Geschiedenis van het eiland Urk

Page 1

GESCHIEDENIS VAN HET EILAND URK



Geschiedenis van het eiland Urk door

C. DE VRIES



An m'n Vrouwe. Urk is in blift oenze Urk, niet waor? Al legt het an een dik. Al venen vreemden 't nog zo raor. Wij bleven Urkers, jie in ik.



‘n Woordjen in de Urker toal vuurof. --Aendelik! zullen diegenen zeggen, die wisten, dat ik mit de geskiedenisse van Urk biezig was. Beter laot as nooit! zeg ik wier. Ze mòzzen d'rs wieten, hoe 'n waerk ik er an had haew. In nog bin ik niet hielendal voldoon. D'r binnen nog verskeien dingen, daor ik niet after koemen kon. Maer 'k wil nou toch ok niet langer wachten, ok mit 't ooge op de droogleggege van de Zuiërzie. 'k Haew er effen over edocht, öm alles in de Urker taol te skreven, maer daor bin ik gaauw van terògge ekeumen. In de eerste plaose zou zök skreven vuul muuileker wezen, in vuul maer teed kosten. Al bin ik òp Urk òp-egruuid, toch skreef ik makkeleker de algemiene Nederlandse taol, as oenze aegen spraak. Dat zal mit alle Urkers wel zòh wezen. In ziekeren zin is dat wel jammer. Duur gelaerde minsen wordt oenze taol net zòh goed bestudierd as angere taolen. Lestet haew 'k nog elezen, dat 'n gelaerde baos de Urker taol zelfs 'n hiel merkwaerdege taol neumde. In de twiede plaose zou er vòr de mieste lezers ok 'n bezwaor an verboenden wezen, al was dat nog niet het aergste. Mit 'n bietjen oefenege zou dat goonde beter wòrren. Het dorde bezwaor is vuul aerger. Oenze taol is vanzelf gien ontwikkelde wietenskappeleke taol. Het is niet maer as de dagelikse taol van gewoene ienvoudege burgerminsen. Al is er nou, ok in 't Urkers wel diegelik, òngerskeid tussen behoorlik in onbehoorlik, tussen fesoendelik in onfesoendelik, toch sprikt 't vanzelf, dat 't getal woorden niet groot enoeg is, om er alles in eut te dròkken. As ik alles in 't Urkers òp wou skreven, zou 't niet ònmuchelik wezen, dat ik nou in dan een woord, dat ik aegelik haewen mòs, in de Urker taol niet venen kon. In dan zou 'k lientjenbuur moeten spulen. Ten slotte binnen d'r op Urk minsen, die nooit goed haewen kunen, dat er in de Urker taol eskrieven wordt. Ze binnen alteed bange, dat er dan mit oens espot zal worren. In wie wil graag eutelacht wezen? Dat is nou wel 'n misvattege van die minsen, maer vòr my is het toch ok een reden, om maer niet varder in 't Urkers te skreven. Vòr de niet-Urkers, of zòh-as ze op Urk zeggen: vòr de „vreemden", gief ik hier nog 'n klaene toelichtege bij.


In de algemiene Nederlandse taol wòrdt de twiederhaande eutspraak van de korte o vaak verwaorloosd of verhaspeld, maer in 't goeie ouwerwesse Urkers niet. Op Urk wòrdt wel diegelik ongerskeid emaakt tussen bot (vis) in bot (van een vlieger). Zòh ok wòrdt òngerskeid emaakt tussen de korte in de lange eutspraak van de ie-klank. Bieten wordt kort eutespruken net as in 't Nederlands, maer de mannennaam Pieter gerekt. De letter h bestot òp Urk alliendig in thiorie, maer niet in de eutspraak. As de h ofzòngerlik eutespruken wòrdt, dan zegt een Urker toch: a. Er wòrdt wel ongerskeid emaakt tussen de a en de h op disse menier: de eerste is een Albers-a, de twiede een Hindriks-a, ok wel stoeltjes-a. Al wòrdt de h in 't Urkers niet eutespruken, toch veen ik 't, om maer as iene reden, winselik, om 'm wèl te skreven. Het Nederlandse woordjen zo wòrdt óp Urk kort eutespruken : daoròmme haew ik er een h af ter ezet: zòh. In nou an de gank!


Inleiding. --Toen ik, nog redacteur van de oorspronkelijke Urker Courant, het voornemen opvatte, om de geschiedenis van Urk na te sporen, stelde ik mij zelfs van verre niet voor, wat daaraan verbonden zou zijn. Telkens kwam ik voor andere vragen te staan. Een gevonden antwoord deed gewoonlijk weer nieuwe vragen opkomen en maakte daardoor nieuw en soms heel uitvoerig en tijdrovend onderzoek noodzakelijk. Geen enkele bereikbare bron, hoe weinig ze ook opleverde, mocht worden overgeslagen. Over het groot aantal bronnen heb ik me verbaasd. Verschillende openbare Bibliotheken, de Rijksarchieven te 's-Gravenhage, Haarlem, Arnhem, Zwolle en Utrecht en zelfs Archieven te Dusseldorf en Keulen, Brugge en Rome bevatten gegevens, die niet konden worden gemist. Meer dan één van die gegevens is blijkbaar nog nooit door iemand gebruikt. De vriendelijke hulp, mij door dezen en genen geheel belangeloos verleend, gedenk ik met grote dankbaarheid. Natuurlijk moest ook op Urk zelf, waar de heer J. Verstelle mij meermalen goede diensten bewezen heeft, een onderzoek worden ingesteld. Maar behalve de kerkelijke notulen, die ik door de vriendelijke tussenkomst van Ds. Marsman bestuderen mocht, kon dat onderzoek niet verder terug gaan dan tot het laatst der 18-de eeuw. Wat er van vroegeren datum bestaan heeft, is voor het overgrote deel, soms zeker door veronachtzaming, maar in enkele gevallen door misdadige handen, verloren gegaan. Hoe heb ik het betreurd, beweend zou ik willen zeggen, dat ik het Missale, het Misboek, dat althans in 1555 in de (toen nog Roomse) kerk nog gebruikt werd en waarin blijkbaar merkwaardige plaatselijke gebeurtenissen werden aangetekend, en het Principaal Instrument, waarin de plaatselijke overheid haar handelingen noteerde, niet tot mijn beschikking had. Wat een schat van gegevens zouden die hebben geboden! De klacht van den Urker schout, die (in 1661) sprak van het verduisteren van zekere registers, zou ik met versterkte kracht willen herhalen. Maar wat zou het baten? De Urker Doop- en Huwelijksregisters, begonnen in 1711, en een Overlijdensregister van omstreeks 1800 berusten in het Rijksarchief in Haarlem. We mogen er zeer dankbaar voor zijn, dat het Rijk, 9


indien nodig of gevraagd, ook voor de plaatselijke archiefstukken de zofg op zich nemen wil. En die zorg is uitnemend, en de hulpvaardigheid der ambtenaren wordt door iederen onderzoeker geroemd. Laat toch - zo zou ik hieraan willen toevoegen - iedere steller of verzorger van een officieel stuk zijn volle aandacht schenken èn aan het materiaal, èn aan den inhoud, èn aan den vorm. Dat hij zich niet door, hier vooral misplaatsten, zuinigheidsdrang late verleiden, om de kans voor het verloren gaan of beschadigd worden van zijn werk te vergroten. Dat geldt kerkelijke en politieke en zelfs particuliere stukken, notulen van vergaderingen e.d. Laat het ook hier bljjken, dat „de ouders schatten vergaderen voor de kinderen". Wat ik meedeel, geef ik, na ernstig onderzoek en zelfs keuring en schifting van de bronnen, naar mijn beste weten. Het is mogelijk, dat hier of daar nog een bron ligt, die mij onbekend of buiten mijn bereik was. Een nauwgezet onderzoek van den bodem rondom Urk en zelfs van het thans bebouwde gedeelte zou ons nog verrassingen kunnen brengen. Moge het te leveren werk voor zichzelf spreken. Door ter zake kundigen is eens in een lezenswaard artikel over Urk de opmerking gemaakt, dat de bouwtrant van het „nieuwe" raadhuis met de beide belendende gebouwen, burgemeesters- en dokterswoning, zonder slaafse copie te zijn, toch volkomen past in den stijl van het schilderachtig dorpsbeeld van oud Urk. Zo hoop ik, dat mijn geschiedenisbeschouwing blijve in den stijl van de op Urk diep ingewortelde volksovertuiging, dat het verloop der historie, van de wereld, van een volk, van een plaats en van den afzonderlijken mens, niet vastgesteld en geregeld wordt hier op aarde, maar boven ons, in den hemel. De ontwikkeling der geschiedenis, ook van Urk, is Gods werk. Als het mij gelukken mag, de nu nog in nevelen of zelfs in duisternis verborgen geschiedenis van „oenze laand" in het licht te plaatsen, dan zal ik, ook met het oog op het nageslacht, dankbaar zijn.

10


Urck in Almare. ---

Laat ik trachten, het eiland Urk te beschrijven, zoals ik het mij in den tijd van Karel den Groten en enigen tijd later voorstel. Ik zeg met nadruk: zoals ik het mij voorstel, en ik geef daarbij zelfs vooraf toe, dat de toestand in werkelijkheid wel anders, en zelfs wel heel anders kan geweest zijn. Waar ons geen nauwkeurige gegevens en vooral geen landkaarten uit dien ouden tijd ten dienste staan, kunnen we niet anders, dan trachten, uit de onvolledige gegevens, in verband met nauwkeuriger berichten van lateren tijd, en in verband ook met den toestand van heden, een voorstelling te vormen van wat vroeger was. Als we de kaarten, die door verschillende geschiedkundigen, de één soms op gezag van den ander, ontworpen zijn, om te doen zien, hoe zij zich den ouden toestand voorstelden, ik zeg: als we die kaarten vergelijken, dan treft ons vaak een groot verschil. Niet allen, b.v. Hofdijk niet, zijn het er over eens, dat het eiland, door de Romeinen Flevo-eiland genoemd, hetzelfde was als het oude eiland Urk. Dan is er ook een groot verschil in den vorm, die aan dat oude eiland Urk gegeven wordt. Ramaer b.v. wijkt zeer sterk af van wat alle anderen gegeven hebben. Nu hebben al die historici zich natuurlek niet speciaal met Urk beziggehouden. Ik daarentegen heb mij meer op Urk gespecialiseerd. Urk was voor mij de hoofdzaak. Ik meen daardoor enig meerder recht te hebben, om voor de voorstelling, die ik na ernstige overweging en her-overweging bied, de aandacht te vragen. Toch moet ik, om objectief te blijven, daar terstond aan toevoegen, wat ik in mijn jeugd meer dan eenmaal uit den mond van Ds. W. Visser (van 1873 tot 1894 predikant op Urk) gehoord heb: „Ik geef mijn gevoelen gaarne voor beter". Voor mij is het eiland Flevo hetzelfde als het eiland Urk in zijn ouden groten vorm. Het omvatte de latere eilanden Urk en Schokland met nog heel wat land er omheen; ook het sinds geheel verdwenen Nagele. Dat dit Urk, zo ver wij kunnen nagaan, altijd een eiland geweest is, daarover zijn allen het eens. Het meer vertoonde aan den zuidkant een brede watervlakte. Aan den westkant mag de breedte minder zijn geweest, de diepte was er groter, vermoedelijk doordat daar de sterkste arm van den Rijn langs ging: het Val van Urk. 11


Aan de noordzijde en aan den oostkant was het water, dat Urk van het vasteland scheidde, beslist veel minder breed: het had geen grotere breedte dan van een gewonen, zij het ook breden, rivierarm, zeer vermoedelijk de uitloop van de altoos waterrijke Vecht. Doordat het scheidende water oostwaarts en noordwaarts van het eiland niet meer dan flinke rivierbreedte had, kon op Urk, in latere eeuwen, de overlevering ontstaan, dat het eenmaal b.v. aan Vollenhove vast gezeten had. Dat scheidende water droeg, althans aan de noordoostzijde, waar het dorp Nagele lag, den naam Nakala, een naam, dien ik ook geschreven vond als Naghela. Misschien betekende dat: Naghel-a, dat is: Naghel-water. Zo goed als zeker is, dat het land aan de overzijde van de Nakala, dus het land tussen Urk en Vollenhove, het eerst weggeslagen is, maar in 968 was dat in elk geval nog maar ten dele geschied. Thans haal ik enkele getuigenissen aan, die de door mij gegeven voorstelling zo al niet precies weergeven (dat zou voor mij al te gemakkelijk zijn geweest), dan toch ondersteunen. Eerst Hofdijk in „Ons Voorgeslacht", deel II, bl. 69 en 70, waar hij den toestand beschrijft, althans tracht te beschrijven, van de goo Umbalaha, kort na de kerstening van de omgeving. Een goo of gouw was in de Frankische bestuursinrichting een niet te grote bestuurseenheid. De goo Umbalaha lag ten noorden, de goo Salon ten zuiden van de Vecht. Tot de goo Salon behoorde ook Urk. De eerste hogere regeringspersoon, waarmee men op Urk te maken had, was dus de gouwrechter of graaf van Salon. Hofdijk dan schrijft: „Deze kleine goo (Umbalaha), tusschen de grooten Ostraga, Trianta en Salon ingesloten en door het meir Almari afgesneden, wordt Pagus Forestensis (= woudgraafschap, D.V.) geheeten, wat u niet bevreemdt, wanneer ge slechts een blik hebt geworpen in die ruwe woudstreek, die het best met Holtland te vergelijken is: een volkomen wildernis, gebroken door meiren, moerassen en poelen, en ten westen, naar het meir, bedekt met een uitgestrekt, dicht woud. Dat woud Fulnaho (ter plaatse, waar thands Vollenhoven ligt) geheeten, is niet alleen het paradijs van scholvers en kwakken, reigers en putoren, lepelaars en kranen, en dergelijk watergevogelte meer; het ontbreekt er niet aan bevers en otters, zelfs niet aan everzwijnen; maar ongetwijfeld vindt ge hier ook de indrukken der hoeven van den grimmigen woudstier, den plompen elo, eland, en den vluggen schelo, het rendier. Daarenboven is het hooger gedeelte uitnemend geschikt voor de vangst van valken, waaraan het rijk is. Daarom is het ook een banwoud en behoort het onder het Keizerlijk jachtrecht." Dan gaat Hofdijk aldus verder: „Hebt ge den moed, om in dit wilde woud door te dringen tot aan de boorden van het meir, dan ziet ge op ongeveer een 12


half uur afstands een door veehouders, varenslieden en visschers bewoond eiland uit het watervlak oprijzen. Het is Urch (thans in Schokland en Urk gesplitst), tegenover den Vechtmond gelegen, dat bij noordelijke en noordwestelijke stormvloeden zwaren nood van water te lijden heeft, zoodat de bodem aan die zijde ook uit luttel beter dan „drassig, overgeloopen en moerassig land bestaat meer voor eenden en ganzen dan voor menschen bewoonbaar." Dat eiland behoort echter aan de volgende goo, het door Vecht en Aa van Umbalaha afgescheiden Salon." De vorm Urch is de Latijnse schrijfwijze van den naam van het eiland, de eerste vorm, waarin de geschiedvorser met dien naam kennis maakt. Den afstand van een half uur gaans acht ik veel te groot genomen; men kan dien m.i. gerust tot een derde er van terugbrengen. Het volgende citaat, dat ik geef, is van Arent toe Boecop, den veelschrijvenden secretaris van de stad Kampen in het laatst der 16-de eeuw, die met de rijke Lubbe van Urck getrouwd was en daardoor vanzelf al veel belangstelling voor het eiland had. In 1559 was hij er dan ook als vriend van den pas overleden heer en zeker als vertegenwoordiger van de stad Kampen, aanwezig, toen er een nieuwe heer „ingehuldigd" werd. Welnu, die meneer Toe Boecop heeft ook over het bos geschreven, waarover Hofdijk het had. In zijn „Codex Diplomaticus Neerlandicus" (uitgave van het Historisch Genootschap, serie II, deel 5, bl. 51) lezen we letterlijk dit: „Om dyt ghetyde int jair 927 was dat landt van Overyssel, Sallant, Twente, Vollenhoe, Drente, dye suder Zee ende dat meste deell van Hollant, bosschaye ende wyldernissen, dair seer voelle wyldes in was, van hirten, hynden, reen ende derghelicke, ende voelle bossen, schadelyke wyldebesten, als bairen, wollven ende anderen derghelicken, dye de luden, dye doir den bos ghenghen, sgorden, ommebrochten ende opvraten, wairomme dye bos het bos van onghenade worde ghenomt." Dezelfde Toe Boecop vertelt in zijn „Chronïken", een uitgave volgens een 18-de-eeuws afschrift, van een „steenstraate", die gelopen moet hebben „van Vollenhoo heen tot Urrick". Uit de bewoordingen is op te maken, dat hij die bijzonderheid is te weten gekomen van Urker vissers, want hij zegt, dat de schippers die steenstraat met een boom wisten „off te pejjlen en te voelen". Hoe Toe Boecop er toe gekomen is, om zo precies te weten, hoe het in 927 en 944 was, is mij niet duidelijk. Ik moet bekennen, dat ik zijn mededelingen juist door die precisering niet vertrouwenwek kend acht. We nemen ze dus aan, voorzover ze een graad van waarschijnlijkheid hebben. 13


In den zuidwestelijken hoek van het oude eiland Urk verhief zich de Berg, de diluviale kern van het eiland. Hij was toen naar het zuiden en het westen veel breder dan thans, nu hij aan die zjjden een zeer steilen oever heeft. Langzaam rijzend, zoals hij thans nog aan den noordoostkant en oostkant doet, bereikte hij een hoogte van 26 of 27 voet boven de wateren van het Almare. Volgens Toe Boecop was het een berg van „moye cleij". Dat wijst er, dunkt mij, op, dat zijn flanken in 1559 met bouwland bedekt waren. Op den top van den Berg staan thans de vuurtoren en het kerkje der Hervormde gemeente. Keek men, op dien top staande, zuidwestwaarts, dan zag men in de laagte , aan het water, het dorpje, waarvan de naam ons onbekend is, maar dat door Ramaer voor het oude en sinds verdronken Algotedorp werd aangezien. Het was ongetwijfeld rijk voorzien van de op Urk bekende wilgebomen, met de ratelpopulieren vrijwel de enige, die op het altoos winderige eiland wilden groeien. Tussen die wilgen zal men het vissersdorp hebben zien liggen, een verzameling van onaanzienlijke hutten, en daar tussen in de houten kapel, van verre kenbaar aan het grote houten kruis. De grondslag van de kapel was van steen; misschien gebakken steen, die men toen op Urk reeds kende, misschien natuursteen, zoals die nu nog in de omgeving van Urk veel gevonden wordt. Dat dorp is vergaan; misschien reeds in den stormvloed van 839. Op den zuidwesthoek van het eiland ging de sterkste stroming. Dat er in de zee ten zuidwesten van den Berg en den vuurtoren een dorp moet gelegen hebben, wordt o.a. bevestigd door de volgende mededeeling in ,Kaerte van dye Suyd zee tot dat Panserdyep toe ende tot dat Maersdiep toe om met schepen wt of in te zeylen van Amstelredam te zee waart. Ghedruckt int jaer 1540" (Opnieuw uitgegeven in 1885 bij E. J. Brill te Leiden). Men neme in aanmerking, dat het woord kaerte hier betekent vaargids, en dat in het nu volgende citaat een toestand beschreven wordt, zoals die reeds zeer lang bestaan had. „Item om te weten die mercke van dat oude kerckhof bi zuytwest eynd van Urck: in dat zuydeynd van dat clif is een witte inham ende die hoochste boom die staet in dat zuydeynd van die huysen op Urck als die boom comt over die witte inham, zoo zyt ghi te neven dat oude kerckhof. Op dat kerckhof ist VI ellen diep, cleyne schepen hebben daer gheen gebreck of." Hier wordt dus gezegd, en daar is het mij' om te doen, dat het „oude kerckhof" op den bodem der zee, het overblijfsel van het vergane dorp, ten zuidwesten van het toenmalige Urck lag. Dat dorp was, blijkens den naam kerckhof, in den tijd van Karel den Groten, den tijd, waarvan ik nu den toestand tracht te beschrijven, nog aanwezig. Zoals ik zeide, schijnt het al vroeg verdronken te zjjn, en daarom juist geloof ik niet, dat het Algotedorp is geweest. 14


Ik ben begonnen met te zeggen, dat we ons voorstelden, omstreeks het jaar 800 op den top van den Berg te staan. Liet men het oog van het zuidwesten, waar dat oude dorp lag, naar het westen gaan, dan zag men den horizon begrenzen door een lichte en naar het westen iets hoger wordende duinrij, die opgeworpen moet zijn, toen Urk nog in open verbinding met de Noordzee stond, d.w.z. in den tyd, toen het eiland nog door zeewater omspoeld werd. Omstreeks het jaar 800 moet die reeds eeuwen oude duinrij een goede bescherming van het eiland hebben gevormd. Ongeveer in westelijke richting tuurde men weer op het kruis van een kapel. Het was die van Espele of Espelbergh, toenmaals en in ieder geval later het voornaamste dorpje van het eiland. De naam wijst uit, dat het hoog, in de duinen, moet gelegen hebben. Het eerste gedeelte van den naam Espelbergh betekent misschien, dat het in of tussen of achter ratelpopulieren lag. Die heten nu nóg wel, ofschoon niet op Urk, maar vroeger veel meer, espen. In Espele woonden ongetwijfeld ook vissers, maar historisch vast staat, dat er enkele eeuwen later boeren woonden. In een stuk van 1317, berustende in het Archief van de stad Kampen („Oudste Foliant", dl 5, bl. 6) is sprake van „5 mussat land" in Espele. Een mus-sat (waarschijnlijk betekenende mud zaad) was een toenmalige landmaat. Het betrof hier dus bouwland. In hetzelfde werk komen meer dergelijke aantekeningen voor. Ze handelen meest over bouwland en een enkele keer slechts over weiland (5 coen graas = 5 koeien gras) op Urk. Ze geven mededelingen van schenkingen of erflatingen van landbezit op Urk, natuurlijk alleen, voorzover Kamper burgers daarbij betrokken waren. Er schijnt uit te volgen, dat er in de 14-de eeuw nog heel wat bouwland op Urk was. Het staat trouwens vast, dat de Berg en ook de plaats van het tegenwoordige dorp nog in het. tweede deel van de 17-de eeuw met bouwland bedekt waren. Zo'n toestand, dat er van het begin der 14-de tot in het laatst der 17-de eeuw betrekkelijk veel bouwland op Urk was, was natuurlijk niet ineens zo geworden. Veilig mogen we aannemen, dat hij in het begin der 9-de eeuw, toen het eiland nog zijn ongedeelde grootte had, reeds bestaan heeft. Het bouwland zal toen op de brede flanken en op den top van den Berg gelegen hebben. Espele schijnt een niet onbetekenende plaats op het eiland te zijn geworden. De kapel althans verkreeg misschien reeds vóór 1245 en in ieder geval vóór 1309 de rechten van een parochiekerk. Ze werd de hoofdkerk van het eiland en had een pastoor. Als dan ook in dien tijd van de kerk van Urck gesproken werd, dan werd blijkbaar die van Espele bedoeld. In 1331 en natuurlijk ook vroeger al was Espele de aanlegplaats van het eiland. Dat het met zijn huisjes en zijn kerk om de aanvallen van het water der toen gevormde Zuiderzee geleideljjk meer landwaarts moest worden verplaatst, zullen we later zien. In elk geval is het de oorsprong van het tegenwoordige dorp, al ligt dit veel verder oostelijk, en al draagt dit niet meer den naam Espele of Espelbergh. Dit laatste is een bewijs van de juiste opvat15


ting der bevolking: het dorp op zijn tegenwoordige plaats heeft geen eigen naam; men sprak van het dorp zonder meer; immers het eigenlijke Espelbergh is verdwenen. In het noordwesten of noorden, tegen de daar veel lagere duinen, lag nog het plaatsje Luttelgeest. Klom men bij Luttelgeest op de duinen en keek men noordwaarts, dan zag men daar eerst de voortzetting van de Nakala, den uitloop van de Vecht. Aan den overkant van dat water lagen uitgestrekte graslanden, waarboven de kapelkruisen van Marenesse, Sevenhusum, Kunresyl, Sileham en Ruthne uitstaken. Deze plaatsen (en ook Algotedorp!) werden in 1245 nog genoemd, maar moeten kort daarna verdronken zijn in een verschrikkelijken watervloed. Door dien vloed werd de riviertak ten noorden van Urk een brede waterboezem, die meermalen het toneel van zeeroof tussen Hollanders en Friezen geweest is. Om den zeeroof van den kant der Friezen tegen te gaan, moet er in het laatst der 14-de eeuw te Luttelgeest een sterkte gebouwd zijn. Dat zal een soort houten kasteel, een blokhuis, zijn geweest. Luttelgeest bestond toen dus nog. Zoals ik boven reeds zei, lag in het begin der 9-de eeuw op den noordoosthoek van het eiland het dorp Nagele. Ook Nagele had een kapel. Iets zuidelijker dan Nagele, aan den oostkant van het ongedeelde eiland, lag het dorp Emélwerd of Emelweerde, ook met een eigen kapel. Nagele is door een doorbraak van de Nakala van het hoofdeiland losgescheurd en kwam afzonderlijk op een eilandje te liggen. Dat het zo nog enkele eeuwen kon blijven bestaan en zelfs een plaats van betekenis is geworden, maakt waarschijnlijk, dat het niet op een veenbodem was gebouwd, maar op een zandhoogte. In 970 wordt gesproken van zoutziederijen op Nagele; in 1068 en 1118 is sprake van transporten tussen Nagele en Stavoren en in 1204 weer van zoutvervoer daarvandaan. In een stuk van 1245 wordt het voor het laatst genoemd. Met de bovengenoemde plaatsen schijnt het in 1250 verdronken te zijn.. In denzelfden vloed kan ook Emelweerd van het hoofdeiland zijn afgescheurd. Het kwam op een afzonderlijk eilandje te liggen, dat heel veel later den naam Schokland zou krijgen, maar dat toen veel groter was dan het latere eilandje van dien naam. Ik twijfel er niet aan, of zowel Nagele als Emélwerd (als deel van wat nu nog Schokland heet) was in het begin der 9-de eeuw nog met het hoofdeiland verbonden. Dat hoofdeiland droeg zowel na als voor de afscheuring den naam van Urk. Die naam werd geschreven: Urck (in het Latijn Urch), Ure of Ore en door Toe Boecop als Urrick. In één stuk vond ik zelfs den naam Orkel. De uitspraak zal wel altoos dezelfde zijn geweest: Urk, maar dan op zijn Urks uitgesproken, met een klank, die zweeft tussen de w van duffel en de e van de. Vandaar, dat men ook wel Ore schreef. 16


Tot slot van dit hoofdstuk moet ik nog een bijzonderheid van dien tijd bespreken, n.1. de wijze van begraven. Het verbranden der lijken had plaats gemaakt voor het begraven der doden. Wanneer? Mogelijk onder de Frankische heerschappij. Bij de Franken werden „gewone", dat wil dus zeggen de meeste doden op den vlakken grond gelegr1 en daaroverheen een heuveltje opgeworpen, dat weer met graszoden afgedekt werd. Maar de „voornamere" doden kwamen in een stenen kist, die óf met enkele grote platte stenen, of met een steen uit één stuk gesloten werd. En die doden kregen, als het mannen waren, een bijl of een zwaard mes in de kist, en als het vrouwen waren, huishoudelijke dingen en sieraden. Met de komst van het Christendom hield dit natuurlijk op. Toch bleef er wel iets van over. Zo heeft men op sommige van de op Urk gevonden stenen doodkisten een voorwerp uitgehouwen gezien, dat wel een bisschopsstaf leek, misschien wel om aan te duiden, dat de daar begravene een trouw dienaar der kerk was geweest. Ik wijs er hier reeds op, dat het wapen van Stavoren, aan welks klooster de kerk van Urk, althans sinds de 10-de eeuw, contribueerde, bestaat uit twee gekruiste bisschopsstaven. Toe Boecop vertelt èn in zijn „Codex Diplomaticus" en in zijn „Chroniken", dat hij op het Urker kerkhof (nu sinds lang door de zee overspoeld), dus in het oude dorp Espele, vijf stenen doodkisten gezien heeft en in beide geeft hij er de bijzonderheid bij, dat ze met een ketting aan elkaar verbonden waren. In de „Chroniken" leest men: „So hadden die van Urrick steene doodde vaten daar groote sware sarrickken op om dat die wilde bloedgierige beesten de doodde niet souden graven en syn van roden steen in maniere off het grauwe Bentemer steen ware dan sij en ist niet en men weet niet waar nu sulken steen wort gebacken; in welke steenen vaten vint men een maniere van olde sweerden opgehouwen, die laten (lijken?) off het bisschopsstaven waren, van deze steene graven sijn hier in Campen en overal veele daar reegenwater in wort vergadert, en vis om in te leeven wort geholden." En verder: „ ......... sag ik 5 sulke gehele dode vaten in die eerde staan, die met een ijzeren ketten aan malkanderen waren gesloten." Wanneer men op Urk begonnen kan zijn, de doden in de kerk te begraven, hoop ik later te onderzoeken.

17


Sint-Odulphus. ---

Het is ongetwijfeld merkwaardig, dat op de geschiedenis van Urk, waar nu reeds veel langer dan tot waar de menselijke herinnering teruggaat, geen enkele Rooms-Katholiek woonachtig is, door drie kloosters eeuwen achtereen zo'n verstrekkende invloed is geoefend. In dit hoofdstuk geef ik weer, wat de geschiedenis vermeldt van de verhouding van Urk tot het Sint-Odulphusklooster te Stavoren, niet het tegenwoordige, maar het oude Stavoren. Nauwelijks had het Evangelie in Friesland benoorden Almare voortgang gemaakt, of de ketterij van Sabellius en Arius, die de oude Christelijke kerk reeds in beroering had gebracht, kreeg er haar aanhangers. Kort na den dood van Karel den Groten had die ketterij onder de Friezen zó veel voortgang gemaakt, dat Frederik, de toenmalige bisschop van Utrecht, wiens kerkelijke gezag, gelijk we weten, zich uitstrekte over geheel Nederland, te rade ging, om er bijzondere maatregelen tegen te nemen. Hij zond Odulphus, een voornaam boerenzoon uit Oirschot in Brabant en nu een van de trouwste dienaren van den bisschop, naar het noorden, om te onderzoeken, wat er zou kunnen gedaan worden. Odulphus kreeg, om aan zijn opdracht klem te geven, het bestuur over de kerk van Stavoren. Hij moest in alle kerken van Friesland driemaal 's daags de geloofsbelijdenis van Athanasius, den bekenden bestrijder van Arius, doen oplezen. Zeg nu niet te gauw, Protestantse lezer, dat dit wel niet veel geholpen zal hebben: de vromen, die de kerken bezochten, om de ceremonie bij te wonen, hoorden nu telkens weer, wat de geloofsbelijdenis was van hun voornaamsten geestelijken vader in Nederland. Na enigen tijd kwam Odulphus tot den bisschop met het voorstel, om bij Stavoren een klooster te stichten, waarvan de bewoners zich in het bijzonder zouden hebben te beijveren, om de gezonde leer te doen standhouden. Bisschop en Paus schonken aan dat voorstel hun goedkeuring, en zo werd in het jaar 838 bij Stavoren een klooster met 12 monniken of kanunniken geopend. Odulphus was de eerste abt. Stavoren, toen de voornaamste stad van Friesland, lag aan den oever van den ouden Flevo-stroom, op de plaats, waar deze zich naar het noorden boog. 18


De kloosterbewoners hadden voor zichzelf en voor hun werk inkomsten nodig, en daarom werd bepaald, ten eerste, dat het klooster een deel zou ontvangen van de wereldlijke bezittingen, die achtereenvolgende vorsten aan het bisdom geschonken hadden, en ten tweede, dat sommige met name genoemde kerken en kapellen in de omgeving aan het klooster zouden contribueren; ze zouden hun „kerkelijke opkomst" niet langer rechtstreeks aan Sint-Maarten (het bisdom Utrecht), maar aan het klooster afdragen. Kerkelijke opkomst, hetzelfde als kerkelijke inkomsten, werd gevormd door: kerkelijke tienden, doop-, begrafenis-, huwelijks- en bezoekgelden en vrije giften. Wat daarvan na aftrek van de plaatselijke behoeften overbleef, was nu voor het klooster. Een lijst van de in 838 aan het klooster toegewezen kerken en kapellen is niet bekend. Wel kennen we er een van 1132 en een van 1245, althans in afschriften, die onderling hier en daar verschillen. Op die twee lijsten komen ook voor de kerken of kapellen van Urck, Nagele en Emelwerd, gelijk ook die van Marenesse en andere plaatsen, die ten noorden van Urk (in den Noordoostpolder!) moeten gelegen hebben en die verdronken zijn. Dat niet het dorp Espele, maar het eiland Urck (in 1132 en 1245!) genoemd werd, om het godshuis aldaar aan te wijzen, kan betekenen, dat Nagele en Emelwerd toen reeds van het hoofdeiland waren afgescheurd en afzonderlijke eilandjes vormden, zodat de kapel te Espele toen de enige op Urk was geworden. Het zuidwestelijke dorp op Urk, waar immers ook een kapel stond, werd in 1132 helemaal niet meer genoemd, ofschoon de kapel daar ook ongetwijfeld aan het klooster was geschonken. In 1132 zal het dorp dus al verdronken zijn geweest. De veronderstelling ligt voor de hand, dat de kapellen van Espele, Nagele en Emelwerd ook reeds op de lijst van 838 voorkwamen. Vermoedelijk ook wel de kapel van het zuidwestelijke dorp, maar voor den tijd, waarin dat dorp onderging, bestaan geen nadere aanwijzingen. Voor Odulphus was het geestelijke toezicht op de omgeving zeker meer dan een blote vorm. Het strekte zich uit over het zuiden van het tegenwoordige Friesland en over alles, wat zich toenmaals ook ten zuiden daarvan bevond. We mogen veronderstellen, dat hij ook Urk zal bezocht hebben. De ijverige abt kwam dermate in een reuk van vroomheid, van heiligheid zelfs, dat zijn geboortedag, 12 Juni, na zijn dood tot een heiligendag verklaard werd. Hoe dit laatste is op te vatten, zullen we later zien. Men sprak sinds steeds van het klooster van Sint Odulphus, ook wel kortweg van „Sint-Odolf". Dat de roep van heiligheid van Odulphus door het gehele land ging en nog eeuwen later zich voortzette, moge blijken uit de volgende bijzonderheden. Ze geven tevens een denkbeeld van het godsdienstige leven in de Middeleeuwen. 19


Omstreeks het jaar 1200 verbrandde de kerk van Loon met tal van reliquiën. Toen het kapittel van de kerk van Oud-Munster in Utrecht er van hoorde, zond het van de reliquiën van Odulphus, die het in bezit had, er enige naar Loon voor de nieuwe kerk. Odulphus was in Utrecht naast de kerk van Sint Salvator begraven. In 1300 liet het kapittel van die kerk den schedel opgraven. Hij werd, met zilver beslagen, als drinkvat gebruikt en eens per jaar in de kerk tentoongesteld. Aan een anderen, ook met zilver beslagen drinknap werd het kruisbeeldje gehangen, dat Odulphus op de borst gedragen had. Op 12 Juni werd die drinknap met water gevuld; daarin werd voor de ogen der kerkbezoekers het kruisbeeldje gedompeld, waarna zij gelegenheid kregen, van het water te drinken. Zekere Lappius, die deze bijzonderheid te boek stelde, voegt er bij, dat hijzelf meermalen uit dien nap gedronken heeft. De toren te Barneveld, in de 13-de eeuw gebouwd, werd aan Sint Odulphus gewijd. Zo ook de kerk, die te Oirschot verrees op de plaats van de hoeve van Odulphus' vader. Adrianus Anthonii, een Rooms priester, ook te Oirschot geboren, stierf in 1633 te Haarlem. Hij werd genoemd „een tweede Odulphus, de parel der priesters". Ik twijfel niet, of Odulphus zelf zou alle afgodische verering van zijn persoon ten zeerste hebben afgekeurd. En evenmin betwijfel ik, dat de ambtstrouw van vader Odulphus en het daaruit voortgevloeid nauwkeurig toezicht ook op het kerkelijke leven op Urk meegewerkt heeft, om in het volksbewustzijn aldaar in te dragen dien hogen ernst tegenover de eeuwige dingen, waardoor de bevolking van Urk zich altoos, ook vóór de Reformatie, gekenmerkt heeft. Maar vervolgen we de geschiedenis van het klooster. Van het jaar 991 wordt gemeld, dat Stavoren en andere kustplaatsen, en naar men meent ook Urk, toen veel van zeerovers te lijden hebben gehad. Dat kan een der laatste tochten van de Noormannen geweest zijn. Het klooster zal toen wel niet vrij gebleven zjjn: kloosterschatten wekten dikwijls de hebzucht der rovers op. Maar op nog andere wijze gingen de kloosterschatten, als ze er nog geweest zijn, verloren. Latere abten en kloosterlingen n.1. wandelden niet in de voetsporen van den vromen Odulphus. De inkomsten van het klooster, door den godsdienstigen zin van de omwonenden soms met veel moeite opgebracht, werden mettertijd door de kloosterbewoners verbrast. En om aan hun lust tot nog grotere brasserij te voldoen, werden zelfs vaste bezittingen van het klooster voor een prijsje verkocht. De bandeloosheid werd zó groot, dat bisschop Andreas in 1132 de kloosterbewoners eenvoudig liet wegdrijven en andere in hun plaats stelde. Misschien wordt het den lezer nu duidelijk, wat men met „verlopen monniken" bedoelde. De oorkonde, waarbij de bisschop „in den naam der heilige en ondeelbare drievuldigheid" de reformatie van het klooster veror20


dende, wordt bewaard in het Rijksarchief te Leeuwarden. Alle wereldlijke inkomsten, als landerijen en tienden, die het bisdom in Friesland van de landsvorsten gekregen had, werden aan het klooster afgestaan. Het klooster zou daarvan alleen elk jaar „2 pond Staversche munt" aan het bisdom opbrengen. Aan het stuk werd toegevoegd de boven reeds bedoelde lijst van 25 kerken en kapellen, die haar kerkelijke „opkomst" aan het klooster hadden te contribueren. Zoals we reeds weten, waren Vrek, Nagele en Emelwerd daar ook bij. Op de achterzijde van het perkament, waarop de oorkonde van bisschop Andreas voorkomt, staat het afschrift van een pauselijke bul zonder datum. Die betekent ongetwijfeld de goedkeuring en bevestiging door den Paus van de door den bisschop ingestelde verandering. (Zie Brom, „Bullarium Trajectense" I, bl. 7 en 8). Onder aan den giftbrief van den bisschop werden sindsdien de namen der opvolgende abten geschreven. De eerste na de reformatie van 't klooster was Aäron; een latere Aemilius. Van dezen straks meer. Brom doet op bl. 299 en 300 van „Bullarium" II mededeling van nog twee andere pauselijke besluiten met betrekking tot het SintOdulphusklooster, die ook voor de geschiedenis van Urk betekenis hebben. Ze zijn beide van het jaar 1245, het ene van 17 en het andere van 29 Augustus. Uit dat van 17 Augustus blijkt o.a., dat tot de bezittingen van het klooster ook behoorde een „grangia" op het eiland Urk. De betekenis van dit woord wordt ons duidelijk door het woord grange, dat (met verschillende uitspraak natuurlijk) zowel in de Franse als in de Engelse taal voorkomt. Het Franse woord grange betekent een schuur of bergplaats. In het Engels: een schuur tot berging van tienden. Die betekenis moet dateren uit de Middeleeuwen en kan ons van dienst zijn voor de verklaring van het woord grangia. Een grangia zal een instelling zijn geweest, waar de tienden, die de boeren opbrachten, in ontvangst werden genomen en opgetast, of, als het huisgedierte betrof, voorlopig gehouden. We zien hier dus opnieuw, dat er in de Middeleeuwen op Urk betrekkelijk veel bouwland moet zijn geweest. Ook blijkt, dat zulk een aanmerkelijk deel van dat bouwland tiend-plichtig was aan het Staverse klooster, dat het de moeite was, er voor de ontvangst der tienden een grangia op na te houden. Nog in het begin der 15-de eeuw was in een officieel stuk sprake van het Monnikenland op Urk. Dat zal het land van het Staverse klooster zijn geweest, al had het klooster het toen niet meer in bezit. Door af- en verkoop als anderszins zal het klooster het eigendomsrecht geleidelijk hebben verloren. En waar lag nu dat Monnikenland? Ik zoek het op de brede hellingen van den Berg. Het andere stuk van 1245 (29 Aug.), dat evenals het eerste in


een 15-de eeuwse afschrift in het archief te Leeuwarden bewaard wordt, somt de kerken en kapellen op, die aan het Sint-Odulphusklooster hadden te contribueren. De lijst is ongeveer dezelfde als die van 1132. Nagele, Emelwert en Urch komen er ook weer op voor. Ook wordt er een kapel op het eiland Vlieland genoemd, die met al haar onderhorigheden, d.w.z. met al haar inkomsten, aan het klooster behoorde. En nu is dit zeker merkwaardig, dat onder de onderhorigheden van die kapel op Vlieland (in andere afschriften staat Fecke) ook bezittingen op Urk worden genoemd. We zien dus, dat ook die kapel landbezit op Urk had. De tienden van dat landbezit kwamen vanzelf ook in de grangia terecht. Sint-Odulphus had in de 13-de eeuw blijkbaar niet te klagen over gebrek aan inkomsten. In 1277 was het in staat, van de gebroeders Willem en Gerhard, twee edellieden te Zalk bij Kampen, de helft van de landerijen, waarop hun kasteel stond, aan te kopen. Over de bewoners van de verkochte landerijen zouden de verkopers de wereldlijke rechtspraak behouden, maar de Staverse monniken, die er zich zouden vestigen, zouden blijven onder de rechtspraak van hun eigen abt. Met het oog op later (en daarom ook maak ik melding van dezen verkoop) zij aangetekend, dat de eerste getuige bij de wisseling van den koopbrief (de dingen werden toen niet minder secuur behandeld, dan tegenwoordig) een zekere heer Folradus was, die nader werd aangeduid als „miles" van Kuinre. (Zie Racer, „Overijsselsche gedenkschriften", II). Hieronder volgt de mededeling van een feit in 1309, waarin Urk in het bijzonder betrokken was. Het wordt door Commelin en andere geschiedschrijvers geheel verkeerd voorgesteld; vandaar dat het enigszins uitvoerig moet worden behandeld. Om de betekenis van dat feit te kunnen begrijpen, moet men rekening houden met de volgende bijzonderheden. Ten eerste moet men weten, dat het dekenaat van den Staversen abt, d.w.z. het gebied, waarover hij de zielszorg en de kerkelijke rechtspraak had, zich uitstrekte tot in den „kop" van het tegenwoordige Overijsel, zodat ook Kuinre met zjjn omgeving er onder viel. Ten andere zij opgemerkt, dat aan den mond van het riviertje de Kuinder de oude heerlijkheid Kuinre lag, die in 1201f schatplichtig was geworden aan den graaf van Holland. De derde noodzakelijk te weten bijzonderheid is, dat de bisschop van Utrecht niet alleen kerkhoofd was in zijn bisdom, maar dat hij door schenkingen van verschillende keizers zich in zijn bisdom een gebied had verworven, waarover hij gewoon als een wereldlijk vorst, evenals een graaf of een hertog, regeerde. Dat wereldlijke gebied van den bisschop had zich steeds uitgebreid, en zo behoorde er ook toe, wat wij thans Overijsel noemen. Zo grensde dus dat wereldlijke gebied aan de heerlijkheid Kuinre, die niet onder het wereldlijke gezag van den bisschop stond. 22


De vierde bijzonderheid is, dat de Zuiderzee toen reeds ongeveer haar latere omvang gekregen had en dat het land ten noorden van Urk een brede watervlakte was geworden. Nu geraakte de bisschop als wereldlijk vorst in het jaar 1309 in strijd met de bewoners van Stellingwerf, waarvan een deel in de heerlijkheid Kuinre lag. Wat de oorzaak van dien strijd was weten we niet; het kan zijn, dat de bisschop last kreeg van plundertochten op zijn gebied; het kan ook zijn, dat hij beproefd heeft, zijn wereldlijke gezag naar dien kant uit te breiden. Hoe het zij, de verhouding van den wereldlijken heer van Utrecht en den graaf van Holland was vaak zeer gespannen, en zo begon de Hollandse graaf vrees te koesteren voor zijn heerschappij over Kuinre. Hij trok er althans heen met een vloot en een leger. Maar er verscheen nog iemand anders op het terrein, die meende dat ook hij „belanghebbende" was. Dat was Hessel Martens, de potestaat der Friezen. Hij meende, dat de Hollandse graaf een inval in Friesland in den zin had en trok met een leger naar Kuinre. Den graaf evenwel kwam het althans nu niet wenselijk voor, met de Friezen in strijd te geraken, en hij trok zijn vloot en leger terug. Niettemin was de oude haat der Friezen tegen de Hollanders weer opgelaaid, en over en weer werden daden van geweld, vooral van zeeroof, gepleegd. Een bende Friezen drong Enkhuizen binnen en stichtte er brand, waardoor 43 van de (immers houten) huizen in de as werden gelegd. Op zee hadden felle gevechten plaats. De Hollanders beroofden de Friezen en de Friezen de Hollanders. En Urk lag daar midden in. De roof- en plunderzucht nam dermate toe, dat sommigen geen onderscheid meer maakten tussen Hollanders en Friezen en maar trachtten te vangen, wat voor den boeg kwam. Dat Friezen met Friezen vochten en elkanders gebied plunderden, was geen zeldzaamheid. De bewoners van de Lemmer, Kuinre en Stellingwerf weerden zich bijzonder. In Stavoren vreesde men voor een plundering van Urk. Als een bende het eiland binnendrong en de inwoners beroofde, zou dat zowel voor de wereldlijke en kerkelijke inkomsten van het klooster, als voor die van de burgers van Stavoren, die toen landerijen en boerderijen op Urk hadden, schadelijke gevolgen hebben. Bovendien zal het Aemilius, den toenmaligen abt, gesmart hebben, dat de bewoners van zijn dekenaat zich zo zeer misdroegen. De abt wendde zich nu tot het Staverse stadsbestuur om te overleggen, wat er gedaan kon worden, om er een einde aan te maken en het gevaar voor Urk af te wenden. Er werd besloten, het middel toe te passen, dat toenmaals in dergelijke gevallen meer aangewend werd, n.1. om juist aan degenen, van wie men last had of gevaar duchtte, een verbond van wederzijdse vriendschap en hulp voor te stellen. Men schreef dus van uit Stavoren aan de plaatselijke besturen of, zoals het heette, aan de „rechters" van de Lemmer, van Kuinre 23


en van Stellingwerf, in welke verhouding de kerk van Urk tot het klooster stond, en welk belang Staverse burgers er bij hadden, dat het eiland niet beroofd werd; en men stelde nu den bedoelden „rechters" voor, om met het klooster een vriendschapsverdrag te sluiten; men verzocht bepaaldelijk, dat de geadresseerden het eiland en zijn bewoners en de tussen Urk en Stavoren varende schepen niet alleen zouden sparen, maar zelfs in bescherming zouden nemen. Stavoren beloofde de drie plaatsen alle hulp en vriendschap. Deze politiek van de open deur had het gewenste gevolg. Juist op Sint Maarten (11 November 1309) schreven de besturen van de Lemmer, Kuinre en Stellingwerf het volgende terug: Den eerwaerdigen en beminden heere, heer Aemilius, abt van Stavoren, mitsgaders de schout, schepen ende gemeente des voornoemden plaatses - de rechters van Stalling, in de Lemmer ende Cuynre, mitsgaders hare medehulpers, alle dienst ende eere met gonst. Alsoo de kercke ende gemeente van Urck ghehoort den abt ende het convent van Stavoren, als ook meerendeels de landerijen de burgeren der stede voorsz., gelijk wij verstaen hebben uit sekere brieven, met overroepinghe van onsen rade, hebben besloten, u de voorsz. parochie ende opcomste van dien te laten volgen, noch in eenighe manieren, soo mans als vrouwen, hinderlijk te wesen, maer veel meer na ons vermoghen vorderen ende behulpich sijn, verhopende u ende de uwen te sullen met ghelijcke gonst bejegenen, verhopen van UEd insgelycx, indien van nooden, hulp ende bijstandt, die wij u presenteeren. In ghetuigenisse van desen hebben ons zegel hier aen doen hanghen. Int jaer ons Heeren duysent drie hondert negen opt feest van dheil. Mart." (Zie Winsemius, „Chronijk van Vriesland", bl. 188). Er wordt in dit stuk gesproken van de „kercke ende parochie van Urck." Daar blijkt uit, dat de vroegere kapel (te Espelbergh) nu, en natuurlijk toen niet pas, de volle kerkelijke rechten bezat en door een pastoor bediend werd. Met de „gemeente van Urck" worden niet de mensen bedoeld, maar de gronden van de parochie, waarvan het klooster de „opcomste" ontving. Dat ze „gemeente" genoemd werden, schijnt te betekenen, dat ze als gemeenschappelijk bezit van de bevolking werden beschouwd. Dan is er ook nog sprake van „landerijen, die merendeels behoorden aan de burgers van Stavoren". Merendeels; er waren dus ook nog andere landerijen, die in het bezit van anderen waren. Ik veronderstel, dat het klooster vroeger van alle landerijen te zamen de tiendrechten bezeten had, maar dat ze door de monniken vóór de reformatie van het klooster verkocht waren, en, gelijk te begrijpen is, meest aan de rijke burgers van Stavoren. De grangia is er bepaald al vóór 1132, het jaar van de reformatie geweest. Als direct gevolg van het beschreven vriendschapsverbond werd 24


althans de gevreesde plundering van Urk afgewend. Maar de vijandschap tussen Friezen en Hollanders werd er niet door weggenomen. In den Kerstnacht van 1310 werd door de Enkhuizers wraak genomen, door het klooster van Stavoren te plunderen en in brand te steken. Het lag toen nog aan de westzijde van den Flevo-stroom. Gelukkig waren de burgers van Stavoren er vroeg genoeg bij, om het klooster voor gehelen ondergang te behoeden. Abt Algerus, de opvolger van Aemilius, ging in 1319 uit den weg voor een ander gevaar: de zee had den riviermond zo ver opengescheurd en naderde het klooster zo bedenkelijk, dat het verplaatst werd naar den andere kant, de stadszijde. Urk behoorde, zoals wij weten, waarschijnlijk al sinds 838, tot het dekenaat Stavoren, waarover de kloosterabt het bestuur had. Volgens Mr. S. Muller Hz. en Mr, J. G. C. Joosting in hun „Bronnen voor de Geschiedenis der Kerkelijke Rechtspleging in het Bisdom Utrecht in de Middeleeuwen" was Stauria (lees: Stavria = Stavoren) in 1325 nog één dekenaat. Maar uit de onderdelen, waarin het gesplitst was, ontstonden in 1336 drie zelfstandige dekenaten. Een daarvan was Merdum of Oudemirdum. Bij dit kleinere dekenaat behoorden zo goed als zeker ook Kuinre, Urk en Emelwerd. Maar het oppertoezicht in de drie kleinere dekenaten, dus ook over Urk, bleef opgedragen aan den kloosterabt te Stavoren. Althans in 1337, toen de nieuwe kerkelijke indeling haar beslag zal gekregen hebben, was dat zo. Toen riepen de burgers van Kuinre de bescherming van den Hollandsen graaf in tegen de dreigende houding van graaf Reinoud van Gelre. Aan het slot van hun tot den Hollandsen graaf gerichten brief deelden zij mede, zelf geen zegel te hebben om hun brief te waarmerken en dat zij daarom gebruik hadden gemaakt van het zegel van den abt van Stavoren, „die gewoon is, in hun kerken de zielszorg waar te nemen" en dien zij daarom hun „geestelijken vader" noemden. Dat gold dus voor Kuinre. Maar wat voor Kuinre gold, dat gold kerkelijk, zelfs nog in 1535, ook voor Urk en Emmeloord (Emelwerd of Emelweerd). Volgens de „Kamper Kronijken" I (Deventer, 1862) verklaarde toen de schout van Kuinre op verzoek het volgende: „geen deken op Urrick ofte Emmeloort richten mach eertijds hij syn stoel in onse heerlijckheit becleet heeft, als recht is, alsdan procederen mogen op Urrick ende Emmeloort". Al bedoelde nu die schout daarmee aan te tonen, dat Urk aan de heerlijkheid Kuinre onderhorig was (en dat is in strikten zin nooit zo geweest), toch zal hetgeen hij van de kerkelijke verhouding verklaarde, wel juist zijn geweest; althans in dien zin, dat de deken, die de (kerkelijke) rechtspraak in Kuinre beoefende, dit ook deed op Urk en Emmeloord, m.aw., dat die drie plaatsen alle tot hetzelfde dekenaat, dat van Merdum, behoorden. Had het vriendschapsverdrag van 1309, nadat het direct de plun25


dering van Urk had afgewend, ook in het vervolg enigszins gunstig tegen de zeeroverijen gewerkt, het begon op den duur zijn kracht te verliezen en kreeg langzamerhand het karakter van wat men in onzen tijd ruw, maar tekenachtig genoemd heeft „een vodje papier". In 1349 werd, maar toen zonder Urk als inzet, een nieuw vriendschapsverdrag tussen Stavoren en Stellingwerf gesloten. De zee ging intussen door met haar verwoestingen. Op 10 November 1370 werd met een deel van Stavoren ook een stuk van het klooster weggeslagen. Na het pas geleden misgewas was dat een grote ramp, en de abt klaagde zijn nood bij den bisschop. Deze vergunde nu den abt en zijn monniken, om in het gehele kloostergebied een rondreis te doen en overal bijzondere kerkdiensten te houden, waarin giften konden worden ingezameld en waarin, om het buitengewone van het geval, ook voor de zwaarste misdaden aflaatbrieven konden worden verkocht. De kerkdienaars van de verschillende plaatsen kregen nu vooraf de opdracht, om hun ,,leken" op te wekken tot het bijwonen van den buitengewonen kerkdienst, het schenken van milde bijdragen en het kopen van aflaatbrieven. Er zijn toen dus, mogen we aannemen, ook op Urk aflaatbrieven verkocht. Van de ingezamelde gelden mocht niet, zoals anders, een deel worden afgehouden voor de plaatselijke kerk: het gehele bedrag was voor den herbouw van het klooster. Emelwerd had sinds 1383 zijn kerkelijke opkomst rechtstreeks aan het bisdom op te brengen. Het klooster kreeg toen Coudum als contribuerende kerk in de plaats. De veronderstelling ligt voor de hand, dat de opbrengst van Emelwerd voor het klooster niet ruim zal zijn geweest. Na het verraad van Rennenberg in 1580 is de abdij, met alle andere Friese kloosters, door de Staten van Friesland genaast. De kloosterlingen zijn toen waarschijnlijk naar Steenwijk uitgeweken. (Heeringa, bl. 23). In de toen opgemaakte inventaris van de kloosterlanderijen komt niets voor van Urk. De landerijen, die het klooster op Urk bezeten had, waren toen ongetwijfeld reeds door de zee verzwolgen of in andere handen overgegaan. Dat de kerkelijke opkomst tot dien tijd toe aan het klooster is opgebracht, is mij niet direct gebleken; maar te vermoeden valt het wèl.

26


Sint- Pantaleon. ---

In 926 kwam de heerschappij over ons vaderland bij verdrag aan den vorst van het Duitse rijk. Tot 1548 zijn de Duitse vorsten in ons land opperheer geweest, al werd hun opperheerschappij hoe langer hoe zwakker. Sommige van hen hebben zich, gelijk we zien zullen, rechtstreeks met Urk bemoeid. In 936 kwam in het Duitse rijk Otto I aan de heerschappij. Evenals zijn voorgangers heette hij koning van het Duitse rijk. Zijn mededingers tot den troon wist hij te verdringen en in bedwang te houden. Tot die mededingers behoorde ook graaf Dirk II van Holland! Al die op zij geschoven heren waren natuurlijk geen vrienden van Otto. Ook de Paus was hem niet genegen. Daarom trachtte Otto althans de bisschoppen tot zijn vrienden te maken. Daarom ook gaf hij in 944 een deel van Umbalaha (maar niet het graafschap van Gardolfus) als een wereldlijk leen aan den bisschop van Utrecht. Toen Otto zich zeker genoeg waande van zijn macht, trok hij met een legermacht naar Rome, zette den Paus af en verving hem door een ander. Door dezen liet hy zich in 962 tot keizer kronen. Sinds droegen zijn opvolgers, zolang ze nog niet gekroond waren, den titel van „Rooms koning". Dat deze Otto zich den bijnaam van „de Grote" verwierf, verwondert ons niet. Toch schijnt hij voorzichtigheidshalve genoodzaakt te zijn geweest, naast zich in het rijk een medebestuurder te dulden, zij het ook met minder macht. Die medebestuurder kan ongeveer de positie van een major domus, een hofmeier, hebben bezeten. Nu had Bruno, de broeder van Otto en aartsbisschop van Keulen, tussen 954 en 965 (nadere tijdbepaling is niet te geven) in de stad Keulen het Sint-F'antaleonsldooster gesticht. Dat klooster gaf den keizer de gelegenheid, zich de „geestelijkheid" tot vrienden te maken en tevens een „goed werk" te doen. In 966 besloot hij, om van het eiland Urk, natuurlijk voorzover het nog domeingrond was, de helft aan het nieuwe klooster te geven. Een afschrift van de daarvoor (in het Latijn) uitgevaardige oorkonde, is o.a. te vinden in deel I van het „Oorkondenboek van ó.e graafschappen Gelre en Zutfen" door Mr. L. A. J. W. Baron Sloet. Die oorkonde is, zover wij weten, het oudste officiële stuk, waarin Urk genoemd wordt. Als men nu nagaat, dat van Zwolle eerst in 1048, 27


van Kampen eerst in 1174, van Enkhuizen eerst in 1248 en van Amsterdam eerst in 1275 in een officieel stuk gesproken wordt, dan komt men tot het besluit, dat de beschreven geschiedenis van Urk al heel oud is. Alkmaar wordt ook reeds in de 10-eeuw vermeld. Slechts weinige plaatsen in Nederland zijn, wat dat betreft, ouder, b.v. Utrecht, Nijmegen en Stavoren. En nu de vertaalde oorkonde. „In naam der heilige en ondeelbare Drieëenheid. Otto, door de Goddelijke genadige barmhartigheid de verheven keizer der Romeinen en Franken. Daar het onze gunst waardig geoordeeld wordt, welwillend te luisteren naar de verzoeken van allen, die in ere zijn, wie dan ook, maar in het bijzonder van hem, die door onze mildheid werkt voor den godsdienst der kerken, besluiten wij, te verkondigen voor den ijver van al onze getrouwen, zowel tegenwoordige als toekomstige: omdat wij door het heilzaam verzoek van onze beminnelijke echtgenote Adelheid en een gelijkluidend van onzen (vriend) en verheven medekeizer, alsook van den eerwaardigen Wilhelmus, mogintijn, aartspraesul, smekend bewogen zijn, hebben wij de helft van een zeker eiland in Almere, dat Urck genoemd wordt, en al wat ligt aan de overzijde van de rivier de Nakala, tot aan Vunninga, dat, naar het Gardolfus, die reeds vroeger graaf was, geschenen heeft, behoord heeft tot het graafschap van graaf Ekbert, voor het heil onzer ziel en den ongedeerden staat van ons rijk, aan het klooster van Sint-Pantaleon, in de benedenstad van Keulen gelegen, door de keizerlijke macht van ons gezag, in eigen en voortdurend gebruik afgestaan aan de broeders, die daar den Here dienen, en het stellig gegeven met alles, wat er bij hoort: weiden, beemden, visserijen, wateren en watergangen, gebaandeen ongebaande wegen, in- en uitgaande rechten, roerende- en onroerende goederen, verkregen en nog te verwerven, en met alles, wat er naar wet en recht toe behoort, n.1. op die onafgebroken wijze, dat de genoemde broeders met geheel vrijen wil in het vervolg van die zaken genieten, om ze of te hebben, of te veranderen, öf al wat hun behaagt, er mede te doen. Wij hebben ook goedgevonden, dat, waarheen ook de mensen door ons rijk voor hun noodzaak of nut door hen gezonden worden, zij nergens aan tol onderworpen zijn en door niemand gedwongen mogen worden, die te betalen, maar van daar vrij mogen gaan en zonder, dat iemand hen bemoeilijkt, mogen terugkeren. En opdat dit gezag van onze schenking door allen worde erkend, lieten wij dit geschrift maken en hebben het, verzegeld met onzen ring, met eigen handen er onder bevestigd." (Bij het zegel stond geschreven): „Het zegel van Otto den Groten, onoverwonnen, verheven dienaar". 28


(En lager nog:) „Ik Ludolf, kanselier in plaats van Wilhelmus, den aartskapelaan, heb het overgezien. In het jaar 31 van de regering van Heer Otto, het vijfde van zijn keizerschap. Gedaan te Nijmegen gelukkig in den Here. Amen." Ik maak bij dit stuk nog enkele opmerkingen. Sloet meent, dat de bijvoeging omtrent den „medekeizer" het stuk „enigszins verdacht" maakt. M.i. juist het tegendeel. Wanneer een falsaris het stuk voor echt had willen doen doorgaan, zou hij juist alles, wat verdenking had kunnen wekken, vermeden hebben. Aan de echtheid van de schenking bestaat bij mij niet de minste twijfel. Het bewijs er voor geef ik straks. De vraag, welke helft van Urk in het stuk bedoeld werd, zal misschien later kunnen worden beantwoord. Er wordt ook gesproken van watergangen. Dat woord zullen we in een stuk van twee jaar later, dat ook Urk betrof, eveneens ontmoeten. Men bedoelde er in dien tijd mee de stroken grond aan weerszijden van en langs een waterloop, die zo breed waren, als een man, midden in het water staande, met een schop aarde afgooien kon. En was de schenking van het allodium absoluut, zodat er ook de rechtsmacht aan verbonden was? Al wordt het in het stuk niet met zoveel woorden gezegd, toch meen ik uit het vervolg der geschiedenis te kunnen opmaken, dat het wel het geval was. Trouwens, de bepaling omtrent den vrijen doortocht voor de kloosterdienaren wijst reeds in die richting. Ook was het gans niet ongewoon, dat kloosters in hun bezittingen ook burgerlijk gezag oefenden en rechtspraken. Maar hoe inde nu het klooster te Keulen, dat, hemelbreedte, ongeveer 200 kilometer van Urk verwijderd was, de schattingen en pachten in het geschonken gebied? Het klooster volgde daartoe in hoofdzaak de methode, die reeds door den keizerlijken rentmeester vóór 966 gevolgd was, toen Urk dus nog geheel domeingoed was. Reeds vóór 966 stond op Urk een zogenaamde hof, die hetzelfde doel had als de grangia van het klooster te Stavoren. In dien hof woonde de vertegenwoordiger des keizers. Hij moest de tienden van de boeren en andere schattingen in ontvangst nemen. Wanneer dan eens per jaar de keizerlijke rentmeester op Urk kwam, nam deze zeven paar schoenen mee, om die aan „beweldadigde mensen" uit te delen. En hij keerde van Urk terug met hetgeen de hofhouder, de „advocaat", hem voor de keizerlijke schatkist had afgedragen. Het klooster ging op dezelfde wijze te werk. In den hof woonde nu de „advocaat", om voor het klooster de tienden en schattingen in ontvangst te nemen. Hij oefende voor het klooster vermoedelijk ook de rechtspraak. Of er voor het gebied tussen de Nakala en Vunninga een afzonderlijke advocaat werd aangesteld, weet ik niet. Indien wèl, dan zal dat de heer van Kuinre zijn geweest. 29


Indien er geen verhindering was, bezocht de cameraar of rentmeester van het klooster eens in het jaar alle goederen (curten genoemd) die het klooster in Nederland bezat, o.a. de curte Hengelo. Hij regelde dan zijn reis zó, dat hij op 12 Juni in Stavoren kon zijn, om daar het feest van Sint-Odulphus te kunnen meevieren. Hij nam dan voor Urk, „naar de gewoonte van zijn voorgangers" zeven paar schoenen mee, om die daar uit te delen, „niet rechtens, maar naar de overweging van zijn eigen hart". De advocaat moest den cameraar en zijn mannen vier dagen gastvrijheid verlenen. „Van sommige weiden en van 5 dorsvloeren werden 8 s. (stuivers?) betaald, en het koren, daar gebracht, (zou) overgaan in het bezit van den cameraar. Ook (zou) hem ter zelf der plaatse 4 kan boter worden opgebracht, niet alleen naar recht, maar ook uit liefde." De advocaat zou den cameraar met zijn twee dienaren en zijn bagage naar Stavoren geleiden, daar drie dagen en nachten voor hun verblijf zorgen en hem nog 2y2 talent Deventers geld uitbetalen. Ten slotte zou de advocaat het gezelschap naar Nagele terug doen voeren. Dan was de taak van den advocaat op Urk volbracht. Van Nagele vertrok de cameraar waarschijnlijk naar Kuinre; van hier ging hij dan (steeds te paard) over Deventer of Zutfen langs de andere Nederlandse curten naar Keulen terug. De advocaten moesten hem steeds herbergen en geleiden. Zo'n reis nam natuurlijk weken in beslag. Van Urk kwam de schatting slecht binnen. De advocaten schijnen moeite gehad te hebben, om het vereiste binnen te krijgen. Was de mindere maatschappelijke welstand van de bewoners misschien de oorzaak geweest, dat de keizerlijke advocaten vroeger dezelfde ervaring hadden opgedaan, en was er te dien opzichte door de schenking aan een klooster op beterschap gehoopt? Zo ja, dan werd de hoop niet vervuld. Waar niet is, daar verliest niet alleen de keizer, maar ook het klooster zijn recht. En dat klooster lag ver; en de reis was zo moeilijk; vandaar, dat de cameraar uit Keulen weieens niet op tijd, of zelfs in het geheel niet kwam. Zo werden slappe advocaten ook niet geprikkeld, om te zorgen, dat ze de pachten en de schatting van boeren en vissers op tijd binnen kregen. De hof op Urk geraakte geheel in verval. Voor het slecht opbrengen of zelfs voor het geheel uitblijven van de schatting was trouwens nog een andere oorzaak; en die lag in het klooster zelf. Het ging in Keulen precies als in Stavoren; misschien was het er nog erger. De toestand was ten slotte zo erg geworden, dat de aartsbisschop Anno in 1067 de monniken weg liet jagen en met geweld een nieuwe kloosterorde invoerde. In 1082 werd zekere Herman abt van het Sint-Pantaleonsklooster. Hij was een man, die zijn taak ernstig opvatte, althans wat de zorg voor de inkomsten van het klooster betrof. In het tegenwoordige archief van de stad Keulen wordt nog een stuk bewaard, dat van een en ander melding maakt. Het is een afschrift, in de 15-de eeuw gemaakt, van een in het Latijn gestelde oorkonde, die een ver30


drag inhoudt tussen abt Herman en den advocaat Adelhardus op Urk. Dat men in dien tijd heel secuur te werk ging, blqkt wel uit de vele getuigen, die bij het sluiten van het contract aanwezig waren. Adelhardus had van Urk 4 „leken" meegebracht: Godeschalcus, Volco, Herman en Hartfridus. Behalve de personen van het klooster zelf, die als getuigen optraden, waren ook van de andere curten: Hengelo, Lutingen, Suchtelen, Werbede, een of meer vertegenwoordigers aanwezig. In het geheel 31 getuigen „en vele anderen". En nu de inhoud van het contract. Er boven staat: „Littera de curte in Urck in lacu Almeres sita", hetgeen betekent: Brief over de curte op Urk, gelegen in het meer Almere. Het stuk begint aldus: „In naam van de heilige en ongedeelde Drieëenheid. Het zij aan alle Christgelovigen, zowel toekomstige als tegenwoordige, bekend, hoe ik, Herman, abt van het klooster St.-Pantaleon, in de inkomsten van zekere curte van ons, Urck, in het meer Almere gelegen, ten zeerste belemmerd, besloten heb, dit in orde te maken en in dit geschrift er voor gezorgd heb, dat dit aan de herinnering van het nageslacht wordt overgegeven." De volgende bepalingen werden gemaakt. 1. Adelhard zou in de broederschap van het klooster worden opgenomen. 2. De curtis Urk zou aan hem worden overgedragen tot een erfleen. Daarvoor zou hij een vaste rente betalen. 3. Hij zou de vervallen gebouwen herstellen. 4. Hij mocht van de bezitting niets verkopert of belenen. 5. Elk jaar, op 't feest van Sint-Odulphus, zou de rentmeester van 't klooster naar Urk komen. De advocaat zou hem met twee dienaren en de bagage naar Stavoren brengen en daar drie dagen en nachten voor hun verblijf en onderhoud zorgen. Hjj zou hem in Stavoren 4*/ 2 mark probaat zilver, Keuls gewicht, betalen en dan het drietal naar Nagele doen vervoeren. 6. Als de rentmeester door omstandigheden op den bepaalden tijd niet komen kon, moesten de verplichtingen later worden vervuld. 7. Bij gebleken trouw zou de erfgenaam van den advocaat zijn opvolger zijn; maar bij gebleken ontrouw zou een ander worden aangewezen. Hierbij enkele opmerkingen. De eerste voorwaarde werd natuurlek geacht een waarborg te zjjn voor de goede trouw van den advocaat. Volgens punt 2 zou een vast bedrag in geld als huur worden betaald. Met de levering van koren en boter zou het klooster zich niet 31


meer inlaten. Dat bleef aan den advocaat overgelaten. Deze was nu, om het zo te zeggen, geen zetbaas, maar huurder. De huur was blijkbaar minder, dan wat vroeger als opbrengst werd gerekend. Abt Herman hield rekening met de werkelijkheid en wist zich aan te passen. Dat de cameraar (de rentmeester) door den advocaat van Urk naar Stavoren moest worden geleid en daarna naar Nagele, en dat dan de taak van den advocaat volbracht was, dat wijst er op, dat Nagele, immers aan den overkant van de Nakala gelegen, behoorde tot het gebied van een anderen advocaat, die in het oostelijke deel van het kloosterbezit de zaken van het klooster te behartigen had. Niettemin werd van het gehele bezit gesproken als van „de curte in Urk". Aan het slot van het stuk sprak de kloosterabt den wens uit, dat hij het verre allodium Urk nog eens zou kunnen ruilen tegen een ander, dat dichter bij zijn klooster lag. Als daartoe de gelegenheid kwam, dan zou de advocaat het in orde moeten maken. Merkwaardig is ongetwijfeld deze clausule: „Indien iemand dit zal trachten te verbreken, zal hij, gerekend bij de vaten des toorns, met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden, maar met den duivel en zijn engelen in een eeuwig oordeel worden gerekend." Uit het stuk blijkt, dat er toen tussen de kloosters, ondanks den groten afstand, een vrij geregeld verkeer plaats vond. Bij feestelijke gelegenheden, zoals 12 Juni, liet men niet na, over en weer afgevaardigden te zenden. En dan maakten de vrome mannen wel drie dagen goede sier. Ik doe opmerken, dat we hier verplaatst zijn in den tijd vóór de reformatie van het Staverse klooster. Op den duur raakte het klooster te Keulen al zijn Nederlandse goederen kwijt. In het begin der dertiende eeuw werd het bezit te Urk voor het laatst vermeld. De oorzaak, dat de goederen verloren ginnen en dat anderen zich dus het bezit en de inkomsten daarvan aanmatigden, lag hoofdzakelijk in het klooster zelf. De geschiedenis er van getuigt van een voortdurenden strijd in en om het klooster, van de losbandigheid der bewoners, van het verwaarlozen der goederen en het ophopen van schulden. Wie de verhouding tussen Urk en het Sint-Pantaleonsklooster wil nagaan, bestudere H. Benno, „Rheinische Urbare", waarvan het eerste deel bijzonder over Sint-Pantaleon handelt. Het gehele werk is weer een onderdeel van de „Publikationen der Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde" en is uitgekomen in 1902.

32


Sint-Vitus. --En nu de derde kloostergeschiedenis. Dat keizer Otto in 966 niet geheel Urk, maar slechts de helft er van, voorzover die helft domeingrond was, aan het Sint-Pantaleonsklooster geschonken had, had natuurlijk een oorzaak. En die oorzaak was deze, dat zekere heer Wichman reeds omstreeks 950 heel wat van de domeingoederen op Urk in huur had gekregen. Wichman was dus op Urk reeds zoveel als groot-pachter. Hij zal er zijn zetboeren of pachthoeven hebben gehad. Die Wichman was een rijk man. Behalve, dat hij graaf van Gent in Vlaanderen was, bezat hij ook nog leengoederen op de Veluwe en in Nardincland. In het zuiden van Hamaland, op een heuvel bij het dorp Elten, had hij een burcht liggen. Daar liet hij in 961 zijn in Gent overleden vrouw begraven. Eén van zijn verwanten was graaf van Hamaland. Toen die in 966 stierf, werd Wichman zijn opvolger. Wichman was ook een vroom man. Waarschijnlijk in 976 stichtte hij bij Elten, denkelijk in zijn eigen burcht, een klooster voor adellijke jonkvrouwen. Het werd gewijd aan Sint-Vitus, een Christenmartelaar van omstreeks het jaar 300. Om het van inkomsten te voorzien, deed hij het uit zijn vele goederen rijke schenkingen. Zijn dochter Lutgarde was de eerste abdis. Dat klooster droeg een eigenaardig karakter. Het was niet in eigenlijken zin een kerkelijke, maar een wereldlijke stichting. De bewoonsters, kanonikessen, behielden de vrijheid, te allen tijde het klooster te verlaten en een huwelijk aan te gaan. Bij aanvallen van buiten werd het klooster verdedigd door burgmannen of soldaten, die onder bevel stonden van een wereldlijk hoofd. Soldaten ter verdediging had trouwens ook het Sint-Pantaleonsklooster. Op 29 Juni 968 beschonk ook keizer Otto de jonge stichting met enige goederen. Alles, wat Wichman in Hamaland, in Nardincland en op Urk van den keizer in huur had en waarvan Wichman reeds de inkomsten aan het klooster had gegeven, werd nu door den keizer in vollen eigendom aan het klooster afgestaan. Een gedeelte van 's keizers giftbrief laat ik hier volgen. „Zo is het dan, dat wij, begerende ook deel te hebben in deszelfs verdiensten, aan dezelfde kerk (zoals een klooster toen ook wel 33


genoemd werd) verlenen al wat de voornoemde graaf Wichman in het gebied van Urck, in de gouw Salon, te leen bezeten heeft en wij aldaar in eigendom hadden, in welke zaken het ook geweest zij, als in slaven van beiderlei kunne, in gebouwen, landen, bebouwd en onbebouwd, weiden, beemden, bossen, wateren, watergangen, inkomsten, zo die reeds opgezocht zijn of nog opgezocht zullen worden. Hierenboven al 'tgeen de voornoemde graaf tot dezen dag tóe te leen en wij in eigendom bezeten hebben in 't graafschap Nardincland; en alle zaken en landgoederen, die in 't graafschap van Hamaland tot de openbare schatkist behoren." Het gehele stuk is te vinden bij: Lacomblet, „Urkunderibuch"'; F. van Mieris, „Charterboek van Holland en Zeeland"; Sloet, „Charterboek van Gelre en Zutphen" en Van den Bergh, „Oorkonderiboel: van het Sticht". Aan het klooster te Keulen was dus gegeven de helft van Urk met inbegrip van Emelwerd, dat toen nog met Urk verbonden was. Aan het klooster te Elten werd niet zo maar de andere helft gegeven, doch alles, wat als domeingoed aan graaf Wichman verhuurd was geweest. Over die goederen zal hij ook de rechtspraak hebben beoefend. Toen het klooster nu groot-grondbezitter geworden was, zal het de rechtspraak aan graaf Wichman zijn blijven toevertrouwen. In 973 wisten Wichman en de abdis Luitgarde een keizerlijke bevestiging te verkrijgen van de schenkingen van 970. Tevens ontving het klooster toen, wat men noemde, immuniteit. Er werd dus nu rechtstreeks verklaard, dat het klooster te Elten gerechtelijke zelfstandigheid bezat. Dat wilde zeggen, dat iemand, die op de bezittingen van het klooster woonde, niet zou kunnen worden gedaagd voor den rechter van het gebied, waartoe zijn woonplaats behoorde, maar dat de abdis een voogd of advocaat zou kunnen kiezen, om de rechtspraak in haar goederen te beoefenen. Door deze beslissing kreeg de keizerlijke schenking van 968 geheel en al het karakter van een staatkundig leen. De veronderstelling ligt voor de hand, dat de eerste voogd graaf Wichman zal zijn geweest. Na den dood van graaf Wichman werd dat klooster van „Godgewijde maagden", zoals het in 968 genoemd was, het middelpunt en tegelijk de inzet van velerlei ongerechtigheid. Adela, de zuster van de abdis Luitgarde, eiste voor zich op een deel der goederen, die haar vader uit zijn persoonlijke bezit aan het klooster geschonken had. Luitgarde weigerde, iets van het kloostergoed af te staan. Keizer Otto II beproefde tevergeefs, een einde aan den twist te maken. Na 990, toen Luitgarde, waarschijnlijk tengevolge van vergiftiging, gestorven was, wist Adela zich als abdis in te dringen, maar de regering van Otto III (die zelf nog een kind was) liet haar uitdrijven. 34


Ze trouwde daarop met zekeren graaf Balderik, een woesteling. Met zijn hulp werd het klooster, dat, zoals we weten, op zichzelf een vesting was, heroverd, en Adela werd weer abdis. ■ In 996 bemoeide de keizerlijke regering zich andermaal met de zaak. Adela werd veroordeeld, om het klooster te verlaten, en Balderik moest het geroofde op vier landhuizen na afstaan. In het stuk, dat van een en ander werd opgemaakt werd de kloostergeschiedenis van het begin af opgehaald en werd ook weer gesproken van de goederen in Nardincland en op Urk. Ook werd de keizerlijke goedkeuring opnieuw gehecht aan alle vroegere schenkingen en werd de immuniteit van het klooster bevestigd. Ten slotte kregen de bewoonsters het recht, om onder goedkeuring van den bisschop van Utrecht, zelf haar abdis te kiezen. Na den dood van Otto III drongen Balderik en Adela weer met geweld in 't klooster, maar andermaal werden ze verdreven. De ongerechtigheden, moorden niet uitgesloten, van het tweetal werden zo erg, dat een zoon uit het eerste huwelijk van Adela, een bisschop, zijn eigen moeder voor het gerecht moest dagen. Zij werd ter dood veroordeeld, maar begenadigd. Toen wreekte ze zich op haar zoon, den bisschop, door een deel van haar goederen te schenken aan het klooster te Elten. Is het wonder, dat Adela den naam Herodias verwierf? Giesebrecht, een Duits schrijver, zegt in zijn „Geschichte der Deutschen Kaiserzeit", dat al die dingen toonden, hoe men het recht hoonde en met het keizerlijke gezag den spot durfde drijven. Ze doen ons een blik slaan in het zedenbederf onder de hogere standen in dien tijd. Dat de dames in Elten wel zorgden, eigenares van het haar geschonken goed te blijven, bleek in 1129, toen Lotharius II den Duitse troon beklommen had. Door overlegging van alle stukken, die betrekking hadden op de geschiedenis van het klooster, wisten ze te bewerken, dat het klooster opnieuw in zijn bezit bevestigd werd. Weer werd de gehele geschiedenis vermeld, en weer werd onder de bezittingen ook vermeld „het goed Urck". Van de moeilijkheden, die het klooster had bij het innen van de lasten, die door „het goed te Urk" opgebracht moesten worden, kan ik beter later vertellen.

35



Zoet wordt zout. ---

De bodem van het eiland Urk en vooral de brede grondslag daarvan toont, dat het achtereenvolgens in het zoute water van de Germaanse zee gelegen heeft en daarna door het zoete water van het meer bespoeld is. In dit hoofdsuk wil ik nagaan, hoe de zee haar gebied rondom Urk met geweld herwonnen heeft. Wanneer we de zee in haar rust of in haar woeling alleen maar zien of horen, dan deert ze ons niet. Dan is ze in haar vriendelijk gekabbel of ook in haar geweldige ruising de stem des Heren, die ons opwekt, om Zijn lof te zingen, zoals zij. Meestal is ze voor ons de hulpvaardige, die ons op haar breden, nooit vermoeiden rug naar verre landen draagt. Vaak was ze de goedgeefse, die de Weilanden neerwierp tot onze voeding en de zandheuvels op onze kusten plantte tot onze bescherming. En nog is ze dat, als ze tot dienst der mensen in haar ruimen schoot de vissen teelt. Maar soms is ze de verschrikkelijke ....... „Eerst gieven en dan niemen is aerger as een dief", zo luidt een Urks spreekwoord. Maar wat deert het de zee, als ze haar geven van vele jaren en zelfs van eeuwen met woeker terugneemt? Het meer schijnt in stand gebleven te zijn, schijnt althans geen grote veranderingen te hebben ondergaan tot in de 12-de eeuw. Alleen zal het door overstroming en door daarop gevolgde vereniging met kleinere meren in omvang zijn toegenomen. Daarop wijst de naam Al-meri. Maar het bleef een meer, een reusachtig zoet-waterbekken, waarin de van alle kanten aanstromende rivieren haar water uitstortten. Over de verandering van het meer in een inham van de Noordzee is veel geschreven, maar de berichten daarover zijn niet altoos betrouwbaar, in het bijzonder, wanneer ze elkaar tegenspreken. Met oude kronieken, die vaak op overleveringen berusten, moet men voorzichtig zijn. Het is volstrekt niet juist, zoals eenvoudige lezers soms menen, dat alles, wat zwart op wit staat, ook waar is. En van hoe ouderen datum een bericht is, des te minder kan het worden gecontroleerd. Ik kreeg een werkje in handen van zekeren S. van Esveldt en gedrukt in 1741. Het vermeldt dure tijden, hongersnoden en overstromingen in Europa. In verband met ons onderwerp geef ik er 36


een paar aanhalingen uit, niet om te zeggen, dat ik dat voor waar aanneem, maar om te doen zien, dat de overleveringen omtrent de verwoestingen, door de zee in de omgeving van Urk aangericht, al heel oud zijn. „Anno 161 (!) werd er omtrent Stavoren een put gegraven, welke onverwacht zoodanig een menigte zout water uitwierp, dat alles rondom overstroomde en het land in drie jaren geen vrugten voortbragt." Hieruit kan in elk geval opgemaakt worden, hoe het in de herinnering der geslachten voortleefde, dat de zee van oude tijden af voor de omgeving van het meer gevaarlijk is geweest. „Anno 516 ontstond er een geweldige stormwind en verschrikkelijk onweder, waardoor de zee zoo geweldig opgedreven werd, dat de golven geheel Vriesland bedekten, waardoor behalven een oneindig getal beesten meer dan 6000 menschen het leven verloren. Bovendien vielen er vreeselijk groote hagelsteenen, waardoor vele boomen in het bosch Fluysen omvergeslagen werden en verscheidene torens en huizen kwamen in te storten, waardoor vele menschen doodbleven." Het bos Fluysen lag tussen Enkhuizen en Stavoren. Dat er in 516 al torens zouden geweest zijn, is zeker wat vreemd, maar overigens zou de mededeling juist kunnen zijn. „Anno 570 ontstond er een vreeselijke storm, die drie dagen en nagten achtereen duurde, waardoor Vriesland opnieuw geheel overstroomde en het lusthuis van den Frieschen koning Odilbald in het bosch Fluysen zonk zoo weg, dat er niets van te vinden was." Het verzinken van dat lusthuis was zeker heel vreemd, maar vreemder is nog, dat koning Odilbald reeds omstreks 450 over de Friezen moet hebben geregeerd. De geschiedschrijver Wijnne maakt melding van een overstroming in 839, waarbij 2000 huizen moeten zijn weggespoeld en die het begin van de vorming van de Zuiderzee zou zijn geweest. Wat een zee van ramp ligt er besloten in die korte mededeling: 2000 huizen weggespoeld. Niet duidelijk is, of het een indringen van de Noordzee, dan wel een overstroming van het meer is geweest, of ook beide tegelijk. Het is mogelijk, dat het zuidwestelijk dorp op Urk toen verdronken is, en Nagele door de Nakala van Urk is afgescheurd. Latere berichten worden betrouwbaarder. In 1134 werd van Vollenhove gesproken als van een plaats aan de zee gelegen. Dat moge nu opgevat kunnen worden als „aan een breed water", er blijkt in ieder geval uit, dat het land voor Vollenhove er toen niet meer was. Dat deel van het land naast Urk schijnt het eerst verdronken te zijn. Bij een hogen Noordzeevloed zal het zeewater den Flevo-stroom en de Nakala hebben opgestuwd, zodat de golven zich over de oostwaarts gelegen lage landen hebben geworpen. Natuurlijk zal er door de bewoners dezer lage landen wel altoos 37


beproefd zijn, om het zee- en rivierwater te keren, maar historische berichten over het opwerpen van dijken hebben we pas van de 11-de en 12-de eeuw. Maar tegen hoge stormvloeden waren die in geen geval bestand. Dat bleek in 1170. „Monumenta Germaniae" doet daaromtrent een paar mededelingen. Op bl. 783 van deel XVII wordt uit de „Annales Cólonienses" aangehaald, dat de zee op 9 November (de stormmaand!) het land rondom Stavoren voor een groot deel verdronk. Het Kreilse bos, een uitgestrekt woud tussen Wieringen en Stavoren, zal toen verzonken zijn. Daarmee werd het land, dat het Almere tegen indringing van de zee beschermde, voor een groot deel weggeslagen: de hals van de fles was nu zoveel wijder geworden. Trouwens, bij dienzelfden vloed drong het zeewater zo ver in en zo ver zelfs tot achter het meer, dat het tot aan de muren van de stad Utrecht kwam. Daar heeft men toen een zeevis gevangen. Wel trok het water zich terug, maar de z.g. zak van de Zuiderzee, het brede zuidelijke deel, zal toen wel zijn grootte van later gekregen hebben. Zie ook een aanhaling uit „Annales Egmundami" in „Monumenta Germaniae", dl. XVI, bl. 467 en 468. Drie jaar later, in Mei 1173, zegt Hofdijk, „werkten de rivieren met de zee samen, om het begonnen kwaad voort te zetten, en de woede der wilde baren was zo ontzettend, dat de rampzalige landzaat een tweeden zondvloed verwachtte." De beschermende strook land aan weerszijden van den hals van de fles Almeri was nu beperkt tot het land tussen Drechterland en Stavoren, dat er althans in 1203 nog schijnt te zijn geweest. In zijn Berijmde Kroniek zegt Melis Stoke van dat jaar het volgende: „Willem, die in Oost Vriesland was, Hevet mare vernomen das Dat syn broeder is bleven doet (lees: dood) Met sericheden harde groet (lees: groot) En hjj ter zipe comen ghereden." Met Oost Vriesland wordt bedoeld Friesland beoosten den Flevostroom. Daarvan was Willem toen heer. Bij het vernemen van den dood van zijn broeder Dirk, graaf van Holland, reisde hij daarheen. Als hij de hele reis te paard heeft kunnen afleggen, behalve dan natuurlijk, waar hij over den Almerimond moest, dan was er toen tussen Stavoren en Medemblik dus nog land. Hij stapte pas af „ter zipe", d.i. bij de Zijpe, toen nog een waterplas, later een dorp. De zee zette haar veroveringen voort. In de Kroniek van Peter van Thabor (een uitgave van 1520, die als betrouwbaar genoemd wordt) leest men van het jaar 1250: „Die zee heeft groten schade gedaen an ende om Vrieslant, ende die grote meiren binnen tlant, als die zee bij Staweren ende dat west bij Harlingen ende van Staweren tot Enchusen ende to Campen, want dat plach heel lant toe wesen al totter Flee." 38


Dat was dus het land aan weerszijden van „den hals van de fles" en het land ten noorden van Urk. Alleen voor het tegenwoordige Kuinre bleef nog een strook grond gespaard. Zekere Brumanus weet te vertellen, dat het land ten noorden van Urk, dus het land „van Staweren to Campen", al in 1222 zou zijn weggeslagen, maar dat is onjuist, want in de lijst van kerken en kapellen, die in 1245 het Sint-Odulphusklooster werden toegewezen, kwamen nog voor: Ruthne, Sevehusum, Sileham, Marenesse en Nagele, allemaal plaatsen, die nergens anders kunnen gelegen hebben dan tussen Urk en de vroegere zuidkust van Friesland. Na 1245 worden ze niet meer genoemd. Ook Kunresyl niet, dat blijkbaar - de naam betekent immers: sluis van Kunre - gelegen heeft op de plaats, waar de rivier de Kuinder zich toen in het meer stortte. Het land achter Kunresyl bleef nog gespaard. We moeten ons dus houden aan de mededeling van Peter van Thabor. In denzelfden vloed van 1250 of kort daarna schijnt ook Emelweerd van Urk te zijn afgescheurd. De naam Nakala kan toen in den vorm van Nagel zijn overgegaan op het water, dat Emelweerd van Urk scheidde. Het zal niet dadelijk de breedte van later hebben gekregen, want van Schokland is het zeker, dat het oudtijds veel breder was. Het oude Emelweerd lag op een plaats ten noorden van wat wij als Schokland kenden. Op die plaats heeft ter wegwijzing voor de scheepvaart een kaap gestaan. Na al die vloeden lagen op Urk alleen nog Espele in het westen en het kleine Luttelgeest in het noorden. Het water van het meer zal nu geheel den zeewatersmaak hebben gekregen: het Almeri was nu een inham van de Noordzee geworden. De naam Zuiderzee werd, voorzover bekend, voor het eerst gebruikt in 1272. Het was toen de bloeitijd van het Hanze-verbond, en de koning van Zweden verleende toen voor den handel op zijn land enige voorrechten aan „de steden van der Sudersee als Campen und andere steden in het stichte Utrecht gelegen." Den naam Sudersee zal hij hebben overgenomen van de Staverse kooplieden, die hem blijkbaar gebruikten, om het vaarwater ten zuiden van hun stad aan te duiden. Bij den ontzettenden December-vloed van 1287, waarbij 80000 mensen moeten zijn omgekomen, verdween o.a. ook het laatste restje land voor Enkhuizen. Bij de overstroming van 1250 of iets later, waarbij het land ten noorden van Urk weggeslagen en ook Kunresyl, de haven van het oude Kuinre, ondergegaan was, was Kuinre dichter bij de kust gekomen. Maar in 142S werd ook dit door de zee verzwolgen. Toen kwam in de Overijselse steden het bericht, „dat het stedeke van der Kuynre ......... nedergeslagen weer van de zee." In 1448 werd dan ook gesproken van „de nije stadt", die op de plaats van het tegenwoordige Kuinre verrezen was. Voor den oeconomischen toestand van Urk moet het ontstaan 39


van de Zuiderzee een grote verandering betekend hebben. De vissers moesten zorgen voor een veiliger ligplaats, die ze vonden aan den oostkant van het eiland; ze moesten grotere scheepjes en allicht ook grotere netten hebben; ze moesten uitzien naar een afzetgebied voor de binnenkomende zout-watervis. De tijd van overgang zal niet zonder zorgen zijn geweest. Bij langdurige droogte kwamen de Urkers voor het vraagstuk van de drinkwatervoorziening te staan: het „verse" water, dat voorheen om het eiland spoelde, was nu zo veel verder af. Daarentegen zal het voor de Urker vissers een grote verrassing zijn geweest, toen de eerste scholen haring en ansjovis zich in den zeeboezem vertoonden. Voor oorlogs- zowel als voor vredesdoeleinden was het meer en is later de Zuiderzee altoos druk bevaren. Omdat de diepte van het vergrote watervlak zo zeer verschillend was, had de handel van de Hanze-steden om de Zuiderzee van het begin af behoefte aan betrouwbare aanwijzingen. In de 15-de en 16-de eeuw verschenen z.g. zeeboeken, ook wel zeekaarten genoemd, die den schippers over de Noordzee en verder den weg wezen. Ook de vaart op de Zuiderzee werd er in behandeld. In een „Beébuch" van de 15-de eeuw, waarvan de inhoud ongetwijfeld wel een eeuw oud was, zodat wij er den toestand tussen 1350 en 1400 ongeveer uit kunnen leren kennen, wordt gezegd, dat er „vol zee", dus behoorlijke diepte, was bij het Breezand. bij de Kreïl, bij het Roode Klif, bij het Enkhuizer zand (dus in het Val van Urk) en in de Nagel. Nauwkeurig wordt de richting aangegeven, die de schepen hadden te volgen, wanneer ze naar Kampen of Amsterdam hadden te varen. De Urker kerktoren was één van de dingen, die de schipper in 't oog had te houden, als hij den goeden weg wou volgen. Die kerktoren moet er dus in de llf-de eeuw dl geweest zijn. Kampen was er het eerst bij, om op de gevaarlijke plaatsen bakens te leggen. Van het jaar 1334 wordt gemeld, dat de stad toen voor het leggen van tonnen in het Vlie een uitgave had van „40 gr." In jaargang 1913 van het „Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap" noemde J. C. Ramaer de Zuiderzee niet onjuist „het hart van Nederland". Met niet alles in het door dien geleerde geschreven artikel ben ik het eens, maar de strekking er van juich ik van harte toe. Het schijnt te willen aantonen, hoe groot het belang is, dat de wetenschap, met name die der geschiedenis, heeft bij de drooglegging der Zuiderzee. Welke ontdekkingen kunnen dan nog gedaan worden!


Heynric de Crane. ---

De geschiedenis van Heynric de Crane zou een prachtstof kunnen leveren voor een historischen roman. Daar ze niet geheel buiten Urk omging en zelfs voor eeuwen invloed op de historie van Urk heeft geoefend, wil ik er iets van vertellen. Zoals we weten, was het Sint-Pantaleonsklooster te Keulen in 966 door Otto I begiftigd met de helft van Urk en met het gebied aan de de overzijde van de Nakala tot aan Vunninga toe, dus noordoost uit tot ver achter Kuinre. Ook hebben we gezien, dat de door het klooster aangestelde advocaten veel moeite hadden bij het innen van de opgelegde schatting, met name op Urk. In het laatst der 11-de eeuw heeft daarom abt Herman door het sluiten van een nieuw contract met den advocaat Adelhard getracht, betering in dien toestand te brengen. Hoe ver en hoe lang die maatregel doel getroffen heeft, is niet bekend. Wel is het zeker, dat ook de „curtis in Urk" op den duur en niet zo heel veel later voor het Sint-Pantaleonsklooster is verloren gegaan. Het kloosterbezit op Urk wordt omstreeks 1225 voor het laatst genoemd. Van het gebied aan de overzijde van de Nakala is na 966 nimmer meer sprake geweest. Nu zien we in het laatst der 12-de eeuw in de omgeving van Urk een macht opduiken, waarvan het mij toeschijnt, dat ze zich heeft weten in te dringen in het gebied, dat aan Sint-Pantaleon toekwam, eerst oostelijk en daarna ook westelijk van de Nakala, dus op Urk. Ik bedoel de heerschappij der heren van Kuinre. De hoeven, waarop de grondbezitters in de eerste middeleeuwen woonden, en waarvan het hoofdgebouw geheel van hout was, kunnen we vergelijken met een grote boerderij van dezen tijd. Ter verdediging tegen de Noormannen werd het hoofdgebouw van sommige hoeven in steen opgetrokken en dus veranderd in een kasteel. Het kasteel was omringd door vele bijgebouwen, stallen voor het vee en hutten voor de lijfeigenen. Het gehele terrein was van de omgeving gescheiden door een gracht, soms wel twee. De edelman heerste als een vorst. De boerderijen, op zijn lande41


rijen verspreid, werden bewoond door „zijn" boeren, die in halfslavernij een groot deel van de vruchten van veld en stal bij hun heer hadden te brengen. Zulk een groot-grondbezitter had, reeds in de 12-de eeuw, zijn familiegoed bij Kuinre, enkele minuten gaans vlak ten zuiden van het tegenwoordige dorp Kuinre. Het was een hoeve, toen reeds een kasteel, gebouwd op een bodemverheffing, die bekend stond als „die Aldeberch" en die toen nog midden in het land lag. Het riviertje de Kuinre stroomde er langs. Aan den mond van dit riviertje ontstond een kleine plaats, die den naam Kunresyl (= Kuinresluis) kreeg. Ook bij het kasteel van den heer vormde zich met zijn toestemming een dorp, dat kortweg Kuinre genoemd werd. Zoals in het vorige hoofdstuk over het ontstaan der Zuiderzee reeds is medegedeeld, ging Kunresyl verloren door de overstroming in 1250 en Kuinre in 1428. Het sterke ronde kasteel, dat een middellijn had van 30 meter en door twee grachten omringd was, bleef nog behouden. Maar een nieuw dorp Kuinre verrees twintig jaar later op de plaats, waar het nu nog ligt. Bij de drooglegging van den Noordoostpolder zijn de grondslagen van het kasteel teruggevonden. In het begin van de 16-de eeuw is het afgebroken. De heren van Kuinre noemden het door hen beheerste gebied soms een heerlijkheid („heerscap"), soms een graafschap, en beroemden er zich op, dat zij onafhankelijke heren waren. Niet onmogelijk, dat ze, om hun vooraanstaande positie in de omgeving, door het kloosterbestuur oorspronkelijk waren aangesteld tot advocaten in het Idoosterbezit ten oosten van de Nakala, maar dat ze, door het ongeregeld komen of het geheel wegblijven van den cameraar daartoe aangemoedigd, dat kloosterbezit zich persoonlijk toegeëigend hadden. In elk geval schijnt hun heerschappij over de omgeving van hun familiebezit steun te hebben gevonden in een verdrag met de bewoners van de landstreek, een verdrag, dat door hun gewelddadig optreden kan zijn afgedwongen. Zeker is, dat zekere Heynric de Crane in het laatst der 12-de eeuw de omgeving van Kuinre terroriseerde. Zjjn eigenaardige naam, zo veronderstelt de geschiedschrijver Van Lennep, zal ontstaan zijn door verkeerd lezen en overschrijven van zijn oorspronkelijken naam in oude stukken, die dan eigenlijk Heynric de Cunre zou zijn geweest. Ik blijf hem nu maar noemen met den naam, die hij, hoe dan ook, in de geschiedenis gekregen heeft, Heynric de Crane of de Craan. Melis Stoke dichtte van hem: „Een Here sat den Vriezen ane Die gheheten was Heynric die Crane Die had gheweest den Vriezen swaer." 42


Dat hij voor zijn roverijen te land en te water Urk als steunpunt gebruikte, is te begrijpen. Urk lag aan, eigenlijk in, het water van het in 1170 zo veel groter geworden Almere. Het land ten noorden van Urk was er nog, en Emelweerd was denkelijk nog aan Urk verbonden, maar Nagele zal reeds een afzonderlijk eilandje zijn geweest, en het land voor Vollenhove was weggeslagen. Heynric had dus ruim gelegenheid, om ook op het natte element „zijn geluk" te beproeven. Wee het geladen vrachtschip, dat hem of zijn piraten in het oog viel. Hoe meer buit, hoe liever, en het water was ruim genoeg, om de overvallen schepelingen desnoods „de voeten te spoelen". Ook in het land van zijn buren, de Friezen, deed Heynric nu en dan strooptochten. „Die had gheweest den Vriezen swaer", zegt Melis Stoke. Als ze niet wilden „dinghen", d.w.z.: als ze zich niet vrijwillig wilden laten brandschatten, dan mochten ze blij zijn, wanneer ze als gevangenen door hem werden meegevoerd. In het kasteelte Kuinre schijnt ruimte genoeg te zijn geweest. Maar ook toen ging de kruik zo lang te water, tot ze brak. In elk geval werd het tenslotte zó, dat de graaf van Holland in het betrokken gebied de leenheer en Heynric de Crane de leenmav werd. Dazs keerde na een achtjarige afwezigheid in Kuinre terug en voerde opnieuw het bewind, zo goed als zeker ook over half Urk. Zijn opvolgers stonden ongetwijfeld in dezelfde staatkundige verhouding tot den graaf van Holland als hij, maar bekend zijn die opvolgers niet. In de eerste jaren van de 14-de eeuw was er weer een Henricus van Kuinre leenman van den graaf van Holland. Die ook oefende over de omgeving van Kuinre en over Urk en Emelweerd, dat toen afzonderlijk genoemd werd, de rechtsmacht. Het geslacht van Heynric schijnt sinds den vrede van 1203 of '04 onafgebroken over Urk en de andere gebieden te hebben geheerst. Dat duurde tot kort voor 1360.

