveren.

Ilona Lagas-Meijer

Brinkhof Bemiddeling en Advies, oud-wethouder gemeente Ommen ‘We moeten er nu echt mee aan de slag. Dat is de belangrijkste boodschap die ik meekreeg tijdens het Congres Omgevingswet. Dat zijn niet alleen de ambtenaren, maar dat zijn ook allerlei bedrijven en adviesbureaus die overheden gaan adviseren over omgevingsvisies of omgevingsplannen. En er moet aandacht voor zijn in het onderwijs. Als er over vijf jaar nieuwe ambtenaren van de hbo’s en van de universiteiten bij de overheden binnenkomen en die weten dan niet van het bestaan van de Omgevingswet en het integrale denken dat er achter zit, dan is dat een gemiste kans.’

22

Renée van de Beek

Locatiemanager BPD Ontwikkeling ‘Ik vind het interessant om te zien wat de impact is die de komst van de Omgevingswet heeft en zie het belang voor een stad, gemeente of samenwerkingsverband om eerst eens na te denken over de omgevingsvisie. Gemeenten kunnen dan kaders stellen hoe ze zich verder willen ontplooien. Ik wil graag een sparring partner zijn met gemeenten en overheden, omdat we met hetzelfde bezig zijn. Je moet breder kijken. En dat is wat wij vanuit BPD doen. Zo voeren we bijvoorbeeld nu al gesprekken met gemeenten over transformatieopgaven.’


C

Grondbeleid: geringe aanpassingen of fundamenteel anders?

Grondbeleid is geen doel op zich, maar een middel om ruimtelijke doelen te bereiken. Het moet worden beoordeeld op de effectiviteit daarbij. Het verdienmodel van gebiedsontwikkeling staat onder druk. Daarom moeten ook de grenzen die de regelgeving stelt ter discussie komen. Het hoofdstuk over grondexploitatie in de nieuwe Omgevingswet gaat over voorkeursrecht, onteigening, gedoogverplichting en stedelijke herverkaveling. Vragen die naar voren zijn gekomen: wordt de beoogde flexibiliteit werkelijkheid? En gaat het wetsvoorstel Aanvullingswet grondeigendom ver genoeg, of zijn er fundamentelere ingrepen noodzakelijk?

Workshopleiders Daniëlle Roelands-Franse advocaat, partner Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, Jeroen Hatenboer wethouder gemeente Enschede, Peter Overwater rentmeester NVR en grondzakenjurist Overwater, Erwin van der Krabben hoogleraar Vastgoed- en locatieontwikkeling Radboud Universiteit Nijmegen en professor of Real Estate University of Ulster.

Praktische lessen

→→ Het huidige systeem van grondbeleidsinstrumenten met marktwaarde als waardegrondslag bij onteigening werkt en is maatschappelijk wenselijk. Van de schadeloosstelling op grondslag van gebruikswaarde zou daarom moeten worden afgezien. →→ Bij alle gemeenten zou een generale schuldsanering moeten plaatsvinden. Dat moet landelijk geregeld worden. Alleen dan is het mogelijk om met een schone lei aan ruimtelijke ordening te doen.

Pieter Wiekeraad

Afdeling Omgeving en Milieu, provincie Groningen ‘De belangrijkste les is toch wel dat je niet vroeg genoeg kunt beginnen met de voorbereidingen. Binnen de provincie zijn we gelukkig al enige tijd bezig met de Omgevingswet. En wel op twee manieren: aan de ene kant door lobbywerk. Dan gaat het er vooral om hoe we de AMvB’s – die op grond van de Omgevingswet vastgesteld zullen worden – kunnen beïnvloeden. En we zijn ook bezig met het invullen van beleid als het gaat om het begrip kwaliteit van de leefomgeving. Ik was blij te horen tijdens de bijeenkomst dat het misschien wel 2019 wordt voordat de Omgevingswet wordt ingevoerd. Dat betekent niet dat we meer tijd hebben, maar wel dat we de tijd nog beter kunnen benutten.’

D

Flexibiliteit in complexiteit: omgevingsplan voor Haagse Binckhorst

De Binckhorst in Den Haag is een sprekend voorbeeld van wat de Omgevingswet kan betekenen. Het is een verouderd bedrijfsterrein, maar de kracht is dat het zeer centraal is gelegen. Doel van de gemeente Den Haag is altijd geweest om de Binckhorst te transformeren naar een duurzaam en hoogwaardig gemengd woon- en werkgebied. De opgave is niet gemakkelijk. De gemeente meldde de Binckhorst aan voor een ‘pilot omgevingsplan’ in het kader van de zevende tranche van de Crisis- en herstelwet. De pilot laat zien dat een omgevingsplan op basis van de Omgevingswet veel meer kan zijn dan een bestemmingsplan-plus. Het voordeel is dat de looptijd van het plan nu twintig jaar is (in plaats van de normale tien jaar van een bestemmingsplan). Wat betreft de eis van uitvoerbaarheid wordt het plan getoetst op niet-evident onuitvoerbaar in plaats van uitvoerbaar.

Workshopleiders Maarten Engelberts jurist ministerie van IenM, Melina Schouten senior jurist gemeente Den Haag, Florian Witsenburg eigenaar en algemeen directeur Tygron, Wim Drost adviseur Milieu en Ruimtelijke Ordening Ingenieursbureau gemeente Den Haag, Anne-Marie Klijn partner NautaDutilh, Nicolette Zandvliet, juridisch beleidsmedewerker NEPROM

Praktische lessen

→→ Door af te zien van gedetailleerde bestemmingen en door gebiedskwaliteiten te definiëren, kan een omgevingsplan maximale flexibiliteit bieden, terwijl tegelijkertijd gebiedskwaliteiten worden geborgd. →→ Met het vastleggen van projectbeginselen kan de samenwerking anders worden vormgegeven dan normaliter, wat ook nodig is bij deze nieuwe werkwijze. Projectbeginselen zijn bijvoorbeeld: het project staat centraal, werken met een open boekhouding en het benadrukken van integriteit en betrouwbaarheid. →→ Een digitaal loket met informatie over de staat van de omgeving en het milieu kan inzicht geven in wat de effecten van bouwprojecten zijn op verschillende locaties.

Sheraida Julen

Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling, gemeente Leidschendam-Voorburg ‘Wat me is opgevallen tijdens de sessies is dat er duidelijkheid is over een omgevingsplan. Dat het gaat om één plan. Tijdens de eerdere congressen over de Omgevingswet was de gedachte nog dat het om meerdere omgevingsplannen zou gaan. Belangrijke les is ook dat we al heel snel inhoudelijk aan de slag moeten. Nog goed twee jaar en dan is de wet van kracht en ruim voor die tijd moet er al een omgevingsvisie en een omgevingsplan liggen.’

23


VU campus — Amsterdam

G0ing places — 2

Campus in transitie 24


tekst Jeroen Mensink

Josja van der Veer & Henk Hartzema

VU en VUmc bundelen hun krachten en werken de komende jaren samen aan de vernieuwing van de VU campus. Josja van der Veer, directeur van de Facilitaire Campus Organisatie van de VU, wil de VU campus integraal onderdeel maken van de stad. ‘De VU wordt extravert en gaat verbindingen leggen naar de buitenwereld.’ Wanneer Henk Hartzema, stedenbouwkundige van het Masterplan voor de VU campus, aan de opgave begint, treft hij een groot en wat in zichzelf gekeerd complex uit de jaren zestig. Bestaande uit heel grote gebouwen te midden van een stenige openbare ruimte met veel auto’s. Wat nodig is, is een toekomstbestendig masterplan om de noodzakelijke vernieuwingsopgave, met vervanging, functiemenging en verdichting, in goede banen te leiden.

Samenwerking universiteit en ziekenhuis op basis van inhoud

Van der Veer: ‘De VU campus is een gezamenlijke campus voor zowel de Vrije Universiteit als het VU medisch centrum. We werken weliswaar vanuit twee organisaties, maar we werken heel intensief samen op het gebied van onderzoek, onderwijs en zorg. We ontwikkelen dit als één samenhangend gebied.’ Hartzema: ‘In eerste instantie werkte ik alleen voor de VU, daarna ook voor VUmc. De laatste drie, vier jaar zijn de toekomstplannen voor de VU en VUmc gestaag in elkaar gegroeid. Aanvankelijk heb je te maken met verschillende belangen, verschillende beweegredenen en verschillende geldstromen. Nu groeien we verder op basis van een gezamenlijk fundament. Ruimtelijk gezien hebben we nu een onderlegger waarop iedereen straks een plek kan krijgen.’

