Snibbetje

Page 1

SNIBBETJE

l
SNIBBETJE

De schrijfster (staande) met haar vriendin Foto: coll. G. Wakker, Urk

SNIBBETJE

Derde druk Urk - Stichting Urker Uitgaven

A. OLOFSEN-KORF

SNIBBETJE

Derde druk

Dit boek is de derde (en nu geillustreerde) druk van de succesvolle roman, die het boeiende leven beschrijft van een meisje op het eiland Urk, dat opgroeit tijdens de afsluiting van de Zuiderzee. Vader kan geen afstand doen van zijn schuit. Moeder steekt al haar energie in de kleine kruidenierswinkel. Snibbetje, het pientere meisje, zoekt en vindt haar weg tussen de dorpsbewoners. Haar bezoek aan de klanten maken we mee als in een film, en wij genieten van haar kwinkslagen. Bijzonder fijn zijn de figuren van de rustige vader en de wijze grootmoeder getekend. Het jonge levenslustige kind krijgt in Kampen kennis aan een jongeman. Als de omstandigheden hun tot een huwelijk nopen, weigert de jonge¬ man haar te trouwen. Snibbetje vraagt geen medelijden voor zich, maar bepleit het recht van het kind om de naam van de vader te dragen. Er wordt een limiet gesteld en prompt op de ‘vervaldag’ vertrekt zij met het kind, niettegenstaande van zijn kant inmiddels de liefde tot haar is ontwaakt. De jongeman zoekt en... vindt haar. Maar men leze zelf deze verrassende roman. De schrijfster werd op het eiland geboren in 1900, en woonde later in Amsterdam, waar zij in 1963 overleed. ‘Snibbetje’ maakte haar in brede kring bekend.

© Copyright 1983: Stichting Urker Uitgaven Urk

Langs de grauwe hemel jagen de Novembervlagen. Met dof geweld rennen korte, sterke golven zich te pletter op de bruine palissade, die het kleine eiland in de Zuiderzee beschermt. Reeds drie dagen lang ligt Urk in de greep van de storm. Een visser, mand op de schouder, de wijde broek flapperend om de stevige benen, werkt zich bedaard tegen de storm in. Midden in de drassige, zat-groene weide blijft hij staan. Met onnavolgbare beweging, alleen de vissers eigen, drukt hij zijn karpoes dieper op het hoofd. Dan speurt hij de witgekuifde brekers at en kijkt met een oog onderzoekend langs de grijze lucht, waar de logge wolken willoos worden langsgedreven. En hij mompelt: ,,Wat goon je wier te keer. Wat bin je wier raozend. Docht je, dat je oens Urk zou kunnen verzwelgen? Nee, kameraod! Een rots in ziee binnen we. Ja, de lege weide, daor hew je nog wel wat over te vertellen. Maar boven in het durp zitten we velig. Je kuunen wat rammelen aan de reuten en wat gieren door de ginkies, maar ie maken oens niks!” Hij lacht eens en kijkt strijdlustig naar water en lucht. ,,Komt," zegt hij vergenoegd, ,,we zullen nog maar durs wat plaggen pakken voor de wienterdag. Urk is een gezegend laand, de koenen gieven oens melk en braand. Wat et ’n mins angers nodig as een voile mage en een warme kachel?” Hij raapt de harde plakken gedroogde koemest van de grond, vult er een mand mee en zet die ten slotte met een brede zwaai op de schouders. Dan gaat hij bedaard, met de langzame, wiegende pas van een man, die de levendig-deinende hotter onder de voeten gewend is, naar het dorp terug, waar hij verdwijnt in de doolhof van sloppen en steegjes. lets opgeruimds gaat van hem uit. Een enkel woord van Gerrit verwekt een vrolijke lach bij een paar babbelende vrouwen; kinderen groeten hem blij; mannen beantwoorden zijn groet en hun gezichten verliezen even de stuurse trek. In een schemerdonkere huiskamer zit Marretje, zijn vrouw. In de oude, rieten leunstoel is zij vermoeid neergevallen. Naast haar staat de wieg, waarin het jongste kind onbekommerd sluimert.

Marretje wil zo graag genieten van dit ongestoorde uurtje. Maar de rust wil niet over haar komen. Er is geen vrede om de vrouw. De diepe Irons in haar hoog, blank voorhoofd getuigt ervan.

HOOFDSTUK I
5

Stil is het in de kamer. Zo juist is de kleine derde-man van Gerrit, die haar heel de dag geholpen heeft met schrobben en wassen, na een schuchtere groet verdwenen. Hij speelt nu met de andere kinderen buiten. Waarom kan Marretje de lafenis van dit vredige uur niet ondergaan? Marretje bepeinst haar leven, dat zorgelijk is en een strijd tegen armoede en ontbering. Zij heeft geen natuur om zich neer te kunnen leggen bij een bestaan, dat om de grens van het gebrek zweeft. Nu de schaduwen zich diep en donker nestelen in de kleine kamer, wervelen haar gedachten weer naar het geluk in het verleden. En nog pijnt de smart als zij komt aan het moment, waarop al haar illusies ineenstortten. Door de plotselinge dood van de enige man, die zij bemind heeft met al de kracht van haar opbruisende liefde en sterke persoonlijkheid, was zij neergestort in de afgrond van duistere eenzaamheid. Drie dagen voor haar huwelijk was dat. Mar¬ retje huivert, nu zij diep wroet in de oude wonde. Gestreden had zij tegen het steeds maar doorgaan van de tijd, die haar niets liet dan de herinnering. Onwillig eerst, later met meer gelatenheid, had zij troost gezocht in harde arbeid. Van het werk was genezing uitgegaan. Haar geest werd weer toegankelijk voor indrukken. De zachtjes bestraffende woorden van de oude dominee hadden op haar ziel ingewerkt en Marretje was zich gaan afvragen, of zij zelf niet tot troost kon zijn voor wie het ongeluk met haar deelden.

Medelijden was het geweest, dat haar gedreven had naar Gerrit, die weduwnaar was, en rondtobde met zijn dochtertje van vier. Zij was met de arme visser getrouwd. Ondanks de verwondering van haar ouders en het licht verwijt van haar vader, die vond, dat Marretje toch waarlijk wel iets beters had kunnen krijgen. Zij was immers niet zo’n jong veulen meer als bij haar eerste verkering, toen het om een man ging, van wie ze wel houden moest. Maar nu...? Nukkig had ze een poos gezwegen en toen eindelijk geantwoord, dat ze precies wist wat ze wilde. Het werken thuis begon haar te vervelen en ze wilde nu wel eens een eigen huishouden hebben, waar ze kon doen, wat ze wou. Wie is er dan baas in huis, jij of hij? had vader spottend gevraagd. Heftig had zij hem toen verweten, dat het allemaal zijn eigen schuld was. Vader zat maar op het raadhuis of in de kerkeraadskamer, terwijl zij thuis voor alles stond. En als vader eindelijk eens thuis kwam, nam hij nog alles en iedereen mee.

6

Marretje had genoeg van al die hoogheden. „Ik wil liever koffie zetten voor mijn eigen man,” had zij gezegd. En toen vader haar op de voordelen van het soliede ouderlijk huis wees en met duidelijke hoon de narigheden van haar toekomstig armoebestaantje opsomde, toen had Marretje wrokkig gezwegen. Onbewogen aanvaardde zij haar nieuwe taak. In het begin had deze haar wel voldoening geschonken. Marretje had zich verkneuterd in de bemoeizucht der aangetrouwde familie, die argwanend spiedde, of het kleine meisje wel de zorg kreeg, die haar toekwam. Strijd had Marretje nooit geschuwd. Toch won zij de genegenheid van Lummetje, het kind. Marretje denkt in het donker. De zorgen zijn groter geworden. Vier zusjes heeft Lummetje gekregen. Zij binden Marretje de handen. Geen tijd heeft zij meer om het telkens weerkerend tekort door noeste arbeid aan te vullen. Zij ergert zich aan de zeilmakers en hellingbazen, die vooraan in de kerkeraadsbanken zitten en telkens Marretje’s milde Zondagsstemming bederven, omdat zij haar doen denken aan de onbetaalde rekeningen. Tegenover Gerrit kan zij zich niet te buiten gaan aan felle critiek op kerkelijke misstanden. Zijn goedmoedig opgewekt humeur vertroebelt zij door haar opgeschroefd fel gekijf op Gerrits geringe verdiensten en zijn geduldig dragen van alle tegenslag.

Rusteloos zoekt haar geest in dit schemeruur een uitweg. Als een waakdroom trekt haar verleden voorbij. Er moet verandering komen. Zo wil zij het niet langer. Werktuigelijk schommelen Marretje’s werkhanden de wieg. Een plan rijpt in haar brein, neemt bij elke duw tegen de oude wieg vaster vorm aan.

Jaren geleden had vader de zaak verkocht. Maar onder de nieuwe eigenaars verliep de winkel. Zij wilden die nu wel weer overdoen. Hoe kon Marretje het geld vinden om vaders oude winkel te kopen en dan weer op te werken tot een bloeiende affaire? Stevig omklemt haar hand het groene wiegekleed. Het moet! Dit huisje zal zij verkopen en de oude schuit van Gerrit. Ja zo moet het gebeuren! Een trotse glimlach komt om haar mooie mond. Mocht het nog niet voldoende opbrengen, dan zal vader haar het ontbrekende nietweigeren. Ha die winkel! Het zal een middel worden om op eigen kracht aan de armoede te ontkomen. Lumme kan helpen. Die is straks al groot genoeg om in de winkel te staan. Marretje’s

7

eigen meisjes schieten ook al op en die kleine van negen maanden is over een poosje de moeilijkste tijd wel voorbij. Marretje strekt behagelijk haar struise lijf. ’t Zal best gaan. Zo oud is zij immers nog niet? Nog geen veertig. Dan kun je nog best iets van je leven maken. Als Gerrit nu maar wil. Die houdt niet van veranderingen, dat weet ze wel. Marretje fronst de wenkbrauwen als zij Gerrits bekende stap verneemt. Snel staat zij uit de leunstoel op en duwt met driftig gebaar de kamerdeur open. Nors vraagt Marretje, wat Gerrit weer voor moois meebrengt. ,,Och, niks gien bezongers. Ik hew en mindjen met plaggen ezocht.”

En vriendelijk vraagt hij: ,,Hei je de laamp nog niet op estieken? Zo op je alliendes in 't schiemeravetjen, is niet goed vor je.” Bits antwoordt Marretje: ,,Wat wiet jie dorvan? En wat moet ik met die rommel doen? Dat is armelui's braand!” „Mis wier,” zucht Gerrit en een droevig waas overschaduwt de blauwe ogen, die straks, temidden van wind en golven, nog zo opgewekt en sterk glansden. ,,Hew je niks angers vor men as en mindjen met plaggen?” zegt Marretje stug. ,,Dat kuun je ok wel houwen. Dat je je niet schaamt! Plaggenrapen is goed voor de arinen, die van de kark leven. Dat’s trouwens de toekomst van elke visserman: Oud en of en dan de bedeling.” Gerrit laat de bui over zich heengaan en zegt niets terug. Hij kijkt toe, hoe Marretje driftig een lucifer aanstrijkt en de lamp aansteekt. Met bruuske bewegingen sluit zij de vensters af met witte kleedjes. Alles trilt van strijdlust. ,,Die Marretje... Eigenaardig is dat toch,” denkt Gerrit, terwijl hij een net pakt om het te herstellen. En als zijn ruige kop diep over het werk buigt, gaat het traag door hem heen: Waarom kan Marretje niet tevreden zijn? Zijn eigen ouders hebben altijd rust in hun ziel gevoeld. Hun huisje hebben ze aan de kerk gegeven. Wat steekt daar in? In rail kregen zij een onbezorgde oude dag. De kerk voer er wel bij en de oudjes ook. Want zij zouden toch wel geen honderd jaar worden? Na hun dood kon de kerk weer anderen met dat huisje helpen. Dat was allemaal redelijk en billijk. En op die ,.bedeling” ging Marretje schimpend te keer... Gerrit glimlacht en kijkt Marretje aan. ,,Waar zouwen de kiengeren bleven?” vraagt hij vriendelijk.

8

Maar Marretje kijkt nors. ,,Wiet ik dat nou? Kwam Lummetje nou maar! Ik moet voort om te bakeren.” ,,Je holen je tevuul wark op je aals. Dat is niet goed vor en mins.”

Gerrit bedoelt er niets kwaads mee, maar Marretje stuift giftig op: ,,Ik moet toch wel! De armoe dwingt me! Ik dank er vor om in dit krot te verkommeren. ’t Kan joe zieker niet skielen, as je kiengeren laoter hurlui bienen onger een anger z n tafel steken moeten. As je maar jongens adden, dan zou je er wel voor ezurgt ewwen om je ouwe rotte skeut kweet te raken en een behoorlijke hotter te niemen. Maar nu het maotjes binnen, lot je Gods water over Gods akker lopen. Bij vreemden kunnen ze dienen hi? Voor angeren warken... Dank je! Ik wil zelf van mijn kiengeren genieten. Vor een anger bring ik ze niet groot!”

..Dienstbaarheid is gien skaande, Marretje,” is Gerrits rustige bescheid.

,,Ach, hou toch stille, jie!” Het klinkt kort, als een bevel. En dan, iets aarzelender: ,,Het got zo niet langer. Ik ouw et niet eut. Verangerege moet er koemen. Ik wil de ouwe zaak van vader kopen. We doenen dit heus en joen ouwe skeut van de aand. De winkel moetwier opleven. Ik wil...”

Verder komt Marretje niet. Plotseling is er leven gevaren in de gebukte gestalte van haar man. Rechtop staat hij. Dreigend.

„Wat zeg je daor...? Meen skeut verkopen? Wat haol je in je hoofd! Bin ik soms niet in staot om vor joe en de kiengeren het brood te verdienen? Ei je ooit onger elien...? „Nee, nooit!” smaalt Marretje. „Op de pof kopen kan ok! Maar dat wil ik juust niet langer!” De toon is schamper. Maar Gerrit kijkt haar zo indrukwekkend aan. Hij staat daar zo onverzettelijk. Marretje is vrouw genoeg om het over een andere boeg te gooien. Kalm overredend spreekt zij: ,,Ik ben nog jonk. Gerust, ik zien best kaans om een behoorlijk stok brood in die zaak te verdienen. Lot mij m’n gank goon, Garrit!”

„Het zal niet gebeuren!”

Gerrit blijft dus op z'n stuk staan. Marretje begint weer de aanval.

9

Twee mensen staan tegenover elkaar, beiden hoog en sterk. Hun twistende stemmen vullen het nette visserskamertje met harde klanken. De struise vrouw met de gloeiende, donkere ogen en het zwarte, krullende haar, dat in grappige golving langs de kantstrook der hulle danst. De visser, stevig op de vloer geplant, een krachtige, gedrongen figuur, die in zijn oude Geuzendracht mannelijk en bars aandoet. Gerrit geeft niet toe. Onder het felle kijven door bespiedt listig de vrouw zijn trekken. Zal hij het been stijf houden? Dan komt er van al haar plannen niets. Alleen en tegen de wil van haar man kan zij het toch niet aanpakken. Gerrit is in haar voornemens geschakeld. Zou hij zich blijven verzetten? Hij heeft toch altijd haar zin gedaan? Met weinig moeite dwong zij hem tot volgzaamheid. Zou Gerrit nu niet toestemmen, terwijl het toch om hun toekomstig leven gaat? In plots veranderde toon smeekt Marretje haast: ,,Toe dan toch, Garrit je zienen toch, dat ik dit leven niet langer volhouw? Ik wil wat angers dan al dat geploeter in het heushouwen. Het voldoet me niet. Vuureut wil ik...!” Bestraffend zegt Gerrit: ,,Het is je hoogmoed, Marretje, die je parten spuult! Mij kreeg je niet miee! Maak van je kiengeren apen, die voor de klaanten vliegen, net als jie as keend mossen doen. Maar wou je van mij zo’n piejas maken? Ik dink er niet over. Nooit, nooit, nooit...!”

,,En de winsten, die het zal inbrengen...?” houdt Marretje nog dringend aan. ,,Stille,” gebiedt Gerrit scherp. ,,Ik zeg je iens en vor alteed: Nooit zal je mun bewegen om mun skeut verwel te zeggen!” Zijn stem daalt tot zacht gefluister: „Daor zul je me niet toe verleien, Marretje. Doe menentwege met et hussien wat je willen. Maar van de UK 353 bleef je of...!”

Gerrit merkt niet, hoe Marretje verlicht ademt. Zo, dat heeft ze ten minste al bereikt. Zij voelt de felle strijdlust uit zich wegdeinen, als de kinderen vol luid gekwetter binnenkomen. Het huisje zal nog aardig wat opbrengen. Voor het ogenblik is Marretje tevreden. Het andere zal wel komen. Wacht maar...

Het straks zo verbeten gezicht heeft iets opgeruimds gekregen, als Marretje naar het getater der kinderen luistert. Janneke ratelt rad van tong over een gebroken klomp, die ze voor twee centen heeft laten maken bij Besjes Jan, de smid. En 10

Brechtje, zijn vrouw, had om het hoekje van de smidse gekeken. Haar hoofd was helemaal rood van het vuur. En Janneke had gedacht, dat Brechtje de duvel zelf was, die het poortje van de helle opendeed om te zien, of het vuur wel goed brandde. Toen was Janneke angstig weggehold! Het meisje kijkt in het gouden licht van de petroleumlamp en zij vergeet haar schrik. Lumme komt de kamer in, stil en bescheiden, als altijd. Nu kan Marretje weggaan om haar bakerplichten te vervullen. Mimme's stoel is nu voor Lumme. Het meisje zucht behagelijk. Voorzichtig tipt zij het groene wiegekleed op. Wat donnikt die kleine! Nooit ziet Lumme haar eens wakker. Als zij thuis is slaapt het kind. Niets werkt slechter op Lumme's humeur, dan wanneer het huishouden niet voltallig is. Na een dag hard werken wil zij echt thuis zijn. In dit stille uur verkneutert zij zich in de gezelligheid van de kamer. Zwijgend luistert zij naar het gekibbel van de meisjes, het stille zuchten van Vader en de korte bevelen van Mimme. Vaders familie begrijpt er niets van. Die probeert haar in te palmen, zo stilletjes weg. Zij hebben medelijden met Lumme, omdat zij door een stiefmoeder wordt grootgebracht. Maar Lumme gaat niet op hun gedoe in. Liever dan die aanhaligheden zijn haar de koele genegenheid en de eerlijke behandeling, die zij van Mimme ondervindt. Alleen vindt zij het wel fijn, als haar eigen Bessien haar wat voortrekt en haar een zakje eigen gebakken stroopsteken toestopt. Die wil Lumme graag hebben, want dan heeft ze ’s avonds met de meisjes wat te verdelen. Ook nu gluren Mietje’s ogen belangstellend naar Lumme’s diezik. Lumme geeft haar een knipoogje en de kinderen snoepen gezellig van het lekkers, dat Bessien meegaf. Dat die familie nu maar geen gevoel heeft voor Lumme’s weelde, als de zusjes zo aan haar hangen. En dan die kleine nog, daar in de wieg. Lumme’s rode werkhand beroert weer het groene kleed van de wieg. „Laot dat, Lumme!” zegt Gerrit. „Je zult het keend gank genoeg vor joe allien hewwen. Ja •— kiek maar niet zo gek. Mimme et ut plan om een winkel te kopen en dan zul jie wel vor het kleentjen moeten opdreien. Je geloven mun toch zieker wel? Zet maar gank koffie, dan goon ik oenze zakenvrouw haolen!”

Er klinkt grimmige spot in Gerrits stem. Maar in Lumme’s hart is geen plaats voor grimmigheid.

11

„Gaon nou niet vort, Taote!" vraagt zij. is ommers net weg? Toe, vertel me nog wat van de winkel!” Neen, als Gerrit gedacht heeft, dat Marretje’s plannen bij Lumme op verzet stuiten, dan tast hij geheel mis. Lumme’s wangen krijgen meer kleur en in haar stem is niets meer van de gewone onverschilligheid. Opgewekt vertelt zij Janneke en Mietje, hoe fijn het werken in zo’n winkel zal zijn. Het vooruitzicht, dat zij nu niet meer de deur uithoeft, stemt haar zo blij, dat zij met luchtig gebaar Mietje's geteem over de zware koffiemolen wegwuift. Als Gerrit voor de tweede maal om koffie vraagt, dan biedt Dirkje, die zich buiten het levendige gesprek heeft gehouden, eigener beweging aan om voor koffie te zorgen. ,,Neeje, we doenen ut met z’n beien!” zegt Lumme op¬ gewekt.

Zij kent immers Dirkje’s angst voor het donkere achterhuis en voor die holle, diepe regenbak? Toch kan zij niet nalaten om onnodig luid de aker in de put te latcn plonsen. ,,Toe, laot ut nou toch!” smeekt het bange Dirkje. Luchtig plaagt Lumme: ,,Och wat <— jie met je bangigheid! Daor moet je je overheenzetten. Mimme is toch ok nooit bange? Zelfs niet voor het onweer of as de wind zo raor duur de schoorsteen flut. Hoor maar zo!”

En Lumme’s langgerekte huilroep galmt door het gewelf van de regenbak.

„Je moet niet bange wezen vor geluiden, keend. Gerust, daor moet je an winnen!”

Als even later Gerrit weg is om Marretje te halen en de meisjes naar bed zijn, dan zet Lumme zich weer tevreden in Mimme’s stoel en zij luistert naar de zachte knorgeluidjes in de wieg. Heerlijk zal het zijn om straks thuis te mogen blijven en in de winkel te helpen. De kleine meid zal zij de eerste stapjes leren en grappige brabbelversjes voorzeggen. Moederlijk rust haar kleine werkhand op de wieg. Die stugge Lumme glimlacht.

Met driftige passen stapt Marretje langs de dorpsweg naar het Oosteinde. Boven haar hoofd buigen de iepen hun zware kruinen, waar de storm in loeit. Marretje let er niet op. Haar nimmer rustend brein spint aan dit ene grote plan: de winkel! Moeilijk zal het zijn zonder Gerrits hulp. Maar energiek klemmen zich de lippen opeen. Marretje wil! Ook zonder

12

Gerrit zal het gaan. Desnoods vraagt zij hulp aan anderen. Maar gebeuren zal het!

Haar groet is vriendelijk en voorkomend, als zij het huis van de bakker binnenkomt. De om haar heen krioelende kinderen zijn dadelijk bedaard. Zoveel gezag gaat er van de kloeke vrouw uit. Opgeruimd schertst zij met de man en terwijl haar rappe handen in de kamer redderen, spreekt zij opbeurend tegen de afgetobde vrouw in de donkere bedstee. Metvaardige spoed tilt zij het bundeltje uit de wieg en in verwonderlijk korte tijd ligt het kindje weer verschoond onder de dekens.

Waar is Gerrit nou toch? Mannen zijn er altijd, als je ze niet nodig hebt. Tastend gaat zij door het duister langs het hofje.

Dan hoort zij Gerrits stem uit het donker: ,,Verzichtig an!”

Opgelucht antwoordt Marretje: „0, bin je toch ekeumen? Kom hier hene, ik kan gien aand vor m’n ogen zien.”

Haar greep is stevig en vast, als haar hand de breed opgezette band van Gerrits broek vind, de gewone houvast voor een Urkse vrouw.

„Kom,” zegt zij alleen.

En dan gaan door het aarddonker van de storm-avond twee mensen, die tot nu toe veel voor elkaar hebben betekend, doch tussen wie nu verwijdering dreigt, omdat de vrouw hunkerend omkijkt naar het paradijs van haar jeugd en voorwaarts streeft om het verlorene te herwinnen. Onvermoeibaar is zij, overtuigd van haar kracht. Ten koste van alles wil zij bereiken, wat zij in haar geluk waant. En zij sluit haar oor voor de stroeve toon in Gerrits stem, wanneer hij haar vraagt meteen naar huis terug te gaan. ,,Neeje,” klinkt het kort. „Eerst wil 'k nog naor m’n Taote. Je wieten, ik hew gien rust.” ,,Goed,” zegt Gerrit eenvoudig. Het is dus menens met Marretje. t Was geen voorbijgaande opwelling. Gierend joelt de storm rond de kerk. Marretje’s opgeheven schort beschermt haar gezicht tegen de striemende regen. ,,Wat is het toch barre hi?” zegt zij om maar iets te zeggen. Zij kan het zwijgen van haar anders zo opgewekte man niet verdragen. ,,’t Is wienter, Marretje,” zegt Gerrit kalm. „Wat kuunen we angers verwachten in deze teeud van t jaor. Lit zicht er niet

13

naor eut, dat ik disse keer nog Karstgeld theus zal bringen. Maar wie wiet ei je ut van 't jaor niet iens nodig hi?”

Gerrit is een man des vredes. Waarom zou hij onrust brengen tussen zijn vrouw en hem? Toch ontgaat Marretje de lichte spot in zijn laatste opmerking niet, al negeert zij die geheel. Zij heeft zich nog nooit zorg gemaakt over een boze bui van haar man. Opgewekt zegt zij terug: ,,Misschien kreeg jie nou wel Karstgeld van mij, ouwe! Hoor durs Garrit, je binnen toch zieker niet van plan, om mun in de steek te laoten, as ik dat nije begin?”

Zij hoort Gerrits trouwhartige stem in het donker: „As jie ut mij maar niet doen, Marretje. Het zal je zo tugen vallen. Zo’n winkel vargt wat van je. Ik wiet wel, dat je altoos mie-ewarkt hewwen en ik krieg je er te liever omme. Maar dit, Marretje nee dit stot mun tugen.” ..Mannenpraat! weert Marretje af. ,,Jului dinken maar, dat wij niks kuunen. Waeromme zou ik dat spulletje niet kunnen opwarken? Wacht maar, oenze maotjes worren al flink. Je kuunen er best je ouwe skeut an wagen...”

Het besliste: ,,Ik denk er niet over!” doet haar terugdeinzen. ,,Dan zit er niks angers op dan dat ik m’n Taote vraag,” zegt zij luchtig. „Misschien is ’t ok wel beter. Mocht de zaak urs feliet goon, dan hewwen we de skeut ommers noq over, of niet?”

,,Begin je nou al over feliet gaon? Je binnen nog niet iens begonnen! zegt hij, als hij de deur van ouwe Bessiens huis openduwt.

Als zij door het propere keukentje gaan, waar alles blinkt van helderheid, snuift Gerrit de weldadige geur van goed bereid eten op. ,,Dat zal de frikkedil wezen,” beantwoordt Marretje zijn onuitgesproken vraag. ,,Dat treffen we.” Bessiens lief, gerimpeld gezicht buigt zich over de pan, waarin een grote bal gehakt aan het braden is. ,,Jullie hewwen zieker en hoendeneuze,” zegt de oude vrouw goedsmoeds. ,,'t Is haost gaor, kiengeren. Ut moet nog effen koud worren. Wat bring jului nog zo laot hier?" ,,'t Is om Taote te doen,” antwoordt Marretje. Haastig neemt zij plaats naast een lange, forse man. Zijn uiterlijk verraadt de zakenman. Onverschillig, koud bijna, staren de ogen langs Marretje heen en als zijn dochter hem haar plan uiteenzet, toont de minachtende trek om de gesloten mond niet de minste belangstelling. Eerst als zij begint te M

rekenen en het over de rente krijgt, komt er leven in die trekken. A1 spoedig zijn beiden in hun beschouwingen verdiept. Gerrit prijst middelerwijl Bessiens kookkunst en troggelt haar vrolijk een brokje af. Marretje gunt er zich de tijd niet voor. De leunstoel kraakt onder het gewicht van de oude man, als hij zich voorover buigt en luistert naar Marretje s overtuigend betoog. Zelfs verheldert een glimlachje zijn gezicht, wanneer zijn dochter hem uitlegt, waarom de winkel wel achteruit moest boeren. De winkelier is een dromer en zijn vrouw een zwak wijfje. Die laten de klanten maar wachten. Hun voorraad is helemaal uitgeput, nee, dat kon nooit goed gaan! Die drommelse meid heeft gelijk! Wat zij zegt, is nog zo gek niet. Een beetje trots kijkt hij naar de vrouw, die een waardige dochter van hem is. Handelsgeest heeft zij en zij weet haar zaak goed te verdedigen.

De oude man stemt toe. Die twee hebben nu voor niets anders oog dan voor de affaire. Zij zien niet de rimpel in Bessiens blanke voorhoofd. Zij zien niet, hoe zij Gerrit vol begrijp en mededogen aankijkt, als zij hem de koffie geeft. Als Marretje opstaat, is de zaak beklonken. Maar Bessien schudt bedachtzaam het grijze hoofd.

„Slaap er eerst nog erressies ’n nacht over, keend, zegt zij waarschuwend. ,,Bij zakendoen is er alteed iene partij, die te kort schiet. Ik kin jului zo goed, as ut ciefer jului iemaol te pakken et.”

Met twijfelend schouderophalen wenst Marretje haar ouders goede nacht.

Gerrits zangerig „genacht hoor,” klinkt weemoedig door het donkere portaal.

Op de korte weg naar huis loopt Marretje met veerkrachtige stap voor haar man uit.

„Nu kan zij mijn steun missen,” peinst Gerrit, als hij de leunende hand op zijn heup mist.

Zijn gang is weifelend, als wachtte hij telkens op iets, dat niet komt. Het hinderlijke gevoel, dat hij zoeven iets verloren heeft, tracht hij van zich af te zetten.

Thuis vindt hij Lumme slapend bij de wieg. Gerrit glimlacht en er is geen spoor van wrok in zijn stem, als hij Marretje op het tafreeltje wijst.

Lumme ontwaakt.

,,Jie binnen me ut oppassertjen wel! plaagt haar vader. ,,Ik was bang, dat de klene wakker worren zou," verdedigt Lumme zich onhandig.

15

Marretje lacht: ,,Oe, daor hoef je niet bange vor te wezen. Dat is er ientjen eut de verkeerde warrelt. Die slapt overdag en ’s nachts krit ze mij wakker. Zie je wel daor ei je d’r alwier!”

Twee driftig spartelende voetjes, tastende handjes en een nijdige schreeuw.

Een paar heldere ogen kijken verwonderd naar Lumme’s slaperige gezicht en plotseling gaat het schreeuwen over in een tevreden geknor. En als de kleine tegen Lumme lacht, bloost het meisje van genoegen. Dat is haar beloning. Als de oogjes van de kleine nachttrinkinker na de voeding zich lodderig luiken, staat Gerrit op om te sluiten. Met pijnlijke zekerheid weet hij, dat al die kleine gewoonten, die bij het oude huisje horen, spoedig voorbij zullen zijn. Je went zo aan een huis; vijftien jaar hebben zij hier gewoond. Hun kinderen zijn hier geboren.

Vele dingen trekken in een flits aan zijn geest voorbij... Zou Marretje daar nu helemaal niet aan hechten? Veilig en rustig hebben zij het hier gehad. Zijn somber gepeins uit zich in die ene vraag: -Got ut je nou niet an je arte, as we eut oens hussien moeten?”

Marretje schudt het hoofd. ,,Mij niet. An hout en stien hecht ik mun niet. Wij hewwen hier gien bleevende stad; ’n mins mag niet vasthouwen an aardse schatten.” ,,Oe michtig."

Nu moet Gerrit toch weer glimlachen. Hoe tegenstrijdig kan zijn vrouw zijn! Als een windhoos is Marretje, piekert Gerrit, terwijl hij zich ontdoet van zijn zware kledij. Op het onverwachtst verschijnt zij, zuigt op, wat binnen haar bereik valt, om dat dan weer met geweld neer te smijten. Vijftien jaar heeft zij gesjouwd en geploeterd om hun huisje betaald te krijgen. En nu... Wijsgerig schudt hij het hoofd. Hij moet Marretje maar aanvaarden, zoals God haar gemaakt heeft. „Als ze mij maar niet wegsmijt,” gaat het toch door hem heen.

Knorgeluidjes uit de wieg doen hem opschrikken uit zijn gepeins. Gerrit staat bij de wieg. Een sombere trek komt weer op zijn gelaat. Waarom gaf Marretje dit kind die wonderlijke naam? Een naam, die voor haar veel betekent. De herinnering aan een oud, vervlogen geluk heeft zij in de naam van haar jongste vastgelegd.

16

Gerrit voelt zich ineens buitengesloten. Dat is de wereld, waarin Marretje hem niet duldt.

Steviger dekt hij de twee spartelende beentjes onder de deken.

,,Je binnen me er ientjen,” mompelt hij. ,,Ik geloof, dat jie krek zo worren as je Mimme. Een Snibbetje ...!”

17

Op de stoep van Marretje’s winkel zit Snibbetje met haar trouwe vriend, een rode kater. Ze zit daar met de korte, stevige beentjes opgetrokken, de kin steunend op haar knieen. Een klein hoopje mens, dat met grote ogen verdrietig voor zich uitstaart. Marretje is druk bezig. Fors en struis komt zij aan de deur en zij let niet op het verdrietige kindergezichtje. Marretje heeft geen tijd. ,,Alla,” zegt ze, ,,gaon van die drumpel of, das vuus te koud. Toe, goan an ’t spuulen, Albertje.” Snibbetje luistert niet. Dat doet ze nooit, als Mimme haar bij de vreemde naam noemt. Maar als Lumme enkel maar zegt: ,,Snibbetje,” dan draait zij dadelijk haar hoofdje om en kijkt ze bedroefd naar haar oudere zuster. En dan wijst een klein wijsvingertje: ,,Daor .. . daor . . .!” Lumme komt gauw bij haar en Lumme begrijpt dadelijk, wat de oorzaak is van Snibbetje’s verdriet. Naast het huis zijn werklui bezig. Zij slopen een schutting en beroven Snibbetje van haar liefste speelplekje. Daar bij die schutting had ze urenlang zoek gebracht in de oude verbruikte vlet van buurman Albert, en deze heerlijkheid zal nu voorbij gaan. De kater knipoogt tegen de felle zonnestralen. Voelt hij iets van Snibbetje’s grote verdriet? Of wacht hij tevergeefs op de stevige greep in zijn nekvel waarmee Snibbetje hem iedere morgen in de vlet hijst? Wat hebben de kater en Snibbetje een fantastische reizen gemaakt met die droogliggende wrakke schuit! Grootse tochten waren het. Het meisje en de kater roken naar vis en teer. Alleen de honger dwong hen, de steven huiswaarts te wenden. Het is zo makkelijk om met een vlet op het droge afvaart en aankomst te regelen naar de kriebeling in je maag. Je bent je eigen baas. En nu . .. Snibbetje begrijpt er niets van, dat er burgemeesters zijn, die kinderen en katers in hun schoonste spel kunnen storen, alleen omdat er ruimte gemaakt moet worden voor een nieuwe weg. Wei tracht Lumme het haar uit te leggen, dat die mooie weg van het dorp naar de haven een grote verbetering zal worden, maar Snibbetje billijkt haar argumenten niet. De oude vlet van Albert was haar liever. Marretje komt terug van het kippenhok. Met minachtende blikken kijkt zij naar het lijzige gedoe van de werklui.

II
HOOFDSTUK
18

..Alsmaar klouwen an de broek en drentelen om schop of hamer!” gromt zij verachtend. Nee, dat is niets voor Marretje. Een mens moet voortgang in zijn lijf hebben, opschieten, doorzetten! Kort zegt ze tegen haar jongste kind: „Hou op met toeten, Snibbetje: as er niks argers is Het helpt niet, Snibbetje blijft ontroostbaar. Het duurt een hele tijd eer haar nieuwsgierigheid het wint van haar boze bui. Pas als het schaftuur slaat trekt zij op onderzoek uit. Dit bevredigt haar niet. En weer klopt zij aan bij Lumme, die immers overal raad op weet. Wat moet Snibbetje nu beginnen, nu de oude vlet zo maar is weggesleept?

Lumme denkt na. Zij strijkt met de grove werkhand over haar voorhoofd. Grijpt dan Snibbetje’s hand en zegt: ,,Kom an dan.”

Even later zit Snibbetje als een prinses in de ijskist, die Lumme op een kruiwagen naar het huis rijdt. „Daor dan. Is dat nou gien mooi hussien?”

Een kist met twee hokjes is het. ..Van Taote!” juicht het kind.

En Lumme, die de kist vlak voor het winkelraam zet, knikt haar lachend toe: ..Justement!”

En ze moppert voor zich heen: ,,Zo, nou kan ik metien kieken nor dur lui.”

Maar het ouwelijke trekje verdwijnt en vrolijk lacht Lumme als zij ziet, hoe koddig Snibbetje op en in de ijskist probeert te klauteren. Lumme is blij, dat zij haar kleine zusje weer getroost heeft.

En elke dag wordt die troost groter. Want al gauw trekt Snibbetje mee in de bonte rij die elke middag naar de haven gaat om de aankomst van de boot af te wachten. En als op een winterdag het nieuwe hoogje met sneeuw en ijs bedekt is, dan heeft Snibbetje eindelijk vrede met de nieuwe weg. Het is of zij wraak neemt op het geleden leed. Haar wangen gloeien en haar ogen schitteren als zij op haar sleetje van de gladde baan afsliert.

„Doen verzichtig an,” waarschuwt Lumme, die in de winkeldeur staat. ,,De haven is diep, Snibbetje.”

„Nog ien keer prebieren ...! Nog ien keer . ..!”

In suizende vaart schiet Snibbetje van de hoogte af de haven in! De dunne ijslaag breekt en het kind ligt in het vies-koude water. Rappe handen halen haar op het droge; een armzalig, kletsnat kindje met bibberend mondje: ..Help me nou

19

,,Je binnen er ommers al lang al eut!” lacht een visser en geeft haai een paar klappen tegen het verstijvende jurkje. Snibbetje’s vriendjes sjorren haar tegen het gladde hoogje op naar huis. Met driftige rukken ontdoet Lumme haar van de natte kledij. Knorrend klinkt haar stem: ,,Je likken ok wel gek, om zo vaar te glijen.” Wanhopig snikt het kind: ,,Och, het is ook zo'n mooi hogien; het ging zo koesterend en ik kon toch niet helpen, dat ik in de haven vul? Ik wou het alliendes maar prebieren!”

Haar stem slaat over van boosheid. Krampachtig houden de kleine handen het ronde buikje vast en Snibbetje heeft al gauw haar zelfverzekerdheid herwonnen. ,,Hou maar op met dat gevreef, Lumme, zo is het genoeg!” Het kordate kind lacht alweer als zij het warme, grauwkatoenen hemdje over zich heen voelt glijden. Behagelijk schurkend grijpt zij het wollen broekje, dat Lumme op de kachel te warmen had gelegd. Een geluk was het, dat het juist tegen de avond gebeurde. Want Snibbetje wordtnatuurlijk dadelijk in de kribbe gelegd. Als Lumme haar veilig en wel onder de dekens ziet, slaat zij een moederlijke zucht van verlichting. Zie zo, dat is alweer geredderd. Maar Lumme is even te vroeg. Want plotseling klinkt uit de kribbe de kreet: „0, Lumme, m’n slietjen legt nog in de haven. Haol ut ’r effen eut!”

„Dat kan niet, Snibbetje!” ,,Ja maar, het moet, Lumme!” ,,Ik hew je ommers genoeg ewoorschuuwd.” Nu snikt Snibbetje weer. En een klein schuldbewust stemmetje vleit: „Ja, maar kuun je niet effen bidden om een nijt slietjen, want ik .” ,,Durf niet," valt Lumme haastig in. Voor ze de bedsteedeur sluit, raadt ze haar toch aan: ,,Doen ut toch maar. Wie wiet, Snibbetje.”

Dan pakt Lumme het natte goed bijeen en gaat de kamer uit. De dagtaak was weer lang en zwaar. Maar een glimlach wijkt niet van haar fijnbesneden mond. Die lach wordt zelfs inniger, als zij later op de avond naar de stal gaat, waar de koeien luisterend de koppen opheffen, nu zij weten dat Lumme met het avondmaal komt.

Vreemde geluiden klinken door de stal. De koeien begrijpen het niet. Zij snuffelen met hun logge koppen in het hooi en het lijkt wel of een goedige spot uit hun ogen glanst, als zij 20

het werken van Lumme aanschouwen. Onbedreven meisjeshanden drijven spijkers in een ruwe kist en terwijl de koebeesten vredig kauwen, prevelt Lumme zachtjes voor zich heen. Dat doet ze altijd, als zij in een goed humeur is. Nog een laatste stevige tik, een nijdig gefrummel met het touw en Lumme kijkt trots naar haar eigen maaksel. De nieuwe slee van Snibbetje wordt in het hooihok geborgen. „Murgen,” lacht Lumme plezierig. , Maar de morgen brengt een teleurstelling. Lumme s slee vindt geen genade in de critische ogen van het kind. En als Snibbetje de slee geprobeerd heeft, schreeuwt ze onbarmhartig: „Dat is gien goei, hij wil glad en dal niet! 4 Geen blik werpt ze meer op het gewrocht van Lumme s naarstig zwoegen. Snibbetje zoekt troost op zolder, waar vader bezig is met de beug voor het komende voorjaar. Met zijn knechts werkt hij zwijgend door. Maar de gezichten der drie vissers klaren op, als zij Snibbetje door het zoldergat zien verschijnen. Snibbetje is een vreugde voor de mannen. Zij brengt iets blijs en zonnigs op de stoffige werkzolder. De loodjes ratelen lustig over de vloer en de kurken tippelen er achter aan. Snibbetje vindt het heerlijk bij de mannen. Zij bestraft haar vader met een „da's zunde,” als hij haar en de kater in de oude wieg zet. Maar vader kijkt haar aan en er klinkt een vrolijke lach door de ruimte, een lach, die de laatste tijd zo zelden in het huis gehoord wordt.

Zo slijt Snibbetje haar dagen in het oude huis, waar zo weimg vreugde beleefd wordt en grote mensen slechts aandacht hebben voor het werk. Marretje regeert hier. Met strak gelaat, de lippen steeds gesloten, zet zij iedereen tot voortgang aan. Beuzelarij duldt de vrouw niet. Marretje leeft voor de klanten van haar winkel. De opborrelende levenslust van haar kinderen wordt gedood met het wachtwoord, dat de klanten voor alles gaan. De kinderen proberen zich aan Marretje’s dwang te onttrekken.

Alleen Lumme doet stil haar dagelijkse plicht. Snibbetje telt nog niet mee. Die kan nog geen winst afwerpen en geniet daarom een nog ongebreidelde vrijheid. Zozeer maakt zij daar misbruik van, dat het Bessien er een stokje voor moet steken. Snibbetje komt al te veel bij haar over de vloer. „Een keend hoort op skoel,” zegt ze op een morgen, als Snibbetje vertrouwelijk tegen haar blauwkatoenen schort leunt.

„Das nou al de derde keer van dochtent dat je om een kruntjen

21

brood koemen. Zeg maar tegen Lumme, dat je nor ut skoeltjen moet.”

Brabbelend brengt Snibbetje de boodschap over. Lumme begrijpt het wel, Snibbetje wordt te lastig. Vleiend rust een klein handje op Lumme’s schouder, als ze voor Snibbetje de mooiste klompjes uitzoeken. Het kind ,,prebiert” elk paar, tot Lumme resoluut zegt: ,,disse gele, Snibbetje, en varder gien gemauw.” Dan gaan ze samen de deur uit, hand in hand. En Lumme vraagt zich af, waarom ze zo voetstoots gevolg gaf aan het korte kinderbevel: „Lumme, breng me d’r hene!” Het is Lumme zelfs niet ingevallen om Snibbetje’s verzoek niet te gehoorzamen. Zo gaan ze dan. Snibbetje pronkt met de blauwe kaper, die Mimme voor haar gekocht heeft. Een hele schilling heeft ze er voor betaald. Zorgvuldig schikt Lumme de kaper recht. Snibbetje moet knap voor de dag komen. In het schoollokaaltje, waar de zon schuine lichtstrepen doorschiet en felle plekken tekent op de met zand bedekte vloer, buigt Lumme zich beschermend over haar zusje heen. Ze staat daar zo popperig in haar rood-bonte jurk. ,,Goon nou maar,” fluistert ze Snibbetje zachtjes toe. „Of durf je niet?” „Ik zal het prebieren,” zegt Snibbetje kordaat en met dat stapt ze naar de vrouw voor de klas, die door iedereen tante wordt genoemd. Dat ,,prebieren” begint met een ruk aan tante’s zwarte rok. ..Michtig, ben jie d’r ok?” snauwt tante haastig en eer Snibbetje het beseft heeft de vrouw haar met een snelle greep in een roodgeverfde bank geplant. Daar zit ze. Verbaasd ziet Snibbetje het drukke gedoe in de klas aan. Ze luistert naar tante’s stem, die in alle toonaarden roept: ,,Zitten jului, zitten!” ,,He, he, wat zien ik daor wier?”

A1 spoedig heeft Snibbetje door, dat tante met onfeilbare zekerheid een schuldige weet te vinden. Zij ziet, dat die schuldige verwonderlijk snel bovenop de bank wordt gelegd en dat tante hem het hoofd naar beneden buigt en de „koente” bewerkt, net als Mimme doet met het beslag voor een dikke koek. Dat is hier dus de gewoonte. Alleen als tante moe is, wordt er met het kolenhok gedreigd. Onder die bedreiging door leert Snibbetje haar psalmen. Ze dreunt gewillig mee in het koor, maar als een kleine bombazijnen broek, waaruit de stofwolken opwarrelen, wat al te langdurig bewerkt wordt, dan roept ze plotseling, tussen het 22

zingen door: ,,Hou op nou, tante! Kiek maar, hij krit al!” Want dan is het, naar Snibbetje’s rechtsgevoel, genoeg geweest. Toch is er ook veel plezierigs te beleven in het schooltje. Als tante bijvoorbeeld bezig is met het kleurenbord en haar mond bij het woord ,,rood” zo rond wordt als Bessiens oude kanarievogel. En bij ,,geel” zo breed als de gleuf van het spaarvarken, dat vader eens voor haar meebracht uit IJmuiden. Zes weken lukt het tante om Snibbetje’s aandacht te boeien. Dan verflauwt de belangstelling, ook voor de schone psalmen. Tante kan dat niet dulden. Diep in haar hart sluimert een vrome eerbied voor de gewijde liederen en zij eist zelfs van het jongste kind de grootste aandacht. En als Snibbetje op een goede dag haar geliefde rode kater mee naar school neemt en naast zich in de bank zet om wat afleiding te hebben, ligt zij er zonder pardon uit. Tante frommelt de snede brood, die zo lekker op de pot van de kachel stond te warmen, in Snibbetje’s schort en gelast zonder omwegen: ,,Alla, vort met je ongedierte.” Angstig klauwt de kater zijn poot in Snibbetje’s kapertje. Drie mooie ronde balletjes, waarop zij zo trots was, rollen op de grond. „Kiek nou urs, wat zal Mimme daor nou kwaod omme wezen!”

Hijgend van drift, buigt Snibbetje haar ranke meisjeslijf en zij grist de balletjes bijeen. Met overslaande stem gilt zij: „Ik koem toch nooit maar wier!” maar haar protest gaat verloren temidden van het rumoer der kinderen en tante’s luide roep: „Zitten jului, en zeg op: Houdt dan Uw tong in toom.” Met een ,,Alla, Snibbetje,” duwt zij het kind met haar kater naar de deur en als de onruststookster verdwenen is, zucht de vrouw: „Gelukkig, dat is alwier ientjen minder.”

Tevreden zet zij haar onderwijs voort. De lichtbruine ogen schitteren met heldere glans. Zij weet voor zichzelf, dat zij rechtvaardig in haar doen is en daardoor bewondering af~ dwingt bij groot en klein.

Als Snibbetje woedend thuiskomt, snauwt Marretje haar toe: „Nukkekop! Wie het bij tante niet eut houwen kan, zal het nargens veenen.”

Dat is teveel voor Snibbetje. Zoveel emoties op een dag kan ze niet verwerken. De kater houdt zij stevig in haar armen geklemd en de kater wordt een zondebok. „Das joen skuld allemaol,” verwijt zij hem. ..Waoromme kwam je mun ok afternao?”

Grote tranen vallen geruisloos op de dikke vacht. De kater

23

knipoogt in dierlijke onschuld, maar de klacht verdraagt hij niet.

Hij rukt zich uit Snibbetje’s armen en met de dikke staart omhoog rent hij de vrijheid in, naar de ijskist. Snibbetje volgt hem beteuterd.

Het is nog Maart, eigenlijk te koud om buiten te spelen. Maar de ijskist biedt bescherming tegen de gure wind en als Snibbetje in haar hokje zit, bedaart haar drift. ,,Koem hier," zegt ze tegen haar rode vriend. ,,We gaon Taote en Mimme doen.”

Maar de kater had zich al lui uitgestrekt op de kistrand en voelt niets voor het spelletje. Met een wilde haal klauwt hij haar dwars over het gezicht. Boos schreeuwt Snibbetje: ,,Laot dat nou” en zij pakt het dier op en met een nijdig ,,daor dan” duwt zij hem in het hokje naast het hare, waar zij het deurtje van sluit. Nou zit hij gevangen, de trouweloze. Met jolig stemmetje treitert Snibbetje door een spleet van het hout: ,,Zelf maar wieten, zelf maar wieten!”

Maar de stem wordt zachter en de voorjaarszon verwarmt de kist en vredig steekt Snibbetje de duim in haar mond, luisterend naar het klagend gemiauw van de gevangene. Middelerwijl kibbelen Marretje en Lumme over Snibbetje's wangedrag.

,,Ik zeg, dat het een nukkekop is,” zegt de moeder. ,,Alles prebieren en niks is goed.”

Maar Lumme verdedigt haar zusje: ..Skoelmetressen hewwen wat een kouwe drokte, wat hindert het nou of zo'n katte . ..” ,,Lumme!”

Marretje’s stem is diep van boosheid. Tegenspraak duldt zij niet.

,,Wat wiet jie van kiengeren af, wacht tot je er zelf iene vor ’t licht bringen.”

Lumme zwijgt. Als Marretje deze obstinate toon laat horen, weet Lumme dat er met haar stiefmoeder niets te doen is. Zij kent Marretje’s ijzeren wil. En toch lukt het haar vaak zelf weet zij niet hoe om haar zin tegen Marretje’s heerszucht door te drijven. Met een wondere glimlach om de lippen wacht Lumme tot de bui over is. Het is een glimlach, die Marretje razend maakt. Misschien voelt zij onbewust, dat daarachter Lumme’s meerderheid schuilt. Lumme weet te wachten. Er komt wel een moment om Marretje tot rede te brengen.

24

De stemming van de ouder wordende vrouw is er in de loop der jaren niet op verbeterd. Marretje heeft zorgen. Op haar rust heel de winkel. Nu zijn het niet langer alleen de hellingbaas en zeilmaker, die haar Zondagsstemmingkunnenbederven. Elke boot kan handelsreizigers van de wal aanvoeren. Handelsreizigers zijn de plaag van Marretje’s bestaan. De postbode, die met leutige spot een grote wissel kan aanbieden, bezorgt haar een schrik. Ook de varkens wekken haar wrevel op. Plichtvergeten beesten zijn het, die van twee zakken voer maar enkele ponden groeien. Dat klopt niet met Marretje s berekening. Maar wat helpt het, als zij telkens weer met critisch oog de omvang meet? Dat zijn allemaal dingen, die Marretje niet slechts haar Zondagsrust, maar ook haar nachtrust beroven.

Lumme begrijpt niet altijd de opstandige buien van haar stiefmoeder. Wei houdt zij er rekening mee. Zij zijn blijkbaar aan hun tegenwoordig bestaan verbonden. Dit bestaan schenkt Lumme wel bevrediging. Zij telt haar harde arbeid in het oude huis niet. Het moet! Marretje’s dwingende wil om de zaak weer te doen opleven, drijft ook Lumme voort. Wel gaat het langzaam, maar er komt toch weer leven in het bedrijf. En Lumme’s gezicht staat even vergenoegd als dat van haar stiefmoeder, wanneer er winst geboekt wordt. Het is de winkel, die Marretje en Lumme verbindt, hoe ook hun karakters mogen verschillen.

Lumme kan soms weemoedig peinzen over het pijnlijke raadsel, waarom vader niet meer als vroeger zijn vrolijke, plaagzieke buien heeft. Gerrit kan het met de winkel niet vinden. Nooit kan Lumme met hem, als visser, praten over de koeien en varkens en nog minder over de klanten. Met Snibbetje gaat dat ook niet. Gerrit en Snibbetje haten de winkel, die in Lumme’s leven onontbeerlijk is geworden. Zij beschouwt het als haar taak om de zaak en de huisgenoten bijeen te brengen. Waar is Snibbetje nu weer? Nergens is de kleine meid te bekennen en het middageten staat al dampend op tafel. Lumme doorzoekt het hele huis en vindt haar eindelijk slapend in de oude ijskist.

Mopperend bemoedert zij haar: ,,Dat komt er nou al van, dat tante je naor heus ejoegen et. Nou kreug je nog schelden ok. Michtig, Snibbetje, hew je de katte ok op esluuten? Koman, we moeten eeten. Aanstoens got de skeeut van de hellege of en dan mag je er in.”

Dat is genoeg om Snibbetje wakker te maken. Wijd open

25

staan de ogen. Zij ziet hoe de kater zich met een verre sprong uit de gevangenis verlost en als een geest in het topje van de iepenboom voor het huis verdwijnt. Daar zit hij nu, verontwaardigd, te mauwen.

Nu is het uit met de vriendschap. Snibbetje zoekt het verderop.

De natuur heeft haar veel meegegeven om het hart der mensen te veroveren. Een fijn gezichtje met donkere, ondeugende ogen en een zelfbewuste trek om de kersrode mond. Snibbetje leeft egoi'stisch haar kinderleventje. Zij vraagt zich niet af, of buurvrouw Geesje aan haar eigen negental niet meer dan genoeg heeft. Heel gewoon schikt ze zich mee aan tafel en zij vecht met Geesje’s kinderen om de zwoerdjes van het spek. Toch heeft ze ook ogenblikken van guile hartelijkheid. Als Geesje zegt: ,,Haol jie ers effen hotter bij je Mimme, Snibbetje,” dan weet het pientere meisje wel, dat dit betekent: „Haar eigen kinderen durven niet meer, er is al zo veel gepoft de laatste tijd.” Maar terwijl ze uit de lange rij haar eigen gele klompjes opscharrelt, zegt ze toch voor alle zekerheid: „Jan koemt zieker 'n Zaeterdag theus?” en dat klinkt dan zo parmantig, dat Geesje wel lachen moet: ,,Ja, dat wiet je toch wel?”

„Hoe ja.” Snibbetje’s ogen flikkeren vol van ondeugende pret, als het haar gelukt is om zonder enige last de buit te veroveren. Heel onschuldig zegt ze: ,,Ik zag gien mins.” Dan knikt buurvrouw tevreden en ze zijn allebei verheugd. Zo deelt ze lief en leed in Geesje's huisje, totdat Lumme haar op een van haar strooptochten betrapt. Het gaat niet goed met het kind. Lumme piekert er moeizaam over, als zij de winkel een grote beurt geeft. Niemand houdt echt toezicht op Snibbetje. Wie leert haar het onderscheid tussen goed en kwaad? Te vertrouwen is ze niet meer. Hardhandig poetst Lumme het koperen bekken van de koffiemolen, tot die haar zorgelijk gezicht weerkaatst. ,,Ik moet wat mee op haar letten, want Marretje ...” Hier stokt haar gedachtengang een wijle. Er hapert iets. Tussen Marretje en Gerrit gaat het niet goed. Lumme merkt telkens weer de stugge afweer van Marretje, wanneer zij vaders oude broeken en baadje moet verstellen. Wat is er toch tussen die twee? ’t Is soms zo stil in huis en als Snibbetje, die nu al zes jaar is, straks naar school gaat, dan verdwijnt ook dit leven uit de kamer. Een huis zonder kleine kinderen is niets, peinst Lumme: eigenlijk moest er maar weer een kleine . . .

26

Plotseling bloost Lumme en legt zich met een gebiedend ,,st het zwijgen op. ,,Dat bin joe zaken niet, beknort ze zich zelf en driftiger wrijft zij de koperen gewichten. Toch gaat het even »later door haar heen: Of er nou nooit meer kleine voetjes door het huis zullen trippelen, ach nee, natuurlijk niet. Zoveel weet zij wel van het leven af, een oude schuit, een huis met vee en klanten, twee mensen die in een verschillende wereld leven en geen van beiden van toegeven weten. „Zo koppig as die twiee toch binnen,” zucht het meisje. Haastig rolt Lumme het poetsgerei ineen. Vooruit maar weer. Als die twee dan niet willen zoals Lumme het graag zou zien, dan is Snibbetje er toch nog, die zij het goede kan bijbrengen. Te noden hoeft zij het kind niet. Altijd is het bij haar. Heel de lange zomertijd ziet men hen samen gaan. Snibbetje volgt Lumme op de voet als zij met het juk over de schouders uit melken gaat. Makkelijker wordt de omgang intussen niet. Snibbetje heeft er niet langer genoeg aan om het schuim in de melkemmer te bewonderen. Zij valt haar oudere zus met veel problemen lastig. ,,Wat zitten we hier hoge bij 't karkhof en de vuurtoren. Hoe komt dat nou, Lumme? Zie je wel, dat de zunne daor iedere avet in de ziee zakt? Is er after die locht nou een hemel? Dat zal wel de grootste glijboon wezen. Duvel je daor nou nooit eut, Lumme? Hij is skef ok, zie je wel? Daor ginder zit ie aan de ziee vast.”

Dat is Snibbetje’s begrip van de horizon. Lumme vermaant haar ernstig om haar heidense gedachten. Maar Snibbetje kijkt haar verwonderd aan en de wat stugge woorden beroeren geen enkele snaar in de fantastische kinderziel. Van de ene ontdekking in de andere valt ze. Ze vraagt, of vaders schuit nou nooit eens tegen die rots vaart en weer wijst Lumme haar terecht over de ,,zundigheid” van haar fantasieen. Zo kijven ze genoegelijk verder. Maar het wordt Lumme toch te bar, als Snibbetje het enige Urkse huis met een paar vruchtbomen eromheen als het paradijs blijkt te beschouwen. De ouwe Jannes die er woont is Adam, maar Snibbetje vindt Adam vies, want Adam pruimt.

..Snibbetje,” zegt Lumme gebiedend, „dat mag je niet zeggen. Jie wieten nog niks van de warreld of. De warreld is vuul groter as jie dinken. Daor after die wolken woenen ok nog minsen. Daor laar je wel van als je op skoel koemen.” ,,Oe hi,” lacht Snibbetje. „En ik docht dat Urk de hiele warreld was."

27

Met een klein wanhoopsgebaartje zet Lumme de ondermuts, die door de koe verschoven is, weer recht. Harder dan anders is de vriendelijke klap tegen de schonkige dij van het beest. Die harde klap houdt heel wat in. Hij is eigenlijk de bezegeling van Lumme's vaste besluit: Snibbetje moet weer gauw naar school. De opvoeding gaat haar krachten te boven. Aan zo’n heidenkind moet gewerkt worden en als Marretje daar geen tijd voor heeft en Lumme voelt, dat zij het niet aan kan, dan moet de meester het maar opknappen. Die is er ten slotte voor. De koe volgt de twee meisjes op de hielen. ,,Jaag hem weg,” roept Snibbetje nijdig en een beetje angstig, maar Lumme is zo in haar plan verdiept, dat ze er niet op let. Pas als Snibbetje haar toeroept: „Lumme, jaag de koe weg, want ik durf niet varder!” dan lacht Lumme blij, omdat ze voelt, dat Snibbetje haar nog nodig heeft. De zondige ijdelheden veranderen dit niet. Lumme’s ogen lichten. 's Avonds buigt het moeder-meisje zich over het opschrijfboek. Van de lei leest Marretje haar voor, wat er die dag werd verkocht. Dit is niet een van de gemakkelijkste uren van de dag. Beide vrouwen vechten tegen de slaap. En vanavond kan Lumme helemaal haar gedachten niet bepalen tot de gepofte ponden rijst en suiker. Er broeit iets in de atmosfeer. „Lumme, hei je je verstaand wel bij de warken? Ik geloof dat je donnikt,” snauwt Marretje plotseling. ,,0 nee,” verdedigt Lumme zich verschrikt, „maar Snib¬ betje . . .” ,,Nou, wat is er wier met die munnik?” ,,Ze dwaalt af en et goddelooze gedachten!” ,,Zo arg zal t wel niet wezen. Skreeuf maar op: drie vurrel spek voor Gaart van de ouwe baos.” ,,Alwier,” mompelt Lumme bedenkelijk. ,,Vanzelf, een heushouwen met grote jongens; ik begreeup nog niet hoe dat mins zich er zo goed duurslagt.” ,,Snibbetje moet naar skoel,” zegt Lumme beslist en zij likt aan haar potlood en schrijft rustig in het boek. ,,Je mossen prefester worren, jie. Ze kan nog best een jaor lopen. Hew je ’t al, Lumme?” „Ja.” ,.Zes oens droge worst voor Marij van Geert Louw.” „Dat keend wordt bedurven, wat ik je zeg.” ,,Zal de skoel dat beteren?” „Ja,” zegt Lumme. „En knap in de klieren moet ze ok.”

28

,,Jie hewwen nog al wat op je start, Lumme.”

Als Lumme's aandringen Marretje te erg wordt, sluit ze het gesprek af met een bars: ,,Stil Lumme, ik stuur mijn eigen roer, dat wiet je.”

Maar zelfs dit schrikt Lumme niet af. Ze houdt aan en een week later zit Jaoukien van Gerrit Aalt, de naaister, voor het raam om Snibbetje om te toveren in een ordentelijk mensje, gestoken in de nationale dracht. Snibbetje’s mensenkennis gaat onder ouwe Jaoukiens leiding spoorslags vooruit. Telkens tuurt zij aandachtiger tot diep achter de fonkelende brilleglazen. Ze begrijpt niet, dat Jaoukien haar voor draaitol en ,,Pupeltje” uitscheldt en haar toch zo strelend kan aankijken. Alleen dat „pupeltje” wekt Snibbetje’s kwaadheid op. „Dat bin ik niet, Jaoukien.” ,,Jawel, dat bin je wel. Je Taote gaf je lang geen schoppen genoeg. Kiek zo!”

En voor Snibbetje erop bedacht is, dwingt de punt van Jaoukien’s muil haar de kamer uit. ,,Dat is goddeloos,” hijgt een schrille meisjesstem. Maar de oude vrouw lacht alweer en zegt goedig: „Kom maar hier, je diezik is klaor.”

En dan strikken twee paar handen tegelijk de banden vast. „Mooi he?” ,,Nou!" bewondert Snibbetje de nieuwe zijzak. „Gaon nou beuten de kamer staon, en as je er dan wier inkoemen dan hei je geld in je diezik.” ,,Gerust waor?" ,,Gewis!” ,,Hoe lange moet ik dan wegbleeven?” ,,Een uur, want ik wil effen dutoren.”

Snibbetje drentelt de winkel op en neer en is zo rusteloos, dat Lumme geergerd zegt: „Gaon beuten spuulen,” waarop Snibbetje resoluut „nee" schudt. Lang voor het uur verstreken is, vleit het kindje: ,,Mag ik er nou in, Jaoukien?” ,,Heb je dan geld in je diezik?”

Snibbetje grabbelt verlegen in de zak en bekent: ,,Nee, Jaoukien.” ,,Koem er dan nog maar niet in, want ik wil rust hewwen vandage.”

Nu eerst voelt Snibbetje hoe de oude naaister haar beet heeft gehad. De meiden gichelen: „Nu zal de vriendschap wel eut zijn.”

29

Maar zij vergissen zich, want Snibbetje gaat op het oude mens toe en zegt met een lief stemmetje: ,,’t Was toch maar een lollechien, he Jaoukien?” en ze streelt de rimpelige oude handen.

De Zondag daarop zit Snibbetje met het nieuwe kleedje naast vader in de kerk. Met een gevoel van innige voldaanheid grabbelt zij in haar diezik naar de drie dikke Garibalders, waartussen haar kerkgeld ligt. Ze knikt dankbaar naar de oude Jaoukien, die vlak bij haar op een stoel zit. Het is een hele rijkdom, om een diezik te bezitten. Nu hoeft ze vader niet tegen de elleboog te stoten, als straks de man met het collectezakje komt. De weelde van het groot-zijn maakt haar onrustig.

Streng kijkt haar vader op haar neer en deemoedig probeert Snibbetje om dezelfde devote houding aan te nemen als Gerrit.

Maar er is zo veel, dat haar aandacht afleidt. Ze kijkt naar het prachtige scheepje dat in de kerk hangt. Ze kijkt naar het middendeel van het bedehuis, waar de vrouwen zitten. Allemaal getooid met de witte hullen, die zo fleurig en zindelijk staan met hun zwarte kruincirkeltjes. 't Is allemaal zo plechtig in de kerk. Alleen de preek verveelt het meisje. Traag gaan de galmende klanken van domine’s stem langs haar heen en Snibbetje tuurt maar naar het kale hoofd in een van de banken. Dat hoofd is haar klok. Wei hangt er boven aan de galerij ook een klok, maar die is van domine. Snibbetje weet, dat de man met het kale hoofd zijn karpoes opzet, wanneer de preek hem te lang duurt en dat domine dan gauw „Amen” zegt. Waarom dat zo is, begrijpt ze niet. Het lijkt wel of er geheime krachten aan het werk zijn. Snibbetje zucht van verlichting als ze eindelijk de karpoes ziet verschijnen. Nu duurt het niet lang meer, of vader zal opstaan en dan hoeft ze alleen nog maar te wachten tot het orgel niet meer speelt. Eerst dan mag ze ook gaan staan, net als de vrouwen. Wat jammer, dat ze nog geen hulletje draagt, want dan zou haar hoofd deelhebben aan de mooie witte golf die door de kerk deint als de vrouwen alien tegelijk oprijzen. Als vader thuis aan het bakkien zit, zegt hij berispend: ,,Snibbetje, wat was je dreierig vandochtet.” De kleine lacht schelms: ,,Het is Zuundag, dan mugen we niet kibbelen."

Strelend gaan haar vingers langs zijn rode bef en door zijn a! grijzend haar. 30 c

,,Joen haor is glad niet zo mooi als Mimmes. 't Likt net as de ziee en de locht. Kriegen alle vissermannen dat?” ,,Nieje, dat krieg ik omdat jie zo ondeugend binnen, Snibbetje.”

Marretje kijkt even op en zegt plots verwijtend: ,,Wanneer zul jie nou es ophouwen om dat keend Snibbetje te neumen? Ze hiet Albertje. Moet ze haar hele leven lank die scheldnaam houwen? Je voenden het toch goed, dat ik ’r nor m’n eerste vrijer neumde? Nou kuun je ut niet verdragen, likt ut wel." ,,Zo is het ok,” erkent Gerrit rustig. ,,Dat had je nooit moeten doen. Dat et ut begin van alles ewest.” „Muiter niet over het begin. Welk begin bedoel je?” ,,Dat wiet jie krek zo goed als ikke. Ik heb in die naam toe estimd, omdat ik docht, nou is ut tussen oens vor enkanger vor altoos. 't Is precies angersomme eut ekeumen. Jie verlangen terug naor hetgeen dat voor altoos voorbij is, Marretje, er is niks, dat je dit gelok ooit weeromme kan gieven.” Stug antwoordt Marretje: „Ik wil niet terogge, ik wil vuureut en wat het keend betreft, Lumme is toch ok naar je erste vrouwe verneumd? Arger ik me daor soms an? ,,Dat is zo. Ik kon Lumme alliendig die herinnering aan haar mimme mie gieven.” ,.Angers had je ok niet,” zegt Marretje schamper. Gerrit kijkt haar verdrietig aan. ,,As je doelen op geld of goed, dan hew je gelik, maar dan zweeug ik liever. Ik kan maar niet geloven, dat jie alliendig leven voor ciefers en geldverdienen. En lotten we nou Gods dag niet ontheiligen met ruzie.”

Zijn stem daalt, als hij weemoedig vervolgt: „Stap voor stap zoek je, wat je vroeger gelokkig maakte. Eerst die naam, toe dit heus en nou de winkel, die je hielemaal inpalmt. As je denken dat je 't ewonnen hewwen, dan kon je ut juust wel durs kweeut wezen. Je kriegen wat maar geld in heus maar gien glimpien van je ouwe gelok, wat ik je brom. Geloof me, Marretjen, de teeud got gestoadig an varder. Wat verbij is, dat blift verbij. We moeten oens alsmaar wier aanpassen bij wat het leven oens bringt en dat kuun jij niet. Jie kieken almaar afteromme en zo lange as je dat doen, bleeuf ik et keend Snibbetje neumen.”

Marretje haalt de schouders op. ,,Klenzielig is dat van je.” „Gief taote nou maar z’n Zuundagse poesien,” breekt Snibbetje

31

het gesprek af. ,,Kom taote, alle minsen kuieren al en wij nog niet iensen.”

Ernstig onderzoekt zij, welk muiltje bij haar linkervoet hoort. Het is zo lastig om het verschil te weten tussen je rechteren je linker been. En als je dan ook nog twee grote, verstandige mensen uit die kibbelarij moet halen! Snibbetje beveelt kort en bondig: ,,Toe nou, Mimme, ien poesien maar. Op Zuundag hew je er toch wel teeud vor? Toe nou, angers zien ik de lichies in z’n ogen niet.”

Gerrits lach klinkt plotseling door de kamer en Marretje heft verlegen haar hoofd op, als ze wrevelig zegt: ,,Dat malle mooin, die flapt er alles maar eut.”

Gerrits ogen tintelen vol ondeugende pret. Een diepe glans straalt uit die ogen. De eeuwige glans van een rijke, zichzelf vergetende liefde, die Marretje tegenstraalt en haar 'n ogenblik doet duizelen. Snel wendt zij het hoofd af. Liefde? Dat is immers voor haar voorbij? Liefhebben is lijden, anders niet. Voor de tweede maal zal zij er zich niet aan overgeven. Wie niet liefheeft voelt ook niet de duldeloze smart, wanneer die liefde je ontvalt. Liefde, dwaasheid! Een mens leeft om te werken. In arbeid alleen schuilt de kracht om gezond door het leven te gaan.

Om haar mond legt zich weer die strakke lijn, waarmee zij zichzelf en anderen tot werken dwirgt. „Goon nou maar,” zegt ze tegen Gerrit. „Snibbetje wacht.”

Zij spreekt de naam met wrange spot uit. ,,Ja, die got ten minste niet beuten mij.” Met zwakke poging tot toenadering zegt hij dit.

Voor hij weggaat zegt Marretje nog: ,,Jie denken er ommers ok niet over om de ouwe skeut te verkopen?” Beslist antwoordt Gerrit: ,,Wel nint niet. Das ’n stok van m’n gelove. Ik kan niet beuten de wiend en de golven." Dan, met een zwierige gang, die de visserman eigen is, verlaat hij het huis. Marretje kijkt hem na. Zij glimlacht als ze ziet, hoe Snibbetje probeert haar arm door die van vader te steken. Het lukt niet. Ze moet zich tevreden stellen met een greep aan de band van zijn broek en zo schuifelen zij weg. Even bekruipt Marretje de lust om mee te gaan, maar ze bedwingt die neiging met het argument: ,,Ik hew nog zo vul te doen. Ik goon metien maar effen naor heus. Zo vlak nao de kark is de ouwe taote ut beste te spreken en ik hew nog al vuul met hum te bedisselen.” Daarom trekt zij ook haar muilen aan en verdwijnt uit het huis.

32

,,Daor got ze wier op ’r allientjes,” mompelt Lumme, als ze Marretje met trots opgericht hoofd voorbij het zijraam ziet gaan. ,,Hoor ze wier 's klepperen. Ze tilt haar bienen weer niet vaar genoeg op. Ze et weer vuus te vuul an dur hoofd. Als je op meulen lopen, moet je dat aandachtig doen. Dan moeten er gien defers duur je hoofd dwaolen.”

Met bestraffende blik kijkt ze Marretje na, maar met een ruk schuift Lumme het gordijn dicht. He. daar schrok ze van. Evert, de zoon van de beurtschipper ging juist voorbij en staarde haar pal in het gezicht. Nijdig mompelt Lumme: ,,Daar heb je hem waarendig ok nog.” Ze voelde zich betrapt. Die Evert had vast gezien, hoe ’n kleur ze kreeg. ,,Dat ie dat nou juist zien mos, die stamerbout. Ik mot hem toch niet, een man die stottert kan ik niet gebrukken.”

Dit laatste zegt ze tegen de kater, die de enige is om haar op dit uur gezelschap te houden. Stil is het in het oude huis. De meisjes zoeken haar fortuin in de dorpsstraat. maar Lumme, de zorgzame, doet haar plicht en bereidt het eten. Terwijl ze het vuur oprakelt, snoept de kater likkebaardend uit het pannetje room, dat op tafel staat. Hij vlucht als Lumme met de pook naar hem slaat en gaat in de vensterbank zitten. Trots kijkt hij voor zich uit, nu hij zo handig de slag ontweek en hij wast zich in de warme voorjaarszon. Koninklijk kijkt hij naar Lumme, die haar boze bui alweer kwijt is en door het mooie weer gelokt wordt om zich naast de kater op de brede vensterbank neer te zetten. Strelend gaat zijn tong langs de gestreepte huid en hij knipoogt tegen Lumme. Vrouwen en katers wonderlijke schepsels zijn het. Want al Scheldt Lumme hem uit voor lelijke snoeper, zij lacht toch als hij, nu zijn toilet voltooid is, de kop langs haar arm schuurt. Zo wachten zij op de thuiskomst van Snibbetje en vader, die doorgaans het eerst van hun wandeling weerkeren.

Maar Snibbetje haast zich deze keer niet. De nieuwe stijve kledij belemmert haar in het makkelijk voortbewegen. Voor ze bij de haven zijn, staat ze schurkend stil en klaagt: ,,Zit joen baotjen ok zo steeuf? Ik kan mij glad en dal niet bewegen.”

,,Das arg, dorde-man. Ik wou je juust nog wel vragen, waor oenze reze naor toe is.” ,,As ik maar in de hotter koemen kan,” zucht Snibbetje, terwijl ze wanhopig probeert om zich frank en vrij te bewegen. ,,Ik wou, dat ik m’n ouwe jurk maar wier an hadde.”

33

,,Foei, Snibbetje, as je zo praoten, kuun je m’n dorde-man niet worren, en ik docht er nog wel over om je over te lotten bakken in Makkum.”

,,Kan dat?” vraagt Snibbetje hoopvol. Haar ergernis over het stijve pakje is meteen verdwenen. ,,Gewis. Nou, welke koers gonen we nou, Snibbetje?” ,,Om de vuurtoren, taote." ,,Mis wier. Zien je dan niet, dat de locht niet te vertrouwen is? Het is Maart, Snibbetje, dat mos je toch wieten. Ik zou nog maar wat wachten met die overbakkerij.”

,,Ik zal ut gerust wel onthouwen,” belooft Snibbetje, als Gerrit haar helpt, aan boord te stappen. ,,Zie je nu wel,” zegt ze, als ze op het dek van de schuit struikelt, ,,ik kan me niet maar recht houwen duur dat steeve middelde.”

,,Och, dat wint wel; zurg maar, dat je goed in de koers bleeuven. Wil je dat, Snibbetje?” ,,Ja, as jie altoos bij m’n bleven,” belooft ze luchtig, terwijl ze naar het vooronder gaat. De man schikt hier en daar nog wat aan de touwen. Hij wendt zijn verweerd gezicht naar de zon en slaakt de vrome, stille verzuchting, dat het hem gelukken mag om Snibbetje in zijn koers te houden, nu haar moeder hem is ontglipt. Zijn voorhoofd is gerimpeld. De moeilijkheden van Gerrits leven groeven zich erin. Hij zit op de rand van zijn geliefde ouwe schuit en wacht tot Snibbetje haar inspectietocht beeindigd heeft. ,,Ik kan niet," gaat het stroef door hem heen. ,,’t Vrije vissersleven vaarwel zeggen, dat nooit! Dan maar liever zonder een vriendelijk woord door het leven. Maar meevallen doet het niet.”

Hij is met Marretje op een dood punt gekomen. Telkens, als hij thuis is, voelt hij het weer. En Gerrit piekert: ,,Da’s niet goed. Stilstand maakt het water troebel. Golfslag moet er in zee zijn, maar ook in het leven. Zo kan het niet blijven. Troebel water gaat stinken. Kleine ruzies zullen grote worden en ook als ik blijf zwijgen komen we niet bij elkaar .” Verstrooid luistert hij naar Snibbetje’s rappe gepraat. ,,Goon we nou voort, taote? Eerst naar het Bessien van joe en van mij. Die angere Bessien is ok wel lief, maar de grootvader die bij d’r woont kiekt alteeud over m’n hoofd hene en daor koemen Zuundags zovuul minsen en die praoten maar over de winkel en over geld. Iene man komt er maar, waor

34

ik niet bange vor bin; die et zo’n rood dingetje aan z’n horlogeketting en als ie lacht dan daanst et op z'n buk. Neeje, dor bin ik niet bange vor.”

„Waromme vor die juust niet, Snibbetje?” vraagt Gerrit glimlachend.

,,Dat wiet ik niet,” zegt ze zorgeloos en na enige aarzeling: ,,Ja toch, hij heeft ok lichies in z’n ogen, schier nog mooier dan die van joe en ouwe Jaoukien.”

Snibbetje begint het mensdom op haar manier te schiften. Haar hand omklemt die van vader in vertrouwelijke greep, als zij het huisje van zijn ouders binnengaan. In het eenkamerwoninkje hangt een rustige sfeer. Dat komt, omdat ouwe Bebbe Wakker een man is, die de vrede zoekt. Zijn vrouw doet dit evenzo, al is zij op die weg ook nog niet zo ver gevorderd als de oude Pieter zelf. Bedrijvig tippelt zij heen en weer van de kachel naar het raam. Snibbetje knikt haar vanaf de plaatstoof, waar ze op zit, glunder toe. Ze weet het wel; ouwe Bessien wacht op het pannetje met vlees dat Mietje nog brengen moet. Ze moet eerst zeker weten dat het komt, dan pas krijgen vader en zij een stukje van het heerlijke varkenszwoerd, dat op de kachel zo geurig staat te sudderen. Ouwe Bessien vertrouwt die vrouw van Gerrit maar half. Die heeft zich zoveel herrie aan haar hoofd gehaald, dat er wel eens een dag zal komen waarop zij haar arme ouwe schoonmoeder vergeet. Gerrit kijkt wrevelig naar haar onrustig gedoe. Elke Zondag is het hetzelfde. Zouden die vrouwen haar wantrouwen tegen elkaar dan nooit kwijtraken? Hij zucht verlicht als Mietje het vlees over het onderdeurtje aanreikt. Als zijn moeder toch maar net kon zijn als hij. Gerrit wantrouwt nooit, hij hoopt. Hij weet wel, dat Marretje van een ander slag is dan zij, maar daarom hoeft zij toch haar plichten nog niet te vergeten?

Ouwe Bebbe leest de ontstemming van zijn gezicht en zegt troostend: „Steur je niet aan de vrouluien, jongen. In de bibel stot wel: ,,Ziet hoe goed en lieflijk het is, als zonen van het¬ zelfde huis als broeders samenwonen,” maar waor lees je zulks over de vrouwen?” ,,Ja, zo is het,” stemt Gerrit met een lachje toe. Snibbetje telt intussen de tegels in de muur tussen de drie bedsteden in en telkens als vader aanstalten maakt om op te staan, bedelt ze: ,,Och, wacht nog effies.”

Ouwe Bebbe lacht en trekt haar dicht tegen zich aan. Haar

35

bevende vinger wijst naar een tegel naast zijn stoel: „Dissen, hi?" ,,Ja,” knikt Snibbetje, „die tegel is aan de beurt.” Daarvan vertelt ouwe Bebbe haar dan een klein verhaaltje. Eerder gaat Snibbetje niet weg. In de loop van de jaren werken die twee op die manier de hele muur af. ..Malligheid,” zegt ouwe Bessien vaak, maar daar lacht Snib¬ betje om. Ouwe Bessien, die moet je zo krek niet nemen. Die rameit de turven door de koker van de zolder naar de zoorde, als ze kwaad is. Maar ze klautert behoedzaam van het laddertje, als ouwe Bebbe Snibbetje aan het vertellen is. Zo is Bessien nu eenmaal.

Gerrit buigt zich elke Zondag over zijn ouwe Mimmetje heen en zegt: „Wat maak je toch nog een drokte in de warreld, ouwe Dirkien van Jan Wakker, en dat met je zuvenentachtig jaoren.”

En dan knikt ze vergenoegd: ,,Ja jong, dat wiet je. A1 moet ik het waoter van het iene vat in het andere dragen, warken wil ik.”

En altijd besluit zij met de klacht: ,,Dat Marretje hier nou nooit urs komt.” ,,Daor et ze gien teeud vor.”

Met een verlegen lachje vertelt Bessien: ,,Ik hew van de week per ongelok een flesse schapenmelk over de kachel egooid en Lumme had hem juust epoest. Het ze je oren niet vol etoet over mij?” ,,Daor et ze ok gien teeud vor,” lacht Gerrit goedsmoeds en hij kijkt haar ondeugend aan. Het oudje voelt, dat Gerrit haar door heeft. Haast tersluiks veegt zij een traan weg, die langs haar grappige neusje rolt. ,,Ja keend,” zucht ze, ,,'n mins ligt zijn karakter pas af in de kist.”