43


Stoffelijke welvaart. ---

Van de 12-de en 13-de eeuw zijn de berichten omtrent Urk zelf uiteraard schaars. Men denke er aan, dat Urk omstreeks het jaar 1300 in een kring van steden lag, die bloeiden door den handel op de Oostzee: Stavoren, Hasselt, Kampen, Zwolle, Elburg en Harderwijk. Later kwamen daar nog Enkhuizen en Amsterdam bij. De handel der Hanzesteden bracht hier een „hoog-conjunctuur", waarin ook Urk, gelijk vanzelf spreekt, heeft kunnen delen. Voor de vruchten van hun bedrijf: boter en kaas; vis en ........... zeehonden vonden de Urkers nu gemakkelijk een voordelig afzetgebied. Daar kwamen nog de wilde konijnen bij, die in de duinen op Urks westkust toen en zelfs nog eeuwen daarna bij menigten voorkwamen. Om de velletjes, die tot bontmantels en bontmutsen voor de rijke lieden werden verwerkt, maar ook om het vlees waren ze zeer gezocht. Stavoren en Kampen waren wel de beste afnemers. Een en ander mag oorzaak zijn geweest, dat de stoffelijke welvaart omstreeks het begin der 14-de eeuw ook op Urk op merkbaar hoger peil kwam. Ook om die reden is het te begrijpen, dat abt Aemïlius in 1309 beducht was voor een plundering van Urk. Daar was toen blijkbaar wel wat te halen. Het peil van de welvaart schijnt zelfs door den duren tijd van het jaar 1315 niet al te zeer gedrukt te zijn. En ja, dan was er als bron van inkomsten ook nog de zeeroof, die den bloei van den overzeesen handel steeds als op den voet volgde. De Harderwijkers deden zich op dat terrein bijzonder gelden. Ze waren alom gevreesd. Verschillende plaatsen in Friesland boden Harderwijk in de eerste jaren van de 14-de eeuw „vrede en vrijgeleide" aan, met het verzoek, daarin ook van den kant der Harderwijkers te mogen delen. Dat was, zoals we vroeger reeds zagen, het toenmalig middel, om zich tegen roverij van een bepaalden kant veilig te stellen. In 1320 b.v. trof Harderwijk „een zoen" met Stavoren; het vredesverdrag werd o.a. getekend door den abt van het SintOdulphusklooster. En laat ons als Urkers nu niet uit de hoogte op „die slechte Harderwijkers" neerzien, want Urk zelf werd het centrum van een wettelijk geregelden zeeroof. Dat ging zo in zijn werk. Hendrik van Kuinre, ongetwijfeld iemand 44


uit het geslacht van Heynric den Craan, had toen als leenman van den graaf van Holland, enige rechten en goederen in het Kuinderse gebied en op Urk. Een der rechten, die Hendrik op Urk bezat, werd aldus omschreven: „dat overste recht tote Ore". Het overste recht of hoge recht, ook wel halsrecht genoemd, hield in, dat de bezitter er van niet alleen geldboeten of iets van dien aard kon opleggen, maar dat hij ook met den dood kon straffen. Dat Hendrik van Kuinre (evenals vermoedelijk zijn voorgangers) dat recht op Urk en uitsluitend- op Urk bezat, betekende niet, dat er op Urk groter misdadigers zouden zijn geweest dan elders, maar was blijkbaar nodig, om gevangen genomen zeerovers op korten termijn te kunnen berechten. Men hing ze op of „legde ze op het rad". En om zeerovers te vangen, daartoe was wel gelegenheid. Vooral de handelsschepen van Kampen, die langs den noordkant van Urk voeren, hadden last van zeeroof. De bisschop verleende daarom ook in 1309 het halsrecht aan den schout van Kampen. Nu bewijst dat alles nog niet, dat ook de Urkers zelf uit den zeeroof een bron van inkomsten maakten. Maar er is meer. Een tweede recht, dat Hendrik van Kuinre bezat, werd aldus uitgedrukt: „voirt int dorp toit Espel die zeevond ent verval van vechtelrie ende van ruve". Zeevond, vechterij en roof. Het eerste is duidelijk genoeg: wat bij Espele op het strand geworpen werd, was voor den heer. Van vechterij en roof kreeg hij ook zijn deel. Wanneer een Urker visser uit een zeegevecht met een Enkhuizer of Harderwijker visser buit aan land bracht, was, zeg: een vierdedeel, voor den heer. Wanneer Urkers een vrachtschip hadden kunnen plunderen, dan was alweer „het verval" van het geroofde voor den heer. Als ze maar niet roofden van wie tot „vrienden" van den heer waren verklaard en het voorgeschreven verval opbrachten, dan konden ze gerust hun gang gaan. En - een „voordelig" bedrijf was de zeeroof ongetwijfeld, zo lang als de bedrijver „den dans" wist te ontspringen. Dit laatste viel natuurlijk het gemakkelijkst voor wie een goed bemand en bewapend kaperschip bezat, zoals ....... Jan of Johan van Kuinre, een neef van boven genoemden heer Hendrik. Die Jan ontving in 1327 van graaf Willem III van Holland zelfs een officiëlen kaperbrief, die hem het recht gaf, de Friezen te beroven, omdat dezen zich niet aan het gezag van den Hollandsen graaf wilden onderwerpen. Er ging een bekendmaking door het hele graafschap, dat wie zich wou aansluiten bij Jan van Kuinre, dat vrij kon doen, als men maar de „vrienden" van den graaf ontzag. Zouden we niet moeten aannemen, dat er ook Urkers waren, die zich voor het avontuurlijk bedrijf van den zeeroof door Jan van Kuinre lieten aanmonsteren ? In het kiezen van zijn prooi zal Jan wel niet heel kieskeurig zijn geweest. Het was hem zeker wel hetzelfde, of hij een schip van het rijke Stavoren, dan wel van een andere plaats kon bemachtigen. Som45


mige steden aan de Hollandse Zuiderzeekust schijnen, om den last, dien ze er mee konden krijgen, bezwaar te hebben gemaakt, om Jan den Zeerover in haar haven toe te laten. Vandaar, dat graaf Willem, die over Jans werk nog al tevreden schijnt te zijn geweest, in 132S alle rechters, d.w.z. den lageren overheden in Holland, gebood om Jan van Kuiure „met gevangen Friezen" overal toe te laten. Zoals we later zullen zien, maakte Jan zich in de ogen van den graaf zó verdienstelijk, dat hij met het leengoed van zijn neef Hendrik bedeeld werd. Toen kon hij dus ook voorkomen als Jan van Urk. Ik geef nu enkele voorbeelden van welstand, waartoe sommige Urkers in de eerste helft der 14-de eeuw gekomen waren. Men kan er veilig uit besluiten, dat die welstand niet tot die enkelen beperkt is gebleven. In de „Rekeningen van het bisdom Utrecht" komt onder het jaar 1328 tweemaal zekere Ot de Urch voor. Hij wordt genoemd onder de borgen voor de Drenten bij den bisschop; en er wordt vermeld, dat hij op zich nam om voor zijn broeder, die in Utrecht monnik was, en vanzelf ook een Urker, 4y2 s.g. te betalen. Otto was ongetwijfeld een rijk man. In dezelfde Rekeningen (en dat schijnt heel merkwaardig) staat bij 1329 een bedrag vermeld als ontvangen van de „ecclesia de Urch" (de kerk van Urk). Daar Urk zijn „kerkelijke opkomst" te betalen had aan het Staverse klooster, moet hier sprake zijn van een bijzondere bijdrage. Denkelijk een dankoffer voor de genoten welvaart. Die welvaart zal ook mogelijk hebben gemaakt, dat de kerk op Urk in dienzelfden tijd van een toren werd voorzien. Die moet er immers, zoals we in het vorige hoofdstuk zagen, omstreeks 1350 al geweest zijn? De vijf stenen doodkisten, die in 1559 nog op het kerkhof te Urk gevonden werden, zullen eveneens uit dezen tyd van welvaart dagtekenen. Toen Urk in 1415 een nieuwe grondwet kreeg, werd daarin bepaald, dat de schepenen zouden gekozen worden uit „goede rijeke knapen". Die moeten er dus zelfs toen nog geweest zijn. Alles, in één woord, wijst op welvaart, een buitengewone welvaart zelfs, voornamelijk gedurende de eerste helft van de 14-de eeuw. Het is dan ook te begrijpen, dat geen enkele Urker zich in dienst heeft begeven van den Hollandsen graaf Willem IV, toen deze, kort voor 1345, een groten krijgstocht tegen de Friezen voorbereidde. We weten dat uit de „Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis", die Dr. H. G. Hamaker van 1875 tot '78 bij Kemink en Zn te Utrecht in het licht heeft gegeven. In de lange lijst van arbeiders, die door den graaf werden gehuurd, komen allerlei namen voor, die de afkomst der gehuurde personen aangeven, b.v. van Nimwegen, van Campen, van Deventer, van Vianen, van Tricht enz., maar de naam „van Urk" komt er geen enkele maal in voor. Nu is het waar, dat er in dien tijd door de Urkers minder gemeen46


schap mei de westkust werd geoefend, dan met de oostkust; maar als er op Urk broodsgebrek was geweest, of de verdiensten gering, dan zouden toch wel enkelen aan den grafelijken oproep gehoor hebben gegeven. Maar dat deed er geen een. Op het eiland zelf was blijkbaar voor allen een goed stuk brood te verdienen. Sommige Urkers, tot rijkdom gekomen, zijn naar Kampen verhuisd. Kampen was toen zo veel als het tweede vaderland van de Urkers. In „Charters en Bescheiden", bewaard in het buitengewoon goed voorzien gemeente-archief van Kampen, komen van het begin der 14-de tot in het laatste der 16-de eeuw aantekeningen voor van voorname burgers van Kampen, die den naam van Ure of van Urck droegen. Ik geef die aantekeningen hier weer van de eerste helft der 14-de eeuw. Van 11 November 1336. „Femme, Gijsbertus dochter van Urk, geeft voor schepenen in Campen na haar dood aan Boeleken Hoyer haar man, het huis en erf, waarin ze wonen, met al den inboedel; aan haar zuster Heylewighe geeft ze 4 pond groot ende 2 or bester bunter voedere ende oren coninen pels ende oren screen." Gijsbertus van Ure, de vader van Femme en Heylewighe (tegenwoordig Heiltje) en ongetwijfeld een rijk man, was naar Kampen verhuisd. Femme was daar getrouwd met Boeleken Hoyer, maar buiten gemeenschap van goederen. Haar man zou na haar dood huis en inboedel en erf ontvangen, en Heiltje: 4 pond groot, twee van haar beste bonte veren, haar mantel van konijnevellen en haar kast. Deze verklaring werd afgelegd voor de schepenen van Kampen, die niet alleen als rechters fungeerden, maar ook deden, wat thans door een notaris gedaan wordt. De afgelegde verklaringen werden in het schepenenboek aangetekend, en dat gold voor testament. Nog een aantekening van 1336. „Grete, Jacobs wijf, van Enze" verklaarde voor de schepenen van Kampen, dat ze aan haar dochter op Urk al haar „gesneden klederen" vermaakte. Enze behoorde tot het gebied van Kampen. Dat het voor Grete de moeite waard was, voor het nemen van een dergelijke beschikking een tocht naar Kampen te doen, dat wijst wel uit, dat ze een rijke vrouw was. Haar dochter op Urk zal ook wel niet slecht getrouwd zijn geweest. Mathias van Ure was ook een welgesteld man in Kampen. En een vroom man was hij ook. In 1339 vermaakte hij aan verschillende godsdienstige instellingen in Kampen „16 pond groot". Zekere Jan van Ure was in 1344 „keurnoot" van rijke burgers in Kampen. Een keurnoot was een mede-ambtenaar, of ook een getuige bij een transactie. Ons woord kornuit of makker is er van overgebleven. Het kan heel goed zijn, dat deze Jan van Urk dezelfde was als Jan de Zeerover, die in 1331 met half Urk en Emelweerd beleend was. Dat er in dien tijd op Urk nog goede landerijen waren en er dus 47


ook een welvarende boerenstand was, kan blijken uit andere aantekeningen in „Charters en Bescheiden". De welvaart van Kamper burgers, in dit geval geen Urkers, had er hen blijkbaar toe gebracht, om hun geld te steken in landerijen op Urk, bouwland en weiland. Dat moet toen dus nog een betrouwbare belegging zijn geweest. De volgende aantekeningen, verklaringen voor schepenen van Kampen, mogen dat bevestigen. 1317. Jacobus Heyneman stelt van zijn bezit op Urk 5 mussat ter beschikking van zijn broers kinderen. 1319. Jacobus de Indragine betaalt zijn schuld bij zijn zuster met 3 mussat lands in Ure. 1325. Hermanus Herinc en zijn vrouw Gessa ruilen hun goederen in Ure tegen ander landbezit. Blijkens den naam was Hermanus ongetwijfeld een tot welvaart gekomen visser of haringkoper, en dat ondanks de zeeroof. 1329. Gheert van der Aa geeft aan een kerk in Kampen 5 coen graes (5 koeien gras) op Urk. Dat was dus weiland. 1339. Claes die Roede (spreek uit: rode) geeft aan zijn nicht een halve mussat land op Urck, van het beste, dat hij daar heeft. Hij had er dus nog meer. 1342. Clawes die Roede (zeker dezelfde als de voorgaande) en Aleyt, zijn vrouw, geven aan een gasthuis in Kampen een mussat land op Urk van het beste, dat ze daar hebben. Uit het verder ontbreken van dergelijke aantekeningen zou men kunnen afleiden, dat het landbezit van Kampers op Urk langzamerhand in andere handen is overgegaan, of - weggeslagen is.

48


Jan van Kuinre. --Hendrik van Kuinre, van wien in het vorige hoofdstuk gesproken werd, stierf in 1331. Zijn neef Jan, de groot-kaper, schijnt zich met het beroven en vangen van Friezen in de ogen van den Hollandsen graaf zo verdienstelijk te hebben gemaakt, dat deze hem beleende met het goed van Hendrik. Zjjn beleenbrief of brief van verlij is te vinden in het „Perkamenten Register van de Charterkamer van Holland", E.L. 10, bl. 24, berustende in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Schwartzenberg nam hem over in deel I van het „Charterboek van Friesland". Omdat het het oudste stuk is, dat we van de belening met de regeermacht over Urk kennen, geef ik het in zijn geheel weer. Natuurlijk zijn er oudere leenbrieven geweest; om te beginnen die, welken Heynric de Crane in 1204 ontvangen had, en ten slotte die, welken de pas gestorven Hendrik van Kuinre had ontvangen; maar die schijnen alle verloren geraakt te zfln. De leenbrief van 1331 luidde als volgt: „Wi Willem, grave enz. maken cond, dat wi haren Janne van Kuynre, ridder, verlien alzulc goed, alze Heynric van Kuynre, zijn neve, van ons te liene hield, dats te wetene: al dat gherecht van Kuynre, item dat gherecht te Emlairden half, voert dat overste recht tote Ore, item al tgherechte van Ore, drie weken voir Zente Michiels daghe ende drie weken dair na, voirt int dorp toit Espel die zeevond ent verval van vechtelrie ende van rove, item tgherechte te Vene, item tgherechte te Monike Kuynre dat in Stellinghewerve ghelegen es, ende XVII hoeven lands in denzelven gherechte, item dat erve toit Oisterzee dat men hiet Penningenhure, item die grute te Kuynre, item die berch, die leghet ten ............ van den dorpe te Kuynre ende hiet die Aldeberch. Van wilken goede voors. wi haren Janne voors. zulke gratie ghe49


daen hebben, dat na zierre doid comen zal op Harmati ende op Janne zinen kinderen, ghezamenderhand, in manieren, dat Harman van ons ontfaen zal, ende hi zalre Jan uyt verzien bi vriendden dat alze wezeliken es, ende dat zal Jan van Harmen houden. Ende al dit goid voors. zullen zi van ons houden ten rechten liene. In orkonde enz. ghegeven in den Haghe, des Woensdaghes na Zente Margrieten dach int jaer ons Heren MCCCXXXI." Deze belening kwam natuurlijk niet, om het zo eens te zeggen, zo maar uit de lucht vallen. Ook zij was, als ieder ander historisch feit, het resultaat van wat voorafgegaan was. We kunnen veilig aannemen, dat de verhoudingen, die in het stuk van 1331 beschreven worden, ook van te voren reeds hadden bestaan. Naar dat stuk is althans in hoofdzaak, te bepalen, hoe in 1204 de positie geregeld was, waarin Heynric de Crane tegenover graaf Willem I kwam te staan. Voordat ik met de algemene bespreking van den beleningsbrief begin, geef ik de verklaring van enkele woorden en uitdrukkingen. Haren Janne = heer Jan; verlien = verliën, verlijen of belenen; te liene = te leen; voert en voirt (lees voort) = voorts; tot en toit = te; ontfaen = ontvangen; na zierre doid = na zijn dood; Zente Michiels daghe = 29 September; Zente Margrieten dach = 21 Juli. In het laatste „item" moet een woord vergeten zijn. Er wordt in het stuk gesproken van gherecht, overste recht en tgherechte, drie zaken van verschillende betekenis. Om met het laatste te beginnen. Dat betekende geen rechtspraak, maar schatting, verplichte opbrengst. Voor gherechte werd ook wel het woord gerechtigheid gebruikt, en daar bedoelde men dan mee : wat iemand toekomt. Behalve dat, wat met gherechte wordt aangeduid, worden nog enige goederen beleend; maar alles ligt aan de overzijde van het water en gaat buiten Urk om. Alleen het vierde punt, dat spreekt van al tgherechte van Urk drie weken voor en na „Sint Michiel", vereist enige toelichting. Dat het gherecht op Urk slechts voor den tijd van zes weken door den heer van Kuinre kon genoten worden, komt mij voor, oorspronkelijk (in 1204) bedoeld te zijn geweest als een ontzien van de rechten van het Sint-P antaleonsklooster te Keulen op de gewone schattingen. Daarover had de graaf niet te beschikken. Aan die gewone schatting werd dan ook niet geraakt; maar de Kuinderheren hadden het recht, de genoemde zes weken op Urk te vertoeven en daar op kosten van de bewoners te leven. De Urkers hadden dan te zorgen voor een goed verblijf en voor behoorlijk onderhoud van den heer en zijn gevolg. Het feestelijk inhalen van den heer, die daarbij als „graaf" toegesproken werd, en een „bede", d.i. een door den „graaf" te ontvangen geldsom, was er onder begrepen. Wat de op Urk te betalen „bede" betreft, zullen we later zien, dat nog in het laatst der 16-de eeuw jaarhjks 80 gulden en sinds 1588 100 gulden aan den heer werd betaald. Schout en schepenen gingen over het eiland rond, om van de ingezetenen hun bijdrage te 50


innen. Nu is daarbij dit het merkwaardige, dat het opgebrachte geld toen nog genoemd werd „'s graven schot", of kortweg „het schot", en dat de vervaltijd was Sint-Michiel of 29 September. Die naam „'s graven schot" is nu voldoende verklaard. In het genoemde jaar 1588 erkenden schout en schepenen van Urk tegenover den heer, dat het schot aan den landsheer als „grontheer" betaald was, „so lang het eilant bewoondt" was. Moge die laatste uitdrukking als hyperbool zfln op te vatten, ze bewijst wel, dat de instelling van het schot al heel oud was. Ik vermoed, dat ze den Urkers al vóór 120'f door de Kuinderheren was opgelegd. Waarom in den beleenbrief van 1331 niet gesproken wordt van tgherechte op Emlairden of Emelweerd, dat is mij niet duidelijk. Toch waren ook daar goederen aan de heren van Kuinre beleend. Misschien wordt het in het vervolg opgehelderd. Van den zeevond te Espele en van het verval van vechterij en roof heb ik in het vorige hoofdstuk al gesproken. Voorts volgt in het stuk een opsomming van het gherechte te Vene enz., maar dat lag alles buiten Urk. Ik kom nu tot de bespreking van de betekenis van het woord „gherecht" in de eerste twee „percelen van leen": „al dat gherecht van Kuynre" en „dat gherecht te Emlairden half". Die twee uitdrukkingen treffen ons door de bijzondere nauwkeurigheid, waarmee ze zeggen, wat bedoeld is. Met gherecht wordt de rechtspraak bedoeld, maar dan niet de hoogste rechtspraak, die desnoods met den dood kon straffen en waarvan in het vorige hoofdstuk al gesproken is, maar de zogenaamde lagere rechtsmacht, die alleen boeten op kon leggen. Ze bracht mede, dat er schouten konden worden aangesteld, die met schepenen het gewone plaatselijke recht hadden te beoefenen. In het eerste punt wordt gesproken van „al dat gherecht van Kuynre". Dat hadden de heren van Kuinre vóór 1204 reeds zelfstandig beoefend en na dat jaar.als leenman van den Hollandsen graaf, en dat werd nu in 1331 opnieuw beleend. Hoe de Kuinderheren oorspronkelijk aan die rechtsmacht over hun omgeving mogen gekomen zijn? Boven heb ik de veronderstelling uitgesproken, dat ze van het klooster Sint-Pantaleon een aanstelling als advocaat hadden ontvangen. Bjj het losser worden van den band met dat verre klooster hebben ze zich ongetwijfeld hoe langer hoe meer als zelfstandige heren over het door hen berechte gebied aangesteld. Daarbij zullen ze van hun overmacht over de omgeving gebruik hebben gemaakt, om door een „verdrag" met de bewoners hun macht zekeren rechtsgrond te geven, Hoe het zij, in 1204 waren ze door den Hollandsen graaf met de rechtsmacht over het gebied van Kuinre beleend, en in 1331 werd die belening opnieuw bekrachtigd. 51


Bezien we nu de tweede clausule van den verlijbrief van 1331 : „dat gherecht te Emlairden half". Hoe nauwkeurig wordt hier de bedoeling uitgedrukt: er staat niet, dat Emlairden voor de helft wordt beleend, maar dat het gherecht aldaar voor de helft aan Jan van Kuinre zou toekomen. Dat betekent eenvoudig, dat er nog een ander was, die voor de helft over het gherecht te Emlairden was aangesteld. En wie was nu die ander? Dat was Zweder van Voerst (lees: voorst), een edelman, we kunnen wel zeggen: een roofridder, die zjjn eigen goed had ten noorden van Zwolle, in het gebied van den bisschop. Jan van Kuinre was met diens zuster getrouwd. Het was dief en dief jesmaat, want de ene zwager pleegde zeeroof en de andere landroof. In het volgende hoofdstuk hoop ik meer van Zweder van Voerst te vertellen. Die Zweder nu bezat, evenals Jan van Kuinre, zekere rechten op Urk zelf en, zoals hier blijkt, de helft van het gherecht op Emlairden, Emelweerd of Emelwoerd. De twee zwagers oefenden dus het gherecht op Emlairden gezamenlijk uit, zonder dat een bepaalde grens getrokken was. Zij en hun schouten hadden de rechtshandelingen en de daaruit voortvloeiende boeten bij overleg samen te delen; een toestand, zoals die in de Middeleeuwen ook elders in ons land bestond. In een stuk van 1349, dus 18 jaar na 1331, dat opgenomen is in het „Cartularium. Armenkamer", berustende in het gemeentearchief van Kampen, wordt op bl. 99 gesproken van twee schouten „tot Emelwoerden". De een, Claes Rawardt, blijkens latere berichten een zeer rijk man, was aangesteld door Jan van Kuinre; de ander, Coep Banning, had zijn aanstelling van Zweder van Voerst. De betekenis van de derde zinsnede in den verlijbrief van 1331, „dat overste recht tote Ore", heb ik reeds in het vorige hoofdstuk toegelicht. In het volgende hoofdstuk, dat over Zweder van Voerst afzonderlijk zal handelen, zal blijken, dat ook deze op Urk het overste recht in leen had, maar dan op een ander deel van het eiland, n.1. „aen die zuytside van de kerek, dat geheten is die Delf f." Ieder van de twee zwagers was dus gelijktijdig bejleend met het overste recht op Urk, maar dan niet zó, dat ze het gezamenlijk uitoefenden, zoals dat met het gherecht op Emelairden het geval was, doch zó, dat elk zijn eigen gebied berechtte en er dus tussen de twee gebieden een bepaalde grens getrokken was. Op dat gelijktijdig beleend zijn met de hoogste rechtsmacht, die de lagere rechtsmacht insloot, van den heer van Kuinre en den heer van Voerst, elk over een bepaald deel van Urk, leg ik bijzonderen nadruk. Aan bovenstaande bespreking van den verlijbrief, die Jan van Kuinre in 1331 ontving, voeg ik drie opmerkingen toe. De eerste opmerking is deze. Als nu alles, wat aangaat de rechtsverhoudingen, is, zoals ik het 52


in stelligen of veronderstellenden vorm heb beschreven, dan kom ik al schrijvende tot de, ook voor mijzelf verrassende slotsom, dat het huis van Voerst de rechtsmacht moet hebben bezeten in het gebied van het Eltense klooster en de heren van Kuinre in het oude allodium van het klooster te Keulen. Wat Elten betreft, zal hierop door een later voorkomend feit, een bij vernieuwing verrassend licht worden geworpen. Tweede opmerking. Elk der twee heren was beleend met de hoogste rechtsmacht over een bepaald deel van Urk. En alleen op Urk was hun die hoogste rechtsmachts verleend. Nergens anders was ze een „perceel van leen". Daarmede was Urk verheven tot wat men in dien tijd noemde „een hoge heerlijkheid". In zulk een heerlijkheid kon de doodstraf worden opgelegd, zonder dat beroep op een anderen rechter mogelijk was. Wanneer alleen de lagere rechtspraak was beleend, dan sprak men van een ambachtsheerlijkheid. Als dus in lateren tijd, zelfs in officiële stukken, Urk een ambachtsheerlijkheid genoemd wordt, dan is dat naar historisch recht onjuist: Urk is tot 1792 toe een hoge heerlijkheid gebleven. Dat het „overste recht" oorspronkelijk met het oog op den zeeroof was verleend en dat het zelfs gedurende zekeren tijd door twee personen, elk in een deel van Urk, werd beoefend, doet hier niets ter zake. Hoogstens zou men kunnen zeggen, dat Urk gedurende dien tijd uit twee hoge heerlijkheden bestond. Die toestand heeft trouwens niet lang geduurd. Mijn derde opmerking bedoelt te wijzen op nog een andere onjuiste voorstelling. In sommige korte overzichten van de geschiedenis van Urk wordt gezegd, dat Urk gedurende zekeren tijd een deel uitmaakte van de heerlijkheid of het graafschap Kuinre. Maar dat is nooit zo geweest. Daar ook de heren van Voerst op Urk tegelijk met die van Kuinre de hoogste rechtsmacht hebben bezeten, zou men met evenveel recht kunnen zeggen, dat Urk een onderdeel van de heerlijkheid Voerst is geweest. Maar dat doet men niet, doordat het van de heren Voerst minder bekend is geweest. Omdat koning Willem III ook groothertog van Luxemburg was, kan men toch nog niet zeggen, dat dit landje een deel van Nederland was? Vervolgen we nu de geschiedenis van Jan van Kuinre. Een voorbeeld van de voornaamheid, die de heren van Kuinre zichzelf toeschreven, is, dat ze munten lieten slaan. Hun munt stond ...... op Emelweerd. Er is een muntstuk gevonden met het randschrift: „Johan: van: Kuinre: Joha(ns)zoon". Vermoedelijk is dat Jan, die in 1331 aan het bewind kwam. Andere stukken dragen den naam Hendrik en weer andere Herman. Vele zijn slordige copieën van Vlaamse en Engelse geldstukken en dragen soms het opschrift graaf, soms heer. Een hoogstaand bedrijf schijnt de munterij op Emelweerd niet te zijn geweest. Men zie voorts: Van der Chijs, 53


,J)e munten der voormalige heeren en steden van Overijsel". Nog vóór 1400, vermoedelijk reeds onder het bestuur van Jan, is de munt van Emelweerd verdwenen. Althans in een stuk van 1404, waarin een kleinzoon van Jan afzonderlijk met enige landerijen op Emelrewairt beleend werd, werd gesproken van 36 stukken lands aldaar, „dair die munte op plach te staen". „Plach te staen", dus in 1404 was die munt er niet meer. Voor de groot levende Kuinderheren schijnt het gemakkelijk te zijn geweest, dat ze zelf geld konden „maken", maar ook toen was er al zo iets als „valuta". In elk geval was het familiegoed te Kuinre, dat hun in 1204 nog als een allodium gelaten was, ten slotte zó met schulden bezwaard, dat het verkocht moest worden. Het was in 1327 een „goede" greep van graaf Willem III geweest, toen hij Jan van Kuinre een bijzondere aanstelling gaf als kaperkapitein ter bestrijding van de Friezen. Ook later en zelfs gedurende zjjn gehele leven heeft Jan den aard van zijn geslacht, in het bijzonder van Heynric den Craan, nooit verloochend. Zoals zijn zwager, Zweder van Voerst, de omgeving van zijn kasteel voor den reizenden koopman onveilig maakte, zo besprong Jan, de andere heer van Urk, de handelsvaartuigen ter zee. En als er geen reden bestond voor het roven op de Zuiderzee, zochten zijn piraten hun prooi in ruimer sop. Geen wonder, dat ook de Hamburger kooplieden op Jan en zijn „hulpers" gebeten waren. „Charters en Bescheiden", deel I, no. 125, vermeldt, dat de Hamburgers er van beschuldigd werden (een voorzichtige uitdrukking), op 6 Juni 1357 een „knaap" van Jan van Kuinre te hebben „vermoord". Die knaap was ongetwijfeld een kaperkapitein in dienst van Jan van Kuinre. De Hamburgers hadden hem bhjkbaar het lot van een zeerover doen ondergaan. Althans na dien werd er van weerskanten dapper aan zeeroof gedaan, tot schade ook van de Kamper koopvaarders. Een tijdelijke opluchting gaf het, toen het stadsbestuur van Kampen een „zoen" tussen Jan van Kuinre en de Hamburgers wist tot stand te brengen. Het sterfjaar van Jan van Kuinre is niet bekend. Het moet omstreeks 1360 zijn geweest. Naar den verlijbrief van 1331 zijn toen zjjn zonen Herman en Jan in zijn rechten getreden, maar de laatste stierf kort daarna. Herman dien ik aanduid als Herman (I), kwam toen in het ongedeelde goed van zfn vader en werd dus ook heer van Noord-Urk. Zweder van Voerst leefde toen nog.

54


Zweder van Voerst. --Na den dood van Jan van Kuinre werd dus op Urk en Emelweerd het gezag geoefend door Herman (I) van Kuinre en zijn oom Zweder van Voerst. Het geslacht van Voerst was even oud en bekend als het geslacht van Kuinre. Het was bezitter van een allodiaal goed in het noorden van Overijsel en bewoonde een kasteel bij Zwolle, waarvan reeds in 1190 sprake was, dus in den tijd van Heynric den Craan. Het geslacht van Voerst, Zweder met name, beoefende het eerzaam bedrijf van roofridder. Daar wisten vooral de kooplieden van Zwolle, Kampen en Deventer van te spreken. Intussen, hoe kwam nu dat geslacht aan de hoogste regeermacht over Zuid-Urk en de helft van de lagere bestuursmacht over Emelweerd ? Laat ik eerst met de stukken aantonen, dat het die macht metterdaad heeft bezeten. Ten eerste blijkt uit een stuk van 1364 in het Register „Aelbrecht"', berustende in het Algemeen Rijksarchief, dat Zweder beleend was met „Ore, Emelwaerde ende den hof te Tollebeke". Deze laatste curtis zal op het vasteland hebben gelegen. Duidelijker nog wordt in een stuk van 1407 gesproken van „liengoeden als Orck an die zuytside van der kereken dat geheten is die Delff ende half Emelwairde mid horen toebehoren welk liengoeden voirsz. men altois van onsen voirvaderen graven te Holland te Hen gehouden heeft". Met het woordje „men" wordt gedoeld op het geslacht van Voerst. Hoe ver met het woordje „altois" zou moeten worden teruggegaan, dat zou nader zijn te onderzoeken. In 1412 wordt opnieuw erkend, dat Johanna, de schoondochter en erfgename van Zweder, „recht ende toeseggen" had „aen die heerlicheede van Orck aen die zuytside van de kerek, dat geheten is die Delf ende half Emelwairde mit allen horen toebehoren so si die van ons te lien te houden plach". Met het woordje „si" wordt op Johanna gedoeld. Dat, in de vierde plaats, de rechten van het huis van Voerst ook medebrachten het aanstellen van een kastelein (letterlijk: kasteelheer) op Urk en dus ook de oefening van de hoogste rechtsmacht insloten, kan blijken uit processtukken van 1413 tot 1415. Maar hoe het geslacht van Voerst aan zijn rechten op Emelweerd 55


en op Urk mag gekomen zijn, d.w.z. van wanneer de eigenlijke belening daarmede oorspronkelijk dateert, dat is niet met zekerheid te zeggen. Gelijk Jan van Kuinre heeft ook Zweder van Voerst ten slotte Willem V als zijn heer erkend, maar dan natuurlek alleen voor wat de beleningen op Urk en Emelwerd betreft. En zoals we weten, nam Albrecht van Beieren in 1357 de regering over Holland van zijn broer over, omdat deze krankzinnig geworden was. Zweder zelf stierf als gevangene den 21-sten Januari 1363.

56


Herman (1) en Herman (II) van Kuinre en Roderic van Voerst, (1360-1381).

--En nu de historie van de twee Hermans van Kuinre, vader en zoon. Bijzonder gedurende de tweede helft van de 14-eeuw werd er tussen den in bloei toenemenden buitenlandsen handel van onze Hanzesteden en den al brutaler uitgeoefenden en ten slotte zelfs georganiseerden zeeroof een verwoede strijd gestreden. De zeerovers, voornamelijk uit Denemarken en Noorwegen, oefenden hun bedrijf uit in de Oostzee en de Noordzee, zelfs tot onder de kusten van Engeland en Nederland. Omdat bepaalde groepen den buit gelijk deelden, noemden ze zich likedelers. Later noemden ze zich wel heel gemoedelijk victualiebroeders. De koning van Denemarken zag geen reden, om zijn onderdanen den zeeroof te verbieden. Die was ook voor hemzelf te voordelig. Herman (I) van Kuinre maakte met de likedelers gemene zaak. Hfl verleende ze in Kuinre een schuilplaats en kreeg daarvoor zfln deel van den buit. Toen kwam hij in conflict met Hamburg, Deventer en Amsterdam en ontving van hertog Albrecht - immers zjjn leenheer! - de vermaning, „dat hi die van Amstelredamme weder gheven soude hoer goet, dat hi hun ontnomen hadde". De heer van Kuinre en van Urk schijnt zich toen enige tqd rustig te hebben gehouden, maar in 1373 werd de verleiding hem blijkbaar weer te sterk. Bij dat jaar maken de Kameraarsrekeningen van Deventer melding van niet minder dan twee gezantschappen, door de stad naar Herman gezonden, om hem te bewegen, het schip, dat hjj in Kuinre „ghesegelt" had, vrij te laten. Resultaat niet bekend. Met dezen Herman (I) werd het, zoals het eertijds was met Ismael: „zyn hand was tegen allen en de hand van allen tegen hem." Geen wonder, dat de „Overijsselsche Kronyk" by het jaar 1376 vermelden moest: „In 1376 is de heere van Cuynre buitenlandts vermoordt". De brekende kruik! 57


Neem het den kooplieden eens kwalijk, dat ze hun scheepsvlaggen nu juist niet halfstoks hesen! Ofschoon de feiten aantonen, dat Herman (II) inderdaad zijn vader is opgevolgd in diens leengoederen, heb ik geen afschrift van een verlijbrief daarvan gevonden. Als men in Overijsel een ogenblik gehoopt heeft, dat Herman (II) niet de voetstappen van zijn grootvader en vader zou drukken, dan is men daar al heel spoedig van teruggekomen. De „Overijsselsche Kronijk" voegt aan de boven staande mededeling van den moord op Herman (I) deze veelzeggende opmerking toe: „twelk syn soon Harman van Cuynre op die van Hambarch wilde wreecken". De kooplieden van Kampen, Zwolle en Deventer wisten wel, waar dat op neer zou komen: op nieuwen zeeroof. Ze hebben zich daarom heel wat moeite en ongetwijfeld ook heel wat onkosten getroost, om Herman (II) te bewegen, van zijn wraakplannen af te zien. In Mei 1376 gaf hij den Hamburgers een zoenbrief. Ook met de Staverse kooplieden lag hij terstond overhoop. Geen wonder, want met de likedelers maakte ook hij dadelijk gemene zaak. In 1380 waarschuwde Kampen de stad Deventer, dat Herman van Kuinre „up der zee rouede" (roofde). Afgevaardigden der drie Overijselse steden trachtten hem daarom nog eens bij een samenspreking in Genemuiden tot andere gedragingen te brengen. Ook aan Albrecht schijnt, blijkbaar om den last, dien ook zijn onderdanen, kooplieden en vissers, van den zeeroof ondervonden, de vrijbuiterij, waarvan Kuinre en Urk steunpunten vormden, te hebben mishaagd. Hij ging niet terstond over tot den uitersten maatregel, om Herman uit zijn leen te Stoten, maar begon met een van zijn trouwste edelen, Dirk van Zwieten, aan te stellen, om aan de kaperijen op de Zuiderzee een einde te maken. Dirk bewees zijn heer in het vangen van kapers „meneghe trouwen dienst", maar het kwaad uit te roeien, dat vermocht ook de dappere Dirk van Zwieten niet. Hij had geen goed steunpunt voor zijn operaties; als de ene kaper opgebracht werd, kwam er een ander in diens plaats: het roversbedrijf was al te voordelig. De Friese schrijver Burmanus noemde Herman (II) kortweg een tiran. Voor zijn Urker onderdanen zal zijn bestuur dus wel geen gelukkige tijd zijn geweest. En dan zullen de ruwe zeden ook op de Urker vissers zeker geen veredelenden invloed hebben geoefend. Als ze hoorden van den prachtigen buit, die er op zee soms te halen was, dan was de verleiding, om zich door een zeerover van Herman te laten aanmonsteren, wel heel groot. En heeft Roderic, de andere heer van Urk, aan zjjn neef Herman (I) en daarna aan zijn achterneef Herman (II) bij den zeeroof nimmer hand- en spandiensten verleend? Men zou het kunnen veronderstellen op grond van het gezegde, dat in een kapersgezin, zoals dat van Zweder van Voerst immers was, kapers worden geboren, maar 58


ieder rechtstreeks historisch bericht ontbreekt daaromtrent. Roderic schijnt in 1381 gestorven te zijn. Toen achtte Albrecht blijkbaar het geschikte ogenblik gekomen, om ter beloning van Dirk van Zwieten, aan de leenrechten van de huizen van Kuinre en Voerst „op Orkel en Emelswalde" kortweg een einde te maken. Ook Herman (II) was dus niet langer heer van Urk. En Dirk van Zwieten werd heer van geheel Urk en Emelweerd. Nu zou het kunnen blijken, dat Urk niet alleen voor den zeeroof zelf, maar ook voor de bestrijding er van op een uitnemende plaats lag.

59


Dirk van Zwieten. (1381-1412) ---

Het geslacht van Zwieten was een der voornaamste adellijke familiën van Holland. Het had zijn stamslot te Zoeterwoude bij Leiden. We hebben reeds gezien, dat Dirk ook in zijn betrekking van zeeroofbestrijder „meneghe trouwen dienst" aan zijn meester bewees en dat hij mitsdien in 1381 in de plaats van de huizen van Kuinre en van Voerst met heel Urk en Emelweerd beleend was. Volgens het Register „Albertus", XVIII, in het Algemeen Rijks archief bewaard, luidde de verlijbrief, dien Dirk ontving, als volgt. „Aelbrecht bi Gods ghenade .............. grave ............... hertogh in Bayeren palengrave van Henegouwen van Hollant van Zeelant ende van Vrieslant doen cond allen luden dat wi om meneghe trouwen dienst die ons Dirc van Zwiete ghedaen heeft ende noch doen mach hem ghegeven nebbe ende gheven mit desen brieve dese twie landekiins of kerspele als Orkel ende Emelswalde met allen horen toebehoren hoghe gherechte ende laghe ende anders rente ende also alst ghelegen is Dirc voersz ende sinen nacomelingen van ons ende van onsen nacomelingen te houden tot enen erfleen binnen after zuster kint niet te versterven. Ende gheloven hem daer in te houden ende te starken jeghens alle man. In orconde desen brieve bezeghelt mit onsen zeghele. Ghegeven in den Hage des Vridags op den tiende dach in Meye int jaer ons Heren MCCC een ende tachtich." Men geve er acht op, dat alleen gesproken wordt van Urk en Emelweerd. De beleningen buiten die, in de omgeving van Kuinre en de curtis Tollebeke, werden den geslachten van Kuinre en van Voerst dus niet ontnomen. Dat de blijkbaar door Albrecht persoonlijk geschonken belening met Urk en Emelweerd door de Hollandse Leenkamer bevestigd is geworden, heb ik niet gevonden. Zo miste deze belening dus eigenlyk de vereiste officiële en rechtsgeldige kracht en kon ze later gemakkelijk worden herroepen. Maar practisch heeft ze toch wel effect gehad, want Dirk van Zwieten heeft metterdaad als heer van Urk en Emelweerd enige jaren het bewind gevoerd. 60


Door die schenking werd en Urk en Emelweerd een op zichzelf staande hoge heerlijkheid. Van Kuinre werden ze gescheiden, en ze zijn daarmee nooit meer verenigd geweest. Ongetwijfeld zullen de huizen van Kuinre en van Voerst bij de Leenkamer van Holland protesten hebben ingediend tegen het persoonlijk optreden van Albrecht; en toen die niet baatten, heeft althans Herman (II) daden van vijandschap tegen Dirk van Zwieten bedreven, maar de belofte, dat Dirk in zijn leen gesterkt zou worden tegen alle man, is door Albrecht zelf steeds gehouden. Aan die belofte werd onmiddellijk kracht bijgezet, doordat Albrecht binnen een maand op Urk een sterkte deed verrijzen, die later „het huys te Urck" werd genoemd. Het zal een stevig houten gebouw zijn geweest op een stenen fondament. Het was groot genoeg, om een wacht van 25 man te kunnen bergen en had bovendien nog voldoende ruimte, om gevangen zeerovers op te sluiten. Het heeft gestaan in het zuiden van het eiland, in het vroegere gebied van den heer van Voerst. De Overijselse steden zagen „het timmeren" van „het huys te Ore" niet zonder zorg aan. Ze vreesden, dat het een nieuw steunpunt voor de zeeroverij zou worden. Deventer b.v. achtte het nodig, niet alleen Zutphen en Zwolle, maar ook den bisschop zelf mededeling te doen van de vreesverwekkende „tynameringhe". De kameraarsrekening van Deventer bevat bij 24 Juni 1381 dezen uitgaafspost: „Item des Vrydaghes na Sente Johan enen bode, die tot Zutphen enen brief brechte alse van den huys dat die greve van Hollant tot Ore liet up slaen ..................... II s." En vjjf dagen later: „Des Wonsdaghes na Sente Peters en Pawels dach bi Joh. die Hoyer ende Peter van Lyende die tot Swolle ghereden weren, die ghereden solden hebben tot Vollenho an onsen heren van Utrecht alse van de tymmeringhe tot Ore van cost ende peerdenhure ........................... 5 18 IIII s." De vrees voor „het huys te Urck" was ongegrond. De sterkte was inderdaad gebouwd, om den zeeroof te kunnen tegengaan en mogelijke aanslagen van de heren van Kuinre of Voerst af te slaan. Sommige Friezen maakten in het roven gemene zaak met Herman (II), die van Mirdum in het bijzonder. In 1383 ging uit Deventer weer een commissie naar de gerechtszitting van den bisschop te Vollenhove, „daer sie enen dach hielden tegen de Vryezen van Merden ende Harmen van Kuynre daer sie mede dedingden", d.i. waar zij een rechtzaak mee hadden, ongetwijfeld over gepleegden roof. De heren van Kuinre waren van hetzelfde kaliber als Zweder 61


van Voerst indertijd: hun voornaamste inkomsten trokken ze uit den roof. In zijn ..Geschiedenis van Amsterdam" merkt J. ter Gouw geestig op, dat het den Kuinderheer het gemakkelijkst scheen, de vier emmers boter, die hjj den bisschop als pacht had op te brengen, van den koopman te nemen. Dat hij van zijn leen alleen maar de Kuinderse landen had overgehouden en Urk als steunpunt van zijn zeeroof verloren had, maakte hem volstrekt niet beter of voorzichtiger. De roof werd bijna beschouwd als een correctie op het werk der Voorzienigheid: de rovers brachten het goed, waar het naar hun mening hoorde. Het enige ongeoorloofde, dat er in was, bestond in den last, dien ze er door konden krijgen van anderen. Overigens meenden ze, dat ze evengoed „een goed Christenmens" konden zjjn. Een morele ontwrichting, die den tijd kenmerkte. „Ruten, roven, dat is gheyn schande, Dat doynt die besten van den lande", zo heette het in een rijm van die dagen. Herman (II) ging dus voort met zijn eerzaam bedrijf. Zelfs de schepen, die 's nachts op het IJ voor Amsterdam lagen, waren niet veilig. Dat duurde zo lang, tot de waakzaamheid van Dirk van Zwieten en van de mannen op „het huys tot Ore" het hem blijkbaar te lastig maakte en hij genoodzaakt was, met die van Amstelredam „vrede" te sluiten. Op 26 October 1387 verklaarde Herman, dat hij „voor zich, zijn kinderen en erfgenamen en voor al degenen, die om zijnentwil iets doen of laten wilden met de Amsterdammers een volkomen zoen gemaakt had van alle twisten en oude veten en dat hij dien zoen nu wilde houden als een Chrismens zonder arglist." De zoenbrief wordt nog in het Amsterdamse Archief bewaard. Kampen en Zwolle wilden hem graag mede bezegelen. Ook zjj hoopten er voordeel van te hebben. De „vrede" zat in de lucht. Negen maanden later, 24 Juni 1388, kwam er ook een vrede tot stand tussen Albrecht met Dirk van Zwieten enerzijds en de Friezen met Herman van Kuinre anderzijds. De zeeroof zou voor niet minder dan twintig jaar gestaakt worden! In het stuk, dat de Friezen toen aan Albrecht afgaven, stonden ze ook in voor Herman van Kuinre, „dat hi eenen vasten vrede houden sal met Dirc van Zweten ende mit den lande van Ure ende van Emelwaert." (Schwartzenberg, „Charterboeh van Friesland" I). Hieruit blijkt, dat Herman van Kuinre inderdaad vijandelijkheden gepleegd had tegen Dirk van Zwieten en tegen Urk. Het verlies van een deel van zijn leen had hij niet kunnen verkroppen. De tegenbelofte gaf Albrecht eerst op 13 Juni 1390, dus twee jaar later; misschien om Herman en de Friezen te kunnen beproeven. Hij beloofde toen, „dat Dirc van Zwieten mitten lande van Ore 62


ende den lande van Cuunre also langhe als dese vrede dueren sal." Dus de twintig jaar uit. (Schwartzenberg I). In Amsterdam scheen men niet veel van de gesloten vredesverdragen te verwachten. De vrees voor Herman van Kuinre en andere likedelers, waarvan sommige onder de vlag van Kampen voeren, zat er zo diep in, dat in 1389 in Amsterdam besloten werd, in het IJ voor de stad een rjj palen te slaan, met hier en daar „oirgaten" er in, waar de schepen uit en in konden varen. Voor die „oirgaten" werden 's nachts „waterboemen" geplaatst. Zelfs tot in de 19-de eeuw, toen er van zeeroof allang geen sprake meer was, deden de palen en de waterbomen dienst. De vredesluiters zelf schijnen ook niet veel vertrouwen in de gesloten verdragen te hebben gehad. Dat kan daaruit blijken, dat binnen den tijd van de eerst afgesproken twintig jaar de vrede zesmaal verlengd of bevestigd werd. Commelin vertelt in zijn „Beschrijving van Amsterdam", dat Albrecht van Beieren in 1396 van Dirk van Zwieten, heer van Urk, de vrijheid kreeg, bij Luttelgeest een sterkte te bouwen, „om de rovergen der Friezen met meer kracht te kunnen beteugelen." Op wat grond de schrijver die mededeling doet, is mij niet gebleken. Het zou dus het bouwen van een tweede sterkte op Urk hebben betekend, en wel in het noorden, gelijk er in 1381 een in het zuiden verrezen was. Dat wijst wel op een gespannen toestand. 1396 en 1397 waren echte roof jaren. Hollanders, Friezen, Overijselaars, Geldersen, alles deed mee. Albrechts kapiteins waren gans niet kieskeurig in het zoeken naar buit. Kampen beklaagde zich, dat onderhorigen van den baljuw van Medemblik onder Ens 25 schapenkazen uit een Kampens schip hadden gestolen; Jan Sonderlant voerde goederen uit een Kampens schip naar Emélweerd; in 1397 werden door Hollandse kapers niet minder dan 34 Kamper haringschepen opgebracht. En Urk lag daar midden in. De Urkers hebben ongetwijfeld dapper meegedaan. De strenge winter van 1399 op 1400 bracht althans voor den zeeroof een rustpoos, maar die stelde ook het uithoudingsvermogen van den Urker visser en vrachtvaarder op een zware proef. Een andere beproeving, „omtrent overal in den lande" was de pestziekte in het jaar 1400, waarvan de „Kamper Kronyken"', I, melding maken. Zo eindigde de 14-de eeuw, die, bijzonder voor Urk en zijn omgeving, ondanks de welvaart gedurende de eerste helft, tot „de donkere middeleeuwen" kan gerekend worden. De 15-de eeuw begon niet beter. Het bleef roof en tegenroof. Volgens de „Kamper Kronyken" namen de Hollanders alleen in 1406 den Kampers voor 25000 Engelse nobelen haring af. In 1407 wilde Willem VI den oorlog tegen Jan van Arkel, zijn persoonlijken vijand, met kracht voortzetten. Op 12 October richtte hij een oproep tot al zijn leenmannen, om ter heirvaart te komen 63


met een zeker getal gewapenden, die zijzelf te verzorgen zouden hebben. „Dirk van Zwieten" o.a., de heer van Urk, moest opkomen met 4 man, Boudijn van Zwieten met 2. Het zal den heren van Zwieten ongetwijfeld moeilijk zijn gevallen, om mee te werken aan de vernedering van hun partijgenoot. Ook de Hollandse steden werden aangemaand, om „mit alle hare machten te Woudrichem te verschijnen." Bij zijn onderneming tegen Jan van Arkel kreeg Willem VI een zeer gewensten bondgenoot in den heer van Asperen, wiens goed slechts door de Linge van dat van Arkel gescheiden was en die altoos moeite had tegenover dien machtigen buurman zijn zelfstandigheid te bewaren. Die heer van Asperen nu schijnt Willem VI in den Arkelsen oorlog belangrijke diensten te hebben bewezen, en dat niet zonder resultaat - voor hemzelf. Hij was n.1. gehuwd met Johanna van Voerst, vermoedelijk een dochter en in elk geval de erfgename van Roderic. De heer van Asperen en zijn vrouw smeedden het ijzer, terwijl het heet was. Midden in den oorlog zagen ze hun kans schoon om voor de Leenkamer van Holland een proces te beginnen tegen - Dirk van Zwieten, om het bezit van Zuid-Urk, waar de familie van Voerst terwille van Dirk in 1381 uitgestoten was. En ze hadden nu Willem VI op hun hand. Nadat Dirk van Zwieten, die van de moeiten en den strijd des levens blijkbaar genoeg begon te krijgen, verklaard had, dat frij zich bi) de uitspraak van de Leenkamer neer zou leggen, viel heel spoedig de beslissing. De uitspraak was, dat „onze lieve ende geminde heere Otte van Asperen, heer van Voirst, als recht mombaer ende voecht sinne lieven gesellinne ende getruweden wijve Johanna, vrouwe van Voerst ende van Keppel", „aangesien dat de here van Voerst in der oudsten lienweren" was, in het bezit gesteld werd van dat deel der heerlijkheid, dat van ouds door de familie van Voerst bezeten was, n.1. „Orck, an die zuytside van der kercken, dat geheten is die Delff, ende half Emelwairde met hoeren toebehoeren'", en dat „heere Dirc van Zwieten dair wt" zou gaan, „behoudelic ons ende onsen nacomelingen ende enen ygelicken syns rechts". De laatste zinsnede zag natuurlijk op de schattingsrechten van het klooster te Elten. Het stuk is „gegeven in den Hage, acht dagen in Februario anno XIIIIc ende zeven na den lope van onsen hove". Het hof volgde nog den ouden stijl, die het jaar liet lopen van Pasen tot Pasen. Naar onze rekening was het 8 Februari 1408. De oorkonde is te vinden in „Registrum novum vasallorum Hollandiae", III, bewaard in het Algemeen Rijksarchief. Van Mieris en Schwartzenberg namen haar over. Of Dirk van Zwieten na het verlies van Zuid-Urk even willig gebleven is, om door te gaan met „meneghe trouwen dienst", waar64


voor hij in 1381 geprezen was en die toen verder van hem verwacht werd, kan ik niet meedelen. Evenmin, of hij rekening gehouden heeft met een verordening van Willem VI in 1410, waarbij „schouten en schepenen verboden werd van anderen dan van de Friezen en dus niet van de Geldersen en Stichtsen iets te laten buitmaken." Herman (II), van wien Dirk van Zwieten in 1381 Noord-Urk had overgenomen, stierf in 1411. Zijn zoon, Herman (III), trad toen in zijn rechten. Ook deze, een persoonlijk vriend van Willem VI, had zich in den Arkelsen oorlog in de ogen van den graaf verdienstelijk gedragen; en ook hij werd er voor beloond, en dat andermaal ten koste van Dirk van Zwieten. Op 6 April 1412 immers (zie „Reg. nov. vas. Holl." III) verklaarde de graaf: „Here Dirc van Zwieten heeft ons opgedragen ende te goede gescouden tot behoef ons geminden Harmens van Kuynre die heerlichede van Orck ende van Emelwairde ...... als hi voirtijds die vercreech van grave Harman van Kuynre Harmans vader ....... behoudelic altois ons, der vrouwen van Voirst ende enen yegelicken siins rechts." Toen nam dus de heerschappij van Dirk van Zwieten over Urk geheel en al een einde. Volgens het „Vaderlandsch Woordenboek" van Jac. Kok zou de uitgestotene een kleinzoon zijn geweest van Dirk, die in 1381 met Urk beleend was. Maar dit is onjuist. De woorden: „als hi (d.i. Dirk) voirtijds die vercreech van grave Harman van Kuynre, Harmans vader" tonen onweerlegbaar aan, dat hij dezelfde en dus een man op leeftijd was. Dat Dirk van Zwieten niet tegen de beslissingen van den zo veel jongeren graaf inging, acht ik een daad van beraden wijsheid. Ondanks de gebreken van zijn tijd en van zijn stand, die ook hem aankleefden, is hij onder de bewerking van zijn levensloop als heer van Urk voor mij een degelijke, sympathieke persoonlijkheid geworden. Maar ondank is 's werelds loon. En hier was de ondank een zoon van de politiek.

65


Herman (III) van Kuinre. (1412-1438)

Zo was dus Johanna van Asperen van Voerst en Keppel den 8sten Februari 1408 vrouwe van Zuid-Urk en „half" Emelweerd geworden en was daarmee wedergekeerd in het leen, dat de familie van Voerst in 1381 verloren had. Heer Otto van Asperen en zijn vrouw schijnen nog een voornamen stand te hebben gevoerd. Zij hadden b.v. een priester bij zich in huis als huiskapelaan. , Op Urk hebben ze dan ook nooit gewoond. Ze hadden daar een ambtenaar of kastelein met den naam Dirk den Zuren. Drukte zijn naam misschien uit, hoe er over hem gedacht en gesproken werd? Zo ja, dan is zijn bewind voor de Urkers zeker niet gemakkelijk geweest. Hij woonde in „het huys" op Urk en onderhield daar op kosten van zijn gebieders 25 gewapenden. Daarmede moest hij, ongetwijfeld op verlangen van graaf Willem, op den zeeroof in de om.geving toezien. De inkomsten van den heer en de vrouwe van Asperen, uit hun leen op Urk of uit andere bronnen, schijnen niet rijk te hebben gevloeid, want de onkosten, die zij Dirk den Zuren hadden te vergoeden, lieten ze tot een belangrijk bedrag oplopen. Zij zullen er misschien niet al te zeer over hebben getreurd, toen graaf Willem VI reeds 31 Juli 1412, nadat zij pas vier jaar Zuid-Urk in leen hadden gehad, in het pas veroverde Gorinchem, de hoofdplaats van het Arkelse gebied, de oorkonde tekende, waarbij de vrouwe van Asperen en Voerst ten behoeve van Herman (III) van Kuinre afstand deed van haar rechten op Urk en Emelweerd. (Zie „Reg. nov. vas. Holl.", III). Politiek, willekeur of noodzaak, wat was het? Het huis van Voerst is nimmer in zijn rechten hersteld. Dirk den Zuren moest natuurlijk zijn residentie op Urk verlaten; maar toen drong hij dan ook bijzonder aan op betaling van de achterstallige kostenvergoeding. Omdat evenwel aan zijn verlangen niet voldaan werd, begon hij in 1413 voor het gericht van den bisschop te Vollenhove een proces tegen zijn schuldenaars, waarbij hij een vordering indiende van niet minder dan f 909,—. Eerst 16 Mei 141-1 werd de zaak beslist. Dirk den Zuren kreeg 66


zijn vordering geheel toegewezen. De boterpacht, die de vrouwe van Voerst te Vollenhove had, zou zo lang aan Dirk den Zuren moeten worden betaald, dat hij f 919,—, „vier plakken en twee brabantsen" zou hebben ontvangen. De bijzonderheden van het proces zijn te vinden in het „Tijdrekenkundig Overzicht op het oud-provinciaal Archief van Overijssel." Zo was dus het geslacht van Kuinre in den persoon van Herman (III) sinds 31 Juli 1412 in het ongedeeld bezit van het leen Urk en Emelweerd. Dat Enze, gelegen ten zuiden van Emelweerd en in 1391 bij abuis genoemd onder de bezittingen van Dirk van Zwieten, in 1412 niet in de overdracht begrepen was, blijkt uit de mededeling van 1413 in de „Kamper Kronijken"', dat de regering van Kampen toen een zekeren Otto van Diemen tot schout van Enze aanstelde. Hij kreeg de opdracht, dat hij die „heerlijkheid" trouw voor de stad bewaren zou. Enze schijnt in dien tijd nog al van de Hollanders te lijden te hebben gehad. De stemming tegenover de Hollanders was om deze en andere redenen verre van vredelievend. In 1415 bepaalde de stadsregering, dat geen Hollander of balling het burgerrecht van de stad zou kunnen verwerven. Intussen was de stemming van den nieuwen heer van Urk tegenover Kampen en in 't algemeen tegenover het Oversticht, niet vijandig; want in 1415 wist hij van 's bisschops wege een aanstelling te verkrijgen tot drost of baljuw van Salland. Als zodanig resideerde hij op Arkelstein, een kasteel bij Batmen aan de Schipbeek. De inkomsten uit de heerlijkheid Urk en Emelweerd, gevoegd btf die van zijn vrouw Oede van Wilp, schijnen Herman (III) niet voldoende te zijn geweest. Men neme in aanmerking, dat hij nog wel den naam „van Kuinre" droeg, maar dat hij in Kuinre generlei bezit of recht meer had. In 1417 verloor hij het baljuwschap over Salland, maar in 1425 werd dat door een benoeming tot kastelein van Vollenhove vergoed. Hij bleef dus in dienst van den bisschop. Herman (III) was een practisch en vooruitziend man, een liefhebbend echtgenoot en een goed regent. Dat hij nooit van uit het huis op Urk handelsschepen, althans van buitenlanders, heeft beroofd, kan helaas niet worden gezegd. Dat hij ook jacht op andere zeerovers heeft gemaakt, schijnt vast te staan. Er berust n.1. in het Amsterdamse Gemeentearchief het afschrift van een brief van „die stede van Aemstelredamme" aan „den eerbaeren Herman van Kuynre ende die eastelleyne upten huze tot Orck off horen stedehouder aldair." Die brief is geschreven op 13 Februari van een niet genoemd jaar. Ter Gouw meende, dat hij gericht zou zijn geweest aan Hermans vader of grootvader, maar dat is uitgesloten, want zij heersten op Urk vóór 1381, en eerst in dat jaar heeft Dirk van Zwieten „het huys" op Urk gebouwd. De brief van Amsterdam moet dus zijn van na 1412, toen Herman (III) heer van Urk was. 67


Het is een zeer vriendschappelijke brief, want de Amsterdammers noemen Herman en zijn kastelein niet alleen eerbaar en eerzaam maar ook „onsen lieven geminden vrienden", waaruit valt op te maken, dat ze tegen Herman geen grieven hebben, wat het beroven van Amsterdamse schepen betreft. Dat er niettemin in den vriendelijken vorm enige vrees doorschemert voor den telg van het immers beruchte geslacht van Kuinre, zou ik niet durven ontkennen. De Amsterdammers hadden vernomen, dat „upten huze tot Orck" vier zeerovers gevangen werden gehouden, en nu drongen ze er op aan, dat op die rovers de doodstraf zou worden toegepast, „om te verhoeden, dat zij ghien goede coeplude meer en beschadigen." In Amsterdam vreesde men blijkbaar, dat men op Urk met de rovers zou gaan „dinghen" en hen b.v. tegen een hoog losgeld vrij zou laten. Dat in den gevraagden vorm aan het verzoek van Amsterdam voldaan is, is mij niet gebleken. Wel schijnt Herman de schepen en verdere goederen der zeerovers in bezit te hebben genomen. Althans in het rapport van een commissie, die in 1659 op last van Amsterdam een onderzoek had in te stellen naar den staat van de heerlijkheid Urk en Emmeloord, werd dit vermeld: „Eenige zeeroovers gevangen sijnde ende op Urck gebracht wesende werden haere goederen aldaer geconfisqueert volgens seeckere brieven van die van Amsterdam eertijds aen de heer van Urck geschreven." Uit het nu volgende kan blijken, dat Herman (III) een goed regent geweest is, maar dan toch enigszins anders, dan het weieens wordt voorgesteld. Op Zaterdag 11 Mei 1415 kondigde hij het „landrecht" af, volgens hetwelk de heerlijkheid „Orck ende Emelweerde" zou worden geregeerd. Er schijnt zich hier te hebben herhaald, wat in 1385 in de heerlijkheid Kuinre was gebeurd. Overigens kan volstrekt niet gezegd worden, dat het Urkse recht een copie was van dat in Kuinre: het was meer typisch Hollands, behalve dan nog, dat er in tot uitdrukking kwam, dat de heer van Urk het hoge recht bezat. Het was daarbij, in onderscheiding van het Kuinderse recht, zeer logisch ingedeeld. Het is een uitvoerig stuk, dat nog in afschrift bewaard wordt in het Gemeente-archief van Kampen. Door historici is het belangrijk genoeg geacht, om het een- en andermaal te doen drukken. In 1687 is het, aangevuld met het „Naderrecht" van 1641, als het „Landrecht van Urk" gedrukt bij Casparus Cotius in Kampen. Ook in deel II van de „Verslagen en Mededeelingen van het Overijsselsch Genootschap" is het als het „Recht van Urk en Emmeloord" gepubliceerd. Het heeft dezen aanhef: „Ie Herman van Kuenre heer van Orck ende van Emelweerde..." 68


Het bevat de volgende bepalingen: 1. De schouten mogen niemand vangen, binden, laten gijzelen of goederen in beslag nemen zonder voorafgaand vonnis. Een dergelijke bepaling kwam ook voor in het Kuinderse recht van 1385. Ook op Urk schijnt er dus wel over geklaagd te zijn. Die eerste bepaling zegt al dadelijk, dat Herman wenste te sturen „in democratische richting". Ook de volgende bepalingen trouwens hebben iets vaderlijks en gemoedelijks, iets, dat uitnemend strookt met den volksaard. 2. Niemand mag gedaagd worden dan voor „het huis op Urk". Een toepassing dus van het jus de non evocando en allicht een correctie op het vroeger geldende recht van den „voogd" van Elten, om de bewoners voor zijn rechterstoel te dagen. De bepaling gold voor de gehele heerlijkheid. Door de bewoners van Emelweerd is er later wel tegen geprotesteerd, dat zij voor het huis op Urk konden worden geroepen. 3. Schouten, baljuwen of rechters, die tegen de voorschriften handelen, verbeuren hun post en hun staangeld. Schout en schepenen vormden de plaatselijke rechtbank. De schout trad op als eiser, de schepenen deden de uitspraak, of, zoals het toen heette, „wijsden vonnis". Men denke aan de nog voortlevende spreekwijze: „Wat de heren wijzen, moeten de gekken prijzen." Van de schouten op Urk deelt Commelin mede, dat het „van ouds" de gewoonte was, dat de schout bij de opening van het dorpsgerecht, dat voor het schoutshuis, dus in de openlucht gehouden werd, met een plechtig gebaar een driestal als zijn zetel plaatste. Hij tekende dan in de aarde een kruis, waarbij hij sprak: „Dit recht houde ik vooreerst van Gods wege." Bij het trekken van een tweede kruis heette het: „Ten tweede van 's heren wege", en bij het derde: „En ten derde van gemeente wege". Hoe weldoordacht was die volgorde. We kunnen gerust zeggen, dat die woorden van den schout de algemene overtuiging uitdrukten, dat God de bron is van alle gezag. Maar voor de opdracht van dat gezag kunnen mensen het middel zijn: hij hield zijn gezag „van 's heren wege", d.i. in opdracht van den heer van Urk. De derde uitspraak zegt ons, dat het gezag steun vond in de erkenning daarvan door „de gemeente". Het schoutambt omvatte heel wat meer dan het tegenwoordige burgemeestersambt. De schout fungeerde niet alleen als plaatselijke rechter, h\j was ook belast met het dagelijkse bestuur, waarvoor men toen het woord „politie" gebruikte. Voorts oefende hij met de schepenen het toezicht op den toestand van wegen en waterkeringen en had hij met de kerkmeesters de zorg voor alles, wat tot het kerken armbestuur behoorde. En ten slotte was hem nog opgedragen het werk, dat in onzen tijd door een notaris gedaan wordt. 69


De inkomsten van den schout bestonden in een klein vast traktement, een aandeel in de door de schepenen opgelegde boeten en in de opbrengst van vondgoederen. Verder genoot hij, evenals de schepenen, presentiegeld van iedere uit zijn ambt voortvloeiende handeling. Een baljuw of kastelein was een hogere rechter. Evenals de schout trad hij in de rechtszitting, die op Urk steeds voor „het huis" moest plaats hebben, als eiser op. De personen, die hem ter zijde stonden en vonnis wijsden, heetten geen schepenen, maar mannen. Het baljuw- of kasteleinambt is in lateren tijd onvervuld gebleven. De heer handelde toen rechtstreeks met de schouten, een op Urk en een op Emelweerd. Staangeld of recognitie was de som gelds, die een ambtenaar bij zijn aanstelling te storten had als waarborg tegen onrechtmatige handelingen. 4. Niemand mag zonder zijn weten borg worden gesteld. Dat moet dus ook voorgekomen zijn, en het gebeurde dan natuurlflk door den schout of den baljuw. 5. Binnen het jaar moet iedere aangebrachte zaak behandeld worden. Een bestrijding van de laksheid der rechters. 6. In alle dorpen zullen elk jaar op den Goeden Vrijdag of binnen acht dagen „goede rijke knapen" tot schepen worden aan gesteld en beëdigd, om een jaar zitting te hebben. Zoals men ziet, werd er verband gelegd tussen het kerkelijke feest en het politieke leven. Gelijk bij de bespreking van het ambtswerk van den schout blijkt ook hier, dat de terreinen van kerk, maatschappij en staat niet streng gescheiden werden gehouden. De leuze, dat de godsdienst privaatzaak en voor de binnenkamer was, werd toen nog niet aangeheven. Het kerkelijke was een bijbehorend deel van het menselijk leven. Later zullen we nog meer de gelegenheid hebben, dat op te merken. Aan de beëdiging van de schepenen is op den duur niet de hand gehouden, zodat ze zelfs geheel in onbruik geraakte. Knapen waren eigenlijk edelen, die nog niet tot ridder waren geslagen. Hier zal het woord een meer algemene betekenis hebben gehad. Overigens scheen deze bepaling niet zeer democratisch, maar in gezonden zin was ze het toch wèl. Immers de bedoeling was, rechters te verkrijgen, die van anderen onafhankelijk waren, en dat kon niet anders, dan de rechtvaardigheid van hun vonnis bevorderen. 7. De in een rechtsdag aangebrachte zaak moet uiterlijk in de vierde zitting beslist worden; anders wordt de betichting „kiet", dat is: vervalt de aanklacht. 70


8. De baljuw mag de rechtsdagen niet willekeurig verzetten. Zo volgen nog dertig bepalingen. De laatste luiden: 33. Als de rechter op iemands goed beslag wil leggen of iemand boeten tegen den heer belopen heeft en er geen schepenen bij de hand zijn, kan de rechter de hulp inroepen van twee te goeder naam en faam bekend staande buren. 34. De accijns van een vat bier of wjjn is een Vlaamse groot. Kraambier is vrjj. Kraambier diende voor de tractatie bij de geboorte van een kind. De feestelijkheden, die daarbij plaats hadden, ontaardden op den duur en maakten nieuwe voorschriften nodig. 35. Goed van weeskinderen mag niet verkocht worden dan ten overstaan van de vertegenwoordigers der vier delen. Met de vier delen zijn denkelijk de vier grootouders bedoeld. 36. De uitspraak van heemraden op den djjk geldt voor recht. 37. Komt iemand tegen de uitspraak van schepenen in beroep, zo zal de baljuw met zijn mannen uitspraak doen. Worden de schepenen in het ongelijk gesteld, zo verbeuren ze 10 pond. In het andere geval de appellant. 38. Goed verstand, zonder bijbedoeling gebruikt, geeft het beste recht. Deze laatste, gemoedelijke, uitspraak getuigt ontegenzeglijk van wijs inzicht. Het slot van het stuk luidt aldus: „Ende want ick Herman van Kuenre, heer van Orck ende van Emelweerde vorsz., wil, dat alle deze voersz. punten ende rechten staede ende vast ende onghebroecken blijven zullen, voer mij ende voer mijn nacomelingen, den bueren van Orck ende van Emelweerde, so heb ick mijnen seegell beneden aen dessen openen brief gehangen tot eenre vaste oerconde. Gegeven int jaer ons Heeren duysent vier hondert ende vjjftien des saterdaeges na onser Heeren hemelvaertsdach." Die voorschriften zijn de grondwet geweest, waarnaar Urk eeuwenlang is geregeerd. Aan de bepalingen, die het strafrecht regelden, is wel te zien, dat „het mijn en het dijn" ook toen in het mensenleven een groten invloed oefenden en dat de tijden, of liever de mensen toen ruw waren en in den omgang hardhandig konden optreden. Door boetelijsten van 200 jaar daarna wordt het nog bevestigd. 71


Daarnaast moet het ons ook treffen, dat in wat wij soms „de donkere middeleeuwen" noemen het openbare leven reeds zo nauwkeurig geregeld was. Naast de voorschriften, die voor de heerlijkheid in haar geheel golden, zijn, althans in lateren tijd, ook plaatselijke verordeningen gegeven, op Urk o.a. met het oog op de Zondagsrust. De eeuwen na Herman (III) hebben erkend, dat hij een goed regent is geweest. Dat hij ook een practisch en vooruitziend man en een liefhebbend echtgenoot was, bleek nog in hetzelfde jaar 1415. In een stuk van 21 September, in afschrift voorkomende in „Reg. nov. vas." III, hebben wij er het bewijs van. Boven dat afschrift is deze titel geplaatst: „Joncfrou Oede van Wilpp Harmans wiif van Kuenre." Graaf Willem VI gaf daarbij de goedkeuring en de bevestiging van het weduwenpensioen („duwarie ende lijftochte"), dat Herman aan zijn vrouw, Oede van Wilp, vermaakt had. Haar werd na het vooroverlijden van haar man en voor haar leven toegezegd de „thinze van Emelwairde ende der monniken lant op Orck." Tins of tijns was de vaste jaarlijkse som, die het oude tiendrecht op het landbouwbedrijf in vele gevallen vervangen had. Bij den tins op Emelwaard denke men aan de landerijen aldaar, die in 1404 afzonderlijk aan Herman (II) beleend waren en bij diens dood op zijn zoon Herman (III) blijken te zijn overgegaan. Boven heb ik reeds opgemerkt, dat de ligging van het Monnikenland op Urk niet bekend is. Oede van Wilp heeft wel van de duwarie kunnen profiteren: ze is pas overleden in 1459, 21 jaar na haar man. Op 31 Mei 1417 legde graaf Willem VI voorgoed het hoofd neer. De daarop volgende tijd was in ons vaderland vol woeling en onrust, waarvan ook Urk niet verschoond gebleven is. Het werd weer een toestand als twintig jaar te voren. De Zuiderzee wemelde weer van roofschepen onder verschillende vlag. Er was toen ook weer een zekere Jan van Orck, die op eigen gezag vrijbuiterde en zonder keur menig handelsvaartuig besprong. Er werd dan ook van alle kant op hem geloerd. Het leek hem daarom het veiligst, zich althans van één zijde tegen aanvallen te waarborgen. En zo verkreeg hij op 22 Maart 1422 van Jan van Beieren een soort officiële aanstelling als kaper. Jan van Beieren „consenteerde allen dengenen, die Jan van Orck op zijn vijanden dienen wouden, dat sij dat doen mochten sonder dair an te verbueren, behoudelic, dat sij mijns heren ondersaten niet misdoen en souden." De kaperij legde Jan van Orck blijkbaar geen windeieren, want in 1437 en '39 deed een burger van Kampen, die als Jan van Urk en Johan van Urk staat aangegeven, in die stad aankopen, die alleen 72


een welgesteld man zich zou kunnen veroorloven. Ik veronderstel, dat deze dezelfde was als de zeerover. In 1438 overleed Herman van Kuinre. Behalve zijn weduwe, Oede van Wilp, liet hij een enig kind na, een dochter Alijt heette zij.

73


Alijt van Kuinre. (1438-1476)

Het leven van Alijt van Kuinre, de eerste vrouw, die over Urk geregeerd heeft, was één lange tragedie. Reeds op 17 Maart 1438 werd zij door Filips van Bourgondië met de heerlijkheid Urk en Emelweerd beleend. Zij werd daarbij vertegenwoordigd door Evert van Wilp, waarschijnlijk een „tantezegger" van haar moeder, Oede van Wilp, en dus Alyts neef. In den verlijbrief werd hij genoemd haar „wittachtige mombaer", d.i. haar wettige voogd of beschermer. De landerijen op Emelweerd, die in 1404 afzonderlijk aan haar grootvader in leen waren gegeven en waarvan haar moeder levenslang den tins zou genieten, werden alle afzonderlijk in den verlijbrief opgenoemd, zoals dat in het vervolg steeds gebeuren zou. Alleen in de getallen van de percelen kwam meer dan eens verandering, een gevolg van verkeerd afschrijven: de vorige leenbrieven werden door de klerken van de Leenkamer maar nageschreven. Aan het slot van den nieuwen leenbrief werden ,,de goede luyden gemeynlic (gezamenlijk) van Oerck ende van Emelwairde" vermaand, om Evert van Wilp hulde en onderdanigheid te bewijzen. Hij zal opgetreden zijn als Alijts kastelein in de heerlijkheid. Het waren ook nu donkere en onstuimige tijden. In 1436 en '37 was het land geteisterd geweest door „duren tijd en hongersnood." De nood was toen zó hoog gestegen, dat een rijm uit dien tijd zegt: Men mogt int zelfde jaer zien van menschen op ter eerden, Datter veele waren, die begeerden, Haer kinderen te sterven die bittere dood. Want den honger was doe also groot, Een roggen brood moest 3 pond wegen, Daer moest men 4 groot en een half om geven. Een schepel rogge was harde diere (zeer duur): Men kogt het om een gouden rierre (rijder). Dit was de menschen zwaer te lijden, God moet ons allen tsaem verblijden. 74


Hoe zal ook Urk de gevolgen daarvan hebben gevoeld! Rogge was er eeuwenlang het voornaamste broodvoedsel. Met „een brood" bedoelt men er nog: een roggebrood. De wrijving tussen de afzonderlijke Nederlandse gewesten duurde met onverminderde kracht voort. Zelfs het localisme vierde hoogtij. In den belangenstrijd werd de zeeroof nog altijd gebruikt als argument. En voor dien roof scheen de Zuiderzee wel het uitverkoren gebied. Er behoorde voor de jonge Alijt inderdaad moed toe, om in zulk een tijd het bestuur te aanvaarden over een heerlijkheid, die midden in het terrein van voortdurende vijandelijkheden lag. Maar misschien kon ze niet anders. En ik kan helaas niet zeggen, dat de ongunstige voortekenen, waaronder ze haar regering begon, door betere tijden zijn gevolgd. In 1442 trad ze in het huwelijk met Evert Freyse van Stroewijck (spreek uit: Stroowijk). Het geslacht Freyse, Vreze, Vrieze of Vriezen (in het schrijven van namen was men toen zeer onnauwkeurig, gelijk we weten) was van ouden en voornamen adel en had zijn bezittingen in het gebied van den bisschop. Een nieuwe opdracht van de heerlijkheid Urk en Emèlweerd was nu nodig geworden. Die had dan ook plaats op 28 December van dat jaar. Nadat in den nieuwen verlijbrief de leenpercelen waren opgesomd, volgden deze woorden: „Ende hier voir heeft ons hulde ende monscip gedaen Evert Vreze van Stroowijck, hoir geëchten man ende voicht" .............. „Ontbieden dair omme ende bevelen allen den inwonenden ondersaten ende goeden luden gemeynlic van Oerck ende van Emelwairde, dat sij den voirsz. Evert Vreze van Stroowijck als voicht ende geëchte man van joncfrou Alijt van Kuynre voirsz. ontfangen ende aannemen voir horen here ende him sulke ede, hulde, onderdanicheyt ende alles doen". (Register „Alpha" 1440-1447; in het Algemeen Rijksarchief). Reeds 15 Juni 1443 vermaakte Alijt aan haar echtgenoot, onder goedkeuring van den leenheer, Filips van Bourgondië, een „duwarie ende lijftocht". Als zij, zo werd bepaald, vóór haar man „of livich" werd, d.i.: voor haar man overleed, zonder dat er kinderen uit hun huwelijk waren, zou hij alle inkomsten uit de heerlijkheid blijven trekken met uitzondering van de duwarie, waarop Alijts moeder recht had. Waren er bij Alijts dood wél kinderen, dan bleef voor hem de helft van de inkomsten. Met deze vermaking is enerzijds vast te stellen, dat de inkomsten uit de heerlijkheid Urk en Emèlweerd toch nog wel van enige betekenis waren, en anderzijds, dat Evert Vreze van Stroewijck niet 75


meer tot den rijken adel behoorde, al werd er in de huishouding nog een voorname staat gevoerd. Aljjt van Kuinre toonde hier, gelijk later opnieuw, dezelfde zorgzaamheid, die haar vader indertijd tegenover haar moeder bewezen had. Het geeft ons een goeden indruk van het familieleven. Intussen waren de inkomsten uit de heerlijkheid en uit andere van hun bezittingen op den duur niet voldoende voor hun groeiend gezin. Dat schijnt wel heel sterk te blijken uit wat ik zou willen noemen hun wanhoopsbesluit van 1455. Tot nog toe namelijk hadden ze trouw, gelijk hun „voorgangers en voorouders", elk jaar de 4y2 Franse kroon tinsgeld opgebracht aan het klooster te Elten, daarmee erkennende, dat het klooster er recht op had. Maar in 1455 bleven ze nalatig in de betaling van den tins, onder voorgeven, dat ze de heerlijkheid in leen hadden van „de grafelijkheid van Holland". Dit laatste was, wat het feit betreft, los gedacht van de vraag naar de rechtmatigheid er van, natuurlijk juist; maar daardoor werden toch in geen geval de rechten, met name de maatschappelijke rechten, die het klooster sinds 968 op Urk bezat, opgeheven. Het kloosterbestuur bleef dan ook op betaling aandringen. Toen alle aanmaning evenwel zonder gevolg bleef, diende het een klacht in bij den pauselijken stoel. Niet de wereldlijke, maar de kerkelijke rechter werd te hulp geroepen, en de adviseurs van het klooster wisten daarbij heel goed, wat ze deden. Het klooster was immers, door de in 973 verleende immuniteit, onttrokken aan het wereldlijke recht en gesteld onder de directe bescherming van den pauselijken stoel. Gemakkelijker werd het daardoor voor Alijt en haar man niet. Het kerkelijke recht kon voor den onwillige nog meer dwingend optreden dan het wereldlijke. Ten eerste immers kon het gebruik maken van den kerkelijken ban, die voor kerkelijk vrome mensen het verschrikkelijkste was, dat hun overkomen kon. Ze waren daarbij tot in hun sterven verstoken van alle „genademiddelen" der kerk, en hun begrafenis in „gewijden" grond was uitgesloten. Maar dan was er in de tweede plaats ook nog de leer van de twee zwaarden. Paus Bonifacius VIII had in 1302 in zijn bul „Unam Sanctam" verklaard, dat het wereldlijke zwaard aan het kerkelijke zwaard ondergeschikt was en dat dus de burgerlijke overheid de straffen, door den kerkelijken rechter opgelegd, had te erkennen en uit te voeren. Daardoor kon iemand door een uitspraak van den kerkelijken rechter zelfs in zjjn stoffelijke bezit worden getroffen, ja zijn leven verliezen. Al behoefde nu voor deze laatste maatregelen geen vrees te bestaan, de lezer beseft nu toch wel, dat de aanklacht bij den pauselijken stoel de zaak hoogst ernstig maakte. De pauselijke rechtbank, onmiddellijk het recht van het klooster erkennende, gaf den deken van Zutphen in last, om „Aleydis van Cuynre" tot betaling van den tins te dwingen. En toen plaatste de 76


deken het gezin Freyse - van Cuynre onder den kerkelijken ban ....... Hoe diep beschamend was dat voor de kerkelijk vrome bewoners van „Clein Vresenberch". Ze zwichtten dan ook en betaalden het verschuldigde. Toen werd de ban opgeheven. Dat de tijden, ondanks telkens opkomende moeilijkheden, vooruitgingen, en met name de handel, bij alle twisten en zeeroverijen, zich uitbreidde, kan o.a. blijken uit het privilegie, dat Filips van Bourgondië in 1452 aan Amsterdam verleende, toen het voor meer dan de helft verbrand was. Er is daarbij sprake van niet minder dan 60 tonnen, die Amsterdam in de Zuiderzee en in de Noordzeegaten als bakens gelegd had en van kapen en vuurtorens, die voor rekening van de stad waren opgericht op Huisduinen, Tessel, Vlieland en Terschelling. Urk wordt niet genoemd, omdat daar in dien tijd nog geen vuurtoren of kaap stond. Overdag diende de kerktoren van Espele als richtingwijzer voor voorbijvarende schepen. De stad Hoorn wees voor de tweede maal den weg naar den vooruitgang. In 1416 was daar het eerste grote haringnet gebreid, natuurlijk voor de visserij in de Noordzee, en in 1460 werd er het eerste karveelschip gebouwd, een snelzeilend vaartuig, zoals onze varende kooplieden in Spanje en Portugal gezien hadden. Mogelijk is het een of het ander voor ondernemende vissers of vrachtvaarders van Urk, zoals die er altijd geweest zijn, een aanleiding geweest, om tot uitbreiding van het bedrijf over te gaan. Althans op één punt bleef Urk niet achter in den vooruitgang. Denkelijk was Espele, in het westen, ten gevolge van het wegslaan van land, nog de enige nederzetting. Maar het begin van een nieuw dorp is er vermoedelijk al geweest in de richting of misschien wel in de onmiddellijke omgeving van „het huis", dat aan de oostelijke afhelling van den Berg zal hebben gestaan. Ik zoek de plaats van „het huis" in dat deel van het huidige dorp, dat tegenwoordig nog als de Jodenhoek bekend is. In 1461 kreeg de toren van „de eilandskerk", staande in Espele, een luidklok". Een simpel feit ongetwijfeld, maar dat toch niet zonder betekenis moet worden geacht. Het houten torentje bij de kerk moest natuurlijk van een stevigen klokkestoel worden voorzien en misschien wel geheel worden vernieuwd. De kosten voor een en ander zullen uit vrijwillige bijdragen bestreden zijn. Ontegenzeglijk een gunstig teken voor het moreel der bevolking. De dikwijls genoten voorspoed, zijdelingse winst van den Hanzehandel, had blijkbaar niet doen vergeten, dat „de mens bij brood alleen niet leven zal." Daartegenover hadden de ook op Urk bijwijlen gevoelde tegenslagen en de druk van velerlei beroering den moed en de veerkracht niet gebroken. Zo zegt dat simpele feit van het aanbrengen van een luidklok meer van de geschiedenis van Urk zelf, dan de meest uitvoerige verlijbrief. .................................

77


De grootste middellijn van de klok was slechts 90 centimeter. Het historisch feit werd door dit randschrift verkondigd: + cunte michael + aelbert wiicsoen heinriic bolensoen kercmesteren deden mi maken + M CCCC LXI + Met de reeds vroeger genoemden behoren deze twee, Aelbert Wiicsoen en Heinriic Bolensoen tot de weinige Urkers, die we uit den tijd der middeleeuwen bij name kennen. Natuurlijk is het ook mogelijk, dat de klok niet voor Urk zelf gegoten is en dat ze later van een andere plaats is overgenomen; maar het getal van slechts twee kerkmeesters doet mij aannemen, dat zij inderdaad voor Urk gemaakt is. Dat de naam van die kerkmeesters een goeden klank heeft, is eeuwenlang door de klok zelf verkondigd, als ze de gelovigen ter kerke riep of de uitvaart der doden luidde. Er zijn geweldige stormen, in letterlijken en figuurlijken zin, over haar heen gegaan; door herhaalde watervloeden heeft ze het eiland al kleiner en kleiner zien worden en eenmaal moest zij zelve uit de zee worden opgevist; maar nog hangt ze, ofschoon in 1936 wegens een barst in haar wand omgegoten, in het torentje bij de tegenwoordige Hervormde gemeente op Urk, en nog heeft ze een ruim aandeel in de liefde van den Urker voor zijn geboortegrond. Cunte (lees: sunte) Michael of Sint-Michielsdag valt, gelijk we weten, op 29 September. Het was immers de dag, waarop „'s graven schot", de vaste jaarlijkse „bede", aan den heer moest worden voldaan. We weten ook, dat, althans sinds 1331, de heer het recht had, drie weken vóór en drie weken na 29 September op kosten der bevolking op Urk te verblijven.. Ik acht het daarom waarschijnlijk, dat vrouwe Alijt en haar man op Urk aanwezig waren, toen de pastoor op den genoemden datum de klok door het bestrijken met het „hillige chrisma" „inwijdde". Omtrent dat „heilig chrisma", de kerkelijke zalfolie, kan worden opgemerkt, dat de pastoor van Urk niet zelf het recht had, het te maken of te mengen. Volgens een verordening van den bisschop moest hij het halen en kopen bij den pastoor van Kampen, die voor de omgeving van Kampen den alleenverkoop had. Voor dezen pastoor was die verkoop zulk een betekenende bron van inkomsten, dat de raad van Kampen er rekening mee hield bij het bepalen van het pastoorstraktement. Hadden de Urkers misschien Sint Michael (men vergelijke Daniël 10 en 12, Judas vers 9 en Openbaring 12) tot beschermheilige? Zo ja, dan hadden ze, van hun godsdienstig standpunt beoordeeld, geen beteren kunnen kiezen dan dien „strijdbaren held". In 1459 had vrouwe Alijt haar moeder, Oeda van Wilp, door den dood verloren. De inkomsten uit de duwarie van haar moeder, bestaande in den tins van het Monnikenland op Urk en van de landerijen op Emelweerd, vloeiden sindsdien rechtstreeks in de kas van Alijt. Bovendien had bisschop David van Bourgondië (een bastaard78


broeder van Filips) haar beleend met enige goederen, die haar moeder in leen had gehad. Een en ander gaf Alijt wel enige vermeerdering van inkomsten, maar het kon niet wegnemen of verminderen het leed des levens, dat haar voor en na en telkens opnieuw trof. Ze had haar man minstens vier kinderen geschonken: Jan, Adriaan, Hendrik en Hermanné. Van Adriaan is bekend, dat hij huwde met Hadewich van IJsselstein van den Bosch. Ze kregen een dochter, die, naar haar grootmoeder, Alijt genoemd werd. Ook Hermanne trad in het huwelijk, want in 1475 was ze weduwe en had toen een zoontje Hendrik. Welnu, vrouwe Alijt heeft door den dood zien wegnemen (de volgorde is mij niet bekend): haar zoon Jan, haar zoon Adriaan en diens vrouw Hadewich, haar zoon Hendrik en den echtgenoot van haar dochter Hermanne. Haar kleindochtertje Alijt kwam onder haar zorg. Toch was met dat alles de beker van haar lijden nog niet gevuld. Uit de vaderlandse geschiedenis weten we, dat Filips van Bourgondië, immers Alijts leenheer, in 1467 stierf en opgevolgd werd door zijn zoon, bekend als Karel de Stoute. Nu heb ik nergens kunnen vinden, dat vrouwe Alijt naar den eis der beleningsrechten dezen nieuwen leenheer „hulde en monscip" gedaan heeft en zich daarmede in het leen heeft laten bevestigen. Was zij daarvoor te zwaar door het leed getroffen ? Of was het gezin toen reeds zo zeer in schulden geraakt, dat zelfs de uitgaven voor de hulde en monscip er niet af konden ? Of met haar verzuim in verband stond, wat in 1470 gebeurd is, weten we niet. Laat ik dit vertellen met de woorden van Gerard Brandt, die de historie van Enkhuizen beschreven heeft (uitgegeven in 1666 en in 1747). Omdat de hoofdpersoon in het nu volgend citaat een Enkhuizer is, willen we den langen aanloop voor lief nemen. „Gedurende de regering van Karel leefde er te Enkhuizen Gerrit Entszoon, burgemeester, in de Hollandse kroniek een vermaard en sterk man genoemd. Deze werd van wege zijn vroomhartigheid en deugden door den hertog zeer hoog geacht, begunstigd en vertrouwd. Hertog Filips had hem ridder geslagen. Men verhaalt, dat hij den hertog, op zekeren tijd in zijn boomgaard te Enkhuizen zijnde, enige peren bij hem geplukt en geschild, aanbood, die door den vorst aangenomen en terstond gegeten werden, tot verwondering van de hovelingen, die den landsheer vroegen, of hij geen vergif vreesde. Maar de hertog gaf hun te kennen, dat hij den Enkhuizer ten volle vertrouwde en wel wist, dat er geen bedrog in hem stak, dat er ook nooit verraad uit zijn kwartier was gesproten. In het jaar 1469 zond hertog Karel hem met een betamelijken staat naar Friesland, om de Friezen van 's heren wege gehoorzaamheid af te vorderen. Hier werd hij met grote eer ontvangen en bracht teweeg, dat er naderhand gezanten aan den 79


hertog gezonden werden; doch de bezending liep vruchteloos af, gelijk ook twee bijeenkomsten, die sedert te Enkhuizen gehouden zijn. 't Gebeurde daarna, dat hertog Karel hem de stad Zierikzee in handen gaf, om dezelve te straffen naar zijn wil en zo veel geld af te nemen tot zijn voordeel, als hij begeerde. Daarop in de stad getogen en daar alles tot gehoorzaamheid en stilte gebracht hebbende, keerde hij tot den hertog, die hem vroeg, wat hij met Zierikzee had gedaan en wat zij hem gegeven hadden. Zijn antwoord was: Heer, mijn goed kan mij wel voeden; ik heb hun niet anders afgenomen dan de belofte, om u voortaan getrouw te zijn. Toen gaf hem de vorst de eilanden van Urk en Ens met Emeloort ................ " Tot zo ver Brandt. Den laatsten zin heb ik onderstreept. Tot goed verstand van een en ander maak ik enkele opmerkingen. Als het waar is geweest, dat ook Ens in de gift begrepen was, dan moeten er moeilijkheden met de stad Kampen uit voortgekomen zijn. Ik veronderstel, dat Brandt zich vergist heeft. De wijze, waarop Karel de Stoute de trouw van den rijken Enkhuizer beloonde (deze had den vorst voor diens kostbare oorlogen meermalen grote sommen voorgeschoten), was slechts één van de daden van willekeur, die de regering van den hertog hebben gekenmerkt. Alijt van Kuinre was toch nog altijd vrouw van de heerlijkheid Urk en Emelweerd. Of „kende" hij die vrouw niet, omdat zij „maar een arme vrouw was" en omdat zij in haar levensstormen verzuimd had, hem „hulde en monscip" te bewijzen ? Dan had de zaak in ieder geval eerst door het Leengericht moeten zijn behandeld. Brandt trouwens, die blijkbaar de bedoeling had, om den Enkhuizer in een gunstig licht te plaatsen, vestigt in zijn argeloosheid op nog een andere daad van willekeur van Karel de aandacht in wat hij vertelt van Zierikzee. In 1468 had de vorst van zijn onderdanen een zo zware oorlogsbede afgevorderd, dat o.a. in Hoorn en Zierikzee oproeren waren uitgebarsten. In de goede stad Enkhuizen niet: uit het kwartier van Gerrit Entszoon was nooit verraad gesproten; daar had men zich indertijd bij de partij van Jan van Beieren gehouden! Maar het opstandige Zierikzee mocht Gerrit Entszoon, die vice-admiraal van Holland was, straffen naar zijn wil en het zo veel geld afvorderen, als hij verkoos. Interessant, omdat het het eiland Marken betreft, is het, om nog een andere willekeurige daad van Karel den Stouten te vermelden. De willekeur van het weggeven van Urk en Emelweerd komt daardoor in te schriller licht. In 1234 had graaf Floris IV van Holland het eiland Marken voor de helft aan het klooster te Mariëngaard in Friesland geschonken ter beloning van den abt Sibrandus. Het klooster kocht er in 1251 van de gebroeders Persijn de andere helft bij. Het klooster zond er enige monniken heen, om het land te bewerken. Deze hebben toen 80


o.a. Monnikendam gesticht. In 1345 wreekte Margaretha van Hene gouwen zich op de Friezen voor het sneuvelen van haar broer Willem IV, door Marken aan het Friese klooster te ontnemen en het bij het domeingoed te voegen. Nu besloten de monniken van Mariëngaard in 1474, gebruik te maken van de schijnbaar gunstige verhouding tussen Karel en de Friezen en hun abt Wilhelmus naar Brussel te zenden, om te trachten, in hun rechtmatig bezit te worden hersteld. Het was wel moeilijk, om het geld voor zo'n lange reis bijeen te krijgen (er moesten zelfs landerijen worden verpand), maar eindelijk kon dan toch de abt, gewapend met den giftbrief van 1234 en den koopbrief van 1251, op reis gaan. In Brussel schijnbaar vriendelijk ontvangen, werd hij zelfs door den vorst aan tafel ge nodigd, maar - dronken gemaakt. Den volgenden dag ontnuchterd en zijn papieren missende, wilde hij bij Karel zijn beklag indienen. Op weg naar het paleis ontmoette hij Karel zelf, die hem na zijn mede delingen alleen -maar uitlachte........... Welnu, zulk een persoon was de vorst, die in 1470 de heerlijkheid in de Zuiderzee aan Gerrit Entszoon gaf. Ook deze speelde, volgens de eigen woorden van zijn verheerltfker en ondanks de bedoeling daarvan, geen mooie rol. Was het van dezen ridder ridderlijk gehandeld, dat hij het niet met edele verontwaardiging afwees, om langs dezen niet koninklijken weg in het bezit te komen van een heerlijkheid? Lachte het den schatrijken Enkhuizer, den vice-admiraal van Holland, zó toe, om achter zijn burgerlijken naam te kunnen laten volgen: „heer van Orck ende van Emelweerde?" Moest hij daarvoor een wapen laten maken, zó groot, dat het in de Zuiderzee van verre te zien was? Gerrit Entszoon heeft zich wèl gehaast, om van Karel de schriftelijke bevestiging van de gift te vragen, heeft zich later, na Karels dood, ook gehaast, om in het bezit te komen van een bevestiging, afgegeven door Karels dochter Maria; maar bij het Leengericht vervoegde hij zich niet. Begreep hij, dat de buit hem dan zou kunnen ontgaan ? Hij begaf zich in 1470 wel naar Urk, om de regering over de heerlijkheid op zich te nemen. Indien Evert Freyse van Stroewijck toen als kastelein op Urk is geweest, zal hij zeker niet zonder protest van de verandering hebben kennis genomen; maar hij zal geëindigd zijn met in bitterheid des gemoeds heen te gaan, om het slechte nieuws op „Clein Vresenberch" te brengen. Wat was er tegen de willekeur van zulk een leenheer uit te richten? Was berusten en afwachten voor de weerlozen, niet het verstandigst? Gerrit Entszoon liet op Urk zijn aanstelling afkondigen. Hij verving alle ambtenaren in de heerlijkheid door andere en beval, dat alle betalingen voortaan aan hem zouden worden gedaan. Enkelen pachters schold hij het grootste deel van hun schuld kwijt. De edele ridder vergat bij dit schoon gebaar, waardoor hij op Urk en Emelweerd ineens de man werd, blijkbaar, dat de oude schuld in 81


ieder geval niet door hem kon worden ingevorderd en dus ook niet door hem kon worden kwijtgescholden. Maar Gerard Brandt zet ook dat op het credit van den Enkhuizer. Hy vertelt het aldus:

„(Karel) zeide daarna bij hun eerste bijeenkomst: Wel, hoe is het, mijn knecht, hebt gij al wat ontvangen van de plaatsen, die ik u gegeven heb? Waar de ander hem met deze woorden op antwoordde: Zou ik, heer, van deze arme lieden, die in droefheid gezeten zijn, en waar ik medelijden mee heb, iets nemen? Sedert werd hem 's vorsten tafel geschonken voor al zijn leven. Hem was ook een treffelijk wapen gegeven, dat in de Zuiderzee plach te zien te zijn." Het wapenbord van Gerrit Entszoon hangt nog als „rouwkas" in de Westerkerk te Enkhuizen. Met dat alles was het onrecht niet goedgemaakt. Maar Gerrit Entszoon „was er nog niet". In de nu volgende jaren werden er op „Clein Vresenberch" geen vrolijke dagen doorleefd. Zelfs het gemis van de geringe inkomsten van Urk en Emelweerd werd goed gevoeld. En nochtans schijnt de familie althans de eerste jaren trouw den tins aan Elten te hebben opgebracht. Maar de schulden hoopten zich op. De glans der voornaamheid verbleekte .............. De stormen des levens schijnen Evert Freyse al te zeer te hebben aangegrepen: in 1475 was vrouwe Alijt weduwe. Wanneer haar man overleden was, weten wij niet. Te verwonderen is het niet, dat de arme edelvrouwe, financieel en moreel geknakt, na het sterven van haar man opnieuw in gebreke gebleven is, om den tins aan het klooster te Elten te betalen. Nu was er althans deze reden bij gekomen, dat zij uit de heerlijkheid geen inkomsten meer trok. Van de zijde van het klooster zal het wel niet aan aanmaningen ontbroken hebben, maar tot betaling kwam vrouwe Alijt niet. En zo kreeg zij dan bericht, dat de zaak voor de pauselijke rechtbank was gebracht. In haar nood wendde ze zich - het was denkelijk niet voor den eersten keer - tot haar verren, rijken verwant Evert Zoudenbalch, die eveneens in Utrecht woonachtig was. Hij was dijkgraaf van den „Lekdam overdams"; maar, wat meer zegt, hij bekleedde hoge kerkelijke ambten: hij was proost van de Sint-Servaeskerk te Maastricht, kanunnik van de domkerk te Utrecht en 's bisschops vertegenwoordiger in Holland. Niet alleen in het land zelf, maar ook in het buitenland oefende hij groten invloed, en eenmaal werd hij in Duitsland zelfs met een belangrijke pauselijke zending belast. Vermoedelijk had hij het gezin in „Clein Vresenberch" reeds eerder geldelijken steun en geestelijken bijstand verleend; maar om 82


Alijt tegen de willekeur van een Karel den Stouten in haar rechten te doen herstellen, dat had hij niet gekund, en om de nu weer dreigende pauselijke berechting ai te wenden, daartoe was zyn invloed niet voldoende. Eén uitweg scheen Alyt over te blijven. Na overleg met Evert Zoudenbalch besloot zij, ten behoeve van hem afstand te doen van haar recht op de heerlijkheid Urk en Emelweerd. Hij zou de daaraan verbonden en daaruit voortvloeiende verplichtingen geheel op zich nemen, en zij zou door de te ontvangen koopsom en andere voordelen geholpen zijn. Onverwijld wendde zij zich toen tot het „Leengericht van de graeflicheit van Hollant." De Leenkamer, die natuurlijk wel wist, wat er in 1470 gebeurd was, erkende haar rechten ten volle en was haar geheel ter wille: een lichtpunt in de duisternis. Nadat de nodige voorbereidingen getroffen waren, ontving vrouwe Alijt de uitnodiging, om met haar voor deze zaak gekozen voogd en met haar dochter Hermanne, haar enig overgebleven kind, op 17 December 1475 voor het Leengericht te verschijnen. Zo geschiedde. En zo hoorden de beide vrouwen, ongetwijfeld in het weduwenkleed, de jongste met haar zoontje Hendrik bij zich, onder bijstand van Willem van Alendorp, Alijts neef, de volgende verklaring aan: „Wij (enz.) doen condt allen luyden, dat voir ons als leenmannen voirn, in properen persoin gecomen is joncfrou Alijt van Cuynre, weedwy Evert Vreyse van Stroowijc, ende heeft mit horen vrijen moetwïlle, wel bedacht ende voorsien, mit halm, mit hande ende mit monde ende vrólïker herten, om sonderlinge saken, hair dair toe porrende, ende om hair selven dair mede te behelpen, dairt hair van node is, mit Willem van Alendorp, haren neve ende gekoren voicht in deser sake, mijnen genadigen here, den hertoge van Bourgoignen ende grave van Hollant, opgedragen ende overgegeven ende quijtgescouden zonder yet meer dair an te behouden, tot behoef heren Everts" Zoudenbalch, proesst van Maestricht, alsulke leengoeden, als sij van de graeflicheit van Hollant te lien hielt ende hier na bescreven volgen, dats te weten: eerst die heerlicheit, hoege ende lage, van Orck ende van Emelwairde, mit den vervallen, opcomingen, renten ende mit allen anderen horen toebehoren." Hierop volgde de opsomming van de landerijen op Emelweerd afzonderlijk. Wordt in de door mij onderstreepte woorden niet een wereld van smart verborgen gehouden? In het vervolg van het stuk werd verklaard, dat ook Hermanne „oitmoedelic biddende" was, om „here Evert Zoudenbalch die voirsz. goeden te verlijen ende verlenen." 83


Er diende nu - om tot de zaak terug te keren - ook nog een formele verklaring te volgen, dat door de leenkamer aan het verzoek van joncfrou Alijt voldaan was en Evert Zoudenbalch dus met de heerlijkheid werd beleend. Die verklaring kwam inderdaad, nadat Gerrit, de broeder van Evert Zoudenbalch, in naam van dezen, door het afleggen van den eed van trouw, aan den leenheer „hulde en monscip" bewezen had. Evert Zoudenbalch zelf schijnt dat vanwege zijn kerkelijke positie niet te hebben kunnen doen. Was de meest dringende zorg nu ook van vrouwe Alijt weggenomen, het duurde nog bijna een half jaar, eer de stukken den hertog zelf ter goedkeuring konden worden voorgelegd. Men houde in het oog, dat hij, in den strijd met den hertog van Lotharingen en de Zwitsers, op het oorlogspad was. Zo vond de Leenkamer op 12 Juni 1476 gelegenheid, om Karels aandacht te vragen voor de zaken van de heerlijkheid Urk en Emelweerd. Vreemd genoeg gaf hij zonder bedenking zijn goedkeuring aan de hem voorgelegde en ongetwijfeld voorgelezen stukken. Hij verklaarde dus, dat aan het verzoek van Alijt van Kuinre, om de heerlijkheid over te dragen aan Evert Zoudenbalch, was voldaan. Waar bleef hij nu met zijn vriend Gerrit Entszoon ? De Leenkamer had hem in de stukken helemaal niet genoemd. Voor de Leenkamer bestond hij trouwens niet, al was zijn optreden natuurlijk niet onbekend gebleven. Maar waarom werd hij nu ook door zijn vorst verloochend? Het kan zijn, dat er inderdaad een andere gezindheid tegenover den vroegeren gunsteling uit sprak, omdat deze den laatsten tijd allicht niet meer zo scheutig was geweest, om den vorst in zijn waanzinnigen dorst naar macht en roem geldelijk te steunen. Want geld moest hij hebben, geld en manschappen. Bracht hij door zijn ongehoorde eisen zijn onderdanen niet bijna tot een algemenen opstand? Wat maalden daarom den berooiden vorst die twee eilandjes in de Zuiderzee? Op dezelfde dag bezegelde Karel nog twee andere stukken. In het ene werd vrouwe Alijt voor haar leven bevestigd in een „duwarie ende lijf tocht van hondert vijfentwintich Rinsche gulden siairs", door Evert Zoudenbalch aan haar te betalen uit de inkomsten, die de heerlijkheid hem zou opleveren. In het andere werd voor Alijts kleindochter, de ouderloze Alijt Freyse van Cuynre, een duwarie vastgelegd van „vijf ende tseventich Rinsche gulden siaers", eveneens door Evert Zoudenbalch te betalen, maar dan pas „na den dood van joncfrou Alijt van der Kuynre, horen oudemoeder." Aandoenlijke zorg van de „oudemoeder" voor het weeskind, niet waar? Vrouwe Alijt kon zich nu, naar zij hoopte, uit het publieke leven terugtrekken en met haar kleindochter, zij het ook van sobere inkomsten, rustig blijven wonen op den huize „Clein Vresenberch". Hoe lang zou haar rust duren?