Van der Veer: ‘Wat onze organisaties bindt, is de krachtige overtuiging dat we een wezenlijke bijdrage leveren aan de unieke propositie van de kennismetropool Amsterdam. Willen we ons echt inhoudelijk ontwikkelen op het gebied van kennis en de maatschappelijke uitdagingen voor de toekomst, dan moeten we als VU en VUmc gewoon samenwerken. Op het snijvlak van verschillende disciplines kan je alleen maar resultaat bereiken als je deze ruimtelijk bij elkaar brengt. Dat vraagt ook om het delen van voorzieningen. Kostbare voor­zieningen die je omwille van de efficiency wilt delen, maar ook het delen van voorzieningen om samen te kunnen werken. Dat vraagt ook om ontmoetingsmogelijkheden.’ Hartzema: ‘De VU was als internationale universitaire gemeenschap van nature in de planvorming extravert, op zoek naar uitwisseling tussen campus en stad. Het VUmc heeft een focus op zorg en de omgeving en dynamiek die daarbij horen. Dat lijken twee totaal verschillende werelden, maar langzaam groeien die twee in elkaar. Gaandeweg is een vorm van planning ontstaan die beide aspecten in zich heeft. Zowel het gericht zijn op het primaire proces van zorg, onderzoek en onderwijs, alsook de deuren en luiken openzetten naar de buitenwereld, zodat wisselwerking tussen de campus en de stad ontstaat.’ Van der Veer: ‘Het samenwerken aan het masterplan draagt bij aan het begrip van de meerwaarde die we met elkaar hebben en de synergie die daaruit ontstaat. In die zin is het een hefboom voor verandering. Het maken van het masterplan is een katalysator om de samenwerking nader vorm te geven. Niet alleen de samenwerking tussen VU en VUmc, maar ook de samenwerking met de UvA en – in de toekomst – met het AMC.’

25


Verdubbeling studenten, halvering bekostiging

Van der Veer: ‘De VU heeft indertijd hier in Buitenveldert een stuk agrarische grond gekocht van een boer, letterlijk “buiten de velden”. Nu is de VU campus onderdeel van de hoogstedelijke Zuidas. De stad is naar ons toe gekomen. Indertijd, vijftig jaar geleden, is het complex in één keer gebouwd voor ongeveer 12.000 studenten. We zien nu een verdubbeling van dat studentenaantal en tegelijkertijd een halvering van de bekostiging per student. Wij zoeken daarom naar manieren om efficiënter met ruimte om te gaan. Dat kan alleen als je echt substantieel vernieuwt. In de nieuwe, duurzame concepten die we voor de campus hebben bedacht, gaan we ruimte delen. We gaan ruimte delen op regionaal niveau, op het niveau van de campus, maar ook binnen de gebouwen. Het delen van ruimte is een manier om de kostenstijging te dempen.’

'Het primaire proces van onderwijs, onderzoek en zorg is leidend.' Hartzema: ‘Vanaf het begin bestond het idee dat de buitenruimte meer verblijfskwaliteit moest krijgen. Daarnaast willen we veel meer onderdeel zijn van de stad en een beter herkenbare entiteit worden. Om flexibel te zijn in het gebruik en andere partijen hier een plekje te geven, moet bovendien meer ruimte worden gerealiseerd. Verder moeten de gebouwen meer herkenbaar zijn en flexibel worden, waardoor verschillende functies uitwisselbaar zijn.’ Dat klinkt eenvoudiger dan het is. ‘Alle voordelen ten spijt heeft deze locatie ook nadelen. We moeten namelijk heel compact bouwen. Het is echt woekeren met ruimte, net een schuifpuzzel. We willen vernieuwen, maar de winkel blijft open tijdens de verbouwing. Dat spel is niet zichtbaar in het eindresultaat, maar wel heel bepalend voor waar we nu bepaalde vernieuwingsstappen in de gebieds­ ontwikkeling kunnen zetten.’

Josja van der Veer is van huis uit stadsgeograaf en adviseert sinds 1990 bij stadsontwikkelingsprojecten. Begonnen in de stadsvernieuwing, later de stedelijke vernieuwing, werden projecten waarbij zij betrokken was steeds groter en werd het ‘sustainable area development’. Ze heeft zowel bij de gemeente gewerkt als bij adviesbureaus en diverse ontwikkelaars. Sinds zes jaar werkt ze bij de VU. 26

Lange lijnen, kleine korrel

Van der Veer: ‘Het primaire proces van onderwijs, onderzoek en zorg is leidend. De VU is “content driven”; het begint met onze visie en wat deze organisatie wil bereiken. En we zijn “here to stay”: we zitten hier nu al vijftig jaar en zijn van plan nog lang te blijven. Wij kijken daarom naar de lange termijn van de organisatie en proberen daar een portefeuille­strategie van onze gebiedsontwikkeling – niet alleen voor het vastgoed, maar voor het hele gebied – op af te stemmen. Daarin moet flexibel kunnen worden meebewogen.’ Hartzema: ‘Flexibiliteit is niet hetzelfde als een blanco vel waarop alles nog mogelijk is. Uitgangspunt zijn de grote stadsboulevards die de campus doorsnijden, verbinden en bereikbaar maken. Tegelijkertijd creëren we een kleinschaliger netwerk van openbare ruimten, een ritme van pleinen, die allemaal hun eigen aantrekkelijkheid, oriëntatie, type gebruik en afmeting hebben. De openbare ruimte is ontzettend belangrijk, datgene wat ons ten principale gaat binden als gebruikers van de campus. En tegelijk moet het masterplan flexibel zijn. De opgave is om een stedenbouwkundige structuur te ontwerpen die verleidt en tegelijkertijd nog voldoende kan indikken, uitdijen of verkleuren om alle kanten op te kunnen.’ Van der Veer: ‘Het concept voor de VU campus gaat daarom primair uit van een nader in te vullen mix van stedelijke functies en een heel hoge verblijfskwaliteit. Wij willen gebouwen van een kleinere korrel. Zodat ze makkelijker faseerbaar en aanpasbaar, maar ook van een meer menselijke maat zijn.’

'Flexibiliteit is niet hetzelfde als een blanco vel waarop alles nog mogelijk is.' Hartzema: ‘Met de keuze voor een kleinere korrel van bebouwing streven we meer flexibiliteit na. Nu staan op de campus twee gebouwen van 100.000 m2. Die lijken misschien flexibel – want je kunt er nog alle kanten mee op – maar een kleiner volume is makkelijker te herontwikkelen en te hergebruiken. Omdat zowel de (her)ontwikkeling, de financiering als de

Henk Hartzema is als stedenbouwkundige en als architect opgeleid aan de TU Delft. Daarna werkte hij jaren bij West8, waar hij ook partner is geweest. Alweer twaalf jaar heeft hij zijn eigen kantoor in Rotterdam. Studio Hartzema doet vooral stedenbouwkundig werk – daar ligt de focus van het bureau – en daarnaast bouwkundige opdrachten en fundamenteel onderzoek.

Anne-Marie Klijn is al 25 jaar als advocaat werkzaam in het omgevingsrecht, waar ze werkt aan alles waarvoor juridische besluiten nodig zijn en waarbij zowel de overheid als de burger een rol heeft. Ze heeft voor verschillende advocatenkantoren gewerkt en is sinds begin 2015 werkzaam voor NautaDutilh. Daarnaast is ze lid van de Adviescommissie Wonen voor de nieuwe Omgevingswet en lid van het Amsterdam Network Council van de Amsterdam Economic Board.


Praktische lessen →→ Werk samen op basis van inhoud. De VU campus is een kennisintensieve gemeenschap op de Zuidas, die in verbinding staat met Amsterdam en de wereld, op basis van de kennis en talenten die ze brengt op het gebied van onderwijs, zorg en onderzoek. →→ Denk in lange lijnen en korte stappen. Definieer krachtige uitgangspunten voor ontwikkeling en houd daar consequent aan vast. Ontwikkel vervolgens in korte stappen zowel de infrastructuur, de openbare ruimte als de gebouwen. →→ Bied ruimte voor organische ontwikkeling en zorg voor ruimte om te leren, bij te sturen, trends te accommoderen en nieuwe kansen een plek te geven. →→ Zorg voor continuïteit in het team. Gebiedsontwikkeling is een kwestie van de lange adem. Dit vraagt om intrinsieke langetermijnbetrokkenheid van overheid en andere stakeholders. Niet in abstracto en vervat in complexe organisatiemodellen, maar van enthousiaste en betrokken mensen in een hecht team.

Zeven jaar geleden raakte Anne-Marie Klijn betrokken bij de ontwikkeling van de VU campus, waar ze VU en VUmc strategisch adviseert om de MER-procedure deels zelf te organiseren en deels samen met de MER-procedure van de gemeente mee te laten lopen. ‘Zo konden ze gebruikmaken van de informatie van de gemeente – voor wat betreft verkeer, externe veiligheid, luchtkwaliteit, et cetera – en tegelijkertijd hun eigen plan trekken.’