Zij doet hen uitgeleide tot voorbij de regenton. Zo klein en zo oud is ze, dat haar hoofd nauwelijks boven de ton uitsteekt. Ouwe Bebbe’s witte haar plakt tegen de ruitjes, als hij Gerrit en Snibbetje nawuift. Gerrit kijkt nog eens om naar die twee moegewerkte oudjes en belooft gul: ,,Wij koemen vanavend nog effen an.” Hun rimpelgezichten klaren op.

Bij het naar-huis-gaan groet Gerrit vrolijk en opgewekt de mensen. De straatjes zijn vol lustige wandelaars en je hoort: ,,Murgen buie, de kost al op? An de kuier, buur?” Mietje springt hem plotseling uit het bonte gewoel tegemoet en ook Jannetje en Dirkje komen aan zijn arm hangen.

36

„Wat moet ik met zovuul vrouwlui beginnen? As ik vor jului alle vier 'rs iene flinke zuun hadde . . ,,As ik je zuun was,” lacht Mietje, en ze vlijt haar hoofd aanhalig tegen zijn schouder, „dan stuurde ik die ouwe skeut van je, waor de wiend hem eene drief.” ,,Nooit tugen de wiend in, Mietje.” „Nooit!” roept ze blij. „De warreld is overal mooi.” Haar parelende lach verklinkt in de verte, want Mietje kan geen gelijke tred houden met Gerrits lome Zondagsgang. Ze is al lang weer vooruitgelopen.

Mooi is dat kind van hem. Strelend gaan zijn blikken langs haar lenige gestalte. ,,Krek Marretje, toen ze jong was,” denkt hij. ,,En wat is die nu? Nog kwiek en rechtop, dat is zeker.”

Maar Marretje heeft weer een norse trek op haar gezicht, als ze hen aan tafel wacht. ,,Waor bleeuven jului toch?”

Snibbetje kent die toon maar al te goed en schuift haar stoel dicht bij vader.

..Slingeren maar langs 's Heren wegen. Jului denken maar dat ut op de straoten van Askelon te veenen is.” Gerrit zwijgt. Als Marretje zo’n bui heeft, is dat het verstandigst, maar de kinderen nemen er geen genoegen mee.

,,Mimme, bedurf oenze Zuundag niet,” smeekt Mietje en vrolijker vervolgt zij: ,,Ot wat hewwen we lekker vies.” ,,Vrouwendag, zes weken . . . Het vies is eut de pekel. .. De kool is eut et vat.. Vrouwendag, zes weken Ei je nog al wat.”

Marretje’s wenkbrauwen fronsen zich onheilspellend. ,,Wat hewwen jului wier wat an te marken. Jului eten eerst het gezouten, en daormie basta!”

„0, maar we veenden het juust zo lekker. Taote en Snibbetje hewwen al ruzie over het grootste stok. Lot mij maar ’rs pruuven!”

Behendig graait Mietje een plak vlees vlak voor het mes weg. Marretje’s boze bui smelt weg bij het vrolijke gedoe van het meisje.

,,Goon zitten nou, Mimme,” noodt Mietje. ,,Het is maar ien keer Zuundag in de week.”

Uitgelaten vrolijk als ze is, glimlacht ze tegen Gerrit: ,,Gien hinne die oens pikt en gien klaant die oens stoort, wat jie, ouwtjen.”

37

Gerrit knikt dankbaar, nu het Mietje gelukt is, de vredige Zondagsstemming te bewaren. Die stemming blijft heel de middag tot aan de avond toe. Dan pas klinkt er weer wrevel in Marretje’s stem, als zij stug afwerend antwoordt op Gerrits vraag, of ze meegaat naar zijn ouders. ,,lk zal zien," zegt ze. ,,Maar eerst moet ik effen naor meen Mimme.”

Gerrit wacht in het stille schemeruur. De klokkewijzers schuiven van het ene uur naar het andere. Lumme zit in het hoekje bij het raam wat te dutten en schrikt wakker als Snibbetje plotseling vraagt: ,,Taote, ik hiet toch Snibbetje?” ,,Ja, en je zullen wel alteeud Snibbetje bleeven ok,” zegt Lumme veelbetekenend. ,,Stille jie!” zegt Gerrit scherp. Lumme glipt beschaamd weg en trekt met een ruk de deur achter zich dicht. Ze is te ver gegaan. Vader wil niet, dat ze zich met zijn zaken bemoeit. Maar waarom doet Marretje ook zo raar? Wie laat er nu haar man een hele Zondagavond alleen? Dat pastniet. Lumme’s opvatting van het leven kan daar geen vrede mee vinden. Je moet je houden aan de gebruiken van je volk. Die verbondenheid met de zeden van Urk dwingt Lumme het huis uit en de kant van de dorpsstraat op. Of is het wat anders dat haar drijft? Uit een schaduw bij de staldeur maakt zich plots een gedaante los. Zachtjes en onzeker klinkt het: ,,Lumme . . .!” Zo weifelend is die roep, dat Lumme het niet hoort. Evert waagt het niet, het meisje te volgen. Hij betrekt zijn stille wachtpost weer en dit wachten verveelt hem niet, want al die tijd oefent hij zich om zijn uit het hoofd geleerde huwelijksaanzoek vlot te zeggen. Dat lamme stotteren ook! Lumme slentert in de dorpsstraat, maar ze heeft er gauw genoeg van. Met een ,,gegroet jului” verlaat zij haar vriendinnen en zij slaat de weg naar huis weer in. Nu hoort zij haar naam wel. Steviger komt die nu uit Everts mond. Er klinkt een blijde triomf in zijn stem, als de liefdesverklaring er zo gaaf uit komt. Lumme is er door verrast. Maar haar gevoel van blijheid wordt dadelijk door een zachte weemoed verduisterd. ,,’t Got niet, Evert. Ze kunnen mun in heus niet misten.” „W.. w .. w . . wat. . Hij wou zeggen: „Wat een verbeelding,” maar het wil hem niet van de tong komen. ,,Och jongen, loop naar je Grootje en bak pannekoeken!”

38

Verlost van cen adembenemende beklemming komt het nu ook uit Everts mond: ,,Pannekoek.”

Lumme breekt in een schaterlach uit, maar als Evert haar moeizaam tracht te overreden, welt een innig medelijden in haar op. Ach, die is toch de ware niet. Haar weigering is vriendelijk maar beslist.

,,Laoter misschien,” voegt zij hem troostend toe, als zij wegsnelt in het huis.

Bij haar binnenkomen heft Gerrit schielijk het hoofd op, maar nog sneller wendt hij het weer af en kijkt voor zich. Toch heeft Lumme duidelijk de teleurstelling in die blik opgemerkt en zij weet, dat hij Marretje verwachtte.

Gerrit, het wachten moe, zegt Lumme, dat ze voor Snibbetje moet zorgen, die slaperig weggezakt in een rieten stoel zit. Zelf gaat hij nog een keer de bekende weg naar zijn ouderlijk huis en wenst vader en moeder na een kort bezoek goede nacht.

Als hij terugkomt, is Lumme met haar werk in de stal gereed.

,,Nog niet theus, Lumme? Is het kostgerei in de maande? Ik goon derect nor boord. We willen vroeg vaoren van de nacht. Vor twaolf uur al. Angers koemen oens de metorbotters te vaar veur.”

,,Koop er dan ok iene,” raadt Lumme hem aan, als zij zich over de koksmand buigen.

,,Nee Lumme, daor ben ik al te oud vor.”

,,De duvel is oud en zijn Bessien nog ouwer. Een man van effen veertig is toch nog niet oud? Je zullen met een teeud mie moeten.”

,,Och keend, as ’t iene je ontvalt, dan gief je om ’t angere ok niet maar.”

De verdrietige klank in zijn stem ontgaat Lumme niet. Om de stemming te breken vraagt zij snel: ,,Moet je Mimme niet haolen? Je kuunen zo toch niet voort goon? Moet je dan glad niet genacht zeggen?” Maar bitter antwoordt Gerrit: ..Waoromme niet? Het zal de eerste keer niet wezen, dat zij oens vergit voor d’r volk en haar eeuwige gereken.”

Hulpeloos kijkt Lumme rond. Wat kan zij nu zeggen? Het goede woord wil haar niet invallen. Maar gelukkig komt Snibbetje haar te hulp. Die laat zich bedaard uit bed glijden en vraagt vleiend: ,,Goon je wier voort?”

39

,,Ja, dorde-man," antwoordt Gerrit en de stroefheid in zijn gezicht verdwijnt al wat. ,,As ik je knechje bin, dan doenen we mie, he?” „Waoran mie, Snibbetje?” ,,Met die metorbotters bedoel ik.”

En dan heft zij haar kleine gestalte in het bonte jakje en gestreepte rokje naar hem op en uit het slaperige gezichtje komt een vriendelijk: ,,Genacht. Goe reze, as je vaoren hoor!” ..Genacht, meid."

Uit Gerrits stem is nu alle bitterheid geweken. Hij plaagt Lumme alweer met Everts stille aanbidding. ,,Hoe ging het vanavond, Lumme?” ,,Ik moet gien stamerbout, dat wiet je wel.” ,,Het is angers wel makkelijk, zo iene. Vor ie ut leste ezegd et, is ie ut eerste alwier vergeten.” ,,Neeje, zo'n iene moet ik er niet hewwen; je moet allebei op z’n teeud 'rs een hartig woordje kunnen zeggen.” ,,Dat et gien nut, Lumme.” ,,Toch wel.”

Voor zij verder kan gaan, verschijnt Marretje op de drempel. ,,Goon je nou al voort? Ik docht nog al, dat je haring ging vissen. De tielt begint ommers al? Disse week had ik al Gooiers en Bunskeuters in de winkel. Bij IJmuiden is ommers niks te verdienen. Of kan het je niet skielen of je met de koes op je kop theus koemen?”

„Nee,” zegt hij. ,,Het is me krek hetzelfde, hoe ik theuskoem. Daor is de aordigheid al lang al of.” En met een kort ,,genacht” zwaait hij de koksmand op de schouder en vertrekt.

Lumme mijmert stil voor zich heen. Wat was dit afscheid koud! Zelfs geen ,,genacht hoor” kon er af. En dat had toch al heel wat hartelijker geklonken.

Ze ligt in de bedstee en een zachte weerschijn van de blauwgeverfde muren valt over het verdrietige gezicht van het meisje, dat droomt van liefde, die geen gebreken ziet. De nacht komt over Urk. Uit zee stijgen trage nevelsluiers op en hullen het kleine eiland in een teder waas.

Gelukkig zij, die deze nacht doorbrengen in zoete rust. Voor de vissers is het een tijd van arbeid. Over de eeuwige deining van de zee voeren zij hun botters naar de visplaatsen. Daar waar zij het brood moeten verdienen.

Op een van de botters staat Gerrit. Zijn vaste hand houdt het 40

roer. Het scherpe valkenoog tuurt de einder af en poogt zich door de nevels te boren. Het zal wel zo opklaren. Als het eerste ochtendlicht achter de dunnere nevel hangt, licht Gerrits kloeke gezicht op. Na elke nacht komt een nieuwe morgen. Vergeten is de wrevel, waarmee hij zijn huis verliet. Over het wijde water zweeft zijn blik omhoog. Zijn hope blijft. Marretje Er zal eens een tijd komen dat zij hem niet vergeet. Met een krachtige duw aan het roer drijft hij zijn schuit in de goede richting. Bijkans was hij uit zijn koers geraakt. ,,Sjonge, wat zou Snibbetje daar wel van zeggen?” De gedachte aan Snibbetje geeft zijn gelaat weer de oude zorgeloze uitdrukking.

Snibbetje zelf is echter hopeloos haar koers kwijt. De eerste schooldag is aangebroken. Het kind wacht treuzelig tot Mimme zal zeggen: ,,Goon noe maar miee. Een diepe, grote teleurstelling bevangt haar als zij hoort: ,,Er is gin mins die je nor skoel brengen kan. Goon maar gaauw alliendes. Je binnen toch niet bange?”

„in ’t giel niet.”

Dat klinkt wel erg zelfverzekerd, maar toch steekt Snibbetje eerst nog haar hoofd om de hoek van de staldeur. Misschien dat Lumme .. . Maar Lumme zit rustig te melken en schrikt op als Snibbetje vraagt: ,,Moet ik nou alles doen wat die vremden zeggen?”

„Bin je nou gek, Snibbetje? Die weten ut ok alliendig niet,” klinkt het nuchter vanachter het koeienlijf. „Prebier ut eerst 'rs, dan zullen we wel varder zien.”

Twee vlugge klompenvoetjes klepperen over de hobbelige keien van het straatje, dat regelrecht naar school voert. Groot zelfvertrouwen klinkt uit de regelmatige cadans der houten voetjes. Maar er komt aarzeling in het gestap, als Snibbetje bij het huisje komt, waar de grootvader woont, die haar altijd over het hoofd ziet.

„Wat lam, dat Lumme nu juist moet melken en dat Mimme geen tijd had. Zie eens, alle kinderen worden door hun Mimmes gebracht.”

Snibbetje's lip hangt verdrietig omlaag. Maar dan is er plotseling de bekende stem: „Snibbetje, koem ’r us hier!”

Bessien staat in de open deur, met het heldere nachtjak nog aan. Tussen haar duimen plakt zij twee korstjes brood stevig op elkaar.

41

,,Hier, awoor. Eet dit kruntjen eerst nog maar op. Wat goon je al vroeg nor skoel? Was er gien mins, die je effen weg brengen kon? Een skaande is ’t, dat ze daor nooit urs teeud hewwen vor joe. Nou mag je elke dag zo’n kruntjen haolen, hoor Snibbetje.”

Twee dankbare kinderogen zien op naar het fijnbesneden, ovale gezicht waarop een meedogend begrijpen glanst. Het is dit gezicht, dat voortaan een lichtpunt zal zijn in het bestaan van dit zo vaak vergeten, Iastige kind. Bessien veegt met de punt van haar schort de laatste kruimeltjes van Snibbetjes mond. Opgewekt rent het meisje naar school en zij gaat daar op de haar aangewezen plaats zitten.

Vol goede voornemens staart zij naar de juf. Snibbetje zal het ernstig proberen. „Da’s nu een echte vreemde. Geen tante, die bij hen hoort, maar een uit het vreemde land, daar ver achter de wolken.”

Niets ontgaat haar van die vreemde kledij. De knooplaarzen onder de blauwe rok, de hooggesloten witte blouse en de zorgvuldig verzorgde haarwrong alles neemt Snibbetje in zich op en haar oprechte verwondering gaat over in een grenzeloze eerbied. Zij voelt zich volkomen gevangen in de bekoring van al dit nieuwe. Eer de klok tien slaat heeft Snibbetje haar hart aan de vreemde juf verloren. Zij vergelijkt haar stem met de vrolijk klinkende afslagbel, die de viskopers bijeen roept. Die bel hoort bij haar volk en nu hoort die juf voortaan ook bij haar. Zij aanvaardt haar, omdat zij een punt van overeenkomst heeft ontdekt, maar Snibbetje is er verre van, om haar eigen aard daarvoor prijs te geven. Al vrijer beweegt zij zich in de bank en zij luistert naar het geroezemoes, dat haar tot de werkelijkheid terugbrengt. ,,Nu netjes de vingers opsteken, als ik de namen afroep. Het gaat goed, juf knikt tevreden. ,,Albertje van Urk!” Juf wacht vergeefs. „Is dat niemand ?”

Het afslagbelletje in Jufs keel mag nog zo lokkend luiden, Snibbetje verroert zich niet. ,,Ben jij het misschien?” zo tingelt de nodende roep. 'n Ontkennend hoofdschudden. Dan een stem uit de klas: 42

„Welles hoor juffrau, want ze is van oenze volk.” ,,Ja hoor," dreunt het jrumoerige koor. Boven het lawaai uit, een doldriftige jonge stem: „Ik bin m n Taote’s Snibbetje!” ...

43

In een speels-verkwistende bui schiet de dalende Maartse zon nog enkele stralen over Urk uit. De gouden glans weeft zich als een verwarmend waas over het bedrijvig gedoe aan de haven, waar late thuiskomers nog binnenvaren. Touwen worden driftig vastgesjord. Met bonkend geluid botsen de schepen tegen elkaar op en er klinkt een vrolijke roep, een kort bevel, een blijde herkenningskreet. Mannen slepen zware manden vis. Kittig klingelt de afslagbel. Vissers keren naar huis, de kinderen aan de hand. Het is al leven en vertier, maar een klein meisje zit eenzaam op een bruingeteerde meerpaal en staart naar zee. Snibbetje wacht. op vaders thuiskomst. Van drie uur af tot klokke vijf heeft zij geduldig op haar post gezeten, boven op de hoge paal en nu gaat zij de moed verliezen. Verkleumd en rillerig voelt Snibbetje zich. Kille Maartse vlagen hebben haar koud gemaakt tot op het gebeente. Eerst speelde ze fijn met knikkers en tol hier bij de oude paal. Toen was de zon ineens achter ijzige wolken schuilgegaan. Alle vaders waren al thuis en waar bleef nu die ouwe schuit, nummer 353?

Juist als Snibbetje met een zucht besluit om maar naar huis te gaan, zendt de zon vol erbarmen een verwarmende lichtscheut op haar verkleumde leden. Met een gilletje van verrukking laat Snibbetje zich van de paal glijden en zij legt haar beide handen wijd uitgestrekt over de witte kop. Verduveld lekker is dat. Nu gaan al die koude pukkeltjes van haar armen weg. Nieuwe hoop vervult haar hart en zij kijkt lachend naar de ineens blauw geworden hemel. Dan klimt ze weer op de paal, strekt haar tengere lijf en tuurt met felle blik de verre einder af.

Zou hij nu nog komen? Vader zal toch niet de derde Zondag wegblijven? Zij weet zich nog altijd vaders Snibbetje. Zij hoort bij hem. Maar dan hoort vader toch ook bij haar? De drukte is al geluwd. Avondschemering spreidt haar vredige, grijze mantel over het eiland heen. Hardnekkig blijft Snibbetje wachten. Zij heeft vader nodig. Juist nu . . . Er is een vader, die haar met liefkozende stemklank ,,Snibbetje” noemt, er is een Mimme, die haar met een kort, gebiedend ,,Albertje” allerhande nare werkjes opdraagt; er is een meester, die er nog wat dikke letters bij doet <— en dan raak je toch wel hopeloos

44

de kluts kwijt. Als zelfs Luinme soms nijdig tegen je uitvalt en zegt, dat vader zich bezundigt en dat Mimme zich moest schamen, dan begrijp je er helemaal niets meer van. Wat is toch dat: ,,bezundigen”. Zij vindt het zelf zo mooi en voelt zich gelukkig, als hij het zegt. Wat praat Lumme dan van God en ,,zundigen". Vaders God, die woont daar ginder, wijd weg, bij de grote Noordzee. Daar zijn golven, zo hoog als huizen en de nachten zijn er donker, en toch licht, zegt vader. De dagen zijn er licht en schoon als een hemel zonder wolken. Mimme’s God, ja, waar die eigenlijk woont, dat heeft Snibbetje nooit kunnen uitvinden. Snibbetje heeft Hem eigenlijk helemaal niet nodig. Vader, die heeft ze nodig. Die weet immers alles het allerbeste? Aan vader wil ze vragen, of ze nu geen Snibbetje kan heten, voor alle mensen en voor Mimme ook. Dan zal al dat geharrewar ophouden en vader geen drie, vier Zondagen achter elkaar meer wegblijven. Elke Zondag zal het dan feest voor Snibbetje zijn. Nog eens rekt ze zich uit op de oude paal en waarlijk daar glijdt nog een laatste schip de haven binnen. ,,Hij is het,” juicht ze, als ze de lange kop van de schuit herkent. ,,Taote !” schalt haar blijde stem. Vrolijk klinkt er uit de dampige verte terug: „Dag Snibbetje. Het kind kent geen problemen meer, als zij de man tegemoet snelt. Gretig grijpt ze naar de blauwe, toegeknoopte zakdoek. ,,Hew je IJmuider kransies?” „En kaaks,” licht hij haar in. „Draag jie ut maar, dan niem ik de vis.”

„Je blieven wier vuus te lange weg,” berispt Snibbetje hem onder het gaan. ,,Als je nou niet ekeumen hadden, dan had ik vor de dorde Zuundag alliendes ewest. Je mozzen je wel skaamen, ouwe.” ,,Dat doen ik ok, Snibbetje,” zegt Gerrit, vrolijk schuldbewust. „Ik zien er angers niks van,” merkt, wantrouwend, Snibbetje op.

In de rumoerige Zaterdagavond-drukte valt de thuiskomst van dit opgeruimd kibbelend tweetal haast niet op. Marretje s groet klinkt haastig en afgetrokken. De meisjes zijn verstrooid naar alle windhoeken van het eiland. Dirkje helpt bij Bessien. Janneke is zo lang bij de burgemeester, omdat ze daar zonder zitten en Mimme een goede klant niet zonder hulp kan laten. Snibbetje stelt vader in rad gepraat van de toestand op de hoogte. Met inspanning van al haar krachten lukt het haar

45

de koperen insteekketel in de kachel te werken. Want als vader thuiskomt, dan moet hij toch een bakje hebben, nietwaar?

,,Dat zeg ik ok,” lacht Mietje, die gelijk een wervelwind de kamer binnenstuift en Gerrit op haar eigen, onstuimige manier begroet. Zij streelt haar gezicht langs zijn ruige wangen. Koem hier, ouwe booswicht, waor bliev je wier zo lange. Is dat nou manier van doen? Hew je wier vis mee ebrocht? Daor gief ik niks omme, dat wiet je wel. Alliendig om joe, ouwtjen. Kiek us, hew ik neu gien rooie kleur ekriegen duur die scharpe baord van joe?”

Zo ratelt Mietje af en aan en zij wipt de winkel weer in, als Marretje haar luid roept. ,,Die Mietje dot altoos zo gek,” zegt Snibbetje wijs. „En Mimme die Scheldt maar op haar, omdat ze zovuul leest. Hier !"

Met trots gebaar reikt zij Gerrit zijn kop. Het gezicht van vader ontspant zich steeds meer onder haar vrolijk gekout. Eer Snibbetje erop bedacht is, wordt het alweer bedtijd en zij ligt onder de dekens nog wat na te soezen, nu haar problemen weer naar de oppervlakte komen. ,,Murgen, dan vraag ik ut,” neemt zij zich stellig voor. Het leven is echter vol verrassingen. De volgende morgen wordt Snibbetje gewekt door eenvreemde, harde stem en als zij haar hoofd om het hoekje van de bedstee steekt, staan daar midden in de kamer een woedende burgemeester, een huilend Janneke en een verbijsterde Lumme. Mimme staat doodbedaard voor de spiegel en strikt de banden van haar hulle met de grootste zorg. Vader zit verlegen glimlachend bij de kachel. Nijdiger raast die vreemde stem: ,,Jij, met je rebellen van dochters, ze zijn allemaal net als jij. Jij moet je kinderen leren wat dienen is. Als ik wil, dat ze de keuken dweilt, dan heeft die meid dat te doen en daarmee uit. Wat denkt zo n nest wel, om dan maar meteen het huis uit te hollen. Buigen moet ze. Heb je het beqrepen, Marretje?”

Vol spanning wacht Snibbetje af, wat Mimme nu zal zeggen. Marretje draait zich om en antwoordt rustig: ,,Beugen, dat doenen we alliendig vor God, maar niet vor minsen, burgemester. Janneke et niet op Zondag te felen, als het niet nodig is en dat wiet ze.” ,,Jij hebt ze maar te leren, wat dienen is!” De vreemde neusklank van de burgemeester slaat 46 over van

drift, als hij die laatste woorden herhaalt. Maar Marretje is zo gauw niet van haar stuk gebracht. Gewichtig ordent zij de banden van haar Zondagse schort en zij antwoordt: ,,Dienen, dat is gehoorzaam zijn aan alles wat redelijk is en wel luidt. Zo denken we d’r hier over en daromme moet je vrouwe daor rekeninge mie houwen. As de kuuken niet efelt is, lot ze dan de duur after dur dicht trekken en Zuundag vieren. Kom Garrit.. ., de dorde klokke luidt al.” Marretje stoort zich niet aan de opperste verbazing van de woedende burgemeester, die driftig vraagt: ,,Dus jij geeft die meid gelijk?” De burgemeester grijpt Gerrit bij z’n mouw en zegt: „Man, heb jij hier niets te zeggen?” ,,Krek zovuul as iedere angere man,” is het vaardige antwoord, „en in dit geval bin ik het roerend met m’n vrouwe iens.” Hij licht zijn karpoes ten groet en voor Snibbetje van haar schrik is bekomen, zijn Lumme en zij alleen met de steeds bozer wordende burgemeester. Janneke heeft Mimme’s raad gevolgd: ,,Hou op met toeten, trek je Zuundagse klied an, dan kuun je ok nog karken.” Angstig schuilt Snibbetje weg achter het bonte bedgordijn. De stortvloed van woorden laat Lumme rustig over zich heen gaan. Maar het verveelt de burgemeester gauw om de pijlen uit zijn boze gemoed te verschieten op het stug-zwijgende meisje. Al spoedig valt de deur krakend achter hem dicht. Met dat al heerst er die Zondag niet de stemming, die voor Snibbetje’s vaste voornemens bevorderlijk is. Ieder kijkt bedrukt. Daar is een Mimme, die na kerktijd steeds maar zucht: ,,dat zij nu haar allerbeste klaant wel voor alteeud kweeut zal wezen.” Mimme blijft zuchten, al zegt vader dan: ..Marretje toch, as er ’n duur dicht get, got er wier 'n vienster eupen.”

Ook Lumme mokt. Na dit vroege stortbad kan zij niet op dreef komen. Rebellen en nog eens rebellen, heeft die burgemeester gezegd. Allemaal waren zij rebellen. Wat een nare vent. Er is een Janneke, die onrustig en schuldbewust van de een naar de ander kijkt. Tot ze, na de middagkerk, plotseling opspringt met een: ,,Oe Mimme, daor ei je ze alwier!” Snibbetje blijft verstijfd zitten. Met nijdige ogen kijkt ze naar de binnenkomenden, die de rust van deze Zondag zo brutaal verstoorden. Mensen Snibbetje snapt er weer zo weinig van. Hoe kan Mimme nu de toegestoken hand met een zekere eerbied drukken? De burgemeester praat immers nog zo door

47

z’n neus? Verwonderd luistert Snibbetje naar het geroezemoes der stemmen. Zij ziet, hoe vader olijk knipoogt tegen mevrouw en hoe die met een vriendelijke lach naast hem plaatsneemt. Ze schijnen allemaal weer goed te zijn. Snibbetje heeft niet begrepen, dat de burgemeester zijn verontschuldigingen heeft aangeboden. Bijna is zij met hem en zijn vrouw verzoend, als Mimme de trommel met verse Weespermoppen tevoorschijn haalt en ieder gul presenteert. Gewetenloos geniet Snibbetje mee, als Marretje, geheel in de war door de onverwachte blijde oplossing van het conflict, haar net als de anderen gedachteloos mee-bedient. Maar Snibbetje schuift toch verder van de deftige visite weg. Ze willen haar ook in hun belangstelling betrekken en zo ver is Snibbetje nog lang niet. Wantrouwig beloert zij die vreerm den. Door hun gedoe heeft vader weer zijn Zondagse kus niet gekregen en dat vergeeft het meisje ze niet. Snibbetje ademt verlicht, als de visite na een goed uur het huis verlaat. Nu kan alles toch nog misschien in orde komen. Maar tevergeefs wacht ze die avond op enige toenadering. Want als Gerrit zegt: ,,Het is toch een karel, wor je respect vor hewwen moeten, Marretje; hij mag dan niet tevuul an ut gelove doen, maar een man van koerakter is ie,” dan knikt Marretje slechts zwijgend en staart, in gedachten verdiept, naar buiten.

Zo vergaat de Zondag, waarvan Snibbetje zich zoveel had voorgesteld. Slechts een lichtpuntje is er: Vader heeft haar beloofd, om nu niet meer naar IJmuiden te varen, maar de beug in zee te brengen voor de haringvisserij. Toch wel wat tevreden, vlijt ze die avond het hoofd op het bonte kussen. A1 te snel is de nacht zonder zorgen voorbij. De andere morgen staat ze met open mond voor de staartklok, en schrikt, als het al half negen is. Haastig rukt zij de grove zwarte kousen aan. Met handen, die beven van opwinding, rijgt zij haar tengere lijf in het ,,middelde”, het met spaansriet verstijfde corset der eilandse vrouwen. „Allef niegenen al,” moppert Snibbetje. ,,Mimme et mun van zels wier vergeten te roepen. Dat komt duur dat gemauw in die beroerde winkel.”

Zij kijkt hevig verongelijkt, als zij de banden van het fleurige kraplapje vastsjort en gluurt onrustig naar de deur van de winkel. Mimme hoeft dit haastige aankleden niet te zien, want dan zal ze weer op alles aanmerkingen maken. Hoor ze nu weer eens kakelen over de mannen! En wie ter wereld heeft er nu zo’n beste vader als zij? Altijd hebben ze het over geld

48

en nog eens geld. Dat wijf met wie Mimme in de winkel praat, heeft alleen een goed woord voor de mannen over, als ze flink geld thuisbrengen. Nee, dat hoort niet, denkt Snibbetje. Zorgvuldig strikt ze de banden van haar kapje vast. Die moeten netjes zitten, zo, vlak achter de parelmoeren knoopjes. Mimme wil het zo hebben en een Mimme, die de burgemeester aan kan, moet je haar zin geven. Eigenlijk zou Snibbetje vrede met alle mensen willen hebben, hoewel haar dat elke dag minder gelukt. Mimme is sinds gisteren in haar achting gestegen. Als ze goed nagaat is Snibbetje er echt een beetje beduusd van en ook wel trots op, dat haar Mimme zich niet door de hoogste man van het eiland liet overdonderen. Mimme weet ook zo veel! Hoor maar eens, hoe ze nu aan de klanten vertelt, dat ze op Urk een burgemeester hebben, die ,,echt” is. Eentje van adel. Zulke mensen weten altijd precies, waar ze moeten staan, zowel bij hun meerderen als bij hun minderen. Van adel dat moet zeker zoiets zijn als de baronnen en de graven uit sprookjes. Zou de burgemeester zo vriendelijk hebben gedaan, omdat hij van adel was? Meende hij gisteren alles wat hij zei? Of zou hij het alleen gedaan hebben om Janneke terug te krijgen? Die is vanmorgen weer naar de burgemeestersvrouw teruggegaan. In Snibbetje’s hart sluipt de twijfel over de oprechtheid van de adellijke burgemeester. Zij slingert de zwengel van de pomp. De frisse waterstralen spoelen haar gepieker weg. Dan vouwt ze, met pijnlijke nauwkeurigheid, de blauwgeruite handdoek in vieren, omdat vader het haar zo geleerd heeft. Nog gauw een veeg over haar blote armen en het toilet is voltooid. Jonge, sterke tanden vermalen in een ommezien een grof stuk roggebrood. Dan slipt Snibbetje haastig weg. Bol blaast de wind haar schort omhoog. Altijd waait het op Urk.

De schoolbel gaat al, een latertje vandaag. Haastiger klepperen haar klompen. Toch gluurt ze even naar Bessiens raam. Een onbestemd gevoel bevangt haar, wanneer zij Bessiens vertrouwde gezicht voor het venster mist. Al voortrennend in de speels-stoeiende wind en tussen de haastige kinderen door, berekent Snibbetje haar koersen voor die dag. Maandag van¬ daag. Bessien heeft dan meestal een stuk frikadil van de Zondag over. Als ze dus om twaalf uur vlug haar boodschappen doet, zal er voor Snibbetje nog wel een stukje zijn. Zo lekker als Bessien die toch bakt. Als Bessien nu maar niet

49

ziek is, want dan mogen er geen kleinkinderen over de vloer komen en dat zou toch wel jammer zijn. Hijgend schiet zij de speelplaats op en haar stralende lach geldt niet alleen de oude meester, die handklapt in de deur, maar ook het heerlijke vooruitzicht van Bessiens Zondagse overdaad.

„Kom toch, Snibbetje. Je bent ook altijd te laat.” ,,Dat is Mimme haar schuld,” verdedigt Snibbetje zich. ,,De klaanten gonen bij oens altoos vuur.” Meester kijkt haar critisch aan. ,,Er is er altijd wel een, die je de schuld kan geven, he?" „Ja,” stemt Snibbetje toe. Met meester zal ze geen ruzie krijgen over dit punt. Ook hij is immers altijd op het nippertje. Zij lijden aan dezelfde kwaal. De panden van zijn jas gaan dansend op en neer en het bruin-doorrookte pijpje neemt hij in oprecht meeleven met Snibbetje’s moeilijkheden in de hand.

„Je moet toch maar je best doen, Snibbetje, want van dat laat-komen heb je alleen maar moeilijkheden in het leven.” Vertrouwelijk lachend kijkt Snibbetje naar hem op en zij belooft voor de zoveelste keer beterschap. Ja, in meester heeft zij vertrouwen. Vader zegt, dat hij bij Urk hoort en helemaal grijs geworden is door de ondeugden van hun volk. Hij is geen vreemde op het eiland en weet alles. Nu weet hij het zelfs veel beter dan Snibbetje, want hij vraagt plotseling: „Hoe is het met je grootvader?" ,,Ik wiet niet; ist die dan ziek?” schrikt Snibbetje. De vraag van de meester gooit heel haar berekening voor die dag overhoop. „Nou, weet je het niet?" Een zwijgend hoofdschudden. Hoe kan zij meester nou verklaren, dat zijn vraag al haar illusies betreffende frikadil van Bessien vernietigt? Onder de aardrijkskundeles doezelen haar gedachten weg. ,,Gemeen van grootvader, om nu juist op Maandag ziek te worden. Wat een zunde van die lekkere .. .” ..Snibbetje!”

Een schokje vaart door haar heen. Schoorvoetend gaat Snib¬ betje naar het bord en de stok trilt in haar hand als ze op meesters bevel langzaam de plaatsen noemt en aanwijst. Snibbetje is nog niet verzoend met het vermeende onrecht. De frikadil speelt haar lelijke parten. Ongeduldig zet de oude meester haar tot grotere aandacht aan. ..Snibbetje toch .. . !” 50

,,Leeuwarden, Stavoren, Sneek,

Makkum

Die laatste plaats schudt Snibbetje wakker. Makkum, dat is het dorp, waar je overgebakken kunt worden. Vader heeft nog steeds geen eigen derde-man. Onbevangen wendt Snib¬ betje zich tot meester: ,,Is ut waor, dat ze daor van n maotjen ’n jongetje maken kuunen?”

Om de ogen van meester graveren zich de verraderlijke rimpeltjes, die Snibbetje altijd zo belangwekkend vindt, maar waar ze toch ook bang voor is. Snibbetje verdedigt zich tegen een onbegrepen bedreiging en merkt aarzelend op: „Taote zegt ut wel urs; kan het nou of kan het niet?’’ ,,Waarom wil je het zo graag weten?” vraagt meester goedig. Maar Snibbetje zwijgt nu verlegen. Zij kan haar geheim toch niet aan de hele klas prijsgeven! De gevreesde rimpeltjes verdwijnen even snel als ze zijn verschenen. Snibbetje kijkt in meesters vriendelijke oude ogen. Deze kinderkenner wil haar niet pijnigen door haar bloot te stellen aan de spotlust der anderen. Ze vergeten elkaars domheden nooit. Hun wereldje is zo klein. Meester neemt de stok uit haar handen en zegt: „Ga maar naar je plaats, dan zal ik jullie er eens wat van vertellen.” Vijftig paar ogen heffen zich vol verwachting naar hem op. Niemand denkt er meer aan om te lachen. Integendeel heeft een zekere eerbied voor Snibbetje de spotlust verdrongen. Een jongen fluistert zijn makker toe: „Sjonge, die Snibbetje kan toch maar wat. Vertellen treffen we dat effen. Zijn buurman knikt genietend mee. In alle Urkers sluimert een gevoel van romantiek en bijgeloof en de kinderen maken daar geen uitzondering op. Met de ellebogen op de bank leven ze mee als meester hen leidt naar de schemerige wereld van oude sagen. Het nuchtere begin: ,,Het is maar louter bijgeloof van de Urkers boeit hen niet. Maar de ogen gloeien als meester vervolgt: ,,In Makkum daar woonde eens een tovenaar, die je in drie dagen kon omtoveren van een meisje in een jongen. Eerst moest je op Urk drie nachten achter elkaar, driemaal om het kerkhof lopen. En als je dan in Makkum kwam, werd je in een glazen kist in een warme oven geplaatst. Het is alleen zo jammer, dat nooit een Urker het geprobeerd heeft. Want Urkers hebben een hekel aan nachtelijke wandelingen en aan overdadige warmte.” „En dan vertellen ze nog, dat er in de Lemmer een duivelbanster woonde, die je van alle ziekten kon genezen. Eens

51

ging er een Urker man naar haar toe, die door zijn vele kwalen ’s nachts niet slapen kon. Toen hij terugkwam, was zijn zwarte haar spierwit geworden. Weet je hoe dat kwam? De duivelbanster had hem gezegd: dat, als er nog meer werd gestolen op Urk, hij van iedere vinger de helft zou verliezen, als hij het waagde, nog een nacht wakende door te brengen. Na dien is er nooit meer een Urker naar haar toe gegaan.” ,,En dan is er nog het mannetje met de steek. Dat was een domine, die op Urk zou preken, maar door het razen van de zee zijn preek vergeten was. Toch wilde hij evengoed een grote geldsom voor die preekbeurt hebben, maar hij had alleen maar verteld, wat alle Urkers al lang wisten, want hier op het eiland zijn ze allemaal een beetje domine. Maar omdat ze een vredelievend volk waren, hebben ze hem het geld toch maar gegeven. Een paar Urkers brachten hem naar de wal terug, maar midden op zee hebben ze hem overboord gezet en hem eerst zijn geld afgenomen. En nu dwaalt zijn geest elke nacht over het eiland en wee degene, die hem tegenkomt en voor wie hij zijn steek afneemt. Want dan gebeurt er meestal een ongeluk.”

„En nu het allerergste: Jullie weten, dat Petrus de sleutels van het Hemelrijk bewaart. Hij zit aan de poort en laat de goeden binnen en stuurt de kwaden terug. Door een vergissing waren er een paar Urkers in de hemel gekomen, die daar helemaal niet thuis hoorden. Petrus zat er vreselijk mee in en hij was wat blij, toen er kort daarna een oud Urker schippertje voor de poort verscheen en vroeg of hij binnen mocht. ,,Dat kan," zei Petrus. ,,Maar dan moet je mij eerst een middeltje aan de hand doen om drie roerige Urkers kwijt te raken.”

Het oude mannetje krabde zich driemaal bedenkelijk achter het oor en toen wist hij er ineens wat op. ,,Wie zijn het?” vroeg hij, en Petrus noemde de namen van de ongenode gasten. Toen begon het oude mannetje zo hard als hij kon te schreeuwen: „Mannen een sjouw! Een schip op de vorm . . . !”

Zijn stem kwam nauwelijks boven het hemelgeruis uit, maar de Urkers hadden het gehoord en renden zo hard ze konden de hemelpoort uit. Want jongens, jullie weten wat een ,,sjouw” voor de Urkers betekent.”

De gezichten der kinderen, die in felle luistering naar de meester opgeheven waren, ontspanden zich dadelijk. Of ze wisten wat een sjouw was!

52

,,Meen taote et 'r ongerlest nog dartig blanke risdaolders an verdiend en oenze kelder zit nog half vol met breune sukker, flapt een der jongens er uit.

„Stil toch,” schrikt meester en hij heft vermanend de hand op. Maar de rappe tong gaat verder: ,,Buurman Geert et n hiel vat met suurp en hij maakte ruzie met m’n taote en toen hewwen ze ’s nachts het vat iedere keer heene en omme erold en de angere dag kwam de pelisie ut haolen. Maar m n mimme en buurvrouw bakken toch evengoed suurpsteken, zovuul assen me lusten. Maar het lekkerste veen ik die rooie wijn eut het grote vat.”

De kinderen joelen van plezier. Meester legt hun gebiedend het zwijgen op. Van de stilte maakt Snibbetje gebruik om te vragen: hoe het de Urkers gegaan is, die uit de hemel waren gelopen.

„Maar Snibbetje,” zegt meester verwonderd, „het zijn toch maar legenden?”

„En je zeenen zelfs dat ze er eut eloepen wazzen,” houdt Snibbetje nog aan.

De klas is weer rumoerig en het antwoord van meester blijft uit. Nu zal hij ook wel niet kunnen vertellen, hoe het met dat overbakken in Makkum zit.

Als de kinderen naar huis zijn gegaan, treuzelt Snibbetje nog wat en met een vleiend stemmetje zegt ze tegen meester: ,,Ik wou het zo graag, ziet u, dat van dat bakken in Makkum. Taote moet toch ’n egen dorde-man hewwen?”

Nu begrijpt meester de toestand. Troostend legt hij zijn handen op Snibbetje’s hoofd. „Het is wel jammer, dat het niet kan he, maar ach je zou toch immers geen echte derde-man zijn?"

Snibbetje lacht weer vrolijk. ,,Met een onechte zou ie ok wel bleede wezen. Ik zal durs vragen, of ie mij er hene bringt.” De ouwe meester schudt het grijze hoofd. Is dit nu het resultaat van zijn welbestede schooltijd?

Snibbetje hangt vertrouwelijk aan zijn arm, als ze samen de school uitgaan. Onder haar vrolijk gesnap door peinst meester wijsgerig: „Ja, zo zijn de Urkers. Je kan praten wat je wil, maar niemand krijgt de Urkers van hun ideeen af. Zoals het water, vlak aan de kust, vertroebeld wordt door het zeewier, zo ragfijn wordt hun overigens gezond en helder denken omsluierd door het voortlevend bijgeloof.”

Meester is een autoriteit op het eiland. Zelfs de stugste Urker

53

ontkomt niet aan zijn gezag. Zij voelen zich altijd nog zijn oud-leerlingen. Hij houdt een boom van een kerel staande en zegt met een vaderlijke bezorgdheid: ,,Denk erom, Jelle, Woensdag moet je voor het gerecht. Mijn verzoek om je er buiten te houden, is op niets uitgelopen. Ga je, m’n jongen?” ,,]a mester,” klinkt het gedwee. En tegen een ander: ,,Willem, je hebt voorlopig vrijstelling van de dienst gekregen. Vanmorgen ontving ik het bericht. Ben je er blij om, jongen?” ,,Vanzelfs, mester,” antwoordt Willem verheugd. ,,Maarten, een getrouwde kerel hoort niet op de knikkerbaan.”

„Och, wat zou dat, mester?” ,,Het hoort niet denk er om.” Snibbetje denkt er om, als zij de rrr’s van meester hoort rollen. Niemand kan dat zo indrukwekkend als hij. Onderwijl bekijkt zij meesters jas, die een onbestemde kleur heeft. Niet groen, niet grijs en niet zwart. Toch vindt Snibbetje die jas prachtig, want hij hoort bij meester en van meester houdt zij heel veel. Niets verduistert Snibbetje’s gelukshemel. Vrolijk springt ze naar huis, maar daar tuimelt ze terug in de werkelijkheid, als ze Mimme's bars bevel hoort: „Alla Snibbetje, goon effen nor de Ratja en vraag, of ie tien vurse eieren moet.” ,,Jakkes, protesteert Snibbetje, ,,angere kiengeren maggen spuulen en ik moet altoos van die naore dingen doen.” ,,Ei daor, gien tugenkrosies," en voor zij erop bedacht is, zet Mimme haar bij de schouder de deur uit. Naar de Ratja gaan is het ergste wat Snibbetje weet. Waarom kan Mimme nou niet buiten de klandizie van die vreemdeling? Ze kan haar eieren toch wel kwijt aan het eigen volk? Die oude Ratja moet altijd een paar centen meer geven; dat kan hij wel missen, want hij heeft drie gouden ringen aan zijn vingers. En hij heeft een lange witte baard, waar Snibbetje als de dood zo bang voor is. Tergend langzaam loopt zij door het gootje, dat vol zeepsop vanwege de wasdag is. Mimme's dreigende vuist maant haar aan tot spoed, maar zij beklaagt zich toch nog tegen de ijverig wassende buurvrouw: „Ik moet nor de Ratja . . .” „Om een bietje, soms? Das geen wark voor kiengeren.” ,,Drank?” zegt Snibbetje verontwaardigd. „Dat gebruikt m'n taote niet. Ik moet met eieren goon, maar ik durf haost niet.” ,,Nou, hij vrit je niet op, keend,” zegt buurvrouw troostend.

54

Toch kan Snibbetje haar gevoel van afkeer niet overwinnen. Ze repeteert onderweg, wat ze tegen de Ratja zeggen zal. ,,Wilt u . .Dat „u” moet ze straks niet vergeten, want dan laat de Ratja het haar desnoods zes keer overzeggen, net als de laatste keer. Als ze bij het huis komt, gaat de deur al open en Snibbetje staat tegenover de gevreesde man. ,,Wilt u. .. wilt u tien eigen-gelegde eieren hebben? Ze kosten . . .” Verder komt ze niet. De Ratja lacht zo griezelig. „Wilt u ..." zegt ze nog eens, maar de woorden blijven haar in de opgekropte keel steken. Bah, wat heeft die Ratja een gloeiende ogen en wat kijkt hij spottend! Hij buigt zich voorover en die gevreesde baard komt vlak bij Snibbetje’s gezicht. ,,Zeg het nog eens, Snibbetje,” zeggen de dunne lippen spottend.

Dat is te veel. ,,Vremde snuut,” Scheldt het meisje driftig en zij rent hard weg. ,,Breng er maar tien,” roept de lachende stem haar nog na. Snibbetje slaat haar boezelaar voor het gezicht. Hete tranen dringen in het bontgekleurde schort. Die Ratja. Wat wil hij van ons? Die vreemde helhond! Nooit zal Mimme er haar meer toe krijgen om naar hem toe te gaan. Vastbesloten stoot zij haar uitgeschoten klomp weer aan haar voet en rent snel naar huis. ,,Hij wil er tien, maar direct,” roept zij in de deur. „Mooi zo,” zegt Mimme. ..Bring ze dan effies weg.” Maar eer Marretje de eieren in een grauw-papieren zak heeft gepakt, is Snibbetje uit haar gezichtskring verdwenen. Zij snelt naar de haven en hijst zich aan boord van de oude 353. „Net op het nippertje," zucht zij tevreden, als zij ziet dat vader en de knechts aanstalten maken om de haven te verlaten, en de netten in zee te brengen. Gerrit kijkt haar onderzoekend aan en zegt hoofdschuddend: ,,De goddelozen groeien de rozen op de schoenen. Ik geloof, dat ut beter was as ik je naor heus stuurde, Snibbetje.”

„Hoe wiet je dat?” vraagt Snibbetje verschrikt. ,,Ik zien het aan je gezicht. Dink je, dat ik mijn ogen in m’n diezik hew?”

„Maar je sturen mun toch niet voort, wel? Jie hewwen ommers ok een hekel an de winkel?” lacht zij overmoedig, als zij de spotlichtjes in vaders ogen ontdekt. ,,Hoe kuun je het zeggen, Snibbetje,” roept Gerrit overdreven verontwaardigd uit. Nu weet Snibbetje, dat het goed is. Zij gaat bij het roer zitten

55

en voelt zich weer gelukkig. De zon glanst zo mooi over het wijde water. Heerlijk is het, om met vaders schuit onder de voeten de ruimte in te varen. Zij laat het eiland met zijn moeilijkheden en zijn oude geniepige Ratja met een behagelijke zucht achter zich. Vader ziet er vandaag ook gelukkig uit. Hoor maar, hij zingt. „Mijn God, ik zoek U, met verlangen. Zodra wij het morgenlicht ontvangen, bij ’t krieken van de dageraad.”

Zou vader naar God zoeken en Hem niet kunnen vinden? Waarom zingt hij thuis nooit? Misschien vindt hij Hem hier wel gauwer, dan thuis of in de kerk. He, als Snibbetje nu eens vaders derde-man kon worden, dan zou ze altijd bij hem zijn.

Het is, of vader haar gedachten raadt, als hij plotseling zegt: „Nou, hoe dink je over Makkum?” ,,Dat bin grote leugens,” zegt Snibbetje beslist. „Alle visserlui jokken en de mester zegt, dat het komt omdat ze het Keuzer almanak lezen. Dat is de grootste leugenzak.”

,,Met je mester hew ik niks te maken,” antwoordt vader. ,,Vertel me maar durs, welke koers goonen we nou?”

„Dat hew ik ommers nou nog niet te wieten? Dat kan laoter nog wel, as ik. .” De rest gaat verloren in een gierende windvlaag, die plotseling aansuist uit een donkere wolkenmassa.

,,Goon naor om leges, in ’t vooronger, er komt een onweersbui.”

Maar vastbesloten antwoordt ze: ,,Ik bleeuf liever bij joe.”

Toch staart ze met een benepen gezichtje naar de inktzwart wordende lucht en zij huivert bij de geheimzinniggierende fluittonen van de opkomende storm. Zij hebben haar een bombazijnen baadje omgeslagen en het is maar een klein hoopje mens, dat daaronder ineenkrimpt. Hoge, nijdige golven. Grijs strekt de zee zich uit onder de aard-donkere hemel. Felle bliksemschichten springen er uit. Vertwijfeld kijkt Snibbetje naar vader. Zou hij nu helemaal niet bang zijn, zo alleen aan boord? De vlet met de knechts danst heel in de verte als een wilde notedop op de korte, sterke golven. Maar vaders gezicht is even rustig als altijd. Zijn ogen gaan spiedend rond. Maar geen angst leest zij van zijn mond. Gesmoord vraagt Snibbetje: ,,Taote, binnen ze nog niet gauw klaor, dorginter?”

Geruststellend zegt de man aan het roer: ,,Wees maar niet bange, Snibbetje, het is maar een buie.”

56

Grappig steekt haar wipneusje uit het oude baadje. Het ziet blauw van de kou. Adembenemend giert de wind er langs. Dieper trek Snibbetje haar kopje tussen het harde bombazijn. Alleen de strakke ogen gluren er tussen uit en laten geen blik af van Gerrits verweerd gezicht. Dat gezicht is Snibbetje s troost en toeverlaat. Wie zou er temet bange zijn als vader het toch ook niet is?

Gerrit merkt duidelijk, hoe Snibbetje haar angst verduwt. Zo n derde-man toch! Die kan hij toch niet zo alleen laten tobben!

Luchtig roept hij haar toe: „Allee Snibbetje, je moeten miegieven met ut slingeren. Niet zo steeuf bleeuven zitten, je likken Jaoukien, de neister, wel!”

Dat is teveel voor Snibbetje. Zij rekt zich uit en laat zich nu gemakkelijk meeveren met de slingerende hotter. Wat zal Mimme kwaad zijn, dat zij met vader in dit weer is meegevaren!

,,Het zal wel loslopen,” troost Gerrit. Ze varen, als het weer bedaard is, de haven in en zoeken zich een weg langs de kade, waar denderend de haringtonnen rollen. Visserlui van allerlei slag, Bunschoters en Huizers in hun blauwe kielen, Markers in hun rode hemden, lopen elkaar in de weg. Gemoedelijk vloeken de Volendammers en Friezen. Ieder rept zich haastig, smijt met kisten en touwwerk en menige ruzie ontstaat tussen de mannen. ,,Schelden kunnen alle mensen toch evengoed, he Snibbetje?” ,,Zo arg as de Volendammers kan Mimme het gelukkig toch niet,” troost Snibbetje zich. Maar de thuiskomst valt deze keer bijzonder mee. Zij treffen Marretje in een ongekende milde stemming. Zozeer hebben de cijfers haar toch niet te pakken, dat er geen plaats zou zijn voor het persoonlijke leed dat haar boven het hoofd hangt.

Met droeve stem zegt zij tegen Gerrit: „Kom an, goon mie; ’t got met m’n ouwe taote op het leste en dan horen we er samen te wezen.”

Schemer daalt over het eiland, als zij de bekende weg gaan. Snibbetje nestelt zich behagelijk in vaders leunstoel. Zij koestert zich bij de kachel en denkt aan de wondere dingen, die een kind in een dag beleven kan. Grootvader gaat dood. Dat is de oude man, die haar altijd over het hoofd zag. Aan grootvader heeft ze het te danken, dat Mimme haar geen standje gaf.

Zwaar worden haar oogleden. De tocht op zee werkt na.

57

Langgerekt geeuwt Snibbetje en zij weigert om met Lumme mee te gaan naar de stal. ,,Snibbetje,” waarschuwt Lumme. ..Aanstoens bin je wier bange as ut hielemaol donker wordt.” ,,Gerust niet. Van de middag op de ziee was ik ok niet bange. Ik zal nooit, nooit meer bange wezen, Lumme.” Zij vlijt haar kopje tegen het kussen. Hier is het veel beter dan in die stal, waar zij zo vaak schrikt van allerlei geheimzinnige ritselgeluiden. Zou grootvader nu al dood zijn? De ziel gaat nooit dood, zegt de meester. De ziel. . . ? Waar zou die toch zitten? Misschien wel onder aan je rug. Buurvrouw Geeske zegt wel eens tegen haar jongens: ,,Ik zal je op je ziel komen." Zou je nou regelrecht naar boven zweven als je dood gaat? Maar dan moet er toch ergens een luikje in de hemel zijn, waar je door kunt. Misschien wel achter de vuurtoren, waar de zon ondergaat. Daar is de lucht zo mooi. Allemaal goud en oranje. Doezelig denkt Snibbetje verder. Moeilijk is het, om daar boven te komen. „Je moet de wet houden,” zegt Mimme. Zondag gaat dat wel, maar in de week .. . Vandaag met die eieren van de Ratja .. . Nee, het valt niet mee, om de wet te houden. Diep en donker worden de schaduwen in de kamer. Snibbetje voelt zich beklemd. Zij probeert met alle geweld haar ogen wijd open te sperren. De wet van Mimme . . . zou grootvader nu al bij het poortje zijn? Je moet elkaar liefhebben, staat in de wet. Had grootvader haar lief? Hij keek toch altijd over haar heen. Voor het eerst heeft Snibbetje een warm gevoel voor grootvader. Een vreemde vergevensgezindheid maakt zich van haar kleine hartje meester. Doodgaan is erg . . . Een zwarte kist en een diepe kuil. . . Angstig knippert Snibbetje met haar ogen. Zij wil niets van die begrafenis zien . . . Wat is het naar, zo alleen in de kamer. Waarom zouden vader en Mimme samen uitgegaan zijn? Dat doen ze anders toch nooit? Hulpeloos vecht zij tegen haar angstige gedachten. Het bijgeloof van haar volk, haar vrees voor het duister, overmeesteren haar. Roerloos zit zij in de wijde stoel en de handjes omklemmen krampachtig de leuning. Zou het toch allemaal leugen zijn, dat geklets over toverij en ,,voorbereiding”?

,,Ik wil niks zien,” stamelt een saamgenepen kindermond. Vanmiddag was alles nog zo mooi en licht en toen stormde het nog wel, maar toen was vader er.

58

In droom-doezel ziet zij vaders gezicht. En er komt plots een vredige glimlach om haar mondje. Het strakke lijfje ontspant zich en het hoofd zoekt een nieuw steunpunt. Krulletjes hangen over haar voorhoofd, maar geen driftige hand duwt ze weg, want Snibbetje dutoort zachtjes in. De avondklanten komen binnen. Dat is zo de gewoonte. In de kamer wachten ze dan, tot Mimme de melk in de winkel brengt.

Ouwe Reinier is geruisloos gaan zitten. Van Reinier zal de drukte in het leven niet komen. Hij laat het blauwe emmertje tussen zijn knieen bungelen. Maar Schokker Ole zet zich snuivend en druk gebarend met haar pan naast hem en zij moppert over de donkerte. Geeske voegt zich met haar luidruchtig ..genavend” bij hen en dan volgt schuifelend Griet, de weduwe. Er komen er nog meer, maar deze vier heeft Snibbetje de ,.avondklanten” gedoopt en nooit is ze bij hen weg te slaan. Hoe jammer vindt Lumme dat. Haar hoofd rust tegen het schonkige koeienlijf en zij kijkt nu en dan met verlangen naar de deur, of zich niet een klein figuurtje vertoont, om haar gezelschap te houden. Die Snibbetje toch! Ze houdt het maar vol in haar eentje. Mopperend bekent Lumme zichzelf: ,,Snibbetje kan het wel alleen af, die heeft mij niet meer nodig.” Lumme mist het gezellige gebabbel van haar zusje. Maar troost zich omdat zij toch van Snibbetje’s genegenheid overtuigd is. Glimlachend herinnert zij zich, hoe Snibbetje met haar klomp een jongen van Geeske finaal een gat in de kop geslagen heeft, omdat die had gezegd: „Die Lumme, dat is d’r gien ien van joelui. Das maar een stiefzuster.” Met een krachtige straal spuit Lumme de melk in de emmer. Haar bezorgde gedachten gaan naar Snibbetje uit. Een driftkop is het. Wat moet er van het kind terecht komen? Nergens trekt zij zich iets van aan. Marretje’s heerszucht en vaders sombere buien gaan langs haar heen. Snibbetje leeft voor zichzelf. Waarom komt ze nu niet hier, om haar wat op te vrolijken?

Lumme is zo moe. Zij laat het touw in de diepe welput vieren om haar beesten te drenken. Wel twintig vademen. Dit is nu al de derde emmer voor de rooie. Wat een zatlap is dat! ,,Hier, niem dissen ok nog maar,” mompelt ze tegen de koe. Strelend gaat haar blik langs de rij grote koppen. Dit is haar domein. Hier regeert Lumme zonder ooit tegenspraak. te hoeven vrezen.

Proestend van het stof, verdeelt zij het hooi tussen de beesten.

59

En als ze zich dan een ogenblik rust gunt, laat zij haar gedachten de vrije loop. In jaren is het niet gebeurd, dat Marretje en vader samen uitgingen. Stil is het in huis, nu de harde stem van de vrouw er niet gehoord wordt. Nu zal Lumme vanavond ook Marretje’s werk nog moeten doen en dat zal niet meevallen, want verbeteren doe je’t haar zo gauw niet. Zou die ouwe Monarch nu al ter ziele zijn? Hij gaat er toch ook maar netjes aan en dat is maar goed ook. De dood is voor alien gelijk. Niemand kan hem ontlopen. De rijken niet en de armen niet. Marretje, die hoeft niet voor de begrafenis te zorgen, zoals ze eens deed voor Lumme’s eigen Bessien. Dat kwam alleen, omdat ze daar de kerk buiten wilde houden. ,,Ja, natuurlijk,” knikt Lumme. ,,Marretje is nog trotser op haar wark dan de duvel op een nije zunde.” Lumme heeft respect voor Marretje. Zoals die dit oude verlopen spulletje heeft opgewerkt, dat flikt haar niemand na. „Hou op met je liefde,” gelast zij de rooie, die met zijn lange tong aanhalig langs Lumme’s arm strijkt. „Stamer jie misschien ok?”

Stil zucht ze voor zich heen. Kon ik mij daar maar overheen zetten!

Haar rode armen rusten vermoeid in haar school. Lumme spint verder aan haar droom. De ouwe baas, een lastige klant. Wat een standjes had zij al te verduren gehad. Nu is dat alles voorbij. Zijn dagelijkse gang op de zwarte sloffen door het huis, zijn alziend oog Lumme behoeft het niet meer te vrezen.

Op haar vingers rekent zij uit: Als hij nu niet te gaauw sterft, dan kan hij nog tot Maandag boven de aarde staan en dan heeft hij er nog een Zondag bij. Dat is goed in Lumme’s ogen. Op Zondag klinkt de troostrede bij de kist gewijder dan tussen het geraas van de arbeid door. In Lumme’s ogen tintelt een warm licht, als zij de olielamp uitblaast en de stal verlaat.

Uit de kamer klinken de stemmen tot Lumme door. Ouwe Reinier zit Snibbetje te plagen. ,,Bin je altemet rozig? Dat je daor zo bij de kachel zitten?” En Griet vraagt belangstellend: ..Waorumme zit je daor zo alliendig?" Schokker Ole geeft het antwoord al: ,,Marretje en Garrit die binnen naor de ouwe Taote. Hut got nar het intjen mit hum. Woor is 'n mins toch vor op de warreld, zou je zeggen.” 60

,,Nou Ole, as ’n mins zuvenenzuventig is, dan mag ie z'n aand steef dichtknepen.”

,,Ja, mar Giesien, jie niemen het leven van de lochtigste kaant, mar ik denk angers over die dingen. ’n Ziekbedde is arg. Mins, ik hew nou m’n dorde man al en toe hij me vroeg, wist ik ut mar niet. Mar toe ik iemal wist: as die man ziek wordt, dan zou ik hum toch wel willen beredderen, toen hew ik ok direct „ja!” ezegd.”

Schokker Ole knikt zo zelfvoldaan, dat Geeske hoont: „Das zieker een bizonger soort liefde dan, want wie dinkt er nou om zukke dingen. Gief mij maor een gezoende vint. Die kiek je tenminste ok nog ereis angers an.” ,,Hou je ontuume taol, Geeske,” bestraft haar Griet. ,,Wat laoten ze oens hier vanavud in hut donker zitten. Een mins zou bange worre. Ik docht wel, dat Marretje 'n slag zou treffen. De hoenden liepen van de week zo om het heus te julen. Das nooit goed en ik hew . . ,,Amen, met je gemieter over voorbereidingen. As je niet altoos de kark alliendig van beuten had bekieken, dan ha je daor gien last van,” berispt Ole haar. „Ja maor, daor bin ik mee behept, omdat m'n ouwe Bebbe is 'n man tugenkwam, zonger hoofd.” ,,Hoe Heertjen!”

Geeske's leutige lach klinkt boven alles uit. ,,Zeen die vint ok nog genavend? Omdat hie toch gien hoofd hadde, het ie toe jou zieker ’n helm op ezet en nou zien joe maar as ’n anger mens.”

,,Stille toch,” wijst de ouwe Reinier de vrouwen terecht. ,,Hoe kuun jelui daor nou nog omme lachen? De minsen lachen tugenswoordig overalle om. Wat zal dat wat worren as onze laand nog es an de vaste walle vastkoemt.”

„Dan wordt het nog arger, ouwe, dan dansen we zo levendig de helle in. Je zullen es wat zien, als dat grappien begint, want oenze volk dut zo graag mie.”

„Ik geloof, dat je hut nou wel ’n bietsjen te arg maken. Jong volk doet vanzelf graag mie en ze trekken er hurluis veurdeel eut. Ik kreeg van de week de polisie ok nog, omdat oenze Jan ’n ouwe paol van de ziewering meenam vor ’n braandoutjen. Ze hewwen die dingen aardaags toch niet maar nodig. Wat maakte die vint ’n kouwe drokte. Ik zeg: man, waar bemuui je je mie en ik wordt vanzels een bietje kwaod, mar ik docht: lot ik me niet bezundigen; ik hew um toe allien m’n huffien uutejoegen. Mins, hij wupte over de ongerdeur, toe

61

ik op hum ofkwam. Nou kiekt ie m’n an as de klinkklore boze."

„Is hut soms om wat angers dat ie zo nor joe kiekt?’’ veronderstelt Geeske als ze opstaat omdat Lumme roept: „Kom jului!” ,,Gauw,” maant Geeske. ,.Angers doet ze er weer botemelk bij en dat blauwe waoter uit Kaampen moet ik niet hewwen. An de vaste walle, daar binnen ze schoner as wij. Daor wassen ze de melk en misschien doet Marretje ut nog wel ’ns over.' ,,Geeske toch,” klinkt de oude rustige stem van Reinier. „Zo is Marretje niet. Zeef ze maar niet, Lumme, want we hewwen haast.”

De klanten verdringen zich om Lumme heen. ,,Waarom liet je ons disse keer zo lange wachten? Toe ’n bietjen gaauwer.” Lumme werkt stug en onbewogen door. ,,Er is gien aerdigheid an die meid,” meent Ole, als ze naast Geeske het huis verlaat. ,,Je moeten haar kennen,” zegt deze, met de klink van haar deur al in de hand. ,,Wat blief je wier lange weg. De laamp et eloeft en er is een doek verbraand,” begroeten haar de kinderen. Maar Geeske laat zich niet van de wijs brengen. „Uit de weg,” zegt ze, ,,de panne moet op het vuur.” „Is de melk dan niet vurs?” vraagt een kleine wijsneus.

„As ik dat maar geloven kon,” zegt Geeske, met haar guile lach, die haar over alle beslommeringen des levens heenhelpt. Schokker Ole doopt driemaal haar vinger in de lauwe melk. ,,Marretje zal de minsen alteeud vor de gek houwen en ze et ut Lumme ok al elaard. Nou zit ik me daor een uur te wachten, en wier gien vurse melk.”

Zij schudt haar hoofd over zoveel onrecht. Zij klaagt tegen de oude Reinier: ,,Het is wat te zeggen, die Lumme toch, he?”

Maar de oude Reinier is doof en hij begrijpt Ole verkeerd. ,,Rust,” zegt hij. ,,Nee, rust et Lumme nooit. Die meid warkt altoos.” ,,Das gezoend. Stille zitten en meemeren, das nargens goed vor,” meent Griet en ze slaat snel een zijsteeg in.

Reinier zucht: ,,Rust is goed voor oude minsen zoals ik.” Als hij zijn woning heeft bereikt en de steun van het hekje voelt, heft hij het gerimpelde hoofd op naar de flonkerende pracht van het sterrendak. Een heldere nacht en een flinke bries.

62

Goed weer voor de kuilers. Hoeveel nachten heeft hij niet doorgebracht op het wijde water met dit schitterende sterrendak boven zich? Hoeveel donkere nachten ook niet? Dat hij na dit bezige vissersleven een rustige levensavond geniet, stemt Reinier tot vrome dankbaarheid. Voorzichtig zet hij het emmertje op de grond en hij grabbelt in de wijde broekzak naar de apenoten, die hij elke avond voor zijn kleinkinderen meebrengt. ,,Mijn goede raad nemen ze niet zo gretig aan als de noten, peinst hij met een glimlachje. Jeugd en jonkheid het is al ijdelheid. Jeugd weet niets van het leven. Niets van de moeiten. En dat is maar goed ook. Met een zeker verlangen richt hij nog eenmaal de blik naar boven. ,,Wie weet, hoe gauw ik daar zal zijn. Geen zorgen meer. Mijn stap wordt weer vast en mijn ogen weer helder en ik zal er kunnen horen naar Gods stem. Mooi zal het zijn, daarboven .”

De oude man strompelt binnen en er ligt een glans van oneindige vrede over zijn verweerd gezicht. De kinderen stoeien om hem heen en grijpen naar de noten die grootvader uitdeelt. Thuis deelt Lumme de lakens uit. Zij is nu baas. ,,Snibbetje, zoek je kooi!”

Janneke en Mietje zijn thuisgekomen en Lumme maant hen aan om rustig te gaan zitten. Want ze moet het gewichtigste deel van het avondwerk nog doen. Met een ernst, die Marretje haar ingeprent heeft, neemt ze het vetbeduimelde boek en zet zich met een zekere plechtstatigheid in moeders stoel. „Alla Jannek, wat gaf jie vandage op de pof?” Janneke somt slaperig de boodschappen op. Nu en dan maakt Lumme een opmerking. ,,Wiet je ut zieker? Wat zeg je daor? Gien koffie vandage? Dat is niet mugelik." Lumme is de alwetende. Mietje kijkt haar bewonderend aan en probeert haar over te halen om haar aandeel ook maar op te schrijven.

Maar Lumme denkt er niet aan en laat haar gezag gelden. ,,Komt er vanavud nog wat? Of wiet je wier niks? Doe dat boek nou dicht. Romannen lezen en zaken doen dat got niet.”

Hakkelend begint Mietje: „Aan ouwe buurvrouw Jans hew ik ’n poend zout egieven.”

„Kan niet,” zegt Lumme. „Die et van d’r leven nog nooit voor 'n steuver epoft.”

„Nee, nee, die was ut ok niet. Ik hew ok nog spek en een paor klumpies egieven.”

63

,,Wie was dat nou?" „Ik wiet ut gerust niet maar, Lumme, want ik mos nor de Ratja en toen kwam ik Kees tuugen.” ,,Stop,” zegt Lumme kortaf. ,,’t Zal Geeske ewest hewwen, want die et vast niet betaold. Ze had disse week maar veertien gulden voor haar part, dus . . De dikke cijfers in het boek stellen Lumme’s oordeel over Geeske’s huishoudkunde vast. Naarstig werkt het meisje door, tot de boekhouding in het reine is. Eindelijk is het stil in huis geworden. Lumme voelt zwaar haar verantwoordelijkheid, nu ze hier eenzaam zit te wachten. Wat biedt haar het leven? Enkele karige vriendelijke woorden van Marretje, een blik van verstandhouding van vader, het vertrouwen der oudste meisjes en de wispelturige liefde van Snibbetje. Lumme beseft haar onmisbaarheid. Zij denkt na over de mensen en de dingen, waarin zij op haar stugge manier belangstelt. Daar is Evert, die nog altijd op haar wacht en zijn aanzoek al zo vaak herhaald heeft. Dan zijn er vader en Marretje. Zou het sterven van Marretje's vader verandering in hun leven brengen? Gerrit is toch eigenlijk een stijfkop, om de vrouwen zo alleen te laten ploeteren. Marretje, och, die moet je kennen. Rustig glijdt haar naald door de grove kous. Liefde is toch een raar ding. Als het toch eens goed kwam tussen die twee! Haten ze elkaar nou of niet? Als vader zijn schuit eens aan kant dee, dan zou hij haar werk kunnen overnemen. Die Evert dat stotteren, ach, dat is net als die dikke bobbel in haar stopdraad. Daar moet je ook wat harder aan trekken om hem er door te krijgen. „Dat dacht ik wel,” moppert ze, als de draad plotseling afbreekt. Nu moet ze weer een nieuwe in het nauwe oog van de naald brengen. Maar de draad van haar mijmerende gedachten kan zij niet meer opnemen. Op haar fijne, stille gezichtje speelt een glimlach, een glimlach, die Lumme’s hoop in de toekomst verraadt.

Een kamer is half donker gemaakt. Een man gaat scheiden uit het leven. De kinderen staan rondom. Niet een bleef er achter. De veten zijn vergeten, zij strekken zich niet uit tot aan het graf. Opvliegende naturen zijn ze, echte eilanders, die een kwaad woord niet binnen de wal van hun tanden kunnen houden. Haatdragend is echter geen van hen. Een grote, grijzende vrouw kijkt de kring harer kinderen rond. Hoe gelijken zij alien de vader. Zorg hoeft zij zich niet meer 64

over hen te maken. Alleen Marretje.,. die koele ogen en zelfbewuste trek getuigen niet van een waarachtig geluk, zo dit al op aarde kan bestaan. Beheersen doen zij zich alien. Het is goed, dat dit hun reeds vroeg geleerd werd. Zelfbeheersing, het enige wapen dat de moeder ze kon meegeven in de strijd die ze zoeken, omdat het hun in het bloed zit. Heersen willen zij over geld en goed, mens en beesten. Maar de moeder heeft hun geleerd, allereerst zichzelf in bedwang te houden, opdat zij niet de slaaf zouden worden van aards bezit en karakterzonden. De moeder wist, dat de kinderen naar hun vader aardden. Alle eigenschappen van haar man vond zij in haar kinderen terug en zij heeft die naar beste weten bestreden. Trots zijn ze geen van alien. Heerszuchtig is ieder hunner. ,,Zo wil ik het.” Van wie ze dat toch hebben? Zo hevig had de vader het niet, die veel aan haar over liet. Rijpe vruchten had zij geplukt van zijn doorzettingskracht, waar zij trots op was geweest. Het werkelijk regeren van het huishouden was steeds haar deel geweest en toch, ondanks haar strengheid, had vader onberekende dingen gedaan, als wilde hij onder een last uitglippen.

Even neigt zij het grijze hoofd. De lippen prevelen stil: „Hew ik je te vuul willen bedisselen, mijn beste? Hewwen zij die zundige trek ok van mij? Ik hew er joe van beschuldigd. Dat ik dit nou pas ontdek. Wat 'n geduld hew je met mun ehad. Je mossen ut mun nou maar vergieven, want ik wist niet dat ik zo was."

Zachtjes beroeren haar handen zijn bezwete voorhoofd. Dan sluipt zij stil en bedroefd weg uit de kring. Alleen Marretje volgt haar en zucht bedrukt bij de wenende oude vrouw. ,,Laot ut verstoon van enkanger niet wachten tot je oud binnen, Marretje,” klinkt het waarschuwende woord als de ergste droefheid geluwd is. ,,Je binnen soms zo wonderlijk in je doen en laoten. Ik dink vaak over joe.”

Een ogenblik verdwijnt de harde, zelfbewuste trek van Marretje’s gelaat en het wordt aantrekkelijker dan het in haar jeugd ooit was. Met teer gebaar troost zij de oude vrouw en met ongewone zachtheid zegt hij: „Ik zal m’n weg wel veenen, bekommer je niet over mij.”

„Je binnen niet alliendig, zoas ik nou, zul je daor omme dinken?"

„Ik beloof het,” klinkt het eenvoudig.

65

Het is voorbij. .. Bedaard zitten ze bijeen en bespreken de dingen, die gedaan moeten worden. Temidden van al die rustige, zakelijke mensen toeft Gerrit en hij zwijgt. Welwillend trachten zij hem te betrekken in hun besprekingen, maar hij vraagt vriendelijk: ,,Laot mij er maar beuten. Jului kuunen dat zelf wel of doen.”

Toch spreekt dit beslist afwijzen niet van onwil, maar Gerrit spreekt alleen mee op zijn eigen terrein, anders niet. ,,Kom an, Marretje, wij moeten naar heus.” Gerrits ogen zoeken de bedroefde oude vrouw en zijn hart gaat uit naar de stille, ineengedoken gedaante. Hij doet zich zelf de belofte, dat hij haar eenzame uren zal verkorten. ,,Kom an nou!” dringt hij nog eens aan. En dan gaan door het nachtdonker twee mensen. Er is iets weemoedigs in hun gang. De vrouw tracht haar korte, driftige passen te regelen naar de langzamer regelmaat van de man. Marretje zoekt al tastend naar het steunpunt op zijn brede broeksband. „Wacht effen, ik kan je huup niet vinnen.” „Tien jaar is ook een lange teeud, Marretje.” Klinkt dit als een klacht of als een verwijt? Is dit Gerrit, die zich nooit uitlaat over zijn diepste gevoelens? ,,Het zal m’n Mimme ok niet mievallen.” ,,Alliendig goon valt nooit miee, Marretje.”

Door haar denken druist, als de maat van haar ongelijke gang: ,,Tien jaar . .. een lange tijd. Liet ik hem tien jaar alleen?” Zwaar is het in haar hoofd. De pas doorleefde emotie heeft haar vermoeid. In een ongeweten hoekje van haar hart kiemt een vage belofte. Marretje verzet zich er niet tegen. ,,Wat is het koud he?”

Dit zwijgend naast hem voortgaan werd haar te beklemmend. ,,Het is nog vroeg in het vuurjaor, dan kuun je nog gien zoele nachten verwachten.”

,,Zo is het,” stemt zij toe.

Toch heeft Marretje een onvoldaan gevoel. Verwacht deze man dan werkelijk niets meer dan een praatje over het jaargetijde? Zou hij ook in hun leven niets meer verwachten dan de koelte van de komende levensherfst?

Gerrit ziet niet de raadselachtige glimlach om de mond van de vrouw die naast hem schrijdt en wier wezen zo moeilijk is te doorgronden. Toch weet Gerrit, dat zij hem de eenzame jaren kan doen vergeten als zij wil.

Met een ruk opent hij de deur voor haar. Lumme’s nieuwsgierig opzien doet hem zeggen: ,,Het is verbij.”

66

,,Das vlug,” is alles wat Lumme antwoordt.

Kort en zakelijk brengt zij Marretje verslag uit over de avond en eindigt: ,,Alles ging goed.”

,,Dat wist ik wel,” zegt Marretje vermoeid.

Ditmaal kibbelen zij niet. Deze stille, wederzijdse waardering zegt meer dan woorden van rouwbeklag.

Plotseling wordt het bedsteegordijn in driftig rukken bewogen. Een warrig kinderhoofd steekt door de vrijgekomen kier en een stem, dof van slaap, vraagt: „Is tie er non al?”

„Wat bedoel je, Snibbetje?” ,,Of m'n Bebbe al in de hemel is.” ,,Wij hopen het.”

„Wie hopen het?” ,,Je taote en ik.”

„Dat is mooi,” zegt Snibbetje.

67

De zengende stralen van de zomerzon vallen zonder erbarmen in de nauwe slopjes van Urk. Een benauwde damp hangt over het eiland. De wind verdrijft de geuren niet. De schaduw der enkele bomen biedt geen verkoeling tegen het meedogenloze zonnebranden. Als een matblinkende vloer breidt de zee zich uit. Die oneindige rust van het water, die roerloosheid in de lucht, versuffen de eilanders. Bij hun roerige aard past deze warme stilte niet. Wind en golven zijn goed voor Urkers. Snibbetje gaat met haar kruiwagen vol talhout weer door het straatje. Hoe vaak deed zij het reeds die dag? Buren hangen loom over de onderdeuren. Baldadig hoog hebben de mannen de mouwen van hun baadje opgeslagen. De vrouwen proberen wat lucht te krijgen door het stijve middelde iets te laten vieren. Ook Snibbetje heeft het warm. Uit pure balorigheid smijt ze de kruiwagen tot driemaal toe in het nauwe gangetje. De ellebogen gesteund tegen de muur aan weerszijden, luistert zij naar de doffe nagalm, die uit de kelders der huizen naast haar opklinkt. Oude Nanne de Vink, die juist wras ingedomrrteld, schrikt op en haar tandeloze mond mummelt: „Dat doet Snibbetje weer. Die meid is van de duvel bezeten.” Bij de tweede plof is er nog een dof berusten, maar bij de derde dribbelt het oude naar buiten en tuurt, met de rimpelige hand haar ogen beschermend tegen het felle zonlicht, de haven af. Maar geen Snibbetje is te zien. Die houdt zich verscholen in het gangetje. Achter het raam ziet zij de man, die telkens haar kruiwagen vol talhout legde, in druk gesprek met een ouderling van de kerk. Onverschillig haalt Snibbetje de schouders op. Dat kan nog lang duren. Ouderlingen praten graag en Snibbetje denkt er niet aan, hen te storen. Het vermoeiende kruien is zij al lang beu. Nu even rusten. Zij strekt behagelijk haar rug, als zij zich op haar kruiwagen neerlaat en prevelt verstoord: ,,Mimme, die levert mij toch ook de iene striek nor de angere. Ik zal ut nou maar durs wieromme doen."

Mimme heeft streken, dat staat voor Snibbetje vast, t Is al begonnen met grootvaders dood, toen zij haar de volgende morgen al in de rouw gestoken heeft en als het nu nog maar echte was geweest. Maar wat was dat voor manier, om de fleurige bloemetjes in haar kraplap met inkt tot een donkere plek te kleuren. Niets had Mimme d’r van gezegd en toen

68

Snibbetje in een regenbui naar school was gelopen, had heel de klas gelachen, omdat zij er als een zebra uitzag. En Snib¬ betje was er nogal zo trots op geweest om nu ook eens in de rouw te gaan.

Dat was de eerste streek geweest, maar er kwamen er nog meer.

Van vader vond zij het ook gemeen, om haar te noemen bij die vreemde, malle naam, waar ze toch nooit naar luisteren zou. Dat had hij natuurlijk gedaan, omdat Mimme het graag wou. Iedere keer had Snibbetje zich doof gehouden, maar ze voelde dit zelf als een oneerlijkheid en dit mocht toch niet. Het is hun eigen schuld, dat zij zo balorig is. Niets snapt Snibbetje ervan. Ze doen allemaal zo geheimzinnig. Het ene ogenblik maken ze je uit voor ,,luie grote floepe" en het volgende sturen ze je als een klein kindje de kamer uit. Waarom moet Snibbetje nu ineens groot zijn en aan alles meehelpen?

Gramstorig staart Snibbetje door de nauwe spleet naar het stukje blauwe hemel daarboven. Geen enkel wolkje vertoont zich in die strakke gespannenheid van het blauw. Even gespannen is Snibbetje’s gepeins. Onverzoenlijk staat zij tegenover het grote-mensen-gedoe. Halsstarrig is haar verzet tegen Marretje’s pogingen om Snibbetje het bezit van haar vader te ontfutselen. Vader is altijd voor Snibbetje alleen geweest. Marretje zucht vaak: dat er met Snibbetje geen goed garen te spinnen is. ,,Ze worren nukkig op die leefteeud,” meent Gerrit zorgeloos. ,,Steur je er toch niet an.” Niemand houdt rekening met Snibbetje, die zich op zij geschoven voelt door iets onbestemds. Wist ze nu maar wat! Met alle mensen kan zij het wel vinden, maar met Mimme, die haar van die ongedachte streken levert, niet. Met vader, dat gaat nog wel. Er moet iets haperen aan die twee, of aan haar zelf. Want na elk vrolijk spel wachten haar bij haar thuiskomst weer van die nare werkjes, die haar uit de huiskamer verbannen. Wat is het voor manier van doen, om haar op deze snikhete dag talhout te laten kruien? Enkel natuurlijk, omdat de oude Jaoukien samen met Janneke in de kamer naait en Mimme weet, hoe graag Snibbetje daar bij is. Altijd maar werkjes zoeken, om haar te plagen, maar ze zullen er vandaag geen plezier van hebben. Nog een zakje en dan is het uit! Opnieuw gluurt zij door het kelderraam. Nog zijn de mannen aan het

69

kletsen. Ze zijn nog erger dan vrouwen, denkt Snibbetje wijs.