84


Evert Zoudenbalch (1476-1495)

--Het geslacht der Zoudenbalchen had reeds in de 13-de eeuw tot de Utrechtse patriciërs behoord. Het was waarschijnlijk verwant aan de familie van Zwieten én, zoals ik reeds zei, aan de familie van Kuinre. Evert of Everhard Zoudenbalch was een van de meest bekende en geëerde vertegenwoordigers van de familie. Bij bisschop David van Bourgondië, bij Karel den Stouten en althans gedurende zekeren tijd bij Maximiliaan en Maria, stond hij in hoog aanzien. In den verlijbrief voor Urk en Emelweerd werden de bewoners vermaand, om heer Evert Zoudenbalch „te ontvangen en te eren, zoals goede onderdanen schuldig zijn te doen." Jawel, maar Gerrit Entszoon voerde er nog altoos ongestoord den scepter. En de bewoners beklaagden zich ganselijk niet ........... Het eerste, dat Evert Zoudenbalch dus te doen had, was, zijn recht tegenover den indringer te verdedigen en hem te verwijderen of te doen verwijderen. Van den beginne af beproefde hij dat te bereiken langs den gerechtelijken weg. Juist iets voor den berekenenden Evert Zoudenbalch. Van Karel den Stouten - hoe kon dat ook anders? - kreeg hij de vergunning, om de zaak te brengen voor het parlement te Mechelen. Met den vorst ging het daarna van kwaad tot erger. Reeds tien dagen na de bezegeling van den verlijbrief voor Evert Zoudenbalch leed Karel bij Murten een tweede zware nederlaag, die hem geheel tot vertwijfeling bracht. En op 5 Januari 1477 vond hij bij Nancy in den strijd tegen de Zwitsers den dood .......... Zijn 20-jarige dochter Maria, zijn enig kind, volgde hem in de regering op. Ridder Gerrit Entszoon, zich niet storende aan de uitspraak van het Leengericht, had de stoutheid, om niet te zeggen: de grofheid, om zich gewapend met den persoonlijken giftbrief van Karel, naar het hof te spoeden, ten einde van de jonge vorstin de bevestiging van de gift te verkrijgen. En in haar onnozelheid gaf zij die. Het is niet te zeggen, of dit nog vóór, dan wel na haar huwelijk 85


met Maximiliaan, den aartshertog van Oostenrijk, is gebeurd. Ik denk, dat het eerste het geval is geweest. Maar het heeft Gerrit Entszoon toch niet gebaat. De aanklacht, door Evert Zoudenbalch tegen hem ingediend, verkreeg weldra effect. Toen het parlement te Mechelen gesloten was, werden partijen opgeroepen voor den groten raad aldaar, en deze verwees de zaak voor nader onderzoek naar het hof van Holland. Deze rechtbank kwam tot de volgende uitspraak: Gerrit Entszoon had de leenbrieven buiten de Leenkamer om en dus „subreptievelijk", d.i. langs onbehoorlijken weg verkregen; die leenbrieven werden dus herroepen; Gerrit Entszoon werd veroordeeld tot betaling der gerechtskosten en tot een „eeuwig zwijgen". Met dit laatste bedoelde het hof natuurlijk, om de nagedachtenis van Karel en de eer van de jonge vorstin te ontzien. Gerrit Entszoon, dit laatste niet kunnende of willende inzien, verweerde zich met de opmerking, dat hij als blijk van waardering voor zijn trouwe diensten, van hertog Karel de heerlijkheid had ontvangen met alle voordelen, schoutambten en emolumenten; dat vrouwe Maria de gift bevestigd had en dat hij daarom voor zijn rechten zou blijven opkomen. Hij streed evenwel voor een verloren zaak. Toen de zaak bij den groten raad van Mechelen teruggebracht en de uitspraak van het hof getoetst was, werd beklaagde definitief in het ongelijk gesteld en tot betaling van alle gerechtskosten veroordeeld. Een afschrift van het uitvoerig stuk, waarbij nu niet Maria alleen, maar Maximiliaan en Maria beiden kennis gaven van dat laatste vonnis, berust in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag. Het is gedateerd 17 Februari 1478. Het proces had 13 maanden geduurd. Nog gaf Gerrit Entszoon zich niet gewonnen. Er was door de wijze, waarop hij over Urk en Emelweerd het bestuur had geoefend en die hem door zijn groten rijkdom volstrekt niet moeilijk was gevallen, tussen hem en de bewoners een band gelegd, die blijkbaar niet gemakkelijk viel te verbreken. Wanneer de Urkers en Emelweerders daarbij dachten aan de regeringsjaren van vrouwe Alijt, die zich door haar beperkte inkomsten niet zo'n royaliteit had kunnen veroorloven als de Enkhuizer, dan betreurden zij het nog meer, dat zij nu zo'n „goed heer" zouden moeten missen. Zeer weinigen immers is het gegeven, om bij de beoordeling van recht en onrecht niet in de eerste plaats bewust of onbewust hun eigen belangen in rekening te brengen. Toen het dan ook op Urk en Emelweerd bekend werd, dat men ook volgens de definitieve gerechtelijke uitspraak een nieuwen heer had gekregen, wekte dat een algemene teleurstelling en van de zijde der pachters zelfs een heftig verzet. „We betalen dien nieuwen heer geen cent", werd er gezegd. En Gerrit Entszoon beging de onvoorzichtigheid, hen in dat verzet aan te moedigen. Maar de proost was er de man niet naar, om zijn recht op te geven. Toen de pachters, trots zijn aanmaning, weigerachtig bleven, 86


diende hij bij het hof van Holland een klacht in over verzet tegen de uitvoering van het vonnis. Hij wist wel, wat hij deed, toen hij zijn aanklacht aldus formuleerde. Gewone weigerachtigheid in pachtbetaling kon hij als heer zelf berechten; immers hij bezat niet alleen de lage, maar zelfs de hoge rechtspraak in de heerlijkheid, waarbij ik doe opmerken, dal de verlijbrief van Evert Zoudenbalch de eerste is geweest, die het hoge recht ook over Emelweerd uitstrekte. Maar de weigerachtigheid betekende nu het krachteloos maken van het vonnis van het hof, en daarom liet hij het aan het hof over, om de uitvoering van het vonnis af te dwingen. Het hof bleef niet in gebreke. Den 14-den December 1478 gaf het een deurwaarder bevel, om zich naar Urk te begeven en tegen het verzet te waarschuwen. Elke pachter, die aan iemand anders dan aan Evert Zoudenbalch of diens gemachtigde pacht betaalde, zou beboet worden met 100 gouden leeuwen, onverminderd de verplichting, om toch de pacht aan den rechtmatigen ontvanger te voldoen. Op 19 Januari 1479 kwam de deurwaarder op Urk. Den volgenden dag werden de schout met het gehele „gerecht" en de „buren" samengeroepen, om het bevelschrift van het hof te horen voorlezen. Ook Gerrit Entszoon zelf was aanwezig. Vermoedelijk had hij vooraf van het hof een waarschuwing ontvangen. Hij zag nu, dat het menens was en deed in het openbaar afstand van alle rechten. Zelfs maande hij nu de pachters aan, om de schuldige pacht aan den nieuwen heer te betalen, terwijl hij er bij voegde, dat hij den proost „gebeden" had, voor zijn onderdanen een goedertieren heer te zijn. Zo bleef Gerrit Entszoon toch nog „de mooie man". Ook toen nog bleef een aanmerkelijk getal der bewoners van Urk en Emelweerd hardnekkig weigeren aan den nieuwen heer enige betaling te do^n of enige boete te betalen. Maar ook die nieuwe heer, die ontegenzeglijk het recht aan zijn zijde had, hield vol, en dat, gelijk te begrijpen is, op een forse manier. Hij had nu de „mysdadige, rebellige ende brueckige personen" in zijn heerlijkheid zelf te berechten; maar hoe? De huizen, die in 1381 en 1396 op Urk „getimmerd" waren ter bestrijding van den zeeroof, schijnen ter berging van gevangenen niet meer te hebben kunnen dienen. In ieder geval zullen ze, als ze er nog waren, sterk in verval zijn geraakt. Bovendien was het, in aanmerking genomen de algemene geestesgesteldheid der bevolking, zeker niet geraden, om een aanmerkelijk getal overtreders op Urk gevangen te zetten. Hij richtte zich nu tot zijn leenheren, Maximiliaan en Maria met de mededeling, dat er „bynnen mynre heerlicheit voele mysdadige, rebellige ende brueckige personen" waren, en dat „aldaar geen sloten noch gevangenissen" waren, waar hij ze „sluten ende houden" mocht. Hij verzocht daarom, dat hij die personen mocht laten gevangen zetten op enige andere plaats in Holland of West-Friesland. Ter verklaring voegde hij er aan toe, dat genoemde „broeckige (boeteschuldige) personen" nu dikwijls „ongecorrigiert" bleven en dat het 87


hemzelf „tot groten achterdele ende schade ende oic tot vermynderheit van justiciën" was. Het antwoord op zijn verzoek was naar zijn wens: 10 April 1479 werd de gevraagde vergunning verleend. Dat aan het recht, in deze vergunning vervat, ook door de latere heren is vastgehouden, bleek o.a. nog in 1659, toen een commissie, die van de Staten van Holland in opdracht had, een onderzoek in te stellen naar den staat van de heerlijkheid, aldus rapporteerde: De heer van de voorsz. heerlijckheden vermagh oock de delinquanten geapprehendeert onder de juridictie van Urck ofte Emloort met hechtenisse en gevangen te brengen en daer weder uit te haelen op soodanige plaetsen resorterende onders den hove van Hollandt als het hem gelieven sal sonder prejudicie van de voorsz. heerlijckheden." Maar zie, wat er toen gebeurde. Nadat enkele personen waren gearresteerd en naar een gevangenis in Holland waren gebracht, sloegen anderen, die hetzelfde lot konden verwachten, op de vlucht. Dat ging al heel eenvoudig. Ze behoefden zich maar naar het gebied van den bisschop, b.v. naar Kampen, te begeven, om buiten het bereik van den heer van Urk te zijn. Daarom vroeg deze aan bisschop David vergunning, om voortvluchtige „rebellige ende brueckige personen" ook in de landen van den bisschop te „besetten" en van daar naar een gevangenis in Holland of West-Friesland te voeren. Bij bisschoppelijke akte van 12 Juni 1480 werd ook die vergunning verleend. De mazen van het net schijnen toen klein genoeg te zijn geweest. De pachters zullen wel de een na de ander het verzet hebben opgegeven. Dat er zulke buitengewone maatregelen tegen moesten genomen worden, bewijst wel de verontrustende afmetingen er van. Een afschrift van de bisschoppelijke vergunning is te vinden in het ,£>wersorium van Bisschop David van Bourgondië" in het Rijksarchief te Utrecht. Nog in 1665 werd door het gerecht van Urk van die vergunning gebruik gemaakt. Was Evert Zoudenbalch alzo een streng heer voor de overtreders, hij heeft toch ook in denzelfden tijd zijn vaderlijke zorgen aan zijn onderdanen bewezen. Laat ik ook daarvan iets vertellen. De eenheid van allen, die van Nederlandsen bloede waren, was nog ver. Met het provincialisme en zelfs met het localisme op den troon deed een iegelijk, wat recht, of, juister gezegd, wat voordelig was in zijn ogen. In 1479 klaagde Kampen er over, dat „uitleggers" uit Harderwijk in de wateren der stad kwamen, om daar hun practijken uit te oefenen. Maar Kampen zelf verbood de vissers van Ens en Emelweerd, hun fuiken verder dan 10 roeden van hun eigen kust 88


in de richting van Kampen te zetten. Daar buiten waren de „stadswateren". Eenvoudig „het recht" van den sterkste. Van het voortdurend twisten tussen Hollanders en Geldersen, waarvan ook de Urker boeren en vissers de nadelen ondervonden, geeft Mr Johan Schrassert in „Hardervicum Antiquum", een uitgave van 1732, een merkwaardig verhaal. Ik geef het hier onveranderd weer. „Wanneer Gelderland onder voogden als in weduwschap zittende, door Catharina van Gelder en den bisschop van Munster bedreigd werd, hadden de visschers van Amsterdam die van Harderwijk in hun netten en vaart een- en andermaal beleedigd, 't welk dezen hun met gelijke handelingen vergolden. Niet lang daarna is een Harderwijker groot en rijkgeladen schip voor Enkhuizen ten anker gekomen, 'twelk de Amsterdammers op de aanzetting hunner visschers met een verzamelde menigte van schuitvolk in de haven van Enkhuizen overweldigd hebben, en getracht, met allen spoed naar Amsterdam te brengen. Doch de Enkhuizers, zich daarover zeer bezwarende, dat een schip, in hun haven liggende, van daar werd weggehaald, vielen met allen spoed en ijver op hen aan, zoodat die van Amsterdam hals over kop vielen uit het groote schip in het kleine, waarmede zij aldaar gekomen waren, en met hun gansche macht naar Edam roeiden. Die van Enkhuizen volgden hen van nabij en riepen hun na: Dieven! Zeeroovers! 'twelk de Edammers hoorende, schoten zij de Enkhuizers toe en vielen alzoo te zamen op de Amsterdammers, die zij overweldigden en ten deele doodsloegen, sommigen de handen en anderen de armen en beenen afhieuwen en alzoo buiten boord wierpen en de overigen binnen Enkhuizen in de gevangenis brachten." „Uit deze beginselen", zo ging de schrijver verder, „zijn de Gelderschen en de Hollanders in twist en oorlog verloopen, waarin die van Harderwijk en Elburg voornamelijk het hunne deden." Het werd een formele stedenoorlog, die - en dat is merkwaardig buiten de landsvorsten omging. Nu kwamen de vissers van Urk en Emelweerd met hun vangst veel te Harderwijk, terwijl de boter van de Urker en Emelweerder boeren op de markt in Elburg goeden aftrek vond. Maar gedurende den twist werden de bewoners van de twee eilanden door de Harderwijkers en Elburgers als Hollanders behandeld. Die van Elburg vooral lieten zich gelden. Het schijnt, dat de mannen van Urk en Emelweerd er voor het drijven van hun handel op buitengewone geldelijke eisen werden gesteld, en als die niet werden aanvaard, dan werd de „schade" op hun goed verhaald. We mogen aannemen, dat ook de eilanders bleven in den stijl van hun tijd en zich zo maar niet lieten „beschadigen". Ten slotte evenwel werd het zo erg met de repressaillemaatregelen der Elburgers, dat 89


de Urkers en Emelweerders de hulp van hun heer inriepen. Ze klaagden, dat ze te Elburg onrechtmatig „belast en beschadigd" werden. De heer was onmiddellijk bereid, om aan den roep om hulp van zijn onderdanen te voldoen. Op zijn verzoek richtte de regering van zijn woonplaats, Utrecht, zich met een klacht tot den raad der stad Elburg, „vruntlicken versoeckende ende begherende, dat de ondersaten der eylande van Orck ende van Emelwerd te Elborgh onbelast ende onbeschadicht sitten mochten." Dit schrijven zal te Elburg allicht enigen invloed hebben geoefend, maar in ieder geval maakte een wapenstilstand, voor den tyd van zes weken (13 October 1479—25 November van dat jaar) op verzoek der landsvorsten gesloten, een einde aan de molestaties. De Hollandse en de Gelderse steden beloofden daarbij „een oogluiking op elkander te water en een oogluiking op de vrouwen aan beide zijden te land." Werpt dat laatste geen bijzonder licht op de toenmalige wijze van oorlogvoeren? Toen de zes weken om waren, begonnen de vijandelijkheden opnieuw, en de Urkers en Emelwerders ondervonden in Elburg weer denzelfden last. Weer riepen ze de hulp van hun heer in. We kunnen ons voorstellen, dat dat verzoek om hulp hem weer zeer aangenaam was, juist omdat hij tegen de onwillige pachters zulke strenge maatregelen genomen had. Hij richtte zich 13 Februari 1480 met het persoonlijk verzoek tot de „Eersame ende wijsen Burgermeistren, Scepenen ende Rade der stat van der Elborch, onse bisonderen lieven vrunden", om zijn ,,ondersaten ongemoyet ende onbelast te willen laten." Hij vroeg er bij, „een guetlick bescreven antword te seynden." Die brief is lang bewaard gebleven in het archief der stad Elburg. Hij is het oudste der zogenaamde „Papieren Zoudenbalch", thans berustende in het Rijksarchief te Arnhem. Of hij de gewenste gevolgen heeft gehad, is niet bekend. Later meer van de Elburgers. Intussen heb ik nog niet meegedeeld, welken afloop de procedure had, die de pauselijke rechtbank tegen vrouwe Alijt begonnen was wegens het niet betalen van den tins aan Elten en waarvan Evert Zoudenbalch de gevolgen op zich genomen had. Die procedure was in den pas door mij beschreven tijd nog niet geëindigd. De abdis van het klooster te Elten was in 1475 gestorven, en eerst in 1476 werd door bisschop David uit de twee naar den post dingende kanonikessen aangewezen Elsa van Dun of van Duyn, tot nog toe schatmeesteres van het klooster. Met deze Elsa van Duyn, een vrouw, even doorstastend als Evert Zoudenbalch, kregen nu Alijt van Kuynre en hij te doen. Paus Sixtus IV had de zaak ter berechting opgedragen aan den 90


deken van Sint-Maarten te Emmerik. Zo kreeg dus vrouwe Alijt kort na de overdracht van de heerlijkheid bevel, om voor het gerecht van dien deken te verschijnen. Maar de arme jonkvrouw was toen, zeker als gevolg van het doorgestane leed, al twee maanden ziek. Tegen den oproep ging ze, ongetwijfeld op advies van Evert Zoudenbalch, in appèl bij den pauselijken stoel zelf. Daarbij zal ze ook hebben meegedeeld, dat haar rechten op de heerlijkheid Urk en Emelweerd 12 Juni 1476 waren overgegaan op Evert Zoudenbalch. Jonkvrouw Elsa van Duyn, van het appèl in kennis gesteld, verzocht toen den paus, de zaak te doen behandelen door mannen uit de streek zelf. Zo trad ten slotte - het was reeds het voorjaar van 1479 geworden - als hoofdrechter op Johannes Moer, scholaster en kanunnik te Xanten bij Kleef. Hij had dus recht te spreken tussen de eisen van het klooster aan de ene en de verdediging van Alijt van Kuinre en Evert Zoudenbalch aan de andere zijde. Hem was de opdracht gegeven, te Elten en te Kampen getuigen te horen. Kampen was blijkbaar aangewezen in plaats van Urk, omdat dit moeilijker te bereiken was. Over het getuigenverhoor verliep niet minder dan een jaar. Het» kloosterbestuur legde daarbij, ter verdediging van zijn aanspraken, een stuk over, dat uit niet minder dan 44 artikelen bestond en waarin de gehele geschiedenis van de verkregen rechten sinds het jaar 968 werd meegedeeld, door afschriften of overzichten van de oorspronkelijke privilegiën gedocumenteerd. Opmerkelijk is daarbij, dat op geen enkele wijze de beleningen, gedaan door de graven van Holland, werden gewraakt. Op 21 April 1480 nam de scholaster zijn eerste beslissing. Hij gaf toen een vertegenwoordiger van het klooster mandaat, om in Utrecht „executies te doen tegen de personen en goederen van Alijt van Cuynre en Evert Zoudenbalch." Dat betekende dus een pandbeslag, totdat aan de vorderingen van het klooster zou zijn voldaan. Evert Zoudenbalch gaf zich nog niet gewonnen. Hij ging over tot pandwering, d.w.z. hij verzette zich met beroep op zijn rechten als leenman tegen het pandbeslag. Tevens richtte hij zich met een klacht over onrechtmatige behandeling tot den stadhouder-generaal van Maximiliaan en Maria in Holland, Zeeland en Friesland. Hij verzocht, dat aan het kloosterbestuur zou worden duidelijk gemaakt, dat de zaak diende gebracht te worden voor het Leengericht van Holland. Dit was natuurlijk een misvatting van Evert Zoudenbalch. Maar inderdaad liet de stadhouder-generaal, de heer van Montigny, aldus eenzijdig ingelicht, zich bewegen tot inwilliging van Zoudenbalchs verzoek. En weldra ging de gemachtigde van dezen, met brieven van Montigny gewapend, naar Elten. Maar de abdis hield, zoals men wel zegt, het been stijf en wilde den brenger der brieven zelfs niet te woord staan, terwijl niemand der kloosterbe91


In het eerste beleningsstuk werden hun ambten genoemd. Peter Lanchals (spreek uit: lankhals) werd aangeduid als „onse lieve ende getrouwe, onse hofmeester ende een der gecommitteerden op tstuc van onsen domeynen ende financiën." Lodewijk Quarre heette „onze ontfanger generaal van onse voirsz. financiën" en Cornelis Cruesinc „onder houtvester van onsen lande van Hollant." Het waren dus drie hoge ambtenaren van den aartshertog. Overigens is ons van het bestuur der drie heren over de heerlijkheid niets bekend, dan dat zij er enige inkomsten uit getrokken hebben. Ook weten we niet, of Evert Zoudenbalch toch de aan Alijt van Kuinre toegezegde duwarie is blijven betalen; ook niet, of hij den tins aan het klooster te Elten geregeld heeft voldaan; al vermoed ik wel, dat hij zowel het een als het ander heeft gedaan, omdat hij nooit zijn rechten op de heerlijkheid heeft losgelaten. Wel weten we dat Evert Zoudenbalch na enige jaren in zijn leengoed Urk en Emelweerd is teruggekeerd. Hoe dat mag zijn gegaan, is niet bekend. Ook weten we niet, wanneer het heeft plaats gehad, maar niet onmogelijk nog vóór 1488. Op hogeren leeftijd nam de heer van Urk en Emelweerd maatregelen, dat de heerlijkheid in zijn geslacht bleef. In 1495 deed hij er afstand van ten behoeve van zijn neef en naamgenoot, zoon van zijn broeder Gerrit. Dat was dus Evert Zoudenbalch II. Deze werd bij den dood van zijn oom, 29 Maart 1504, ook eigenaar van de vorstelijke woning in Utrecht. De stukken van de bestuurswisseling zijn te vinden in het register Max. et Phil. Oostenrijk, Capitula Vrieslant." Urk heeft in alle tijden de belangstelling zelfs van buitenlandse reizigers gehad. Kwam dat door zijn hoge ligging midden in het water, waardoor het al van verre de aandacht trok, of door de eigenaardige klederdracht van de bewoners, of door den gemoedelijken, gastvrijen aard der Urkers? Of trekken die alle te zamen de belangstelling der „vreemden", zoals niet-Urkers daar worden genoemd? In de tweede helft der 16-de eeuw werd ons vaderland bereisd en ook Urk bezocht door den Italiaansen staatsman en geschiedschrijver Ludovico Guicciardini, gestorven te Antwerpen in 1589. Wat hij in zijn reisverhaal vertelde van de robbenvangst op Urk, zal wel niet iets zijn, dat daar toen voor het eerst in zwang was, maar dat ongetwijfeld al bestond in den tijd van Evert Zoudenbalch. Daarom geef ik het hier weer. Het is interessant genoeg. „Iets, dat tamelijk dwaas klinkt, maar dat toch verdient, bekend gemaakt te worden, is het middel, waarvan de eilandbewoners gebruik maken, om zeehonden te vangen. Zij verkleden en ver94


mommen zich zo zonderling, dat men ze voor dieren zou houden; en op deze wijze uitgedost begeven ze zich naar de zee op de uren, dat de „honden" voor tijdverdrijf en om de frisse lucht te genieten aan land gaan. In deze vermomming naderen zij de dieren, dansende en springende (tot welke uitvindingen komt de mens al niet!) alsof zij trekpoppen waren. Op dit schouwspel komen de „vishonden" nader en nemen dan een bijzonder genoegen in deze vertoning. De dansers verwijderen zich daarbij langzamerhand in huppelende beweging en trekken daardoor de „vissen" al verder en verder het land op. Gedurende dat spel spannen andere vissers dicht achter de „honden" grote netten uit. Wanneer alles voldoende voorbereid is, ontdoen de verklede lieden zich plotseling van hun vermomming; daardoor erg verschrikt, willen de „honden" de vlucht naar het water nemen, maar zij vallen dan onmiddellijk in de strikken, die men achter hen had uitgezet, zodat de eilandbewoners tot hun voldoening en groot voordeel een menigte van de dieren bemachtigen." Zou de latere, op Urk zo goed bekende en handige zeehonden jager Hessel Snoek ook geweten hebben van hetgeen Guicciardini op Urk gezien had? Ik ontleende het zonderling verhaal aan de mededelingen van een anderen buitenlander, den Fransman Henry Havard, die in 1873 ook Urk bezocht en zich niet alleen door eigen aanschouwing, maar ook uit boek en geschrift van de eigenaardigheden van het eiland op de hoogte stelde. Havard maakte bij het verhaal van den Italiaan deze „toepassing" : „Dat moet voorzeker een vermakelijk schouwspel zijn geweest, die maskerade, en dat van lieden, die dansen en sprongen, alsof ze marionetten waren. Ik zou gaarne mijn plaats betaald hebben, om zo'n toneel bij te wonen. Doch helaas, alles raakt in verval. De goede gewoonten gaan verloren. Schilderachtigheid en geestige invallen geraken langzamerhand uit de wereld, om door alledaagse en gewone te worden vervangen; in plaats van de zeehonden te bekoren en hun een bijzonder genoegen en tijdverdrijf te verschaffen, verjaagt men ze tegenwoordig met stokslagen." Bij deze geestige opmerkingen bleef de Fransman wel in den stijl van de „maskerade". Overigens moet de lezer in het oog houden, dat hij met het woord „tegenwoordig" doelt op zijn eigen tijd, toen, vooral in 1872, de last en de schade, door robben veroorzaakt, bijzonder groot moeten zijn geweest. De schryver besloot zijn verhaal met de herinnering, dat de kustbewoners vroeger niet alleen jacht maakten op zeehonden als op visrovers, maar ook omdat ze zich voedden met hun vlees, dat ze 95


beschouwden als van buitengewoon goeden smaak en even lekker als van bruinvissen. En waarom ook niet? zou men kunnen vragen. Ook robbenspek was in dien tijd zelfs door de rijke lieden geliefd, zodat het op Urk tevens een uitvoerartikel kon zijn.

96


Evert Zoudenbalch II. (1495-1530)

Korten tijd nadat Evert Zoudenbalch II zijn oom als heer van Urk en Emmeloord was opgevolgd werd hem door de jonkvrouwen van Kuinre een proces aangedaan. Wat daarvan de reden was, is mij niet bekend. De oudste van de twee jonkvrouwen, grootmoeder Alijt, was toen bijna 80 jaar oud. Had zij er spijt van, dat zij indertijd, door den nood gedrongen, de heerlijkheid aan Evert Zoudenbalch (I) had overgedragen? Was diens neef in gebreke gebleven, de haar toekomende duwarie van 125 Rijnse gulden 's jaars uit te keren, en was dat de reden, dat zö de heerlijkheid terugvorderde ? Ook aan Evert Zoudenbalch II was op 2 Juli 1495 de heerlijkheid opgedragen „tot sulcke last van duwarie in allen voegen ende manieren, als here Evert Zoudenbalch (I) die gehouden heeft." Hjj was dus tot de betaling verplicht. Of was grootmoeder Alijt tot het aangaan van het proces aangepord door haar kleindochter Alijt en wilde deze op die wijze trachten haar inkomsten te vermeerderen? De jonge Alijt was getrouwd geweest met Nicolaas van Assendelft, en na dienst dood huwde zij, in of nog vóór 1495, met Johan van Renesse, een Utrechts edelman, in 1497 schout van Utrecht. De jonge Alijt schijnt zó vast op den goeden afloop van het proces te hebben vertrouwd, dat zij in 1497 een akte deed opmaken, waarbij ze haar bij Johan van Renesse gewonnen kinderen de helft toezegde van hetgeen ze bij het proces zou winnen. Van winnen is evenwel geen sprake geweest. Toen grootmoeder Alijt in 1498 stierf, was door het Leengericht reeds beslist, dat Evert Zoudenbalch (II) heer van Urk en Emmeloord zou blijven. Deze zal na den dood van de oude jonkvrouw de duwarie, die de jonge was toegezegd, hebben uitgekeerd. Ongeveer in denzelfden tijd werd Evert Zoudenbalch II gesteld voor de oplossing van een geschil tussen zijn onderdanen op Emmeloord en de stad Kampen. De vissers van Ens en Emmeloord beiden waren door de Kamper waterpolitie één- en andermaal gewaarschuwd, dat ze in de stadswateren visten. Ens beweerde, dat het altoos vergunning had gehad om daar te vissen en vroeg die vergunning ook voor het vervolg. Inderdaad verstandig. Maar de vissers van Emmeloord verzetten zich, iets, dat bij vissers gemakkelijk 97


schijnt voor te komen. Toen de Kampers de fuiken van enkele Emmeloorders begonnen te lichten, kwamen hun plaatsgenoten in groten getale op, om dat te beletten. Ze wondden daarbij twee of drie mannen van de Kamper politie. Hiervoor eiste de regering van de stad een hoge boete. De vissers van Emmeloord, een weinig tot bezinning gekomen, vroegen nu aan hun heer, wat ze moesten doen. Volgens „Charters en Bescheiden" in het Kampense archief schreef Evert Zoudenbalch toen 4 April 1499 aan „den eerbaren ende wisen scout ende gemenen buren op Emelwoirt, mijnen guden vrinden", dat ze niet moesten betalen, maar dat Kampen, als het schadevergoeding wenste, die gerechtelijk had te eisen, Toch heeft Evert Zoudenbalch zich ten slotte laten overhalen, om te bemiddelen. W. Nagge weet in zijn ,flistorie van Overijssel" te vertellen, dat „Here Evert van Souwenbalg, binnen Campen gekomen sijnde met eenige andere, met de Raedt der selver stadt in handelinge is gecomen ende geaccordeert, dat die van Emeloert tot een boete souden betalen 260 olde schilden, ende is hiermede die voorseide questie verdragen int jaer 1499 op S.-Odulph." (12 Juni). De moeiten en zorgen, die het bezit van de heerlijkheid Urk en Emmeloord meebracht, waren in de eerste jaren der 16-de eeuw allerminst gering. Thans, na vier eeuwen, leven de daden van Groten Pier nog in vage herinnering voort. Enerzijds wordt hij om zijn woesten durf bewonderd, anderzijds om zijn gruweldaden verafschuwd. Wat zal het heer Evert een zorg gebaard hebben, om zijn onderdanen tegen die gruweldaden te beschermen! In 1508 deed een ritmeester van Karel van Gelder een inval op Emmeloord. Hij gelastte den bewoners, onder bedreiging van erger, om 50 man met schoppen en spaden naar Elburg te zenden, dat in dien tijd een roofnest van Karel van Gelder was. De stad Kampen, die enige zetboeren op Emmeloord had, verzocht zowel Karel van Gelder zelf als zijn hoofdman, om de eilanders vrij te laten. Ze stemden toe, mits de eis werd afgekocht .......... Toen in hetzelfde jaar Kuinre door de Geldersen bemachtigd werd en men in Kampen vreesde, dat Kuinre weer, zoals vroeger, een middelpunt van zeeroof zou worden, werd in Kampen de burgerij opgeroepen, om gewapend te verschijnen, ten einde te trachten, Kuinre te heroveren. Als leiders van de expeditie werden acht voorname burgers aangewezen en daaronder ook Claes van Urck, die in 1506, 1510 en 1516 schepen in Kampen was. Kuinre werd heroverd, maar in 1510 had „de Gelderse duivel" het weer in zijn macht. Zijn plan tot een aanslag op Kampen werd door een scheepsstrijd bij Ens gelukkig verijdeld. Wel kwam het daarop tot een vredesverdrag tussen den bisschop en den Geldersman, maar de zeeroof op de Zuiderzee hield niet op, want een opstandig hoofdman van den bisschop lokte er zelfs Deense kapers naar toe. Te water en te land was het een ontzettende toestand. 98


En Urk lag daar weer midden in. In 1513 trok Karel van Gelder door Groningen Friesland binnen. Maar de Friezen waren tegenover hem verdeeld. Die hem met blijdschap ontvingen en hem bleven aanhangen, kregen den naam van Gelderse Friezen. Eén der grimmigsten hiervan was Pier van Heemstra, een edelman uit Kimswerd, een reus in lichaamsbouw en kracht, en daardoor bekend als Grote Pier. Sinds de Saksen zijn bezittingen hadden verwoest, kende zijn wraakzucht tegen Saksen, Bourgondiërs en Hollanders geen grenzen meer. In 1515 had hij 500 man onder zich verzameld, die met hem den dood aan alle vijanden gezworen hadden. Hij werd hun admiraal op een vloot „seynschepen", die zorgen moesten, dat de Hollanders de Saksen niet te hulp kwamen. Vijf jaar lang was de Zuiderzee een toneel van verschrikking, want de seinschepen roofden, wat te roven was. Grote Pier beroemde zich, dat hij was: de verwoester der Denen, de wreker der Bremers, de aanhouder der Hamburgers, het kruis der Hollanders, kapitein generaal van de Zuiderzee. Hij heerste daar bijna onbeperkt. Als hij van de ene plaats verdreven werd, verscheen hij op een andere. Allerlei handelsschepen, voor zover ze er nog waren, werden beroofd; Medemblik en Alkmaar werden uitgemoord en verbrand, en na het winnen van een zeeslag bij Hoorn werden 499 Hollanders over boord geworpen. Het was „schrik van rondom". Geen wonder, dat de Hollandse admiraal vergunde aan „een iegelijk, wie hij ook zij, ook zonder dat hij in krijgsdienst is, de rebellen en vijanden des konings te roven, pilgeren en doodslaan en hun goederen te houden als buit, zonder iemand verantwoording te doen". Maar de vrees voor Karel van Gelder en Groten Pier en hun piraten sloeg velen met lamheid. Zo hadden enige Gelderse soldaten een Kampens schip geplun derd. Ze werden evenwel door een storm aan land gedreven, en onbedacht kwamen ze in Kampen. Hier werden ze herkend en ge grepen. De schout had hen toen het lot van zeerovers kunnen doen ondergaan, maar uit vrees voor weerwraak liet men ze ongehinderd de stadspoort uitgaan ............... In 1519 werd het Groten Pier op de Zuiderzee toch al te benauwd gemaakt. Op verzoek van Karel van Gelder deden hij en zijn mannen toen mee aan een krijgstocht tegen Emmerik, dus diep het land in. Maar toen ook werden hem door de nauwe aanraking met den Geldersman voor diens baatzuchtige plannen met Friesland de ogen geopend. Bitter ontgoocheld trok Grote Pier naar zijn land terug. Hij staakte zijn roversbedrijf en vestigde zich te Sneek, waar hij korten tijd later stierf. Een tragisch leven inderdaad, een schipbreukeling in den ruwen tijd!


Of het Evert Zoudenbalch II mogelijk is geweest, in den roerigen tijd iets ter bescherming van zgn onderdanen te doen, mag betwijfeld worden. Op 31 December 1530 volgde zijn zoon Jan hem op als heer van „Oirc ende van Emelwairde".

100


Jan Zoudenbalch (1530-1558)

Gedurende het bestuur van Jan Zoudenbalch kwam in verschillenden vorm en uit verschillende oorzaak telkens de vraag aan de orde, of de heerlijkheid Urk en Emmeloord als geheel, dan wel Emmeloord afzonderlijk, tot het gewest Holland of tot Overijsel moest gerekend worden. Bij de beantwoording van die vraag hadden niet alleen die gewesten, maar ook Jan Zoudenbalch belang. Aardrijkskundig en maatschappelijk, maar ook staatkundig en kerkelqk behoorde het eiland Urk, met als deel daarvan Emelweerd, oorspronkelijk tot het oostelijke land; immers in den giftbrief van 968, waarbij de helft van Urk aan het klooster te Elten geschonken werd, werd het een deel van Salland genoemd. Staatkundig is het daarna, althans voor een deel, bestuurd geworden door de heren van het „graafschap" Kuinre, doordat één van hen, Hendrik de Craan of één van zijn voorgangers, zich, naar ik veronderstel, terecht of ten onrechte had ingedrongen in de rechtspraak in het allodium van Sint-Pantaleon. De heren van Kuinre beriepen er zich op, gelijk we weten, vrqe heren te zijn. Na het vredesverdrag van 1204 is Urk (met Emelweerd) steeds tot Holland gerekend, in zoverre, als de graven van dit gewest over de belening beschikten. Of bij dat verdrag van 1204 ook reeds rechten zijn toegekend aan het huis van Voerst, dan wel, dat de heren van Voerst later de rechtspraak in het gebied, dat Elten toekwam, hebben verkregen, is niet bekend. Zeker is, dat de rechtspraak in de heerlijkheid in het midden der 14-de eeuw gedeeld werd door de heren van Kuinre en die van Voerst, beiden onder de opperhoogheid van den Hollandsen graaf. Deze heeft, gelijk we weten, de heerhjkheid in 1381 aan de macht der heren van Kuinre en Voerst onttrokken. Ze werd een afzonderlijke hoge heerlijkheid en is dat gebleven tot in het jaar 1792. Nu kom ik terug op het geschilpunt, aan het begin van dit hoofdstuk genoemd. Een der redenen, waarom over het verloop van de grens door de Zuiderzee getwist werd, was het recht op de visserjj in bepaalde delen daarvan. Zo was er tot 1534 een ernstig geschil tussen de vissers van 101


de Friese en van de Overijselse kust over het recht van de visserij in de noordoosthoek van de Zuiderzee. Het had ongetwijfeld reeds menigmaal, naar de gewoonte dier tijden, aanleiding gegeven tot gevechten op zee en inbeslagneming van goederen over en weer, maar in 1534 kwam het tot een officiële oplossing. In het Archief van de gemeente Kampen zijn van dat jaar twee overigens zeer onnauwkeurig getekende kaartjes aanwezig „van de landen en wateren nabij Campen". Op beide kaartjes, waarvan het ene een „authentieke kopij" van het andere is, is een rechte lijn getrokken, die het noordelijkste en het zuidelijkste punt van de Overijselse kustlijn verbindt. Op het oorspronkelijke kaartje staat bij die lijn: „ tgene bynnen desse linie is, tselve is landt ende water van Overijssell". En op beide vinden we aan de achterzijde een toelichting, waaruit blijkt, dat die lijn getrokken is bjj gemeen accoord. Die toelichting luidt: „Op huyden den lesten Aprilis anno XVcXXXIIII hebben die gescyckten aan beyden zijden geaccordeert in die situatie ende gelegentheit van den landen ende waeteren, soe die in desse carte gemaect ende geteyckent staen, in presentie van den hoogen grootmoegenden ende edelen heer mijn heeren den stadtholder der keijz. ma.t van sijner ma.t landen van Vrieslant ende Overijsselle, ende meesteren Abell van Colster ende Gillein Zeygers, raden en de commissarissen van huer ma.t" Voor Jan Zoudenbalch was bij die beslissing van belang, dat Emmeloord juist aan den Overijselse kant van de getrokken lijn lag. Want wèl was het een accoord getroffen tussen afgevaardigden van Friesland en Overijssel, bepaald met het oog op de visserijgeschillen; en wèl hadden „gescyckten" (gezondenen of afgevaardigden) van Holland er niet aan meegewerkt; maar de twee keizerlijke commissarissen hadden er toch ook hun goedkeuring aan gehecht, en de „keyz, ma.t" was zo goed graaf van Holland als heer van Friesland en Overjjsel. Nu werd ongeveer in denzelfden tijd alleen in Holland een zware keizerlijke „bede" geheven. De staten van Holland ontvingen een opgave van de som, die in hun gewest moest worden opgebracht, en daar die som buitengewoon hoog was, zullen de staten nauwkeurig alle bronnen, waaruit iets geput kon worden, hebben afgezocht, en zo zullen ze ook den heer van Urk en Emmeloord, die zijn heerlijkheid van den graaf van Holland in leen had, om een bedrage hebben aangesproken. Jan Zoudenbalch zal zich toen op het accoord van 30 April 153-1 hebben beroepen en gezegd, dat althans Emmeloord niet tot Holland behoorde. Toen de tolgaarder der staten dat beroep wraakte, als niet ter zake doende, heeft de heer Zoudenbalch getracht, zich langs anderen weg zekerheid te verschaffen van de juistheid van zijn beroep. 102


Daar de tolgaarder hem blijkbaar beduid had, dat Emmeloord zo goed als Urk van oude tijden af, zelfs in den tijd, toen het nog door den heer van Kuinre bestuurd werd, aan den graaf van Holland onderworpen was, gaf de heer Zoudenbalch zijn pastoor op Emmeloord de opdracht, bij den schout van Kuinre te onderzoeken, of dat alzo was geweest. Zo richtte zich dus de pastoor van Emmeloord, bijgestaan door een der schepenen, tot den Kuindersen schout met de vraag, of deze ook waarachtige kondschap kon geven, „als of Emmeloort bij olden tijden onder den grave sijn loffelijcke memorie ende gedachten der heerlijcheijt Cüynre sampt de ommelanden sijn Maj. subject geweest hebben". Men neme hierbij in aanmerking, dat Zijn Majesteit (waarmee natuurlijk keizer Karel V bedoeld is) hier wordt ingevoerd als graaf van Holland. De schout van Kuinre gaf 12 Augustus 1535 inderdaad een verklaring af, maar de vraag omtrent de onderworpenheid aan den graaf van Holland bantwoordde hij niet. Er werd alleen geconstateerd, „dat onse heerlijcheijt (Kuinre) sampt der ommelanden een graefdinge geweest is en onse leste grave geheten heeft grave Herman, die onse graefdinge getransporteert heeft aen den stichte van Utrecht in den jare 1422 of daeromtrent, bisschop wesende Frederik van Blanckenheijm; ende soo is onsen voors. grave mede heere geweest van Urrick ende Emmeloort." Dit laatste werd nader bevestigd door de kerkelijke indeling, zoals ik die vroeger heb uiteengezet, en door „sekere penningen der munte onses graves." „Also dat grave Herman is grave geweest van Cuynder ende der ommelanden ende heere van Urrick ende Emmeloort." Wie niet beter wist, zou uit deze verklaring den indruk kunnen krijgen, dat ook Urk en Emmeloord in 1422 (moet zijn 1408) aan den bisschop waren overgedragen en dus tot het gewest Overijsél moesten worden gerekend. Maar de werkelijkheid was anders. Wel is de laatste heer of graaf van Kuinre ook heer van Urk en Emmeloord geweest, maar niet langer dan tot 1381, toen de graaf van Holland hem om zijn zeeroof uit het leen stootte. Diezelfde graaf van Holland had hem om zijn trouwbreuk in 1398 ook nog de „ommelanden" (van Kuinre) ontnomen, zodat hij toen niet anders had overgehouden dan zijn eigen familiebezit. En dit alleen en anders niets transporteerde hij in 1408 „aan den stichte van Utrecht". De heer Zoudenbalch had aan die verklaring van den Kuindersen schout ter oplossing van de kwestie met den tolgaarder van Holland inderdaad minder dan niets. Ik heb er geen rechtstreekse gegevens voor, maar het einde zal wel geweest zijn, dat hij betalen moest. In 1536 werd Urk - gelijk ook Emmeloord en Ens - bezocht door de pest, de ziekte, die in de vervlogen eeuwen zo veel steden en streken geteisterd heeft. De vrees voor het overbrengen der besmetting was begrijpelijker103


wijze in Kampen zó groot, dat „scepenen ende raidt" dier stad op 15 Augustus van het genoemde jaar een „keur" uitvaardigden, „dat nymant van onse borgeren oft inwoenderen enige guederen oft lueden, comend wth (uit) pestileneie huysen van Enss, Urck oft Emeloirt innemen off harbargen sall bij XL 18, ende die guederen, die alsoe alhier ingevoert worden, sullen verboert (verbeurd) wesen" (,J)igestum Novum" III). Kampen zelf was in 1507 en 1527 ook door de pest bezocht geweest. Toen was, op verbeurte van XX 18, voorgeschreven, dat aan iedere besmette woning minstens zes weken lang een bosje stro zou hangen, dat de lieden uit zulk een woning zich niet tussen het volk zouden begeven en alleen ter kerk zouden gaan bij de Cellebroeders of de Cellezusters. Kwamen ze op straat, dan moesten ze, ter waarschuwing van anderen, een afgeschilden stok van twee el lengte goed zichtbaar dragen. Het wasgoed uit een besmet huis mocht niet „opte kerckhoven offt anderen gemenen bleeckvelden" gelegd worden. In October 1536 werd in Kampen weer zulk een keur afgekondigd. De voorzorgsmaatregel van twee maanden vroeger had dus niet gebaat. Dat de keur van October 1536 in Juni 1537 herhaald werd, doet enerzijds zien, dat de pest toen in Kampen nog voortduurde, en andererzijds, dat dergelijke verordeningen niet nauwkeurig opgevolgd en niet streng gehandhaafd werden. Of er ook op Urk een afgekondigd is, weten we niet. Dat er in een t|jd, toen de medische verzorging op Urk was toevertrouwd aan de „wijsheid" van den plaatselijken barbier, onder de bevolking van nog geen 300 zielen betrekkelijk veel slachtoffers gevallen zijn, kunnen we wel aannemen. Karel van Gelder, „de Gelderse duivel", zoals hij in Kampen genoemd werd, beraamde in zijn ouderdom nog een aanslag op de stad Enkhuizen. Met die stad als steunpunt aan de overzijde van de Zuiderzee kon hij dit gebied gemakkelijk beheersen. In den vooravond van 21 Juni 1537 verlieten vijf sterk bemande en ten oorlog uitgeruste schepen de haven van Harderwijk. Omstreeks middernacht ankerden ze bij Urk. „Enige oversten", zo vertelt Casparus Commelin in het „Vervolg der beschrijving van Amsterdam", „kwamen met een deel volk aan land en verboden de Urkers op lijfstraf, het eiland te verlaten." Ze meenden terecht, dat op Enkhuizen varende Urkers het plan zouden kunnen doen mislukken, maar het middel, dat ze daartegen aanwendden, was niet snugger bedacht. Het prikkelde drie, vier flinke vissersjongens juist, om de Enkhuizers te gaan waarschuwen. Zodra mogelijk verlieten ze waarschijnlijk aan de noordzijde het eiland. Ze roeiden wat ze konden, en de zee beter kennende dan de Geldersen, kwamen ze ondanks den gemaakten omweg eerder dan de belagers aan de stad. Toen dan ook de Gelderse schepen 's morgens om drie uur den afsluitboom voor Enkhuizen naderden, was hun weg versperd door een schip, dat dwars voor de opening lag. Plotseling kwamen toen van alle zijden in 104


schepen en boten de Enkhuizers opzetten, die hun belagers dapper aanvielen. Deze waren daardoor zo verbouwereerd, dat ze hun ankers kapten en op de vlucht sloegen. De ankers werden door de Enkhuizers opgevist en „ter eeuwige gedachtenis" opgehangen aan den Oostindischen toren. Twee Gelderse schrijvers, Schrassert in „Hardervicum Antiquum" en Slichtenhorst in „Geldersche Geschiedenissen"', maken ook melding van dezen overval, maar beiden verzuimen, het bezoek aan Urk en de paraatheid der Enkhuizers mee te delen. Schrassert vertelt alleen naievelijk: „Wijl het water zeer laag was en in het gat van den boom juist een schip lag, dat zij niet verleggen konden, zonder ontdekt te worden, hebben zij, niet durvende aldaar langer blijven liggen, hun ankers gekapt en zijn alzo onverrichter zake thuis gekomen." Wel wat vreemd, als er niets anders gebeurd was. Men ziet er uit, welk een groot verschil het maakt, uit welke bron een geschiedschrijver zijn stof heeft geput, en ook, waar zijn sympathieën liggen. Zoals boven is meegedeeld, had Jan Zoudenbalch in 1535 getracht antwoord te krijgen op de vraag, of althans Emmeloord bij het gewest Holland, dan wel bij Overijsel behoorde, en dat wel met het oog op zijn aandeel in de gemene landskosten. Had hij zich toen misschien kunnen verschuilen achter de bewering, dat hij, als bezitter van een vrije heerlijkheid, niet in de oorlogslasten kon worden aangeslagen, een bewering, die hem wel niet veel zou hebben geholpen, - door de keizerlijke verordening van 2 November 1553 werd die bewering in ieder geval krachteloos. Toen toch werd bepaald, dat alle bestaande vrijdommen zouden zijn afgeschaft en dat voortaan alle grondbezit schotbaar (belastbaar) zou zijn. Voor Jan Zoudenbalch klemde nu nog meer de vraag, of zijn aandeel in de lasten moest worden berekend naar dat van het hoger aangeslagen Holland, dan wel naar dat van Overijsel. Om hierover zekerheid te krijgen, richtte hij zich tot de regering van de stad Kampen. In Kampen kon men hem noch uit „secrete" schrifturen, noch met getuigenissen van „vroeden" enige kondschap geven. Nochtans achtte de regering van Kampen, die te dezen opzichte natuurlijk niet belangeloos was, de zaak belangrijk genoeg, om enige weken later, toen Zoudenbalch op Urk vertoefde, twee van haar leden daarheen te zenden, om hem persoonlijk te vragen, wanneer hij weer in Kampen dacht te komen. De reis van Utrecht naar Urk en terug werd blijkbaar over Kampen gedaan. De Kamper raadsleden, die vermoedelijk wat langer op Urk wilden blijven, lieten van daar schrijven, ongetwijfeld door den pastoor, dat de heer Zoudenbalch eerst naar „Emuloerth" dacht te gaan en wel aan den avond van 3 Augustus in Kampen zou komen. Van een samenspreking heb ik niets gevonden, maar het slot er 105


van zal geweest zijn, dat de raad van Kampen beloofde, de zaak in de statenvergadering te brengen. De conclusie, waartoe men ter statenvergadering kwam: onder Overyssél gehoerich, rust al op een zeer zwakken grond. („Dagvaerden" V, 1556). Dat de Rijnsteden belang hadden bij het in orde houden van den zeeweg naar Kampen, die langs Urk liep, en daarvoor zelfs zekere bijdrage over hadden, en toen die weg verzandde, verzocht hadden (aan den heer van Urk waarschijnlijk), het zand weg te graven, is heel begrijpelijk, maar zegt voor de zaak in kwestie absoluut niets. De tweede grond is even weinig waard. De heer Zoudenbalch betaalde jaarlijks zijns tinsgelden aan het klooster te Elten, maar daaruit zou toch niemand besluiten, dat Urk en Emmeloord bij Gelderland of Pruisen behoorden? Trouwens, wat Urk betreft, kwamen de heren van Overijsel in 1556 in tegenspraak met het door henzelf getroffen accoord van 1534, waarbij wel Emmeloord, maar niet Urk tot Overijsel gerekend werd. Mij dunkt, dat de gaarder der keizerlijke beden wel zal hebben beslist, dat de aanslag van den heer Zoudenbalch bij dien van het gewest Holland moest worden gerekend. De vraag, tot welke provincie Urk moet worden gerekend, is met de drooglegging van den „Noordoostpolder" opnieuw aan de orde gekomen. Staatkundige overwegingen kunnen nu geen invloed meer oefenen. Wel is er reden, om Urk te beschouwen voor hetgeen het aardrijkskundig, staatkundig en oeconomisch oorspronkelijk geweest is: een deel van Overijsel, Kampen was altoos het tweede vaderland der Urkers. In dezelfde Overijselse statenvergadering, waarin de vraag van Jan Zoudenbalch werd behandeld, kwam nog een punt ter sprake, waarvan ik om der curiositeits wille den uitslag even vermelden wil. Er was al jaren een kwestie lopende tussen de Hollandse (bepaald de Amsterdamse) vissers en de vissers van de oostkust over de wfldte der mazen. Door Overijsel en Gelderland werd bij de hoge regering telkens geklaagd, dat de Amsterdammers met hun kleine mazen de zee doodvisten. Aan een keizerlijken Commissaris werd toen opgedragen, die kwestie tot oplossing te brengen. Hij droeg daarom den landmeter Jasper Adriaanszoon op, een flinke kaart van de Zuiderzee te maken, opdat de kustgebieden konden worden afgebakend. Op die kaart, nog in het Kamper Archief, maar in zeer verweerden staat, aanwezig, kom ik later terug. Bij de besprekingen nu, die op den reeds genoemden 20-sten April 1556 onder leiding van den Commissaris tussen de Overijselse staten en enige afgevaardigden uit Holland werden gehouden, werd die kaart gebruikt. Toen werd ook - en dat wou ik hier vooral meedelen - het merkwaardig besluit genomen, dat enige vertegen106


woordigers van Overijsel met den Commissaris en de heren uit Holland na afloop der besprekingen „op der zee (zouden) vaeren mit engen en wijden netten, omme expirientie tdoen welcke netten am meesten den visch vermoren". Zie ,flagvaerden" V, Kamper Archief. Wel jammer, dat de uitslag van de proef er niet bij wordt vermeld. In de laatste dagen van 1558 overleed de heer Jan Zoudenbalch. Op 21 Maart 1559 werd zijn zoon Everardt door Filips II met de heerlijkheid beleend. Zie „Libro Confederatio Capituïa Stigt" in het Algemeen Rijksarchief. Het gezag over de heerlijkheid Urk en Emmeloord kwam dus in handen van Evert Zoudenbalch III.

107


Evert Zoudenbalch III (1559-1567)

Tot degenen, met wie Jan Zoudenbalch vriendschap gesloten had, behoorde ook Arent toe Boecop. Deze, evenals de Zoudenbalchen van een adellijk geslacht, was een der voornaamste burgers van Kampen. Van 1559 tot 1580 werd hij vijftienmaal gekozen tot schepen en zevenmaal tot raad der stad. Een verwant van hem, vermoedelijk zijn neef en tevens zijn naamgenoot, huwde met Lubbe van Urck, ook aangeduid als „joffer van Orck", die ik beschouw als een kleindochter van den hopman Clais van Urck. Deze was in 1508 een der aanvoerders bij de onderneming tegen Kuinre. In een geslachtslijst van de Toe Boecops staat bij den naam van Lubbe aangetekend: „Azur au bras armé d' ar gent". Volgens ken ners van de taal der wapenkunde zou dat de beschrijving van een familiewapen zijn. Het wapen moet dan op een blauw veld een zilve ren arm hebben vertoond met een zwaard in de hand. Was dat wapen misschien de symbolisering van een eigenaardige karaktertrek der familie van Urck, zo iets als: Wie mij te na komt ............'? Ook dat eigen familiewapen wijst er intussen wel op, dat de familie van Urck tot de welgestelde burgers van Kampen behoorde. Dat blijkt uit nog meer. Johan van Urck, denkelijk de vader van Lubbe, herbergde in 1545, toen koningin Maria van Bohemen Kampen bezocht, een der heren van het gevolg van die vorstin. En Nicolaes of Claes van Urck, vermoedelijk een broer van Lubbe, was stadsschrijver en jaren lang een der invloedrijkste burgers van Kampen. Als trouw gebleven aanhanger van het Roomse geloof durfde hij later met den schepen Toe Boecop den prins van Oranje weerstreven. De rijkdom der familie Van Urck zal voor een deel bestaan hebben in landbezit op het eiland. De betrekkingen met hun „vaderland" werden althans onderhouden. Dit was ook bevorderd door de correspondentie tussen Jan Zoudenbalch en de regering van Kampen, waarbij de stadsschrijver, Nicolaes van Urck, hem ongetwijfeld goede diensten bewezen had; maar ook door de bezoeken, die genoemde heer Zoudenbalch herhaaldelijk aan Kampen had gebracht. Te verwonderen is het dus niet, dat door een en ander banden van vriendschap waren gelegd tussen heer Jan en den stadsschrijver niet alleen, 108


maar ook met Arent toe Boecop. Zoals we weten, voerde Toe Boecop gemakkelijk de schrijfveder. In zijn min of meer belangrijke geschriften heeft hij meermalen iets meegedeeld omtrent het toenmalige en zelfs ook van het vroegere Urk. Uit twee van zijn geschriften heb ik reeds iets aangehaald, n.1. uit „Codex Diplomaticus Neerlandicus" en uit zijn „Chronieken". Ook zijn „Dagboek" bevat belangrijke historische mededelingen. Te begrijpen is het, dat het stadsbestuur van Kampen, toen het in 1559 iemand moest aanwijzen, die aanwezig zou zijn bij de huldiging van den nieuwen heer van Urk, Evert Zoudenbalch III, daartoe de keuze liet vallen op Arent toe Boecop, een keuze, die dezen om de vriendschap met Everts vader zeker niet ongevallig was. Van zijn in 1559 aan Urk gebracht bezoek maakte hij in zijn „Chronieken" intussen eerst melding na het overlijden van den heer Evert in 1567, zelfs pas na 1570. Hij schreef toen aldus: „en als ik metten heer Swalverballick saliger (die daar heere van is en Emmeloort) daar up was als hij gehult was ....... ", en daarop volgde dan de mededeling omtrent de op het Urker kerkhof aangetroffen stenen doodkisten. In het schrijven van namen was Toe Boecop niet nauwkeurig: van Zoudenbalch maakte hij Swalverballick. Hij hield er een eigenaardige en volstrekt niet consequente schrijfwijze op na. Van hem is ook: Urrick. Ofschoon de strijd over de bevissing van de Zuiderzee tussen de gewesten, die aan haar grensden, niet rechtstreeks Urk aanging, kon hij en kan hij ook verder niet geheel onvermeld blijven. Ten eerste lag Urk midden in de Zuiderzee, zodat de geschiedenis van Urk zich bijwijlen als vanzelf tot die van de zee uitbreidde. Ten andere hadden ook de Urker vissers zich aan de gemaakte bepalingen te houden. Het was een strijd, zoals voortdurend en tot in onzen tijd gevoerd is: over het vissen van puf of nest en over de plaatsen, waar al of niet gevist mocht worden. Ondanks de in 1556 voorgenomen en denkelijk ook volbrachte proefvaart van heren gecommitteerden, waarbij moest worden aangetoond, „welcke netten am meesten den visch vermoren", schijnt de inderdaad moeilijke beslissing omtrent de pufvisserij toen niet te zyn gevallen. Wel maakte de Raad te Mechelen op 30 April 1559 bepalingen voor het vissen bij de Overijselse kust. Of de beroemde „Kamper steur" by het maken van deze bepalingen, gelijk meer voorkwam, ook invloed heeft geoefend, weten we niet. De toen gegeven voorschriften kwamen met name den Kampers in het gevlij, omdat die „de vreemdelingen" uit „hun viswater" weerden. En het is bekend, dat de steur, die met de zalm toen heel veel in de monden van den IJsel en bij de Overijselse kusten werd gevangen, in dien tijd een bijzonder geliefde lekkernij was. Dit overwegende heeft de regering van Kampen meermalen getracht, een of andere autoriteit door het zenden van een steur gunstig te stemmen. 109


Evenwel, ook na het besluit van 30 April 1559 klaagden „Ridderschap en Steden" (van Overijsel), zo leest men in „Tegenwoordige Staat ............. bijzonder van Overijssel", „herhaalde reizen, dat de Hollandsche waterschipperen niet alleen onbehoorlijke enge netten gebruikten, maar ook, het vonnis (van 1559) versmadende, binnen hunne palen kwamen visschen en de netten en stallen der Overijsselsche visschers vernielden". Dan voegt de schrijver er naief aan toe: „De menigte van steur en vooral van zalm, welke in de vorige dagen in de Zuiderzee te vangen was, kon het toen meer dan heden (1781) der moeite waardig maken, anderen het regt van visschen te betwisten." In de 16-de eeuw gebruikten de Urker vissers nog geen zeilschepen, maar kleine open vaartuigen zonder zwaarden en roer. Ze waren door twee personen bemand en werden door riemen voortbewogen. Ze bleven dus vanzelf dicht bij Urk. Nog van 1610 wordt verhaald, dat reizigers uit Arnhem, die in Friesland een dominee moesten verhoren, zich door een zeilschip van Harderwijk naar de „Vriesche custe" wilden laten brengen, maar door blakte niet verder kwamen dan Urk. Om de reis niet onnodig langer te maken, huurde men hier een visboot, die, door twee mannen geroeid, de reizigers naar de Lemmer bracht. We willen eens nagaan, welke zee- en landkaarten, waarop Urk voorkwam, in den besproken tijd verschenen, althans getekend zijn. Bij benadering is dan de grootte en de vorm van het eiland te bepalen. Een eiland als Urk had op zichzelf voor de kaartenmakers weinig belang. Het had alleen betekenis door de plaats van zijn ligging. Het is dus begrijpelijk, dat men zich om den vorm en de grootte van Urk weinig bekommerde, al was de een daarbij nochtans nauwkeuriger dan de ander. In het Britse Museum te Londen wordt een tekening van de Noordzee bewaard, vermoedelijk reeds van vóór het jaar 1500. De aan de kust liggende, toen bekende plaatsen, meest handelssteden, komen er op voor. Denkelijk heeft een Engelse schipper of stuurman een tekening gemaakt van het gebied, dat hij bevoer en zoals hij zich dat voorstelde. Dat de schets volgens onze opvatting van kaartwerk grote fouten moet vertonen, spreekt wel vanzelf. Dit is vooral het geval met het deel, dat wij bespreken. Het is no. 2459 van de Inventaris Hingman in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag en brengt in kaart het bevaren gedeelte van Holland. Het is wel eigenaardig, dat Urk aangeduid is met den naam Hurke. De Engelsman heeft dien naam blijkbaar gehoord van een Urker zelf. Voor hem, die weet, hoe de Urkers met de uitspraak van de h kunnen omspringen, is dat volstrekt niet vreemd. De schepen, die op de kaart te zien zijn, zijn alle handelsvaartuigen. Een man van de grote vaart bekommerde zich niet om vissersboten. Drie van die schepen ziet men in den mond van het Marsdiep. De beste vaargeul liep blijkbaar tussen 110


North en South Hag (Noorder- en Zuiderhaaks) door. De andere ingang van de Zuiderzee „the Fle" (het Vlie) was beter voor kleinere vaartuigen geschikt, zoals men er een op aan ziet zeilen. Op een andere kaart, ook in handschrift, van de Inventaris Hingman, waarbij het vooral te doen was om de dijken van het Noorderkwartier, komt ook Urk voor, nu aangeduid als Urck. Die kaart kan van de eerste helft der 16-de eeuw zijn. Evenals bij de vorige kaart is het oosten bovenaan. Voor de oostkust van de Zuiderzee, aangegeven als „die Zuyer Zee", is in het wilde weg een lijn getrokken. Opmerking verdient, dat de Noordzee „die soute zee" genoemd wordt. In 1536 gaven de Staten van Holland aan Jacobus van Deventer, een bekend landmeter en kaartenmaker, de opdracht, een kaart van het „land van Hóllandt" te maken. De toen gemaakte kaart zal dus den toestand van omstreeks 1540 hebben weergegeven; maar zij is helaas verloren gegaan. Evenwel is in 1556 door Bernard van den Putte te Ai twerpen een kaart uitgegeven, die volgens Dr. F. C. Wieder (in „Merkwaardigheden der oude cartographie van NoordHólland", geplaatst in het Julinummer van 1918 van het Tijdschrift, van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap) zo goed als zeker een navolging is van het werk van Van Deventer. Van de kaart van Van der Putte is maar één exemplaar bekend. Het wordt bewaard in de stadsbibliotheek van Breslau. Op deze kaart is het noorden bovenaan geplaatst, terwijl de Zuiderzee nagenoeg den vorm heeft, zoals wij dien gekend hebben. „Urck", „Emeloirt" en Ens komen er ook op voor. De verhouding in aanmerking genomen, komen de vorm en de grootte van Urk ongeveer met die op de vorige kaart overeen. Het aantrekkelijke van de kaart van Van den Putte is weer, dat op de zee verschillende vaartuigen te zien zijn. De kleinste, ook van zeilen voorzien, kunnen vissers-, maar ook vrachtscheepjes betekenen. Doch, zoals ik reeds zeide, de Urkers gebruikten in dien tijd zulke vaartuigen nog niet. Ofschoon om boven reeds genoemde redenen niet aan te nemen is, dat de tekening van Urk op de genoemde kaarten de nauwkeurigheid ook maar van verre nadert, is toch wel na te gaan, dat het eiland toen heel wat groter moet zijn geweest dan het in onzen tijd was. Dat blijkt o.a. ook uit het werkje van Jan Jacobsz., „ghedruckt int jaer 1540". De langwijlige titel luidt: „Dit is die Kaerte van dye Suyd zee tot dat Ranser dyep toe ende tot dat Maersdiep toe om met schepen wt of in te zeylen van Amstelredam te zee waart." Door Dr. H. C. Rogge is het in 1885 onveranderd uitgegeven bij E. J. Brill te Leiden. Ik doe hierbij opmerken, dat het woord kaart oorspronkelijk, en zo ook hier, de betekenis had van gids of wegwijzer. In dat boekje nu wordt gezegd, dat het rondom Urk en vlak bij de kust „op een daghelicx water" zes ellen diep was, zodat overal rede gemaakt kon worden. Alleen „dat oude kerckhof" in het zuid111


westen en „dat noordtnoordwest" moest men „wat schuwen". Op die twee plaatsen was blijkbaar ondergelopen land; maar het overgebleven land strekte zich tot behoorlijke zeediepte uit. De beste rede was overigens tegen de zuidoostzijde van het eiland. De schipper moest dan zorgen, dat hij „die thoorn benoorden die huysen" zag. Hieruit is af te leiden, dat de kerk toen in noordwestelijke richting en afgezonderd van de huizen stond. De huizen waren blijkbaar reeds in zuidoostelijke richting verplaatst; maar de kerk had nog stand gehouden. Weldra zullen we vernemen, dat ook die wel niet weggeslagen, maar dan toch „a/geslagen" werd en met haar naaste omgeving op een afzonderlijk eilandje kwam te staan. Leerzaam voor ons doel en in overeenstemming met het bovenstaande is ook, wat we van Urk vinden in het Leeskaartboek van Wisbuy. Het is een uitgave, die in 1566 te Antwerpen gedrukt en te Amsterdam uitgegeven werd. Het enige daarvan nog bekende exemplaar behoort aan de Kon. Bibl. te Kopenhagen, maar daar werd het in 1920 onveranderd herdrukt. Dat ook deze gids voor den schipper in de Nederlandse taal verscheen, bewijst wel, dat onze schippers, die tegelijk kooplieden waren, in dien tijd bekend stonden als de meesters der zee. In het onderdeel „Die Caerte van der Suyder see" wordt de zeeweg van en naar Amsterdam en langs Urk beschreven. Ik citeer er het volgende uit: i,....... dan sidy over Pampus, ende dan n.o. nae Urck, ende als gjj Urck siet n. oost ten n. van u oft noordtliker, soe bent ghi wel toe weghe, ende aldus doende suldy hart gront crygen ende dan weder weec, ende ooc dieper, ende dan hebdy dat rechte val: maer is Urck n.o. van u, so sijdi na ghenoech aent sant het Noortlant, ende seylt altemet nae Urck noordtwaert altemet westelycker soo lange, als die kerck coempt in dit huysen, ende dan west n. west tot die Hofste, ende houdt die kerck in de huysen soo lange, dat Memelick staet een stuck buyten tlant van die Ven, houdt alsoo staende ter tijt toe, dat dat endt van die Ven coempt aen Enchuysen, neemt dan u afganck so langhe ende hout also staende, dat Grootebrouck coempt aen Hem ende zjjn beyde scharpe tornen .......... " Bjj de door mjj onderstreepte woorden maak ik enkele opmerkingen. Het zand het Noordland was blijkbaar de oostelijke punt van het Enkhuizer zand, dat zich tegenwoordig nog tot het Val van Urk uitstrekt. In dien tijd zal de hoogte van het zand groter zijn geweest, en wat toen het Noordland werd genoemd, was blijkbaar het overblijfsel van een vroeger boven water liggende bank, die zich als een eiland voordeed en door de van het zuiden komende schippers het Noordland was genoemd. Ik doe hierbij met nadruk opmerken, dat hier geen sprake is van het later gevormde en straks 112


te bespreken kerkeilandje ten westen van Urk. Overigens mag ik het als bekend veronderstellen, dat de plaats en de hoogte van zandbanken veranderlijk zijn. Naast dat Noordland en zuidwestelijk en westelijk van Urk lag dan het Val (niet de Val) van Urk, hier het rechte Val genoemd. Het woord rechte wijst er op, dat de zeebodem vlak bij Urk plotseling recht naar beneden viel. Als we nu weten, dat zich later tussen het eiland en het Val een brede, ondiepe zeebodem uitstrekte, op Urk de Vormt genoemd, dan hebben we hier opnieuw het bewijs, dat die ondiepe zeebodem in de 16-de eeuw nog een deel van het eiland was. De Amsterdamse zeeweg liep in dien tijd vlak langs Urk. En evenals in het eerst besproken boekje blijkt ook hier, dat de kerk afgezonderd van de huizen en een eind noordwestelijk daarvan gestaan heeft: de voorbij varende schipper moest de kerk een poos „in de huizen" houden. Thans rest nog de bespreking van drie kaarten. Ze worden blijkbaar de een na de andere nauwkeuriger, ook wat de voorstelling van Urk betreft, en daardoor bevatten ze eigenlijk de geschiedenis van de vormverandering van het eiland in den tijd der verschijning. De eerste van de drie is de reeds in het vorige hoofdstuk genoemde kaart van de Zuiderzee en omgeving, door Jasper Adriaensz.. die in 1556 diende bij de behandeling van de visserijkwestie tussen Holland en Overijsel en die in het Archief te Kampen bewaard wordt. De kaart maakt den indruk van grote nauwkeurigheid. Als de bochten en bochtjes in de kustlijn van „Orck" ook maar ten naastenbij juist zijn, dan hebben we hier een mooie voorstelling van den vorm van het eiland. Men neme in aanmerking, dat de kerk zonder nadere plaatsbepaling midden op Urk is getekend en naar verhouding veel te groot. In werkelijkheid stond de kerk meer westwaarts. Een mooie kaart was ook die van West-Friesland en Waterland, getekend door Christiaan Sgrooten. De hele Zuiderzee komt er op voor met haar vaarwegen en ondiepten. In vademen is hier en daar de diepte aangegeven. Die kaart is van iets lateren tijd dan de vorige, want ze werd (met andere kaarten) getekend in opdracht van Alva (1567-'73). Wat Ürk betreft, zijn de gevolgen van den stormvloed van 1570 er nog niet in verwerkt. Wél plaatste de tekenaar in het Noorden van Noord-Holland de aantekening: „Anno 1570 ingelopen"; maar dat hij de gevolgen van den storm van dat jaar niet in den vorm van Urk heeft doen uitkomen, is, om vroeger reeds aangegeven redenen, wel te begrijpen. Sgrooten tekende dus Urk, zoals het kort vóór 1570 was. En dan zien we, bij vergelijking met de vorige kaart, dat in het zuid-westen reeds een stuk van het eiland was afgescheurd, waardoor de kerk op een vooruitstekende punt was komen te staan. In 1573 was Sgrooten met alle kaarten klaar, maar op advies van Viglius werd zijn werk, zoals Dr. Wieder meedeelt, niet aanvaard. Zijn kaartenverzameling is thans het eigendom van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. 113


De auteur kreeg de opdracht, zijn werk vollediger te maken.

Ondanks de daarvoor in Nederland ondervonden tegenwerking gelukte het hem, in 1592 een nieuwe verzameling kaarten gereed te hebben, die uitvoeriger en op groter schaal waren getekend. Die nieuwe verzameling wordt nog bewaard in de Bibliotheca Nacional te Madrid. De laatste kaart, waar ik thans iets van zeg en waarvan ik een deel heb gereproduceerd, is er een uit een atlas van Gerrit Kremer, meer bekend onder zijn verlatijnsten naam Gerardus Mercator. Hij begon aan zijn werk in 1585. Het eigenaardige op zijn kaart van het „Graafschap Holland en het bisdom Utrecht" (met het westen bovenaan) is, dat we westelijk van Urk nog een kleiner eilandje getekend zien. Dit is aldus te verklaren. Zoals we weten, bracht Arent toe Boecop in 1559, toen Evert Zoudenbalch III op Urk zijn feestelijken intocht deed, een bezoek aan het eiland. Hij vertelde eerst na Everts dood, die in 1567 viel, iets van dat bezoek. Hij schreef toen, dat hij op het Urker kerkhof nog vijf stenen doodkisten had gezien, die met kettingen aaneen geklonken waren. Hij voegde er bij, dat de kerk sinds zijn bezoek door de zee „afgeslagen" was. Let wel: niet weggeslagen, maar afgeslagen. De kerk, die reeds op een vooruitstekende punt was komen te staan, was met den kerkheuvel, blijkbaar een opgeworpen hoogte, van het eiland a/gescheurd en was op een afzonderlijk eilandje komen te staan. Dit nu is bijna zeker gebeurd in den bekenden stormvloed van 1570. Dat Mercator dat eilandje bij Urk tekende en aldus de mededeling van Arent toe Boecop bevestigde, is voor ons zijn enige verdienste. Nauwkeurig is overigens zijn kaart, hier althans, geenszins. Hij tekende het eilandje veel te ver van de westkust af. Dr. Wieder acht zijn werk dan ook slechts van tweede-rangswaarde. Zijn bruinvis in de Zuiderzee is vermakelijk. Of zou het een verdwaalde Kamper steur zijn? Mercators kaart is o.a. te zien in het Rijksarchief te Haarlem. Is het anders niet merkwaardig, dat de Urkers, toen allen nog Rooms, minstens 30 jaar lang, zeilende of door het water wadende, hun kerk hebben moeten bezoeken? Van den persoon en de bestuurshandelingen van Evert Zoudenbalch III kan ik maar weinig meedelen. En dat weinige is niet iets goeds. Zelfs in 1616, toen Urk in andere handen overging, werd daar nog aan herinnerd. In zijn „Beschrijving van Amsterdam" deelt Dapper mede, hoe bij het toen gevoerd proces in het midden werd gebracht, dat de heerlijkheid Urk en Emmeloord jaarlijks wel 600 gulden had opgebracht en dat dit nog het geval zou zijn, „ingeval Everd Soudenbalg het zoo niet had laten ver-argeren, overmits hij geen kadens gemaakt en hadde". Dat verzuim zal mede de oorzaak zijn geweest van het wegslaan 114


van het land in het zuidwesten en in 1570 van het afslaan van de kerk. In de eerste maanden van 1567 moet Evert Zoudenbalch III gestorven zijn, want op 23 Juni van dat jaar werd zijn broer Gerrit, „bij dode van heer Evert" met de heerlijkheid beleend.

115


Gerrit Zoudenbalch (1567-1599)

Voor ons vaderland, voor Urk ook, en voor den heer van Urk en Emmeloord was de tijd rijk aan gebeurtenissen. De invloed der Kerkhervorming deed zich ook in Overijsel en bepaald in Kampen gelden. Volgens W. Nagge, na 1638 predikant in Twello, die de geschiedenis van Overiisel beschreef, werden in 1566 ook bij Kampen hagepreken gehouden. Op 14 September van hetzelfde jaar kwam de bekende Jan Arends in de stad. Onder vee) belangstelling predikte hij op het kerkhof van de Cellebroederskerk. Kunnen er ook geen Urkers onder zijn gehoor zijn geweest? Vanwege den groten toeloop durfde de schout den prediker niet gevangen nemen; deze werd alleen uit de stad verdreven. Toen Alva op 9 September 1567 den Raad van Beroerten had opgericht en de vonnissen van dezen raad allen aanhangers van de „nije leere" den schrik om het hart deed slaan, vluchtten velen van hen, die niet wisten, waar ze het vege lijf zouden bergen, de Zuiderzee op. Dat er zullen geweest zijn, die het durfden wagen op het nog geheel Roomse Urk met zijn Roomsen heer en zijn Roomsen schout voet aan wal te zetten, is niet te denken. Ook in Kampen konden ze niet terecht: daar immers woei de overheidswind ook nog geheel Rooms. In het westelijk gelegen Enkhuizen woei een heel andere wind. Daar werden de ballingen van de Zuiderzee door overheid en burgerij met open armen ontvangen. Het is stellig aan te nemen, dat de Urkers, die Enkhuizen, Kampen en Elburg bevoeren, daar berichten omtrent de „nije leere", omtrent de vervolgingen en omtrent de houding der regering in Kampen en Enkhuizen opdeden. En het is haast niet te denken, dat het zien van de scheepjes met vluchtelingen geen medegevoel zal hebben opgewekt en dat althans enkelen niet tot nadenken en nader onderzoek zijn gebracht. Maar ieder bericht daaromtrent ontbreekt ten enenmale. Intussen behoort ook dat ontbreken van berichten tot de geschiedenis van Urk. Te midden van alle beroeringen ging de heer van Urk, Gerrit Zoudenbalch, een huwelijk aan met Barbara, dochter van Anthonis van Abcoude van Marthen, heer van Essesteijn. 116


De heer en vrouwe van Urk en Emmeloord waren trouwe aanhangers van Koning Filips. Op 30 April 1569 ontvingen zij, op hun verzoek, van den vorst het recht, om over al hun goederen, de heerlijkheid Urk en Emmeloord inbegrepen, in den ruimsten zin naar eigen believen te beschikken. Voor drie gevallen werd een uitzondering gemaakt: ten eerste moesten de supplicanten niet blijken bastaarden te zijn; ten tweede moesten de leengoederen niet sterfelijk zijn (dat was met het leen Urk en Emmeloord niet het geval) en ten derde moest de belener niet van te voren een deel der goederen geschonken hebben aan „eenige kercken, cloisteren of gheestel. plaetsen". Het is zeker wel opmerkelijk, dat deze zelfde clausule later in dergelijke gevallen, ook onder het anti-Roomse bewind, letterlijk werd overgenomen. Bij de bespreking der kaarten in het vorige hoofdstuk heb ik in het kort vermeld, dat de kerk op Urk door een stormvloed in 1570 van het eiland werd „afgeslagen". Ik moet daar nu iets meer van zeggen. In brieven van dien en van later tijd wordt gesproken van den verkoop van stenen, die uit den zeebodem nabij Urk werden opgedolven, vermoedelijk meest aan den noordwestkant van het eiland. Het ondiepe water daar moest door grotere schepen „geschuwd" worden. Denkelijk heeft het eiland daar al vroeg een deel van zijn bodem aan de zee moeten afstaan. Een schuit met stenen bracht 15 tot 20 gulden op. Ook Gerrit Zoudenbalch heeft daarvan geprofiteerd. In „Minuten" IX in het Kamper Archief komt het afschrift voor van een brief, door de regering van de stad Kampen op 24 Juni 1570 tot den heer van Urk gericht en waarin verzocht werd, dat aan een stratenmaker in Kampen vergund zou worden, om op Urk stenen te kopen. Hij had aangenomen, in Kampen een straat te plaveien en kon de daarvoor nodige stenen nergens anders krijgen. Aan dat verzoek zal wel voldaan zijn, en er zullen dien zomer dus heel wat scheepsvrachten stenen uit den zeebodem bij Urk zijn opgedolven. Daarop volgde toen de vreselijke Allerheiligenvloed van dat jaar. Volgens „Een historische beschrijving van duure tijden en hongersnooden" door S. van Esveldt, een uitgave van 1741, scheurden sommige veenlanden vaneen, waarna ze met de huizen wegspoelden, „zflnde op andere plaatsen weer gezien". Veenlanden uit Friesland dreven zelfs aan in 't Sticht. Tot in Denemarken strekte de vloed zich uit. Hoe hoog het water in de Zuiderzee toen is opgestuwd, bleek mij uit een steen, die ingemetseld was in de muur van de vroegere Gereformeerde kerk te Harderwijk en die aanwees, hoe hoog het water daar gestegen was. „doe men schreef anno 1570". Die steen zat op een hoogte van niet minder dan 4,25 meter boven N.A.P. Daar het water bij westelijke en vooral bij noordwestelijke stormvloeden altoos hoger tegen de oostkust van de Zuiderzee werd op117


gejaagd dan op meer westelijk gelegen punten, zal het op Urk ook in 1570 wel niet zo hoog gestegen zijn als in Harderwijk. Toch zal het op Urk ook toen een hoger peil hebben bereikt dan later bij de vloeden van 1825, 1855, 1860, 1877 en 1916. De „kadens", die Evert Zoudenbalch verzuimd had te maken en die blijkbaar ook door Gerrit Zoudenbalch niet waren aangebracht, zouden dien hogen vloed zeker niet hebben kunnen tegenhouden. Maar wel kunnen we aannemen, dat het ontbreken van redelijke waterkeringen zowel als het weghalen van stenen van den ondiepen zeebodem heeft meegewerkt, om de gevolgen van den vloed zó ernstig te doen zijn, als ze na het wegvloeien van het water bleken te wezen. Vooral in het noordwesten had de vloed onherstelbare schade aangericht door een aanmerkelijk deel land voorgoed tot een prooi der zee te maken. De kerk en de toren, de laatste van hout en de eerste misschien ook, stonden er nog, al waren ze ernstig beschadigd, maar de kerkheuvel bleek een eilandje te vormen. Het daar achter liggende lagere land was weggeslagen evenals de meest westelijk staande huisjes van het dorp. Volgens een onbekenden schrijver uit de eerste helft der 17-de eeuw wisten oude lieden in zijn dagen zich te herinneren, dat „de kerk, voor 60 jaren of meer herwaerts, niet wijd van den oever en in 't begrip van Urk stond". En in een officieel rapport van 1661 (waarover later meer) werd er aan herinnerd, dat er „vroeger" een eilandje voor Urk lag, waarop de kerk stond. In zo verre blijkt het kaartbeeld van Mercator dus juist te zijn. Ook aan den voet van den Berg was aan de west- en zuidwestzyde weer veel kostbaar bouwland verloren gegaan. En hoe zal het schamel hoopje visbootjes op de rede of op de stranden geleden hebben. Het moet een ramp zijn geweest, zoals Urk nog nooit getroffen had. Als men nagaat, wat een ellende er door stormen en vloeden al over de landen van de Zuiderzee is uitgestort, dan moet men zich verblyden, dat die woelige binnenzee thans door den „Afsluitdijk" in bedwang gehouden wordt. Thans moet ik weer iets vertellen van de politieke en kerkelijke gebeurtenissen in het algemeen. Vanzelf zal dan wel blijken, dat Urk er niet buiten kon blijven. Eén gevolg van de verovering van den Briel door de Watergeuzen was, dat 's Prinsen zwager Van den Berg enkele maanden later met zijn troepen de stad Kampen bezette. Op uitdrukkelijken last van den Prins werden Claes van Urck en Arent toe Boecop, de voornaamste aanvoerders van de Roomse partij in Kampen, gevangen gehouden en de kerken in gebruik gegeven aan de Protestanten. Dezen hadden in October 1572 zelfs het genoegen, den Prins in eigen persoon in hun midden te zien. Na enkele dagen vertrok de Prins over de Zuiderzee naar Enkhuizen, om ook daar te zien, hoe de zaken stonden. 118


Een maand daarna was in Kampen de toestand weer gans anders. Toen Zutfen door de Spanjolen was uitgemoord, had Van den Berg, uit vrees voor hen, de stad met zijn troepen verlaten, en toen had de Roomse partij er weer vrij spel. Claes van Urck en Arent toe Boecop herkregen met andere gevangenen onmiddellijk de vrijheid. Zelfs zond Kampen een gezant naar Enkhuizen, om deze stad tot afval van den Prins te bewegen. Maar dat viel anders uit. In Enkhuizen werd de bode, zoals Toe Boecop later schreef, „kwalijk getracteerd". Nadat men hem enige dagen gevangen had gehouden, leidde men hem naar de galg en - liet hem daar vrij. Intussen werd de toestand voor de volgelingen van den Prins, kortweg aangeduid als „de Geuzen", kritiek genoeg. Naarden werd uitgemoord en om Haarlem werd het beleg geslagen. Om de Geuzen te bedwingen, haalde Alva vrijbuiters in de Zuiderzee, iets, waarvan de handel, ook die van het immers weer Roomse Kampen, heel wat last ondervond. Op 14 Maart 1573 gaf het stadsbestuur den kooplieden het advies, om te zorgen, dat hun schippers altoos, „goed bescheid" bjj zich hadden, opdat de schepen niet door de vrijbuiters van Alva zouden worden opgepikt. Op 12 Juli 1573 gaf Haarlem zich op genade of ongenade aan het Spaanse leger over; maar genade kenden de Spaanse barbaren niet. Sonoy, 's Prinsen vertegenwoordiger in het Noorderkwartier van Holland, berichtte den Prins, hoe hopeloos de zaken stonden. Een maand later gaf de Prins daarop zijn terecht beroemd geworden antwoord, waarin hij getuigde, een vast verbond met den alleroppersten Potentaat der potentaten te hebben gemaakt, aleer hij „de beschermenisse der Christenen ende andere verdrukten in desen landen" aangevangen had ........... 's Prinsen godvruchtig vertrouwen werd niet beschaamd. In Alkmaar was het na een beleg van zeven weken victorie, en 12 October versloeg de Geuzenvloot onder bevel van den Burgemeester van Monnikendam, de vloot van Alva, die Bossu tot admiraal had. Bossu werd als gevangene in Hoorn gebracht. Nu waren de Geuzen dus meester op de Zuiderzee. De Roomse Urker vissertjes hadden niets van hen te vrezen, al bleven de meesten hun liever uit den weg. Maar de Urkers houden wel van „een avontuurtje", en zo waren er enkelen, zoals trouwens ook op Emmeloord en Ens, die bezweken voor de verleiding, om „oorlogswinst" te kunnen behalen, door de Geuzenschepen van proviand te voorzien. En sommige Kamper kooplieden deden, om de zoete winst, mee aan den smokkel. Maar de Roomse overheid van Kampen was het natuurlijk gans niet gevallig, dat de Geuzenschepen van uit Kampen werden geproviandeerd. En zo verscheen op 14 Januari 1574 de volgende keur in Kampen: „Scepenen ende Raedt laeten weten, ende gebieden, dat nijemant hij sij weel (wie) hij sy, burger, inwoener, noch.gast en sal moegen voeren noch voeren laeten eenich wijn, noch byer, noch eenige 119


andere waeren hoedanich oick tselve wesen mochte, nae den eijlande Ens, Urck, Emeloirt, oft anders woer des oirts ter zee wart in, sonder voirweten ende consent des Burgermeysters inder tijdt, bij verboerthe van den wijn, bijer ende waeren, ende dair en boeven noch by der pene (boete) van XXV gg soe mennichmaell sulckx geboerde, soe mennige koer."

Van den heer van Urk en Emmeloord heb ik uit dien tijd weinig anders te vermelden, dan dat hij, als alle Zoudenbalchen, zijn woonplaats had in het huis aan de Donkerstraat in Utrecht, waar hij o.a. in 1576 een der schepenen was. Dat de gevolgen van den oorlog en bijzonder van de afzwering van Filips in 1581 ook geldelijk op Urk gingen drukken, bleek aldra. Begrijpelijk is het, dat de Staten van Holland kort na de afzwering, besloten, dat er een nieuwe verponding zou plaats hebben: de oorlogslasten drongen er toe. En toen dreigde de verponding ook op de ingezetenen van Urk en Emmeloord te worden toegepast. De taxateurs werden aangewezen; ze namen alles op; de eilanden kwamen op het kohier voor een zeker - trouwens een luttel bedrag; maar - „uit hoofde van hun armoede" is de betaling nimmer afgevorderd. De heer evenwel bleef contribueren. In dien tijd was zekere Roelof Lubberts, waarschijnlijk een Urker, schout op Urk. Hij is de eerste Urker schout, dien we bij name kennen, en zal althans bij zijn aanstelling wel een man van onverdachte trouw aan het Roomse geloof zijn geweest. Minstens tot 1601 heeft hij zijn ambt waargenomen. Ofschoon hij een man van zekeren welstand moet zijn geweest (anders had hij b.v. de recognitie niet kunnen betalen), was hij de schrijfkunst niet machtig. Die verstonden trouwens alleen de hogere en de geleerde stand. Niemand van de toenmalige regeringspersonen op Urk en Emmeloord kon schrijven. Het officiële schrijfwerk werd, tegen een geringe vergoeding, door den pastoor gedaan. Onder de stukken, die ondertekend moesten worden, zetten de regeringspersonen hun handmerk. Het nog gebruikelijke woord handtekening is daarmee onmiddellijk verklaard. Had Roelof Lubberts zijn handteken onder een stuk geplaatst, dan zette de pastoor er naast, van wien het was. Een enkele maal gebeurde het, dat iemand er twee handmerken op na hield. In een stuk van 1588, waarover straks meer, maken we voor het eerst kennis met borge- of borgermeysters op Urk. Aan hun naam herinnert nog het tegenwoordige woord burgemeester, maar de betekenis hiervan is een heel andere. In de middeleeuwen had Urk in zijn plaatselijke besturen niet anders dan een schout en enige schepenen. Ze werden samen het gerecht en ook wel de wet genoemd. Alle plaatselijke overheidspersonen samen heetten soms wethouders. 120


Twee der schepenen, kerkmeesters genoemd, behartigden met den schout de stoffelijke belangen van de kerk. Nu was het op Urk in den thans besproken tijd, in navolging van grote plaatsen, reeds gewoonte, om aan een of meer der schepenen den naam borgemeyster te geven. Dat was niet, althans niet op Urk, een bijzonder ambt. Het enige, dat er aan verbonden mag zijn geweest, is, dat de borgemeysters om hun hogeren leeftijd of hun vrijeren tijd met den schout het dagelijks bestuur oefenden. Zo ver waren ze dus te vergelijken met onze tegenwoordige wethouders. Denkelijk werden de oudste schepenen er voor aangewezen, althans aangezien; of degenen, die reeds vroeger een dienstjaar als schepen hadden gehad. In elk geval was het een eer, om onder de schepenen met den naam borgemeyster betiteld te worden. Zo kwam het, dat later alle schepenen met den naam borgemeyster werden vereerd. Een voorbeeld daarvan is nog te zien op den ouden gevelsteen (van het jaar 1736) aan de achterzijde van de voormalige Hervormde pastorie op Urk. De inkomsten, die de heer Gerrit Zoudenbalch uit de heerlijkheid trok, waren in de laatste jaren door verschillende oorzaken veel verminderd: het wegslaan van land, het onderhoud van de waterkeringen (vooral na de ramp van 1570!) en allerlei oorlogslasten. Uiteraard verdroten die oorlogslasten den goed Roomsen heer Zoudenbalch, die gans niet met den „opstand" sympathiseerde, het meest; en het is uit dien hoofde begrijpelijk, dat hij pogingen deed, die lasten, zo niet kwijt te raken, dan toch te verminderen. Als hij daarom weer eens probeerde, voor zijn contributie onder Overijsel te worden gerekend. Hij wist natuurlijk wel, dat zijn vader dat reeds een- en andermaal tevergeefs beproefd had; maar hij zou het anders aanleggen. Hij liet nu door de plaatselijke regering van Urk en van Emmeloord gelijktijdig of gezamenlijk tot de Staten van Holland het verzoek richten, om „met die van Over - IJssel" te mogen contribueren. Allicht hebben de verzoekers wel weer hun „armoede" naar voren geschoven. Dat de inwilliging van het verzoek allerlei consequenties zou meebrengen, gesteld al, dat Overijsel in de overheveling bewilligen zou, schijnt niet tot den heer Zoudenbalch te zijn doorgedrongen. Intussen doorzagen de Staten van Holland het spelletje. Ze bleken de bedoeling van hun Roomsen leenman in de Zuiderzee uitnemend te begrijpen en hielden de teugels tegenover hem strak. De door hen op het verzoek genomen resolutie (1 Februari 1588) was zó beslist afwijzend en in zó scherpe woorden uitgedrukt, dat de heer Zoudenbalch wel zal hebben begrepen, dat hij zijn pogingen in die richting niet behoefde te herhalen. De resolutie luidde als volgt: „Is geresolveert op het versoeck van die van Urck ende Emelort, dat men sal schrijven aen die van den Rade van Staten, dat, alsoo 121


die van Urck ende Emelort altydts notorie gestaen ende geresorteert hebben, ende een leen geweest zijn onder de graeffelijckheidt van Hollandt, ende daer onder gecontribueert, deselve daer onder behooren te blijven en vorder te contribueren, ende niet met die van Over-IJsel; ende dat de Staten op de contributie van Urck ende Emelort sullen disponeren, ende voorsien als naer behooren.'' Het laatste vooral was duidelijk genoeg. Het scheen nu zelfs te vrezen, dat de heer Zoudenbalch het ook voor zijn onderdanen, wat de invordering der contributie betreft, niet beter had gemaakt. De poging, die hij daarop bij zijn onderdanen aanwendde, om zijn inkomsten iets te vermeerderen, had beter resultaat. Zijn rentmeester stelde in de nalente van 1588 een stuk op, ot liever: twee stukken, voor de plaatselijke regering van Urk en die van Emmeloord elk een, waarin zij verklaren, dat zij elk tien jaar lang, boven het gewone schot, 20 gulden aan den heer zouden betalen ter vergoeding van de door hem „in deze troebele tijden" te hunnen bate gemaakte onkosten. Vermoedelijk was in Kampen, toen daar de wind weer Protestants woei, van de binnenkomende handelsvaartuigen een aandeel in de oorlogslasten afgevorderd, en naar de voorstelling in het stuk was dat ondraaglijk zwaar geweest. Denkelijk ook had de heer, om de Geuzen te weerhouden, de immers Roomse eilanden Urk en Emmeloord te brandschatten, hun door betaling van zekere som geld te vriend gehouden. Dat alles werd in het stuk met nadruk, ofschoon enigszins bewimpeld, herinnerd: een uitnemende gelegenheid, om de eilanders tegen den nieuwen koers in te nemen. Opmerkelijk is ongetwijfeld de onderworpen, om niet te zeggen: slaafse, toon, die den eilanders in de pen gegeven werd. De heer Zoudenbalch was een vooruitziend man: duidelijk wordt al gezinspeeld op een latere verlenging, zo niet erfelijk-verklaring van het contract. Trouwens in 1597 is de 20 gulden inderdaad vastgezet op het leven van den heer en zijn vrouw. Tot 1614 is het geld betaald. Eigenlijk kwam de zaak hierop neer, dat de vermindering van „contributie", waarop de heer gehoopt had bij de overheveling naar Overjjsel, nu door de „arme inwoonderen" ruim werd betaald. Het stuk behoort tot de Papieren Zoudenbalch in het Rijksarchief te Arnhem. Toch werd Urk niet vergeten. Veel zorg baarde aan het echtpaar Zoudenbalch de vraag, hoe zij hun heerlijkheid Urk en Emmeloord het best tegen den invloed van wat zij ketterij noemden, konden „beveiligen". Het „gevaar" daarvoor werd hoe langer hoe groter. Dat de heer enig dwangmiddel zou hebben toegepast, is mij niet gebleken. Dat lag niet in zijn aard en is ook niet aan te nemen. De Staten van Holland, die immers sinds 1581 als zijn leenheren optraden, zouden dat ook zeker niet hebben geduld. Er moest voorzichtiger worden gehandeld. Nu kwam het echtpaar Zoudenbalch in het laatst van 1589 of 122


het begin van 1590 ongezocht op de gedachte van een kerkelijke visitatie van het eiland Urk. Niet lang te voren had vanwege het bisdom Haarlem zo'n visitatie plaats gehad in de heerlijkheid Abcoude, en die behoorde tot de bezittingen van den heer van Essesteijn, den vader van Mevrouw Zoudenbalch. Dat niet aan een visitatie van Emmeloord, maar wel van Urk gedacht werd, wijst er op, dat de van Urk ontvangen berichten naar de opvatting van den heer en mevrouw Zoudenbalch inderdaad verontrustend waren. Er moet op Urk wel iets gaande zijn geweest. Werden de heiligendagen er minder trouw gehouden? Werd de mis in de op het eilandje afgezonderde kerk minder trouw bezocht? Begon de Reformatie onder de bewoners verdedigers te krijgen? Was er misschien zelfs bij den schout enige weifeling te bespeuren? De pastoor heeft den heer Zoudenbalch wel op de hoogte gehouden. In ieder geval verzocht de heer om een visitatie van Urk. Of de visitatie toen ook heeft plaats gehad, weten we niet. In de maand Juli van het jaar 1597 kreeg de heer Zoudenbalch èn van den schout van Urk èn van dien van Emmeloord bericht, dat er in hun woonplaats een nieuwe pastoor moest aangesteld worden. Hoe verschillend waren die kennisgevingen! De schout van Emmeloord vroeg 14 Juli aan den heer „goeden raet om eenen goeden ende bequamen herder pastoor ende predicant wederom te mogen vercrigen die ons nutte unde bequaam mochte zijn in Gods h. woordt te leren ende predigen ende onsen kercke werck te bedijnen". Toch liet de schout duidelijk uitkomen, dat men op Emmeloord, om de geringe verdiensten, met de aanstelling van een nieuwen pastoor aldaar liever wou zien gewacht „tot den tijt van Meij toecomende om alsdan eenen pastoor aen te nemen." Dat de schout van Urk aan de pastoors-vacature In zijn woonplaats heel wat minder woorden wijdde, had ongetwijfeld zyn betekenis. Den 20-sten Juli moest hjj aan den heer laten schreven, om te anwoorden op een brief van dezen. De heer had n.1. geschreven, dat hij op Urk dacht te komen, en gevraagd, den schout van Emmeloord voor een samenspreking op Urk te ontbieden. Nu berichtte de schout van Urk aan den heer, dat hij tot z\jn verwondering tot nog toe niets van den schout van Emmeloord had gehoord, en vroeg hij den heer, of deze nog op Urk dacht te komen. „lek wilde (van) wel ende oock verlanghe naer U. E. comste, so hyer saecken syn dien mij moeylyeken sullen wesen te scheyden". Daarop volgde het stellen van den datum: „Uuyt Urck desen XX July anno 1597" en dan liet hij, als het ware bij nagekomen inval, schrijven: „Wij en hebben gheen predicant daarom/me moet voorsien zijn."