Integrale aanpak

‘Een integrale aanpak scheelt veel tijd.’ Door als VU en VUmc samen op te trekken en in die zin beter voorbereid te zijn op toekomstige ontwikkelingen, kan een planologische procedure voor een langere termijn een bruikbare weg bieden. ‘Omdat ik als buitenstaander vanuit een helikopterview opereer, kan ik mensen bij zowel VU als VUmc makkelijker attenderen op hun overeenkomsten en verschillen. En op elkaars activiteiten, plannen en wensen.’ ‘Voor de metropoolregio Amsterdam is een integrale samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstituten heel belangrijk. Dat geldt ook op de schaal van de VU campus. Je ziet dan ook dat het bestemmingsplan voorziet in een leef­ omgeving waarin mensen kunnen wonen, werken én waar de voorzieningen zijn. Elke vorm van samenwerking kan straks op de campus terecht.’

Samenwerkingsprincipes of gedetailleerde contracten

‘In de uitwerking van de programmatische uitgangspunten heb ik veel veranderingen zien plaatsvinden. Met name bij de VU, in mindere mate bij VUmc, waar men al een precies beeld voor ogen had van de aanpassingen die men in het ziekenhuis wilde

doorvoeren. De VU zocht echt naar iets nieuws, iets wat nog niet bestond. Dat is een voortdurend gedachteproces geweest, met telkens nieuwe initiatieven, informatie en kennis. Bij een langlopend project als dit kan al dat voortschrijdend inzicht best lastig zijn, denk bijvoorbeeld aan de planologische producten die vastgesteld moeten worden.’ ‘Wat ik goed vind werken, is het vastleggen van samenwerkingsprincipes in plaats van tot in detail uitgeschreven contracten. Met uitgangspunten zoals: je bent transparant naar elkaar. En: als je denkt dat iets nadelig is voor de ander, dan moet je dat op tijd melden. Door de samenwerking in een aantal van deze principes vast te leggen, kunnen contracten veel korter worden.’

Taskforce bereikbaarheid Zuidas

‘Om de gevolgen van de groei van de Zuidas voor het verkeer in goed overleg met elkaar te begeleiden en te monitoren, is de Taskforce Bereikbaarheid Zuidas opgericht. Daarin zijn verschillende partijen vertegenwoordigd die op de Zuidas zijn gehuisvest. Rotterdam heeft daar al veel ervaring mee opgedaan. Plannen voor de omgeving worden in dit verband afgestemd en verkeersonderzoeken gecoördineerd.’ Praktische les →→ Werk op basis van samenwerkingsprincipes, daardoor wordt veel gedoe voorkomen. Wees minder bang, stel je kwetsbaar op en deel transparant met elkaar wat je belang is. Dan kom je er op heel veel vlakken veel sneller uit. Het sluit ook aan bij de nieuwe Omgevingswet, waarvan het leidend principe is dat wij – overheid en burgers – meer vertrouwen in elkaar moeten hebben.

27


uitwisseling op termijn meer flexibiliteit biedt. We maken een duurzame campus waarvan de structuur bij wijze van spreken een eeuwigheid mee kan. Ook de individuele gebouwen, die weliswaar heel specifiek zijn, kunnen straks qua indeling, bouwsystematiek en klimaatbeheersing, flexibel gebruikt worden.’

leefbare campus zijn.’ Ook diverse functies worden gemengd in het gebied. ‘Wonen is essentieel voor de functiemix en de levendigheid van het gebied. Daarom is het belangrijk om studentenwoningen op de campus te hebben. Daar zijn al concreet locaties voor bedacht. We willen graag dat aan het centrale campusplein gewoond gaat worden.’

Campus zonder grenzen

Faciliteren van samenwerking

Hartzema: ‘De Zuidas is gebaseerd op een grid en heeft daardoor een zekere neutraliteit. Wij willen daar, vanuit de VU campus, bijzondere plekken aan toevoegen en de neutraliteit verrijken met placemaking. Het is een unieke campus, de enige in Nederland die geen begrenzing kent. Andere campussen zijn op de een of andere manier ingekaderd of liggen buiten de stad. Vaak zie je bij campussen, ook in het buitenland, dat de identiteit aan die begrenzing wordt ontleend. Wij willen juist aansluiten op de omgeving. Omdat wij geen buitengrens hebben – die hebben we bewust weggelaten – zijn we ons hard gaan maken voor centrale, identiteitsbepalende plekken voor de campus. Dat is bijvoorbeeld het campusplein geworden.’ Van der Veer: ‘Wij zetten in op een sterke relatie tussen binnen en buiten, de gebouwen en de openbare ruimte lopen naadloos in elkaar over. Onze gebouwen zijn super-openbaar, zowel qua beleving als in de “hospitality”. We willen een gastvrije en

Van der Veer: ‘We bekijken de VU campus vanuit het perspectief van “total cost of ownership”, waaraan we in samenwerking en vanuit de inhoud waarde proberen toe te voegen. De grond is in eigendom van de VU en we doen natuurlijk ook de exploitatie van de gebouwen. We hebben ook een eigen energievoorziening, die we momenteel verduurzamen. Die is voor de hele campus, ook voor het VUmc. Ook de parkeervoorzieningen delen we al met elkaar.’ Een aanzienlijk deel van het beschikbare vloeroppervlak wordt verhuurd aan derden. ‘Op dit moment beschikt de universiteit over zo’n 350.000 -360.000 m2 vastgoed. Daarvan is ongeveer een derde in gebruik bij partijen die op de VU campus samenwerken met VU of VUmc. In ons nieuwe 0|2 gebouw, dat in het teken staat van life sciences, kunnen onderzoekers van derden of externe R&D-partijen die met onderzoekers van ons een gezamenlijk onderzoeksproject doen, een ruimte in het gebouw gebruiken voor hun onderzoek. Ruimte beschikbaar stellen is overigens geen doel op zich, het is vooral een middel om samenwerking mogelijk te maken.’

Leestip

Alexandra den Heijer

Managing the university campus Delft: Eburon Academic Publishers, 2011

→ www.managingtheuniversitycampus.nl

28


G0 follow Henk Bouwman heeft mij voorgedragen als zijn opvolger voor deze rubriek. Wat een eer! Henk ken ik van onze jarenlange studies op en rondom het Stationsplein-West in Utrecht. Hij werkte voor de gemeente, ik voor de ambitieuze projectontwikkelaar IPMMC. Vele onderzoeken hebben we gedaan, onder meer voor het Forum, Stadskantoor, WTC en de fietsenstalling. Het mooie is dat een groot deel van de ontwikkelingen min of meer gereed is. Bouwman stond aan de stedenbouwkundige basis hiervan. Net als Bouwman haal ik veel van mijn inspiratie uit vakgebieden buiten ons eigen directe werkgebied. Ontwerpen, vastgoed- en gebiedsontwikkeling zijn extreem trage disciplines die zelden inspirerend zijn als proces. Je moet de parels zoeken, je moet op zoek naar de lefgozers die het verschil maken, naar de mannen en vrouwen met visie en passie voor verandering.

Elon Musk

Torenhoog favoriet is Elon Musk, de man achter SpaceX, SolarCity en Tesla. Zonne-energie als oplossing voor de crisis in het Midden-Oosten, waar enkel om olie oorlogen worden gevoerd. En de groei van de wereldbevolking is alleen op te lossen als we op Mars gaan wonen, dat is Musks ultieme doel. Niet het verkopen van elektrische auto’s, dat is slechts een middel. Zijn recent verschenen boek How the Billionaire CEO of SpaceX and Tesla is Shaping our Future is een aanrader en geeft je ook een kijkje in zijn (niet altijd gezellige) leven, waar echt alles in het teken staat van innovatie en het doorbreken van vastgeslibde patronen. @elonmusk

Jeroen Apers

Voor mijn opvolging in deze rubriek draag ik Jeroen Apers voor. Jeroen schrijft letterlijk ‘wat ik zoal tegenkom op mijn beeldscherm...’. @Apers blogt via zijn populaire Tumblr-blog over design, architectuur, herontwikkeling en andere fraaie dingen. Jeroen ken ik vanuit mijn studie in Delft. Regelmatig spreken we elkaar, meest recentelijk op De Ceuvel, de botenstad-op-de-kade, in Amsterdam-Noord. Jeroen stond aan de basis van dit groene concept, een tijdelijke stad voor tien jaar. Deels gemaakt om in te werken, deels om de grond op een natuurlijke manier te zuiveren, zodat er over tien jaar weer gewoond kan worden. @apers Tumblr: blog.jeroenapers.nl