Zij duwt de kruiwagen tot aan het einde van het gangetje en zet zich weer tot wachten. Met de kin in haar hand slaat zij het binnenkomen van vrouw Slots oude turfschip gade. Loom duwen haar beide zoons de schuit vooruit. De oude vrouw zelf aanschouwt het tafereel minder onverschillig. ,,Dat is er net een als Mimme,” denkt Snibbetje. Vrouw Slot diept met driftige haal een emmer water uit de haven op. Snel doopt zij een punt van een handdoek erin en wast zich, met links en rechts een vlugge haal, het gezicht. Weer een indompeling in het troebele water en aan weerszijden van de haarscheiding wordt het hoofd nat gemaakt. Zij strijkt de boezelaar glad over de enigszins bollende buik. Nog een enkele greep naar het haarknoedeltje in de nek en het toilet is voltooid. Eer nog de jongens de loopplank op de walkant gooien, springt zij op de kade en verdwijnt met wiegende gang in een der vele sloppen, die naar het dorp voeren.

Weer is er een zorgje meer aan Snibbetje’s gelukshemel. Morgen zal ze mee moeten helpen turven. Nu de concurrentie gearriveerd is, breekt het ouderlingengesprek onmiddellijk af. De ouderling-handelaar steekt zijn hoofd uit het kelderluik en roept: ,,Snibbetje, alia, kom hier, ik wacht al een uur op je.” ,,Kan niet, ik wachtte!” zegt het meisje bits. „Stille jie. Ouwere minsen moet je nooit tugenspreken.” ,.Vooruit nou maar,” zegt Snibbetje, en zij bukt zich, om bij het tellen behulpzaam te zijn. ,,Das iene, dat viere .. . lost vrouw Slot al, Snibbetje? das zesse . . ., let op je wark, keend . . . Zo, vijftig keer viere, das twiehoenderd. Koem je nog maar haolen, meid?” ,,Neeje, ik hew vandage genoeg edoon,” zegt Snibbetje nijdig. „De kiengeren van disse teeud binnen gauw bange dat ze tevuul doen,” meent de man ontstemd. Hij hoort de wagens van de concurrente rollen en dit maakt zijn humeur er niet beter op. „Raor binnen manlui,” is Snibbetje’s vernietigend oordeel, als zij voor de laatste maal het talhout door het straatje kruit. Geen grauwen en snauwen van Lumme en Mimme kunnen haar bewegen om nog eens te gaan. Na het middagmaal zoekt zij haar vertier op straat en pas tegen zevenen drijft haar rammelende maag haar weer naar huis. Toch moet ze nog

70

even treuzelen bij de put van het oude-mannenhuis. Heel diep is die. En hij heeft een open borstwering. Om er in te kunnen kijken zet Snibbetje haar klompen op elkaar en steunt met haar tenen daar boven op. Huiverend staart ze naar beneden.

„Als je daar nu eens in viel? Wat een gladde gleuven hebben de touwen in de rand gemaakt. Die diepe gleuf is vast van Klasie van Pier, want die gebruikt het meeste water. Dieper buigt ze over de rand en ze spuugt vol aandacht in de put. Het maakt een kringetje in het water en maakt zo’n hoi geluid. Zo mooi is dit, dat zij het gevaar volkomen vergeet. Plotseling voelt ze zich gegrepen door een paar stevige jongensknuisten. „Lammeling! schrikt ze en als ze weer op de begane grond staat kijft zij: „Ben je gek eworren? je had me dur wel in kuunen duvelen!” ,,Waarom klim je op de rand?” „Dat got joe toch niet an?” ,,Nee,” grijnst een trouwhartige jongenssnuit, „maar ik wil zo graag wat spelen.”

Snibbetje voelt zich wel vereerd, dat Jan van de nieuwe meester zoveel notitie van haar neemt.

(>Wij spuulen hier alteeud met oens alien, zegt zij en zij strekt met een wijd gebaar haar armen uit. „Nou, ik wil 6ok meedoen.” ,,Jie binnen n vremde, we moeten eerst aan je gewind wezen, zegt Snibbetje wreed.

Geringschattend gaan haar blikken langs zijn slungelig jongenslijf. Die lange benen in die korte broek • is geen gezicht, vindt Snibbetje.

Plotseling keert ze zich om: ,,Ga nou nog niet weg, blijft nog een beetje, zegt een schorre jongensstem en opnieuw voelt Snibbetje zich in zijn greep gevangen.

,,Lot me los,” roept ze verwoed, ,,als je me niet laoten goon dan wil ik gladdendal niks van je wieten.” ,,0,” concludeert hij logisch, „dus nou wil je wel een beetje. Eigenlijk ben je me wel een beetje te klein. Hiermee treft hij Snibbetje in haar zwakke zijde. Zij steekt verachtelijk haar tong uit en hoont hem: ,,Ik wou niet graag dat ik zokke lange stelten hadde as jie.” Jan begint vrolijk te grinniken en ontwapent Snibbetje daardoor. „Wil ik je nog eens optillen?”

71

„Oe, dat kan ik zelfs wel. Kiek maar!” En behendig werkt zij zich op de putrand.

Knokige vingers tikken tegen het raam van het oudemannenhuis en een oud, doorgroefd gezicht drukt zich tegen het venster. Een waarschuwende wijsvinger tracht de kinderen te beletten voort te gaan met het gevaarlijke spelletje. Maar ze letten er niet op. Stoeis spelend rent Snibbetje rond de put en oin aan de snelle greep van de jongensknuist te ontkomen, wipt ze plotseling op de put, zodat de jongen haar voorbij schiet. Hun lachende stemmen klinken helder op en hel galmt het geluid na tussen de donkere wanden van de oude welput. Dan komt er een eind aan het spel. De oude mannen sluiten het huis, waar ze voor de vissers netten boeten. Zij jagen de kinderen weg. Verontwaardigd overweegt Snibbetje een brutaal antwoord, maar als ze het vriendelijke gezicht van de oude Reinier ziet, gaat ze gedwee. „Waar bemoeien die ouwe kerels zich mee?” zegt haar nieuwe kameraadje.

„’t Hindert niet,” zegt Snibbetje vergoelijkend. „Zo binnen ouwe mannen alteeud. Ze denken dat de put van heurlui is. Goon mie, bij 't raodheus spuulen. Daor binnen de angeren ok.”

Opgewekt pratend vervolgen zij hun weg. „Ze is lang zo nieuwsgierig niet als die anderen,” denkt de jongen. Daarom wil hij haar iets van zijn thuis vertellen. ,,Mijn moeder „Is een echte dame,” valt Snibbetje hem in de rede, „en je vader is gladdendal gien meneer. Z’n broek zwabbert slap om z’n knieen en z’n jas is um vuus te groot. En je moeder kan geen Hollands praoten en ikke ok niet zo best.” ,,Hoe weet je dat allemaal?” vraagt Jan verbaasd. ,,We hewwen een winkel,” zegt Snibbetje eenvoudig. ,,Daor hoor je van alles he? Jului binnen hervormd, is ’t niet? Je vader zal we gaauw verkufferieren en een boontjen krijgen in het kerkje van jului. Dat gebeurt daor alteeud, maar bij oens binnen ze wat krekkerk. Daor niemen ze alliendig maar Urkers. De helft vissersluien en de helft laandtrappers. Wij houwen niet zo arg van vremden, zie je, maar jie binnen hier nou ienmaol. Wat zit daor aan je haals?” „Een litteken, ik heb me eens erg gebrand.” ,,Oe hi, laot me es voelen daor.” Voorzichtig glijden haar vingers langs de beschadigde huid. „Hoe michtig, ik griezel der van!” huivert ze. „En got dat nou nooit maar weg?”

72

„Nee, nooit meer.”

Jan zegt het op die eigenaardige, half-verdrietige toon, die Snibbetjes medelijden en haar nieuwsgierigheid tevens opwekt.

„Ik zal oltoos wel nor de goeie kaant van je gezicht kieken, troost zij hem. Zonder overgang zucht de jongen in eens: „Ik vind het hier een naar land.” „Oe hi, dat komt, omdat je niks van oens wieten. Het is hier het mooiste laand van de hele warreld. Loop an ’n bietjen, ze roepen oens al. We spuulen daor elke avond en jie maggen miedoen.”

Met voile toewijding geeft Snibbetje zich aan haar nieuwe vriend. Zij zwerft met hem over het eiland en vindt dit heel wat prettiger dan de uitgezochte plagerij-werkjes thuis. Wel kibbelen ze veel en kan Snibbetje erg boos worden, als hij te veel knopen wint met knikkeren, maar ze draait telkens weer bij en zorgt voor een nieuwe voorraad, die ze desnoods stiekem van vaders broek en baadje snijdt. In een ding is Snibbetje echter onverzettelijk: als ze samen aan het strand zijn en hij na een bad naast haar komt zitten, stuift zij op: „Bin je mal! Jie met je nakende bast. Dink je, dat ik mij niet schaam. Alla, vort!”

„Maar Snibbetje, m'n vader zegt.. ,,Met die zwabberbroek hew ik niks te maken. Ouwe Reinier zegt dat het zunde is en Bessien ok. Jie met je gezwem. Ik bin feitelijk gek, dat ik me nog met je bemuui. Verontwaardigd loopt ze weg.

Voortaan houdt de jongen rekening met Snibbetje’s zonderlinge kuisheid en als de herfst zijn intrede doet, valt hem dat gemakkelijker.

De avonden worden langer en eindelijk overwint Snibbetje haar afkeer voor vreemden in zover, dat zij vriendschap sluit met Jans moeder.

Zonder protest luistert zij naar de klachten van de onderwijzersvrouw, die op Urk niet kan aarden. ,,Je kunt hier niet leven als in de stad. Ik vind de olielampen hier net zo ellendig als de mensen, Snibbetje.”

Dit alles verdraagt zij ter wille van haar nieuwe vriend. Ze heeft hier toch ook wat gezelligheid. Thuis sluit men haar immers overal buiten? Hier wil Snibbetje genieten wat er te genieten valt.

Er is een ding, waar ze nooit genoeg van kan krijgen: een speelklokje. Jan vindt het een vervelend ding, maar het betovert

73

Snibbetje. Prachtige wijsjes komen er uit. Nog mooier dan het geruis van de golven. Meermalen vraagt Snibbetje: ,,Toe, drei het nog es voor me op.” ,,Doe niet zo kinderachtig,” zegt Jan autoritair. Maar hij doet toch, wat Snibbetje vraagt. „Ik hew nog nooit zo’n mooi weesien ehoord,” zucht Snibbetje. Zij ergert zich aan Jans hooghartig airtje. ,,Echt iets voor een klein meisje. Als jij eenmaal iets mooi vindt. . ,,Dan bleef ik het mooi veenen. Hou jij die spuuldoze. Het is eut.”

Voor de onderwijzersvrouw tussenbeiden kan komen, is Snibbetje het huis uitgerend. Regelrecht gaat zij naar Bessien toe, haar toevluchtsoord in moeilijke ogenblikken. Niets is meer in staat om haar te kalmeren, dan grootmoeders heldere ogen. Om haar nog altijd mooie mond speelt die wondere glimlach, alsof zij alles begrijpt. En die glimlach doet Snibbetje altijd weer de dingen vergeten, die haar soms zo driftig kunnen maken.

Ook nu begint zij aan zichzelf te twijfelen. Was het nu wel zo erg, wat Jan zei? Het lijkt haast te nietig, om het aan Bessien te vertellen, nu ze haar zo bezig ziet, zorgvuldig de sneetjes met de brede duimen op elkaar plakkend. Niemand kan dat zo als Bessien. Wat dreef haar eigenlijk naar haar toe? Was het de ruzie, of waren het de lekkere kruntjes?

,,Hier, awaor. Eet dat vast op.” Gretig zet Snibbetje haar tanden in het verse brood, terwijl Bessien het rijtje klaar maakt voor de andere kleinkinderen, die straks na het spelen zullen komen. Want ondanks de strenge regels des huizes, die vooral betrekking hebben op de heldere jute zakken, die als vloermatten in het portaaltje liggen, komen de kinderen graag bij haar. Het is een lichtende gezelligheid, die van het oudje uitstraalt. ,,Is taote hier al?” Bessien antwoordt niet, omdat Snibbetje met een volgepropte mond praat. Te laat schiet het haar te binnen en zij volgt beschaamd Bessien in de kamer. In het stille schemeruur zitten ze gedrieen. Dirkje dutoort genoeglijk in een hoekje en Bessien staart naar buiten. De vredige rust, die uitgaat van Bessien en haar huis, oefent een verstillender invloed uit op Snibbetje’s rebels gemoed, dan een reeks luide terechtwijzingen, ieder uur van de dag. Bijna deemoedig herhaalt Snibbetje nog enige keren haar vraag:

74

,,Zou taote nog koemen?’ Eindelijk antwoordt Bessien. ,Je taote is trouw, dat wiet je wel. Hij wil niet, dat ik me ienzelvig ga voelen. Hij zal zo direct wel koemen. As ie in de haven is ten minste.”

„Ik bin er toch ok nog,” zegt Snibbetje schuchter. ,,Ja, as er wat te haolen is, dan bin jie de eerste. Maar daor hewwen we je taote al. Alla Dirkje, steek de laamp es an. Het wordt gezellig. Bessien spant de hagelwitte gordijntjes voor de ramen. Elk kreukje zit alsof het er juistwasingestreken, want Bessien legt de gordijntjes elke morgen onder het kussen van haar stoel. Het gouden schijnsel van de olielamp verleent het zwart en rood gestreepte vloerkleed een warmer gloed. Voor zich op tafel spreidt Bessien een krant uit, waar ze de kopjes op plaatst. Dat is zo haar gewoonte. Alles beschermt ze met oude kranten. Terwijl zij de koffie schenkt, met dezelfde toegewijde zorg waarmee ze alles doet, bestudeert Snibbetje het blauw van Bessiens schort en het gitzwart van haar kraplap. Mooi en echt zijn die kleuren. Alleen de witte, stijf om het hoofd gewonden doek hoort niet bij het kleed der eilandse vrouwen. Maar dat moet, vanwege die geheimzinnige ziekte, die ,,zenuwen” heet en waarvoor geen enkele dokter raad weet. Bessien wel. Die houdt het razen in haar hoofd in bedwang met het stijve windsel. Dat helpt; beter dan alle recepten en vooral alle rekeningen van de dokter. De dokter is tegen de hoofddoek, omdat hij de hullekens zo mooi vindt, maar Bessien is niet te vermurwen. Snibbetje begrijpt het best. Want ook die doek staat Bessien mooi. „As zinuweziekte niet zo arg was, zou ik ok wel zo’n doek willen dragen, ’ zegt Snibbetje. ,,Mimme Scheldt me wel eut voor „grote floepe”, maar van z’n leven koopt ze gien hulletje voor mij.” ,,Je Mimme beschouwt je nog alteeud as de klenste, troost Bessie. Gerrit zegt droogjes: „Dat zal nou wel overgoon.” ,,Hi, wat zeg je daor?” schrikt Bessien op. Ze buigt zich voorover naar Gerrit en vraagt honderd-uit. Snibbetje’s gezicht verdonkert. Nu is het hier ook al zo. Weer buitengesloten. Taote is trouw Ja ja, dat kan je net denken. Taote is krek zo slecht als iedereen. Hoor maar: ,.Snibbetje bring de kuppies urs nar de kuuken en was ze metien omme.” Hij zegt het zelf. Natuurlijk heeft hij iets heel bijzonders aan Bessien te vertellen, over trouwerij en zo, maar waarom mag Snibbetje dat nu nooit weten? Hoor ze eens lachen, die twee.

75

’t Is vast een prachtig nieuwtje, want Bessien geloofde het eerst niet.

Als Snibbetje binnenkomt, hoort ze nog net: ,,Het is haost niet mugelijk, Garrit, op die leefteeud nog.” „}a, ut is kasuwiel, nao zovul jaoren,” stemt hij toe.

De manier, waarop hij dit zegt en de blijde schittering in zijn ogen, doen Snibbetje’s toorn aanstonds versmelten. Het brengt haar van de wijs. Als vader zo kijkt, zal het wel iets goeds zijn.

Bij het naar huis gaan trekt zij vaders arm tegen zich aan. In het beschermend donker, veilig aan vaders arm, waagt Snibbetje zich op het glibberpad der veronderstellingen. Zou het iets te maken hebben met wat dikke Gaardje wel eens met Mimme besprak? Op haar knieen voor de tafel lag ze dan, als ze zich erover beklaagde, dat Onze Lieve Heer het alweer over haar besloten had. Dan haalde Mimme met welwillend gebaar de koffiekan naar zich toe en troostte Gaardje zo goed ze kon. Je kon echt merken, dat Mimme medelijden met haar had. Voorzichtig schonk ze de koffie in en schoof het kopje met een vriendelijk woord naar Gaardje toe. Heel anders dan gewoonlijk, omdat Gaardje nogal vaak op het koffie-uurtje kwam. Ze wachtte dan wel eens tevergeefs en kreeg ten slotte een scheut vol koffiedik. Zo’n knieval maakte de zaak altijd anders. Enkele maanden daarna mocht Snibbetje altijd met Mietje mee en de dampende kom chocolademelk, die zij droeg, kwam Gaardje van rechtswege toe, omdat in de ijzeren wieg een wezentje sluimerde, dat volgens de vrouw in het blauwe nachtjak wel negen pond woog. Mietje en Snibbetje bewonderden dan om beurten het mollige wezentje en kwamen een paar dagen later terug met een brouwsel pruimensop. Als ze echter voor de derde keer een stapel pannekoekjes brachten, was Gaardje alweer over de grond en dan vond Mimme het ook welletjes. „Je moet een mins nooit verwennen, dat is nergens voor nodig. Dan zouden er teveel komen, en het is toch al mooi genoeg.”

Snibbetje was het daar helemaal mee eens. Zij knikte verlegen als Gaardje zuchtte: „Een mins moet maar weer.” Zou het soms zoiets kunnen zijn? Bij anderen gebeurde het zo vaak en bij hun thuis nooit. Zou ze het vader durven vragen? Maar die is, sinds grootvaders dood, ook zo eigenaardig. ,,Snibbetje, wat bin je stille."

„Ik was an t bakkeleien met Jan,” schrikt ze op; ,,over het

76

spuulklukkien. Dat gift toch zulke mooie weesjes en die word je nooit zat, he Taote? . ,,Mooie melodijen wor je nooit zat, maar niet alle minsen denken hetzelfde, keend. ,,Ik zou het altoos wel horen willen, maar Jan zegt, oat net kiengerachtig is, maor nou kiek ik um nooit maar an. „Nooit? Dat is het langste woord dat er bestaot. Ik zou het maar wier bijleggen, Snibbetje. De mooiste wallekant komt niet dichterbij, as ik er mijn skip niet op ofstuur. Kwaod worren kuun je wel, maar niet altoos bleeven. Je moeten laren lavieren. As ut over de iene kaant niet wil, dan prebier je het urs over d angere boeg. Jan is toch wel een aordige jongen?” tl .

„De wallekanten zitten toch alteeud vast, zegt Snibbetje, die het eigenlijk niet goed begrijpt. „Zo vast als onze eigen ideeen. Je moeten prebieren om enkanger te begrepen, dat bedoel ik. Jie binnen en bleven maar mijn dorde-man. As je zo koppig binnen, dan zul j ut nooit tot grote knecht bringen en wie weet, wat er nog gebeurt.

Maar Snibbetje rent het huis al binnen. Zij hoort niet meer naar vaders waarschuwing: ,,Bedaard aan wat. Haar stille, heimelijke jalouzie, omdat ze vader delen moest met Mimme, Bessien en het geheim, is weggevaagd door de vertrouwelijkheid van het laatste kwartier.

Als Snibbetje haar verhaal doet over het klokje, zucht Lumme dankbaar: „Goddank. nu zal het wel uit zijn met die vreemde snuten.” Maar dit wordt niet bewaarheid. Want de volgende dag zijn die twee al weer samen, al weigert Snibbetje ook botweg, om met hem mee naar huis te gaan. ,,Ik wil wel met je spuulen, maar beuten, of bij oens in heus. Je mooie dingen kuun je houwen. Jeluiers stoelen binnen zo glad, daor glij ik almaar of en je moeder lastert over Urk. Die malle kleden, daar val ik over. Oenze egen houten groend is vuul mooier.”

,,’t Is buiten zo koud en donker,” verweert Jan zich. ,,Kan me niet bommen.”

..Lastig ben je,” bromt de jongen.

„Lastig maar gaaf,” is het oordeel van de oude onderwijzer, als hij Snibbetje en haar klas overdraagt aan zijn collega. ,,Houd haar een beetje in het oog, raadt hij gemoedelijk. „Ik heb met heel de klas te maken en het is niet goed, om

77

de een meer aandacht te geven dan de ander,” vindt de jongere onderwijzer.

,,Ieder kind heeft een eigen persoonlijkheid,” zegt de oude nog, als hij de klas verlaat.

De panden van zijn jas wapperen vrolijk. Als hij langs Snibbetje komt, drukt zij even haar gezicht tegen de ruwe stof en zij kijkt nog eenmaal op naar het gezicht met de vele rimpeltjes. Dit is haar afscheid en dan wendt zij zich aandachtig naar de nieuwe.

Een gemakkelijke leerling is Snibbetje stellig niet. In haar leven schuilen teveel raadselen, dan dat er rust in haar ziel kan heersen. Thuis voelt zij zich onbegrepen en met haar nieuwe vriendje gaat het ook niet van zelf. De meest doodgewone dingen begrijpt Jan niet en dit alles wordt sterk op Snibbetje’s humeur. Hoe minder zij zich thuis op haar plaats voelt, des te liever zwerft zij buiten in de vrijheid. Op alle mogelijke manieren probeert ze aan de opgedragen karweitjes te ontkomen en Jan vergezelt haar op de tochten door de steegjes, waarvan zij elk hoekje kent. Jan raakt onder haar beproefde leiding ook met Urk op de hoogte. Maar van de meisjes vindt Snibbetje heeft hij geen stuiver verstand. Zij zitten samen op het dek van de oude schuit, die na een herfstbeurt op de helling, te water zal glijden.

„Hellingbazen en zeilmakers vind ik nare mensen," beweert Jan. Net is hij op nogal hardhandige manier aan dek gehesen en de jongen voelt zich verongelijkt.

„Je binnen gek,” stuift Snibbetje dadelijk op. „Jie wieten niks van helligebaozen of. M’n taote zegt zelf, dat het goed volk is en dat je er op an kuunen. Zoals een donimij op Oenze Lieven Aartjen vertrouwt, zo doen de schippers het op de helligebaozen.”

„Ze lachen nooit eens,” houdt Jan vol. ,,Nee, hoont Snibbetje hem. ,,Dan moet je maar es miegaon met Paosen of Pienkster, as ik ut geld bringen mag. Mijn taote zegt..

„Jij altijd met je vader.”

„Nee, joenen zieker. Dat’s nogal een mooie. Gisteren hew ik hem zelfs nog horen zeggen: „Wil mij toch verlossen van dees stomme Urker ossen.” Of ut soms 'n gebed was, dat wiet ik niet.”

,,Je liegt het, Snibbetje.” ,,Nietes, ik hoorde ’t zelf!” Het komt tot een daadwerkelijke kloppartij, die de kinderen

78

zo opeist, dat zij het grote moment missen en de oude schuit, zonder dat zij er erg in hebben, van de helling glijdt. Hoog spat het water bij de boeg op en besproeit de twee plukharende kinderen overdadig. „Zie je nou wel, nou heb ik niets van het afglijden gemerkt.” Snibbetje is woedend. Het drijfnatte schort en het missen van de glij-pret heeft Snibbetje’s boze bui er niet beter op gemaakt. Nijdig kijft ze: ,,Zoek jie jonges vor korneuten.” Gerrit moet bemiddelen. ,,De jongen kan het toch niet helpen, dat jie geen acht op de skeut gawwen? Ik hew je wel drie keer ewoorschuuwd. As de minsen kibbelen, komt er maar averij van.” En tegen de jongen zegt hij; ,,Het ging goed, he?” ,,Nou en of,” zegt deze, bewonderend opziend naar de visser. ,,Ik ga later naar de zeevaartschool.” ,,Dat moet je doen, maar niem Snibbetje dan niet miee,” zegt Gerrit plagend en hij oogt de kinderen glimlachend na, als zij samen de wal oplopen. De lange, grijze winterdagen vergaan. Snibbetje blijft wat meer thuis. Buiten in het donker huizen de kollen. Het is er koud; de warme beslotenheid van de huiskamer biedt haar bescherming tegen de ongekende gevaren van de ruwe winteravonden. Thuis gaat het nu ook wat beter. Zij wordt niet meer weggestuurd als er wat te praten valt. Aan alles voelt Snibbetje, dat er iets te gebeuren staat. Soms nemen haar onderzoekende ogen Marretje’s omvangrijke gestalte op en op een avond neemt vader haar bij de hand en zegt heel gewoon: ,,Kom Snibbetje, je moeten bij Bessien slapen.”

In de duisternis klemt zij angstig haar handen om zijn arm en vraagt benepen: ,,Waoromme dat dan, taote?” ,,Wiet je dat dan niet?”

Een zacht zelfverwijt gaat door Gerrits hart. Hij heeft er spijt van, dat hij dit kind, dat hem toch al die troosteloze jaren het meest van alien aan zijn gezin gebonden heeft, niet in het blijde verwachten heeft opgenomen. Goedig zegt hij tegen het meisje: ,,Maar Snibbetje toch, je willen mij toch niet weesmaken dat je glad niet wieten dat wij vannacht met het illestieken bootjen nor Skokkelaand vaoren moeten, nor de Ommelebommelestien?” „Is het dat?” ,,Ja, klene dorde-man. Maar dink niet, dat de Schokkers erg vrindelijk wezen zullen. Zulke beste klaanten wazze we niet.”

In zijn benardheid drukt hij het armpje steviger tegen zich aan.

79

„Is het vaoren dorhene barre?” ,,Miesal is de wiend tuugen, en dan valt het nooit miee. ,,Hoe wiet je dat zo goed?” vraagt Snibbetje nieuwsgierig. ,,Omdat ik al driekeer mieewest hew,” zegt de grote man. ,,En we binnen met zen veeven.” ,,De angere keren was ik op ziee, toe is Mimme maar op dur allientjes egoon. Dat beurt wel vaker in een vissersheushouwen." ,,Ik heb vaak eleusterd bij die grote stienen onger de dam, maar die binnen zo arg dikke. Er kwam gien geluid eut. Het is toch wel arg, as de vrouwen alliendig naor Schokkelaand gaon hi? Waoromme wachten ze niet, tot de man theus is?” ,,Zukke dingen kuunen niet wachten, als ze moeten gebeuren,” antwoordt Gerrit, plotseling ernstig. ,,Maar durf je nou niet alliendig varder? Daor hei je 't raam van Bessiens heus al. Ik goon liever wier nor Mimme toe.” Beschermend zegt Snibbetje: ,,Ja, ik goon wel. Genacht hoor en goe reze.” Snibbetje heeft de onrust in Gerrits stem gehoord en zij fluistert hem zachtjes in het oor. Gelukkig kan vader niet zien, hoe donkerrood plotseling haar wangen worden. En hij heeft het beven in het stemmetje van zijn kleine compagnon niet gehoord. Dapper snelt Snibbetje alleen voort. De onrust klopt haar in de borst. Alleen in het donker. De reis naar Ommelebommelesteen. Al die vreemde dingen, waar je als klein meisje wel bang voor moet worden Hijgend komt zij bij Bessien aan. Zij schopt gauw de klompen uit, maar haast zich toch om die netjes op de jute zak te zetten. Zo hoort het bij Bessien nu eenmaal. Ook nu zal de oude vrouw geen wanorde in haar huisje dulden. Bessien is eigenlijk de enige, die bij Snibbetje groot gezag heeft. Mimme ontloopt ze zoveel mogelijk, om van de boodschappen af te komen. Van vader kan ze met haar vriendelijk lachje alles gedaan krijgen. Lumme's standjes gaan haar het ene oor in en het andere uit. Maar Bessien dat is wat anders. Ook nu verzet zij zich niet als het oude vrouwtje kort en goed beveelt: ,,Gaauw, eerst je zwarte bienen wassen. Je mossen je skaamen! Wanneer hew je dat vor t leste edoon?” ,,Ik wiet het niet,” bekent Snibbetje openhartig. ,,Een enkele keer dut Janneke het wel urs.”

„Iedere Zaoterdag moet je dat doen!” moppert het oudje. Maar Snibbetje meent: ,,Dat binnen vremde kunsten. Bienen wassen doe je, as je op reze goon.”

80

Dan herinnert ze zich ineens de reis, die Mimme nu moet doen en ze wordt er stil van. Gehoorzaam dompelt zij haar voeten in het lauwe soda-water en ze beweegt ze zacht heen en weer in het houten tobbetje. De waarschuwing, om vooral niet te morsen en de onvriendelijke dingen, die Bessien van haar zusters zegt, als ze verontwaardigd Snibbetje s onderkleding bekijkt, dringen niet tot haar door. Geheel in gedachten reist ze met Mimme mee in het elastieken bootje naar de Ommelebommelesteen. Eigenlijk twijfelt Snibbetje aan die wonderbaarlijke kei, waar de kindertjes geboren worden. Maar als ras-echt kind van het eiland bevredigt de Ommelebommelesteen haar fantasie. Bessien moppert verder: ..Een skaande is het, om je zo te laoten lopen. Kiek ur us an. Hier 'n gat en daor een skeur.”

„Niets terugzeggen,” denkt Snibbetje, „dat is het beste.” Bessien is zenuwachtig en ze kan het niet hebben, dat je haar tegenspreekt.

Zwijgend droogt zij zich af. Toch heerlijk, zo n voetbad. Met een plons gooit zij het tobbetje leeg. „Goed ommespoelen.”

Bessiens stem klinkt als een grauw. „Vreemd toch,” denkt Snibbetje. Even aarzelt zij met het naar bed gaan. Zou er geen kruntje komen vanavond? Snibbetje zou er best een lusten, maar in dit spannende uur vergeet Bessien de boterham. Vol begrijpend mededogen is zij bij haar dochter, die door de nijpende barenswee gaat. Stilletjes zoekt Snibbetje haar plaats in de kleine bedstee. Wat nauw is het hier. De treeen van de zoldertrap zijn uitgespaard in de bedstee. Heel anders dan thuis. Hoor, die treden kraken. Zou ze een broertje krijgen of een zusje? Als het een jongen is, krijgt vader toch nog zijn derde-man. Dan heeft hij Snibbetje niet meer nodig. Dromerig gaan de gedachten door haar brein, voor zij vermoeid haar ogen sluit.

Een korte klop op het raam. Gerrits stem doet Snibbetje opschrikken. Hij roept tegen Bessien: ,,Goon maar op n bedde, alles is goed. Het is wier ’n maotje.”

„Koem je er niet in, Garrit?”

„Nee,” zegt haastig de stem. Het geklots der klompen versterft spoedig in de verte.

„Gelukkig, das voorbij,” zegt Bessien en ze rekt zich uit in de krakende rieten stoel.

81

Een eenzame gestalte gaat door het donker van de nacht. Vast is zijn tred en zijn zekere gang verraadt, dat iedere oneffenheid in de weg hem bekend is. Op zijn gelaat straalt de glans van herboren geluk, maar heel diep in zijn hart pijnt de vraag: ,,Zal het zo blijven?”

Vertrouwd is Gerrit met de golven. Hij kent de nukken van het wisselend getij. De vademen van de diepe Val van Urk berekent hij nauwkeurig en op het gevoel mijdt hij de zandplaten aan de noordkant van het eiland. De Zuiderzee heeft voor hem geen geheimen.

De donkere spotzieke ogen van Marretje zijn echter vol geheimen voor de argeloze man. Nooit zal hij er de diepte van kunnen peilen. Ze is zo wonderlijk soms. Maar juist het ongrijpbare in Marretje’s wezen trekt hem onweerstaanbaar naar haar toe.

Voorzichtig tilt hij de klink van de achterdeur op. Lumme is nog op. „Val niet,” waarschuwt zij hem. „Doch je, dat ik dronken was?” vraagt Gerrit vrolijk. ,,Nee wier gien jongen hi?” ,,Dit is mun krek zo lief.”

Met zachte, vertrouwelijke spot vraagt Lumme: „Zou ze ut nou weer nor ’n ouwe vrijer verneumen?” „We zullen ofwachten, kolenel.” Geergerd valt Lumme uit: „Ofwachten ? Jie alteeud met je ofwachten. Mimme wacht nou al zo lange, of jie die ouwe skeut niet urs an de kaant zullen leggen. We hewwen oenze haanden hier zo vol met al dat wark.”

,,Och keend, praot daor niet over. Marretje zegt ommers zelf, dat visserlui toch niet geriegeld duurwarken kuunen? Voor een ogenblik kuunen we vuul verzetten, maar gestaedig duurgoon, zoals jului, dat laar ik ommers niet maar. Ik zou hier maar in de weg lopen en daorbij, ze et joe ommers?” „Ik bin hier maar het onechte element.” „Nee Lumme, jie horen hier. Op ut dek van m’n skeut kan ik m’n orders gieven, maar jie doenen et hier, kolenel.”

,,Neum me toch niet zo,” smeekt ze bijna. „Waor verdien ik die skeldnaam an.”

,, t Is gien skeldnaam. Zo lange as jie m’n plaotsvervanger binnen, neum ik je zo. Jie binnen meen koleneltjen, Lumme.” „Taote," roept Lumme bezwerend uit, ,,houw toch op. As je zo duur goon, dan gief ik Evert zo ut jawoord.” ,,Die kan het niet iens zeggen," schertst Gerrit.

82

Lumme weet bij ondervinding, dat er niets met vader te beginnen is, als hij zo n bui heeft. Dan gaat hij op geen enkel ernstig woord in. Zo’n man moest toch begrijpen, dat het leven nu eenmaal geven en nemen is. Hij is nog erger dan Snibbetje!

Met een nijdige zwaai haalt Lumme de bedsteedeur achter zich dicht. Zij wil alleen zijn, om alles nog eens te overdenken.

Vader houdt daar zo stil en gelukkig de wacht bij de wieg, alsof er geen wolkje aan de lucht was. Zo zijn mannen. Hij zal zich het geluk weer laten ontglippen. Nooit weten ze het goede moment te kiezen.

Die Evert van de beurtschipper houdt maar steeds bij Lumme aan. Maar ze kan niet over die ergernis van zijn gestamer heenkomen. Lumme wil geen stamerbout neen, ze wil niet!

Zij gooit de ruwe dekens over zich heen. Weldadig ontfermt de slaap zich over haar.

Lumme is haar zorgen voor enige uren kwijt.

83

Grauwe dampen omspinnen het kleine eiland in de Zuiderzee. Wei scheurt de Januari-zon een enkele maal door de nevelen heen, maar de kale rots wordt door haar stralen niet verwarmd. Urk is kil en nat. De wolken wijken niet. De enkele vreemdelingen gaan huiverend en diep in de kraag gedoken door straatjes en sloppen. Meest handelsreizigers zijn het, die hier langs de vele kleine winkeltjes gaan om de karige orders te noteren. Dieper duiken zij in de jassen weg, als zij in de late namiddag verkleumd hun hotel aan de haven opzoeken. Met nijdige verwondering kijken ze naar de vissers, die zich van de ongunst des winters niets aantrekken en rustig bij elkaar staan, genietend van elkaars bijzijn. Wat bezielt die kerels met hun eindeloos geklets? Wat zijn dat voor naturen, die deze nijpende kou doelloos doorstaan? De vreemde¬ lingen kennen de betekenis niet van de klapschool, deze dagelijkse samenkomsten van visserlui aan land. De vissers op hun beurt begrijpen niets van die stadsheren. ,,Het binnen en bleeuven vremden. Die moet je op je dooienwagen houwen,” zegt de oude Evert Duim, als hij in het kille avonduur midden tussen zijn makkers in de klapschool staat. ,,Je moeten ze zien lopen, die haartjes. Kiek 's, daor got 'r wier ien. 't Is krek ’n hinne, die d’r ei niet kweeut kan.” Op onnavolgbare manier trekt Evert zijn wijde broek wat hoger cp. De vissers lachen. Ook de oude Reinier schokschoudert wat. „Ze koemen hier alliendes maar om wat te haolen, angers zag je ze in de wienter niet.”

De man van Schokker Ole zegt: ,,Ja, overal waor wat te halen is, binnen de vremden ut eerste bij. Hut bin astrante lui. Ik moet niks van ze hewwen.” „Ik hew ok liever iedere dag een slukkien,” valt de ouwe Evert in. ,,Zo’n doorwarmertje elke dag, daor zou je niet dood voor willen wezen.”

,,Dat et hij niet nodig,” klinkt Gerrits stem. ,,Hij et Ole om op hem te passen, en die verwent hem. Ik wil wedden, dat ze elke dag z'n ei warm houdt onder de vaatdoek. Van verwennen hewwen wij gien last maar, wat jie, Evert?”

,,0, ik hew niet te klagen,” zegt Evert en hij slaat zijn armen tegen de schouders om de kou te bestrijden. ,,M’n ouwe miens zegt alliendes Vrijdags: ..Vandage ’n potje reeist met een 84

bakkien.” Want dan et ze gien teeud vor me. En as ik zo ’s wienters theus bin, dan kook ik die dag de pot. Kiek Garrit, da's geluk, man. Niem je karpoes es of? De mieuwen wieten krek waor ze moeten wezen. Je kriegen gister ommers je veefde dochter?”

Gerrits lach schalt helder en klaar, terwijl hij zijn karpoetsmuts tegen de deur van de afslag schoon slaat. ,/Wier gin dorde-man vor je, hi?” gaat Evert door. „Jie houwen tevuul ien koers, man. „De jongens koemen d r van-zelf bij, as de maotjes groter worren, zegt Schokker Ole s man practisch. ,,Het is in elk geval beter als niks, zoals ik.”

Gerrit toeft nog even tussen de mannen en luistert afwezig naar de gesprekken over weer en wind en wisselend getij. Hun stoere gestalten tekenen zich scherp af tegen de rozig blinkende winteravondlucht. Hun schorre stemmen hebben dezelfde klank als het geschreeuw der grote vluchten meeuwen, die rond hen heen strijken. Het is, of de vogels meedoen aan het gepraat van de klapschool. Vissers en meeuwen, zij behoren beide bij de zee. Zij zijn de kinderen van de oneindige verten, waar de natuur zich verstilt tot woordeloze eerbied voor Gods wondere schepping.

„We kreegen sturm,” voorspelt Gerrit. ,,De mieuwen op het laand, barre weer an ut straand.”

De anderen knikken zwijgend. ,,’t Zal wel op vorst eutdreien,” denkt de oude Reinier. ,,Jie kuunen ut wieten, ouwe,” merkt n zwijgzaam man op. ’.Koman, goon je mie zovaar?” En weer verlaten een paar de klapschool, die geen begin heeft en geen einde, die de hele dag duurt, tot laat in de avond.

In die nacht komt Reiniers voorspelling uit. De verst tovert het misdeelde eilandje om tot een teer wonder. Star staan de tuigen der botters. Geen ritselend geluid van bungelende touwen wordt meer gehoord. Alles is zwaar van ijzel geworden. Het zwarte dek der schepen is als een marmeren dansvloer. Het donkere bos der masten staat zevenvoudig verdonkerd, als ebbenhouten stammen tussen het ragfijne, blinkende wit. Verdwaasd fladderen in het vroege morgenuur de meeuwen rond. De vleugelen glinsteren in het licht der opgaande zon, maar het schijnt, dat zelfs die ranke wieken niet aan de afzetting van de ijzel ontkomen. Sneller dan gewoonlijk laten zij zich neer op het grote ijzeren hek van de scheepswerf, waar ze rustig en argeloos met hun felle oogies rondkijken in de 85

to plots veranderde wereld. Geen mensendrukte verstoort nog het rustige zitten der vogels. Niemand waagt zich onnodig in de barre kou. Krijsend vliegen de meeuwen op, als een klein meisje met klompgeklepper langs het hek rent. Dat is Snibbetje, die in looppas naar huis snelt. Ze slaapt nog steeds bij Bessien, maar elke morgen, voor zij naar school gaat, wil ze eerst de kleine zien, die rust in de oude wieg met het groene kleed waarin ook Snibbetje eens geslapen heeft. Bessien heeft haar hulletje goed vastgesnoerd. Het oorijzer knijpt haar wangen bijeen, veel straffer dan wanneer zij zelf onverschillig het hulletje op haar krullekop heeft gedrukt. Die druk hindert haar en zij rukt het hulletje af. ,,Zo arg is dat niet,” prevelt ze zacht voor zich heen. „Mimme doet het zelf ook wel es, as er een koopman van de vaste walle koemt, die vuul geld van d’r moet hewwen. Angers kan ze zich niet after het oor krabben.”

De gouden speldjes steekt ze dieper in het gele kant. Ze doet het secuur. De tong uit haar kleine bewegelijke mond. ,,Het zou wat wezen, as ik m’n speldjes kweeut was, nou we pas zo’n klen kiendje in heus hewwen. Wat zou Mimme kwaod wezen. En Mimme mag niet kwaod worren. Nou het kiendje er is, likt het net een angere Mimme, en dissen wil ik zo graag houwen.”

Ferm werkt zij zich door de kou heen. Voorovergebogen, telkens de voet kordaat neerzettend. „Wat spook jie hier eut?” klinkt het plots bars. ,,Hoe hie, bin jie het, Dubbele?” lacht Snibbetje. ,,Ik verschiet er van. Ik wil gaauw nor heus, Dubbele, want we hewwen 'n klen keend!” laat zij er juichend op volgen, terwijl zij wegglipt van voor zijn voeten. ,,Die is nog arger as de man, die vergat z’n koesebaanden vast te maken, toen hij voor het eerst Jannetje de vroemoer mos roepen,” lacht de man en hij kijkt Snibbetje na, zoals ze daar, met haar hulletje in haar hand, voortsnelt over de hard bevroren weg. De witte banden wapperen vrolijk in de wind. ,,Hoe kon ik nou zo verschieten duur Dubbele van buurvrouw Griet?” verwijt Snibbetje zichzelf. ,,Die man zal me toch niks doen? 't Kwam zieker duur de vroegte. Nooit van m’n leven bin ik angers zo vroeg op. O, wat is de warreld mooi vandage. Kiek die bomen vor ut heus ers. Oe katte, bin je nog niet in heus? Je mochten er zieker wier niet in van Lumme. Moet je ok maar niet zo snoepen. Ne, ik lot je er ok niet in. Vort, de 86

boom in! Gisteren bin je ok al boven op de wiege esprongen. ’k Wil je glad niet maar zien. Alla dan, ouwe dikzak. Mimme zegt, dat je niet iense maar goed kuunen zien, allien maar om te snoepen.”

Een goed gemikte schop met haar klomp en de versmade vriend neemt ijlings de wijk in de boom. De takken zwiepen en een vloed van zilverrijp daalt op haar lachende meisjesgezicht neer. Snibbetje’s rode armen maken een dreigend gebaar: „As ik je kreeug wacht maar! Moet je m’n hulletje bedurven?”

Maar als zij, met haar verkleumde handjes, de deur wil openen, die knerpt en wringt van de vorst, en met haar stevige schoudertjes tegen het hout duwt, dan is de oude kater weer beneden en Snibbetje kan zijn klagerig gemiauw niet weerstaan.

,,Nou, koem er dan mar in, je zullen ut wel koud hewwen. Misschien ziet Lumme het niet.”

En zo stappen zij samen binnen. Snibbetje gluurt nieuwsgierig naar Mimme's gezicht. ,,Het is er nog,” vertrouwt zij de oude kater toe, want die is toch eigenlijk de enige, met wie ze over die dingen praten kan. Een hard werkende en altijd rekenende Mimme is zo heel anders dan deze, met wie ze zich samen buigt over het ingebakerde wezentje, dat ze om beurten bewonderen.

„Warm je eerst effen bij de kachel,” klinkt het vriendelijk uit de bedstee. ,,Keend, wat zie je er eut. Je haor zit vol met sneijacht. Waromme blief je nog niet wat donniken? En wie loopt er nu in de vrede in z’n blote hoofd in zuk koud weer.” ,,Och,” lacht Snibbetje zorgeloos. ,,Bessien et m’n hulletje wel op-ezet, maar ut zat me in de weg. Ik wou je zo graag zien. De warreld is zo mooi beuten, Mimme. Oenze bomen binnen net vertelseltjes.”

..Bedaord wat an, Snibbetje. Hier, hou ut keend effen vast, maar prik je niet, want ut binnen geen veiligheidsspelden. Nieuwsgierig volgt het meisje het drukke gedoe in de kamer. Daar is Nanne, de oude baker, die de vuurmand in orde maakt. De test met kooltjes schuift zij behoedzaam achter het groene gordijntje. Daarna maakt zij de wieg op. Behendig giet ze het water uit de koperen insteekketel in het witte waskommetje. Snibbetje zucht spijtig, als Nanne haar grove witte schort voordoet, want nu moet zij het kindje overgeven. Zij luistert nog even naar de stemmen van Mimme en Lumme, die samen overleggen, wat ze die dag zullen eten. Scherp hoort zij toe,

87

of die toon van vroeger ook zal klinken. Maar ze haalt verlicht adem, als ze opziet naar Mimme’s bleek gezicht, waarop nog die wondere glans huivert, die haar zo gelukkig maakt. Als het nu maar zo altijd blijft, denkt ze overgelukkig, als ze naar school toe gaat. Snibbetje vraagt zich niet af, of haar straks de jalouzie zal plagen, als zij vaders liefde zal moeten delen en Mimme meer zorg aan het kleintje dan aan haar zalbesteden. Van het ene ogenblik in het andere leeft zij zorgeloos voort en haar boordevol hartje heeft er behoefte aan om anderen deelgenoot van haar geluk te maken. Haar vriend Jan verrast zij ’s middags met de uitroep: „Ik hew nou 'n echte Mimme, dur ogen binnen krek zunnetjes. Je kuunen er niet genoeg naor kieken!”

De jongen grinnikt, zoals hij altijd doet wanneer Snibbetje hem wat geks vertelt. Dat domme gegrinnik maakt Snibbetje woedend. Ze stampvoet met haar klompje en bijt hem toe: „Jie begreepen ut zieker wier niet, hi? Vremden begreepen oens nooit, joe lelleke langpoot!”

Toch wil ze hem nog overtuigen, hoe blij en opgewekt het bij haar thuis is. En wat zachter voegt zij eraan toe: ,,As jului zelfs mar der es een keend kreegen, hi?” ,,Dan zou ik alleen naar het lekkers kijken,” merkt Jan materialistisch op. ,,Krijgen jullie ook taarten en tulbanden?” ,,Neeje,” zegt Snibbetje stug. ,,Das goed vor de deftige minsen en dat binnen we gelukkig niet. Bessien wel, want die leest de kraant en die et een orgel. En iedere Maandag komt er een man, die haar de huur van de husjes bringt. En zij et ok ’n klied op de groend en er koemen skoelmesters op bezoek. Dat is deftig hi? Maar Mimme zegt, dat het allemaal kouwe drukte is op niks of. Wij hewwen maar een houten groend, waor je best op kunt hinkelen. En klieen is niks edaon, as je n winkel hewwen.”

,,Bij jullie komen de klanten ook altijd binnen. Tochwel gezellig he? Ik ben altijd alleen thuis, nou jij niet meer bij ons over de vloer komt. . ,,Nee, dat doen ik nooit wier,” valt ze hem snel in de rede. ,,Oe, niet alliendes om die spuuldoos, maar ik veen jului stoelen zo raor. Door glej je altoos of.” ,,Dat komt, omdat je zoveel rokken draagt,” lacht Jan plagend. ,,Wat zou jie daor van wieten, stoetel. Jie geloeven alles wat de vremden zeggen. Hier, kiek zelf maar!”

88

En met vlugge beweging bukt zij zich, om zich nog vlugger, met een ruk, weer op te richten. „Neeje, ik doen het toch niet," zegt ze schuchter. „Je hewwen er vor gien steuver verstaand van en m’n Bessien zou gek opzien as ik vor joe m’n rokken telde.”

,,Waarom doe je altijd zo treiterig tegen me," zegt een schorre jongensstem, „Nou, dan moet je me ok maar geloven. Jie dienken altoos, dat je ut bieter wieten. Kom maar dur’s bij oens in heus, dan zul je dur’s wat zien. Ik hew vier grote zusters, ien kleene, en een echte Mimme . . ,,Maar die Lumme, die is toch ’ klinkt het aarzelend. „Die is de baos in heus, zolang Mimme op ’n bedde ligt. Je binnen een echte muiter. Je hewwen zieker ok weer van angeren ehoord, dat Lumme gien echte zuster van me is. Niks van an. Ik voel dur tenminste niks van. En as we taarten kreegen, dan kreeg ik van Lumme toch ut dikste stok. Misschien bewaar ik dan ok wel wat vor joe.” „Schep niet zo op,” klinkt het kriegel terug. ,,Daar krijg ik genoeg van thuis. Ga Zondag maar eens mee naar onze kerk. Na dc dienst kan je dan bij ons koffiedrinken en daar hebben we altijd wat lekkers bij.” „Kuun je net denken. Ik bin Griffemaard,” doet Snibbetje gewichtig. ,,Ach meid, dat is toch allemaal hetzelfde? Doe t nou maar, dringt Jan aan. En voor de tweede maal bezwijkt Snibbetje voor zijn trouwhartige blik, die smeekt om wat vriendschap.

Dagenlang blijft Snibbetje in haar geluksroes. Tot op een avond zij Mimme’s languitgerekte roep hoort: ,,Snibbe¬ tje ...!!”

Er klinkt weer iets van het gejachte, ontevredene in Mimme’s stem. De winkel heeft haar weer te pakken. Even krimpt het meisje ineen. Waarom schreeuwt Mimme zo? Ze houdt er anders niet van, om lawaai in de buurt te maken. Dat is goed voor Jan Rap en zijn maat, zegt ze altijd. Traag staat het meisje op, maar Marretje wenkt: ,,Loop vor de droeli wat vlugger. Jie zwurven altoos maar langs de straoten ^van Askelon. Hier, wissel effen een gulden bij de buurvrouw.”

De buurvrouw is een concurrente. Snibbetje mag haar wel, Marretje minder. Het kind stapt rustig buurvrouws huis binnen en blikt vertrouwelijk op naar de vrouw in de hooggerugde

89

stoel. Op het puntje van haar neus draagt ze een gouden bril; de scherpe, wat ingevallen trekken en smalle, strenge lippen dwingen onwillekeurig eerbied af. Het is ook niet zonder schroom, dat Snibbetje haar hand, met een gulden erin, vragend uitstrekt. ,,Zo, bin je dur wier?” klinkt het toch niet onvriendelijk. ,,Ik wou, dat je moer op de start van Urk woonde, met dat gezeur om klein geld.” ,,lk ok,” stemt het meisje in. ,,Dan hoefde ik . . Maar verder komt ze niet, want met een bezwerend gebaar legt de oude haar het zwijgen op. Vlug haalt zij een handvol klein geld uit haar zak en spreidt dit wijd uit over de tafel. Snel schuift zij een paar kwartjes en dubbeltjes naar Snibbetje toe. ,,Moet er ok nog rooie loop bij?” vraagt ze kort. „Nee, buurvrouw, losse centen et Mimme genoeg, wel bedaankt hoor.”

„As je vandage maar niet weeromme kommen. Het is nou welletjes.”

Schokker Ole zit voor de bedstee en buurvrouw zet het gesprek met haar voort. Even treuzelt Snibbetje nog. Die Schokker die is toch altijd klant bij hen geweest? Waarom koopt ze nu bij buurvrouw? Natuurlijk kibbelen ze weer over de kerk. De oude vrouw vraagt met spottende stem: ,,Zo, is ut toch waor, Ole? Awier veef nije lieen bij jului karkie?”

„Ja,” zucht Ole verrukt. ,,En daor bin ik toch zo blede om dat die over ekeumen binnen. Hut mag dan n wolkien wezen as ’n manshaand, maar je zullen zien, dat ut ’n wolk van zegen wordt.”

„Ik houw angers niet van die overgedreven wolkies,” klinkt het helder en beslist terug. ,,Daar koemt niet alliendis regen, maar ook gahel en sneijacht, onweer en bliksem eut. Let maar es op mijn woorden. Minsen, die van de iene kark naor de angere kuieren binnen nooit de vredigste wolkies.” De spottende toon van deze woorden doet Ole opstaan. „Waor hewwen jului ut over?” vraagt Snibbetje haar nieuwsgierig.

..Bemoei je er niet miee, snotgrom,” zegt Ole kwaad en zij geeft haar een hardhandige duw. In het achterhuisje zoeken een beledigde vrouw en een nog dieper beledigd meisje haar klompen. „Bleeuf er of, snotzak, zegt de oude vrouw boos, als het meisje per ongeluk haar voeten in Ole's klompen steekt. De volgende dag meldt Schokker Ole zich weer als klant bij Marretje. Als Lumme de melk wil inscheppen, fluistert Snibbetje haar haastig 90

toe: „Gief heur gien toescheppien, hoor. Ze komt nu al vor de dorde keer as nije klaant. Niet doen hoor Lumme, angers kiek ik je nooit maar an.”

Een paar avonden later zegt Lumme: „Toe Snibbe, schep jie de melk effen in Ole’s pannetje en gief heur vor disse keer maar wier een toescheppien.”

,,Dat kuun je net denken,” prevelt Snibbetje. ,,Een weeuf, dat me zo uitskelt, zal ik nog ’n toescheppien gieven. Ze krigt niet iens zovuul as er toekomt.”

Snibbetje houdt de maat flink scheep en grinnikt baldadig, als Ole, met achterdochtige blik, de inhoud van haar pan bekijkt, die Snibbetje, met een onverschillig gebaar, op tafel heeft gezet.

Tegen Mimme zegt ze: ,,Ik wil ’n Zuundag miee nor Jan z'n kerlc, Mimme.”

Streng zegt Ole: ..Welnint niet. Dat moet je niet laoten gaon, Marretje. Daor hoort ze ommers niet?” ,,Och, dat mooin het altoos wat nijsies," doet Marretje onver¬ schillig. ,,Wie prot er nou al over de Zuundag. Beleef die eerst maar durs.” ,,Wat moet je daor doen?” mengt Lumme zich er schuchter in. „Je doenen ut alliendes maar om de katte eut de boom te kieken."

Bijna smekend klinkt Ole’s stem: ,,Mins, ze binnen daor zo luchtig van gemoed. Gao niet op het verkeerde pad." ,,Nou, zo arg is het niet,” lacht Marretje nu. ,,Ik ken geen betere man as ouwe Bartus, en die hoort er toch ok bij. Voor zo’n man moet je respect hewwen, of je willen of niet.” ,,Jao, dat is waor," stemt Ole grof toe. „Maor overigens . . .” ,,Er zullen er wel maar goeien bij wezen. Bij oens mankiert er ook wel wat an,” zegt Lumme, die het ook niet op Ole heeft begrepen.

Als Ole haastig de wijk heeft genomen, kibbelt Marretje nog even na met Lumme. Maar als de laatste klant vertrokken is, geeft ze al gauw haar toestemming. „Goon maar, hoor. Ze hewwen mij ok wel durs eschulde vor slootjespringer, en ik bin er niks te minder omme.” Verstrooid krabt zij zich achter het oor. ,,Foei toch," bestraft Lumme haar. ,,Snibbetje is nog vuuls te jong voor zukke dingen.” ,,Bemuui je niet met meen zaken. Ik stuur m’n egen roer,” is het vinnig antwoord.

91

Lumme zucht: ,,As je het dan maar recht houwen.”

En ze zucht nog eens, als ze de volgende Zondag Snibbetje en haar vriend, keurig uitgedost, ziet gaan. ,,Hoe raor is dat, as je een angere weg moeten,” zegt Snibbetje schuchter.

Jan antwoordt: ,,Dat lijkt maar zo. Het is toch hetzelfde Urk, waar je op loopt? Kom, laten we langs de haven gaan, dan kunnen we de laatste hoogte bij het school op. Ja, we moeten klimmen. Dat komt, omdat onze kerk op het hoogste punt van Urk gebouwd is. Mijn vader zegt, dat de drempel gelijk ligt met de top van de dromedaris. Dat is de toren van Enkhuizen.” ,,Hou je gelaardheid maar vor je,” doet Snibbetje bits, terwijl ze over de groene grasberm gaan, waar het armetierig vee zijn voedsel zoekt. ,,Ik geloof toch niks van joen gekakel. Mooi is het hier he, zo hoog boven de ziee.” Met een zekere trots beweert Jan: ,,Ons kerkje is op de mooiste plek van heel Urk gebouwd.” Snibbetje komt in een gewijde stemming, als zij het vriendelijke kerkje aan zee, verscholen achter de ruisende iepenbomen, naderen. De klok galmt haar koperen klanken hartelijk nodend door het luchtruim. ,,Ja," zegt ze stil, ,,dat moet ook, omdat het karkhof erbij is. De torenwachter zegt, dat we vuul an de dood moeten denken. Misschien hewwen ze daarom ut mooiste plekkien eutezocht.”

Jan grinnikt minachtend: ,,Wat geeft dat nou, hoe een kerkhof er uit ziet. Als je dood bent, dan ben je er toch niet meer. Het komt er wat op aan, waar je begraven ligt.”

,,Stille toch jie,” vermaant Snibbetje. ,,Jie binnen vuus te onverschillig. Alle Urkers willen graag hier begroeven worren. Mimme zegt het ok. A1 woenen ze nog zo lange daorginter an de vaste walle haar vinger wijst naar de horizon dan laoten ze erlui nog duur de familie hier nor toe bringen.”

,,Wat een ezels,” merkt de jongen schamper op. Snibbetje kijkt hem kwaad aan. ,,Ezels?” zegt ze verontwaardigd. ,,Juust de minsen, die bange binnen om dood te goon, willen het zo. M’n Mimme wiet ut toch zieker beter as jie? Narges is het zo mooi as hier. Hoor de bomen maar dur’s mooi suuzen.”

,,Overal op de kerkhoven ruisen de bomen,” zegt haar nuchtere vriendje. ,,Maar dat weet jij natuurlijk niet.” ,,Dat hoef ik ok niet te wieten, want ik goon nooit arges angers woenen dan op Urk en dan word ik hier vanzelf begroeven ok,” lacht Snibbetje nu zorgeloos. ,,Wat stoonen we hier hoge 92

hi? Leuster. Ja kuunen de golvcn hier horen. Daaromme willen de Urkers hier zo graag begroeven leggen, denk ik. Geloof jie dat ok niet?” ,,Ach meid, hoe kan dat nou. Je hebt altijd wat. Als je later aan de wal komt. ,,Ikke? Nooit hoor! Leuster durs.” Zij grijpt hem bij zijn arm, als om hem te dwingen, haar gevoelens te begrijpen. Snibbetje is in een verheven stemming. Vertrouwelijk zegt ze tegen Jan: ,,Zeg, vin jie dat vursien ok zo mooi:

,,Zonder rusten, langs de kusten Vloeien ginds de golven heen”.”

De jongen trekt haastig zijn arm los. ,,Doe niet zo gek,” zegt hij verlegen. ,,Kom, de mensen gaan al naar binnen.” En Snibbetje zucht, als zij hem volgt. Wat begrijpt zo’n jongen van haar stille eerbied voor die heldere klokkeklanken en haar eenvoudig ontzag voor de dood, nu zij rondloopt bij de laatste rustplaats van hen, die het kleine, misdeelde eiland even lief hebben gehad als zij nu. Zo diep is het meisje onder de indruk, dat er geen wrevel in haar jonge hart sluipt. Nieuwsgierig betreedt zij het kerkje, dat zij nog nimmer van binnen gezien heeft. „Hier stot een lege bank,” fluistert ze zacht. „Wij hebben een familie-bank, ga maar mee,” nodigt Jan haar vol trots uit. Maar Snibbetje voelt niets voor de eer van een eigen familiebank. ,,Zitten," gebiedt ze beslist. ,,Hier kunnen we alles zien. Ik wil niet zo vuuran zitten. Waor is de domeny?” „Die komt als wij zingen,” fluistert Jan terug. ,,Bij oens is dat angers,” zegt zij zacht in zijn oor. „Het hoeft toch niet overal hetzelfde te zijn?” ,,Wiet ik wel,” stemt zij toe, terwijl zij speurend rondkijkt naar nog meer afwijkingen. Dan schrikt ze plotseling op door de heldere stem van de voorlezer. Zij luistert geboeid naar de indrukwekkende stem, die volkomen in harmonie is met het liefelijk geheel van het intieme kerkje. Als de jonge domine, in zijn lange, zwarte toga, langs haar heen gaat, is zij nog bevangen in de bekoring, die er uitgaat van de man in de kleine voorlezersbank. Zij bestudeert elke trek van het innemend gezicht van Bartus en cijfert in haar onschuldige fantasie alle eeuwen weg, die verlopen zijn, sinds de wet op Horeb werd gegeven. Niemand anders dan deze man kon het zo goed

93

begrepen hebben. Elke lettergreep klinkt doelbewust en iedere intonatie met waardigheid en diepe eerbied. Als hij met vastberaden greep het bordje, waarop de bijbel rust, omdraait, waardoor hij iets meer ruimte krijgt om te gaan zitten, zucht Snibbetje en zet zich ook, in gemakkelijker houding, dicht tegen Jan geleund, neer. ,,Wat mooi was dat,” lispelt ze zacht. ,,Wat bedoel je?” vraagt hij. ,,Dat van de wet. Jie begrepen ok niks. Vuul mooier as bij oens. En het likt lang zo zwaor niet, om hem te houwen," probeert ze Jan aan zijn verstand te brengen. Een stevige ribstoot van een oude vrouw naast haar legt haar het zwijgen op. Dat is maar goed. Het zou Snibbetje toch niet gelukt zijn, om er Jan van te overtuigen, dat het de liefde en eerbied, waarmee Bartus de wet voorlas, zijn, die alles zo licht maken voor ieder die het hoort. Snibbetje’s zieltje, vol van onbegrepen wijding, neemt alle bijzonderheden van het liefelijke oude kerkje in zich op. De stem van de domine laat zij over zich heen deinen en in doezelige rust bekijkt zij de twee scheepjes, waarmee de kerk versierd is. Langzaam telt zij de zeiltjes van het oorlogsschip. Ze is aan tweeendertig, als een verblindende zonnestraal door het hoofdvenster binnenvalt. Wat hebben ze de kerk mooi gemaakt! Wat wonderlijk en prachtig is alles! Snibbetje kijkt naar het andere schip, een tjalkje, dat op de erebank troont. Welke Urker heeft er toch precies zo'n tjalkje? Ja, Spithorst, de oude veeboer. Die heeft er een met diezelfde mooie kleuren van groen en rood. Spithorst is een aardige man. Hij leent Mimme altijd melk, als zij eens te kort heeft. Het komt hem toe, dat zijn schip lijkt op de tjalk hier in de kerk. Om Snibbetje’s mond komt een dromerige glimlach, zozeer is zij onder de bekoring van het stemmige kerkje. Zij schrikt als Jan met zijn schorre stem, haar plots een boekje voorhoudt met het korte bevel: ,,meezingen ”. ,,Nee,” schudt Snibbetje, die streng gereformeerd is opgevoed en dus geen gezangen kent. „Dat doen ik niet.” Maar als de orgeltonen ruisen en de bekende melodie de ruim¬ te vult, kan zij de verleiding niet weerstaan en een heldere meisjesstem mengt zich in het gezang der anderen. Het zingen maakt haar nog rustiger. Zij vermoeit zich niet, door naar de preek te luisteren. Liever laat zij haar eigen gedachten meedeinen met de overbekende klanken. ,,Hoe kan die oude buurvrouw kibbelen met haar klanten over de kerken? God is toch overal dezelfde?”

94

Het komt Snibbetje zo vreemd voor, dat de mensen over Hem twisten. Achteloos leunt zij tegen de rug van de houten bank. Haar benen, met de gladde muilen, bungelen zachtjes heen en weer, in gelijke cadans met de jonge, vurige stem van de domine, die met zorgvuldig gekozen woorden zijn toehoorders boeit. God hoort bij deze klanken. Evengoed als buiten in de natuur, waar Hij achter de horizon woont in ongekende pracht, boven de wolken. Een onbegrepen majesteit. Langzaam dwalen Snibbetje’s blikken langs de rijen der hoorders. Hoe vreemd, zij kent ze haast allemaal en toch zien ze er anders uit dan in de week. Alleen het gezicht van oude Hendrikje de knipster is hetzelfde als toen zij Donderdag een onderborstrok voor Mimme moest knippen. Toen keek ze even ernstig als nu. Snibbetje geeft zich over aan haar liefste spel, het bekijken van mensengezichten. Een paar heldere kinderogen proberen een geheim aan die gezichten te ontfutselen, maar het lukt haar niet. Niemand geeft zijn weggemoffelde gebreken prijs. De trekken staan te hard. Dan richt ze haar belangstelling op het bankje, vlak naast haar, waar de dikste man van het eiland zit. De dikzak kan amper in het nauwe bankje zitten. De opening van zijn broekzak steekt er helemaal buiten. Zo dicht zit hij bij Snibbetje, dat zij hem haast kan aanraken, maar eer zij het wil proberen, steekt hij zelf de hand in zijn zak, om voorzichtig tastend een blauwe zakdoek met witte bloemetjes voor de dag te halen. „Dat is natuurlijk zijn Zondagse, in de week heeft hij een rooie," stelt Snibbetje vast.

Ineens bukt zij zich voorover, want over de blauwe stenen vloer rolt een kleurige suikeren knikker, die met de zakdoek te voorschijn kwam en nu zijn weg zoekt tot vlak onder Snibbetje's muilen. Jan heeft het ook gezien. Zij bukken zich tegelijk en hun hoofden botsen tegen elkaar. De kinderen schieten in een benauwde stiklach. De stemming is volkomen gebroken. Met gebiedende blik wenkt hun de koster. Snibbetje schuift beschaamd achter haar vriend aan naar het portaal. De koster geeft Jan een welgemikte schop en Snibbetje een driftige duw. Beiden tuimelen de kerk uit en staan, eer zij het beseffen, in de helle zonneschijn.

Eenmaal onder die bestraffende ogen van de koster uit, schalt hun lachen onbeteugeld, met gierende halen door de ruimte. ,,Hew je um nou?” hijgt ze, ademloos. „Jawel, hier is-ie. Doet je hoofd nog pijn, Snib?" „Een klein bietje, gief mij de helft. Beet jie um maar duur.

95

Vies bin ik niet van je. We binnen hier niet zo kingerachtig. Zo, lotten we hier maar wachten, tot de kark eut komt. Zo vroeg durf ik niet in heus koemen.”

Rustig zitten ze op de hoge grasberm, waar ze in de verte de Friese kust heel vaag kunnen onderscheiden. Voldaan zuigt Snibbetje op haar halve knikker, die ze van de ene wang naar de andere schuift. ,,Zeug niet zukke diepe kuilen in je wangen,” zegt ze berispend. „Dat stot zo raor. Je doen net, of je van ze leven niet wat kregen.”

,,En je zei laatst, dat je kuiltjes in de wangen zo mooi vond!” ,,Ja, van m’n taote, maar dat bin jie niet," lacht ze vrolijk terug.

A1 kibbelend genieten ze van hun lekkers, dat ze zich door hun onwaardig gedrag hebben verworven. „Hier groeit ook niet veel," merkt de jongen op, die het op het eiland nog steeds niet naar z’n zin heeft. ,,Hier groeit zat! Heb je die mooie blauwe distels wel eens ezien om de noord? Over een paor weken koemen de paardebloemen, en kiek, hier staonen al botterbloempies,” verdedigt zij haar vaderlijk erfdeel. ,,En als de maaiers koemen, binnen dur ok korenbloemen, dat wiet je toch? En dan goon ik lekker van skoel of. Dan ben ik groot!” ,,Je mag er nog lang niet af, Snibbetje. Je bent pas elf jaar. Dat mag niet van de wet.” ,,Maling an de wet," smaalt Snibbetje luchtig. ,,As Mimme mun toch hewwen moet. Ik houw wel niet van de winkel, maar er zit niks angers op.” ,,Ja, maar mijn vader zegt. .” ,,Wat de vremde snuten zeggen, daar trekken we ons niks van aan. Mijn taote zegt, dat er maar iene wet is, al ut angere is bocht,” verzekert Snibbetje hem, terwijl zij opstaat en haar bruine rokje afklopt. ,,Kom, de kark got eut!” En onopvallend mengen zij zich onder de kerkgangers. Een beetje schuldbewust verschuilt zij zich thuis schuchter achter vaders stoel. Er is visite. Snibbetje onttrekt zich het liefst aan de aandacht. Maar Marretje haalt haar naar voren en vraagt: ,,En hoe hew jie ut ehad, Snibbetje?” ,,Bestig,” antwoordt Snibbetje. En zij ratelt honderd-uit over alles, wat zij gezien heeft. Marretje zegt al gauw. „Bedaor nou maar. ’t Is al goed zo.” Snibbetje zucht verlicht. De list, die zij zo dikwijls gebruikt, als zij van de preek niets meer weet, is weer volkomen gelukt. 96

Marretje wendt zich weer tot de kring van haar visite. Het zijn nu geen klanten, maar de meisjes met hun vrijers. Mar¬ retje, die in een weerbarstige bui is, kan haar tong nu vrij spel laten.

,,En ik zeg je, dat het mis got met Urk. A1 die nijegheden waor ze tuugenswoordig mie ankoemen! Wat moeten wij hier op Urk in vredesnaam met illestieke licht doen en nou mauwen ze ok al wier over een waterleiding. A1 die dingen kosten hopen geld en wie zal dat betalen, zoete, lieve Gerritje? En as ze warekelijk van plan binnen om de ziee te dempen, dan zicht Oenze Lieven Aartjen het ende. Wat moet er van oens worren, as er gien vis maar komt, maar er ok nog gien bloemkool is! Ik zeg je, dat ik er geen heil in zie!” ,,Nou, nou,” zegt Dirkje’s vrijer, een blozende visser, gemoedelijk. ,,As ze er daor in Den Haag geen licht in zaggen, zouwen ze er niet an beginnen.” ,,Man, praot me er niet van, hoe kuun jie as visserman vor zukke malle strieken wezen. Je denken zeker dat ut maar op 'n hort en een stoot voor enkanger is, maar dat zal je tuugen vallen, makker! Grote heren, lange pijpen diepe zakken, niks te grijpen Praotjes verkopen, dat kuunen ze. Maar wat wieten ze van oens of? Je zullen zien dat m’n zaakien teniet got. Wat hew ik aan zukke nijsjes? We hewwen nou ok zo’n nije burgemester. Schieten we er wat mie op? Hij schudt de wetten eut z’n mouwen, maar vor oenze rechten opkoemen, ho maar! Dat is nou een man van het woord. Lot ze liever zurgen, dat die droogleggerije niet duurgot. Toen hij lest bij de ministers was, had ie met z’n veust op tafel moeten sloon en zeggen: ,,Lot de Urkers met rust!” Je zal het beleven, dat Urk Sodom gelik wordt.”

Klaas gaat er tegenin. Hij laat zich niet zo gauw van zijn stuk brengen en schimpt vooral op de lui met vaste baantjes. Makkelijk bidden voor een schoolmeester. Here, zegen dit en dat, morgen krijg ik vast wat. Het wordt tijd, dat er hier eens verandering komt. Urk moet met zijn tijd mee, dan krijgen wij ook eens wat te zeggen over dergelijke dingen. De toekomstige droogmaking neemt een grote plaats in zijn hoofd en hart in en hij kan er niet over zwijgen.

„Ik zeg je, wij as Noordzievissers, kuunen er nooit angers as vuurdiel van hewwen. Met de klene binnenvissers is het wat angers, maar door zal wel vor ezurgd worden. As de mi¬ nisters

Lumme haalt minachtend de schouders op. ,,Hou nou maar

97

op over die ministers. Je doenen net, of je dagelijks over de vloer kommen. Zie, dat je ok een boontjen kreeugen, dan zul je dat kiften wel laoten. Oenze bovenmester ,,Das een beste man,” zegt Gerrit. ,,Een eupenbaore skoel met zo'n man an het hoofd, is beter dan een christelijke skoel met een ja-broer.”

Klaas is het daar roerend mee eens, maar hij houdt toch vol, dat Urk mee hoort te doen met de vaste wal. Marretje voelt niks voor de vaste-walse kunsten en als haar tong te scherp wordt, komt Gerrit bemiddelend tussenbeiden en zegt, dat Marretje alleen zo tegensputtert, omdat zij niet langer varkens binnenshuis mag mesten. Dan lachen ze allemaal, en het ge~ sprek gaat in kalmer toon verder. De altijd-bezige Lumme heeft haar toevlucht in het achterhuis genomen en vult Vaders plunjezak. Voorzichtig legt ze er de kledingstukken een voor een in en zij rekent in gedachten na: ,,Vier maanden is de kleine nu al. Hoe lang zal het nog duren voor vader zijn oude schuit verkoopt? Zo kan ik toch ook niet langer leven. Alles komt op mij alleen neer. Op die manier zal er nooit iets komen van Evert en mij. De anderen gaan toch ook hun eigen weg? Die denken aan zichzelf. Dirkje en Janneke hebben al trouwplannen en Mietje loopt ook vast en zeker met een jongen, want die is ’s avonds met geen stok in huis te houden.”

Snibbetje, die het gesprek al gauw begon te vervelen, steekt haar hoofd om het hoekje van de deur. ,,Zal ik de zak effen ophouwen, Lumme?”

Als met toverslag verdwijnen Lumme’s zorgen. ,,Wat moet een man vuul klieren hewwen, he Lumme? Waoromme toch?” ,,Het is koud op ziee. Ze worren nat van ut beswaoter.” ,,Ik wil laoter niet trouwen, Lumme. Of misschien met een man, die um nooit zwart makt.” ,,Ja, zoek er maar iene, met 'n boord omme.” „Van zijn leven niet,” lacht het meisje nu vrolijk. „Dat binnen toch vremden?”

Ineens staat haar gezicht weer ernstig. ,,0 ja, Lumme, we kriegen fiest op skoel. De ouwe mester viert z’n jubile. Hij krigt cadeau's en bloemen. Die bloemen wou ik zo graag gieven, maar die nije mester, war ik nou bij zit, die zal mij wel niet kiezen, want dat is d'r zo ientjen van zegen dit en dat, murgen krieg ik wier wat.” ,,Stille toch, Snibbetje. Jie denken maar, dat je alles

98

zeggen mag. Niem 'n poar beste sigaren vor um miee." „Nee Lumme dat doen ik niet. Dan zou het net wezen, of het alliendig maar om de sigaren ging.”

„Het moet bij joe ok zo krek wezen, Snibbetje.”

„Net as bij joe," lacht het meisje, wier vingers bijna bekneld raken, als ze samen het touw van de plunjezak vastsjorren. Snibbetje maakt aanstalten om weg te gaan. Zij wil naar Bessien om haar Zondagse krentebroodkruntje te veroveren. Ze treft het. De onderwijzer zit met Bessien te praten, maar hij neemt aanvankelijk geen notitie van het schuchtere figuurtje, dat bescheiden in het hoekje onder de klok zit te wachten. Bessien en de meester zitten in druk gesprek. Bessiens wangen kleuren zich onder het praten en met klem verzekert zij de onderwijzer, dat het verkeer onder haar volk hem op den duur mee zal vallen. „Alle begin is moeilijk ju," zegt ze met nadruk. Eerst dan denkt ze aan Snibbetje, want die rukt even aan Bessiens rok, om haar aanwezigheid kenbaar te maken. „Stille! wacht effen, Snibbetje. Als de mester er is, loop ik niet naar de broodtrommel." Zo berispend klinkt haar stem, dat Snibbetje er een kleur van krijgt en bedeesd voor zich kijkt. De jonge onderwijzer beziet haar met een glimlachje. Hij is onder bekoring gekomen van Bessiens wijze lessen en voelt waarschijnlijk behoefte, om daar iets tegenover te stellen. Vriendelijk vraagt hij Snibbetje, of zij de oude meester de bloemen wil aanbieden. Met een dankbare kleur aanvaardt het kind het erebaantje.

Helemaal volgens de regels is het wel niet. Want Snibbetje is niet de oudste en ook niet de mooiste van de klas. Maar als je grootmoeder zo’n goedklinkende naam op het eiland heeft, dan moet meester iets door de vingers zien.

Toch is het allemaal moeilijker dan Snibbetje gedacht had. De volgende dag wordt er geoefend en dringend klinkt meesters stem: „Buigen, Snibbetje! Het gaat niet goed zo, dieper.”

Hijgend en met hoog-rode kleur staat zij voor de klas. „Je leert het nooit, kind. Je staat er bij als een houten hark. Zo moet je doen, kijk!" En de meester maakt een sierlijke reverence.

Weer gaat het tengere meisjeslijf op en neer. Maar het stijve middeltje zit Snibbetje in de weg. De kinderen lachen om de steeds herhaalde dwaze vertoning. Snibbetje’s woede over het mislukken stijgt, zodat ze ten slotte met een gebaar van wanhoop haar schort optilt en zegt: ,,Hier, 99

kiek dan, ik kan ut niet van m’n tippen. Die drukken al de binnenscholletjes nor de hoogte, die ik egieten hew. Das toch zunde.”

Dan ziet meester de Iange uiteinden van het middelde en zegt mismoedig: ,,Morgen nog maar eens.”

Snibbetje verzekert met grote stelligheid: „Murgen got ut glad-en-dal niet.” ,,Waarom niet?”

„Om dat we dan kapkool eten,” is het antwoord. Meester moest toch weten, dat iedere Urker zich stijf eet aan kapkool.

„Dan moeten we het voortaan ’s morgens maar doen,” beslist, wanhopig, de meester.

Liefde doet wonderen. Het is uit liefde voor de oude meester, dat Snibbetje s morgens en 's avonds voor de spiegel staat te oefenen. Zonder middelde gaat het zo mooi, maar dat lamme stijve ding maakt een diepe buiging onmogelijk. De huisgenoten vermaken zich hevig met Snibbetje’s ijverige pogingen. Zij brengen haar buiten zichzelf van kwaadheid, met hun voortdurend geplaag.

Marretje maakt er een eind aan. ,,Snibbetje, houd op met je duvelskunsten,” zegt ze op een middag, als het meisje weer hardnekkig oefent. Mimme pakt haar bij de schouder en duwt haar een grauw papieren zak met kaas in haar handen. ,,Hier, goon liever nor die minsen toe en vraag, of ze er wat van gebrukken kuunen. Ze zullen die dag wel vuul gasten kreeugen.” En voor zij haar laatste buiging voltooien kan, is Snibbetje buiten gezet in de warme zonneschijn. Alweer zo’n boodschap. Waarom kan Mimme haar nu nooit met rust laten?

Snibbetje’s haat tegen de winkel neemt met de dag toe. Mimme denkt, dat alles maar zo eenvoudig gaat. Zij kan zich niet voorstellen, hoe benauwd het meisje zich voelt, als ze aan de bel trekt en zo lang op de stoep moet wachten. Je staat er te pronk. Tot haar grote verlichting hoort Snibbetje, dat meester de kaas niet moet. Ze was te jong en te nadelig. De grauwpapieren zak krijgt ze niet terug. Als het Urkers waren, dan zou Snibbetje dat niet nemen. Wel proeven en niet kopen, dat komt niet te pas. Maar zo’n meestersvrouw, dat is een juffer en daar kan je toch ook niet alles tegen zeggen. Vooral niet, als je eerstdaags voor ze buigen moet. Zij trotseert Marretje’s 100

woedende uitval: ,,Michtig, Snibbetje. Hew je ze alles op lotten eten, en niks verkoft? Je zullen ut zelf wel op-evret hewwen. Of ut komt omdat je verstaand bij dat malle gebuig zit.”

Zakelijk zegt Snibbetje: ,,Lot mij nou maar goon waor ik het liefste wil. Wat hindert het, van wie je het geld beurt?” ,,Nou, alia dan.”

Snibbetje krijgt een tweede monster kaas en in vrolijke klepperdraf gaat ze regelrecht naar Lumme van Knieles, die achter het buffet van haar cafetje, temidden van kruiken en flessen zit.

Snibbetje komt binnen, tegelijk met een van de klanten en de kasteleinse schenkt een glas vol. Een ander zit dommelig aan tafel en kijkt haar met vragende ogen aan. ,,Kan er niet meer of, vandage?” ,,Nee, dat is je taks, Hindrik.” ,,Je binnen niet skeutig.” ,,De maot is kostelijk.”