Meer niet. Alsof het een zaak van ondergeschikt belang betrof. Ik krijg den indruk, dat er bij Roelof Lubberts tweespalt begon te komen tussen zijn persoonlijke gevoelens en de vervulling van het schoutambt in den geest van zijn streng Roomsen heer. Dat hij niet 123


Sprak van een pastoor, maar van een predikant, zegt in dit verband niets. Het woord predikant was toen ook voor een pastoor gebruikelijk. De schout van Emmeloord gebruikte beide woorden tegelijk. Eerst later kreeg bij de Protestanten het woord predikant en bij de Roomsen het woord pastoor een vast gebruik. Het duurde tot midden-Augustus voordat de heer op Urk kwam. Hij ontbood daar ook „de wet" van Emmeloord, en, ofschoon op de uitnodiging door middel van den schout van Urk zelfs geen antwoord was gekomen, nu kwamen de heren terstond. Toen gebeurde, blijkbaar zonder veel moeite, wat de heer Zoudenbalch zich in 158S al had voorgesteld: de verlenging van het contract van de 20 gulden, zoals ik boven reeds heb meegedeeld. De heer had den brief van den schout van Urk, dien deze hem 20 Juli geschreven had, meegenomen, denkelijk met het oog op de daarin aangehaalde moeilijke zaken. Onder aan den brief staan de namen van vijf personen. Achter den eersten naam staat „boet XV gl." De drager van den naam had den schout zeker wel de meeste moeite veroorzaakt. Achter de volgende vier namen staat niets. Hun zaak moest vermoedelijk nog beslist worden. Eigenaardig is zeker, dat een van hen „Schoute zoon Lubbert" was. De laatste was Jacob Lamberts, een winkelier, van wien we later meer sullen vernemen. Van meer belang dan deze persoonlijke dingen was hetgeen aan den achterkant van denzelfden brief geschreven was. Het was het ontwerp van een belofte, die de heer aan zijn onderdanen schriftelijk en gezegeld wilde geven. Het gehele stuk legt wèl heel duidelijk twee bedoelingen van den heer Zoudenbalch bloot: ten eerste, om zo mogelijk, zij het dan ook „vrijwillig", nog enige meerdere inkomsten uit de heerlijkheid te verkrijgen, en ten tweede, om de eilanders te binden aan verzet tegen de Reformatie. De eerste bedoeling wordt duidelijk door de breedte, waarmede de heer Zoudenbalch nu weer de aan de eilanden bewezen „weldaden" doet uitmeten. De tweede bedoeling komt aan het licht door het spreken van „andere niewicheyden" en niet het minst door de belofte, om de heerlijkheid niet over te doen aan iemand, die haar in haar „oude kostuymen ende privilegiën" zoude kunnen verkorten. Na het maken van de afspraken heeft de heer maatregelen getroffen, dat zowel Urk als Emmeloord weer een pastoor kreeg. Daar hij als heer daartoe het collatierecht bezat, kon hijzelf functionarissen uitzoeken, maar hij zal wel zijn afgegaan op het advies van het bisdom. In verband met den naam der gekozenen is dat vermoedelijk het bisdom Deventer geweest. Het volgende jaar was op •Emmeloord werkzaam Andreas Caffeberch, de vroegere pastoor van Kamperveen, en op Urk zekere Gabinius Syndel, wiens herkomst mij onbekend is. We zullen later zien, dat zijn optreden geheel strookte met de bedoeling van Gerrit Zoudenbalch. Na het volbrengen van deze dingen kon de heer Zoudenbalch 124


overgaan tot het maken van zijn testament. Zijn leeftijd en zijn gezondheidstoestand hebben daartoe ongetwijfeld aangemaand. Bij dat testament nu werd de heerlijkheid (er staat: „heerlicheden", maar dat was een meer gemaakte formele fout) „Orck ende Emeloirt" toegewezen aan „Joncheer Johan van Fladracken", den verloofde van een der dochters van Gerrits zuster Walraven. In het geval, dat het huwelijk niet door zou gaan, of dat jonkheer Fladracken niet met de heerlijkheid beleend zou worden, zou deze komen aan jonkvrouw Walraven zelf. Uit het vervolg van de geschiedenis weten wij, dat het laatste is gebeurd, waarbij nochtans de op Assumburch gemaakte beschikking gehandhaafd bleef, dat mevrouw Zoudenbalch boelhoudster en vruchtgebruikster van de heerlijkheid zou zijn. Bij de eerstvolgende leenverheffing zijn het octrooi van 1596, het testament voor zover het Urk en Emmeloord betrof, en de notariële akte hiervan opgenomen in het Leenregister van Holland. Het trof wel eigenaardig, dat de heer Zoudenbalch den dag na de notariële beschrijving van zijn testament te beslissen kreeg over een zeer eigenaardige erfeniskwestie op Urk. Van zeker echtpaar was de man, Frans, gestorven, en toen had de weduwe, Geertruid Pietersdochter, voor schout en schepenen haar uiterste wilsbeschikking zó gemaakt, dat haar bezit gelijkelijk zou worden verdeeld onder 8 van haar 9 kleinkinderen. Het enig kind Grietje van haar overleden en blijkbaar haar oudsten zoon Pieter wilde zij van de erving uitsluiten. Misschien, omdat Grietje niet naar haar, maar naar Pieters schoonmoeder vernoemd was. Het „vernoemen" wordt ook nu nog op Urk als een zaak van gewicht beschouwd; er kunnen familieveten door ontstaan. Over die willekeurige beschikking nu van Geertruid, om alleen de kinderen van haar dochter Trijn en haar zoon te doen erven, werd bij den heer een klacht ingediend. Door twee personen liet hij een ontwerp van antwoord opstellen, om dat aan de regering van Urk te zenden. Het ene wijst den juisten weg van een verdeling in drieën. Het andere, dat de schrijfhand van Jan van Renesse vertoont, zwijgt daar geheel over en wijst alleen maar op de ongegronde uitsluiting van Grietje. In beide ontwerpen werden de „schout ende gerechten tot Urck" aangesproken als „Eersame seer lieve ende bijsondere". Het eerste had aan het slot: „Hyermede U.E. den Heere bevelende" en het andere: „Hier mede dan bisonder goede vrunden den Almachtighe bevolen". Beide droegen den datum 27 Juli 1598, het tweede met de bijvoeging: „seer haestich". Welk van de twee naar Urk is gezonden, blijkt niet. Ook niet, of de erflaatster nog tot andere gedachten gekomen is. Nog één handeling van den heer Gerrit Zoudenbalch is er te vermelden. Zoals we weten, was door den Allerheiligenvloed van 1570 het westelijke deel van het dorp, waarschijnlijk het reeds lang geleden 125


naar het oosten uitgebouwde dorp Espel, verwoest en was de kerk op een eilandje komen te staan. Ook de toren was toen nog staande gebleven, de toren, waarin nog steeds de klok van llfil hing. In 1598 werd de toestand van kerk en toren hopeloos. Bij een storm stortte de toren niet in, maar hij viel om. We maken daaruit op, dat hij van hout was opgetrokken. De kerk zal, althans wat het bovendeel betrof, van hetzelfde materiaal zijn geweest. Denkelijk zullen schout en kerkmeesters zich gehaast hebben, van het ongeval bericht te zenden aan den heer en hebben zij gevraagd, wat er nu gebeuren moest. Een moeilijk geval. De heer Zoudenbalch wist natuurlijk, dat de Urker kerktoren voor de schippers, die naar en van Amsterdam voeren, een onmisbaar merkteken was. Zo is het te verstaan, dat vooral hij bezwaar maakte, om den herbouw uit eigen en plaatselijke middelen te bekostigen, en dat hij daarom het plaatselijke bestuur opdroeg, zich te wenden tot de Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier. Zo gebeurde dus. Schout en schepenen deden heren Gecommitteerden opmerken, dat hun toren altoos een „vuurbaken in zee" voor de schipperij was geweest en verzochten daarom, dat de toren op kosten van „het gemene land" zou worden „opgemaakt". Van de kerk spraken ze wijselijk niet. Tot mijn spijt is het mij niet gelukt, in de Resolutiën van de Staten van Holland iets te vinden van een besluit aangaande de zaak. Vermoedelijk is ze slepende gebleven tot den dood van Gerrit Zoudenbalch en heeft Amsterdam toen tenslotte in den zak getast. De heer Gerrit Zoudenbalch moet in de eerste helft van 1599 overleden zgn, want de eerstvolgende leenverheffing had plaats op 12 Augustus van dat jaar.

126


Het slothoofdstuk der Zoudenbalchen (1599-1616) ---

Jonkvrouw Walraven Zoudenbalch, de zuster van den overleden heer, werd 12 Augustus 1599 met de heerlijkheid Urk en Emelweerd beleend. Haar man, jonkheer Johan Ruysch, deed voor haar den huldigingseed in handen van Olderibarnevélt, „stadhouder van lenen." Regeringsdaden zijn er van Walraven niet bekend. Barbara van Essesteyn, de weduwe van Gerrit Zoudenbalcn, werd als boelhoudster en zaakwaarneemster van haar man, als de eigenlijke vrouw van Urk en Emmeloord beschouwd. Tot haar dood in 1614 heeft zij het bestuur in handen gehad. Volgens Wagenaar was haar beeltenis in de kerk te zien. Welke reden bestond daarvoor, en welke kerk is dat geweest? Ik neem aan, dat omstreeks 1600 een nieuwe kerk is gebouwd, natuurlijk niet op het eilandje, maar in het intussen naar het zuidoosten aangegroeide dorp. Dit dorp, dat sinds 1331 al het derde was, droeg niet meer den naam van Espele, zoals het nu bijna geheel weggespoelde dorp waarschijnlijk nog geheten had. Van dat tweede dorp waren nog enkele huisjes over. Ik heb reden, om aan te nemen, dat de landsvrouwe èn bij het bouwen van huisjes in het nieuwe (derde) dorp èn bij het bouwen van de kerk naar vermogen gesteund heeft, en dat de bewoners om die reden aan haar beeltenis een ereplaats hebben gegeven in de nieuwe kerk. Ze zal zeker niet hebben vermoed, dat in diezelfde kerk een kleine dertig jaar later het Evangelie zou worden verkondigd op een wijze, die in haar ogen grove ketterij was. Of er voor het bouwen van een kerktoren nog enige steun is ingekomen, heb ik niet kunnen ontdekken; maar in ieder geval zal de oude luidklok uit de wateren zijn opgevist en in den nieuwen toren opgehangen. We moeten goed in het oog houden, dat dorp en kerk nog stonden op aanmerkelijken afstand westwaarts van het huidige dorp. De trouw van de landsvrouw aan „het oude geloof" was niet minder dan die van haar man. Bjj de voornaamste prelaten van de Roomse kerk stond ze in grote achting. Vrouwe Barbara zal er zich allicht van hebben vergewist, dat in haar heerlijkheid de kinderen op tijd werden „gekerstend". De gewoonte van den „vroegdoop" is althans op Urk zó ingedrongen, dat 127


zelfs lang na de Reformatie, ja tot in de eerste jaren van de 19-de eeuw toe, een kind gedoopt werd in den eerstvolgenden kerkdienst na de geboorte, zodat het vaak op den geboortedag zelf gebeurde. Ik beschouw dat niet als een gevolg van de doorwerking der Reformatie, maar van de nawerking der Roomse practijk, die intussen dat moet ik er aan toevoegen - meer in overeenstemming is met de Gereformeerde belijdenis, dan het willekeurig uitstellen van den doop, zoals dat later opkwam. Met raadslieden als Sasbout Vosmeer, Adrianus Anthonius en de Jezuïeten kon het wel niet anders, of vrouwe Barbara moest in haar heerlijkheid de Reformatie met alle haar ten dienste staande middelen tegenstaan. Dit werd voor haar een levenstaak. De nieuw aangestelde pastoor, Gabinius Sijndel, heeft haar daarin op Urk trouw ter zijde gestaan. Van den schout, Roelof Lubberts, die al zo vele jaren in functie was, ben ik in dat opzicht niet zeker. In 1601 wordt hij voor het laatst genoemd, en daarna komt in de Papieren Zoudenbalch niets voor van zijn overlijden. Die Papieren Zoudenbalch in het Rijksarchief te Arnhem bevatten een schat van historische gegevens, voornamelijk omtrent het nu door mij behandelde tijdvak. Daarvoor vinden we stukken van 1588, 1597, 1598, 1600, 1601 (niet minder dan zes), 1604, 1607 (drie), 1611 (vier), 1612 (vier), 1613 en 1614. Te beginnen met 1600 zijn het meestal brieven van het plaatselijke bestuur van Urk aan de landsvrouw. Jammer inderdaad, dat hier twee gapingen in zijn: tussen 1601 en 1607 en dan weer tussen 1607 en 1611. Maar wat er overgebleven is, is belangrijk genoeg, om er onze volle aandacht aan te geven. We zyn nu zó ver, dat wij aan de hand van de beschikbare gegevens, voornamelijk vervat in de bedoelde stukken, kunnen bepalen, wat de bronnen van inkomst waren voor den bezitter van de heerlijkheid Urk en Emmeloord. Bovenaan stond „'s graven schot" of kortweg „het schot", dat op Sint-Michielsdag (29 September) te Zwolle met 80 gulden betaald werd en in 1588 en andermaal in 1597 met 20 gulden verhoogd. Ik bepaal me nu alleen tot Urk. Dan had de heer (de vrouw) de tienden van het op de flanken van den Berg liggende bouwland, dat door de bewoners gemeenschappelijk werd gebruikt. Hierop wijzen de namen „miente", „gemiente" (reeds in 1309) of „gemeente", die er aan werden gegeven. Misschien was het hetzelfde land, dat in de middeleeuwen Monnikenland genoemd werd. Een afzonderlijk liggende kamp bouwland, ongeveer het zesdeof zevendedeel van de gemiente, werd voor den heer verpacht. Evenzo de graanmolen. Die zal in den tijd, toen er nog heel wat bouwland op Urk was, den molenaar een behoorlijk bestaan en den heer een behoorlijke pacht hebben opgeleverd. Maar in de laatste jaren was er zo weinig te malen geweest, dat Claes Gerlachs, op Urk 128


Claes de Moller genoemd, na het maken van een pachtschuld van 41 carolusgulden het bedrijf had gestaakt. In 1600 durfde hij den „verfallen moeien" weer in werking te stellen, nadat twee schepenen de landsvrouw uitstel hadden gevraagd voor de aanzuivering van de oude paehtschuld. Op de eerstvolgende afrekening van schout en schepenen kwam een ontvangst voor van 50 gulden als pacht voor den molen. Voor hoe lang zou hij nog malen ? Van de opbrengst der uit den zeebodem opgedolven stenen had de heer (de vrouw) ook een deel. Dat deel werd bepaald door de schepenen. De schout had hierin geen stem, omdat hij een vierdedeel kreeg van hetgeen den heer werd toegewezen. Wat er overbleef werd gebruikt voor de eerstvolgende betaling van het schot. Ontbrak er dan nog iets aan de 80 (en tijdelijk de 100) gulden, dan gingen schepenen daarvoor tegen den betaaldag bij de ingezetenen rond. De opbrengst van de op het strand aangespoelde of uit zee opgepikte goederen werd na aftrek van de onkosten, zoals een beloning voor den vinder, tussen den heer en den schout verdeeld in verhouding van 3 en 1. Wanneer een schip op de kust van Urk strandde (de Vormt werd daardoor berucht), dan werd ook het bergloon, na aftrek van het loon dergenen, die den schipper „geholpen" hadden, in dezelfde verhouding tussen den heer en den schout verdeeld. De schout bepaalde het bergloon, natuurlijk met loven en bieden van den schipper. Ik moet hier over dit punt iets meer zeggen. Bekend is het volgende verhaal, dat van Urk, maar ook van verschillende plaatsen aan de Noordzeekust verteld wordt. De vorm, waarin het gegeven wordt, doet zien. dat het reeds in de middeleeuwen ontstaan is. Zekere kustbewoners dan kwamen aan de hemelpoort, maar Petrus weigerde hun den toegang. Ze wisten evenwel den deurwachter op zij te dringen en kwamen toch binnen. Hoe krijg ik ze er weer uit ? dacht Petrus. Plotseling schoot hij den indringers achterna • „Een schip op strand! een schip op strand!" De indringers, ineens op buit belust, stormden toen naar buiten; en de slimme Petrus, blij, dat hij de ruwe gasten kwijt was, wierp de hemelpoort secuur ïn 't slot. Dat dit op zichzelf onzinnig verhaal ontstaan kon en bleef voortleven, bewijst, dat het algemeen menselijk gevoel reeds vroeg in verzet kwam tegen de wrede behandeling, die schipbreukelingen dikwijls van de kustbewoners ondervonden. In oude tijden werd het als een vanzelfsprekend recht beschouwd, dat een gestrand schip met opvarenden en al het eigendom werd van de kustbewoners, althans van hun heer. Als Lucas in Handelingen 28 vers 2 zegt: „De barbaren bewezen ons een ongewone vriendelijkheid", dan tekent hij die bijzonderheid ongetwijfeld aan, omdat de ervaring van schipbreukelingen in den regel heel anders was. Wanneer nu het boven vermeld verhaal ook van de Urkers verteld wordt, dan dient er aan te worden toegevoegd, welken wijzen maatregel reeds in de middeleeuwen een schout van Urk genomen 129


heeft, om aan zekere ongerechtigheden bij het bergingswerk een einde

te maken. Het had hem gehinderd, dat een gestrand schip onmiddellijk door verschillende „redders" overvallen werd, en dat die „redders" dan vaak met elkander een strijd op leven en dood aanvingen, om een aandeel in den „sjouw" te bemachtigen. Toen stelde die schout vier „strandhelpers" aan. Zij alleen mochten, en dat voor een vastgesteld, misschien te karig loon, aan een gestrand schip hulp verlenen; een maatregel, die ongetwijfeld in 't voordeel van den gestranden schipper was, en die minstens tot in de 17-de eeuw heeft standgehouden. Het is zeker jammer, dat de naam van dien schout ons niet bekend is. Een andere vorm van inkomsten voor den heer (de vrouw) waren de boeten, die den overtreders van wettelijke voorschriften werden opgelegd. Ook daarvan kreeg de schout het vierdedeel. En tenslotte. Het was waarschijnlijk een gewoonte geworden, dat de heer (de vrouw) elk voorjaar van Urk een bezending nieuwe haring kreeg. Die gewoonte werd een recht. Een briefje, daarover door den schout, Roelof Lubberts, tot vrouwe Barbara gericht, laat ik hier volgen. „Edele erbare frowe Berbera van Essesten frowe van Orck ende Emelreort etc. Behorlycke obedientie ende wunskens alle salich(eit), soe foegen wij U.G. tweten hoe wij noch redelycken ende wel tpas syn gelyck wij dye doer dye barmhertich(eit) des hemelschen Vaders van U.G. begeren thoeren. Senden U bij desen dye herijng ende solden hem al over lange gesonden hebben dan daer is tot noch toe gans ende gaer ghen fanchst gewest met dye haerde ende lange duerende forst, begeren daer omme op U.G. dat ghij het in danck wilt nemen. Hyer mede den Here befoelen dye U.G. ende ons altesamen wyl nemen in sijn heyligen hoede tot salich(eit). Op Urck den XII Febr. anno 1601. Bij ons U.G. goedtwylligen dyenaeren. Dit is Roelof Lubberts merk X " Op 20 Mei 1612 schreef de regering van Urk aan vrouwe Barbara o.m. : „Aensiende wij uit U.Ed. scrijven verstaen dat U.Edl. niet wel genoget aen den boeking die wij verleden jaren gesonden hebben (twelke ons leet is) so senden wij U.Ed. in plaese van dien drije daler begerende dat U.Ed. tselfste ten besten gelyven tnemen. Want wij dsulvige so duer niet kunnen vercopen". Volgens een aantekening aan den voet van den brief werd die drie daalder berekend tegen 4 gulden 10 stuiver. Daarmee overeenkomende werd in een rapport van 1661 de waarde van de gezonden haring gesteld op 5 gulden jaarlijks. 130


Tegenover die inkomsten stonden natuurlijk uitgaven. Een der vaste uitgaven was de 10 gulden tinsgeld, die volgens het in 1481 gesloten „accoord" op Sint-Maarten (11 November) moest worden betaald. De dames in Elten stonden er op, dat de tins op tijd betaald werd. Toen de rentmeester Van vrouwe Barbara in November 1604 ook het van het voorgaande jaar nog verschuldigde wilde betalen, was de ontvanger van het klooster bijna niet te bewegen, het achterstallige aan te nemen. Vrezend voor moeilijkheden, wendde de rentmeester toen al zijn overredingskracht aan, zodat het geld ten slotte toch aangenomen werd. Andere vaste uitgaven waren de beloningen van de schouten en ondergeschikte ambtenaren. Dan moest de „contributie" „aan het land" worden betaald en moest voor de waterkeringen worden gezorgd. Het laatste liet, zoals we weten, soms te wensen over. De beloning van den pastoor werd gevonden uit de pacht van kerkland en uit particuliere betaling voor het verrichten van zekere ceremoniën. Ook verdiende hij iets met het verrichten van schrijfwerk. Het is niet precies te zeggen, wat ten slotte als winst voor den heer (de vrouw) overbleef. De verschillende jaren liepen zeer uit elkander. De opgaven lopen uiteen van 200 tot 600 gulden 's jaars. Zeker is, dat het door het wegslaan van land veel verminderd was. Zoals we weten, vervulde Roelof Lubberts minstens tot 1601 het schoutambt. Na dat jaar wordt hij niet genoemd. In 1607 maken we onverwacht kennis met een nieuwen schout, Willem Hendrickx, van wien we zeker weten, dat hij een Urker was. Hjj moet door mevrouw Zoudenbalch zijn aangesteld. De schout van Urk schijnt door den heer (de vrouw) steeds iets hoger te zijn gesteld dan die van Emmeloord, en dat kon men op Emmeloord moeilijk zetten. Zo herinneren we ons nog, dat de schout van Emmeloord op het verzoek van zijn collega van Urk, namens den heer gedaan, om op Urk te komen, zelfs niet had geantwoord. Toen in 1611 een bewoner van Emmeloord opgeroepen werd, om voor het „huys to Urck" (denkelijk het schoutshuis) te verschijnen, om daar gerechtelijk ondervraagd te worden, protesteerde hij, zeggende, dat zijn competente rechter op Emmeloord woonde. Toen evenwel het schoutambt op Emmeloord vacant was, verzocht een Emmeloorder een aanbeveling van Willem Hendrickx bij de vrouw, opdat hij voor dat ambt in aanmerking mocht komen. Uit de Papieren Zoudenbalch blijkt o.a., dat het gerecht zijn handelingen liet optekenen in een afzonderlijk boek, „Principaal Instrument" genoemd. Maar dat is helaas verloren gegaan, gelijk ook het Misboek, waarvan in 1556 voor het laatst gesproken werd. In 1661 beklaagde zich de schout, dat sommige registers „verduisterd" waren. Hij zal vooral bedoeld hebben de registers, waarin de 131


transactie van eigendommen en andere notariële beschikkingen waren genoteerd. Zou dat misschien ook met het Principaal Instrument zijn gebeurd? Voor den historieschrijver ontzettend jammer. Hadden schout en schepenen een gerechtelijke moeilijkheid, die ze niet konden „klaren", zelfs niet met gebruikmaking van het oordeel van de schepenen van het vorige jaar, dan riepen ze de hulp van den heer of de vrouw in. Elk voorjaar zonden ze bij gewonen brief in heel eenvoudigen vorm een afrekening van hetgeen er in het afgelopen jaar aan boeten, van den verkoop van stenen, strandgoederen of anderszins was ontvangen. Laat ik nu trachten, gedeeltelijk aan de hand van die rapporten, een voorstelling te geven van het maatschappelijke, het zedelijke en het godsdienstige leven op Urk in het begin van de 17-de eeuw. Er was, zoals we gezien hebben, op den voet van den Berg, maar nog op aanmerkelijken afstand van den top, een nieuw dorp, het derde, opgebouwd. In dat dorp was de nieuwe kerk verrezen, waarin de beeltenis van vrouwe Barbara prijkte. Het valt ons, die in de vervulling van al onze levensbehoeften of van hetgeen wij als zodanig beschouwen door onzen „modernen" tijd zo deerlijk verwend zijn, niet gemakkelijk, een juiste voorstelling te vormen van de huisvesting der Urkers omstreeks het jaar 1600. Tussen toen en nu liggen drie eeuwen van gestadigen „vooruitgang". Toch is er ook in het heden nog wel iets, dat ons kan helpen, om uit de beschikbare historische gegevens een voorstelling op te bouwen, die niet al te ver van de werkelijkheid verwijderd zal zijn. Jammer inderdaad is het, dat de typische Urker huizen, die men tot het einde der vorige eeuw nog bouwde, en waar Reyer en Moerman in „Flevo" zo fijn over geschreven hebben, uit den smaak zijn geraakt. Men wil nu „moderner" bouw en ziet allerlei nieuwe, het dorpsbeeld ontsierende vormen verschijnen. Urk is Urk niet meer, zoals ik het gekend heb. „Het typische verdwijnt", klaagde reeds Havard. Urk vervreemdt zich van zichzelf. En dat helaas niet alleen in den huizenbouw. Intussen waren die „typische Urkerhuizen" alweer „villa's", als we ze vergelijken met de woningen op Urk in het begin der 17-de eeuw. Toen stonden de huisjes op behoorlijken afstand van elkaar, ieder op zijn eigen erf je. Het was, wat men tegenwoordig in villawijken heeft, „open" bebouwing. Van enigen regel in de bouworde, b.v. een rooilijn, wist men niet. Men zette zijn huis zó, dat men van den voorgevel een vrij uitzicht had naar het zuiden. Wee, wanneer een nieuwbouwer het vrij uitzicht van een ander durfde wegnemen. Het kon gebeuren, dat hij 's morgens zijn werk van den vorigen dag tegen den grond vond liggen. Dat is trouwens zo gebleven tot in de eerste jaren van de 19-de eeuw. Maar zo ontstond er op natuurlijke wijze toch een zekere bouwregel: het dorp kreeg een gerekten vorm van 132


west naar oost, en van alle huizen kwam de voorgevel met de deur en de vensters aan den zuidkant. De hoofdvorm van het typisch Urker huis was er omstreeks 1600 ongetwijfeld reeds: een puntige voor- en achtergevel met daartussen een steil oplopend dak. Het voornaamste bouwmateriaal was hout, en dat hout werd niet geverfd, maar, als de scheepjes, geteerd. Van den welstand der bouwers hing het af, of de zijwanden, hoogstens van manshoogte, in steen werden opgetrokken. Bij nog meer vooruitgang werd later ook het onderste, rechthoekige, deel van den voor- en den achtergevel van steen. Het bovenste, driehoekige deel van de gevels bleef steeds van hout. Dat men dit deel in het bijzonder „gevel" noemt, toont aan dat de gehele voor- en achterwand vroeger van hout waren. In den zuidelijken gevel kwamen, zoals ik zei, de deur en een of twee, misschien soms drie, vensters. Het zal een weelde zijn geweest, als het licht door glasruiten naar binnen viel. Geolied papier of linnen of niets zal vaker zijn voorgekomen. De vensters konder zonder twijfel door luiken worden gesloten. Opmerkelijk is zeker, dat men de luikopening in het houten bovendeel van den gevel nu nog „het vienster" noemt, daarbij de ie gerekt uitsprekende. Zo zal men ze vroeger ook in het benedendeel van den gevel hebben gehad. Een strooien of rieten dak dekte het huis af. Het regenwater wist men vermoedelijk zo goed en zo kwaad als het ging op te vangen in een ton of bak, den voorloper van den lateren stenen regenbak, niet regenpwi. Trad men door de lage deuropening al bukkend het huis in, dan viel men in letterlijken zin met de deur in huis, d.i. in het meestal enige vertrek. De vloer lag minstens een voet onder den beganen grond: warm en voordelig. De vloer was van aangestampte aarde; misschien geplaveid met balsteentjes of, bij nog meer welvaart, met esteriken. Van de netheid der bewoners hing het af, op de vloer b.v. 's Zaterdags met vers zeezand of met schelpjes werd bestrooid. Op een verhoogd gedeelte van den vloer tegen den voorwand was de stookplaats. Voor verwarming en voedselbereiding brandde op een rooster een open vuur. Onder den rooster was de „kolk", waarin de as viel. Schoorstenen had men niet. De rook moest door deur en venster of dakreet maar een uitweg zoeken en diende zo voor het tanen van de aan het dak opgehangen netten, of, bij de boeren, voor het beroken van ham en worst, 's Zomers werden de spijzen zeker buitenshuis bereid, een gewoonte, waaruit later de „forten" ontstaan zijn, zoals ze tot in het laatst der 19-de eeuw gebruikt zijn. We keren nu terug in het huisvertrek. Men denke zich tegen een zijwand, maar niet aan den kant der deur, een of twee bedsteden, al of niet met een opstapbankje er voor. Tussen de bedsteden en den voorwand bleef allicht nog enige ruimte over. Die droeg den eigenaardigen naam van „vaotaoren". Ra, ra, wat betekent dat? 133


Ik neem aan, dat het eerste deel een vervorming is van „waat" of gewaad; men denke aan lijnwaad. De vaotaoren was vanzelf uitstekend geschikt, om er kleren op te hangen. Soms zette men er een schrijn neer, of een „zoor", een broodkast. Misschien stond in enkele huizen al een „kesse" ter berging van het linnengoed en de Zondagse spullen. Een kesse is ouderwets; een „kas" (een vaste kast) is modern. Wanneer we ons nu tegen het verhoogde vloergedeelte een tafel en een paar bankjes denken en hier of daar, misschien tegen den achterwand, een „bordenrik", dan is de voorstelling ongeveer volledig. Een zoldering had men niet in de huizen. Maar wel vraag ik bijzondere aandacht voor den „balk", die in geen enkel huis ontbrak. Het was een stevige houten balk, van zijwand tot zijwand dwars door het vertrek gelegd en met de uiteinden rustende op tegen die zijwanden geplaatste stijlen. Hij diende, om het huis stevigheid te geven. Daar de zijwanden van het huis ook van binnen niet hoog waren, kon die balk gemakkelijk worden gebruikt, om klein huisgerei weg te zetten, of de kerkstoof aan op te hangen. Om de ruimte voor berging wat te verbreden, werden er soms een paar planken naast gelegd. Zo groeide de balk mettertijd aan tot een zolder. Maar men bleef spreken van den „balk", zoals men dat in mijn jeugd nog deed, ook wanneer men een volledige zoldering had. Natuurlijk was er wel enig verschil. Dat hing van den welstand der bewoners af. Ook was er bij de boeren allicht meer ruimte en gerief dan bij de vissers. De boeren hadden achter het woonvertrek, misschien kan ook gezegd worden: achter het woongedeelte, de stalling voor het vee; maar het verblijf der dieren verschilde in geriefelijkheid weinig van dat der mensen. De hooibergen der boeren stonden afzonderlijk. Van den graanmolen heb ik reeds gesproken. Dan waren er ook nog een paar winkels, waar „eenyge cleyne feylinge ofte waeren" gekocht konden worden. De winkelier oefende tevens een ambacht uit. Soms was er aan den winkel een tapperij verbonden. Voor het openen van een winkel of tapperij had men vergunning nodig van den schout en soms van den heer (de vrouw). Het spreekt vanzelf, dat het schoutshuis, de woning van den pastoor en de woningen van hen, die tot meer dan gemiddelde welvaart gekomen waren, in ruimte, in bouwmateriaal en in afwerking zich van de andere woningen zullen hebben onderscheiden; maar voor het merendeel der 300 bewoners van het eiland was de huisvesting zó, dat de tegenwoordige Urkers vreemde ogen zouden opzetten, als ze zich in de woningen hunner voorouders moesten behelpen. Wat het grondbezit betreft, had zich omstreeks het jaar 1600 een eigenaardige toestand ontwikkeld. Het Staverse klooster, de kapel te Fecke op Vlieland, Staverse en later Kamper burgers had134


den weleer landerijen of tiendrechten op Urk bezeten; ook waren, ten dele daarvóór en ten dele daarna, het klooster te Keulen en dat te Elten grootgrondbezitters op Urk geweest, maar door verschillende oorzaken was dat in den loop der eeuwen geheel veranderd. Het enige, dat van dat alles was overgebleven, was het recht van het klooster te Elten op 10 gulden tinsgeld, jaarlijks door den heer (de vrouw) te betalen en metterdaad ook tot het einde der 18-de eeuw betaald. Nu was er slechts sprake van drie grondbezitters van enige betekenis: de kerk, de heer (de vrouw) en „het corpus der inwoonderen in zijn geheel.1' De kamp land van de kerk werd, voor zover er niet reeds huizen op waren gebouwd, gewoon verpacht. De pacht vormde een deel van de inkomsten van den pastoor. Het bezit van den heer (de vrouw) was veel meer. Het was tweeledig. Ten eerste was hij eigenaar van de z.g. Herenkamp. Weleer had er het Herenhuis op gestaan, maar dat was, ongetwijfeld wegens bouwvalligheid, afgebroken en vervangen door een nieuw gebouw, vermoedelijk een boerderij, die met het erf (de „werf" zei men) verpacht werd. Dan had de heer het tiendrecht van een nog groter gebied, meest bouwland, dat hij aan de boeren gemeenschappelijk in gebruik gaf. Het heette „de miente" of „gemiente", in welke woorden de ie gerekt moet worden uitgesproken. Het lag, vermoed ik, op en om den Berg. Het was denkelijk hetzelfde land, waarop het Staverse klooster of de kapel te Fecke weleer tiendrechten bezeten had, waarom het in de vijftiende eeuw nog Monnikenlahd heette. Er zal een bepaalde regel hebben bestaan, die aangaf, hoe het ging met de verdeling van den oogst. Allicht hield die verdeling rapport met den op „de miente" verrichten arbeid. In de 17-de eeuw werd er klaver en „kennip" (hennep) op verbouwd. En nu de derde eigenaar, „het corpus der inwoonderen gezamenlijk". Het betrof hier het hooiland op „het lage land". Er moet terdege onderscheid worden gemaakt tussen het eigendomsrecht van dat land en het recht op de eerste snede van hei daarop gegroeide hooigewas. Het eigendomsrecht verbleef aan de gezamenlijke burgerij, maar de z.g. landers kregen recht op de eerste snede, elk jaar. Daarna was ieder jaar, nadat de landers of hun erven de eerste grassnede hadden weggehaald, het land weer ter beschikking van het „corpus der inwoonderen", om er hun vee op te laten grazen. Het hooirecht der landers ging, evenals hun naam, over op hun erfgenamen en zelfs op degenen, die dat recht door aankoop verkregen. Op den duur werden de landers in het dagelijkse leven wel landeigenaars genoemd, zodat die naam zelfs wel in officiële stukken voorkomt; maar dat was onjuist; als men zich nauwkeurig uitdrukte, sprak men van de eigenaars van het hooigewas. In het begin der 135


17-de eeuw schijnen er 24 landers te zijn geweest. Elk kon rekenen op I6V2 kruidel. Een kruidel hooi was denkelijk zo veel, als op een krui, een kruiwagen, kon geladen worden. De onderlinge verdeling van het hooigewas geschiedde volgens regelen, die de landers zelf gesteld hadden en waaraan ook de latere landers zich hielden. Die verdeling van het hooigewas, of, zoals het in de wandeling gezegd werd, van het hooiland, heeft tot zeer ingewikkelde toestanden en daardoor tot veel abuizen en zelfs tot vee) ongerechtigheden geleid. Waren de klachten al te veel en al te ernstig geworden, dan had een „hermeting" van het land plaats. Ter bespreking van algemene belangen, ter beslechting van geschillen als anderszins vergaderden de landers nu en dan in de kerk. Een kerkgebouw werd trouwens, en dat niet alleen op Urk, meermalen voor maatschappelijke doeleinden gebruikt. Bijzondere maatregelen werden er door de overheid des Zondags of op een anderen kerkdag afgekondigd. De vergadering van de landers kreeg als vanzelf den naam van landerskerk. Lang nadat niet meer van de kerk gebruik werd gemaakt, bleef toch de naam landerskerk in gebruik, wanneer de landersvergadering bedoeld werd. Het dagelijkse toezicht op de handelingen der hooirechtbezitters werd uitgeoefend door een landrechter of landrecht. Hij kreeg onwillekeurig enigszins de betekenis van een overheidspersoon. Zijn aanstelling ontving hij vermoedelijk van de landerskerk. Later hoop ik op het hooirechtbezit terug te komen. De op Urk verbouwde producten waren oorspronkelijk voldoende geweest, om in de behoeften van de bevolking te voorzien; maar er sloeg zo veel weiland weg, dat er hoe langer hoe meer bouw- in weiland moest worden veranderd en dat een deel van het bouwland voor het telen van veevoeder gebruikt moest worden. Bovendien werd het bouwland nog ingeperkt door het bouwen van woningen. Zo werden de verhoudingen gaandeweg gewijzigd. Het getal bouwboeren verminderde gestadig en is mettertijd geheel verdwenen. Reeds omstreeks 1650 werden de nodige landbouwproducten van elders aangevoerd. Op den Berg werd toen nog wel hennep en klaver verbouwd, maar er werd ook sinds lang vee geweid. Het bouwland is er ten slotte geheel verdwenen. Natuurlijk verminderde op den duur ook het aantal veeboeren, althans van hen, die uitsluitend als zodanig hun bedrijf uitoefenden. En zo werd Urks bevolking hoe langer hoe meer, wat ze later in hoofdzaak was: vissersvolk. Onder de hooirechtbezitters, op den duur voornamelijk bakkers en andere „landlui", waren niettemin ook nog enkele vissers, die één of meer stuks vee hadden, gelijk dat in lateren tijd met mijn eigen overgrootvader en grootvader het geval was. Commelin maakt in zijn „Vervolg der beschrijving van Amsterdam" melding van een eigenaardig gebruik, dat op Urk werd inge136


voerd. „In den jare 1606", zegt hij, „is ook hier (op Urk) in gebruik gekomen een henshoorn, welke henshoorn in dien tijd anders geen gebruik had." Deze invoering, allicht het werk van den nieuwen schout, Willem Hendrickx, had natuurlijk betrekking op het verkrijgen van het burgerrecht, waaruit dan weer voortvloeide het recht, om mede gebruik te mogen maken van de gemeenschappelijke bouw- en weigronden. Dat dit recht niet terstond aan ieder, die zich op het eiland vestigde, gegeven werd, is te begrijpen. Oorspronkelijk verkreeg een vreemdeling het burgerrecht, als hij twaalf jaar op Urk had gewoond, of na een korteren tijd, als hij met een Urker vrouw getrouwd was. Dat nu aan die voorwaarden het drinken van den henshoorn werd toegevoegd, is te begrijpen in een tijd, waarin telkens landverlies te betreuren viel. Ter toelichting het volgende. In onze heemraadschappen werd, bij het aannemen van een nieuw lid, uit een hens- of hansbeker gedronken. Men noemde dat hensen. Dit woord betekende niet alleen het aanbieden van den beker aan het nieuwe lid, maar ook het drinken van dit nieuwe lid zelf. Zo werd het een waar drinkgelag. „Of noch een ander vond een beker om te henszen, Een horen na de konst, dat moet dan uitflenssen En suypen dat men steent en puylooght in den kop." Op Urk nu voerde men niet het hensen uit een beker in, maar de toen ouderwetse en nergens meer gebruikelijke manier van het drinken uit een horen. Of het tot zulk een onmatigheid heeft geleid, als hier boven getekend, weten we niet; maar in ieder geval was het drinken van den henshoren het bewijs, dat men in de burgerij was opgenomen. Hoe lang het stand heeft gehouden, is niet bekend. Mèt den eigenlijken boerenstand zal het uitgestorven zijn. Op de Zuiderzee werd voornamelijk naar haring gevist, denkelijk met kuilen en, bij de kust, met zegens. Ook de Urkers zullen zich daarbij hebben moeten houden aan het plakkaat, dat in 1611 door de Staten van Holland en West-Friesland werd uitgevaardigd: „Niemand sal bij den anderen so na mogen setten of anckeren, dat dengeenen, die eerst ter selver plaats gelegen heeft, daar door eenig sints verhindert soude mogen worden om sijn wand bequamelick te mogen schieten, bij een poene van 150 gulden." Kras genoeg, en ongetwijfeld een bewijs, dat er nog al eens bittere krakelen op zee voorvielen. In de 17-de eeuw waren op Urk, voor de visserij en de vrachtvaart, drie scheepstypen in gebruik: de ever, de haag en de kof. De ever was een vaartuig van gerekten vorm en met steilen steven, dat elders voor de binnenvrachtvaart, maar op Urk in kleiner maat en zonder mast of roer als visboot werd gebruikt. In 1610 werden „vijf ewtoerluyden" met vijf gulden beboet, „datsij in de zee gewest sijn", vermoedelijk zonder verlof van den schout. Het woord euwer zal moeten v/orden uitgesproken als eeuwer, en er zal 137


een ever mee bedoeld zijn. Het gebruik van de ever verminderde

gaandeweg. Dat er niet maar van vijf visserlieden, maar bepaald van everlieden sprake is, bewijst al, dat er ook al andere schepen voor de visserij werden gebruikt. Zo kwam hoe langer hoe meer de kaag of kogge, oorspronkelijk voor de vrachtvaart gebezigd, ook in gebruik bij de visserij. Den grondvorm van de kaag, meer ovaal dan de ever, verkrijgt men, als men van de in de vorige eeuw op Urk algemeen gebruikte schuit (waarvan in de Gereformeerde kerk nog een volledig opgetuigd en zeer nauwkeurig model hangt) het „boegsel" (boeïsél) wegdenkt, dus de borstwering boven het „berghout". Bij de vrachtvaart kwam er waarschijnlijk het eerst het boeisel op, om de laadruimte te vergroten. En daar het ook de zeewaardigheid bevorderde, vond het navolging bij de viskogge, zodat men toen den vorm van de na dien veel gebruikte schuit kreeg. Op Urk sprak men altoos van een „skeut'% maar buiten Urk werd het scheepje vaak een schokker genoemd: waarschijnlijk niet, omdat het ook op Schokland gebruikt werd, maar om de eigenaardige, schokkende manier, waarop het over de golven danst. Door de meerdere zeewaardigheid van de schuit, werd het bezwaar, om de Noordzee op te gaan, minder groot. In dezelfde boetelijst, waarin van vijf euwerluyden sprake is, wordt ook vermeld, dat iemand (de broer van den schout!) een gulden boete gekregen had, „dat hij kablae gewoort heeft op een Soondach." We kunnen daarvoor lezen: dat hij kabeljauw vervoerd heeft op een Zondag. Daar blijkt uit, dat er reeds naar kabeljauw werd gevist. Men neme er even nota van, dat het woord kabblae zo bijzonder lijkt op de tegenwoordige uitspraak in het Urks: kabbelaauw. De ever was waarschijnlijk door 2, de kaag of schuit door 3 personen bemand. In 1613 werden twee personen, vermoedelijk everlieden, gezamenlijk met een kroon beboet, omdat zij zonder verlof waren weggevaren. En drie anderen kregen samen een boete van een Spaansen daalder, „dat sij op een Soondach voor sonne in d zee sijn gefaren". Die drie bevoeren zeker een kaag. Dergelijke boeten kwamen telkens voor. In de 17-de eeuw was de vrachtvaart voor de Urkers en nog meer voor de Emmeloorders een meetellend middel van bestaan. Behalve de kleinere kogge werd er ook de kof voor gebruikt, een schip met breden achtersteven en soms twee masten. De naam Koffeman, op Urk voorkomende, herinnert er nog aan. Met allerlei koopwaren, van eigen en van anderen bodem, voeren de Emmeloorders en Urkers den IJsel op, zelfs tot aan Deventer. De oorsprong van die vaart op den IJsel was denkelijk al heel oud: Prof. Kist geeft in „Het Necrologium en het Tijnsboek van het Adelijk Jofferenstift te Hoog-Elten", in 1853 te Leiden verschenen, enige bijzonderheden, die dat vermoeden wettigen. In 973 had keizer Otto II aan de abdij te Elten de belangrijke keizerlijke inkomsten geschonken van de visserij op den IJsel en tevens 138


die van den IJseltol bij Katerveer, den z.g. Katentol. De abdij was gewoon, dien tol aan den meestbiedende te verpachten en daarbij te bedingen, dat de opgezetenen van de bezittingen van het klooster, dus ook de bewoners van Urk en Emmeloord, voor zover ze in het aan Elten geschonken gebied woonden, bij de vaart op den IJsel vrijdom van tol zouden hebben. Het kon niet anders, of dat moest de vrachtvaart der betrokkenen bevorderen. Ze zullen een geregelde vaart onderhouden hebben, b.v. tussen Stavoren en de IJselsteden. Daarbij zullen de Urkers ook de artikelen, die uit hun eigen land konden worden uitgevoerd, zoals boter, konijnevellen en zeehondevlees, aan den man hebben gebracht. Met het oog op de vrije passage langs den Katentol zorgden ze daarbij steeds, een bewijs van hun herkonist bij zich te hebben, een soort zeebrief dus. Nu kwam de Katentol, waarvan de inkomsten dus aan Elten toekwamen, in 1241 tot een „eeuwige erfpacht" aan de stad Deventer, die daarvoor jaarlijks een vaste som aan het klooster betaalde. De daareven genoemde voorwaarde bleef gehandhaafd. Het heffen van tol bij Katerveer door ambtenaren van de stad Deventer, terug te brengen tot het recht van het Eltense klooster geschiedde dus volkomen terecht. Maar mettertijd geraakte de oorsprong van dat recht in het vergeetboek en kreeg het den schijn, alsof de tolheffing door de stad Deventer geheel willekeurig geschiedde. Arnhem, Harderwijk, Kampen en Amersfoort, welker schippers ook den IJsel bevoeren, was die tolheffing steeds een aanstoot. Kampen vooral, dat er het meeste belang bij had, verzette zich. Dat verzet nam een bepaalden vorm aan, toen de regering van Kampen besloot, zelf tol te gaan heffen van de schepen, die de stad passeerden. Ook de Emmeloorder en Urker vrachtvaarders werden te Kampen geprest tot het betalen van tol. Natuurlijk beriepen zij er zich op, dat ze altoos vrije vaart op den IJsel hadden gehad en toonden ze hun zeebrief. Maar de Kamper tolgaarders bleven bij hun eis. Dat gaf telkens geharrewar, zo niet erger. In 1610 meende Kampen aan het verzet der Emmeloorders en Urkers een einde te kunnen maken door het volgende raadsbesluit. Zie Raadsresoluties 1587—1612. 30 Aug. 1610. Emmeloerdt, Urck. Tol. Schepenen ende Raedt der stadt Campen, gevisiteert ende ge-examineert hebbende, het bewijs, ende bescheyt bij den van Em-meloert en de Urck, voer desen tot verscheyden malen haer E. gepriesenteert, daer bij deselve sustineren, van deser stadt Cam-pens tol vrij, ende exempt toe sijn, hadden denselven des tijdes, daer-op voer antwoerdt, durch den Burgermeester inder tijd laten affgeven, haer E. in ghienen wege, uuyt het voer- angetoegene bewijs, te kunnen verstaen, dat die van Emmeloordt ende Urck 139


alhier mit haere guideren verbij passierende, van der stadt Campens toll, vrij solden wesen, ende dat sie over sulx, soe verre sie eenige vrijdoem van tollen alhier begeerden te genieten, bewijsen mosten, onderhoerigen te wesen entweder (hetzij) vant Sticht van Utrecht, offte van dese provincie, ende aldaer tot stuijr van den oorloge gelijck anderen te contribueren weshalven haer E. alnoch bij soedane affscheyt (weigering) persisteren, ende hebben den Burgemeesters inder tijt annermaels belastet, dese haere meening den van Emmeloert, ende Urck wel ernstlick aen te seggen, ende daer beneffens te verwaren (waarschuwen), dat haer E. uuijt het tegenwoordige vermeente overgeleverde bewijs alnoch niet kunnen verstaen, den van Emmeloert ende Urck alhier eenige vrijdoem van tollen, weghen haere ver-bij passirende guideren te comyeteren ende dat sie tot dien eijnde gelijck andere onvrijen geholden sullen wesen te betaelen. Actum op den Raedthuijse den 30 Augusti 1610." De conclusie, waartoe de Staten van Overijsel in 1556 met betrekking tot Urk en Emmeloord waren gekomen: „ergo onder Overijssel gehoerich", komt door dat besluit van Kampen wel in een eigenaardig licht. Natuurlijk konden de betrokkenen niet voldoen aan den eis, cm aan te tonen, dat ze mee bijdroegen in de oorlogslasten van het Sticht of Overijsel. Ze zullen wel geëindigd zijn met voor de overmacht te bukken. Het recht is niet altoos aan de zijde van de groten. Kampen ging hier buiten zijn boekje. Ook met de winsten, die de vrachtvaart opleverde waren de inkomsten der bevolking over het geheel niet zó, dat de schatters voor de verponding in Holland in 1607 Urk op het kohier durfden plaatsen. De voorspoed, dien Urk gedurende den Hanzebloei gekend had, was voorgoed voorbij. Het eiland had in dien tijd geen andere geneeskundige hulp dan misschien van een barbier. Bij ongesteldheid probeerde men het zo lang mogelijk met hulpmiddelen, maar in ernstige gevallen moest er toch raad gehaald worden „aan den wal". Bij het ongerieflijk en langzaam vervoer is het te begrijpen, dat men daartoe eerst in den uitersten nood besloot en dat het dan vaak te laat bleek. Een vroedvrouw was er, althans enige jaren later, wèl. Ik kom tot de bespreking van het zedelijke leven der Urkers in het begin der 17-de eeuw. Zonder twijfel kan dat het best gekend worden uit de wettelijke voorschriften en uit de opgelegde straffen. Wat de laatste betreft, moet worden opgemerkt, dat alleen enkele boetelijsten te onzer beschikking zijn. Alleen van Emmeloord kennen we uit het jaar 1597 een geval van verbanning wegens doodslag. De heer gaf later den verbannene vergunning tot „landwinning", d.i., om tot zijn woonplaats terug te keeren, indien aan de daaraan verbonden geldelijke voorwaarden werd voldaan. 140


Over de rechtsregelen van 1415, eigenlijk de grondwet van den kleinen staat tot 1792 toe, is reeds gesproken. Behalve die algemene rechtsregelen blijken er op Urk ook plaatselijke voorschriften te hebben bestaan. Zo hebben we gezien, dat b.v. het vissen en het vervoeren van vis op Zondag en het uitvaren zonder verlof van den schout verboden waren. Ook voor het verbreken van trouwbeloften werd boete opgelegd. Tegen het gebruiken van vals gewicht en valse maat werd onverbiddelijk opgetreden, en laster in het bijzonder werd zwaar gestraft. Geeft een en ander ons een goeden indruk van het zedelijke gehalte van overheid en bevolking, daar staat tegenover, dat in twistgedingen nog al gauw naar het mes werd gegrepen, waarbij de vooraanstaanden onder de bewoners geen uitzondering maakten. Een Urker is kort aangebonden, en iedere man droeg blijkbaar steeds een flink mes bij zich. De toenmalige schouten, Roelof Lubberts en Willem Hendrickx, straften zonder aanzien des persoons. In 1596 was Lubbert, de oudste zoon van den schout, onder de beboeten. Willem Hendrickx heeft zijn zwager eens boete opgelegd voor het hebben van te licht gewicht; ja, zelfs zijn eigen broer, die een lastig heer blijkt te zijn geweest, heeft hij driemaal beboet. Zulke overheden waren ongetwijfeld een zegen voor het volksleven, terwijl we tevens kunnen besluiten, dat bij de aanstelling van een schout een strenge keur werd geoefend. Een andere eigenaardigheid is, dat onder de beboete personen ook oud-schepenen voorkomen, en dat beboete mannen soms zelfs kort daarna zonder bezwaar in de schepenbank werden gekozen. Zo werden Claas Hendriks, des schouts broer, en Bartelt Jans in 1611 elk beboet met „een halve Spansche cluyt", „overmidts sij eenige scortige (beledigende) woorden tegen malcanderen gehadt hebben." Maar dat verhinderde niet, dat Claas op den eerstvolgenden Goeden Vrijdag tot schepen werd gekozen; en toen had hij als schepen de boetelijst van 1611 te ondertekenen, waarop hijzelf onder de beboeten voorkwam! Was dat nu door de uiteraard beperkte keuze iets typisch Urks of kwam het ook elders voor? In de Papieren Zoudenbalch hebben we opgaven omtrent boeten, die opgelegd zijn in 1596, 1600, 1610, 1611, 1612 en 1613. Het gaat dus over zes jaren. Twee personen werden veroordeeld voor het hebben of gebruiken van valse maten of gewichten; 4 voor het maken van twist en het spreken van „scortige" woorden; 6 voor het trekken van het mes of het toebrengen van verwondingen; 2 voor een lasterlijke aantijging; 3 voor het schenden van trouwbeloften; 8 voor het overtreden van visserijvoorschriften en 7 wegens onbekende redenen. Dat is veel op een bevolking van nog geen 300 zielen: gemiddeld 5 veroordelingen per jaar. Tot het nazien van maten en gewichten werd door schout en schepenen nu en dan een rondgang bij de winkeliers gedaan. Bij 141


zo'n gelegenheid was de zwager van den schout bekeurd. Het andere geval betrof zekeren Jacob Lamberts (van wien later meer), die indertijd, tegen het verbod van den heer Gerrit Zoudenbalch, een nering en een tapperij begonnen was en die was aangeklaagd wegens het gebruiken van een te kleine zoutmaat. De twisten, scortige woorden, mestrekkingen en verwondingen vonden of hun oorsprong in de herberg óf waren het gevolg van een averechtse toepassing van de wet van „het mijn en het dijn", b.v. bij erfeniskwesties. De vraag, die nu nog wel op Urk met betrekking tot een bepaald persoon gedaan wordt: „Heb je al met hem geërfd?" schijnt wel een historischen achtergrond te hebben. In ieder geval bleek ons, dat de overheden op Urk in dien tijd geen gemakkelijke taak hadden. Maar wanneer hadden ze die wel? Daartegenover moet ook worden opgemerkt, dat het leven van eerlijkheid en eerbaarheid, van vredelievendheid en goede trouw, dat door zo veel anderen geleid werd, uiteraard geen neerslag in de boetelijsten gevonden heeft.

Ten slotte een bespreking van het godsdienstige leven in dien tijd, waaraan vanzelf verbonden kan worden de vermelding van de pogingen tot reformatie. Vooraf iets over het schoolonderwijs. Dat lag toen op Urk nog in windselen. Sinds de 7-de en de 8-ste eeuw was het geven van onderwijs voornamelijk de taak van de dienaren der kerk. Voor de stoffelijke belangen van de school, gelijk trouwens ook van de kerk, zorgde de overheid, die daarvoor, ook op Urk, haar kerkmeesters had. Ook op Urk was het geven van onderwijs opgedragen aan den pastoor. Het zal zich hoofdzakelijk bepaald hebben tot het leren van de kerkelijke gebeden, als b.v. het „Vaderons" en het „Ave Maria". De bekwaamheid van den pastoor, om in lezen en schrijven te onderwijzen, schijnt niet bijzonder groot te zijn geweest, want nog in 161-1 kon geen der overheidspersonen op Urk zijn naam zetten. Ook moeten we niet vergeten, dat men toen nog geen leerdwang kende. Omtrent het kerkelijke leven op Urk in het begin der 17-de eeuw deed Casparus Commelin enige mededelingen in zijn „Vervolg van de beschrijving van Amsterdam".' Volgens hem onthielden zich toen op Urk nog enkele verlopen papen en monniken. Ze maakten wijwater, ze leerden het volk de heiligendagen en lieten in rouwkleren bedevaarten om de kerk doen. Op Kerstavond deed men bijzondere penitentie: blootshoofds en barrevoets (!) trokken de „vromen" naar de kerk, die door vele kaarsen verlicht werd; ze deden een omgang om de kerk en woonden de mis bij en brachten er daarna een tijd biddende door. Op Paasmorgen werd in de kerk gezongen: „Christus is opgestanden Al van der moordenaarshanden." 142


Wanneer dat alles zo heeft plaats gehad, dan geeft het wel een indruk van zekeren godsdienstigen ernst. De rouwkleren zullen uitdrukking hebben moeten geven aan de droefheid over den voortgang in het vaderland van hetgeen men „ketterij" achtte. Maar bij deze eigenlijk slechts fragmentarische mededelingen moet men in het oog houden, dat het boek van Commelin verscheen ongeveer 70 jaar nadat de vermelde gebeurtenissen waren voorgevallen. Hij had zijn mededelingen ontvangen van den predikant op Urk, en deze had ze weer van oude lieden, die ze in hun jeugd hadden beleefd. Toen hadden ze nog het rechte onderscheidingsvermogen gemist, en toen ze de dingen aan den predikant verteld hadden, hadden ze alles met Protestantse ogen bekeken. Als er dan ook van „enige verlopen papen en monniken" gesproken wordt, kunnen we de mededelingen der oudjes gerust in dien zin corrigeren, dat de kerkdienst in hun jeugd wel degelijk door geordende pastoors werd geleid, die onder de bescherming van de hoogste overheid op Urk nog ongestoord hun functie konden uitoefenen. We moeten niet vergeten, dat Urk met Emmeloord een hoge en betrekkelijk geheel zelfstandige heerlijkheid vormde, een staatje op zichzelf. Wanneer ik de verschillende schrijfhanden in de van Urk verzonden stukken vergelijk, kom ik tot de conclusie, dat er, zeg in het eerste kwart der 17-de eeuw minstens drie pastoors zijn geweest. Gabinius Sijndel, ons reeds bekend, schreef blijkbaar de stukken van 12 Februari tot 18 Juni 1601. Dan is er een gaping. Van 23 Augustus 1607 tot 7 October 1611 is er een andere sehrijfhand, van pastoor nommer 2, denk ik. En weer een andere sehrijfhand, vermoedelijk van den derden pastoor, is op te merken in de stukken van 10 Mei 1612 tot 19 November 1614. Dan houdt de verzameling op. Afgaande op hun eigenaardige spelling kom ik tot de veronderstelling, dat ze uit het oosten van Nederland afkomstig waren en dus door bemiddeling van het bisdom Deventer op Urk waren gekomen. Ik twijfel er althans niet aan, of ook de laatste twee schrijvers waren pastoors. Eerste bewijs. Op 6 Februari 1620 verklaarden afgevaardigden van de classis Enkhuizen, dat op Urk „tegenwoordichlyck die pauselycke superstitie bij een paep (d.i.: door een pastoor) geoeffendt werdt." Tweede bewijs. In de vergadering van de classis Kampen op 4 Januari 1621 klaagde de predikant van Ens „over den ongaedelicken paepschen godts dienst gevoert werdende soe tot Orck als Emmeloe." Derde bewijs. Op 31 Januari 1622 verklaarden deputaten van de Overijselse synode in een brief aan de Staten Generaal, waarin zij den toestand schetsten, die toen in elk geval kort geleden bestaan had: „dat tot Urck en Emmeloort noch papen stonden, doende misse ende andere affgodendienste." De lezer herinnert zich misschien, dat, in den oorlog, van 1914 143


tot 1918 gevoerd, op Urk een kamp was ingericht, om de over onze grens gevluchte Belgische en Engelse officieren te interneren, en ook, dat toen zo nu en dan een Rooms pastoor op Urk kwam, om voor de Roomse geïnterneerden de mis te bedienen. Welnu, één van die pastoors, op Urk terstond bekend als „de dikke pastoor", maakte in 1916 of '17 de opmerking, dat het toen 300 jaar geleden was, dat op Urk de laatste mis was opgedragen. De hier boven gegeven aanhalingen uit officiële stukken tonen aan, dat die pastoor er wel dicht bij was. Ik neem aan, dat gedurende het eerste kwart van de 17-de eeuw op Urk nog een geordend pastoor heeft gestaan. Dat niet alleen de pastoor zelf, die immers naar zijn ambt nog de „bedienaar des Goddelijken Woords" op Urk was, in zijn persoonlijke brieven aan de Landsvrouw zich van zekere godsdienstige termen bediende, maar dat dit ook gebeurde, wanneer hij tegenover haar de mond van de plaatselijke regering was, doet zien, dat, ook vóór de Reformatie, de overtuiging in het hart der mensen leefde: „De mens zal bij brood alleen niet leven"; hoe die overtuiging dan ook in de practijk des levens mocht worden teruggedrongen. De toon in de jaarlijkse rapporten of in andere geschriften aan de Landsvrouw was steeds niet alleen hartelijk en gemoedelijk, maar ook - vroom. Het „goeden nacht!" blijkt ook toen al gebruikelijk te zijn geweest. „Genacht hoor!" is nog de laatste en naar zijn bedoeling diep ernstige en vrome groet, dien de naar zee vertrekkende Urker visser den zijnen toeroept, al is het midden op den dag. En zonder mankeren is het antwoord van de achterblijvenden: „Genacht!" En nu de pogingen, die gedurende het bestuur van vrouwe Barbara gedaan zijn, om de kerk van Urk tot reformatie te brengen. Ik zeg: de pogingen, want de reformatie zelf kan eerst in het volgende hoofdstuk behandeld worden. Na de eerste levensritselingen heeft het nog dertig jaar geduurd, voordat de eerste Gereformeerde predikant in zijn ambt werd bevestigd. Wie zijn er in die periode van voorbereiding al niet aan te pas gekomen ? De kerkeraden van Enkhuizen en van Kampen; de dassen van dezelfde namen; de particuliere synoden van Noord-Holland en die van Overijssel; de Gecommitteerde Raden in West-Friesland en het Noorderkwartier; de Staten van Holland en West-Friesland; Ridderschap en steden van Overijsel; de Staten Generaal. Behalve dan natuurlijk nog de Vrouw van Urk en haar opvolger in de heerlijkheid. Zeer jammer is het, dat het archief van de oude classis Enkhuizen, die zo veel voor de zaak gedaan heeft, in 1838 bij een brand in de Grote Kerk te Hoorn is verloren gegaan. Gelukkig geeft de geschreven of ook reeds gedrukte neerslag van den arbeid der andere instanties tamelijk voldoende gelegenheid, om de geschiedenis van die dertig jaren op te bouwen. 144


Het begon zo eenvoudig, zo gewoon. Zekere Jasper Jans had zich, vermoedelijk in 1597, op Urk gevestigd. Hij was er, met goedvinden van de autoriteiten, een ambacht begonnen en had tegelijk een winkel geopend. Wat hem, wiens ogen voor de dwalingen der Roomse kerk geopend waren, bewogen mocht hebben, zich op het nog geheel Roomse Urk te vestigen, is niet te zeggen. Welnu, dezen Jasper Jans - men onthoude zijn naam! - kunnen we beschouwen als den voorloper van de Hervorming op Urk. Bij zijn komst op het eiland heeft hij natuurlijk den schout moeten ontmoeten. Het wil mij voorkomen, dat die twee mannen, zonder veel woorden te wisselen, elkander toen reeds hebben verstaan. Er was of er kwam in dien tijd een pastoorsvacature op Urk. Zoals we weten, schreef de schout toen aan het slot van een brief aan den Heer: „Wij en hebben hier gheen predicant daeromme moet voorsien sijn." De „predicant", die er kort daarna gekomen is, was de pastoor Gabinius Sijndel. Heeft Jasper Jans het toen misschien al anders gehoopt? Toen er in 1599 een verwisseling van het hoogste gezag in de heerlijkheid moest plaats hebben, kon, in het bijzonder bij Jasper Jans, opnieuw de hoop opkomen, dat er gelegenheid tot reformatie zou zijn. Diezelfde hoop schijnt gevoed te zijn door den kerkeraad van Enkhuizen, want die bracht de zaak ter sprake in de vergadering van de classis. Deze zond haar door naar de vergadering van de particuliere synode van Noord-Holland, die 21 Juni 1599 te Alkmaar begon. In de acta dier synode is dienaangaande dit aangetekend: „Is ooc goetgevonden, dat de sorge ende inspectie van het eylant van Ure den classe van Enchuysen sal opgeleyt worden." Ziedaar het eerste officiële, kerkelijke bericht aangaande de reformatie van Urk. Het is kort en sober. „Sorge ende inspectie"; meer niet. Kort daarna, toen intussen Barbara van Essesteyn de regering over de heerlijkheid Urk en Emmeloord had aanvaard, begon de classis Enkhuizen zich te kwijten van de haar opgelegde taak. Allereerst vroeg zij aan de meer genoemde Gecommitteerde Raden vergunning, om den kerkelijken toestand op Urk op te nemen. Op 3 December 1599 verkreeg de classis autorisatie. De „twee dienaren", die door de classe waren aangewezen, om de inspectie van Urk uit te voeren, richtten zich vervolgens namens de classe tot de Vrouw van Urk, om tot het houden van die inspectie haar toestemming te vragen. Na het bekomen van die toestemming zouden zij zich in verbinding stellen met den pastoor op Urk, „om met hem vrintlick te handelen ende te confereren ten eynde hij goede eenicheyt soude onderhouden mette kerekendienaren des voern. classis, daeraen tvoersz. eylant naest gelegen is." 145 10


De bedoeling was dus, om in het centrum zelf van het kerkelijke leven op Urk te beginnen, en om te trachten den pastoor tot overtuiging van dwaling en tot den daaruit voortvloeienden overgang naar den gereformeerden kerkdienst te brengen. "Veel pastoors in den lande hadden denzelfden gang gemaakt. Achter deze manier van optreden werkte een beginsel, zoals we dat later ook ontdekken zullen in de handelingen van de classe Kampen. Natuurlijk had het ook anders en ogenschijnlijk eenvoudiger gekund. Men had Jasper Jans kunnen aanraden, gelijkgezinden om zich heen te verzamelen en tot onderlinge stichting en opbouwing in de zuivere leer samenkomsten te houden, op hoop, dat daar mettertijd, onder Gods zegen, een Gereformeerde kerk uit groeien mocht. Het schijnt, dat Jasper Jans zelfs eigener beweging aldus werkzaam is geweest; maar met weinig vrucht. Hoe goed dit werk op zichzelf ook mocht zijn, de kerkelijke instanties grepen verder. De kerk van Urk, hoe gedeformeerd ook in het Roomse verband, kon men niet anders beschouwen dan als een deel van het lichaam van Christus. En daar iedere Urker, in wat dwaling of zedelijke afwijking ook bevangen, als gedoopte tot die kerk behoorde, kon men zich bij zijn pogingen tot herstel niet tevreden stellen met de reformatie van een stuk van die kerk, maar moest men zich stellen op het bredere standpunt: heel de kerk en dus - in dit plaatselijke geval - heel het volk van Urk. Het standpunt, naar ik meen, van den Here Jezus en Zijn Apostelen. Later zou dan wel blijken, welke leden als dode ranken afvielen. Dat het hoge doel niet in een ommezien zou zijn te bereiken, begreep men zeer goed; maar daarom ging men er ook met voorzichtigheid en beleid, met geduld en toch ook met beslistheid op aansturen. De eerste en tevens de meest ernstige tegenstand kwam van Vrouwe Barbara. Over het optreden van de classis Enkhuizen en van de Gecommitteerde Raden toonde zij zich diep gekrenkt en fel verbolgen. Aan de classicale deputaten, die haar geschreven hadden, zond zij een missive, waarin zij zich „beclagende (was), in alle maniere (dat) sulcz niet en behoorde gedaen te werden, ende dat (zij) daer door soude wesen geprejudiceert in hare souverainete." Reeds in de inspectie zag zij dus een ingrijpen in haar souverein gezag over de heerlijkheid. Een ander argument had zij trouwens moeilijk kunnen vinden. De eerstvolgende vergadering van de classe besloot het antwoord van de vrouw van Urk aan Gecommitteerden mee te delen. Ook werd van een en ander rapport uitgebracht op de synode van Noord-Holland, die 5 Juni 1600 te Haarlem begon. In de acta dier synode werd dit genoteerd: 146


„Alsoo de classe van Enchuijsen was opgelijt sorge te dragen over het eijlant Urck, soo ist dat de broederen van Enchuijsen verclaert hebben, dat sij haar beste in der sake hebben gedaen, ende sij sijn vermaent geworden daerinne aen te houden." Een goedkeuring dus en een aanmoediging. Een maand later zonden Gecommitteerde Raden „Aen Barbara van Essesteijn, vrouwe van Urck tot Utrecht" het volgende toelichtend schrijven. „Er moet onderscheyt gemaect werden tusschen kerekelicke ende politycque saecken want wij geensins van meeninghe en zijn U Ed. in hare souverainete ende gerechticheyt te prejudiceren soo van tstellen van een kereken-dienaer als andersins, soo verre den dienaer niet en is van contraire leer ende dienste der kereken die jegenswoordelick alomme in dese vereenichde landen geexerceert ende geleert wort, daertoe het ons ende den dienaren der kereken toe staet goede toesicht te nemen, dat geen vreemde leere ende paepsche ceremoniën, tegen Godes Woort ingevoert werden, maer dat Gods Woort alomme een paerlicken zuver ende reyn geleert werde, om alle d eenicheyt in den lande te mogen conserveren, ende bij soo verre UEd yet soude mogen hebben te pretenderen van hare gerechticheyt ende souverainete over den eylande van Urck, sal UEd. tselve den Heeren Staten van Hollandt ende Westvrieslandt op hare Ed. eerste bij eencompste mogen remonstreeren, middeler tijt sullen die dienaren der voors. classis mette voorsz. zaecke supersederen. Hiermede Edele etc. Ges. tot Hoorn." Zeg nu eens, lezer, of dit stuk niet keurig en nauwkeurig gesteld is. De werkingssfeer van de souvereiniteit van de vrouw van Urk wordt nauwkeurig begrensd. Formeel was de toestand altoos zo geweest. De heer had ook vroeger niet meer gedaan, dan, op grond van het collatierecht, een kerkdienaar aanwijzen; maar die moest dan door de kerkelijke autoriteiten in zijn ambt worden gesteld en bleef daarna onder voortdurend kerkelijk toezicht. Welnu, aan „het stellen van een kerekendienaar" wensten Gecommitteerden niet te raken; alleen maar, het zou een dienaar moeten zijn, die geen „paepsche ceremoniën" invoerde. De bevestiging in en het toezicht op het ambt waren nudrukkelijk het recht van de kerken der Reformatie. Merkwaardig is ongetwijfeld het motief, dat voor dit laatste gegegeven werd: „om alle d enicheyt in den lande te mogen conserveren". Het politieke gevaar van de Roomse religie; zoals het in dien tijd metterdaad bestond, werd duidelijk aangewezen. Verder gaven Gecommitteerden den raad, om de klacht over schending van souvereiniteit te brengen bij de Staten van Holland en West-Friesland, bij de leenheren dus van de Vrouw van Urk en 147


Emmeloord! „Middeler tijt", dus zo lang, tot zij zich tot de Staten zou

wenden, zouden de classedienaren met de inspectie „superce-deren", d.i.: niet doorgaan. Het is mij niet gelukt, ergens te vinden, dat Vrouwe Barbara zich inderdaad tot de Staten heeft gewend. Ze kon trouwens van dezen geen ander bericht verwachten dan van Gecommitteerden. En daarom wilde zij het „middeler tijt" blijkbaar zo lang mogelijk rekken. Het heeft den voortgang der zaak in ieder geval opgehouden. Dat de inspectie ook heeft plaats gehad, is mij niet gebleken. Intussen ontbrandde de strijd ook op Urk zelf. Jasper Jans was er een gezeten burger geworden. Hij werkte reeds met een knecht. Waar zijn ogen geopend waren voor het Evangelie der vrije genade en voor de dwalingen in de Roomse leer en kerkdienst, daar kon hij het niet laten, zijn medeburgers op deze dingen te wijzen. Wanneer hij voor zijn ambacht of nering ergens moest zijn, allicht, dat het gesprek dan kwam op de dingen, die menig hart vervulden. Degenen, die met toegenegenheid luisterden naar de woorden van Jasper Jans, waren er maar zeer, zeer enkelen. Een wonderboom is de persoonlijke reformatie op Urk volstrekt niet geweekt. Tegenstanders waren er vele. Er waren er, die de zaak aanbrachten bij den pastoor, en dan op hun wijze, zodat de pastoor Jasper Jans ging beschouwen als zijn persoonlijken tegenstander. De pastoor schijnt zich bij den schout te hebben beklaagd en van dezen te hebben verlangd, dat Jasper Jans het zwijgen zou worden opgelegd; maar zolang deze zich burgerlijk gedroeg, kon de schout niet ingrijpen. In dien, tot zo ver geestelijken strijd mengde zich iets anders, en juist door dat andere werd ook de aandacht van de Landsvrouw op Jasper Jans gevestigd. Op Urk woonde nog een winkelier, Jacob Lamberts, die er, tegen het uitdrukkelijk verbod van den Heer Gerrit Zoudenbaïch, ook een tapperij op nahield. In 1597 kwam hij voor onder de beboeten. We hebben hem reeds een paar maal genoemd. Toen nu - vermoedelijk in het laatst van 1600 - een van de „mengsluyden" (klanten) van Jasper Jans eens vier kop zout bij dezen kwam halen, bleek zijn voorraad juist op en ging hijzelf vier kop bij Jacob Lamberts lenen. Ze werden hem door Jacobs dochter gemeten. In zijn eigen winkel teruggekeerd, moest Jasper van zijn „mengerse" (de klant was een oude vrouw) de opmerking horen, dat de hoeveelheid zout haar te klein leek. Jaspers vrouw mat toen het zout met haar eigen kop (op Urk een halve liter) na, en toen bleek er maar drie kop en een „mussien" te zijn. Een mussien (mutsje) is een halve kop. Volgens Jaspers maat was er dus een mussien te weinig, en de mengerse weigerde het zout te ontvangen. Daar het den schijn kon hebben, dat Jasper te weinig zout bij Jacob 148


Lamberts gehaald had, ging hij bij dezen vragen, hoeveel zout hem gemeten was. „Vier koppen", was het antwoord. Jacob ging toen mee naar Jaspers winkel en nam zijn maat mee. Toen bleek, dat er werkelijk vier van die maten waren; maar met de maat van Jasper was er opnieuw drie kop en een mussien. Jacob nam het zout mee en liep kwaad weg. Jaspers knecht hoorde hem zeggen: „Jasper kan wel met een schepel meten, maar wat heb ik daarmee te maken?" Door een aanklacht van Jasper kwam de zaak voor het gerecht. Van het getuigenverhoor werd aantekening gedaan in het Principaal Instrument. Daar schout en schepenen geen beslissing durfden nemen, legden zij de zaak voor aan de Landsvrouw. Deze gelastte toen, dat haar een afschrift zou worden gezonden van het proces-verbaal. Schout en schepenen zonden toen niet alleen het gevraagde, maar voegden er, zoals zij zeiden op verzoek van Jasper Jans, een goed getuigenis aangaande dezen bij. Het wil mij voorkomen, dat de schout, die blijkbaar aan den kant van Jasper Jans stond, daarin de hand had. Het proces-verbaal en het getuigschrift werden beide door den pastoor geschreven. Die was dus van alles op de hoogte. Opmerking verdient daarbij, dat het proces-verbaal alleen door den pastoor werd ondertekend; het getuigschrift daarentegen werd voorzien van de handmerken van schout en schepenen. Intussen had Jacob Lamberts, wetende, dat zijn zaak aan het oordeel van de Landsvrouw was overgegeven, den schout kenbaar gemaakt, dat hij naar Utrecht wilde gaan, om met de vrouw te „accorderen". De schout achtte het toen van belang, dat ook Jasper Jans derwaarts zou gaan. Voordat zij gingen, richtte de schout van uit Enkhuizen, om er den pastoor buiten te houden, een particulier schrijven tot de Landsvrouw, om haar over den persoon van Jacob Lamberts in te lichten. Hij was „hem soe qualicken aenstellende soe met droncken dryncken dobbelen ende speelen", dat de schout er geen raad mee wist, „ende is die geheele burgerij seer verdrietich vallende syn quaet leven". De schout verzocht, dat hem „syn neringh ende tapperij", die hij „tegen 's heeren commissie" begonnen was, en die de schout hem ook verboden had, nu voorgoed verboden zou worden. Tegelijk verzocht hij de Landsvrouw, om „Jasper Jans, die ook compareren zou, wat gedienstich ende behulpich te willen wesen." In een naschrift verzocht de schout nog: „Wilt dese bryeff bid ick u heymelick bij u houden ende hem Jacob Lambertsz. nyet toonen." Toen de twee voor de Landsvrouw gecompareerd hadden en zij de stukken onderzocht had, was zij zo wijs, recht van onrecht te onderscheiden en sprak zij over Jacob Lamberts het schuldig uit. Hij werd veroordeeld tot een boete van 5 gulden en 8 stuiver. Tevens werd hij, maar ook Jasper Jans vermaand, zich niet met woorden te wreken, noch den ander kwaad te doen. Zo was dus de bijzondere aandacht van de Landsvrouw gevestigd op Jasper Jans, van wien zij ongetwijfeld begrepen zal hebben, dat 149


hij van „den smet der ketterij" niet vrij gebleven was, al was er burgerlijk niets op hem te zeggen. Jasper Jans hield zich aan de vermaning van de Landsvrouw; maar hij liet niet na, te doen, wat hij tot nog toe gedaan had: te trachten, om de mensen in te lichten omtrent de dwalingen van de kerk en te wijzen op de prediking van vrije genade, zoals die op andere plaatsen gehoord werd. Den pastoor werd het bekend, dat Jasper geregeld met Enkhuizen in verbinding stond en den kerkeraad aldaar op de hoogte hield van den toestand op Urk. De pastoor gevoelde zich blijkbaar in een onbehaaglijke positie. Of hij wist van de kerkelijke visitatie in 1590, en of hij wist, dat er nu door de classis Enkhuizen verlof was gevraagd voor een inspectie van Urk, is ons niet bekend, maar het zal den pastoor duidelijk zijn geworden, dat zijn dienst op, Urk in gevaar begon te komen. Daarom verblijdde het hem, dat hij in de Landsvrouw zo'n goeden steun had; al kon ook zij niet, wat de pastoor zo gaarne had gezien: de „ketterse" propaganda eenvoudig verbieden. Een vraag van de Landsvrouw om nadere inlichtingen over Jasper Jans was hem bijzonder aangenaam. Hij beantwoordde haar vraag op deze wijze. „Edele lyeve ende seer bemijnde Lantsfrouwe ick can u.g. edelheyt nydt bergen dat onordentlyck wesen van dese frendelynck met name Jasper dye werpertijder van desen dye een ergernisse is in u goede gemeynte dye dagelyx syttende soe in tavernen ende andere plaetsen sprekende seer qualycklyck op goede poleden ende ordinantien dye hyer noch syn, begere fruntlyck u.g. dese fremdelynck wat hartelyck sult wyllen berispen dat hij van sulx afholt ende laet een igelyxs int sijne berusten, ende begere u.g. het wylt holden ofte het van mij nydt en quam noch tegen desen ofte ock u oficer (den schout) dye hem sulxs datelyck solde wederseggen ende solde dye fremdelynck datelyck loeppen ende verclaegen mij weder aen dye consystorye t Enckhuysen, gelyck men seyt dat hyer nydt schydt ofte hij drachtet over, dan u.g. sal wel een ander myddel comen nemen, omme hem te bryspen dat hij hem borgerlyck behoort onder u goede gemeynte t dragen, G. L. hiermede Godt den Heer befoelen van Urck den Xim Apri. anno 1601 by mij u deyner. Gabinius Syndel pastor op Urck". Alsof hij bang was, dat de Landsvrouw er niet genoeg erg in zou hebben, dat Jasper Jans geen Urker was, noemde hij dezen driemaal smadelijk een vreemdeling. De enige beschuldiging, die hij nochtans tegen Jasper kon aanvoeren, bracht hij aldus onder woorden: „sprekende seer qualycklyck op de goede polecien ende ordinantien dye hyer noch sijn". De lezer moge er op letten, dat de pastoor niet schreef, dat Jasper in de taveernen kwam om te drinken. Feitelijk bevestigde hij dus het goed 150


getuigenis, dat schout en schepenen van Jasper Jans gegeven hadden. De laatste door mij onderstreepte woorden doen zien, dat de pastoor zijn godsdienst op Urk verdwijnen zag. Het trekt de aandacht, dat hij zo'n wantrouwen tegenover Roelof Lubberts, den schout, aan den dag legde. Aan dit laatste heeft de Landsvrouw zeer vermoedelijk bijzondere aandacht geschonken. Het is althans opmerkelijk, dat de op 18 Juni 1601 aan de Vrouw gezonden afrekening over het afelopen jaar de laatste is, die wij van het regime van den schout Roelof Lubberts kennen. Het is trouwens ook het laatste ons bekende stuk, dat door pastoor Sijndel werd geschreven. Daarna is er, zoals wij reeds weten, een gaping tot 1607 in de stukken, die van Urk aan de Landsvrouw gezonden zijn. Volledigheidshalve deel ik nog.mede, hoe het verder met Jacob Lamberts is gegaan. Hij hield zich niet aan de vermaning, door de Landsvrouw aan hem en aan Jasper Jans gegeven, om zich niet met woorden te wreken of elkander kwaad te doen. De klachten over het gedrag van Jacob Lamberts te dien opzichte waren zó ernstig, dat de Vrouw het nodig oordeelde, daarover twee rechtsgeleerden te raadplegen. Die gaven haar 12 Augustus 1601 het advies, om Jacob Lamberts een nieuwe boete van 10 carolusgulden op te leggen. Omtrent Jasper Jans ontbreekt verder ieder direct bericht. De zorg voor Urk bleef intussen de classis Enkhuizen opgedragen. Het wachten was nog steeds op de toestemming van de Vrouw van Urk, om de kerk aldaar te mogen „inspecteren". Maar door de steeds afwijzende houding van Vrouwe Barbara, die men in haar souvereiniteit niet wenste aan te tasten, bleef de zaak slepende. Op de particuliere synode, die 4 Juni 1602 te Hoorn werd gehouden, kon de classis Enkhuizen dan ook niet anders, dan klagen over de „swaricheyt", om met Urk in contact te komen. De Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier schijnen de dassen Enkhuizen en Hoorn op haar verzoek om nieuwe medewerking te hebben geadviseerd, om nogmaals tot de Vrouw van Urk het verzoek te richten, om de vroeger reeds voorgenomen inspectie van Urk toe te staan. Er kwam althans van de Vrouw van Urk een bericht in, waarin zij nader „bescheydt ende antwoort" toezegde. Toezegde, meer niet. Niettemin rees er toch enige hoop, dat het nu eenmaal tot de inspectie van Urk zou kunnen komen, en dat het eiland daarna met een Gereformeerd predikant zou kunnen begiftigd worden. Maar toen de synode op 14 Juni 1604 te Edam vergaderde, moest worden gerapporteerd, dat het beloofde bescheid nog niet was ingekomen. Vrouwe Barbara rekende blijkbaar eiken dag uitstel een dag winst. Ze was er de persoon niet naar, om te wijken anders dan 151


voor dwang, en - heeft ze het doorzien ? - dwang wilde men juist

vermijden. Berichten van enige actie van den Noordhollandsen kant tot reformatie van Urk ontbreken na 1606 gedurende vele jaren. In de synoden van 1607 en 1608 kwam Urk niet ter sprake en daarna is er 10 jaar lang geen synode in Noord-Holland samengekomen. Laat ik nu, bij manier van tussenbedrijf, iets vertellen van een eigenaardige moeilijkheid, die Vrouwe Barbara in 1607 op Emmeloord kreeg op te lossen. De winter van 1606 op '07 was zeer zacht: reeds in het laatst van Maart stonden de vruchtbomen in vollen bloei. Inzonderheid op Emmeloord werd het bewaarheid: „Een open winter, een open graf". Tot ver in den zomer werd veel schade geleden aan vee en melk en kwam er veel ziekte en sterfte onder de mensen voor. Men zocht er toverij achter. Bij de Vrouw kwamen van „het gerecht" en van „de gemeente" veel klachten in, die alle eindigden met het verzoek, dat de Vrouw daartegen een middel mocht aanwijzen. Ze nam de zaak ernstig op en zond Johan van Renesse, haar rentmeester, naar Emmeloord, om een onderzoek in te stellen. Toen bleek, dat algemeen Alidt Dircks of Aleid Dercks en haar dochter Cathrijn als de schuldigen werden beschouwd. Aleid, zei men, was opgevoed bij mensen, „die uit toverij waren voortgekomen". Maar niemand kon iets bepaalds noemen, dat de vrouwen mochten hebben gedaan. De Landsvrouw kwam toen, natuurlijk op het advies van haar rentmeester, tot het inderdaad verstandig besluit, dat het best zou zijn, als Aleid en Cathrijn vrijwillig het eiland verlieten. Ze bleken bereid, om heen te gaan, maar daar zij terecht vreesden, dat haar vertrek uitgelegd zou worden als een schulderkenning, verzochten zij de Landsvrouw, daartegen maatregelen te nemen. De belofte daartoe werd gegeven en toen werd er een contract van de zaak opgemaakt. Reeds den volgenden dag, 31 Juli 1607, zond de Landsvrouw een uitvoerig stuk aan den schout, om hem instructies te geven. Binnen 10 dagen zou hij alle ingezetenen in het schoutshuis doen verschijnen, om hun te vragen, of zij wilden bewijzen, dat Aleid en haar kinderen toverij pleegden. Als niemand dat kon, zou scherp verboden worden, de vrouwen verder te beschuldigen. Kon van iemand bewezen worden, gezegd te hebben, dat de vrouwen als besmet met hekserij vertrokken waren, dan zou hij 60 goudgulden boete krijgen, 20 voor de Landsvrouw, 20 voor de armen en 20 voor Aleid. Opdat niemand onbekendheid met het verbod zou kunnen voorwenden, werd den schout opgedragen, het 's Zondags in de kerk te doen afkondigen. Mochten de vrouwen later, wat de Landsvrouw niet hoopte, met sterker bewijs toch schuldig worden bevonden, zo zou recht worden 152


gedaan, opdat de onderdanen van „zulke schrikkelijke handel der toverij en vervloekte mensen bevrijd worden", waartoe de goedertierene Her e God Zijn zegen mocht geven. Het geloof aan betoveren en beheksen, een overblijfsel van het heidendom, bleek dus in het bewustzijn der Emmeloorders wel stevig verankerd te zijn. Trouwens, nog in 1624 werd, in het toen al lang niet meer Roomse Kampen, een vrouw aangeklaagd wegens toverij, daaraan schuldig bevonden en tot eeuwige gevangenisstraf veroordeeld. Een gebeurtenis als op Emmeloord had ook op Urk kunnen voorvallen. Onder de Urkers, een wonderlijke vermenging van nuchterheid en mystiek, bestaat bij sommigen nog heden ten dage het geloof aan toveren en beheksen, aan voortekenen en „voorbereidingen". In 1607 was Willem Hendrickx schout op Urk. Intussen valt van dat jaar niets te vermelden dan een ruzie tussen twee Urkers, waarin door de Landsvrouw uitspraak werd gedaan. Op 5 Mei 1611 schreven schout en schepenen aan de Landsvrouw, dat de schout het plan had, om persoonlijk tot haar te komen, om te spreken over de boeten en breuken van het vorige jaar. De zwager van den schout o.a. was onwillig, om de boete te betalen, die hem opgelegd was wegens het hebben van te lichte gewichten: een „verrei" en een half „verrei". Maar een reis van Urk naar Utrecht deed men niet, als er geen bijzonder gewichtige reden voor bestond. Zou er nog niet iets anders op het program hebben gestaan, zoals b.v. de vernieuwde pogingen tot reformatie, nu van den oostkant, of op Urk zelf? In dienzelfden brief van 5 Mei 1611 werd ook de groete gedaan aan een nieuwen rentmeester, Dirck van Ouwater. En in hetzelfde jaar heeft Vrouwe Barbara Utrecht als woonplaats met 's-Hertenbosch verwisseld. Hier had ze een niet onaanzienlijk huis aan de Peperstraat. Of de vermindering harer inkomsten ook op deze verhuizing invloed heeft geoefend, weten we niet. Maar ongetwijfeld zal ze zich in het Protestantse Utrecht minder op haar gemak hebben gevoeld, dan in 's-Hertogenbosch, dat toen nog in de macht der Spanjaarden, en waar dus de Roomse religie alleenheersend was. Ook die verhuizing zegt veel omtrent de geestesgesteldheid van Mevrouw Zoudenbaleh. Dirck van Ouwater bleef in Utrecht haar zaakwaarnemer, ook voor Urk en Emmeloord. Even kunnen we nu onze aandacht wenden naar den Overijselsen kant van de Zuiderzee. Wat ik hier meedeel, is ontleend aan het „Synodael boeck der hereken van tlandt van Overissell", een werk in manuscript, dat mij door de archivaris van de gemeente Kampen welwillend ter be153


studering werd toegezonden. Op 22 Juli 1611 werd te Deventer een Overijselse synode geopend. In art. 11 van haar acta vond ik een besluit over Ens en Emmeloord. Het ging hier niet over Urk, maar toch wel over de Vrouw van Urk. De classis Kampen zou moeten trachten, om met den drost van IJselmuiden de middelen te vinden, om Ens weer van een predikant te voorzien, althans voor zó lang, tot de Vrouw van Emmeloord goed zou vinden, dat de kerk van Emmeloord met die van Ens werd verenigd. Tot goed begrip van het eerste dienen we er aan te denken, dat de overheid in de Geünieerde Provinciën de financiële zorg voor het onderhoud van den kerkdienst op zich genomen had: „de zilveren koorde". Er staat niet, wie zich tot de Vrouw van Emmeloord zou wenden, de synode of de classis Kampen. Hoe dit zij, men had op het oog, dat de kerk van Emmeloord en die van Ens gezamenlijk een predikant zouden beroepen. Ook hier treft het weer, dat de „Gereformeerde vaderen" verwachtten of hoopten, dat de kerk van Emmeloord, die nu nog „Rooms georganiseerd" was, eenmaal in haar geheel - met medewerking dan van de Landsvrouwe - tot reformatie zou zijn te brengen. Wist men ter synode van Deventer niet, of wist men niet meer, welke vruchteloze pogingen aan den anderen kant der Zuiderzee tot reformatie van Urk waren gedaan, en dat de Vrouw van Urk en Emmeloord daarvoor de grootste belemmering was? Gelukkig intussen, dat Ens toch een predikant kreeg; zoals blijkt uit de acta van de synode van 1612. Verdere reformatiepogingen zijn er, althans in dit hoofdstuk, niet te vermelden. In 's-Hertogenbosch ontving Vrouwe Barbara den laatsten ons bekenden brief, die door den schout Willem Hendrickx mede ondertekend is. Het was de goed voorziene boete- en strandgoederenlijst van 1612, gedateerd 29 Mei 1613. En thans moet volgen het slot van dit hoofdstuk. Het zal een opeenvolging zijn van tragische gebeurtenissen. „Des schouten van Urckx huysfroue kreeg een seer swaer accident aen haer lichaam." Toen het weer in het voorjaar het toeliet, ging de schout met zijn vrouw naar Enkhuizen „op hoope van haer te laten cureren". Ze kon hier evenwel niet worden geholpen, en toen toog men naar Hoorn. Ook tevergeefs. Daarop werden nog Kampen „en andere omleggende steden" bezocht, maar nergens was in dit moeilijk geval hulp te bekomen. In dienzelfden tijd, den zomer van 1613, geraakte het schoutambt op Emmeloord vacant. Een Émmeloorder, zekere Dubbelt Luijtgerts, had daarnaar reeds gesolliciteerd en van den schout van Urk een aanbeveling gevraagd 154


en verkregen. Hij hoopte, dat hij met den schout van Urk naar 'sHertogenbosch zou kunnen reizen, om zich aan de Landsvrouw te presenteren. Maar toen hij op Urk kwam, hoorde hij van de moeilijkheden in het gezin van den schout. Noodgedwongen reisde hij toen alleen naar Utrecht, om den steun van den rentmeester te verzoeken. Hij verzocht zelfs ook, dat de rentmeester met hem mee zou gaan naar Den Bosch. Daar de gezondheidstoestand van den rentmeester dat niet toeliet, vroeg Dubbelt, of hij niet voorlopig tot Mei 1614 zou kunnen worden aangesteld. Daarna hoopte hij dan met den schout van Urk over te komen, om een definitief besluit te vragen. Toen de heer Dirck van Ouwater bezig was, dat alles en nog andere zaken aan Mevrouw Zoudenbalch te schrijven, werd zijn werk plotseling afgebroken; midden in een volzin houdt zijn brief op. Wat mag daarvan de oorzaak zijn geweest? Het was het najaar van 1613. Kan een aanval van het „ongemack" aan zijn been hem verhinderd hebben, met schrijven door te gaan? Of had het bericht, van het overlijden van de vrouw van den schout van Urk, over wie hij pas nog zo uitvoerig geschreven had, hem den schrijfveder uit de hand doen vallen? Nog meer zal het den rentmeester hebben aangegrepen, toen hij in April 1614 bericht kreeg van het sterven van mevrouw Zoudenbalch. Door het overlijden van Vrouwe Barbara was haar schoonzuster, Walraven Zoudenbalch, die, zoals we weten, met jonkheer Johan Ruysch, heer van Pijlsweert, gehuwd was en reeds 12 Augustus 1599 officieel met de heerlijkheid was beleend, nu ook practisch de regerende Vrouw van Urk en Emmeloord geworden. Zij woonden in Culemborg. Jonkheer Ruysch werd op Urk wel terstond als heer erkend, maar hij heeft geen gelegenheid gehad, bijzondere regeringsdaden te verrichten - hij had Dirck van Ouwater wijselijk als rentmeester behouden - want ....... op 12 September 1614 werd het echtpaar Ruysch-Zoudenbalch, bij vonnis van het Hof van Utrecht, in staat van faillissement verklaard. Het hof wees toen uit de schuldeisers enkelen aan, die den faillieten boedel zouden hebben te beheren. Deze gecommitteerde crediteuren waren dus van toen af feitelijk ook de souvereinen in de heerlijkheid Urk en Emmeloord. Ook zij hielden Dirck van Ouwater als rentmeester in dienst. Op 20 Januari 1615 werd door den heer Sebastiaan van de Putte, procureur van het Hof van Holland, namens de crediteuren de eed in handen van den heer van Oldenbarnevelt als „stadhouder van lenen" afgelegd. Hiermede waren dus officieel de „gecommiteerde crediteuren" als de gezamenlijke souvereinen in de heerlijkheid Urk en Emmeloord aangewezen. 155


Of zij voor Urk en Emmeloord nog schouten hebben aangesteld,

weten we niet. Wel weten we, dat zij korten tijd later de heerlijkheid Urk en Emmeloord hebben ........... te koop gesteld. Urk en Emmeloord te koop voor den meestbiedende! Tragisch lot van een heerlijkheid, welker inwoners zich er voor en na op beroemden, „lieden van een vrije heerlijkheid" te zijn! Tragisch einde ook van de regering van het eens zo vermaarde huis Zoudenbalch!

156


Johan van de Werve. (1616-1660) ---

Als gegadigde meldde zich aan jonkheer Johan van de Werve, „wonende tot Geervliet in den lande van Putten" (een der Zuidhollandse eilanden). Die was streng Rooms en daarin niet minder actief dan de heer en mevrouw Zoudenbalch geweest waren. Was het toeval, dat juist zulk een persoon zich aanmeldde als koper van de heerlijkheid Urk en Emmeloord? Ik meen het ernstig te kunnen betwijfelen. Reeds eerder heb ik gezegd, dat het Rooms-Katholicisme juist in dezen tijd een bijzondere activiteit ontwikkelde. Ook weten we, dat het echtpaar Zoudenbalch reeds in 1590 aan het Haarlemse kapittel een visitatie van Urk verzocht had en dat de weduwe Zoudenbalch in voortdurende relatie stond met hoge Roomse geestelijken, in het bijzonder met de Jezuïeten. Nu is het eenvoudig niet denkbaar, dat zij de Roomse heren niet geregeld op de hoogte zou hebben gehouden van de pogingen tot reformatie van Urk en Emmeloord, en dat zij niet tegenover hen den nadrukkelijken wens zou hebben geuit, dat de heerlijkheid na haar verscheiden toch in Roomse handen blijven mocht. Op 23 September 1616 werd het voorwaardelijke koopcontract getekend; enerzijds door jonkheer Johan van de Werve en zijn echtgenote, jonkvrouwe Catharina van Drenckwaert, anderzijds door de gecommitteerde crediteuren. Voorwaardelijk, want indien de investituur „niet naar behoren geleverd werd", d.w.z.: als de heer Van de Werve niet van wege „de grafelijkheid" met de heerlijkheid werd beleend, dan zou het contract van onwaarde zijn. De koopsom voor het handelsartikel „Urk en Emmeloord" zou zijn 10000 gulden, in drie termijnen binnen twee jaar na het transport te voldoen. De kosten van het verlij en de 40-ste penning van de koopsom zouden voor rekening van den koper zijn. De tins aan Elten zou hij, te beginnen met 1617, voor zijn rekening nemen. Het jaarlijkse schot (80 gulden van Urk en 30,20 gld van Emmeloord), vervallende 29 September, zou dezen keer nog aan de crediteuren komen. De aan den heer toekomende boeten, zouden van Mei 1615 af voor den koper zijn. Alles ging naar wens. Op 26 October 1616 droeg Mr F. Brandijn, 157


advocaat voor het Hof van Holland, daartoe gemachtigd door de crediteuren en door mevrouw Ruysch, de heerlijkheid over aan jonkheer van de Werve, deze legde in handen van Johan van Oldenbarnevelt, „stadhouder van lenen", den huldigingseed af, en jonkheer Van de Werve was daarmee heer van Urk en Emmeloord geworden. Het eerste belangrijk feit, dat onder zijn bestuur plaatsvond, was de oprichting van een vuurtoren op Urk. Er waren in dien tijd reeds vuurbaken te Scheveningen, Egmond en Huisduinen en op Vlieland en Terschelling. Op een breden, van boven platten toren brandde men daar van 1 October tot 1 April des avonds en des nachts een groot kolenvuur. Vandaar thans nog de naam uwwrtoren, ofschoon de vuren overal door sterke lampen vervangen zijn. De Staten van Holland, die altoos de belangen van handel en scheepvaart als bronnen onzer v/elvaart behartigden, hadden in 1615 een afzonderlijke commissie ingesteld, die zich zou bezig houden met de pilotage (eigenlijk loodsdienst) en den aankleve van dien. Met dit laatste was ook de zorg voor de vuurtorens aan de Pilotagecommissie opgedragen. Ze werd vaak kortweg aangeduid als de Pilotage. We zullen herhaaldelijk van haar horen. Die commissie bestond uit vier leden: elke der vier zogenaamde zeesteden (Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik) was er in vertegenwoordigd door een burgemeester. Amsterdam b.v. door Gerrit Jacobs Witsen. De grote vaart maakte in dien tijd een druk gebruik van de Zuiderzee, waaraan voorname handelsplaatsen lagen. Dat trouwens de verhoudingen op handelsgebied in het algemeen zo heel anders waren dan thans, was nog gebleken in 1614, toen door kooplieden uit Amsterdam, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen de Noordse Compagnie was opgericht, die tot 1645 het monopolie had van de walvisvangst, de z.g. kleine visserij. Op „tschip Spitsbergen" hadden zich ook Urkers laten aanmonsteren, die na enkele jaren met een goed gevulden buidel op hun eiland terugkeerden en toen uit dankbaarheid voor hun behouden thuiskomst in de kerk een model van het schip, waarop ze gevaren hadden, lieten ophangen. Men kan het nog in het kerkgebouw der Hervormde gemeente bewonderen. Hoe drukker intussen de vaart op de Zuiderzee werd en vooral, hoe meer diepgang de schepen kregen, des te meer waren goede merktekens op de kusten voor den zeevaarder onmisbaar. Een van die merktekens was tot nog toe, gelijk wij weten, de kerk van Urk en voornamelijk de toren. Een ander merkteken was de witte, zanderige inham in het Hoge Klif, de zuidelijke afhelling van den Berg. Hadden de schippers, die van Amsterdam langs Urk wilden varen, den hoogsten boom op het eiland, die toen op het Hooge Klif stond, juist in den witten inham, dan voeren ze in de goede richting. En verderop richtten ze zich dan naar den kerktoren. Maar die merk158


tekenen konden natuurlijk alleen dienen bij daglicht. Dat die in de vaargids genoemde boom reeds door een houten kaap vervangen was, bracht in dien toestand natuurlijk geen verandering. Was het wonder, dat de Amsterdamse commissaris, Gerrit Witsen, op de gedachte kwam, om op Urk een vuurbaak te doen oprichten ? En zo besloten dan de Staten van Holland, op voorstel van de Pilotage, op Urk, met goedvinden van den heer Van de Werve, een vuurtoren te bouwen. De onderhandelingen met den heer Van de Werve liepen vlot van stapel. Voor het afstaan van den grond zou hij ontvangen ........ twee last rogge. Vermoedelijk zou de rogge bij gedeelten geleverd worden en heeft jonkheer Van de Werve het plan gehad, zijn eilanders er van te voorzien. Roggebrood was toen en nog bijna 3 eeuwen daarna hun voornaamste broodvoedsel. *) Aan wien kon het aanwijzen van de plaats, waar de toren komen zou, en het toezicht op den bouw beter worden toevertrouwd, dan aan den Amsterdamsen commissaris? Het is een algemeen voorkomende misvatting, dat de eerste vuurbaak reeds boven op den Berg gebouwd is. De plaats lag aanmerkelijk westwaarts van den tegenwoordigen vuurtoren. De westelijke, langzaam aflopende helling van den Berg strekte zich toen nog op een behoorlijken afstand in die richting uit. Gedurende den zomer van 1617 werd het werk uitgevoerd: de vuurtoren zelf en de woning van den „bediende", zoals de vuurstoker toen heette. Eerst later kwam er een kolenbergplaats bij. Het zal op Urk zelf, maar ook op de voorbijvarende schepen heel wat bekijks hebben gegeven, toen op den avond van 1 September 1617 voor het eerst het vuur op de Urker vuurbaak opvlamde. Een eenvoudige granietsteen, die dat feit verkondigde, was in den wand van den toren ingemetseld. Het onderhoud van de vuurbaak kwam voor rekening van de Pilotage, welker kas van de algemene landskas gescheiden werd gehouden. Ze had te zorgen, dat haar uitgaven uit eigen inkomsten vergoed werden. Op haar voorstel hadden de Staten besloten, om voor de vuurbaak van Urk van voorbijvarende schepen bij iedere aankomst een „vuurgeld" te heffen van een oort per scheepslast (4000 pond). Een oort was het vierdedeel van een stuiver. Niet veel zal men zeggen, maar men bedenke, dat het geld toen heel wat meer waarde vertegenwoordigde dan nu. In overeenstemming met de Hollandse zuinigheid brandden de vuren op de bakens alleen in de nachten tussen 1 September en 1 April. In Engeland en Denemarken brandden ze ook in de overige *) Wanneer men op Urk sprak van „een brood", dan bedoelde men een roggebrood. Wittebrood was weeldebrood en heette „bol". De term „wittebroodsweken" wijst er trouwens op, dat het gebruik van wittebrood in vorige eeuwen (ook elders) lang niet zo algemeen was als thans.