Boris Geheniau

Vanuit Groningen beleeft Boris de wereld echt anders. Zijn nuchtere en eerlijke kijk op marketing van woningbouwprojecten geeft hem veel energie. En Boris geniet van één ding: energie doorgeven aan anderen. Hij trok eropuit om op de Real Estate Connect in New York inspiratie op te doen en werd zo enthousiast, dat nu een groep van vijftig dutchies jaarlijks naar NYC reist voor inspiratie en vernieuwing. Want één ding is zeker, in de VS lopen ze (minstens) twee à drie jaar op ons voor. @nieuwbouw20

Vincent Taapken

Vincent is mijn Rotterdamse vriend. Hij is stadsontwikkelaar in Rotterdam en is met verve trots op Rotterdam. Vraagbaak, trendwatcher, sfeermaker, stadsontwikkelaar. Bekend van zijn liefde voor de Wilhelminapier en zijn eigen project op de Piekstraat in 010. @vtaapken

Victor Straatman

Vic voor vrienden. Net met zijn familie vertrokken naar Vancouver, echt opnieuw starten. Een langverwachte droom komt uit. Samen met Jasper Verbunt heeft hij MKB-websitebouwer Redkiwi opgericht en tot een succes gemaakt. Victor twittert de laatste tijd veel over Canada en ik verwacht dat hij binnenkort meer zal vertellen over de frisse start-up-cultuur in dat land. Wij als De Mannen van Schuim sparren regelmatig met de Redkiwi-mannen over het ondernemerschap, heerlijk! @straatman

Rico Zweers

Gerben van Dijk

Jaren geleden begon Gerben over herbestemming te twitteren. Met slechts een paar volgers zette hij stug door om de focus van nieuwbouw naar herontwikkeling te krijgen. Als netwerker heeft Gerben naam en faam gekregen, hij staat regelmatig on stage om zijn visie op herbestemming voor het voetlicht te krijgen. Hij was eerst werkzaam bij SBR en Vernieuwingbouw, nu bij VJ Profs’ Vastgoedjournaalnl. @gerben_vandijk

Tony Wijntuin

Ik geloof dat we meer naar trends moeten kijken en minder naar het verleden als we praten over ruimtelijke ordening in Nederland. Leren van het verleden, kijkend naar trends om ons heen. Of dat nu is met horeca, retail, wonen, leven, buitenland et cetera, trends bepalen waar we heengaan. Tony houdt dit scherp in de gaten en is voor mij een wandelende encyclopedie. Zelf is hij vanuit zijn professie meer retailstrateeg, maar dat is overduidelijk als je hem volgt. @wynestrategy

VOF de Loods (Djurre Menges en Gerben Broekmaat)

Afgelopen jaar won VOF de Loods de LEFGOZÂH Award 2015. Een prijs uitgereikt tijdens onze Lefgozâh Award Show in de Electriciteitsfabriek in Den Haag. VOF de Loods is een initiatief om dagbehandeling van mensen met psychische problemen leuker, gaver en sexier te maken. Gerben en Djurre zijn een garage begonnen, waar ze met psychiatrische patiënten oude Porsches repareren. Geen mandala’s kleuren, maar zinnig aan de slag. Een heel bijzonder initiatief. facebook.com/vofdeloods 29


Opinie

tekst Rink Drost

7

6

Ontwikkelingen op de woningmarkt: groei van de stad en vergrijzing

Ontwikkelingen

woningmarkt:

vergrijzing

5

4

van de

3

groei

stad

2

1

op

de

en

0

De praktijkredactie van gebiedsontwikkeling.nu kwam samen om te discussiĂŤren over de huidige staat van de Nederlandse woningmarkt. Aan de hand van een aantal stellingen en een presentatie van Rink Drost, senior adviseur bij BPD, werd duidelijk waar de woningopgaven van het heden en de toekomst liggen. Dit artikel is een samenvatting van de gedeelde kennis. Het schijnt goed te gaan met de Nederlandse stad. Iedereen wil er wonen. Met name hoogopgeleid vestigt zich in de stad. Hipsters en bakfietsgezinnen blijken de reden te zijn waarom steden groeien. Beleidsmatig wordt daarom vol op de stad ingezet. Niet alleen jong en hip moet er wonen, ook een groot deel van de woon- en zorgopgave schijnt in de stad te moeten plaatsvinden. Maar is die de stad wel zo populair? Waarom groeit die eigenlijk? En hoe groot is de woon- en zorgopgave en waar bevindt deze zich? Stedelijke groei is niet altijd wat het lijkt. En veel binnenstedelijke projecten zijn moeilijk haalbaar. Moet het bebouwen van weilanden dan niet op de agenda blijven? Een blik op de ontwikkelingen op de woningmarkt, met uitzicht tot 2030.

30

Big data

Gewapend met de kracht van big data is van ieder adres te voorspellen wat een huishouden zal doen. Steeds vaker verkopen bedrijven en overheidsinstanties geanonimiseerde klantgegevens door. Uiteraard met instemming van de klant zelf. Het combineren van bronnen met klantgegevens zorgt ervoor dat er op adresniveau zicht is op huishoudenskenmerken en verhuizingen. Met een database op adresniveau van 7,3 miljoen huishoudens, 3,3 miljoen geregistreerde verhuizingen over de afgelopen zes jaar, 270.000 te koop staande woningen en circa 190.000 transacties zijn de ontwikkelingen op de woningmarkt op adresniveau te volgen. Daarmee zijn steeds nauwkeuriger voorspellingen te maken over het verhuisgedrag van mensen. Voor een ontwikkelaar is commercieel succes voor een deel afhankelijk van de precisie van de voorspellingen over de ontwikkeling van de markt.


Een deel van die voorspellingen matcht niet met de visies van de beleidsmakers. Daar komt het neer op het benoemen van de soms ongemakkelijke waarheid wat betreft bevolkingssamenstelling en verhuisgedrag. In die categorie volgen hieronder drie thema’s waarop beleid wordt gemaakt op basis van aannames die indruisen tegen onderzoeksuitkomsten. 1 Stedelijke groei: ‘Internationaal onderzoek wijst uit dat steden in toenemende mate de groeimotor zijn van de economie.’ (Agenda Stad) 2 Gentrificatie: ‘Tegenwoordig kiezen – vooral hoogopgeleide – stellen er vaker voor om in de stad te blijven en daar hun kinderen te krijgen.’ (Planbureau voor de Leefomgeving) 3 Vergrijzing: ‘Nu is er een tekort van 84.000 geschikte woningen, waarvan de helft ook geschikt zou moeten zijn voor zorg op afroep’. (Kennis Instituut Maatschappelijk Vastgoed); ‘Nú de woningvoorraad uitbreiden met eengezinswoningen kan (…) betekenen dat wordt gebouwd voor toekomstige leegstand.’ (Planbureau voor de Leefomgeving)

Zijn steden de groeimotor van Nederland?

Uit internationaal onderzoek wordt vaak aangehaald dat steden de groeimotor zijn van de economie. Gemakshalve wordt aangenomen dat dat ook voor Nederland geldt. Wie kijkt naar de demografische en economische groei van steden ziet echter een ander beeld. De bevolking van Nederland is in de afgelopen vijftien jaar met ongeveer 6% gegroeid. Je zou (op basis van de uitspraken in Agenda Stad) verwachten dat de steden harder groeien dan het landelijk gemiddelde. Dat blijkt niet zo te zijn. Bijna de helft van de 41 grootste steden blijft achter bij de gemiddelde landelijke bevolkingsgroei. Deze steden zijn dus minder dan 6% gegroeid. Slechts een beperkt aantal steden weet de landelijke trend te verslaan. En de steden met hoge groeicijfers zijn die welke juist veel grondgebonden milieus hebben gebouwd. Boven aan deze lijst staan gemeenten als Utrecht, Almere, Haarlemmermeer, Lelystad, Amersfoort, Zwolle, Groningen, Den Haag en Zoetermeer. Opvallend genoeg zijn dat de steden die met vinexwijken het suburbane wonen hebben omarmd. Ook de blik op de economische groei verrast. Groei wordt gemeten in de procentuele toename van het bruto binnenlands product (bbp). De groei in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam blijft volgens het CBS achter bij het bbp. Natuurlijk is er een onderscheid tussen waar de meeste bedrijven zijn gevestigd en waar de hoogste omzetgroei wordt geboekt, maar de perceptie is dat deze groei plaatsvindt in steden. En die perceptie klopt niet.

Gentrificeren de steden?

‘Wijk na wijk gentrificeert. Turks en Marokkaans verdwijnen en maken plaats voor Nederlands en Engels’, aldus de Volkskrant. Als verklaring voor de groei van de stedelijke bevolking valt vaak het woord gentrificatie. Wijken die van kleur verschieten door de instroom van autochtone hoogopgeleide huishoudens. De afgelopen vijftien jaar is de bevolking van Den Haag, Utrecht en Amsterdam met respectievelijk 62.000, 74.000 en 80.000 inwoners toegenomen (zie figuur 1). Bij het vaststellen van de oorzaken voor deze groei wordt al snel de aantrekkelijkheid van stedelijk wonen genoemd, en dan met name voor hoogopgeleide inwoners. Opvallend is dat het bij de discussie over de groei van de steden niet gaat over buitenlandse migranten en ook niet over de groei die ontstaan is door de realisatie van vinexwijken.