Grinnikend schuift de man haar zijn geld toe en staat wat moeilijk op. ,,Bring maar een flink stuk,” zegt Lumme van Knielis, als ze de kaas geproefd heeft en Snibbetje gaat tevreden weg. De zakendrift heeft Snibbetje toch gepakt. Zij denkt na, welke klanten ze nog meer kan bezoeken en gaat naar de goedlachse diaken-vrouw en een van Inte’s volk. Die kunnen toch geen nee zeggen, als zij ze vriendelijk aankijkt. Tevreden over haar succes brengt ze later het bestelde rond en ze lacht vergenoegd, als Marre van Inte haar met een kort: ,,Dat is vor joe” nog een stuiver extra geeft. Lumme van Kniele schuift haar een half kopje anisette toe. ,,De leste druppel is nog lekkerder dan de eerste,” oordeelt Snibbetje deskundig. Ze krijgfr een por in haar zijde en staat weer buiten de deur. Bij de diakenvrouw stoeit ze met de kinderen en zij laat zich de dikke snee roggebrood met beschuit best smaken. Dat is wat anders dan dat geduvel met die bellen. Geef mij maar m’n eigen volk. Maar’s avonds maakt Snibbetje toch weer plichtsgetrouw haar buigingen, want de oude meester dat is weer wat anders! Welgemoed zingt zij mee op het feest. Vol goede voornemens gaat zij, na een aanmoedigend duwtje, naar voren. Een podium lachende gezichten critiserende gezichten en bovendien de meester in een pikzwarte jas . . . dat zijn te~ veel emoties in een keer. Een blik op het oude vertrouwde ge101

zicht bewerkt althans nog, dat ze met een enkel ,,hier meester” de bloemen overreikt. Tot meer plechtstatigheid kan Snibbetje zich niet opwerken. Zij keert zich snel om en rent naar de andere kinderen. O ja achteruit had ze moeten lopen. Nu het te laat is, herinnert zij het zich. Bevend zingt ze met de anderen mee. Een beklemmend gevoel, dat ze alles verkeerd gedaan heeft, hangt als een schaduw over haar feestvreugde. De buiging had ze helemaal vergeten en zij kon het nogal zo goed! Wat een sufkop was ze toch! Maar het was ook allemaal zo vreemd en meester had weer van die eigenaardige rimpeltjes in zijn gezicht. Woedend is ze, als Jan haar later hoont: ,,Je hebt niet eens gebogen." En de nieuwe meester zegt: ,,'t Was prachtig, hoor, een knipmes is er niets bij.” ,,Da’s ook leugens!” zegt Snibbetje. ,,Vremden zeggen zo wat wat.”

Hulpeloos voelt zij zich tegen twee mensen van het andere ras, die haar vreemd zijn en in haar verlegenheid wordt Snibbetje brutaal. ,,Ik hew't wel edocht," snauwt zij. ..Wat heb je wel gedacht, Snibbetje?”

Beschermend pakt meester de kleine driftkop bij haar kin. Snibbetje worstelt om vrij te komen. ,,Dat je rood op de graat was!” hijgt ze wanhopig. ,,Ik . . .? Wat betekent dat, Snibbetje?” Meesters wenkbrauwen fronsen zich dreigend en vol verbazing. ,,Dat wiet ik niet. De klaanten zeggen het. Je dienen wel vrindelijk, mar je mienen d’r niks van en ut angere, da’s van de laar, maar dat wiet ik niet zo goed.” Meteen rukt zij zich los. ,,Hier, Snibbetje!" „Nee ." ,,Hier blijven, heb ik gezegd!” De stem klonk zo dwingend, dat Snibbetje blijft staan en met een zekere nieuwsgierigheid naar hem opkijkt. Witte tanden glinsteren onder de zwarte snor. Bij het zien van haar gezichtje smelt meesters drift weg. ,,Ga maar naar huis. Ik ben niet boos,” zegt hij zacht en hij kijkt in gedachten verdiept het kleine, zich voortreppende figuurtje na. ,,Ze merken dus wel, dat ik hier met tegenzin ben. Ik zal moeten proberen, om me bij hen aan te passen. Niet zuiver in de leer .? Zeker, omdat ik er eens op gezinspeeld heb, dat 102

ze de drempel van de kerk nog nict plat hoeven te lopen om een behoorlijk mens te zijn. Hoe is het mogelijk, dat mijn collega’s zich hier een erepositie hebben verworven? Daar gaan zeker jaren overheen. Eigenaardig volk is het. Je ergert je soms dood aan hun stompzinnige eigenwijsheid. En toch wie weet, hoeveel van die pittige Snibbetjes er in mijn klas schuilgaan?”

Meester strijkt zich bedachtzaam over het voorhoofd. ,,Ik wil proberen, het vol te houden. Kwaad zijn ze niet. Maar moeilijk wel. En heel erg wantrouwig.”

Hij kijkt van het ruime schoolplein uit over de bruisende zee. De blauwe havendammen steken ver in het water en de golven rameien de keien, met nimmer verpozend geweld. lets van de eeuwige beroering moet schuilen in dit volk. Zij kunnen zich niet ordenen in een gewone maatschappij, waar men met de pet in de hand door het leven gaat. Voor het eerst sinds hij met de postboot tussen die dammen door de haven binnenvoer, om zich op dit eiland te vestigen, dringt in meesters hersens een glimp van begrippen door over dit volk, dat zijn eigen aard nooit prijs zal geven. Spelend kruift de wind door zijn haren als hij glimlachend zich voorneemt: om de Urkers te aanvaarden zoals ze zijn.

En in de loop der maanden ontdekt hij steeds weer nieuwe Snibbetjes tussen die stugge, doch koene kinderen. Snibbetje zelf achtervolgt hem nog dikwijls met haar wantrouwen. Maar een vreemde blijft toch altijd iemand, die de moeite waard is om bekeken te worden. ,,Gelooft de mester an kollen?” vraagt ze eens. „Nee Snibbetje, kollen bestaan niet. Let beter op je rekenen, je schrijft maar zowat neer.” ,,Weet mester wel wat kollen binnen?” ,,Ja Snibbetje, zoiets als toverheksen.” ,,Wel nou, dan binnen ze er toch, as je ut wieten?” ,,Het is niets dan bijgeloof,” klinkt het geprikkeld. Snibbetje verbetert hem: ,,Zundig bijgeloof. Een voorbereiding et mester toch vast wel ers ezien hi?” ,,Nee kind, dat is niets dan inbeelding. Je ziet iemands begrafenis niet, voordat hij dood is, en bovendien kom ik ’s nachts nooit op straat.”

„0, maar s avens wel. Mester et ommers verkerige?” ,,Snibbetje, hoe zit het ook weer met die aardrijkskundeles van jou?” vraagt meester haastig. Plagend antwoordt het meisje rap:

103

,,Enkhuizen ligt dichter bij Urk dan Kampen, maar Amster¬ dam Iegt een machtig ende weg en taote zegt, dat de knechts, as ut erg donker is, daansende limpies op derlui euliepetten hewwen."

,,Maar Snibbetje, wat heeft dat nou met Europa te maken?” ,,Niks,” stemt Snibbetje lachend toe. Meester kan niet nalaten om te zeggen: ,.Die Iichtjes op de oliepetten is iets heel gewoons. Dat is het St. Elmsvuur. Dat heeft niets met kollen te maken.” Maar Snibbetje schudt vol overtuiging haar hoofd en zegt: ,,Ouwe Reinier denkt er hiel angers over en daor houw ik me an.”

Meester is echt teleurgesteld, als Snibbetje een paar weken later binnenstapt met de boodschap: ,,Mester, mag ik van skoel of? Mimme vindt het nu welletjes. Ik moet warken in heus.” ,,Nu al?” vraagt meester verwonderd. ,,Ik ben al elf,” lacht ze trots. ,,Mag ik metien goon?”

Zonder een antwoord af te wachten groet zij met een armzwaai haar vriendjes en vriendinnetjes, knikt meester met guitige ogen toe en stapt de klas uit. Even nog kijkt zij door de vensterruit, naar het oude, vertrouwde lokaal. Meester ziet met een gevoel van weemoed nog een keer naar het grappige wipneusje, de donkere ogen en de weerbarstige krulletjes, die onder het hulletje te voorschijn springen. Snibbetje lacht verlegen en verdwijnt. Bij de grote schooldeur, die ze zo vaak hijgend is binnengehold, staat de oude schoolmeester. Hij wacht, als altijd, op de laatkomers. Vaag dringt het tot Snibbetje door, dat hij daar mor¬ gen ook zal staan en overmorgen en volgende week. Altijd had ze geaacht, dat hij daar uitsluitend voor haar stond. Nu dringt toch even de gewichtigheid van het ogenblik tot Snib¬ betje door. Bedremmeld gaat zij op meester af, om hem een hand te geven. ,,Dag mester, en bedankt." ,,Hei daar, Snibbetje. Ga je voorgoed?" Meester houdt haar kleine handje in de zijne en kijkt haar met zijn omrimpelde ogen ernstig aan. ,,Zal je nou altijd zo ondeugend en driftig blijven als je hier was? En zal je in je verdere leven ook altijd te laat komen? Nou, Snibbetje?” ,,Was het zo arg?” vraagt ze blozend, en zij kijkt naar meesters gezicht. 104

De grappige rimpeltjes om zijn mond en de vrolijke lichtjes in zijn ogen stcllen haar gerust. ,,Hoe hi,” lacht hij schelms. ,,Wat wiet je alles toch best. Ik zal alles onthouden en niks vergeten.”

En in een opwelling van oprechte hartelijkheid, voegt ze eraan toe: ,,Want ik houw toch zovuul van je.”

Zij duikt lenig weg, als meester haar met een speelse zwaai van zijn herenhoed probeert te raken.

En Snibbetje huppelt, klompenklepperend, de wijde wereld in.

105

Zwoel en weldadig ligt de warme, lange zomerdag over het vergeten oord, midden in de Zuiderzee. De laatste stralen van de dalende zon spelen over de kleine, rode daken van de vissershuisjes en houden het blauwe leidak van kerk en gemeentehuis in dezelfde speelse greep. Uitdagend schittert het torenhaantje in gouden pracht en het is, of het nauwkeurig het eiland afspiedt om te onderzoeken, of ze deze avond wel alien hun gewichtige plicht zullen vervullen. Heldere kinderstemmen klinken op tot in zijn hoge eenzaamheid en het haantje draait op zijn koperen stang van Zuid tot Zuid-West in de milde wind. Schorre stemmen mengen zich met het kindergeluid. Urkers maken zich op tot de jaarlijkse bijeenkomst in de bewaarschool bij de Gereformeerde kerk. Het is vanavond Landerskerk. Eerst met een zekere stemmigheid, en bezield met goede bedoelingen zitten zij samen als de oude formaliteiten vervuld worden. Maar al gauw zal het vredige gezelschap ontaarden in een scheldende, ruzie-achtige groep, hoewel er ook enkelen zijn, die met tevredenheid op deze avond terug zullen zien. Het hooiland moet eerlijk verdeeld worden onder de erfpachters. De oude boeken en dobbelstenen moeten uitwijzen, wie dit jaar de hoge stukken, de grote of de kleine fok, Jan Snoek, Pieter van Ietjes Jawuk, Pipetje of Oude Brechtje, Schokker Jan of hoe al die stukken meer mogen heten, zal bezitten. Ieder jaar krijgt een eigenaar een ander stuk. De oude boeken, waarin het toebedeelde staat opgeschreven, zijn vergeeld en de bladen ruiken muf. Zij, die met de verbleekte inkt de pagina’s vulden, zijn reeds sinds mensenheugenis uit deze wereld verdwenen. Een strijd van generaties wordt iedere keer uitgevochten. De jongeren verzetten zich tegen de oeroude regeling en wensen hun fortuin niet van dobbelstenen afhankelijk te zien. De verdeling is onbillijk en tegen iedere rede in, maar de ouderen houden vast aan de traditie. Zij nemen de lange, goudse pijpen in de mond, om het rollen der dobbelstenen beter te kunnen volgen. In de vergeelde boeken weten zij nauwkeurig de weg. Wat goed ging bij grootvader en overgrootvader, is voor het huidige geslacht ook voldoende. Heeft de verdeling haar beslag gehad, dan worden de stuk¬ ken land, die dit jaar het eigendom der kerken zijn geworden, onderling aan de meestbiedenden verhuurd. Ernstig en waar106

dig zwaait de voorzitter met de hamer, doch zijn plechtstatigheid kan de hartstochten niet bedwingen. Lopen de prijzen te veel op, dan ontstaat er rumoer, want naar de prijzen van het kerkeland verhuren zij weer onderling brokstukken land. Daarom eindigt de Landersdienst altijd rumoerig. Vrediger is de dienst, die gehouden wordt als het land gemaaid is. De maaiers komen hun loon halen en de werkgevers delen blaadjes Jan Hagel uit. Hier worden de vetes, die bij de verdeling ontstaan zijn, weer bijgelegd. Urkers wrokken niet. Het is, of de frisse zeewind, die van alle zijden op het kleine eiland kan afstormen, de menselijke kleinheid uit hun geesten verjaagt. Het leven is te kort om de dagen in vijandschap te slijten. Volgens oud gebruik moeten de vrouwen van landbezitters en huurders deze week op een stuk dikke koek of pappezak tracteren. Vooral op de neringdienden rust deze ongeschreven verplichting. Wie er zich aan onttrekt, geldt als gierig.

Marretje schikt zich, zonder verzet, in de goede gewoonte. In de oude bakkerij, die ze als keuken gebruikt, staan de meisjes geduldig te wachten, terwijl Mimme met een stevige zwarte draad dikke plakken van de nog dampende Jan-in-dezak afsnijdt.

„Mietje, jie nor de Schokker. Snibbetje kletst te vuul bij die luien, die met het maar nor Giesien bringen. Lumme, houd je hoofd er es bij. Hewwen we nou gien mins vergeten?”

Zwijgend schudt Lumme het hoofd. Het kan haar niet over de lippen komen, dat Everts moeder nog niet gehad heeft. Er is iets, dat Lumme daarvan weerhoudt. Als de bedrijvige Marre¬ tje puffend en blazend de stukken koek op de bodem zet en ze met stroopsaus beplenst, knort Lumme zacht: ,,Het zou wel arg wezen, as je iene van je lievelingen vergat. Je maken ofgoden van je klaanten.”

„Stille, jie gunnen gien mins wat, ouwe wangunst!” kijft Marretje.

De meisjes, die inmiddels teruggekomen zijn, horen de schermutseling nauwelijks. Zo gaat het immers iedere dag? Mimme en Lumme zijn het haast nooit eens. Alleen, als het er om gaat, Snibbetje de les te lezen, dan heerst er tussen Marretje en de oudste een roerende eensgezindheid. Zij beiden willen Snibbetje’s leven tot een reeks plichten maken en daar Snibbetje zich zonder enige gewetenswroeging steeds aan de dwangarbeid probeert te onttrekken, zijn moeder en dochter van dezelfde mening: er valt met Snibbetje niets te beginnen. Zij

107

zoekt haar jolijt op straat, is steeds bij de aankomst der boten te vinden en kijkt met stralende levenslust de wereld aan. Ook nu biedt ze Mietje gul aan: ,,Ik draag de maanden met brood vor je, maar niem jie dan de koffieketel. Lekker hi, dat we de maaiers brood bringen mugen!” Haar stem joelt vrolijk in Mietje's oor en die lacht terug: ,,Hou je praotjes n bietjen vor je.” Samen sjouwen ze dwars door het dorp naar het hooiland, nagestaard door afgunstige kinderen, die daar niet komen mogen. De dorpsveldwachter is streng en wijst iedere onbevoegde terug. In Snibbetje’s diezik bungelt de lies dropwater. Dat hoort zo, vindt ze. Als de maaiers in het land zijn, moet je schommelen met een fles met water en drop. Alle kinderen doen dat. Zij zelf vindt het zoete water eigenlijk helemaal niet lekker, maar het is mode op Urk en daar houdt een mens zich aan. Met een nijdige zet gooit ze de diezik naar achteren. Zo heeft ze er geen last van en kan ze ongestoord de zig-zag der maaiers volgen.

,,Mietje, ik zie de oenzen al. Dat is de brede rug van Olde Berend, en daor naost, da’s Gerrit-Jan. Lotten we voortmaken, want ze goon al zitten. Ik veen Olde Berend wel aordig. Hij et van die klene pareltjes op zijn neuze. Maar hij is wel een bietjes rood, veen je niet, Mietje?”

,,Wat is rood?” vraagt Mietje afwezig. „Och, mooin, de neuze van Olde Berend. Zou dat van de koffie koemen? Of van de eek, die ze in het waoter gooien?”

Mietje antwoordt nuchter: „Nee, het komt van de neurie.” „Wat?” vraagt Snibbetje onbegrijpend. ,,Zeur niet zo,” doet Mietje wat knorrig. ,,Kiek liever waor je lopen.”

Snibbetje struikelt bijna over een reep gemaaid gras en ratelt meteen weer verder: ,,Kiek Mietje, Olde Berend et een blaauwe ongerbroek met witte streepies an. Gek is dat, he? Ik zag hem gisteren, toen hij in de kooi ging.”

Als zij bij de maaiers zijn aangekomen, vlijt de oude man zich languit in het geurige gras en drinkt vele koppen koffie achter elkaar leeg. ,,Waar lot ie ut,” fluistert Snibbetje haar zusje toe. ,,Kiek urs, hij legt al het roggebrood apart. Gemien hi?” ,,Ik kan t niet helpen, deern,” verdedigt Olde Berend zich. ,,Ik hew liever stoete. 't Wittebrood gaot wel, maor dat rogge is mien te plakkerig. De dijen zouwen je daorvan an mekaore plakken.” 108

Snibbetje schaterlacht. „Toch koem je ieder jaor maar wieromme,” plaagt Mietje de oude maaier. ,,Wel jong, dat durve ik niet te laote, vanwege joe Mimme. Schei maor uut, dat is me d’r eentje, die ef de broek an.” ..Zieker net zo’n ientje as jie,” giert Snibbetje. Olde Berend glimlacht schelms naar het meisje en gooit haar een handvol gras in het gezicht. Overmoedig smijt Snibbetje terug, maar dan komt ze met haar vleierige stem naar de oude toe en zegt: ,,’t Angere jaor koem je toch wier bij oens hi?"

„Ik denk het niet,” zegt Olde Berend, plotseling ernstig. „Dit zal wel de leste kere zijn. De Urkers willen een maaimachine kopen. Als ze de zee gaon dempen, verandert het hier allemaol. Dan is het ouwerwets, om nog maaiers uut Nieuw-Leusden te laoten kommen. De Urkers moeten het zelf leren, jong. Ie weten toch, dat het daorginds almaol land wordt? Ja deern, dan komt Olde Berend op de fiets om te kieken of ie een flinke boerendeern geworden bent."

„Ik geloof er allemaol niks van. Nijt land, en jie op de fiets. Alle ouwe mannen kuunen liegen of het edrokt stot. En ik een boerendeerntje? Kuun je net dinken!”

,,Zo, en wat denk ie van zo’n hoeve met rondom gele steentjes? En ie de baos van 't spullechie?”

„Voor mij niks,” roept Mietje afkerig uit. „Ik bleeuf hier. Mij kreeugen ze de polder niet in, al kon ik een boerderije van goud kreeugen.”

,,We zullen nog eens zien, wie het hardst vecht om er te kommen,” voorspelt de oude baas. ,,0, dat win ik van je,” roept Snibbetje en ze geeft hem een speelse por in de zij. ,,Een paar hupse deems,” zegt Olde Berend tegen zijn makker, als hij de meisjes nakijkt. ,,Trek je er maar niks van an,” troost Snibbetje haar zusje. „Die vreemden zeggen zo vuul, maar ze kuunen niks.” Mietje schudt dromerig het hoofd. „Wat zal het hier akelig worren, as de ziee er niet maar is,” zegt ze bedrukt. ,,Ze kuunen hiel wat, tuugenswoordig. We hewwen nou toch ok al electrisch licht?” ,,Dirkje is er bang voor,” schatert Snibbetje. ,,Ze houdt heur boezelaar vor dur gezicht, as Bessien het knopje omdreijt. Gisteren hew ik ut limpien ommedreijd en toen kwam er gien licht. En toen mos ik vor straffe drie keer miee om een gank waoter te haolen. Dirkien et wel vijftien emmers nodig, om 109

het straotjen te skrobben en Cor van den mester maar zesse.”

Even zwijgen de meisjes. De zon gaat in flonkerende pracht onder. Heel de hemel is van goud en Snibbetje staart in de blinkende verte. ,,As ze in de hemel ok gele straotjes hewwen, dan et Dirkien wel vijftig emmers nodig." ,.Snibbetje, praot niet zo goddeloos,” bestraft Mietje haar. ,,Nou ja, ik bedoel, dat Mimme altoos zegt, dat warken gelokkig makt en daor boven woent toch ut gelok? Zou je daor dan altoos moeten warken?”

Snibbetje is duvels-toejager in de winkel geworden. Maar ze huppelt luchtig over alle narigheden heen. Alleen de werkjes, die ze leuk vindt, doet ze. Voor de vervelende karweitjes is ze meestal onvindbaar. Graag kruipt ze in het kippenhok om het een goede beurt te geven. Zij zwaait de teerkwast in de oude stal, omdat ze zo van die lucht houdt. Als ’t even kan, bedient ze alleen de klanten die ze aardig vindt. Honderd boodschapjes doet ze en ze kletst in alle hoekjes en steegjes van het dorp, houdt de meisjes van haar werk en wordt toch overal graag gezien. Als een klein moedertjes kan zij meezingen, wanneer Lumme met de jongste op schoot zit:

,,David was ’n interman Hij trok n broek van krinten an En een beus van reeysenbreu En niet van bombazij.”

,,Nog ientjen, Lumme. Toe, zo’n ouderwetse!" dringt Snibbe¬ tje dan aan. En gehoorzaam laat Limme de kleine op haar knie heen en weer deinen, als ze zingt:

,,Inkerdepink Gat over de klink Gief mij ers n flessien Dat ik er’s drink Gief men 'n boor en een hamertjen Ik timmer vor joe een klen kamertjen.”

Zonder enige stembuiging zoemt Lumme het oude dwaze liedje voor zich heen en zij voelt zich gelukkig, als het kleine kindje haar dankbaar tegenlacht.

110

„Wat nou, Snibbetje?” vraagt zij. Maar er komt geen antwoord. Terwijl Lumme zat te zingen, is Snibbetje stiekem uitgeknepen. Uit het achterhuis klinkt het ondeugend: „Ik goon effen pierewippen.” ,,Hier bleeven,” gelast Lumme. „Je binnen nou van skoel of.” ,,Het is gerust de leste keer,” belooft Snibbetje. ,Jan wacht op mun,” schreeuwt Snibbetje, en ze holt hard weg. ,,Weer met die langpotige vreemde,” zucht Lumme geergerd. „Dat ze zich daar nog steeds mee ophoudt. Ik mag dat jong niet.” Met een boze blik kijkt ze het tweetal na. Pierewippen is Snibbetje’s liefste spel. Met een lange stok wippen ze het kleine latje uit het kuiltje, en de tegenpartij probeert het te vangen en telt de meters, die het stokje is weggevlogen. De kinderen joelen en dollen luidruchtig. Marretje’s oude buurvrouw kijkt er hoofdschuddend naar en zegt met strenge stem: ,,Jului dinken zieker, dat het leven allien mar spuulengoon is, grote munniken.”

Maar als ze ziet, dat haar eigen kleinkinderen ook meedoen, worden haar trekken zachter. „Wel ja,” mompelt ze, ,,dat wil het iene ogenblik groot mins wezen en praotjes hewwen en dan vliegen ze wier after de pierewipstok.”

Ze keert terug en praat met Marretje, die zich op deze zoele zomeravond even rust gunt. Overdag is buurvrouw de gehate concurrente. ’s Avonds komen de twee vrouwen nader tot elkaar. En zij praten zakelijk over de kwaliteit der waren en over de prijzen van tegenwoordig.

Een scherpe kreet van Snibbetje doet Marretje opschrikken. „Geloof maar niet, dat ik ooit wier met je spuulen. Ik kiek je nooit meer an.”

Razend slaat de kleine hand om zich heen, zonder echter iemand te raken.

Haar stem slaat over van felle drift: ..Lelijke rot-jongen, duvel toch op, ik wil niet maar met je spuulen.” „Als dat maar waor is,” zegt Marretje lachend tegen de jongen, die haar beteuterd aankijkt. ,,Ze is niet weezer, jongen. Ik zou mun maar niet maar met ’r bemuuien.”

En tegen Snibbetje zegt ze: „Alla, nor heus jie.” Snibbetje heeft de pierewipstok in haar gezicht gekregen en wrijft zich pijnlijk aan het blauw-gezwollen oog. Zonder zich aan Marretje's gebod te storen, slentert ze door het nauwe straatje naar Bessiens huis. Woedend op Jan, op Mimme en op de hele wereld. Onwillig zet ze haar klompen netjes op de witgeboende jute zak, achter de deur, en sluipt dan behoedzaam

111

de kamer in, waar ze vol zelfmedelijden het geschonden oog beziet.

,,Hij ding ut 'r omme,” prevelt ze kwaad. ,,Wie?” vraagt Bessiens oude, bedaarde stem. ,,Die zwabberbroek.”

Snibbetjes drift vlamt weer op. Zij kan Bessiens belangstellende blik niet verdragen. Het oudje kijkt onderzoekend naar het opgeheven meisjesgezicht en zij leest daarop het verzet. Altijd zal Snibbetje zich verzetten tegen de ruwe aanrakingen en blauwe plekken, die het leven haar bezorgen.

..Snibbetje,” zegt Bessien zacht, en een milde glimlach, die het gerimpelde gezichtje zo’n verheven schoonheid kan verlenen, licht in haar ogen. ,,Je zullen wel durs maar n blaauw oge oplopen in je leven, en daor blift ut ok nog wel niet bij.” ,,Hij ding ut *r omme,” verdedigt het meisje zich. „Je moeten niet met jongens spuulen, das vuul beter. Als je naor meen raod eleusterd hadde, zou je die stok niet in je oge ekriegen hewwen. Je slingeren vuus te vuul bij de weg. Kom, lot mij dat oge dur ’s bekieken.”

Met een vlugge beweging vat zij Snibbetje’s kin en heft het onwillig gezicht tot zich op. Achter de flonkerende brilleglazen staan de vriendelijke, grijze ogen, die zich geheel verzoend hebben met de teleurstellingen des levens. Zij boren zich diep in de donkere meisjesogen, waarin het verzet nog nagloeit.

Onder die zachte blik bezwijkt Snibbetje. Tranen stromen over het besmeurde gezicht.

,,Bessien,” snikt ze zacht. ,,Ik wil net worren als jie.” ;,Daor bin je nog niet oud genoeg vor, keend. Hier hew je n lekker kruntje. Ik zal er disse keer een bietjen sukker op doen.”

,,Je deumen binnen hielemoal bried eworden van het broodsnijen,” lacht Snibbetje, door haar tranen heen. ,,Dat likt maar zo,” zegt Bessien, terwijl ze het brood bedachtzaam in de oude Keulse pot laat glijden. ,,Met die ouwe deumen hew ik al zo vuul eplooid en eschikt. Daoromme binnen er littekens op ekeumen.”

,,0 nee,” vleit het meisje. „Ik veen, dat je wat mooi eblieven binnen.”

Vertederd kijkt ze toe, hoe de oude vrouw het brood toedekt met een bonte doek. Ouw Bessien heeft een hekel aan broodtrommels, omdat er zo’n muffe lucht in blijft. Zij stoort zich niet aan mode en gebruiken van de nieuwe tijd. Alleen wat 112

haar bruikbaar lijkt, neemt ze er van over. Electrisch licht vond Bessien practisch, broodtrommels uit den boze.

„Ik hoor taote al koemen,” zegt Snibbetje en Bessien roept: „Dirkje, zoek je taote’s kommetje durs!” „Dreei dan effen ut knuppien van ut licht omme,” klinkt het benauwd.

Snibbetje’s heldere lach klinkt door het oude vertrek. Vrolijk vraagt Gerrit: ,,Hewwen jului nou nog niet lank enoeg eschiemerd?” ,,Dirkje’s schiemeruurtje houdt niet op, zolang ik het knuppien van ut licht niet ommedreei, zegt het oudje. ,,Ze mis in meen jonge teeud eleefd hewwen. Ik was de eerste vrouw op Urk, die een eulylaamp van dur man krieg. Bij een snotneus hew ik nog wel koesen moeten stoppen. De eerste kachel krieg ik ok. Ik had je Bebbe’s gezicht wel eens willen zien, as ik bange vor zukke dingen ewest hadde. Dan had ik nooit maar wat nijs ekriegen. V/at jie, Garrit? „Ik dink het ook niet,” zegt Gerrit. „Zeg ouwe mins, wat hew je Jurie Rippen, die friese aardappelboer, vandage lotten verschieten. Ik hoorde ut onger ut klapskoel. Hij stond te kletteren, as ik wiet niet wat. Jului hadden de gank wier vuus te glad evrieven.”

,,0, is het dat,” lacht het oude vrouwtje ondeugend. „Kan ik het helpen, dat die ouwe Jurie niet zo vast maar op z'n bienen stoot? Hij komt hier al jaoren en hij kan dus wel wieten, dat de vloer glad is. Valt ie mun daor, zo lank as ie gewossen is, met de zak aarappels in de schone gang. En hij vriev maar over zijn ouwe friese botten. En hij koeterde: „Wel jer, de boel is mie kraakt.” Net of ik het helpen kon. Hier Garrit, je lotten je koffie koud worren.” „Ik worde zo dol om de schone gang, valt Dirkje in, ,,maar ik mos toch e^enwels lachen. Daoromme blief ik maar stilletjes in de vuurkamer.”

„In het heiligdom?” vraagt Snibbetje onschuldig.

„Stil,” doet Gerrit verschrikt. ,,Verbien dur maar niet,” zegt Bessien vergoelijkend. „Ik wiet wel goed, dat Marretje de vuurkamer en de gank het heilig¬ dom neumt. Die Marretje. Ciefers, ciefers en nog eens ciefers. De mooie dingen van het leven zicht ze over het hoofd. En die gieven toch zovuul genuugens. Alliendes geld is gin gelok.”

„Nee?” vraagt Snibbetje nieuwsgierig. ,,Stille jie,” maant Bessien. „Marretje is precies as ’r taote.

113

Garrit, wiet je nog die keer, toen je nog maar heel kort bij oens verkeerde? De baos verleur toee n duuzend gulden of wat met spiccelieren. Ik hadde iim nog zo ewoorschuuwd. Kwaod dat ie was. Hij wou niet dat ik diegelijk eten op tafel zette, dat was te duur. De meid en de knechts ging het gauw vervelen en mij vanzelfs ok. Een paor dagen ding ik zeunigjes aan, maar op een middag gaf ik ze allemaol een flink stukkien vies en lekker eten, maar op je Bebbe’s bord hew ik toe een zulveren riksdaolder elegd en ik zee: ,,Eet jie die nou maor op.” Michtig, wat werd ie dol. Maar hij zocht toch gauw een mals stukkien vies eut de panne. Ik zie het nog vor mun.” Bessiens mond vertrekt in een weemoedige herinneringsglimlach. ..Wonderlijk kon de man wezen,” vervolgt zij peinzend. Gerrit kijkt tersluiks naar de klok. Als Bessiens dingen uit het verleden ophaalt, vliegt de tijd. Snibbetje rekt zich genoegelijk uit in een hoekje van de oude canape en zij zucht: ,,Het is hier altoos zo -— zo koesterend.”

De klok slaat. En oud Bessien zegt: „Maak jului maar dat je nor heus koemen, angers zwaait er nog wat. Ik kin ze precies. Ze misten je niet, maar wee je gebiente, als je er niet binnen, as ze je nodig binnen.”

Gerrit kijkt haar aan met een blik van innige verstandhouding en groet zangerig: ,,Nou, genacht hoor.” ..Genacht Bessien.” zegt het hoge stemmetje van Snibbetje. Vertrouwelijk geeft zij haar vader een arm. ,,Wat een prachtig weer,” zegt zij gelukkig en steviger drukt zij de arm tegen zich aan.

„Ja. De starren stonen mooi vanavond. Daor moet je maar vuul nor kieken, Snibbetje. Met een starrendek boven je hoofd zal je je nooit ienzaam voelen.” ,,Kiek jie er dan vuul nor, taote?”

„Op ziee wel, an de walle vergeet ik ut nog wel durs.” ,,Kiek taote, hier was het, dat ik vanavond die stok in mijn oge krieg.”

,Je moet de pierewipstok maar voorgoed opburgen,” zegt Ger¬ rit ernstig. ,,Je binnen nou Mimme’s dorde-man, moet je maar dinken. Spuulen en een goeie dorde-man wezen, dat kan niet samen goon.”

„Krieg ik daoromme die stok in m’n oge?”

..Misschien wel. Ik hew wel durs hoort, Snibbetje .. .” ..O, schei maar eut, ouwe leugenzak,” valt ze hem lachend in de rede. „Je kuunen nog arger liegen dan ut Keuzer almanak. 1M

Zieker wier 'n vcrtellesien net as van ut illestieken bootjen?

Doe maar liever een goed woordje vor mun, as Mirnme nog kwaod is. Beloof je het me?

„As ik er zelf maar niet te vuul van langs kreeg. Hut et al niegen uur esloegen, ’ klinkt het benauwd. ..O," troost Snibbetje. ,,De klaanten binnen dur nog. Dan kiekt Mimme niet zo krek nor oens.”

Lachend stappen zij de winkel binnen. „Ik zou maar bij m’n ouwe Mimme in de kost goon, as ik jului was,” zegt Marretje schouderophalend, en tegen de oude Reinier vervolgt zij: „Ik zit met mijn hoofd vol zurgen en die twieen hewwen altoos schik.”

„Nou, is dat niet mooi, minkelt de oude man. ,,Het leven is maor kort. Laoten wij het maor iensgezind duurbrengen.” „As alle minsen zo wazzen als jie, ouwe, dan zou dat wel goon.”

,,Dat moet je niet zeggen,” merkt hij op. ,,Ik kan bijwelen ok nog barre driftig worren, vooral op de juugd, as ze zo an bakkelijen binnen. Alins, mins, daor bij t ouwemannenhuus kuunen ze het soms ok zo an goon. Jie binnen er ok niet zonger mankieren ofekeumen, Snibbetje.”

„Nou, lange niet hoor! Keend, wat hew jie nou toch 'n blaauw oge. As je door nog mar niet an euperierd moeten,” zegt Schokker Ole.

„Stille toch,” valt Griet in. „Wie makt er nou zo n keend zo bange. En groot mins zou sturven van angst as ie door omme denkt. En as dat euperieren nog maar hulp. Maar mijn zwager Andries het ut lotten doen om z’n blinde darm, zie je. Dat is nou al wel angeruf jaor gelien en hij zegt nou^ nog zo vaak: ,,Griet, m’n darmen zitten nog niet in z n vasol . ,Oe michtig,” valt Geeske in. „Wat zal die vint dan ’n gezellige roffelbuk hewwen.”

De hartelijke lach die deze woorden vergezelt is onweerstaanbaar, zodat alien ermee instemmen. Ole, de Schokker, schudt echter bedenkelijk het hoofd en maant Marretje: „Help me gauw. Want ut jonge volk wordt tugeswoordig zo onverschillig as ze groot binnen. Ze zullen nog wel us wat angers ongerveenden.”

,,Praot me er niet van. Je horen opheden wat 'n merakels. As je maar effetjes wit zien om je neuze, dan wiet je familie niet hoe gauw of ze je wel naar 'n ziekenhuus zullen sliepen. Dat doenen ze maar, om van je af te wezen, want mins, de liefde

115

om mekanger bij te stoon, die is de wareld eut,” betuigt ze als zij hoofdschuddend heen gaat.

Griet knikt nog even in Snibbetje’s richting voor ze gaat en zegt: „Kiek niet zo benaut. Zurg maar dat ze je niet wier te pakken niemen.”

Geeske’s ogen tintelen van genoegen als ze haar de raad geeft: „Goon gauw op ’n bedde, angers schiet de angere oge ok nog eut z’n vasol, en bekiek je de warreld murgenochtet vor 'n doedelzak.”

Maar ouwe Reinier zegt: „Trek je narges wat van an, Snibbetje. Hut zal wel wier besussedieren.” Snibbetje knikt van ja.

Na een paar dagen is zij het incident vergeten. Maar als zij, naar gewoonte, op n avond de melk naar Bessien moet brengen, voeltzij plotseling een paar armen om zich heen en de overbekende schorre stem fluistert: „Snibbetje, ben je nog kwaad? Kom, laten we weer goede maatjes zijn, wil je? Ik ga nu gauw voor altijd weg, naar die school, je weet wel. Laten we nu niet kwaad van elkaar gaan. Kunnen we het niet afpoesen?” „Afpoesen?” zegt Snibbetje verbaasd. ,,Ik hew joe toch zieker niks edoon?”

..Toe nou, Snibbetje, bedelt Jan en hij trekt harder aan de arm, die zich in wild verweer probeert los te rukken. Verward en angstig snauwt Snibbetje: ,,Lot me los, dink je dat ik gek bin? Dink je dat ik ok nog met je zal flarten? Dat kuun je net denken!”

Honend schalt haar heldere lach door de stilte van de late zomeravond.

„Ach, doe niet zo ouderwets,” zegt Jan sarrend en dan drukt hij zijn boos vertrokken jongensgezicht tegen het hare. ,,Toch zal ik het doen,” sist hij. ,,Ik heb toch altijd met jou gespeeld. Aan je volk heb ik een hekel, maar aan jou niet.” ,,Lot me los,” snerpt Snibbetje. „Kiek nou es, de melk van Bessien .!”

De gemorste melk weerhoudt de jongen niet, om die kleine, snauwende mond te snoeren met zijn onbeholpen kus. ..Bah!” roept Snibbetje vol verachting. ,,Je stinken nor zuuthout. Als je poesen wil, rook dan tenminste tabak.” Een donkerrood kleurt zijn gezicht onder die smaad en zijn mond vertrekt zich tot een hulpeloze grijns, als Snibbetje met een punt van haar boezel haar mond afveegt. Jan haalt haastig een dubbeltje uit zijn broekzak. „Hier,” biedt hij schuchter aan. ,,Laten we bij een ander melk gaan halen.”

116

„Hoe hi.” klinkt het verachtelijk. „Van joe hew ik niks nodig. Loop nou gaauw nor de duvel.

En zij slaat het dubbeltje uit de zo trouwhartig toegestoken hand. Treiterend schimpt zij: ..Lelijke vremde snuut, lelijke vremde snuut!” en dan snelt ze in het donker weg.

Tastend zoekt Jan de keien af en zijn hese stem fluistert verwoed: ..Die lamme meid! Ze kan lang wachten, eer ik weer goed word.”

Hij vindt het dubbeltje niet en staat op uit zijn knielende houding.

,,Morgen dan, mompelt hij. ..Dadelijk komt ze misschien terug en dan lacht ze me weer uit.”

Een triest deuntje fluitend, gaat hij naar huis toe en vol tegenzin duwt hij met zijn schouder de deur open. Met trage onwillige passen slentert hij door keuken en gang. Een jongen, die het leven verveelt. De norse tegenzin op zijn gezicht wordt nog donkerder als hij de huiskamer binnenkomt.

„Weer het oude liedje,” denkt hij gemelijk, als hij tegenover zijn moeder gaat zitten. ..Vader met de krant, moeder met een handwerkje. Saai is het hier altijd.” Hij kijkt naar de klok. ,,Nog te vroeg om naar bed te gaan.

Gedachtenloos betrommelen zijn vingers het tafelblad. „Doe me een plezier en laat dat, het maakt me zenuwachtig, dat getik,” zegt de moeder zacht en zij kijkt met vragende uitdrukking op haar gezicht naar de narrige ontevreden jongen. Als zij bijna onhoorbaar zucht, vraagt Jan haastig: ,,Is er iets, moeder?”

„0 nee, waarom?”

„U zucht zo,” merkt hij toch met een zekere bezorgdheid op. ,,Als er niets is, moet u ook niet zuchten.

Achter de krant klinkt een geergerde stem: „Oe ben jij d r weer? Met de dag word je hinderlijker. Zodra jij thuis bent, is de rust hier verdwenen.”

Het bloed stijgt Jan naar het hoofd. Driftig roept hij uit: „Rust, rust, altijd en eeuwig rust. Wat doe ik nou? U zal van mij geen last meer hebben. Ik ga naar boven, welterusten!”

Met een zware dreun slaat hij de kamerdeur dicht. Dieper buigt het grijzende hoofd van moeder zich over het handwerk en er groeft zich een diepe rimpel in haar blanke voorhoofd. Moeilijk zijn kinderen op die leeftijd. De harmonie is zoek in huis. Zo’n jongen kan zich moeilijk aanpassen bij de gewoonten van de ouders. Zij geeft de schuld aan de om-

117

standigheden waaronder ze hier wonen. Levend begraven zitten ze, op een eiland, waar vreemde mensen wonen. Hevig verlangt zij terug naar haar vroegere omgeving. Berustend zegt haar man, zonder uit zijn krant op te kijken: ,,Ja, dat zijn de puberteitsjaren, mijn beste.”

De moeder schudt het hoofd. „Nee, ik geloof het niet; het is de invloed van dat volk hier.”

De man achter de krant haalt de schouders op, kucht hooghartig en mompelt: „Vrouwenideeen.” Dan keert de levenloze rust weer in de kamer.

Boven rommelt een nukkige jongen tussen zijn schatten, die hem op dit moment echter niet interesseren. Zijn gedachten gaan uit naar dat malle schepseltje, dat altijd met haar potjes en pannetjes langs de weg draaft en dat nu vast weer het hoogste woord voert ergens in de donkere dorpsstraat, waar clubjes jongens en meiden stoeien en gekheid maken en kunnen schateren om niets. Blad na blad slaat hij van het boek om, dat hem echter hoegenaamd niet boeit en hij mijmert stil voor zich heen: „Nu zit ze natuurlijk al bij haar zusters en ze vertelt van haar avontuur met mij. Leuk is het daar altijd. Iedereen is er druk en levendig. Zij hebben ruzie, ze lachen, maar er is ten minste beweging. Als ik geen herrie met Snibbetje had gemaakt, dan zat ik er nu misschien ook. Nu lig ik er uit, want als die Snibbekop tegen me is, dan kom ik er natuurlijk nooit meer in."

Lusteloos neemt hij een leerboek voor zich en probeert het hart, dat naar gezelligheid hunkert, met nuchtere boekenwijsheid schadeloos te stellen.

In ouwe Bessiens keukentje staat Snibbetje besluiteloos bij de blanke koperen kraan. Zal zij het doen? Een handomdraai en Bessien zal niet merken, dat er zoveel melk gemorst is. Onzeker steekt zij haar hand al uit, maar dan valt haar oog op het natte schort en de hand gaat terug.

,,Het zou me toch niet helpen of ik er water bij doe, Bessien zou het direct door hebben.”

,,Ik hew een bietje emorst, het was zo donker,” bekent zij haastig en ze zet het pannetje voor Bessien neer. „Dan murgen maar ’n bietjen maar, elk het zeene en de kwaaien niemendal,” zegt de oude vrouw. ,,Wees maar een bietjen voorzichtiger in het vervolg."

„Ja Bessien, belooft Snibbetje, wonderlijk timide. Zou Bessien nu met een verhaal komen? Dat doet ze anders altijd bij zo’n 118

gclegenheid. Er op aandringen durft Snibbetje niet. Bessien kijkt haar zo onderzoekend aan. Onwillekeurig trekt Snibbetje naar het donkere plekje van de kamer terug en van achter vaders stoel kijkt ze zo gewoon mogelijk naar Dirkje, die bezig is lintjes te stikken. Maar al gauw staart ze dromerig voor zich uit en zonder het zelf te weten, veegt zij haar boezelaar over het gezicht. „Wat is er an de haand?" vraagt Bessien wantrouwend. „Hei je wier an ut joejen ewest?” ,,0 nee,” zegt Snibbetje en ze krijgt een kleur over heel haar gezicht. „Ik hew zo harde eloepen.” ,,Dat is dan zieker vor ut eerste van je leven, zo ijverig bin je angers niet,” merkt nuchter het oude vrouwtje op. Om haar aandacht af te leiden kijkt ze over vaders schouder weer naar Dirkje en ze vraagt, kwasi belangstellend: ,,Hoeveel verdien je nou aan zo’n lintje en waor spaor je al dat geld vor op?” ,,Drie steuver ’n lint,” antwoordt Dirkje bedaard. ,,Het is niet vuul, om vor je trouwdag te spaoren.” „Ik wou, dat ik ok wat geld verdiende,” zucht Snibbetje. ,,Ik wil zo graag een gouwen slot hewwen, net zo mooi als Mietje.”

Gerrit neemt haar eens op en raadt haar aan: ,,Goon dan helpen bij ut ansjopies-zouten. De tielt is wel half vurbij, maor er valt nog wel wat voor je te verdienen.”

Onmiddellijk is Snibbetje in actie. Weg is de schuwe uitdrukking op haar gezicht. Geld verdienen, net als een groot mens, sparen voor een gouden slot. Groot zijn, ja, groot zijn, ze verlangt er zo naar.

De volgende morgen loopt Snibbetje langs de glooiing, die naar de westhaven voert. Al gauw heeft ze een plaats gevonden tussen de meisjes, die aan het ansjovis-zouten zijn. De weee vislucht maakt haar bijna misselijk. Mimme had vanmorgen wel gemopperd, omdat ze haar hulpje missen zou, maar als zij ’s avonds thuiskomt met haar eerstvcrdiende geld, weet zij Mimme makkelijk te overtuigen, dat ansjovis-zouten voordeliger is dan linten stikken en schouderophalend berust Marretje in Snibbetje’s nieuwe baan.

Daar zijn echter ook nadelen aan verbonden. Voor dag en dauw, als een troep luidruchtige meiden klompenklepperend langs het huis komt, kruipt Snibbetje traag onder de deken vandaan. Nijdig rukt ze aan haar kousen, die stijf zijn van de pekel en ze foetert, wanneer de stugge wol niet over haar

119

benen glijdt. Met een lichte walging kijkt ze naar haar rokken, die welhaast rechtop kunnen staan vanwege het smeer en het visvuil. A1 haar kleren stinken en dan lacht Lumme warempel nog van haar bedstee uit om de wanhopige pogingen van het slaperige meisje, dat worstelt met de weerbarstige kledij. ,,Help me effen, Lumme,” klinkt het bijna smekend. ,,Hut is al half veefen.”

„Ik zou je danken,” zegt Lumme genadeloos. ,,Moet ik een gouwen slot verdienen of jie?” ,,Ikke!” zegt Snibbetje energiek. ,,Jie hewwen dur al ien, jie kuunen gemakkelijk op je rugge bleven leggen.” Haastig, zonder te eten, wil ze wegsnellen. Maar dan schiet Lumme plotseling, als een vleermuis, uit de donkere bedstee. „Hier,” gebiedt zij. ,,Eerst eten. Ik hew de koffie gisteravond op het stelletje lotten stoon, die is nog warm.” Snibbetje schrokt de brokken naar binnen en rent dan de deur uit. Voor de ongerepte pracht van deze schone zomermorgen heeft zij geen oog. Angstig kijkt ze naar de oude torenklok, die al kwart voor vijf wijst en luid klepperen haar klompen in het nauwe gangetje, dat de kortste weg is naar de haven. In de kelders der huizen aan weerszijden galmt het geklepper na, maar Snibbetje stampt niet extra hard zoals gewoonlijk, om de echo in de kelders nog wat luider te maken. Haar plicht drijft haar naar het werk. Dan komt er plotseling een blijde lach op haar gezicht. Tussen de keien van het straatje vindt zij een dubbeltje. ,,Zou dit het dubbeltje van Jan zijn?” denkt ze vrolijk. ,,Dan had ik het lekker toch. O, het is vast van Jan. Het was immers in dit gangetje . . .” Vergenoegd laat zij het geldstukje in haar diezik glijden. „Hij moest het eens weten,” gaat het behagelijk door haar heen.

In de werkplaats wordt ze met luide afkeuring ontvangen. ,,Slaapkop, moeten wij soms je portie doen? Vanavud kreeg je minder eut-ekeerd. We hewwen al drie ankers edoon." ,,Mij goed,” doet Snibbetje onverschillig en ze gaat op een omgekeerd vaatje zitten. Lang houdt het gesar over haar telaatkomen aan. Snibbetje staat bloot aan de ruwe grappen van het manvolk, maar ze trekt er zich niets van aan. Geld verdienen een eigen gouden slot. Dat is het enige belangrijke.

In de komende dagen heeft Snibbetje zich helemaal aangepast. Zij zingt en lacht luid mee, heeft plezier in het wederzijdse 120

getreiter en kan zich nauwelijks bedwingen als een van de werksters op de gedachte komt, om het vaatje van de dikke meid van de scheerbaas om te keren en vol water te gieten. Zij leggen er een zak overheen en de inlegger lacht onder zijn rode snor: ,,Die zullen we eens even afkoelen.”

Een daverend gegier galmt door de schuur, als de mop succes heeft. Woedend gaat het slachtoffer tegen ieder te keer, die haar te na komt. Zij heeft een slechte middag. De broer van de dikke meid komt razend, tierend, de schuur binnen en slaat zijn zuster links en rechts om de oren, omdat zij de kom met boerenjongens, die moeder voor zijn bruiloft had klaargemaakt, bijna helemaal had leeggedronken. De anderen genieten van de ruzie.

Diep in haar hart voelt Snibbetje zich niet op haar gemak temidden van die ruwheid en ze beklaagt zich tegen Mariap, het meisje, dat naast haar zit. Die troost haar en zegt, dat ze zich zelf ook niet thuis voelt tussen die joelende meiden. ,,Dur binnen ok wel goeien onger, die lange Nanne daor en die daor naost zit en nog wel angeren ok, daor hoor je nooit een ontuum woord van.”

Mariap begint een liedje te zingen en ze knipoogt naar Snibbetje, wanneer al spoedig alle anderen mee instemmen en de ruwe herrie verdwijnt. Onder het zingen gaat het werk door. Het laatste anker is vol en de meisjes grijpen bezems en emmers, om de schuur te schrobben. Elke avond moeten zij de werkplaats netjes achterlaten. Dan klopt de oudste aan het kantoor en zij ontvangen het geld. Over haar armen dragen zij natte schone zakken, die als schorten dienden. Besmeurd en onwelriekend klitten zij samen. De spanning van het wrerk is gebroken. Rauw klinken de kibbelende stemmen voor het winkeltje, waar zij geld willen wisselen. ,,}ie kriegen ’n bietjen minder, want je Mimme et het niet nodig,” zegt een tegen Snibbetje. De tranen springen het kind in de ogen. ,,Das gemien, roept ze met woedende stem. Mariap springt voor het meisje in de bres en de gelduitdeelster legt ten slotte het voile loon in Snibbetje’s gretige hand. „Zo is het goed,” knikt Mariap. „Zij die ter elfder ure kwamen, hetzelfde loon ook medenamen.” Urkers kennen de eeuwenoude wijsheid der Schrift. Het citaat van Mariap maakt dan ook mdruk. „Kom, Snib,” zegt het meisje, „goon jie maar met mij mie. Ik moet nog effen naor ut ouw-mannenheus, een booskip doen

121

vor de toonbaos over de nije netten, die ze murgen bringen moeten. Jie binnen eigenlijk nog vuus te jonk om mie te doen met inleggen.”

,,'t Is taote’s warreld,” zegt Snibbetje ferm. „Murgen en een Zaoterdag mag ik niet miedoen, dan is het te drok in de winkel en Zaoterdag moet ik ommelopen. Mag ik miee in ut ouwemannenheus? Vroeger joegen ze mun altoos weg en er is gien familie van me in.” ,,Doe niet zo gek, mooin, hiel Urk is van je volk. Kom maar miee.”

Schoorvoetend betreedt Snibbetje het heiligdom der ouden. Kaal en wit zijn de muren. In lange rijen zitten de kromgebogen gestalten over de netten, waarmee zij eens zelf de zee dwongen om haar rijkdom af te staan en die ze nu voor de jonge vissers bewerken. Verlegen kijkt Snibbetje rond, en ze bewondert Mariap, die zich zo gewoon tussen de oudjes beweegt en doet, of ze nooit meer weg hoeft te gaan. Zij voelt zich hier thuis en het is, of zij de ervaren wijsheid der oude mannen in zich opneemt, om die later over te geven aan hen, die na haar komen.

Snibbetje probeert om de ouderwetse letters van het zwarte bord te ontcijferen. ,,Kan je het niet lezen?" vraagt Mariap vriendelijk. ,,Leuster dan:

,,Wie hier een kor of net wil stellen Moet eerst tien centen nedertellen. En die hier werkt een vollen dag Ook wel tien cent betalen mag. Die bakken en breeuwen wil bewaren Zal ik tot vijftig cent bezwaren. Een zegen bergen en herstellen Dan slechts een gulden nedertellen En die hier laaningen verft en droogt Wordt tot een kwartje dan verhoogd. En alles wordt contant betaald Voordat het goed wordt weggehaald.”

Mariap wachtte op de oudjes, die nu hun werkplaats sluiten en stapt dan vrolijk babbelend met ze mee. Toch kijkt ze met een zekere eerbied op naar de oude, gegroefde gezichten. Een hechte traditie verbindt haar met deze oude generatie van Urker vissers. Snibbetje gaat op een holletje naar Bessien, 122

maar die weert haar verschrikt af: „Koem er niet in. Eerst je stinkende plunje eut trekken.”

Verontwaardigd roept Snibbetje uit: ,,Bebbe et 'r toch ok z’n geld mee verdiend?” ,,Ja, maor niet zo,” zegt Bessien boos. ,,Die handelde erin.” „Wor je door dan rikker van?" vraagt Snibbetje onbevangen. Bessien stuurt haar nijdig weg. De volgende dag hanteert Snibbetje bezem, boender en dweil. Haar levendige geest wordt nu weer geheel door de winkel in beslag genomen. Daar komen de Markers, om melk en koek te halen en zij proberen op de prijs te pingelen. Erg scheutig zijn Markers niet, maar Snibbetje wacht er zich wel voor, om brutale dingen tegen ze te zeggen, want Markers zijn net zo goed klanten als de anderen. Veel liever heeft zij de vrolijke Volendammers, die alleen maar vragen: ..Hoeveel krijg je, moeder?” Zij tellen zelfs het wisselgeld niet na. Volendammers nemen het zo nauw niet. Alleen als ze dronken zijn, wordt Snibbetje een beetje bang, hoewel ze dat niet aan Mimme mag laten merken. Het staat zo kinderachtig, om bang te zijn voor een dronken Volendammer. Die zijn immers nooit kwaadaardig. Snibbetje doet vrolijk mee met de goedlachse Bunschoters, die zelfs kunnen gieren om een omgekeerde kruiwagen. Zij moeten royaal hun gewicht hebben, want daar hechten zij aan. De Huizers zijn bedaarde, nette mensen. Mimme kan ze volkomen vertrouwen. Zij blijven rustig bij de kachel zitten tot de boodschappen klaar zijn en betalen zonder enige opmerking. Wantrouwen doen zij de Urkers niet en ze vinden het bij Marretje best, omdat die altijd verse koffie schenkt. Van de Harderwijkers weet Snibbetje, dat ze van pasgebakken koek houden, die ze Vrijdags mee naar huis nemen en van de Friezen uit Lemmer en Stavoren, dat ze tot de lastigste klanten behoren. Alleen als het grijze sikje van de oude Jacob om de deur steekt en zij het vriendelijke rimpelgezicht ziet, voelt Snibbetje zich prettig. Ze denkt dan terug aan die keer, toen hij zijn klomp had gebroken. ,,Ik hew nije,” had Mimme toen gezegd. ,,Ja, hoor eens jer,” zei hij toen, ,,ik moet die skuuten, die de Urkers dragen, niet he. Geef mij maar een paar oude van je man.” En Mimme zwichtte voor zijn guitige ogen en zijn bewegelijke sikje, terwijl de zolder toch vol nieuwe stond. Wel had ze, toen hij wegstapte, gefoeterd: ,,Die ouwe duivekater, hoe kan ik zo dom zijn om toe geven?” Maar ze had toch gelachen, toen hij weer eens kwam en vertelde, dat hem dit niet meer

123

zou overkomen, omdat hij nu twee paar nieuwe gekocht had. Ze stonden in de jol. Kwaad kon je op zo’n ouwe deugniet niet worden.

Snibbetje bergt een lang brood voor hem in de trommel. De oude Fries wil het kleine brood, dat ze op Urk eten, niet hebben.

Druk zijn zulke dagen. 's Avonds zet Snibbetje zich doodmoe in vaders leunstoel neer. Vader slaapt weer aan boord, want thuis krijgt hij geen rust genoeg. Hij kan niet tegen dat meidengekakel in de kamer. Drie dochters, elk met een vrijer, dat geeft drukte en zorg. Dirkje helpt Vrijdags ook een handje mee en nu is Klaas vroeg thuisgekomen van de Noordzeevisserij en ze vrijen eerst een deuntje in het ruime achterhuis, waar hoekjes genoeg zijn, ook al zijn ze met z’n drieen paartjes. Bij Bessien mag Dirkje dat niet. Marretje kan het niet schelen. Die slaapt na zo'n vermoeiende dag onmiddellijk in. Lumme heeft het licht al uitgedaan en zit te wachten tot Mimme met de bedsteeplank zal rammelen, ten teken, dat het tijd wordt voor de jongelui om heen te gaan. Als de inhoud van de winkella wat meevalt, krijgen de paartjes wat meer tijd van Marretje. Is de kas slecht gevuld en Marretje’s hoofd vol zorg, dan wordt de bedsteeplank al spoedig hardhandig bewerkt. Soms sluimert Marretje wat al te lang naar Lumme’s zin. Zij stommelt opzettelijk zo hard, dat Marretje ervan wakker schrikt en de vrijers verjaagt. Maar deze avond wil Mimme maar niet wakker worden. Lumme moppert ontevreden. ,,Wat is er toch?” vraagt Snibbetje, die reeds half ingedommeld onder de dekens ligt. ,,Och dat gekonkelefoes daor after, ze willen maar niet voort.” Snibbetje lacht listig. ,,Doet ut licht an,” raadt ze haar zuster gewetenloos aan. ,,Dan zul je zien hoe gank ze weg binnen.”

Aan dit voordeel van de moderne techniek heeft Lumme nog niet gedacht. De schakelaars van het hele huis zitten in de kamer waar Lumme en Snibbetje zijn. Het achterhuis wordt plotseling hel verlicht en het effect is geweldig. Lumme en Snibbetje stikken van de lach, als zij de grommende stemmen horen: ,,Dat doet die kolenel! Allemaal de kift!”

Alleen Mietje’s heldere lach schalt door het achterhuis. De volgende dag verdraagt Lumme de hatelijke blikken der gedupeerde partijen met engelengeduld en zij geniet van de macht, die ze voortaan over de jongelui heeft. Vertrouwelijk knipoogt ze tegen Snibbetje.

124

Het wordt ernst met de veranderingen op Urk. Merkwaardig: hoe dichter het spook van de drooglegging nadert, des te rijker worden de vangsten. De oude vissers schudden het hoofd: de hele zomer geeft de zee altijd maar door, binnenschol, bot, paling en in het najaar als toegift een rijkdom aan garnalen. Een schande is het, om zulk een goudmijn te dempen. Wanhopig gebaren de vissers in de klapscholen en zij ballen de vuisten en er klinken vernietigende woorden over die regeerders in Den Haag. Snibbetje loopt onverschillig met haar grote ijzeren emmer langs de druk-betogende vissers. Een nieuw verschiet heeft zich voor haar geopend: garnalen pellen. Daarmee kan zij de nog ontbrekende versierselen van haar Zondagse kledij verdienen, want ze heeft nog geen gouden haakjes op haar boezelaar en die horen er toch aan. Mimme zegt wel, dat ze nog te jong is voor garnalen pellen, maar Snibbetje haalt daar de schouders over op. Zij zal het proberen. De avonden zijn lang tegenwoordig en in de winkel is het niet druk, omdat er nu geen vreemde vissers komen. Bovendien, Mietje vindt het ook een prettig werkje. Samen hebben ze grote plannen. Alleen Lumme moppert over de stank, die het pellen meebrengt.

,,Lumme is de gewone frisse locht ontwend,” meent Mietje, ,,omdat ze alteeud zo lang in de stalle zit.” Mimme vindt, dat de meisjes het zelf maar moeten weten met het pellen. Om het geld hoeven ze het niet te doen, maar als ze zo graag willen ... Nu en dan komt zij eens kijken, of ze al opschieten en pikt dan een paar grote garnalen weg, om die op te eten. Snibbetje protesteert kattig. Die grote zijn natuurlijk net de zwaarste, maar Marretje lacht om Snibbetje’s bijdehand gedoe. „Lot die klenen maar vor de kiepen en haol jie nog een immer met groten,” raadt ze haar onverschillig aan. Eigenlijk vindt Snibbetje dit stelen, maar door het moederlijk gezag gedekt, rent ze die avond voor de tweede maal langs de mannen om nieuw materiaal te halen. Marretje heeft gelijk: aan die grote verdien je meer dan aan die kleine krummels onder in de emmer. Met andere vrouwen wacht ze in de half-donkere schuur tot de garnalen gekookt zijn. Onder de grote kookpotten vlammen de vuren een rose gloed uit, waar Snibbetje dromerig in staart, 125

HOOFDSTUK VII

terwijl ze met een half oor luistert naar de gesprekken der anderen.

,,Had Geert nog wat van de week?” ,,Och, ’n wekie . .. ’t ging nogal.” ,,’n Mooie verdienste, Garritjen, dit wark.” Ja, 'n mooie verdienste is het garnalen-pellen. Urk is er blij mee. De schoolmeesters zijn minder in hun schik, want de kinderen slapen in de klas zodra ze in de banken zitten. Als er een wakker geschud is, is een ander alweer ingedommeld. Doodmoe zijn de kinderen van Urk in deze tijd. De huishoudens raken ook in de war, de regel is er uit. Maar het is toch wel een gezellig werkje, zo bij een bakje koffie en een praatje, vooral als je met de buren samen doet. En dat huishouden ach, dat komt wel weer in orde. Er is een lange winter in het verschiet en voorlopig moet je maar zorgen, dat je overal je part van krijgt. De wachtende vrouwen praten en praten. Zij praten over hun zorgen en over hun vreugden en knikken daarbij wijs met de hoofden. Ook Snibbetje knikt. Die begint zich al aardig een te voelen met die oudere meisjes en vrouwen. Zij kent de behoeften van het leven. Er zijn veel dingen, die een mens nodig heeft.

Als ze zo met de anderen meepeinst en erg overtuigd is van de bezwaren des levens, smijt een kwajongen haar een handvol garnalen in de nek. Het griezelige gekriebel tussen vel en borstrok doet haar rillen van afschuw. Snel grijpt zij tussen haar kleren en ze springt in de rose gloed der vuurpotten van de narigheid. ,,Lamme knul, bin je gek eworren?”

De vrouwen lachen, maar gelukkig, een van hen verlost Snibbetje van haar afschuwelijke bezoekers. Die hulpvaardige geest snauwt haar inmiddels toe: ,,Wat doen jie hier ok, dat is toch narges vor nodig? Je moer verdient genoeg.” Een ander neemt haar in bescherming: ,,Dat moet ut keend zelf wieten. Je moeten 'n mins nooit beletten om te warken. Hier, help Snibbetje eerst maar.” Eindelijk kan Snibbetje van de schrik bekomen. De garnalen dampen in de emmer. De gesprekken worden gestaakt. ,,En nou voortmaken, hoor minsen. Lot ut vanavud gien elf uur worren,” roept de baas. ,,Voor meen part wordt het twaolf uur,” klinkt het brutaal uit het groepje vrouwen. Naast de oude Esther sjouwt Snibbetje haar emmer dampende 126

garnalen. „Veen jie ut ok zo’n gezellig warkien?” vraagt ze de oude vrouw. ,,Voor jonk volk is het niet slecht, maar als je wat ouwer worren ,,Och goon voort," weert Snibbetje af. ,,Jie hewwen er vast gien hekel an, angers zou je ut niet doen.” ,,Leeg zitten is duvels-wark, keend. Ouwe Trientje, je wieten wel, die jului ut breien elaard et, doet met me samen. Zo koemen we de avenden duur. Wij sjouwen maar niet langs ’s Heren wegen, net as jului. Van het jonge volk begreep ik niks maar. Er binnen er ’n hoop, die ut Urker klied ofleggen vor zo’n flodderjurk. Begrotelijk is dat, keend, ut is bedroevend. Je zienen die sliepdragers tuugenswoordig ok al met n koffertjen nor de kark goon. Zo’n tas, waor ze heurluiers karkboek in stoppen. Doen er niet an miee, Snibbetje. Pel maar liever garren vor 'n mooi karkboek met zulveren krappen. Dat is vuul beter as hoeden en vreemde sliepen.” ,,Zal ik je emmer effen nor heus sjouwen? Wacht maar effen,” biedt Snibbetje gul aan, als ze die oude, gebogen gestalte moeizaam voort ziet sjokken. Vlug zet ze haar eigen emmer in het achterhuis en loopt de oude vrouw achterna. „Gief hier maar, ut is niet nodig, dat je op je ouwe dag nog zo sjouwen. Waoromme doe je dat ok? Je hewwen toch zieker al lang al een karkboek?” „Nodig is ut ok niet. Ik hew kiengeren die vor mun zurgen, maar zelf wat hoe mooi is dat!” Haar oude, ondeugende ogen kijken Snibbetje lachend aan. „En waoromme pel jie garren, Snibbetje? Je Mimme is niet zo scheutig zieker, om je zo nou en dan ’s wat geld in je diezik te gieven.” „Neeje,” zegt Snibbetje. „Ze zegt wel altoos: „A1 het mijne is het Uwe,” maar als ik es wat vraag, dan is er wat loos.” „Trek je er niks van aan, keend, dat gebrek et joeluiers volk allemaol. Goed binnen ze, maar fel op de cinten.” „Hoe hi, hie wiet jie dat zo??” ,,Omdat ik m’n ogen niet in mijn diezik hew. Je moeten je ogen wijd eupen houwen en op je mieminsen letten. Dan zul je es zien, wat er te doen is in de warreld.” Het glunder gezicht van de oude vrouw stemt Snibbetje tot nadenken. Snibbetje zet de emmer in het donkere portaaltje. ,,Bedaankt, keend.” ,,Niet te danken, hoor ouwe mins.”

127

Weg is het meisje weer. Ze loopt snel door de slechtverlichte straat. Wat een ouwe schat, denkt ze bij zichzelf. Ouwe mensen zijn bijna altijd aardig. Daar achter in het dorp wonen er een heleboel. Die ouwe Esther heeft gelijk: je ogen openhouden. Snibbetje heeft het altijd gedaan, vindt ze. Maar wat zou ze er eigenlijk mee bedoelen? Ogen openhouden . . .?”

In de lange winter, met de koude donkere avonden, die nu volgt, brengt Snibbetje Esthers raad in toepassing. Met haar broodmand loopt ze langs de huizen en ze maakt kennis met de goede en kwade luimen van haar klanten. Het is helemaal niet vervelend om het brood overal rond te brengen. Je leert er de mensen door kennen. Marretje begrijpt niet, dat Snib¬ betje nooit meer tegensputtert als het tijd is om uit te gaan. Vroeger probeerde ze altijd uit te knijpen, maar nu lijkt die dagelijkse rondgang wel een feest vol genietingen, al kan geen der huisgenoten dit vermoeden. Als ze wat lang wegblijft, knort Lumme wel eens: ,,Jie moeten maar een besjesheus oprichten laoter. Klessen bij kuppies koffie, dat is krek wat vor joe.” ,,Ik hew gien koffie nodig om lol te hewwen,” doet Snibbetje hooghartig. Zij probeert het Lumme uit te leggen, maar die heeft geen geduld voor haar praatjes. ,,Goon maar voort, daor begreep ik toch niks van.” Boos pakt Snibbetje opnieuw haar broodmand. ,,Bleef gien jaor weg,” roept Lumme haar na. Snibbetje hoort het nauwelijks. Lumme zegt dit elke keer, als zij brood gaat venten.

Eerst naar de bakkerij van Marten. Die Marten is geen geboren Urker, maar ’n Kamper. Marretje en hij kunnen het goed met elkaar vinden. Hij bakt voor haar het rogge- en het andere meel. ,,Jie denkt zeker, dat je zonde doene, als je eens een keer op tijd komme,” knort hij lachend. Voor Marten heeft Snibbetje een speciale vriendschap. Zijn manier om je de waarheid te zeggen dwingt respect af, een respect, dat niets vermindert door het kostelijke mengelmoesje dat uit Martens mond komt: Kampers, Urks en Hollands door elkaar.

,,Je binnen weer veels te laat. Je wachten tot het beste brood weg is. As je klanten hewwe, die bruine cadetjes begeren, dan moet je vroeg komme, zodat je ze goed bedienen kanne.” ,,Daor hew ik nou net lak an, het is toch nooit goed; ze binnen te breun of te bliek, te stuterig of te plat.” 128

,,Daar mag je geen maling aan hebbe, joe kuuken.” ,,Hoei, hoei,” hoont Snibbetje hem lachend. ,,En jie zeggen zelf altoos: „Als je het beter kunt krijgen, moet je maar naar een ander gane”.’’

En dan lachen ze samen zo’n beetje. Altijd is Marten dezelfde, in de kerk, op Zondagsschool of voor de oven. Veel omslag maakt hij niet. En toch verkoopt hij een boel, want de Urkers mogen hem graag. Waar hem dat in zit, begrijpt Snibbetje niet precies. Marten is aardig daarmee uit.

Bij het eerste huis staat een hele rij klompen, vlak voor de deur. ,,Het manvolk is theus,” constateert Snibbetje. Met een druk van de mand duwt ze de kamerdeur open. Daar zit Klaasje van Pier te genieten van het enige uurtje rust, dat ze zich de hele lange week gunt.'s Maandags wast ze. Dinsdags legt Snibbetje het brood zelf maar in de trommel, want dan heeft Klaasje geen tijd. Ze zwaait dan de drooglijn en zoekt de beste gloppen om ze te spannen, want de was moet die dag beslist droog. Anders zou ze 's Woensdags niet met de bril op haar neuspunt de rode hemden en blauwe broeken voor het raam kunnen verstellen. Nijdig wordt ze, als de kluwentjes rode wol te vaak van de vensterbank rollen. Die dag moet de was in de kast. Want Donderdags moet Klaasje alweer de tobbes, die op een rij in het straatje staan, met water uit de oude-manhuis put vullen. Langer wachten, dat gaat niet, want als de wind oostelijk is, raakt de put gauwer droog en dan zou ze Vrijdags het roodstenen achterhuis niet helder kunnen schrobben. Een mens moet zorgen voor de tijd. Eindelijk krijgt Zaterdags de oude salamanderkachel een beurt. Het kost Klaasje veel dikke zweetdruppels, maar dan is het leed ook geleden en straalt een glans van blijde voldaanheid van haar frisse gezicht.

,,Zoek maar eut,” biedt Snibbetje aan, terwijl ze de bollenmand op haar schoot zet. Kleine harde vrouwenhanden graaien in de broodjes. Die handen zijn schoon. In de vele groeven kunnen de bacillen niet voorttelen. ,,Zo kan het wel wier, hier is je geld.”

Zonder na te tellen, laat Snibbetje de centen in haar diezik glijden. Natellen is bij Klaasje overbodig. ,,Moet je een kuppien, keend?” „Wat moeten jonge vroului met koffie doen?” klinkt een spottende oude-mannenstem uit het hoekje.

129

„Stille jie,” snibbigt het vrouwtje. „Ouwe manlui moeten durlui niet overal mee bemuuien.”

Met een vrolijke groet gaat Snibbetje weg. Koffie drinkt ze hier niet. Dat doet ze altijd bij Marretje, de volgende klant.

Ze schiet haar klompen uit in Marretje van Leenderts achterhuis. Nu schenkt ze ’m al in, weet Snibbetje, want als Marretje haar hoort, gaat de hand al naar de koffiekan. Ze vraagt nooit, ze tapt. „Een meisje, dat’s avonds in het donker langs de straat moet, lust wel een kuppien,” is Marretje’s standpunt. ,,Mijn ouwe goudhart,” heeft Snibbetje deze klant gedoopt.

De geur van Leenderts tabak wolkt haar al tegemoet. ,,Daar hewwen we de bollenmeid," roept hij opgewekt. ,,Hoevuul, Marretje?” vraagt Snibbetje. ,,Leg maar vor acht steuvers neer,” zegt Marretje, terwijl ze rustig doorgaat, om in het kabinet te zoeken naar de opknapperskleren, die de jongens Zaterdagsavonds dragen. Behagelijk drinkt Snibbetje haar koffie, en zij bestudeert onderwijl de kuiltjes, die de oude visserman in zijn wangen krijgt, telkens als hij een krachtige trek aan zijn pijp doet.

In een hoek bij het raam zit een der zoons gehurkt zich te reinigen van het smeer dat het bedrijf nu eenmaal meebrengt. Behoedzaam strijkt zijn vinger de groene zeep over de stijf opgerolde handdoek, die voorzichtig in de Keulse waskom wordt gedompeld. Snibbetje hoort het raspen langs het gebruinde, ruige gezicht. ,,Het likt wel, of je keze respelen,” roept ze vrolijk.

De lippen, die rood uit het zeepsop steken, antwoorden: ,,Alvast 'n Zuundagse beurt.” ,,Je glimt als een keersemakersgat in de mooneskeen,” plaagt Snibbetje en zij duikt kwiek weg, onder de snelle greep van de jongen, die haar met zeep wil insmeren. Zo is het vrolijke bezoek bij Marretje van Leendert.

Door vier nauwe gangetjes vindt zij haar weg naar de twee oude kibbelaarsters. Niemand thuis? Dan zal ze maar even wachten. Niets gezellig, zo’n vissershuisje zonder mannen. Natuurlijk gaan dan die twee oudjes om deze tijd boodschappen doen. Mooi zo, de Urker krant hebben ze alvast voor haar klaargelegd. Verdiept in het dorpsnieuws, zit Snibbetje te wachten. Dan schrikt ze van een geruis van vrouwenrokken. 130

,,Verroest,” rocpt ze, ,,ik docht, dat ik alliendes in de kamer was. Waor zat je?”

„Ik verschoonde me maar effen after de tafel op de groend. Ik docht, as Snibbetje zit te lezen, dan zicht ze toch niks." Een lachend, gerimpeld gelaat buigt zich vertrouwelijk naar Snibbetje toe.

,,Dat doe ik altoos om disse klokke, zie je. Mun zuster dot dan boodskippen. Die is recht van leeuw en lieen en ik ben maar een verkreukeld minsien, met een bolle rug. Die zuster van me kan het nog niet begreepen, dat ik nog zo'n goed huwelijk had hew.” ,,Hewwen jului daor dan wel durs ruzie over?” informeert Snibbetje.

„Wel nint niet! Ruziemaken hoe koem je er bij? Mijn zuster is ommers de baos, al woenen we dan samen in meen heus?”

Met bedrijvige pasjes dribbelt zij de kamer door om haar kleren op te ruimen. ,,Niem effen brood,” vraagt Snibbetje. Maar het oudje lacht vrolijk: „Ik dink er niet an, je wieten hoe ze is.”

Ja, dat weet Snibbetje en ze wacht geduldig, tot een grote, norse vrouw binnenkomt. ,,Bin je dur al?” begroet ze Snibbetje nijdig. ,,Ik zit hier al een uur te wachten, de kraant hew ik al lang al eut.”

,,Angers niem je het ook zo krek niet.” ,,Dat wiet ik wel, ouwe mins, maar m’n bolletjes zijn vanavond toch zo mortel.” „Dat zal wel. Het zullen wel weer stuten of plakaten wezen.” ,,Nou mins, kiek dan zelf maar!”

Snibbetje zet met een zwaai de mand op tafel. Nou gaan een paar handen door de bolletjes heen; zij knijpen en bevoelen ze, terwijl de mond afkeurend mompelt. Met vriendelijke ogen volgt het andere oudje dit gedoe en als de scherpe stem niets goeds vindt van het brood, verdedigt de mildere zuster haar vriendin Snibbetje.

Zo gaat het altijd. Ze kunnen het blijkbaar niet meer laten. Ondanks dit geruzie, voelt Snibbetje zich hier wonderwel op haar gemak. Ze mag die twee wel. Het kan soms een tijd duren eer ze hier klaar is, maar Snibbetje kan zich erger dingen voorstellen dan een oude leunstoel en een warme plaatstoof.

131

,,Een bakkien, Snibbetje?” „Graag,” zegt ze. En ze grijpt weer de krant, want het oude prentenboek, waarin ze bladerde, boeit haar niet. Galmende klanken van de kerkklok luiden de Zaterdagavond in. Snibbetje staat op. „Bin je eut-ezocht?” vraagt ze. ,,Oe eerekies, allang al,” is het antwoord. Zij strijkt het geld in Snibbetje’s hand. ,,Ziezo, ik moet opschieten. Genavud hoor! „Wat hew je een haost,” pruttelt de norse stem, maar de vriendelijke praat er weer tegenin: ,,Het keend et gelik. Het is lang niet alles, om zo in het donker te strompelen. Glimlachend verdwijnt Snibbetje. Nooit zullen die twee oude kibbelkousen het eens zijn. En toch is de stemming er niet naar. Wat hier de gezelligheid brengt, weet Snibbetje niet. De warme plaatstoof misschien? Nee, want daar gaan haar voeten zo van jeuken.

Haastig stapt ze verder. Haar tenen branden in de klompen en met een gevoel van opluchting schopt ze de klompen uit in een groot achterhuis, waar schreeuwende kinderstemmen schel opklinken. Onmiddellijk heeft Snibbetje hier iets te doen. Ze probeert twee vechtende meisjes van elkaar te halen. ,,Wat is er aan de haand? Wie got er nou toch zo te keer?”

Een kinderstem huilt: ,,Zie is wier begonnen. Ik wou ,,Vooruit, de kamer in," gebiedt Snibbetje. ,,Als je vechten wil, moet je dat nooit in het donker doen." ,,Daor binnen we ok begonnen,” snauwt verongelijkt de andere. „Dat mooin maakt overal harrie van. Ik had een paar iepeldepiepels op m’n hoofd en je wieten, hoe die dingen kriebelen. Nou, toen kamde ik me, en voor de lol maak ik er een paor dood in heur ouwe psalmboekje. Net of dat zo arg is. En nou mos ze haar psalm leren en nou is mevrouw er vies van.”

Trieterig steekt ze haar tong uit en ze grinnikt nog na, van puur plezier van haar wandaad. ,,Bah!” zegt Snibbetje. „Een smeerlap bin je. Als je Mimme het wist, zat er wat vor je op!” ,,Nou!” vallen de andere kinderen in. ,,Als Mimme dat wist! Ze is altoos doende, dat mooin. As we oppassen moeten haolt ze kunsten eut.” ,,Moet je nou toch m’n boekien es zien, Snibbetje.”

132

„Geef er es hier, en doen de kachel eupen en gief me dan ok een stukkien papier," bereddert Snibbetje. Verschrikt roept het meisje: „Niet eutskeuren hoor! Veeg het maar een bietje of.” ,,Natuurlijk,” zegt Snibbetje en ze veegt het blaadje schoon en gooit het papiertje in de kachel. „Awaor. Laar nou je vursien.”

Een eentonige meisjesstem drenst: „Geef aan het wild gediert’ van’t veld De ziel van Uwe tortelduif niet over Snibbetje lacht: Juist bij dit versje sneuvelde het onreine gedierte! Vlug telt ze het brood af in de trommel, die twee jongens voor haar openhouden. ,,Waor lach je zo omme?” vraagt de ene jongen wantrouwend. De andere begrijpt het en grinnikt: „Nou, om de leus en het wild gedierte vanzelf.”

En dan lachen ze samen om het grappige van het geval. Maar als ze weer in het donker loopt, schaamt zij zich over haar godslasterlijkheid.

Weer naar de bakkerij. Oude Zwaantje wil altijd een goedgevulde mand zien en na de zonde, die ze zoeven gedaan heeft, voelt Snibbetje de behoefte, om het weer goed te maken. Hoog stapelt zij de broodjes op. Het oude mens zal niet te klagen hebben .. .

Voorzichtig draagt ze haar mand in de half-donkere kamer. „Hew je vuul peeinde ehad, Zwoontjen? (l’t Was verschrikkelijk, keend, zo arg as uit vandage was . . . antwoordt de oude man in het hoekje. De vrouw zelf zwijgt. Haar aanhoudende pijnen ontheffen haar van de plicht om antwoord te geven op belangstellende vragen. , „Wat zit jului in ’t donker. Maak 'n bietje maar licht, doet Snibbetje huiselijk.

„Dat kan m’n ouwe mins niet verdragen an d’r ogen,” verklaart de oude man en hij laat er met een knipoogje op volgen: ,,En mij kiekt ze ommers toch niet maar an. De lijdende vrouw steunt pijnlijk: „Wannar zul je dat spotten nou es laoten? Altoos plagen en zotternijen nor vuren bringen, dat kan ie. Maar acht gieven op de laamp, dat dut ie niet. Kiek es, allemaal zwarte vlokken loefsel op de tafel.

133

Haar kromme, door rheumatiek vernielde vingers pakken de vaatdoek en wrijven onhandig de tafel af. ,,Lot maar, ouwetje. Ik zal het wel doen,” zegt de man schuldbewust en hij neemt de doek uit de gebrekkige, bevende handen.

Eens liet hij zijn schip varen naar zijn wil, trots tegenwind en ruwe stormen. Eens zag hij er niet tegenop, om bij vliegend weer het roer te wenden en zijn in nood verkerende makkers bij Norderney van een wrak te halen en behouden binnen te brengen. En deze man is niet bij machte, om net kleine huishoudentje naar de zin van zijn Zwaantje te besturen. ..Het is een toer om het de vrouwen naar de zin te maken, Snibbetje,” plaagt hij olijk. ,,Als je maar es wat anlaaren wouen, ouwe deugniet,” bromt Zwaantje. ,,Hoor je het nou? Op mijn ouwe dag moet ik nog laaren ok.”