159


nachten van het jaar, maar wij waren nog zo ver niet. Toen het bekend werd, dat het de bedoeling was, om den Urker vuurtoren geen uitzondering te laten maken, kwam er van sommige kooplieden, reders en schippers een verzoek in bij de Staten, om het Urker vuur ook in de zomernachten te doen branden. Zij zouden dan graag het dubbele vuurgeld betalen. Wel een bewijs, dat de Urker vuurbaak in een behoefte voorzag. Reeds 29 September 1617 werd overeenkomstig het verzoek besloten. In 1619 werd, op voorstel van Witsen, met jonkheer Van de Werve overeengekomen, dat de roggeleverantie zou worden veranderd in een jaarlijkse „recognitie" van 25 gulden. Later werd dat: 18 gulden voor landhuur en 2,50 gld voor erfpacht. Den schout werd voor zijn algemeen toezicht een jaarlijkse vergoeding geschonken. Jonkheer Van de Werve was een goed regent. Toen hij anderhalf jaar het opperbestuur over de heerlijkheid had geoefend en kennis genomen had van de afwijkingen van wet en recht, niet bij de regeerders, maar bij de onderdanen, achtte hij het nodig het Landrecht van 1415, dat dus nu reeds twee eeuwen gegolden had, opnieuw te doen afkondigen in de beide delen van zijn gebied. Hij nam het letterlijk over, ook al hadden enkele onderdelen, b.v. de bepalingen omtrent den baljuw en zijn „mannen", voor de practijk geen waarde meer. De aanhef werd nu: „lek Johan van de Werve, heer van Urck ende van Emelweerde ........ " Aan het slot kwam: „Gegeven int jaer ons Heeren 1618 opten derden Aprilis". De kerkelijke toestand, zoals hij dien op Urk en Emmeloord aantrof, was hem niet ongevallig. Terwijl volgens de plakkaten van de Staten Generaal de publieke uitoefening van den Roomsen eredienst in alle zeven gewesten verboden was, was het op Urk en Emmeloord zó, dat men zich weinig of niets om die plakkaten bekommerde. Het scheen er een dorado voor het Roomse geloof, waar de Roomsen van de omliggende plaatsen heentogen, om ongestoord de mis te kunnen bijwonen en de kinderen te laten „kerstenen" of huwelijken te laten sluiten. Namens de classis Kampen werd die toestand jaren later in een brede missive beschreven. Er werd daarin verklaard, „hoe op Emmelort als oock op Orek de papen opentlijck op alta ren met haer priesterlijck gewaet gelijck midden int Pausdom de afgodische misse celebrierden, daer dan van verscheijdene plaetsen wijt ende sijt met schepen ende schuijten de Papisten met menigte quamen, om den afgodendienst bij te wonen, streckende grootelijcks tot onteeringe van Godes H. name ende na deel van Christi kereke, ende merckelijcke ontstichtinge ende ergernisse van alle omliggende plaetsen, oock strijdende tegen verscheijden placcaeten der H.M.H. Staten tegen soodanige offgodendienst geëmaneert ....... " Wij kunnen deze dingen voegen bij hetgeen de Gereformeerden in dien tijd „Paepsche stouticheden" noemden. 160


Maar was het, van Roomsen kant bekeken, niet in deze mensen te prezen, dat zij, trots moeite en gevaar, verbod en vervolging, vasthielden aan wat zij toch wezenlijk beschouwden als den waren godsdienst? En moest het voor den nieuwen, streng Roomsen heer geen voldoening zijn, dezen toestand in zijn heerlijkheid te kunnen bestendigen ? Intussen zien we er ook uit, voor welk een berg van moeilijkheden en kerkelijke en politieke regeerders kwamen te staan bij hun pogingen tot reformatie van zulke plaatsen. De afzondering, waarin de bevolking leefde, bracht daarbij vanzelf een zekere vasthoudendheid tegenover het oude mede. Ik sprak ook van de politieke regeerders. Van hun optreden hebben we aan den Hollandsen kant reeds iets gezien. Tot goed verstand van de pogingen tot reformatie moet goed onderscheiden worden tussen de drieërlei wijze, waarop de reformatie tot stand kon komen: Er is: Ie de persoonlijke of individuele reformatie, waarvan het optreden van Jasper Jans ons een voorbeeld heeft gegeven; 2e de organische reformatie, waarbij de kerk in haar geheel zich reformeert; 3e de uitwendige of mechanische reformatie, waarbij de overheid optreedt. Het behoeft voor ons geen betoog, dat de tweede vorm de eerst aangewezene is, maar dat hij pas door een natuurlijke verbinding met den eersten vorm het volle effect verkrijgt. In het vervolg zullen we meer nadrukkelijk \ennis maken met den derden vorm. Pogingen tot reformatie van den Hollandsen kant zijn er in dezen tijd niet te melden. Eerst in 1618 kwam de Noordhollandse synode weer samen, maar toen, en ook in 1619 en 1620 was er zr veel te doen in verband met of als gevolg van de Remonstrantse woelingen, dat Urk er bjj inschoot .......... Gelukkig daarom, dat de classis Kampen, evenals in 1611, weer in actie kwam. Ze wist de particuliere synode van Overijsel, die var 16 tot 20 Augustus 3619 té Deventer vergaderde, te bewegen tot het volgende, metterdaad ingrijpende besluit (art. 7 van de acta): „Terwijl noch op Urck ende Emmeleroert eenighe papen staen ende misse doen met groet nadeel ende afbreucke der kercken deser provincie, naest aen de plaetsen gelegen, wort goetgevonden, dat de synodus aen de Ed. Hoochmog. Heeren Staten Generaal schriftelijk versoeke, dat hierin moge versien ende die plaetsen met Gereformeerde predicanten versorgt worden." Een forse greep, dien men te beoordelen heeft naar den tijd, waarin hy werd gedaan. Waar het vertoog, in 1611 tot de Vrouw van Urk en Emmeloord gericht en later misschien bij jonkheer Van de Werve vernieuwd, 161


I

I

I!

II

II

J

J 11

! I

zonder enige uitwerking was gebleven, zou de synode zich nu wenden tot de hoogste overheid, de Staten Generaal, om de letterlijke uitvoering te vragen van den eis in art. 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat de overheid allen valsen godsdienst zal weren en uitroeien. Zonder twijfel een antwoord op de vraag, hoe „onze Gereformeerde vaderen" dien eis hebben opgevat. Het eerste resultaat van het verzoek bleek reeds op tweeden Kerstdag van hetzelfde jaar. Op folio 700 van het Register, bevattende de Resolutiën van de Staten Generaal in dat jaar leest men „Gelesen eenen brieff van het synode van Overijssel, daerbij zij adverteren, dat op het eylandt van Urck hem eenen mispaep is onthoudende die de sobere gemeente die aldaer is, inde pauselijke superstitie is instruerende en onderhoudende, ten eynde daer tegen sonde werden vorsten. Die van Hollant hebben desen brieff naer hun genomen, ende is daerover uuijtgestelt daer op te disponeren." Ofschoon de Overijselse brief ook op Emmeloord gewezen had, wordt in deze resolutie alleen van Urk gesproken. Dat zit vermoedelijk hierin, dat „die van Hollant" den brief hadden meegenomen, om hem in de vergadering der Staten van dat gewest te brengen; en wat de reformatie betreft, had Holland alleen met Urk te maken. De Staten van Holland kwamen nu ook in actie. Met bekwamen spoed werden de Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier aangeschreven, om „te versorgen dat die suyverc ende ware godtsdienst aldaer (op Urk) soude mogen worden geoeffent." Met even bekwamen spoed (het klinkt merkwaardig!) werden daarop door Gecommitteerden twee brieven verzonden: een voor de classis Enkhuizen, om haar op te dragen, naar een geschikt predikant voor Urk uit te zien; en een voor jonkheer Van de Werve, om hem van het besluit der Staten en van de opdracht aan de classis in kennis te stellen. Dat was begin 1620. Maar de heer van Urk hield, zoals men dat zegt, het been stijf. Noch op den brief van Gecommitteerden, noch op het verzoek van de classis, die hem vroeg, welke middelen op Urk voor het onderhoud van een predikant beschikbaar waren, antwoordde hij. De classis was voor hem helemaal geen autoriteit, en een andere autoriteit dan Gecommitteerde Raden zou nodig zijn, om hem uit zijn tent te lokken. Op 6 Februari 1620 zond de classis twee harer leden naar de vergadering van Gecommitteerde Raden in Hoorn. Een van de twee was Ds Abraham a Doorselaer van Enkhuizen. Ze overhandigden aan Gecommitteerden een afschrift van den brief, dien de classis aan den heer van Urk had gezonden, en deden voorts opmerken, dat de Classis wel de opdracht had ontvangen, Urk van een predikant te 162


voorzien, maar dat niet de middelen waren aangewezen, waaruit zijn traktement kon worden betaald. Daar de classis niet, althans nóg niet wist, of Urk zelf daarvoor ook middelen beschikbaar zou hebben, verzochten ze aan Gecommitteerden, dat deze zelf die middelen zouden aanwijzen. De „politieken" beloofden den classisdeputaten, dat het punt zou worden voorgelegd aan „Heren Magistraten voor voorvallende zaken.' Gelijk men ziet, ging alles heel secuur, maar daardoor nu ook weer heel langzaam: het zou nu op betalen aankomen. Tot enige verontschuldiging kan hier worden aangevoerd, dat het volgende jaar, 1621, het „twaalfjarig bestand" met Spanje zou eindigen en dat dan de oorlog zou moeten worden voortgezet. En van de oorlogslasten droeg Holland alleen meer dan de andere gewesten samen. Het bijeenbrengen van de voor den krijg vereiste gelden zal den heren Staten heel wat hoofdbrekens hebben veroorzaakt. Ook toen reeds was men vóór alles uit op een „sluitende begroting". Doch de voortvarende geest, die de classis Enkhuizen aandreef, kon zich met dat uitstel moeilijk verenigen. Die voortvarende geest was zeker niet het minst te danken aan den ijver, dien de kerkeraad van Enkhuizen aan den dag legde, een ijver, die ongetwijfeld steeds werd aangevuurd door Ds. Dooreslaer. Hij moet een uitnemend man zijn geweest. Op zijn arbeid in de gemeente van Enkhuizen rustte veel zegen. In de moeilijkheden, door het optreden der Remonstranten veroorzaakt, was hij „een steunpilaar der waarheid". In de Noordhollandse synoden werd hij zeer gewaardeerd. In 1618 en 1619 fungeerde hij als scriba. In 1619 ontving hij een beroep van de universïteitsstad Leiden, ongetwijfeld een zeer eervolle roeping. De Leidse kerkeraad zond toen afgevaardigden naar de Noordhollandse synode, die juist vergaderde, om haar, zo mogelijk, te bewegen, haar toestemming te geven tot de aanneming van het beroep. Maar om zijn gezegende arbeid in Enkhuizen wenste de synode Ds. Dooreslaer voor die plaats te behouden, en op haar advies bedankte hij voor het beroep. In de synode van 1620, waarvan Ds Dooreslaer geen seriba was, kwam dat beroep weer ter sprake. In de acta werd toen aangetekend, dat „die van Enchuysen" zich „in de zwaricheden van de gemeene kerken treffelijk hadden gequeten" en dat men hen „niet behoorde te discourageeren (ontmoedigen) met onttreckynge D. Abrahami." Op grond van dit alles kunnen we aannemen, dat de kerkeraad van Enkhuizen en in het bijzonder Ds Dooreslaer in de actie der classis Enkhuizen tot reformatie van Urk een zeer werkzaam deel heeft gehad. Berichtte pastoor Syndel niet reeds in 1601 aan de landsvrouw van Urk, dat Jasper Jans hem telkens ging „aanklagen" by het consistorie van Enkhuizen? Jasper Jans wist toen al, aan welk adres hjj zich het best kon vervoegen. En al ging het niet met hazensprongen, het optreden van Jasper Jans droeg op den duur 163


toch vrucht. Op 27 Augustus 1620 vervoegden zich weer twee deputaten van de classis Enkhuizen in de vergadering van Gecommitteerde Raden, om te vragen, hoe het nu stond met het traktement voor den predikant, die voor Urk moest worden beroepen. Van den heer van Urk was geen antwoord ontvangen. De heren Gecommitteerden schenen er wel wat verlegen over, dat de zaak was blijven sloffen. Maar nu zouden ze er onmiddellijk werk van maken. En nog denzelfden dag schreven zij aan de „Gedeputeerden deses Quartiers ter dachvaert", dus aan de heren, die het Noorderkwartier en West-Friesland in de Staten van Holland vertegenwoordigden. Meent ge nu, lezer, dat de Staten toen kort daarop een besluit namen, waarbij de zaak van het traktement geregeld werd? Ach! .............. Bijna acht jaar zou dat nog duren. We steken weer over naar Overijsel. Het is ons reeds bekend, dat de synode van dit gewest in 1619 aan de Staten Generaal de reformatie van Urk en Emmeloord had gevraagd en welke gevolgen dat verzoek had gehad. Daar er niets positiefs gebeurde, bracht de classis Kampen de zaak weer te berde in de Overijselse synode van Juni 1620. In haar acta staat dit aangetekend: „Op de gravamina des classis van Kampen (wordt geresolveert): op het eerste, van de remonstreeringe totte afsettinge der papen ende weeringge des afgodendienstes te Urk en Emmeloort bij de Hoogh Mog. Heeren, de Staten Generaal, word goetgevonden, dat men sulx versoeken aan hare Hoogh Mog., ende de Mogende Ridderschap ende Steden, om door hare Mogende Gecommitteerden in den Hage gerecommandeert te worden." Dat zou dus na den eersten brief van 1611, die zonder resultaat was gebleven, een tweede brief worden aan de Staten Generaal. Het nieuwe er bij was nu, dat aan de Staten van Overijsel zou worden verzocht, hun vertegenwoordigers in de Staten Generaal op te dragen, om de zaak te steunen. Die tweede Overijselse brief had in de Staten Generaal meer succes dan de eerste. De resolutie, daarop reeds 19 November 1620 genomen, luidde als volgt. „Ontfangen ende gelesen eenen brieff geschreven uuyt het synode te Campen gehouden in Junius lestleden, inhoudende dat hiertevoren opt versouck des synode provincialis van Overijssel aen hare Ho. Mo. is geremonstreert, dat tot Urck ende Emmeloort noch papen stonden, doende misse ende andere afgodendiensten met nadeel ende affbreuck voornamentl. vande naburige 164


kercken van Overijssel, ende onteeringe van de ware Christel, religie, ende alsoe deselve afgoderie noch wordt gepleeght, dat zij versuecken dat sulcke paepen ende affgoderijen metten iersten mogen werden geweert. Hierop gedelibereert zijnde is goetgevonden datmen desen brieff sal stellen in handen van de provintien die dese zacke raect ende deselve versucken dat ter voorsz. plaetszen gestelt mach werden een predicant van de religie." Hiermede ontvingen dus de Staten van Holland en die van Overijsel beide het verzoek van de Staten Generaal, om te zorgen, dat er op Urk en op Emmeloord een Gereformeerd predikant kwam. Voor Holland was, zoals we weten, dat verzoek niet meer nodig. Daar liep het nog alleen over de verzekering van het traktement. Voor Emmeloord liep de zaak niet eens zo vlot. In de Overijselse Staten werd de opmerking gemaakt, dat het niet zeker was, aan „wie de souverainiteit ende hoogste jurisdictie over Emmeloort was toecomende", zodat in de bestrijding van de „affgodendienst" aldaar niet door Overijsel kon worden „geremediert" (gehandeld). De Staten gingen met die opmerking accoord. Immers, als Overijsel zorgde, dat Emmeloord een Gereformeerd predikant kreeg, dan zou het ook voor het traktement moeten zorgen. En wèl het traktement van den predikant op Emmeloord te betalen en geen oorlogsbijdrage van den heer van Emmeloord te ontvangen, daarin konden de Staten van Overijsel nog niet toestemmen. De politieke heren gingen secuur, in Overijsel zo goed als in Holland, vooral als het op betalen aankwam. Toen de Overijselse leden van de Staten Generaal in dit hoogste college de bedenkingen van Overijssel hadden geopperd, losten de Staten Generaal de zaak op een vindingrijke manier op. Ze beslisten, „dat aengaende het politycq de saeck van Orck ende Emmelort bleeff als voren, doch noopende het kerckelijck, Orck soude sorteeren onder Noorthollandt ende Emmelort onder Overijsel, waerover dan de H. Staten der respectieve provinciën werden geauthoriseert ende versocht den affgodendienst, tot noch toe daer gepleegt, te weiren ende den suyveren godtsdienst daer in te stellen ter eere Godts ende der ingesetenen siele salicheijt." Dat was dus de tweede maal, dat de Staten Generaal een dergelijk besluit namen en nu wel een heel duidelijk. De Overijselse synode kon spreken van succes. Er volgde er nog een. De Staten Generaal richtten een brief tot den heer van Urk en Emmeloord, om hem, zoals het later in een vergadering van de classis Kampen werd uitgedrukt, „tot reden te stellen". Ofschoon de juiste inhoud van dien brief niet bekend, is, kunnen we veilig aannemen, dat de Staten Generaal den heer Van de Werve wilden doen verstaan, dat de publieke uitoefening van den Roomsen eredienst, zoals die nog in zijn heerlijkheid plaatsvond, in 165


strijd was met de ordinantiën, daaromtrent door de Staten Generaal uitgevaardigd, en dat hij had toe te staan en te bevorderen, dat op Urk en Emmeloord de reformatie tot stand kwam. Die brief van de hoogste overheid lokte den heer Van de Werve uit zijn tent. Hij haastte zich, te antwoorden, dat hij „die reformatie wel tnochte gedoegen, indien de middelen tot onderhout eenes pre-dicants mochten sufficiant zijn." Hij had blijkbaar geen lust, daartoe uit zijn eigen middelen bij te dragen. Maar hij had dan toch geantwoord. De bijzonderheden omtrent deze correspondentie ontleende ik aan het„Synodaal Boeck van Overijssel" en aan het „Classicale Boeck van de classis Kampen", welk laatste mij door het tegenwoordige Classicaal Bestuur van Kampen welwillend ter inzage werd gezonden. Die correspondentie moet gevoerd zijn in de laatste dagen van November en de eerste van December 1620. Toen de deputaten van de Overijselse synode er van hoorden, wendden zij zich terstond tot de Staten van hun gewest met een dubbel verzoek. Ten eerste verzochten ze van de bedoelde correspondentie een afschrift te mogen ontvangen, blijkbaar om te weten, waaraan zij zich zouden hebben te houden. Ten tweede, en daar blijkt de voortvarendheid der verzoekers uit, vroegen ze den Staten nu reeds, om „eenige polityken te ordineeren, authoriseeren ende met instructie der kercken te adjungeeren (bij te staan), om die reformatie der voorn, plaetsen, insonderh. der naest-gelander, als Emmelort, te helpen beginnen ende effectueren, tsy eenen besonderen predicant, met middelen aldaer voorsien, te stellen, ofte ten minsten voor eerst tot naerder dispositie met Ens te combineeren." Dit tweede verzoek kwam dus hierop neer, dat de Staten van Overijsel nu, wat Emmeloord betreft, de opdracht van de Staten Generaal zouden uitvoeren. Maar de politieke heren talmden. Zelfs met hun antwoord. Intussen duurde de toestand op Emmeloord, zowel als die op Urk onveranderd voort. In de vergadering van de classis Kampen van 4 Januari 1621 klaagde Ds. Hiddingh van Ens weer „over den ongaedelicken paepschen godtsdienst, geovent (geoefend) werdende soe tot Orck als tot Emmeloe." Gelukkig, dat een der synodale deputaten, in de vergadering aanwezig, toen mee kon delen, wat er aan de Staten van het gewest verzocht was en dat men nog op antwoord wachtte. De classis sprak toen den wens uit, dat de „deputaten synodi in die saeken tot utdracht souden vort varen." Nu, hieraan ontbrak het niet, maar het talmen van de Staten verlamde alle voortvarendheid van de zijde der kerken. Eindelijk, weer ruim twee maanden later, namen de Staten van Overijsel dan toch een besluit. Om de reformatie van Emmeloord dan nu toch te doen plaats hebben, meent gij? 166


O neen, zo ver waren de politieke heren nog niet. Ze zonden eenvoudig den brief van de synodale deputaten terug met daarop deze kanttekening: „De Gecommitteerde(n) in 's Gravenhage sullen aen geschreven worden, om de resolutie van haere Hooch Mog. per copiam (in afschrift) over te senden, om deselve gesien synde, wijders daerinne gedaen te worden." Meer niet. Om nu al instructies te geven voor de uitvoering der reformatie, dat kwam den heren al te voorbarig voor. Zoals men ziet, waren de politieke heren in Overijsel precies eender als die in Holland, en dat ondanks het feit, dat beiden professie deden van den Gereformeerden godsdienst. De „politieken" beschouwden uiteraard de reformatie heel anders dan de „kerkelijken". Daarbij waren ze o, zo naijverig op de erkenning van hun invloed en zeggenschap ook in kerkelijke zaken. Met deze sprekende voorbeelden voor ogen is het dan ook volkomen onbegrijpelijk, dat er zelfs in den tegenwoordigen tijd, nu de verhoudingen zo gans anders zijn, nog mensen zijn, die van de overheid de uitvoering vragen van het ongewijzigd artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Ze moeten bovendien maar eens nagaan wat er in de historie van de door ons als mechanisch aangeduide reformatie, met name op Emmeloord, is terechtgekomen. De kerkelijke deputaten, die in hun optreden bij de burgerlijke overheid zo bescheiden konden zijn (in het tegenovergestelde geval wisten ze trouwens, welke gevaren er dreigden), hadden soms evenwel iets van de arme weduwe, die niet afliet, tot den onrechtvaardigen rechter te roepen: „Doe mij recht!" Ze volhardden in hun pogingen. En eindelijk kwam het resultaat op zo veel volharding. Op „Jovis (Donderdag) den XXen Maye 1622" viel er een resolutie van de Staten Generaal, die aan al het weifelen en dralen een einde maakte. Bij de resolutie werd den Staten van Overijsel verzocht „paep ende pauselijcke superstitie van Emmeloo te weeren", en werd aan de Overijselse synode en inzonderheid aan de classis Kampen opgedragen den kerkdienst op Emmeloord te doen verrichten door den predikant van Ens. Merkwaardig zijn de laatste woorden van de resolutie: „ende dit all onvercortet een ieders gerechticheit", waarbij te denken zal zijn aan de rechten van den heer Van de Werve. In het besluit van de Staten Generaal werd nu natuurlijk niet over Urk gesproken. Grote blijdschap in de classis Kampen, die 4 Juni vergaderde. Zij besloot, op de komende synode voor te stellen, om aan de Staten van Overijsel voor de te combineren kerken van Ens en Emmeloord meteen de aanstelling van een schoolmeester te vragen. De bedoelde synode, 15 Augustus te Kampen saamgekomen, be167


sloot, bij de Staten aan te houden, dat het traktement van den predikant van Ens-Emmeloord zou worden gebracht op 400 gulden 's jaars. Betreffende de reformatie van Emmeloord nam zq dit besluit: „De reformatie op Emmelo sal met den eersten bij der hand genomen werden: ende sullen deputati classis met deput. der Landtschap toecomende Sondagh, so het mogelick is, deselve bevorderen ende utrechten". De Staten, die zagen, dat er nu toch niets meer aan te veranderen viel, deden nog vóór den Zondag „den altaer in de kercke te Emmelort afbreecken ende den paepe vertrecken." Op Zondag 21 Augustus 1622 deed Ds. Lambertus Hiddingh van Ens, onder aanwezigheid van twee Statenleden, zijn intrede op Emmeloord en werd „de waere Godesdienst daer geïntroduceert ende de eerste gereformeerde predicatie aldaer gedaen". Ds. Hiddingh werd „goetwillich van schout, kerckmeijsteren ende de meent aengenomen, ende hebben sij vrijwillich voor de predicant aldaer een nieuwt huis getimmert om wanneer men door ongelegenheijt inde kercke niet conde comen, daer t' samen te comen ende H. Godesdienst te verrichten". Zo luidde het verslag, dat later door de classis Kampen van de reformatie op Emmeloord gegeven werd. Schijnbaar geschiedde dus alles in pais en vree. De deputaten van de synode waren zó tevreden, dat zij in een brief de Staten Generaal bedankten „aengaende de reformatie van de plaetse van Emloort". Ze voegden er den wens aan toe, dat nu ook Urk in dat voorrecht delen mocht. Toen van deze bemoeiingen der synodale deputaten in de classis Kampen, 31 Maart 1623 vergaderd, mededeling werd gedaan, werd deze met bijzondere ingenomenheid ontvangen. De scriba noteerde in de classicale acta, dat de deputaten der synode „aen haere Ed. Mog. versocht hebben, dat hetselve met de kercke van Urck vangelijcken int werck mochte ghestelt worden", en drukte de algemene vreugde daarover uit, door de laatste woorden te onderstrepen. Maar zie nu, wat er volgde. Had men zich in Overijssel, in de blijdschap over het besluit van de Staten Generaal, geen voldoende rekenschap gegeven van de woorden aan het slot: „ende dit all onvercortet een ieders gerechticheit"? Hoe de Heer van Urk en Emmeloord daarover dacht, zal nu bujken. In 1624 stelde hij zich door een persoonlek bezoek van den toestand op zqn eilanden op de hoogte. Over de gang van zaken op Emmeloord was hij zó verstoord, dat hij den „huijslueden" aldaar kort en goed verbood, om zich onder het gehoor van den Gereformeerden predikant te begeven. Hij oordeelde, dat de Staten van Overijsel en de classis Kampen in zijn heerlijkheid niets te zeggen hadden, omdat hij die in leen had van „de grafelijkheid van Holland". 168


In dien zin diende hij bij de Gecommitteerde Raden te Hoorn een klacht in ......... Had hij daarmede den politieken knobbel der heren in Holland geraakt? Ze zonden hem althans een uitnodiging tot een mondeling onderhoud. In de overtuiging van zijn recht begaf hij zich nu op 6 Juni 1624 naar Hoorn. Hg trof het niet gelukkig: de vergadering van Gecommitteerden was juist „in seeckere commissien gescheyden", zodat hij alleen den heer Foreest, den secretaris van het college, te spreken kreeg. En natuurlijk kon de dienaar van heren Gecommitteerden hem wel aanhoren, maar hem geen uitsluitsel geven. Het enige, dat hij verder kon doen, was, den heer Van de Werve, op diens verzoek, een schriftelijk bewijs geven, dat hij er geweest was. Of niet dat bewijs den indruk maakt, dat deze ontmoeting van den heer Foreest alleen ook al politiek was, zij aan het oordeel van den lezer overgelaten. Het luidde als volgt. „lek onderges, verclare als secretaris van de heren Gecommitteerde Raden van de Staten van Westvrieslant ende t Noorderquartier, dat die heere van Urck ende Emeloort op huyden voor desen vergaderinge verschenen synde omme haer E. Mo. de saeck van de kerekendienst op den selven eylanden te vertonen, gelijck sijn Ed. verclaerde, haer E. Mo. alrede in seeckere commissien gescheijden waren ende dat selfs de heere Gecommitteerde Raet deses stadts niet jegenwoordig en is; voorders dat mij noch wel in gedachten is, dat voor desen de heeren Staten van Hollant ende Westvrieslant mijn Heeren alhier aengeschreven hebben, dat die suyvere ende ware godtsdienst aldaer soude mogen worden geoeffent, ooc dat het classis van Enchuysen mede daartoe is gelast geweest; wijders, dat mij wel kennelijk is, dat al een langen tjjt geleden seecker heer van de voorsz. eijlanden bij desen quartieren (= door Gecommitteerden) des aenscrivinge is gedaen. In oirconde des waerhegts is dese bij mij get. tot Hoorn den Vlen Junij 1624." Met de aanschrijving, in de laatste regels genoemd, doelt de heer Foreest natuurlijk op den brief, dien de heer Van de Werve in de eerste dagen van 1620 van heren Gecommitteerden had ontvangen. Hem wordt nu fijntjes herinnerd, dat hij op dien brief nimmer had geantwoord. En zie eens met welk een resultaat! Niet langen tijd na zijn bezoek aan Hoorn verzocht hij aan Gecommitteerde Raden en zelfs aan de classis Enkhuizen, om ....... zijn „heerlijcheijt van Urck van een predicant te voorsien." Het komt mij voor, dat dit resultaat van de Hollandse bedachtzaamheid verre uitging boven dat, hetwelk de Overijselse voortvarendheid tot nog toe op Emmeloord bereikt had. Later hopen we 169


nog wel te vernemen, hoe het resultaat daar verre van blijvend is gebleken. Voor het vervolg der geschiedenis was het beslist nodig, dat ik kennis kon nemen van de acta der Noordhollandse synoden uit dien tijd. Gelukkig kwam Dr. L. Lasonder, archivaris van de Nederl. Hervormde kerk in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, mij te hulp. Op mijn verzoek was hij onmiddellijk bereid, de in zijn archief aanwezige afschriften van de begeerde acta te mijnen gebruike op te zenden naar het Rijksarchief te Haarlem. Daar heb ik ze rustig kunnen bestuderen. Ze zijn samengevoegd in twee perkamenten banden en lopen over de jaren 1621 tot 1629, die ik in de eerste plaats nodig had, en over de jaren 1630 tot 1639. Het eerste, dat van Urk werd vermeld, was van 1626. In dat jaar vergaderde de synode van Noord-Holland van 4 tot 14 Augustus te Alkmaar. Afgevaardigden van de classis Enkhuizen waren Ds. Abraham a Dooreslaer van Enkhuizen en Ds. Wilh. Wilhelmi van Bovencarspel. De eerste werd als scriba gekozen. De trouwe classis Enkhuizen bracht de zaak van Urk ter sprake. En zo kon de scriba in artikel 46 van de synodale acta dit optekenen: „Op het versoeck van die van Ensch.n heeft de synodus geoordeelt, dat de gedeputeerden bij de Heeren Staeten van Holl.t ende Westfriesl.t sullen aenhouden om behoorlick tractement voor het eijlant van Urck, opdat alsoo hetselve, conform het begeeren van haer Ed. Mog. ende de uijtscrijvinge der selver aen den classis van Ench.n gedaen, soude moogen versien werden met een gereformeert predicant." Zoals men ziet, wachtte men nog op de zekerheid aangaande het traktement. Maar de deputaten zouden bij de heren Staten „aenhouden." Doch toen zij zich korten tijd later persoonlijk weer bij de Gecommitteerde Raden vervoegden, om te verzoeken, dat er „aengaende het stuck van het tractement voor het eijlant van Urck" een beslissing mocht worden genomen, vernamen zij iets, dat hun hoop op een spoedige vervulling van hun wens niet versterkte. De Staten n.1. hadden aan Gecommitteerden advies gevraagd omtrent de „nootwendicheit" van den dienst op Urk; d.w.z.: of de vervulling van dien dienst wel noodzakelijk was. En nu hadden Gecommitteerden het voornemen, om zelf eerst een onderzoek op Urk in te stellen in verband met „het ongeregeld lopen van een en ander aldaar", waarvan de aanwezigheid van zekeren Laurentius op het eiland de voornaamste oorzaak was. 170


Hiervan iets meer. Een „verlopen" predikant, zekere Laurens Laurensz., in het Latijn zich noemende Laurentius Laurentii, wiens aandacht op de ene of andere manier op het nog braak liggend Urk gevestigd was, was op het eiland gekomen en trachtte zich in den dienst in te dringen. Vermoedelijk was er na het verzoek van den heer Van de Werve om een predikant te zenden geen vast pastoor meer op Urk. Alleen kwam er af en toe ter sluiks een, om de mis te bedienen, hetgeen trouwens nog jaren zo gebleven is. Maar in ieder geval scheen Laurens Laurensz. een goede kans te hebben, om er voet aan wal te houden. Hij had zich op het eiland gevestigd als „schoolmeester", hetgeen op zichzelf door niemand te beletten was. Maar 's Zondags trad hij op als „voorlezer", en het is te begrijpen, dat hij altoos wel hoorders had. De zeer enkelen, die zich vroeger al om Jasper Jans hadden geschaard, behoorden allicht tot zijn vaste „klanten". Anderen kwamen weer, omdat er in de kerk toch geen geregelde misbediening meer plaats vond. Zo schijnt Laurens zelfs een zekeren aanhang te hebben verkregen. We kunnen ons zo goed voorstellen, hoe hij, die de daarvoor vereiste terminologie wel kende, de eenvoudigen wist in te palmen. En zo vormde deze woelzieke geest voor de eigenlijke reformatie een gevaar. Heren Gecommitteerden hadden den toestand wel juist getekend, toen zij spraken van het „ongeregeld lopen van de zaken" op Urk. Maar wie was die Laurentius? Het „Nieuw Kerkelijk Handboek" van M. W. L. van Alphen Jr kan ons daarover inlichten. Reeds in 1600 stond in Tzum (Friesland) een predikant met den naam L. Laurentii. In 1602 vertrok hij naar Janum, dat in 1607 met Birdaard tot één kerkelijke gemeente verenigd werd. In 1620 vertrokken naar Lutjewoude of Lutkewolde, ook aangegeven als Augsbuurt, was hij daar predikant tot 1622. Augsbuurt ligt in de Friese gemeente Kollumerland, vlak bij de Groningse grens. In 1622 nu werd Laurentius uit zijn ambt ontzet! Waar de man gezworven mag hebben tussen 1622 en den tijd, dat hij zich op Urk vestigde, is niet na te gaan, maar, zoals het meer gaat met zulke lieden, hij schijnt wel veel te hebben aangedurfd. Hoe, b.v. wist men in Den Haag, bij de Staten, van zijn aanwezigheid op Urk en dan zó, dat ze zelfs twijfelden aan de noodzakelijkheid van het stellen van een predikant op Urk? Had Laurentius zelf de brutaliteit gehad, zich tot de Staten te wenden met de verzekering, dat het op Urk toch zo goed ging? In Augustus 1627 vergaderde de Noordhollandse synode te Haarlem. Natuurlijk rapporteerden de afgevaardigden van de classis Enkhuizen omtrent den teleurstellenden staat van zaken op Urk. Zij spraken „van eenen heer Laurentij, die trouloosselick syn gemeente in Groningerlant heeft verlaten, en hem opt landt (van Urk) heeft opgeworpen." Daar blijkt uit, dat de classis nadere inlichtingen omtrent hem had ingewonnen; en tevens zien wij er uit, om welke reden hij van 171


zijn arnot ontzet was.

De synode besloot, ,.de respective classen te vigileeren (tot waakzaamhieid op te wekken), dat door Laurentius geen kercken voorts bedroogen werden." Verder zouden synodale deputaten niet alleen bij de Staten zelf aandringen op een beslissing. Als vertegenwoordiger van de Staten was op de synode aanwezig de raadsheer Koorn. Toen hij de verslagen en besprekingen over Urk had aangehoord, was zijn hart vervuld met zorg over het eiland. Dat bleek uit het rapport, dat hij een maand later in de Statenvergadering uitbracht. Hij sprak toen „van de onvoorsienheyt van 't eijlant van Urck". „Onvoorsienheyt"............... inderdaad. Het eiland miste nog altoos de leiding van een goed herder en leraar; en die was er vooral nu zo nodig; maar nóg waren de Urkers als schapen zonder herder ....... 's Raadsheren advies heeft ongetwijfeld meegewerkt, dat er niet heel lang daarna verandering gekomen is. Urk kreeg het aangekondigd hoog bezoek. Enkele Gecommitteerde Raden kwamen er persoonlijk den toestand opnemen. Ze zullen een samenspreking hebben gehad met den schout en andere notabelen en zijn zonder twijfel tot de conclusie gekomen, dat de financiële en kerkelijke toestand op Urk niet rooskleurig was en dat er ingegrepen en geholpen zou moeten worden. Misschien hebben ze ook Laurens Laurensz voor zich ontboden. Toen de synodale deputaten omtrent de voorziening in het predikantstraktement voor Urk een half jaar na een samenspreking met Gecommitteerde Raden in Hoorn nog niets vernomen hadden, gaven ze gevolg aan hun voornemen, om persoonlijk bij de Staten in Den Haag de belangen van Urk te bepleiten. En ze ondervonden, dat de beste bode de man zelf is. Ze hadden trouwens een gunstig advies van de Gecommitteerde Raden bij zich. Volgens de „Resolutiën van 1628" viel op 4 Maart van dat jaar in de Statenvergadering dit besluit: „Opt versoeek van die van de synode van Noordt-Hollandt ende de rescriptie (toelichting) van de Heeren Gecommitteerde Raden aldaer, zijn die van de synode geauthoriseert, om te dispicieren (te zorgen) een goedt predicant in den eijlande van Urck te seijnden. ende de welgemelte Heeren Gecommitteerde Raden, om ordre op sijn onderhoudt te stellen, 't zij uijt de middelen van 't eijlandt, of van de andere geestelijcke goederen, ende bij faute (het ontbreken) van alle dien, uit de middelen van 't landt, 't welck de voorn. Heeren Gecommitteerde Raden zal worden aengeschreven." Groot was de blijdschap, die dit besluit bij de synodale deputaten verwekte. De synode had dan nu de bepaalde opdracht ontvangen, om te bewerken, dat Urk een predikant en wel een goed predikant 172


zou krijgen; en Gecommitteerde Raden zouden zorgen voor het traktement, desnoods door het uit 's lands kas te betalen. Het gevaar, dat van den kant van Laurentius gedreigd had, was ten goede gekeerd. Petrus Salebien was schoolmeester te Castricum. Zijn naam doet vermoeden, dat hij van Franse afkomst was. Zijn vrouw, Josintgen Jacobs, deed in Castricum al 14 jaar het Sifra-en-Pua-werk, waaruit te besluiten valt, dat het echtpaar op middelbaren leeftijd was. Reeds enigen tijd had hij de begeerte gekoesterd, in den predikdienst werkzaam te zijn en had hij zijn studie in die richting geleid. Toen hij nu vernam, dat er voor het eiland Urk een predikant gezocht werd, gaf hij zijn kerkeraad en zijn classis te kennen, dat hij zich met het oog daarop gaarne onderwerpen zou aan de daarvoor vereiste kerkelijke examens. Zoals bekend, moet iemand, die in den tegenwoordigen tijd staat naar het predikambt in de Gereformeerde kerken, eerst het praeparatoire examen afleggen voor de classis, waartoe zijn woonplaats behoort. Bij dat examen moet ook een proefpredikatie gehouden, althans ingeleverd worden. Bij gunstigen afloop is hij „candidaat tot den heiligen dienst." Neemt hij dan een beroep aan, dan volgt het peremptoire examen voor de classis, waartoe de beroepende kerk behoort. In het algemeen werd in vorige eeuwen in de Gereformeerde kerken dezelfde weg gevolgd. Men sprak toen evenwel niet van een candidaat, maar van een proponent. In de Nederlands Hervormde kerk, waar nog het woord proponent in zwang is, worden de examens afgenomen door de provinciale „kerkbesturen". Geheel onhistorisch is dit niet, want ook in ons geval zouden de examens zijn afgenomen door de provinciale synode, indien deze al het werk, dat er voor het bezorgen van een predikant op Urk gedaan moest worden, niet had opgedragen aan de classis Enkhuizen. Natuurlijk werd het ook de classis Enkhuizen bekend, dat Petrus Salebien stond naar het predikambt en dat hij genegen zou zijn, een beroep naar Urk aan te nemen. Nadat met hem een onderhoud zal hebben plaatsgevonden, gaf de classis van een en ander kennis aan Gecommitteerde Raden. Deze verzonden daarop, na overleg met de classis, het volgend schrijven, gedagtekend 16 Maart 1628. dus slechts 12 dagen na het bekende besluit der Staten. „Aen de Schoolm.r tot Castricum. Eersame etc. Nadien wij verstaen, dat U.E. noch wel gesint sijt den kercke van Urck te bedienen ende t classis van Enchuijsen aencomende Maendach acht dagen, wesende 27e deses maants, binnen den selven stede vergaderen sal, soo ist, dat wij goetgevonden hebben, U.E. bij desen te lasten, hem ter selver tijt door den selven classe 173


te laten vinden, omme bij haer E. daerop ondersocht ende indien U.E. bequaem daer toe bevonden werde, tot den selven dienst aengenomen ende bevesticht te werden, doch op dat U.E. niet te rauwelijck nochte onbekent aldaer en verschijne, sal U.E. derwaarts op Saterdach voor den selven tijt mogen reijsen ende U.E. bij de predicant desselven stadts ende onze medebroeder de heere Cornelis Cornelisz., botercoper, vervoegen, omme bij haar E. aen den classe tot dien eijnde geaddresseert te werden. Aengaende het tractement sullen wij op U.E. wedercompste daer van handelen. Waertoe ons verlatende .......... " Het doet ons - gelukkig terecht! - wel vreemd aan, dat de politieke heren zo veel van de kerkelijke zaken bedisselden. Gelijk blijken zal hadden ze geen juiste voorstelling van den te volgen gang. De afloop van het preparatoire examen op 27 Maart was tot wederzijds genoegen. Salebien was nu proponent. Tien dagen later ontving hij een tweede schrijven van Gecommitteerden, om hem te verzoeken, zich te „praepareren omme te doen een propositie" (proefpreek) voor de classis Enkhuizen, „op Maandach na beloocken Pascha, wesende den len May aencomende, ende te gelijck, om uijt te mogen staen het examen, ende mitsdien bequaem tot den beroepinge van den kerckedienst van den eijlande van Urck bevonden te worden." Onder aan den brief stond de tekst, waarover gepreekt zou moeten worden, aldus aangegeven: „Joan. 1 vers 17: Want de wet is door Moijsen gegeven, maer de genade ende de waarheijt door Jhesum Christum geworden." Mogen we uit den meer vriendelijken toon van dezen brief niet besluiten, dat het eerste examen bijzonder gunstig was geweest? Ook het tweede examen met de propositie had den door allen begeerden uitslag. Aan den examinandus kon worden meegedeeld, dat hij, behoudens de goedkeuring van de komende particuliere synode en behoudens de approbatie van Gecommitteerde Raden, beroepen werd tot predikant van Urk. De particuliere synode van Noord-Holland vergaderde van 15 tot 26 Augustus 1628 te Amsterdam. .,Goetgevonden (werd), den classem van Enchuijsen ten overstaen van de gedeputeerden des synodi te authoriseeren tot volcomen bevorderinge van dit werck ten dienste van t' voorsz. eijlant, selfs oock des geraden sijnde omme hem aldaer voor een genoegsame tijdt te verbinden." Uit de laatste woorden blijkt, dat de synode verwachtte, dat Ds. Salebien het op Urk niet gemakkelijk zou hebben. Of er overigens van die verbinding „voor een genoegsame tijdt" iets gekomen is, weten we niet. Daarover zouden de verloren gegane acta van de classis Enkhuizen ons kunnen inlichten. De approbatie van de Gecommitteerde Raden volgde evenzeer; 174


maar het bevreemdt mij, dat ik van een approbatie van den heer Van de Werve niets gevonden heb. Waaruit natuurlijk niet direct volgt, dat ze niet gevraagd en verkregen zou zijn. Ik vermoed zelfs van wèl. Op Zondag 15 October 1628 werd Petrus Salebien door Ds. Johannes Pappinus van Enkhuizen in zijn dienstwerk als predikant van Urk bevestigd; het resultaat van vele bemoeiingen en het antwoord op vele gebeden. Noch van de bevestigingspredikatie, noch van de intreêpreek is ons de tekst bekend, en ook verder weten we niets van de bijkomende omstandigheden. Negenhonderd jaar had het leven op Urk zich ontwikkeld onder bestraling van het licht, dat, in afnemende helderheid, vóór de Reformatie geschenen had en dat ongetwijfeld zijn zegeningen over het eiland had verspreid. Van nu af zouden de dienaren des Evangelies vrijuit en onomsluierd verkondigen, dat de rechtvaardige door het geloof leven zal. In hetzelfde kerkgebouw, dat omstreeks 1600 met den steun van Vrouwe Barbara van Essesteyn verrezen was, en waarin nog haar beeltenis op een der wanden prijkte, zou nu geen misoffer meer worden opgedragen, maar week na week worden verkondigd, dat Jezus Christus door Zijn enig zoenoffer een eeuwige gerechtigheid heeft aangebracht. Inderdaad, de 15-de October 1628 was in de geschiedenis van Urk een gedenkwaardige dag. Er was, nog kort geleden, veel gejuich in 't vaderland geweest, toen bekend was geworden, dat Piet Hein op Zondag 10 September de Spaanse zilvervloot veroverd had. Over het winnen van aardse schatten had ons volk zijn vreugde in grote uitgelatenheid gevierd. En ik wil de betekenis van het feit niet verkleinen: Spanje was er door verzwakt en bij ons was „de zenuw van den oorlog" er door gesterkt. Het is dan ook volkomen in orde, dat in de scholen op Urk zo goed als elders de heldendaad van Piet Hein wordt vermeld en dat er nu en dan het liedje van de Zilvervloot weerklinkt. Maar is er voor Urk niet nog meer reden, om het feit van de reformatie der kerk, al werd er nauwelijks een juichkreet bij vernomen, te schetsen voor de kinderen, opdat ze ook en vooral deze daad des Heren niet vergeten .............. ? Formeel was nu de kerk van Urk tot reformatie gebracht, op hoop, dat, als vrucht van de prediking, de persoonlijke reformatie volgen zou. Gecommitteerde Raden werkten naar hun vermogen mede. Bij hun bezoek aan Urk hadden ze ongetwijfeld begrepen, dat schout en schepenen den nieuwen stand van zaken gans niet toejuichten en dat er van hen geen medewerking te verwachten viel. Dit schijnt al bij de komst van Ds. Salebien bevestigd te zijn. En waar er nu van hun voorgang zo veel te vrezen of te hopen viel, 175


richtten de Gecommitteerden op 3 November 1628 tot „Joneneer Johan van der Werff, here van Urck, wonende tot Geervliet" het volgende schrijven: „Edele etc. UEd sal buijten twijffel bij missive van de classe van Enchuijsen kennisse ontfangen hebben, dat eijntelijck soo door hare als door onse instantie bij mijn heren de Staten van Hollandt ende Westvrieslant soo veel te wege gebracht is, dat op UEd versoec, enige jaren geleden aen den classe ende ons gedaen, UEd heerlijcheijt van Urck van een praedicant is voorsien; dewijle nu de selve eerstdaechs hem aldaer transporteren ende sijn woonplaatse ne men sal int huijs, dat men tot coste vant gemene lant sal doen bouwen, soo ist, dat wij goetgevonden hebben te versoecken: UEd gelieve UEd officier (schout) met den regeerders aldaer aen te schrijven, te willen den selven persoon in behoirlijcke achtinge aen nemen, den onder saten tot het selve ende naarstich gehoor van Godts Woort mede te vermanen, ende alle gunste, hulpe ende vruntschap na behoiren den selven te bewijsen, waeraen Godes kereke ende tgemene beste dienste geschieden sal, die wij behoirlijck tot allen tijden tegens UEd willen erkennen. Mit welcken ons daertoe verlatende ............. " Een vriendelijk schrijven inderdaad. En helemaal vrij van machtsvertoon. De schrijvers wensten zich blijkbaar te houden aan den stelregel, dien de Staten Generaal in hun resolutie van 20 Mei 1620 gegeven hadden: „ende dit all onvercortet een ieders gerechticheijt". Overigens is het wel eigenaardig, hoe vanzelfsprekend heren Gecommitteerden als het ware uitgaan van de veronderstelling, dat de immers goed Roomse Van de Werve hier zijn medewerking tonen zou. Hij had immers om een predikant gevraagd! Maar of zijn medewerking meer is geweest, dan een lijdelijk toezien en in den gevraagden vorm is verleend, dat valt ernstig te betwijfelen. Als er in den brief gezegd wordt, dat Ds. Salebien zich eerstdaags „transporteren" zou en zijn woning nemen in het voor hem te bouwen huis, dan wordt ongetwijfeld gedoeld op zijn huisboedel. Hijzelf zal ergens tijdelijk onderdak gevonden hebben, terwijl zijn vrouw nog in Castricum bleef. Aan zekeren „Claes Sybouts, huijstimmerman", werd opgedragen, aan de noordzijde van de kerk een pastorie te bouwen. Toen Ds. Salebien begreep, dat op die wijze de zuiderzon door de kerk zou worden onderschept, verzocht hij Gecommitteerden, het huis aan de zuidzijde te doen bouwen. Gedurende zijn eersten winter op Urk waardeerde hij stellig de zonnewarmte nog meer dan vroeger. Gecommitteerden antwoordden 14 Maart 1629 - toen moest dus nog met bouwen worden begonnen -: Wij hebben dat „tot UEd accomodatie ende gerijff geconsenteert." In Mei was de pastorie klaar. Toen zonden Gecommitteerden aan 176


Ds. Salebien de ingekomen rekening met het verzoek, alle posten behoorlek na te gaan. Het begon er al op te lijken, dat in de ogen der politieke heren niet de schout, maar de predikant op Urk de hoofdpersoon zou zijn. En - in Ds. Salebien stelden ze vertrouwen. Hier boven achtte ik het ernstig te moeten betwijfelen, of de heer Van de Werve op het verzoek van Gecommitteerde Raden zal hebben geschreven aan schout en schepenen van Urk, dat ze een meer gunstige houding tegenover het werk der reformatie moesten aannemen. Als die vermaning werkelijk gegeven was, zouden ze wel anders opgetreden zijn. Maar ijverig Rooms als ze waren en staande in directen dienst van hun Landsheer, die er, zoals ze wisten, precies eender over dacht als zij, moedigden ze, toch ook weer begrijpelijk, noch door hun voorbeeld, noch door hun woord, hun onderzaten aan, om zich onder het gehoor van Ds. Salebien te begeven. Verkeerde elementen onder de in grote meerderheid nog vijandige bevolking werden daardoor als vanzelf aangemoedigd, om tegenover de samenkomsten en zelfs tegenover den persoon van Ds. Salebien zó op te treden, dat er een „grote disordre op het eijlant" ontstond. Waar bleef toen de schout, om het voor enkele jaren opnieuw afgekondigde Landrechi te handhaven? Het spreekt vanzelf, dat Ds. Salebien zich beklaagde bij de classis en dat deze heren Gecommitteerden van den toestand op de hoogte bracht. Het gevolg van een en ander was, dat de laatsten op 29 Juni 1629 „aen de schout ende schepenen des eijlants van Urck" een missive zonden, om over die „grote disordre op het eijlant" hun misnoegen te kennen te geven. Op die manier zouden niet alleen alle gemaakte onkosten verloren zijn, maar „twelcke het voornaemste is, Godes toorn over ons lant verweet soude werden, in plaetse (dat) wij in desen staet des lants sijn segen ende genade ten hoochsten van node hebben." Ze bevalen nu, dat de schout met enige schepenen den 11-den Juli voor hun vergadering in Hoorn zou verschijnen, om „sodanigen ordre te nemen alsmen tot stichtinge van Godes kerck ende den politie sal bevinden te behoiren." Heren Gecommitteerden wilden dus kort en goed aan schout en schepenen hun instructies geven. Formeel was dat een ingrijpen in de souvereiniteit van den Heer van het eiland, maar waar jonkheer Van de Werve zich kort geleden niet verwaardigd had, het verzoek van de Gecommitteerde Raden ook maar in overweging te nemen, was het begrijpelijk, dat ze tot dezen krassen maatregel kwamen. Maar het Roomse bewind, dat bovendien de zaak van het vaderland heel anders beoordeelde, trok er zich niets van aan. De 11-de Juli verstreek, zonder dat schout en schepenen van Urk zich in Hoorn hadden laten zien. Op 30 Juli zonden de Gecommitteerde Raden een scherpere oproep aan schout en schepenen van Urk. Als deze nu weer verzuimden, 177 12


om aan den oproep (tegen 8 Augustus) gevolg te geven, zo zou dat zqn „op poene van daer tegens bij alsulcke middelen voorsien te werden, alsmen sal bevinden te behoren." Dat hielp. Op Urk wist men ook wel, dat de Staten van Holland de leenheren waren van den Heer van Urk en Emmeloord. Als het eens, op grond van het verzet, kwam tot confiscatie van het leengoed, wat dan? Al of niet in overleg met hun Heer legden schout en schepenen dan ook het hoofd in den schoot, en ze verschenen op den voorgeschreven dag in de vergadering van heren Gecommitteerden. Een romanschrijver zou een prachtige fantasie kunnen leveren van hetgeen daar verhandeld is, maar ik kan alleen zeggen, dat het niet bekend is. Het schijnt, dat de regeerders van Urk geëindigd zijn met de betuiging, dat ze gans niet onwillig waren, om, als de pastoriegoederen wat opbrachten, daaruit een deel van het traktement van Ds. Salebien te betalen. Het schijnt, dat Gecommitteerden aan Ds. Salebien elke drie maanden een mandaat deden toekomen van f 106,25 als traktement, dus berekend tegen 425 gld. per jaar. Dat mandaat kon bij den ontvanger te Enkhuizen worden ingewisseld. Toch was het traktement nog niet definitief vastgesteld. Dat gebeurde pas 25 October 1629 en toen bleek het te zijn ....... 400 gld. De dominee had dus in het verstreken jaar 25 gld. te veel ontvangen! Hem werd nu bericht, dat dit bedrag van het mandaat, dat 1 November betaalbaar was, was ingehouden! Als een pleister op de wond werd er bij bericht, dat men eerlang uit de opbrengst der pastoriegoederen een „toeslag" op het traktement hoopte te kunnen geven. De dominee moest maar alvast nauwkeurig naar die plaatselijke inkomsten informeren. Schout en schepenen hadden zich blijkbaar niet vermoeid door daarvan mededeling te doen. De „kleine potentaten" mochten al voor de grote „gebukt" hebben, ze wisten heel goed lijdelijk verzet in toepassing te brengen. Ds. Salebien haastte zich, heren Gecommitteerden zijn dank te betuigen. Maar hij greep tevens de gelegenheid aan, om eens een boekje open te doen omtrent zijn ervaringen op Urk. Hij nam geregeld den schooldienst waar, maar de beloning er voor mocht dien naam niet dragen. Hij was secretaris van het plaatselijke bestuur, maar wat voor het werk betaald werd, was een bespotting. Evenals in vorige woonplaatsen was zijn vrouw op Urk aangesteld als vroedvrouw, maar nergens was de beloning zo schriel als op Urk. En daar kwam dan nog de geschiedenis van het luiden der kerkklok bij. De kerkmeesters hadden vroeger, toen alles nog Rooms toeging, steeds gezorgd, dat vóór ieder en kerkdienst tijdig de klok geluid werd. De pastoor behoefde zich daar niet mee te bemoeien. Maar ondanks het feit, dat heren Gecommitteerden ruim een jaar geleden aan de kerkmeesters opgedragen hadden, de gewoonte van het klokluiden na de reformatie te handhaven, werd het telkens en hoe langer hoe vaker verzuimd. En toen de dominee er bij de kerk178


meesters op had aangedrongen, om geregeld voor het luiden te zorgen, hadden zij hem toegevoegd, dat de dominee het zelf maar moest doen. En de dominee had enkele maanden aan het klokketouw gestaan. Reeds 1 November 1629 zonden heren Gecommitteerden aan schout en schepenen kort en goed het bevel, om te zorgen, dat al die dingen in orde kwamen. Ze schreven aldus: „Die Gecommitteerde Raden enz. ordonneren den schout ende schepenen des eijlants Urck, haer praedicant behoerlijck te gageren voor den schooldienst ende secretaris ampt, welck bij hem tot groten dienst van den selve plaatse bij den ongelegentheijt van dien bewaart wert, sullende mogen genieten van ijder kint int vierendeel jaars drie stuijvers, ende van elcke acte, dien hij schrijven sal, twee stuijvers; voorts sal de gemeente aldaer gehouden sijn, desselfs huijsvrou behoirlijck te lonen voor den dienst, die zij als vroevrou aldaer doet. Lasten d selve ander mael tijtlijck tegens de praedicatie van Godts H. Woort de kloeke na gewoonte geluijt mach werden, sonder dat den praedicant daer mede sa! mogen worden belast, also het niet betamelijck is." Gelijk men ziet, deed het echtpaar Salebien ook al aan cumulatie van inkomens: de dominee was tevens schoolmeester en gemeenteschrijver, terwijl zijn vrouw het „vroemoerskip" waarnam. Gezien de beloningen, zullen ze er wel niet rijk bij zijn geworden. Nadat Ds. Salebien heren Gecommitteerden had ingelicht over de opbrengst der pastoriegoederen, richtten ze zich op 21 December 1629 weer tot „Regierders ende Kerckmeesteren van Urck." Deze hadden voor den toeslag op het traktement nog geen penning uitgekeerd. Hun werd nu gelast, om tot den tijd, dat zijzelf een nauwkeurige opgave hadden verstrekt van de opbrengst der pastoralia, een toeslag op het predikantstraktement te geven van 100 gulden 's jaars. Toen maakten de kerkmeesters althans een begin met de betaling. Maar een maand later hadden ze weer een aanmaning nodig, om ook het achterstallige aan te zuiveren. Voortaan hadden ze te zorgen, dat elk kwartaal een vierdedeel werd uitbetaald, zonder dat ze den predikant om zijn gage lieten lopen of hem „onbeleefdelijck" bejegenden. Waarlijk, de eerste predikant op Urk had het niet gemakkelijk. En mocht Ds. Salebien bij al die tobberijen en plagerijen tenminste vrucht op zijn arbeid zien? Een geschiedschrijver wist te vertellen, dat Ds. Salebien niet veel vrucht op zijn arbeid zag, en dat slechts 6 of 7 personen tot belijdenis des geloofs kwamen. Men neme daarbij in aanmerking, dat het gehele getal inwoners van Urk nog geen 300 was en dat daarvan slechts weinigen zich voegden onder de prediking. In de acta van de Noordhollandse synode, die in Augustus 1629 179


te Hoorn was gehouden, was op dezelfde vraag dit antwoord gegeven: „Aengaende de kerckendienst op Urck is verstaen, dat aldaer is> gevordert Petrus Halebien, ende dat deselvige daer staet met beginselen van goede stichtinge, mitsgaders datter goede hoope is, dat de saecken wel sullen gaen, verstaende oock de Eerw. Synodus uijt de broederen van Enchuijsen, dat voor al op het comportement (de houding) van de schout van Urck, op wien aller oog saegen, wel neerstelijck diende gelet te worden." Met name uit dit laatste blijkt wel, dat de „broederen van Enchuysen" met den gang van zaken op Urk goed op de hoogte waren. De schout schijnt op den duur wel iets vriendschappelijker te zijn opgetreden. Althans in den brief, dien heren Gecommitteerden 24 October 1631 tot hem richtten (dus toen Ds. Salebien drie jaar op Urk gearbeid had), spraken zij van „den goeden stand van de kerk" en van de verwachting „van meerderen aanwas van des Heeren gemeente." Ze herinnerden niet alleen aan „de goede devoren", die de schout had beloofd, tegenover haar te vervullen, maar ook zelfs aan „de goede prouve", die hij daarvan reeds gegeven had. Ze vroegen hem nu, „inde selve goede officien" voort te gaan, door aan te dringen, dat de ingezetenen zich onder het gehoor van Gods woord zouden begeven, en door er voor te waken, dat ze op den Zondag en „andere goede dagen" rustten van hun „hantwercken" en dat geen „ontstichtelijcheijt" aan den godsdienst, den dienaar en zijn gemeente werd gepleegd, „maar ter contrarie aende selven allen behulp ende gunst bewezen werden." De vijandschap van een deel der bevolking uitte zich dus blijkbaar nu en dan zelfs nog in daden. Enkelen ontzagen zich niet, den predikant bij heren Gecommitteerden aan te wryven, als zou hij den schooldienst niet naar behoren waarnemen. In het voorbijgaan zij hierbij opgemerkt, dat de klagers (en dat kunnen niet. de geringsten van de bevolking zijn geweest) althans de houding aannamen, dat zij op goed onderwijs prijs stelden. Als we ons nu herinneren, dat nog in 1614 geen der regeringspersonen op Urk zijn naam kon schrijven, dan schijnt dat in elk geval een vooruitgang. De beschuldigingen hadden zo'n schijn van waarheid, dat Gecommitteerden er geloof aan hechtten en aan Ds. Salebien een schriftelijke vermaning tot beterschap zonden. Maar gelukkig werden ze daarna beter ingelicht. Ze hadden toen spijt van de verzending van hun brief, want op den rand van het afschrift er van staat aangetekend, dat „dese missive crachteloos" was, omdat ze was „geschreven bij quade onderrechtinge". Ondanks alles hield Ds. Salebien moedig vol, „door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht." 180


De aandacht, die de laatste jaren op Urk gevestigd was, zal de aanleiding zijn geweest, dat het in dezen tijd bij gelegenheid van een nieuwe verponding in Holland, onder de aangeslagen plaatsen gesteld werd. Het eiland diende zelf bij te dragen in de kosten, die de Reformatie van 's lands kas vorderde. Te eerder, waar de oorlog steeds schatten verslond; waarom dan ook de „commissarissen yoor het redres" in 1627, toen de Staten van Holland tot een nieuwe verponding besloten hadden, een zeer scherpen last hadden ontvangen, om niets en niemand over te slaan of te ontzien. Voor de nieuwe schatting was een lange tijd nodig. De commissarissen begonnen, bijgestaan door beëdigde schatters voor elke stad en haar omgeving, in het zuiden en waren in het voorjaar van 1630 zo ver, dat Enkhuizen aan de beurt kwam. De voor die plaats aangewezen schatters dachten toen ook aan Urk en zelfs aan Emmeloord en Ens. Maar noch die schatters, noch de commissarissen wisten, of die „eijlandekens" wel in de verponding in Holland konden worden opgenomen. De commissarissen vroegen toen inlichtingen aan de Gecommitteerde Raden in Hoorn, maar dezen wisten het ook niet. Ze konden alleen verstrekken een afschrift van het kohier in 1583 voor Urk opgemaakt, maar toen niet tot uitvoering gebracht. Heren Gecommitteerden informeerden toen bij missive van 22 April 1630 bij de „Camer van rekeninge" in Den Haag en verzochten, het antwoord te zenden aan hen, of rechtstreeks aan de commissarissen voor 't redres, opdat dezen zich daarnaar „int quotiseren van deselve eijlandekens mochten reguleren." Aan dit verzoek aan de Rekenkamer voegden de Gecommitteerden de mededeling toe, „dat de heren van Urck altoos voor desen haer aan dit college ofte mijn heeren de Staten van Hollant ende Westvrieslant aangaende de kerckendienst geadresseert hebben gehadt, verklarende niet onder Overijssel, maer onder haer Ed. Grootmo. regieringe te behoren, gelijck oock eintelijck voor ordre van haer Ed. Grootmo. aldaer den praedicant bestelt is." Het schijnt wel vreemd, dat heren Gecommitteerden dezen omweg namen, om tot zekerheid te komen: de verlijbrief, in 1616 aan den heer Van de Werve gegeven, had hen volkomen kunnen inlichten. Ook de Camer van rekeninge schijnt niet op de hoogte te zijn geweest, anders hadden de commissarissen voor 't redres niet geprobeerd, om ook Ens te „quotiseren". Maar schout en schepen van Ens zetten zich schrap. Ze hadden er een reis naar Enkhuizen voor over en verklaarden 5 Juli 1630 voor commissarissen van 't re dres, „dat se buyten memorie van menschen zijn geweest onder Overijssell, aldaer alle lasten, als haertstegelt, gemael ende andere contributien betalen ende onder' de rechters van Overijssel altijt syn bericht geweest." 181


Ens bleef nu buiten de schatting. Maar Urk en Emmeloord kwamen niet vrij. In het Rijksarchief te Haarlem vond ik het „Quoyer van 't redres generael van de verpondinghe over Hóllanl", 1631. Ter vergelijking laat ik de schatting van Emmeloord en Urk beide volgen. Emeloirt. Taxateurs: Jacob Jansz.; Willem Jansz.; Willem Louw. Schoutampt verpondinghe f 1-16-0 Over recht dat den heer aldaer ontfangt f 8- 8-0 Over 47 huysen naer taxatie verpond f 37- 0-0 Over 100 morge lants naer taxatie f 140- 4-0 f 187- 4-0 Urck.

Taxateurs: Jan Gillis; Jan Janssoon; Pieter Janssoon. Schoutampt verpondinghe f 1- 4-0 Over 47 huysen naer taxatie verpondinghe f 34-16-4 Chijns van den ambatsheer 80 guld. verpond f 16- 0-0 De gemeente toecomende den heer f 17- 0-0 Over een campge toecomende de kerck aldaer f 1- 4-8 Over 24 deele lants ijder deel groot 16y2 creuijl hoys, yder deel 3 guld. in verpondinghe f 72- 0-0 f 144-16-12 1

Daar bij huizen % en bij landerijen /s van de huurwaarde geheven werd, kunnen we volgens deze schatting de opbrengst van de percelen afzonderlijk bepalen. Op Urk b.v. werd de opbrengst van het hooiland geschat op een waarde van f 360; van het kerkland op ruim f 6; van de „mient" en de „heerenkamp" op f 85. Er waren blijkbaar 24 hooirechtbezitters. Of de belasting naar die schatting ook werkelijk geheven is, kan ik niet zeggen. Voor Urk werd meermalen „armoede" gepleit. Op Emmeloord was het met de reformatie intussen, na den schijnbaar schonen opzet, al spoedig spaak gelopen, doordat het hart van de ingezetenen aan hun oude kerk en aan de voorvaderlijke inzettingen bleef vasthouden. Telkens weer werden door de predikanten, die Ens en Emmeloord te bedienen hadden, op de vergaderingen van de classis Kampen klachten uitgesproken. In 1629 en nog later bediende een paap er heimelijk de mis. Jaren achtereen werd er bij den predikant geen enkel kind ten doop gepresenteerd, omdat de Emmeloorders hun kinderen ergens anders door een pastoor lieten dopen. Hun huwelijken lieten ze niet in de kerk bevestigen, en toen het niet anders kon, lieten ze wel door den predikant hun „geboden" aantekenen, maar door den schout lieten ze zich trouwen, en als er gelegenheid was, door een pastoor. 182


„Jae, de stoutheijt is soo hoogh gewassen, dat sij den altaer weder opgerecht hebben ende bij ontijden haere superstitien daer weder gepleeght, waerdoor de heeren Gedeputeerde Staten deser lantschap genootsaeckt sijn geweest, te belasten, dat men niet alleene den altaer weder soude demolieren, maer den sarck, die sie daerop geleght hadden, in stucken te slaen, doch om redenen is de sarck verschoont ende heel gebleven.' Vermoedelijk v/as de houding van de bevolking daartegen al te dreigend. Zulke excessen hebben zich op Urk niet voorgedaan, niet doordal de mensen er anders waren, maar doordat schout en schepenen er rechtstreeks door de leenheren van den heer Van de Werve in bedwang werden gehouden. In 1636 kwam de heer Van de Werve een bezoek op Emmeloord brengen. Het is niet waarschijnlijk, dat jonkheer Van de Werve in denzelfden tijd ook een bezoek aan Urk gebracht heeft, want daar woedde toen, gelijk in meer plaatsen van ons vaderland, de allervreselrjkste van de besmettelijke ziekten, de pest. Gelijk we ons zullen herinneren, was het eiland juist een eeuw geleden ook door die ziekte bezocht geweest. We kunnen ons voorstellen, hoe gedrukt de toestand ook nu weer op het eiland was. Aan de ene zijde zullen er meer geweest zijn, die nu juist de godsdienstoefeningen bijwoonden; aan den anderen kant waren er allicht, die het betreurden, dat er geen mis meer werd bediend. Het echtpaar Salebien zal een zorgvollen tijd hebben gehad. Maanden duurde dat zo. Het werd een bange winter op Urk. Het getal slachtoffers klom tot 149, de helft van de bevolking, en onder hen was ook, in het voorjaar van 1637, Ds. Salebien ....... Degenen, die van zijn weinige getrouwen waren overgebleven, betreurden hem diep en begroeven hem in de kerk. Zijn weduwe bleef vooreerst op Urk wonen. In de acta van de Noordhollandse synode, die in Augustus 1637 te Edam werd gehouden, werd onder de wijzigingen, die in den loop van het synodejaar in de lijst van predikanten gekomen waren, vermeld: „In de classe Enchuysen: Overleden : .................................... Petrus Salebien op Urck." Door de zorg van de classis Enkhuizen kreeg de nu zo zeer geteisterde gemeente van Urk nog in hetzelfde jaar haar tweeden predikant. Het was Franciscus Pinaeus, op het naambord in de tegenwoordige Hervormde kerk aangegeven als Peneus. 183


Urk was zijn eerste plaats. Van zijn dienstwerk kan ik geen bijzonderheden vertellen; allicht geen kwaad teken. Hij trachtte blijkbaar met de Urkers een Urker te zijn. Dat kwam althans uit in de wijze, waarop hij op 13 April 1638 een klacht van de regering van Urk bij den raad van Kampen onder woorden bracht. Een Urker, zekere Symon Kuyper, denkelijk naar zijn voornaamste ambacht aldus genoemd, had in Kampen meel gekocht, maar de waagmeesters hadden het niet willen afgeven, voordat de daarop gestelde volle accijns betaald was. Symon had niet willen betalen, onder voorgeven, dat „die van Urck vrije lieden (waren), overal vrij van accijns, dus ook in Campen", maar dat had hem niet gebaat: men gaf het meel niet af. De winkelier beklaagde zich bij schout en schepenen van Urk, en dezen richtten zich tot den raad van Kampen met de klacht, „dat aan de inwoners van de vrije heerlijkheid Urk affront, ja zelfs geweld was aangedaan door de pachters van het gemaal te Campen." Ze verzochten, ,,de inwoners bij de oude rechten te handhaven, daar ze anders hun inkopen elders moesten doen." Het was zeker een eigenaardige opvatting van de „vrijheid" van Urk. Denkelijk was de Urker graanmolen weer stilgelegd en was Symon Kuyper de eerste geweest, die elders meel insloeg. Al blijkt intussen uit deze geschiedenis, dat de Urkers met Kampen nog al handel dreven, althans hun inkopen daar deden, de raad van Kampen zal voor het dreigement van de regering van Urk wel niet bezweken zijn. De weduwe van Ds. Salebien had korten tijd vroeger gesolliciteerd naar een plaats als vroedvrouw in Kampen. Ze had den raad meegedeeld, dat ze „den tijt van 24 jaeren het vroumoederschap op verscheijden plaetzen tot contentement van eenen ijegelicken bedient" had, en was aangesteld, waarom ze naar Kampen was verhuisd. Moest de heer Van de Werve ten slotte het openbare verzet tegen de Reformatie van Emmeloord opgeven, en kon hij op Urk, waar hij rechtstreeks tegenover zijn leenheren stond, nog veel minder openlijk ageren, in stilte theeft hij het wel gedaan. Het was voor hem geen ijdele vertoning geweest, toen hij zich had aangesloten bij de „Broederschap van den Zoeten Naam". Daarom hield hij steeds zijn doel in het oog, al veranderde hij naar de omstandigheden van tactiek. In een van de vergaderingen van het Haarlemse Kapittel, gehouden 3 Juli 1646, kwam Urk ter sprake. De notulen vermelden, uit het Latijn vertaald, dit: „Vervolgens verhaalden de visitatoren, wat door hen gedaan was te Noordwijk, Velsen, Assendelft, Oegstgeest en omstreken, Leiden, Zijpe, Werfershoef en Urk." 184


Zoals men ziet, sliep de organisatie van de Roomse kerk geenszins. Vermoedelijk zijn die plaatsen bezocht, waar het Roomse geloof het meest bedreigd werd geacht, en daaronder rekende men dan ook Urk. In al die plaatsen hadden de visitatoren den toestand opgenomen en getracht, de plaatselijke kudde tot trouw aan de „Moederkerk" aan te sporen. Alles in het diepste geheim. Men wist, dat de politie nauwkeurig acht gaf, of er ook verboden vergaderingen werden gehouden. Maar op Urk hadden de visitatoren, zeker met voorkennis van jonkheer Van de Werve, hun werk ongestoord kunnen doen; en nu waren ze van den toestand daar volkomen op de hoogte. Die toestand werd niet „hopeloos" geacht, want in dezelfde vergadering werd besloten, dat de „Dominus senior" „handelen (zou) over den arbeid, die te eniger tijd op het eiland Urk in de Zuiderzee met den Katholieken heer van die plaats (moest) worden aangevat." Er zou dus met den heer Van de Werve een plan worden gemaakt van den op Urk te verrichten arbeid. Met den man dus, die indertijd aan de classis Enkhuizen gevraagd had, om op Urk een Gereformeerd predikant te zenden! De activiteit van de Roomse leidslieden in aanmerking genomen, behoeft er geen twijfel aan te bestaan, of de voorgenomen samenspreking inderdaad ook heeft plaats gehad. Trouwens, hetgeen in de volgende jaren gebeurde, wijst er wel op, dat er een regeling moet zijn getroffen. Ook Ens n.1. was een pastoorsplaats. Al kon de daar geplaatste pastoor zich niet anders dan in het geheim op zijn standplaats vertonen, er werd gezorgd, dat er steeds iemand beschikbaar was. Welnu, de pastoors van Ens kregen de opdracht, ook Urk te bedienen; blijkbaar het gevolg van een afspraak tussen de bisdommen Haarlem en Deventer, of ook tussen Haarlem en Utrecht. We kunnen ons nu voorstellen, dat de pastoor van Ens, als burger of boer of visser verkleed, en telkens weer anders, nu en dan op Urk kwam. Dan kwamen de „gelovigen" die in het geheim waren, samen in een particuliere woning en konden ze weer de mis bijwonen. Of er ook kinderen gedoopt en huwelijken gesloten werden, dat schijnt twijfelachtig. Vrees voor verraad was er niet veel, want de overgrote meerderheid van de bevolking hing nog aan het Roomse geloof en schout en schepenen wel in het bijzonder. Het kleine hoopje, dat bij Ds. Pinaeus ter kerk ging, werd allicht uit vrees voor molest weerhouden, om van de verboden samenkomsten melding te maken. Er waren nog steeds niet meer dan 6 of 7 belijdende leden. Natuurlijk zal er, behalve die, nog wel een kleine aanhang zijn geweest, die min of meer geregeld de prediking van Ds. Pinaeus volgde, maar eerst langzamerhand droeg die prediking meer tastbare vruchten. De persoonlijke reformatie heeft zich op Urk in elk geval rustiger kunnen voltrekken dan op Emmeloord. Maar Pinaeus heeft het evenmin als Ds. Salebien gemakkelijk gehad op Urk. Daar gebleken schijnt te zijn, dat de opbrengst van de pastorie185


goederen niet toeliet, een toeslag van 100 gulden op het traktement te geven, lieten heren Gecommitteerden in 1650 daarop 25 gulden vallen en vulden zij die aan uit de landskas. In 1654 overleed Ds. Pinaeus. Zyn weduwe genoot enigen tijd het „weduwentraktement". In 1592 was door de Staten van Holland, ter aanmoediging van de studie in de theologie, en, practisch gezien om het tekort aan predikanten in de Gereformeerde kerken, bepaald in Holland, aan te vullen, in de stad Leiden het Collegium Theologicum gesticht. Gewoonlijk het Statencollege genoemd, was het een op kosten der Staten onderhouden hospitium of kosthuis voor de studenten, die daarin een plaats hadden kunnen verwerven. Ze werden bursalen genoemd. Elke der zes steden in het Noorderkwartier en WestFriesland, dus ook Enkhuizen, had over een plaats in het College te beschikken. Om toegelaten te worden, moesten de jongelieden zo veel kennis van het Latijn hebben, dat zij de lessen aan de Uuniversiteit konden volgen. Ze genoten dan voor zes jaar: vrij onderwijs aan de Universiteit en in het College zelf, kosteloze huisvesting in een eigen „kamerken", voeding, bewassing, bij niet langdurige ziekte verpleging en nog 20 gulden voor boeken. Wie ook de overige kosten niet dragen kon, werd daarin nog wel geholpen. Nu had zich een man uit Oost-Friesland, nader uit Jever en Jeverland, in Enkhuizen gevestigd.. Bij zijn sterven liet hij één minderjarige zoon na met den naam Richard. Deze Richard, die blijkbaar goed kon „leren", gaf de begeerte te kennen, om tot predikant te worden opgeleid. Zijn moeder wendde zich tot de regering van Enkhuizen, en - na een onderzoek door de plaatselijke predikanten en een tweede onderzoek door den regent van het Statencollege, besloot de raad van Enkhuizen, om Richardus a Landt-werven een plaats in dat college te geven. Dat moet in 1647 of '48 geweest zijn, want in 1654 deed Richard met gunstig gevolg zijn proponentsexamen. Het trof samen, dat juist toen, door het overlijden van Ds. Pinaeus, de predikantsplaats op Urk vacant was geworden. Was het vreemd, dat de classis Enkhuizen daarvoor op den zo gunstig bekenden Richardus a Landt-werven een beroep uitbracht? Maar hem werd meegedeeld, dat het traktement pas zou kunnen ingaan bij het aflopen van den termijn van het weduwetraktement. De beroepene wendde zich daarom tot de regering van zijn vaderstad met het verzoek, dat hij de stagetoelage zou mogen blijven genieten tot dien tijd toe, en het stadsbestuur besloot op 7 April 1654, aan dat verzoek te voldoen. Dat was trouwens niet in Strijd met de regelen van het Statencollege. Richardus a Landt-werven nam het beroep aan en heeft tot zijn dood in 1681 als predikant op Urk gearbeid. We behoeven er niet aan te twijfelen, dat zijn arbeid gedurende die 27 jaren op de theologische beschouwing der Urkers, die zich steeds in de Gereformeerde 186


richting is blijven bewegen, groten invloed heeft geoefend. Later hoop ik van zijn arbeid en met name van den zegen daarop, iets meer te zeggen. Of het als een vrucht van het werk der predikanten Salebien, Pinaeus en Landt-werven is te beschouwen, dat op Urk het papegaaischieten op Pinkstermaandag werd afgeschaft, dat is niet direct aan te tonen, maar dat ze tegen de uitspattingen van het feest hebben getuigd, kunnen we veilig aannemen. Het schieten naar den papegaai was een oud Nederlands gebruik. Meestal had het plaats in de Pinksterweek. Opgekomen in de 13-de en 14-de eeuw, werd het oorspronkelijk door de overheid aangemoedigd, om de burgers te oefenen in het gebruik van boog en pijl. Toen dit door de uitvinding van het buskruit overbodig werd en men in den oorlog vuurroeren en donderbussen ging gebruiken, bleef toch het papegaaischieten als volksfeest algemeen in zwang. In zijn „Geschiedenis van Amsterdam", II, 1880, deelt J. ter Gouw mede, dat de Amsterdamse schutterij sinds de 15-de eeuw in elke Meimaand naar den papegaai schoot. De schutter, die mee wou doen, moest „synen boghe op synen hals draghen" en zich zo naar het schietveld begeven. De winnaar was voor een jaar „koning". Als onderscheidingsteken ontving hij een „sulveren" ketting met papegaaitjes en een scepter met een „sulveren" papegaaitje er op. In triomf trok men van het' schietveld naar het stadhuis en van daar naar de kerk, waar de koningsmis werd opgedragen. Dan volgde op 's konings kosten een driedaags feest. Naarmate de koning het beter betalen kon, werd hem (b.v. in bierdrinken) te meer eer bewezen. Ofschoon men op Urk helemaal geen schutterij kende, kwam ook daar het gebruik in zwang, om op Pinkstermaandag na de kerkdienst, en als deze er niet was, toch op denzelfden tijd, met de pijl naar den papegaai te schieten, d.w.z. naar een vogel van saai, op een staak gezet. In het „Vervolg van de Beschrijving van Amsterdam" (een uitgave van 1693) vertelt Casparus Commelin, dat op Urk aan het feest algemeen deelgenomen werd. Was de Landsheer op Urk, dan schoot hij eerst, en anders de schout. Het is te begrijpen, dat zo iets het verdwijnen van het volksfeest tegenhield. Wie den papegaai deed tuimelen, was voor een jaar koning. Hij kreeg een koningshoed met zilveren papegaaitjes op en koos zich zijn koningin, door haar onder algemeen gejuich den hoed op het hoofd te zetten. Daarop werd hij, een vaandel voorop, onder gezang en trompetgeschal, naar zijn woning geleid. Een maaltijd in de open lucht, waartoe elk zijn deel gaf, volgde. Koning en koningin zaten daarbij met groen bekranst onder groene takken op een bank van groene zoden. Drie, vier dagen werd feest gehouden. Een afzonderlijk daarvoor aangestelde schout moest met zijn schuttermeesters gedurende de feestdagen zorgen voor de orde en de biermorsers doen boeten. Deze mededeling wijst 187


er op, hoe gemakkelijk ook dit volksfeest ontaardde. Het bier, dat gedurende de drie feestdagen gebruikt werd, was niet cijnsvrij, zoals b.v. in Kampen vroeger. Dat er in de „grondwet" van 1415 helemaal niet van gesproken wordt, terwijl er toch wel sprake is van cijnsvry kraambier, doet zien, dat toen het papegaaischieten op Urk nog niet ingevoerd was. Hoe meer de Hervorming doordrong, des te meer werd de strijd tegen het drankmisbruik en de brooddronkenheid bij het papegaaischieten aangebonden. In 1608 was het spel in Kampen kort en goed verboden. In andere plaatsen werd in de prediking tegen de uitspattingen gewaarschuwd. Uit z.g. folkloristisch oogpunt mocht het jammer zijn, dat een op zichzelf onschuldig volksgebruik verdween, de leraars begrepen terecht, dat de zedelijke prijs, die voor het behoud betaald werd, te hoog was. Trouwens, men is tegenwoordig met het ophalen van allerlei oude, soms heidense gebruiken, danig aan het overdrijven. En het blijft toch altijd namaak. Ds. Landt-werven smaakte het genoegen, dat in 1655 het schieten naar den papegaai op Urk voor het laatst plaatshad, omdat het van hoger hand verboden werd. De Urker „kermis" bleef bestaan, maar een sterke aanleiding tot uitspatting was er dan toch aan ontnomen. Dat men op het lage land in 1617 nog de vuurbaak bouwde, doet zien, dat het toen nog behoorlijk breed was. Maar de zee knabbelde er hoe langer, hoe meer vanaf, zodat de vuurbaak zeven jaar later slechts vijf roeden van het water afstond. In 1649 waren die 5 roeden ingekrompen tot 12 voet. Toen verplaatste men de vuurboet 100 voet binnenwaarts en kwam ze op het hoge land te staan, maar nog niet op de plaats van tegenwoordig. De zee bleek hier wel een vijand, waartegen men zich moest wapenen. Dat de zee nog andere vreemde kuren had, bleek in 1650, toen ze bij een storm zeven schuiten, die op de rede in het zuidoosten van het eiland lagen, losrukte en tegen haar vastelandskusten wierp, waar ze, betrekkelijk weinig gehavend, later teruggevonden werden. Bij een sterken oostenwind in 1657 was het juist andersom. De Zuiderzee stoof toen over een grote uitgestrektheid droog, zodat men b.v. te voet van Schokland naar Friesland kon gaan. Daar de Urker vuurboet vooral voor de vaart op het zich steeds uitbreidend Amsterdam onmisbaar was, maakte men zich in die stad ongerust over het gevaar, waarin de vuurboet nog altoos bleef verkeren. Bij de leidende personen in Amsterdam kwam toen de vraag op, of het niet mogelijk zou zijn, de heerlijkheid Urk en Emmeloord door de stad te doen kopen. De stad kon dan zelf voor de „conservatie" van Urk zorgen. Amsterdam wist toen te bewerken, dat er van wege de Staten van Holland een onderzoek werd ingesteld naar de „inkomsten en emolumenten", die de heer Van de Werve van zijn heerlijkheid in de 188


Zuiderzee genoot, en - dat deze gepolst werd over de vraag, of hij de heerlijkheid zou willen verkopen. Het resultaat van een en ander is vastgelegd in een rapport van 1659 of iets vroeger. Een dubbel exemplaar van dat rapport, aangeduid als „Staet G", is onder no. 31 opgenomen in de z.g. collectie Van Sypesteyn, bewaard in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag. De nommers 31, 30 (van 1661) en 34 (van 1665) bevatten gegevens voor de geschiedenis van Urk. Van latere jaren is er trouwens nog meer in. De mededelingen, in het rapport vervat, maken den indruk, gebaseerd te zijn op de inlichtingen, door den heer Van de Werve verstrekt; en die inlichtingen gaven blijkbaar geen geflatteerde voorstelling. Het totaal der inkomsten werd becijferd tot een bedrag van 359 gulden 14 stuiver. Het rapport, namens de Staten van Holland doorgezonden aan de vroedschap van Amsterdam, maakte hier een punt van ernstige bespreking uit. Op 30 September 1659 werd dit besluit genomen: „Is goetgevonden, als oock, dat de heer, die het tegenwoordigh bezit, zeer weynigh daervan treckt, ende het midts dien voor een cleyne prijs wel zoude willen vercoopen, is goetgevonden ende geresolveirt, den heiren Burgermeesteren bij dezen te authoriseren ende versoecken, dat dezelve op een secrete manier de voorn, heer daerover gelieven te laten aenspreken, zonder in 't minste te doen blijcken, dat het voor deze stadt is, ende hem dezelve heerlijckheyt, op redelijcke conditiën, laten affhandelen." De heerlijkheid Urk en Emmeloord zou dus weer, en nu om de vuurbaak op Urk, een object van koophandel, van loven en bieden, worden. Den 4-den October 1660 had de verkoop plaats. Namens de stad Amsterdam trad burgemeester Van Duynen als koper op. Het leen werd verkocht met „al de landen, strandrecht, pachten, recognitien ende andere gerechticheijden." De inkomsten over het jaar 1660 zouden reeds voor den koper zijn, terwijl deze eerst in 1661 het tinsgeld aan Elten zou betalen. De koopprijs was „veerthien duysent guldens in gevalueerde specie, vrij ende gereedt geldt, zoo van XLen ende LXXXen penningen, schrijven ende segelen van brieven als anders, niet uijtgesondert." Op 26 October d.a.v. droeg jonkheer Van de Werve het leen op aan zijn leenheren, de Staten van Holland en West»Friesland, vertegenwoordigd door den raadpensionaris Johan de Witt als „stadhouder van lenen". Deze beleende twee dagen later burgemeester Andries de Graeff, als vertegenwoordiger der stad, met de heerlijkheid „hooge ende lage van Urck ende Emelwaerde met allen zijnen toebehooren." Eigenaardig is, dat in het beleningsstuk weer uit de vorige leenbrieven werd overgenomen de afzonderlijke opsomming van enige 180


landerijen op Emmeloord, zoals die in 1404 nog bestaan hadden, maar waarvan in 1660 op Emmeloord nauwelijks zelfs enige heugenis overgebleven was. Niet minder eigenaardig is, dat burgemeester Andries de Graeff, ofschoon optredende niet voor zichzelf, maar voor de stad, de heerlijkheid ontving „tot eenen erfleen, binnen afters zusters kindt niet te versterven, ende althoos te comen op den oudsten ende naesten, alzoo wel van manhooft als van wijffhoofde". Die clausule was in dit geval natuurlijk zonder enige beteekenis. Mr. A. S. de Blécourt schrijft in „Ambacht en Gemeente, de Regeering van een Hollandsch dorp gedurende de 17e, 18e en 19e eeuw (Zutphen 1912) het volgende over dergelijke aankopen: „Vooral in de 17e en 18e eeuw kochten de stadsregeeringen (van Amsterdam en Rotterdam) heerlijkheden aan op naam der stad. De stad moest dan een hulder stellen, op wiens naam zij met de heerlijkheid werd verleid en bij wiens dood de voor den overgang van het leen verschuldigde hofrechten en heergewaden betaald moesten worden, vandaar ook, dat de hulder als sterfman of sterfheer werd aangeduid." Als de bekende historieschrijver J. Wagenaar in „Amsterdam in zijn opkomst" een beschrijving zal geven van de door Amsterdam gekochte lenen, schrijft hij (dl V, 2e boek): „Wij beginnen met de Ambagtsheerlijkheden, in alle welken Burgemeesters op den voorslag van den aangestelden Ambagtsheer, ook sterfheer genoemd, schouten en secretarissen stellen. De schepenen, buurtmeesters en andere regenten worden gekozen en aangesteld door den gestelden Ambagtsheer, die ook handopening verleent tot het beroepen van Predikanten en 't regt van goed- of afkeuring derzelven oefent." Ik heb in de beide citaten enkele dingen onderstreept. De namen ambachtsheerlijkheid en ambachtsheer, die hier en later zelfs vaak in officiële stukken werden gebruikt, waren niet juist. Het leen Urk en Emmeloord was geen ambachtsheerlijkheid, maar een hoge heerlijkheid. In een ambachtsheerlijkheid mocht de heer alleen de lagere rechtspraak oefenen, en de heer van Urk en Emmeloord oefende de gehele rechtspraak. Hij kon, zo nodig, zelfs de doodstraf toepassen. Maar, die foutieve aanduidingen zijn bij Wagenaar met betrekking tot Urk niet de enige historische onjuistheden. Hoe het zij, de stad Amsterdam was nu „eigenares" van de heerlijkheid Urk en Emmeloord. De verandering is voor de eilanden werkelijk een verbetering geweest.