De vijf grootste steden zijn deels gegroeid door de realisatie van suburbane milieus binnen de stadsgrenzen.

Om te beginnen met de eerstgenoemde groeifactor. De grootste afwezigen in het ‘waarom groeien steden’-debat zijn de buitenlandse migranten. Buitenlandse migratie is een belangrijke groeifactor. De afgelopen vijftien jaar zijn er 100.000 buitenlandse migranten in de vijf grootste steden komen wonen. Je ziet dit terug in de statistieken over etniciteit. In de drie grootste steden is 50% eerste of tweede generatie allochtoon. Dat was vijftien jaar geleden nog 40%. Dat Turks en Marokkaans plaatsmaken voor Nederland en Engels, zoals de Volkskrant stelt, is dus onjuist. De waarheid is omgekeerd. Ook interessant is het om te kijken in hoeverre er wijken ontstaan met een allochtone middenklasse. Deze wijken verschieten niet van kleur, maar zijn wel opkomend. De tweede groeifactor zijn de vinexwijken. De vijf grootste steden zijn deels gegroeid door de realisatie van suburbane milieus binnen de stadsgrenzen. Als je nu de groei door buitenlandse migranten en die door vinexwijken optelt en vergelijkt met de totale bevolkingsgroei dan ontloopt dat elkaar niet veel. Bij Den Haag en Rotterdam overtreft deze aanwas zelfs de netto-bevolkingsgroei. Het gaat te ver om te stellen dat de steden zonder deze twee zouden zijn gekrompen. Maar het valt wel op.

31


Toename woningtekort vanwege vergrijzing?

Toename door buitenlandse migratie en Vinex

Het debat over de woningmarkt en vergrijzing wordt bepaald door uiteenlopende visies. Er zijn partijen die een grote noodzaak zien voor het bouwen van meer geschikte woningen. Er zijn er ook die juist roepen om een bouwstop. Hoe kunnen de verschillen zo groot zijn? Wie kijkt naar de demografische ontwikkeling ziet dat er tot 2030 ongeveer 600.000 75-plussers bijkomen. Dat is een indrukwekkende hoeveelheid. Dit aantal doet vermoeden dat de opgave erg groot is.

En inderdaad, het klopt dat veel steden een toename zien van hoogopgeleide stellen met kinderen. Het zijn voornamelijk studentensteden waar dit gebeurt. Belangrijk is te kijken naar de achterliggende reden van deze toename. De vraag is of het gaat om de populariteit van stedelijk wonen of dat er andere redenen aan ten grondslag liggen. Een van die redenen zou uitgesteld verhuisgedrag kunnen zijn. Verhuizen is conjunctuur-gedreven. Gaat het goed met de economie, dan verhuizen mensen vaker dan als het slecht gaat. Ter illustratie, in 2006 verhuisden bijna 200.000 mensen meer dan in 2013. Vooral bij jonge stellen en gezinnen is dit effect goed merkbaar. Het onderzoeksbureau van de gemeente Amsterdam heeft dat treffend in beeld gebracht. Figuur 2 toont de vertrekkans per leeftijdsgroep. Uit de gegevens blijkt dat de vertrekkans van mensen met kleine kinderen heel hard daalt als de recessie begint. De kans neemt weer toe als de economie aantrekt. Dat veroorzaakt een file. Als het slecht gaat met de economie, dan blijven stellen die voorheen zouden migreren naar de buitenwijk in de stad wonen. Ze kiezen voor een eerste kind en misschien een tweede. Dan blijven ze langer wonen in de stad. De instroom van studenten en buitenlandse migranten blijft ondertussen gelijk. Het resultaat is bevolkingsgroei, en met name van hoogopgeleiden die langer in de stad blijven wonen. Naarmate de economie weer aantrekt, gaat een groter deel van die groep naar de buitenwijken. Een tip voor beleids­ makers: als kinderen de leeftijd van acht jaar hebben bereikt, is deze groep sociaal gebonden aan de gemeente van vestiging. Vertroetel deze groep dus in de jaren ervoor. 9 8 7 6 5 4 3 2

13-17

18-24

25-29

30-39

2. Buitenlandse vertrekkans per leeftijd

32

40-49

50-64

2014

2012

2010

2008

2006

2004

2002

2000

8-12

1998

4-7

1996

1994

0-3

1992

1990

1 0 65 e.o.

500.000 400.000 300.000 200.000 100.000 0

75 e.o.

1. Bevolkingsgroei naar oorzaak sinds 2000

Het effect op de woningmarkt is echter beperkt. Belangrijk is zich te realiseren dat deze mensen al ergens wonen. Zolang ze niet verhuizen, is er niks aan de hand. En dat is bij deze groep het geval. De verhuisgeneigdheid van deze groep is zeer laag, het is maar 3 tot 4% per jaar (zie figuur 3). Daardoor oefenen ze weinig effectieve woningvraag uit op de woningmarkt. Het zal nog steeds de groep van 30-jarigen en jonger zijn die de grootste druk uitoefenen. Zij verhuizen om de twee à drie jaar – ook in 2030.

65 — 74

Amsterdam

Utrecht

0

Eindhoven

20.000

Rotterdam

40.000

Den Haag

60.000

45 — 64

80.000

30 — 44

Nettobevolkingsgroei

<30

100.000

Aantal huishoudens

120.000

Leeftijd huishoudens 3. Aantal verhuizingen per leeftijdscategorie in 2030

Bij gelijkblijvend verhuisgedrag zal de groei van 600.000 75-plussers slechts leiden tot een toename van circa 30.000 verhuizingen tot een totaal van circa 80.000 verhuizingen. De toename met 30.000 heeft een veel beperktere impact dan die 600.000 die blijven zitten waar ze zitten. De lage verhuisgeneigdheid betekent niet dat er helemaal geen nieuwbouwopgave is. Het heeft twee gevolgen. Het eerste is dat 65-plussers woningen bezet houden waar anderen in willen wonen. Een analyse van het woningbezit van de babyboomersgroep laat zien dat het vooral gaat om dure, grote grondgebonden woningen. Hoe tegenstrijdig ook, de vergrijzing gaat indirect vraag opwekken naar precies dat segment woningen. Voor de groep ouderen die wel verhuist, zal de nieuwbouwvraag sterk afhangen van de bestaande woningvoorraad. Gebiedsontwikkelaar BPD heeft onderzoek gedaan naar waar 65-plussers de grootste nieuwbouwvraag gaan genereren. Dat bleek vooral in dorpen te zijn en in steden met veel portiek-etagewoningen. Daar waar de voorraad aan gelijkvloerse huurwoningen het kleinst is.


12,000 tot 30

10,000

30-65

0

Koop eengezins

2,000

Huur eengezins

4,000

Huu rmeergezins

6,000

Koop meergezins

8,000

65+

3,000 boven lib. grens tot lib. grens

landelijk wonen

0

dorps

500

groen stedelijk

1,000

buiten centrum

1,500

centrumstedelijk

2,000

5. Nieuwbouw 65+ naar woonmilieu en huursegment

800

duur

700 middel

600

0

landelijk wonen

100

dorps

200

groen stedelijk

300

goedkoop

buiten centrum

400

centrumstedelijk

500

De vraag is dan waar het grote genoemde tekort van 84.000 woningen vandaan komt. De herkomst van de cijfers zijn analyses van het tekort aan woningen met zorg. In deze analyses gaan onderzoekers ervan uit dat elke senior met een zorgvraag in een gelijkvloerse woning wil wonen. De realiteit blijkt anders. Velen kiezen er liever voor om een bed in de woonkamer van hun rijwoning te zetten dan om te verhuizen naar een gelijkvloerse woning in een vreemde buurt. De rijwoning blijkt meer levensloopbestendig te zijn dan gedacht. Wel is het waarschijnlijk dat er een tekort zal ontstaan aan zorg. Het probleem is het vinden van voldoende personeel en dat zal zich vooral in de steden manifesteren. Deze sector heeft meer behoefte aan een analyse van het verplegerstekort dan van het woningtekort. De woon- en zorgopgave lijkt daarbij uiteen te vallen. Er zijn woningen nodig in de dorpen en er zijn verplegers nodig in de steden.