De pruttelige vrouw, de eeuwige ziekte in huis, en zijn eigen zorgelijke omstandigheden, zijn niet in staat om de vrolijkheid in de ziel van Evert Duim te doden. Hij richt zich op en zijn grote, onbewogen gestalte reikt bijna tot de zoldering. ,,Leg het brood maar in de trommel, keend,” zegt hij gemoedelijk, en hij gaat Snibbetje voor naar de kast. ,,Hoevuul, ouwetje?” vraagt hij. ,,Wiet je dat nou nog niet?" mompelt de vrouw. ,,Jawel, maar as ik wier te vuul niem dat ouwe brood kuun je ommers niet beeten?”

„Niem er maar achte,” zucht zij en haar vermoeide hoofd valt terug op het kussen, dat voor haar op tafel ligt. Snibbetje merkt, hoe angstig bezorgd de oude man naar zijn kleine, doodzieke vrouw kijkt. Onhandig zet hij de trommel weer op zijn plaats. ,,Zukke trommels met blinkendc riksdaolders hew ik vor dur verdiend, meid, en nou gift ze narges maar omme,” en hij roept dicht bij haar oor: ,,Hew ik niet altoos rikkelijk verdiend, oudje?”

„0 ja, dat is zo . . .” Een mat glimlachje siert even haar fijne trekken. ,,Kiek Snibbetje, nu lacht m’n ouwe mins toch nog effen.” „Dat wist ik wel, Evert,” zegt Snibbetje hartelijk. ..Zwoontjen zou me toch zieker zo niet laoten goon, zonger effen tugen mij te lachen?” ,,Ik zou het wel maar doen, keend, als ik maar niet zo’n peeinde 134

hadde. Peeinde is nog ut argste niet. Verdriet is arger. In ruil voor die voile trommel et de ziee m’n jonges eneumen.”

Nu zucht Evert ook, terwijl hij zijn zware lichaam in de oude leunstoel laat zinken, om de wachtpost naast zijn vrouw weer te betrekken. ,,Ja, dat is een kreus.”

Buiten denkt Snibbetje na. Hoe komt die oude man aan zoveel geduld? A1 vijf jaar zit hij zo. Snibbetje begrijpt het niet. Die oude Zwaantje kan zo trots zijn als ze in pijnloze ogenblikken vertelt van het schilderij, dat boven het bed hangt en waar Everts naam in grote letters op gedrukt staat. En toch kan ze zo onaardig tegen hem zijn. En die Evert, die nooit boos op haar wordt... Snibbetje begrijpt er niets van

De volgende klant is niet zo best van betalen. W'at zal Gaartje vanavond weer zeggen? ,,Lot 'n anger ok mar es wat aan m’n tekort helpen.” Of zal ze Snibbetje met een nijdige beweging het geld over de tafel toeschuiven? En mokken: ,,Maak maar gauw dat je weg koemen, want als ik er over naodink, kan ik het egenlik niet misten.” Het valt vanavond nogal mee. Gaartje’s man is thuis en kijkt ernstig toe op de handel tussen Snibbetje en zijn vrouw. Geen cent komt er te kort. Opgelucht en vrolijk stapt Snibbetje naar de volgende, de oude Nanna de Vink.

Nanna de Vink is weer aan het zingen. Naar de woorden hoeft Snibbetje niet te luisteren, want die zijn haar overbekend. Ze weet al lang, welke psalm oude Nanna iedere Zaterdag kiest om haar dankbaarheid te uiten voor de drie of vier rolletjes centen, die ze als vaste toelage van de kerkgift ontvangt. Zaterdags zingt zij: ,,Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou Dinsdags zakt haar stemming. Dan klinkt het: ,,Want o Heer, ik ben tot hinken, en tot zinken, ieder ogenblik gereed.”

Donderdags is zij er nog erger aan toe: ,,Hier scheen mij ’t water te overstromen . . .”

Maar tegen het eind van de week leeft zij, dank zij de rolletjes centen, weer op.

Lastig is die Nanna. Snibbetje kan maar niet begrijpen, waarom de eilanders haar de mooie bijnaam ,,de vink” hebben gegeven. Mooi zingen, dat kan ze. Maar die Nanna is zo inhalig! Snibbetje ziet zich nu en dan gedwongen om haar zeven cadetjes voor een dubbeltje te geven in plaats van zes.

135

Ze kan het dan gcwoon niet weigeren, want als ze lang naar die magere handen met de dunne blauwdooraderde vingers kijkt, die zo begerig in de mand woelen, en ze let op dat ronde gezicht met de grote gebogen neus en de diepliggende ogen, dan moet Snibbetje altijd aan een roofvogel denken en zij mist de moed om Nanna te weerstaan. Een andere keer maakt dat eeuwige gepingel haar kriegel. Zeur maar, denkt ze dan, al bevangt haar toch een licht medelijden. De ouderwetse meubels getuigen ervan, dat Nanna eens de weelde heeft gekend en daar horen die rolletjes met koperen centen zo slecht bij. Vooruit, dan maar zeven cadetjes . .. Maar een ogenblik later Scheldt zij zichzelf uit voor sufferd, want Mimme vindt het nooit goed om wat toe te geven. Die zegt, dat zulke mensen toch nooit genoeg krijgen. Steeds meer willen zij, altijd maar meer. En dan op een keer zetten ze alles op het spel en verliezen de hele boel. En dan moet een ander bijspringen. Snibbetje begrijpt nooit veel van die redeneringen. Ze geeft liever een cadetje cadeau, om van het gezeur af te wezen.

Bij Geeske ziet Snibbetje het bekende beeld van iedere Zaterdagavond. Jan zit daar op zijn dooie gemak en laat rustig toe, dat Geeske hem wast en rost, alsof hij een schooljongen was. Snibbetje kijkt niet meer zo verwonderd als bij de eerste keer. Daar zal ze trouwens wel voor oppassen, want dan begint die vent haar weer te plagen. „Doen joen Mimme dat ok, Snib? As je taote wist hoe lekker dat was om zo ewossen te worren, dan liet hij het er vast niet bij zitten.”

,,Mannen moeten zelf hun sliksnuut maar schoon houwen,” vindt Snibbetje en Jan lacht: ,,Dat laar je vanzelfs van je Mimme, want zelf zou je het best willen doen. Prebier ut eerst mar 's met je taote. Dan kuun je ut laoter goed, as je een vrijer kregen. Gerust keend, ut hoort zo.” ,,Och, goon weg, ik geloof er niks van.” ,,Dat komt, omdat jului van het soort binnen, die niet wieten wat een man toekomt,” plaagt Jan verder. Hij stoort zich niet aan Geeske’s afkeurend gebrom en Snibbetje, die hem een nare kerel vindt, moet toch weer lachen, als hij zijn schoongeboende tronie naar haar toehoudt en haar uitnodigt: „Nou, poes me dan es, as je durft?” ,,Je zullen haar nog net zo lang treiteren,” zegt Geeske, „totdat ze het op een keer dot.”

136

,,Wat zou ik dan lachen,” zegt Jan en Snibbetje voelt zich plotseling vastgegrepen door een paar harde handen, die haar tot de zoldering toe tillen. „Lamme vint,” gilt ze angstig. „Eerst zeggen, of jie je man wassen zullen, ja of nee.” ,,Ik zal het doen," roept ze, om los te komen. De jongens en meisjes gieren het uit en Geeske pruttelt wat van ouwe kerels, die maljakken met jonge meisjes. Hijgend staat Snibbetje weer op de grond. Haar bollemand is zoek; dat heeft natuurlijk een van de jongens gedaan. Met een schijnheilig gezicht vraagt Jan: „Waorumme plagen jului dat arme keend toch alteeud zo? Ik begreep ut niet, foei! En dan tot zijn vrouw: „Ouwe, gief jie m n warkieskoesen s gaauw. Ik moet naor de scheerboas. Kiek Snibbetje, zo n weeuf hew ik nou,” en hij wrijft zijn ruige baard langs Geeske’s wangen, tot die er vuurrood van zien. ,,Ze wordt wel wat rimpelig, maar ’t is toch een best mins.” Geeske slingert hem de kousen in het gezicht. ,,Kiek 'r ’s an, jongens, ze is jaloers, wat zeg je er van, schatert Jan en zijn gelach galmt door de kamer. Snibbetje komt hier graag. De mensen zijn er zo vrolijk en ongedwongen. Alles is zindelijk en opgewekt. ,,Help me effen, Giesien, ’ bedelt zij. ,,Ik hew nog zovuul te doen.”

„Ik ok, keend. AIs eerst die manlui maar de duur eut binnen, dan kuunen we opschieten.”

,,'t Is wat moois,” zegt Jan, kwasie verontwaardigd. ,,Met Urker vrouwen is niet op te schieten. s Zaoterdagsaves moet je de deur eut. Zuundags mag je naost er zitten in heus, mar in de kark niet iens en 's Maondags moet je wier ophoepelen, angers kuunen ze niet genog de boas spuulen. Geeske lacht haar zonnigste lach. ,,Je zou warendig nog met um te doen kreeugen,” zegt ze en ze houdt de deur wijd open, opdat Snibbetje haar klompen kan vinden. Onzeker zoekt het meisje haar weg. Het heldere licht in de kamer heeft haar verblind. Haar ogen wennen niet dadelijk aan het donker.

Nog knipperend met de oogleden en het hoofd wat gebogen zet zij haar mand met een harde bons op de stoel bij oude Besjes Jan neer. Het schrale kereltje zit ineengedoken en wie hem zo oppervlakkig bekijkt vraagt zich af, of er nog wel leven is in dit vogelskelet. Maar Snibbetje weet wel beter.

137

Je hoeft maar even te kijken in de tintelende grijze ogen, die zo vurig uitdagend kunnen blinkeren onder de klep van de zwarte pet. ,,Spreek me maar eens tegen als je durft,” zeggen die ogen. Snibbetje zal zich wel wachten om ruzie met hem te maken, want dan zou ze het verliezen. Zelfs de domine’s kunnen niet tegen de oude baas op. Die glimlachen zo’n beetje als ze op een door-de-weekse-dag in de smidse komen en de blikslagerswensen van de oude baas naar hun hoofd krijgen. Hij kan dan razen: ,,,Wat blikslager, buitjen. Kom je dat ’n Zuundag niet wat beter ezegd hewwen? Bin je al-te-met bange dat je zunde doen as je urs n klap op de bibel gieven? Niegen of tien jaor zit me dat op de skoelbanken en nou op de stoel met een boek onger je neuze. Nee. zo got het niet. Kiek” .— en een daverende klap op het gloeiende ijzer doet de vonken vurig door de donkere smidse spetteren „zo moet ut, domeny! Zo’n rijke bron als Gods woord veen je nargens en as je dot onger de minsen bringen willen, dan moet er wat kracht after.” Het is niet alleen op de domine's, dat hij het begrepen heeft. Als de vrouwen in het dorp op wasdag wat al te hevig aan het kletsen zijn, kapittelt ouwe Jan ze met het stuk spaans riet, dat hem tot steun dient en hij tiert: ..Wel jou blikslagerse leuzebossen, goon an je wark,” en lachend stuiven de vrouwen dan uiteen.

In zijn hoge ouderdom is hij nog dezelfde als in zijn jonge jaren: vurig van geest en scherp van tong. Spelende kinderen liepen dit zwakke omhulsel van een vurige geest eens omver en dit maakte hem tot een invalide, die daar nu hulpeloos in zijn stoel zit. Maar nog steeds schiet hij zijn venijnige pijlen af op de vele bezoekers, op zijn grote kinderen en vooral op het immer zachtaardige gemoed van zijn Willempje. „Bin je door eindelijk, meid?” begroet hij Snibbetje. „Hoe koem je zo laot?”

,,Ik hew harde genoeg elopen, maar het is zo donker," verdedigt zij zich. „Ja, ja, de juugd van tuugenwoordig loopt nogal harde. Kwinkelieren bij de straoten, dat kunnen ze, maar lopen en warken, ho maar!"

Snibbetje laat die uitbrander toch niet helemaal zonder protest langs haar heen gaan. ,,Net of je vroeger zelf nooit klesten, ouwe. Ik wiet ut nog best hoor. As je vroeger bij oens an de koffie zatten.” 138

,,Die koffie van joen Mirame? Wat blikslagers, die was altoos laauw. Nee Snibbetje, ik ging, waor de koffie ut hietste was, keend. Laauw drinken, dat muggen ze van me houwen, dat durf ik nog wel tuugen de domeny’s vrouwe te zeggen ok.”

,,Hoe hi, door hewwen we de domenys wier. De boot is wier an,” spot Snibbetje. Jan maakt een afwerend gebaar. ,,Domenys, keend? Het binnen Heertjes . .. Melk en brei. Das niks vor mij. „Je mossen zelf 'n toga an-etrokken hewwen. ’t Zou je wel goed estoon hewwen,” lacht Snibbetje. „Wat blikslagers En de hand grijpt naar het spaans riet. Snibbetje krijgt een por in haar rug en weg is ze in het achterhuis. ,,Genacht hoor!” roept ze nog. ,,Ik hoop, dat je van de nacht niet veul peeinde hewwen.” ,,Genacht, duvekaoters buitjen,” klinkt het vriendelijk terug.

Buiten kucht Snibbetje wel driemaal achtereen. Ze moet naar meester toe en daar ziet ze tegenop. Nog steeds heeft zij een zekere tegenzin te overwinnen om met niet-Urkers in aanraking te komen. Nu ja, meester is wel niet zo'n erge vreemde en zijn vrouw kan nog lekkerder pannekoekjes bakken dan Mimme. Als ze er mee bezig is, schiet er altijd wel een voor Snibbetje over, maar toch Snibbetje kucht nog eens. Zacht schuift ze met haar kousen over de cementen vloer en onhoorbaar opent ze de deur. ,,Volluk, klinkt haar heldere stem door het keukentje. „Kom maar verder,” zegt de vriendelijke meestersvrouw. ,,Je hoeft niet zo aan de deur te blijven staan.” Maar stug zegt Snibbetje: „Ik kan ut angers hier wel of.” ,,Doe niet zo kort, Snibbetje. Kom even hier aan tafel, dan kunnen we beter zien. De bolletjes zijn mooi vanavond, he?” ,,Ja,” zegt Snibbetje, wat vriendelijker. De lof op Martens bakkunst doet haar toch goed.

Orgeltonen ruisen door de kamer en Snibbetje werpt schuw een blik op de man, die daar zit te spelen. Oei hij draait zich om. Nu moet ze maken, dat ze weg komt. Haastig grijpt ze haar mand en ze strijkt handig het geld van tafel. Maar het is te laat. Meester staat bij haar.

„Kun je nog zingen, Snibbetje?”

Zij haalt de schouders op en antwoordt een beetje verlegen: „Nu, dat wiet ik niet meer, mester.” Zingen ? Snibbetje

139

heeft het veel te druk om ooit nog eens aan zingen te kunnen denlcen. Een warme, diepe stem spreekt tot haar: ,,Blijf nu even staan, als je het vergeten bent, moet je weer leren zingen.” ,,Ikke?”

,,Ja, je mag gerust op het zangkoor komen, hoor.” ,,Maar ik ben zo dom.” ,,Dat hoef je toch niet te blijven,” lacht meester en zijn vrouw raadt haar: ,,Denk er maar eens over na en denk ook eens om wat schapenmelk voor me, die is zo lekker. Breng je me er eens wat van?” ,,Het got om de beurt," zegt Snibbetje gewichtig. ,,We hewwen maar twie schapen, maar ik zal om u denken.” Buiten lacht Snibbetje zacht voor zich heen. ,,Ik vergat gelukkig niet om ,,u” te zeggen. Waarom zou meester mij in dat zangkoor willen hebben? 't Zou toch wel heerlijk wezen.”

Ruisende orgeltonen . . . vriendelijke, welwillende mensenstemmen . . . een warm, nodend gebaar . . . dat alles draagt Snibbetje mee met zich uit het huis, de donkere winteravond in. Vreemden zijn het, dat is waar, maar toch . ..

Vlug werkt zij de laatste klanten af en dan, eindelijk laat ze zich vermoeid neervallen op Bessiens oude canape. Daar telt ze haar geld. De bonte boezclaar doet dienst als bureau. IJverig wroeten de verkleumde vingers in de centen en dubbeltjes en aandachtig raadpleegt ze telkens haar kleine zwarte boekje. Rekenen is wel niet haar liefste werk, maar het moet, want Mimme wil dat de zaken kloppen. Daarom rekent Snibbetje bij Bessien, waar ze veel rustiger kan nadenken dan onder de strenge blik van Mimme. ,,Klopt het?” vraagt Bessien belangstellend. ,,Ja,” zucht Snibbetje en ze schuift haar geld weer bij elkaar en hapt met smaak in de snee krentenbrood, die Bessien voor haar heeft klaargemaakt. ,,En?” zegt Bessien. ,,Wat zeg je er wel van? Nou et Dirkiens vrijer ’n boontjen.” ,,Een vast pussien?” vraagt Snibbetje, eerst nog wat ongelovig. ,,Dan zullen ze wel gauw goon trouwen en dan koem ik voor altoos bie joe, ommers?”

,,Dat zullen we wel zien,” glimlacht de oude vrouw. „Ik hou angers niet van verangeren, want je wieten nooit of je er bij verbetert,” en met een onderzoekende blik op Snibbetje's HO

slordige kledij: „Ik weet niet, of jie ut mun wel nor m’n zin zou kuunen maken.” ,,Als ik goed wil,” beijvert Snibbetje zich, ,,dan kan ik ook best warken.”

Lang blijven haar gedachten niet bij deze goede voornemens. Ze dwalen al gauw af naar een stuk koud gekookt vlees, dat Zaterdagsavonds altijd bij Bessien in de kast staat. Als ze in haar humeur is, snijdt Bessien er altoos een plak vcor Snib¬ betje af. Steeds zal Snibbetje dit het lekkerste vlees ter wereld blijven vinden. Maar dat vaste pussien van Klaas zit Bessien zeker dwars, want dit keer gaat dit hartige brokje haar neus voorbij en Snibbetje verwenst het baantje van haar aanstaande zwager. ,,Ik goon maar,” zucht ze ten slotte, als ze het hopeloze van nog langer wachten inziet.

Zou ze het nog eens proberen bil Marten in de bakkerij? Daar brengen de buren hun pannen met vlees heen, die Marten dan in de nog hete oven zet. Het weee gevoel in haar maag drijft haar onweerstaanbaar naar zoveel hartige heerlijkheid toe. „Het mag niet,” zal Marten wel zeggen, maar wellicht gaat het net als laatst, toen Snibbetje een paar keer luid geeuwde en Marten haar een pannetje van Schokker Ole aanwees en zei: „Neem daar maar een stukje van, hongerlap en wat hadden ze zich samen verkneuterd om het achterdochtige gezicht, waarmee die gierige Ole haar pannetje nakeek. Gierige mensen kan Marten niet uitstaan en dat is de reden, waarom Snibbetje een stukje vlees krijgt. Zelf zal hij er zich niet aan vergrijpen. Op hem rust alleen de verdenking, maar die verdraagt hij met een glunder gezicht. Het geluk is Snibbetje bij Marten gunstiger dan bij Bessien. Als ze slingerend met haar benen op de baktrog zit, hoeft ze maar een paar keer te geeuwen, of Marten wijst haar het pannetje al aan. „Niet zo vuul hoor, varken,” waarschuwt hij: ,,Kiek es, zo’n klein grusien. Hier, niem ok n stukkien, het is lekker gaor.” „Nee,” klinkt het streng als Snibbetje’s ondeugende glinsterogen hem te lang aankijken. ,,Je zou een mins verleien.

Hij volgt haar rappe bewegingen als zij hem ijverig helpt om de bakkerij na deze drukke dag wat op te ruimen en hij herhaalt met een ernstig gezicht, terwijl hij haar bij een arm vasthoudt: ,,Ja, je zou een mins verleien. Wat moet ik nou weer tegen Schokker Ole zeggen?

HI

,,Dat het lekker was,” schatert Snibbetje. ,,Joe Zaterdagsemorgen vier en vijf! Maak, dat je de bakkerij uitkomt. Ik mag dus niet zegggen, dat jie ut edaan hewwe!” „0 nee, liever niet, Marten.” ,,Foei Snibbetje.” ,,Zo’n klein grussien vies, das toch gien zunde?” Maar als ze opblikt in Martens trouwe gezicht, zegt ze berouwvol: ,,Nou, zeg dan maar, dat ik het ding.” ,,Malle Snibbetje, je moch ut ommers van me? Ik maak het wel in orde, hoor.”

Als Snibbetje thuiskomt, is Lumme bezig met de laatste klanten. De vlugsten zijn het niet. Maar het zijn Lumme’s speciale vrienden, die meer om een praatje dan om de boodschappen komen. Dit is het slot van hun Zaterdag: een beetje lui over de toonbank hangen en wat snoepgoed kopen voor de kinderen, om Zondag mee te nemen naar de kerk. In de keuken zit Mimme te redekavelen met Klaas over zijn vaste pussien. Klaas wil nu meteen trouwen, maar daar is Marretje het niet mee eens. Ze raadt hem aan, eerst nog even de kat uit de boom te kijken, want vast geld is vast armoe. Klaas is het daar natuurlijk niet mee eens. Die wil zo gauw mogelijk trouwen. Het kost Marretje al haar overredingskracht, om zijn plannen nog wat te verschuiven. Onwillig stemt hij ten slotte toe om eerst de zaak nog eens te bezien. Maar zijn sombere gezicht klaart op, als Snibbetje binnenkomt. Snibbetje heeft een open oor voor al het nieuwe, dat hij over zijn toekomst vertelt. Nu moppert hij niet meer over de lui met de vaste baantjes en het vaste salaris. Klaas is nu ook van de partij. Hij zal de belangen van de vissers behartigen en die zullen hem er voor betalen. ,,Dus nou goon je toch nog bij de ministers op visite?” „Vanzelf, mooin,” zegt hij vol trots. „Maar dat is niet het ienigste, dat er aan vast zit. De boeken van de verienige moet ik bijhouden en de contributie ophaolen ok.” ,,Gauw een actetas voor Klaos kopen,” giert Mietje en Janneke belooft hem al een nieuwe lange broek. Die kan ze best zelf maken, net als voor haar eigen vrijer. En zo is het al vrolijkheid en leut in het grote oude huis, waar jonge mensen zich voorbereiden op een nieuwe toekomst. Alleen Lumme moppert over het lawaai. In het schemeruur praten zij en Marretje ook over die toekomst, maar hoeveel somberder zien zij die dan de anderen. De vreemde vissers M2

hebben afscheid van hen genomen. Nooit zullen zij weerkeren, nu de afsluitdijk voltooid is. Zij spraken bij het heengaan hartelijke woorden, maar iedere klant die vertrok is een zorg voor Marretje meer. Het kost toch al zo n moeite om de zaak boven water te houden. De ondergang kan haast niet uitblijven.

Wat moet er gedaan worden? Allerlei mogelijkheden overwegen zij, maar steeds ontdekt Marretje’s critische geest bezwaren. Zo tasten ze rond in het duister van een onzeker verschiet. Niemand weet, hoe het worden zal en als Nlarretje geen uitkomst ziet, staat ze driftig op en snauwt tegen Lumme: ,,Maok nou maar voort. Jie kunnen ok nooit lange genoeg schiemeren.”

De feestdagen zijn voorbij. Januari sleept zich voort. Somber ligt Urk in de doodse wintermaanden.

Op de tweede Woensdag in januari wordt er Biddag gehouden en de Zaterdag daarop zet Klaas zijn koksmand midden in de kamer. „Vullen, Lumme, tot de raand toe.”

„Wat moet dat?” vraagt Marretje verbouwereerd. „Vaoren, vanzelfs!”

„En je pussien dan, jongen!”

„Door kunnen ze vor meen part mie nor de mulm lopen. Nooit wil ik er maar mie te maken hewwen. Minsen, dat is het lastigste teug op Gods aardbodem. De ien et niet goed ezeten en de anger niet goed egeten .. . Lot de skoelmesters en de burgemester dat maar opknappen. Vor mij is dat niks. En tegen Lumme: ,,Toe moak voort, mooin, want ik hew ut nog drok vandage. We moeten nog een kor taonen. Ze zijn er allemaal even beduusd van. Maar Snibbetje moet ineens luidop lachen: „Hoe hi, en nou is ie nog niet iense bij de ministers ewest.’ t Dat breekt de stemming. Zelfs om Lumme s mond speelt een glimlachje, waarvan niemand de zin raadt. „Een mooi begin, dat moet ik zeggen,” hoont Dirkje. „En we zouwen nog wel gelik trouwen. ,,Gelik trouwen? Gien sprake van. Ik kan jului gien van alien misten.”

Maar de meisjes joelen: „Hoor Mimme durs, je hewwen ut toch zieker zelf ok edoon?”

143

Woelig mensengedoe... blijde levensdurf, die het spook der onzekere toekomst verjaagt.

Maar er is een wrede, altijd loerende vijand, die de bedrijvige mensen bedreigt. Als hij zijn klauw uitstrekt, ontgaat zijn prooi hem nooit.

Mietje is die prooi. Mietje, die altijd zo vrolijk was en maar niet genoeg kon krijgen van het blijde. ruisende fleurige leven ... Waarom? dat is de eeuwige klacht, die Marretje in de eerste dagen telkens weer herhaalt en ook Gerrit worstelt met dat ene, radeloze woord. Een schaduw, diep en donker, legt zich over het oude huis. Ook Snibbetje leeft weggedoken in die schaduw. De dode wil ze niet zien. Ze is er bang voor. Met ernstige woorden beduidt vader haar, hoe jammer het toch zou zijn, als ze geen enkele keer meer naar Mietje om zou zien. „Laot heur maar goon,” zegt Marretje. „Arg hartelijk is ze ommers nooit? As die maar lachen kan.” Woeste zenuwsnikken beletten haar, verder te spreken. ,,Maar Marretje toch, klinkt Gerrits stem en voor het eerst hoort Snibbetje er een bestraffende klank in. „Kom miee," zegt hij tot haar. En Snibbetje gaat mee, klein en ontwricht. Onbewust zoekt haar hand de plaats, waar Marretje altijd steunde. Angstig houdt zij de brede broeksband vast, wanneer zij zich samen buigen over de lange, smalle kist, waar Mietje in ligt met haar Zondagse hulletje op. ,,Wat is ze nou mooi,” fluistert Snibbetje. „Zag je dat nooit aarder?” ,,Nee nooit. Ik leusterde alliendes mar naor der geleud en dat zal ik nou nooit maar horen.”

Dan overweldigt haar de droefheid. Vader tracht haar te troosten.

„Zo got ut in oenze leven, Snibbetje. Het mooie, dat een mins^ bezit, zinnen we pas as ze dood binnen. En we misten pas ’n stemme, as ie voor alteeud zwigt. Er bin nog zovuul dingen, die we van heur zullen misten, maar dat besef je nou nog niet. Die kwieke stap en die mooie ogen, de vrolijke manier, waarop ze oens gendag zeen. Het is wel hiel muuilijk, dat allemaol of te stoon aan de Here van leven en dood. Zo muuilijk is dat, Snibbetje, zo hard, zo vried. En toch moet het, keend. Als God oens ut zelf eerst maar laren wil. 144

Laoten we nou maar goon, want Mimme et ut zo muuilijk, Snibbetje. Je moeten maar niet alles horen, wat ze zegt. . . Zorgvuldig schuift hij het luikje dicht. Geen licht mag er in vallen. Hij wil tot het laatst zijn kind gaaf en ongeschonden bezitten.

Een vaste hand neemt het snikkende Snibbetje mee en leidt haar weg. ,,Je moeten niet stillestoon, keend, het leven roept. Goon mar ’n bietjen an ut wark. Lumme et nog zo vuul te doen.”

Traag kruipen de dagen verder, de begrafenis is voorbereid, alle maatregelen zijn getroffen. Dit keer verdiept Snibbetje zich niet, zoals anders bij begrafenissen, in de vraag, hoeveel er wel zullen meegaan. Rustig wacht ze af tot de stoelen uit de kerk in huis worden gedragen en de twee vrouwen, met rouwhoedjes over de hullen, de kopjes met theegerei klaar komen zetten.

In sombere eerbied luistert ze naar het voorlezen van de negentigste psalm. „Eer de bergen geboren waren, zijt Gij, God Een koude rilling gaat haar langs de rug. ,,Zo wij sterk zijn tachtig jaar Ze luistert met ontzetting, maar de stem gaat door: „En de lieflijkheid des Heren is over ons . . Snibbetje’s beklemming wijkt; bij al die vreselijke dingen is toch ook het liefelijke ingesloten.

Als ze samen achter de baar gaan is dit haar troost. Vader houdt haar hand stevig vast, maar met de vrije hand drukt zij een zakdoek voor haar droge ogen. Zo hoort het. Snib¬ betje wil niet, dat de meisjes, die staan te kijken, zullen zien, dat ze niet huilen kan. Graag zou zij ook, net als Mimme en de anderen, een zwarte rok om haar hoofd hebben geslagen om heel het gezicht te bedekken. Maar Mimme heeft gezegd, dat ze daar nog te jong voor is. Langzaam gaan ze verder, langzaam, heel langzaam. Als Snibbetje schuw omkijkt ziet ze maar een klein deel van de stoet, die zich als een zwart lint door de nauwe straatjes beweegt. Ongelijk is de gang der treurenden. Ieder loopt op eigen gelegenheid en toch vormt deze smartelijke tocht naar het kleine kerkhof een eenheid. Er klinken bevende stemmen, als zij rond de jonge dode een psalm aanheffen, waarvan de klanken zacht verwaaien over de stille dodenakker. lets sneller gaat de terugtocht, maar ook deze kenmerkt zich door de devote eenvoud, waarmee de Urkers alles aanvaarden wat dood en leven te bieden hebben. Thuis schuifelen zij bijna geruisloos de kamer in en nemen plaats. Niemand zegt

H5

eerst iets. De bange stilte wordt eerst gebroken door Marretje, die weer wanhopig vraagt: waarom dit alles toch zo moest zijn. Een rustige, oude stem antwoordt haar: ,,Waarom dat weten we niet. God heeft stenen nodig voor het grote Godshuis, dat Hij bezig is te bouwen van zijn kinderen. Nu eens heeft Hij een hoeksteen, dan een siersteen of een pilaar nodig. Wg weten immers niet, waar wij straks dienst voor zullen doen in dat grote koninkrijk, Marretje. Daarom zal het ons altijd een raadsel blijven, waarom gebrekkige oude mensen, zoals ik, hier blijven, terwijl de jongeren heengaan."

Eenvoudige woorden van troost. Zij vinden weerklank bij de hoorders, als die het hoofd buigen om te danken voor de kracht die zij ontvingen om hun doden af te staan. Gezongen wordt er niet. Maar al zwijgen ook de lippen, de oude psalmen leven in hun harten. De echo ervan ruist in de ziel van alien, in droefheid en in vreugd. Als kind hebben zij die psalmen geleerd, werktuigelijk opgedreund bij de Zondagsschoolles. Zij hebben ze in hun leven vaak te onpas te berde gebracht, maar de rijkdom en wondere schoonheid der oude liederen dragen zij mee in hun geest, hun hele leven door. Als een heilig bezit..

Stil is het geworden in het oude huis. De meisjes spreken met gedempte stemmen. Lummc’s gemopper is verstild tot een fluisterend gebrom. Uren lang liggen de anders zo bezige handen van Marretje werkeloos in haar schoot. En stil zit Snibbetje achter vaders stoel, als ze s avonds bijeen zijn. Overdag moet er gewerkt worden. Het leven gaat door. Er zijn dingen, die geen wachten dulden. Daar zijn de koebeesten van Lumme en de klanten van Marretje en daar is de oude schuit van Gerrit. Zij eisen de mensen op. Zij brengen vergetelheid. Langzaam tasten Marretje s handen weer naar het werk en Lumme s hoofd buigt zich dieper over Snibbetje s kapotte kousen, en Gerrit. . . Het liefst zou hij maar dagen achtereen op zee zijn. Als de zeewind om hem heen waait, en de horizon heel wijd is en ver, dan is hij veel dichter bij het ruime Godsgebouw, waarvan Mietje nu een kleine siersteen is. Dan drukt het kruis lichter dan hier, waar alles steeds weer van haar spreekt. „Wij moeten tot een besleut koemen, Garrit,” zegt Marretje enkele weken later, op een middag, als de dampende kapkool op tafel staat. „Wij moeten de maotjes toch maar lotten 146

trouwen. De levenden mugen niet lijen om de slag, die oens etroffen et.”

„Goed, lot ze mar goon. Ze hewwen de leefteeud, stemt Gerrit toe.

„Dan moet Snibbetje Lumme dur wark maar doen. Ze kan goed melken en ze is jonk cn gezoend. Lumme en ik zullen ons hier wel redden. De winkel wordt toch minder. Snibbetje kijkt angstig op. En met een verschrikte hijging in haar stem roept ze uit: ,,Watte <— ik alliendig vor die koebiesten zurgen? Moet ik dat alliendig doen? Ik . . .”

Zij denkt aan de zwaar-ademende koebeesten. De geheimzinnige rinkelgeluiden in de stal, de muur van het kerkhof bij donkere herfstavonden, de stotende koeien als zij bijvoer brengt. Angst bevangt haar hart. In zielige hulpeloosheid kijkt zij haar vader aan. „Moet ik dat alleen doen?” vragen haarogen.

Wat Marretje nooit vermocht heeft met haar boze blikken en haar koele terughoudendheid, nog minder met haar bedekte dreigementen en plotselinge toenadering < dat bereikt die enkele hulpzoekende blik van Snibbetje. Eenvoudig zegt Gerrit! ,,Dan bleef ik maar theus. Ik zal m n ouwe skeut verkopen.”

Snibbetje juicht: „Dan doenen we samen ut wark, hi taote. „Ik hew er glad gien verstaand van,” zegt de visser. Nu pas ziet Snibbetje het trieste glimlachje op het beminde gezicht. Spontaan strijkt haar kleine hand vader door de grijzende lokken. „Dan laar ik ut je wel, man!” troost zij. Het triestje glimlachje wijkt niet van de mond, als Gerrit zwijgend voor zich uitstaart.

147

Stevige schepen varen de Urkse haven binnen. De zware motoren ronken dreunend en also! zij moe zijn van de vele uren rusteloos jagen, puffen zij amechtig hun laatste oliedampen uit. Vrolijk groeten elkaar de vissers. Van een der schepen giert de schrille toon der stoomfluit. De oude mannen van de klapschool kijken naar het levendige vertier. Een gerimpeld man schuift nadenkend zijn karpoes wat meer naar achteren en denkt hardop: ,,Reuzen binnen ut, die schiepen van de Noorzievissers.” Zijn kameraad valt hem bij: ,,Wie et er ooit van zo n teeud edroomd? Alles verangert. Toen ik een jongkarel was . . ,,Kastielen binnen ut,” mompelt een derde. Strelend laat hij zijn blikken langs de ijzeren botters gaan. Er zijn er die twee masten dragen. Hij kijkt met welgevallen naar de zuivere draai, waarmee de laatste visserman de blauwe dammen omzwenkt en hij prevelt: „Een schone toekomst wacht het jonge geslacht. Als ik maar ’n jongen had . . ,,Komt Dirkje’s man daor niet binnen?” "Ja. ik zal nog effen wachten. Misschien et ie nog een paor flinke schollen in ut reum. Daor kan ik Marretje mie verrassen.”

Langzaam richt hij zijn schreden naar de havenkant, maar schudt dan het hoofd: „Ach nee, ruimen zijn uit de tijd. Ze hebben allemaal van die grote ijshokken aan boord.” ,,Taote,” roept een hoge meisjesstem. „Taote dan toch. Nou moet ik je al vor de dorde keer vandaag eut ut klapskoel halen. Toe, we moeten naor de boot vor de melk, Hoe kan je nou op Zaoterdag weglopen? Mimme et al zes keer an je eroepen. Laoten we nou voortmaken.”

,,Bedaord an, Snibbetje, zegt Gerrit. ,,Je doenen zo kribbig de leste teeud. Is er soms wat?” „Wat zou er wezen?” zegt Snibbetje schouderophalend. ,,'k Wiet ’t niet. Je mossen niet op reze egoon hewwen. Dat is nooit goed. Er zit je wat dwurs, ik zien ut wel.”

Snibbetje zwijgt. Wat haar dwars zit, daar kan ze zelfs met vader niet over praten. Snibbetje is verliefd. En dat is de oude domine zijn schuld. Als je bijna zeventien bent en je hebt zoveel zorgen aan je hoofd, wat doet domine dan te preken over de moeiten des H8

levens? Het meeste werk rust op haar schouders. Bollenmeid is ze. En melkmeid is ze ook. Daarbij komen nog allerlei werkjes, zoals klompen schilderen, het huis bijverven, schapenscheren en talhout kruien. Dat is nog niet alles. Ouwe Bessien is wat hulpbehoevend geworden. Ze heeft een lichte beroerte gehad en elke morgen en avond is Snibbetje present om haar met kleden te helpen. Zonder de domine zou Snibbetje waarlijk wel geweten hebben, hoe zwaar het leven is. Zijn woorden: „De strijd om het bestaan is een moeilijke strijd,” hadden haar zo rampzalig gemaakt. Vader en Mimme vonden de preek prachtig en dat zal ze ook wel geweest zijn. Maar het stond voor Snibbetje vast, dat zij er die rare kwaal mee had opgelopen. Want juist op dit ogenblik had ze naar de galerij gekeken, waar de vissersjongens zaten. Was die ene met die blonde kuif er nou maar niet geweest, dan zou alles best zijn losgelopen. Maar juist viel de zon op hem en Snib¬ betje kon haar ogen niet van dit gezicht afhouden. Sindsdien denkt zij bij al haar doen en laten aan dat jonge gezicht, met die weelderige haardos. Het maakt 'haar in de war en het hindert haar. Want ze moet haar gedachten bij het vele werk houden. Snibbetje's kleine wereld is donker van zorgen. Daar is die malle verliefdheid; daar is een vader die ze soms drie keer daags van de haven moet halen; dan de zorg voor de koebeesten en het ergste van alles, die beroerte van Bessien. Het staat voor Snibbetje vast, dat dit de schuld is van die vervelende kerel, die op zo n avond, toen ze zo gezellig aan de koffie zaten, plotseling binnenstapte. Bessien schrok van de onstuimigheid, waarmee hij te keer ging. Was dat een manier van doen, om zo maar bij iemand binnen te stappen en te schreeuwen: ,,Ouwe mins, nou ben ik toch van-de-nacht met mijn rooie door de drellingen van de bedstee gelazerd. Wordt het gien teeud dat 'r us nijen koemen?”

Bessien was haar schrik gauw meester en vroeg erg kalm: „Is je vrouw dan aan de schoonmaak? Ze et zieker de planken niet recht-elegd, ju.”

Dat „ju” had ze gezegd, omdat ze zijn naam niet direct wist.

„Nee ouwe mins, het is niet van de schoonmaak. Al veef jaor kraken die ouwe planken as ik me omme-draai."

„De drank maakt woelachtig, ju," zei Bessien toen.

„Daor hew ik niks mie te maken, kreeg ik nou 'n paor nije planken, of niet?"

H9

„Ik zal zurgen, dat het in orde komt, maar ik kin je soort, je binnen me dur ientje van de natte gemiente.” De man begon toen te lachen en zei: „Ouwe mins, het smaakt zo kostelijk.”

„Kostelijk? Het kost mij maar wier veef nije planken. Haol ze maar bij Louwe de timmerman.” ,,Nou genacht dan, ouwe mins.” ,,Genacht, ju.”

Toen hij weg was, had Bessien zitten schudden van het lachen. Als ze geen hoofdpijn had, kon ze dat zo aanstekelijk doen, dat je er schik van in je leven kreeg. Maar de volgende dag was het mis en van toen af was Bessien een wrak gcworden. Haar linkerarm lag krachteloos en ze waren bang voor haar leven geweest. Snibbetje was blij, toen ze weer in haar stoel zat. De dokter verdiende er een aardig sommetje aan, want die schreef hoge rekeningen. Bessien pruttelde er niet tegen. Bij lage rekeningen moesten de medicijnen wel rommel zijn, vond ze. ’s Avonds in de bedstee of, zoals Snibbetje zegt, „de reiskoets,” dwarrelen haar gedachten wild dooreen. Zou die blonde jongen ook van de natte gemeente zijn? Heerlijk is het om je door je gedachten te laten voeren in de lichte oorden, waar het geluk woont. Maar wat jammer, als die gedachten plotseling omdraaien naar de werkelijkheid. Woedend trekt Snibbetje de witte gordijnen dicht, waar het maanlicht schemerig op schijnt. Snibbetje denkt weer aan het reisje van vijf dagen, dat ze gemaakt heeft om zich een beetje te verstrooien. Dat zou beslist helpen tegen de verliefdheid. Ze had het reisplan tegen alle verzet van Minne doorgedreven en Bessien was haar voorspraak geweest. Wat was de tocht met de boot al niet een genot. Spartelende bruinvissen stoeiden door het grijsgroene water. De wereld was zo groot, zo oneindig wijd. Indrukken, die je op het eiland nooit kreeg, prentten zich vast in je brein. Wat was ze danig in de war geweest, in dat deftige gezin van Mimme’s broer, waar ze te gast was. Klein en miserabel had ze zich gevoeld, tussen die vreemden. Haar voeten zaten ’s avonds, ondanks het extra sodabad ter ere van de reis, weer vol zwarte pluisje van de grove wollen kousen. Zij keek beschaamd naar de hagelwitte benen van haar nichtje en voelde dat ze in die stofvrije slaapkamer niet op haar plaats was. Het ging hier allemaal zo geregeld en ordelijk toe. De maaltijden altijd op vaste uren, de orde en rust in het huis, het maakte Snibbetje zenuw150

achtig en dan de blikken van die Ratja’s, die zij maar steeds op zich gevestigd voelde. Duidelijk zag Snibbetje in: Hier hoor ik niet thuis. Dit is een wereld, waar ik niet op m’n plaats ben. En zij had zich vastgeklampt aan het vertrouwde eiland en ’s avonds lang gedacht aan de blonde jongen, die haar hart vervulde. Als ze met hem trouwde, dan hoefde ze aan al die deftigheid niet mee te doen. Voor een vissersvrouw was dat niet nodig. Die moest kunnen wassen en de pot koken en zorgen, dat het huisje mooi was op Zondag, als hij thuis zat. Hier had je iedere dag zo’n man om je benen. Die zag alles en bemoeide zich overal mee. Een keer had zij haar mond niet kunnen houden, toen hij, net als Mimme, zo maar kwaad geworden was om niets. Mensen als Noone en Minne durfde ze wel aan.

,,Hoor eens, Noone," had ze toen gezegd. „Die heerst over zijn geest, is sterker dan die een stad inneemt.”

En die deftige man was er helemaal niet kwaad om geworden. Wat raar, dat Snibbetje, die nooit om haar woordje verlegen was, met de mond vol tanden had gestaan, toen de blonde jongen haar eens vroeg, of hij haar eens thuis zou brengen. Nijdig gooit ze haar kussen om en om. De slaap wil niet over haar komen en haar gedachten spinnen verder. Toch hield ze wel van die vreemden. Dat nichtje, met haar lieve gezicht en vriendelijke stem en tante met die aardige scheiding in het haar, die alles wist te vinden en nooit naar iets hoefde te zoeken, ja, Snibbetje hield van ze. Maar de jongens waren net als de Ratja: echte vreemdelingen. En toch had die Noone gelachen om haar uitval. ,,Ouwerwetse Urker, had hij gezegd. ,,Je gooit maar net met de spreuken van Salomo rond, of het niks is. ,,Daor hewwen we ze ok voor. Of docht je, dat ze alliendig vor de Urkers in de biebel staon? Ik mag dan een ouwerwetse Urker wezen en jie 'n nijerwetse, maar Urkers binnen we allebei. En gaon nou wat eut m’n wikje ik wil de kamer wat doen."

Veel te bazig had dat geklonken. Dat wist ze nu wel. Maar die Ratja-blikken van de jongens hadden haar ook telkens in de war gebracht. Die ene had haar eens in de keuken gekust. Ze was zo grappig, had hij gezegd. Grappig .. . ? Snibbetje had het nooit bij zichzelf ontdekt. Als ze je dan gingen kussen omdat je grappig bent, waarom zou die blonde jongen het dan niet willen doen? Weer smijt Snibbetje haar kussens in de hoek. Wat drommel

151

nog toe, wat is de liefde toch een lastig ding. Wat had ze zich ook alweer voorgenomen, toen ze weer naar huis ging? Ja, ze wilde leren om zich niet meer zo onbeholpen te voelen. Ze had nu kennis gemaakt met de wereld buiten Urk en daar veel dingen leren kennen, die ze mooi en begerenswaardig vond. Maar eerst zou ze proberen om die blonde jongen Dan, eindelijk, stilt de slaap haar warme gedachten. De moede oogleden sluiten zich.

Do volgende Zondag neemt Lumme haar onderhanden. ,,Snibbetje, wat hew ik er an met joe? Dat is al die vierde keer, dat jie je hulle op en of zet!” ,,Die rouw-hullen worren zo gauw slop,” probeert Snibbetje zich te verontschuldigen. ,.Kiek, alle plooien gonen er eut. Ik zal Mimme vragen, of ik m'n kaanten hulle wier opzetten mag. Zeg Lumme, zitten de baanden van m’n boezel knappies?”

„Want mankiert joe van dage?” moppert Lumme en ze kijkt haar onderzoekend aan. ,,Niks, bloost Snibbetje. Zij voelt zich ongemakkelijk onder Lumme s speurende blik, die haar van hoofd tot de voeten opneemt en veel te lang kijkt naar de zijden doek, die in sierlijke plooien haar over de buste golft. „Michtig, bin jie grootminsig vandage,” doet Lumme wantrouwend.

„Nou, het zal teeud worren,” lacht Snibbetje en ze draait zich snel om, want Lumme behoeft niet te weten, dat ze twee van vaders rooie zakdoek gebruikt, om wat voller te lijken. Ze zitten goed verborgen onder de zwartzijden kraplap. Lumme zou ze zonder pardon wegtrekken als zij ze zag.

Door het raam kijkt Lumme haar na en zij ergert zich aan Snibbetje's wiegende gang. „Zo’n nest,” bromt ze.

Plotseling wendt Snibbetje zich om en zendt Lumme een stralende groet. Dan ontspannen de strakke trekken van Lumme zich en zij glimlacht terug. Zij kan nu eenmaal niet kwaad worden op haar. Die heeft natuurlijk een oogje op de een of andere jongen. Het is Snibbetje’s levenslust, die het oude huis wat opfleurt. Zij schijnt het eerst te ontkomen aan de doffe druk die op hen alien rustte sedert Mietje heenging in huis. Die lacht en praat. Geen kind laat ze voorbij gaan zonder groet. Af en toe bezorgt ze Mimme een ouderwetse driftbui, wanneer ze weer te lang uit gebleven is. Met vader verzorgt zij de koebeesten. Wei tegenstribbelend soms, 152

maar ze doet het toch. Onverschillig en ondoordacht kan ze soms zijn. Net als deze week, toen ze een bal van haar zusje dwars door de winkelruit gooide. „Kiek, Lumme," had ze gezegd. „Dat is nou tennissen. Op reze hew ik dat ezien." Maar toen de ruit kletterend in diggels viel, was zij de deur uitgehold om aan het standje van Mimme te ontsnappen. Lumme had de scherven mogen rapen en het schelden van Mimme moeten aanhoren. „Hoe is het of-eloepen vanmiddag,” informeerde Snibbetje s avonds toen ze ging melken en het juk over haar schouders zwaaide. „Ik kon er gerust niks an doen, Lumme, het komt allien duur ut vuurjaor. Ik barst soms van de leut. Bij de minsen waor ik net de boodskippen brocht, hew ik alles in de kamer omme-keerd. Zullen die effetjes gek opkieken as ze theuskoemen?”

Ja, zo is Snibbetje nu eenmaal. Als ze nu maar niet met jongens begint. Lumme zucht en wendt zich van het raam af, om haar werk te doen. In de kerk zingt en luistert Snibbetje met verdeelde aandacht. Onophoudelijk kijkt ze naar de galerij, waar de jongen met de blonde kuif zit. ,,Wat een heldere rode bef heeft hij, denkt ze, „en wat schitteren zijn gouden knopen in de zon. Dat blauwe doekje past mooi bij zijn witte haar. Jammer, dat ik zijn ogen niet zien kan. Hij heeft al een lakens pak, dan is hij dus ouwer dan ik." Tevergeefs probeert Mimme haar s middags te bewegen om naar de meisjesvereniging te gaan. Daar zijn ze bezig met de veertigjarige ronddoling der Israelieten in de woestijn. „Nee,” denkt Snibbetje, „veertig jaar is me te lang. Ik ga hem vanmiddag zoeken.”

Daarom flaneert ze met haar vriendinnen door de dorpsstraat en ze zet zich in het gras bij het kerkhof neer, waar de visser&jongens op hun mondharmonica spelen. Een gelukschokje gaat door haar hart, ais zij er eindelijk in slaagt, een glimlach van hem op te vangen. Op die glimlach moet zij een hele lange week leven. Het is een ander Snibbetje, dat elke dag twee keer het lage dijkje langs gaat om te melken. Het vee graast niet langer in het weiland bij de toren van het oude kerkhof. Daar zijn moderne huizen verrezen. De putten werden gedempt en het oude mannenhuis is afgebroken. Dat zijn allemaal dingen waar Snibbetje om treuren moet. Gelukkig komt er telkens wel weer wat nieuws in je leven, dat je vreugde schenkt.

153

Daarom is haar gang zo licht cn veerkrachtig ondanks de zware druk der melkemmers. Het leven lokt en Snibbetje's ogen glanzen van verwachting. ,,Kom taote, we goon,” klinkte het weer opgewekt. Zomerwarmte, onweersbuien, gierende windvlagen, traag drenzende motregen, en kletterende regen, Snibbetje trekt er zich niets van aan. Als vader bij de koppen der koeien staat, dan zit ze rustig te melken. ,,Let op, taote,” waarschuwt ze. ,,Die rooie steekt zijn tonge wier in mijn nek. Houdt nou toch zijn kop vast. Jie kieken wier over de ziee. Toe nu, taote, noe dut ie ut alwier.” ,,Ik kiek alliendig maar cut welke hoek de wiend waait,” klinkt het schuldbewust. ,,Door hewwen we nou ommcrs niks meer mie te maken? Is de Rabbie al klaor met melken?” ,,Nog niet, hij is met de dorde doende.”

De Rabbie is Marretje's vriend en 00k Snibbetje en vader sluiten zich steeds bij hem aan. Zij zijn altijd de laatsten met het melken. De anderen gaan met de nieuwe tijd mee en melken steeds vroeger. Waarom zou Snibbetje dat doen? Heel haar leven heeft ze zich al gehaast en toch is ze nooit op tijd gekomen. Waarom zou ze dus niet de goede gewoonte van de oude Urkers voortzetten? Als de andere boeren het land al verlaten, dan komen de Rabbie, Snibbetje en haar vader pas.

Natuurlijk krijgen ze daar opmerkingen over te horen, maar dat deert Snibbetje niet. Mannen hebben altijd wat op meisjes te zeggen. Zij is de enige vrouw, die zich met melken bezig houdt. Vervelend vindt zij het wel en veel liever zou ze willen, dat Lumme het nog maar deed. Maar die heeft het thuis te druk nu. ,,Toch moet het gedaan worden,” denkt ze en het is immers toch maar voor kort. Als de blonde jongen mij vandaag of morgen vraagt, zeg ik natuurlijk geen nee. Zachtjes fluitend laat ze de melk in de emmer schuimen. ,,Laot dat fleuiten, Snibbetje,” maant Gerrit. ,,Dat past niet vor 'n maotjen.” Snibbetje kijkt hem vrolijk aan. ,,Wie op wind en wolken acht geeft, zal niet maaien, taote. Dat past niet vor 'n boer. En je kieken alwee nor de ziee. We wachten nog effen op de Rabbie, hoor taote!” Als Gerrit ja knikt roept ze met de hand aan haar mond: ,,Hew je al gaauw doon?”

De oude man maakt een toestemmende beweging en dan zegt Snibbetje: ,,Pas goed op de melk, taote, ik goon effe nor 154

um toe,” en haar rappe voeten haasten zich door het reeds bedauwde gras. „Ik bin zo derect klaor,” hijcjt de asthmatische stem van de Rabbie. Wat is hij oud en gebogen! ,,Kan ik je effen helpen?” vraagt Snibbetje bezorgd. ,,Neeje keend,” lacht hij haar met zijn ingevallen mond vriendelijk toe. Hoe et het je Mimme vandage, Snibbetje? De hulle zieker wel drie keer op de tafel ezet hi?” ,,Ik hew er niet op elet, makker,” zegt Snibbetje. Met zijn vlakke hand veegt hij de zweetdruppels van zijn sterkgebogen neus. ,,Ik hew vandage al ’n keer of wat edocht: Marretje zal zich vandage wel us 'n keer after dur oor krabben. Er bint gien lastiger minsen op de warreld als de Kaamper koopluien, Snibbetje. Geen lastiger nee.

Zijn kale hoofd schudt nijdig heen en weer. Kamper kooplui zijn de gezworen vijanden van Marretje en haar vriend. Die houden er zulke rare manieren op na en zijn zo punctueel in het zaken doen. Lege flessen op tijd teruggeven en de wissels op tijd betalen, allemaal van die dingen, die Mar¬ retje en haar vriend als ras-echte Urkers nooit zo nauw nemen.

De laatste straal melk schiet in het wollige schuim en de zwart-bonte krijgt een waarderende klap op haar flank. Het dier loopt traag naar de andere koeien, die verderop reeds een kudde vormen.”

„Is ,,de Knaap” al weg, Snibbetje?” vraagt de Rabbie.

,,Nog niet,” zegt Snibbetje, „maar hij zoekt zijn spullen al bij enkanger.”

„Ja, wij moeten ook voortmaken,” zucht hij, terwijl hij moeizaam opstaat van het melkblok.

„Moeten is een woord. dat in de beschaafde warreld niet theushoort. Ten minste, dat zee’n de burgemester van de week nog tuugen mij, toen ie mun an t eutschelden was, lacht Snibbetje, en zij bukt zich om voor de oude man het touw, de voederemmer en het blok bijeen te binden. ,,Hoe michtig, keend. Ik wou, dat dit harde woord de warreld eut was, maar wij moeten al vanof het Paradijs. Schelms kijkt het oude gezicht haar aan.

„Ja maar,” verdedigt Snibbetje zicht. „Wij maggen het niet tuugen enkanger zeggen, zie je. Dat is onbeleefd.

„Is het'm dat?” lacht de oude. ,,Ze kuunen ut after de gruune tafel angers ok aordig zeggen, zo moet dit en zo moet dat. En dat is misschien wel goed ok, want o keend, als ze dat

155

hier niet dingen, dan zou er niks van terecht koemen. Makkelijke klantjes binnen we niet, al zeg ik het zelf. Ik bin ok niet zo gemakkelijk van natuur. Mijn vrouwe zegt zo vaak: ,,Man, bedaor toch, je kuunen liet toch wel angers zeggen,” maar mooi praoten, dat kan ik niet.” ,,Daor moet je anleg vor hewwen,” meent zijn jonge vriendin, „Ik kan ut ok niet.”

„Zie je taote urs geduldig wachten, Snibbetje.” ,,As die mar nor de ziee kieken kan, dan hindert het niet, of ik urs ’n praotjen maak. Ik docht vroeger alteeud, dat ut Paradijs in ut heus van ouwe Jan van de Barg was, je wieten wel, het enige heus wor bomen bij staon •— en dat Urk de hiele warreld was. Maar nou wiet ik wel beter. Oe, de warreld daor beuten is zo mooi. Dat hew ik op m’n reze wel ezien.”

Afkeurend kijkt de oude haar aan. „Ja, jie doenen ok al mie met dat medarne leven, hi? As ik ien keer in ut jaor weg moet om hooi te kopen, zie ik er wel drie weken tuugenop, want die iene keer almaar te moeten horen: „Goeie morgen, meneer” en „Welterusten, meneer,” dat is me al arg genoeg. Een mins wordt er mal van, van dat ,,ja meneer” en „nee meneer. De letste keer dat ik in Kaampen was zeg ik nog tuugen zo'n boer: „Man, hou toch op met iedere keer die twie woorden, je tonge zal nog verlammen. Nou, Snibbetje, hij kiek me net an, of ik een heiden was.”

„Dan kan je denken, hoe het daor toe ging, in die deftigheid, waor ik was. Ze moeten oens maar niemen zo assen we binnen, we zullen wel dood koemen,” zegt Snibbetje.

,,De Knaap voegt zich bij hen en samen gaan ze naar het dorp terug.

„Hew je je lievelingen wier genacht ezegd?” vraagt de Rabbie spottend. Snibbetje lacht vrolijk.

De nieuwe metgezel is de grootste man van het eiland. Hij gaat met zijn koebeesten om, of het zijn kinderen zijn. Pruttelend kan hij bij de zwarte staan om haar te verwijten, dat ze weer verliefd is en de witkop krijgt een standje als ze zich zo kinderachtig aanstelt. De nuchtere zelfingenomen boeren bespoften hem met die kinderlijke liefde voor zijn vee. Snib¬ betje niet. Zij lacht hem altijd met haar stralende lach toe en voelt zich aangetrokken tot deze gevoelige man, die net als zij altijd te laat is.

Het troepje sjokt het lage dijkje af. De schaarse witte haartjes

156

van de Rabbie wapperen wat naar achteren en zijn boezeroen met zwarte en witte streepjes staat bol door de zachte avondwind. Gebogen is zijn gang en zijn felle ogen schijnen elke stap van zijn dunne rechte benen te bestuderen. Het is, of die benen de klinkers van het dijkje achteruit duwen. Naast hem gaat Gerrit met zijn zwierige pas, die de visserman nooit zal afleren. Snibbetje probeert haar korte dribbelpassen te richten naar de schreden van de Knaap, die, met het grijze overhemd open, statig vooruit schrijdt. „Hoe lange zullen we nog zo goon,” lacht hij goedmoedig. ,,Als we damie de nije polder kreegen, zullen we nog aan een auto moeten. Ik verheug me er al op.” Zijn gezicht is een en al hoop. ,,Stel er je maar niet te vuul van vuur,” waarschuwen de ouderen.

Snibbetje staart dromerig naar het dorp. „Kiek ut ’r nou 's leggen,” zegt ze in gedachten. „Wat zal het vremd wezen, als we gien eiland maar binnen. Ja, dat Urkje van oens is toch mooi.”

„Doe niet zo verhieven,” zegt ernstig de Knaap. ,,Er haarst hier ellende genoeg.” ,,Ja,” knikt de Rabbie. ,,Waor jie vroeger dochten dat het Paradijs was, daor haarst nou de typhus en dat is een gevoorlijke ziekte, keend.”

„Is het waor?” schrikt ze. „Maak je niet ongerust, Snibbetje,” zegt de Knaap. „Hut zal wel bij die paor gevallen bleeven. Oenze burgemester is een flinke vent. Die reumt de wantoestanden op oenze laand wel op en zurgt vor de higienia.”

Snibbetje lacht alweer. Zij heeft altijd schik, als ze met die twee meeloopt en luistert graag naar de knorrige stem van de Rabbie en het galmend geluid van de Knaap. ,,Urk got zijn ondergang tegemoet,” moppert de oude. ,,Of de herieving,” bestrijdt zijn optimistische kameraad hem. Bij het weidehek wacht hun de jonge, moderne boer Ide, en snauwt hun toe: ,,Wat is dat weer een laotertjen. Jului binnen gien vee nut.” Doch de olijke grijns, die zich nestelt in elke groef van zijn gezicht neemt al de scherpte van die snauwtoon weg. Snib¬ betje lacht hem finaalweg uit, als het hem niet lukt, de snuit van zijn paard uit zijn jekkerzak te duwen. Het luide: ,,Alla loeder, snoepzak” en nog meer van die scheldwoorden tegen de lievelingen van zijn veestapel, beteugelt zij met een kort:

157

,,Hou nou maar op, je mienen er toch geen flikkertien van.” Dan gceft hij het dier een laatste klap in de flank, trekt zijn pet op een oor en sluit zich bij hen aan en samen gaan zij de weg naar het dorp. ,,Tot murgen,” groet Snibbetje opgewekt, als ze met haar vader de westkant van het eiland opgaat. ,.Bij alle welheid, ja,” zegt de Rabbie. ..Gegroet,” klinkt nu ook de andere stem. Morgen zullen zij hun discussie voortzetten. Zo gaat het iedere dag, de hele zomer door. A1 die kleine boeren, die er tevens een nering op na houden, omdat Urk geen land genoeg heeft om de boer te onderhouden, gaan onder zorgen gebukt. De overgangstijd van Urk is zo moeilijk. De toekomstige inpoldering is het gesprek van alle dag. In de klapscholen wordt ook druk geredeneerd. De een voorspelt een blijde toekomst, maar de andere ziet het somber in. Gerrit kent de zorgen van vissers en boeren. ,,De vissers beschouwen mij nog altoos as iene van hcurlui en de boeren houden ok heurluiers moend niet, als ik er bij bin. De nije welvaort is er nog gieniens en nou maken ze al ruzie over de verdielinge. In de klapstoel hoor je niet angers as de Zuierziestuun, het Rokin en ut betaolen met teruggewarkende kracht, en de boeren binnen ok al bange, dat het koemende laand ongelik verdield zal worren en dat de vissers maar profijt zullen kreegen dan heurlui. We zullen oens er nog maar niet te vuul in verdiepen, Snibbetje. Lotten we maar zien dat we theuskoemen,” zegt hij onder het voortstappen. ,,Ja, want ik hew zin in ’n bakkien. Hoe is de wiend, taote? Hewwen de botters een goede gelegenheid van Amster¬ dam af?” ,,Wat hewwen wij daor nog mie te maken, Snibbetje?” ,,Nou, ja dan verkopen we toch vuul maar, taote?” ,,Snibbetje,” zegt Gerrit plagend, ,,ik geloof dat je liegt. Zeg-urs, as ie soms n dorde-man nodig et, dan kan ik dat nog wel doen op zo’n grote hotter. Of et ie een klene hotter?” ,,Taote!" roept ze bezwerend, omdat ze ziet, dat hij haar geheim geraden heeft. ,,Niks zeggen hoor!” ,,Ik beloof het je. As jie maar een goed woordje bij hem doen vor dorde-man, want dat doe ik liever as dit.” ,,Je mossen je schamen op je ouwe dag, om me zo te plagen,” zegt Snibbetje boos. Met Gerrit is Snibbetje zo volkomen vertrouwd. Zij kan 158

alles met hem uitpraten. Veel meer dan met Marretje, die niets van haar begrijpt en maar klaagt, dat Snibbetje haar nog met grauwe haren in het graf zal doen dalen, omdat zij en haar vader uren werk hebben als ze samen bij de haven de waslijnen spannen, een werkje, waar Marretje in een half uur mee klaar is. Wat weet Marretje van de gesprekken, die dan tussen vader en dochter plaatsvinden? „We hewwen de wiend goed,” zegt Snibbetje voldaan, als het wasgoed bol staat. ,,Kiek urs, Snibbetje, hoe kostelijk dat skip laviert,” zegt Gerrit en hij kijkt met tintelende ogen in de zee. ,,Wacht effen, hij is er zo wier aan toe. Hij dot ut goed hi?” ,,Ja,” zegt Snibbetje zacht en staart dromerig voor zich uit, terwijl ze in zichzelf uitrekent: ..Maondag, murgen Diensdag, wat doort het toch lange vor het Vrijdag is.” ,,En kiek Evert de beurtschipper er rojaal duurlopen.”

Zo praten ze samen, tot Snibbetje plotseling aan de warme middagpot denkt en haastig naar huis keert. Zo gaat het iedere dag weer. De lange winter en het voorjaar door. Gauw zal het nu Pinksteren zijn en dan De schoonmaak viert hoogtij in het dorp, want voor de Pink¬ ster moeten alle huizen zindelijk zijn. In een huis, waar de hele winter gerookt en gesmookt is, kan je de familie van de vaste wal niet ontvangen. Heel wat Urkers zijn de laatste tijd naar de wal getrokken om te werken. Doch de traditie wii, dat zij op Pinkster weer bijeen zijn op het oude eiland. De schoonmaakdagen zijn vol bedrijvigheid. Bij de pomp foeteren de vrouwen, die net hun gang geschrobd hebben, over de ,,smerige trappoten,” die straks de vloeren zullen bevuilen. Zij hebben het niets op schoenen begrepen, die de boel maar smerig maken. In het huis is alles ondersteboven gekeerd. De straten zijn kraak-schoon geschrobd. Fijngeplooide rokken, die anders alleen gedragen worden bij begrafenissen en aanneming in de kerk, liggen te luchten op de hekjes, of bengelen over de waslijn. Oude vermolmde bedsteeplanken staan in het gelid tegen de muur te drogen; als soldaten zo fier wachten zij tot verse bossen het oude stro vervangen. Helder gloren hun blauwe en groene kleuren. Teer- en wittelkwast brengen kleur en fleur aan de huizen. Kinderen spelen bij tobbes water. Ook zij moeten meehelpen aan de schoonmaak. Kribbige moeders geven hun een draai om de oren en dreigen dat ze geen nieuw baadje, boezelaar of jurkje krijgen, als ze hun best niet doen.

159

Snibbetje geniet van al die drukte. Hier een kind de neus snuiten, dan helpen een stelling te verzetten als de zoldering gezeept moet worden, een slier met de wittelkwast geven op een plek, waar ’t helemaal niet hoort, dat zijn allemaal dingen, die haar handig afgaan. Het laatst komen de kinderen er aan te pas. Jurkjes en broekjes worden in orde gemaakt en wie dan Zaterdag de jeugd in haar fleurige dracht naar de boten ziet gaan, kan met kennersblik haar kledij monsteren.

Snibbetje staat in de deur van het oude huis en wacht de boot af. Hij is op komst en er is geen klant in de winkel. Juist nu komt er een meisje aan om melk. ,,Die got niet iens nor de boot, Snibbetje,” zegt haar jongste zusje, die naast haar staat. ,,Ze kreegen zieker gien volk. Arg hi?" „0, Snibbetje,” gilt het zusje ineens. ,,Kiek nou urs.” Vlak bij het hekje staat het meisje met het keulse melkpotje helemaal over het hoofd gedrukt. Een speelse jongen heeft haar dit grapje bezorgd. „Naore mooin,” Scheldt Snibbetje. ,,Hou dan ok niet alteeud dat puetjen boven je kop. Hoe vaak hew ik je al niet ewoorschuwd!” En nijdig rukt ze aan de onwillige pot. ,,Ik stik,” bruit het kind benauwd. ,,Snibbetje, help me!”

Radeloos kijkt Snibbetje om zich heen. Ze kan de pot niet omhoog krijgen; het kinderkinnetje wordt al verraderlijk blauw. „Cniellus, Cniellus, help!” gilt Snibbetje tegen een man, die voorbij gaat met een gereedschapskist op zijn schouder. „0 Cniellus, gaauw dan toch!”

,,Wat is er aan de hand?” klinkt de stem van oude Jans, de Vollenhover buurvrouw, die haastig komt toelopen, maar ook haar handen, die zeventig jaar lang allerlei werk verzet hebben, kunnen de pot niet in beweging brengen. Cniellus zet vastberaden zijn kist op de grond en gebiedt: ,,Weg jului!”

Een welgemikte klap met zijn hamer, en de pot springt in drie stukken uit elkaar.

Ogen, die uitpuilen van angst, een rood-opgezwollen hoofd en n nog schreeuwende mond worden zichtbaar.

,,Haal maar gauw een andere pan en schreeuw niet zo," zegt oude Jans. ,,Je mag die man wel bedanken. Kind, ga niet zo te keer. Als je zo angstig om een ouderling zal roepen voor je zieleheil, dan zal je de ijdelheid wel een beetje afleren. Help me maar gauw, Snibbetje, want ik heb haast.”

160

Snibbetje’s handen beven nog, als ze de melk in de pan doet. Onwillekeurig speurt zij of vaders zakdoeken, die ze nu ook al in de week als vulling gebruikt, niet te zien komen. Zij weet, dat buurvrouws scherpe ogen niets ontgaat.

..Alstublieft, buurvrouw, wil ik het soms even voor u dragen?” biedt Snibbetje vriendelijk aan.

,,En jij niet naar de boot kunnen kijken? Nee hoor, geef gauw op, de kost moet over,” en weg is de oude Jans op haar vetleren muiltjes.

De uiteinden van het strakgespannen jak wiegen mee met de snelle cadans van haar heupen. Het oude mooie hoofd met de regelmatige trekken, omlijst door de heldere neepjesmuts, wendt zich niet eenmaal om. Zij verbeuzelt haar tijd niet, want zij moet zorgen voor haar vele getrouwde kinderen, die straks zullen aankomen. Wei heeft zij ze zes weken geleden al geschreven om niet allemaal tegelijk te komen, maar daar heeft niemand zich iets van aangetrokken. Nog even, en het stille huisje zal gevuld zijn met hun jolige stemmen. Snibbetje lacht, als ze haar zo snel ziet wegsloffen. Tegen buurvrouw durft ze wel beleefd te zijn, omdat ze weet, hoezeer het oude mens daar op gesteld is. De boot is aan en met een zucht van verlichting vouwt Snib¬ betje haar armen over de buik. Daar komen ze, de Pinkstergasten. Kijk, daar heb je Jan, de vriend uit haar schooljaren. Zijn uniform zit hem als gegoten en vrolijk straalt zijn knappe gezicht als hij Snibbetje met een joviaal „hallo” begroet. Wat veel gasten. De maatschappij heeft er een derde boot voor moeten nemen. Daar komt de elite. Dat zijn de knappe koppen, die het eiland aan de vaste wal afstond en daar komen de arbeiders, de aan de Zaan werken. Een beetje meneer geworden, vindt Snibbetje. En dan de meisjes. Luidruchtig en vrolijk gaan ze tussen hun broertjes en zusjes in, die voorzichtig de koffers met „welkom” sjouwen. Allemaal vrolijke gezichten, alien bepakt en beladen. De koffers der meisjes zijn zwaar van verrassingen. De arbeiders dragen met achteloze zwier hun bagage, die vaak bijeengehouden is met touwtjes en oude riemen. Sierlijk ziet het er niet uit, maar dat komt er niet op aan. Onderin schuilt de verrassing voor hun oude mins, of Tutte; ondanks hun karig loon hebben zij een goed stuk vlees of een pond of vijf vet voor de familie meegebracht. De arbeiders blijven dezelfde Urkers, trouw aan traditie en liefde voor hun land en familie. Lichter zijn de elite-koffers. Het staat immers niet, om zo

161

te sjouwen. Op de vaste wal moeten zij zich iets aan hun stand gelegen laten liggen. Er was vaak geen geld om goede gaven naar het eiland mee te nemen. Heeft die vaste wal ook hun menselijke warmte aangetast? Zij hebben een geringschattende blik over voor het gewone, het eigene van Urk. Maar het is verwonderlijk, hoe spoedig die trots verdwijnt, als zij een week lang toeven op de grond der vaderen. Zij, die elegant hun actetassen zonder ,,welkom droegen, lopen dan zorgeloos rond in de oudste broek, die in hun koffer lag. In de klapscholen voeren zij het hoogste woord. Zij vergeten om met een sierlijke pinkbeweging de as van hun sigaar te nippen en letten er niet meer op, of de vouw wel keurig in hun pantalon zit. Flodderjurken en karakterloze confectiesnit wekken de spotlust der Urkers op. Zij passen zich zo snel mogelijk aan bij de gewoonten van het eiland en worden weer trouwe Urkers. Als de vacantie om is, verlaten zij Urk met zwaardere koffers dan waarmee zij gekomen zijn en kijken nog lang met weemoed naar het verdwijnende eilandje, het wonderlijke oord, waar zij thuishoren.

In haar eenzame kamertjes komen de dienstmeisjes weer en trekken de blaadjes van de scheurkalenders af, verlangend naar de volgende reis. De arbeiders in hun eenvoudige woningen trekken hun werkgoed weer aan en verbieden hun door Bessien verwende kinderen. Samen smullen zij van de goede gaven, die de familie meegaf en glimlachen: „Een Urker zal nooit wat worden in de wereld, ze geven hun laatste cent weg.”

Blanke handen pakken zorgvuldig de cadeautjes uit, en geven die een ereplaats in hun nette kamers. Kleine monumentjes van saamhorigheid en familieliefde. De Urkers in den vreemde nemen zich voor om een volgend keer wat hartelijker te zijn voor de oude stamgenoten, doch de sleur van hun afgepast bestaantje dempt al spoedig die spontane opwellingen. In oer-traditie zijn zij eens opgevoed en diep in hun hart wrokt de wrevel, nu zij die traditie ontrouw zijn geworden.

Druk is het, deze Pinksterzaterdag. Snibbetje draaft en lacht en haar ogen schitteren van opwinding. ,,Morgen .” prevelt ze, als ze de gordijnen van de bedstee dichttrekt. Overgrote vermoeidheid doet haar spoedig inslapen. De dag was lang, zelfs haar jonge, krachtige lichaam is uitgeput. En toch speelt om de kleine mond een vredige glimlach Maar de volgende avond sluipt een eenzame, jonge gedaante 162

langs de havenkant naar het kleine stukje strand. Het zachte gieren van de gieken en het scheerhout, hoog in de mast, stemt zo wonderlijk overeen met het klagende kreunen van dit jonge hart. Knerpend kraken de stevige touwen, waarmee de schepen gemeerd liggen. Een melancholiek geluid, dat de zuchten begeleidt van dit jonge mensenkind, dat zich los moet maken uit een zonnig, hoopvol verleden. Verdrietig kijkt Snibbetje om zich heen en zij zoekt haar weg, dwars over de helling, waar de donkere silhouetten der schepen zich af~ tekenen tegen de heldere avondhemel.

Het is al laat. Hoe lang heeft Snibbetje gewacht! Leeg en verlaten zijn de dorpsstraten. De huwelijksmarkt is afgelopen. Zij, die gelukkiger waren dan Snibbetje, gaan paarsgewijze het lage dijkje af en zullen zich vlijen in het malse Meigras, fluisterend de eeuwenoude woorden, wier bekoring nimmer sterft.

Snibbetje heeft zich neergezet op een koude, grijsrode steen. Somber zijn haar gedachten. Waarom ..., waarom . ..? Als zij het maar wist. Hoe wreed was het geweest van haar vriendinnen, om stiekem een afspraak te maken met die twee jongens en haar overal buiten te laten. Hij was een van die twee geweest. Dom was het, om niet te merken, dat die vriendinnen samen een geheim hadden. En dat het nu juist de dochter van dikke Geertje moest zijn, die zijn uitverkorene was geworden! Juist zij, die zij gezocht had als vriendin, om met hem in aanraking te komen. Wat had die Geertje gelachen terwijl Snibbetje zich de keel toegesnoerd voelde van verdriet. Verdriet niet alleen om hem, maar ook om het verraad van de vriendinnen, en het lachen van die moeder. Als haar boosheid wat gestild is, komt Snibbetje tot zelfinkeer. Is het haar eigen schuld niet geweest? De blonde jongen had haar toch een paar keer thuisgebracht, maar ja, dan bengelde er eeuwig een broodmand aan haar arm. Een keer kuste hij haar. Hij slingerde de broodmand opzij en had lachend gezegd: ,,Zoek maar niet naar dat ding, kom hier. De korte teeud, dat ik bij joe bin, moet je daor niet omme dinken” en een paar stevige armen hadden haar omkneld. ,,Eerst m’n maande,” had Snibbetje geroepen. ,,Nee, eerst ik,” was het besliste antwoord. Een mond, die de sigarettenrook wegblies, had de hare omsloten. Daarna was hij weggestapt en zij had hem laten gaan, omdat zij in het donker haar mand moest zoeken. Toen had een blij geluk haar vervuld. Het betekende natuurlijk wel niet

163

zo veel, want jongens kusten de meisjes wel eens meer, maar het had toch hoop gegeven. Zou het nu werkelijk om die broodmand geweest zijn? Maar hij moest toch gevoeld hebben, dat haar hart voor hem was?

Milde tranen druppelen over de golvende zijden doek. Aan haar voeten spoelen de golfjes tussen de stenen. Hoe vreemd lijkt dit alles bij maanlicht. Het water dringt door de nauwe spleten en moet telkens terugkeren in de ruimte. Wat zoeken ze daar toch? ,,Het is net mijn hart, denkt Snibbetje. ,,A1 de hoekjes en gaatjes zijn volgepropt met liefde, maar nu er geen uitweg voor is, zal dat hart toch weer leeglopen. W^eer rolt een dikke traan over haar wangen. Zij blijft staren over het wijde water, waarlangs de lichtbundels van de vuurtoren cirkelen. Dan richt zij zich op. Bij het telkens terugkerend licht tuurt zij naar de oude torenklok. Het kost haar zo’n moeite, om de mensen weer op te zoeken. De eenzaamheid was haar zo lief. Langzaam drentelt zij naar het huis van Bessien. „Wat bin je laot, keend. Het was zo’n vermuuiende dag,” klinkt Bessiens stem. ,,Het spit m’n, dat ik je liet wachten, Bessien.” De oude vrouw richt haar hoofd op bij die deemoedige stem, die zij van Snibbetje niet gewend is. ,,Wat is het, Snibbetje? Wachtte jie disse avud ok?” ,,Ja,” zegt Snibbetje, bijna onhoorbaar. Met bevende vingers haalt zij de spelden uit Bessiens hulle. ,,Tevergiefs?” vraagt Bessien. Snibbetje knikt zwijgend. ,,Wie is het, Snibbetje?” ,,Dat zeg ik liever niet, Bessien. Ik hoopte zo . . .” ,,We vergissen oens zo vaak. Vrouwen dinken, dat er after een lachien en een plagerijtje vuul maar skeult dan de mannen ermie bedoelen. Het leven gift oens harde lessen, keend. M’n haor is niet van niks spierwit eworren. Niem iene raod van mij an, as je je soms bedreugen voelen, houd het dan voor je zelf. Minsen kuunen zo hard wezen. As je zelf je verdriet al vergeten binnen, verknuutert n anger er zich nog in. Beheers je. Zet een vrolijk gezicht, hoe je ook van binnen kreeten. Zelfs vor disse ziekte bestot een medecamint. Ik zal je er wel wat van gieven.” ,,Niet spotten, Bessien,” zegt Snibbetje smekend, terwijl ze haar helpt, om de kussens achter haar rug te stapelen. ,,Ik spot niet, keend,” klinkt het ernstig. ,,Minsen doen

164

enkanger verdriet, ok as ze het niet willen. Wie wiet, hoevuul harten of jie an grusies emaakt hewwen, zonger dat je het zelf wieten. En goon nou, want het is al laot. Het vermoeide oude hoofd zoekt steun in de kussens. In haar gedachten vergezelt zij Snibbetje, die het bekende paadje gaat. „Zij zal er zich wel doorheen slaan,” peinst de oude vrouw. ,,Zo n eerste stoot komt het ergste aan, maar geneest meestal het vlugste.”

Een vlijmende pijn snerpt door Snibbetje’s hart, als ze bij Geertje’s hekje twee tegen elkaar gedrongen gedaanten ziet staan. ,,Ik zal het nooit kunnen verdragen,” kreunt het meisje. Gelukkig hoeft ze niet vlak langs het tweetal. Haastig gaat zij naar huis. ,,Snibbetje, waor bleef je toch? klinkt plotseling vaders stem uit het gangetje, dat naar de haven leidt. „Wat bin je laot.” ,,Ik kan het niet helpen,’ klinkt het toonloos. ,,Mis-eloepen?" vraagt hij zacht. ,,Ik was er al bange vor. Er klinkt wrevel in zijn stem als hij vervolgt: ,,Zij bin zo stark in hun vuuroordiel, die luidjes.

„Hoe wist je dan, wie het was, taote?” ,,Dat wist ik van de wienter al, keend, toen je niet nor die minsen wou om de klompen weeromme te haolen, die ze al vier dagen in heus hadden om te passen. Wat ging je toen te keer, meid. En van zelfs mos ik het doen. En het argste was nog, dat ik schelden krieg, omdat ik te lange wegblief. Je moeten ok een bietjen beter op je ouwe vaor passen. Dat hew je m’n toch aarlijk beloofd, dat je mij alles zou laaren?

„Taote,” lacht Snibbetje triest. „Jie doenen net of je niet beuten mun kuunen.”

„Kan ik ook niet,” zegt hij met een lachje, terwijl hij de deur opent. ,,Kom Snibbetje, we goon wier samen.” ,,Niks zeggen tugen Mimme, hoor taote. Ze zou me vor dom eutmaken.”

„Hoe koem je daor bij? Mimme markt die dingen niet iens op.”

De droeve berusting in zijn stem ontgaat Snibbetje. Zij toeft nog teveel in haar eigen verdriet. Zij ziet ook Lumme niet, die voor het kleine raampje van de stal stond uit te kijken. Maar Gerrit roept: ,,Lumme, we binnen er al, kom mie hier maar hene. Niet iederiene verstot de kunst om after een kolenelsuniform een wachtmester te zoeken.”

165

„Ouwe spotboef," moppert Lumme. ,,Ik kiek allien maar naor jului.”

„Ja, ja,” zegt hij lachend. ,,Ik zou er nou maar een ende an maken, want ik ben ommers alteeud theus? As het getij verloop, moeten de bakens verzet."