190


Ds. Richardus a Landt-werven (1654-1681) ---

Het dunkt mij goed, de eerstvolgende hoofdstukken te noemen naar de predikanten. De lezer zal kunnen vaststellen, dat hun invloed op het leven op Urk op den duur groter werd, dan die van de elkander opvolgende sterfheren. Het eerste belangrijk feit, dat zich na den verkoop van de heerlijkheid heeft voorgedaan, was een inspectiereis van een commissie, door de regering van Amsterdam aangewezen, naar Urk en Emmeloord. Een verslag van die reis is onder no. 30 van de reeds genoemde Collectie Van Sypesteyn opgenomen. Om de belangrijke gegevens, die het ondanks enkele vergissingen bevat, geef ik het bijna geheel weer. Wat de aandacht bijzonder verdient, zal ik onderstrepen. „Verbael van de reyze na Urck en Emeloort gedaan in Augusto anno 1661. Verbael gehouden bij die heeren Dr. Gerardt Schaep, heer van Cortenhoeff, burgemeester, Dr. Cornelis Witsen, Mr. Andries de Graeff ende Cornelis de Vlaming van Oudtshoorn, heere van Oudtshoorn en Guephoeck, oudt burgemeester der stadt Amsterdam, geassisteert bij den secretaris Mr. Cornelis de Vries, den onder fabrycq, Gerrit Swanenburg en den landmeter Cornelis Danckertsz. van een reis en inspectie van die heerlyckheden Ens(?!) ende Emeloort. Den 20 Augusti anno 1661 zijn de gemelte heeren, geassisteert als voren, van Amsterdam vertrocken en zijn sanderen-daeghs, zijnde Zondaghsmorgens voor het lumieren van den dagh onder 't eylandt Urck ten ancker gecomen, alwaer die van den gereghte van Urck haer Ed. op stroom zijn comen verwelcomen, ende van hunne getrouwigheijt ende gehoorsaemheyt verzekerden. Daerop zijn de welgemelte heeren aen land gegaen, - ende hebben, na dat hare E. de predicatie gehoort hadden, het eijlandt besich-tight, en hetzelve bevonden als volgt. Gelegentheit van 't Eylant Urck. Dit eylandt is omtrent een uur gaens in 't ronde groot, hebbende aen de zuytwestzijde hoog landt vol kenip ende daver, dat een gemiente is, ende het vordere gedeelte van 't eylandt is hooylandt, 191


ende light gemeen zonder sloten off hecken affgedeelt zijnde, nogtans zoodanigh, dat de eene daer meerder hooij aff wint als de andere, nadat zij malcanderen, bij coop off anderssints daerinne conden verstaen. Doch tusschen dit hoghe ende laghe landt leght een stuck landts, den heere toecomende, met een sloot van de rest affgezondert, dat jaerlyx verhuert wordt. En daerenboven noch een werff, daer weleer 't heerenhuys op plagh te staan, ende nu met een nieuw huys betimmert is, daer van jaerlyx tot erffpacht betaalt wordt twee gulden thien stuyvers. Op het voorsz. hoghe landt zijn verscheijdene putten niet boven 4 a 5 vademen diep, die zeer schoon water geven ende noijt ver-droghen, daer de beesten uyt gedrenckt worden ende die vorder tot gerijff van de inwoonders dienen. Het dorp, bestaende in omtrent 50 huysen, ende de kerck zijn op het voorsz. hoghe landt geleghen, ende is ieder een meester ende eijgenaer van de grondt, die hij betimmert heeft. De inwoonders generen hun met visschen ende werdt de visch haer ten deele affgehaelt ende ten deele van haer tot Amsterdam en elders gebraght. Regieringe van Urck. 't Geregte op 't voorsz. eijlandt bestaet in een schout ende vijff burgemeesteren, die oock het officie van schepenen bedienen, zonder dat zij een secretaris gebruycken; maer, als zij iets van noden hebben geschreven off aengetekent t' worden, zoo werdt den predicant daertoe versocht, die het dorp daerinne oock plagh te dienen. Registers van vercopinghen, quijtscheldingen, opdraghten van huysen of landen en worden geene gehouden, maer daer wierdt geseght, datter wel een register geweest was, dat verduystert is; de schout claeghde oock, dat hij geen macht hadde omme sententien, tegens quaatdoeners gewesen, ter executie te stellen, ende dat hij, in 't exerceren van zijn officie, dickmaels gevaer liep van feijtelijcke resistentie ende affront in sijn persoon te lijden. De voorsz. vijff burgermeesteren zijn oock collecteurs van 's graven schot ende van een bier excijs, welcke bier excijs bij haerluyden aengetekent ende eens 's jaers ingevordert wordt, ende was zoodanige invorderinghe van het voorleden jaer noch niet geschiedt, overmidts den slechten visch-vangst, wezende derhalven den ingezetenen eenig uitstel van den termijn van betalinghe vergunt, te weten tot den eersten November anno 1661. Ende alzoo de schout ende burgermeesteren eenige jaren na malcanderen gecontinueert zijn ende meest de Roomse Catholique religie toegedaen zijn, zoo werdt in consideratie gebraght, off men op d' electie van dezelve niet een andere voet zoude connen beramen. Gelijck mede considerabel is, off men 't voorsz. dorp niet van een secretaris zoude willen voorzien, om nevens de schout op de zeevonden insonderheijt ende op de strand-goederen goede acht 192


t' nemen, volghens reglement daerop te beramen. Oock zal den schout wel een schriftelycke commissie dienen overgesonden te worden, om zich in tijden en wijlen daer van t' connen dienen. Daer lag nu een chaloupe (sloep), daer de steven uytgesleten was ende die niet gereclameert wierdt. Wat nu belangt die kerckelijcke regieringhe off den standt van de kerck op Urck, zoo ist, dat de meeste inwoonders Roomsch Cathólycq zijn; maer alzoo zij geen misse en hebben, zoo comen zij, nevens de Gereformeerde, somwijlen mede in de kerck om Godts heijligh woordt t' horen prediken; vorders zoo zijn onder de Gereformeerden omtrent twintigh communicanten, zoo mannen als vrouwen. De predicant gehoort (= behoort) onder 't noorderquartier, teweten onder 't classis Hoorn, ende wordt gegageert 's jaers met f 425. Noch treckt hij daarenboven van het dorp f 75. (= f 500.) De voorsanger, die meteen oock coster ende schoolmeester is, treckt jaerlyx van 't dorp 40 gld. Vuer-boet. Ende wat belanght de vuur-boet op 't voorsz. eylandt Urck, die staet op het zuytwesteynde van 't voorsz. eylandt op 't hoge land van de gemiente. Ende wierdt anno 1624 gemeten te staen 5 roeden van de kant af. Anno 1649 was het landt voor de vuurboot zoo verre weggespoelt, dat semaer 12 voeten van de cant van 't water aff stondt. Zulx, dat de vuur-boet doenmaels honderd voeten t' rugghe geset wierdt na de kerck toe. Ende, nu weder gemeten zijnde, is maer bevonden 30 voeten van 't water aff te staen. Zulx, dat te beduchten staet, dat se in weynig jaren in zee zal storten, 't en zij het landt versekert ende geconserveert werde ('t welck niet als met excessive costen zal connen geschieden, overmidts het groot gewelt van de zee, die niet alleen van 't eylandt Urck een merckelyck gedeelte heeft afgegeten, maer oock een ander eylandeken, dat tot bescherminge van Urck plagh t' ligghen, naer uijtwijsen van de caerten, zoo oude als moderne; op welck eylandeken zelffs de kerck weleer plagh te staen), want daer geen middel en is, om de voorsz. vuurboet verder t' rugh te zetten, eensdeels om de nabijheijt van de kerck, als oock vermidts de huysen met riedt gedeckt zijnde, de inwoonders gevaer zouden lopen van alles deur den brand te verliesen, als staende de vuurboet maer 45 roeden, Amsterdamsche maet, van de kerck ende omtrent 65 R. van de huysen. Oversulx is bij provisie goetgevonden, geen steen meer te ver-copen, maer die te employeren tot conservatie van t' voorsz. landt. N.B. 't Land van Urck is vol groote steenen, die bij den heer vercoft werden, als zij deur de zee van de aerde ontbloot zijn; off bij de schout, ten profijte van den heere; welcke schout een vierdepart van het provenu derselver geniet. Den inwoonderen is gelast, bij request aen den heeren burge193 13


meesteren van Amsterdam te kennen te geven den staet van de vuurboet, met versoeck, dat daerinne voorsien mag werden, om dezelve staet alsdan bij hare Ed. Achtb. aen den heiren staten van Hollandt ende Westvrieslandt vertoont t' worden, ten eijnde hare Ed. Gr. Mo., tot conservatie van hare vuurboet, gelieven, 't landt daer die op staet, te versorgen, dat het niet vorder af f en spoele, off anderssints, dat de heeren van Amsterdam ds oncosten, bij dezelve stadt daertoe te doen, moghen wederom vinden op een zekere last van vuur geldt op de schepen tot dien eijnde te stellen, gelijck bij de provincie van Overijssel geschiedt in 't regardt van 't vuur op Ens. De heer Witsen is versocht, als commissaris van de vuurboeten, tonnen en bakenen van de Zuyder Zee ende zeegaten, te willen versorgen, dat een kool-hoek gemaeckt mag werden, opdat de kolen bequaem opgecort ende bewaert moghen zijn. Klachten ende versoeck van de ingezetenen, 't Versoeck van de ingezetenen, omme een hooft te hebben aan de zuytoostzijde van 't eylandt, wordt in consideratie genomen, alsoo vermeent wordt van grote costen te zullen zijn, doch evenwel van groot gebruyck voor de inwoonders, alzoo het zelve hoofd haer een haven zoude doen strecken voor hare schepen, die aen de zuydoostzijde zouden hebben 't voorsz. hooft ende aen de noordoostzijde een langh uytlopende ribbe off bancq, ende aen de zuyt zijde (?), west zijde ende noordt-zijde bedeckt zijn van 't eylandt zelff. Gelijck mede in consideratie genomen werdt de clachte van dezelve ingezetenen, eerstelijck van dat zij tot Campen, Swoll, Blocksiel ende in andere havenen van Over-IJsselse custe moeten be talen boven het brugh-geldt ende andere lasten voor ider schuyt, telckens, als zij daer aencomen, vier stuyvers over vuur-geldt van de vuurboet op Ens, ende specialyck, dat zij maer vuuren van St.Jacob tot Meij toe. Zulcx, dat van Meij tot St-Jacob toe geen vuur op Ens gezien wordt. Dit alles verhandelt ende sommiere aldus onderstaen zijnde, zoo zijn de schout burgem.rn ende den predicant bij de heeren van Amsterdam ten maeïtijdt versocht ende, na gehouden maeltijdt, zijn zij wederomme t rugge gekeert na Urck, ende hebben welgemelte heeren hunne reyze voortgezet na Emeloort." Ofschoon het niet direct Urk betreft, laat ik hier ook een deel van het rapport over Emmeloord volgen. „De kerek staet op 't noordt eijnde van t eilandt. De ingezetenen, die meest Roomsch gezint zijn, zeyden, dat de kerek ratelscheurig was, dat terwijle zij geen predicant hadden, de predicant van Ens somwijlen wel presenterde te prediken, maer dat hij geen toehoorders creegh, ende dat de dootsbeenderen in een hoeclt in de kerek bewaert wierden. Dat er vele persoenen te zamen quamen, als man ende vrouw 194


levende, zonder geboden te laten afcundigen en andere solemniteyten, bij de politique ordonnantie gerequireert, te laten doorgaen." „Wat belanght de landen, den heer toebehoorende, gespecificeert in de brieven van opdraght ende verlij, getuyghen de inwoonderen, geen kennisse van dezelve landen, noch zelffs van de namen derzelver, eenighe kennisse te hebben; ende, zoo daer eenighe geweest waren, dat dezelve voor menschen gedencken mosten verdroncken zjjn. Alleenlyck wesen zij aen een stuckje rietlandt buyten dijcx, daer den heer 1 /3 in competeirde. De volgende nacht zijn de heeren ten ancker gebleven voor Emelwaerde off Emeloordt, ende 's maandaghs avondt den 22 Augusti anno 1661, weder tot Amsterdam gearriveirt." En nu enkele opmerkingen. De tegenwoordige omtrek van Urk is nauwelijks drie kwartier gaans lang. In 1661 was hij een uur gaans. Den gerekten vorm van nu in aanmerking nemende, kom ik tot de conclusie, dat de oppervlakte in 1661 ongeveer tweemaal die van tegenwoordig moet zijn geweest. Aan den oostkant zal weinig land zijn weggeslagen, zodat de afbrokkeling aan den anderen kant, de noordwestzijde moet hebben plaats gehad. Daar strekte zich de toen nog brede afheïling van den Berg of van het Hoge Klif uit. Op die afheïling dan, die tot „het hoge land" gerekend werd, lag, westwaarts van het tegenwoordige dorp en dus op een plaats, die thans door het water overspoeld wordt, het toenmalige dorp, volgens het rapport tellende 50 woningen met rieten daken. In zuidwestelijke richting en 20 roeden van de naaste woning stond de kerk met (aan den zuidkant) de pastorie. In dezelfde richting voortgaande kwam men 40 roeden verder aan de vuurboet, die, om het brandgevaar, de huizen niet dichter mocht naderen. Over den toestand van de vuurbaak wordt in het rapport niet rooskleurig gesproken. Af en toe bleek, „dat de aarde van het hoge land om de boet onder uit kwam te kolken." De vuurboet dreigde dus ondermijnd te worden. Zelfs een bescherming met grote stenen had dat niet kunnen verhinderen. Aan den last, „den inwoonderen" van Urck gegeven, om de regering van Amsterdam officieel van den bedenkelijken toestand op de hoogte te brengen, is voldaan. Amsterdam wendde zich toen tot de Staten met het verzoek, goed te vinden, dat de vuurtoren nogmaals werd verplaatst, nu oostwaarts, zodat hij zou komen te staan op het hoogste punt van het eiland. En reeds 22 Juli 1662 gaven de Staten aan Burgemeesters en Regeerders van Amsterdam octrooi, „omme de voorsz. vuurboet zooveel sonder evident pericul van de huisen geschieden sel mogen binnenwaarts te doen verplaetsen en versetten." Op 28 October ging uit Amsterdam een commissie van deskundigen naar Urk, om het werk voor te bereiden. Die reis kostte aan „spijs en dranck, vacatie, reyskosten en bodeloon" niet minder 195


dan 225 gld en 11 stuiver. Reeds drie dagen later vertrok de „opzichter der stadsmodder- en straatwerken" met 20 arbeiders naar Urk. Ook enkele Urkers werden in dienst genomen. Het werk liep vlot van stapel. De onkosten beliepen niet meer dan 1817 gulden en 6 stuiver. Men kon trouwens bouwen op een stevigen ondergrond. Zo stond toen dus de nieuwe vuurboet op de plaats, waar de vuurtoren nu nog staat. De brede zoom keileem van het hoge land, die er nu tussen de zee en de vuurbaak lag, scheen het gevaar te hebben weggenomen. Maar de zee, die eenmaal begonnen was, het keileem af te brokkelen, knabbelde voort en de zoom werd zienderogen smaller. Daarom besloot de regering van de stad op 11 September 1663, dus nog geen jaar na de verplaatsing, om „de tresoriers en burgemeesters te machtigen, de vuurboet zoveel mogelijk buiten gevaar te brengen door het hoge land daarbij glooiend en tot een strand te. maken, waar de kracht van 't water op mocht worden gebroken." Zo is het doorgegaan. Aan de verplaatsing en daarna gevolgde bescherming van de vuurboet werd met inbegrip van reiskosten, vacatiegelden, vertering van heen en weer reizende heren en van haring en bier voor het werkvolk, van 28 October 1662 tot 4 December 1674, besteed 18836 gld, 9 stuiver en 8 penningen. De Pilotage vergoedde die kosten. Het zou nog ruim anderhalve eeuw duren, totdat Urk een haven kreeg. Maar aan de zuidoostzijde van het eiland lag de tamelijk windvrije rede. Ter meerdere bescherming hiervan en voor de lossing van goederen vroegen de bewoners een hoofd, een in de zee uitlopend paal- en steigerwerk. Dat hoofd is er gekomen ook, en later zelfs nog een, zodat er vanzelf zekere inham, een hop, gevormd werd. Dat hop werd dus aan drie zijden begrensd: door den Staart, die afwisselde in lengte, door den zanddijk langs de zuidoostkust, waarachter het z.g. Broekland, en door het hoofd. Men sprak op Urk van het Hop, in het Urks uitgesproken als „et Op". De betekenis werd op den duur vergeten en daarom spreekt men thans van 't Top; en dan bedoelt men daar niet eens meer het water mee, maar den dijk om de noordoostpunt van het eiland. Met den naam Nenk is het ongeveer ook zo gegaan. Het Broekland achter den zanddijk n.1. werd hoe langer hoe meer drooggelegd, totdat er in het laatst der vorige eeuw nog maar een klein deel van over was. Dat heette oorspronkelijk „de Enk", gewoonlijk gehoord als „den Enk", en dit werd door het vergeten van den eigenlijken naam weer veranderd in „de Nenk', in het Urks: „de Nink". Nog iets van dien zanddijk. Die was, zoals te begrijpen is, een zeer zwakke bescherming tegen het binnendringende zeewater. Wanneer het hooiland dan ook toch ondergelopen was, stak men in het voorjaar bij stil weer den zanddijk door, om het overtollige water kwijt te raken. Als dan het land zo ongeveer droog was, werd de dijk weer gedicht. Ook in een ander opzicht behielpen de Urkers zich toen. De scheepjes waren meestal nog zó klein, dat ze tegen 196


den winter, als „de teelt" afgelopen was, met gemak tegen de schuinte van den zanddijk konden worden opgetrokken. Ja, bij verwachten ijsgang gebeurde het wel, dat ze door enige mannen op de schouders werden genomen en op de brede kruin van den zanddijk weer neergezet. Het rapport noemt ook een „stuck landts, den heere toecomende" en een „werff, waarop weleer 't heerenhuys plagh te staen en dat nu met een nieuw huys betimmert is". Het gaat hier weer over de z.g. Heerenkamp, noordoostelijk van het tegenwoordige dorp, tussen het Prikkeldraad en de sloot gelegen. Wat het „Vaderlandsch Woordenboek" van Johannes Allaart (1793) in het artikel Urk van de plaats van die Heerenkamp meedeelt, is dus onjuist. Het zoekt die n.b. ten zuidwesten van Urk! Van uit Urk had men den redacteur van het woordenboek natuurlijk verkeerd ingelicht. Niet al wat gedrukt is, is waar. Het rapport vermeldt voorts, dat het aantal avondmaalgangers tot 20 was geklommen. Het getal belijdende leden van de kerk zal toen ook 20 zijn geweest, want toen zal het nog wel, zoals het behoort, de gewoonte zijn geweest, dat alle belijdende leden ook avondmaalgangers waren. Met de doopleden er bij zal de kerk dus 50 leden hebben geteld, ongeveer een vierde van de bevolking. De overige drie vierden, waaronder de meeste regeringspersonen, waren dus in 1661 nog Rooms. Ten onrechte zegt het rapport verder, dat Urk tot de classis Hoorn behoorde. Dat moet Enkhuizen zijn. Van het „eylandeken", dat in 1570 van het hoofdeiland is afgescheurd en waarop tot ongeveer 1600 „de kerck plagh te staen", heb ik vroeger reeds gesproken. In het rapport wordt gezegd, dat het zekere bescherming voor het hoofdeiland gaf. Ten slotte moet het onze opmerkzaamheid trekken, dat de commissie van 1661 er blijkbaar geen bezwaar tegen had en zelfs Ds. Landt-werven niet, om op den Zondag wereldlijke zaken te behandelen. Na den kerkdienst immers werd het eiland bezichtigd en werden allerlei zaken met de plaatselijke regering besproken. En na den maaltijd op het schip, waaraan ook de predikant deelnam, werd de reis naar Emmeloord voortgezet. Dat er aan het stranden van een schip op de ondiepten bij Urk heel wat verbonden kon zijn, blijkt uit een verhaal in deel V, bl. 62 en 63, van het (Amsterdamse) „Groot Memoriaal". Het schip „Samuel", dat geladen met goederen uit Alicante naar Amsterdam voer, geraakte op 8 Februari 1662 bij Urk aan den grond. Met miskenning van het recht van den Heer van Urk en Emmeloord, Amsterdam, werden de goederen geborgen door een Amsterdamse schipper, Paulus Godijn. De regering der stad stelde daarom twee andere Amsterdamse kooplieden aan als arbiters, om te bepalen „het heerlyck recht", het „berchloon" en andere „gerechtigheden", die de regering van Amsterdam en de schout en de secretaris van Urk 197


zouden mogen kunnen aanvoeren tegen Godijn. De zaak werd gelukkig in der minne afgewikkeld, want op 21 Februari werd een contract getekend, waarbij aan Godijn vergund werd, de goederen „tot zich te nemen", mits hij een behoorlijk bergloon betaalde en cautie stelde voor alle actiën, die te dier zake tegen de regeerders der stad mochten worden ingesteld, voor welke cautie Godijn en zijn borg met hun personen en goederen instonden. Er wordt hier gesproken van den secretaris van Urk. Die was dus officieel aangesteld. Dat was de predikant. Op Vrijdag 17 April 1665 werd Urk opgeschrikt door een feit, dat, zover men zich herinnerde, daar nooit was voorgekomen, en dat zelfs maanden en jaren de gemoederen in spanning heeft gehouden. Om te doen zien, hoe op Urk wet en recht werden gehandhaafd, geef ik de zaak enigszins uitvoerig weer. Ik ontleende de gegevens aan stukken in de Collectie Van Sypesteyn. Een 13-jarige jongen vond op den genoemden datum nabij de mestvaalt in het westeinde van het dorp, het lijkje van een pasgeboren kind, gedeeltelijk boven de aarde uitstekende. Toen de griezelige vondst bekend werd, stroomden inwoners en vreemdelingen er heen. In de meest krasse woorden werd uiting gegeven aan den algemenen afschuw: hier moest een moord gepleegd zijn „op een onnozel kraamkind". Ook „het gerecht" verscheen ter plaatse, en op Zondag 19 April maakte Ds. Landts-werven als gemeentesecretaris een rapport gereed voor „Burgemeesteren van Amsterdam als heeren van Urck en Emmeloord ende onder deselve de hr en mr Andries de Graef, haer Ed. Gr. A. in deselve heerl.heden representerende." „Niet sonder groote droefheid ende ontsteltenisse der gemoederen" werd kennis gegeven van de vondst. Het adres bevatte het woord „cito". Tot 22 April werden alle meisjes boven 16 jaar in verhoor genomen en de bevindingen opgetekend in het Principaal Instrument. De verdenking viel op de 21-jarige Geertruyd Alberts en haar moeder, die met den bakker en koehouder Albert Christiaans gehuwd was. Ook het verhoor van zekere Barteltje Willems, die vermoed werd, bij de geboorte van het kind op Zondag 12 April aanwezig te zijn geweest, werd opgetekend. Geertruyd bleef alles ontkennen en Barteltje zeide, van niets te weten. Niettemin werd aan Geertruyd en haar moeder streng verboden, Urk te verlaten, en allen anderen, haar te vervoeren. Toch wisten de beide vrouwen denzelfden avond nog te ontsnappen. Een vrachtvaarder uit Kampen, schipper op een „kaaysman", had ze meegenomen. Den volgenden dag werd Jan Harmens, denkelijk de „diender", met een rondschrijven gezonden naar de plaatsen aan de oostwal, waar de vluchtelingen zich mogelijk verborgen hielden, om te verzoeken, dat de vrouwen zouden worden aangehouden. Haar signalement werd aangegeven. Maar in Kuinre, Genemuiden, Blokzijl en Zwartsluis waren ze niet. 198


Intussen kwam uit Amsterdam een memorie voor het gerecht van Urk. De „vrijer" van Geertruyd moest worden verhoord. Bekenden de vrouwen haar schuld, dan konden ze worden gestraft en bij verder ontkennen verbannen. De schout liet toen naar Amsterdam schrijven, dat men naar de vrouwen op zoek was. Hij stelde voor, haar „bij klokgeslag" voor het gerecht te dagen. Amsterdam vond dit goed en gaf last, dat de bezittingen van den bakker zouden worden „geïnventariseerd" en „gearresteerd". Op 29 April kwamen twee afgevaardigden van het stadsbestuur van Hattem op Urk met de mededeling, dat de vrouwen daar waren gevangen gezet. Op verzoek dier heren werden alle getuigen weer verhoord en alle vroegere getuigenissen bevestigd. Niet duidelijk is, waarom uit Amsterdam het bevel kwam, het arrest op de goederen van den bakker op te heffen. Den 9-den Mei kwamen de heren uit Hattem weer op Urk. Ze vroegen nu, of aan de stad Hattem, ter vergoeding van de vele gemaakte kosten, niet de helft van het bezit van den bakker kon worden toegewezen. In Hattem dacht men er een slaatje uit te slaan. Maar dat werd geweigerd. Het Resolutieboek der stad Hattem, vermeldt dan, dat de vrouwen daar nog eens voor het gerecht werden gebracht en ondanks dreiging met de pijnbank alle schuld hardnekkig bleven ontkennen en dat toen den 29-sten Mei besloten werd... haar los te laten. De vrouwen durfden zich weer op Urk vertonen. Uit Amsterdam kwamen toen twee gerechtsdienaars, om haar in verzekerde bewaring te nemen. Het gerecht van Urk zond daarop een verklaring van de vroedvrouw IJtjen Jans en een verslag van een nieuw verhoor van den vrijer van Geertruyd naar Amsterdam. En even later werd aan Amsterdam de vraag voorgelegd, of het niet beter zou zijn, dat de gevangenen naar de Stad werden gevoerd en daar berecht. Maar uit naam van den Heer, burgemeester De Graeff, schreef de stadsadvocaat naar Urk, dat de burgemeesters van Amsterdam wel heren van Urk, maar geen rechters waren; wat op Urk verkeerds gebeurde, moest ook door de rechters op Urk zelf gestraft worden. Deze opmerking was in haar algemeenheid zeker onjuist, want „de heer" alleen had b.v. het halsrecht; maar wat de heren in Amsterdam beslisten, moest men op Urk wel goedvinden. Er kwam zelfs bevel uit Amsterdam, om de „dienders" naar de stad terug te sturen. Het gerecht wees er toen op, dat dit gelijk zou staan met het ontslaan der gevangenen, omdat er geen gelegenheid was. haar op te sluiten. Toch bleef Amsterdam er bij, dat de zaak door het gerecht van Urk zelf moest behandeld worden. Dat schijnt inderdaad gebeurd te zijn, want het Groot Memoriaal van Amsterdam vermeldt bij het jaar 1668: „Het Geregt van Urk veroordeelt een vrouw tot het vrouwen-tucht- of spinhuis." Dat zal Geertruyd zijn geweest. De zaak had dus wel lang geduurd. Ze heeft zich in de gevangenschap blijkbaar goed gedragen, want na een 199


elfjarig verblijf werd zij op last van de regering der stad ontslagen. Had het gerecht van Urk daarin nu weer niets te zeggen? De uitvoerige vermelding van een en ander geeft mij gelegenheid, enige opmerkingen te maken. Er was nog geen „heelmeester", wel een vroedvrouw op Urk. Met een afzonderlijken schoolmeester hebben we in het vorige rapport al kennis gemaakt. De mestvaalt lag op een zeer ongeschikte plaats: aan het westeinde van het dorp, niet ver van de huizen. De bakker hield een koe; helemaal niet vreemd op Urk. Hij zal tot de „landers" hebben behoord. Het dier stond boven de „koegroep" in „de schuur", en deze was met het woonhuis verbonden. De vrouw van den bakker, op Urk geboren, droeg een lichten borstrok, en een Enkhuizer muts met haarlokjes op zij. Geertruyd droeg, eveneens op Enkhuizer manier, haarvlechten; ze had ook een „borstrok" aan. Haar onderkleren, n.1. haar blauwen rok, en haar schort had ze laten verlengen, door er een stuk op te laten zetten. Met dat schort wordt denkelijk al een geplooide rok bedoeld, zoals thans alleen in zwaren rouw gedragen wordt. Merkwaardig voor Urk is zeker, dat Geertruyd haar kleren bij den snijder had laten vermaken. Er zijn op Urk nog families, die den naam Snijder dragen. Het woord gekleed werd door Ds, Landt-werven geschreven: „gecliet". Spreekt men dit woord, zoals de bedoeling zal zijn, gerekt uit, dan krijgt men precies de uitspraak van tegenwoordig. Bij de 15 processtukken, die ik onder de ogen kreeg, zijn er 9 geschreven door Ds. Landts-werven, als plaatselijk secretaris. Boven 3 van zijn brieven zette hij het woord „Emmanuel". Meestal ondertekende hij met „Richardus a Landts-werven. Eenmaal werd in plaats van a „van" geschreven en ook eenmaal „van de". Tweemaal voegde hij, in dit geval informeel, aan zijn naam toe: „Eccles(iasticus) van Urck." Burgemeester Andries de Graeff, de „sterfheer", sprak schout en burgemeesters van Urk aan als „eersame, vrome, discrete." Behalve de niet bij name bekende schout worden eenmaal alleen de oud-burgemeester Geert Alberts en de burgemeester Jan Pieters van Dockum als gerechtspersonen genoemd. Niemand anders was toen bij huis of „die compareren konde". De familienaam „van Dokkum" is dus ook al heel oud. Bij „klokgeslag" werden de voortvluchtige vrouwen ingedaagd. Dat gebeurde waarschijnlijk door het voorlezen van het bevelschrift bij de kerkklok, nadat deze enigen tijd geluid was. Een afzonderlijk raad- of rechthuis was er nog niet op Urk. De vergaderingen van het gerecht zullen in het schoutshuis gehouden zijn. Voor den eed, dien de getuigen moesten afleggen, was een vast formulier, waaraan een waarschuwing tegen meineed vooraf ging. Van de pestjaren 1663 en '64 heb ik, wat Urk betreft, geen 200


berichten. Ze zullen in geen geval het eiland zo ernstig hebben getroffen als in 1636 en '37. Dat men er „op een eiland" zat, veroorzaakte nog andere ellenden, die bij de sobere leefwijze, waartoe de bevolking gedwongen was, heel wat dieper ingrepen dan de moeiten, waarover tegenwoordig wel geklaagd wordt. Als men de levensbeproevingen kende, waarin de bevolking van toen zich blijkbaar als in het onvermijdelijke schikte, dan souden de klachten van den tegenwoordigen tijd moeten verstommen, ja zelfs in een danktoon moeten veranderen. Vooral 's winters, als de visserij van November tot Februari of Maart stil lag, kon er bittere armoede worden geleden. Kwam er dan, zoals in 1667, 1669 en 1674, nog een strenge en langdurige vorst, dan klom de nood wel zeer hoog. Van 1669 op '70 duurde de vorst van December tot Maart, met het gevolg, dat er gebrek kwam aan hout en turf. In 1674 begon het 1 Februari te vriezen, en de vorst hield aan tot in het begin van April. De Zuiderzee werd met arresleden bereden, en zelfs de Noordzee was, zo ver het oog reikte, met ijs bedekt. Hoe zal men toen op Urk zijn verkommerd! Laat is nu iets vertellen van „den groten oorlog", die ook voor Urk de ellende ten top deed stijgen, maar toch de energie niet deed verslappen. De staatsmansstuurkunst van Johan de Witt kon niet verhinderen, dat Frankrijk en Engeland op 7 April 1672 ons tegelijk den oorlog verklaarden en dat in Mei de bisschop van Munster en de keurvorst (eigenlijk aartsbisschop) van Keulen volgden. Reeds den eersten Juni stonden de Munstersen en Keulsen met 20.000 man in het oosten van ons land. Een Frans leger van 112.000 man naderde uit het zuiden. Ook de Munstersen en Keulsen drongen verder door. Deventer, Harderwijk, Zwolle en Kampen vielen in hun handen. De Zuiderzee wemelde van schepen met vluchtelingen uit Gelderland en Overijsel. Ze liepen gevaar, om in handen te vallen van de kapers, die de Munstersen reeds in de Zuiderzee hadden gebracht. Met veel moeite werden de weeskinderen uit Harderwijk te Enkhuizen in veiligheid gebracht. In de steden van 't Noorderkwartier kwamen ook veel vluchtelingen uit zuidelijker plaatsen, b.v. uit Haarlem. Ze moesten allen meehelpen aan de versterking der stadswallen, o.a. van Hoorn en Enkhuizen, tere juffers zo goed als eenvoudige burgerlieden. Van uit Hoorn en Enkhuizen werd jacht op de kapers gemaakt, en af en toe werden enige vijandelijke schepen vermeesterd of ingesloten. Te midden van al die beroeringen lag Urk. Het aantal inwoners was weer gestegen tot ruim 200. Ze leefden voor het overgrote deel in zeer bekrompen omstandigheden. Het „boeren" was door het geregeld wegslaan van de westelijke 201


landerijen veel minder geworden. Om den veestapel, een 100-tal koeien, te kunnen blijven voeden, was veel bouwland in grasland veranderd. Maar daardoor werd de mogelijkheid, om op het eiland zelf voor de mondbehoeften der bewoners te zorgen, voortdurend kleiner. De visserij werd hoe langer hoe meer het hoofdbedrijf. Het is daardoor te verstaan, welk een ellende de oorlogstoestand op het eiland bracht.

Het dorp bestond uit een 50-tal woningen, meest door de eigen handen der bewoners gebouwd; het onderste gedeelte van de op het strand gevonden stenen, het bovenste deel van ruwe planken en daarboven een rieten dak zonder schoorsteen. Gedurende de 17-de eeuw sloegen aan de westkant niet minder dan 17 of 18 huisjes weg. Om dat gevaar te ontgaan, werden de nieuwe huisjes steeds aan het oosteinde gebouwd, zodat het dorp als het ware wandelde in de richting van het tegenwoordige dorp. Bij het bouwen van een huis werd altoos op hoog water gerekend: in elk huis was een goot, waardoor het binnengedrongen zeewater zou kunnen wegvloeien. In 1672 waren op Urk 19 waterputten. De wanden er van werden vroeger meest „opgehaald", zoals het heette, met grote veenbrokken, die door de zee uit den bodem waren losgewoeld. In dezen tijd begon men voor het ophalen de op het strand blootgekomen stenen te gebruiken. In het laagste deel van het dorp werden de putten soms met zeewater gevuld, zodat ze een langen tijd onbruikbaar bleven. Gelukkig althans, dat de 6 a 7 voet diepe put op den Berg daar nooit last van had en in den regel overvloedig „vers water" gaf. Elk gezin, waarvan man en vrouw beiden „Urkers" waren, d.i. burgerrecht hadden, kon twee koeien in de gemene weide brengen. Een man werd na een verblijf van 12 jaar in de burgerschap opgenomen, en een vrouw, nadat ze 15 jaar met een Urker getrouwd was. Veler bedrijf was, of werd meer en meer, gemengd, d.w.z. de man boerde of viste, naardat de gelegenheid het meebracht. In 1672 stonden er nog 8 hooibergen in het dorp. De schuiten waren over het algemeen klein, eigenlijk niet meer, dan wat men tegenwoordig een flinke roeiboot zou noemen. Ze misten zwaarden en zelfs een roer. Was er wind genoeg, dan zeilden ze, waarbij een der riemen als roer diende. Was er geen of een ongeschikte wind, dan roeiden de vissers hun vaartuig voort. Toch deed men flinke tochten. De haring b.v. werd meest te Enkhuizen verkocht. Het gebeurde dan wel, dat men om den wind eerst op de Friese kust aanhield, om daarna zeilend de reis te vervolgen. De vrachtvaart ging er niet op vooruit. Men gebruikte daarvoor wel pramen, die eigenlijk voor de binnenvaart gebouwd waren; ook wel kaaien of koffen, zoals de naam Koffeman nog herinnert. Dat de welstand der Urkers omstreeks 1672 niet groot was, behoeft geen betoog. Casparus Commelin wist te vertellen, dat er toen hoogstens vier gezinnen waren, die, alles en alles, een bezit van 3 a 4 duizend gulden hadden. Voor de grote massa was het leven vaak 202


op het armelijke af. Toch wekte Urk toen nog de hebzucht op van enige soldeniers van den bisschop van Munster. Schuim van volk was het, dat deze „hoogeerwaarde" heer in zijn dienst had. Nu waren ook Genemuiden, Blokzijl en Vollenhove in handen der Munstersen en Keulsen gevallen; trouwens meer door den verlammenden schrik, dan door de kracht der vijandelijke wapenen. In ieder geval kon het in het hoofd van een of anderen losbol onder de Munsterse aanvoerders gemakkelijk opkomen, om in een der genoemde plaatsen een schipper te dwingen, om hem en zijn kornuiten naar Urk te brengen, om te zien, of daar niets te halen was. En werkelijk, ze kwamen op Urk. Maar, al was het in den zomer, ze kwamen er op een „koude kermis". Daar er van varen in dien tijd weinig of niets kwam, was gelukkig het manvolk op het eiland. Nauwelijks hadden de Urkers begrepen, wat de ruwe gasten van plan waren, of er was zo veel volk op de been, dat het gemakkelijk viel, de helden brigands te omsingelen en te binden en ze daarop in een paar schuiten naar Enkhuizen te brengen en aan het gerecht over te leveren. Den schipper, die hen op Urk had gebracht, liet men ongemoeid. Intussen was de nood van het vaderland ten top gestegen. Alleen Holland, Zeeland en Friesland waren nog niet door den vijand bezet, maar men vreesde een aanval op Amsterdam en Den Haag. In verscheidene plaatsen kwam de volksmassa in oproerige beweging. Ook te Amsterdam. Het scheelde weinig, of het huis van burgemeester Andries de Graaff, den sterfheer van Urk en Emmeloord, die ook als een bestrijder van Oranje bekend stond, was door „het grauw" geplunderd. Op verzoek van de Staten van Holland maakte de Prins gebruik van zijn recht als stadhouder, om in Amsterdam andere magistraatspersonen te kiezen. Zo kreeg ook de heer Andries de Graaff zijn ontslag als burgemeester. Daarmee hield hij ook, wat de practijk betreft, op, Heer van Urk en Emmeloord te zijn. Officieel, d.w.z. voor de Staten van Holland als leenheren, bleef aan hem het leen opgedragen tot zijn dood. Als uitvoerder van de besluiten van de Amsterdamse regering met betrekking tot het leen werd nu door haar Mr Coenraad van Beuningen aangewezen. Op Urk had men dus met hem te rekenen. Zo kwam 1673. Er kwamen ook Franse kapers in de Zuiderzee. Ze loerden op Amsterdam, maar ook aan de zeezijde was het buitengewoon versterkt. De Fransen zwermden door heel de Zuiderzee. Wat een kunst, om een schamele visschuit te vermeesteren en den schipper te dwin203


gen, enigen van hen naar Schokland te brengen. Daar was nog wel wat te halen. Den grootsten schrik verspreidden ze onder de bewoners van Ens en Emmeloord, toen ze met dreigement van plundering een flinke soms gelds van de weerlozen vorderden. Te rechter tijd evenwel kwam een goed bewapend Enkhuizens vaartuig onder Schokland ten anker. De Fransen, ziende, dat ze niet meer de sterksten waren, sloegen ijlings op de vlucht. Het is voorzeker een sprekend voorbeeld van de activiteit onzer vaderen, dat de kerkelijke gemeenten van Ens en Emmeloord voor tijdelijk waren ingedeeld bij de classis Enkhuizen, omdat in heel Overijsel de vijand heerste. Op 7 en 14 Juni en 21 Augustus deed De Ruyter de EngelsFranse vloot afdeinzen. Prins Willem vermeesterde Naarden en zelfs de Duitse stad Bonn, de basis van het Franse leger, en - 23 November begon de eerst zo gevreesde vijand ons land te verlaten. Toen durfden ook de Munstersen en Keulsen hier niet langer blijven. God had Nederland van den ondergang gered. De collectie Van Sypesteyn bevat onder no. 32 een brief van Ds. R. a Landts-werven van 11 November 1675. Hij schreef dien als secretaris van Urk aan „Heeren Burgermeesteren en Regeerders der stadt Amsterdam en onder de selve den Eed. Groot Achtb. Heer K. van Beuningen, outburgerm.r., haere eed. Groot Achtb.-heden in deselve heerlijckheden als ambachts-heer representerende". Het was de laatste ons bekende officiële brief van Ds. Landts-werven. Uit den vorm van dien brief schijnt wel te blijken, dat het gezag en de invloed van den predikant verder gingen dan die van schout en schepenen. Zoals het vroeger, toen er nog een pastoor was en toen Urk nog niet aan Amsterdam behoorde, het geval was, dat de officiële stukken steeds in naam der plaatselijke overheid werden geschreven, zo geschiedde het hier niet: er werd van schout en schepenen zelfs niet gerept. De brief liep over de bedreiging van de voor 14 jaar gebouwde vuurbaak en luidde als volgt: „Alsoo door de laatste storm het werck, dat burgem.en en Reg. der stadt Amsterdam aan het hoge klif tot conservatie van de vuurbaack, staande op 't eylandt Urck, hebben doen maacken, eenichsints beschadigt is, insonderheit aen de noordwesterzijde, alwaar het meest op aenquam, soo hebbe (ik) haare Gr. Achtb.heden bij desen willen adverteren, dat lichtelijk met weynige moeyte en onkosten na dat den storm soo groot en swaar is geweest, wel soude kunnen gerepareert en vordere schade en inbreucken van de zee voorgekomen worden. Bevinden oock, dat het zandt in grooten quantiteit, immers soo voor desen nooit gesien en is, voor het gemaackte bolwerck door de zee op en tusschen de groote steenen is opgeworpen, twelck na allen schijn bij 204


geen hoogen water vloet seer voordeeligh sal wezen, en soo lichtelijk de zee, aldaar het zant soo hoogh is, geen inbreucken maacken en sal, dit achtende noodich, haare Gr. A. bekent te maacken en daerop haar eed. goetvinden te verwachten." Gelijk later blijken zal, is het werk toen wel hersteld, maar niet afdoende. Als Ds. Landts-werven spreekt van „heerlijckheden", en als hij Van Beuningen betitelt als „ambachts-heer", dan zien we ook daarin de meermalen gemaakte fouten. Ofschoon Van Beuningen niet meer tot de burgemeesters van Amsterdam behoorde, blijkt uit den brief, dat hij voor de zaken van Urk en Emmeloord toch nog de regering van Amsterdam vertegenwoordigde. Maar in 1679 kwam ook hieraan een einde. Hij werd toen in dat werk opgevolgd door Johan Huydecoper, heer van Maarsseveen en Neerdijk. Ook toen bleef Mr. Andries de Graaff officieel de leenman van de heerlijkheid, de sterf heer dus. In verband met de tegenwoordige werkzaamheden tot gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee - thans reeds IJselmeer - komt het mij voor, te moeten wijzen op hetgeen te dien opzichte in de 17-de eeuw voorgesteld en ten dele uitgevoerd is. Reeds in 1629 hadden de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend, om de gronden ten noorden van het Nieuwe Diep en Huisduinen tot aan Wieringen te bedijken. Men meende daarmee niet alleen land te winnen, maar ook te bewerken, dat de stortvloeden uit de Noordzee minder krachtig zouden worden. Toen het op de uitvoering aankwam, zag men tegen de kosten op. Trouwens, de verwachtingen, op de beweging van zeestromingen gebouwd, bleken soms door die zeestromingen zelf te worden weggespoeld. Zo had de zanddijk, waarmede men Tessel en Eierland verbonden had, niet het verwachte resultaat opgeleverd, want de zeegaten werden tegen de verwachtingen in breder en dieper. In 1657 en '63 werd dan ook vruchteloos het boven vermelde octrooi vernieuwd. In 1666 stelde men voor, Wieringen door een dijk met den vasten wal te verbinden, in de hoop, dat de kom achter den dijk vanzelf dicht slibben zou met het slib of de slibber, die de zee bij de „Vormt opwierp". Op last van de Staten werden er zelfs kaarten, bestekken en begrotingen gemaakt, maar verder kwam men niet. Hendrik Stevin, de zoon van den uitvinder van den zeilwagen, opperde in 1667 het geweldig idee, om dammen in de zeegaten te leggen en daardoor de Zuiderzee af te sluiten. In 1669 verboden de Staten van Holland, om in de Zuiderzee en in het bijzonder op de Wieringer gronden door middel van den elger, (zo'n ding werd in de 19-de eeuw nog wel in de Nenk op Urk gebruikt) 205


aal te visschen of wier op te halen. Men vreesde, dat daardoor de bodem te veel werd omgewoeld. Er werd op de overtreding zelfs een boete van 100 gulden gesteld, met verlies van vaartuig en visgerei. De Zuiderzee blijkt wel altijd een echte woelwater en een zorgenkind te zijn geweest. Ook in nog ander opzicht. Volgens Schrassert, de Harderwijkse geschiedschrijver, brak in het voorjaar van 1672 weer een hevige twist uit tussen de vissers aan weerskanten van de Zuiderzee. Hollandse vissers oefenden weer hun bedrijf uit onder de Gelderse kust, en Harderwijkers vergolden dat, door den Hollanders hun netten en schuiten af te nemen. „De grote oorlog" maakte aan die twisten voorlopig een einde. Maar in 1681 en '85 waren de twisten en vechterijen op zee weer bijzonder hevig.......... Wat de kennis van den godsdienstigen toestand op Urk aangaat, hebben we voor dezen tijd iets te danken aan de mededelingen van Commelin, zoals ze hem door Ds. Landts-werven verstrekt zijn. Het ging toen al net als nu: wanneer een schrijver bijzonderheden wilde weten omtrent een bepaalde plaats, wendde hij zich tot die personen, die ze hem konden verstrekken. En Ds Landts-werven, die gemakkelijk met de pen omging en daarbij een vriendelijk man was, heeft op gulle wijze aan het verzoek van Commelin voldaan. ZEw. schetste eerst de jaren vóór de reformatie van Urk, voor zover ouden van dagen hem daarvan mededeling hadden gedaan en zoals ik die reeds heb weergegeven en vervolgde dan: „Eindelijk heeft het den Heere der heirscharen behaagd, naar Zijn groote en onverdiende genade, door het prediken van het Woord Gods den inwoneren van dit eiland de verborgenheden van het Evangelie bekend te maken en hun ogen in een klaarder licht en meerder kennis van den waren godsdienst te openen." Ds. Landts-werven klaagde voorts, „dat het verouderd gevoelen, hoewel vrij verminderd en krachteloos geworden, nog uit de harten van sommigen niet geweken was." Toch meldde hij ook van zegen op zijn werk. De lust, om onder de prediking te komen, was toegenomen, vooral in de winteravondpredikatiën, waarmee de Woensdagavondbeurten werden bedoeld. „Sommigen", zo besloot hij, „die als Nicodemieten begonnen in de kerk te komen, laten nu hun kinderen den Catechismus in de kerk opzeggen." Met dit laatste doelde de predikant op een gewoonte, die reeds sinds de Reformatie op veel plaatsen gevolgd werd, en die tot ver in de 19-de eeuw hier en daar, b.v. in de Hervormde gemeente te Nijkerk, standgehouden heeft. De schoolmeester n.1. prentte zijn oudsten leerlingen op school de Catechismusafdeling in, die aan de beurt was. Een van hen zegde die dan 's Zondagsmiddags in de kerk op. Daarop volgde de prediking er over, die wel „schooloefening" genoemd werd. Ook op Urk ging het zo. De kerkbeurt, die er 206


voor gebruikt werd, heette daar „de catechisatie". Naar de meerdere of mindere nauwkeurigheid van het opzeggen werd wel de ijver van den schoolmeester beoordeeld. Het komt mij voor, dat Ds. Landts-werven deze mededelingen verstrekt heeft in de laatste jaren van zijn dienst. De door hem geschetste toestand was althans veel gunstiger dan die, welken hij in 1661 aan het toen op Urk verschenen reisgezelschap weergegeven had. Toen immers heette het, dat de meerderheid der inwoners Rooms-Katholiek was; en thans zegt de predikant, „dat het verouderd gevoelen, hoewel vrij verminderd en krachteloos geworden, nog uit de harten van sommigen niet geweken is." Een merkbaar verschil dus. Het Romanisme intussen gaf zich zo maar niet gewonnen. Zoals we weten, werd in het geheim het pastoorswerk op Urk door den pastoor van Ens verricht; al is ook het getal dergenen, die het volgden, gaandeweg geslonken. Pastoor Hillebrand Futs van Ens stierf in 1666. Op hem volgde Meinert Dirksz., die in 1669 in Lutjebroek overleed. Volgende pastoors waren: Kornelis Hartman, N. Veldhuizen en Lukas Bekker of Bakker, de laatste tot 1711. Ze bedienden ook Emmeloord. Ds. Landts-werven, die door zijn vriendelijk optreden ongetwijfeld heeft meegewerkt, om het Romanisme terrein te doen verliezen, stierf in 1681 na 27-jarigen dienst. Zijn weduwe, Kenutjen Heyns, evenals haar man afkomstig van Enkhuizen, keerde met haar drie kleine kinderen enigen tijd later naar haar vaderstad terug.

207


Ds. Suffridus of Severinus Cantor (1681-1710) ---

Na den dood van Ds. R. a Landts-werven werd Ds. S. Cantor van Langweer in Friesland door de classis Enkhuizen voor Urk beroepen. Het was de laatste maal, dat de gemeente niet zelfstandig een beroep uitbracht. Ds. Cantor had in Franeker gestudeerd en was in 1674 predikant in Langweer geworden. Hij nam het beroep van Urk aan en werd daar in de tweede helft van April 1681 in zijn dienstwerk bevestigd. In de eerste twee van de tien brieven en briefjes, door hem geschreven, ondertekende hij met den voornaam Suffridus, waarmede hij ook in Friesland bekend was; maar daarna noemde hij zich geregeld Severinus. Hij was de eerste gevestigde predikant, die op Urk beroepen werd. De omstandigheden, waaronder hij op Urk kwam, verschilden nog al van die, onder welke zijn voorganger er zijn intrede gedaan had. In 1654 telde het hoopje, dat de Gereformeerde kerk vormde, nauwelijks mee: de overheidspersonen en bijna de gehele bevolking waren nog aan de Roomse religie gehecht. Dat alleen reeds was in staat, om Ds. Landts-werven in buitenkerkelijke zaken een gereserveerde houding te doen aannemen. Nu, in 1681 daarentegen, omvatte de kerk denkelijk wel de helft der bevolking, en al de burgerlijke overheidspersonen hoorden er bij. Die snelle aanwas schijnt, uitwendig gezien, niet het minst te danken te zijn geweest aan de vriendelijkheid in het persoonlijke optreden van Ds. Landts-werven. Maar - de groei in ledental bracht niet steeds zedelijke winst: er waren er onder, die hun ouden aard bleven botvieren. En Ds. Landts-werven bezat in zijn gemoedelijke vriendelijkheid, hoe goed ook op zichzelf, blijkbaar niet de kracht, om de afwijkenden tot de orde te roepen. Zo kwam Ds. Cantor voor een heel moeilijke taak te staan. Het is zo jammer, dat de archiefstukken van de oude classis Enkhuizen bij een brand verloren zijn gegaan; anders zou het naar ik aanneem, stellig blijken, dat de classis ditmaal opzettelijk een gevestigd predikant beroepen had, en dan iemand, van wien bekend was, dat. hij „de kwaden niet kon verdragen". 208


Is die veronderstelling juist, dan was Ds. Cantor wel de aangewezen man, om den zedelijken teruggang te stuiten. Zo scheen het althans. Plooibaar was zijn karakter geenszins. Zijn woorden wikkelde hij nooit in fluweel. Zijn optreden was bijwijlen al te fors, zó zelfs, dat het den vorm van bemoeizucht en heerszucht scheen te vertonen. Maar Ds. Cantor zal gedacht hebben: Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Intussen is het voor Urk in meer dan één opzicht gelukkig geweest, dat Ds. Cantor in den strijd tussen de z.g. Voetianen en Coccejanen, die vóór en gedurende zijn ambtsperiode in de Gereformeerde kerken in Nederland gevoerd werd, de strengere levensopvatting deelde, die de Voetianen kenmerkte, in het bijzonder wat de Zondagsviering betreft. Ten slotte is toch onder zijn bijna 30-jarigen arbeid op Urk de gemeente zo gegroeid, dat bij zijn aftreden gezegd kon worden, dat het Rooms-Katholicisme althans uitwendig op Urk verdwenen was. De nog in het Amsterdamse Gemeentearchief bewaarde brieven van Ds. Cantor zijn de bron voor de geschiedenis van Urk tot 1692 toe. Met kloeke hand geschreven zijn ze alle gericht aan het bestuur van de stad Amsterdam. Vier schreef hij er als secretaris van het plaatselijke bestuur van Urk. Ze zijn niet door schout en burgemeesters ondertekend, ook niet met een handmerk, maar alleen door den schrijver. Eén brief schreef hij toen het schoutambt vacant was op verzoek van twee burgemeesters en twee oud-burgemeesters. Die brief is niet door hem ondertekend, vermoedelijk, omdat hij met den inhoud niet instemde; de vier heren alleen zetten er hun merkteken onder, zoals zij beweerden, „uijt last en van wegen de ganse burgerije." Vier brieven richtte Ds. Cantor persoonlijk tot de heren in Amsterdam. Dan is er in het Gemeentearchief van Enkhuizen nog een briefje van hem aanwezig, waarin hij 7 Juli 1689 aan de classis berichtte, dat hij „wegens onpasselijkheid" de vergadering niet kon bijwonen. De eerste van al die brieven, op last van schout en burgemeesters van Urk aan den heer Van Maarsseveen geschreven, is van 7 Januari 1682. Van de vijf zaken, die hij onder de aandacht van den Heer had te brengen, behandelde hij er een in deze woorden: „Ten vierden, alsoo veele Godtvergetene menschen onder ons haar niet ontsien maer verstouten, den dach des Heeren door aff en aanvaaren om al eeven veel wat ijdele en frivole saaken, tot ergernisse der vroomen en stijvinge der quaden ja tot verandering van Gods zeegen in een beschreijelijke vloek schandelijk te schavotteren, d' welcke soo het soo voortgaat soo veel te weege sullen brengen, dat onse Christelijke gemeente, die nu onder de middelen der genade en Gods zeegen in een gewenscht toenemen is, wederom sal te niete gaan, en dat et Pausdom, ja 't heydendom wederom ingevoert werde; wat straffe tegen alsulke sabbatschenders gestatueert sal werden." 209 14


Het is niet aan te nemen, dat dit alzo door den schout, Everi Gerrits, zal zijn gedicteerd. Eerder valt te veronderstellen, dat het punt zelf door Ds. Cantor onder de aandacht der heren is gebracht en dat het aan hem is overgelaten, om de woorden te kiezen, waarmee het ter kennis van den Heer zou worden gebracht. We kunnen er duidelijk den geest van Ds. Cantor uit proeven. Maar natuurlijk hebben schout en burgemeesters van Urk er, na de voorlezing, hun instemming mee betuigd. Hoe konden zij, nu allen leden der kerk, ook anders? Te minder, waar er reeds onder het Roomse bestuur een plaatselijke verordening tegen het varen op Zondag bestaan had en er wegens overtreding daarvan meermalen boete was opgelegd. Ook die „Zondagswet" was dan zeker niet gehandhaafd. Vervolgens vroegen schout en burgemeesters, „wat boete ofte straffe tegens sodanige sal geoefent werden, die komen messen te trecken, met vuysten te slaen, ofte anderen met bloet heet makende en toorn verwekkende scheltwoorden, selfs ook dan, als wanneer wij, schout en burgemeesteren, uijt den naame en van wegen de heerlijkheyt des lants regt en gerechtigheyt sullen oeffenen ende uijtspreken, koomen te bejegenen en uijt te maken, waer op mede besondere respect en reflectie dient genomen te werden." Het zijn dezelfde klachten, die door den laatsten Roomsen schout, nog door jhr Van de Werve aangesteld, ook al waren geuit. Zelfs waren er, naast de bepalingen in het algemene landsrecht van 1415 en 1618, nog onder het bestuur van Van de Werve, in een plaatselijke verordening zwaardere straffen tegen delicten als de genoemde gedreigd. Die hadden dus blijkbaar ook geen effect gehad. Overigens is het vreemd, dat het nu regerende bestuur van die verordeningen geen weet scheen te hebben. Waren ze dan nooit toegepast? Het nu regerende bestuur had nog meer moeilijkheden. Nadat eerst voor den schout en voor burgemeester Hendrik Claassen een instructie was verzocht voor de behandeling van driftgoederen (hier „verderfelijke waaren" genoemd), werd gevraagd, of die goederen na 6 weken, als er geen eigenaar bekend was, verkocht konden worden. Dan wilde men nog weten, „hoe verre UEdts gerechtigheyt sich sal komen uijt te strekken, wanneer ijmant met vond goederen onder ons lant, ja op ons ree, retret neemt." Twee Enkhuizers n.1. hadden kort geleden met een nieuwe, uit zee opgeviste boot, „de Oostijndische Camer van Amsterdam toebehoorende", op de Urker rede veiligheid gezocht, toen ze door storm overvallen waren. De schout had hen aangesproken „voor de gerechtigheyt van 't lant", maar ze hadden niet anders dan „dreijgen en scheltwoorden" voor hem over gehad. Wat moest de schout in zo'n geval eisen ? Groter en ernstiger nog waren, blijkens denzelfden brief, de moeilijkheden, die de regering van Urk bij het stranden van schepen met sommige bewoners van Urk zelf had. 210


We weten reeds, dat een vroegere schout van Urk, wien het ook al verdroten had, dat de Urkers bij het stranden van een schip tegen elkander soms op bloedige wijze de voordelen van de „sjouw" bevochten, vier „strandhelpers" had aangesteld, die tegen een vast loon uitsluitend het recht, maar ook den plicht zouden hebben, om „verlegen zeelieden" te helpen. Deze instelling had bovendien nog het voordeel, dat „het land" zijn gerechte deel van „den buit" ontving. Maar ze was bloot plaatselijk gebleven en had nooit de bezegeling van den Heer ontvangen. Ook daardoor was er, wat men wel noemt, de klad in gekomen. Ds. Cantor kon nu dan ook schrijven, dat „veele baatsuchtige menschen tot groote disordre tegen die welgestelde ordre aangaan." Ze trachtten blijkbaar den strandhelpers vóór te wezen. Daarom werd aan den Heer gevraagd, „oft niet de 4 mannen van UEdt mede daer voor worden aengenomen, en wat straffe de overtreders in posterum sullen hebben te lijden." Uit al deze dingen blijkt wel, dat het ook op Urk gemakkelijker was, verordeningen te maken, dan ze te handhaven. Vooral op Urk, zou ik willen zeggen. Hoe vriendelijk en gemoedelijk de volksaard er moge wezen, als alles voor den wind gaat, de Urker is kort aangebonden, wanneer hem iets in den weg gelegd wordt, dat hem niet zint. Zijn de Urkers niet aan de Friezen verwant? Tot teleurstelling van de Urkse autoriteiten kwam op den naar hun mening terecht belangrijken brief uit Amsterdam geen antwoord. Toen werd 22 Januari een tweede brief gereedgemaakt, om althans het verzoek, dat den schout een reglement voor de behandeling van driftgoederen zou worden verstrekt, nader aan te dringen, te meer, „dewijle de verstellinge van de burgem.rs nu op Lichtmis st. vet. (2 Febr.) voor handen staat en niemand tot burgem.r te verkrijgen is, evenverre (indien) geen nadere instructie van UEdt ons lant toert toegevoecht." Deze brief werd 2 Februari pas verzonden. Men had dus tot het uiterste gewacht. Maar ook op dien noodkreet kwam geen antwoord. Niet belangrijk genoeg voor de heren in Amsterdam? Intussen zal, naar ik vermoed, de verkiezing van burgemeesters toch wel doorgegaan zijn. Dat er later toch wel antwoord gekomen is, hoop ik straks te vermelden. De Roomse schout, die in 1661 nog op Urk was, was door de regering van Amsterdam vervangen door zekeren Gerrit. Meer dan dezen naam weet ik niet van hem. We weten alleen, dat zijn zoon Evert, boven reeds genoemd, hem in een onbekend jaar in het ambt was opgevolgd. En deze Evert Gerrits overleed plotseling in Maart 1683. Daarom schreef Ds. Cantor op verzoek van twee fungerende en twee oud-burgemeesters aan den heer Maarsseveen den boven reeds aangeduiden brief, dien hij niet ondertekende. De vier opdrachtgevers, 211


die zeiden te handelen uit last van de hele burgerij, noemden den overledene „onse geliefde schout". Het werd door hen „seer noodsakelijk geacht, dat des selfs plaatse wederom werde vervult met een vroom, getrouw en godzalig man". Daarom waren zij „voorstellende en in alle bedenckelijke onderdanigheyt recommanderende den eersamen, vroomen, seer discreten Willem Gerrijtz., broeder van den overleden schout en zoon van hem naast voorgaande." „Met eenparige stemme", zo werd verder verzekerd, „dat daar door UE Hoog Edt aan ons UE Hoog Edts gehoorsame onderdanen groote genade en gunst sal koomen te bewijzen." Maar waarom werd die brief niet mede door Ds. Cantor ondertekend? Brieven, die hij op „last" van het plaatselijke bestuur schreef, ondertekende hij toch wel. Op grond van de volgende brieven van Ds. Cantor neem ik aan, dat hij het met de aanstelling van Willem Gerrits niet eens was. Hij vreesde blijkbaar een slap bestuur, en dat achtte hij zeker niet wenselijk. De voortvarende predikant was daarvoor te zeer gesteld op de handhaving van wet en recht. Toch werd Willem Gerrits benoemd. Maar na een ervaring van anderhalf jaar scheen de dominee werkelijk gelijk te krijgen, ook in de ogen van den heer Maarsseveen. Deze verzocht hem althans in het laatst van 1684, om in de „thresorie" in Amsterdam te komen, om enkele dingen met hem te bespreken. Natuurlijk haastte Ds. Cantor zich, aan het verzoek te voldoen. Zoals hij later zelf schreef, werd toen, in het bijzijn van den ,,ondergestelde secretarius", N. Coop van Groen, van alles behandeld en in het bijzonder werd „wel rijpelijk overwogen wat requireerde tot een goede politie van ons lant, en concerneerende den magt en 't recht van de Gr. Agtb. H. H. Burgerm.en, onse gen. Ambagtsheeren en in derzelver name onzen gestr. Heer." De bespreking was blijkbaar het later gevolg van het verzoek, reeds onder den vorigen schout in Januari 1682 tot den Heer gericht. Dat niet de nieuwe schout, Willem Gerrits, maar Ds. Cantor er voor was uitgenodigd, zegt genoeg. Naar den wens van den Heer werden door Ds. Cantor enige „poincten in scriptis opgestelt", die den inhoud aangaven van een verordening, „waar na schout en burgerm.rn van ons lant sich stiptelijck souden hebben te reguleeren". De secretaris zou die punten uitwerken en het ontwerp, voordat het door den Heer werd vastgesteld, aan Ds. Cantor zenden om advies. Op Urk teruggekeerd zag de dominee met ongeduld naar die toezending uit. Toen er drie weken na de bespreking nog niets was, kon hij het niet langer „harden" en gaf hij den heer Coop zijn verwondering te kennen. „Niet om dat ick seer begeerich ben, bewint in handen te hebben omtrent saaken van die natuur; hebbe andersins aanslach genoeg, soo in mijne domestike als ook voornamelijck ecclesiastike be212


sicheede: nemaar omdat daar door èn mij benomen soude werden gelegentheit om de stadt te dienen, èn de heilsame intentie, ja t' hooge ontsach van Hooggedachten onsen Heer bij die van Urck illusoor gestelt soude werde; ....................... ; en evenverre (indien) onsen gestrengen Heer van resolutie mochte zijn verandert, dat UEdt mij sulcks met den eersten gelieve te notificeren." Gelijk afgesproken was, zou de missive geadresseerd worden aan een zwager van Ds. Cantor, die in Enkhuizen woonde! Het gevraagde was intusen reeds onderweg en bereikte den dominee kort daarna. Naast het eigenlijke stuk wordt er in het Amsterdamse Gemeentearchief ook een uittreksel van bewaard. Het laatste volgt hier. „Vooreerst, dat alle zeedriften en strandgoederen, die bij de ingesetenen van Urk souden mogen gevischt ofte geburgen werden, aanstonts bij den predikant aldaar sullen aangegeven werden, ten eynde de predikant deselve punctuelijk inventarisere. Ten 2den sullen schout en burgerm.en aan den predikant sonder yets te verswijgen, volcomen kennisse geven van alle het berg-loon, dat sij oijt ofte oijt van de gebergde goederen sullen trecken ofte genieten, ten eijnde de predicant den Heer Maarsseveen daer van informere, en de rekening, aan ons te doen, niet mank en ga. Ten 3den sullen de schout en burgerm.rn den predicant nauwe kennisse laten toekomen van alle vaten biers, die op Urk gevoert en geconsumeert werden, opdat de predicant daer van hebbe notitie, welcke notitie bij de rekeninge van de schout sal werden overgelecht. Dat de reekeninge die aan den heer moet werden gedaen bij (door) den do. sal moeten werden opgestelt en getekent. Ten 4den sullen de schout en burgerm.rn op den 2en Febr. in plaatse van de vijff burgerm.rn 11 personen, sijnde ledematen, moeten werden genomineert om aen den heer overgesonden te werden om nieuwe vijff daer uijt te kiesen." Het zou mij niet verwonderen, als de lezer hier, evenals ik, tot de verzuchting kwam: Hoe is het toch mogelijk, dat den predikant de ganse controle over de burgerij en de regering van Urk werd opgedragen? Had de Heer den predikant niet moeten vermanen, zijn taak wat beperkter op te vatten? En waren er geen betere middelen geweest, om de mensen tot hun verplichtingen te brengen, desnoods te dwingen? Het liep op Urk dan ook al spoedig spaak. Zie maar, wat Ds. Cantor reeds 7 September 1685 aan den heer Coops schreef. „Mijn Heer Mijn Heer: Mag van harten geerne lijden, dat onsen schout en burgerm.rn hunne rekeninge voor UE. doen en dat deselve bij UE wert gead213


mitteert, sonder mijn hant off assistentie, vermits om sckcrc preg nante redenen niet ben voorneemens, na desen in die of andere saaken van diergelijke natuur mij te laten sien, off besich te hou den. Senden ook de poincten UE. wederom terug, en heb ik eens de gelegentheit om met onsen Well Ed Heer Mr Joan Huidecoper, Heer van Maarsseveen en Neerdijk op dit subject een woort te wis selen, sal hoog-gnd Heer satisfactoire redenen (soo ik vermeene) kunnen geeven. Waar mede na een gedienstige groetenisse UE bevelende in de protectie des Almachtigen en blijve inmiddels mijn Heer UE dienstbereide vrunt Severinus Cantor, Eccl.s op Urck. Urck desen 6 Sept. 1685". Wie weet, op wat wijze schout en schepenen de bedoelingen van den predikant misduid en hoe ze hem „geplaagd" hadden! Met terzijdestelling van eigen gemak en voordeel had Ds. Cantor zich menigmaal voor zijn Urkers uitgesloofd, en hij is dat ook daarna blijven doen. In sommige gevallen verrichtte hij meer schoutwerk, dan Willem Gerrits, de schout zelf. Hij kon het niet laten, zich er iets van aan te trekken, als er iets door gebrek aan zorg verloren ging of dreigde verloren te gaan. Het lage deel van het eiland was door een niet al te stevig paalwerk tegen den gewonen golfslag beschermd, behalve voor een klein deel ten westen van den Staart en voor een groter deel aan den anderen kant daarvan. Hier lag, aansluitende aan de Piramide, een zanddijk, en achter dien zanddijk lag een moeras, het z.g. Broekland, dat wel een zesde van het eiland besloeg. Aan de zuidwestpunt van den zanddijk sloot het paalwerk aan, dat „het land van den Heer", ook wel afzonderlijk „de heerlijkheid van den heer" genoemd, beschermen moest. In den winter nu van 1682 op '83 was dit paalwerk weggeslagen. Het Heerenland, oostelijk van den lateren Jodenhoek, lag toen „te eb en te vloed" en was grotendeels door zand overspoeld. Op 10 Juli 1683 woedde weer een „vehemente" storm, waardoor weer vier gaten in het paalwerk geslagen werden, „sulx", zoals Ds. Cantor aan den Heer schreef, „dat wij van die kant t' eenenmaal te eb en te vloed leggen, enuyt dien hoofde met onse beesten seer verle gen zijn" ...... „Versoeken derhalven seer ootmoedelijk, dat het UE Edts goede geliefte zij, in desen vaderlijk (volgens UE. UEdst aangeborene clementie) voor ons te sorgen, ten eijnde soo het een als het andere, puur nootsakelijcke reparatie vereijschende, mach worden geremediert." Denkelijk heeft die smeekbede wel indruk gemaakt. Ik vond althans een „Calculatie der costen, soo van materialen, arbeidsloon etc. tot het digt maken en heelen van den sanddijk leggende voor den Broeck op 't eijland Urk, aan paalwerk en krabhoofden (3 roe lang) 214


f 8253 :10 : —." Het onderhoud van Urk zal Amsterdam niet meegevallen zijn: het heeft schatten gekost. Dat Amsterdam voor de herstelwerken zo veel mogelijk van de eigen stadswerklieden gebruik maakte, is te begrijpen. Zo was in het najaar van 1690 zekere J. H. van Petersom Hansz. met ruim 30 stads werklieden enige weken bezig met het herstellen van stormschade. Van 6 November 1690 vond ik een brede instructie, in overleg niet met den schout, maar met Ds. Cantor opgesteld. Aan die instructie zou den de drie ploegbazen zich hebben te houden, als Petersom afwezig was. In niet beschreven gevallen moesten de ploegbazen zich om ad vies wenden tot...... den predikant. Wat moet de schout, Willem Gerrits, toch een onbetekenend man zijn geweest! En volgens de vier notabelen van 1683 had nog wel de hele burgerij om zijn benoeming gevraagd. Maar daar was Ds. Cantor dan toch in elk geval niet bij geweest.. Op 27 November vertrok het werkvolk weer naar Amsterdam. Van den dag daarna dateert een verzoek om financiëlen steun voor het onderhoud van Urk, door de regering van Amsterdam gericht tot de Staten van het gewest. Het behoud van Urk, zo heette het, was voor de navigatie van het hoogste belang. Nu was er gevaar, het het met vuurbaak en al weggespoeld zou worden. Amsterdam had de heerlijkheid Urk en Emmeloord juist ten bate van de navigatie gekocht, maar het onderhoud bleek te zwaar voor de stadsfinanciën. Daarom werd nu vergunning gevraagd, om de voor Urk gemaakte kosten van de quote der stad in de landskas te mogen aftrekken. Kon op deze of op een andere manier niet in het behoud van Urk worden voorzien, dan, zo liet het adres doorschemeren, zou het kunnen zijn, dat de stad Urk „als een lastig domeyn" weer aan den lande kwam te „cedeeren". Een dreigement! Het resultaat van dit schrijven straks. Intussen richtte Ds. Cantor op 9 December daarna op eigen gelegenheid een brief tot den heer Maarsseveen. De schrijver berichtte daarin, dat de stadswerklieden bij hun vertrek „10 kruiwagens en eenige beslagen schuppen" op Urk hadden achtergelaten. „Hier liggen nog", schreef hij verder, „2 stapels hout, een op het Hop, 't ander onder Barneynde; beide tegen mijn borst: ik wou alles bij de huizen hebben, dat het 's nachts niet gestolen wordt." Het Top heeft hier zijn oorspronkelijke naam. Met Barneynde wordt bedoeld: bij den vuurtoren. Had de schout over dat alles zijn zorg niet moeten laten gaan? Maar zie nu, wat Ds. Cantor verder schreef. Reeds op 2 December, pas vijf dagen na het vertrek van het werkvolk, was een deel van de beschoeiing zo los geraakt, dat het gevaar liep, „naar het Veluse strant" te drijven. „Ik heb het losse deel in mijn tuin laten brengen", voegde de dominee er bij. Den volgenden dag had de schrijver weer eens gekeken, en toen bleken er verscheidene gaten in het wier gelopen te zijn, en wat later zag men bij laag water, dat het wier op 215


6, 7 plaatsen weggeslagen was. Op 9 December kon een deel van de beschoeiing zo maar „weggenomen" worden. Dat was zeker geen deugdelijk werk. Als antwoord op den brief van Amsterdam aan de Staten kwamen de Gecommitteerde Raden van West-Friesland den 28-sten Juni 1691 op Urk een onderzoek instellen, om te kunnen bepalen, wat een afdoende „reparatie" van Urk zou moeten kosten. Dat beliep 16000 gulden. De heren stelden nu aan de Staten voor, tot de herstelling te besluiten, mits Amsterdam een derde van de kosten droeg. Amsterdam droeg nu zijn afgevaardigden in Den Haag op, om te trachten, de Staten te bewegen, om alle kosten voor hun rekening te nemen. Lukte dat niet, dan zou men met tweederde tevreden zijn. Noch het een, noch het ander gebeurde evenwel, want de Staten hebben het voorstel van 'Gecommitteerden nooit aangenomen. Onbegrijpelijk is het daartegenover, dat Holland wel goedvond, om een derde bij te dragen in de kosten, voor het Overijsels Ens te maken en die beliepen zelfs meer dan 27000 gulden. „Politiek en financiën" ware een goed onderwerp voor een proefschrift. Had Urk steeds leidslieden gehad als Ds. Cantor, dan was het misschien minder, wat men dan noemt „stiefmoederlijk" bedeeld, geworden. Maar de regeling der plaatselijke financiën ging buiten hem om. Het is waar, de gewone inkomsten waren niet hoog: de boerderij en bepaald de paardenfokkerij, weleer van betekenis, ging langzaam te niet; en de visserij gaf als regel schrale verdiensten, zodat het voor de burgerlijke bestuurders gemakkelijk viel, om uit dien hoofde onvermogen voor te wenden, wanneer öf tegenover Amsterdam öf tegenover 's lands kas aan de verplichtingen moest worden voldaan. Toch was de vrachtvaart, ofschoon teruggaande, voor Urk nog steeds een niet onbelangrijke bron van inkomsten, terwijl met name de strandvonderjj nu en dan betekenende voordelen opleverde. Het ontvangerskantoor te Enkhuizen, dat ook van Urk ten bate van 's lands kas het totale bedrag der verponding had te innen, had alle moeite, om de gelden van Urk binnen te krijgen. Datzelfde kantoor betaalde ook, op een 3-maandelijks mandaat, het landstraktement van den predikant. Ofschoon nu het een niet met het ander in verband behoefde te staan, is het toch te begrijpen, dat het kantoor met het betalen van het traktement niet scheutig was, als het bedrag der verponding niet werd voldaan. Zo leed Ds. Cantor door de nalatigheid der plaatselijke regering. In het voorjaar van 1692 was Urk aan het kantoor te Enkhuizen aan verponding schuldig 203 carolus-gulden en 12 stuivers, terwijl het toen met Amsterdam een achterstallige tweejarige rekening had van boeten, zeevond enz. We zien daaruit, dat een censor als Ds. Cantor, ofschoon het met zijn ambt niet strookte, voor Urk nog niet zo slecht zou zijn geweest. Nu had Urk in Maart 1692, als ik het zo noemen mag, een „bui216


tenkansje". Een grote koopvaarder, geladen met sinaasappelen en Portugesen wijn, geraakte bij Urk aan den grond en wel zó, dat van vlot komen geen sprake was. Toen men van Urk hulp wilde bieden, weigerde de schipper, omdat hijzelf lichters uit Amsterdam wilde laten komen. Bij penne van Ds. Cantor werd toen inderhaast aan den heer in Amsterdam gevraagd, of schout en burgemeesters van Urk dat mochten toestaan. Hoe het zij, de schipper aanvaardde ten slotte toch de aangeboden hulp en betaalde daarvoor een bergloon van niet minder dan duizend daalders. Mocht Ds. Cantor nu niet hopen, dat Urk zijn schuld aan Enkhuizen zou afdoen en dat dan ook het traktement, waarop hij al van 1 Augustus 1691 af recht had, zou worden uitbetaald? Maar daar ging het gerucht over Urk, dat „sij voornemens waren, de verkregen buyt onder malkanderen te verdeijlen", en Ds. Cantor was zo onnadenkend, daar geloof aan te hechten. In bitterheid des gemoeds - ontbrak daar wel alle reden voor? - wendde hij zich met een brede klacht tot den heer Maarsseveen, opdat deze, „voor wiens authoriteit ze waarlijk grotelyx vreesden", hun een „scherpen ordre" zou doen toekomen, dat ze aan hun verplichtingen hadden te voldoen. Aan het slot van zijn brief herinnerde hij aan de Latijnse spreuk: „Fronte capillata, post est occasio calva", hetgeen te vertalen is door: Grijp de gelegenheid aan, als ze zich aanbiedt. Ja, Ds. Cantor was een voortvarend man en hield van radicale middelen. Reeds in 1678, toen hij nog in Langweer stond, had hij bij de Friese synode over „armoede" geklaagd en om „enige subsidie" verzocht. Wat het resultaat van zijn klacht bij den heer Maarsseveen is geweest, en of schout en burgemeesters van Urk in Mei 1692 inderdaad aan alle verplichtingen hebben voldaan, zoals zij in November van het vorige jaar schriftelijk aan den ontvanger te Enkhuizen beloofd hadden, en of toen Ds. Cantor ook zijn traktement uitbetaald kreeg, weten we niet; al valt het te vermoeden. Wel weten we, dat de predikant ongeveer in dezen tijd een kleine traktementsverhoging, misschien van 25 gulden ontving. Had hij die niet „verdiend"? Wat voorts de reden mag zijn, dat er verder geen enkel schriftelijk „levensteken" van Ds. Cantor te vinden is, ofschoon hij tot 1710 op Urk gestaan heeft, kunnen we ook niet zeggen. Had het plaatselijke bestuur weten te bewerken, dat hij zijn ontslag als secretaris had gekregen, of had hij zich na alle onaangename ervaringen vrijwillig uit zijn „domestique" betrekking teruggetrokken? En nu weer iets uit wijderen omtrek. De eerste „sterfheer" van Urk, de heer Andries de Graeff, die in 1660 als zodanig was aangewezen, overleed in 1694. Bij het overlijden van den heer De Graeff, die steeds de officiële leenman gebleven was, had Amsterdam volgens de leenrechten moeten zorgen, dat het leen binnen den tijd van zes weken „ver217


heven" was, d.w.z.: aan de leenheren, de Staten van Holland, was opgedragen, opdat deze er opnieuw over hadden kunnen beschikken. Maar Amsterdam verzuimde dat en verbeurde daardoor het recht van opvolging in het leen. De Staten, die liever zagen, dat Amsterdam het leen bleef houden, maakten de stadsregering op het verzuim attent. En toen gebeurde het vreemde, dat Amsterdam aan de Staten verzocht, dat toch nog een andere vertegenwoordiger van de stad met de heerlijkheid zou worden beleend! Amsterdam wou dan toch het „lastige domein" blijkbaar liever houden. Vertrouwende op een toestemmend antwoord van de Staten wees de regering van Amsterdam bij akte van 16 Juni 1694 Mr. Jacob Jacobsz. Hinlopen vast aan als opvolger van Mr. De Graeff. Waarom de heer Maarsseveen daarvoor niet werd aangewezen, weet ik niet. Misschien wenste hij van de verdere zorg ontslagen te zijn. Enkele dagen later kwam het antwoord van de Staten aan Amsterdam. „De laps van den tijd zou, ter bede van de vertoonders, uyt singuliere gratie ende volcomen magt gereleveert" worden, mits ........ Amsterdam „dubbelde heergewaden ende hofrechten opbracht, eens voor amende vant versuym ende noch eens voort verlij ofte de investiture." Ook onder die voorwaarde accepteerde Amsterdam de „singuliere gratie" van de hernieuwde belening met het „lastig domein". Politiek en financiën! Bij de opdracht aan den heer Hinlopen op 30 October 1694 kreeg de stadsregering de vermaning, om in het vervolg de beleningsrechten in het oog te houden. Wat dan ook geschied is. De heer Hinlopen kwam uit een bekend Fries-Amsterdams koopmansgeslacht. Van zijn bestuur is weinig bekend. In 1703 werd de land- en erfpacht, die de Pilotage jaarlijks betaalde voor den grond, waarop de vuurbaak stond, van 20,50 gulden teruggebracht tot 14,50 gulden. Of onder het bestuur van Hinlopen, öf onder dat van zijn opvolger werd zekere Anthonie van Dompzelaar van Amsterdam aangesteld tot schoolmeester op Urk. Die zal later van zich doen spreken. In 1705 overleed de heer Hinlopen. Op 1 Mei van dat jaar werd Mr Nicolaes Cornelisz. Witsen sterfheer van Urk en Emmeloord. Geboren 8 Mei 1641 was die toen dus een man van bijna 64 jaar. Voor hem, die in binnen- en buitenland reeds zo veel bekendheid en roem verworven had, was de nieuwe functie in vergelijking met de vele en velerlei betrekkingen, waarin hij reeds geplaatst was, van ondergeschikte betekenis. Voor Urk was het inderdaad een hoge eer, dat hij zich de keuze tot heer had laten welgevallen. De heer Witsen beoefende allerlei wetenschap, maar zeevaartkunde en scheepsbouw hadden zijn voorliefde. In 1671 verscheen van zijn hand „Aeloude en hedendaagsche scheepsbouw en bestier", een werk, dat nog thans geraadpleegd wordt. Geen wonder, dat Czaai 218


Peter de Grote, die in 1697 te Zaandam en te Amsterdam vertoefde, om zich in den scheepsbouw te bekwamen, zijn omgang zocht. In 1696 werd Witsen de vertegenwoordiger van Amsterdam in de Pilotage. Reeds als zodanig had hij belangstelling voor Urk en zijn vuurbaak. Hij liet de diepte van de Zuiderzee peilen en bracht de resultaten in kaart. Na zijn benoeming tot heer van Urk en Emmeloord heeft de grote, maar eenvoudige man de eilanden geregeld bezocht. Door zijn gemakkelijken en vertrouwelijken omgang met de bewoners won hij aller bijzondere genegenheid. Er werd in dien tijd op het weststrand van Urk nu en dan, vooral na een storm, barnsteen gevonden. De stukjes, soms „een halven vingertop groot, werden „in een zekere soort van zwarte mollemaarde of molmachtigen grond" aangetroffen, zoals een latere predikant van Urk wist te vertellen. De jongens brandden de stukjes op donkere avonden ter verlichting van de dorpsstraat. In zijn eigen levensbericht schreef Witsen er dit van: „Het sij de opmerkingh seer waerdigh, dat men op dit Eylant veel barnsteen ontdekt, van allerhande slagh, wit, geel, helder, doncker, ja sommige stucken daer men gewassen veseltjes van gras en kruyden in siet, soo als een groote quantiteijt daer van bij lankheyt van tijd, terwijl ik ambagtsheer ben geweest, aldaer hebbe versamelt. Men vindt het meest, als de zee den oever, alwaer het hooge lant is, afspoelt, na een groote storm. De aerde is aldaer leemagtigh, dogh diep gravende, wert mede gevonden. De inwoonders plagten het te gebruijken, als er een kraemvrouw was, om te branden, beeldende sij sich in, sulx gesontheijt en sterkte toe te brengen; doch nu wijser geworden, verkopen sij het in de steden aen de vaste kust." Nog tot in het begin van de 19-de eeuw werd op Urk naar barnsteen gezocht. De hoeveelheid geraakte toen eensdeels uitgeput, andersdeels werd door steviger waterkeringen de afspoeling van „het hoge land" tegengehouden. In 1709 voerde de heer Witsen op Urk en Emmeloord den schepeneed in. Tot nog toe hadden alleen de schouten bij hun ambstaanvaarding een eed af te leggen. Aan den ernst van de uitoefening van het ambt der schepenen of burgemeesters, die immers de plaatselijke rechtspraak oefenden, zal de invoering van den schepeneed ongetwijfeld bevorderlijk zijn geweest. Op 8 Januari 1710 werd door een geweldigen storm veel schade toegebracht aan de houten en stenen waterkeringen op Urk en Emmeloord. De zee was de kerk en de huizen op Urk bedenkelijk dicht genaderd. Ook aan het kerkje zelf, immers meer dan een eeuw oud, zal wel schade zijn aangericht; maar als Wagenaar en, in navolging van hem, Allan wisten te vertellen, dat de kerk op Urk toen zou 219


verwoest zijn, dan is dat toch onjuist. 7,e is nog tot lillf gebruikt. Overigens waren de gevolgen van den storm zó verschrikkelijk, dat de heer Witsen bij het aanschouwen er van tot schreiens toe bewogen werd. Op zijn aandrang zond de regering van Amsterdam terstond iemand naar Urk en Emmeloord, om de schade op te nemen. In het Amsterdams Archief vond ik, naar vermoed wordt van 1710, een „Calculatie van kosten wegens 't maaken van een beschojingh, beneffens 34 krabbenhoofden langs de zuyder sijden van 't strant of sant dyck opt ijlant Urck. Alsmede een hooft, lang 40 roeden, tot berginge der schuijten, oock te leggen een duycker tot losing van 't waater uijt de Broeck op t' voorschreve ijlant": gezamenlijke kosten 20350 gulden. Voor Emmeloord werd 13052 gulden nodig geacht. Op 25 Mei vroeg Amsterdam tot uitvoering van het herstelwerk een subsidie uit 's lands kas, of ................... octrooi tot het houden van een loterij. De Reformatie heeft het kwaad van de loterij niet kunnen uitroeien, wel beperken. Men kwam althans algemeen tot de overtuiging, dat het spelen in een loterij uit winstbejag niet overeen is te brengen met een leven in de vreze Gods. Maar in een loterij „voor een goed doel" zag men geen kwaad. Ook de heer Witsen, de trouwe Calvinist, de strenge volgeling van Voetius, zag er niet iets ongeoorloofds in. Hij is vermoedelijk zelfs de voorsteller van het plan geweest. Eerst later zijn onze Gereformeerde moralisten tot een andere overtuiging gekomen. De Staten haastten zich ditmaal buitengewoon: reeds op 5 Juni kreeg Amsterdam vergunning, om voor het aangegeven doel een loterij op te zetten tot een bedrag van 600.000 gulden. Die zou het land niet alleen niets kosten, maar zelfs voordeel voor 's lands kas opleveren; en toch zouden Urk en Emmeloord geholpen kunnen worden. Er werden 30.000 loten gemaakt van 20 gulden het stuk. Het gehele te ontvangen bedrag van 600.000 gulden zou weer aan prijzen worden uitgegeven, de hoogste 40.000 gulden. Verleidelijk genoeg. Bij de uitbetaling van een prjjs zou evenwel 8 percent worden ingehouden, zodat er in de stadskas een winst zou vloeien van 40.000 gulden, ruim voldoende, om na aftrek van alle onkosten Urk en Emmeloord te „repareren". Die onkosten betroffen: de bijdrage aan 's lands kas, het maken van reclame, het drukwerk, het timmeren van een stellage voor den trekkingsdag, vacatiegeld voor de ambtenaren enz. Na een bepaalden, niet al te beperkt genomen tijd moest van ontvangst en uitgaaf verantwoording aan de Staten worden gedaan. Een volledige uitslag van de loterij schijnt niet meer aanwezig te zijn. In het Amsterdamse Gemeentearchief vond ik alleen zes van de „Collectboeken", registers, waarin de genomen loten werden genoteerd. Ieder, die een of meer loten nam, kon dat in het collectboek doen optekenen, zoals hij wilde. Enkelen deden het met een paar 220


letters of met een enkel woord; de meesten gaven een gehele uitdrukking, een spreuk of een vraag op, waaruit in het algemeen te zien was, wat de gedachten bezig hield. Eén der spreuken, waaronder 5 loten genomen werden, luidde: „Labor omnia vincit"! Dit was het persoonlijk devies van de heer Witsen. Het waren uiteraard vooral welgestelde lieden, die een of meer loten namen. Onder het enkele woord „Urk" nam iemand 11 loten. J. W. nam er 25, H. R. 30. Vijftig loten tegelijk werden genomen onder de spreuk: „Sit nomen Domini benedictum", d.i.: De naam des Heren zij gezegend. „Vrome" uitingen treft men meer aan: „De hoop, het geloof en de liefde"; „Het lot geeft God"; „Wie op God vertrouwt, die gaat vast gebouwt"; „Godt selt versien, sprack Abram"; „Gloria excelsis Deo". Kerkmeesters uit enkele plaatsen waagden een kans, op hoop van hun kerk te kunnen herstellen: „Tot timmeratie van de kerk"; „Voor de kerck, 't Is een goet werck". Gehuwde paren, die een kleine verwachtten hoopten op een prijs „Voor Hansje in den kelder", een zegswijze, die sinds uit het gebruik verdween. Velen waren er, die een toespeling maakten op den nog niet geëindigden Spaansen erfopvolgingsoorlog: „De hertog Marlbourg", „De prins Eugenius"; „Prins Eugenius is in 't velt, Marlbourgh is een helt, en wij dansen om 't geld" e.d. Er waren er ook, die er eerlijk voor uit kwamen, dat het om een prijs te doen was: „Om het hoogste lot is het te doen"; „Op hoop van winst, die anders zeijt die jockt het"; „Onder het musje (d.i. de vrouw) en ik met mijn bloote hooft, 40000 guldens is ons be looft"; „t Eylant Urk debet ......... " enz. Wat enkele grappenmakers lieten schrijven: „Zoo de wijsen met haar advijsen krijgen de prijsen, kunnen de gekken dan wel prijse trekken? Wat seg je roeper?"; „Wat past er beter op Urk als twee kannuniken en een Turk?"; „Urck, Urck, geeft mijn kurck van harde spetie"; „Messieurs, wat mag de Urkse vis gelden ?" Op den trekkingsdag werden, terwijl een dichte menigte voor de stellage stond, behalve de nommers, ook die toevoegsels door den omroeper afgelezen. De uitslag „Niet!" verwekte als antwoord op sommige bijschriften en uitbundige vrolijkheid. Al weten we niet, wat de loterij opbracht, het schijnt ruim voldoende te zijn geweest voor de herstelwerken op Urk en Emmeloord. Pieter de Zeeuw en van Petersom vertoefden weer enigen tijd met een groep stadsarbeiders op Urk. Ook sommige bewoners van Urk zelf verdienden er een daggeld mee. Als opzichter fungeerde Harm de Veer, die tot volle tevredenheid, althans van schout en burgemeesters, zijn taak verrichtte. De schout, Willem Gerrits, had ook een toelage voor zijn algemeen toezicht, voor het uitbetalen der lonen en voor het doen uitreiken van bier en haring aan het werk221


volk. Het loon van een arbeider was 18 stuivers per dag. Aan bier kwam daar nog een stuiver bij. De naam van Ds. Cantor werd bij deze zaak niet genoemd. Wat er precies gedaan werd, is uit de aanwezige bescheiden niet op te maken. Alleen is na te gaan, dat, behalve het herstellen en nieuw aanbrengen van steenglooiingen en paalwerk, in den zanddjjk voor het Broek een duiker werd gemaakt, om het overtollige water te kunnen lozen. Een verbetering inderdaad. Ds. Cantor schijnt vroeg „op" te zijn geweest. Als we aannemen, dat hij op 25-jarigen leeftijd zijn werk als predikant begonnen was, dan was hij in 1710, toen lüj, met toestemming van den heer Witser eervol emeritaat verkreeg, pas 62 jaar. Bij zijn bijna 30-jarig verblijf op Urk had ook hij het niet gemakkelijk gehad. Zijn dochter Tetia was op Urk getrouwd en woonde daar. Zijn andere dochter stond op trouwen met den aanvoerder van het volgende hoofdstuk. In 1719 is Ds. Cantor elders overleden.

222


Ds. Wernerus van Diepen (1711-1720)

--De classis Enkhuizen achtte het kerkelijke leven op Urk nu genoegzaam ontwikkeld, dat zij zich met haar rechtstreekse bemoeiingen daaruit kon terugtrekken. De gemeente moest nu maar naar eigen keuze een predikant beroepen. De beroepsbrief werd nog door de classis ontworpen. Aan dat ontwerp heeft men zich ook later gehouden. Wernerus of Warnerus van Diepen was woonachtig in Kampen en studeerde voor predikant. Reeds toen Ds. Cantor nog in functie was, had de student nu en dan Urk en ook de pastorie bezocht. Johanna, de jongste der twee dochters van Ds. Cantor maakte zo veel indruk op hem, dat hij haar eindelijk ten huwelijk vroeg, en het was een verloving geworden. Uiteraard waren de bezoeken aan Urk toen vaker gebracht, en de Urkers hadden den student nog beter leren kennen. Als proponent zal hij allicht weieens voor zjjn aanstaanden sthoonvader zijn opgetreden. Door een en ander had hij zo de harten gewonnen, dat hy op 27 November 1710 door de gemeente met eenparigheid werd gekozen als opvolger van Ds. Cantor. Nog denzelfden dag hechtten schout en burgemeesters hun goedkeuring aan het beroep! Op Vrijdag 29 December werd het „instrument van beroeping", de beroepsbrief, „vertoond aan den heer Nicolaes Witsen, gunstig en genadig ambagtsheer van Urk". „Met groot genoegen" werd het beroep ook door hem „geapprobeerd", zoals de kerkelijke term luidt. De heer Witsen had van den jongen man blijkbaar goede verwachtingen. Nu moest er nog één instantie volgen, de classis. Deze vergaderde 15 Januari 1711. Ook door haar werd, ondanks enkele formele fouten door den kerkeraad van Urk gemaakt, het beroep goedgekeurd. Nog denzelfden dag werd de proponent Van Diepen geëxamineerd en als predikant van Urk toegelaten. Donderdag 29 Januari kwamen twee predikanten, door de classis aangewezen, op Urk, om den jongen leraar in het ambt te bevestigen. Den volgende dag had onder hun leiding een buitengewone vergadering van den kerkeraad plaats, een college, waar we nu voor het eerst van horen. Ouderlingen waren: Willem Jacobsen en Hendrik Wil223


lems; diakenen Jacob Jacobs en Claes Willems. Zonder meer hebben we aan dergelijke namen natuurlijk niets. Met heel veel moeite zou uit de doopboeken en huwelijksregisters waarmede in 1711 een begin werd gemaakt, op te diepen zijn, of ze nog „uitspruitelingen" hebben in den tegenvvoordigen tijd. Ik doe hierbij nog opmerken, dat er ook twee kerkmeesters waren; maar die behoorden niet tot den kerkeraad. Ze behartigden de stoffelijke belangen van den kerkdienst en hadden twee jaar zitting. Elk jaar trad er één af, waarvoor om beurten door den kerkeraad en door het burgerlijke bestuur een nieuw lid werd gekozen. De heren van de classis maakten den kerkeraad er attent op, dat de gang van het beroep niet juist was geweest. Dat er, nu de gemeente voor het eerst zelfstandig beroepen had, niet genoeg rekening was gehouden met het kerkverband, is te begrijpen. De gang had, zoals de classisafgevaardigden deden opmerken, aldus moeten zijn: a. de vacature berichten aan de classis; b. enige proponenten met een goed getuigenis vragen, om voor de gemeente op te treden; c. een drietal opmaken; d. de drie gekozenen weer horen, zo mogelijk op denzelfden dag; e. stemming door de gemeente onder leiding van een predikant uit de classis; f. approbatie door den heer van Urk; g. approbatie door de plaatselijke regering; h. approbatie door de classis. De kerkeraad beloofde, in het vervolg zo te doen. Ook wezen de heren van de classis er op, dat eenmaal per jaar ten overstaan van den predikant de diaconierekening diende te worden gedaan. Na dien tijd is dat geregeld gebeurd. De „E.Do. Van Diepen" werd daarop in de vergadering geroepen en zijn ambtelijke plichten hem voorgehouden: prediking en huisbezoek, „het ordinaire" genoemd, en catechiseren van de jeugd. In het bijzonder werd gewezen op het „schooloefenen", waaraan dus blijkbaar grote waarde werd gehecht. Tegenwoordig weet men daar niet meer van. Het schooloefenen is een van de dingen, die aantonen, dat onze vaderen heel goed wisten, dat er eenheid behoorde te zijn in de opvoeding der jeugd, en dat er o.a. samenwerking behoorde te zijn tussen kerk en school. De schoolmeester moest immers, zoals we reeds weten, zijn oudsten leerlingen gedurende de week de afdeling van den Catechismus in het geheugen prenten, die den komenden Zondag in den middagkerkdienst aan de orde zou komen. Een dier leerlingen zegde die afdeling in de kerk op. De Zondagmiddagkerkdienst heette op Urk nog lang daarna „de catechisatie". Ook werd den jongen leraar de raad gegeven, om notulen van 224


de kerkeraadsvergaderingen te maken en een doopboek en een trouwregister aan te leggen. Tenslotte werd bepaald, dat de bevestiging in het ambt zou plaats hebben in den morgendienst van Zondag 1 Februari. Tevens zou dan de inzegening plaats hebben van het huwelijk van Ds. Van Diepen met Johanna Cantor. Maar toen het onverwacht ging vriezen, durfden de heren uit Enkhuizen niet zo lang op Urk blijven. Op hun verzoek werd daarom reeds 's Zaterdagmorgens de klok geluid voor een kerkdienst. „De vloot" was thuis, en de taal van de kerkklok werd door ieder op Urk verstaan. Nog tot in het midden der 19-de eeuw kwam het wel voor, dat de kerkklok de mensen onverwacht voor een kerkdienst midden in de week opriep. De bevestigingsrede van Ds. Van Walcheren ging over 1 Tim. 4 : 16: „Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende zult gij èn uzelven behouden èn die u horen." In denzelfden dienst had de huwelijksbevestiging plaats. Wat waren onze vaderen toch eenvoudig! Op verzoek van de plaatselijke regering stelde Ds. Van Diepen zijn „inwijdingspredikatie" uit tot den volgenden dag. De classisafgevaardigden vertrokken denzelfden dag naar Enkhuizen. Op Zondagmorgen verbond de jonge leraar zich aan de gemeente met de woorden uit 1 Korinthe 2 : 2 : „Want ik heb niet voorgenomen, iets ie weten onder u, dan Jezus Christus en dien gekruisigd." Een schoon begin inderdaad. De hier vermelde bijzonderheden ontleende ik aan het pas aangelegde notulenboek. De eerste aantekeningen in deze „Kerkelike Handelingen van Urk" zijn door Ds. Van Walcheren geschreven. Ds. Van Diepen schreef in het Doopboek deze inleiding: „Nadien het Gode behaagt heeft, aanstonds met het opregten van het verbond der genade een kerk op aarden te vergaderen en hier toe de dienst der menschen te gebruijken, soo heeft het Zijn wijsheyt behaagt, in 't begin van het jaar na Christi geboorte 1711 Wernerus van Diepen tot dit eijnde de kerken dienst op het Eylant Urk toe te vertrouwen; ingevolge van dese Goddelijke roepinge heeft de boven genoemde hem selven verpligt geagt, tot wel wesen van de gemeente een Trouw- en Doopboek aan te vangen, waarvan het eerste aan dese kant van dit Boek een begin neemt." Boven het Huwelijksregister, dat aan de tegenover liggende bladzijde „een begin neemt", staat nog dit ter inleiding: „Namen der geene, die getrout zijn terwijl Wernerus van Diepen als Herder van de kudde Christi, op het Eylant Urk vergadert, onder Christi opper-gebiet de herderstaf gebruijkt heeft; als 225 15


mede de tijt, wanneer de getrouwde publijk des Heeren milden zegen is toegewenst." Dan volgt het eerste ingeschreven paar: „1711. 31 Jan. Wernerus van Diepen, Dienaar des Goddelijken Woorts op het Eijlant Urk en Johanna Cantor." In het geheel werden in 1711 zes huwelijken kerkelijk bevestigd. Er werden 15 kinderen gedoopt, waaronder een van den schoolmeester Anthoni van Dompzelaer en zijn vrouw Catharina van Marbag. Dat echtpaar, uit Amsterdam gekomen, woonde minstens reeds sinds 1706 op Urk. Van Dompzelaer was tevens koster van de kerk en secretaris van het burgerlijke bestuur. Achter in het kerkelijke notulenboek begon Ds. Van Diepen een lijst aan te leggen van de belijdende leden der gemeente. Hij schreef er dit boven: „Nadien door de wintersche koude alle de inwoonders van het Eylant Urk op het Eylant waren, soo hebbe ik, Wernerus van Diepen, om een nette lijste van alle de leden van de gemeente te maken, dienstig geoordeelt, sonder tijt versuijm nevens mijn ouderlingen huijsbesoekinge te doen en bij die gelegentheijt de namen van alle de litmaten van dese gemeente op te schrijven. Ingevolge van dese onse resolutie hebben wij den 9den en lOden Februari in het jaar na Christi geboorte 1711 huijsbesoekinge gedaen, en na de beste wetenschap wegens het getal der jaren bevonden dese navolgende, als die litmaten van Christi kerke zijn, ook tot het gebruijk des Heiligen Avontmaals genodigt." Om allen in een paar dagen te bereiken, konden de bezoeken uiteraard maar heel kort duren. Men neme in aanmerking, dat allen, die als ,.litmaten" geboekt werden, ook ten Avondmaal werden genodigd. De gewoonte, om telkens alle belijdende leden tot hot Avondmaal te nodigen, heeft tot in het laatst der 18-de eeuw standgehouden. Werd iemand niet genodigd en dus bij het huisbezoek overgeslagen, dan was er iets niet in orde. Hij vatte het op als een stilzwijgende eerste tuchtoefening, die vaak de gewenste gevolgen had. De eerste ledenlijst droeg 116 namen. Onder no. 15 staat Willem Gerrits, schout. Zijn vrouw was Aaltjen Claas. Onder no. 48: „Tetia Cantor, huijsvrouw van Hendrik van den Berg." Zij was vermoedelijk een veel oudere zuster van mevrouw Van Diepen. Haar man was veel jonger: hij staat pas op no. 89. Hij was met attestatie van Genemuiden gekomen. Onder no. 86 en no. 87 staan de schoolmeester en zijn vrouw. Ze hadden al een volwassen zoon, Jan. In de ledenlijst komen de volgende namen van vermoedelijk „echte" Urkers voor: Albert 3, Arent, Arie, Bartelt, Claas 6, Evert, Gerrit, Hendrik 2, lede, Jacob 7, Jan 10, Jelle, Louwe, Lubbert 3, Luitje (mansnaam!), Pieter 3, Willem 5, IJsbrand; Aaltje 12, Al226


bertje, Antje of Annetje 4, Claasje 2, Dirkje, Geertje 3, Gerritje Grietje 3, Hendrikje, Ietje, Jacobje 4, Jannetje 3, Lubbertje of Lubbetje 2,Lijsbeth 3, Marretje 6, Pietertje, Stijntje, Truitje, Trijntje, Vroutje, Wiegertje, Willempje 3. Onderaan zette Ds. Van Diepen den naam van hem en zijn vrouw. Alle gegevens uit de kerkelijke statistiek wijzen er op, dat het Romanisme op Urk verdwenen was. Op 23 Februari 1711 deden 22 personen belijdenis des geloofs. Het trok mijn aandacht, dat in het voorjaar menigmaal enkele vrouwelijke leden naar „den wal" vertrokken, b.v. meer dan eens naar Bloemendaal, om tegen den winter op Urk terug te komen ; blijkbaar meisjes, die zich voor het zomerhalfjaar als dienstbode verhuurden. Zonder eerst belijdenis des geloofs gedaan te hebben, vertrokken ze niet naar elders. De kerk stond toen meer in het middelpunt van het leven, dan in onzen tijd. In 1711 trad de heer Nicolaes Witsen af als burgemeester van Amsterdam. Voor de Staten van Holland bleef hij de officiële sterfheer van Urk en Emmeloord, maar voor de practische uitoefening van het „heer"-schap werd hij vervangen door burgemeester Hooft, al heeft hij zijn bemoeiingen met de zaken der eilanders niet gehee\ gestaakt. Reeds op 29 October 1711 klaagde de plaatselijke regering van Urk over de schade, die opnieuw aan de pas herstelde waterkeringen was aangebracht. Uit enkele stukken, die in dezen tijd naar Amsterdam gezonden werden en die door Anthonij van Dompzelaer, den schoolmeester, geschreven waren, kan blijken, dat diens taalkennis zeer gebrekkig was. Op 22 Februari 1712 zond „Anthoni van Dompzelaer" „door order van de regeringh van het éijlant Urk" weer een klacht naar Amsterdam. Dankbaar voor hetgeen in 1711 vooral aan den oostkant van Urk gedaan was (er was in dat jaar „tot preservatie van Urk" besteed 10.309 gulden, 7 stuiver en 6 penningen) wees de magistraat er nochtans op, dat 40 palen-met planken en al uit den grond gerezen waren. De schuiten, in het Hop tegen het hoofd liggende, liepen gevaar, door kruiend ijs tegen het hoofd plat gedrukt te worden. Ze waren toen door mannen („op onse reughe") een eind op het land gedragen. Wel een bewijs, dat ze nog niet groot waren. Bij het maken van de herstelwerken uit de opbrengst van de loterij had de raad van Amsterdam hieruit 500 gulden beschikbaar gesteld voor het leggen van een zanddijk voor het Broekland en het maken van een duiker daarin. De plaatselijke regering van Urk moest dan zelf maar voor een en ander zorgen. Dit was dan ook gebeurd, maar d;iar het werk om den storm driemaal had moeten worden overgedaan, was de begroting met 300 gulden overschreden. Dat bedrag was tegen een rente van 4% opgenomen. Maar nu kwam Vrouwendag (2 Februari) 1714. Op dien dag werd weer de nieuwe regering gekozen; en toen deze van de 300 gulden schuld hoorde, 227


maakte ze bezwaar, die „over te nemen'': er was „ai zo veel" schuld. Daarom werd 17 Februari bij penne van den schoolmeester aan Amsterdam gevraagd, dat ook die 300 gulden uit de opbrengst der loterij zou worden betaald. Het maken van den duiker alleen hafl 100 gulden gekost; aan arbeidsloon voor 22 man gedurende 25 dagen was 495 gulden betaald, aan bier 27 gulden 3 stuiver, enz. De regeringspersonen, die den brief tekenden, waren: Willem Gerrits, de schout, en Evert Willems, Japick Jansen, Jan Romkes en Willem Japicse, de burgemeesters. Deze allen konden toen schrijven. Urk lag net voor de stormsluis tussen Holland en Friesland. Dat bleek weer 26 Februari van datzelfde jaar. Toen moest het oude kerkgebouw, waarin nog 25 jaar de mis bediend was en dat in 1710 al zo veel geleden had, het ontgelden. Ds. Van Diepen tekende in het Doopboek aan: „Het gebouw van de gemeene zamelplaats tot den godsdienst afgezonderd, is in datzelfde jaar den 26 Febr. 's avonds om 9 uur ingestort." Dat was dus op een Maandag! Verder werd nog aangetekend, dat „bij magistraat en kerkeraad den 3den Maart een huis tot den godsdienst afgezonderd is. Op Zondag 4 Maart kon de gemeente dus weer samenkomen. In het kerkeraadsnotulenboek gaf Ds Van Diepen de geschiedenis van den bouw ener nieuwe kerk. „In dit jaar den 26 Febr. is het gebouw tot de openbare kerkendienst afgesondert ingestort; tot vernieuwinge van het selve zijn door order van de Wel Edele Groot-agtbare Heer Nicolaus Witzen met bewilliginge van de Wel Ed. Groot-agtb. Burgermeesters van het doorlugtig Amsterdam gesonden: metzelaars etc. den 26 Juli en timmerluyden den 27 dier maant; die soo verre hare vlijt hebben aangewent, dat de metselaars dan 23 Sept. haar werk hebbende voltoeijt zijn wedergekeert na Amsterdam. En nadien onse lust was in de vernieuwde godsdienstplaats saam te komen, soo is daar in voor de eerste maal dienst gedaan den 7 Octob. zijnde door mij, pred. in die tijt, gebruijkt des voormiddags Joh. 10 : 22 (: En het was het feest der vernieuwing des tempels; en het was winter) en des na de middags Rom. 8 :2 (: Want de wet van den Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods) alhoewel de glasen en predikstoel nog niet waren vernieut. Den 10 zijn ook de timmerluyden vertrokken. Den 5 Dec. zyn de timmerluyden wedergekeert om de nieuwe predikstoel (te Amsterdam gemaakt) op haar plaats te brengen, den 12 is de eerste dienst op de nieuwe predikstoel gedaan uyt Ps. 39 : 5 (: Heere, maak mij 228


bekend mijn einde en welke de maat mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij). Den 17 dito zijn de timmerluyden vertrokken nadat alles voltoeijt was." De laatste tekst was die van den Woensdagavonddienst. Den Woensdag daarvoor was het eerste kind in de nieuwe kerk gedoopt. Er wordt gesproken van glazen in het nieuwe gebouw. Die zullen zeker ook al in het oude gebouw zijn geweest. De meeste woningen zullen in dien tijd ook, zij het kleine, glasvensters gehad hebben. De vraag rijst: Waar is die nieuwe kerk gebouwd? Op het tegenwoordige kerkgebouw der Hervormde gemeente kan men lezen, dat het in 1786 herbouwd is; en aan de muren is nog te zien, dat het toen enigszins veranderd is. Het stond dus in 1786 al op die plaats en moet er in 1714 verrezen zijn. Het ingestorte gebouw had gestaan op een plaats, die sinds door het water overspoeld is. De pastorie bij de ingestorte kerk hield het nog uit tot 1736. Zo stond dus nu de kerk op de hoogste plaats van het eiland. Veilig en - symbolisch - juist! De kosten van den bouw heeft Amsterdam vermoedelijk nog kunnen bestrijden uit de opbrengst van de loterij. De vloer van de nieuwe kerk was bestemd voor begraafplaats, gelijk dat om het steeds meer naderend watergevaar ook in de oude het geval zal zijn geweest. Tot 1786 heeft het begraven in de kerk geduurd. In het oude gebouw waren in 1714 nog vier kinderen gedoopt, het laatste één dag vóór de instorting! In het noodgebouw werd van 18 Maart tot 30 September 10-maal gedoopt, daarna in de nieuwe kerk nog 3-maal; samen 17 kinderen. Het dopen gebeurde als regel in de eerste kerkbeurt na de geboorte, soms op den geboortedag zelf. Ook 's Woensdagavonds. Die gewoonte is tot in de eerste helft der 19-de eeuw gevolgd. Ik zal niet zeggen, dat zij wortelde in een bewuste specifiek Gereformeerde doopsbeschouwing, al was ze daarmee in overeenstemming; de oude en hier inderdaad goede traditie zal gevolgd zijn; en tradities zijn taai! De kindersterfte was helaas groot. Van de 62 kinderen, die in 1711 tot 1714 gedoopt werden, stierven er in diezelfde jaren samen 25; ruim 40%! De openbare belijdenis des geloofs gebeurde gewoonlijk tegen Pasen, zodat de jonge belijders nog konden deelnemen aan het Avondmaal op eersten Paasdag. Het vierde Avondmaal had plaats op eersten Kerstdag. Aan het einde van dit hoofdstuk moet ik melding maken van drie „treffende" sterfgevallen. Op 10 Augustus 1717 overleed de heer Witsen. Zijn nagedachtenis bleef op Urk en Emmeloord nog lang in zegening. De nieuwe sterfheer werd burgemeester Gerbrand Pancras 229


Michielsz, die zelf ook de practijk van het „heer"-schap waarnam. Op 2 November 1718 stierf Willem Gerrits, de schout. Dat zijn heengaan een groot verlies betekende, kan niet worden gezegd. Vijf en dertig jaar had hij het ambt bediend. De heer Pancras stelde toen als schout aan .............. Anthonij van Dompzelaer, den schoolmeester. Dat was, gelijk we zien zullen, een misgreep. Jan van Dompzelaer kreeg toen de posten van schoolmeester, koster en secretaris en later zelfs die van onderschout! Als laatste bijzonder sterfgeval moet ik dat van den jongen, ijverigen predikant vermelden. Begin November 1720 werd hij na een diensttijd van nog geen 10 jaar afgelost van zijn taak. Zijn weduwe, met 2 kinderen achtergebleven, woonde in 1739 nog op Urk. Drie hunner kinderen waren vóór hun vader gestorven. Ds Van Diepen had 133 kinderen gedoopt, maar er enige tientallen vroeg van zien sterven. Van 101 personen had hij de openbare belijdenis des geloofs afgenomen. Bij de laatste groep was Sara van den Berg, een dochter van zijn schoonzuster Tetia. Drie-endertigmaal had hij bij een belijdend gemeentelid de begrafenis moeten leiden en daaronder die van zijn zwager Hendrik van den Berg. De sterfte schijnt op Urk wel groot te zijn geweest. En toch zaten de nu bijna 400 bewoners nog zonder geneesheer. Enige jaren later is eerst sprake van een chirurgijn.