4. Nieuwbouwprognose naar leeftijd en type

2,500

Er zijn stenen nodig in de dorpen en verplegers in de steden

6. Nieuwbouw 65+ naar woonmilieu en koopsegment

Conclusie

Steden zullen elkaar de komende vijftien jaar beconcurreren bij het aantrekken van hoogopgeleide tweeverdienende stellen en gezinnen. Maar dat is een ‘zero-sum game’. Niet elke stad kan deze wedloop winnen. De winnaars zullen de steden zijn die het beste deze doelgroep weten te bedienen. De steden met aantrekkelijke (meestal vooroorlogse) woonwijken dicht bij historische stadscentra scoren daarbij het beste. We weten dat deze groep daar graag woont. Maar niet alle hoogopgeleide tweeverdieners kunnen of willen daar wonen. De kansen voor gemeenten liggen in de realisatie van aantrekkelijke nieuwbouwwijken elders in de stad. Belangrijk is om te accepteren dat niet iedereen hoogstedelijk wil wonen en om tegemoet te komen aan andere woonwensen. Geef dus ruimte aan nieuwe uitleglocaties. Veel vinexwijken hebben bewezen aantrekkelijk te zijn voor hoogopgeleide gezinnen. Grondgebonden wonen dicht bij de stedelijke voorzieningen. Streep het recept hiervan niet weg uit het beleidsprogramma en neem daarbij de definitie van de stad niet al te letterlijk. Gebruik de stedelijke regio als maat om de opgave te realiseren, niet het bestaande stedelijk gebied binnen de gemeentegrens van de stad. Tegelijkertijd zullen de instroom van buitenlandse migranten en de vergrijzing veel aandacht gaan vragen. Bij deze twee segmenten zal de grootste groei zich blijven voordoen. Geen stad die roept de meest gekleurde of meest grijze gemeente van Nederland te willen zijn, en dat terwijl daar kansen liggen. Bij beide is een koopkrachtige groep (aan het) ontstaan. De opgave is om juist deze groepen aan de stad te binden. Winnaar is de stad die de woonwensen van koopkrachtig gekleurd en vergrijsd goed weet te bedienen. Mogelijk zijn deze groepen in 2030 de motor achter het gentrificatieproces in de steden. Vergrijsde hipsterwijken. Wie weet…

33


Duin — Almere

G0ing places — 3

Het kan in Almere 34


tekst Jeroen Mensink

Saskia Boekstal werkt sinds 2008 bij de gemeente Almere als projectmanager gebiedsontwikkeling voor onder meer het project Duin. Ze is drieënhalf jaar geleden betrokken geraakt bij Duin op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst met Amvest, feitelijk de start van de uitvoering. Ze draagt zorg voor de interne afstemming van alle afspraken tussen de gemeente en Amvest. Maar overlegt ook over de ideeën en wensen die gaandeweg het project ontstaan met de verschillende afdelingen van de gemeentelijke organisatie. Ze is opgeleid als economisch geograaf aan de UvA. Voor ze bij de gemeente Almere ging werken, was ze werkzaam bij verschillende andere gemeenten en adviesbureaus.

In Almere Poort wordt aan het IJmeer het woon-, werk- en recreatiegebied Duin ontwikkeld. De essentie van de plannen voor Duin in de komende jaren is vastgelegd en de gemeente Almere en ontwikkelaar Amvest blijven nauw met elkaar in overleg over de precieze uitwerking ervan. Zo kan worden ingespeeld op de veranderende vraag vanuit de markt in zowel de woningbouwopgave als in het commerciële programma. Anders dan voorheen gebruikelijk in Almere heeft de ontwikkelaar het voortouw in de gebiedsontwikkeling. Wel voert de gemeente de grondexploitatie en maakt de grond – stapsgewijs – bouwrijp. Alles op basis van een gemeenschappelijk geloof in de aanleg van een nieuw duinlandschap in de polder. Saskia Boekstal van de gemeente Almere en Maarten Janssen van Amvest vertellen hoe dat in zijn werk gaat.

Totstandkoming samenwerking

Duin is een van de twee grote gebiedsontwikkelingen in Almere die onder toenmalig wethouder Adri Duivesteijn middels prijsvragen als geheel zijn uitbesteed aan marktpartijen dan wel corporaties. Boekstal: ‘De gemeente had daarbij consciëntieuze partijen voor ogen die zelf bezit nemen van de locatie en er langdurig aan verbonden blijven. Die partijen hebben er namelijk zelf een groot belang bij dat het gebied slaagt.’ In de buurt Nobelhorst in Almere Hout is dat uitgezet onder corporaties – Ymere heeft er nu het voortouw – en bij Duin onder beleggers met een eigen ontwikkeltak.

Maarten Janssen is gebiedsontwikkelaar bij Amvest. In 2008 was hij projectleider vanuit Amvest voor de prijsvraag­ inzending. Samen met drie collega’s werkt hij aan Duin. Na de prijsvraagfase en de contractfase zat hij lang in de projectgroep met de gemeente. Hij is nauw betrokken bij de planvorming, communicatie en placemaking en de acquisitie voor het commerciële programma in het gebied, en hij is secretaris van het Quality Team voor Duin. Voor hij bij Amvest ging werken, werkte hij onder meer bij Riek Bakker en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hij heeft technische planologie gestudeerd aan de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de RUG.

Janssen: ‘De gemeente vroeg om een bijzonder plan met ongeveer 2.600 tot 3.000 woningen en een aanzienlijk commercieel programma. Twintig procent van alle woningen wordt beleggershuurwoning, waarvan wij een groot deel in onze eigen belegging gaan nemen. Tien procent zal bestaan uit sociale huur. Dit zie je terug in de eerste appartementen­ gebouwen die we nu bouwen: van de vier woontorens houden we twee in onze Amvest-fondsen. Eén gaat naar woning­ corporatie de Alliantie en eentje gaat in de vrije verkoop.’ Janssen: ‘Amvest had in een tijd van groeiend zelfbewustzijn besloten om deze prijsvraag, voor wat toen nog de Kustzone van Almere Poort heette, van begin tot eind helemaal zelf te doen.’ De prijsvraag liep eind 2008, net toen de financiële crisis losbarstte. ‘Wat we hebben ingediend in de prijsvraagfase, is geland in een contract dat we eind 2011 met elkaar hebben gesloten. Wij hebben daarin ons bod gestand gedaan ondanks de gewijzigde marktomstandigheden. We vinden de plek heel bijzonder en hadden een plan bedacht waar we inmiddels verliefd op waren geworden. Onze inschatting was bovendien dat, na een lange aanloopfase, de eerste woningen pas na de crisis op de markt zouden komen.’ Hoe ziet die samenwerking eruit? Janssen: ‘In essentie is het een PPS op basis van een gemeentelijke grondexploitatie. Het lijkt een heel traditioneel contract. De gemeente heeft de grond, verkoopt die bouwrijp aan de ontwikkelaar en de ontwikkelaar realiseert het vastgoed. Maar we werken daarin heel nauw samen en in het proces zitten veel rolverschuivingen. Zo ontwerpt niet de gemeente, maar Amvest tot en met het inrichtingsplan.’ 35


Nieuwe natuur, verschillende dichtheden

Janssen: ‘Het idee om duinen te maken is in de prijsvraag­ periode ontstaan, met BVR en ZUS als betrokken bureaus voor stedenbouw en landschap. De gemeente vroeg om een plan en een bieding op de uitgeefbare grond op basis van het te realiseren vastgoed. De overtuiging moest natuurlijk vooral uit dat plan spreken. Achteraf gezien lag het idee van een duinlandschap voor de hand. We hadden al het IJmeer, een groot strand en een jachthaven en we moesten een manier bedenken om vanuit het plangebied in de polder over de rand van de dijk heen te kunnen kijken en het strandgevoel zo ver mogelijk landinwaarts te trekken. Het idee om het lager gelegen, binnen­dijkse gebied op te hogen met duinen was dan ook snel geboren.’ Binnen het plan ontstaan heel verschillende woonmilieus. Janssen: ‘Het landschappelijke plan is leidend, daarbinnen zijn we op zoek gegaan naar diversiteit. Aan het water, in Kop Noord en Kop Zuid, gaan we de hoogte in en komen appartementengebouwen gecombineerd met horeca en andere voorzieningen op de begane grond. Daardoor is het mogelijk om in de rest van het gebied een lagere dichtheid te hanteren. Het is een gewaagd plan geworden, met grondgebonden woningen zonder tuin en hoogbouw aan de rand van een suburbane locatie. Maar het idee van grondgebonden woningen midden in een duin­landschap en van appartementen aan het strand is natuurlijk wel zinnenprikkelend.’