Lumme zucht: „Zo moet het ten minste. Maar ik dink, dat ik het getij te vaar hew lotten verlopen en dat Evert de bakens verzet et. Niet, dat ik me d’r wat van antrek, hoor. Wat got Snibbetje gank op 'n bedde. Ze hadde toch gien vrijer, dat ze zo laot was? Maar dat zou ie toch niet verklappen."

,,Ik hew niks te verklappen, Lumme. Maar trek je van Snibbetje’s humeur de eerste dagen maar niet te vuul an.”

Zijn gezicht staat ondoorgrondelijk, als Lumme naar hem opziet en vraagt: ,,Dus toch.”

„Nee, stel je gerust. Maar een strieek met de kuul zonder vangst maakt mistroostig dat wiet je wel."

„Ik ben het dus niet alliendig,” zegt Lumme en zij sluit grimmig de deur.

..Nukkekop!” zegt Marretje de volgende dagen, als Snibbetje wrokkige antwoorden geeft en een sterke onwil verraadt om iets bijzonders voor de winkel te doen.

De winkel is immers de schuld van alles! Die lamme bollenmand, waar hij zo’n hekel aan had! Snibbetje haat alles wat met de winkel verband houdt, maar Marretje houdt daar geen rekening mee. ..Niets dan nukken,” is haar oordeel.

Gerrit vertelt 's avonds aan Bessien, hoe Snibbetje er aan toe is. Als het meisje op ’n middag bij haar komt, zegt de oude vrouw: ,,Je binnen noe te groot vor kruntjes. Ik hew je wat medecamenten beloofd. Goon es naar boven, naar het kamertje, waar disse sleutel op past.”

„Wat zal ik daor dan veenen, Bessien?”

..Hoffman, azijnzuur en zuute eulie, keend.” „Oe michtig, wat moet ik daor dan mie doen?” ..Inniemen en je verstand erbij gebruken, keend.”

Nieuwsgierig wipt Snibbetje de traptreden op. Met aandacht bekijkt ze de kleine sleutel. In dat kamertje mag ze anders nooit komen. Daar staan de dingen, die Bessien dierbaar zijn, even lief als de grote varenplant in de hoek van de woonkamer. Wat kon ze boos worden, als daar eens een takje afbrak. Dan kreeg je een hele week geen kruntje.

Dat alles gaat door Snibbetje heen, als zij de deur 166 open

maakt. Verwonderd kijkt ze rond in het eenvoudige vertrek. Een raam met uitzicht over de zee. Een tafel en een stoel, een oud orgel, een boekenkast en op de tafel een plechtige statenbijbel. Eerbiedig gaan Snibbetje’s vingers langs de rijen boeken. Wat een rijkdom! Onderin liggen bundels tijdschriften.

,,Wat kan dit non voor 'n medicijn wezen?” peinst Snibbetje. Hoffman, verdoving? Nee, want ik houd van het leven. Wat dan? Olie . . .? Zacht oordelen de schrijvers in hun boeken toch niet over mensen. Azijnzuur dan? Dat snuift Bessien heel diep op, als ze ernstig na moet denken over de nodige herstellingen aan de huisjes. ,,Daar moet je een helder hoofd voor hebben, Snibbetje,” zegt ze dan en vervolgt: ,,Ik wil niet alleen rekening houden met mezelf.” Zou Bessien dat bedoelen? Oud en toonloos is het orgel. Snibbetje probeert het. Het zal niet meevallen om het te leren. Maar dat oefenen zal toch wel verstrooiiing brengen. En muziek voert je mee naar lichtere oorden. Dat moet dan de Hoffman zijn en de vergeelde statenbijbel wellicht de olie. Die ouwe Bessien toch . . . Snibbetje lacht vertederd, als ze weer naar beneden gaat. Bessiens gezicht straalt zo guitig als van een jong meisje als ze vraagt: ,,Hew je ut evoenden, keend?” ,,Ja Bessien, maar hew ik dat allemaal nodig?” ,,Goon zitten, dan zal ik het je eutleggen. Je wieten van wie dat kamertje was, nietwaor. Hij was van mijn jongste jonge en vroeg klaor met de studie. Een zaft, gevoelig karakter had ie. Duuzend maol hew ik um horen zeggen: „Ik hew liever een vriendelijk woord, dan een kamer vol goud.” Het leven is hard, Snibbetje. De minsen binnen vried vor enkanger, soms onbewust. Zukke gevoelige harten, vol van liefde, houwe ut nooit lange eut op disse warreld. Ik dink dat hij daoromme zo jonk hene ging . . .” Bessien zwijgt. Haar geest toeft in het verleden.

,,Je zou me vertellen, Bessien . ..” zegt Snibbetje zacht. De grootmoeder gaat verder: ,,Jie zullen ut ok muuilijk kreegen, Snibbetje. Niet, omdat je zo zachtaordig binnen, maar je binnen juust zo heftig in je haot en je liefde. Dat mag niet, keend, dat bin karakterzunden. Je moeten laaren om die in je macht te kreegen. Daor zullen nou die medecamenten bij helpen. De muziek zal je giest verheffen, in de boeken zul je de minsen laaren kennen, zo as grote skreevers ze zaggen en dan moet je alsmaar zoeken, of daar ok een

167

stukkien van je zelf bij is en in het alleroudste boek zul je de eulie veenen, die de kwaodaordigste plekken in je egen karakter wat minder scharp zal maken. In dat boek veen je altoos wier en ten alle tije de weg die je goon moeten om de gebreke van angere minsen te kuunen verdragen.

Ik hew ut ok niet gemakkelijk had, Snibbetje, al hew ik dan ok gien arremoede of ontberige ekind. Vuul kiengeren, vuul karakters. Elke ontevreeen blik ding m’n peeinde. En zie, die het gemakkelijkst wassen, gingen vroeg voort. Het leven is wonderlijk, keend.”

Weer dwalen haar gedachten af naar alles wat voorbij ging. Bessien leeft de laatste tijd in het verleden. Steeds weer gaat haar geest terug naar haar zonnige jeugd. Alleen als zij bezoek heeft, dwingt zij zich om in het heden te verwijlen en dan flonkeren haar ogen als vanouds. Bessien knikt tevreden, als zij Snibbetje steeds vaker naar boven hoort gaan. „Het is goed zo, Dirkje, lot er maar goon. Het is wel niet vuul moois, wat Snibbetje eut ut ouwe orgel haolt, maar ze zal er wel mie ophouwen, as de boeken heur te pakken kreegen. En as ze dan het oudste boek maar niet vergit, want dat is het nodigste, niet alliendes vor dit leven, maar ok om rustig je ogen voor alteeud te kuunen sleuten.”

,,Om rustig je ogen voor altijd te kunnen sluiten.” Zoals ouwe Bessien deed, toen Snibbetje alweer bijna over haar gekwetste liefde heengegroeid was. Het is stil in de kamer, waar de oude dorpsaristocrate rust. Twee doktoren buigen zich over de dode. ,,Zij moet een pracht-vrouw geweest zijn, in haar jeugd,” merkt de oudste der twee op, die tijdelijk op het eiland is. ,,Dat was ze nog in haar ouderdom,” zegt de huisarts en de punten van zijn lange hangsnor beven een weinig. ,,Een mooi karakter?” vraagt de vreemdeling. ,,Heerszuchtig, zonder strengheid," is het wat korte antwoord. ..Rechtvaardig en raak in haar oordeel. Ik heb dat zelf vaak ondervonden.”

Met achteloos gebaar werpt hij de slip van zijn te lange jas naar achteren. Diep steekt hij de hand in zijn zak. Hij ergert zich een beetje over de koele vragen, die hem bij deze dode gesteld worden. Dokter te zijn op een klein eiland met aanhankelijke mensen eist nog wat meer dan een korte studietijd, besteed aan het onderzoeken van de herkomst der Urkers.

168

„Wij gaan,” zegt hij daarom kort. Nog een blik werpt hij op het zo bekende gezicht en dan gaan zij heen. De vreemde dokter schrikt even, als een snel voorbijschietend meisje even schuw omkijkt naar zijn witte haardos. Een ogenblik ontmoeten de ogen elkaar. Geen groet keurt Snibbetje deze vreemdeling waardig. Vlug draait ze de deurknop om. Zij wil alleen zijn, om Bessien voor het laatst vaarwel te zeggen. Straks komt de familie. Dan durft ze het niet meer.

Onwennig voelt zij zich in de mooie voorkamer, waar ze als kind zo’n eerbied voor had. Alles getuigt hier van Bessiens goede smaak en de grote zorg, waarmee ze het heeft onderhouden. Snibbetje ondergaat weer het gevoel, dat ze hier nooit anders dan goed zal kunnen zijn. Spontaan plaatst ze de grote varen naast het bed. Daar is ook nog het kleine bloempotje, dat Mietje voor haar maakte, uit oude potscherfjes. „Met scherven kun je vaak nog wonderen doen,” had Bessien toen gezegd en haar oude ogen waren nat ge~ weest van tranen. „Hier hul je ommers zo vuul van?” fluistert Snibbetje. „Ik wiet wel, dat je ze nou niet maar nodig hewwen. Ik hul zo~ vuul van joe, Bessien. Bevend beroeren haar vingers het hoge blanke voorhoofd. Snibbetje ligt geknield voor het bed. Onhoorbaar prevelt zij: ,,Als ik maar half zo goed en wees mag worren als jie. Alles, wat je me elaard hewwen, zal ik hier diep in m’n harte miedragen. Het zal gien zwaore last wezen. Nooit zal ik je vergeten. Genacht, ouwe Bessien Vluchtig strelen haar vingers nog eens het oude gelaat en de handen, die kruiselings over de borst liggen. Dan staat ze op en verlaat ijlings de kamer.

In een gezellige kamer van het oude doktershuis bepraten twee collega’s de eigenaardigheden der Urkers. Het gesprek is geanimeerd. De lichte ergernis van de dorpsdokter is volkomen verdwenen. Tot lang na middernacht discussieren zij. Hun beschaafde stemmen vullen het vertrek. ,,De patiente, die vanmiddag stierf .?” ,,Een beschaafde vrouw, een eigenaardige hang naar romantiek, de kwaal: ’n beschadigd zenuwgestel. In wezen kon zij niet tegen de nuchtere omgeving. Mijn beste geneesmiddel was een geestig gesprek. „Dokter,” zei ze vaak, ,,ik geloof, 169

dat je een melkkoetje van me maakt, want die rekeningen . .

De dorpsdokter glimlacht stil voor zich heen. Het is een ogenblik stil in de kamer. Dan dringt het geluid van voorbijgaande voetstappen tot hen door. ,,Die zijn nog laat," merkt de collega op.

,,Voor Urk niet. Kijk, dat is weer een van die eigenaardigheden . . .” En zij zetten hun gesprek weer voort. Het geluid van de klompen sterft weg. Snibbetje en haar vader zijn voorbij.

„Dat et nou de leste keer ewest, taote,” zucht Snibbetje. „Hoe vaak binnen we disse weg al niet egoon. Ik wil er nooit maar naar toe. Ik zou het niet kuunen hewwen, as ze Bessiens mooie spulletjes verdielen.”

>-Dat is maar aards bezit, keend. Ik bin bleede, dat Mimme nou van de nacht bij Dirkien blift. Ze zal ut nou zo ienzaam hewwen, want haar man is ok niet theus.”

..Waromme kuunen al die dingen, waor we zo vuul van houwen, niet in oenze leven bleeven, taote?”

„Er is een ieuwig voortgoon, keend, van ebeuren worden en sturreven.”

,,Zal dat nooit ophouwen, taote?” ,,Dat is Gods bestel, Snibbetje,” zegt hij rustig. Haar voet stoot tegen een klinker, midden op straat. Gerrits hand tast naar haar arm en hij zegt: „Leun op mij, ut is zo donker, Snibbetje.”

170

De werken beginnen! Dat is de blijde mare, die door het dorp gaat. De gezichten der kleine zakenlieden verhelderen en uit de ogen der oude vissers straalt een vredige glans. Nu hebben zij een vast inkomen. Het mag niet veel zijn, maar toch is het voldoende om het leven te houden en dat is al heel wat waard in deze tijd.

Nog is er weinig te zien van het vertier, dat de werken zullen brengen, maar reeds het vooruitzicht stemt de bevolking blij.

,,Kiek taote, daor leggen ze, de grote bromvliegen,” zegt Snibbetje, als ze samen het dijkje aflopen. ,,Ik zien er viere, maar ze zeggen, dat er nog maar koemen.” Haar lenige gestalte rekt zich achter de kruiwagen. ,,De melk!” waarschuwt Gerrit, als Snibbetje de kruiwagen helemaal vergeet.

,,Het zal mij benijen, hoevuul er vandage wier op de boot binnen,” gaat ze verder. ,,Ze koemen katte nao katte allemaol weeromme.”

„De warkluien?" vraagt Gerrit verstrooid.

De werken hebben zijn aandacht niet zo bijzonder. „Wel nint niet,” roept Snibbetje vrolijk. „Oenze egen volk eut de Zaanstriek. Met pak en zak koemen ze hierhene om op de kleileem-bakken te warken. Ze zien er eut met die modderlaarzen, maar ze kieken gezellig en dat is het voornaamste.”

,,Snibbetje, we moeten voortmaken. Kiek, Evert et zijn motor al op gank.”

„Waoromme kick je nou nooit es naor de warken, taote. Ik veen ut zo prachtig allemaol. Hew jie die grote baggermachine voorbij zien koemen? De mannen wefden mun allemaol toe. Nee —' laot maar, taote. Ik til die bus zelf wel.”

Met haar jonge, krachtige armen tilt zij de bus voor zich uit. Heel haar leven spreekt van levenslust, als zij met vader het oude huis betreedt. Snibbetje heeft werkelijk geen kunstmiddelen meer nodig, om voor „vol” te worden aangezien. Krachtig is zij opgegroeid in de laatste paar jaar. Een pittig gezicht, met donkere, bruine ogen en een brutaal neusje. Klein is ze gebleven, een levendig, sterk meisje. Het innemende gezicht kan echter plotseling verduisterd worden

171

door een stroeve, hooghartige trek, die de jongens van het eiland wat schuw maakt. Maar een ogenblik later lacht zij. Zij lacht zo aantrekkelijk, dat niemand haar weerstaan kan. Twee guitige kuiltjes in haar wangen, een putje in haar kin, vrolijke ogen, dat is de Snibbetje, zoals Gerrit haar wil zien.

Marretje kan soms tegen haar klanten mopperen: ,,Ze et zo n duvelse wil. Wat ze in dur kop et, zet ze duur.” En toch zien alien slechts het uiterlijke van Snibbetje, Wie is het gegeven om een blik te werpen achter het bedriegelijke masker van het menselijke gelaat?

Veel is er gebeurd de laatste drie jaar. Nog zijn de nieuwe werken niet begonnen en middelerwijl was de visserij geslonken tot een schaduw van wat zij geweest was. De dagelijkse klacht op het eiland was al sinds vele maanden, dat de gouden bergen, die Urk beloofd waren, steeds maar uitbleven. Marretje’s bloeiende zaak is verschrompeld tot een onooglijk winkeltje. Van vreemde vissers moeten zij het in hoofdzaak hebben. Toen die niet meer kwamen, was de ondergang onvermijdelijk. Weidegrond moest worden afgestaan om er huizen op te bouwen. Daardoor heeft Marretje nog slechts twee koeien.

Snibbetje zag de ineenstorting aankomen en nam tijdig haar maatregelen. Zij was niet tevreden met wat Hendrikje de knipster haar van het naaivak geleerd had. Hoger op wilde zij en tegen het verzet van haar moeder in volgt zij een modecursus op de vaste wal, waar de beurtschipper Evert haar elke week heenbrengt. ,,Een ouwer et wat te doen met z’n kiengeren,” is Marretje’s klacht. ,, t Is niet alliendig ut resgeld, maar elke keer moet ik vis bakke voor de juffrouw en een ouwe maot van mij, waar zij de nacht overblift. Waor dat mooin de moed vandeen haolt, om elke week op reze te gaon, begreeup ik niet.” Nee, Marretje begrijpt nog steeds niets van Snibbetje. Zij kan niet vermoeden, wat dit reizen voor haar betekent. Snib¬ betje heeft aan Urk niet genoeg. Zij verruimt haar blik en ondanks de natuurlijke tegenzin tegen de ,,vaste wal”, voelt zij zich onweerstaanbaar aangetrokken tot het nieuwe. Marretje bakt elke week trouw de porties vis en Lumme schudt haar hoofd over Snibbetje’s eigenwijs gedoe, wat haar niet belet om de patronen met nauw verholen nieuwsgierigheid te bekijken.

Vader lacht olijk, als Snibbetje iedere Woensdag haar hand 172

ophoudt en zegt: „Mijn twie kwartjes, oudje. 't Vaste revenuutje, dat je me beloofd hewwen."

Dan tast hij diep in zijn zak en haalt daar het oude gebreide buideltje uit, dat hij met licht bevende vingers opent. In zijn ogen blinken dan de kleine lichtjes, die Snibbetje zo dolgraag ziet.

,Je verdienen nou toch zelf?” zegt Marretje dan boos. Maar dan is het prompte antwoord: „Disse twie kwartjes hew ik juust elke week te kort,” en in een vlaag van tederheid trekt Snibbetje het grijze mannenhoofd naar zich toe en strijkt haar gezicht langs de ruwe baard. „Wij dekken elkangers tekorten, he oudje,” fluistert ze. Als Gerrit in goedgespeelde verontwaardiging zijn karpoes achter zijn dochter aangooit, dan raapt ze die lachend op en gebiedt hem zonder meer: „Koem an, ouwe taote, draag mijn koffer.”

,,Zou je nou niet zeggen, dat ze nor Amerika moet? Je vaor is nog gekker dan ziezelf. Kiek die twee daor nou ers gearmd voortstappen,” zegt Marretje tegen Lumme.

..Snibbetje is groos,” zeggen de klanten, als zij met die stroeve trek achter de toonbank staat en zij verwonderen zich over de vertrouwelijkheid waarmee zij iedere week loopt aan de arm van een oude vissersman, wiens bombazijnen baadje bijna wit is geworden van het wassen.

Snibbetje zou er niet aan denken, om zonder haar compagnon weg te gaan. Een Urker moet naar de boot gebracht worden. Hij zou zich schamen, als geen enkel familielid hem bij zijn vertrek nawuifde.

..Taote, op het hoekien bleeven staon tot we de haven eut binnen hoor, en vergeet niet om te weven met je karpoes. Zal je goed om alles dinken? Gief de rooie koe niet alle toevoer en dink er omme, dat je ut roggebrood haolen. Zul je niet te lange in de klapskoel bleeven? Pas op, als ik hoor, dat je wier bij je ouwe vrind in het bottertje hewwen zitten klessen. Haol je me murgen of?” ,,Ja,” roept Gerrit, als de hotter al wegtuft en dan zet hij zich neer op de vloeipaal, om zijn dochter na te kijken. Snibbetje blijft voor hem dezelfde. Als zij hem de volgende dag weer ziet zitten op de paal, dan zegt ze: ,,Hew je nou wel naor heus eweest?” en dan lachen ze beiden. ,.Taote, noe is de leverworst zomaar twie kwartjes duurder eworren. Maar ik hew toch maar een pond vor oens mieebrocht. Daor zal Mimme wel omme skelden.”

173

En dan zegt de oude samenzweerder: „0 nee, Snibbetje, laoten we um samen maar dielen, angers pruuft ze vuus te vuul, of het vor oens niet te zout is.”

Ondanks zijn grote liefde voor Snibbetje, zien Gerrits oude ogen haar nog het scherpst. Hij merkt de verandering op, die langzamerhand in Snibbetje’s wezen plaats vindt. Er is iets uitdagends in haar houding gekomen en Gerrit laat meer dan eens zijn verwijtende stem horen, als ze met geringschattende blikken kijkt naar de flinke vissersjongens, die met hun pas getaande korren voorbij hun deur gaan. „Wat een stank,” kan ze dan zeggen. „Je walgt er van.” Eens komen ze Snibbetje’s oude liefde tegen, met een slecht verstelde broek aan. ,,Dat had ik beter edaon, taote,” kan Snibbetje niet nalaten te zeggen. Een bestraffende blik treft haar. „Dat is hovaardij, Snibbetje.” En dadelijk pakt Snib¬ betje zijn arm en zegt, met de oude hartelijkheid: ,,Trek het je niet an, oudje. Ik mien ut zo arg niet.” Snibbetje vult het huis, met haar levendig geluid en zij doet verhalen over de nieuwe vrienden, die zij op de wal gevonden heeft. Een van die vrienden, die elke week het eiland moet bezoeken, neemt zij eens mee om te koffiedrinken. En voortaan troont hij elke week in het hoekje van de kamer. Tot grote tevredenheid van Mimme overigens, want die vriend is een veearts en Marretje, die er nog altijd twee koeien op na houdt, onderhoudt dankbaar de relatie en is scheutig met de koffiekan.

Alleen Lumme schudt haar hoofd. „Het begint alwier," moppert ze. ,,Alles sliept Snibbetje in heus: Wat moeten we hier met al die heidenen doen? Als je er maar niet maar mieniemen.” ,,Ik beloof het je, hoor Lumme,” zegt Snibbetje gedwee. „Maar een heiden is hij niet. Het is een goeie vint en hij gelooft ook nog wel wat.”

„Mooin, wat wiet jie daorvan,” knort Lumme. „Hij gelooft nog niet iens an de Suunter Klaos.”

Lumme heeft het niet op vreemden begrepen en zij haat het in Snibbetje, als die het nu steeds voor ze opneemt. Nu en dan ontstaat er een felle ruzie tussen die twee, en als Gerrit haar voor het wekelijkse vertrek over zulke kibbelpartijen onderhoudt, dan kan die wispelturige Snibbetje soms zo berouwvol zijn arm omklemmen en hem met haar donkere hartstochtelijke ogen zo vreemd aanzien. Het ,,Ik mien ut zo niet, oudje,” is meer dan een gemeenplaats.

174

Eens is hct afscheid korter dan anders en Snibbetje vergeet om te kijken, of Gerrit met zijn karpoes zwaait. Er is iets vreemds in haar wezen gekomen. Rechter richten haar schouders zich op en iets geheimzinnigs in haar ogen wekt Gerrits bezorgdheid op.

Als hij terugkomt, zet hij zich peinzend voor het raam. De nog warme stralen van de Septemberzon beschijnen zijn grijze kop. ,,Er is iets met Snibbetje,” gaat het mijmerend door hem heen. Marretje loopt bedrijvig heen en weer. ,,Je niemen er vandage zieker je gemak van,” zegt zij spoedig spottend. De drie kleinkinderen spelen op de grand. „Vooruit, goon jullui noe urs naor heus,” zegt hun grootmoeder stug, maar de kleintjes denken er niet aan, zolang Marretje hun het dagelijkse snoepje nog niet gegeven heeft. „Alla, goon vor ut beddeschot zitten,” gebiedt zij. „Moet ik soms over jului vallen?”

Maar de kinderen nemen rustig bij de tafel plaats.

„Marretje vergeet ze wel weer, dat weten ze,” denkt Gerrit. „Mij heeft ze ook heel vaak vergeten en wat heeft het lang geduurd, voor ik daaraan gewend was.”

Nu kan hij er om Iachen, met een zachte, begrijpende glimlach. Het deert hem niet meer.

..Marretje,” zegt hij plotseling, „we moeten op Snibbetje wat maar acht gieven.”

,,Hoe dan? Wat is er met heur?”

„Ze is een dwarrelwiend, Marretje. Dwarrelwienden binnen niet zo biezonger gevaorlijk op ziee, maar je moet ze drammels in de gaten houwen, want je wieten nooit, in welke hoek ze beroering bringen.”

Marretje is ongevoelig voor deze zachte aandrang om samen voor hun dochter te zorgen. Ze zegt onverschillig: ..Snibbetje kan wel op heurzelf passen, die wiet best, wat er in de wereld te koop is. Haol je maar gien zurgen of mirakels in je hoofd. Ze is er iene van mij. Ze is al twientig en wegschinken zal ze zich zo maar niet, dat hew ik heur wel vuur-ehouwen.”

,,Zij is er ook iene van mij,” zegt Gerrit eenvoudig. ,,Zij zoekt naar Paulus z’n mes,” valt ze hem in de rede. ,,Maak je maar niet bezurgd.”

„Dat doen ik ook niet direct. Ik wiet wel, dat Snibbetje naor ut waore geluk zoekt, maor dat kuunen ze op die leefteeud soms zo licht opvatten.”

Ineens vraagt Marretje nieuwsgierig: „Hew jie ut ooit evoenden, Garrit?”

175

„Ik wel,” zegt hij. ,,De nuuten, die ik ervor te kraken hadde, wazzen soms hard, maar de pit hew ik in je ontdekt, ouwe mins, al wil jie dat ok niet wieten.” „Goon voort, ouwe spotter," lacht ze. „Waor moet je nou wier naar toe?”

„Ik zal durs effen naor de vuurtoren,” zegt Gerrit, opstaande. ,,Daor is ut nije klapskoel. Daor hoor je ook het geknarp van die lamme baggermachines niet. Ik wil ok us kieken, of er wier van die wolken moggen roend de toren daansen. Die plage wordt arger, Marretje, dat zul je zien.” ,,Jie bekieken alliedig de donkere kaant van de verangering, Garrit.”

,,Ik kan het niet helpen, Marretje. Ik zien niet zo gaauw de zunnekaant van ut nije.” ,Jie worren ’n ouwe zwartkieker,” glimlacht Marretje. ,,Gief me maar n klentjen, ouwe, vor dat ik voort goon,” zegt hij, nu ook lachend. ,,Het zou je knap stoon, als je mun nou urs 'n bietjen vertroetelden. ,,Michtig, Garrit, je binnen vierenzestig! Wanneer zul je urs verstaandig worren? Dat komt allemaol duur Snibbetje’s kunsten,” zegt Marretje vermanend. ,,Misschien wel,” geeft hij leutig toe. Maar plotseling betrekt zijn gezicht weer en ernstig zegt hij: ,,We moeten toch acht op heur gieven, Marretje.” ,,Ik zal zien,” is Marretje’s laatste woord. Vreemd, dat een lichte wrevel in haar opwelt, als zij zijn gebogen gestalte ziet verdwijnen in het gangetje. Door zijn zorg voor Snibbetje heeft hij zijn ,,klentjen” vergeten. ,,A1toos dezelfde,” prevelt ze. ,,En wat een goeie zurgen toch alteeud vor oens. Ik mos door 's wat maar omme dinken . . .”

Hoe zacht klonken hun stemmen bij dit laatste gesprek. ,,Hut et zo moeten wezen,” zegt Lumme later. Want drie dagen later is Gerrit heengegaan.

Noch het angstige smeken van Marretje, noch het zacht brommend praten van Lumme, noch de hartstochtelijk gefluisterde liefdewoorden van Snibbetje, doen hem ontwaken uit zijn dodelijke bewusteloosheid.

Ruwe handen grepen ijlings toe en oude vissers spanden de spieren om de makker huiswaarts te brengen, toen hij in de klapschool plotseling onwel was geworden. ,,Das vlug verloepen,” zegt de een. „Het is wel treurig,” bromt een ander.

176

Ze praten in de klapschool over Gerrit, die een der hunnen was. Een Urker visserman, die een voorbeeld voor het jonge geslacht kon zijn.

Snibbetje heeft al het uitdagende in hear houding verloren. Stil en schuw sluipt ze door het huis. Zij zoekt werk, steeds meer werk, als wilde zij met arbeid haar schrijnend verdriet verdoven.

,Juust nou, dat ik um zo nodig hew,” prevelen haar lippen. ,Jk hew hem dit an-e-doon . . Zij drukt haar hoofd wanhopig tegen het schonkige koeienlijf. De lippen klemmen zich opeen. „Vader heeft mij doorzien,” schrijnt het in haar hart.

„Kom, Snibbetje,” klinkt het zacht. „Wij moeten opschieten. Er is een buie op komst.”

Het is de stem van de oude Rabbie en als zij samen tegen de wind optornen, merkt hij hijgend op: ,,Het wordt teeud, dat de koenen op de stalle koemen.” „Ja,” zegt Snibbetje toonloos.

De oude man kijkt haar met licht verwijt aan. „Zo mag het niet, Snibbetje. Je moeten ut leven duur. Wat zou je taote wel zeggen, van zo’n gezicht? En je Mimme zal er ook niet duur etroost worren. Dink er omme, dat ik murgen een anger gezicht van je zie."

De trouwhartige stem van de Rabbie ontroert haar. ,,Het is zo muuilijk, ouwe,” zucht ze. „Dat wiet ik,” knikt hij wijs. „Het vul voor mij ok niet miee, toen ik alliendes op de warreld after blief. Al oens manvolk blief op iene nacht in een sturm. Wat een zegen, dat ik mos zurgen voor de vrouwen. Daoromme zeen ik de visserij vaorwel om op het eiland te warken en ik hew er nooit berouw van ehad. Aan mijn gezicht konnen ze nooit zien, hoe muuilijk ik het soms hadde, Snibbetje. Aanvaarden, keend, aanvaarden.”

En hij heft zijn hand ten groet. Ja, Snibbetje moet aanvaarden. Maar zij loopt nog met gebogen hoofd en het is, of zij het niet op durft heffen, om de mensen in het gezicht te zien. Wanneer het herfsttij zijn intrede doet, legt zich over Snibbetje’s wezen steeds valer een weemoedig waas. Het koude jaargetijde geeft haar de frisse levenslust niet terug. Als ze van haar wekelijkse reis terugkeert, zit ze koud en huiverig ineengedoken in het vooronder en zij staart somber voor zich uit. Zij merkt, hoe de reisgenoten haar opnemen

177

en beschaamd denkt ze: ,,Waarom kijken de mensen mij toch zo medelijdend aan?”

Zij kan die half nieuwsgierige blikken niet uitstaan, gaat op haar knieen voor het vuurduveltje zitten en pookt het kacheltje op, tot een heldere gloed door het vooronder schijnt. „Ik zal ’n kuppien koffie zetten,” zegt ze plotseling. ,,Evert et er zieker geen teeud vor en ik hew zin in wat warms.”

„Je schijnt het koud te hebben de laatste tijd,” merkt haar wekelijkse reisgenoot, de veearts, op. ,,Ja,” zegt Snibbetje met een vreemd lachje. „Dat gaat zo. Ik heb binnen de lijn gevist. Het is mis, he?” De man lacht verlegen en niet-begrijpend vraagt hij: ,,Zo, hebben de Urkers het koud, als ze een bekeuring krijgen?” ,,Nou, zegt ze spottend en haar mond vertrekt zich tot een grimmige, baldadige lach. Verstoord wendt zij zich af. ,,Het is een Ratja,” denkt ze, ,,een vreemdeling. Dat had ik eens tegen Lumme moeten zeggen. Die zou me direct begrepen hebben.”

Somber blijft ze in de vuurgloed staren. „Wat slingeren we vandaag,” zegt de man. Onverschillig antwoordt Snibbetje: „0 ja, ik merk er niets van.” ,,Je zit ook zo in gedachten. ik kan niet zeggen, dat je gezellig bent vandaag, Snibbetje.”

Onverschillig haalt ze de schouders op: ,,Er komt een tijd, dat je uitgepraat bent.” Zwijgend gaat ze naar huis, waar Marretje wacht. ,,Help me effen om het wasgoed in de leen te steken, Snib¬ betje,” zegt Lumme. „Er stot zo’n harde wiend. Ik kan ut alliendes niet doen.”

Blij staat Snibbetje op. Gelukkig iets te doen. Vechten tegen de wind. Fluks scheert zij op de haven het touw, vanaf de huizen tot aan de meerpaal. ,,Flink aanhouwen, Lumme!” roept ze bijna vrolijk, ,.angers kan ik het touw niet eupen kreegen om het goed tussen de strengen te steken.”

Bol flappert het linnengoed. Lumme kan de lijn haast niet houden. Snibbetje rekt zich en trekt bij iedere vlaag de lijn naar zich toe. Haar rokken waaien door de sterke wind naar voren en duidelijk komen de krachtiqe lijnen van haar jonqe lichaam uit. „Lumme, gief acht op je wark,” roept ze. „Het likt wel, of je stoon te slapen.” 178

Lumme’s ogen blijven geboeid staren naar Snibbetje s forse bewegingen. Een vreemd-vragende blik is in haar heldere blauwe ogen. Heel de dag verliezen haar ogen die uitdrukking niet.

Door een drenzende Novemberavond spoedt een donkere gedaante zich voort. Snibbetje kan het thuis niet langer uithouden onder de vriendelijk-bezorgde blikken van Mimme. Zij boren haar door het hart. Ook Lumme’s verwonderde twijfelende ogen verdraagt ze niet langer. Voort rent ze langs de modderige straat. Niemand zal haar zien. Snibbetje wil naar het strandje, waar zij wel meer alleen gezeten heeft als het droef was in haar ziel. Niemand zal daar vanavond komen in dit hondenweer. Regen, mist en wind houden de mensen binnen de muren. Wollig schuim slaat Snibbetje in het gezicht. Dof beuken de grauwe donkere golven op de stenen golfbrekers. Spokend rijzen de massa’s water steeds hoog op, om dan met luid gemurmel terug te vallen. Hier kan Snibbetje denken. Het stormt ook in haar hart. Het water vertelt van de dood. Huiverend kijkt Snibbetje in de golven. Hoe zei die oude torenwachter het toen ook al weer? „De dood is niet verschrikkelijk, als je in het leven maar notitie van hem neemt.”

Dat heeft Snibbetje nooit gedaan. Heel haar hartstochtelijke aandacht was op het leven zelf gericht. ,,Wat moet ik doen?” vraagt ze zich radeloos af. ,,Eens zal ik het toch moeten zeggen.” ,,Taote,” snikt ze zacht. Haar ogen pogen de duisternis te doorboren. Haar verwarde geest vindt geen hulp.

Het cirkellicht van de oude vuurtoren zwaait met breed gebaar langs de einder.

„Als het licht nu doofde, dan zou ik de weg naar huis niet kunnen vinden. En als ik dan misstapte, dan zou het water zich boven m’n hoofd sluiten en ik zou omkomen en niemand zou ooit iets weten.”

Maar de stralen van de vuurtoren doen hun plicht. Ook in deze stormachtige nacht. De oude vuurtoren houdt Snibbetje’s blik vast. Het is, of dit trouwe licht haar kracht geeft. Rechtop staat de toren en doet zijn plicht. Mag Snibbetje wijken?

Zij, een kind uit dit stoere volk?

„Murgen,” zegt ze zacht, als ze huiswaarts keert.

179

Plotseling een mannenstem uit het donker: ,,Is er onraod, je lopen zo harde?”

„Nee,” antwoordt Snibbetje kalm en loopt door. Het is dezelfde man, die haar eens op een mistige morgen bijna omver liep toen ze zo blij had geroepen: „We hewwen een klen keend!”

,,Kon ik het nu ook maar zeggen,” denkt ze. Dat zou het toverwoord zijn, dat elke Urker mild stemt. Maar zover is het nog niet. Eerst moet zij nog langs de vreemde, duistere weg. De moeilijkheden zullen groot zijn, maar Snibbetje zal ze niet meer ontwijken. In de slapeloze nacht die volgt, laat Snibbetje het gebeurde weer langs zich heen gaan. Het was zo onschuldig begonnen.

Een groet, een plagerijtje met de jonge man, die bij de oude vriendin van moeder in pension was. Gezellig waren die avonden geweest, als ze na de lessen plaats nam aan de grote, ronde tafel. Een blanke, goedverzorgde mannenhand strekte zich stoeiend uit. Eerst had Snibbetje hem schuchter aangezien, maar spoedig werd haar blik onbevreesd en eindelijk zelfbewust. Ze wist het. Ze kon bekoren, als ze dat wilde.

De ogen van de oude vrouw volgden het spel en waarschuwden. Ze deed een beroep op hun beider opvoeding, doch tevergeefs.

,,Laat dat,” zei ze tegen de jonge man, toen ze met hem alleen was. ,,Bescherm haar liever. Ik ken mijn volk, ze zijn zo licht ontvlambaar.”

,,Wees voorzichtig,” vermaande zij Snibbetje. ,,Het is een vreemde, je kent hem zo weinig.”

Ze lachten zorgeloos . . . Totdat . . . De avond was kostelijk geweest en de wijn pittig. Snibbetje glimlachte, toen ze haar moede leden tussen de koele lakens uitstrekte. Zij genoot van het frisse, heldere linnen en van de vrije, ruime slaapkamer. Luxe was aan Snibbetje zo besteed. Zij dacht aan een paar donkere, schitterende ogen, een lachende mond, met witte tanden.

Was het een droom geweest of werkelijkheid, die lichtspottende stem plotseling in haar oor: ,,Ik moet op je passen, Snibbetje.” ,,Ga heen," had ze verschrikt gefluisterd. Maar dwingender zei de stem: ,,Ik blijf.” Het zwakke verweer van het meisje was spoedig overwonnen. 180

De eentonige kwartierzang van de oude torenklok begeleidde hun spel en zij luisterden niet naar de waarschuwende galm, die over de slapende IJselstad klonk.

Snibbetje speelt als weleer bij de oude welput, niet achtend het gevaar, verdiept zij zich met dezelfde energie in het geneugt.

Het spel duurde voort, de zomermaanden door. Het spel, dat zo oud is als de wereld zelve. Afstoten aantrekken guitig ontwijken, totdat. . . En nu!

Roerloos steunt Snibbetje het moede hoofd in de hand. De tijd van opstaan is reeds lang verstreken, maar ze zijn gewend, dat ze lang te bed blijft. Snibbetje heeft zich los gemaakt van het huiselijke leven. Het nieuwe werk eiste haar op.

„Het moet vandaag nog,” bijt ze zichzelf toe. „Langer uitstel heeft geen zin."

Snibbetje heeft het kraken van de deur niet gehoord. Lumme staat in de opening en kijkt haar ernstig aan. ,,Dat et de wiend je niet an-ewaaid, Snibbetje. Wie is het? vraagt ze streng.

Snibbetje heft haar hoofd niet uit haar handen op. „Een vreemde,” klinkt het somber. Met droef verwijt zegt Lumme: ,,Hoe kon je dat doen? „Wacht tot ik weg bin, Lumme, en zeg het dan tuugen Mimme.”

„Nee, Snibbe,” zegt Lumme stroef. „Je hewwen haar nou lange genoeg bedreugen. Ik zal het ’r wel vertellen."

„Lumme,” hijgt Snibbetje. ,,Mimme zal beuten dur zelf worren.”

„Op mij het argste, dat zul je zien,” zegt haar zuster en snel draait ze zich om.

Op de knoestige treden van de oude trap, die Lumme voorzichtig afklautert, vallen tranen. Waarom? Is het de harde slag, die zij Mimme moet toebrengen en die op haar terug zal vallen? Is het omdat Snibbetje haar zo wanhopig aankeek?

Roerloos is Snibbetje blijven zitten. Even later klinken duidelijk de kijvende stemmen tot haar door.

„Je liegt het, Lumme waar hewwen joen ogen ezeten?

Kon je mij niet aarder ewoorschuuwd hewwen?”

181

En daar tussendoor Lumme’s zachte, klagende stem: ,,Ik wist het niet gisteren bij de leen docht ik het pas, maar ik durfde niks te zeggen."

„Jie zullen wel in het complot zitten!”

De geluiden worden dreigender. Snibbetje snelt naar beneden. Onbevreesd stapt ze de kamer binnen. ,,Hier ben ik,” roept ze. „Het is alliendes meen schuld. Bedaor toch!”

Maar als ze het bleke, door de drift verwrongen gezicht van Mimme ziet, schrikt zij. ,,Duzendmaol liever had ik je naor ut karkhof ebracht," bijt Mimme haar toe.

Dan vlucht Snibbetje weg. Nog hoort zij Lumme’s verwijtende stem: ,,Mimme toch, dat is te arg !” Langzaam sterven de geluiden weg. Ineengedoken zit Snib¬ betje. Langzaam en moeilijk richt zij zich op. „Ik heb hier afgedaan,” gaat het door haar denken. Een moeder die je dood wenst, daar kan je niet bij blijven. Ik ga weg. Met bevende handen pakt zij haar koffertje. Het is niet veel, dat zij heeft mee te nemen. Slechts enkele kledingstukken, doch het deert haar niet.

Weemoedig glijden haar blikken over de vertrouwde dingen van het oude huis, dat zij nu gaat verlaten. Beneden hoort zij alweer de bekende geluiden. Mimme Scheldt Evert uit over de vrachtprijzen. Dat doet ze altijd als hij om bestellingen komt. Maar deze morgen kijkt Evert haar toch verwonderd aan, want zo scherp als thans klonk Marretje’s stem nooit eerder.

„Ze binnen daor te Kaampen gewietenloos en jie binnen nog arger,” snauwt zij de onschuldige vrachtschipper toe. Evert zwijgt. Dat is het beste bij zulke driftuitvallen. ,,Zeg tuugen de boterkoopman, dat ie zijn rommel wel aan de maon kan hangen. Ze is vuus te zout en die spekslager mos um ok wel skamen. Als die geldnek maar beuren kan. En dan die vint van het kippenvoer! Lot ie ut niet wagen om voor de dorde keer over zijn lege zakken te skreeven."

Marretje zoekt een uitlaat voor haar overkropt gemoed en ieder krijgt zijn deel. Snibbetje sluipt naar beneden en gluurt even rond door het grote achterhuis. Zij streelt nog eens de koude koeiensnuiten; dan een sliert langs de oude pomp en zij verlaat ongemerkt het huis. 182

Nee, niet ongemerkt. Want onder het stalmuurtje staat Lumme; met haar trouwe ogen kijkt zij Snibbetje aan. ,,Het is goed, dat je goon. Bleef maar een paor dagen weg. Hier, van de wiend kuun je niet leven.” En vaders geldbuideltje verdwijnt met alles wat Lumme bezit in Snibbetje’s zak.

Bleef niet te lange weg hoor, Snibbetje!” „lk durf nooit meer weerkoemen, dag Lumme,” en ze steekt haar spontaan de hand toe. ,,Goon voort, met je gevuust,” lacht Lumme door haar tranen heen. „Over een dag of drie kan je gerust wel wier koemen.” „Nooit weer . . .” Snibbetje schudt bedroefd het hoofd, maar in haar ogen straalt een gloed, die Lumme verschrikt. „Hoe zal dat aflopen?” vraagt ze zich bedroefd af, als ze de snel voortschrijdende Snibbetje nakijkt. Dan gaat ze met een donker gezicht aan haar werk. Het is stil en somber in het oude huis. Zwijgend doet Lumme haar plicht.

Tegen een paar vertrouwde klanten beklaagt Marretje zich over het lot, dat haar trof. „Het is de juugd,” troosten de ouden. „Een mins wiet niet, waor ie z’n kiengeren voor groot bringt,” zegt Schokker Ole.

En Griet meent hoofdschuddend: ,,Je hadden heur niet alliendes weg moeten lotten goon. Je wieten ommers niet, wat een vrouw in zulke dagen overkoemen kan. Ze kunnen verschieten van een katte en wiet jie, wat daor de gevolgen van binnen?”

Geeske zegt wijsgerig: ,,Ze is de eerste niet en ze zal de leste niet wezen. Wannaar hewwen we de bruluft, Marretje?” ,,Hier niet,” klinkt het strak. ,,Dat is voorbij.” ,,Maar Marretje toch,” berispen zij haar alien en dan gaan ze heen.

Lumme gluurt telkens door het raam, om te zien of Evert al aangekomen is, maar elke keer wordt zij teleurgesteld. Marretje betrapt haar en raast: „Goon an je wark, toeta!”

Dan lacht Lumme. Het gaat de goede kant weer op. Laat Marretje maar schelden voor toeta of halve gare. Dan zegt ze ten minste weer iets. Alles is beter dan dat botte zwijgen. Met een glimlachje ziet Lumme, hoe even later ook Marretje het gordijn op zij schuift, om de bootgangers beter te kunnen zien.

„Ze zal wel gauw weer koemen,” vertrouwt zij het jongste

183

kind toe, als dit nieuwsgierig vraagt, waar Snibbetje blijft. Als Lumme uitblaast op de oude kruiwagen achter het huis, telt zij op haar vingers en rekent uit, dat zij voor de Meimaand in het land is, weer wat te doen heeft. ,,Het moet zeker zo zijn,” peinst zij. ,,Dat nieuwe leven zal mij troosten, nu Everts aanzoeken uitblijven. Eigenlijk kan ik hem best missen. Die kerel wordt me ook al te modern. Dat gaat me daar Zondags naar de mannenzang, om van doremifasol te zingen. Die stotterbaas. Maar ik heb hem niet meer nodig. En Snibbetje ach, die schuift toch alle lastige werkjes van zich af. Zo spint Lumme voort aan haar dromen. Maar Vrijdags boent zij de straat en nijdig smijt zij de emmers water uit. Want nog is Snibbetje niet terug. Evert verschijnt in het straatje en Lumme gooit hem plotseling kletterend een voile emmer water over de voeten. Evert brengt haar een boodschap over, waarvoor hij geen vrachtprijs berekent.

Die boodschap doet Lumme’s illusies in rook opgaan.

Met vlugge veerkrachtige tred verlaat Dirk Terweert zijn kantoor. Een jongeman. die veel van het leven verwacht en veel van het leven eist. Dit leven heeft hem tot dusver niet teleurgesteld. Heel zijn houding spreekt van optimistische zelfbewustheid.

Dat zijn chef hem juist heeft meegedeeld, dat hij per 1 Maart naar Amsterdam zal worden overgeplaatst, was volstrekt geen verrassing voor hem. 't Kwam hem toe, die promotie! De chef had duidelijk laten blijken, hoezeer het vertrek hem speet. Zij hadden zo prettig met elkaar omgegaan, nietwaar? Ja, ja hij had de chef helemaal voor hem gewonnen, hem ingekapseld met zijn eigenaardige manieren. Natuurlijk, dat moest je immers doen, als je je doel in het leven wilde bereiken? „Precies zoals ik het me had voorgesteld,” glimlacht Dick Ter¬ weert tevreden. ,,Ik heb nou lang genoeg in dit provincienest gezeten om het vak te leren. Nu naar Amsterdam!”

Met wellust snuift hij de frisse winterlucht in. Het gaat vriezen. Misschien staan ze met Kerstmis nog wel op de schaats. Kerst.. . dan wil hij thuis zijn, bij zijn vader en moeder. De ouwe heer mag dan wel eens vervelend zagen, omdat Dick zijn studie eraan gegeven heeft en moeder mag hem wat kriegel maken met haar wijze levenslessen en dat ge184

teem over zijn zogenaamde eigenzinnigheid de Kerstdagen wil hij doorbrengen in de oude huiselijke gezelligheid. Even genieten van de eenvoudige luxe, eens iets anders zien dan de saaie pensionkamer, waar hij in zijn dagelijkse doen overigens nooit last van heeft.

Ja, het is goed, dat hij Kampen gaat verlaten. Je zou hier op den duur verschrompelen tot een provinciaaltje. Die verhouding met dat kind kan nu meteen ook een einde nemen. O, ze is lief, interessant zelfs, die Snibbetje. Niet zo n confectie-meisje, alleen maar met een aardig snoetje, maar zonder karakter. Goed beschouwd is ze eigenlijk niet mooi, maar ze heeft spirit en een geestige snuit, waar je steeds graag naar kijkt. Hoe zou ze op een scheiding reageren? Nou ja, onzin. 't Moest vandaag of morgen toch gebeuren. Niet slecht zou dat zijn om met een Urkse getrouwd te wezen! Mag ik u voorstellen mijn vrouw! Met een kap op en gebreide kousen aan! Nee '— die overplaatsing naar Amsterdam is naar alle kanten een uitkomst.

Hij fluit vrolijk, als hij de trap oploopt. „Fijn ruikt het hier,” zegt hij tegen zijn hospita, die hem met een vriendelijk glimlachje groet. Wat een makkelijke gast! Voor de anderen moet zij altijd de keukendeur gesloten houden om de etensgeuren uit het huis te weren. Maar meneer Terweert geniet er juist van. Hij kan de maaltijden zo spontaan prijzen, soms tot ergernis van zijn medegasten. ,,Snibbetje is in de kamer,” zegt de hospita en zij opent de deur. Snibbetje zit in de schemer, ineengedoken, kleintjes. ,,Hallo Snib!” groet Terweert haar opgewekt. „Heb je ’t er toch op gewaagd om over te komen? Je hebt anders best kans, dat je door het ijs niet terug kunt.” Zacht klinkt het: ,,Ik hoef niet meer terug, tenminste voorlopig niet. Ik heb je iets te zeggen. Kun je even luisteren?” Heel licht beeft haar stem. Hoe moet zij ’t hem vertellen? Nu zij toevallig alleen zijn, moet het er maar meteen uit. „Een kind .,” zegt Snibbetje bijna onhoorbaar. De vriendelijke glimlach op zijn gezicht verstart tot een verbaasde grijns. Met gefronst voorhoofd neemt hij de kleine gedaante daar voor hem op, onderzoekend, streng. „Weet je't wel zeker?” vraagt hij meedogenloos. Snibbetje voelt haar hart ineenkrimpen. „Heel zeker,” zegt zij. Dan zwijgen zij. Die stilte benauwt haar. Ze zou willen schreeuwen. Maar smekend klaagt zij:

185

„Wat moet ik nu . .. ?”

Er zijn geen sterke, open armen, die haar omsluiten; er is geen brede borst, waartegen zij het o zo moede hoofd kan laten rusten. Dwaas was dat van Snibbetje, om daaraan wel eens te kunnen geloven. Zij voelt zich beschaamd en vernederd. Die koude geringschattende blik duldt zij niet.

Optreden zal zij voor zichzelf en voor het kind, dat geboren moet worden.

Maar iets, dat sterker is dan haar verontwaardigde energie, houdt haar aan de stoel gekluisterd. Weer zwijgen zij.

Dan plots de hartstochtelijke kreet: „Geef mij je naam . .. !” Koel antwoordt hij: ,,Ik heb dit niet gewild.”

Dat is dezelfde man, dezelfde stem, die haar eens zijn vrouw noemde. Is dat mogelijk? Kan iemand zo veranderen? Een scherpe pijn priemt in haar borst. Ja, dat is dus mogelijk. Toch zal hij haar, of liever, het kind, zijn naam geven. Vechten zal zij, hem dwingen! Geen onecht kind zal zij ter wereld brengen. Nu is het al het ogenblik om deze grauwe schande van het kind weg te nemen. Ja, ze zal sterk zijn. Hun roes is voorbij. Een vreemde staat daar. Ze zal met hem praten Ernstig zegt Snibbetje: ,,Ik heb dit net zo min gewild als jij, maar daar heeft dat kindje niet mee te maken. Die heeft het toch in geen geval gewild, nietwaar? Dat kind moet een vader hebben. Ik wil alleen je naam, meer niet. Dat lijkt me toch niet te veel, vind je zelf ook niet?”

Hij staart zwijgend voor zich uit, in diep nadenken. Snibbetje voelt, dat ze al terrein gewonnen heeft. En dringender gaat zij voort: ,,Tot last zal ik j© niet zijn. Zelf zal ik voor het kind werken, mijn leven lang. Ik zal je uit de weg gaan, maar ik eis het recht op je naam, tijdelijk maar. Die naam is niet voor mij bestemd. Alleen voor het kind.”

Die ernstige, overredende toon maakt meer indruk op hem dan klachten en tranen. Terweert heft het hoofd op. Een blik in die goudbruine ogen overtuigt hem, dat Snibbetje de waarheid spreekt. Een ellendige geschiedenis! Maar hij zal er zich niet aan kunnen onttrekken. Hij denkt aan zijn toekomst. Moet hij zijn carriere opofferen? Onzin! ,,Voor een jaar is dat lang genoeg?” vraagt hij zakelijk. ,,Meer dan genoeg.” 186

,,Dan heb je m'n woord. Maar dan ook niet langer dan cen jaar. Dan trouwen wij zo gauw mogelijk.”

Snibbetje knikt. Terweert voelt zich opgelucht door deze schikking. De liefdesverhouding is tot een zakelijke relatie geworden.

Ook Snibbetje is tevreden. Zij heeft zijn woord en dat is haar voldoende. A1 het andere is voorbij, dat is zoeven gestorven. Haar jeugd is voorbij. Moeder zal ze worden, een moeder, die voor haar kind vecht. O, ze zal hard en nuchter zijn in die wereld van vreemden. Zich geen illusies meer over mensen maken. Na Marretje s drift, deze kilheid. Dat is dus het leven. Een gevoel van dodelijke kilte maakt zich van haar meester. Als uit de verte hoort zij Terweerts stem: „Heb je niets meer te vragen?” ,,Nee, niets meer,” antwoordt zij toonloos. ,,Wat ga je nu doen?”

Onverschillig haalt zij de schouders op: ,,Mijn costuumlessen afzeggen. Die kan ik niet meer betalen. Ik moet voor mezelf zorgen.”

„Ga je dan niet meer naar huis terug?” „Nee, nooit meer. Moeder was zo verschrikkelijk.”

Even beeft haar kin, maar dadelijk herstelt zij zich. Hoe vreemd voelt hij zich tegenover dit nuchtere, beheerste schepseltje. Als zij nu ging huilen, dan zou hij de rol van trooster kunnen spelen. Nu voelt hij zich meer de overrompelde. Vervloekt nog toe, hij zit er eigenlijk lelijk tussen. Is hij nu niet verplicht om dadelijk voor haar te zorgen? Maar dat kan toch moeilijk, in zo'n klein provinciegat. Foei, wat een situatie.

Onrustig loopt hij de kamer op en neer. ,,Ik zal haast maken met de trouwdag, zegt hij. ,,Een Maart ga ik voorgoed naar Amsterdam. Voor die tijd zal je op je eigen benen moeten staan. Niet financieel, dat bedoel ik niet. Rijk ben ik wel niet, maar ik kan toch wel voor je zorgen. Wil je met me mee gaan naar Amsterdam? Dat is wel makkelijk. Dan hoef ik meteen niet voor kamers te zorgen.”

Zijn toon is wat luchtiger geworden. Hij moet er het beste maar van maken. t Is niet anders „Goed,” zegt Snibbetje en zij staat op, als de hospita de tafel wil dekken. Hier wil zij niet blijven. Altijd is zij gewend om op dit uur heen te gaan.

Buiten trekt zij huiverend de wollen sjaal om de schouders.

187

Snel stapt zij over de donkere Burgwal naar de drie oude juffrouwen, van wie zij naailes kreeg. ,,0, is u het?” klinkt het haar tegen uit de duistere kamer. Wie van de drie daar nu staat, weet Snibbetje niet eens. Haar stemmen en kapsels zijn precies eender. Verlegen voelt zij zich in dit vertrek, waar zij zoveel ge~ zellige uren heeft versleten. ,,Wat kan een misstap toch een verandering in je leven brengen,” peinst ze. ,,Vreemd is dit alles toch.” Met een ruk bant zij haar sentimentele gedachten uit haar hart. Een baldadige behoefte voelt zij opkomen om dit een vrolijk masker voor te binden. Luchtig praat zij over allerlei onbelangrijkheden en de drie steile maagden lachen om haar grappen. Dan plotseling verrast zij hen met het nieuws. „Ik kom geen les meer nemen ik ga trouwen.”

Reine vrouwenogen richten zich op Snibbetje’s weerbarstig gezicht. Uit drie monden klinkt het tegelijk: ,,Waarom zo opeens trouwen?”

En Snibbetje zegt kort: „Omdat ik gezondigd heb." Dan neemt zij afscheid van de beduusde vrouwen. Zo .— dit hoofdstuk is uit. Doch er wacht nog meer. In haar kosthuis gekomen, vindt zij daar de oude hospita en Dick Terweert zwijgend bijeen. Er is iets vijandigs in dit zwijgen. Snibbetje is natuurlijk de oorzaak van die ontstemming. Scherp klinkt de stem van de oude vrouw, als zij Snibbetje het misbruikte vertrouwen verwijt. Misschien zegt zij het driftiger dan nodig is, geprikkeld door het geldelijke nadeel dat zij zal lijden. ,,Je kan hier natuurlijk niet blijven!” Snibbetje knikt: ,,Ik begrijp het.”

Bedaard wil zij heengaan, maar als zij Terweert ziet achter zijn krant, uiterlijk zo gewoon en rustig, maakt een rode woede zich van haar meester. De slappeling! Hij blijft in de warme kamer! De eerste moeiten en zorgen komen op haar neer! Maar liever buiten in de kou dan nog een nacht onder dit dak.

„Ik ga weg,” zegt ze kort. „Ik kan mezelf wel redden. Jullie heb ik niet nodig!”

Vermoeidheid en zenuwen zijn haar de baas geworden. Driftig ratelen de scherpe woorden uit haar verbeten mond. Er is nu geen Bessien, die manend haar vinger opheft en geen vader, die met een enkel waarschuwend ,,Snibbetje!" haar 188

boosheid bezweert. Alleen staat zij in die kleine, vijandige wereld. Zij heeft de rust van die twee mensen verstoord. Ja, maar geen spoor van berouw bezielt haar. Woedend verlaat zij snel het nu zo vreemde huis. ,,Het derde kapittel," denkt zij op straat. ,,Waar moet ik nu naar toe?”

Over de ongelijke keien rept zij zich voort. Waarheen? Een barse wind geselt haar verkleumde lijf. Onbewust zoekt zij troost bij de waterkant. Dat is zij zo gewend. Moe laat zij zich op een bank vallen. Zal zij naar een hotel gaan? Zij houdt het buideltje van vader stevig in de handen. Hoeveel er in zit, weet zij niet, maar vast niet genoeg om een paar maanden in een hotel te kunnen leven. Toch geeft dat buideltje haar kracht. Helemaal afhankelijk is zij immers niet. Nu even kalm nadenken . . . Wie zou haar tegen een matige vergoeding willen opnemen? De kennissen, die zij in Kampen heeft, laat zij zich door de geest gaan. Die oude boerin . . . ? Nee, die is wel goedhartig, maar zij kletst te veel. Die man, waarmee ze zo vaak heeft gereisd en die zo dom keek, toen ze zei, dat ze buiten de lijn had gevist? Ach nee dat was niets! Zij was er eens op visite geweest en zijn vrouw had zo vals geglimlacht. Die was vast jaloers.

,,Je voelt niet alleen te wezen, als je een heldere sterrenhemel boven je hebt,” had vader eens gezegd. Nu flonkeren er duizenden en duizenden in de heldere winternacht —• en Snibbetje voelt zich zo alleen, zo van God en mens verlaten. Met haar schamele koffertje zit zij op haar schoot en zij staart naar het water. ,,Naar huis . ..?” Neen, dat nooit. Er is geen weg terug. Zij denkt aan haar oude ,,reiskoets” en voor het eerst springen er tranen in haar ogen. Elf bedaarde bronzen klokslagen galmen over de stille stad. Snibbetje staat snel op. Zij moet toch ergens onderdak. En plots flitst het als een verlossing door haar heen: Marten, de bakker!

Sinds kort is hij naar Kampen weergekeerd. Marten zal haar opnemen. Marten is een vriend! Wel vreest zij even zijn strenge ogen, maar daar moet zij maar doorheen . .. Juist wil zij haastig weggaan, als een stem tot haar doordringt: „Snib . . . ! Allemachtig, zit je hier? Ik heb je overal gezocht. Mevrouw heeft geen rust. Zij kan niet hebben, dat zij in de 189

nacht een Urkse heeft laten gaan. Kom mee naar huis. Wat zijn jullie toch voor mensen!”

Hij slaat zijn arm om haar schouders en dwingt haar om met hem mee te lopen. ,,Wat zou het anders geweest zijn, als hij uit zichzelf was gekomen en niet was gestuurd!” gaat het door haar ziel. ,,Kom,” zegt hij zacht. ,,Je moet niet zo gauw driftig worden, malle meid.”

Zwijgend luistert Snibbetje naar die stem. De aandacht van Dick doet haar toch wel goed. Vreemd met die man zal zij nu gaan trouwen. Een liefdeloos huwelijk, een contract voor een jaar. De koesterende druk om haar schouders stemt haar milder.

Maar dan voelt zij ineens die druk verslappen. In het licht van een lantaren ziet zij een paar vrienden van Dick, die zij wel kent. Dick laat haar los. Hij is laf. Slechts een gedeelte van zijn verantwoordelijkheid durft hij aanvaarden. Als gestoken door een giftig insect, wendt Snibbetje zich van hem af. ,,Bah!” zegt zij verachtelijk. ,,Ga maar weg. En zeg tegen mevrouw, dat zij zich geen zorg hoeft te maken. Ik heb hier nog echte vrienden ook. Morgen hoor je wel, waar je me vinden kunt.”

Dan verwijdert zij zich haastig. Verbijsterd staart Dick haar na en hij verwenst alle vrouwen ter wereld. ,,Ik heb haar even gesproken,” vertelt hij zijn hospita, die in spanning zijn komst verwacht. ,,Ze is naar vrienden toe.” „Is alles nu goed?” vraagt zij. ,,Ja natuurlijk. Dakloos is zij immers niet?" ,,Je begrijpt me verkeerd. Tussen jullie bedoel ik.” ,,Ik weet het niet. . Hij voelt zich hulpeloos; voor het eerst in zijn leven is hij zijn zekerheid tegenover vrouwen verloren. ,,Ik begrijp niets van dat kind. Een stijfkop is het en toch lastig is ze niet. Ik zal mijn papieren maar zo gauw mogelijk in orde maken.” ,,Dus dat trouwen gaat door?” ,,Ja, natuurlijk. Tenzij ze me de bons geeft .. .”

Door donkere straten en stegen zoekt Snibbetje haar weg. Zij is kalmer nu. De maan, die zo koud scheen daar bij het water, heeft in de nauwe straatjes een vriendelijker glans. Bevend trekt Snibbetje aan de bel, als zij Martens huis 190

gevonden heeft. Hoe durft zij eigenlijk? t Is bijna half twaalf. Dan hoort zij sloffende schreden in het gangetje en een bekende stem moppert: ,,Als dat geen Urker is, dan is mijn naam geen Marten.”

En als de deur opengaat: ,,Wel, daar is Snib! Kom er in, kind! Je hewwen lang ewacht met koemen. Ik hew het al zo vaak teugen Tiemetje zeid dat we die Snib nou nooit ereis zienne!” Snibbetje voelt zich verlegen en beschaamd. De hartelijke ontvangt overweldigt haar en zij is niet in staat om een woord uit te brengen. Het is zo erg, dat ze hier alleen gekomen is, omdat zij in nood zit. Zij neemt zich voor om dadelijk eerlijk te zeggen, hoe zij er aan toe is. Daar hebben die goede mensen recht op. ,,Malle mooin,” moppert Tiemetje, ,,om zo lange weg te bleeven, daor je toch iedere week in Kaampen koemen.” „Ik wiet wel, dat ik er niet goed an ding en daoromme koem ik nou metien maar voor goed!”

„Dat is weer een Snibbetjesstriek. Voor de gek houwe kon je de mensen altijd best!”

Even valt een stilte in. Dan lacht Marten: ,,Dat doen ik nou niet,” zegt Snibbetje mistroostig. „Toe, goon zitten, Tiemetje, ik moet gien thee. Eerst moet ik jului aarlik wat vertellen. En dat wil ik eerst maar doen. Dan wiet jului, wat je aan me hewwen.”

Marten kijkt haar opmerkzaam aan. Er is iets bijzonders. Ook hij is geen man van uitstel. ,,Vertel op,” zegt hij. Snibbetje kent die klank. Zij heeft iets vertrouwds. Marten zal haar veroordelen, maar dat zal haar niet weerhouden om zonder goedpraterij alles te biechten.

Als Snibbetje is uitgesproken, zwijgen zij alle drie. Eindelijk durft zij weer opkijken. Zij ziet twee bedroefde gezichten. ..Snibbetje,” klinkt het streng. „Wat hew je weinig streden tuugen je zwakheid. Wij hoeven niet zwak te staan. Maar je wilde niet angers, wel?”

Snibbetje knikt alleen maar. ,,Je kunt voorlopig blijven,” zegt Marten gewoon. „En laten we nu ergens angers over prate.”

Tot diep in de nacht zitten zij samen. Eindelijk zegt Tiemetje, dat het nu genoeg is met dat nachttrinkinken. Snibbetje is alleen. Vermoeid laat zij zich neervallen in het haastig opgemaakte bed. Zij huivert onder de dekens. Wat vreemd, dat zij hier ligt. Wat is er oneindig veel gebeurd in

191

die ene dag van verschrikking. Nu is die dag voorbij. Er is zo veel, zo ontzettend veel voorbij.

Lang en hartstochtelijk schreit zij met het gezicht diep in het kussen. Zij schreit om haar jeugd, die gebroken is, om al het liefelijke, dat zij op het eiland achterliet. Zij schreit om het spel, dat zij zo roekeloos speelde, het spel met haar eer en geweten. Zij heeft dit gewaagde spel verloren. Beneden gaan twee oude mensen ter ruste. ..Had jie dat nou van Snibbetje edocht?” vraagt Tiemetje. Marten antwoordt niet. Hij wordt geheel in beslag genomen door zijn witte onderkousen, die hij hoe hij er zich ook tegen verzet van Tiemetje moet dragen. ,,Lot mij je maar effen helpen,” zegt de oude vrouw en zij knielt bij hem neer. ,,Ja, had jie dat nou van Snibbetje edocht?”

,,Ik heb je wel gehoord,” zegt haar man knorrig. ,,Doof ben ik niet. Edocht. .? Ik hew er wel ereis bange voor ewest, als ze zo als een kwikstaart door de bakkerij huppelde.” ,,’t Is me van haar tuugen evallen,” zegt Tiemetje. ,,Er zijn geen mense die niet struikele kanne. Kom vrouw, laten we bidden. Ook voor Snibbetje. Die zal het vannacht wel vergeten.”

Twee paar trouwe vriendenhanden vouwen zich bevend samen en dragen al hun nood, ook Snibbetje’s zorgen en zonden, en de droefheid van een verbitterde moeder naar de plaats, waar Snibbetje niet aan denkt. ..Zouden ze net eender wezen als gisteravond?” denkt Snib¬ betje, als zij de andere morgen de huiskamer betreedt. Een enkele blik op de gezichten stelt haar gerust. Gezichten zijn het, die van doorgestane zorg en harde arbeid getuigen. Het leven is er door gegaan, doch het liet een stille glans van mededogen in de gegroefde gelaten achter. ,,Stuur je Mimme bericht, dat je hier blijven kanne, zolang je wil,” zegt Marten:

Voor Snibbetje is dit een bevel. Zij haast zich het huis uit. ,,’s Morgens lijkt alles zo erg niet,” denkt zij, als zij naar de kade loopt, waar de hotter van Evert ligt. ,,Zeg maar tegen Mimme, dat ik bij Marten de bakker bin en dat ik daor bleef. En zeg er dan metien maar bij dat ik goon trouwen.”

Als Evert haar verdwaasd blijft aankijken, schudt zij hem bij de mouw, net als Marretje doet, wanneer zij het over de vrachtprijs niet eens zijn. 192

„Hew je het ehoord, Evert? Zeg dat maar alliendes. Ik goon trouwen en koem nooit maar weeromme.”

„Ik zal het heur zeggen,” knort hij en zijn hoofd gaat langzaam op en neer.

Ziezo, nu weet Snibbetje ten minste, dat hij het begrepen heeft.

„Nou, gegroet hoor en vergeet het niet,” zegt ze. Evert duwt zijn hotter af.

Als hij de steven naar het oude eiland wendt, piekert hij over het moeilijke vraagstuk, wat hij wel voor die wonderlijke, harde boodschap kan rekenen, zonder dat Marretje op de prijs afdingt.

193

Kerstmis.

Een donkere kerstmis vol mist en regen. De wind is gedraaid en een harde Zuid-Wester drijft dikke grijze wolken in eindeloze rij.

Voor het venster zit Snibbetje doelloos naar buiten te staren. Het geldbuideltje, dat Lumme haar gegeven heeft, ligt op haar schoot. Eindelijk is Snibbetje ertoe gekomen, de inhoud te tellen. Het is haar meegevallen. Voorlopig zal zij zich kunnen redden. Hoe zou die Lumme aan zoveel geld gekomen zijn? Zou Snibbetje het haar ooit terug kunnen geven? Vermoeid laat zij het hoofd in haar handen rusten en zij kijkt de eentonige Burgwal af. De beide oudjes dutten. Dat is zo hun gewoonte in het schemeruur. Snibbetje wil hun rust niet storen. ,,Ik heb al zoveel rust verstoord,” peinst zij berouwvol. Een knagend heimwee besluipt haar. Het buideltje is op de grond gegleden, maar zij merkt het niet eens. Zou Evert haar boodschap goed hebben overgebracht? Wat zou Mimme hebben gezegd? En wie zou er nu melken en wie stoeien met de kleintjes van haar zusters? Mimme zal zich vast niet achter het oor krabben, omdat haar dochter niet terug komt. Die is natuurlijk blij, dat zij weg is. Hoe kan het ook anders? Iemand de kroon van het hoofd nemen is misdadig. Nu zijn vast de kerkgangers op het pad. Het is, of zij de klokken hoort luiden. Zij zullen gaan, stap voor stap in de druilerige motregen. De vrouwen met zakdoeken over de hullen. Wie zou er nu voor het zijraam zitten, op Snibbetje’s plaats? Daar zag je tegen het licht van de grote boogramen de donkere gestalten zich scherp aftekenen. Als Snibbetje haar ogen sluit, ziet zij het beeld zo voor zich. Wat eenvoudig en hartroerend was toch hun kerk. Wat er ook in de toekomst gebeure, altijd zal Snibbetje deze herinnering vasthouden. De toekomst... ? Nog vier maanden, dan gebeurt het. Hoe zal het gaan? Zal het veel kosten? Waar moet Snibbetje het kind laten, als zij er later voor zal moeten werken? Zij kan Marten en Tiemetje immers niet tot last blijven? Van haar aanstaande man heeft zij niets dan zijn woord. Die zit nu bij zijn ouders thuis om er de feestdagen door te brengen. In tien dagen heeft zij hem niet gezien. 194

HOOFDSTUK X

Een gevoel van grote bitterheid jegens de man, die haar in deze moeilijke tijd alleen laat, kan zij niet van zich afzetten, Maar wachten zal zij en geduldig zijn. Het is immers kerstfeest. Daar komen geen bittere gedachten bij te pas. ,,Nee, Snibbetje,” zegt ze tegen zichzelf, ,,je binnen op de verkeerde weg. Er bin minsen die je goed en hartelijk behandelen. Kiek je twiee bescharmers daor maar urs zitten. Martens hoofd hangt zwaar tegen de leuning van zijn stoel en hortend en stotend gaat zijn ademhaling. Tiemetje’s hoofd deint zacht op en neer, rustig en regelmatig, zelfs in haar slaap beheerst. Zo zijn die twee. Marten ongedurig, Tiemetje hem zacht dwingend binnen de macht van haar wil. Met innige dankbaarheid bekijkt Snibbetje de twee slapende mensen. De aanblik vertedert haar hart en plotseling staat ze op. ,Er is er nog iene van het eiland, die ik beledigd hew met mijn driftige woorden," denkt ze.

En in een opwelling om iets goed te maken, verlaat zij het huis en loopt snel naar haar oude hospita. Aarzelend brengt zij haar hand aan de bel. Het is niet gemakkelijk om de minste te zijn, zelfs al is men van eigen schuld overtuigd. Langzaam en moeilijk bestijgt zij de trap, die ze vroeger zo vrolijk kon oprennen.

De hospita staat boven en begroet haar: „Zo, bin je daor endelik? Het stot je te preezen, om een oud mins zo te beangelen. Schaam je je niet?”

Snibbetje denkt: „Ze is toch een echte eilandse gebleven. Niet eens wachten, totdat ik begin. De ruzie-achtige toon doet haar goed en maakt haar het stamelen van een verontschuldiging gemakkelijk. ,,Het spit me, dat ik zo driftig was,” zegt ze.

De oude vrouw kijkt stuurs en gromt: ,,Nou, goon maar zitten en mauw niet zo. Dat je ekeumen binnen, is al genoeg. We binnen ommers van hetzelfde slag. „Ik geloof het ok," lacht Snibbetje nu.

Als ze tegenover elkaar zitten, zegt haar gastvrouw hartelijk: ,,Ik ben bleede, dat je hier binnen. 't Is niks gedoon om alliendes te wezen in disse dagen. Alles is nor heus en ik hou er niet van gien minsen om mun heene te hewwen. Dan kwelt mij hetgeen voorbij is, wiet je. Je hoorde zeker wel es wat over me, he Snibbetje?” „Ja,” knikt het meisje, „maar Bessien nam het alteeud voor je op.”

,,Wat zeen ze dan?” vraagt de oude vrouw gretig.

195

„Dat het starke voeten moeten zijn, om de weelde te dragen. Maar ik begrieep ut nooit zo goed, wiet je.” Even zwijgt zij. En dan zegt de vrouw met de witte haren zachtjes en ietwat bedeesd, alsof het een biecht ware: „Ik zal het je vertellen, keend, luister. Na zovuul jaoren zie ik duidelijk, hoe ik vroeger ewest hew. Je zou me een hoogheid onder armoelijers kuunen neumen. Die armoe zat me dwurs. Alles ding ik om aan de ellende te ontkoemen. Ja, alles hew ik an-epakt. Ik zwurf in de ansjovis-zouterijen en soms verdienden we daar een flinke haand met geld. Groos was ik dan als ik dat ’s avonds naar mijn moeder toeskuuf. Bij het zegenen op het Top hulp ik miee. Dat was geen vrouwenwark. Je wiet het zelf wel, als ze de zegen uitbrengen in zee met een boot, dan moet het net met een lang touw wier aan laand etrokken worren. Een ruw wark is het en meestal gebeurt het 's nachts. Ik hew wat kouwe nachten aan ziee duur-ebrocht. En je moet niet dinken, dat ik er een hekel aan hadde. Eggenlik was het m’n liefste wark, om zo rauwweg met het manvolk miee te doen. En as dan het vuurjaor vorbij was en het kuulen en de botvisserij begon, dan kon je me in de rokerijen veenen. Daor had ik het minder nor mijn zin. Vuul liever sting ik nog aan het heitouw. Ja, daor kiek je van op hi? Heien bij de paolen-rij voend ik fijn. Ik ding het liever as vlarken in heus. Wie was degeen, die theus het meeste inbracht? Ik! En daor was ik zo groos op. Kuun je dat begreepen?” ,,Ja,” knikt Snibbetje.

„In het najaor pelde ik garren met m’n bruurtjes en zustertjes. Ik had vanzelf de leiding en het ging me nooit harde genoeg. En dan s winters dan trok ik met vader miee op het ees om bijten te hakken voor de spieringvangst of om vogels te schieten. ’s Middags sting ik met een tentje op het ees: ,,warm en koud, leg er es an!” schrewde ik, tot mijn keel er kapot van was. Ja, als een man warkte ik tussen de mannen. En toch blief ik vrouw, dat verzeker ik je. Kostelijk voend ik het, om macht over mannen te hewwen. En van die macht maakte ik gebruk. Ik trouwde met een rikke vint, maar hie was zo oud as de weg naor Rome. Het was hiel eigenaordig met mun esteld. An de iene kaant was het me een lust om te haarsen. En toch had ik wat in me, dat iedere vrouwe kint, de behoefte om te gieven. En duur dat gieven krieg ik macht. Ik kwam al gaauw tot de ontdekkinge, dat een vrouw zelden genoeg gift. Ik kon de vergoding van m’n oue vrinden niet missen. Ik gaf maar, als maar . . .” 196

De oude vrouw staart met een vreemd lachje voor zich uit en zegt dan plotseling: ,,Joen zaak stot niet zo hopeloos als de meene, Snibbetje. Ik krieg n ofkeer van mezelf en van de hiele warreld. Mijn plezier om geld te verkwisten was al gaauw of-eloepen. Ik ben het trouwens allemaol wier kweet-eraakt. Het zal mijn egen schuld wel ewest hewwen, maar dat intresiert mun niet. Ik verdien nou wier met disse twie haanden mijn brood en voel me daor vuul gelukkiger bij.” „Hoe hew je je duur dat leven heen-ewarkt?” vraagt Snib¬ betje nieuwsgierig. ,,0 keend, de gave om oens aan te passen, kreegen we miee. We binnen net as de golven. We veenen de weg naar boven net zo gaauw als die nor benieen. Dat hew ik zelf ongervoenden. Mijn domheid in sommige dingen verburg ik after spottende manieren. Ongemanierd was ik, dat wist ik wel. Maar die ruwheid bestrien ik duur vuul nor angeren te kieken en te zweegen. Het leven et mun elaard om niet zo gauw een oordeel over ’n anger te vellen. Allien mun man wist, hoe ik over hum en de angeren docht. En nou ik oud bin hew ik het hielemoal ofelaard om op de minsen neer te zien. Dat doen ik ok op joen niet. Ik hoop, dat je gelokkig maggen worden, maar jului doen angers wat affrontierend tuugen dekanger. Hij is zo kwaod niet, als je misschien wel dinken. Gerust, zijn aord is goed, maar die moet je tevuurscheen zien te haolen.”

,,Ik wil gien man, die ik moet opvoeden, vooral niet iene, die de muuilikheden niet aandurft,” zegt Snibbetje koel.

„Besleuteloos is ie,” zegt de oude vrouw. ,,A1 twie keer het ie op het punt estoon om te verloven, maar op het leste moment bedocht ie um wier. Hij houdt van zijn vrijheid, maar kwaod is ie niet.”

„Dat mos er nog bijkoemen,” lacht Snibbetje grimmig. „Wat dink je, zou hij zijn woord tuugenover mij houwen?”

„Ik geloof het wel, ten minste als jie je zo wenig lotten zien; Spuul je misschien comedie, om hem nor je toe te lokken?” vraagt de oude vrouw met een schelms lachje.

„Niee,” zegt Snibbetje koud. „Die kunst verstoon ik niet. Als ik comedie kon spuulen, zou alles niet zo zwaor ezen.

„Wees er bleede omme, keend. Ik kon het wel. Als ik een hemeltje in heus wou hewwen, dan was het er. Maar ik kon ook zorgen, dat het een helle was. Dat zou je niet zeggen, he? Toch was het zo, maar dat is nou allemoal voorbij. Ik 197

hew nog maar iene wens in mijn leven: dat ik mijn jongen nog wieromme zal zien voor ik sturf. Hij is zo vaar weggetrokken, en ik hew er maar ientjen. Hij is het enige belangrijke in mun hiele bestoon. Ik hew hum ok vaak vergeten in mun weelderige bestoon. Het was met mij niet zo het hoorde. Jij kent dat niet Snibbetje. Jie hewwen nooit het grote verschil tussen armoe en rikdom mieemaakt.” ,,Nee,” zegt Snibbetje langzaam. ,,Ik zoek alliendig maar een bietjen gelok. Maar dat likt nou zo vaar weg.” ,,Het gelok dragen we in oenszelfs keend en voor de vrede moeten wij hogerop. Wat dink je, zou een ouwe boosdoenster als ik ooit nog wel vrede kuunen veenen?” ,,Zokken juust het allerbeste,” zegt Snibbetje met warmte. De oude vrouw slaat de ogen neer om de vochtige glans te verbergen. Zo zitten twee eenzame vrouwen bij de haard. Beiden leven zij met haar gedachten op de kleine, kale rots, die zo dichtbij ligt, maar zo onbereikbaar ver is geworden. Zij verlangen naar het eeuwige gezang der golven en zijn zich bewust, dat eigen schuld hen van het eiland verdreven heeft. „Ik moet naar heus," schrikt Snibbetje plotseling op. ..Marten en Tiemetje zullen niet wieten waor ik bleef. Nee, bleef zitten, ik veen het alliendes wel.”

Een vluchtige kus beroert het sneeuwwitte haar. ..Genacht hoor. Ik koem nou elke dag effe an, als hij niet in heus is.”

Een knikje, vergezeld van een dankbare blik, en Snibbetje verdwijnt.

De oude vrouw blijft alleen achter en spint droef verder aan de draad van het verleden. In haar ziel leeft nog een wens: een stille levensavond met haar zoon. Het verlangen naar die zoon is de gouden ster die haar bestaan verlicht. Vlugge, jonge voeten ijlen voort langs glibberige straten. Een tevreden gevoel doorhuivert Snibbetje. Zij heeft een overwinning op zichzelf behaald en dit maakt haar gelukkig. Een oude vrouw is zij tot troost geweest en ook zelf heeft zij hierdoor troost gevonden. ,,Ik ben toch niet zo alleen als ik dacht,” gaat het zacht door haar heen.

De feestdagen zijn voorbij. Het nieuwe jaar brengt ook nieuwe werklust. Zij wil iets doen om te ontkomen aan steeds angstiger gedachten. Haar geest richt zich op een bepaald voornemen en dit geeft haar houvast.

198

Het is wel een heel besluit geweest, om de oude kledij vaarwel te zeggen, maar het nieuwe leven stelt zijn eisen en Snibbetje heeft die op te volgen. Ze koopt stof en werkt veertien dagen hard aan haar kleine garderobe: een ruime, vlotte jas, een breedgerande hoed, die haar gezicht overschaduwt, en een paar eenvoudige japonnetjes. Eigenlijk wilde ze nog een mantelpakje kopen voor haar trouwdag, maar daar komt ze van terug. Ze hoort immers niets van de man, wiens woord zij heeft? Plaagt de twijfel haar te zeer, dan zoekt zij haar oude vriendin op en vindt dan troost. ,,Hij moet eerst verschillende muuilijkheden uit de weg reumen," zegt de oude vrouw geruststellend. ,,Als de trouwdag ienmaol after de rug is, dan trekt hij wel bij.” ft ,,Hij hoeft niet bij te trekken, als hij zijn woord maar houdt, is Snibbetje’s stugge antwoord. Snibbetje’s stemming in deze dagen is sterk wisselend. De afleiding, die het werk haar bezorgt, brengt vaak de oude opgewektheid terug. h/Iaar even later kan zij zich in somber gepeins verliezen. Bijna iedere dag loopt zij bij haar bejaarde vriendin aan, maar als het tegen vijf uur loopt, verdwijnt zij snel.