230


Ds. Petrus de Bruyn (1720-1727)

Ds. Nicolaas Ribbers (1727-1730)

De gegevens voor dit hoofdstuk, dat toch slechts over een tijd van 10 jaar loopt, zouden te verwerken zijn tot een spannenden historischen roman met b.v. als titel: Dominee en Schout, en als ondertitel: Een afmattende strijd tegen politieke aanmatiging. Vroeger heb ik twee opmerkingen gemaakt: ten eerste, dat de predikant op Urk het gans niet gemakkelijk had, en ten tweede, dat hij er nochtans hoe langer hoe meer de leidende persoon werd. De waarheid van die opmerkingen zullen we in dit hoofdstuk heel duidelijk bevestigd zien. De heer Petrus de Bruyn, candidaat of proponent te Lutjebroek, was natuurlijk in de classis Enkhuizen geen onbekende. Op hem viel dan ook de keuze voor het beroep van Urk. Op 17 November 1720 werd het beroep geapprobeerd door Mr. Gerbrand Pancras en den volgenden dag door de magistraat van Urk. Deze werd toen gevormd door den schout, Anthonij van Dompzelaer, en de vier burgemeesters: Jan Alberts, Jan Snoek, Jacob Jacobs en Geert Jacobs. De laatste heette in den volksmond Jakken Geert. Nadat de classis op 23 November den heer De Bruijn geëxamineerd en het beroep geapprobeerd had, werd de beroepsbrief naar het door de classis voorgeschreven model verzonden. Hij was getekend door Lubbert Pieters en Klaas Willems als ouderlingen en door Jacob Bartels en Jacob Jansen als diakenen. Ds. Elzevier van Enkhuizen bevestigde op Zondag 8 December den jongen leraar in het ambt met den tekst: Gen. 49 vs 21: „Nafthali is een losgelatene hinde; hij geeft schone woorden." Moeten deze woorden niet beschouwd worden als gebruikt ter waarschuwing tegen het veldwinnend Coccejanisme, dat, vertroebeld met het Cartesianisme, hoe langer hoe meer een „verstands-christendom" werd? In zijn intreepredikatie werd er door Ds. De Bruyn op geantwoord met de woorden uit 1 Cor. 2 vs 1: „En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis Gods." 231


Het daarop volgende vers, waarmee Ds. Van Diepen zijn arbeid op Urk begonnen was, legde Ds. De Bruyn den tweeden Zondag tot grondslag van zijn predikatie. Uit de aantekeningen in het Doop- en het Trouwregister, maar vooral in het Notulenboek, door Ds. De Bruyn nauwkeurig en soms zeer uitvoerig verzorgd, weten wij, dat hij het bijzonder druk gehad moet hebben. Als Ds. Cantor, van wien we helaas geen kerkelijke aantekeningen hebben, in zijn ambtelijke werk ook zo bezet is geweest (en dat zal niet veel verschil hebben gemaakt), dan is het onbegrijpelijk, dat die zich nog zo veel met de burgerlijke zaken heeft kunnen bemoeien. Ds. De Bruijn begon, net als zijn voorganger, met de tellingvan de belijdende leden. Hij kwam tot 144, een getal, dat, naar de notities van Ds. van Diepen gerekend, heel wat hoger had moeten zfln. Vooral de Zondagen waren zwaar bezet: driemaal kerkdienst, waarvan de eerste in het bijzonder „de preek" werd genoemd, de tweede „de cateclüsatïe", omdat daarin de Catechismus werd behandeld, en de derde „avondkerk". De overblijvende (!) tijd werd vaak besteed aan huisbezoek, terwijl na den avonddienst soms nog een kerkeraadsvergadering volgde. De zorg voor het scribaat en de correspondentie was daarbij voor den predikant. 's Woensdags was er weer kerk, in den winter zelfs tweemaal, terwijl 's Donderdags de jeugdcatechisaties werden gehouden. B|j dat alles was het gelukkig, dat het schoolonderwijs reeds sinds jaren aan een afzonderlijk schoolmeester was opgedragen en dat de predikant ook niet meer als secretaris van de magistraat behoefde te fungeren. Tot het onaangenaamste werk van den kerkeraad, en dus vooral van den predikant, behoorde ook toen al de oefening van tucht; in het bijzonder, wanneer het in verband stond met overtredingen van het 7-de en 8-ste gebod. In Ds. De Bruyns ambtstijd kwamen die elk tweemaal voor. De tucht werd trouw gehandhaafd. Op het aanvragen en inleveren, ook elders, van attestaties, werd nauwkeurig acht gegeven. Wie zonder reden het H. Avondmaal verzuimde, kon er op rekenen, dat hij voor zijn ontrouw vermaand zou worden. Den Zondag of twee Zondagen voor elk Avondmaal werd de middagskerkdienst (de catechisaMe geheten) niet gehouden. De daardoor vrij gekomen tijd werd door den kerkeraad gebruikt voor een kort bezoek aan alle belijdende leden, die niet gecensureerd waren, om ze aan het komende Avondmaal te „nodigen". Wie, zonder onder de censuur te staan, niet genodigd werd, wist daaruit, dat het met zijn gedragingen toch niet in orde was. Ook gebeurde het, dat iemand in zo'n geval een rechtstreekse vermaning ontving. Volgde dan schulderkenning, dan kwam ook de nodiging. Bleef de schulderkenning uit, dan werd het gebruik van het Avondmaal „aan 232


de eigen beproeving overgelaten", of volgde, in een minder gunstig geval, „afhouding" van het Avondmaal. De kerkeraad deed, vooral gedurende de eerste jaren van den ambtstijd van Ds. De Bruijn, de ervaring op, dat enkele leden bezwaren maakten, aan de nodiging ten Avondmaal gevolg te geven, omdat ze wat hadden tegen de handelingen van een der regeringspersonen, in den regel van den schout. De kerkeraad trachtte dan, die bezwaren weg te nemen, maar dat gelukte zelden. De bezwaarden moeiden er soms de classis in. Later meer hiervan. Om de drie maanden had in Enkhuizen een classicale vergadering plaats. Omdat er geen geregelde veerdienst op Enkhuizen was (wel op Kampen) moest er telkens een schuit worden gehuurd, die den predikant en een ouderling (als deze thuis was) den dag vóór de vergadering naar Enkhuizen bracht en den derden dag weer naar huis. Er moest dus in Enkhuizen voor twee nachten logies worden gezocht. Wat een tijdverlies en een kosten! Die kosten werden uit een diakonale kas betaald. Dat was trouwens de enige kas, waarover de kerkeraad te beschikken had, en zo werden er vanzelf wel meer dingen uit betaald, die geheel buiten diakonale zorgen stonden. De diakonale zorgen drukten voor een aanmerkelijk deel op den predikant, en door onhandelbare en zelfs „boosaardige" personen werden die soms zeer verzwaard. Eens, maar toen betrof het respectabele mensen, verzocht een echtpaar met zes kinderen en één op komst de diakonie om een voorschot van 100 gulden, „want ze wilden een nieuwen schuit kopen". Weer een bewijs dat de schuiten toen nog klein waren. Het geld werd gegeven en de goedwilligheid ging zó ver, dat het niet behoefde te worden terugbetaald, als de schuldenaars „onmachtig" waren, „want het was hun uit liefde geschonken." De vermelding van het feit vond ik op een afzonderlijke plaats in het notulenboek. Waartoe dat? Om het verborgen te houden voor een nieuwsgierigen en babbelzieken koster, die straks het notulenboek kreeg op te bergen? Die vraag is niet zonder grond. Er is nog iets, dat mijn aandacht trok. Na de het laatst door mij aangehaalde woorden is een strook van het blad weg geknipt. Die strook bevatte vermoedelijk de handtekeningen van den kerkeraad. Wat reden mag nu de wegknipper voor zijn daad gehad hebben? En wie was die wegknipper ? Alleen de koster kon bij het notulenboek komen. Welke bedoeling kon deze dan met de vervalsing hebben? Om den schijn te geven, dat de predikant eigenmachtig over het geld van de diakonie beschikt had? We zullen op die vragen nooit een antwoord kunnen geven; maar dat ik er toe kom, is te begrijpen: van de koster zgn later nog wel andere en ergere, euveldaden aan het licht gekomen. Dat was Jan van Dompzelaer, de zoon van den schout. Intussen blijkt uit deze belening, dat de diakonale kas er niet 233


slecht bij stond. Dat blijkt ook daaruit, dat de diakonie in staat was, zich voor 25 gulden het eigendomsrecht te verzekeren van 3 kruidels hooi, die daarna weer voor 4 gulden per jaar werden verpacht; maar meer nog uit de aanwezigheid onder de diakonale bescheiden, reeds bij de komst van Ds. De Bruyn, van een obligatie van 1000 gulden ten laste van 's lands kas. Het ontvangerskantoor weigerde twee jaar achtereen, de rente daarvoor te betalen, vermoedelijk, omdat de magistraat weer in gebreke was gebleven, om de verschuldigde verponding te voldoen. De kerkeraad zond over die zaak een request naar heren gecommitteerden. Kort voor het vertrek van Ds. De Bruyn was de diakonie opnieuw in staat, om een obligatie van 1000 gulden te kopen. Uit een en ander blijkt ook, dat de gemeente van Urk „voor den armen" goedgeefs was. Toen trouwens een collecte werd gedaan voor de zwakke gemeente van Lutjebroek, de geboorteplaats van Ds. de Bruyn, bracht die 38 gulden en 18 stuiver op. Een collecte voor de noodlijdende kerken van Oost-Friesland, in een ander jaar gehouden, leverde zelfs 85 gulden en 11 stuiver op. Op de classis kreeg Urk voor die collecten een bijzondere dankbetuiging. Tegenover den bloeienden stand van de diakonale kas stond de moeite van de beide kerkmeesters, om aan de verplichtingen van de kerkekas te voldoen. Wat had die kas trouwens voor inkomsten? Ten eerste de winst die het „kerkeland" afwierp, en die zal wel niet groot zijn geweest; dan de opbrengst van de collecte in den zondagmiddagkerkdienst en vervolgens de jaarlijkse rondgang voor het plaatselijk aandeel in het predikantstraktement. Nu hadden de kerkmeesters wel geen grote uitgaven te doen, maar er kon dan ook weinig of niets meer bij. Behalve het aandeel in het predikantstraktement werd door de kerkmeester ook nog betaald de beloning voor den koster - voorzanger - klokluider. Tussen diakenen en kerkmeesters is later wel eens gekibbeld, wie de kaarsverlichting in de avondkerkdiensten zou betalen! Het ging er dus wel zuinig langs. En toch werd de last voor den kerkmeester in 1722 nog verzwaard. De pastorie n.1., die in 1629 voor Ds Salebien gebouwd was en nog aan de zuidkant van de ruïne van de ingestorte kerk stond, was het eigendom van „het land", en dit betaalde dan ook telkens, op verzoek van de kerkmeesters, het onderhoud. De laatste jaren waren de onderhoudskosten natuurlijk toegenomen, en al enige keren was het gebeurd, dat bij het toestaan van enige reparatie door heren Gecommitteerden bericht werd, dat het voor dezen keer nog toegestaan werd, maar daarna niet meer. De kerkmeesters hadden dit - echt Urks! - voor kennisgeving aangenomen. Maar nu kwam in 1722 bij de magistraat van Urk een brief van Gecommitteerden met de mededeling, dat het „predikantshuys" over werd gegeven aan en ten laste zou blijven van de regenten van Urk. De beide kerkmeesters zonden daarop aan heren Gecommitteerden een request, inhoudende het verzoek, dat besluit niet uit te voeren: de 234


kerkmeesters waren wel gewillig, maar eenvoudig onmachtig, om meer geld uit te geven. Toch bleven Gecommitteerden bij hun besluit, en van toen af was de pastorie dus het eigendom van de burgerlijke gemeente en moest zij door de kerkmeesters onderhouden worden. Kerk en toren, om er dat even aan toe te voegen, waren het eigendom van de stad Amsterdam. Nu wil ik eerst even de mutaties bespreken, die er in 1721 in de personen der „autoriteiten" kwam, en dan de kwestie met den schout behandelen. Zoals we weten, was het van oude tijden af gewoonte, dat de schepenen of burgemeesters, die maar een jaar zitting hadden, met Pasen door andere vervangen werden. Die andere waren dan met Vrouwendag (2 Febr.) al gekozen. Daar twee van de schepenen tevens kerkmeesters waren, werd na de Reformatie, toen er afzonderlijke kerkmeesters kwamen, de verkiezing van deze kerkmeesters ook op of dichtbij Vrouwendag gehouden. Toen er enige jaren na het begin der Reformatie een kerkeraad - misschien één ouderling en één diaken - kon gekozen worden, was de verkiezing daarvan ook op of bij 2 Febr. vastgesteld. Daarbij was de verkiezing der kerkmeesters toen zó geregeld, dat ze twee jaar zitting zouden hebben en dat de magistraat en de kerkeraad er om de beurt één zouden kiezen. Zo werd Jan Snoek in 1721 door den kerkeraad en Jan Alberts in 1722 door de magistraat tot kerkmeester gekozen. De gemeente bleef buiten de verkiezingen van ouderlingen en diakenen: de kerkeraad vulde zichzelf aan. Later zou dat (als vrucht van „Vrijheid, gelijkheid en broederschap"!) veranderen. Maar nu koos de kerkeraad zelf nog elk jaar één ouderling en één diaken. De keuze voor ouderling viel in 1721 op.... Anthonij van Dompzelaer, den schout. Het vervolg der geschiedenis zal leren, dat dit geen gelukkige keuze was. Tot diaken werd gekozen Willem Hendriks, een bakker. Later noemde hij zich als medeondertekenaar van de notulen Willem Bakker. We hebben daarin een duidelijk voorbeeld, hoe gemakkelijk een beroepsnaam tot familienaam kon worden. De andere familienamen, nog op Urk voorkomende, zijn voor een deel op dezelfde wijze ontstaan, b.v. Timmerman, Post, Koffeman, Schouten e.d. In 1721 overleed de heer van Urk en Emmeloord, Mr. Gerbrand Pancras Michielszoon. Hij werd opgevolgd door Mr. Jan van de Pol, naar familietraditie een tegenstander van Oranje en in zijn persoonlijk leven toch bekend als een vroom man. Dat zulks mogelijk was, kunnen we enigszins begrijpen, als we bedenken, dat wt? toen leefden in het tweede Oranjeloze tijdperk: 1702—1747. Mr. Jan van de Poll heeft tot 1746 over Urk en Emmeloord den scepter gevoerd. 235


En nu de kwestie met den schout, of eigenlijk met de gehele familie Van Dompzelaer, een kwestie, die voor Ds. De Bruyn een bron van veel hartzeer is geweest en die hem bij de eerste de beste gelegenheid een beroep naar elders heeft doen aannemen. Daar een historieschrijver in de door hem gegeven voorstellingen zoveel doenlijk objectief moet zijn, wijs ik er op, dat ik, voor wat het kerkelijke betreft, mijn gegevens alleen kan putten uit de kerkelijke notulen, die de zaak uiteraard van één zijde belichten. Natuurlijk moeten we aannemen, dat ze de juiste feiten en die feiten juist weergeven; maar door het naar voren schuiven van het ene en het minder accentueren van het andere feit kan de totaalindruk zo anders worden. Daarom moet de historieschrijver inderdaad soms tussen de regels lezen; in dien zin, dat hij alleen uit de verbinding van zekere feiten tot een niet te vermijden conclusie komt. Zo zeggen b.v. de notulen, hoè scherp ze soms het gedrag van den schout veroordelen, nergens, dat hij een bepaald doel nastreefde, n.1. om als politiek persoon in de kerkelijke zaken hoe langer hoe meer invloed te oefenen; maar uit de blote opvolging der feiten wordt dat den waarnemer vanzelf duidelijk, zoals nader blijken zal. Om kort te gaan, ik heb getracht, om alle mogelijkheden, die van het objectieve spoor mochten doen afwijken, in mijn wijze van voorstelling te verwerken, als het ware te verdisconteren. Dat er daarbij onder de bewerking zeker sympathie en antipathie in mij gegroeid is, behoef ik niet te verbergen: een mens heeft ten slotte, zoals ik eens een Urker hoorde zeggen, geen ziel van kurk; ook de historieschrijver niet. In 1721 waren de waterkeringen op Urk in zo treurigen toestand, dat Amsterdam iemand zond, om de kosten van herstel te begroten. Hij kwam tot een bedrag van 8150 gulden. Ook nu weer zocht Amsterdam steun bij de Staten van Holland: het vroeg de helft van de begrote som. Maar, zoals ook al meer gebeurd was, de Staten talmden met het antwoord, en intussen klom de nood. Het lage land van Urk lag weer „te eb en te vloed". Vermoedelijk was de beruchte en enkele jaren later in al onze houten waterkeringen ontdekte paalworm, waartegen de Staten Generaal in 1730 zelfs een boete- en bededag uitschreven, ook op Urk reeds in 1721 de oorzaak van het snel voortwoekerend kwaad. De dikste palen, ogenschijnlijk nog gaaf, knapten bij zwaren golfslag even onder de waterlijn zomaar af. Een smeekbede van de magistraat van Urk, mede uit naam van de ingezetenen tot de regering van Amsterdam gericht, begrootte de kosten van herstel zelfs op 12000 gulden. Toen de Staten van Holland daarvan kennis kregen, gaven ze de ontvanger der Pilotage benoorden de Maas last, om voor Urk 10000 gulden beschikbaar te stellen. Zo kwam er dus in 1721 en '22 op Urk weer heel wat werk aan den winkel. De schout had, als vroeger, tegen zekere vergoeding, het algemene toezicht; hij wees aan, welke Urkers er bij te werk zouden worden gesteld, vrouwen zowel als mans voor krui- en heiwerk; hij betaalde het arbeidsloon uit en zond telkens de afrekening naar Amsterdam. 236


Er schijnen toen door den schout dingen te zijn gedaan, die, al meende hij ze zelf te kunnen verdedigen, bij sommige in hun oog verongelijkten verbittering wekten; het een en het ander was oorzaak van veel beroering, waarvan de jonge predikant het eerst den terugslag ondervond. De vele klachten, die hij te horen kreeg, maakten het hem daardoor zo moeilijk, omdat de schout tevens ouderling was. Geen wonder, dat de dominee er ook lichamelijk de gevolgen van gevoelde. In 1722 tekende hij in het notulenboek aan: Dog hebbe des Zondags geen huijsbesoekinge gedaan, omdat ik gans siek en onpasselijk was." Uit de notulen blijkt niet, dat de bezwaren tegen den schout in den kerkeraad behandeld zijn, maar bij het huisbezoek doken ze tel kens op. En - toen de klagers naar hun mening door den kerkeraad niet bevredigd werden, wendden ze zich met een lijst van klachten tegen den schout tot de classis, die in November 1722 vergaderde. Of de afgevaardigden van Urk (de schout was hier een van hen) toen nog beproefd hebben, voor den schout verontschuldiging te pleiten, weten we niet; maar zeker is, dat de schout, toen hij van de wijze van behan deling op de classis hoorde, zó boos was, dat hij uit de vergadering van den kerkeraad wegbleef ....... Zeker geen deugdelijk argument. Zo kwam 1723. De kerkeraad bepaalde, dat de verkiezing van nieuwe ambtsdra gers (ook de schout moest aftreden) zou plaats hebben op zondag 7 Febr. De diaken Willem Hendriks (Bakker) moest dit aan den schout zeggen. De schout vroeg toen alleen aan den diaken, of de verkiezing na „de preek", of na ,,de catechisatie" zou gebeuren. Toen hij op 7 Febr. niet ter vergadering kwam, bepaalde de kerkeraad, dat de ver kiezing dan maar moest plaats hebben op Zondag 21 Febr., „na de catechisatie". Den koster werd opgedragen, dat aan zijn vader te zeg gen. En hoe reageerde deze daarop ? „Als ze me willen hebben, moeten ze me maar halen" ....... Inderdaad werd de koster op den bepaalden tijd naar huis gezonden, om zijn vader te halen. De schout kwam nu. Toen bleek, hoe verstoord hij was over hetgeen er op de Novemberclassis van het vorig jaar gepasseerd was; „hij gebruikte", zeggen de notulen, „veel scherpe woorden en weigerde te stemmen; hij eiste eerst huisbezoek". De kerkeraad schikte zich weer naar den potentaat en stelde de verkiezing een week uit en bepaalde, dat het begeerde huisbezoek zou worden gebracht den komenden Woensdagavond na de kerk. Zo geschiedde het ook. De hele kerkeraad ging op „huisbezoek" bij den schout. En toen — men sprak over koetjes en kalfjes, doch niet over de zaak, waarom het ging, en ....... scheidde in vriendschap! De dominee schreef voor de komende kerkeraadsvergadering zijn notulen, en daarin gaf hij in hoofdzaak de geschiedenis weer, zoals ik die hier boven verteld heb. De wetenschap, dat ook de ouderling Van Dompzelaer over de juistheid zou te oordelen hebben, zal den schrijver allicht tot voorzichtigheid hebben gemaand. In de vergadering •237


van Zondag 28 Febr. werden de notulen goedgekeurd en ondertekend, behalve door den schout. Toch moet hij aanwezig zijn geweest, want de verkiezing ging door. Toen de gekozenen op Zondag 21 Maart in hun ambt werden bevestigd, was de schout niet in de kerk. Na den dienst besloot de kerkeraad, in den middag de diakonierekening na te zien. De schout, oudouderling nu, kwam, door zijn zoon verwittigd, werkelijk ook ter vergadering. Aan het einde gebeurde er toen iets, dat niemand verwacht had: de schout sprak den wens uit, dat alles nu maar vergeven en vergeten" mocht zijn. „Is dat uw „hartewens" ? vroeg de dominee. „Dat hoop ik te tonen, door weer in de kerk te komen," was het antwoord van den impulsieven man. De dominee van zijn kant beloofde, dat hij de leden tot vrede vermanen zou. Maar hoor nu, wat er na die schone scène weer gebeurde. De schout kreeg den inval, om zich tegenover de classis te willen rechtvaardigen. Tot haar Meivergadering richtte hij daartoe ....... een brief met vele beschuldigingen ten laste van den kerkeraad. Dat was de vredelievende man van 21 Maart! De brief maakte zelfs zóveel indruk, dat de classis, die niets wist van de vredesluiting op 21 Maart ,van Urk waren blijkbaar geen afgevaardigden aanwezig), besloot, niet minder dan vier deputaten te benoemen, die hadden te trachten, op Urk zelf de geschillen te onderzoeken en op te lossen. De kerkeraad kreeg bericht, dat de deputaten op Zaterdag 5 Juni op Urk dachten te komen. Verzocht werd, dat alle kerkeraadsleden dan aanwezig zouden zijn en dat allen, wien het aanging, bereid zouden zijn, om door de commissie te worden gehoord. Een en ander werd Zondag 30 Mei van den kansel afgekondigd. Zaterdagavond 5 Juni een buitengewone vergadering van den kerkeraad. Een der deputaten presideerde. Verwondering, om niet te zeggen: schrik, kwam over de classicale deputaten, toen ze hoorden, dat eigenlijk op 21 Maart al een zoen was getroffen tussen den schout en den kerkeraad. De deputaten oordeelden, dat de schout den vrede niet weer had behoren te verstoren. Niettemin werden „velen" gehoord. Het bleek de commissie, dat de klachten tegen den schout zijn „politieke administratie" betroffen, en daarmee wilde zij zich niet inlaten, al trachtte zij toch, de handelingen van den schout zo al niet te verdedigen, dan toch te verklaren, en al oordeelde zij, dat die handelingen den schout „niet censurabel" maakten. En de brief van den schout, die den kerkeraad van zo veel zaken beschuldigd had? Zoals de notulen meedelen, werden de beschuldigingen door Ds. De Bruyn weerlegd, een weerlegging, die door de deputaten blijkbaar werd aanvaard. Toen men zo ver was, werd de schout door twee deputaten ter vergadering genodigd. Met de conclusie, waartoe de deputaten gekomen waren, kon hij zich verenigingen. Zou niet de toch slechts negatieve verklaring, dat zijn handelingen hem niet censurabel maakten, hem het meest hebben gepakt? Had hij een schrobbering verwacht? Van een afkeuring van de houding van den kerkeraad is geen sprake. Ook de kerkeraad aanvaardde de conclusie van de deputaten. 238


Zo werd dus opnieuw vrede gesloten. Ds. De Bruyn bedankte de heren voor hun bemoeiingen. Den volgenden dag (het kerkje zal vol zijn geweest) preekte Ds. Van der Meer over Hebr. 12 vs. 14: „Jaagt den vrede na met allen en de heïligmaking, zonder welke niemand den Here zal zien". En ofschoon het niet op het programma stond, betrad Ds. Van den Honert „uijt loutere genegentheijt" des namiddags den kansel. Zijn tekst was: Matth. 5 vs. 9: „Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden". Kostelijke woorden. Natuurlijk, maar er hoort toch bij: dat men in woord en daad recht en gerechtigheid doe. Met een afschrift van de notulen betreffende het gepasseerde namen de deputaten des Maandags afscheid. Ook na de nu betrachte uitvoerigheid kan ik hier nog geen punt zetten. Want de schout had ook een vrouw. Zij kleedde zich naar de mode; wel niet naar een mode, die in hogere kringen nog gevolgd werd, maar dan toch zó, dat er op Urk aanstoot aan genomen werd. Dwaas, kinderachtig van de Urkers, zult ge zeggen, maar het was zo. Men moet hen in hun (helaas verdwijnenden!) eenvoud kennen, om daar nu weer geen aanstoot aan te nemen. De „juffrouw" van den schout verscheen in het publiek met een „fontange" op het hoofd, een buitengewoon hoog kapsel met linten en strikken, waarmee de hertogin de Fontange in 1679(!) voor het eerst aan het Franse hof verschenen was. Maar de juffrouw beleefde er geen plezier van: er waren er, die haar om haar hoofd-„tooi" „smadelijk" bejegenden. De grieven, die men hier en daar nog tegen den schout had, zullen daar wel niet vreemd aan geweest zijn. En — degenen, die zich aan zulke onbetamelijkheden schuldig maakten, behoorden zeker niet tot de beste burgers. Dat de grieven tegen den schout volstrekt niet verdwenen waren, bleek op Zondag 11 juli, toen de predikant en een ouderling huisbezoek deden. Sommige leden verklaarden, met den schout niet aan het Avondmaal te kunnen zitten, voordat zij met hem verzoend waren; en dat betekende in hun mond blijkbaar: voordat hun recht gedaan was. Alle vermaning bleef daar vruchteloos. Met loden schoenen zullen de bezoekbroeders zich naar het huis van den schout hebben begeven, om hem, zijn vrouw, zijn zoon Jan en „de meid" ten Avondmaal te nodigen. Maar, zo zeggen de notulen, „we werden juijst niet al te eerbiedig gehoort: niet alleen, dat den schout, sittende een pijp tobak te rooken, den selven niet neder leijd, om ons te hooren; maar voer sonder eenige andere woorden in ongemene hevigheyt uijt, en smeet den pijp in toorne tegens de grond aan stuk." Nader bleek toen, dat de schout „verscheijdene beschuldigingen" had. en — „dat se sijn vrouw smadelijk behandelden". „Wie hebben dat gedaan?" vroeg de dominee. „Zijt gij alleen een vreemdeling in Jeruzalem?" was de wedervraag. 239


Toch noemde de schout enkele namen. Maar, voegde hij er aan toe, „ge zult het te laat beschreien." De beschuldigden, ook bezocht, gaven te kennen, dat ze den schout of zijn vrouw nooit beledigd hadden, en dat ze ook niet van plan waren, dat „ooit ofte ooit" te doen. In December iets dergelijks. De koster kwam toen bij Ds. De Bruijn met de boodschap van zijn moeder, dat Harmen Jans haar beledigd had. Dat liep uit op een verhoor en wederhoor voor den kerkeraad. Volgens de vrouw van den schout had Harm haar nageroepen: „Daar loopt de juffrouw met de fontansie!" Ook zou hij gezegd hebben: „Bent gij dronken en lust gij wel een soopje?" Harm erkende, alleen het eerste te hebben geroepen, maar het tweede niet. Toen werd Jacob Bartels binnengeroepen. Die getuigde, dat de juffrouw op de woorden van Harm geroepen had: „De juffrouw, die de fontansie dragen, zullen jou voor den duivel jagen!" Daarop had Jacob Bartels haar gevraagd: „Wat scheelt u, vrouwmens? Zijt gij dronken?" De juffrouw had toen nog geroepen: „Schorremorrie!" en er bij gevoegd: „Diefje en diefjesmaat!" Was het niet in-treurig? De kerkeraad oordeelde het niettemin een zaak „van weinig belang" en Harm Jansen beloofde beterschap. Ergerlijk was, wat Ds. De Bruijn in dezelfde vergadering meedeelde omtrent het gedrag van den schout in de kerk, voornamelijk dienzelfden morgen, maar ook vroeger reeds: lachen, een dreigende houding aannemen, uitlachen van den diaken met het zakje, het uitsteken van de tong tegen hem, enz. Laten we aannemen, dat de predikant geen behoefte heeft gevoeld om de feiten te verzachten, dan waren er ook nog de getuigenissen van anderen, nu en later. Ten einde raad besloot de kerkeraad met eenparige stemmen, den heer Van de Poll met het gedrag van den schout in kennis te stellen. Tevens zou dan geklaagd worden over de weerbarstigheid en brutaliteit van een der diaconie-armen (had men daarover al bij den schout geklaagd?) en over het niet uitbetalen door het landskantoor van de rente der obligatie, die de diakonie bezat. Voorzichtigheidshalve vroegen de dominee en een ouderling eerst nog advies bij een der predikanten in Enkhuizen. Deze raadde af, den heer in al die zaken te moeien: dat zou veel te lang duren. Daarop besloot de kerkeraad, over de niet uitbetaalde rente een request tot de heren Gecommitteerden te richten en te trachten, zelf den schout te vermanen. Toen Ds. De Bruijn en de twee ouderlingen zich hiertoe op Zondag 19 December ten huize van den schout vervoegden, kregen ze hem te spreken in een apart vertrek. Of het nu tactisch juist was van den dominee, om te beginnen met het voorlezen van de notulen, die melding maakten van het bezoek aan den schout op 11 Juli, dat valt te betwijfelen; maar op haar plaats was in ieder geval een vermaning over het gedrag van den schout in de kerk. 240


„Wat duivel nu nog?" barstte de schout daarop los en gaf den dominee een stomp in de borst, een manier van doen, die hij in dergelijke gevallen meer volgde. De broeders vonden uiteraard geen vrijheid, den schout tot het op 25 December te vieren Avondmaal te nodigen en wilden heengaan, „Gelooft gij mij niet?" vroeg toen de schout. „In dit geval niet," was het antwoord van den dominee, en men vertrok. Ook het jaar 1724 was van tweedracht vol. De houding van den schout werd er niet beter op, al kwamen er geen tonelen meer voor als vroeger, zeker ook al niet, omdat de koster, naar de preciese rekening van den dominee! 14i/2 week na zijn huwelijk (met Ede Klaassen) in de kerk al een kind liet dopen. De kerkeraad was er, ongetwijfeld uit vrees voor den schout, slechts met moeite toe te brengen, de schuldigen te vermanen. In 1725 werd nogeens in de notulen samengevat, wat de kerkeraad tegen den schout had. Het waren niet minder dan vijf beschuldigingen. 1. Hij had gezegd, wij zouden het allen te laat beschreien; 2. Bij 't huisbezoek had hij zich onredelijk aangesteld en den predikant zelfs met de vuist gestompt; 3. Hij vloekte en schold altoos tegen de broeders; 4. Hij kwam niet in de kerk en weigerde, voor den kerkeraad te verschijnen; 5. Hij legde allerlei lagen en listen, om niet alleen de politieke, maar ook de kerkelijke rust te verstoren. Op grond van dit alles zou men hem bij het huisbezoek overslaan. Maar zijn vrouw zou worden vermaand om haar verzuimen van het Avondmaal. Als de schout zich weer tot de classis wendde, zou de kerkeraad bij de behandeling van de zaak aanwezig zijn. Van een hernieuwde behandeling door de classis vermelden de notulen niets. Wel kan worden aangenomen, dat enkele aanhangers van den schout bij gelegenheid getracht hebben, althans tegenover de Enkhuizer predikanten de zaak op hun wijze voor te stellen, met het gevolg, dat bij de heren van de classis de vraag kon rijzen, of Ds. De Bruijn de lijn niet al te strak trok. Eén „helper" had de schout althans. Dat was de oud-burgemeester Geert Jacobs, gezegd Jakken Geert; maar Van hem geven de notulen zeker geen gunstig beeld: jaren achtereen verzuimde hij de kerk, en als men hem wilde bezoeken, vond men steeds zijn deur gesloten; hij had op Urk verteld, dat de heer Van de Poll den schout geprezen had als een eerlijk man, maar toen de burgemeesters de zaak onderzochten, bleek ze verzonnen; tenslotte had hij een Vollenhoofsen jongeman van diefstal beschuldigd, maar toen voor het gerecht de valsheid van de beschuldiging was aangetoond, was hij daarvoor beboet. Het gerecht hield soms des Zondags zitting. Dat was óf een overblijfsel uit den Roomsen tijd, óf het was ingevoerd, omdat de burgemeesters alleen des Zondags thuis waren. Ja, zelfs op Zondag waren de vissers soms afwezig. Het gebeurde wel, dat geen der beide diakens thuis waren, zodat de koster met het 241 16


zakje rond moest gaan. (Jm die reden en om net gestadig groeien van

de gemeente besloot de kerkeraad in 1725, het getal ouderlingen en het getal diakens van twee op drie te brengen. Of die uitbreiding niet tevens een poging was, om tegenover den schout sterker te staan? De schout was het er althans niet mee eens. Intussen — dit in het voorbijgaan — blijkt hier ook, dat het aantal vissers, dat zich een schuit had kunnen aanschaffen, om de Noordzee op te gaan, was toegenomen. Een andere maatregel van den kerkeraad, ook in 1725 genomen, hield wél verband met „de kwestie". Bij het doen van huisbezoek vóór het Avondmaal, immers viermaal per jaar, was het bijna regel, dat enkele leden zeiden, geen Avondmaal te kunnen vieren, omdat ze iets hadden tegen de burgerlijke rechters, vooral tegen den schout. Daarom werd besloten, alléén in het voor- en het najaar huisbezoek te doen en den vrijgekomen tijd te besteden, nu niet aan het houden van de „catechisatie", maar wel van een middagkerkdienst, waarin dan een algemene nodiging tot de leden zou uitgaan. Het schijnt, dat in dien kerkdienst de zgn. proef- of voorbereidingspredikatie werd gehouden. In de andere twee kwartalen werd, als tot nog toe, de tijd van den ,,catechisatie"-middagdienst voor huisbezoek vrij gehouden en tevens één of twee dagen vóór het Avondmaal de proefpreek gedaan. In het najaar van 1726 geven de notulen dit, enigszins gunstiger, beeld van den toestand: „Dewijie den schout, en desselfs huijsvrouw nu einige reijsen agter den anderen, meer dan voorheen in het gehoor van Gods Woord haar lieten vinden, en het den kerkeraad toescheen, dat se haar seden en gedrag anders dan voor dese ontrent de kerkeraad aanstelden, is besloten om ook wederom aan het huijs van den schout huijsbesoekinge te doen. Gelijk dan ook gedaan is". In datzelfde jaar huwde een Markense vrouw op Urk. Of haar komst en verblijf op Urk enigen invloed heeft gehad op het beroep, dat niet veel later op Ds. De Bruijn werd uitgebracht, weten we niet. Is het niet begrijpelijk, dat dat beroep werd aangenomen? Maar toen kwam de schout weer in actie. Hij beweerde, dat de magistraat behoorde gekend te worden bij het maken van een grostal voor de beroeping van een predikant. Gelukkig, dat Ds. De Bruijn er nog was, om den kerkeraad te weerhouden van het voldoen aan deze aanmatiging. Toch wilde men, om sterk te staan, eerst het advies van de classis vragen. Er was trouwens nog een tweede vraag aan de classis te doen. De kerkeraad wilde weten, of door een bericht in de ,Jïoekzaal" aan de proponenten kon worden bericht, dat er eiken Zaterdag een Urker schuit in Enkhuizen zou zijn, om de proponenten over te voeren, dewijl geen veerman op Urk voer." Ter verklaring van de laatste vraag zij opgemerkt, dat de „Boekzaal der geleerde Wereld" een in 1692 opgericht godgeleerd maand242


schrift was, dat in kerkelijke kringen veel lezers had. Tot 1863 heeft het bestaan. De notulen, waarin het bedoelde besluit aangetekend werd, werden door de beide ouderlingen (er was één vacature) en door twee der diakenen nog ondertekend met hun handmerk; de derde diaken ondertekende met zijn naam. Intussen zijn de twee vragen toch niet aan de classis voorgelegd, omdat de Enkhuizer predikanten, vooraf geraadpleegd, oordeelden, dat de kerkeraad in beide gevallen zelfstandig handelen kon. Of het den intrigerenden schout na het vertrek van Ds. De Bruijn toch niet gelukt is, invloed op de nominatie te oefenen, dat weten we niet. In de kerkeraadsvergaderingen van Zaterdag 8 Februari 1727, deden nog 2 personen belijdenis van hun geloof, en Zondag 9 Febr. nam Ds. De Bruijn afscheid van de gemeente met de woorden uit Deut. 30 vs. 19: „Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek. Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad". Geen enkele bijzonderheid wordt verder vermeld. Het is de laatste aantekening van Ds. De Bruijn in de notulen van Urk. Hij had in even 6 jaar 91 kinderen gedoopt en 30 huwelijken bevestigd. De proponent Nicolaas Ribbers te Purmerend werd in het laatst van April 1727 op Urk beroepen. De approbatie werd in den beroepsbrief aldus vermeld: „Onder approbatie van onsen Wel Ed. Gr. Agtb. Heer en Mr. Jan v. d. Poll, praesident burgemeester etc, etc. der stadt Amsterdam als Ambagtsheere van Urk, en onse magistraat, en des Eerw. Classis van Enkhuijsen". Tegenover de bredere vermelding van de beide andere instanties trekt de korte aanduiding „onse magistraat" de aandacht. Voor de magistraat was de approbatie getekend door den schout Anthonij van Dompzelaer en door Jan Snoek als burgemeester. Ze was „op verzoek" ook ondertekend door „J. van Dompzelaer secretaris". Op 1 juni, eersten Pinksterdag, bevestigde Ds. Lucas Leemaen van Grootebroek den jongen" leraar in het ambt met Spreuken 11 vs. 30b: „Wie zielen vangt, is wijs". Moeten we daarin niet een vermaning zien aan den bevestigde, om, anders dan Ds. De Bruijn, maar wat toe te geven ? Indien ja. dan dunkt mij die vermaning bij deze gelegenheid heel slecht geplaatst. Bij de intrede, den volgenden dag, preekte Ds. Ribbers over het roepen van Paulus door den Macedonischen man. Bij den aanvang van zijn dienst vond hij 2 ouderlingen (één was overleden) en 3 diakenen. Wel eigenaardig is het, dat de classis reeds op 12 Juni, „op het verzoek van de magistraat van Urk" „toestond", het getal kerkeraadsleden weer op 4 te brengen. „Toestond"? Was nu de kerkeraad in eens niet zelfstandig? Of stonden de Enkhuizer predikanten, die het best met de verhoudingen op Urk op de hoogte konden zijn, in 243


kun oordeel daarover aÜeen? In elk geval bezorgde de classis zo doende den schout een overwinning. En - Geert Jacobs (Jakken Geert) kwam weer in de kerk! Reeds Zondag 13 juli werd hjj weer ten Avondmaal genodigd! Was dat misschien een voorbeeld van de zielenvangende wijsheid? Ds. Ribbers bleef maar drie jaar op Urk. Van zijn ambtstijd is niets te vermelden, dan dat hij 39 kinderen doopte en 13 huwelijken bevestigde. Voor zijn vertrek naar Grosthuizen en Avenhorn preekte hij op Zondag 2 Juli 1730 afscheid met den tekst uit Hand. 20 vs. 31: ,J)aarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet opgehouden heb, een iegelijk met tranen te vermanen." Zouden er ook bij Ds. Ribbers, overdrachtelijk gesproken, onder zyn arbeid tranen zijn gevallen?

244


Ds. Daniël Weerman (1730-1780)

--Had Ds. De Bruijn het op Urk tegen het onverantwoordelijke optreden van den schout zes jaar en Ds. Ribbers het slechts drie jaar uitgehouden, Ds. Weerman heeft, ondanks alle woelingen van den schout en diens zoon, den schoolmeester, niet minder dan een halve eeuw standgehouden; en hij is daardoor het middel geweest, dat het, kerkelijke leven op Upk voor den ondergang bewaard is gebleven. Nog vóór de komst van Ds. Weerman had de schout tegenover den kerkeraad weer twee „overwinningen" behaald. Niet alleen de kerkeraad, maar ook de magistraat had naar den wens van den schout uit de gehoorde proponenten een tweetal gemaakt. En de kerkeraad schikte zich hierin. Op de beide tweetallen kwam de candidaat Daniël Weerman uit Donichem voor, zodat er door samenvoeging een drietal ontstond. Toen het op stemmen door de gemeente aan kwam, wist de schout bovendien door te drijven, dat de personen van de magistraat, evenals dat voor de leden van den kerkeraad reeds de gewoonte was, eerst stemden als leden van hun college, zodat ze twee stemmen uitbrachten. Daniël Weerman kreeg de meerderheid. Op 17 September 1730 tekenden de ouderlingen Willem Hendriks en Jacob Jansen en de diakenen Geert Jansen en Jacob Claassen den beroepsbrief, allen met hun naam. Merkwaardig is de vorm, waarin de heer Mr. J. van de Poll, zjjn approbatie omkleedde: „In hope en toewenschinge van Gods almagtige dierbaare segeninge over het gedaene beroep van den Eerw. Heer Daniël Weerman in de Christelijke gemeente tot Urk, so verklaere bij desen, het selvige beroep, als in den Naam van Haar Ed. Groot Agtb. de Heeren Burgemeesters en Regeerders der stad Amsterdam, Heere van Urk, mij wel te laten gevallen aengenaem te zijn, ten blijke dese ondergeschreven in Amsterdam den 23 Sept. 1730. J. v. d. Poll".

Hij was niet de enige, die, ook bij persoonlijke vroomheid, toch een tegenstander was van het huis van Oranje. Den volgenden dag approbeerde de magistraat het beroep: Anthony 245


van Dompzelaar als schout en Geert Japiks, Tijmen Alberts, Jan Snoek en Dubbele Pieters als burgemeesters. Geert Japiks alleen tekende nog met een handmerk. Indien deze Geert Japiks, wat ik vermoed, dezelfde is als Geert Jacobs, de ons bekende Jakken Geert, dan bleek ook hieruit, dat de invloed van den schout weer versterkt was. Ds. Verver van Andijk bevestigde op Zondag 3 December den nieuwen leraar in het ambt met den tekst: 1 Thess. 5 vs. 12 en 13a: „En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden en uw voorstanders zijn in den Here en u vermanen, en acht hen zeer veel in liefde om huns werks wil". Ds. Verver bekeek de gebeurtenissen op Urk blijkbaar anders dan de bevestiger van Ds. Ribbers gedaan had. Met een predikatie over 1 Cor. 2 vs. 1 en 2 verbond Ds. Weerman zich den Zondag daarop aan de gemeente. Het maken van kerkeraadsnotulen sinds 1711, ook al was het niet gebeurd in den officiëlen vorm, waarin wij het gewoon zijn, wierp nu reeds zijn nut af. Het doorlezen van de daarin weergegeven historie van de laatste jaren bracht Ds. Weerman blijkbaar tot de overtuiging, dat de invloed van de magistraat in kerkelijke zaken diende te worden ingeperkt. Zo werd allereerst het besluit van de classis, waarbij zij drie jaar geleden „goedgevonden", misschien beter: zich er bij neergelegd had, om op verzoek van de magistraat van Urk, het getal kerkeraadsleden hier weer van zes op vier te brengen, bij de verkiezing op 31 Jan. 1731 practisch te niet gedaan, doordat de kerkeraad toen aan de twee aftredenden verzocht, om nog een jaar hun plaats in de kerkeraadsbanken te blijven bezetten, „gelijk voorheen meermaals gebruikelijk was". Daar kon de schout niets tegen doen. Ik moet hier even een opmerking maken. Het schijnt mij toe, dat het hier bedoelde kerkelijke gebruik ontleend is aan een gewoonte, die bij de burgerlijke regering reeds vóór de Reformatie in zwang was. Immers, wanneer de schepenen een rechtszaak niet „klaren" konden, riepen zij er de schepenen van het vorig jaar bij. Deze bleven zodoende een jaar lang semi-ambtelijk. Welnu, onwillekeurig werd deze voorstelling overgeplant op kerkelijk erf. Ook daar zag men de pas afgetreden kerkeraadsleden als niet geheel los van het ambt. Dat zo iets nog heel lang kan nawerken, zelfs bij een verandering van de kerkelijke toestanden, toonde het gebruik in de Christelijke Gereformeerde gemeente, sinds 1892 „Gereformeerde kerk" van Urk. Daar kregen de pas afgetreden kerkeraadsleden een plaats vlak achter de bank van de ouderlingen en diakenen. Ik heb meermalen gezien, dat een „oud-diaken", bij een ogenblikkelijk tekort aan collecteerders, even over de bank heenwipte, om mee te helpen. Zo iets werd heel gewoon gevonden. Stap voor stap ging Ds. Weerman verder. Zo werd naar de eerstvolgende vergadering van de classis niet alleen de dominee en een ouderling, maar ook de afgetreden ouderling afgevaardigd. 246


Dat wierp voor diezelfde classis-vergadering nog een practisch voordeel af. Ds. Weerman bracht er nl. een nieuwe aanmatiging van den schout ter sprake, waarbij de kerkeraad zich in de jongste vacature neergelegd had. Hij vroeg aan de classis, wie in een vacature bij den Heer handopening en approbatie had te vragen, „de kerkeraadspersonen of de schout". De classis antwoordde terecht dat alle kerkelijke zaken „voortaan"' kerkelijk moesten behandeld worden en dat in een vacature de „tijdelijke of regerende" kerkeraadsleden aan den Heer handopening en daarna approbatie dienden te vragen, mits de kerkeraad darvoor ook de kosten droeg. De classis „gelastte" zelfs Ds, Weerman, om deze resolutie „in dit ons kerkenboek te stellen". Het rapport omtrent die classisvergadering werd uitgebracht in een vergadering van den kerkeraad, waarin ook „de oude kerkeraadspersonen" tegenwoordig waren. Ook daar kon de schout niets tegen doen. Onder handopening verstond men de vergunning om te beroepen. Die vergunning moest gevraagd worden, omdat men zelf niet voor het traktement zorgde. In vrije kerken, die zelf de traktementen opbrengen, kan er natuurlijk van het vragen van handopening geen sprake zijn. Had Ds. De Bruijn, gelijk we weten, veel moeite gehad met de aanmatigingen van den schout, de oppositie scheen nu overgenomen te worden door diens zoon, den koster-voorzanger-schoolmeester Jan van Dompzelaer. Het register van dezen woelgeest kwam er, zo mogelijk, nog heel wat donkerder uit te zien, dan dat van zijn vader. Na de vermelding van het Heilig Avondmaal op 6 Juli 1732, werd in het notulenboek deze bijzonderheid opgetekend: „Wanneer 's na de middags bij 't openen van de kerk bos eenig bekent geld vermist wordende, bevonden wierd, dat het slot subtijlijk mank geslagen was; en werd des donderdags daar aen volgende wederom een swartgemaeckte gulden in de bos bevonden". Blijkbaar dezelfde gulden, die vermist was, maar nu zwart gemaakt ! Op den rand van de bladzijde werd er nog dit aan toegevoegd: „Dit heeft de Eerw. kerkeraad vervolgens geoordeeld pro memoria hier op sijn plaats in te voegen en kortelijks op te teekenen; en het breeder relaas daarvan bij den predikant te bewaren. Pastor D. Weerman". Dat deze zaak in den kleinen kring der ingewijden veel beroering heeft verwekt, blijkt wel daaruit, dat één van de toenmalige diakens het nog 14 jaar later, toen hij tot het college van burgemeesters behoorde, nodig heeft geacht, van datzelfde feit bij het gerecht een brede verklaring in te leveren. Uit dat stuk. nog te vinden in de meer genoemde collectie Van 247


Sijpestein, blijkt dat Ds. Weerman op goeden grond den koster van het feit verdacht. De koster, dat wetende, wreekte zich. Hij wist zijn vader en deze weer onder verschillende voorwendsels de magistraat te bewegen, om de plaatselijke toelage bij het traktement van den predikant met 25 gulden te verminderen! De magistraat zond aan de classis een „met redenen omkleed" bericht van die vermindering. De classis besloot daarop, Ds. Weerman te vergunnen, zich schriftelijk te beklagen. De daarvoor door Ds. Weerman opgestelde brief werd door den kerkeraad overgenomen. Toch is het niet gelukt, althans de eerste jaren niet, om het besluit van de magistraat te doen intrekken. Intussen ging de kerkeraad onder leiding van Ds. Weerman voort, met over verschillende afwijkingen in de gemeente de tucht te oefenen; en meermalen kon in de notulen worden vermeld, dat de gecensureerden gekomen waren tot betuiging en betoning van berouw. Ds. Weerman bewoonde nog altoos de in 1629 voor Ds. Salebien gebouwde pastorie, die, zoals we weten stond ten zuiden van de plaats, waar de ingestorte kerk had gestaan. In 1723 was de pastorie in eigendom en dus ook voor het onderhoud overgedragen aan de burgerlijke gemeente; maar nu was er geen repareren meer aan. De kerkeraad had nog eenmaal „raad en hulp" aan de classis gevraagd „tot reparatie van dese pastorie", maar dat zou weggegooid geld zijn geweest. Trouwens, ook om de plaats, waar het huis stond, moest er nodig een nieuw komen. En dat is er gekomen ook, ondanks de oppositie van den koster. Zelfs zijn vader luisterde ditmaal niet naar hem: die had in dit geval zijn eigen ambities. In 1736 is een pastorie „van nieuws opgetimmert" op de plaats, die de oudste bewoners van Urk zich thans nog herinneren. Zij hebben haar nog als pastorie gekend, maar sinds is ze tot kleinere woningen omgebouwd. De magistraat van Urk heeft zich blijkbaar bijzonder beijverd, dat er een nieuwe pastorie kwam. Wie weet, heeft de schout zelf niet flink in de beurs getast! Er zal voorts een buitengewone bijdrage van de ingezetenen zijn gevraagd en in het bijzonder steun zijn gezocht bij de stad Amsterdam en bij den Heer persoonlijk. En zo kon Ds. Weerman weldra zijn nieuwe woning intrekken. De meerdere geriefelijkheden, die zij boven het oude en sinds door de golven overspoelde huis bood, kwamen hem en zijn vrouw Gerhardina Donker met hun groeiend gezin goed te pas. Toch was het naar onze begrippen een zeer eenvoudig gebouw, al stonden er twee schoorstenen op. De „W.C." was buitenshuis; maar de zolder kreeg tenminste licht door een glasraam. In den voorgevel, naar de kerk ziende, was een steen ingemetseld met dit inschrift: 248


Anthony van Dompzelaar, Schout en Burgermeesteren Hendrik Claassen Jelle Meindersz Willem Pietersz Albert Pietersz Anno MDCCXXXVI Bij een latere verplaatsing van den steen is het jaartal er afgebroken. Men kan hem nu vinden aan de noordzijde van het gebouw. Het is overigens zeer merkwaardig, dat Ds. Weerman, die zo veel optekende in het notulenboek, met geen woord van de nieuwe pastorie melding maakt. Ligt daarin niet een oordel uitgesproken over de wijze, waarop, of de omstandigheden, waaronder ze tot stand gekomen was ? Het dorp breidde zich langzamerhand oostwaarts uit. Het kreeg een gerekten vorm, waarvan men zelfs thans nog in de zogenaamde benedenbuurt de blijken kan waarnemen. Evenals van de verlaten pastorie is ook van de in haar omgeving staande huisjes de plaats door de zee overspoeld. Behalve in de toen ontstane benedenbuurt stonden er op de plaats van het huidige dorp nog geen huizen. Daar was alles nog bouw- en grasland, het laatste het meest. Als we de resten van de toen pas gebouwde huisjes zien, maken ze bepaald een armelijken indruk. En toch waren ze bij hun bouw al weer heel wat steviger en geriefelijker, dan de verlaten woningen. Er waren reeds veel huisjes met (nog zeer lage) bakstenen zijmuren. De meeste voor- en achtergevels waren nog van hout, dus van de grond af; maar van enkele was ook de onderste helft van den steeds aan den zuidkant staanden voorgevel van steen en daarin een of twee vaste glasvenstertjes en een onder- en bovendeur. In het bovenste, driehoekige deel van den voorgevel was een venster („vienster"), dat met een luik kon worden gesloten en waardoor de netten tegen den winter „op den balk" werden gebracht, om ze aan de spanten van het rieten dak op te hangen. Pannen daken waren nog een uitzondering en schoorstenen nog een weelde. Omdat de huisjes nu op de noordelijke afhelling van den Berg werden bijgebouwd (in de richting van hetgeen later „de Prikkel" zou worden genoemd), was er minder gevaar voor overstroming en daardoor kon ook met minder bezwaar de vloer een of twee voeten lager worden gelegd dan de begane grond. De meeste huisjes hadden nog maar één vertrek en geen achterdeur. Aan den zuidkant van het vertrek, onder de raampjes, was nog steeds de stookplaats. Onder het vuur op de ijzeren haardplaat was „de kolk" voor de as. Aan den „haolhaak" (,aol'aak) boven de kolk hing steeds een pot of ketel. Ben staande ijzeren plaat beschermde den voorwand tegen al te grote hitte. Als brandstof gebruikten de weigestelden turf, die tegen den win249


ter op den „balk" „geloegd" werd en waarvan, evenals van het aangevoerde bier, een plaatselijke belasting geheven werd. Wie het zuiniger moest aanleggen, behielp zich met uit zee of aan het strand opgevist hout, en bij gebrek hieraan werden wel gedroogde mestplaggen gebruikt. Het gebruik van rode of blauwe vloertegels nam toe. Voor de bedsteden, tegen een der zijwanden en gedeeltelijk onder het dak gebouwd, stond de beddebank, aan den voorkant uitgesneden en meestal lichtblauw met rood geverfd. Voor de bedsteden hingen donkere saaien gordijnen. Schoof men die op zijde, dan zag men achter de los ingeschoven en soms schuin gezette „besplank" (bedsplank) het hoog opgemaakte bed met rood of blauw geruite slopen om de kus ■ sens. Op of onder de ,,besplank" las men soms een kort rijmpje, als b.v.: „Gelukkig is de mensch, die als hij gaat naar bed, Zijn rekening met God op effen paden zet". Een dergelijk rijmpje zag men tot in het begin der 20-ste eeuw ook wel voor de beide ingangen van de kooi in de schuiten of achter in de schuiten op het ,,'ussien" (huisje), een kleine bergruimte vlak voor het roer. Ik herinner mij nog, wel gelezen te hebben: „O Heer, stuur Gij dit schuitje recht, En maakt de schipper uwe knecht". Maar we keren naar huis terug. Tussen de bedsteden hing vaak een glazen pronkkastje met „mooie kommetjes", later met „paortjes theegoed". Tegenover de bedsteden of tegen den achterwand zag men bij weigestelden „de kesse" staan, een kabinet van zwaar, soms gebeeldhouwd eikenhout, waarin de Zondagse kledij, het bedde- en ondergoed en de kerkboeken geborgen werden. Wie lezen kon en wilde laten zien, wat zijn levenskompas was (of behoorde te zijn), vergat bij de meubeling van zijn huis niet een lessenaar met een Statenbijbel. De stoelen van het nog wel bekende rechte model hadden een houten of biezen zitting en ruwe poten. De wit geschuurde of geverfde tafel met uitstaande poten stond voor den haard. In een groeiend gezin ontbrak natuurlijk ook niet de houten of — iets voornamer! — pitrieten schommelwieg op houten onderstel. Een touw, van een wiegpoot naar den balk en van daar weer naar beneden lopende, gaf de moeder de gelegenheid, de wieg in schommelende beweging te brengen, ook al was ze in het achterste deel der woning. Bij de wieg hoorde natuurlijk ook de kinderstoel, steeds van' denzelfden vorm, en op Urk heel triviaal, maar toch ook heel gewoon, de „kasstoel" genoemd, een naam, dien ik niet verduidelijken zal. De uitgesneden kerkstoof met koperen hengsel, die in koude tijden door de vrouw des huizes met haar zwaar kerkboek meegedragen werd, hing „door de week" te pronk aan den balk. Een pronkstuk was ook vaak de sierlijk uitgesneden mangelplank, waarop de vrouw met behulp van een stoelsport heel handig de beddelakens mangelen en oprollen kon. Het uitsnijden van hout schijnt al heel lang een geliefde vorm van huisvlijt te zijn geweest. Brilledoosjes en breikokers werden heel kunstig uitgesneden. Het tegenwoordig niet 250


meer gebruikt spinnewiel (ik heb op Urk een vrouw gekend, die het nog wél gebruikte om wol van het eigen schaap te spinnen) behoorde in de 18e eeuw mede tot de onontbeerlijke uitrusting van de nette huisvrouw. Een koperen tuitlamp met „patentolie" brandend, wierp 's avonds in het vertrek een twijfelachtig licht. Al met al heb ik van dergelijke, in mijn jeugd (tussen 1870 en '80) reeds zeldzaam geworden interieurtjes allergezelligste herinneringen overgehouden. De huizen met een pannendak hadden ook een regenbak met den mond buiten, of achter in het betrekkelijk ruim woonvertrek. Zelden werden de huizen tegen elkaar gebouwd: er was minstens een „ginkien" tussen, soms wel een „glop". De laatst overgeblevene van dit type huizen vond men tegen het einde van de 19e eeuw nog op Urk. Als 15-jarige jongen heb ik er een paar geschetst. Natuurlijk waren de huizen van den schout, den predikant, den schoolmeester en nog enkele notabelen meer of minder royaal gebouwd. Een afzonderlijk gemeentehuis en een schoolgebouw had men nog niet. „Het gerecht" kwam samen in het schoutshuis, en de meester hield school in de kerk. Bij de verponding in 1749 telde men op Urk 63 huizen. Er werd toen bepaald, dat aan „het land" jaarlijks 1000 gulden moest worden opgebracht. voor het onderhoud der dijken ƒ 300,— voor het veer ƒ 300,— tot het predikantstraktement ƒ 100,— voor de vroedvrouw ƒ 100,— voor den schoolmeester ƒ 200,— In de regeling van de financiële verhouding tussen „het land" en het eiland was dus enige verandering gekomen. Voor het onderhoud der waterkeringen en voor „het veer" werd voorheen niet betaald. Op het veer kom ik zo terug. De plaatselijke bijdrage tot het predikantstraktement werd nu niet langer aan den predikant zelf betaald, maar moest ten kantore te Enkhuizen worden gestort, evenals de vaste toelage voor de vroedvrouw en den schoolmeester. De vroedvrouw ontving bovendien nog zekere vergoeding van de geholpenen en de schoolmeester zijn schoolgeld. Het water in de ongeveer 20 putten was volgens J. Wagenaar bruingeel en wat brak. De veenbodem en de zee oefenden dus enige invloed. Het peil was afhankelijk van den regenval. De put op den Berg bij den vuurtoren gaf voldoende en helder water. Het putwater werd niet voor drinkwater gebruikt. Vroeger waren de wanden van de putten met veenbrokken bezet, maar nu waren ze met stenen „belaagd". De schuiten waren iets groter geworden: er gingen er meer de Noordzee op. Ze hadden zwaarden en een roer. Ook het model was veranderd. Vroeger hadden ze den vorm van de kaag. Wanneer men van de „schuit" het gedeelte boven het berghout wegdenkt, heeft men 251


een voorstelling van de vroegere kaag. De vooral op Emmeloord voor de vrachtvaart gebruikte kaag werd, om meer laadruimte te krijgen, van een hergfhout voorzien; daarboven werd dan het boeisel (op Urk zegt men boegsel) getimmerd. Daar dergelijke schuiten zeewaardiger waren, dan de eigenlijke kaag, kwamen ze op Urk in gebruik voor de Noordzeevisserij. Hiervoor zijn ze, langzaam nog iets groter wordend, gebruikt tot het begin der 20ste eeuw. Voor de Zuiderzeevisserij bleef intussen het kaagmodel nog in gebruik. Omstreeks 1750 is sprake van een schuit voor 150 gulden. Dat moet wel een van de kleinere zijn geweest. In de Zuiderzee ving men haring, bot en „ansoop", in de Noordzee kabeljauw, schelvis, tarbot, schol en tong. De 40 a 50 schuiten hadden een ligplaats op de rede in het Hop tussen den Staart en het Wierhoofd, ook wel Grote Hoofd genoemd. Ze werden niet meer op de kust gezet, zoals vroeger wel, maar bleven voor anker liggen. Drie veerschuitjes voeren heen en weer tussen het Grote Hoofd en de schuiten, om de vissers aan boord te brengen en van boord te halen. De veerschuitjes waren het eigendom van de gemeente, maar ,,het land" zorgde voor de bediening. Daarvoor bracht Urk jaarlijks 300 gulden op. Er was ook nog een Opscheepshoofd of Turfhoofd. Dat lag vermoedelijk op de plaats, waar nu de oost-havendam is. Daar losten de turfschepen. Ook de koffen, die de vrachtvaart met den vasten wal, meest met Kampen, onderhielden, lagen daar aan. Tussen het Grote Hoofd en het Turfhoofd lag nog het niet meer gebruikte Oude Hoofd. De kuststrook tussen het Turfhoofd en het Oude Hoofd noemde men het Kleine Klif. Het was de meest oostelijke uitloper van „het hoge land", waar toen geen laag land meer voor lag. In de nabijheid stond het taanhuisje van een zeilmakerij. Men sprak toen van het Grote of Hoge Klif. Dat was de hoge en steile kust zuidwaarts van de plaats, waar nu de vuurturen staat. De top van den Berg strekte zich toen nog een eind naar het zuiden uit. Het gedeelte van het eiland, waar de vuurtoren stond, noemde men toen Barneinde. De vuurtoren had nog den gebruikelijken vierkanten vorm. Er naast stond de kolenloods, waarin de brandstof voor het torenvuur bewaard werd. Een haven of een scheepswerf had Urk nog niet. In Enkhuizen gingen de schuiten meest op de werf. Ook werd het bij het groter worden der schuiten veiliger geacht, om ze 's winters in Enkhuizen op te leggen. Bij ijsgang en hevigen storm lagen ze in het Hop niet veilig genoeg. De kerkelijke notulen tonen, dat de jaren na den pastoriebouw (1736) rijk aan gebeurtenissen zijn geweest. Ik begin met wat „klein goed", dat zeker ook zijn waarde heeft. Onder Ds.Weerman was de gewoonte ingevoerd, om de kerkelijke verkiezingen door het lot te doen beslissen. De kerkeraad stelde voor 252


èen vacature een tweetai en wierp dan het lot. Men ontleende dat aan Hand. 1 : 23-26, maar had er geen erg in, dat het daar ging om het aanvullen van de ledige apostelplaats, en dat later ouderlingen verkozen werden met het opsteken der handen, dus door de gemeente. De in Januari 1737 gekozen diaken kreeg na „aanhoudend verzoek" gedaan, dat de kerkeraad een voor de diakenen niet onbelangrijk besluit nam. Een van de twee diakenen ging n.1. bij pas aangekomen vissers- en turfschepen langs om een gave voor de diakonie. Het ontvangene stak hij dan voorlopig in zijn „diezek". Van het boosaardig gepraat dat daarover soms rondging, wilde de bedoelde diaken niet het mikpunt zijn, en daarom verzocht hij voor dien rondgang een gesloten bus. Na veel tegenstribbelen werd daartoe besloten, „om alle quaede gedagten weg te nemen". In hetzelfde jaar kwam bij den kerkeraad een klacht in van de classis, dat er op haar vergaderingen zo vaak afgevaardigden van de „eilandskerken" ontbraken. De classis had besloten, dat de predikant en de ouderlingen van die kerken minstens eenmaal 's jaars op de vergadering moesten zijn „op verbeurte van een ducaton voor de classicale beurs". Op verzoek werd het rondschrijven doorgezonden naar Oost-Vlieland. Twee jaar later werden Ds. Weerman en een van de ouderlingen van Urk door de classis afgevaardigd naar de in Juli te houden synode van Noord-Holland. De ouderling, Jacob Claassen, had weinig moeite, om den kerkeraad duidelijk te maken, dat de door hem te maken kosten meer zouden bedragen dan de uit de diakonale kas te betalen vergoeding : hij moest op zijn schuit een plaatsvervanger stellen. Met approbatie van de magistraat besloot de kerkeraad toen, dat de meerdere kosten vergoed zouden worden uit „de kerken bos", die onder beheer van de kerkmeesters stond. In 1740 besloot de kerkeraad, den predikant bij classisbezoek uit de diakoniekas te vergoeden: 4 gulden, om een „gevaar" te kunnen huren en een gulden voor de vertering, waarbij 2 nachten logies. De meegaande ouderling ontving ook een gulden voor zijn vertering. Tegelijk werd vastgesteld, dat een predikant van elders, die op Urk moest preken, gehaald en weggebracht zou worden. Hij zou 3 gulden voor elke preek ontvangen en vrij logies genieten. Was er een predikantsweduwe, dan zou hij daar van Vrijdag tot Maandag logeren en, zo nodig, verder logies hebben voor rekening van de diakonale kan, de enige kas, waarover de kerkeraad zeggenschap had. Alles ging heel eenvoudig, maar ook heel secuur. Drie weesjongens, Jelle, Eldert en Kleine Roei (zo was hij gedoopt!) waren voor rekening van de diakonie ergens besteed. Jelle en Eldert kregen op hun verzoek toestemming, om voortaan voor zich zelf en voor den 16-jarigen Kleine Roei te zorgen. Maar de kerkeraad stelde daarbij drie voorwaarden: tot hun volle meerderjarigheid zouden ze onder direct toezicht van den kerkeraad blijven; zo ras mogelijk zouden ze komen tot belijdenis des geloofs ter aanvaarding van hun doopsbelofte, en ze zouden niet trouwen buiten de Gereformeerde 253


religie en niet zonder goedvinden van den kerkeraad. Met bevestiging door handdruk namen ze dat aan in presentie van magistraat en kerkeraad. Was het niet kostelijk? Gelijk we telkens weer kunnen bemerken, was Ds. Weerman iemand van zuivere lijn, en ook daardoor, en daardoor vooral, was hij voor Urk ten zegen, bijzonder in een tijd van allerlei afwijking. Zelfs in het beschikken over de diakonale kas was de kerkeraad niet vrij: soms moest hij zich eerst vergewissen van de goedkeuring van de kerkmeesters; en die hadden toch in feite geen kerkelijk ambt. Eens vroeg de kerkeraad aan de kerkmeesters, of de diakonie tegen den winter 8 zakken rogge en 2 zak meel op kon leggen. Die waren voor uitdeling aan de armen bestemd. Van aardappels was natuurlijk geen sprake, want die waren als volksvoeding nog onbekend. De kerkmeesters maakten geen bezwaar. Ook niet, om toestemming te geven, dat aan twee broeders uit de diakonale kas 150 gulden zou worden geleend voor het kopen van een nieuwe schuit. Hier blijkt weer opnieuw, ook bij de hogere waarde van het geld, dat de schuiten nog van een heel kleine maat moeten zijn geweest. Een derde vraag gaf enige moeite. Ook bij de kerkmeesters met hun weinige en geringe posten van ontvangst, was schraalhans vaak keukenmeester. Er werd n.1. in de kerk niet voor hun kas gecollecteerd; de collecten waren alleen voor de diakonie. Daarom hadden de kerkmeesters aan den kerkeraad gevraagd, of er althans in „de catechisatie" (den Zondagmiddagdienst) voor de kerkekas kon worden gecollecteerd. Maar omdat diakenen de opbrengst hiervan niet konden missen, was daaraan niet voldaan. En toen hadden de kerkmeesters weer geweigerd, voor de catechisatie en voor den avonddienst kaarsen te geven. Maar hoe moet het dan met de kerkverlichting ? vroeg de kerkeraad aan de kerkmeesters. Gelukkig kwam men toen tot bemiddeling : de kerkmeesters zagen af van hun oorspronkelijke eis, dat ook 's avonds voor hun kas zou worden gecollecteerd, en de kerkeraad stond de middagcollecte af voor de kerkekas. Men behoefde nu verder niet in het donker te zitten. Thans krijgen we de voortzetting van de tragedie, waarin nu al de derde predikant betrokken was. In den herfst van 1739 waren op een „vriendschapsbezoek" bij den schout aanwezig: Ds. Weerman, „de meester", tevens „substituutschout" Jan van Dompzelaer, Jelle Meinderts, „president-burgemeester", nóg een burgemeester en Gerrit Gerrits, de timmerman. De laatste voer plotseling met scheldwoorden uit tegen Ds. Weerman en noemde hem een leugenaar. De dominee weerlegde kalm zijn beweringen, en Jelle Meinderts voegde er nog wat aan toe. Bij 't afscheid nemen reikte Ds. Weerman den timmerman nog de hand. Dat zo iets in het huis van den schout en in zijn tegenwoordigheid kon gebeuren, toont wel, dat zijn houding ook tegenover dezen predikant niet al te vriendschappelijk was. Ook daarna ging de timmerman nog door met het tonen van zijn 254


vijandschap tegen den dominee, maar deze, nog op verbetering hopende, stelde er eerst tegen het Paasavondmaal van 1740 den kerkeraad officieel mede in kennis. De kerkeraad wilde toen al Gerrit Gerrits van het avondmaal weren, maar Ds. Weerman raadde aan, eerst nog te zien, hoe hij zich bij 't huisbezoek gedragen zou. En — bij 't huisbezoek was de man niet thuis ........ Twee jaar later evenwel betuigde hij tegenover den dominee zijn leedwezen. Niet minder dan zijn vader voelde de koster-schoolmeester-voorzanger zich een autoriteit in de kleine dorpsgemeenschap. Maar was hij niet tevens secretaris van de burgerlijke gemeente en zelfs onderschout ? Duidelijk bleek dat in een brief, dien hij 23 Mei 1741 „op last van de geregtelijke vergadering op 't Eijland Urk" aan de burgemeesters van Amsterdam zond. De storm van 29 en 30 april n.I. had aan de kustversterking op Urk meer schade gedaan, dan „in de laatst verlopen tien jaar". De beschoeiing aan den westkant was zo verzwakt, dat de huizen in de nabijheid in gevaar gekomen waren, om in te storten. Het is my hier evenwel om dien brief te doen. Dat „op last" kwam den schrijver te pas: nu kon hij den brief ondertekenen als „substituutschout en secretaris". De appel viel ook hier niet ver van den stam, want bij zijn vader, die den leeftijd der zeer sterken reeds bereikt had, scheen de eigenwaan met het klimmen der jaren nog gegroeid te zijn. Onverzwakt was het nog zijn streven, om practisch ook schout in de kerk te zijn. Zo was zekere Marretje Cornelissen in 1742 onder de kerkelijke censuur geplaatst. Toen Ds. Weerman haar ten huize van den bedaag den Jan Snoek ontmoette, had hij haar nog eens ernstig vermaand. Maar in haar boosheid was ze zich gaan beklagen bij ....... den schout. Op Zondag 23 December deelde de dominee den kerkeraad mede, dat hij met den kerkeraad door de regenten ter verantwoording geroepen was over de genoemde censuur. Is het niet ongelooflijk ? Onder protest zou de kerkeraad des middags, als het gerecht zitting had, gaan. Ofschoon het recht tot den oproep ontkennende, betuigde Ds. Weerman tegenover schout en regenten de bedoeling van den kerkeraad, om in vriendschap te handelen, en daarom gaf hij de redenen aan, die tot de censuur van Marretje hadden geleid. Die inderdaad verregaande toegeeflijkheid van den kerkeraad maakte den schout overmoedig: regenten wilden ook de vrouw „horen". Het protest van den kerkeraad baatte niet, en Marretje werd gehaald. Zij beweerde, dat Ds. Weerman haar „schoelje" zou hebben gescholden. Ds. Weerman weersprak dat en eiste nu, dat ook Jan Snoek en zijn vrouw als getuigen zouden worden geroepen. Ook dezen weerspraken beslist de beschuldiging van Marretje en zeiden, voor het optreden van den dominee allen lof te hebben. 255


„Wal nu?" vroeg de dominee met ontroering. „Ik geef de zaak verder in Gods handen!" Toen ging de kerkeraad heen. De beschaamde regenten gaven toen Marretje den raad, om zich aan den kerkeraad te onderwerpen ...... Toen ze een half jaar later voor den kerkeraad geroepen werd, kwam ze inderdaad. Ze beleed haar schuld en werd van de censuur ontheven. Op Urk was nu, althans formeel, het doel bereikt, dat de classen Enkhuizen en Kampen zich ruim een eeuw geleden gesteld hadden: heel de kerk en heel het volk te brengen tot reformatie. Maar in de practijk bleek, ook op Urk, dat niet al Israël was, wat Israël heette. Er waren er, die alleen uit sleur hun kerkgang deden en bij wie de levenstoon niet beheerst werd door het week aan week gepredikte Woord. In gezinnen waar het zo gesteld was, werd in het hart en in de gedragingen van de kinderen niet die eerbied gekweekt, die elke Christelijke godsdienstoefening behoort te kenmerken. Op gezinnen, waar het aldus toeging, oefende de houding van den schout en van de magistraat onder leiding van den schout tegenover den kerkeraad en met name tegenover den predikant, zeker geen gunstigen invloed. En dan was er nog de boosaardige stokerij van den koster ...... Enkele opgeschoten jongens achter in de kerk gedroegen zich soms hinderlijk en ergerlijk. Dit kwaad werd tenslotte zo erg, dat de kerkeraad het nodig achtte, den post van hondenslager in te stellen. Uit den voor-reformatorischen tijd was dat baantje reeds bekend, en ook na de Reformatie had men in verschillende plaatsen tot wederinvoering moeten overgaan, zodat het op Urk geen nieuwigheid was. Maar in zo'n kleine kerk had het toch zeker niet nodig moeten zijn. De eerste ordebewaarder op Urk was „de jongen van Grubbelt Louwsen, zullende daarvoor genieten een nieuw pak 's jaarlijks". In Januari 1743 begon hij zijn werk, een kleine, maar droeve bladzijde in Urks geschiedenis. Bij de rondvraag op een classisvergadering in 1745 vestigde Ds. Weerman de aandacht op de onderscheiden wijzen van beroeping, die op Urk gevolgd waren, nadat de gemeente zelve dat werk had gedaan. In het bijzonder wees hij op het tweetal, waarmede in 1730 de magistraat voor den dag gekomen en dat toen om des vredes wille door den kerkeraad aanvaard was. De classis verzocht toen, over die zaak een schriftelijk rapport op te stellen en dat te zenden aan de deputaten, die de classis op de komende provinciale synode zouden vertegenwoordigen. Dan kon de synode oordelen. Aldus gebeurde. Aan de hand van de notulen kon Ds. Weerman dat rapport gemakkelijk opstellen. De 256


synode oordeelde, dat de magistraat in 1730 zich ten onrechte in het beroepingswerk gemengd had. Indien de schout er van gehoord heeft, en dat valt haast niet te betwijfelen, dan zal hem dat tegenover Ds. Weerman zeker niet milder hebben gestemd. In de eerste dagen van 1746 overleed de Heer van Urk en Emmeloord, de heer J. van de Poll. Op 1 Februari werd hij opgevolgd door Mr. Wiïlem Munter. In denzelfden tijd begonnen zich op Urk uiterst droeve dingen af te spelen, waarvan Jan van Dompzelaer onder directe en indirecte medewerking van zijn vader, den bijna 80-jarigen schout, het middelpunt was. De toen ongeveer 50-jarige koster was iemand met, zoals men dat noemt, een slecht karakter. Daarbij had hij, en dat maakte hem te gevaarlijker, een zeer veranderlijke natuur: het ene ogenblik kon hij als een dolzinnige schelden en tieren, en even later, als hij zich in de engte gedreven zag, kon hij zijn zonden bekennen en beterschap beloven, om soms kort daarna weer alles te loochenen. Als we de voor en na tegen hem aangevoerde beschuldigingen samenlezen, komen we tot deze lijst: hij en de zijnen hadden den predikant van 't begin af tegengestaan en gehinderd; hij zocht twist te zaaien tussen magistraat en kerkeraad; hij wou over den kerkeraad schout spelen en onderwierp zich als koster en schoolmeester niet aan den kerkeraad; hij nam dubbel schoolgeld voor zogenaamd dubbel opzeggen en was den halven tijd niet in school; den predikant en diens vrouw had hij meermalen kwaadaardig bejegend; eenmaal had hij den dominee met een opgeraapte „lengen" gedreigd; hij hitste zijn familieleden en andere ingezetenen op tegen den kerkeraad en sprak kwaad van den predikant zelfs tegen vreemde schepelingen ; hij had een „oneerbare conversatie" gehad met een gehuwde vrouw en ontuchtige handelingen met schoolmeisjes gepleegd ...... In het voorjaar van 1746 werd hem de toegang tot het Avondmaal ontzegd. Hij ging toen „raad" halen bij Ds. Van Eyken te Enkhuizen. Die raadde hem, een schriftelijke verdediging in te dienen. In de meer genoemde collectie Van Sypesteyn is die nog aanwezig. Ze gelijkt veel op een bekentenis van schuld. Het ging voornamelijk over hetgeen door den kerkeraad „oneerbare conversatie" was genoemd. Zo min als die gang naar Enkhuizen baatte hem ook het dreigement, dat hij den kerkeraad bij de burgemeesters zou aanklagen. Eenmaal liet hij zich ontvallen: „bij mijn burgemeesters". Toen voelde hg zich substituut-schout. De kerkeraad liet zich evenwel geen vrees aanjagen en bleef vermanen ; maar de koster „bleef hardnekkig en toonde zich onverbeterlijk" 257 17


Op Zaterdag 6 Augustus bracht Mr. Munter, de nieuwe Heer, een

bezoek aan Urk. De reden daarvan wil ik even vertellen. Het verlangen naar het bezit van een haven was op Urk hoe langer hoe duidelijker geopenbaard. De rede in het Hop was wel goed, maar die had toch ook bezwaren. Van het dorp naar het Hop moesten de vissers 300 roeden (ruim 1100 meter), dus 12 minuten lopen, om dan nog met het veerbootje aan boord te worden gebracht. Tegen den winter moesten ze hun vaartuigen in Enkhuizen of een andere plaats „opleggen", uit vrees, dat ze anders door storm of ijsgang zouden worden beschadigd. En als de schuiten weggebracht waren, kwam soms nog een geschikte tijd om te vissen. Toen de Heer dit een en ander vernomen had, had hij te kennen gegeven, wel te willen meewerken tot het aanleggen van een haven. Maar omdat dit zo ontzaglijk veel zou moeten kosten, zou hij willen weten, of de vissers zelf bereid waren, er jaarlijks iets voor op te brengen. Als antwoord daarop had Mr. Munter van Urk een brief ontvangen, gedagtekend 15 Mei 1746. Volgens dien brief hadden de burgemeesters bij de vissers geïnformeerd en bevonden, dat dezen wel iets wilden bijdragen, als er een haven kwam. De brief, die deze mededelingen bevatte, droeg geen enkele ondertekening, maar naar het schrift te oordelen was hij geschreven door Jan van Dompselaer. Maar waarom had hij dan zijn naam er niet onder gezet? Men bedenke, dat hij onder de kerkelijke censuur stond, en dat hij het gans niet wenselijk moest achten, dat daar de aandacht van den Heer op zou worden gevestigd. Den schrijver kennende, stel ik mij voor, dat hij tegenover die kerkelijke censuur steun trachtte te verkrijgen van de vissers door te zeggen, dat hij wel zou zorgen, dat er een haven kwam. Dat spel haalde nog niet bij hetgeen de koster het voorgaande jaar had aangedurfd. Toen had hij ten laste der diakonie een borgstelling afgegeven, zonder dat de diakens ergens van wisten. Hun handtekening had hij eenvoudig nagemaakt. Daar was de niet ondertekende brief aan Mr. Munter zeker niets bij. Ofschoon deze op dien brief noteerde, dat hij ondertekend had behoren te zijn, ging hij er toch op in en informeerde nader, wat elke schuit wel zou kunnen bijdragen. Daarop kwam als antwoord: 8 of 10, misschien 12 gulden. Toen droeg de Heer den „inspecteur en opzichter van 's lands werken" te Helder en Tessel, Matthijs den Berger, op, om den toestand op Urk op te nemen en daarover te rapporteren. Evenals de brieven is ook het rapport van Den Berger nog in het Amsterdamse Gemeentearchief aanwezig. Het bepleitte inderdaad op de reeds aangegeven gronden den aanleg van een haven op Urk en berekende, dat jaarlijks van de Urker vissers 43 x 8 of 392 gulden zou kunnen worden ontvangen en begrootte het door „vreemden" te betalen havengeld op 2500 x 4 stuiver of 500 gulden. Den Berger verwachtte dus een druk gebruik van de haven. Hij had deze ontworpen 253


aan het Hop, tegenover de rede. Tegen storm, ijsgang en verslibbing achtte hij dat de beste plaats. Het laatste strookte niet met den wens van de burgemeesters van Urk. Zij zouden de haven liever hebben tegenover „het taanhuisje", dus in het Kleine Klif. Van den schout wordt niet gesproken, vermoedelijk, omdat hij er, als niet-visser, geen belang bij had. Den Berger begrootte de kosten op 24500 gulden. Dat rapport nu is vermoedelijk de directe aanleiding geweest, dat Mr. Munter op 6 Augustus 1746 zelf op Urk kwam. De kerkeraad, ditmaal gesteund door de burgemeesters, maakte gebruik van de gelegenheid en legde den Heer de ervaringen met den koster voor. Er had, denkelijk in de gerechtskamer, een samenkomst plaats, waarin de Heer, de gehele kerkeraad en de vier burgemeesters aanwezig waren. Of de schout er ook was, dat bleek niet. Allicht had hij zich wegens zijn leeftijd laten verontschuldigen. De koster was er wèl, maar als gedaagde. Er is in die vergadering heel wat verhandeld. De kerkeraad en de burgemeesters waren geheel eenstemmig in de beoordeling van het gedrag van den koster. Een der burgemeesters, in 1732 diaken, las een uitvoerig verslag van de geschiedenis van den toen uit de armenbus vermisten gulden, een verslag, dat ook door de drie andere burgemeesters ondertekend was. Het slot van de zaak was, dat de kerkeraad den Heer zonder omwegen verzocht, het eiland van „zo'n onwaardig persoon" te verlossen. Toch schijnt Mr. Munter, blijkbaar een heel voorzichtig man, het ditmaal met een ernstige vermaning te hebben laten aflopen, waartoe de deemoedige houding, die de koster ongetwijfeld tegenover den Heer zal hebben aangenomen, wel zal hebben bijgedragen. Er moet wèl met ontslag gedreigd zijn, en de kerkeraad schijnt het zelfs te hebben verwacht, want kort daarna vroeg de kerkeraad de doopboeken en de „dood leisten" op, die de koster onder zijn berusting had. Maar deze had weer zijn brutaliteit opgevat en gaf te kennen, dat hij die bescheiden alleen af zou geven „op last" van de classis. De classis adviseerde in het voorjaar van 1747, toen de censuur over den koster ruim een jaar geduurd had, den kerkeraad om nog eens een klacht over hem bij den Heer in te dienen. De misdadige koster ontzag zich intussen niet, om het schuim der gemeente zo tegen den kerkeraad in 't harnas te jagen, dat Ds. Weer man en andere kerkeraadsleden zich niet meer op straat konden ver tonen, zonder door woord of daad smadelijk te worden bejegend. Het liep zelfs zo hoog, dat het huisbezoek voor het Juli-avondmaal moest worden afgebroken en dat de kerkeraad besloot, het avondmaal niet te houden ...... En de schout, die daar toch wel van moest weten, stak geen hand uit, om de schuldigen te berechten. Was het wonder, dat de kerkeraad nu het advies van de classis opvolgde en bij den Heer een nieuwe ernstige klacht indiende, ditmaal tegen den schout en zijn zoon? 259


Vrijdag 28 Juli kreeg Ds. Weerman bericht, dat de schout en de schoolmeester tegen den komenden Dinsdag of Woensdag ontboden waren in de burgemeesterskamer te Amsterdam en dat de kerkeraad „vriendelijk verzocht" werd, daar dan ook te zijn. 's Dinsdags was de dominee met twee ouderlingen op de aangegeven plaats. Of de Van Dompzelaers ook gekomen waren, dat is nier. duidelijk, maar in elk geval hoorde de kerkeraad, dat de burgemeesters van Amsterdam besloten hadden, „den persoon van Jan van Dompzelaer van alle zijn ampten op Urk fungeerende, te deporteren op data 3 Augustus deses jaers 1747 en vervolgens van het eiland zelve te doen delogeren". Hij werd dus, plat gezegd, van Urk weggejaagd. Maar er gebeurde nog meer. Op Zondag 6 Augustus d.a.v. was de stadsbode van Amsterdam op Urk. Hij deelde den kerkeraad mede, door heren burgemeesters gezonden te zijn, om aan de gemeente een afkondiging te doen. Zo geschiedde dan ook. Van den kansel las hij voor, dat heren burgemeesters van Amsterdam een ieder op straffe van boete waarschuwden, om tegen den predikant of den kerkeraad door woord of daad geen feitelijkheden te plegen. Daarmede was feitelijk ook de schout op zij gezet. Van een formeel ontslag heb ik niets gevonden. Men zal zijn leeftijd hebben ontzien. De bode kondigde ook nog af, dat Frans Hampsen, sinds 1741 ondermeester op Urk, voorlopig tot koster, voorzanger en schoolmeester was aangesteld. Die was pas getrouwd met Annetje Rondhuys, vermoedelijk als vroedvrouw op Urk werkzaam. Jan van Dompzelaer zal naar Amsterdam vertrokken zijn, althans zijn vrouw ging daar drie maanden later ook heen. Hun dochter was in 1745 op Urk getrouwd. De schout verdween voor de historieschrijver in het onzekere. Allicht zal hij zijn zoon spoedig gevolgd zijn. Hij moet zich nu op Urk toch onmogelijk hebben gevoeld. In zijn plaats werd aangesteld Cornelis Jacobs Romkes, een man van ongeveer 50 jaar uit een der beste familiën van Urk. In 1725 was hij gehuwd met Marretje Pieters van de Lemmer. De naweeën van de droeve gebeurtenissen duurden nog enigen tijd voort. In October was de rust nog zo weinig hersteld, dat de classis toen adviseerde, voor het komende avondmaal niet de gewone „huisvisitatie" te doen, maar in plaats daarvan een ernstige voorbereidingspredikatie te houden, gelijk ook gebeurd is. De naaste familieleden van den verbannen schoolmeester hadden nog wat langer tijd nodig, om hun geestelijk evenwicht te hervinden; maar ook dat kwam op den duur in orde. Het is te begrijpen, dat in de gegeven omstandigheden bij Mr. Munter de lust vergaan was, om heren burgemeesters van Amsterdam te adviseren tot uitvoering van het havenplan; te minder, waar de Urkera zelf de haven liever aan den zuidkant zouden hebben. Het plan werd opgeborgen, of, zoals de heer Munter op den ongetekenden 260


brief had genoteerd, „gelegt in het cabinet". Jan van Dompzelaer had op Urk zo'n beetje voor dokter gespeeld. Maar vermoedelijk kwam in 1747 de eerste wezenlijke chirurgijn zich op Urk vestigen. Het was Derk Septer, uit het graafschap Lippe, in het westen van Duitsland. Hij had kennis gekregen aan een der dochters van Ds. Weerman, Judith, die in Denekamp in betrekking was en allicht op de hoogte was met den toestand op Urk. Hun huwelijk werd op Urk voltrokken. Maar helaas, nog in hetzelfde jaar stierf Septer. Hij werd op Urk begraven. Zijn weduwe keerde naar Denekamp terug, maar woonde het volgende jaar in Amsterdam. Voor Ds. Weerman was het natuurlijk moeilijk, al zijn kinderen thuis te houden. In 1752 werd zijn tiende gedoopt. Daar Frans Hampsen als schoolmeester niet scheen te voldoen, kwam op 1 November 1747 in het drievoudige ambt in functie Ary Kroon, tot dien tijd ondermeester in Zwolle. Het volgende jaar huwde hij met de weduwe van Derk Septer. Reeds in 1749 vertrokken Kroon en zijn vrouw met attestatie en „met toebidding van 's Heren zegen" naar Amsterdam. Frans Hampsen was drie maanden eerder met attestatie daarheen vertrokken. Claas Reinders Vos is vermoedelijk de opvolger van Derk Septer als chirurgijn geweest. Mr. Willem Munter, die zulke droeve dingen met Urk beleefd had, vroeg in 1749 ontslag als Heer van Urk en Emmeloord. Hij werd als zodanig opgevolgd door Mr. Willem Gideon Deuts. We moeten ons nu even bezig houden met den toestand van het schoolonderwijs op Urk. Maar we kunnen dien niet verstaan, als we niet weten, hoe over het algemeen de toestand op onderwijsgebied in ons vaderland was. De „publieke" scholen in ons land waren toen overheidsscholen, d.w.z. scholen, door de plaatselijke overheid gesticht. Alleen wat dit betreft, waren ze te vergelijken met de tegenwoordige openbare scholen. Een voor het gehele land geldende onderwijswet had men toen nog niet. De kerkeraden oefenden vaak invloed op de benoeming van de onderwijzers, en naast lezen, schrijven en cijferen werd ook de Heidelbergse Catechismus geleerd. Maar de voortschrijding van het ongeloof in de 18e eeuw had veel invloed op den geest van het onderwijs, zodat het zich hoe langer hoe verder verwijderde van hetgeen wij als Christelijk onderwijs kennen. Vele onderwijzers werden ijverige propagandisten van vrijzinnige denkbeelden. Dat Urk te dien opzichte langer dan elders bij het oude geloof bleef, kunnen we veilig aannemen, en we willen juist doen zien, hoe het optreden van Ds. Weerman daartoe heeft medegewerkt. In de brede klasse van den werkenden stand in ons vaderland en vooral bij de minder bedeelden werd de noodzakelijkheid van schoolonderwijs weinig ingezien. Leerdwang kende men niet, en er moest schoolgeld worden betaald, en de kinderen konden al gauw wat verdienen. Zo ontstonden, met name in grotere plaatsen, inderdaad bedroevende toestanden. Er dreigde in vervulling te gaan, ja het ging 261


al in vervulling, wat de Profeet eens geklaagd had: „Mijn volk gaat verloren, omdat het geen kennis heeft." Nu bestonden er, met vergunning der plaatselijke overheid, hier en daar wel bijzondere scholen, maar dat waren scholen, die de onderwijzer voor eigen rekening hield. Het Christelijk gehalte was er heel vaak nog minder dan in de gemeentescholen, en om het hogere schoolgeld, dat er geheven werd, konden alleen weigestelden er gebruik van maken. Gelukkig kwamen toen sommige kerkeraden op de gedachte, om, alweer met goedvinden der plaatselijke overheid, voor rekening der diakonie scholen op te richten. Maar dat alleen in de grote plaatsen. Daar de aanstelling der onderwijzers en de inrichting van het onderwijs geheel in handen van de kerkeraden was en er geen of weinig schoolgeld werd geheven, konden die scholen een middel zijn, om het geestelijke verval onder de massa te stuiten. Zo waren er b.v. in Utrecht in; 1748 zelfs twee diakoniescholen opgericht. De onderwijzers moesten onbesproken zijn in leer en leven en niet alleen bekwaam zijn, om den kinderen lezen, schrijven, cijferen en psalmzingen te leren, maar ze moesten ook aan de hand van den Catechismus bij hun leerlingen de grondwaarheden van het Christelijk geloof kunnen aanbrengen. Men neme in aanmerking, dat toen van overheidswege geen algemene onderwijzersexamens werden afgenomen. Er werd door den Utrechtsen kerkeraad een schoolreglement vastgesteld, waaraan onderwijzers, ouders en leerlingen zich hadden te houden. Ook werd besloten, dat de scholen eens in drie maanden vanwege den kerkeraad zouden worden bezocht. Een en ander werd door de „Boekzaal" ter algemene kennis gebracht, en daarvan was Ds. Weerman blijkbaar een trouwe lezer. Hij kwam op het denkbeeld, om ook voor den kerk- en schooldienst van den koster-voorzanger-schoolmeester op Urk een reglement op te stellen. En bij het denkbeeld voegde hij de daad. Het door hem gemaakte ontwerp verwierf de goedkeuring van „schout en gerecht" en ook in een voltallige vergadering van den kerkeraad met de kerkmeesters verkreeg het de volle instemming. Daar meester Ary Kroon op vertrekken stond, kon het nieuwe reglement den nieuwen te benoemen functionaris worden voorgelegd. Aan Ds. Weerman werd opgedragen, om bij Mr. Deutz handopening voor de aanstelling van een nieuwen schoolmeester en goedkeuring van het schoolreglement te vragen. De Heer had geen bezwaren. Daarop werd door den kerkeraad en de kerkmeesters onder toestemming van schout en gerecht (wat een eenstemmigheid nu!) een drietal gemaakt en dit den Heer aangeboden. Mr. Deutz liet zijn keuze vallen op Wïllem Leek, schoolmeester op Wieringen. Het traktement zou zijn 214 gulden 's jaars. Na de ondertekening van het reglement verrichtte Willem Leek op Zondag 7 September 1749 „tot genoegen" van de gemeente zijn eersten „kerkdienst" op Urk. Negen jaar heeft hij er als koster en 262


schoolmeester gearbeid. Viermaal liet hij er een kind dopen. In 1752 hield hij een kind ten doop van Abram Postma, denkelijk ondermeester. Toen meester Leek vertrok, werd het schoolreglement, dat toen practisch getoetst was, aangevuld en verbeterd. Zo kreeg de school op Urk een geheel eigenaardig karakter. Het was wel niet een school, die van de ouders uitging of waarop ze rechtstreeks invloed konden oefenen, maar door den overwegenden invloed, dien de kerkeraad op de benoeming der onderwijzers en op het leerplan had, werd de school ook in dat verband één der middelen, waardoor het Christelijk geloof en met name de Gereformeerde geloofsbeschouwing een voornaam bestanddeel van de volksovertuiging werd. En — de resultaten van het onderwijs verbeterden zienderogen. Inderdaad, Ds. Weerman heeft op Urk goed werk gedaan. In 1761 was het aantal bewoners van Urk tot 400 gestegen, zodat het getal schoolkinderen op 70 is te stellen. Ook de heer Deutz vatte zijn taak ernstig op. Reeds op 6 Augustus 1749 had hij Den Berger, den ontwerper van het havenplan, verzocht, ten eerste, om na te gaan, hoe het kwam, dat het onderhoud van Urk en Emmeloord zo veel kostte, zonder dat het veel doel trof; dan, aan te geven, hoe op minder kostbare en toch doeltreffende wijze het onderhoud zou kunnen plaatshebben en in de derde plaats een begroting te maken van hetgeen voor het ogenblik nodig was. Door zijn antwoord op de eerste vraag stelde Den Berger feitelijk de regering van Amsterdam in staat van beschuldiging: als men niet steeds zo lang gewacht had, met de stormschade te herstellen, zou het onderhoud minder kostbaar zijn geweest. Die volkomen juiste uitspraak, indien niet op Urk ingegeven, was toch zeker, na het onderzoek, door het spreken met schout en burgemeesters met te meer beslistheid gedaan. Men scheen in Amsterdam te vergeten, dat Urk en Emmeloord speelballen van de zee waren. Het nu voor Urk nodige paalwerk begrootte Den Berger op 9000 gulden. Daarbij diende de noordwestdijk versterkt te worden, maar dat konden de Urkers zonderveel kosten zelf doen. Hij had den schout (natuurlijk den nieuwen) en den burgemeesters ook al gezegd, hoe dat zou kunnen. De burgers wierpen nu mest en vuilnis achter hun huizen (dus aan de noordkant), zodat er voor het grasland daar al minder plaats overbleef. Wanneer ze het afval iets verder, op den dijk brachten, zou deze er door worden versterkt (!) en het dorp zou een netter aanzien krijgen. Dit laatste kunnen we grif toegeven. Of de plannen, door Den Berger ontworpen, zijn uitgevoerd, weten we niet, maar reeds in 1751 deden schout en burgemeesters van Urk weer een noodkreet in Amsterdam horen. Vermoedelijk was het meester Leek, die toen voor hen schreef „over den hoogen nood, in welke sig het Eijland Urk bevind door de dagelijkse afneminge van de zee, soodanigh, dat het te dugten is, indien daar tegens geen efficatieuse 263


middelen in het werk werden gestelt en de noodige plaatsen met paalwerk voorsien, dat in korte tijd het Eijland geheel door de zee zal overmeestert worden." Naar dien noodkreet werd in Amsterdam geluisterd. De stadsregering verzocht aan de Staten van Holland voor de nu vereiste werken „eenige penningen uit 's lands casse", of vergunning, om weer, evenals in 1710, een loterij te mogen organiseren. In Amsterdam vergat men te gemakkelijk, dat de heerlijkheid Urk en Emmeloord in 1660 gekocht was, omdat de Urker vuurbaak de Amsterdamse handelsschepen goed den weg wees, en die vuurbaak stond op Urk. Maar veel geld er voor uitgeven, dat moest niet. De Staten lieten ter plaatse een grondig onderzoek instellen en daarop gaven Gecommitteerde Raden te Hoorn een gunstig advies, met dit gevolg, dat de Staten 14 Januari 1752 vergunning gaven tot het houden van een loterij. Ook de Staten hielden graag de hand op de beurs. Het maken van bijschriften bij het noteren der deelnemers was nu niet toegestaan. De opbrengst van de loterij na aftrek van de onkosten was 46196 gulden en 8 stuiver. Op 5 Juli 1752 werd op Urk met het herstelwerk begonnen. De schout had weer het algemene opzicht en betaalde de lonen en de schuitvrachten. Het volk had 90 cent tot 1 gulden per dag en vrij bier. In drie jaar werd aan de beide eilanden 38521 gulden besteed. Het overblijvende bedrag werd in de volgende vier jaren uitgegeven. Bij de tot in penningen nauwkeurige afrekening ging het wel over schepen, wier, paalwerk, puin, ijzer en teer, maar niet over een haven op Urk. Die zou het eiland niet van „de stad" ontvangen. Nog voordat het herstelwerk afgelopen was, overleed de Heer van Urk en Emmeloord, Mr. Deutz. Zijn opvolger was Mr. Daniël de Dieu, die tot zijn overlijden in 1766 het bewind heeft gevoerd. Toen verklaarde de regering van Amsterdam, dat zij, aangezien Mr. Daniël de Dieu „dezer weereld overleeden" was, in zijn plaats Mr. Jonas Witsen aanwees, om sterfheer van Urk en Emmeloord te zijn. Aan dezen werd dus door de Staten van Holland de heerlijkheid formeel beleend. Maar reeds in Maart 1768 kwam ook hij te overlijden. Zijn opvolger, Mr. Frangois de Witt heeft ruim zeven jaar het bewind gehad. Na zijn dood in October 1775 werd hij gevolgd door Mr. Hendrik Hooft, Daniëlsz, wiens naam nog prijkt op het kerkgebouw der Hervormde gemeente. Deze moest, om nog te vermelden redenen, na 14 jaar afstand doen van het bewind. In de laatste jaren waren de zaken reeds waargenomen door Mr. Jan Elias Huydecoper van Maarsseveen en Noerdijk. En deze volgde hem ook op als Heer van Urk en Emmeloord. Hij was de laatste Heer: in 1792 verloor de heerlijkheid haar zelfstandig bestaan. Later meer hiervan. 264


Wanneer ik zo de laatste heren van Urk en Emmeloord den een na den ander opnoem, dan doe ik dat meer volledigheidshalve, dan dat het historische verband het vereisen zou. Men houde wel in het oog, dat de heren van Urk en Emmeloord tot 1660 een veel meer onafhankelijke positie hadden, dan die na dat jaar zijn opgetreden. De eersten waren feitelijk souvereinen van een staatje, hoe gering dan ook, in den staat van de Zeven Verenigde Nederlanden. Maar toen Amsterdam in 1660 door aankoop .eigenares" van de heerlijkheid was geworden, was haar isolement veel minder streng. De heren die voor Amsterdam in de heerlijkheid regeerden, waren niet meer dan mandatarissen van de stad; ook zelfs zij, die door de Leenkamer persoonlijk met de heerlijkheid waren verlijd, ook al werden telkens uit de verlijbrieven der 15de eeuw getrouw de woorden overgenomen, dat zij „binnen aftersusterskind" van de heerlijkheid niet konden „versterven". Ook die „sterfheren" waren niet zelfstandig: ze waren slechts uitvoerders van de besluiten der stadsregering. Alleen, wanneer de „sterfheer" een man was van bijzondere kwaliteiten of van groten invloed, dan trad hij meer op den voorgrond. Maar dat kan van geen van de juist genoemde heren worden gezegd. Men kwam op Urk telkens weer tot de ervaring, dat men er op een eiland zat. De op Urk geboren ingezetenen wisten niet beter, of het hoorde zo; maar als voor hen, die op Urk waren komen wonen, om er een dienstbetrekking te vervullen, de toestand al te zeer tegenviel, zochten zij vaak na korten tijd elders emplooi. Het kon echter ook zijn, dat aan een „vreemde" het vrije verkeer en de omgang met de eenvoudige bevolking zó goed bevielen, dat hij aan verandering geen behoefte had. In December moest eens het Avondmaal „wegens absentie der leden" worden opgeschort. Die leden waren waarschijnlijk „uitgevroren". Een andere maal, ook in December, kon het Avondmaal niet doorgaan, omdat er geen brood was, waarmee dan wittebrood, op Urk „bol" genoemd, bedoeld werd. In April werd het Avondmaal eens uitgesteld wegens plotselinge „droevige tijding uit de zee". Op de Zondagen 7 en 14 Januari 1776 joeg er zo'n felle koude sneeuwjacht over het eiland, dat Ds. Weerman noteerde, daar „niet van hebbende konnen prediken". Hij moet toen trouwens boven de 70 jaar oud zijn geweest. Geneeskundige hulp was volstrekt niet altoos te verkrijgen. Een vroedvrouw had er wél, maar een chirurgijn geen vaste toelage. Hij was geheel aangewezen op de ontvangsten op zijn rekeningen. Vandaar, dat de „dokters" er nooit lang bleven en dat men er nog al eens „zonder" zat. De chirurchijn Schultze, wiens tweede vrouw een dochter van Ds. Weerman was, vertrok na een 6-jjarig verblijf op Urk naar Schiermonnikoog. Toen schijnt het acht jaar te hebben geduurd, eer er een nieuwe kwam. En die zich op Urk vestigden, waren natuurlijk geen wereldberoemdheden. 265