Gefaseerde ontwikkeling en prototypes

Janssen: ‘We hebben ook meteen een fasering met elkaar afgesproken. Elk jaar op 1 juli neemt Amvest twee deelgebieden af van de gemeente. Eentje in het laagbouwgebied en eentje in het hoogbouwgebied. Het risico of de markt dat ook in dat tempo kan oppakken, ligt bij Amvest. Het tempo van realisatie wordt uiteindelijk gestuurd door de verkoopsnelheid. In 2013 constateerden we dat je maar één keer een goede start kunt maken en dat de tijd nog niet rijp was. Daarom heeft Amvest besloten te wachten tot de eerste golf van het herstel. De tussentijd hebben we, gemeente en Amvest, nuttig gebruikt door al een stukje van het duinlandschap aan te leggen en vier prototypes van onze woningen te bouwen. We hebben deze vervolgens geheel ingericht en aspirant-kopers kunnen hier een weekendje komen logeren. Toen we in 2014 in de verkoop gingen, hadden we een maquette op ware grootte. Geïnteresseerden konden met eigen ogen komen kijken hoe hun woonomgeving eruit zal zien.’ Inmiddels is de realisatie aardig op stoom. ‘Eind van dit jaar werken we aan 190 appartementen en een kleine honderd laagbouwwoningen, waarvan dan circa 60 zijn opgeleverd. Komende zomer volgt ook de opening van het nieuwe trainingscentrum van ’s werelds grootste cruiseship operator Carnival Corporation.’

Beheer openbaar duinlandschap

Boekstal: ‘De nieuwe duinen horen bij het openbaar gebied en moeten dus beheerd worden vanuit het gemeentelijke budget. We willen dat organiseren vanuit een beheerentiteit voor Duin, 36

samen met Amvest en bewoners. Wat voor beheer daar precies voor nodig is, weten we nu nog niet. Want deze ‘zoetwater­duinen’ zijn een voor Nederland uniek stukje natuur. Mensen wonen midden in het duinlandschap en we willen dat ze dat ook echt zo gaan beleven. Als bewoners willen, laten we hen graag participeren in hun omgeving. Dat kan bijvoorbeeld op het vlak van (groen)beheer, qua zeggenschap of zelfs uitvoering.’ Boekstal: ‘In de laagbouwdelen is veel openbaar gebied en zijn weinig woningen. Toch is ons beheerbudget afhankelijk van het aantal woningen; we hanteren hier hetzelfde beheerbudget als in de rest van de stad. Maar bij de hoogbouw hebben we veel woningen en weinig openbaar gebied. Dat compenseert enigszins. Bovendien hebben we relatief weinig verharding in Duin. We weten nog niet hoeveel werk het onderhoud van het openbaar groen is, een duin hoeft misschien minder vaak gemaaid en gesnoeid te worden dan ander openbaar groen. Het kan zelfs zijn dat minder onderhoud het eigenlijk natuu­rlijker en daardoor mooier maakt. En dan is een heel andere businesscase voor de exploitatie denkbaar. Dat moeten we gaandeweg nog met elkaar uitvinden.’ Janssen: ‘Dat is ook een van de redenen om dat eerste stuk duin alvast als proeftuin aan te leggen.’

Nieuwe rolverdeling gemeente en ontwikkelaar

Boekstal: ‘Almere heeft, in de veertig jaar van zijn bestaan, een efficiënte traditie ontwikkeld in het realiseren van stadsuitbreiding. Waarbij we verkavelingsplannen maken, inrichtingsplannen maken, de grond bouwrijp maken, en dan ontwikkelaars uitnodigen om daarbinnen een project te realiseren. Wij waren gewend om dat volgens ons vaste planproces van grof naar fijn te doen. Ondanks dat we een jonge en dynamische stad zijn, zitten we toch al in een redelijk vast stramien. Dat doen we dus niet meer zo rigide. De marktpartij Amvest kreeg in Duin het vertrouwen en de ruimte en ging enthousiast aan de slag. Ook voor de ontwikkelaar is het overigens iets nieuws om én de opstal én de omgeving te ontwerpen. Je had voorheen verschillende rollen en belangen die uit elkaar lagen en redelijk helder gedefinieerd waren. De gemeente doet dit en de ontwikkelaar doet dat. Processen verliepen volgtijdelijk en die grijpen nu veel meer in elkaar. We maken nu bijvoorbeeld bouwrijp op basis van verkavelingsplannen, in plaats van op vastgestelde inrichtingsplannen.’ Janssen: ‘We hebben daar een heel idioom bij bedacht met VPIPH’s [verkavelingsplan en inrichtingsplan op hoofdlijnen], maximaal uitgeefbare kavels, stroomschema’s en maximale doorlooptijden. De gemeente Almere was natuurlijk een geoliede machine, die hoef je niks te vertellen over hoe je nieuwe gebiedsontwikkelingen uitrolt. En dat ging in een tempo van heb ik jou daar!’ Boekstal: ‘Niet alleen in Duin, ook in de rest van Almere Poort en in Nobelhorst werken we nu op een andere manier. Voor onze stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten en


Praktische lessen →→ Werk vanuit een concept waar alle partijen een helder beeld bij hebben en blijf met elkaar in gesprek over de uitwerking. →→ Steek je nek uit. De gemeente doet dat door zich achter dit bijzondere plan te scharen, duinen aan te leggen en flexibiliteit en ruimte te geven aan Amvest. Amvest doet dat door zich te committeren aan een grote ontwikkeling en daarin kleinschalig marktgericht te opereren. Bijvoorbeeld door de eerste woningen alvast te bouwen en als voorbeeldwoningen volledig in te richten. →→ Durf en visie zijn voorwaardelijk om aan een dergelijk plan te beginnen. Als je continu op spreadsheets gaat kijken, dan gaat dit nooit lukken.

ingenieurs en tekenaars, die nu in een andere rol zitten – meer toetsend en op hoofdlijnen coördinerend, in plaats van bedenkend en tekenend – is het een hele omschakeling geweest. De volgende afdeling die de cultuuromslag zal meemaken, is de vergunningenafdeling. Voor de gemeente is dat soms best lastig. De een kan daar makkelijker in meegaan dan de ander. Dat kost tijd.’

Bewaken concept

Een bijzonder plan vraagt om zorgvuldige bewaking van het concept. Janssen: ‘Van het prijsvraagidee tot en met de realisatie en het beheer moeten we vasthouden aan het planconcept, dat besef leeft bij iedereen. Als je bij al die stapjes – tussen het idee en de uitvoering staan misschien wel tweehonderd stapjes – niet de vinger aan de pols houdt, dan lopen we het gevaar met een slap aftreksel te blijven zitten. Dan hebben we met elkaar veel geïnvesteerd, veel risico genomen maar dan zou het net niet goed zijn. Dat verschil zit ’m uiteindelijk ook in de details – van de woningen, maar ook van de openbare ruimte.’ De organisatie van het planproces is ingericht op de bewaking van het oorspronkelijke idee. Janssen: ‘We hebben een Quality Team in het leven geroepen met externe deskundigen op het gebied van landschap, stedenbouw, architectuur en volkshuisvesting. Het Quality Team werkt voor de gemeente, Amvest en Marina Muiderzand, de derde partner in deze gebiedsontwikkeling, voor met name het buitendijkse deel. Het Quality Team houdt ons scherp, het vormt onze toetssteen.’ Boekstal: ‘Daarnaast hebben we een stuurgroep, waar die drie partijen ook in vertegenwoordigd zijn. Hun taak is om de relatie tussen het contract, het oorspronkelijke planconcept en de kwaliteit van de uitgevoerde deelprojecten te bewaken. De dagelijkse gang van zaken wordt besproken in de projectgroep, die elke twee weken bijeenkomt. Daar zitten twee mensen van Amvest en drie van de gemeente in. Naast deze reguliere bijeenkomsten vinden de nodige themagerichte overleggen

plaats tussen Amvest en de gemeente. Over uitgifte, civiele techniek en ontwerpaspecten. Daarbij schuiven de specialisten aan.’

Flexibele uitwerking

Boekstal: ‘Duin is een heel groot gebied, met een veelomvattend contract met slechts één partij. Dan zou je verwachten dat je in één keer een plan verzint en het vervolgens in één keer uitrolt. Maar eigenlijk gaat het net zoals we bij de particulier-opdrachtgeverschapkavels in Almere Poort nu ook te werk gaan, met veel maatwerk en ruimte voor flexibiliteit. Het woonrijp maken gebeurt dan ook in relatief kleine stukjes.’ Janssen: ‘In het volgende deelgebied, Noorderduin, zal dat veel minder het geval zijn. In de eerste fase van Duin hebben we ervoor gekozen om heel veel vrijheid aan kopers te laten. Daarom hebben we met elkaar maximaal uitgeefbare kavels gedefinieerd. Binnen die kavels kunnen vier brede woningen komen, maar het zouden ook vijf smallere kunnen zijn. Of een vrije kavel, met nog ruimte voor een tweekapper. In Noorderduin hebben we langere blokken, daar komt veel minder handwerk aan te pas in de uitwerking.’