Doch een keer rekt zij haar praatuurtje te lang en ze hoort de bekende stap. ,,Dag mevrouw,” zegt ze haastig. ,,Hoe vaak hew ik je nou al evroegen, om gien mevrouw te zeggen. We binnen eilanders. Dat mevrouw-schap et me nooit gien vreugde ebrocht.”

,,Nou wor ik het miskien ok nog, dan komt er de kladde in,” iacht Snibbetje wrang. „Wij deugen daor niet vor. Het wordt een feliette boel.”

Op de gang hoort zij een vrolijk fluiten. Met kloppend hart wacht Snibbetje. Hij zal wel rechtstreeks naar zijn kamer gaan. Maar plotseling opent zich de deur en de gevreesde man staat op de drempel.

Opgeruimd groet hij haar: „Zo, leef je nog? Het is goed dat ik je tref, ik wilde je morgen komen halen voor het begin van de actie. Was je niet bang, dat ik het vergeten zou?”

Hij praat vlug en er is iets gewild-vrolijks in zijn optreden. Strak staat Snibbetje’s gezicht. ,,Geen moment,” antwoordt zij stroef. ,,Dus zoveel vertrouwen heb je nog wel in mij? plaagt hij. „Ik vertrouw op je woord.”

199

„En als ik het nu eens niet doe?” gaat hij vrolijk verder en hij probeert haar naar zich toe te trekken.

Snibbetje weert hem ruw af en bijt hem toe: ,,Dan vraag ik alleen, om me dat vroeg genoeg te laten weten, dan kan ik mijn maatregelen nemen.”

Ook zijn gezicht verstrakt nu. Hij fluistert haar hees toe: „Ik heb je anders gekend, Snibbetje.”

IJzig klinkt het terug: ,,Ik jou ook. Tussen ons bestaat alleen een zakelijke overeenkomst. Tot morgen.”

Verbluft blijft hij in de huiskamer achter en hij lacht verlegen tegen zijn hospita: "Dat is me er eentje. Daar valt nog heel wat aan te werken. Wacht maar, ik zal haar wel klein krijgen. Als eerst die trouwerij maar achter de rug is. Thuis is het ook best meegevallen. Ze laten me helemaal vrij. Als ik hun maar nooit met klachten aan boord kom. Ik heb eenvoudig gezegd, dat ik ga trouwen, maar dat ze mijn vrouw voorlopig niet zullen zien, omdat ze eerst wat bijgeschaafd moet worden. Maar ik moet eerlijk zeggen: als moeder dit gesprek had gehoord, zou ze zich waarschijnlijk afvragen, aan wie van ons tweeen er nu eigenlijk geschaafd moest worden.”

Hij grinnikt in zichzelf en gaat naar zijn kamer. s Avonds staat hij bij Snibbetje voor de deur. ,,Ik heb een paar dingen met je te bespreken,” deelt hij kort mee.

,,Kom dan binnen,” nodigt Snibbetje uit. Zakelijk en nuchter is het gesprek tussen de twee jonge mensen, die bij het heldere licht van de lamp hun naaste toekcmst regelen. Tiemetje schudt meewarig het hoofd en wijsgerig trekt Marten aan zijn goudse pijp.

-Dus dat is afgesproken, he, de vijftiende,” zegt Terweert. ,,Best,” zegt Snibbetje en ze staat op. ..Lit je toekomstige man eeffen eut, Snibbetje,” doet Tiemetje minzaam.

„Zo hoort het ten minste," merkt Marten op. ,,Of je moet mekaar niks meer te zeggen hewwe.” ..We hebben mekaar niets meer te zeggen,” doet Snibbetje koel, ,,maar ik zal heus wel beleefd blijven” en ze opent de kamerdeur.

De toekomst is nu lichter voor haar. Het kind is veilig. Maar in Snibbetje’s hart is geen plaats voor dank. Alle zachte gevoelens bant zij uit zich, als zij hem vormelijk groet: 200

„Ik dank je voor je zorgen.”

Snel wendt zij het hoofd af, als zij merkt, dat hij op een hartelijker groet wacht. tt ,,Wij zijn compagnons voortaan, meer niet. Welterusten, zegt ze. En de deur valt achter hem in het slot. Weer is Dick Terweert lichtelijk verbluft. ,,Dat kan een vermakelijke historic worden met dat ding, denkt hij, half lachend. „Het zal een toer zijn, om die klein te krijgen."

Fluitend zoekt hij zijn vrienden op.

Voor Snibbetje gaan de dagen nu snel voorbij. Zij wil zich aanpassen aan het nieuwe leven. Gelukkig stelt de inhoud van Lumme’s geldbuideltje haar hiertoe in staat. Netjes zal ze voor de dag komen, dat heeft ze zich vast in haar hoofd gezet. Twee dagen voor haar trouwdag gaan haar vingers strelend over al die nieuwe kleding, die zij zich heeft verworven. ,,Die Lumme toch,” denkt zij. ,,Als die me eens niet had geholpen."

En in een opwelling van dankbaarheid neemt ze snel een besluit. Denken en doen is een. Zij zal Lumme tot erfgename maken van haar Urkse kleding. Haastig zoekt zij de kledingstukken bij elkaar. O, het is droef en pijnlijk, om al dit vertrouwde vaarwel te zeggen. Een mooi verleden gaat door haar handen. Maar hard zet zij zich tegen de gevoelens die haar bestormen. Het moet!

Dat is mijn beste tabe en schort met de gouden haakjes eraan en hier mijn zijden doek met die mooie franje en het gouden speldje achterin. Nu de kraplap. O ja, mijn rokken ook nog.

Dat is mijn mooie zwarte rok. Wat is die mooi versierd met een flanellen steek op de plooien. Dan dat oranjekleurige, wollen borstlapje. Nu het middelde; daar heb ik nooit van gehouden, omdat het zo n zwaar ding is. En van die zwarte gestreepte borstrok ook niet.

Het wordt een heel pak. Die rode rok alleen is al zwaar en die zevenkleurige ook. Zou ik er die witte ook nog bij doen? Die zal zij wel niet dragen. Nu nog mijn oorijzer en de gouden speldjes." Netjes vouwt ze de ondermuts en het hulletje samen, zoals alle vrouwen op Urk dat doen. Het zwarte dasje, dat erbij hoort, omdat ze nog in de rouw is van haar vader, legt ze er zorgvuldig bovenop. ,,Zo,” denkt ze verder, „daar zal ik de gouden speldjes maar in vaststeken, dan raken ze niet weg. Nu nog het gouden 201

slot met de kralen.” Even weifelt ze. ,,Dat vond ik altijd zo mooi en ik heb er zelf hard voor moeten werken. Zou ik het houden?”

Zij bestreelt het sieraad met haar ogen als zij het nog een keer even om doet. Maar dan maakt ze het met een resoluut gebaar los. Nee, het zou haar teveel herinneren aan alles wat voorbij is. Ze legt het gouden slot bij de andere sieraden en pakt alles in. Met bevende hand schrijft ze een briefje:

„Dit is voor jou, Lumme, voor jou alleen. Berg het boven weg en laat het niet aan Mimme zien, anders zal ze het nog verdelen onder de anderen. En ik wil, dat jij het alleen krijgt. Zal je nog eens aan me denken? Als ik in die grote stad woon, stuur ik je mijn adres. Over twee dagen trouw ik.

Snibbetje.”

Vanavond, denkt ze, als het donker is, zal ze het pak wegbrengen. Zij kan haar schroom niet overwinnen, om in het daglicht met haar nieuwe kleren op straat te gaan. Een zekere voldaanheid maakt zich van haar meester. Snibbetje heeft een goede daad verricht. Misschien krijgt ze nu wel gauw bericht terug. Of zou er die dag nog iemand overkomen? Ze zullen haar toch niet allemaal vergeten hebben? Hoopvol glanzen haar ogen en er is iets levendigs in haar gang, als zij s avonds met het pak onder haar arm langs de donkere kade gaat. Evert kijkt verwonderd op, als hij die bekende stem hoort roepen en haastig springt hij op de wal. ,,Moet je murgen miee?” vraagt hij. „Nee,” zegt Snibbetje. „Leuster 'rs goed. Hier is een pak voor Lumme, maar je moeten ut an dur zelf gieven en niet aan Mimme. Hier hew je al een kwartje voor de vracht. Dink er nou goed omme, Evert, an Lumme gieven, niet aan Mimme.” Als zij het kwartje niet vooruit betaalt, zou Evert het vast aan Mimme geven en dan zou Lumme in moeilijkheden komen. Die Evert is soms zo wonderlijk. Als Mimme hem snuif bestelt, komt hij soms met boorzalf aanzetten. Vaak moet hij drie, vier keer de boel ruilen eer het in orde is, maar hij vergeet nooit, om je er dan vier keer vracht voor te laten betalen. -Wit je ut nou goed?” vraagt ze nog eens. ,,Zieker, zieker, ik begreep ut best,” antwoordt hij zonder hapering. ,,Zeen Mimme nog wat tuugen je, toen je de leste booskip 202

van mun brochten?” vraagt Snibbetje, een beetje verlegen. Evert hoort de ongerustheid in haar stem. En troostend zegt hij: „Nee, niks, Snibbetje, niks.” ,,Dat is niet vuul,” mompelt Snibbetje. Dromerig gaat zij naar huis. Misschien, dat ze nu toch antwoord geven. Nog twee dagen, dan zal ze verlost zijn van de angst, dat zij een onecht kind ter wereld brengt. Onecht dat is de grote vrees van haar leven. Altijd en overal heeft Snibbetje het echte nagestreefd. Dat er door haar schuld bijna een onecht wezen geboren zou worden, zou zij nooit kunnen verkroppen. Wat konden ze op het eiland niet medelijdend en minachtend praten over onechte kinderen. Dat waren immers kinderen der schande. Dat zij haar kind voor die schaamte mag behoeden is de enige vurige wens, die haar in deze tijd vervult. Voor het eerst welt een gevoel van dankbaarheid in haar op. Ze zal het Dick Terweert zo gemakkelijk mogelijk maken, neemt zij zich voor. Neen, hinder zal hij er niet van hebben. Van haar niet en van het kind niet. Hij gedraagt zich als een fatsoenlijk man. Vlug loopt zij de oude straat in. Hier en daar blijft zij voor een etalage staan. Dan vaart er een schok door haar heen. Staat hij daar niet tussen die jongens? Het is net als op Urk. 's Avonds zoeken ze elkaar op en dan kletsen ze over de nieuwtjes van de dag. Vervelend, dat zij daar nu voorbij moet. Ze wil liever even wachten. Haastig verdwijnt zij in een donkere steeg. De jonge mensen drentelen haar kant op, en zij vangt het gesprek op, zonder het te willen. ,,Hoe kump het, dat ie zo ineens in ’t huwelijksboottien stapt?

Is er sums wat aan ’t hantien?”

Het is Harm, de kleinzoon van de oude boerin, die altijd met eieren vent, die zo schreeuwt en die Snibbetje ook wel kent. „Zo, is je brave grootmoeder weer eens aan ’t kletsen geweest?" hoort ze de stem van Dick zeggen. Ze schuilt dieper weg in de donkere steeg.

„Kereltien, wat bin ie prikkelbaor vanavond en dat vlak veur ou trouwdag. Vertel es op. Waoromme trouw jie met dat kiend?”

„Harm is in een plaagzieke bui vanavond,” lacht een der anderen. ,,Stoor je niet te veel aan hem, Dick. Maar laten we hier even wachten op de anderen van de club.” ,,Ze is vief moond hene, zeggen ze hier,” gaat Harm door. ,,Er is geen ontkomen meer aan,” denkt Dick. ,,Dat lamme

203

kletsgat hier. Waarom heb ik niet gewacht met dat trouwen tot ik hier vandaan ben, dan was ik aan dat gezeur ontkomen.”

,,Nou, als je dat dan weten wil,” zegt hij schor. ,,Ik trouw dat meisje, om haar uit de nood te helpen. Begrijp je niet, stomme boer, dat er ook nog zoiets als medelijden bestaat? We trouwen voor een jaar en gaan dan ieder weer onze eigen weg.”

,,Wat zeg ie, en het jonk dan?” vraagt Harm met een verbaasd gezicht.

,,Dat moet zij maar uitzoeken,” is het antwoord. „Bah," zegt Harm. „Ie mag zegen, dat mien grootmoeder ien babbelkouse is, maar ik zeg oe dat ie er ene bent als drie ouwe kletskouse saomen. Wat denk ie, dat het leven een lollegien is? Of dat ie mien kunt wiesmaoken dat ie d’r part nog deel an hebt? Door zie ik oe toch helemaol niet veur an, manneke, maak dat oe grotien wies, maar mien niet. Ie met oe mooie praoties, ie moest oe schaomen. A’k twiefelde, dan wol ik er nikse van weten en als ik niet twiefelde, dan nam ik ze an de arm naor t raothuus en 'k slog mien op de borst en ’k zou zeggen: „Daor zorg ik veur”.”

Een algemeen gelach volgt op die woorden. „Harm zit vandaag weer op zijn praatstoel,” meent een der vrienden.

„Nou, jongelui, zullen we nog een partijtje biljarten, dan geef ik een rondje,” stelt Dick voor. ,,’n Rontien op dat gekonkelvoes van oe? Geen sprake van. Ikke lust er wel drie, maor op datte. Nee man! Hou de dubbeltjes maar in oe zak.”

„Wees toch niet zo’n nijdas altijd. Vooruit, wat kan het ons schelen wat een ander doet,” lacht een der jongens. „We waren toch altijd goede kameraden? Nu gaat hij er tussen uit.”

„Jullie ook altijd met je stijve boerenbegrippen," zegt Dick. ,,Kom.” ,,’k Ga niet met,” zegt Harm koppig. ,,Dan blijf je," zegt Dick. ,,Moet je soms vanavond nog een wijf zoeken met zoveel hectaren of zoveel vee dat ze geschikt genoeg is voor de zoon van een grote boer van Kampereiland?”

„Geen hatelijkheden verder vanavond, jongens," klinkt het. ,,Het is nu mooi genoeg. Kom, we gaan de afscheidsfuif vieren.” En lachend slenteren ze verder. 204

In de zijsteeg staat een jonge vrouw, die haar kleine handen tot vuisten bait. ,, „Wat een schoft,” sist ze. „Hoe kan iemand zo zijn. Bittere tranen verdrijven het gevoel van dank, dat haar zoeven bezielde. De koppige trek om haar mond legt zich vaster als ze voort gaat door de donkere straten. „Dat ik dit nu juist moest horen ..

Het is een stralende Februari-morgen. Snibbetje’s trouwdag. Het is, of de natuur alles wil vergoeden wat de bruid aan menselijke belangstelling ontbeert. Er zijn geen bloemen en cr is geen bruidskleed, geen wolkige sluiers, geen vreugdetranen van moeders en geen vrolijk gespot der vaders. Er is geen feestelijke maaltijd, niets van dit alles. Maar er is een stralende Februari-zon, die de aarde verkwikt met haar zegenende stralen, na de grauwe, sombere omkluistering van de winter. Ja, en er zijn toch nog twee paar trouwe ogen van vrienden, die meedogend en zonder spot haar eenvoudige trouwkleed bewonderen. Snibbetje merkt niet, hoe haar veranderde kleding het gezicht van Dick Terweert deed opklaren. Zij ziet niet, hoe luchtig hij naast haar staat en nu en dan beschermend op haar neerziet. Zij voelt niet, hoe zijn keurende blik haar goedgevormde gestalte in zich opneemt, wanneer zij voor hem het stadhuis in gaat. Niets hoort zij van het welwillende in zijn toon en als hij haar iets vraagt, geeft zij hem nauwelijks antwoord. Zwijgend en zonder een enkele maal op te zien, gaat zij naast de man voort, de man die zij haat om zijn grof egoisme. Spoedig zijn de formaliteiten vervuld. Twee jonge mensen hebben samen een contract gesloten. Voor een jaar. Zij treden naar buiten. „Zullen we een eindje omwandelen?” stelt Dick Terweert haar voor. ,,Ik moet even bekomen van de schrik. We kunnen straks qaan koffiedrinken, als je het goed vindt. ..Best,” antwoordt Snibbetje strak en dan gaan zij naar een park toe. , .... „We moeten even praten, Snibbetje, doet hij vrolijk. „Waarover?” vraagt zij stug. ,,Nou, over onze toekomst natuurlijk, praat hij opgewekt. Hij voelt zich opgelucht. Die benauwde trouwerij zit er gelukkig op. De zon staat zo helder aan de hemel en de eerste

205

lentewarmte voelt hij in zijn gezicht. Er is geen enkele reden om zo somber te zijn, vindt hij.

,.Je ziet er aardig uit in je nieuwe kledij,” prijst hij haar. „Zeker voor mij gedaan, he?” ,,Nee,” antwoordt ze hard. „Ik houd zelf van mooie kleren.”

,,He, wat ben je onaardig, Snibbetje. Is dat nou een manier, nu je pas m’n vrouw geworden bent? Kom, laten we hier even gaan zitten.”

Haar stugge houding weerhoudt hem niet, om over zijn toekomstplannen te praten.

..Luister eens, zegt hij. ,,Ik heb in een stille buitenwijk van Amsterdam een kleine etage gehuurd. Eerst was ik van plan gemeubileerd te gaan wonen, maar dat leek me toch minder geschikt. Je bent niet gewend om met Amsterdammers om te gaan en daarom leek me een eigen woning beter. Het is een keurige buurt, Snib, denk er om. We zullen het samen gezellig inrichten. Toe, kleine compagnon, zet nu eens een ander gezicht. Waarachtig, ik begin iets voor onze onderneming te voelen. Ga nu geen drie meter van me afzitten! Waar is dat nou voor nodig. Weet je, dat ik vanmorgen m’n ogen uitkeek, toen ik je zo zag? Keurig zie je er uit, werkelijk keurig. O, je zult zien, dat we dit jaartje goede kameraden zullen zijn. Dat wil je toch ook, he? \Veelderig zullen we het natuurlijk niet hebben, maar dat komt er niet op aan, he?"

„Absoluut niet,” zegt Snibbetje koel. „Weelde heb ik niet gekend, evenmin als armoe."

„Nou, dat komt dan prachtig uit, want ik klop niet graag bij de ouwelui aan, dat begrijp je wel.”

Snibbetje knikt toestemmend. A1 kan ze in de verste verte niet vermoeden, wat zijn ouders met haar uitgaven te maken heb¬ ben. Opgeruimd praat hij door. Maar alle woorden gaan langs Snibbetje heen. Zij is met haar eigen gedachten bezig en er vormt zich een plan in haar brein.

„Dus dat is dan afgesproken,” klinkt het plotseling tot haar gemijmer door.

„Wat bedoel je?" vraagt ze afwezig.

„Je hebt niet eens geluisterd,” zegt hij geergerd. ,,Ben je van plan om altijd zo weinig notitie van me te nemen?” ,,Ja,” antwoord ze nuchter. ,,Ik heb je beloofd, dat je geen hinder van me zult hebben. Ik wilde je juist vragen, of het niet beter is, dat ik morgen naar Amsterdam ga. Dan zal ik 206

het huis inrichten en heb jij er geen last van. Voor mij is het een prettige afleiding en als jij komt, vind je alles op regel. Vertrouw je me dat toe?" ,,0, natuurlijk," zegt hij luchtig. „Wil je me soms weer verrassen, net als vanmorgen met je kleding? Eigenaardige wezens zijn jullie toch. Zie je er niet tegen op, zo alleen?” „Nee,” zegt Snibbetje droog. ,,Ik zie nergens meer tegen op en ik ben er nu aan gewend om alleen te zijn. Als twee compagnons goed tegenover elkaar staan, moet ieder ook zelfstandig kunnen handelen, vind je niet?”

„Zo is het," lacht hij smakelijk en plagend-beschermend gaat hij door: „Je hebt eigenlijk de voordeligste kant van ons compagnonschap gekozen. Stel je eens voor, dat ik voor altijd m n hart aan je verlies!”

,,Daar hoef je niet bang voor te zijn, daar zal ik wel voor zorgen,” troost zij hem ironisch. „We zullen niet meer voor elkaar zijn, dan je gewenst hebt. Mijn hart houd ik voor mij alleen, daar kun je gerust op zijn.”

„Dus morgen wil je vertrekken?” breekt hij het gesprek af. „Ja,” zegt ze zacht. Plotseling legt hij zijn hand op haar arm en met een zekere warmte klinkt het: „We zullen toch goede vrienden zijn, he Snib?"

,,Ik zal het proberen,” klinkt het met moeite uit haar mond. ,,Proberen? Weet je het dan niet zeker?” vraagt hij verwonderd. „Nee,” antwoordt ze treurig. Want in haar denken komt weer de herinnering op aan die avond, toen zij stond in een donkere steeg en de diep-beledigende woorden opving, die zij nooit meer kwijt kon raken. Medelijden stomme boer Haar handen ballen zich opnieuw tot vuisten. Als Dick probeert haar naar zich toe te trekken, weert zij hem resoluut af. ,,Laat dat, die tijd is voor ons voorbij. Kom, we moeten gaan. Ik ben koud geworden.”

De zon is achter de wolken gegaan. Grauw en somber ligt het park om hen heen. ,,Kijk Snib,” zegt Dick Terweert. ,,Het is opeens weer win¬ ter.”

Snibbetje antwoordt niet. Alles is zo onwerkelijk vandaag. Dat trouwen, die kleding, hun samenzijn hier. „Het hoort niet bij mij,” gaat het door haar heen. ,,Zal ik deze man ooit begrijpen? Was het jaar maar voorbij, dan kon

207

ik weer mezelf zijn. Of zou ik me wel ooit terugvinden in die warwinkel van verwikkelingen? Kon ik mij nog maar eens even gelukkig voelen. Alles a; n deze man is onecht. Hij praat aardig en doet vriendelijk, maar ik weet immers, dat hij er niets van meent.”

Zo sluit Snibbetje haar hart af voor iedere zachte aandoening.

Zo sluit ook het kleine, nieuwsgierige sneeuwklokje haar blaadjes, nu de voorbarige lentezon zich achter de wolken verschuilt.

Twee jonge mensen verlaten het park om ieder huns weegs te gaan.

Snibbetje wacht de volgende morgen vergeefs op bericht van huis. Dan pakt zij eindelijk zuchtend haar koffers en neemt afscheid van de twee goede mensen, die haar beschermers zijn geweest. Hun bezorgde blikken doen haar zo weldadig aan. Dit is het laatste vertrouwde, het laatste echte. Een hopeloze eenzaamheid maakt zich van Snibbetje meester, als de trein haar wegvoert van deze laatste pleisterplaats. Na veel moeite vindt zij het opgegeven adres in Amsterdam. Hoe kil en ijzig is dit alles. Het lege huis, de eentonige, nette straat, de vreemde mensen Slap gaat Snibbetje even op de vensterbank zitten, te lusteloos om te handelen. Maar dan rukt zij zich energiek uit die verlammende dadeloosheid: werken moet zij, aanpakken. Het heeft geen zin om te dromen. Als ze over het moeilijke begin heen is en zich het eerstnodige heeft aangeschaft, ontwaakt het oude Snibbetje weer in haar. Het kordate wezen dat doorzet. Het is het Snibbetje, dat eens met een rode kater in de ijskist speelde. In een groot warenhuis doet zij haar inkopen. ,,En lits-jumeaux, mevrouw?" ,,Nee, meneer, die kleine opklapbedden vind ik beter." ,,Een gezellig zitje bij de haard, mevrouw?” ,,Nee, meneer, een makkelijke stoel is genoeg.” Zij koopt zo weinig mogelijk meubels. Het is toch maar voor kort. Het lijkt wel, of Snibbetje haar ijskist inricht. Snel gaan de dagen voorbij. Zo geheel vervuld van haar arbeid is Snibbetje, dat zij met schrik ontdekt, dat de dag van zijn thuiskomst is aangebroken. Hij kan tevreden zijn. De boel is in orde. Tot diep in de avond door heeft Snibbetje gewerkt, gewerkt. Vooral in de avonden, die vol waren van een kwellend heimwee. Met hard werken heeft ze dit sentimentele gevoel verdreven. Een keer slechts heeft ze zich 208

’s avonds op straat gewaagd. Met hunkerende ogen gluurde zij in de kamers waar het schemerlicht vriendelijk straalde. Ze zag moeders en kinderen, vrouwen en mannen huiselijk bijeen. En een droge snik welde dan in haar op. Die snik was het enige wat haar diepgeworteld verlangen naar tederheid en geiuk verried. „Hoe kan iemand zich zo verlaten voelen tussen zoveel mensen? Het is hier de stad der duizend eenzamen,” mompelt ze, als ze weer thuis is, in de kille woning, waar iedere sfeer ontbreekt. Tranen stromen uit haar ogen en in haar zelfmedelijden koestert zij de wrok tegen de man, die dit alles over haar gebracht heeft. Daarom is haar gezicht strak bij zijn aankomst. Geen jonge, warme armen leggen zich om zijn hals en geen aangename stem fluistert: „Ik dank je voor alles,” zoals hij het zich had voorgesteld. Heeft hij soms niet ruim in zijn beurs getast? Het had immers heel wat minder gekund? Je kon ten slotte ook behoorlijk gemeubileerd wonen. Dit alles is toch van haar, maar zij schijnt het niet te waarderen, want de afwijzende uitdrukking is niet uit haar ogen verdwenen. Zijn pijnlijke verwondering neemt nog toe, als hij de inrichting van het huis ziet.

„Dus toch compagnons?” vraagt hij koel.

„Zeker,” zegt Snibbetje. „Ik geef geen toeschepjes aan klanten, als het niet nodig is.”

„Je spreekt in raadsels, Snib!”

„Omdat je me niet kent,” hoont zij hem tartend. Zo beginnen de twee deelgenoten hun samenzijn in de nieuwe onderneming. ti

„Er bestaat nog zoiets als huwelijkswetten, Snib,” zegt hij ernstig. Maar spottend is haar antwoord: „Ik kan me niet herinneren, dat ik jou ten huwelijk vroeg, en daarbij: elke Urker maakt zijn eigen wetten. Ik heb nu de wet gesteld, dat ik in ruil voor je naam je huishouden zal doen. Meer wil ik niet voor je zijn.”

Snibbetje probeert het zo beheerst mogelijk te zeggen, maar haar gevoel wordt haar toch even te machtig en zij barst fel uit:

,,Ik wil mezelf eerst terugvinden, versta je. Ik heb het gevoel, of ik een ander ben!”

Maar kalmer gaat zij verder: „Laten we ieder ons aandeel in dit geval eerlijk dragen en het elkaar niet lastig maken. Asjeblieft, hier is de afrekening

209

van wat ik heb uitgegeven. Je zult me een plezier doen, als je het nakijkt.”

„Kom dan hier naast me zitten,” noodt hij. „Nee, dat hoeft niet,” zegt Snibbetje en ze neemt tegenover hem plaats aan tafel.

Twee jonge hoofden buigen zich over de afrekeningen. Er heerst een geforceerd-zakelijke toon. ,,Het klopt," zegt hij plotseling en zijn stem is nog koeler dan de hare. Hij moet zich bekennen, dat zijn eigen berekening is misgelopen. Voor de derde keer voelt hij zich overrompeld. Hoe is het mogelijk! Maar .. . geduld. Voorlopig zal hij zich neerleggen bij de rol, die hem is toebedeeld. Zijn luchthartig optimisme ontdekt er toch wel iets pikants in. Het kan een amusant spel worden, vindt hij. En hij grinnikt bij de gedachte, hoe lang zijn straftijd wel duren zal. Dan gaat hij naar zijn eigen kamer. De komende dagen eisen hem geheel op. Hij moet zich inwerken in een nieuwe werkkring en kan niet veel aandacht besteden aan de vrouw, die zich doorgaans zwijgend om hem heen beweegt en ’s avonds als een stenen beeld tegenover hem zit. Slechts een enkele keer bespiedt hij haar heimelijk en dan treft hem steeds weer dat vreemde zachte in haar trekken, wanneer zij zich onbespied waant. Wat huist er toch achter dat blanke voorhoofd? Het is iets, waar hij buiten staat, want naar hem kijkt ze nooit met die milde uitdrukking. Er ontwaakt een begeerte in hem, om meer te weten van die kleine, eigenzinnige vrouw en dan waagt hij weer een poging tot toenadering, met een grap, een enkel vriendelijk woordje. Maar zij luistert nauwelijks naar die stem. Hij weet immers niet, wat er in haar omgaat? Hij, die zo verdiept is in zijn eigen zaken, hoe zou hij kunnen vermoeden, dat Snibbetje hunkert naar iemand om haar zorgen mee te delen. Hoe zij tobt over het komende, dat gebeuren moet. Over het halsstarrige zwijgen van thuis. Zou zij nu de enige Urkse zijn, die alleen de bange tocht naar Schokland moet maken? Zou er dan niemand zijn, die met haar mee gaat? Dat is immers ondenkbaar! ,,Er moet hulp komen,” denkt ze, ,,en ik zal die zoeken bij m’n eigen volk.” Dick Terweert kijkt verwonderd, als Snibbetje op een koude Aprilavond met haar mantel aan voor hem staat. ,,Ik ga even weg,” zegt ze zacht. ,,Waarheen?” vraagt hij vorsend. 210

,,Naar de Urker vissers. Ze moeten mij helpen met iets en ik weet, waar ik ze vinden kan.” ,,Dan ga ik mee,” zegt hij bruusk. „Ik weet nog wel, wat ik aan een vrouw verplicht ben, Snib.” ,,Nee,” weert zij af. ,,Ik kan het alleen wel .. Toch staat hij op en kleedt zich haastig aan om Snibbetje te begeleiden.

Benauwd is het in de overvolle tram, maar het deert haar niet. Voor het eerst sedert haar vertrek is Snibbetje door een warm gevoel bevangen. Zij is op weg naar haar eigen mensen, op weg, om hulp te halen. Voor haar eigen volk behoeft zij niets meer te verbergen. Geen bestraffende, onvriendelijke blik heeft ze te vrezen. Snibbetje herademt. Op de De Ruyterkade zoekt zij de plaats, waar de schippers met hun schepen liggen. Als ze die gevonden heeft, zegt ze tegen Terweert: „Blijf jij hier nou wachten, ik kan beter alleen gaan. Zo meteen ben ik terug.”

Maar hij stoort zich niet aan haar bevel en volgt haar, zonder dat zij het weet.

Slecht verlicht is de kade, maar daar is Snibbetje aan gewend. Met haar voet stoot zij tegen de steven van een hotter en haar roep klinkt helder op: ,,Hoor urs effe!” Verder komt ze niet, want ze ziet het hoofd van Dirkje’s man door het luik komen. ,,Klaos,” roept ze, ,,hoor eens, ik ben het, Snibbetje!” ,,Wel hew ik ooit,” roept hij terug en hij werkt zich aan dek. „Ik docht, dat jie van de aardbodem verdwienen was, koem er gaauw in, mooin.”

„Nee,” lacht Snibbetje vrolijk. ,,Koem jie maar effen hier.”

Met een sprongetje staat hij op de walkant en dan zegt hij op goedmoedig-spottende manier: „Mallemooin, hoe koem je zo gek om daor vor voort te goon. Vor zoon bagetel.”

„Mimme ging zo arg te keer,” zegt Snibbetje. „Nou, die ken je toch langer as vandage?” ,,Hoor 'rs, Klaos, vraag jie nou us of er iene koemen wil. Binnen ze nou nog al kwaod op mun?” ,,Je binnen mal. Wie blift door nou kwaod omme?" lacht Klaas. ,,Dat je niet weeromme kwammen, daor was wat over loos. Zeg us, wat is dat nou voor ’n snuiter, die man van je?” „0, ’n goeie hoor,” zegt ze luchthartig en de man in het donker glimlacht.

„Gelooft hij nog wat?” vraagt Klaas verder. ,,Hij et liever het vlees dan de botten, Klaas, lacht Snibbetje.

211

„Ik wiet niet zo precies, wat of hij is, maar hij dot z’n plichten. Hij is En Snibbetje somt al zijn goede hoedanigheden op. ..Drinken en eutgoon dot ie niet, maar hij nimt het leven een bietjen te gemakkelijk op,” besluit ze. De man in het donker grinnikt.

„Vremden binnen toch zo maar wat,” is de mening van Klaas en daar is Snibbetje het roerend mee eens. ,,Ik voel me hier zo alliendig,” klaagt ze. „Wat doe je 00k van oenze laand af te gaon. Dat was ommers nargens voor nodig?" ,,0, maar ik koem wieromme," zegt ze vrolijk. ,,Dat zul je zien, als dit maar eerst after de rogge is.” De man in het donker luistert gespannen of het compagnonschap in dezelfde toon zal worden afgedaan als zijn geloofsleven, maar hij hoort verder niets. De stemmen dempen zich. ,,Een vreemd volkje,” prevelt Dick, terwijl hij zich haastig terugtrekt. ,,Het geestelijk leven bespreken ze luid en vrij en frank, maar bij de gewoonste dingen gaan ze fluisteren. Ze zullen wel niet mals over me oordelen, als ze van onze overeenkomst horen.” ,,Ik ben er al,” klinkt een opgewekte stem naast hem. „Ik liet je toch niet te lang wachten, he?” ,,0, ik verveelde me niet,” zegt hij met een zekere nadruk, maar Snibbetje let er niet op. Het begint weer te dagen aan haar gelukshemel. De hoop is weer levend geworden in Snibbetje’s hart.

212

Urk ontwaakt uit zijn winterslaap. Nu de dagen langer worden, gaat de inpoldering weer door. Luider klinkt het geknars van de baggermolens. Het wrede geluid klinkt door in de huiskamer van het oude huis, waar Marretje voor het raam zit. Lumme boent de straat en oudergewoonte moppert Mar¬ retje, dat zij teveel water gebruikt. ,,Als jie maar met waoter smeeten kuunen, dan is het nor je zin, hi?” roept ze door het raam. ,,Het zou je knapper stoon, as je eerst de boel in heus an de kaant maakte.” Lumme zegt niets terug. Er is weinig met Mimme te beginnen tegenwoordig. Vroeger was ze al niet gemakkelijk, maar de laatste tijd kun je gerust zeggen, dat ze lastig is. ,,Ik kan het haar toch niet naar de zin maken,” denkt ze. „Allemaal de schuld van die nare Snibbe. Wat mankeert die meid ook, om niet meer terug te komen?” Eerst had Marretje gelachen om die wonderlijke boodschap van Evert. Iedere dag had zij haar terugverwacht. Maar Snibbetje was koppiger dan zij meende. Verdrietig doet Lumme haar werk. Toch heeft ze behoefte aan harde arbeid. Dat is het enige, wat afleiding biedt. Plotseling blikt ze nijdig op en zet haastig haar ondermuts recht, als zij vertrouwelijk op de arm getikt wordt door Evert, die aarzelend begint: ,,Snibbetje .” „Wat,” doet Lumme geergerd. „Wat is er met Snibbetje!” „Ik bring je vanavud een pak van heur, maar dat zet ik bij de afterdeur neer, zurg, dat jie er binnen om het aan te niemen.”

,,Goed,” zegt Lumme stug. Onophoudelijk kijkt ze naar de oude friese klok, als zij stil zit te wachten op Everts komst. Eindelijk hoort zij hem en zij haast zich naar achteren. ,,Hoevuul vracht is het? vraagt zij, als hij haar het pak geeft.

„Het is al betaold,” knort Evert. Als alles slaapt, strompelt Lumme naar boven, om Snibbetje's erfenis te aanvaarden. Teer betasten haar ruwe werkhanden de kleren en sieraden en zij lacht geluidloos als zij het gouden slot bekijkt.

„Alles is vuus te naauw en te klen,” mompelt ze. ,,Dat is wier net wat vor Snibbetje. Ik zal het vor je bewaoren hoor, 213

HOOFDSTUK XI

want wierkoemen doe je vast. Dat doe je zo zieeker, zo zieeker as ik Lumme hiet."

Waar die zekerheid op berust, begrijpt Lumme zelf niet. Heel stil gaat ze naar beneden. In de tafella gaan haar handen tastend rond om de bril van Marretje te zoeken. Ongerust gluurt ze naar de gordijnen van Marretje’s bedstee. Ze wil niet weten, dat haar ogen slechter worden de laatste tijd, want dan zal Marretje haar bespotten, dat ze te veel door de gordijnen gluurt als Everts boot aankomt. Met grote aandacht leest ze Snibbetje’s haastig gekrabbelde woorden. Naar de grote stad maar naar welke? ,,Snibbetje toch," zucht ze. ,,Als ik haar een cadeau wil geven, moet ik het gauw doen."

Weer een wantrouwende blik naar de gesloten bedgordijnen. Dan verdwijnt Lumme in de donkere winkel. Hier en daar graaien haar vermoeide handen in bekende hoekjes. Blindelings volgen die handen de bevelen van de snelwerkende hersens. Haastig pakt ze een en ander in en geruisloos ontsluit ze de achterdeur en loopt door het nauwe straatje naar Everts woning. De torenklok slaat half twaalf. Lumme stoort er zich niet aan. Vastbesloten gaat zij door de maanlichte nacht en ze roept zachtjes bij de deur: ,,Volluk!”

Evert loopt al in zijn tussenbroek. Hij kleurt tot in zijn nek. want wie had nu kunnen verwachten. dat Lumme het zou zijn. Lumme, die zo zelden het oude huis verlaat en die eens tegen zijn zuster gezegd heeft, dat ze nooit een man zou willen hebben, die een chocoladebroek droeg. En nu heeft hij juist zo’n akelig bruin ding aan. Zelf heeft hij ook een hekel aan die kleur en veel liever zou hij een blauwe dragen, zo’n lusteren, of hoe dat goed heten mag. Maar Lubbetje, zijn ouwe moeder, zegt: ..Gekheid, met die hoogmoed. Je kuunen het best met deze doen." En tegen zijn moeder kan Evert niet op. Kamper kooplui kan hij overtuigen van de goede wil der Urkers en zijn eigen volk kan hij overreden om wat meer rekening te houden met de wensen van die kooplui, maar bij zijn moeder heeft hij niets te vertellen en daarom staat hij nu in zijn bruine chocoladebroek voor Lumme. In zijn goedige hart wordt de lust wakker, om zich aan die dwinglandij te onttrekken.

,,Gief maar hier dat pak,” zegt hij nors, en hij houdt het beschermend voor zich. Misschien heeft Lumme geen erg in die vermaledijde kleur. 214

Maar Lumme merkt zijn verlcgenheid wel degelijk op en ze schenkt hem een van haar zeldzame glimlachjes, die haar gezicht zo aantrekkelijk maken. ,,Zurg goed voor dat pak, Evert,” dringt zij nog aan. „Ik zal het doen,” belooft hij en als hij de deur sluit, ontwaakt een plotselinge energie in hem. Maar wat zal zijn moeder er van zeggen als Met een voldaan gevoel gaat Lumme haastig naar huis. „Zie zo,” denkt ze. Mimme wil nergens van weten. Ze zal alleen de papieren tekenen, heeft ze gezegd, maar ik heb gezorgd, dat Snibbetje het cadeau krijgt, dat Mimme gewend is aan de kinderen van de beste klanten te geven, als ze gaan trouwen. Alles wat ze nodig zal hebben om het huis schoon te maken, zit er in. Ik heb niets vergeten, dat weet ik zeker.” Dan ontkleedt zij zich zachtjes om Marretje niet te wekken. Maar Lumme schrikt hevig, als een nijdig gezicht plotseling tussen de bedsteegordijnen doorkijkt en een bestraffende stem klinkt: „Wat bestoffel jie toch in de nacht. Ik hew van niemand op de warreld zo’n verdriet as van joe. Mijn hiele nachtrust is alwier bedurven. As je soms ambisie hewwen om kol te worden, zeg het dan, dan zal ik wat katten voor je vangen.” ,Je hewwen voor mij niks te vangen,” is het grimmige antwoord, „en met je nachtrust zal het wel goon. Maak je soms zurgen over Snibbetje? Gien steek! Kan het je wat skielen wat voor een man het is? Het kan er wel iene wezen, die rood op de graot is. Ientje, die aan God noch gebod gelooft.”

,,Dat moet ze zelf wieten,” grauwt Marretje terug. ,,Jie hewwen je er in ieder geval niet miee te bemuuien en hou nou maar je moend, nachttrinkinker." Nog steeds duldt Marretje geen inmenging van haar eigen kinderen, maar Lumme is de enige, die zich tegen de moederlijke tyrannie verzet. Als zij even later de slinger van de pomp hoort gaan, lacht zij tevreden achter de veilige beschutting der bedsteedeuren. Dat is Marretje, die last heeft van haar zenuwen en nu de armen in het ijskoude water dompelt.

,,Dat laatste schot was raak,” mompelt Lumme tevreden. Maar een paar dagen later voelt Lumme zich minder voldaan. Weer heeft Evert haar zachtjes op de arm getikt en haar verteld, dat hij het pakket niet kwijt kon raken.

„Lumme,” zegt hij, „het spit me zo, maar ze was al weg.

215

Haol het pak wier op vanavud. Ik wil het ok wel bringen, maar met het oog op Marretje, zie je.”

Lumme knikt zwijgend. Haar ogen schieten vol tranen, nu het plan mislukt is. Met de punt van haar boezel veegt zij nijdig de tranen weg. Vroeger had ze nooit last van dat gesnotter en tegenwoordig om de haverklap.

„Ik koem,” zegt ze kort.

Evert oefent de hele middag om een goedgemeende verontschuldiging samen te stellen en te beloven, dat hij het pak verder door wil zenden. Hij verwenst zijn zware tong. Maar het gaat soms zo zonderling met moeilijke en schuchtere naturen. In plaats van over het pak te praten, vraagt Evert haar voor de hoeveelste keer? ten huwelijk. Lumme en hij kunnen niet over hun verwondering heen, als het meisje in een plotselinge opwelling ,,ja” zegt. Zij verbindt er echter de voorwaarde aan, dat Evert het met Marretje in orde moet maken. „Lot dat maar aan mij over,” zegt Evert overmoedig. ,,Dat mak ik wel in orde, as ik murgen om de bestellinge koem. Ik zal je effen theusbringen, Lumme.” ,,Nee, dat hoeft niet. Begin niet met zokke gekheid, Evert. We binnen allebei oud,” zegt Lumme en voorzichtig doet zij de deur toe.

Het pak staat vergeten in het achterhuis, want als Evert de volgende dag tegelijk met zijn bestellingen zijn huwelijksaanzoek afhandelt, antwoordt Marretje beslist, dat ze Lumme niet kan missen. Als ze wil trouwen, dan moeten ze maar bij haar in komen wonen.

Van die tijd af raast Lumme’s hoofd van de zorgen. Er is zo veel te doen. Die Evert had al drie keer gevraagd, of ze goed met de naald overweg kan, want hij wil drie blauwe tussenbroeken.

Lumme wil er met Marretje niet over spreken, om Snibbetje eens te schrijven. Ze durft de naam haast niet meer te noemen, want bijna elke nacht gaat de slinger van de pomp. Nu zal gauw de Meimaand komen. Wat zou die Snibbekop doen? Lumme gelooft vast niet, dat ze zal blijven in die grote, goddeloze stad. Dat zo’n meid zich nu nergens meer iets van aantrekt. Er is zoveel gebeurd. De roodbonte heeft gekalfd, de kippen zijn aan de leg, het vee gaat gauw in de weide. Wat zou die Snibbe daarvan kunnen genieten. En nu . . . O, er is zoveel te doen op het eiland. Neem alleen maar eens die muggenplaag. Bij milliarden komen ze op Urk aanzetten 216

en zij verstikken de kamers met een scherpe lucht. Gelukkig sterven ze na een etmaal af, maar de winden voeren steeds nieuwe wolken aan. De muggenbron schijnt onuitputtelijk. Het regenwater in de bakken stinkt door het vieze gedierte, dat zich in de frisse dakgoten nestelt. ,,De plagen van Egypte hebben we nu, ’ klagen de buren. ”Als ut dat allien maar was,” zucht Lumme, de met een brandende bos stro door het nauwe gangetje scharrelt, om het ondoorzichtelijk spinnennet te verdrijven. De spinnen vergezellen de muggenplaag. Doodmaken helpt niet. Ze zijn legio. Ze dringen door tot in de bedstee en roven Lumme haar rust. Vandaar haar venijnige jacht. „D‘e smeerlappen ... zij zijn binnen een uur overgrootvader. Of ik geen wark genoeg hew,” zucht ze. Woedend proest ze tegen de rook, die haar in het gezicht slaat. Haar ondermuts staat scheef en haar schort fladdert nat tegen haar benen. Nee, Lumme ziet er niet uit als een blijde bruid. Vol zorgen is haar hoofd. De eerste grijze haren lopen zilverig door haar zwarte kuif. Het is zo somber en stil geworden in het oude huis. Zo kan het toch niet langer. Allemaal is het Snibbetje’s schuld. En die Mimme . . . Lumme moet toch nog eens met haar praten. Doelbewust stapt zij naar binnen. Het is zo vreemd, om de bedrijvige Marretje voor het raam te zien zitten met een breikous. Plotseling heeft Lumme medelijden met haar. Wat heeft ze nu gewonnen met haar jarenlang zwoegen en tobben? Niets heeft ze overgehouden, deze vrouw. Haar zaakje is teniet gegaan, doordat de vissers weg bleven. De kinderen gingcn hun eigen weg, haar man is dood. Alles heeft zij voor haar ogen zien afbreken. En nu dit met Snibbetje nog. Daar maakt Marretje toch veel meer spektakel van dan nod;g is. „Zullen we niet urs prebieren, om het adres van Snibbetje te kreegen?" begint Lumme schuchter. „Ach, ouwe wiebemeis, kreegen we het wier?” zegt Mar¬ retje.’„Zet maar liever koffie. Bin d’r al Noordzeevissers binnen?”

„Wou je murgen dan vis eten? vraagt Lumme. „Nee,” zegt Marretje, ,,ik miende, dat ik 't daornet iene binnen zag koemen. Zou de vis duur ewest hewwen in Amsterdam?”

,,Ik wiet ut niet,” antwoordt Lumme onverschillig. Zij vraagt zich verwonderd af, waarom Marretje nu met haar gedachten bij de visafslag in Amsterdam zou wezen.

217

„Lumme,” klinkt het even later, ,,hou nou op met dat gereken op je vingers. En dat gezeur over rood op de graot wil ik ook niet meer horen. Ze zal zelf gaauw genoeg ontdekken, of die kerel deugt of niet. En as het heur niet zint, komt ze wel w-'eromme. Zij et nou ommers ’r zin? Nou kan ze de Moloch dienen. Ze wou ommers nit angers? Er deugde hier niks. Ja, nou kan ze stappen op hoge hakken, as een haon van een stoter. Dat een mins daor z’n kiengeren nou voor groot bringt.”

Zuchtend staat ze op. ,,Ik zal effen het geld haolen van het raodheus.” Dan loopt ze het paadje af, om haar wekelijkse toelage te halen.

,,Een wonder, dat ze daar niet te trots voor is," peinst Lumme. En als ze daar na Marretje’s terugkomst op zinspeelt, krijgt ze ten antwoord: ,,Dat is geld van je taote! Zou ik me daarvoor schamen, joe ouwe be-muuial.”

Haar ogen turen door het zijraam, waardoor zij de binnenkomst der vloot kan zien

En Zondagsavonds staat het oude huis op stelten, want Marretje gaat op reis!

Klaas heeft Zaterdag zijn boodschap overgebracht en Marretje had hem toen krachtig en kort bevolen om te zwijgen, als hij niets anders wist te vertellen. Maar Klaas was er de man niet naar, om zich het zwijgen te laten opleggen. Ka’m vertelt hij verder. En hij besloot met een kernachtig: ,,En nou is het welletjes, schoonmoer. We vaoren Maondag op Amsterdam!"

Toen was Marretje boos geworden. Of hij soms dacht, dat een oud mens als zij nog een reis om de wereld kon maken. Nee daar bedankte ze lekkertjes voor.

„}ie oud?" had Klaas toen gezegd. „Dat is voor het eerst, dat jie dat wieten willen," en lachend was hij heengegaan. Tussen Marretje en Lumme heerste weer een bot zwijgen, dat duurde tot de Zondagavond. Toen zei Marretje plotseling:

,,Zoek een koffertje, Lumme! en zit niet zo te soezen over dat Zuundagsblad, als Evert in de kamer is. Er stoon toch niet angers as leugens in."

,,Ik lees liever een leugentje as niks,” lacht Lumme. ,,Dat zeg je zelf ten minste altoos.”

„Mauw niet.” beveelt Marretje kort. „Zoek op mun klieren. 218

We zullen alles inpakken. Ik gaan van de nacht met Klaos. Doen mun Zuundagse goed in de koffer, aan boord draag ik wel mijn daagse. En ok een schoon nachtjek. Nee Lumme, niet zoveel boezels!” ,,As je soms bakeren moeten,” aarzelt Lumme. ,,Dan zal er eerst wat bij Snibbetje moeten wezen. Met is voor het eerst, dat zij die naam weer noemt. ,,En doen er ok al mijn brillen in, Lumme.” ,,Veeve zitten er al in,” antwoordt Lumme. ,,Misschien kan ik nou metien ’rs kieken nor een goeie bril, want mijn ogen worren slechter,” peinst Marretje hardop. ,,As je dan maar rs nor een goeie dokter ging, want je hewwen er nou al veeven ekoft van die kastjesvinters. En je kan nog niks zien.” ,,Ze mossen joe prefester maken. Die Evert krigt een lot. O ja, mun snuf, vergeet die vooral niet. Angers kreeg ik last van zwartgalligheid. En ok wat sloan. Mun linkerarm zit wier vol rimmetiek. En dan kan ik dat keend niet reminten. Ja, nog wat coffia, ja, dat is goed om kalm te bleeven, want o wee, as ik heur zien. En doe d'r nog een flesje nux vomica bij, Lumme, want wie weet, wat voor brouwsels ze klaor makt. Ik kan toch al zo slecht tuugen vreemde kost. Is nou alles er in, Lumme?” Marretje blijft nadenken, maar het schijnt een probleem, waar ze niet uit kan komen. ,,Wat dink je, Lumme, zou ik wat gerookte aol mieniemen voor die man van Snibbetje?” „Ik zou hem niet tevuul gieven, Mimme,” zegt Lumme bedachtzaam. „Het is een vreemde snuut en die moet je nooit verwinnen, ze bin zo bretaol as ze groot binnen. Maar Lumme begrijpt, dat Marretje in Amsterdam goed voor de dag wil komen en ze zegt ten slotte: ,,Nou, doen het toch maar. Maar zurg, dat Snibbetje er het mieste van krijgt.”

Lumme slaapt die nacht als een roos. De slinger van de oude pomp blijft ook in rust, want geen weerspannige zenuwen behoeven tot bedaren te worden gebracht. Om vier uur in de ochtend staat Marretje voor Lumme's bedstee. Haar vitaliteit is weer ontwaakt. ,,Bleeuf maar leggen, Lumme, ik ben al hielemaol klaor,” zegt ze kordaat. ,,Je lotten je niet bietniemen duur Evert met de vrachtpreezen hoor. Hij et een gewieten as een teertonne en betaol die vint van de boot niet maar dan 200 eieren, want als ik weg ben zal hij er wel 300 op de rekening zetten.”

219

„Nee, dat dot hij niet." zegt Lumme slaperig. „Die man is ommers zo aarlek as goud?"

„Wiet ik wel,” zegt Marretje. „Maar et zijn kop maar bij de jonge vrouwlui dan bij zun wark. Stuur de wissels desse week maar allemaol wieromme. Ik wil niet met een lege diezik op reze. Ik hew joen zulveren knip maar zolang eneumen en hou je verstand bij de warken, Lumme. En maak geen hokus-pokus met Evert.” ,,Mins, ik ben al haost veertig,” zegt Lumme beledigd. ,,Ik wiet best, wat ik doen en looter moet.” ,,Ik zeg het allien maar. Ik had ut van men egen keend ok nooit edocht, en nou z:e je.”

Marretje stapt naar buiten, waar Klaas wacht. Door de heldere Meimorgen stapt de kwieke visser met zijn stoere schoonmoeder naar de haven. Vijf minuten later tuffen ze al tussen de hoofden. ,,Goon in de stuurkast zitten,” zegt Klaas, „dan kuun je alles zien.”

Marretje kijkt haar ogen uit, als de boot zee kiest. Zij Scheldt de ronkende motoren nu niet uit voor rolduivels. Ze kan een gevoel van bewondering voor de behendigheid en vlugheid van de jonge knechten niet onderdrukken. ,,Dat is hiel wat angers dan vroeger, Klaos,” zegt ze zacht. Die knikt alleen. Zijn ogen turen de einder af met dezelfde valkenblik als Gerrit het eens deed.

In Marretje’s hoofd komen beelden uit het verleden op. Zij denkt aan de man, die zo plotseling uit haar leven is verdwenen. Als zij eens anders was geweest? Zou hij dit dan ook niet hebben bereikt? Ach nee zij schonk hem immers geen enkele zoon? Terwijl de hotter over de bedrijvige zee vaart, verdiept Marretje zich in de vraag, wat had kunnen zijn en misschien nog had kunnen komen, als Gerrit in leven was gebleven. Een merkwaardige zachte glimlach plooit haar mond, als zij denkt aan hun laatste gesprek. Het heeft alles zo moeten zijn. Wij leven immers maar een keer. Wat zou Gerrit in zijn ouderdom met al d'e nieuwigheden hebben moeten beginnen? Ja, Snibbetje is een dwarrelwind, had hij gewaarschuwd en zij had er niet naar geluisterd. Het is goed, dat hij dit niet heeft hoeven beleven met Snibbetje. Haar mond verstrakt zich weer en somber dwalen haar blikken over het wijde water, waar de golven dansend deinen in de milde Meizon, Het is hier mooi en ruim. Geen wonder, dat de 220

vissers hun hart aan dit water hebben verpand. En dit alles liet Gerrit vrijwillig in de steek voor Snibbetje, om haar te helpen op muffe zolders en in de benauwde stal. Toch glimlacht Marretje weer, bij de herinnering aan Gerrit en Snibbetje, zoals die samen waren . . .

En die glimlach blijft, als ze met Klaas de grote stad doorkruist, om Snibbetje’s woning te zoeken. ,,Wat wiet jie alles goed, Klaos,” zegt ze waarderend. Monter antwoordt hij: ,,Een vissersman is in alle plaotsen burger. Wij zwurven opheden overal." ,,Michtig, wat een minsen en wat binnen ze allemaol op durlui’s Zuundags,” verwondert Marretje zich, als ze in de tram zitten. Zij kijkt maar naar buiten en ondergaat de invloed van het nieuwe en vreemde zozeer, dat ze aan geen kalmerende middeltjes hoeft te denken, als ze Snibbetje ontmoet in haar kleine nette huisje. Zij maken geen scene en er vloeien geen tranen. Een ogenblik peilen die twee vrouwen elkaar.

„Hoe kon je me dat an doen, Snibbetje?” vraagt Marretje stuurs. ,,Daor hew ik nooit over edocht. Ik houde toen allien maar van hum,” antwoordde Snibbetje. ,,Ik hew er verdriet over, keend.” „Ik ok,” klinkt het triest.

Die toon ontgaat Marretje niet. Zij ziet de verandering, die in Snibbetje’s wezen heeft plaatsgevonden. Zij ziet dat bleke gelaat, met de vastberaden, stroeve trek. Dan zet Marretje haar eigen verdriet op zij. Zij weet, dat hier geen onbezorgd geluk woont.

,,Snibbetje,” vraagt ze, ,,waarom kwam je niet nor heus?” „Om het keend," is het antwoord, ,,angers narges omme." Nu weet Marretje genoeg en zij houdt haar bestraffende woorden in. ,,Zet een bakkien, Snibbetje, want ik moet wier voort,” stoort Klaas, die intussen het huisje bekeken heeft.

Dat doet ze en het breekt de spanning. Marretje bespiedt haar dochter met bezorgde blikken. Ze weet het nog niet. Straks zal ze oordelen. Eerst moet ze die man zien.

Als de koffie op tafel staat, holt Snibbetje op een drafje naar de banketbakker.

„Het likt wel of je toveren kuunen,” lacht Marretje verbaasd als Snibbetje zo gauw met gebakjes terugkomt. ,,Ja, dat kan hier gaauw, Mimme.”

221

Dat oude vertrouwde woord vaagt Snibbetje’s gevoel van beklemming geheel weg.

Mimme zit zo genoeglijk in de makkelijkste stoel. Ze kijkt de kamer rond met de oude vrijmoedigheid. „Wat een hukkien van een heus is het hier en is dat daor je kuuken, Snibbetje? Daor kuunen we niet iens met z’n beien in.” ,,De heuzen binnen hier allemaol zo klen,” zegt Snibbetje. Klaas en zij maken zich vrolijk om Marretje’s manier van doen. Niets deugt er in Amsterdam. Alles wat ze in het huis ziet vindt zij vreemd en keurt zij dus af. Met een glimlach van voldoening laat Klaas zijn schoonmoeder achter. ,,Die twee hebben elkaar gevonden,” denkt hij. Ook als Klaas vertrokken is, klinkt Snibbetje’s lach nog na. Met Mimme verdiept zij zich in het moeilijke karakter van Lumme. Toen zij vroeg, hoe die het maakte, kwam Marretje’s tong los. ,,Dat is het lastigste schepsel dat er op Gods aardbodem roendloopt. Die bemuui zich nou letterlijk met alles. Kiek urs, wat ze in de koffer estopt et! A1 mun medicamenten! Ze is vanzelfs bange, dat ik ziek worren zal van de reze. Ouwe weeven wil ze niet oppassen. Ouwe mannen ja, dor et ze een zwak vor, dat got beter. Wiet je, dat ze op haar ouwe dag nog gat trouwen met Evert .?!” Snibbetje schatert. Dit is het plezierigste moment sinds Mar¬ retje’s aankomst. Maar haar mond verstrakt als zij beneden een sleutel in het slot hoort steken, Onmiddellijk zit hier nu een ander Snibbetje. Een koude, jonge vrouw, met harde ogen en een verbeten mond. ,,Dat is hem, Mimme,” zegt ze achteloos en zij verdwijnt meteen naar de keuken met het koffieblad. Zijn luchthartige deuntje fluitend, komt Dick Terweert de zonnige kamer binnen. ,,Hallo, ik heb niet veel tijd, Snib . . .” De ogen knipperend tegen het zonlicht, ziet hij daar die kordate Urkse zitten en hij weet onmiddellijk, dat het zijn schoonmoeder is. Slechts een ogenblik weifelt hij, maar al heel gauw heeft hij zijn houding bepaald. Hij moet deze vrouw gunstig voor zich stemmen en dat is hem toevertrouwd. Dat is een tweede Snibbetje. Nu geen stomme streek uithalen. Met uitgestoken hand komt hij op Marretje toe en met een zachte stem, waarin iedere schijn van enige meerderheid ver222

dwenen is, zegt hij: „We hebben het niet mooi met u gemaakt, moeder.”

Marretje’s scherpe ogen hebben hem al opgenomen en zij weet: Dit is niet de gewetenloze verleider. Nee, dit is niet de schurk, die zij zich in haar zenuwbuien heeft voorgesteld. Hij heeft veel van Snibbetje zelf, een kwajongen, die het leven naar zijn hand probeert te zetten, maar dat nog lang niet kan. Dit is Snibbetje’s partner in het proberen. Marretje bezwijkt voor zijn innemende manieren en zegt met een wijs hoofdknikje: ,,Nee, mooi emaakt met mij hew jului het zieker niet, da's vast.”

Marretje’s heldere ogen hebben meer gemerkt. Er is iets tussen die twee, maar zij zal er zich niet mee bemoeien. Dat moeten ze zelf maar opknappen. Haar toon is ongedwongen in de dagen die volgen.

't Mooie weer lokt haar telkens naar buiten. Bijna elke middag klinkt het: ,,Snibbetje, ik wou nog wel wat winkels zien.” En als Snibbetje haar jas en hoed aandoet, krijgt zij ook elke dag te horen: ,,Dat vreemde semaor stot je niks. Foei, wat et je dat lellik emaakt!”

Genoeglijk slenteren ze langs de winkels en Marretje komt maar niet uitgekeken. Alle prijzen vergelijkt zij met die van haar winkeltje. Royaal tast zij in haar beurs en als Snibbetje daar wat van zegt, knort Marretje: ,,Je moeten het zo benauwd niet op niemen. Er got niks boven een rejaa! leven. Sjonge, wat een kostelijk vies liegt hier voor de ramen. Die man van je moet je's middags een ordentelijk stukkien gieven, dat komt een man toe. Je moet wat meer op hem letten. Je goeie taote zeen altoos: ,,Ik zou wel een worst lusten, die twiekeer om de vuurtoren kon,” en zo was hij niet alliendig, zo bin alle manlui. Hoor Snibbetje, ik kon nu wel vast wat ,,welkum” kopen, want zonger ,,welkum” durf ik niet nor heus. Wat denk jie er van?” ,,Lotten we liever nor heus goon," stelt Snibbetje voor. ,,Ik geloof, dat ik in de rutellige koem . . .” Marretje kijkt haar onderzoekend aan en zucht onhoorbaar. Ook de volgende dag krijgt zij geen kans om haar ,,welkom” te kopen. Als Dick thuiskomt voor het koffiedrinken slaat een prikkelende, vreemde ziekenhuisgeur hem tegen. Ondragelijk vindt hij die lucht en het pijnlijk kreunen dat op de trap al tot hem doordrong, maakt hem nog nerveuzer. Verdorie, waarom was ze ook niet naar een ziekenhuis gegaan. Hoe vaak

223

had hij daar niet op aangedrongen. In alles is ze eigenwijs en drijft haar eigen wil door. Onrustig loopt hij de kamer op en neer. Hoe lang zou zoiets duren? Zijn ogen volgen de wijzers van de klok. Eigenlijk had hij al lang naar kantoor moeten zijn. maar die geluiden maken hem zo angstig. Er is vast iets niet in orde. Resoluut opent hij de slaapkamerdeur. Twee mensen buigen zich in ademloze spanning over het smalle bed. Daarnevens zit een kalme schoonmoeder in devote houding. Hij ziet even het bange, verwrongen gezicht van Snibbetje. Dat is iets onmenselijks. Dat kan toch niet duren zo? Hij hoort een scherpe, de stilte snijdende gil. Dick Terweert staat als aan de grond genageld. De pijnkreet wordt gevolgd door het zachte, wondere schreeuwen van een klein mensje. Ongewild is Dick Terweert getuige geweest van de geboorte van zijn zoon. Met knikkende knieen verwijdert hij zich langzaam. Lachend treedt de verpleegster de huiskamer in. ,,Gefeliciteerd, mijnheer, het is een pracht-jongen.”

Maar Dick kijkt haar verwezen aan. Hij heeft geen deel in de algemene vrolijkheid. Als door een mist hoort hij Marretje tegen de dokter zeggen: ,Jie binnen gien Amsterdammer, dokter.”

En de dokter antwoordt: ,,Nee, ik kom van Texel. Hoe weet u, dat ik geen Amster¬ dammer ben?”

„Dat zag ik al derect toen u binnenkwam,” deelt Marretje hem lachend mee. Zij is in deze geluksroes tegen iedereen amicaal en haar zonnige stemming wil niet wijken. ,,Snibbetje,” vermaant zij haar dochter de volgende dag, ,,als je dat wuppertje niet verbien om je keend op zijn nakende bassien te wassen, dan zul je er niet lange plezier van hewwen. Ze leeft er net mee, of het een varkentje is.” Snibbetje glimlacht: ,,Het is haar wel toevertrouwd. Ik vind het een echt goed zustertje.” ,,Snibbetje, die man van joe kiekt net so sip, of hij een klap van de mulm ekriegen et.”

Nu is Snibbetje’s stem weer koud: ,,Hij et een hekel an ongewone dingen, het heushouwen is een bietje in de warre. Zurg maar, dat ie alles op teeud krigt.”

In het schemeruur wordt dit gesprek gehouden. Marretje kijkt bedachtzaam uit het raam en critiseert alweer: 224

,,Een doodse straot is het hier, met al die hoge, sombere heuzen. Urk is vuul vrolijker, vooral nou. Trouwens, vroeger ok. Het was er alteeud goed. Toen ik jonk was Ach ja, Snibbetje, toe ik jonk was droeg ik nooit een keend van de man, waor ik arg vuul van hub Ik ben jaloers op joe.” Snibbetje staart haar zwijgend aan. Het is geen vrolijke, jonge moeder, die daar in bed ligt. Wei is de harde trek verdwenen, maar een weemoedig waas hangt over dit bleke gelaat. „Kom,” zegt Marretje. ,,Ik goon effen een luchien scheppen, keend, het is al bruuig in de natuur.” Tegen haar schoonzoon zegt ze: ,,Let jie effen op, jongeman.” De ,,jongeman” staart peinzend uit het raam. Hij wil niet weten, hoe diep het wonder der geboorte hem heeft geschokt. Zijn zelfvertrouwen is hij kwijt. Dat tafereel van de slaapkamer heeft hij nog steeds voor ogen. Die kleine, koppige vrouw van hem. Voor die moeite was ze niet uit de weg gegaan. Vrouwen en moeders zijn toch wonderlijke wezens, waar je geen hoogte van kreeg. Zijn eigen moeder ook. Toen hij de wereld introk, om zich een zelfstandige positie te veroveren, had zij hem bij zich geroepen en hem woorden ge~ zegd, die hem nu zo duidelijk in zijn ziel gegrift staan. „Als baby was je mijn glorie en als klein kind mijn trouw riddertje. Toen je een blaag van tien was, was je de brutaalste van allemaal en als aankomende jongen en student heb je mij grijze haren bezorgd. Maar je blijft, ondanks alles, mijn zoon en ik acht je niet tot een echte gemeenheid in staat. En nu ben je volkomen vrij om te gaan waar je wilt.” Zijn studie heeft hij niet voltooid. ,,Vreemd,” denkt hij, ,,ik had toch graag bouwkundig ingenieur willen worden. Hoe komt het, dat ik een paar tegenslagen niet heb kunnen overwinnen? Mijn leven zou anders geweest zijn en me meer voldoening hebben gegeven dan nu. De hele dag op een kantoorkruk is toch e genlijk niets voor mij. Nou ja, promotie en goede vooruitzichten, maar het ligt allemaal nog zo ver in het verschiet. Twee jaar heb ik nu voorbij laten gaan, maar die zal ik inhalen. Ik heb nu al lang door, dat het leven niet enkel genieten is. Als ik wat bereiken wil, dan zal er een taaie volharding aan te pas komen. Niet meer voor moeilijkheden uit de weg gaan. Hoe zou de ouwe heer over me denken? Die laatste, stomme streek van me zal hem wel dwars zitten. Voorlopig zal ik maar niet schrijven, dat ik vader ben. Dat heeft de tijd nog wel. Ja, daar heb je het weer: ,,Je aanvaardt niet,” zou Snibbetje zeggen, als ze wist, wat ik nu dacht. Ik

225

mag wel eens naar mijn kleine dappere compagnon gaan kijken."

Hij buigt zich over het smalle bed. Voor het eerst is Dick Terweert een mens geworden. Een mens, die met warmte vraagt: ,,Heb je iets nodig, Snib?”

Maar hij schrikt, als donkere, harde ogen hem aankijken. „Niets, is het antwoord. ,,Mimme zal wel gauw terugkomen. Ik heb je niet nodig.’’

Met enige beduchtheid vraagt hij: „Je houdt je toch aan ons ,,contract”, he Snibbetje?”

Koud klinkt het terug: ,,Natuurlijk, als jij het ten minste ook doet.”

En nu zegt hij spontaan, terwijl hij zijn hand op haar schouder legt: ,,Snib, kan het niet anders tussen ons worden, nu de jongen er is?”

„Nee,” zegt de stroeve mond. „Ik zal je niet langer tot last zijn dan nodig is. Ik heb nu immers Mimme en mijn volk weer.”

,,Maar aan onze afspraak zul je je toch houden, he?” Strelend en dwingend is zijn stem. Snibbetje voelt er zich door getroffen. Zij geniet heimelijk van zijn onzekerheid. Maar hooghartig antwoordt zij: ,,Ik ben nog nooit van mijn post weggelopen.” ,,Dan is het goed,” zegt Dick en hij verdwijnt van het bed. Hij is gerust en rekt zich behaaglijk in de ondergaande Meizon; evenals vroeger Snibbetje's roodharige vriend de kater het deed. Een partner, die je in het oog kunt houden, is niet vermoeiend. Dick spint genoeglijk Leuk spel

„Nu kan ik toch gerust niet langer blijven,” zegt Marretje na enige dagen. ,,Vraag aan je man, of ie effen met me mie got, want ik moet wat ,,welkum” kopen.”

„Vraag het hem zelf maar,” zegt Snibbetje. „Ik dink niet, dat ie het dot. Vreemden lopen niet graag met Urkers in hun dracht.”

„Dat moet ik nog zien!” en Marretje stapt kordaat de kamer in. ,,Komaan, jongen, wil jie ’rs effen wat booskippen met me doen? vraagt ze met natuurlijke vrijmoedigheid en zonder de minste aarzeling voIgt Dick zijn schoonmoeder. Hij let niet op 226

de nieuwsgierige blikken van de voorbijgangers, want Marretje neemt zijn aandacht geheel in beslag. ,,Je moet maar niet tevuul letten op Snibbetje’s nukken, jongen,” zegt ze hartelijk. ,,Nou docht ze wier, dat je niet met me lopen wou, maar voor zo kiengerachtig zien ik je toch niet an. Ik geloof, dat jie de rechte man voor heur binnen, maar je moeten nog hiel wat aan haar opknappen. Als jie nou maar tonen, dat je boven zulke dingen staon, dan komt het best in orde,” zegt ze vertrouwelijk, ,,en nou moet je me rs nor zo n winkeltje bringen, waor alles een dubbeltje kost. Ik hew er zovuul, die an mijn rok trekken.” Samen gaan zij een goedkoop warenhuis binnen en Dick Terweert amuseert zich kostelijk met zijn schoonmoeder, die met allerlei trucjes de gewiekste Amsterdamse koopman zijn winst probeert te ontfutselen.

„Ik wil graag wat van die fluetjes,” zegt Marretje gemoedelijk. ”Wat zeg je, tien cent per stuk? Nou, hoor es man, drie voor een kwartje is ok geld en als je d’r een paor hewwen, die n et zo arg goed willen, doen die er dan maar bij voor een steuver. Daor hewwen de klentjes toch niet zo'n arg in. En gief me ok nog een paor van die piepzakken, die je mot opblaozen. Daor bin ze gek op, die klenkienderen van mij. Et meneer ok kiengeren? Nou, dan wiet je er alles van hi? Die spoortjes binnen me wat te duur. Oe ja, een moendurgel en een paor proppeschieters voor de jongens van M.ariap. Dat is oense durpsdichteresse, zie je. Ja, we hewwen van alles op oens eiland. Het mankiert oens nargens an. Meneer houdt zieker ok wel van een greppien op z’n teeud?

De koopman lacht en laat menige stuiver op de prijs vallen. ,,U houdt er heel wat kleinkinderen op na,” glimlacht hij, als Marretje op het punt staat te vertrekken. „Een stuk of vier maar, maar vor de kiengeren van mijn beste klaanten moet ik ok wat over hewwen,” zegt Marretje vrolijk, en ze groet beleefd.

De man achter de toonbank voelt zich bedot en de koopvrouw lacht buiten tegen haar schoonzoon: „Hij docht zeker, dat ik een skoeltjen vol van mezelf hadde. Foei, wat maken de minsen hier een kouwe drukte after de toonbank. As ik zo’n harrie voor m’n klaanten maken mos, had ik het nooit eut-houwen, al die jaoren .. .”

Er is zo veel, dat Marretje tegenstaat. Als Snibbetje voor het eerst op mag, roept haar moeder: ,,Snibbetje, koem nou 'rs effen bij het raam. Wat er nou loos is in de straot wiet

227

ik niet. Een wagen vol bloemen, en allemaol mannen met hoge hoeden."

„Dat is ’n begrafenis,’’ zegt Snibbetje. „Dat hoort hier zo.” Misprijzend volgen de oude ogen de stoet. ,,Ik wiet ut niet, Snibbetje, maar ik goon murgen weg. Ik wil zo'n harrie niet after mun hewwen as me hier ’rs wat over moch koemen.”

„Het is toch wel plechtig,” verdedigt Snibbetje de Amsterdamse begrafenis. ,,Het trouwen gat hier ok zo mooi." „Hew jie er ok nog harrie van emaakt, Snibbetje?”

„Dat recht had ik ommers verbeurd, Mimme. Ik hoorde niks van joelie, ik had er gien aordigheid in.” ,,Ja, hoor urs, Snibbetje, je kinnen het spreekwoord hi?” zegt Marretje meedogenloos. ,,Die zijn koente braandt, moet op de bloaren zitten.”

„Dat doen ik ok,” zegt Snibbetje. ,,Ik zal me wel redden." ,,Snibbetje! Michtig. Daor loopt een frommes met een hoendjen in heur arm. Ze binnen hier beter vor de dieren dan bij ons. Een paar van die rakkers hewwen mijn ouwe zwarte schaap zijn ogen pas eut-estieken.”

„Dat is het Urker kannibalisme!” zegt Snibbetje vol afgrijzen. ,,Hew je dat niet tuugen de pelisie ezegd?” „Neeje,” zegt Marretje, ,,ik bin m’n egen rechter.” ,,Vandaor, dat de juugd bij oens zo baldaodig is,” zegt Snibbetje. ,Jului willen alles zelf opknappen." Marretje haalt de schouders op en zegt onverschillig. „Het zal hier ok wel niet zo volmaakt wezen. Hier steken ze enkanger wel op een angere manier de ogen eut. Met mooie kledije en zo. Ik begeep er niks van. As dat allemaol kan, dan zinkt de wegenaor.”

Snibbetje voelt de weerbarstige behoefte, om haar nieuwe woonplaats te verdedigen. „Het leven is hier makkelijk,” zegt ze tegen Marretje. ,,Je binnen hier je egen baos.” Marretje schudt het hoofd. ,,Je hewwen weinig elaard eut disse weg, keend,” zucht ze, en dat herhaalt ze die middag nog eens, als de domine op bezoek is geweest.

Marretje wist niet wat ze zag, toen die domine verscheen. Ze straalde van genoegen. ,,Dat is nog hartelijker as bij oens,” fluistert ze Snibbetje haastig toe.

In haar ijver, om haar dankbaarheid te tonen voor de eer, licht zij domine ongevraagd in over Snibbetje’s deugden en ondeugden.

228

„Een mins et wat met z'n kiengeren te stellen,” zegt Marretje vol zelfbeklag. ,,Dit leste et mun haost eknakt. Schuchter bijna vraagt de pastorale bezoeker, of Snibbetje ook spijt heeft van haar daad. ,,Berouw, berouw,” prevelt Snibbetje, schouderophalend. „Moet

u maar eens kijken, wat er in de wieg ligt. Een pijnlijke glimlach, een onderzoekende blik op moeder en dochter, en tactvol drijft domine het gesprek in een andere richting. Het afscheid is echter bijzonder hartelijk en in de gang kijkt domine nog even zijn notit eboekje na, voor het volgende adres, waar hij waarschijnlijk wat vormelijker ontvangen zal worden.

,,Dat was geen antwoord, Snibbe,’ bestraft Marretje haar dochter. ,,Er is met joe gien wiend te bezelen. Wat was dat vor een gezegde. Zulks zeg je tuugen je man of je vrienden. Maar een domeny, dat is toch wat angers. Zul je je plichten trouw waornemen, as ik weg ben?”

„Dat hew ik altoos edoon."

..Snibbetje, je man kan mij murgen wel op de trein bringen. Ik wil nou die reze urs prebieren.”

,,Ik zal het zelf wel doen, Mimme, ik ben zo goed als wat. „Nee, dat gebeurt niet,” zegt Marretje beslist. „Het keend is nog niet iense edoopt, en dan jie alwier bij de weg ronnen. Schaam je wat! Die man van joe kan het best doen. Je hewwen raore ideeen, Snibbetje. Vertel me urs, is dat de allernijste moede: ieder een aparte slaapkamer? Oenze veurige burgemester had ok van die klene bedden, maar die st ngen naost dekanger. Dat et Janneke wel urs ezegd. Die et ’r ommers nog een blaauwe Moondag ewarkt?”

„Ja,” knikt Snibbetje. „Als ik joe was, Snibbetje, dan ding ik dat ok. Dan hew je vuul minder wark en as het keend s nachts rs lastig is, dan moet de man net zo goed oppassen as de vrouwe. Je moeten ze op dat gebied niet te vuul verwennen. Samen staan ze bij de wieg. „Wat et dat keend een spierwit kuifje hi?” zegt Snibbetje zacht, als Marretje afscheid wil nemen. Het afscheid heeft zonder sentimentaliteit plaats. Heel gewoon zegt Marretje: ,,Dat hewwen alle Urkertjes. Laoter worren ze donker. Nou, het beste hoor.” Snibbetje’s harde ogen staren in die van haar moeder, die net zo donker zijn, maar door het leven zijn verzacht. Marretje

229

buigt zich nog eens over de kleine jongen en haar handen spelen met het witte kuifje. ,,Wat is het een pronk van een jongen, Snibbetje,” fluistert ze zacht. ,,Laat hem liggen, Snibbetje, maak hem niet wakker. Hij kan het wel beuten een poesien doen." En heel ernstig laat ze er op volgen, als sprak ze tot zichzelf: ,,Ja, we moeten oens behaarsen, in het belang van de kiengeren.” Marretje kijkt haar alleen aan, met ernstige, bezorgde moederogen en Snibbetje onttrekt zich aan die blik, door een plotselinge overdreven zorg voor Mimme's bagage. ,,Kom an jo, zegt de oude vrouw tegen haar schoonzoon, ,,draag jie die koffer rs effen.”

Dick Terweert volgt haar gewillig. .Jongen,” noemt zij hem en als een jongen heeft ze hem al die veertien dagen behandeld, zonder dat hij er zich door beledigd voelde. Integendeel, hij voelt zich sterk aangetrokken tot deze resolute vrouw, met haar koene levensdurf. Het afscheid is hartelijk geweest. Als Dick naar huis terugkeert, peinst hij met een geamuseerd lachje: ,,Het is de omgekeerde wereld bij ons. Ik kan het met mijn schoonmoeder beter vinden dan met mijn vrouw. Maar die klerne trekt ook nog wel bij. Ik zal haar voorlopig aan haar zelf overlaten en je zult zien, dat ze gauw genoeg bij me aanklopt. Ja, ze kan liefhebben, als ze wil. Geduld maar ..” En weer fluit Dick genoeglijk, als hij thuiskomt.

Nu Marretje’s wiegende gestalte in het kleine huisje ontbreekt, is het er stil geworden. Beklemmend stil vaak. Twee jonge mensen zetten hun leven op dezelfde voet voort. Proberen het althans. Als een enkele keer de mannelijke compagnon het wachten verveelt en de jonge vrouw zich verstoord afwendt bij het geringste bewijs van een liefkozing, dan ontstaat er een heftige scene. Schor klinkt Snibbetje’s stem, als ze hem beveelt, dat te laten. Geprikkeld gaat hij er soms tegenin. Maar het gebeurt ook, dat hij zich met een raadselachtig lachje omdraait, haar donker dwingend aankijkend. Soms kan er wekenlang een stroef, somber zwijgen tussen die beiden heersen. En Dick Terweert weet niet, hoe hartstochtelijk Snibbetje dan 's nachts kan wenen. Wenen, zoals de ouden van haar volk doen bij het aanschouwen van de verwording, die rondgrijpt over hun geliefd eiland, dit symbool van hun geluk, dat niet ontkwam aan de greep van de nieuwe tijd. O, zij haat deze man, die haar mee wil voeren in een sfeer, die de hare niet is. En er is maar een tegen wie zij haar nood kan 230

klagen, dat is het kleine, spartelende kindje, dat op het kussen ligt. ,,Mijn kleine derde-manneke, als mijn vader nog leefde, dan was alles in orde. Dan gingen we nu al naar huis. Hij zou begrijpen, dat ik zo niet leven kan. Want jouw vader houdt niet echt van ons, ventje. Ik voel het. Maar we zullen op onze post blijven, tot het laatst toe. Wat jij, kleine man?” Ora en om draait ze het bol-ronde lijfje en met de ruwe handdoek wrijft zij het mollige ruggetje. Met een teer gebaartje kamt zij het pluizige, witte kuifje omhoog. ,,Nog maar een paar maanden,” fluistert ze hem toe, „dan gaan we weg, jij en ik. Dan is het contract afgelopen.” Ze vecht tegen haar tranen, en glimlacht tegen het kindje: ,,Ik heb jou toch, mijn derde-manneke. Thuis zal je van mij alleen zijn. Niemand zal ons kunnen scheiden. Laat eens kijken: lijk je op hem? O nee, ik zou er je niet om haten. Een vader, die niet eens aan zijn ouders schrijft, dat jij geboren bent. Maar we hebben ze niet nodig. Hem niet en zijn ouders niet. Jij wordt mijn eigen derde-manneke.” Snibbetje’s ogen schitteren weer als zij het truitje over zijn hoofdje trekt.

Zolang mogelijk geniet de jonge moeder van het Vondelpark, dat door de herfst in een wolk van goud wordt gezet. Zij ziet er tegenop, om naar huis te gaan en vooral de avonden worden een marteling. Dan zit Dick Terweert eindeloos lang over zijn boeken gebogen en er wordt nauwelijks een woord gesproken. IJverig en energiek werpt hij zich op het werk, maar Snibbetje vraagt niet, waar al dat studeren voor nodr'g is. Ze bemoeit zich zo weinig mogelijk met hem. Alleen Zondags moet hij een paar uur op zijn zoon passen, want dan gaat Snibbetje naar de kerk. En als ze dan merkt, dat hij de kleine uit de wieg heeft gehaald, verbiedt zij het hem gestreng. ,,Je moet kinderen hun rust gunnen, vooral jij, die zo onhandig bent. Wat is dat voor een manier om een kind in een kussensloop te leggen.”

„Dat was makkelijker,” zegt hij luchtig. ,,Ik heb hem er zo laten inzakken, toen hij nat was. Met luiers kan ik niet overweg. Even voelt Snibbetje de neiging om te lachen, maar ze bedwingt dit onmiddellijk en kijkt weer strak. ,,Wat doe jij ook iedere Zondag naar de kerk te gaan, ’ verwijt hij haar. „Als je humeur er nu nog beter van werd.

231

„Ik hoor op Zondag in de kerk,” zegt Snibbetje eenvoudig. ,,Ik houd van een vurige preek, daar kan ik niet buiten. Ik ben nu eenmaal geen natuur, die alles blauw-blauw laat, zoals jij."

,,Heb ik het weer gedaan?” stuift hij op. „Jij bent altijd zo eerlijk tot het uiterste toe. Zeg me nu eens precies, waarom je zo het land aan me hebt. Nee, nu niet wegduiken, zeggen!” Hij pakt haar bij de schouders, en dwingt Snibbetje hem aan te zien.

,,Interesseert het je?" vraagt ze koeltjes. „Ja, zeg op!” Snibbetje kijkt hem strak in de ogen en zegt dan langzaam: ,,Dat je mij die avond liet zwerven, deed mij toen pijn. Maar daar ben ik overheen. Mijn liefde voor jou stierf in dit ene ogenblik, toen je me zo geringschattend aankeek. Maar ik haat je, omdat je het kind voor je vrienden verloochende en nu weer je ouders geen boodschap hebt durven sturen.”

Dick laat haar schouders los en vraagt verbaasd: ,,Hoe weet je dat allemaal?” ,,Door toeval,” antwoordt ze. ,,Je maakt van een molshoop een hooiberg, Snib. Ik was ook in de war in die tijd.” ,,Dat ben je nog,” zegt ze koud. ,,Anders zou je je beter gedragen.”

„Jouw dwaze begrippen .!” valt hij kwaad uit. „Met mij hoef je geen rekening te houden. Ik zal wel op mezelf passen.”

Wrokkig haalt hij de schouders op en zegt sarcastisch: ,,Ik trek me voorlopig uit de zaken terug. Mijn aardigheid is er van af. Ik kan niet tegen dat eeuwige geruzie.”

Iedere avond weer zit hij boven zijn boeken. Iedere dag weer doet Snibbetje haar plicht. Volgens contract. Geen wanorde verstoort de geregelde gang van het kleine huishouden.

232

Dokter Terweert moet een congres bijwonen in Amsterdam. De blauwe limousine wacht voor de deur. Nog een korte groet, en de kleine geleerde treedt naar buiten, gevolgd door een slanke vrouw. ,,Heb je nog wat tijd over in Amsterdam?" vraagt zij met een prettige, warme stem.

Verstrooid kijkt hij op. „Niet veel. Had je dan iets?" „Ja,” zegt ze met een glimlachje en zij geeft hem een papiertje. ,,Dit is het adres van Dick. Misschien heb je gelegenheid om even bij hem aan te gaan. Je doet er me een groot plezier mee.”

,,Waarom doe je zo geheimzinnig?” vraagt hij wrevelig. ,,Had je dat niet eerder kunnen vragen?”

„Ach nee, dan waren we er over gaan praten. Doe nou maar, wat ik je gevraagd heb.”

Zonder enige bazigheid zegt zij dit. De kleine dokter Ter¬ weert voelt dat hij moet gehoorzamen, zoals hij zich altijd heeft te schikken naar de vriendelijke dwang, die van zijn vrouw uitgaat. Toch probeert hij zijn waardigheid nog op te houden.

„Ik zal zien,” zegt hij luchtig. „Maar met zekerheid beloven kan ik het niet.”

Mevrouw Terweert knikt hem toe en kijkt de wegrijdende auto met een glimlachje na. Zij weet, dat zij haar zin zal krijgen.

Verstoord zit dokter Terweert achter het stuur. Weer zijn zoon Dick! Waarom moet hij het toch altijd wezen, die de vrede thuis verstoort? De jongen ging zijn eigen weg, onverzettelijk en zonder zich aan de anderen gelegen te laten liggen. Zij hebben hem vrij gelaten, te vrij waarschijnlijk. Hoewel hij kwam toch altijd op geregelde tijden thuis, was vrolijk en opgewekt en viel hun nooit lastig om geld. Het had er alle schijn van, dat hij van zijn vrijheid geen misbruik maakte. Maar een half jaar geleden had hij zijn ouders onverhoeds zijn trouwplannen meegedeeld.

„Wat moeten we doen, Frank?” had zijn vrouw gevraagd. „Toestemmen,” was zijn antwoord geweest. „Je zult zien, dat hij ons eerder nodig heeft dan hij denkt.

Zonder veel belangstelling te tonen hadden zij zich in de

HOOFDSTUK XII
233

nieuwe toestand geschikt. Een enkele keer kwam Dick nog thuis, hoewel hij de laatste tijd slechts zeer zelden verscheen. Zelfs de zachtste toespeling op zijn huwelijk verdroeg hij niet. Zijn moeder had het pijn gedaan. Het was geen gewone nieuwsgierigheid geweest, maar warme belangstelling in het lot van haar lastigste zoon, die zij nauwelijks kon verbergen. Dokter Terweert voelt de drift in zich opkomen als hij aan zijn zoon denkt. Vergooid heeft hij zijn toekomst. Alles stond hem ten dienste om iets te bereiken in de wereld. Bemiddelde ouders, een gezond stel hersens en vooral de natuurlijke gave om de mensen voor zich in te nemen en vertrouwen te wekken. En zo’n jongen liet zijn studie varen om op een handelskantoor te zitten en hals over kop te trouwen met wie ? Met een harde slag slaat hij het portier dicht, als hij het congresgebouw heeft bereikt. In het late middaguur verlaat hij het weer en hoewel zijn trekken vermoeid staan, schitteren zijn ogen toch weer opgewekt. De dag was goed besteed. Nu voelt hij de lust om zich met zijn zoon te bemoeien. Snibbetje kijkt verschrikt, als die vreemde, deftige bezoeker voor haar deur staat. Zonder enige plichtpleging stapt de onbekende binnen. Hij kijkt eens rond en zegt gemoedelijk: „Zo, ik moet zeggen, dat jullie het wel aan de buitenkant gezocht hebben.”

Snibbetje kijkt hem verbaasd aan en vraagt zich af, waar zij deze man eerder gezien heeft. Zij kan het zich niet herinneren en toch, zij kent hem.

Dokter Terweert heeft haar even scherp opgenomen. ,,Het valt mee," denkt hij. ,,Ik had een heel ander type verwacht. Niet zo’n eenvoudige, goed-geklede vrouw.”

„Wie is u?” stamelt Snibbetje.

Dan lacht de vreemde man: „Dat is waar ook, we hebben elkaar nog niet eerder gezien. Ik ben de vader van Dick. Daar ben jij toch mee getrouwd, wel?”

„Jawel,” zegt Snibbetje en ondanks haarzelve begint zij te lachen, wat haar gezicht plotseling vermooit. Snibbetje voelt een onberedeneerde sympathie voor deze kleine man, die zo vrij bij haar binnenstapt, zo vrij, als eigenlijk alleen een Urker doet.

,,Waarom lach je?” vraagt hij verwonderd. Snibbetje antwoordt niet en blijft glimlachen. Dan dringt het tot dokter Terweert door, dat het zijn eigen optreden is, dat deze jonge vrouw doet lachen. Met kennersblik neemt hij haar sierlijke gestalte nog eens op.

234

,,Dat kon wel minder,” peinst hij. ,,Als haar geest niet al te stompzinnig is, kan ik vanavond gunstige berichten thuis brengen.”

„Uw zoon zal wel zo thuiskomen," zegt Snibbetje, terwijl ze hem voorgaat naar de huiskamer. ,,Drinkt u een kopje thee?” ,,0, doe geen moeite,” antwoordt hij vriendelijk. ,,Hoe laat komt Dick ongeveer thuis?”

..Meestal kwart over vijf. U zult niet lang hoeven te wachten.”

Plotseling flitst het door Snibbetje heen: het kind! Deze man weet niet eens, dat zijn zoon een kind heeft en nu zit hij hier en zal straks de baby misschien horen. Dick zal natuurlijk kwaad zijn, als zij het hem moet vertellen. Haar gezicht verstrakt. Ze moet deze man met zijn ogen, die dwars door haar heen kijken, weg zien te krijgen, voor hij het kind ontdekt. De onrustige trek op haar gezicht wordt nog sterker. Ze kan niet meer vriendelijk tegen hem zijn, hij moet weg. Met haar koele stem zegt ze:

..Misschien kan ik een boodschap voor u overbrengen, wanneer u haast heeft?”

Niets van de verandering in Snibbetje’s houding is de mensenkenner ontgaan. Hier broeit iets, er is iets niet in orde. Het zal zijn taak zijn, om voor hij weg gaat, dit raadsel op te lossen.

Beminnelijk zegt hij: ,,Haast is het woord niet. Wanneer ik mijn kinderen bezoek, dan neem ik er altijd de tijd voor. Eigenlijk wil ik toch wel een kopje thee, als het niet te lastig is. Ik heb een zeer vermoeiende dag gehad.”

Het is Snibbetje onmogelijk om zich tegen die welluidende stem te verzetten. Die stem dwingt! Ze is er even van in de war, dat deze kleine man haar tot zijn kinderen rekent. Dieper dan ook betreurt ze het, dat Dick zijn ouders niet op de hoogte heeft gesteld. Nu staat zij voor de moeilijkheden en die zijn zwaarder dan zij zich ooit had kunnen denken. Zachte kraaigeluidjes van Dickie doen haar schrikken. Ze kan niet liegen. Het moet uitkomen.

De arme Snibbetje weet niet hoe zeer de vriendelijke ogen achter de brilleglazen haar ontleden; hoe zeer zij een open boek voor deze man is, omdat al haar aandoeningen zich af~ tekenen op haar bewegelijk gezicht. ,,Waar kom je eigenlijk vandaan?” informeert de bezoeker vriendelijk.

235

„Ik kom van Urk,” antwoordt zij nerveus. ,,En hoe kreeg je kennis aan mijn zoon?” vorst hij verder. „Omdat ik de lessen... bij een oude dame... in Kampen...” Zonder onderbreking klinken de kraaigeluidjes uit de slaapkamer door. Met ogen als van een gepijnigd dier kijkt ze schichtig naar de deur. Kon zij nu het verlossende woord maar spreken, dat aan deze ondragelijke spanning een einde zou maken. Maar zij moet volhouden tot het einde. De man in de stoel glimlacht stil voor zich heen. Hij voelt, hoezeer zij in moeilijkheden zit en hij wil haar op de proef stellen. Zal zij, evenals zijn zoon, die moeilijkheden ontlopen? Nog een paar minuten wil hij haar geven. ,,Ik ben een paar weken op je eiland geweest,” vertelt hij. Zou ze deze mededeling aangrijpen als een welkome stof voor een nieuw gesprek? Maar Snibbetje wil niet ingaan op de vriendelijke bedoeling om haar gedachten af te leiden. „0 ja?” zegt ze toonloos. Weer zo’n kirrend geluidje. Dan gaat ze tegenover de oude heer staan, kijkt hem recht in de ogen en zegt resoluut: „Wij hebben een zoon.” Geschrokken van haar eigen bekentenis, staart zij hem angstig aan.

Zijn gezicht wordt geen masker van strengheid, zoals ze gevreesd heeft. Hij kijkt haar alleen maar oplettend met die heldere ogen aan.

,,Wij wilden het voor u niet weten,” voegt zij er beschaamd aan toe.

De man knikt, ten teken, dat hij haar begrijpt. „Dick zal boos zijn, omdat ik me hier niet beter uitgered heb, maar het is alles zo moeilijk, ik kan het niet.” Haar stem klinkt hees van opwinding. Omdat de man nog steeds niets zegt en zij het zwijgen vreest, zegt ze nog: ,,Wat helpt het, om moeilijke dingen te verschuiven. U weet het nu. Gaat u liever weg voor uw zoon thuiskomt.”

Zij strckt haar twee handen hulpeloos naar hem uit, een smekend gebaar. Maar in een zachte greep vangt dokter Terweert die handen op en hij trekt de kleine opgewonden vrouw naar zich toe. ,,Ik wist wel, dat je me niet lang meer zou bedriegen,” zegt hij hartelijk. ,,Het doet me plezier, dat ik me niet in je vergist heb.”

236

„Hoe kon u raden hijgt Snibbetje verwonderd en zij boort haar ogen diep in de zijne, om het raadsel te doorgronden. De ernstige blik van begrijpend vergeven doet haar de ogen neerslaan. Geheel ontdaan stamelt ze: „Vergeeft u het mij .. ,,Niet eerder, voor je mij je zoon hebt laten zien, zegt hij vrolijk.

Nerveus nog, maar toch van een last ontheven, gaat Snibbetje hem voor naar de kleine slaapkamer. ,,Kom maar mee,” zegt ze en opent de deur. En nu deelt ze hem met nerveuze radheid mee: „Ik mag een jaar de naam van uw zoon dragen, omdat ik zo bang was, dat dit kind onecht zou worden. Als die tijd verstreken is, ga ik weer naar huis, want met mijn moeder is nu alles in orde. Ja, uw zoon en ik sloten een contract voor een jaar, begrijpt u. Ik ben blij, dat het allemaal zo geschikt kon worden.”

Ze tilt haar kind uit de wieg en koestert hem met de ogen. „Zou het geen zonde zijn geweest, als deze jongen onecht was geworden? Zo'n pronkstuk. Zo’n lieve engel? Gaat u daar maar even zitten, dan moogt u hem vasthouden.”

Ze gaan naar de kamer terug en Snibbetje duwt dokter Terweert zacht in de enige gemakkelijke stoel. De spartelende jongen legt zij op zijn knie. Onhandig zit de oude heer ermee. Het is al zo lang geleden sinds hij kinderen hanteerde. „Ik ga elke dag met hem naar buiten, daarom is hij zo fijn bruin,” lacht zij, als ze merkt, hoe aandachtig de grootvader zijn kleinkind bekijkt.

Een wonderlijke man is hij toch. Zijn gezicht is niet te doorgronden. Wie had nu een half uur geleden kunnen voorspellen, dat deze onverwachte bezoeker hier nu als een oppassend grootvader zou zitten? ,,Nu weet ik het,” roept Snibbetje plotseling. ,,Ik heb u op Urk gezien toen bij Bessien. Ja, nu weet ik het zeker. U deed onderzoekingen op het eiland en ze lachten u allemaal uit omdat u doosjes had met glazen ogen en zo’n lange reep met allemaal strengeltjes haar eraan. Wat onderzocht u eigenlijk van ons?”

Glimlachend antwoordt hij: „Ik ben anthropoloog. Ik maak van de mensenrassen mijn studie.” Snibbetje begrijpt niet, wat hij bedoelt. Een ding interesseert haar het meest en onbevangen vraagt ze: ,,Mensenrassen? Hoe kan dat van dit? En ze maakt met haar vingers een beweging of ze geld telt.

237

De oude heer lacht smakelijk. Deze vraag klopt zo nauwkeurig bij de indrukken die hij op het eiland opdeed. Ze vinden zo’n vraag heel gewoon. Er schuilt geen opdringerige gemeenzaamheid in. ,,Wie zijn je ouders?” vraagt hij en Snibbetje somt zonder enige terughouding heel haar geslachtsregister op. Peinzend kijkt hij voor zich uit. ,,Wilt u hem aan mij overgeven? Misschien wordt u er moe van. Hij schudt van neen. De namen, die Snibbetje hem noemde, wekken herinneringen bij hem op. Marretje... ja, dat is die vrouw, die hem zo hooghartig weigerde om zich te laten onderzoeken. Ze wilde niets met die heksenkunsten te maken hebben. Ja en diezelfde vrouw had toen zo dankbaar zijn handen gedrukt, toen hij haar verlichting bracht bij een aanval van pijn. En Bessien dat was de oude vrouw, die zijn collega daar het melkkoetje noemde, omdat hij haar hoge rekeningen moest schrijven, hoewel hij haar nooit iets anders gaf dan broom. Een Urkse dame was dat geweest. Trots, onafhankelijk en wijs. Een interessante tijd was het toch geweest, daar op dat kleine eiland. Wat reageerden de bewoners snel op een eenvoudige hartelijkheid, op een enkel vriendelijk woord. Van neerbuigende minzaamheid moesten ze niets hebben. Dan werden ze stuurs en rebels, bij het onbehouwene af.

Hij is nog met zijn gedachten bij de Urkse mensen, als haastige voetstappen in het gangetje weerklinken. De deur wordt opengeduwd en daar staat Dick, met open mond, sprakeloos. Hij kan zijn ogen niet geloven, dat zijn strenge, geleerde vader daar met het vredigst denkbare gezicht als een baker met het kind op zijn knie zit. Dick kan een uitroep niet weerhouden. Het duurt even, voor hij zijn schrik meester is. „Vader, u hier . . ,,Ja, zoals je ziet. In een nieuwe functie.”

De geamuseerde blik, die deze woorden vergezelt, is iets nieuws voor Dick. Die kende hij van zijn vader nauwelijks. ,,Mag ik u even verlossen van uw last?” vraagt hij gedienstig.

Even die ironische oogopslag en dan klinkt het fijntjes: ,,Wou je zelf je last dragen?" ,,Ja," zegt Dick verbouwereerd. ,,Zeker een ogenblikje maar? Als de moeiten, die aan die last verbonden zijn, zich opstapelen . .

238

,,Nee, ik wil die last voor altijd dragen, als ik mag,” is het vaste antwoord. ,,Die moeilijkheden neem ik er bij.” ,,Dan feliciteer ik je van harte met je zoon. Dan zou dit hoopje mens hier op mijn knie bereikt hebben, wat ik zo lang vergeefs geprobeerd heb.”

,,Dank u,” zegt Dick op voor zijn doen bijzonder hartelijke toon, die zijn vader niet ontgaat. Nu merken ze pas, dat Snibbetje de kamer verlaten heeft. Dokter Terweert geeft zijn kleinzoon over en zegt: ,,Wil je je vrouw even roepen? Ik moet nu afscbeid van haar nemen.”

Blozend komt Snibbetje de kamer weer binnen en zij speurt angstig naar de gezichten der beide mannen. De oude heer drukt haar hartelijk de hand en vraagt heel gewoontjes: „Wanneer kunnen we jullie verwachten?”

Toch klinkt het meer als een bevel dan als een verzoek. „Zo gauw mogelijk,” zegt Dick haastig, maar Snibbetje mompelt: „Dat doe ik liever niet.” Niemand luistert echter naar haar.

Als dokter Terweert thuiskomt, vraagt zijn vrouw hem: „En ben je nog bij Dick geweest?”

Hij geeft niet dadelijk antwoord en plaagt haar: ,,Je bent nog nieuwsgieriger dan een meisje van twintig.” ,,Doe nou niet zo vervelend,” zegt mevrouw Terweert wat geprikkeld. ,,Vertel op. Hoe was het daar? Is zij iemand, waar hij zich mee vertonen kan? Of misschien een ordinair type? Is ze mooi? Leek ze je wel verstandig? Is ze erg opgemaakt? Toe, vertel me nou toch!” ,,Maak het me nou niet zo moeilijk,” zegt hij bedaard en zijn vingers woelen in zijn dikke haardos. ,,Van haar kan ik je nog niet zoveel vertellen, maar de jongen is een prachtexemplaar. Zo bruin als koffie. Een blok gezondheid.”

„De jongen . . .!!” roept zij en haar stem slaat over tot een gilletje. ,,De jongen? Over wie heb je het?” ,,Over je eerste kleinzoon, lieve. Hij ziet er goed verzorgd uit en een leuk eigenwijs kuifje heeft hij.” Zijn vrouw kijkt hem sprakeloos aan. „Je meent het toch niet. . . Je bedoelt toch niet, dat ik grootmoeder zou zijn, voor ik het zelf weet?” ,„Toch is het zo. Ik heb vandaag al voor kinderjuffrouw gespeeld ook.”

239

Zijn kalme manier van doen maakt de vrouw wanhopig. Streng en gebiedend zegt ze: „Frank, hou eindelijk eens op met die gekheid. Vertel me nu precies, wat er aan de hand is.”

..Eigenlijk heb ik je alles verteld. Ze hebben een kind en wat wil je nu nog meer weten?”

Het kost enige moeite, om hem tot een regelmatig verslag te dwingen, maar eindelijk vertelt dokter Terweert dan toch zijn wedervaren. In de schemerige avond spreken de twee bejaarde mensen over het gedrag van hun zoon. Vertrouwelijk klinken hun stemmen. Ten slotte zwijgen zij een tijdlang. Dan zegt dokter Terweert zachtjes: ..Misschien was dit alles wel nodig om Dick tot werkelijke ernst te dwingen. Het is de laatste kans die het leven hem geeft. Ik heb enige hoop, dat deze les heilzaam zal wezen.” ,,Zie je die vrouw niet te optimistisch?” weifelt mevrouw Terweert nog. ,,Heb je je niet laten inpalmen door haar jeugd en aardige manieren?”

Maar hij schudt gedecideerd het hoofd. „Zo aardig zijn haar manieren niet. Ik doorzag haar meteen, omdat ik haar volk een beetje ken. Over dat contract van een jaar maak ik me niet zo ongerust.”

,,Vertel me eens iets van dat volkje daar op Urk,” dringt zij nog aan. Peinzend strijkt de geleerde langs zijn kin en ietwat aarzelend komen zijn woorden er uit:

..Eigenaardig . . . heel eigenaardig. In hun karakter hebben ze iets van de woeligheid van de zee, het onberekenbare der elementen in de natuur. Maar ze hechten aan hun tradities. Die zijn zo vast als de rots in zee waarop ze geboren zijn. En die gehechtheid aan de oude levenswaarden behoedt de Urkers voor veel kwaad, dat hun temperament zou kunnen stichten .. .”

Dick vindt Snibbetje terug in de keuken en bestormt haar dadelijk met zijn vragen. ,,Hoe heb je dat in vredesnaam klaargespeeld?” „Ik heb niets klaargespeeld,” antwoordt zij. ..Dickie lag te kraaien. Eerst schrok ik er van, maar nu ben ik er blij om, dat alles uitgekomen is. Hoe durf jij zo’n man te bedriegen! Als je moeder net zo is, begrijp ik niet, waar je de moed vandaan hebt gehaald, om alles voor je ouders te verzwijgen.” 240

„Doe jij nu niet zo moedig," zegt hij sarcastisch. „Je bent zeker onder de indruk gekomen van je deftige schoonvader. „Misschien wel,” zegt ze eenvoudig. ,,Mijn Bessien heeft me geleerd, dat je eerbied moet hebben voor geleerde mensen. Jouw vader is zo’n geleerde.”

,,Wat weet jij daar nu van,” roept hij kregel uit. ,,Jij en geleerdheid. Je spreekt geen enkele taal, zelfs van het Nederlands maak je soms een ratjetoe.” ,,Alleen als ik kwaad word,” verdedigt zij zich. ,,En dat is dan meestal jouw schuld. Als ik me driftig maak, dan kan ik niet denken bij wat ik zeg. Ik kan iemand alleen maar in mijn eigen taal uitschelden. En ik kan dom zijn wat ik wil, maar een ding weet ik beter dan jij en dat is, dat ik een knap stel ouders niet wil bedriegen. Dat binnen we niet gewind!”

„Hou op met je koeterwaals, Snibbetje!” gelast hij. ,,Na Februari zal je daar geen last meer van hebben,” geeft ze koel ten antwoord.

Er komt een uitnodiging uit Utrecht, om de Kerstdagen daar door te brengen. „Ik doe het niet,” is Snibbetje’s besliste standpunt. Die botte weigering irriteert hem. Hatelijk zegt hij: „Waar ben je nou bang voor, voor mij, of dat je niet weet, hoe je je gedragen moet?”

Maar die ironische plagerij heeft geen vat op Snibbetje. Ook bezwijkt ze niet voor een paar dagen mokkend zwijgen. „Het is nergens voor nodig, dat ik naar Utrecht ga, zegt ze, als hij een laatste keer bij haar aandringt. „Laat me met rust. Ik zal je ouders de eer geven die hun toekomt, maar ik blijf er weg. Je vergeet, dat het geen huwelijk is, dat we gesloten hebben. Het is een contract en daar zijn mijn schoonouders niet bij inbegrepen.”

„Wat ga je nou doen, als ons contract afgelopen is en je weer voorgoed thuis bent?'

„Dat weet ik nog niet,” antwoordt ze nurks. ,,Bovendien, wat gaat jou mijn toekomst aan? Ik leef bij de dag. Vraag ik jou soms, wat jij gaat doen als ik weg ben?”

„0, dat wil ik je wel vertellen,” zegt hij luchthartig. ,,Ik ga een vrouw zoeken, een echte vrouw. Een die me wat meer waardeert dan jij. Een dankbare vrouw, zie je.”

„Ik wens je geluk.”

,,Jij bent geen vrouw. Jij bent een koel, zakelijk, berekenend

241

stuk mens. Jij geniet alleen maar als je mijn plannen in de war kunt sturen. Je weet, dat ik gewend ben om de Kerstdagen thuis door te brengen en dat doe ik nu ook. Niemand kan me daarvan afhouden. Zelfs jij niet, versta je?” ,,Dat hoeft ook niet,” zegt Snibbetje met een vreemd lachje. Voor het eerst sinds lange tijd kijkt zij hem vol in het weerbarstige gezicht. ,,Mannen zijn net kwajongens,” zegt ze schouderophalend. ,,Ik zal je koffer pakken en ga dan maar naar Utrecht. Ik kan er naar verlangen, om eens een paar dagen alleen te zijn."

Nog geeft hij zich niet gewonnen. „Prettig voor moeder als ik zonder jullie kom,” moppert hij. Maar Snibbetje blijft ongenaakbaar. ,,Dat moet je zelf maar opknappen. Ik heb het met je vader in orde gebracht, meer doe ik niet.” ,,Snibbetje, op Kerstmis hoor je in vrede te leven, weet je dat wel?”

Zij kijkt hem lang aan en zegt dan wel: „Verleden jaar om deze tijd was het ook Kerstmis. Weet je nog wel? Liet je mij toen ook niet alleen?”

Hij wendt zich kwaad af. ,,Altijd dezelfde verwijten,” bromt hij woedend. ,,Als je dan niet anders wil, moet je het zelf maar weten, ik groet je!” En de deur valt achter hem dicht.

Het is stil in het huisje. Snibbetje wil uitrusten van de span¬ ning en de emoties. Zij is zo moe van die dagelijks terugkerende strijd tussen haar en haar compagnon. De rust der Kerstdagen geeft haar geen verandering. Lusteloos brengt zij de tijd door. Nog zes weken, en dan sluit zij deze periode van haar leven af. Als ze weer thuis is, zal zij zich zelf hervinden. Dan kan ze weer gewoon zijn. Lachen als ze wil. Dan zal de beklemming van haar afvallen en geen man zal zich ergeren aan haar gedrag. O, om die stroefheid van zich af te kunnen gooien. Om weer te kunnen ademen in een zuivere atmosfeer. Hier is alles onecht. Ze kan niet leven naast een man, die haar prikkelt en tegenstaat. Met wie zij onophoudelijk strijd heeft te voeren. Snibbetje telt het geld na, dat ze heeft overgespaard. Ze kan Lumme de geleende duiten teruggeven. Eigenlijk is dat geld wel van hem, maar Snibbetje stelt haar geweten gerust. Hij heeft er niets minder om gegeten ten slotte.

242

Lang duren dc avonden, als je zo allecn bent. Tweede Kerstdag is het nu al. Op Urk zit nooit iemand zo alleen. Is ze eigenlijk niet gek, om hier in haar eentje te kniezen? Ze kent toch al de Urkers, die in Amsterdam wonen, Die brigadier bijvoorbeeld, die zij eens toevallig in het Vondelpark ontmoette en waar ze zo hartelijk mee lachte, omdat zij aan een enkel woordje hun beider afkomst hadden gemerkt. Die man had haar toen zijn adres opgegeven. Gek is ze. om hier alleen te zitten, als een vink, die niet kwinken kan!

Snel besloten schiet Snibbetje haar wijde jas aan. De kleine man pakt ze warm in en zij stapt de deur uit. Aan een huis op de Admiraal de Ruyterweg belt zij aan. ,,Wie bin je?” klinkt het boven aan de trap. „Een Urker,” roept ze terug. „Koem dan boven. Wij hewwen de koffie gaor.”

Die toon is juist wat Snibbetje nodig heeft. ..Waor is je man?” vraagt de vrouw van de brigadier.

„Die is nor heus. Ik moet niks van vremden hewwen,” antwoordt zij onverschillig. „Foei, Snibbetje toch!” beknort haar de gastheer. ,,Dat mag je niet zeggen. Je moet je anpassen.’ „Dat doen ik ok,” lacht ze. „Hoe hi, wat een mooi kliedje hewwen jului hier op de tafel.' ,,Ja, ja,” knikt de gastvrouw trots. ,,Die breit meen Jan. Precies op de manier, as ze bij oens de korren breien.” „Jului bin mooie anpassers,” hoont Snibbetje lachend. ..Die zitten mij de lesse te lezen en breien zelf korren.” Haar ogen tintelen van pret als de man, voor wie de Amsterdamse straatjeugd beeft en die naar het uiterlijk zo’n echte hoofdstedelijke diender is geworden, quasi verontwaardigd uitroept: ,,Snibbetje, houw je moend dicht en kiek rs wie daor^nou alwier belt. Ik geloof, dat ze vanavud allemaol koemen.” ..Nederlands spreken, lieve vriend,” zegt Snibbetje ondeugend. ..Volstrekt niet vanavond. Het is Karstavendjen.” Snibbetje’s verwarde heimwee-zieke geest voelt zich gezond worden in deze vertrouwde omgeving. Het doet haar zo goed, dat hier een man zit, die nog geen greintje heeft ingeboet van zijn liefde voor het aloude eilandenvolk. Er komen nog meer Urkers boven en alien voelen zich wonderwel bij elkaar. Zij krijgen het over de zware reizen van de postboten, die met 243

ijsgang hebben te worstelen en ineens zijn alien weer vissers geworden.

,,Ik zeg je, ze hadden Noordwestelijker an moeten houwen, dan zatten ze nou niet tuugen Vollenhoven op!” Het is, of die man gisteren pas de helmstok voor een sabel verruilde. ,,Net of ik vader hoor,” gaat het door Snibbetje heen.

Zij betreuren het, dat de ijsgang hen vasthoudt op de wal. Maar de vliegdienst is te duur. ,,Justement,” klinkt het, ,,en daoromme zullen we het oens hier gezellig maoken.” ,,Snibbetje, lus je wel euliekoeken?” ,,Wel hoenderd,” lacht ze. ,,Dan zullen we saamen nou Kerstfeest vieren.” Het orgel begeleidt hun forse stemmen waarmee zij de eeuwenoude Kerstliederen zingen. ,,Dat was goed,” zucht Snibbetje, wanneer zij die avond vermoeid haar ogen sluit.

Oudejaarsmorgen. „Nu is het dankdag thuis,” peinst de jonge vrouw. ,,Waar moet ik feitelijk voor danken? Voor al het verdriet van dit jaar? Er is maar een vreugde voor me geweest en die schoolmelt nu in de wieg. Je vader is niet teruggekeerd, jongen, we hebben het rijk alleen. Hij heeft het zeker best naar zijn zin. Laten we hopen, dat z’n humeur een beetje opgeknapt is.” Snibbetje’s ogen glanzen, als zij haar kind in het wiegje ziet. ,,Flink wordt hij," denkt ze, ,,en hij is van mij alleen. Niemand zal enig recht op hem hebben.”

Hartstochtelijk kust zij het kuivige hoofdje. ,,Mijn klein derdemanneke,” fluistert zij.

Een haastige ruk aan de bel doet haar opschrikken. Even later kijkt ze in het lachende gezicht van haar schoonvader. „Zo,” zegt hij, ,,ik kom een beroep op je goede wil doen. De grootmoeder wil haar kleinzoon zien voor het jaar om is. Wat denk je er van?”

„Is het niet beter, dat uw vrouw deze jongen nooit ziet?” zegt Snibbetje toch stuurs.

Waarom laten ze haar niet met rust, die vreemden? Met hun ratjablikken zullen ze de kleine keuren en haar ook en als ze weg zijn komt de critiek natuurlijk. Toch is zij bewogen door het teleurgestelde gezicht van dokter Terweert en zij voelt zich genoopt tot een nadere uitleg: 244

„Als alles goed was tussen uw zoon en mij, dan zou het niet hinderen, maar u weet, dat wij alleen maar een zakelijke overeenkomst hebben gesloten. fJHet is jammer, Snibbetje, zegt hij zachtjes. ,,Ik had gedacht..."

Plotseling ziet Snibbetje het gezicht van Bessien voor zich. Wat zei die ook alweer altijd? ,,Veel kinderen veel karakters. Elke ontvreden blik deed mij pijn. it Snel besloten als zij nu eenmaal is, zegt ze: „Ik ga mee. Zij kan het niet dulden, dat hij zijn verzoek nog eens zou doen en zij voelt, dat zij niet de macht heeft, om het voor een tweede keer te weigeren. ,,Ik dank je wel, Snibbetje, zegt hij hartelijk. ,,Pak de jongen flink in, want het is koud."

Na een kwartier zit Snibbetje in de auto. Haar ogen zien klaar en helder de wereld in, als de wagen voortsnelt langs de witbesneeuwde velden. ,,Het is goed wat ik nu doe,” weet zij nu. ,,Laat die man van mij maar denken wat hij wil. Misschien is hij wel kwaad, maar ik zal er me niet aan storen. Nog een kans wil ik hem geven, om goed te maken wat hij aan ons misdeed. En dat doe ik dan niet eens om hemzelf, maar om de man die hier naast me zit.”

Rustig maakt ze kennis met die nieuwe mensen. De luxe die hier heerst, maakt weinig indruk op haar. Die tijd is ze te boven. De nieuwsgierige blikken der familieleden laat zij koel langs zich heen gaan. Met een glimlachje staat zij haar jongen af aan de vele bewonderaars.

„Dat is nou toch pure aanstellerij, Snibbetje," zegt Dick, als ze even alleen zijn. „Moest je nou juist gehaald worden met de wagen? Eerst laat je mij alleen gaan en nu . . . Wat moeten mijn broers en schoonzusters wel van mij denken. Ik sla een figuur als modder.” ,,Ik kan het niet helpen,” zegt ze kalm. ,,Je moet ook niet denken, dat ik het voor jou deed. Ik deed het voor je vader.” „Hoe romantisch," spot hij luchtig. „Ik zal het je deze keer maar vergeven.” ,,}e hoeft mij niets te vergeven,” bijt ze hem toe. ,,Ik doe niets meer dan mijn plicht. Ja, ik ben niet als jij. Jij wil door het leven gaan zonder je plichten te kennen. Als de mensen maar een beetje gunstig over je denken, dan ben jij tevreden.” Weer komt zijn oude sarcasme boven.

245

„Is dat naar je zin, zo’n deftige schoonmoeder?” ,,Voor een paar weken kan het er best mee door,” lacht Snibbetje, ,,en laten we nu geen ruzie maken op deze dag. Het is dankdag voor ons,” zegt ze plotseling ernstig. ,,Dankdag voor de visserij. Het zou nu zo prettig zijn orn thuis te wezen.”

,,Leef je weer op Urk?” vraagt hij wat wrevelig. ,,Met jou kan ik nooit over iets praten,” zucht Snibbetje. ,,Je bent een ratja.” ,,Wat is dat nu weer?”

„Dat was een vreemde oude vent, die bij ons op het eiland woonde. Ik had een hekel aan hem. Hij deed altijd, also! hij je niet begreep en zo ben jij ook. Je begrijpt niets van mij.” Vrolijke jonge stemmen storen hun gesprek. De dag verloopt zonder moeilijkheden en ’s avonds in de familiekring klinkt een enkele maal Snibbetje's parelende lach op. Zij merkt niet, dat dokter Terweert dan heimelijk goedkeurend knikt. Dat is de jonge vrouw, die hij zoekt achter dat strakke uiterlijk. Die vrouw heeft hij nodig, met haar koene levensdurf en stevig karakter. Zij zou in staat kunnen zijn om Dicks eerzucht te prikkelen en hem tot een ferm, mannelijk aanvaarden van het leven te dwingen. Hij probeert een blik op te vangen van zijn vrouw en daarin te lezen, dat zij zijn bedoelingen begrijpt. Maar het geluk is hem niet gunstig. Hij voelt zich °Pz’j geschoven door een klein dik bundeltje met een eigenwijs kuifje en dieper wordt de glans in zijn oude ogen.

Even voor twaalf uur sluipt een kleine vrouw naar boven Plotseling kan zij het niet uithouden in deze vrolijke kring. Een hevige behoefte naar eenzaamheid bevangt haar. Alleen wil zij zijn om te denken aan het oude huis en alien die haar zo lief zijn. Zo vreemd en koud is het binnenin haar. Zachtjes ontsluit zij de deur. Ja, hier wil ze wezen, bij haar jongen, die daar zo rustig slaapt. Zijn koontjes blozen boven de witte lakens. Half open staat het rozige mondje. Met een droeve glans in de ogen staart Snibbetje naar haar kind en de twaalf slagen die het jaar afsluiten treffen haar wreed. ,,Voorbij is dit ongeluksjaar,” prevelt Snibbetje. ,,Ongeluk...? Nee, toch niet helemaal.” Hartstochtelijk drukt zij de kleine jongen tegen zich aan. ,,Ik heb jou toch, mijn kleine derde-man,” fluistert ze. Haar oor legt zich te luisteren of er geen voetstappen in de gang klinken. Als hij nu kwam, dan zou zij hem misschien 246

dat donkere uur uit haar leven kunnen vergeven. Misschien zou zij bescherming zoeken in zijn sterke armen. Even het gevoel krijgen, dat zij niet alleen staat om alle moeiten te overwinnen.

Maar geen geluid verstoort de stilte, als Snibbetje haar jongen weer in zijn bed legt. ,,Het is voorbij,” zucht ze. „Hij zal me noou begrijpen.” Huiverend, en met de oude stroeve trek om haar mond gaat zij naar beneden en zij schaart zich weer in de kring. De donkere uitdrukking wijkt niet van haar gelaat.

Als zij in de gemeenschappelijke slaapkamer zijn, ontbrandt dadelijk weer de strijd. „Zo, durf je in het hoi van de leeuw?” vraagt hij spottend. En strijdlustig ketst zij terug: „In het kantoor van je compagnon, zal je bedoelen.” „Wel ja, laten we een scene maken. Zou je je schoonvader maar niet vast roepen, om je tegen je ondeugdzame echtgenoot te helpen?”

„Tegen jou heb ik geen hulp nodig. Aan een wapen heb ik genoeg, en dat is mijn minachting.” ,,He, Snibbetje, doe niet zo dramatisch. Je krijgt waanideeen. Laten we het nieuwe jaar nu maar in vrede beginnen. Dat humeur van jou is me te lastig en je weet het, he, lastige dingen schuif ik het liefst op zij. Welterusten.”

Toch kan hij niet na'.aten zich over haar heen te buigen en spottend te vragen: ,,Zou je je echtgenoot voor het tweede jaar geen nachtzoen geven?”

Hij schrikt even van haar ogen en declameert zijn verbouwereerdheid weg met een: ,,Als blikken konden doden .. .

In de grauwe schemer van de Nieuwjaarsmorgen haast Snibbetje zich de kamer uit. Zij kan die spotzieke blik waarmee hij haar volgt sinds ze wakker werd, niet meer verdragen. Woedend is ze op zichzelf, toen zij ontwaakte met haar hoofd op zijn arm gesteund. Dat had zij in haar slaap gedaan. Zou zij in haar dromen bescherming bij hem gezocht hebben? Wat zal hij gelachen hebben. Natuurlijk! Dat zou zij ook hebben gedaan. Gelukkig gaan ze naar huis. Daar kan zoiets geks niet voorkomen. Thuis gaat hun leven het gewone gangetje. Dick is in een plezierig humeur en Snibbetje vertrouwt hem niet. Waarom

247

doet hij 20 vriendelijk? Waarom maakt liij geen enkele toespeling meer op het naderende einde van hun contractsduur? Snibbetje kan niet vermoeden, wat er in deze dagen in haar man omgaat. Zij heeft er geen flauw besef van, dat Dick Terweert tot de slotsom is gekomen, dat hij niet meer buiten die kleine, koppige vrouw van hem kan. Dat hij bezield is met het vaste vertrouwen haar eens geheel de zijne te kunnen noemen. Eens zal hij die trotse wil buigen en dan zullen ze weer zijn als vroeger. Neen, meer zullen ze zijn. Zij hebben immers beiden geleerd. Uit ecn speelse minnarij zal de kameraadschappelijke verhouding groeien die tussen echtelieden moet heersen. O, de toekomst zal beter worden dan het heden. Daarom doet Dick Terweert zo opgeruimd in huis. Als het ,,contract om is, zal hij met haar spreken, ernstig en eerlijk. Hij zal Snibbetje vragen, om voor altijd bij hem te blijven en ze zullen deze nachtmerrie vergeten en opnieuw beginnen.

Vijftien Februari. Dick Terweert kijkt herhaaldelijk naar de kantoorklok. Eindelijk is het twaalf uur. Hij kan huistoe gaan. Nu zal hij ook geen minuut meer wachten en dadelijk van wal steken.

,,Hallo Snibbetje,” galmt zijn warme stem door het kleine huisje. Hij komt de keurig opgeruimde huiskamer binnen en de adem stokt hem in de keel. Op de tafel ligt het oude geldbuideltje, achteloos neergegooid. Met bevende vingers neemt Dick het op en hij vindt bij het geld een smoezelig papiertje, waarop geschreven staat: ,,Voor de onkosten.” Dus toch! Verwezen kijkt hij de kamer rond. Lang kan ze nog niet weg zijn, want ze heeft eerst de boel aan kant ge~ maakt. Waarheen .. . ? Naar Urk Neen. Het ijs ligt immers nog meters dik in het IJselmeer. Waar kan die balsturige vrouw heengevlucht zijn? ,,Geen dag langer dan een jaar . . .” Zij heeft zich letterlijk aan haar belofte gehouden. Het geldbuideltje spreekt een duidelijke, meedogenloze taal. Een plotseling woede bevangt hem, dat zij hem zo koelbloedig in de steek kon laten. Zonder afscheid. Zonder hem zelfs de gelegenheid te geven, zijn kind gedag te zeggen.

Met zijn jas aan blijft hij zitten in de kouder wordende kamer. Een sombere trek strakt om zijn mond. Als de tijd dringt, staat hij met een lange zucht op om naar kantoor te gaan, zonder te hebben gegeten. Eenzaam, bitter eenzaam is het in het kleine huisje. Er is geen 248

kleine vrouw, die op haar tenen staat om zijn jas af te borstelen en hem nijdig dringt tot voortmaken. Er zijn geen bedrijvige handen, die 's avonds de gordijnen sluiten, de haard aanhouden, de duizend en een kleinigheden verrichten, die zo gewoon zijn in een huishouden, maar ieder voor zich een karwei worden, wanneer een man er alleen voor staat. Moedeloos buigt hij 's avonds het hoofd dieper over de boeken en hij heft het hoofd niet op. Waarom ook? Wat is er anders te zien dan dit levenloze vertrek? Geen lieve kraaigeluidjes dringen tot de kamer door. „Dit is om gek te worden,” mompelt Terweert de andere ochtend, wanneer hij vergeefs probeert om zijn ^ thee drinkbaar te maken. ,,Als ik nu maar wist waar ze zat. Gedachtenloos grijpt hij het ochtendblad. Een nieuwsbericht verklaart het geheim van Snibbetje’s verdwijnen. „Hoe durft ze,” barst hij uit. „Laat ze maar blijven! Ze kan lang wachten eer ik probeer haar terug te halen. Dat is voorbij.”

Dan sluit hij het huis en neemt zijn intrek bij zijn ouders. Voorlopig zal hij heen en weer reizen. Deze baan zegt hij toch op. Een gewoon kantoor met vaste, doch ver in het verschiet liggende vooruitzichten, is niets voor zijn ongedurige, actieve natuur. Vader zal nu eindelijk zien, dat hij geen nietsnut is, dat hij zelf zijn carriere, zelf zijn leven zal maken.

Thuis voelt hij zich onwennig. Hij zit met een duister gezicht aan tafel en denkt aan het jaar, dat voorbij is. Dick Terweert kan het gevoel niet verkroppen, dat hij de verliezende partij is geworden.

Het zit hem dwars, dat hij hier weer als kind behandeld wordt. Zijn moeder ergert hem als zij hem vriendelijk vraagt om zijn benen niet zo ongemanierd uit te strekken. Dat is hij niet meer gewend. O, hij moet het zich eerlijk bekennen, dat hij heimwee heeft naar zijn eigen huis, naar de koppige donkere vrouw, die hem nooit over pietluttigheden lastig viel. Naar het lieve kraaien van zijn kind. Energiek schudt hij het hoofd. Hij wil vergeten.

Niet de minste aarzeling is er als Snibbetje met een harde ruk de deur dichttrekt. Ziezo, dit is voorbij. Ze heeft haar plicht gedaan. Zij smoort de stem van haar geweten, als die fluistert, dat dit geen manier van doen is en dat zij haar compagnon had behoren te groeten. Wat kan het haar schelen?

249

Ze gaat naar huis, naar huis! Stevig houdt zij haar kleine jongen vast. Een tintelende kou vaart haar door de leden, wanneer zij wacht op de taxi, die haar naar Schiphol zal brengen. Snibbetje is niet meer het angstig zoekende vrouwtje van een jaar geleden. Zelfbewust heeft zij haar plan overdacht. Gisteren bestelde zij telefonisch haar plaats in het vliegtuig. Een andere manier om op Urk te komen is er niet en geen dag te lang wenst zij dit bestaan te rekken. Haar kordaatheid wordt wel wat minder als zij het trapje opklimt naar de cabine van het vliegtuig. Angstig omklemmen haar armen het enige dat ze meeneemt naar Urk en haar stem siddert even als zij door het nauwe spleetje van de omslagdoek fluistert: „Stil maar, mijn derde-mannetje. We gaan samen naar huis."

De piloot heeft schik in het aardige, jonge vrouwtje. „U is niet bang, he?” zegt hij. ,,Gisteren vloog ik een oude vrouw naar Urk, die haar schort over het gezicht sloeg.” ,,0 nee,’ lacht Snibbetje. ,,Vroeger deden ze dat ook voor het electrische licht en nu praten ze mee over contacten en stekkers. Urk gaat bar met zijn tijd mee. Vertrekken we nog niet?”

,,Direct, mevrouw,” zegt de piloot. „Zodra we opstijgen, kieper ik dat mevrouw-zijn naar beneden,” neemt Snibbetje zich voor. „Van die vreemdigheid ben ik dan voor altijd af.”

Het hart klopt haar in de keel, als de machine de aarde verlaat. Griezelig is het. Ze moet er wel wat voor over hebben om op Urk te komen. ..Michtig, klinkt een bekende stem achter haar. ,,Wat moet jie midden in de wienter op Urk doen?”

„Wat got joe dat an?” zegt Snibbetje en als ze omkijkt ziet zij, dat de machinist van de boot achter haar zit. ,,Zeg Snibbetje, zou je niet zeggen, dat we zo riegelrecht nor de hemel goon?"

„Spot niet,” doet zij kwaad. ,,Als we vallen .. ,,Dan binnen we gaauw op de groend.” ,,Zeg toch niet zulke roekeloze dingen, Piet.” -•Bin je bange?” plaagt de machinist. „Het gat gaauw hi? Kiek, de drommedaris van Keuzen knikt al tuugen je.” De man grinnikt er genoegelijk bij. Zijn woorden doen haar goed. Dit is de vertrouwde toon, die ze zo lang in haar verbanning gemist heeft.

Als ze boven het eiland zweven, zegt hij: „Kiek es nor benieen, 250

of durf je niet? Urk likt net een oudemannengezicht met een witte baord.” ^

Snibbetje waagt het, te kijken. ..Prachtig is het, he? zucht ze bewonderend. , „Niet te lange kieken, Snibbetje,” roept hij vrolijk. ,,Dat kuun je beter nor mij doen.” , . ,,Malle vint,” lacht ze en haar ogen glanzen. Als de machine qedaald is en zij het oude, lieve eiland weer onder de voeten heeft, wordt het haar haast te machtig. Daar staan de vrienden van vroeger rustig op de uitkijk in de snerpende kou. Hier staat haar volk, dat haar weer opneemt. ..Voorzichtig hier,” schreeuwt Jan, de slager, als er te vee nieuwsgierigen toestromen. „Wieromme jului, het laand et al qenoeg te lijen.”

Als hij Snibbetje herkent, groet hij haar vrolijk. „ls dat joen kind, Snib. Lot ut ’rs zien?” ,,Nee. 't is te koud," weert zij af. Een oude schipper zegt tegen een opgeschoten jongen: ..Draag effen die koffer voor dat mins. Een keend en een koffer is tevuul samen, vooreut. Klep-klap gaan de klompen naast Snibbetje voort en het klinkt haar als muziek in de oren. „Hoge zit, zo’n ding in de locht,” zegt de jongen. „Nou!” zegt ze. „Maar het got machtig gaauw.”

”Oe he, ie proten glad niet vremd,” zegt de jongen verrast. „Ik ben ok een Urker, net zo goed als jie,” lacht Snibbetje. „Wie is dat?" hoort ze vragen.

Dat is die dochter van Marretje ommers, je wieten wel . . . "O is dat dieje. .” en Snibbetje kan wel raden, wat er ver'der gezegd wordt, maar het deert haar niet. Ze geeft zich graag aan de opinie van het eiland over. Ze is weer

Als ze bij Marretje komt, blijft ze toch midden in de kamer verleqen staan. Haar onrustige ogen verkennen het terrein. Mimme is zo heel anders als toen ze in Amsterdam was. Angstig leest ze haar stemming op het oude gelaat. Pas als Marretje met welwillend gebaar de koffiekan naar zich toetrekt, ontspannen zich Snibbetje s trekken. Het is in orde,

„Lumme, geef Snibbetje’s kuppie eut de kast. Hoe is dit zo onverwachts, keend?” „ ...

Ik kon het niet langer euthouwen, Mimme, zegt bmbbetje naar waarheid.

251

„Heb ik het goed, is dat Snibbetje niet, die daor voorbij got?” zegt buurman Jan. ,,Lot hangen dat gerdintjen. Je zitten overal an met je zwarte haanden. Ik zal zelf wel ’rs kieken”en buurvrouw schiet haastig haar muilen aan. ,,Snibbetje is ok theus, Geertje,” roept ze naar de volgehde buur.

,,Ik moet toch talhout hebben,” denkt deze. ,,Ik zal direct naar even gaan kijken.” Ma: r voor ze gaat, zegt haar man: „Ik hew Snibbetje in heus zien goon, hoor jie ’rs effen hoe het met 'r is.”

Zo gaat het nieuwtje de buurt door. ,,Mins, mins, wat een kostelijke jongen is dat,” zegt oude Jans, de Vollenhover buurvrouw en ze kust Dickie op het grappige bolletje.

Snibbetje kijkt verheerlijkt toe. Maar ook wat beschaamd. Daar is ze nu zo bang voor geweest, voor dat milde oordeel. Voor die spontane, menselijke hartelijkheid. „Lumme, hew je nog gien kransien bij het kuppien? Zoek ze toch op. En we moeten ok een wiege lienen. Haol naor je toe je bienen.”

Het huis is in rep en roer. Op het gezicht van Lumme ligt een glundere glans. De kinderen staan om Snibbetje heen en bewonderen luidruchtig de kleine man.

Snibbetje lacht vrolijk, maar de parelende klank van vroeger hoort Lumme nog niet in die lach. ,,Dat komt wel weer,” troost zij zich, „als ze weer helemaal gewend is.” De trouwe Lumme sjouwt en draaft en praat honderd-uit met Snibbetje over de verandering, die haar huwehjk met Evert in het oude huis gebracht heeft. Snibbetje is vol belangstelling, maar Lumme mist iets. Ze is niet tevreden. Als ze even samen zitten, zegt Snibbetje: „Ik zou graag mijn ge~ woene plaose in heus wier inniemen, Lumme, ik bleuf arg lange, zie je."

>Je plekkien is eupen-eblieven, keend,” zegt zij rustig. Je kuunen wark kreeugen, zovuul as je willen. Wark maar harde, want je hewwen gien vrede in je ziel.”

Naar het uiterlijk is Snibbetje al gauw ingeleefd. Zij laat de naaimachine snorren en Evert grinnikt tevreden als al zijn goed zo keurig wordt versteld. Er komt weer leven en vertier in huis. Alles draait om de kleine man, die Evert achteruit stelt.

252

,,Hier hoor ik,” denkt Snibbetje glimlachend. „Alleen die schemeruurtjes moesten er niet zijn. Mimme en Lumme zijn er erg op gesteld, maar ik niet. In het donker voel ik me zo eenzaam worden.”

„Je vertellen haost niks van de walle,” zegt de jongste zus soms verwijtend. ,,Hoe lang bin je nou vort-ewest, en je wieten er niks van te zeggen.”

Dan dwingt Snibbetje zich om verhalen te doen van Amster¬ dam. Van de winkels, van de trams, de bakkers en melkslijters en de mensen, die drie, vier lagen dik boven elkaar wonen. Het begint het meisje al gauw te vervelen. ,,Ik geloof. dat ut daor een saaie boel is,” zegt ze minachtend en ze zoekt haar vrienden op. Snibbetje zwijgt en Mimme zegt: „Je ziele liet je daor in Moloch after, keend.” Snibbetje antwoordt niet. Een vreemd, onrustig geluk heeft zich van haar meester gemaakt, maar ze is nerveus en diep in haar hart schrijnt de pijn. Het grote avontuur heeft zijn sporen in haar achtergelaten. O zeker, ze kan onbedaarlijk lachen om Marretje's dwingelandij. Hoe die heerst over de buurtkinderen, d;e nu alle boodschappen voor haar moeten doen. Ze geniet, als Lumme en Evert telkens weer te horen krijgen, dat zij oude luidjes zijn en zich niet als jonge veulens hebben te gedragen. Plezierig grinnikt Snibbetje als Mimme waarachtig probeert, om een kwartje te lenen van de spiksplinternieuwe dokter, die nog maar pas op het eiland is gekomen en zijn eerste bezoek aflegt bij haar grieperig zusje. De dokter grabbelt in al zijn zakken, een beetje verlegen, maar toch wel geamuseerd. En als hij geen geld bij zich blijkt te hebben, knikt Mimme hem vertrouwelijk toe en zegt: ,,Zo hoort ut ok; wat moeten manlui met geld op zak doen? Ze heeft al lang een kwartje van een ander geleend, omdat ze geen geduld had, zo lang te wachten.

De dokter lacht en Mimme oordeelt genadiglijk: „Dat is een goeie vor oens, die zal het hier wel euthouwen. Onder het naaien door luistert Snibbetje glimlachend naar het geharrewar tussen Mimme en Lumme, Mimme krijgt te horen, dat ze zich onfatsoendelijk gedraagt tegen hooggeplaatsten en Mimme verwijt Lumme, dat die helemaal geen respect voor een dokter heeft, omdat ze het vertikt op tijd haar asperientje te nemen. Ten slotte verenigen beiden zich als Mimme moppert: „Foei, die man had wel vijftig diezikken in zijn broek, en nog niks er in."

253

,,Ja mins,” zegt Lumme, „zo binnen die vremden.”

En toch

Toch heeft Snibbetje geen wezenlijk deel aan dergelijke vrolijke kibbelarijtjes. Zij mist er de vrede voor in haar hart. Die oude domine Zondag ook! ..Onderzoek Uzelve nauw, opdat gij geen schadelijke wegen bewandelt . . Schadelijke wegen, ik ben immers op de goede weg. Ik weet het zeker! Het was toch afspraak. Die domine met zijn zware preken, ik kan er niet tegenop. Peinzend staart zij voor zich uit. ,,Hij had me immers niet meer nodig? En ik hem niet.” Maar gisteren dan, toen haar kleine derde-man vergeefs probeerde om Everts kortgeknipte haar te pakken te krijgen, zei Mimme opeens: ,,Hij mist die warrige kuif van zijn vader.” Ja, die zou hij voortaan altijd missen. Moedeloos laat zij haar hoofd in haar hand steunen.

Als Mimme haar zo ziet, zegt zij op haar directe manier: ,,Snibbetje, vertel wat er is tussen joe en die man, want zo got ut niet goed.”

Dan vertelt Snibbetje van haar grote wrok. Het verhaal is gauw uit. Het blijkt nu zo weinig te zijn, in ieder geval in een paar woorden gezegd. ,,Toen ik hem ut mieste nodig had . . klaagt ze. ,,Toen was ik er ook niet,” gaat het door Marretje’s brein. ,,Snibbetje,” zegt zij zacht bestraffend, „is het dat nou alliendes?”

En het klinkt als een zelfverwijtende klacht, wanneer zij er peinzend aan toevoegt: „Als joen taote zo 'rs met mij ,,Stille toch,” roept Snibbetje uit en meteen rent ze de kamer uit. Ze loopt naar de haven. Ze wil ruimte om zich heen zien. Die grote, sterke Mimme van haar, die zulke woorden zei. Diep en gulzig ademt ze de frisse winterlucht in. Aan de noordkant van het eiland rijden ze nog schaats en hier aan de zuidzijde zijn ze hard bezig de haven open te breken met de ijsvlet. Hoe moeizaam gaat dat. ,,Ze hoeven het voor mij niet te doen,” denkt Snibbetje. „Ik ga hier toch nooit meer weg.” Zangerig klinkt het over de vlakte: ,,Hienoo . . . twieoo . . . haol maor voort. !”

In taaie volharding bevechten de mannen het ijs dat hun eiland van de verdere wereld afscheidt. ,.De warmte van de zon zal erbij moeten komen, anders worden we nooit uit het isolement verlost,” denkt Snibbetje. 254

Zij zoekt de Noordkant van het eiland op, waar nog druk schaatsen gereden wordt..Wat zwieren ze daar fijn in grote ploegen rond. Een oude schipper spreekt haar aan. „Been jie de schaosen niet onger?”^ „Nee, ik kiek alliendes maar effen.” ,,Zien je daor die man met die jongen aan de stok rijen? Dat is m’n zuun met m’n klenzuun. Die jonge laart het al goed, hi?" , Snibbetje knikt van ja en ze gaat weer weg. Die vrolijkheid rondomme past zo weinig bij haar gemoedsstemming. Zij zoekt de eenzaamheid op. Daar bij de blauwe dammen bij de vuurtoren. Huizenhoog liggen hier de ijsschotsen op elkaar gestapeld. Als bergen omsluiten deze opgestuwde massa’s het eiland, een barse wal, waarachter de wereld ligt. De ondergaande zon werpt er haar laatste rode stralen op. Het ijs schittert als het slot uit een sprookje. Voorzichtig waagt Snibbetje zich in die indrukwekkende schoonheid. Hier vermogen mensenhanden niets. Hier heerst de natuur ongenaakbaar en vorstelijk. Ja, hier is God, ,,die wolken, lucht en winaen wijst spoor en loop en baan.

Klein voelt Snibbetje zich. Temidden van die grootse omgeving staat een nietig mensje, verscheurd en onzeker en het gaat door haar droevig brein: ,,Straks zullen de zonnestralen deze ijsbergen veranderen in dansende golfjes. Kan ik n:et een straaltje krijgen van de Goddelijke liefde, die de ijskorst rond mijn hart doet smelten? Ik kan het alleen niet meer af.” Vol vertrouwen richt zij haar blik omhoog. Hoor, het ijs kraakt. Er komt beweging in die geweldige massa.

Snibbetje hoort Bessiens oude stem: „Het aller-oudste boek, Snibbetje, vergeet dat niet.” „En ik heb het vergeten,” stamelt de jonge vrouw, die zich

In de kamer van het oude huis zit Marretje stil voor zich uit te voorzichtig laat afglijden, als de zon reeds is ondergegaan. peinzen. Ook zij heeft geen rust. Dat er nu geen man is, om al die moeilijkheden mee te bepraten. ,,Lumme,” roept ze, ,,koem toch’s effen hier en doen de kamerduur dicht.”

Verwonderd over de dringende klank van haar stem komt Lumme bij haar. Het gebeurt de laatste tijd vaker, dat Marre¬ tje Lumme nodig heeft en dat is de grootste beloning voor 255

haar jarenlange zorgen. Nieuwsgierig kijkt Lumme Marretje aan.

,,Lumme,” zegt de oude vrouw, „wij moeten Snibbetje tot angere gedachten bringen. Ze et een kostelijke man in de steek elaten om een bagatel.”

,,Dan moet er toch wel wat an hem mankieren,” meent Lumme. „Ik was er al bange vor, dat het mis zou lopen. Er komt ok glad gien brief van hem.”

,,Of hew jie soms zinnegheid om liefdesbrieven te skreeuven,” valt Marretje driftig uit. ,,Welt nint, dat n et, zegt Lumme, ,,maar as er wat aan hapert, dan moet er toch wat edoon worren.”

-•De schuld ligt alliendes bij Snibbetje, met haar malle kuren!” is Marretje s bondige oordeel. Maar Lumme aarzelt. „Ik geloof het niet, Mimme. Hij zal er de grootste schuld wel aan hewwen, dat ze er zo slecht eut zicht.” Nu verliest ook Marretje haar zekerheid. ,,Ik wiet ut ok niet maar, Lumme,” zucht ze. ,,Wat moet ik er an doen? Eten doet ut keend haost niet.” Ernstig knikt Lumme, terwijl ze Marretje’s bezorgd gez cht aanschouwt: ,,Ja, zo moet ut mis lopen. We mossen er de nije dokter's nor vragen. Hij likt me wel kundig op dat gebied.” >,Dat wiet ik nou zo net niet,” zegt Marretje. „Jie koemen altoos met zok aordige wijssies. Nee, ik geloof niet, dat de dokter oens helpen kan. Je moest toch maar rs skreeuven nor dur man, Lumme. Wiet je het adres nog?” „Vanavud, als Snibbetje nor de zolder is,” belooft Lumme. „Ik wou ut toch al doen, want ze et taote’s beultje vergeten. Daor zat nog wat geld van me in. Evert wil een nijt lakens pak hewwen.”

..Schreeuv er dan omme en zet er bij, dat de jongen flink gruuit. Een lief kareltjen is het, he Lumme? Beredder jie hem maar gank vor de nacht, want Snibbetje is wier op merode."

,,Ik bin er zelf al,” klinkt het en de ogen van de jonge moeder stralen van innige vrede, als zij haar kind verzorgt. Marretje en Lumme kijken elkaar verwonderd aan. Er is iets in Snibbetje gekomen, dat hun bezorgdheid doet wijken. Maar toch gaat ’s avonds Lumme’s brief op de post. Zij heeft erop zitten zwoegen. Met haar grote, ronde letters en de puntjes en komma’s precies op de plaats waar die staan moeten, want Lumme is punctueel op het stuk 256 van

schrijven. Ze kan zich zo ergeren aan Everts geknoei in het bestelboek, waar hij de rollade van de domine zonder meer vastschrijft aan herstelde stoelzittingen en drie vaten teer voor de scheepswinkel.

En terwijl Lumme zweette boven haar brief, knielde Snibbetje boven neer bij het wiegje van de kleine man en ongewoon zacht klinkt haar stem wanneer zij fluistert: „Zou moeder heus nog een keer een kansje krijgen, mijn kleine derde-man? Zouden we samen nog eens het hoogje afgaan naar de boot? Met jouw vader? Alleen bring ik er niets van terecht, mijn jongen. We moeten hoger op. Zundige minsen zijn we. De oude Reinier wist het wel goed. We zullen maar geduldig wachten, he?” Een vreemde rust is er over Snibbetje gekomen. Zij kan zich zo gemakkelijk nestelen in vaders oude leunstoel. En vergenoegd luisteren als de oude Rabbie en Mimme hun zorgen bespreken. Dan berekent zij mee de prijzen van de te verwachten jonge kalveren. A1 ver van te voren beleggen Marretje en haar oude vriend de opbrengst van het nieuwe vee. Wanneer de koeien op kalven staan, dan komt hij een paar maal in de week op het schemeruur op bezoek. ,,Hoe is het, Snibbe?” vraagt hij eens. ,,Heb je het hier in orde?” en hij wijst op zijn hart. „Denk eromme, want het is daar soms zo’n boeltje.”

Het puntje van zijn tong gaat snel heen en weer in zijn tandeloze mond en waarschuwend heft hij zijn vinger op. ,,Het komt wel goed,” zegt Snibbetje zacht, ,,geduld maar, en ze schenkt hem haar warmste glimlach. Ze lacht ook tegen Geeske, die Lumme helpt om de kleine jongen te leren zijn vingertjes op te steken als ze vragen: ,,Hoevuul jaortjes word je nou?” Ze wordt niet meer kwaad, als Geeske verstolen lacht: ,,De verborgen wateren zijn zoet, Snibbetje.”

Ze neemt dit alles aan, omdat ze bezig is, haar wrok te verliezen jegens de mensen en ijverig poogt om haar man in een milder licht te zien. Er zijn nieuwsgierigen, die soms vragen: „Snibbetje, komt je man nooit erressies?” ,,Ik wiet het niet,” zegt Snibbetje dan. „Goon je nooit meer weg, Snibbetje?” „Het is mijn teeud nog niet." Snibbetje wacht geduldig. Maar de brief, die Lumme postte, ligt eenzaam in de bus 257

van een huis, waar doodse stilte heerst, omdat geen man er meer naar omkijkt.

De vrolijke Meizon koestert het eiland. A1 het ijs is verdwenen. In blauwe pracht ligt het water om Urk. Nog steeds toeft Snibbetje in het oude huis. ,,Laot ut nou, Lumme, hij kint dat spelletje nou wel,” zegt Snibbetje, een dag voor Dickie’s verjaardag. Zou morgen de beslissing vallen, die haar leven een nieuwe keer geeft? Nerveus en prikkelbaar is Snibbetje. Lumme klaagt: ,,Wat dom was dat toch van je, om mun beultjen after te laoten,. Snibbetje. Evert zijn pak komt nooit voor de Pienster klaor.”

„Ik kan het niet helpen,” zucht Snibbetje. ,,As je het zelfs rs haolden?” stelt Lumme aarzelend voor. Snibbetje schudt het hoofd en fluistert: „Nee, dat durf ik niet.”

Vol angstige verwachting kijkt zij de volgende dag naar de aankomst van de boot, waar hij niet mee komt. ..Hij heeft ons vergeten,” schrijnt het door Snibbetje’s hart. ,,Het is hem beter gelukt dan mij. Voor deze moeite is hij nu eens niet uit de weg gegaan.”

Verstrooit luistert zij naar het gepraat van haar jongste zusje. „Leuster toch, Snibbetje,” zegt het meisje. ,,Een arrie was het bij de boot. Zag je al die touristen? We hewwen oens gek elacht. Zo net vrat het paard van de melkboer twie dure bloemkolen op van de groenteman. Z’n baos sting te kieken naar een paar vroului met die lange broeken an. Een ruzie, dat ze ekriegen hewwen. Maar de kappeten zeen, dat ze samen de schao maar mossen betaolen, omdat ze er allebei een oogien an ewaagd hadden.

„Het is een schaande, zoas die vremden erbij lopen,” zegt Lumme. „Elke dag koemen er maar vremden op het eiland en oenze volk stot ze nog an te gapen ok. De warreld loopt op het ende, wat ik je brom. Koem maar miee in heus. Snibbetje, je maggen bleede wezen, dat je rustig hier zit.” „Is de kapkool niet nor je zin?” informeert Marretje. „Je eet niet.”

,,0, jawel hoor,” verzekert Snibbetje met een innig-triest glimlachje. Na de maaltijd neemt ze bevend haar jongen op de 258 arm en

ze zegt: ,,Ik goon effen met hem kuieren, het is mooi weer." „Goon je gang maar,” knikt Marretje. Dan wandelt Snibbctje het lage dijkje af. Hier liep ze eens met vader. Wat een kostelijke intieme gesprekken heeft ze met hem gehad. Zou haar jongen nooit met zijn vader wandelen, hand in hand? Zou hij door haar schuld deze grote steun in het leven missen? Wild warrelen de gedachten dooreen. Zou alles voorbij, alles verloren zijn?

Fluisterend spreekt zij haar jongetje toe: ,,Zou hij nooit meer een enkel keertje om ons tweeen hebben gedacht? Stil maar, m’n derde-manneke. Blijf rustig op je moeders arm zitten. Ik had toch je wagen wel mee kunnen nemen. Kom, we gaan bloemen plukken op de top. Daar kun je de oude windmolen horen suizen. Hoeveel jaartjes ben je nu, m’n schat?”

Een klein vingertje gaat trots omhoog. ,,Hoor je die baggermolens knarsen en zie je dat wijde water? Dat wordt et nieuwe polderland. Daar ga ik voor je werken, heel hard werken. En we zullen samen vergeten, dat we eens woonden in een klein, benauwd huisje, waar een man met ogen net als de jouwe overal in de weg zat. Ja, mijn jongen, dan zal ik je leren, hoe jij je gedragen moet als er een meisje bij je komt om hulp. Dat je dan je jonge armen om haar been moet slaan en zeggen: ,,We zullen samen aanvaarden." Veel zal ik je leren, jongen. Ook, dat je niet moet vervallen in de fout van je moeder, die altijd te laat was. Het had zo anders kunnen zijn. Luister je niet? Ga dan maar spelen. Ik zal wel op je passen.” Zij vlijt zich aan de glooikant van het dijkje neer. Snibbetje’s ogen turen onrustig de einder af. Daar heel in de verte op de staart, scholen de laatste zeehonden samen. Zij zijn ten dode gedoemd door het steeds zoeter wordende water. Wat zou vader toch altijd hebben gezien aan die verre horizon? Zou hij daar die rust hebben gevonden? Nee, die rust kreeg hij uit Bessiens alleroudste boek, maar zijn ruime blik kreeg hij op zee. „Taote,” zucht ze wanhopig. „Was mijn blik maar zo ruim geweest als de jouwe. Ik had die man moeten aanvaarden zoals hij was en niet, zoals ik hem graag wilde hebben. Nu zal mijn kleine derde-man opgroeien zonder schipper. Nooit zal hij vertrouwend kunnen opzien naar een vriendelijk vadergezicht, zoals ik vroeger. Jij was altijd goed. Zelfs als ik wegliep van mijn plichten. Hoe komt het, dat ik dat nu pas zo goed zie, nu het voorbij is? „Er is geen weg terug,” heb je 259

gezegd, vader. ,,Er is een eeuwig voortgaan.” Konden we nu samen maar voortgaan. Maar hij begreep me niet. Ik hechtte zo weinig aan alles wat hij gaf, omdat ik zijn echte liefde niet vond. En nu ben ik al zover, dat ik het zelfs buiten dat,,echte” zou kunnen stellen, alleen om mijn kind zijn vader terug te geven.”

Zo peinst Snibbetje. De zeewind streelt door haar krullen en langs haar gezicht. Het is zo goed en zo rustig hier en toch staren haar ogen bedroefd in de verte.

In die verte ligt de nieuwe toekomst voor haar volk. Maar de vissers zullen blijven het stoere ras, met de trotse liefde voor het oude bedrijf. Niets zal hen ertoe kunnen brengen om die wijde oneindige verte op te geven en het hachelijke bestaan aan boord te ruilen voor het leven aan land. Alleen de ouderdom kan hen dwingen om de helmstok prijs te geven. Dan zal ,,Bebbe kleine kinderhandjes in zijn eeltige knuist voelen, want de bekroning van een moeizaam leven vindt de oude visser in de kleinkinderen, die aan zijn zorg worden toevertrouwd. En die kleinkinderen zullen ze bezielen met de onverschrokken geest van de zee.

De landslui zullen het nieuwe aanvaarden, met alle lusten en lasten, maar hun oeroude traditie zullen zij meedragen tussen golvende korenvelden en bloeiende akkers. Gewone boeren zullen zij nooit worden, want de Urker moet iets woeligs bezitten om lief te hebben. Dit woelige ergert hem, maar hij koestert het toch. Snel bewogen is de Urker als de enkele oude iepen van het eiland, waar de wilde zeewind doorheen stoeit.

Dit woelige verlangen leeft ook in Snibbetje. Tranen verduisteren haar ogen, als zij het hoofd opheft om haar kleine derde-man te zoeken. Die ogen verstarren. Een hevige schok vaart door haar heen. Een bolrond lijfje probeert tevergeefs zich omhoog te trekken. Is dit zinsbegoocheling? Naast zich ziet Snibbetje een lange bruine broekspijp, omstrengeld door twee stevige armpjes. Snibbetje durft niet opzien. Zij buigt het hoofd. Van heel hoog dringt een stem tot haar door, een stem, die zo oneindig zacht zegt: „Snibbetje, zullen we het samen nog eens proberen . . .?” „Jij hier?” hijgt ze. „Hoe kan dat? Je kwam toch niet met de boot mee?” ,,Met de motorbotter.” ,,Durfde je dat?” 260

Nu klinkt zijn luide, sterke schaterlach. De liefde vermag alle dingen. Snibbetje ontdekt het geheim van oude Evert Duims oneindig geduld en schelmsheid in de ogen van de man, die haar gevangen houdt in zijn sterke armen.

„Snibbetje, durf je wel?” zegt zijn vaste stem. „Ik heb mijn baan eraan gegeven. Een onbekende toekomst gaan we in. Mijn studie .. .” Maar ze laat hem niet uitspreken. In haar voortvarende blijdschap vervalt zij in haar oud-geliefd dialect, dat ze anders nooit tegen hem sprak. „Hoe hi! Houw je stille! Met joe durf ik alles!”

In de huiskamer van het oude huis staren Marretje en Lumme elkaar verbaasd aan.

„Ik was er wel bang voor, dat hij ons onverwachts op het lijf zou vallen,” zucht de oude vrouw en al voor de tweede keer, nadat die vreemde haastig het huis verliet, zet ze haar hulle voor zich op tafel en krabt zij zich achter het oor. ,,Was het een zwaore koopman, buurvrouw?” vraagt Geeske, die haar lachend gezicht om de hoek van de deur steekt. „Een barre zwaore,” zegt Marretje veelbetekenend. „Dat was nou Snibbetje’s man.”

„Hoe michtig! Dan goon ik gaauw vort!" roept Geeske uit en zij verdwijnt haastig.

„Kiek urs, of ze nog niet koemen,” vraagt Marretje. „Dat hew ik al drie keer edoon,” klinkt het zacht. Lumme’s ogen blijven staren naar het buideltje, dat naast Mimme’s hulle ligt. Zoeven heeft die vreemde dat achteloos op tafel gesmeten en hij vroeg: ,,Hoe kwam dat briefje er in? Dat briefje met: „voor de onkosten”? Dat heeft me het ergst van alles gegriefd. Die belediging was toch zeker niet nodig geweest.”

„Dat briefje ding ik er in,” had Lumme toen gezegd. ,,Ik gaf heur het geld miee nor Kaampen en ding er dat briefje bij. Snibbetje rekent zo slecht, Ik was bange, dat ze de onkosten ongerschatten zou.”

„Dan is het in orde,” had de vreemde opgelucht gezegd. „Waar is ze nu?”

Lumme wees toen naar de oostkant van het eiland. „Zoek er daor maar, ze zal wel in het gras zitten, aan de zeekaant. Ze kan nargens angers wezen.”

Dat is nu al een uur geleden. Lumme kijkt af en aan op de oude friese klok.

261

„Gaf jie heur dit miee?” vraagt Marretje en haar oude handen nemen het geldbuideltje op. Zachtjes zegt zc: ,,Wat kon je toate het groos eut z’n diezik haolen, om Snibbetje heur twie kwartjes te gieven, hi? Wat was die man goed vor oens allemaol.”

Mimme heeft tranen in haar ogen. Diep ontroerd staart Lumme haar aan. Plechtig legt Marretje haar buideltje neer in het hoekje van de kast, waar ze vaders spoeltje en mesje bewaart, die hij gebruikte bij het nettenboeten.

Lumme durft het geld niet terug te vragen. Die stemming mag ze niet storen. Morgen komt dat wel goed en met een glimlachje voorziet zij het gekibbel dat daaruit zal ontstaan. Natuurlijk zal Marretje bestrijden, dat Evert een nieuw pak nodig heeft. Hij wordt veel te groots, zal ze stellig zeggen. Marretje heeft zich van haar aandoening hersteld. „Zet de stoelen recht voor het bedschot, Lumme en zou je ok gien koffie zetten? Je wieten, hoe vremden binnen. Ze niemen alles op durlui afterste kiezen. Ik wil niet, dat ie op oens neerkiekt. Koemen ze nou nog niet? Die Snibbetje is zo’n nukkekop.”

Zenuwachtig en bazig is Mimme’s stem weer. Lumme bekommert zich niet meer om de inhoud van het geldbuideltje. Haar bezige handen schuiven de stoelen recht en ruimen de tafel op.

Dan draait zij bedachtzaam de slinger van de oude koperen koffiemolen.

Lumme gaat aan de deur staan en tuurt door het nauwe straatje. Alleen haar ogen verraden de spanning. Dan heft zij blij het hoofd op en zij draait zich snel om.

Marretje’s gezicht verheldert, als Lumme glunder om de hoek kijkt en met een stem, die hees is van aandoening, fluistert: „Het is vor enkanger. Ze dragen om de beurt ut keend.”

262

Woordenlijst

Aals- hals afpoesen afzoenen ansjopies ansjovis awaor hier dan maar

Bebbe grootvader bessien grootmoeder bestoffelen stommelen besussedieren tot rust komen (van opwinding beswaoter buiswater beus soort baadje, buis bietjen beetje (jenever) boontjen baantje hotter hotter; boter bleede blij braand brandstof

Diezek zak dol kwaad donniken vast slapen dooiewagen (op je d. houwen) niet vertrouwen dordeman derdeman op schip drellingen bedsteeplanken droeli sufferd

Eek azijn

Feliet failliet floepe flapdrol frikkedil stuk gehakt

Garren garnalen gemauw gezeur gevuust handengeschud gank vlug, gang ginkien steegje, gangetje glop opening tussen huizen griffermaard gereformeerd groos trots, hoogmoedig grusien lekker stukje vlees

Haartjes heren helligebaos baas van de helling, d.i. de scheepswerf huffien tuinhekje hulletje tulen en kanten kap van de vrouwendracht

Iepelepiepies luizen Joejen gekjagen

Kapkool gerecht; soort stamppot karpoes vissersmuts keend, kiengeren kind, kinderen klapskoel leugenbank klouwen krabben koente achterwerk koesebaanden kousebanden koesterend gezellig kollen heksen korren vissen met de kor kransien boterkoek kreeten huilen (hij krit) kruntjen kapje van het brood Laanders landeigenaars laanderskark vergadering van de landeigenaars laandtrappers landlui (geen vissers zijnde) laare catechisatie, lering laren leren loeven walmen

Mauwen zeuren maotjen meisje middelde soort corset mimme moeder mindjen mandje merode (op) de buurt op meien maaien mooin meisje, meid

mortel kruimelig munnik lastig meisje mulm molen

Nachtrinkinker iemand die ’s nachts op straat loopt neister naaister neurie sterke drank noone oom nijt nieuw

Ongerlest laatst ontuum ongepast ommelebommelestien de steen waaruit de kindertjes komen

Peeinde pijn pierewippen spel met stokjes poesen zoenen poesien zoen pupeltje klein kind pussien baantje putjen (keuls) potje

Reeust rijst reminten (niet te) niet te tillen reze reis rutelige begin (van de bevalling)

Semaor gewaad skef scheef skeut schuit skoelmetresse schooljuffrouw slietjen sleetje sliksnuut vuil gezicht

spuulklukkien klokje met speelwerkje stamerbout stotteraar start in zee stekende zandtong stoetel stoethaspel stoter geldstukje (12'/2 cent) suurpsteken stroopsnoepjes strieek mit de kuul trek met de viskuil

Taote vader tielt visseizoen toeten luid huilen tugenkrosies tegenspraak

Vaar ver verkuvverieren ergens beter van worden verskieten schrikken vlarken werken met de Franse slag voort weg(gaan) Vorm (de) zandbank bij Urk vremde snuut iemand van buiten het eiland vroemoer vroedvrouw vuusten handgeschud

Weesje wijsje wegenaar balans wiebemeis iemand die zich met vrouwenzaken bemoeit wuppertjen spring-in-’t-veld

Zegenaor visser met zegennet

Stichting Urker Uitgaven

Urk