‘Dit was ooit de Zuiderzee, toen het IJsselmeer, nu is het een polder en bouwen we duinen. Dit is Nederland op zijn best.’ ‘We hebben op de grotere schaal een ontwikkelingsplan vastgesteld waarin een aantal belangrijke kenmerken vastligt, maar daarbinnen is het nog tot in hoge mate flexibel. Waar nu het opleidingsinstituut van Carnival Corporation gebouwd wordt, stonden op het oude kaartje nog allemaal woongebouwen. We hebben Carnival een kavel verkocht waar we anders appartementen zouden bouwen. Zowel de gemeente als Amvest wilde graag plek aan ze bieden in het gebied en daarom hebben we een deel van de plankaart leeggeveegd om ruimte te maken. Zo groot is in feite de flexibiliteit. In de prijsvraagfase hebben we het plan wel heel gedetailleerd uitgezocht, maar we hebben altijd gezegd dat we wel zien wat we precies gaan maken als we eraan toe zijn. Per fase wordt gekeken wat de beste maatoplossing is voor wat op dat moment gewenst is.’

In transitie

Boekstal: ‘Ondanks de jonge geschiedenis van Almere, is Duin nu toch ook al een bestaand gebied met bestaande kwaliteiten. Hier staat namelijk al een bos, met vossen en reeën. We voegen daar een duinlandschap aan toe, deels ten koste van dat bos. Het gebied verandert en de mensen die het gebied al kennen, zullen ervaren dat het een nieuwe, toegevoegde kwaliteit heeft. Ook de mensen die aan dit project werken – of anders gezegd, in deze tijd werken – zullen meeveranderen. Dat is een ware cultuurverandering en vraagt de nodige uitleg en overtuigingskracht. Niet alleen het gebied is in transitie, ook de wijze van werken is in transitie.’ 37


Ganzenborden met…

5

Reizen en leren van andere landen is volgens Wahyu Pratomo de manier om een goede stedelijke ontwerper te zijn. Het leven in zeven ganzenbordvragen met Wahyu Pratomo (24), student Stedenbouw aan de TU Delft. Travelling and learning from other countries is the way to become a good urban designer, according to Wahyu Pratomo. Life in seven goose board questions with Wahyu Pratomo (24), student Urbanism at Delft University of Technology.

7 ArcadiË

Een grote metropool waar dingen gebeuren op een chaotische en complexe manier! Shanghai, Tokio en Hongkong zijn geweldige plekken om te werken. Je kijkt hier als het ware naar wat er in veel steden over dertig jaar zal gebeuren.

6

Arcadia

Nalatenschap De wereld hoeft niet veranderd te worden. We moeten hem opnieuw verbeelden en opnieuw bedenken wat we kunnen doen om onze energiebronnen duurzaam te gebruiken, omdat steden groeien maar de voorraad grondstoffen slinkt.

7

A big metropolitan city, where everything happens in a both chaotic and complex way! Shanghai, Tokyo, Hong Kong are amazing places to work in and really see the urban phenomenon in the next 30 years in front of you.

Legacy The world doesn’t need to be changed. We need to re-imagine it. To re-think of what we can do to our energy resources to sustain more because cities are increasing, while our energy resources are decreasing.

6

Vliegende start

1

Een baan waarbij ik veel kan reizen. Stedelijk ontwerp is een moeilijk vak, je moet een grote hoeveelheid voorbeelden hebben als vocabulaire. Reizen zorgt hiervoor.

Kick-Off

38

A job where I travel a lot. Urban design is a tricky profession, you need to have a large vocabulary of great examples. That is why I would like to travel while working.

1


tekst Devika Parbhoesingh

5

Leermoment Simpel voorbeeld, ik was aan het werk in China en we hadden een stedelijk plan gemaakt afgeleid van het concept van een ‘doorgaande verbinding’. De opdrachtgever was niet tevreden… De week erna kwamen we weer bij de opdrachtgever met exact dezelfde tekening, maar nu zeiden we dat het als ‘draak’ was bedoeld. De opdrachtgever was hier heel enthousiast over. De definitie van waarde en betekenis van de plek waar je werkt, was een belangrijk leermoment.

Learning experience

Wahyu Pratomo

Simple case, I was working in China, and we made this drawing of an urban plan that was derived from a 'continuous connection'. The client didn’t like it... But then we went back next week to the client with exactly the same drawing, and we changed the meaning into ‘a dragon’! The client was really enthusiastic about this. The definition of ‘value & meaning’ of where you are working was an important lesson.

4

4 In de gevangenis 100% top-down stedelijke ontwikkeling gaat nooit goed. Een bottom-upbenadering is altijd nodig.

In prison 100% top-down urban development never goes right. A bottom-up approach is always needed.

3

3 Ideale carrièreversneller Rem Koolhaas. Hij is een controversieel en succesvol ontwerper en hij levert altijd briljant werk!

2

2 Grootste vijand Als reizen onmogelijk wordt.

Biggest enemy When travelling becomes impossible.

Ideal accelerator Rem Koolhaas. He is a controversial as well as a breakthrough designer! He is always brilliant on what he is doing. 39


G0lofon Go, gebiedsontwikkeling in beweging is een uitgave van de Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling van de TU Delft en wordt mede mogelijk gemaakt door de publieke en private leden van de Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling en de hieraan gelieerde Kring van Adviseurs. Go, gebiedsontwikkeling in beweging komt twee keer per jaar uit. Najaar 2015 Samenstelling en redactie Agnes Franzen en Jeroen Mensink Aan dit nummer werkten mee Niels Joosten, Wilson Wong, Wouter Jan Verheul, Pieter van der Heijde, Wendy de Hoog, Robert Pennings, William Veerbeek, Kees Hagendijk, Duco Stadig, Roos Bruijnsteen, Fred Hobma, Wendy Braanker, Rico Zweers, Rink Drost, Devika Parbhoesingh en Mirela MiloŠeviĆ Met dank aan de geïnterviewden Wil van der Hoek, Sabrina Lindemann, Ruurd Gietema, Josja van der Veer, Henk Hartzema, Anne-Marie Klijn, Saskia Boekstal, Maarten Janssen en Wahyu Pratomo Tekstredactie Els Brinkman Fotografie Kees Hummel (omslag binnen en buitenzijde, pagina 2−3, 16−17, 24−25, 34−35) en Jean van Lingen (pagina 20−23) Ontwerp Enchilada Drukwerk Veenman+

Meer informatie Wilt u ook digitaal op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen op het gebied van gebiedsontwikkeling? Meld u dan aan voor de nieuwsbrief op www.gebiedsontwikkeling.nu Vriend worden van Go Vanaf 25 euro per jaar kunt u vriend worden van Go. Met Go willen we bijdragen aan verbinding van wetenschap en praktijk, het bieden van praktische handreikingen, het agenderen en signaleren van relevante trends en het aanjagen van het maatschappelijk debat. Go vrienden vinden het belangrijk dat gebiedsontwikkeling in beweging blijft. Als dank voor uw steun ontvangt u twee keer per jaar het magazine Go, gebieds­ ontwikkeling in beweging. Aanmelden als vriend kan via redactie@gebiedsontwikkeling.nu Copyright Go, gebiedsontwikkeling in beweging is een uitgave van de Praktijkleerstoel Gebiedsontwikkeling van de TU Delft. De inhoud is gedeeltelijk eerder gepubliceerd op het platform www.Gebiedsontwikkeling.nu. Voor overname van artikelen verwijzen we naar de voorwaarden zoals opgenomen op Gebiedsontwikkeling.nu, te vinden via http://www. gebiedsontwikkeling.nu/info-go/753-copyright-auteursrecht-engebruik. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten van de illustraties volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die menen nog zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich wenden tot de uitgever. ISSN 2405−7118

Meer leren over gebiedsontwikkeling? Kijk eens bij de Master City Developer opleiding: www.mastercitydeveloper.nl 40


Partners van Stichting Kennis Gebiedsontwikkeling de Alliantie AM Amvest BPD Deltacommissaris Gemeente Amsterdam Gemeente Barneveld Gemeente Delft Gemeente Den Haag Gemeente Groningen Gemeente Nijmegen Gemeente Rotterdam Heijmans Vastgoed Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Ministerie van Infrastructuur en Milieu NS Stations Provincie Gelderland Provincie Noord-Brabant Provincie Noord-Holland Rijksvastgoedbedrijf Synchroon TU Delft VORM Waterschap Amstel Gooi en Vecht Ymere

Kring van Adviseurs Akro Consult Berenschot Brink Groep Deloitte Movares Overwater Stibbe


Grensoverschrijdende samenwerking is ook voor perifeer gelegen steden harde noodzaak. ‘Burgemeesters moeten grenzen afbreken’, stelt de burgemeester van Doetinchem Niels Joosten (zie voorzijde). Ook letterlijke grenzen, want voor Doetinchem ligt Keulen dichterbij dan Rotterdam.


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.