Met de vroedvrouwen ging het beter. Zo woonde Cornelia Kroon. die met een zekeren Roda (Roorda?) gehuwd was, als vroedvrouw twaalf jaar op Urk. Toen vertrok ze naar Marken. De schoolmeesters (de bovenmeesters dan) konden het op Urk ook nog wel uithouden. Maar die waren ook afhankelijk van oen be noeming elders, en — ze deden aan samenkoppeling van ambten! Willem Leek was bovenmeester, koster, voorzanger, doodgraver en denkelijk gemeentesecretaris. De doden werden, denkelijk reeds sinds het stormjaar 1570, in de kerk begraven. Het is volgehouden in de tweede kerk, die omstreeks 1600 werd gebouwd en ook in het derde gebouw, dat in 1714 op den Berg verrees. Ondanks het houden van „doodlijsten" werd er over den eigendom van een grafruimte nog wel eens getwist en werd een dode wel in een verkeerd graf gelegd. Willem Leek, evenals Ds. Weerman, een man van orde en regel, legde een nieuw begrafenisregister aan, waarin op de eerste bladzijde een tekening voorkwam van den kerkvloer. Er boven stond: Register van de Graven en wien in dezelve begraven is in de kerk op het eijlandt Urk. Gemaakt in 't jaar na Christi geboorte 1755 Onderrigt in de nommers der graven. De 42 grafruimten werden door de kerkmeesters bij aanvraag verkocht. Ook werden ze wel voor den tijd van een „verrotting", waarvoor men 15 jaar rekende, verhuurd. Dit gebeurde b.v. in 1747, toen Derk Septer, de chirurgijn overleden was. De schout, Cornelis Jacobs Romkes, kocht in 1754 no. 38, toen, zoals de kerkeraadsnotulen zeggen : „zijn Eerw. dogter Jannetje Cornelis overleden" was. De toestand werd weergegeven, zoals hij in 1755 was of daarna geworden is. Bij no. 18 staat in het register aangetekend: „Gemelde hoofdparticipant Jacob Nentjes heeft op den 16 iMei 1758 aan den tijdelijken (d.i. in dien tijd fungerenden) doodgraver verzocht, niemant buyten zijn order in 't graf no. 18 te begraven". Zo iets schijnt dus toen toch nog te zijn voorgekomen. No. 29 werd vrijgehouden voor den predikant. Het schijnt, dat al de andere nummers langs den zuidkant voor 15 jaar waren „verhuurd". Er naast staan blijkbaar de namen van de daarna rechthebbenden aangegeven. No. 1 was zeker iets kleiner dan de andere vakken, want tussen de twee namen (blijkbaar van een broer en zuster, die er in begraven zijn) staat het woord „nis". Dat we het opschrift niet geheel letterlijk moeten nemen, blijkt daaruit, dat op naam van Jan Snoek drie en op dien van Jan van Urk twee grafruimten staan. Zo weten we dus ook niet, of de naam van Jan van Dompzelaer op no. 39 betekent, dat hij eigenaar was of er in 1755 al begraven lag. 266


Aan de namen is te zien, dat men nog was in de periode, waarin de mensen over het algemeen nog geen familienaam, een zgn. van, hadden. Men ondertekende een stuk met zijn persoonsnaam en daarachter den naam van den vader, b.v. Willem Barends of Barendsz, Klaas Willems of Willemsen, Pieter IJsbrands enz. Was de vader van meer dan gewoon aanzien, o.a. doordat hij een hoge ouderdom bereikte en het middelpunt van een grote familie werd, dan ging zijn naam wel blijvend over op al zijn nazaten, zodat b.v. de naam Willems, Willemsen of Willemsz, die eerst alleen door de eigen kinderen aan hun persoonsnaam was toegevoegd, ook door de verdere nazaten werd overgenomen en vanzelf een familienaam werd. Twee bijzondere gevallen daarvan zijn de familienamen Romkes en Nentjes. Ze zijn onderscheidenlijk gevormd van de Friese persoonsnamen Romke en Nentje of Nantje. Het gebeurde ook gemakkelijk, dat een beroepsnaam familienaam werd, te eerder, wanneer het beroep in de familie bleef. Zo was Hendrik de Bakker (no. 2) werkelijk bakker, en die naam is bij zijn nazaten familienaam geworden. Zo ging het ook met de namen Timmerman, Koffeman, Snijder en Mars. De laatste naam werd gegeven aan een venter. De namen Wakker, Ras en Snoek zullen oorspronkelijk bijnamen zijn geweest, door den volkshumor gegeven. De naam Van Urk ontstond, wanneer een Urker naar elders verhuisde en daar dien bijnaam kreeg. Kwam hij of een van zijn nazaten op Urk terug, dan bleef daar de bijnaam bestaan. Overigens staan de namen aangegeven, zoals de volksmond ze gebruikte: Doove Klaas, Kleijn Klaes, Kleijn Jacob, Trijns Jan (Jan van Trijn), Oude Neven, Oude Klaas, Baasen Alijt (Alijt van den Baas), Jacobs Willems Brandt (Brandt of IJsbrand van Jacob Willems), Kremers AKjts erfgenamen (de erfgenamen van Alijt van den Kremer of Kramer of Kraemer, d.i. winkelier), Ouwe Griets Reynder (Reynder van oude Griet). De namen Van den Berg, Van Veen en Hakvoort zijn van „vreemden", die op Urk waren komen wonen. In het najaar van 1758 vertrok meester Leek naar Krommenie. Bij vernieuwde eendrachtige samenwerking van den kerkeraad, de kerkmeesters en de magistraat werd uit de zich aanmeldende sollicitanten een viertal gemaakt. De Heer, Mr. De Dieu, koos daaruit door het lot Gerrit Reitsma van Drijlft(?). Behalve de emolumenten zou hij een traktement ontvangen van 314 gulden 's jaars. Het vernieuwde schoolreglement werd door den Heer goedgekeurd. Op Zondag 19 November 1758 deed Reitsma het eerst dienst als koster en voorzanger. Nadat hem in den namiddag van dien Zondag in een voltallige vergadering van kerkeraad, kerkmeesters en magistraat het schoolreglement was voorgelezen, ondertekende hij het. Een nieuw bewijs van de mooie samenwerking van de genoemde drie instanties was het, dat besloten werd, naar het Utrechtse voor267


beeld, den eersten Maandag van elke maand gezamenlijk schoolvisitatie te houden. Van uit de pastorie zouden dan de predikant met nog een ander lid van den kerkeraad en een vertegenwoordiger van de magistraat gezamenlijk een bezoek brengen aan de school. Ver behoefde men daartoe niet te lopen, want de school werd in de kerk gehouden. Enkele maanden na zijn komst op Urk trad meester Reitsma in het huwelijk met Grietje Jacobs, een Urkse jongedochter. In 1761 lieten zij een kind dopen, maar kort daarop overleed de jonge moeder. In 1762 hertrouwde de meester met een vrouw uit West-Duitsland, Anna Margaretha Flintermans. Dan zocht hij het ver, zal men zeggen. Maar het verkeer van Urk met het oosten van Nederland en zelfs met de naburige streken in Duitsland was toen drukker, dan men meent. Dat had ook invloed op de huwelijkskeuzen. En in dat opzicht scheen men op Urk toch niet op een eiland te zitten. Ik geef enkele voorbeelden, die ons ten dele reeds bekend zijn. Ocke Meinderts van Norden in Oost-Friesland trouwde in 1740 met een dochter van Jan Snoek op Urk. De ondermeester Frans Hampsen, die Jan van Dompzelaer tot hulp was, was uit Munster gekomen. De chirurgijn Derk Septer van Lippe in Duitsland was in kennis gekomen met de dochter van Ds. Weerman, die in Denekamp woonde, een plaats in Overijsel tegen de Duitse grens. In 1756 koos Jacob Pieters, een Urker, zich een vrouw uit Borgen in Munsterland. Ds. Weerman tekende in het huwelijksregister aan, dat zij vier maanden „onder de geboden" stonden, „ingevolge het placaat van staat aangaande de ongelijke huwelijken". Van de 411 huwelijken, die van 1711 tot 1790 op Urk gesloten werden, waren er 97, dus 231/3 pereent, waarbij een der partijen van elders gekomen was. Zo kwam er geregeld „vers bloed" in, en men trouwde er dus volstrekt niet altoos „onder elkaar". In 1769 werd meester Reitsma te hulp geroepen bij de „hermeting van het hooiland", die men zeker nooit beter ter hand had kunnen nemen, dan in de betrekkelijk rustige sfeer, waarin men zich nu mocht verheugen. In 1661 waren er 24 landers, die elk ongeveer I6V2 kruidel konden binnenhalen. Nu stonden er, behalve de gemeente, 29 genoteerd. Na het afmaaien was het land weer ten gebruike van „het corpus der inwoonderen", want niet het land zelf, maar alleen de eerste snede van het gras kwam den landers toe. Hierop wijst bijzonder de gebrekkige, om niet te zeggen: onnozele, afscheiding tussen de kampen. Het hooiland geleek altoos één groot ongedeeld veld, hetgeen het dan ook inderdaad was. Maar daardoor kon er dan ook gemakkelijk twist ontstaan tussen de landers over het recht, om een bepaald stuk af te maaien. En daarom was ook een afzonderlijke hooirechter, de zogenaamde landrecht, aangesteld, om in twistgedingen te beslissen. Kon de landrecht de 268


zaak niet klaren, dan kwam de „landerskerk" er aan te pas. Trouwens, door vererving en verkoop slopen er, bij alle voorzorgen, toch abuizen in, die niet anders, dan door de „landerskerk" waren op te lossen. Te eerder kwam dat voor, doordat niet alles van het begin af op schrifT; was gesteld. In 1769 nu werd besloten, het land opnieuw te laten meten en nader aan te wijzen, wat ieder van de toenmalige rechthebbenden maaien kon. Er werd een commissie benoemd, bestaande uit den schout, die zelf ook lander was, Peter Klaas Kamper, Albert Louws en Klaas Pieter Brands, die later schout is geworden. Voor het meten, berekenen en noteren riep de commissie de hulp van meester Reitsma in. Het Voorland werd in 2, het Achterland in 8 grote kampen verdeeld. Die kampen heetten in landerstaal verdelingen. En nu kreeg ieder rechthebbende van elke verdeling het hem toekomende. Omdat niet elke verdeling even goed gewas leverde, zorgde men op die manier, dat goed en slecht over allen gelijk verdeeld was. Maar gemakkelijk was die regeling niet, omdat ieder nu op verschillende plaatsen te maaien had. Doordat bovendien het recht van een lander vaak nog over zijn erfgenamen verdeeld en weer verdeeld werd, ontstonden gemakkelijk toestanden van een hopeloze verwarring. Maar nu kwam dan alles weer op poten te staan. Er werd nu een „legger" gemaakt, waarin stond genoteerd, wie de rechthebbenden waren, waar ze konden maaien en wat als opbrengst daarvan gerekend werd. Die legger kwam bij den schout in bewaring. De namen, die men aan de hoofdkampen of verdelingen gaf, waren blijkbaar al van voor 1769. In het Voorland b.v. lagen „de Grote Stukken" en „de Akkers of Vinnen", in het Achterland o.a. „de Halzen" en „de Holkenkampen". De namen der rechthebbenden werden aldus te boek gesteld: Reinder Jans; Gerrit Pieter Brands; Wayers Lubbert; IJsbrand; Schokker Jan; Schouten Klaas; Jacob Nentjes, bijgenaamd Ons Jacob; Haan Hendrik; Jakke; Lammert; Pieter Lubberts; Pieter Sipkes en Meindert Jacobs; Pieter Klaassen, bijgenaamd Tijsjes Pieter; Bregje en Vaartjes Ede; Schouten Louwe; Moeie; Albert Louws; Cornelis Jacobs Romkes, schout; Piebetje; Bartelt de Brander; Jan Snoek; Schokker Jacob; Klein Abbe; Pieter van Dokkum; Jelle Meinderts; Kramers Pieter; Ave en Oude Klaas; Pieter Willemsz. Brands; de Gemeente. Enkele van deze namen hebben we reeds in het begrafenisregister ontmoet. Trouwens, we hebben daar en hier de namen van welgestelde burgers. Ieders handmerk moest op de paaltjes staan. Meester Reitsma kreeg als beloning voor zijn medewerking ook zijn deel. In de zgn. zesde verdeling lag een overgeschoten driehoek, die meestal gerekend werd als de fok van IJsbrand, maar die heette nu „de fok van Reitsma". De meester was dus ook „lander" geworden. Onder de papieren, die bij een paar van de landers der laatste jaren bewaard werden, vond ik ook een ontwerp van een reglement. Men meende, dat het van 1769 was. maar dat geloof ik niet. Naar inhoud 269


en schrijfwijze scheen het mij toe, dat het was opgesteld tussen de jaren 1801 en 1825. Pas in 1801 werd de naam gemeentebestuur ingevoerd en tot 1825 waren er schouten. Volledigheidshalve geef ik het hier een plaats. Art. 1. Ieder eigenaar of huurder van het hooigewas zal de palen, welke door de meters daarin geslagen zijn, behoorlijk van merken voorzien en de oude en slechte palen, die er nog in gevonden worden, met goede palen verwisselen. Art. 2. Ieder, die in de volgende jaren hooi zal maaien, zal gehouden zijn, om te zorgen, dat met den aanvang der maand Mei zijn land behoorlijk bepaald en gemerkt is om in den hooitijd alle verwarringen voor te komen. Art. 3. Die vermeent, door de aanbelende eigenaars benadeeld te zijn, zal het recht hebben, om zijn eigendom door de directie over genoemd hooiland kosteloos te doen hermeten. Art. 4. Die bij het plaatsen van vermiste palen aan derzelver rechte plaats twijfelt, zal de directie hierin raadplegen ten einde alle abuizen voor te komen. Art. 5. Die een paal verzet om zijn aanbelendenden te benadelen zal een boete verbeuren, door de algemene landeigenaars bepaald op .............. ten voordele van de landerskas. Art. 6. Bij goeden aanwas behoudt de directie het recht, om de 7e en 8e verdeling met behulp van een daartoe bevoegd persoon te hermeten. Art. 7. In dergelijk geval behoudt ook de directie het recht van beschikking over het land, gelegen benoorden de 3e en 4e verdeling, alsmede over een fok in de vijfde verdeling, die den algemenen landers behoort,. Art. 8. Die enig land huurt, hetzij van het gemeentebestuur, kerkeraad of particulieren zal gehouden zijn, zich naar deze artikelen stipt te gedragen. Aldus ontworpen en van kracht verklaard door den schout en de voornaamste landeigenaren te Urk. Gelijk men ziet, is het stuk niet ondertekend of gedateerd en de boete niet aangegeven. Daaruit maak ik op, dat het niet meer is dan een ontwerp. Intussen is uit het onderschrift enigszins op te maken, hoe het in de landersvereniging toeging: wat de groten wezen, moest door de kleinen worden geprezen. In art. 7 schijnt gesproken te worden van de fok van Reitsma. In aansluiting aan art. 6 wordt gezegd, dat de directie „bij goeden aanwas" het recht van beschikking zou hebben over een fok in de vijfde afdeling. Was een „goede aanwas" daar dan een uitzondering? Dan was het niet veel bijzonders, wat men Reitsma toegewezen had. En dan was het ook geen wonder, dat Reitsma zich in 1776 bij zijn vertrek naar Heerinveen om het eigendomsrecht van die fok niet druk heeft gemaakt. Of heeft men hem te verstaan gegeven, dat nu zijn 270


recht op het hooigewas „natuurlijk"( ? ) verviel? Dat die oplossing niet bevredigde, bleek nog in 1839, toen in een beschrijving van de nieuwe hermeting van het hooiland werd aangetekend: „Nog ligt in deze verdeling een fok, genaamd de fok van Usbrand, ook wel van Reitsma, welke laatste deze fok in 1769 volgens de overlevering zou verdiend hebben door aan de toenmalige commissie de behulpzame hand te bieden." In de door mij onderstreepte woorden worden feitelijk de rechten van de familie Reitsma twijfelachtig gesteld. Mooi is dat niet, zoals er meer niet mooi was in de geschiedenis van het hooiland. Ook het einde niet, gelijk we later zullen zien. Op 8 Juli 1770 werd de kerkeraad voor een grote verrassing gesteld. Ds. Weerman deelde toen mede, dat den 23sten Juni uit Amsterdam over Enkhuizen een brief en een verzegeld pakje bij hem waren aangekomen. De brief bevatte geen tijdaanwijzing en geen ondertekening, doch alleen deze woorden, hiernevens een zakje en verzegelt met het hiernevens afgedrukte signet en hetgeen daar in is, is voor den armen." In het verzegelde doosje lag een eveneens afzonderlijk verzegeld zakje. Volgens de opgave in de kerkeraadsnotulen bevatte dat zakje het volgende: 100 guldens, 7 silveren ducatons, 25 grote en 6 kleine O.-I. duiten, 2 parelsnoeren gesneden plaatjes van een tabaksdoos, 1 mooie silveren potlootspen, 1 vergulde O.-I. snuifdoos en daarin een gouden ring met steen en 2 diamantjes, 2 paar schakelknoopjes, 1 paar staande mouweknoopjes, 1 dito enkelt, 3 broeksknopen van grote scheepjesschellingen met oogjes, 25 kleine silveren borstrokknoopjes, 1 dito loden, 1 dito silveren zonder oogjes, 1 paar grote silveren schoe-gespen, 1 paar grote en 1 paar kleine silveren kuyt-gespen, 1 silveren hats-stat, 1 dito silveren gespe, 1 vergulde broekgespe. De notulen vermelden alleen het feit van de ontvangst en geven verder niet de minste inlichting. Te vermoeden valt, dat Ds. Weerman wel iets meer begreep. Zijn dochter immers was in 1753 naar Oost-Indië vertrokken, en nu valt uit de vermelding van sommige dingen, die toenmaals als behorende bij een herenkleding werden gerekend, op te maken, dat haar man overleden was. Voor Ds. Weerman was dus de ontvangst van dat alles een nieuwe opwelling van droefheid. Als er sprake is van een silveren hats-stat, dan zal een hat-state bedoeld zijn. Hat-state is Engels en betekent een gesp van een (heren-)hoed. Ds. Weerman had op Urk al heel wat zien veranderen, en de verandering ging nog steeds door. Hij zelf schreef, dat er in het begin van zijn dienst (1730) in de richting van de Lemmer nog veel „buitendijks" land was, maar dat was bijna geheel weg. In het westen kalfde het Hoge Klif voortdurend af. Zuidelijk van de oude rij huizen in het dorp vormde zich een nieuwe rij. Eigenlijk waren het drie afzonder271


lijke rijen, die zich niet hielden aan de richting west-oost. In het oosten vormde zich de Jodenhoek. Den oorsprong van dien naam heb ik niet gevonden. Zuidoostelijk van den Jodenhoek lag het „herenland". In de plaats van het slot, dat er oudtijds op gestaan had, was reeds in het midden der 17-de eeuw een „nieuw huis getimmerd", dat toen met het herenland verpacht werd. Misschien woonde de schout er in. Zeker is, dat het schoutshuis in dien tijd het gezicht had op het Kleine Klif, dat oostelijk van het Turfhoofd lag. Denkelijk vond men daar in de buurt ook reeds de woning van den diender. In opdracht van de regering van Amsterdam kwam althans in dezen tijd elk jaar een waterbouwkundige op Urk om de waterwerken te inspecteren en op te geven, wat er voor het onderhoud nodig was. De door Den Berger gemaakte opmerking scheen dus doel te treffen. Nu bepaalden de dikwijls lijvige rapporten zich volstrekt niet alleen tot de water keringen. Merkwaardig in dat opzicht is het rapport van het jaar 1770. De steller, C. Rouws, stadsarchitect, vertelt, dat Urk een zeer vruchtbaren grond had, dat er veel en goed gras groeide, dat er „tot voedsel in melk en boter" genoeg rundvee was, maar dat er alleen abelebomen wilden groeien. Abelen noemde men oudtijds espen. Espelbergh had er zijn naam aan te danken. Tegenwoordig noemt men ze Canadese populieren. Al wist men op Urk van die namen niet, toch kende men er tot voor kort de „Urker bomen" zeer goed. Rauws gaf den raad, 10 abelen rondom de kerk te poten, verder 3 voor en 3 achter de pastorie en vervolgens ieder jaar enige voor de huizen. Ze zouden, dacht hij, de stormkracht breken en den snellen voortgang van een brand tegenhouden. Het gras zou beter groeien (!) en het zou een „aangenaamheid" in het dorp geven. Waren de bomen dik genoeg, dan konden ze bij de waterkeringen gebruikt worden. Jammer, dat men pas later begonnen is, zijn raad op te volgen. Rauws dacht ook aan den ouden dominee. Het gat in den muur van de kerk, dicht bij den kansel maakte het gebouw tochtig en kil en behoorde te worden gedicht. De pastorie en de hokjes in den tuin dienden te worden geverfd....... Met medegevoel zal de lezer ongetwijfeld thans nog vernemen, dat deze zorgzame stadsopzichter twee jaar later bij den bekenden brand van den stadsschouwburg om het leven kwam, toen hij pogin gen aanwendde, om den brand te blussen ...... Sinds 1773 nam de afbrokkeling van het Hoge Klif benoorden den vuurtoren zo toe, dat er ieder jaar nieuwe maatregelen tegen moesten worden genomen. Bijzonder de herfststormen van 1775 en '76 deden het Klif, ondanks de palenrij, zeer afslijten. De voorgrond van den toren werd geheel weggespoeld. Dat door die stormen de Staart zou ontstaan zijn, zoals b.v. het Aardrijkskundig Woordenboek van Witkamp (1895) weet te vertellen, is beslist onjuist. De Staart komt al voor op de kaart van 1749 272


en was er toen zeker al geruimen tijd. Alleen is hij door de stormen dikwijls in lengte of breedte veranderd. In verband met het afbrokkelen van het Klif in 1776 schreef J. S. Creutz, architect van Amsterdam, in een later rapport iets over de eigenaardigheid van het keileem, waaruit het Klif was opgebouwd. „Het zal niet ondienstig zijn, hierbij aan te merken, dat het Klif hier ter plaatse 20 en meerdere voeten boven het dagelijks water verheven is en bestaat uit een geele kley of leem, gemengt met zand en steen; 's zomers, of wanneer het droog weer is, is dit Klif zoo hard en vast, dat het het slaan van het heyblok tegenstaat, maar wanneer eenig water of regen daarop komt, word het zo vloeybaar, dat het zig volkomen ontbind, waardoor het dan geschied, dat dit Klif door regenbuyen en wanneer het zeewater er tegen aanslaat, gestadig afspoelt en 's winters afvriest, zo dat het in 't voorjaar altoos min of meer moet worden afgestoken, om voor te komen, dat de beesten, die aldaar weyden, niet van boven neerstorten; hoe weinig dat dit Klif een hooge vloed in dusdanigen staat en wanneer het niet met gras begroeyt is, kan tegenstaan, blijkt daaruit, dat in 't jaar 1776 een groot gedeelte, beneffens twee huizen aan de noordwestzijde zijn weggeslagen en ook de vuurtoren van allen voorgrond ontbloot wierd." Creutz gaf nu het volgende advies. „Dus vermeene het voorsz. middel met grond te kunnen voordragen en zoude mijns oordeels het begroeyen van dit aldus afgestoken Klif merkelijk bevordert worden, wanneer zulks dadelijk met gier bevogt en met hooykrop bezaayt wierd, 'tgeen in de maand Augustus geschiedende nog tijds genoegzaam zoude hebben van te groeyen en eenigzints wortel te schieten, vooral wanneer een goed najaer zulks begunstigt; egter diende zulks voor 't. eerste wintersaizoen met een laag riet of stroo gedekt of belegen te worden." Dat advies schijnt te zijn opgevolgd. De oudste Urkers herinneren zich nog, dat ook de helling naar den westkant van de prachtige grasvlakte tussen den vuurtoren en de twee kerken met mooi, welig gras bezet was. Die vlakte was het mooiste deel van het eiland. Maar sinds heeft de huizenbouw en daarna het interneringskamp en vooral de afschuwelijke eendenfokkerij er alles bedorven. (In de laatste tijd werd hier weer een en ander verbeterd.) In de laatste jaren vóór 1780 hadden de burgemeesters van Urk bij hun half jaarlijksen rondgang, om de aan het land op te brengen penningen in te zamelen, veel moeite, om iets los te krijgen; en er stond nog wel oude schuld. De visserij schijnt in die jaren niet veel te hebben opgebracht. De heren Staten, van een en ander ingelicht, besloten 26 April 1778, de oude schuld van Urk kwijt te schelden en van 273 18


de verponding over dal jaar ontheffing te verlenen. Dat geschiedde toen zeker niet voor den eersten keer.

Volgens een opgave van 1764 had Urk jaarlijks aan „het land" op te brengen: voor het dijkonderhoud 350 gulden; voor het veer 300 gulden; voor de vroedvrouw 160 gulden; voor den predikant 100 gulden; voor den schoolmeester 70 gulden; voor noodlijdenden 120 gulden samen 1100 gulden Nu was Urk zelf noodlijdend. Omtrent het dijkonderhoud zegt het pas aangehaald rapport van J. S. Creutz (het is van 1780) het volgende. „De eylanders zijn gewoon, hun hooyland tegens de zomervloeden te dekken met een zanddijk, aenwelken zij tegen het winterseizoen of wanneer zij hooge vloeden tegemoet zien, op de bekwaamste plaats doorsteeken tot voorkoming, dat hij niet op een ongelegen plaats met geweld doorbreeke en vernield worde. In 't jaar 1779 hebben zij ter gelegenheid van een schielijk opkomenden vloed het ongeluk gehad, hun zanddijk op een gevaarlijke plaats, omtrent in 't midden, tusschen het groote hoofd en de staart, te zien doorbreeken, waardoor daar ter plaatse een diepte van 6 a 7 voet veroorzaakt wierd. Vervolgens hebben zij dat gat gestopt, en in 't voorjaar van 1780 den dijk, zoo goed, als hun mogelijk was, hersteld; maar de storm en vloed maakte al hun gedaane werk tot niet: den dijk brak ter zelver plaatze door en wierd een groot gedeelte daarvan zijd en breed op het land verspreydt, en het overige zeewaarts gevoert." Dan pleit het rapport als volgt voor de tobbende Urkers. „Aangezien nu wegens het verdronken land of binnenwater, diergelijke doorbraken van zeer kwade gevolgen zijn en het eijland separeeren konden, zo vinde mij verpligt, U WelEd Achtb. mede hiervan kennisse te geven en teffens voor te dragen, of ter plaatse van deze doorbraak van stadswegen eenige behoorlijke voorziening gemaakt worden en zulks alleenig te voorzien, door aldaar in de grond eenig bladriet met behoorlijke attentie en na den eisch van 't werk te leggen en vervolgens op 't strand aldaar eenige bladriet of stroo te planten." Doorbraken als de hier beschrevene hadden inderdaad het eiland in tweeën kunnen snijden. Overigens hadden de landers bij de aangegeven voorzieningen het meeste belang. Het binnenwater, zelf ook het gevolg van een vroegere doorbraak, bleef een gevaarlijke plek. In een noot pleit Creutz met fijnen tact voor het droogleggen er van. 274


,/Te wenschen ware het, dat de vermogens van de eijlanders of de vele andere stadswerken het toelieten, dezen dijk van behoorlijke sterkte te maken en van binnen een sleuf met kley aan te vullen, om het doorsieperen van 't zeewater te beletten en het, verdronken land droog* te maken, waardoor ruim 16 morgen hooyland aangewonnen zoude worden en zoude denkelijk zulk een werk ruim 4 pet. van 't uitgeschotene geld kunnen opbrengen." Er zullen hier Rijnlandse morgens bedoeld zqn. Dan had dat binnenwater een oppervlakte van 1/7 van het tegenwoordige Urk. Het droogleggen er van heeft nog lang op zich laten wachten. Zoals de kust afbrokkelde en zoals de pastorie, maar vooral de kerk bouwvallig werd, zo verging het ook Ds. Weerman. Bij het maken van zijn kerkelijke notities beefde zijn hand geweldig, en zijn schrift werd onregelmatig en grof. Erger was het, dat hij het werk van het huisbezoek niet meer kon bijhouden en dat hij soms niet voor de gemeente kon optreden. In September 1776 had hij in de plaats van Gerrit Reitsma weer een nieuwen schoolmeester op Urk zien komen, n.1. Teunis With van Holisloot, die uit 14 sollicitanten gekozen was. En tot geruststelling zeker van den ouden dominee en den misschien nog iets ouderen schout had zich in 1779 weer een chirurgijn op Urk gevestigd, n.1. Roelof Zwaan van Eemnes-Buiten. Voor den schout was diens hulp weldra niet meer nodig: hij werd 25 Augustus van hetzelfde jaar in no. 38 in de kerk begraven. Kort daarna trad Klaas Pieters Brands als schout in functie. Hij was in het voorjaar tot ouderling gekozen. Voor Amsterdam was het een bezuiniging, dat hij ook tot schout en secretaris van Emmeloord benoemd werd. Zijn eerste ons bekend briefje bevat een rapport omtrent den toestand van de waterkeringen op Urk en Emmeloord in Maart 1780. Dat men in Amsterdam zijn oordeel waardeerde, blijkt uit de samenspreking in Juni van dat jaar tussen schout en burgemeesters van Urk en een vertegenwoordiger van de thesauriers der stad, waarbij werd vastgesteld, welke herstellingen zouden worden aangebracht. In het rapport Creutz had men daarbij een goede handleiding. Op 26 blaart 1780, eersten Paasdag, zo vermeldt het kerkelijk notulenboek, heeft Ds. Weerman gepreekt en het Avondmaal bediend. Maar dan volgen deze woorden: „Dog den 2den Paaschdag onpasselijk." Dat is de laatste aantekening van Ds. Weerman. Van de 13 kinderen, die hij in 1780 nog doopte, heeft hij er geen één zelf geboekt. Denkelijk zal hij nog wel weer voor de gemeente opgetreden zijn, maar in den zomer verkreeg hij op zijn verzoek eervol emeritaat. Het was inderdaad geweldig: onder veel zorg en moeiHe een diensttijd van bijna een halve eeuw. 275


Hij had in dien tijd 206 huwelijken bevestigd en zelfs 788 kinderen gedoopt. Maar de kindersterfte was nog steeds zeer groot; anders had de bevolking van Urk sterker moeten groeien dan van 400 tot ruim 500 zielen. Van Ds. Weerman zelf waren 5 kinderen jong gestorven. In Augustus leidde ZEw. nog het beroepingswerk. Toen werd een beroep uitgebracht op den proponent Johannes Henricus Schmidt te Amsterdam. Ds. Weerman verliet Urk metterwoon. Met zjjn heengaan werd een tijdperk afgesloten dat, bij alle moeiten en strubbelingen, mede dank zij de ambtstrouw van den leraar, voor Urk niet ongezegend was. Wat zou het nu zjjn?

276


Ds. Johannes Henricus Schmidt (1780-1808) ---

Niet alleen in aardrijkskundigen en maatschappelijken zin was Urk een eiland: de grote stromingen op de terreinen van wetenschap en religie oefenden er eerst na verloop van langeren tijd hun invloed. Hieraan moet worden toegevoegd, dat de eenvoud der bewoners tegen stromingen, die in een verkeerde richting gingen, als vanzelf een natuurlijke bescherming vormde. Maar ook Urk kon niet zonder mannen van studie en wetenschap, en hun invloed, zoal niet op de diepere levensovertuiging, dan toch op de levenspractijk, kon niet worden geweerd. Zo hing er dus van hun levenshouding, van hun geestelijke „ligging", voor Urk toch wel veel af. Maar die geestelijke leiders waren ook weer kinderen van hun tijd, en daardoor is de geschiedenis van Urk vooral na 1780 niet te verstaan als we niet iets weten van hetgeen in ons land en daarbuiten de geesten in beroering bracht. De achttiende eeuw is de tijd, waarin de geest des ongeloofs meer dan tot dusver openbaar kwam en algemeen werd. Ongeloofstheorieën, die, naar men waande, door de ontwikkeling der natuurkundige wetenschap vereist waren, werden door ijverig vertaalde Franse, Duitse en Engelse werken hier gebracht en door hogere standen gretig omhelsd. Die theorieën drongen, in meer bedekten of brutalen vorm, ook door in onze hogescholen, waar ook de predikanten hun vorming moesten ontvangen. Het is waar, er werd ook tegen getuigd door de enkelen, die aan het geloof der vaderen vasthielden, en bij het eenvoudige volk werd naar hun stem geluisterd; maar die stem, immers maar van weinigen, verklonk onder het geroep van de velen, die er prat op gingen, dat zij de ware verlichting brachten. Ik heb niet kunnen nagaan, of op Urk tegen de nieuwe Psalmberijming, die in 1773, in plaats van de inderdaad gebrekkige berijming van Datheen, door dwang van de overheid werd ingevoerd, verzet gerezen is. Vermoedelijk heeft althans Ds. Weerman zich nog aan Datheen gehouden, maar het is even waarschijnlijk, dat meester Teunis With, in 1776 uit Holisloot op Urk gekomen, een kleinen kring van „zangminnenden" om zich verzameld heeft, om „de nieuwe Psalmen" te zingen. 277


Nu is het zeker niet juist, wat men wel beweerd heeft, dat door de nieuwe bergming „een pad der deugd" loopt, dat in Psalm 1 vers 4 al zou beginnen, want die nieuwe berijming was, ondanks haar gebreken, in veel opzichten voortreffelijk boven de oude. Maar het is ook waar, dat de prediking van dat „pad der deugd" meer en meer de plaats innnam van de verkondiging der waarheden van de Reformatie. Het was een tijd van een hopeloze geestelijke verwarring. Zelfs predikanten, die in hun prediking nog de waarheden der Reformatie brachten, stonden in de politiek beginselen voor, die daarmee niet anders dan door spitsvondigheden konden worden in overeenstemming gebracht. Het was ook de tijd, waarin de geestelijke gezelschappen opkwamen. Omdat men vaak in de kerk niet het begeerde zielevoedsel ontving, trachtte men in die gezelschappen door onderlinge bespreking dat gebrek te vergoeden. En ofschoon, hoe jammer, soms ook in die gezelschappen zeer ongeestelijk gedwaald werd, ze zijn over hef geheel genomen het middel geweest, waardoor in een geestelijke kern van ons volk het geloof der vaderen en de echte godsvrucht bewaard bleven. In dien tijd nu lagen de studiejaren van Johannes Henricus Schmidt van Amsterdam. Waar hij gestudeerd heeft, weten we niet, maar de duidelijke bewijzen zijn er, dat hij aan de zuiging van zijn tijd niet ontkomen is. Had ge ooit kunnen denken, lezer, dat een predikant van Urk, in de kerkeraadsnotulen nog wel, met instemming melding zou maken of, door den schoolmeester, zou doen maken van „de gelukkige tijd van vrijheid, gelijkheid en broederschap" en van „de regten van den mensch en burger"? Dat Ds. Schmidt en meester With (die van 1776 af al op Urk was) verklaarde aanhangers van de Patriottische partij waren en als zodanig ook actief optraden, is mij niet gebleken; maar stonden ze er, blijkens de gegeven aanhaling, dan toch niet heel dicht bij? Meer verwondering nog kan het baren, wanneer ik zeg, dat de man, wiens naam nóg prijkt boven den ingang van het kerkje der Hervormde gemeente, wél een verklaarde aanhanger van de partij der Patriotten was. En toch is het zo: Hendrik Hooft, Daniëlszoon, van 1775 tot 1789 officieel Heer van Urk en Emmeloord, was, ofschoon een der burgemeesters van Amsterdam, een aanvoerder van de Patriotten aldaar. Daaruit zal het te verklaren zijn, dat de stukken, Urk betreffende, sinds 1781 niet zijn ondertekening droegen, maar óf die van Huydecoper óf die van Jacob Elias Arnouds. Was het, wat men dan noemt toeval, dat onder zijn „heerschap" eerst Teunis With tot schoolmeester op Urk was aangesteld (in 1776) en dat daarna (in 1780) Johannes Henricus Schmidt van Amsterdam er tot predikant werd beroepen? Zoals ik reeds meedeelde, had Ds. Weerman nog de leiding van de 278


gemeentevergadering, waarin de beroeping van zijn opvolger aan de orde was. Van de voorbereiding van het beroep, zelfs van het vormen van een grostal wordt in de notulen niets vermeld. Er wordt zomaar meegedeeld, dat op 27 Augustus 1780 tot leraar werd gekozen Johannes Henricus Schmidt, proponent te Amsterdam, en binnen twee dagen hadden reeds de magistraat van Urk en de heer Hooft het beroep geapprobeerd. Op 12 October volgden de examinatie en de approbatie door de classis. Hoe gaarne zouden we iets naders van die examinatie weten! Van de acht op Urk gestelde handtekeningen op den beroepsbrief waren zes eigenhandig geschreven. De bevestiging had plaats op Zondag 12 November. De tekst was toen Jes. 42 vs. 10: „Zingt den Here een nieuw lied. Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en dl wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners." Bij zijn intrede, op denzelfden dag, preekte Ds. Schmidt over Ef. 6 vs 19 en 20b: „En voor mij, opdat mij het woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken ...... " Schone woorden inderdaad. Maar uit de blote vermelding daarvan kan men toch geen conclusie trekken. Wat, zo zouden we kunnen vragen, beschouwde de prediker als „de verborgenheid van het Evangelie"? Twee dagen later trouwde Ds. Schmidt met Elisabeth ten Broeke van Amsterdam. En toen kwam de ambtspractijk. Die zal ons gelegenheid bieden, nader met Ds. Schmidt kennis te maken. Aan het begin was alles in pais en vree. De schout, Klaas Pieters Brands, die immers ook ouderling was, ging in de laatste dagen van 1780 met den dominee op het pad, om „huisvisitatie" te doen; en de dominee tekende als het resultaat daarvan in het notulenboek aan: „Alles wel." Er werden toen 220 „ledematen" geteld. Dan notuleerde hij op 31 December, dat toen door hem „voor de eerste maal het Heilig en hoogweerdig Avondmaal des Heeren" gehouden werd. „Hoogweerdig Avondmaal", die uitdrukking typeert den tijd en — Ds. Schmidt. Het volgende jaar, toen de schout als ouderling afgetreden was, kwamen reeds de moeilijkheden. Klaas Dubbels en Jacob Cornelis Romkes (de zoon van den vorigen schout) vertelden dat de schout, K. P. Brands, zoals ze in Amsterdam hadden gehoord, aldaar overspel bedreven had met een door hen genoemde vrouw. Deswege voor het gerecht gedaagd, verklaarden ze, dat de schout „een eerlijk en braaf man" was. Niettemin werd hun ieder een boete opgelegd van 50 gulden ten bate van de armen. Toen ze evenwel weigerden te betalen, weerde de kerkeraad hen van het Avondmaal. Anderhalf jaar later werd in de notulen vermeld, dat tussen de twee opposanten en den 279


schout de verzoening getroffen en een compromis gesloten was: de boete werd voor ieder verminderd tot 5 gulden en 5 stuiver. Vreemde dingen, nietwaar? In de kleine volksgemeenschap op Urk kon alles zo gemoedelijk toegaan. In Januari 1782 had op verzoek van „het gerecht" ten huize van den schout een gemeenschappelijke vergadering plaats van de magistraat en den kerkeraad. De drie veerschuitjes n.L, die „de burgers" naar hun schuiten op de rede brachten en van daar haalden, waren onbruikbaar geworden en dienden, ter voorkoming van ongelukken, door nieuwe te worden vervangen. En nu verzocht de magistraat den kerkeraad, uit de diakoniekas daartoe het geld voor te schieten. Elk jaar zou 20 gulden worden afbetaald. De kerkeraad toonde zich „uit hoge noodzakelijkheid" bereid, aan het verzoek te voldoen. Maar, zei Ds. Schmidt „het geld is armengeld en dient wel verzekerd te zijn. De schuiten zouden door storm of anderszins verloren kunnen gaan. In dit geval zou de kerkeraad graag elke maand bij alle bewoners in een bosse een mildegift verzamelen, tot de kerkeraad het resterende geld terug had. Dat kan door een diaken of bij absentie door den tijdelijken schoolmeester den eersten Zondag van de maand gedaan worden na de godsdienst." Niemand had daartegen bezwaar. Toen Ds. Schmidt daarop voorstelde, 2 pet. rente te rekenen, werd opgemerkt, dat hier nooit rente gevraagd werd. Er werd over gestemd, maar de stemmen staakten. Het lot besliste toen, dat het voorschot renteloos zou gegeven worden. Ik doe hierbij opmerken, dat het hierboven aangehaalde woord „burgers" door Ds. Schmidt in de notulen is gebruikt. Het was de gewone Patriottische term. Ondanks de hulp door de diakoniekas aan de burgerlijke gemeente verleend, bleef er in de diakoniekas nog zo veel over, dat Ds. Schmidt drie maanden later kon voorstellen, weer een obligatie te kopen. Aldus geschiedde. Het stuk kostte 991 gld. en 18 st. De stand der kas was wel verbeterd! Ook voor zijn eigen financiën zorgde Ds. Schmidt. In hetzelfde jaar wist hij de vergoeding voor het verblijf in Enkhuizen bij gelegenheid van de vergadering der classis van 1 op 3 gulden den persoon te brengen. De diakonale kas betaalde immers! We herinneren ons nog, hoe lang Ds. Weerman wachtte, om van een hem aangedane en nog doorgaande belediging kennis te geven aan den kerkeraad, op hoop, dat de zondaar zich bekeren zou. Ds. Schmidt trad heel anders op. Het was hem overgebracht, dat Jelle Lubberts in Enkhuizen „kwaad" van hem gesproken had: Ds. Schmidt was een slecht predikant, die geen goede toepassing kon maken, hij was een slecht catecheet, hij was een zuiper, die zijn beste vrienden noemde, die hem de grootste borrel gaven; hij zoop met den kerkeraad het diakoniegeld op. In die woorden gaf Ds. Schmidt zelf in de notulen de beschuldigingen weer. 280


Zonder nu eerst nadrukkelijk vast te stellen, dat de overbrenger waarheid gesproken had en zonder eerst een onderhoud met Jelle Lubberts gehad te hebben, legde Ds. Schmidt den kerkeraad in de vergadering van 21 Mei 1782 deze twee vragen voor: Is er iets op mij aan te merken als burger? Of in mijn dienstwerk? Op beide vragen werd neen geantwoord. Toen werd Jelle Lubberts in de vergadering geroepen. Deze vragen werden hem voorgelegd: Hebt gij iets op den predikant tegen? Hebt gij iets tegen zijn persoonlijk gedrag, wandel of leer? Volgens de notulen beantwoordde de gedaagde al die vragen met een kort neen! Hij ondertekende toen de volgende verklaring: ,,En ik verklare, de uytdrukking, dat onze predikant een slegte predikant is, niet in dien zin te verstaan, gelijk het strikt kan genomen worden, maar ik begrijpe daardoor, dat ik voor mij liever de predikatie in een anderen smaak van hem hoorde, dan hij gewoon is te prediken, belijdende 't genoemde onwaarheid te zijn en verzoek daarvoor vergeeving. En voorts is alles daarmeede gedaan en zijn in vriendschap van den anderen gescheiden. In oirkonde deezes ter bevestiging van de waarheid hebbe ik dit met mijn eigen hand onderteekenen willen, gelijk ik gaarne doe. Jelle Lubbers." Die eenzijdig geformuleerde verklaring moet natuurlijk met oordeel des onderscheids gelezen worden. Als het optreden van Jelle zich zo heeft toegedragen, zoals het hierboven is weergegeven, dan is dat zeker te veroordelen; maar we moeten ook begrijpen, dat hij de verklaring onder den ban van het officiële en van de in zekeren zin rechterlijke ondervraging ondertekend heeft. De predikant heeft zich m.i. dan ook met een schijnoverwinning tevreden gesteld. Dit is intussen uit de hele geschiedenis te concluderen, dat de prediking van Ds. Schmidt niet bevredigde. Dat daarbij de aanmerkingen zich op de „toepassing" van de preek concentreerden, is heel goed te verstaan voor wie de geestelijke „ligging" der Urkers kent. Men moge die ligging goedkeuren of veroordelen, zeker is, dat voor den Urker de kracht en de betekenis van een preek eerst .in de toepassing openbaar komt. Deugd en braafheid zijn goed, maar in de prediking moet uitkomen, dat ze vruchten moeten zijn van het geloof. Nog een opmerking. Aangenomen, dat Jelle Lubberts inderdaad gesproken had van het „opzuipen van het diaconiegeld", dan heeft hij daarmee ongetwijfeld gedoeld op de samenkomsten van de kerkeraadsleden nu en dan op Zondagavond, die in den verschenen winter op voorstel van Ds. Schmidl waren gehouden „om den armen en noodlijdenden onderstand te verleenen en dus uyt de cassa der diaconen uytdeeling te doen, terwijl daardoor goede orde kan worden gehouden en B.B. diaconen van veele moeite en last ontheven worden." Ondanks de ruwe kritiek van Jelle Lubberts schijnen die samenkomsten toch in zwang te zijn gebleven en zelfs voortgezet in wat na 28.1


de Afscheiding de Christelijke Gereformeerde gemeente heette. Ik herinner me althans uit de jaren tussen 1870 en '80 dat daar ook zo iets bestond. De diakenen kwamen minstens eenmaal in den winter samen ten huize van een van hen, en dan werden hier en daar bij de behoeftigen verschillende dingen bezorgd. Als kind heb ik hieraan nog meegedaan; en ik weet ook, dat ik het warme bier met suiker, dat dan gedronken werd, heel lekker vond. Nu zeg ik evenwel, dat een dergelijke „drinkgewoonte" beter kan worden nagelaten. Met Jannetje Wijnstok, de gehuwde vroedvrouw, die in 1782 met een „geclausuleerde attestatie" uit Buiksloot op Urk kwam, had de kerkeraad heel wat meer moeite dan met Jelle Lubberts. Ook in haar leven op Urk was zij geen sieraad voor de gemeente. Toen zij deswege eens voor den kerkeraad geroepen werd, gaf zij den koster ten antwoord: „Laat de kerkeraad bij mij komen, of laat mijn man komen." Haar man was geen „lidmaat". Jaren heeft ze den kerkeraad moeite veroorzaakt. Ze bleef tot 1789 op Urk. De kerkgebouwen op Urk zijn nooit stevig geweest. De kerk, die in 1570 door overstroming op een afzonderlijk eilandje kwam te staan, was van hout en viel, na nog 30 jaar te zijn gebruikt, om. Het toen iets meer binnenwaarts verrezen gebouwtje hield het ruim een eeuw uit: door den storm van 1710 werd het zó verzwakt, dat het in 1714 in elkaar stortte. Wat er toen - op de tegenwoordige plaats gebouwd werd, was blijkbaar nog minder stevig. Reeds 3 Mei 1781 schreef de heer Creutz in zijn als steeds zorgvuldig jaarlijks rapport, dat de muren op verscheidene plaatsen door ouderdom (!) vergaan en gescheurd waren. En dan leunde het brandspuithuisje er nog wel tegen, om steun te hebben tegen den storm! Verder schreef Creutz dit: „de balken van de gaanderij, die reeds alle op sleutels leggen en gestut zjjn, zijn met de sleutels zelfs (zelf) verrot, waarbij nog komt, dat deze kerk veel te klijn is, om de gemeente te kunnen bevatten; dog zoude de tooren nog kunnen staan blijven en gerepareert, als mede de kap van de kerk gedeeltelijk weder gebruikt worden, 't geen merkelijk de kosten van een nieuw te makene kerk zal verligten, vooral daar deze kerk niet hoeft te worden geheyt." Op dat rapport tekende de heer Huydecoper aan, dat hij, wat de kerk betrof, „nader bestek en calculatie" wenste. Of er toen in 1781 nog iets aan het gebouw gedaan is, mag betwijfeld worden, want het volgend voorjaar vond men op Urk den toestand zó gevaarlijk, dat een commissie uit kerkeraad en magistraat naar Amsterdam toog, om dien bloot te leggen. Het mondeling onderhoud werd gevolgd door een brief van 28 April, ondertekend door Ds. Schmidt, den schout K. P. Brands, burgemeester Heyn Jacobs en den ouderling Gerrit Brands, waarin werd meegedeeld, dat men den vorigen Zondag geen kerk had durven houden en dat er reeds enige dagen geen school was gehouden, omdat men voor instorting van het gebouw vreesde. Toen gebeurde er althans iets: er werd op stadskosten een houten 282


loods gebouwd, die tijdelijk voor kerk en school zou dienen. De koster — Teunis With — schreef daarover op 23 Juni 1782 in het notulen boek: „Ds Schmidt heeft voor de eerste maal in de loots, die, terwijl 't oude kerkgebouw door ouderdom soo slegt was geworden, dat zonder levensgevaar den godsdienst daarin niet langer konde gehouden worden, van de Heeren Regeerders van Amsterdam, en vooral door de goedgunstige voorzorge van den voedsterheer van onze kerke, den Weiedelen Groot Agtbaren Heer Hendrik Hooft Danielsz., als Ambagtsheer van Urk, alhier op 's stadskos-ten was opgerigt, en tot kerk en schooldienst was gegeven tot wij eerlang eene geheel nieuwe kerk zouden krijgen, des voormiddags gepredikt en dezelve dus ingewijdt, tot dat einde predikende bij die gelegenheid uit 2 Sam. VI : 14—17. Vooraf wierd gezongen Ps. 132 : 2—5 en de naapsalm was Ps. 134 geheel." Die lofprijzing op den heer Hooft is een weinig — naïef. Overigens drukt het citaat wel de blijdschap uit over de ontvangst van die armelijke loods. De tekst van de preek zegt genoeg: „En David huppelde met alle macht voor het aangezicht des He ren...... " „'s Namiddags de gewone Catechismus", vertellen de notulen verder. Het was inderdaad behelpen in die loods. Reeds in Juli stelde de zorgzame heer Creutz voor: „het school of lootz, in 't voorjaar op Urk geplaatst, van buiten te teeren en van binnen de reeten en groote openingen met leem en gehakt stroo aan te strijken en digt te stoppen, aangezien an-derzints de planken schielijk vergaan en in 't winterseisoen deze lootz door de inslaande regen en sneeuw tot het gebruik ondienstig zal zijn." In April 1783 herhaalde Creutz zijn klacht aldus: „ten opzigten van den opbouw eener nieuwe kerk drage zulks meede aan de deliberatie van Uw E.A. voor, aangezien de aldaar provisioneel gestelde houte lootz zo togtig en koud is, dat dezelve 's winters genoegzaam niet kan worden gebruikt." We kunnen ons zo voorstellen, dat er op Urk over die toestand bitter geklaagd werd, vooral toen de tweede winter voor de deur stond. Waar bleef nu de nieuwe kerk? De klachten schijnen Ds. Sehmidt al te luid te zijn aangeheven. Althans op 1 Januari 1784 preekte hij over Klaagl. 3 vs 22 en 23: „Het zijn de goedertierenheden des Heren, dat wij niet vernield zijn en dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben; ze zijn alle morgen nieuw; Uw trouw is groot." Trouwens, aan het bouwen van een nieuwe kerk zat meer vast, dan men op Urk wel begreep. Het bijzondere penninkske, dat men er op Urk zelf voor afzonderde, zal weinig invloed hebben geoefend. Toen de classis in dien tijd hulp vroeg „voor den bouw van een kerk voor de Gereformeerde gemeente te Weenen", vond Ds. Schmidt dat een zeer nuttig doel, maar op Urk moest men zelf liefdegaven verzamelen voor den bouw van een „nieuwe kerk". 283


Urk kostte heel wat, constateerden de thesauriers van de stad met nadruk. In de laatste 10 jaar was voor het onderhoud van Urk en Emmeloord telkens 30.000 gulden uitgegeven. Zij overwogen, of die last niet van de stad kon worden afgewenteld en zij kwamen er toe, daarvoor twee middelen aan de hand te doen. Het ene middel was. dat de stad aan de Staten vroeg, terug te betalen, wat er tot nog toe aan Urk was besteed, of althans te restitueren, wat er in 't vervolg voor zou worden uitgegeven. Het tweede middel was, de heer lijkheid Urk en Emmeloord aan de Staten te cederen, d.i. terug te geven. De regering der stad benoemde daarop een commissie, om het geval te onderzoeken. Die commissie kreeg van den inspecteur Creutz op haar vraag bericht, dat nu voor Urk, behalve voor een kerk, nodig zou zijn 13.600 en voor Emmeloord op zijn minst 80.000 gulden. Daarop overwoog de commissie, of er aan het behoud van Urk en Emmeloord zo veel gelegen was. Ze kwam tot de conclusie, dat Urk voor de grote scheepvaart van het alleruiterste belang was, en dat Emmeloord voor de binnenschipperij een veilige rede bood. Ze achtte verder het tweede door de thesauriers aangegeven middel niet te moeten aanbevelen, omdat Amsterdam, bij het gebruik maken daarvan niets zou terug ontvangen van het tot nog toe bestede geld en ook, omdat Amsterdam zelf het best voor het behoud van de beide eilanden zorgen kon. Overeenkomstig het advies van de commissie besloot de stadsregering op 27 Juli 1784, om aan de Staten te vragen, de kosten van het onderhoud van Urk en Emmeloord over te nemen. Toen dat verzoek van Amsterdam in de Statenvergadering in behandeling kwam, werd het door de heren uit Amsterdam, wat Urk betreft, aldus verdedigd: „Daar het eiland Urk voor de groote schepen, zoo van de admiraliteit en de O.I.C. als anderen, welke naar en van Texel en het Vlie gaan en komen, onontbeerlijk is, also het vuur bij nacht en de kerktoren en kolenloots bij dag noodzakelijke werken bij het op en afbrengen der schepen voor de lootsen zijn, zonder welke zij zeer groot gevaar zouden loopen, om op het Enkhuizerzand te vervallen, terwijl de bewoneren van dit eiland de eenige zijn, die in staat zijn, om de schepen, welke het ongeluk mogten hebben, op hel. Enkhuizer zand te geraken, eenige hulp toe te brengen, alzo de seinen nergens dan op dit eiland kunnen worden gehoord en gezien." Dat klonk inderdaad wel wat anders dan het bekende piratenverhaaltje over de Urkers. Maar natuurlijk besloten de Staten, ondanks het welsprekend betoog van de Amsterdammers, niet zomaar, om aan het verzoek van Amsterdam te voldoen. De zaak werd, ter fine van advies, verwezen naar de Gecommitteerde Raden te 's Gravenhage en te Hoorn. En intussen vergleed ook het jaar 1784 op Urk zonder kerk. Toch werd, op tweeden Kerstdag, de aandacht daarvan geheel afgeleid, om284


dat het eiland in bange vrees verkeerde, dat de ysloper met al het volk zou vergaan zijn. Het Avondmaal ging niet door ........ In April 1785 rapporteerde de goedmoedige en met Urk meelevende heer Creutz weer aan de regering van Amsterdam: „Nopens de kerk, herhaale, hetgeen de eere gehad hebbe, reeds meermalen te brengen onder het oog van U Wel Edele Achtbaarhedens; en word het houden van den godsdienst in de provisioneel gestelde houte loots, voor al bij zwaare hitte en veile koude, een bijna ondoenelijke zaak." Ook Creutz bleef dus hopen. Ds. Schmidt schonk zijn aandacht ook nog aan iets anders. Hij wist, geheel in overeenstemming met zijn „democratische" gevoelens, de instemming van den kerkeraad te krijgen voor een voorstel ter classicale vergadering, om te bepalen, dat in de „honorabele" en „protabele" commissies, die door de synode werden benoemd, naar toerbeurt niet alleen stadspredikanten, maar ook dorpspredikanten zouden gekozen worden. Al waren de motieven tot dat voorstel eer en profijt voor de gekozenen, op zichzelf was zo'n regeling zeker billijk; maar of ze daarna gevolgd is, weten we niet. Indien wél, dan zal het toch voor Ds. Schmidt, gelijk voor heel Urk, nog groter vreugde hebben gegeven, toen daar bekend werd, dat eindelijk, op Woensdag 19 October van hetzelfde jaar 1785, voor rekening van Gedeputeerden, te Hoorn de aanbesteding van een nieuwe kerk op Urk plaats had. Het verzoek van Amsterdam had dan toch vrucht gedragen. In het Rijksarchief te Haarlem is een gedrukt stuk aanwezig, bevattende „Bestek en Conditiën waarna de Edele Mogende Heeren Gecommitteerden Raaden van de Staten van Holland en Westvriesland, in Westvriesland en den Noorder Quartiere ingevolge Haar Ed Mog. Resolutie van 16 Sept. 1785, voornemens zijn, aan den minstinschrijvende aan te besteeden het Metzel, Steenhouwers en Graaf werk van een Nieuwe Kerk en Tooren op het Eiland Urk, met aldaar toe vereischt wordende Matherialen, Vragten en Arbijdsloo— nen, niet daar van uijtgezondert, alles volgens Tekeningen daar van geformeert, en zoo als in dit bestek nader zal worden vermeld." Uit enkele artikelen laat ik hier de bepalingen volgen. Wat attentie verdient, heb ik onderstreept. Artikel I. Het werk bestaat in het afbreken van de oude kerk en het bouwen van een geheel nieuwe Kerk en Tooren. Art. II. Met half Febr. 1786, of zoo dra het open water is, en door de Edele Mog. Heeren Besteeders de Noodkaap gestelt is, zal de aannemer moeten een begin maken met het afbreken van de oude kerk en tooren, geheel tot de fondeering. Overal, waar hij bij het graven der fondamentsleuven eenige doodkisten of lijken ontmoet, zal hij dezelve moeten opruimen en verplaatsen in een of meerdere kuilen. Uiterlijk half Maart moet alles zijn afgebroken en opgeruimt. Goede puyn zal de aannemer kunnen overdoen tegens 2 285


gulden per last van 3600 pond ten gebruike van de zeewerken van de Pïlotage. Art. III. Uiterst 1 April 1786 moet begonnen worden met het metzelwerk. Gezorgd moet worden, dat de oude regenbak niet beschadigt wordt. Art. IV. De fonderingen moeten gemaakt worden met roode Camper IJselse of Vriese bonte moppen. Art. XIII. Het dak zal de aannemer zo spoedig als doenlijk is moeten verleggen en van buiten digt strijken met kalk, gemengd met koehair . Art. XVI. Materialen zullen vrij zijn van 's lands impost. Het cement moet versch en fijn en te Dordrecht gemaalen zijn. De hardsteenen moeten zijn blaauwe Soissentse steen. Art. XVII. Deur- en venstercozijnen te stellen 1 Mei 1786; de kap begin Juni 1786. Het gebouw moet wind- en waterdigt zijn half Augustus 1786 en finaal af zijn September 1786. Voor iederen dag te laat is 10 gulden boete bepaald. Het werkvolk moet zijn nugteren en bekwaam werkvolk. Art. XXII. De besteeding zal geschieden op Woensdag 19 Oct. 1785 te Hoorn. De tekeningen, benevens de monsters van de steen en pannen zijn te zien te Amsterdam in de Nieuwe Stads Herbergh van den 18 tot de 25 Sept, te Urk van den 30 Sept. tot den 8 October ten huize van de schout van Urk, K: P: Brands, en daar na te Hoorn. Zijnde nadere informatie van dit werk te bekoomen bij den Directeur der werken der Stadt Amsterdam, J: S: Creutz, in den Stads Timmertuin. Als mede locaale Aanwijzing bij den Schout te Urk." Het was blijkbaar de bedoeling van Creutz, een bouwwerk te doen verrijzen, dat langer zou kunnen standhouden dan het vorige. Uit artikel II blijkt, dat de in 1714 gebouwde kerk op dezelfde plaats had gestaan, en uit art. I, dat in 1786 werkelijk een geheel nieuwe kerk en nieuwe toren verrezen zijn. In art. Il is sprake van een te bouwen noodkaap, die blijkbaar zou moeten dienen, om in plaats van de afgebroken kerk den zeevaarders tijdelijk tot merkteken te dienen, iets waar met name de Amsterdamse schippers groot belang bij hadden. Na de voltooiing van de kerk is die noodkaap natuurlijk weggebroken. Zij was dus niet dezelfde als de mysterieuze kaap vlak bij den vuurtoren en die geen ander doel scheen te hebben, dan als middel voor de klimtoeren van ons jongens, en die toch op vaste tijden geteerd werd. Van deze kaap, die natuurlijk ook voor de schipperij diende, wist Ds. Landtwerven al te vertellen. In 1923 is zij, als overbodig geworden, opgeruimd. Op 2 Mei 1786 rapporteerde Creutz, dat de pastorie in 7 jaar niet geverfd was. Hij informeerde toen meteen, of de stad het onderhoud van de te bouwen kerk op zich zou nemen, dan wel, of Gecommitteerden ook dat voor hun rekening zouden nemen. Tot herstel van de waterwerken op Urk, door Creutz begroot op 7654 gulden, gaf de 286


stad fiat voor ...... 1584 gulden. In 1921 plaatsten de heren A. J. Reyers en H. J. Moerman in „Flevo" een zeer mooi artikel over Urk. Uit hetgeen ze, als kenners, daarin over de kerk schreven, geef ik enkele aanhalingen. „Inwendig mist dit kerkje het artistieke karakter van zoo menig oud kerkgebouw. Een houten tongewelf, dragende op pseudoToskaansche kolommen, sluit de ruimte af. De beide koperen kaarskronen zijn nog uit den tijd der Renaissance en verdienen de aandacht. Dat ook te Urk een miniatuur-scheepje de kerk versiert, zal wel niet verwonderen. Dit was een aardige gewoonte van onze oudHollandsche zeevaarders, die dikwijls in de kerkelijke colleges zitting hadden. Te Urk zien we in de N.H. kerk een miniatuui' driemaster. T Schip Spitsbergen, zooals vroeger op den achtersteven te lezen stond, maar dat later door ongeoefende hand in het minder karakteristieke De Spitsbergen veranderd is." De kaarskronen en het scheepje waren zeker ook reeds in hel vorige kerkje aanwezig. Over het aanbrengen van het scheepje heb ik vroeger al geschreven. Wat die kolommen betreft, herinner ik me uit mijn jeugd, dat ik ze toen heel „voornaam" vond. „De toren dezer kerk," zo schrijft „Flevo" verder, „heeft een achthoekigen bovenbouw met piramidale spits, beide na 1786 gebouwd. De waarschijnlijk vroegere spitsboogvensters zijn vervangen door half cirkelvormige; de eertijds krachtig voorspringende contreforten zijn vlakke piasters geworden. De vroegere absis werd vervangen door een onbeduidenden eindgevel." Tegenover die zogenaamde veranderingen, met name van die absis (koorafsluiting) in een gewonen gevel rijst bij mij gegronde twijfel. Het kerkje is in 1786 niet maar verbouwd, maar helemaal nieuw opgetrokken. Nu nog één citaat. „Opmerkenswaardig is de bekroning boven het poortje dezer kerk. We zien dat deze versiering overladen en van zwakke compositie is en de behandeling van het ornament kenmerkend voor den tijd, conventioneel. Behalve graflamp, kelk, kruis, Bijbel enz., zien we hier de wapens van Amsterdam, West-Friesland, Emmeloord en dat der Amsterdamsche Burgemeestersfamilie Hooft." Wat de schrijvers hier het wapen van Emmeloord noemen, dat was het wapen van de heerlijkheid. Waren de twee eilanden niet als twee eenden, drijvend op het wijde water? Behalve de hier besproken versiering staat boven de deur nog dit opschrift: „Ao MDCCLXXXVI is deze Kerk en Tooren herbouwdt door de Ed. Moog. Heeren Gecom.e. Raaden van de Staten van Holland en Westvriesland in West-Vriesland en is den 8 May, uit naam van den WelEd: Gr: Ach tb: Hendrik Hooft Dz., Burgermeester van Amsterdam en Ambachts Heer van Urk en Emmeloord, de eersten steen gelegt door Ks Ps Brands, schout en secr. J. S.Creutz, Aedilis." 287


Aedilis = opzichter. De naam Hendrik Hooft is hier een figuur

zonder enige betekenis. Het gelukte den aannemer niet, het werk eind September af te leveren. Veel erger was, dat tegen den tijd van de ingebruikneming, en misschien juist over de hierbij te volgen manier, tussen de magistraat en den kerkeraad een zó ernstig conflict uitbrak, dat het tot „onlusten en onenigheden" aanleiding gaf, waarbij het gelijk blijkbaar niet aan den kant van den kerkeraad was. Van die ingebruikneming gaf de koster-schoolmeester op de volgende wijze mededeling in het kerkeraadsnotulenboek: „17 December 1786. Een dag van groote blijdschap aan welken wij mogten opgaan in de nieuwgebouwde kerk, die onzen zeer geliefden leeraar inwijdde ten dienste van den Heiligen Israëls met de zeer gepaste woorden Haggai II : 10. Zijn W.Ew. nam ter voorafspraak de woorden van Jes. 33 : 20. Vooraf werd gezongen Ps. 122 geheel, na 't voorgebed Ps. 40 : 1 en 2, ten besluyte Ps. 134 geheel. Welke plegtigheid tot algemeen genoegen afliep, zijnde den predikant door den E. kerkenraad hartelijk voor die zoo treffelijke predikatie bedankt. Eene gebeurtenis, die ook door een aanmerkelijke liefdegave aan de armen van de gemeinte, met dankbaarheid erkend wierd, waarvoor op den volgenden Zondag, uyt naam van Broederen Diakonen, de gemeinte door den Predikant opentlijk bedankt wierd." Treft het u hierbij niet, hoe de koster „het woord van den predikant" spreekt? Ook in anderen zin, dan ik hier bedoel, geschiedde dat in de notulen meermalen. Ds. Schmidt liet het inschrijven der notulen vaak aan den koster over, en deze paste daarbij in zijn woordkeus geheel het gebruik van den tijd en van zijn dominee toe. Zo heette het van 1 Januari 1787, dat „het nieuwe jaar (werd) ingezegend met Paulus' welmeenenden zegenwensch" uit Rom. 15 vs 33. De eerste kerkeraadsvergadering in dat jaar werd „met een gepast gebed geopend". Elders is weer sprake van „een nadrukkelijk en gepast gebed" of van „een plegifig gebed", waarmee de vergadering werd „ingezegend". Het geschil tussen de beide colleges werd gelukkig spoedig opgelost. Op 7 Januari 1787 besloot de kerkeraad wijselijk, „in de huisbezoekinge bij de regenten komende, hun des kerkeraads genegenheid en hartelijke wensch te kennen te geven, om de uit bijzondere verschillen voortgekomen onlusten en oneenigheden vóór de bediening des H. Avondmaals uit den weg te ruimen." Even verder staat in de notulen, dat de schout met het gerecht op verzoek den kerkeraad ontvangen heeft en dat „verzoening, vergeting en vergeving" gevolgd is. Of het den schout aangenaam aandeed, dat kort daarna Klaas Dubbels, de man, die in 1781 tot 50 gulden boete veroordeeld was, omdat hij van den schout kwaad gesproken had, tot ouderling werd gekozen, mag betwijfeld worden. 288


Maar met de nieuwe kerk was de schout wel content. Op 22 Febr. 1787 schreef hij aan Creutz: „Wij hebben van de winter schoon warm in de nieuwe kerk geseeten." Zo had dus de tochtige loods voor den kerkdienst afgedaan. In de vier en een half jaar van haar gebruik waren er 80 kinderen in gedoopt en 20 huwelijken in bevestigd. Voor den schooldienst bleef de loods in gebruik: het eerste afzonderlijke schoolgebouw op Urk. Zelfs werd er zeven jaar later een bengel op geplaatst, waarvoor aan Marten Gerrits, wegens „aerbijsloon" werd betaald „de somma van ses en twintig gulden ses stuyvers en 8 pen". Waar die loods stond? De oudere Urkers herinneren zich nog het huis van burgemeester Kagei, waar later de heer Pieter Hoekstra in woonde? Welnu, het achterste gedeelte van dat lange smalle huis is enige jaren raadhuis geweest, en daarachter, met een glop er tussen, stond een grote schuur, die door Pieter Hoekstra lang als magazijn is gebruikt. Dat was het oudste schoolgebouw op Urk. Had Ds. Schmidt nu zijn nieuwe tochtvrije en veilige kerk, zijn prediking bevredigde niet; maar de notulen zijn daaromtrent uiteraard zeer sober. Positieve mededelingen daarvan bevatten ze vanzelf niet, maar negatieve nu en dan wel. Zo vond ik in het jaar 1787 aangetekend, dat Harmen Roelofs Borger en zijn vrouw „al weer" bedankt hadden voor de nodiging ten Avondmaal. Na het Avondmaal werd in de kerkeraadsvergadering, waar hij zich gewillig heen begeven had, getracht, zijn bezwaren weg te nemen, maar blijkbaar zonder resultaat. Daar deze mensen volstrekt niet behoorden tot wat men wel „lastige leden" noemt, valt te vermoeden, dat hun bezwaren de prediking betroffen. Het geval herinnert enigszins aan dat van Jelle Lubberts. Gedurende de bouw van de kerk was het begraven onder de kerkvloer doorgegaan, tot zelfs op 16 October 1786. Sinds dien werd er begraven op wat men toen het nieuwe kerkhof noemde, zuidelijk van de kerk, de eerste maal op 19 April 1787. In het huwelijksregister staat deze aantekening: „1 Juli 1787 zijn Wiebrand Abrahams Ras j.m. en Marijtje Jacobs van Smirren j.d., naa dat hunne 3 openbare huwelijksvoorstellingen on verhinderd gegaan waren, in den huwelijken staat bevestigt. Zijnde deze personen 't eerste paar, dat in de nieuwe kerk alhier getrouwt is". De steller van deze berichten, de koster-schoolmeester Teunis With, had èn gaf soms ook moeilijkheden, weerslag van de decadentie van den tijd. Op 14 Juli 1788 op zijn verzoek tot de kerkeraadsvergadering toegelaten, deelde hij mede, dat men te Holisloot (waar hij vandaan kwam) hem beschuldigd had, dat hij op een Zondag dronken was geweest. Hij verzocht nu attestatie van de onwaarheid! Mondeling werd hem gezegd, dat alles laster was, maar het gevraagde getuigenis kreeg hij niet. Moeilijkheden van anderen aard waren er ook. In 1771 was een 289 19


behoeftig gezin van Stavoren metterwoon op Urk gekomen, nadat de

Staverse diakonie steun had beloofd. Op dien steun rekenende, had de diakonie op Urk het gezin enige jaren geholpen, maar dat was opgehouden. Toen de behoeften van het gezin in 1781 waren toegenomen en de diakonie op Urk weer gaarne wilde steunen, was met Stavoren over de vervulling van de vroegere toezegging gecorrespondeerd en intussen verdere hulp verleend. Omdat de correspondentie in 178S nog geen resultaat had gegeven, vaardigde de kerkeraad toen Ds. Schmidt en de beide diakenen af, om in Staveren de zaak mondeling te behandelen, en — ze kwamen met 100 carolusgulden terug. En nu een ander punt, maar daarvoor moet ik in den tijd even terug. Boven heb ik gezegd, dat de Staten van Holland in 1784 het verzoek van Amsterdam, om de voor Urk en Emmeloord gemaakte en nog te maken kosten uit 's lands kas vergoed te krijgen, voor advies doorgaven aan Gecommitteerde Raden. Deze gingen secuur te werk. Hun advies kwam niet zo spoedig. Wel werd in 1785 voor hun rekening het bouwen van de kerk op Urk aanbesteed, maar wat de waterwerken betreft, droegen ze — pas 16 Augustus 1786 — aan Creutz en Den Berger op, om de beide eilanden te inspecteren. Deze heren rapporteerden, dat voor Urk 16000 en voor Emmeloord niet minder dan 749.000 gulden nodig zou zijn. Gecommitteerden stelden toen aan de Staten voor, om nu en voortaan 2/3 te vergoeden van de voor Urk te maken kosten en voor Emmeloord een nieuwe inspectie te gelasten. In de Statenvergadering van 20 December 1786 kwam dat voorstel in behandeling. In behandeling, meer niet. Mocht de invloed van Amsterdam in de Statenvergadering vaak overwegend zijn, door andere leden werd die invloed met lede ogen aanschouwd. En waar het nu scheen, dat door Amsterdam, op kosten van 's lands kas, een voordeeltje zou worden behaald, schoot in het bijzonder het naijverig Dordrecht uit zijn slof. De heren uit Dordt en anderen wensten eerst ruggespraak met hun principalen te houden. En dus werd ,,de finale resolutie uit'gestelt tot nadere deliberatie". Het advies van Gecommitteerden kwam eerst 22 Februari 1788 weer in de Statenvergadering ter sprake, maar toen werd alleen tot een nadere inspectie van Emmeloord besloten. Dordrecht c.s. konden een overwinning tegenover Amsterdam boeken. Het zou hun later op breken. Hier zij herinnerd, dat Hendrik Hooft Dz. op 16 Maart 1789 ook officeel als Heer van Urk en Emmeloord vervangen werd door Mr. Jan Elias Huydecoper van Maarseveen en Neerdijck. De heer Hooft vertoefde sinds 1787, het jaar, waarin Prins Willern V met behulp van de Pruisen in zijn waardigheden hersteld was, met vele andere Patriottenleiders in het buitenland. Aan den heer Huydecoper zal het te danken zijn, dat aan den 290


landmeter J. Schilling werd opgedragen, het eiland Urk in kaart te brengen. Op de mooie kaart, die er het resultaat van was, kwam ook een duidelijke afbeelding voor van de nieuwe kerk. Intussen gebeurde er van de zijde der Staten niets tot het voorjaar van 1791. Toen wilde Amsterdam een laatste poging doen, om de Staten in actie te brengen. In Maart van dat jaar richtten schout en burgemeesters van Urk, stellig in opdracht van Amsterdam, rechtstreeks tot de Staten van Holland het verzoek, om voorziening in den zorglijken toestand van het eiland. Dat verzoek maakte in Den Haag meer indruk, dan men zich op Urk had kunnen voorstellen. Toen het in de Statenvergadering was voorgelezen, drongen vele leden er op aan, dat Amsterdam de beide eilanden zou doen inspecteren en hiervan aan de Staten een rapport zou uitbrengen. Alsof dit niet reeds meer dan eens gebeurd was. Maar goed, reeds 9 Mei zond Amsterdam aan de Staten een missive met de mededeling, dat de heren Goudriaan en schout Brands bij hun inspectie tot de conclusie waren gekomen, dat voor Urk ruim 38000 en voor Emmeloord ruim 40000 gulden nodig zou zijn. Voor directe uitvoering kon voor Urk volstaan worden met 19000 en voor Emmeloord met 29000 gulden. Het daarover door Gecommitteerden te 's Gravenhage en Hoorn op 12 Juli uitgebracht advies deed fijntjes opmerken, dat er altoos nog een advies was, dat reeds 20 December 1786 was behandeld. Intussen voegden Gecommitteerden er toch aan toe, dat een nieuwe commissie het rapport Goudriaan-Brands onderzocht en juist bevonden had. Nu stelden ze, evenals vroeger, voor, om van de voor Urk terstond vereiste 19000 gulden 2/3 voor rekening van 's lands kas te nemen en van het nu resterende en later uit te voeren werk eveneens. Toen dat advies reeds den volgenden dag in de Statenvergadering kwam, verzochten Ridderschap en Edelen een afschrift van het advies, om het nader te kunnen bestuderen en de heren uit Dordrecht en anderen evenzo, om eerst de intentie van hun principalen te verstaan. Vijf jaar vroeger hadden ze hetzelfde gezegd! De resolutie der Staten werd dus weer uitgesteld! Toen sloeg Amsterdam zijn slag. Nadat op 21 Juli en 3 Augustus 1791 in den Raad van Amsterdam de toestand der zeewerken en het voor het herstel nodige bedrag besproken waren, kregen de Burgemeesters der stad de opdracht, op grond daarvan met een bepaald voorstel te komen. Na gezette overweging stelden ze op 4 April 1792 den Raad voor, om nu het reeds vroeger in overweging genomen, maar toen ter zijde gelaten middel toe te passen en dus — de heerlijkheid Urk en Emmeloord aan de Staten als leenheren terug te geven. De commissie uit den Raad, die dat voorstel te overwegen kreeg, kwam tot dezelfde conclusie als heren Burgemeesters. De Raad sloot er zich bij aan, en reeds twee dagen later, 26 April 1792, toog de heer Huydecoper, de „sterfheer", naar Den Haag, om persoonlijk het 291


leen aan de Staten over te geveri. Ter Leenkamer verwekte de overgave van het leen geen geringe verbazing en opschudding. De Raadpensionaris, als Stadhouder van Lenen, durfde niet zomaar de overgave aanvaarden en gaf te kennen, dat hij „op dit zeldzaame geval het goedvinden van hun Ed. Groot Mogenden (wenste) te verstaan". De heer Huydecoper zal zich over die verlegenheid wel een weinig hebben verkneukeld. Hij begreep, dat Amsterdam de Staten had schaakmat gezet en toog huiswaarts. In de zekerheid, dat de Staten wel niet anders zouden kunnen doen, dan de teruggeving van het leen te aanvaarden, richtte de heer Huydecoper zich reeds den volgenden dag aldus tot schout en burgemeesters van Urk. „Eerzame, vroome, Schout en Burgemeesters van Urk. Alzoo bij de Heeren Burgemeesteren en Vroedschappen deezer stadt op den 24 deezer is geresolveert, om de Heerlijkheeden van Urk en Emmeloord aftestaan, en wederom op te draagen aan den Leenheer, de Heeren Staaten van Hollandt en Westfrieslandt, kan ik niet nalaaten ulieden hier van kennis te geeven, als meede, dat ik ter voldoening aan deeze resolutie, en uyt kragte van een qualificatie daar toe door Heeren Burgemeesteren op mij verleent, op gister den 26 April mij heb vervoegt ter leenkamer van Hollandt en aldaar de voorschr. Heerlijkheeden daadelijk gecedeert en weeder overgedraage hebbe aan Stadhouder en Leenmannen van Hollandt, ten behoeve van H. Ed. Gr. Mog. de Heeren Staten van gemelden Lande. Ulieden zult hier uyt van zelve begrijpen, dat door deezen afstandt alle betrekkingen, en verbintenissen tussen deeze stadt, of mijn persoon als ambagtsheer en tussen de voorschr. Eylanden of Ulieden, als de regeering over dezelve uytmaakende, koomen optehouden en te eyndigen. En dat gij uw dus omtrent alle zaaken Ulieder Eylandt raakende in het vervolg zult moeten adresseeren en orders vraagen aan H. Ed. Gr. Mog. ol de gecomm. raden en Uw quartier, waar onder uw eylandt behoort of gebragt zal worden. Ik wensche van herten, dat het ulieden en alle de opgezeetenen van Uw eiland, onder deeze nieuwe bestiering niet minder wel mag gaan dan onder de vorige, en dat gij onder de zorg en bescherming van een zoo veel magtiger Heer, ook alle nodige adsistentie tot onderhoudt en beveyliging van UI. Eylandt steeds moogt ontfangen, welke het vermogen van deeze stadt niet meer toeliet Ulieden bij continuatie verder te verleenen. Hiermeede beveele ik Ulieden in de bescherming en gunste van Godt almachtig, en blijve met alle toegeneegentheyt, Eerzaame vroome, Ulied, dienstwillige en goede vriendt Amsterdam, 27 April 1792." J. E. HUYDECOPER. 292


Er klinkt in dit schrijven ontegenzeglijk een toon van weemoed, nu Amsterdam de heerlijkheid, waarover het 132 jaar de zorg had gehad, moest loslaten. We kunnen aannemen, dat het woord „toegeneegentheyt" aan het slot geen blote vorm was. De Staten vroegen omtrent de opdracht van het leen advies aan den advocaat fiscaal en dat advies leidde den 13den Juni tot de resolutie der Staten, om de overgave te aanvaarden. Van die resolutie werd kennis gegeven aan de Leenkamer en aan Gecommitteerde Raden. De laasten ontvingen de opdracht, het leen onder de domeinen te voegen, als de verlijbrief door den sterfheer zou zijn ingeleverd. Aan de Gecommitteerden tot de zaken van Ens, Emmeloord en Urk, kortweg aangeduid als „Gecommitteerden tot de zaken van Ens". de heren D. A. Meerman van der Goes en M. Merens, zou worden gelast, de noodzakelijke werken tot onderhoud der eilanden ten minsten kosten te doen uitvoeren. De laatste beperking zal het enige zijn geweest, dat Dordrecht c.s. welgevallig was. Juist even te voren was van den schout van Urk bij Gecommitteerden te Hoorn de opgave ingekomen, hoeveel er thans nog voor het herstel van Urk nodig was: 10250 gulden en 10 stuiver. Van de ruim 38000 gulden, die het vorige jaar nodig waren geacht, had Amsterdam bijna 28000 gulden besteed. De stad had het er dus niet maar op aan laten komen. Het nog op Urk liggend materiaal werd een week later voor 1681 gulden door Amsterdam aan heren Gemommitteerden overgedaan. En daarmee was de laatste band met Amsterdam doorgesneden. De Gecommitteerde Raden te Hoorn, Claus Peereboom en Blok, zouden voortaan de heerlijkheid Urk en Emmeloord in naam der Staten besturen als domeingoed. Met de heren Meerman van der Goes en Merens, boven genoemd, hebben zij bijna drie jaar de belangen der eilanden behartigd. Het laatste restje zelfstandigheid der heerlijkheid was verdwenen. De laatst genoemde twee, onderscheidenlijk pensionaris van Amsterdam en Hoorn, die tot nog toe voor de Staten bijzonder de zaken van de beide eilanden behartigd hadden, kwamen op 7 Juli 1792 een soort afscheidsbezoek aan Urk brengen. Er wordt ons van verteld in het „Journaaltje van een tour, gedaan met het groot O.I. Comp.' jagt van den 5 tot den 17 July 1792 door de Zuiderzee", dat als no. 46 opgenomen is in de meer genoemde Collectie van Sypesteyn. Met het nuttige werd toen blijkbaar het aangename verbonden, want enige andere voorname lieden hadden in dien tijd van revolutionnaire woeling in ons vaderland en van velerlei verschrikking in het buitenland, met name in Frankrijk, lust, om met de beide officiële personen een twaalfdaags reisje door de Zuiderzee te doen. Dat reisje was op zichzelf helemaal niet van belang, maar omdat in het „Journaaltje" een en ander van Urk wordt gezegd, dat voor ons wèl van belang schijnt, geef ik er hier een aanhaling uit. Ik laat daarbij enige beschouwingen en voorstellingen voor rekening van den „jour293


nalist". Na de mededeling, dat het jacht op Vrijdag 6 Juli 's avonds om 9 uur, bij Urk het anker liet vallen, gaat het verhaal aldus voort: „Den 7en 's morgens de schout en burgemeesteren van Urk aan boord gekoomen en ons verwelkomd, met dezelve na het eyland gegaan, alwaar door den predikant, den kerkeraad en verdere Luiden verwelkomd, alsdoe met de Heeren gecommitteerdens de tour van het gehele eyland gedaan en de werken gevisiteerd, dezelve volgens opgave alle zeeker in slegte staat bevonden en de bereekeningen niet te grof gemaakt, nog uit weelde; de kerk en school bezien en een visite bij de schout en domine gedaan. Het eyland Urk beslaat een terrein van 540 roeden, bevat circa 100 huishoudens, welke een getal van 520 zielen, onder welke 140 manspersonen. Hetzelve heeft een dorp, staande op het hooge aan de westhoek, op dewelke de vuurtoren, die met steenkolen gebrand werd, staat, alsmeede de kerk, zeedert 1786 nieuw gebouwd. De Inwooners manspersonen geneeren zig alle met vissen, en de vrouwen en kinderen, welke buiten hunne huishoudelijke werken als handlangers tot de heyinge van de paalwerken als anderzints gebruikt werden. Dezelve hebben een fraaije lap grond tot weiland en een groot gedeelte hooijland, waarvan zij in ordinaire gewassen voor een groote 40 stuks beesten hun winter hooij kunnen maaijen. Groentens leeverd het eyland in 't geheel niet op, word ook niet op hetzelve geteeld. De vissers aan de vaste wal koomende brengen van tijd tot tijd de groentens meede. Het varsche water bekoomen zij uit 12 onderscheiden putten, welke zeer goed bruikbaar water uit de grond opleveren. De grond is na een zeekere diepte van eenige voeten alle steengrond, balsteenen genoemd, welke zelfs onder de grond in de kliffen aangroeijen en onder dewelke zig een zoort bevind, dewelke zeer hard is, en zoodra dezelve in water of azijn gedaan worden als meel van elkander te wrijven zijn. Van de N.W. kant strekt zig een groote steen rif uit, op dewelke zig meestal met hoog water 5 a 6 voeten water bevind, in de ordinaire tijden en met oostelijke winden somwijl met laag water droog legt. Voorts is rondom het eyland een goede zandgrond. De vissers hebben alleen aan de zuidkant voor hun vaartuigen, die 60 in getal zijn, een ankerplaats, welke voor de winden met paalwerken aan bijden zijden beschut worden, zig met een hoofd uitsteekende, dog de Rheede zonder dezelve zoude zeer slegt zijn. Hoofd of Haven is er niet, alleenig is op het paalwerk een plank voor het lossen en laaden van de schuijten gemaakt. De verminderingen van het eyland zijn zeer sterk. Den schout verzeekerde ons, een oude vrouw gekend te hebben, welke zeer wel heugde, dat de verste distantie om het hooij te laaden en te haaien, zoo ver was, dat men op een geheelen dag maar twee voer na het dorp konde haaien. Bij het heijen der paalwerken winnen de manspersoonen 15 en de vrouwspersoonen 14 stuivers daags". 294


Het zal voor de ouden en zwaarlijvigen schout een hele sjouw zijn geweest, om met het gezelschap het hele eiland rond te kuieren. In den namiddag vertrok het schip in de richting van Wieringen. Een verhaal als van die oude vrouw hoorde men ook op andere plaatsen langs de Zuiderzee, waar het land afgenomen was. In de Collectie Van Sypesteyn zijn de nummers niet in historische volgorde geschikt. Zo bevat reeds no. 41 de rekeningen en lijsten van arbeidslonen van het ter plaatse aangenomen werkvolk, mannen, vrouwen en kinderen, voor de werken, die op Urk en Emmeloord, twee dagen na het boven vermeld bezoek, voor rekening van heren Gecommitteerden begonnen zijn ter verbetering van „den slegten staat" der waterkeringen. De schout van Urk, die, zoals men weet, op Emmeloord hetzelfde ambt bekleedde, had bij die werken het algemeen toezicht en deed de dagelijkse betalingen. Sinds 1793 werd hij hierin vanwege zijn zwaarlijvigheid bijgestaan door zijn neef Grabbelt Brands, in genoemd jaar als opzichter aangesteld. Hij was met een jongere zuster van mevrouw Schmidt gehuwd, maar deelde geenszins de politieke mening van zijn zwager. Op een van de lijsten nu worden 15 mannen met naam of bijnaam genoemd en wel 45 vrouwen. Op een andere staan „kindertjes van de hei". Ze verdienden van 4 tot 8 stuiver per dag. Onder de mannen wordt ook een der burgemeesters genoemd! J. Coenraad Schenk, de man van de vroedvrouw, had als timmerman 22 stuiver per dag. Begin Sepember 1792 ontving de magistraat van Urk het bericht, dat Gecommitteerde Raden van Hoorn den 12-den dier maand als „Ambagtsheeren" het eiland dachten te bezoeken. Ook Ds. Schmidt hoorde het. Op Zondag 9 September stelde hij vóór den morgenkerkdienst den kerkeraad voor, „of 't niet behoorlijk was, dat H.Ed. Mog. door hem met een redevoering in de kerk wierden verwelkomd, zoo jaa, dat men dan aan den Agtb. Magistraat met 't uytgaan van den morgengodsdienst soude kennis daarvan geven, om vervolgens 's namiddags aan de gemeinte ook sulks bekend te maken. Beide voorstellen werden geredelijk toegestemd en ook van de Agtb. Magistraat als noodzakelijk volkomen gebillijkt. Edog, alzoo den schout niet praesent was, wierd geoordeeld, om zulks ook hem te communiceeren, 't welke den jongsten ouderling op zig nam, om dan ook hiervan den predikant te rapporteeren, welk rapport egter niet aan de verwagting voldeed, hebbende de schout geantwoord, dat hij daarvan 't eerste moest kennisse gehad hebben, dat hij zulks niet nodig vond en er geen order toe geven wilde". Dit laatste werd den kerkeraad gerapporteerd even vóór den middagkerkdienst, en Ds. Schmidt zag een nieuw conflict komen. Had hij toen nog maar begrepen, dat hij „buiten zijn boekje" was gegaan, en dat hij dit den schout behoorde te bekennen. Te betreuren valt het, dat de burgemeesters zulks niet begrepen, maar dat ze Ds, Schmidt in zijn opzet deden volharden. 295


„Burgemeesters egter" — zo vervolgen de notulen — „bleven bij hun resolutie en verzogten den predikant, om de gemeinte van 't geresolveerde en voorgenoomene communicatie te geven". Indien deze voorstelling in allen dele juist is, dan blijkt daaruit wel, dat de burgemeesters meer onder den invloed van den dominee dan van den schout stonden. „Quod factum est" zette Ds. Schmidt onder zijn notulering. Dat is: zo zijn de feiten. Het is maar gelukkig, dat de schout er door de omstandigheden, of beter: door de overrompelende slimheid van den dominee, toe gebracht is, om zijn afwijzende houding op te geven. Laat Ds. Schmidt het maar vertellen. „12 September. Waarnaa H. Ed. Mog. op 't eyland gekomen, door den Agt. Magistraat van 't jagt afgehaald en van den E. kerkeraad door den mond van Ds. Schmidt hartelijk gecomplimenteerd en door de gezamenlijke burgerij, ouden en jongen met een gelukkige aankomst gefeliciteerd zijnde, H. Ed. Mog. zig naar 't huys van den schout begaven, alwaar den predikant aan H. Ed. Mog. van 't voorneemen kennisse gav en permissie van H. Ed. Mog. daar toe ontvangen hebbende, wierden vervolgens H. Ed. Mog. aan 't huys van den predikant door den E. kerkeraad opgewagt en door denzelven vervolgends naa de kerk geleyd en aan H. Ed. Mog. de daar toe geschikte zitplaatsen aangeweezen. Er wierd door den voorzanger een gedeelte van Rom. XIII voorgelezen en gezongen Ps. 122 : 2 en 3. Den predikant beklom vervolgends den predikstoel en wees in een kortbondig voorstel uyt 1 Timoth. II : 1 en 2 der gemeinte hunnen pligt aan omtrent hunne gebiede (!) overheid, waarna H. Ed. Mog. hartelijk als Ambagts Heeren wierden begroettet en over H. Ed. Mog. en in hunne hoogaanzienlijke personen over H. Ed. Gr. Mog. de dierbaarste zegeningen uytgeboezemd en toegewenscht. Ten besluite wierd gezongen Ps. 134 : 2 en 3. Den predikant wierd hartelijk bedankt voor de weimenende toewensching van 's hemels zegeningen door H. Ed. Mog., als ook door den E. kerkeraad en naderhand van zeer veele uyt de gemeente. Gelijk H. Ed. Mog. hierin 't grootste genoegen betoonden, begaven zig H. Ed. Mog. wederom na 's Predikants huys, nevens de leden van den E. kerkeraad, en zijn ook vervolgends wederom met hartelijke zegeningen van ons gescheiden, ter wijl H. Ed. Mog. geleid werden tot aan het schip. Uit naam en last des E. k.k.raads Joh.s. Henr. Schmidt V.D.M." Aan deze mededelingen in het notulenboek werd nog een noot toegevoegd: „Is dit voorenstaande in de Boekzaal van de maand Sept. a.c. ingezet tot bericht." Heel Nederland kon dus van het optreden van Ds. Schmidt kennis nemen! A.c. = Anni currentis = het lopende jaar. 296


We zouden zo zeggen, dat de houding, die Ds. Schmidt hier tegenover de Gecommitteerden aannam, helemaal niet de houding was van iemand, die Patriottische gevoelens koesterde. Inderdaad is er in die houding iets raadselachtigs, al schijnt er formeel niets op aan te merken te zijn. Dat de Gecommitteerde Raden met de ontvangst op Urk hun ingenomenheid betuigden, is te verstaan. Hier werden ze althans zonder beperking als „hoge overheid" ontvangen en geëerd. En dat de Staten, en in hun naam Gecommitteerden, zolang ze de macht hadden, die macht ook toonden, zelfs in het kerkelijk leven, bleek nog in hetzelfde jaar 1792. De classis Enkhuizen had toen voor de kosten der jaarlijkse kerkvisitatie vergoeding gevraagd uit 's lands kas. Nu werd in de Octobervergadering van de classis meegedeeld, dat de Gecommitteerde Raden de classis niet maar verzochten, maar hadden gelast, dat twee leden zouden worden gedeputeerd, om aan Gecommitteerden te rapporteren, wat „elke kerk voor dat doel beschikbaar" stelde. De vraag hiernaar kwam dus ook tot den kerkeraad van Urk. Deze oordeelde, dat de diakoniekas de kosten niet behoorde te dragen en richtte tot „den agtbaren magistraat als opperste kerkmeesters" het verzoek, mede te delen, wat de kerkmeesters voor het doel beschikbaar konden stellen. Het antwoord was, dat niets kon worden bijgedragen om den slegten staat der beurze. Eerst een half jaar later, na een samenspreking met Gecommitteerde Raden, werd 5 gulden toegezegd. Gecommitteerden namen intussen overeenkomstig het verzoek der classis, alle overige kosten voor hun rekening. De kosten der kerkvisitatie van Urk alleen beliepen in 1793 zelfs 36 gulden. Die visitatie had in Enkhuizen plaats. Het is zeker jammer, dat we met name van dezen veelbewogen tijd, onze historische voorstellingen moeten opbouwen uit vage berichten, waarbij we telkens geneigd zijn te vragen: Hoe was dit en hoe was dat? We zouden zo graag willen weten, of Ds. Schmidt en meester Teunis With het gewaagd hebben, ook op Urk een Patriottisch vrijcorps in het leven te roepen. Gezien de democratische gevoelens en de uitgesproken anti-oranje-gezindheid van den predikant, acht ik het niet alleen mogelijk, maar zelfs waarschijnlijk. In een werkje van E. Laurillard van 1891, „Op uw stoel door uw land" wordt een spreekwoord aangehaald, dat buiten Urk wel gebruikt werd, n.L: 't Is het genootschap van Urk", dat zou moeten dienen, om de onbeduidendheid van een beweging uit te spreken. Laurillard meent, dat door dat spreekwoord de spot wordt gedreven met de nietigheid van een op Urk gesticht „vrijcorps". De relletjes, die zich nu en dan ook op Urk voordeden, zijn daarmede terstond verklaard. De schout, Klaas Pieters Brands, stond daarbij evenmin als zijn 297


neef, Grubbelt Alberts Brands, zwager van Ds. Schmidt, aan de zijde van den predikant. Maar wat konden ze in dezen tijd van verslappend Oranje-jgezag tegen het Patriottisch gedoe van den dominee en den schoolmeester doen? Er blijft intussen bij mij geen twijfel over, of de oude Oranje-liefde is bij de familie Brands en bij een groot deel der burgerij bewaard gebleven. Van Grubbelt, den neef, is het bekend, dat hij met de vrijheids-ideeën van zijn zwager openlijk den spot dreef, en dat hij en zijn vrouw weinig de kerk bezochten. En van de hartelijke vriendschap, die tussen de familie Brands en den heer Creutz gegroeid was, zie ik de gemeenschappelijke Oranje-liefde als de voorname oorzaak. Van ernstige onrust en verwarring op Urk getuigde ontegenzeglijk het besluit van „den kerkeraad" van 26 Juni 1794, dat aldus genotuleerd werd: ,.Ook is met kennisgeving aan den Agtbaren Magistraat onderling goedgevonden en geresolveert om gewigtige reedenen de Bediening des H. Avondmaals op te schorten ter tijd H. Gecom-miteerde Raden op 't eyland geweest waren." Staan we hier voor een willekeurige daad van Ds. Schmidt? Hij schijnt op Urk in dien tijd zo goed als heer en meester te zijn geweest. „Onderling goedgevonden", zeggen de notulen. Was het besluit van zo'n ernstig karakter dus niet eens in een wettige kerkeraadsvergadering genomen? Dat de „gewichtige redenen" politieke redenen zijn geweest (waarom ze niet vermeld?) blijkt uit het wachten op de komst van Gecommitteerden. Er is toen wel wat te doen geweest op Urk. Het bijzondere voorval, dat op Zondag 21 December van hetzelfde jaar plaatsvond, wordt niet in de notulen vermeld, maar is door de overlevering bewaard gebleven. 's Morgens had Ds. Schmidt in zijn preek de geschiedenis van den geraakte, die tot Jezus gedragen werd, behandeld. Toen de middagkerkdienst, de z.g. catechisatie, geëindigd was, stond een der hoorders, Maarten Timmerman, op, om den uit zee teruggekeerden vissers 023 rijm een welkomstgroet toe te roepen. Daarna sprak hij enigen tijd over het onderwerp van de preek van 's morgens; allicht om aan te vullen of te verbeteren, wat in de preek gegeven was. Tenslotte gaf hij nog 12-maal vijf rijmregels ten beste: de vangst was wel niet voordelig geweest, maar alle vissers waren gespaard; hij wekte dus enerzijds op tot verootmoediging, maar ook anderzijds tot dankbaarheid. Inderdaad een goede inleiding voor het op 28 December te houden H. Avondmaal. Hoe de predikant op een en ander reageerde, wordt niet vermeld. Intussen had het Franse leger met de teruggekeerde Patriotten vóór het einde van het jaar heel Noord-Brabant en Limburg bezet. Op 16 Januari 1795 gaf heel het gewest Utrecht zich over aan de Fransen, en van daar uit verspreidden zich de uitgehongerde vijan298


delflke benden door Holland. Niet onmogelijk, dat een zwervende troep toen over het ijs heen. op Urk is terecht gekomen. Daar leefde althans nog de herinnering voort aan den „immigrantenwinter", toen uitgehongerde lieden op Urk zich aan rijst konden tegoed doen. Er valt in dezen tijd voor Urk een historische puzzle op te lossen. We kenden in de laatste jaren geen anderen schout dan Klaas Pieters Brands; maar zonder dat ergens enige aanwijzing te vinden is van een schoutsverwisseling, spreken de kerkelijke notulen van 9 April 1798 onverwacht van „den onlangs afgezetten schout en secretaris Klaas Dubbels". Vrage: Wanneer mag Klaas Dubbels voor Klaas Brands in de plaats gekomen zijn ? Het antwoord zoek ik in de algemene politieke gebeurtenissen. Na de daadwerkelijke revolutie van 22 Januari 1795 namen de vooraanstaande Patriotten in het gewest Holland de leiding. Van de Staten was geen sprake meer. Er werd zelfs niet aan hen gedacht, dan alleen om ze buiten de regering te houden. Het gezag der Gecommitteerde Raden in Hoorn was dus ook op Urk absoluut geëindigd . De nieuwe voorlopige regering van het gewest Holland, tegen welke niemand zich durfde te weer stellen, zond naar alle plaatsen een aanschrijving, dat „het souvereine volk", waaronder men verstond alleen de verklaarde Patriotten, in iedere plaats een nieuwe overheid zou kiezen. Die nieuwe plaatselijke overheid zou den Franschen naam van munidpaliteit dragen. Het is niet aan te nemen, dat deze verkiezing reeds vóór 28 Januari op Urk heeft kunnen plaatshebben. Op dien datum n.1. kwamen in Den Haag reeds de afgevaardigden van de in Holland gekozen municipaliteiten samen als de Provisionele Representanten in Holland. „De rechten van den mens en den burger" werden door hen bezworen. 'Men moet daarbij verstaan, dat alleen aan verklaarde Patriotten, die vermoedelijk slechts een tiende van de bevolking uitmaakten, die rechten werden toegekend. De „vrijheid, gelijkheid en broederschap" werden vóór de geboorte reeds vermoord. Op 8 April besloot die nieuwe „overheid", dat allen, die sedert 1787 een publiek ambt hadden bekleed, daarvan in het vervolg zouden zijn uitgesloten. Dat zou dus in elk geval ook schout Klaas Pieter Brands hebben getroffen, indien hij niet, zoals ik om meer dan één reden waarschijnlijk acht, juist in dien tijd overleden was. Voor de rust op Urk was dit maar gelukkig, want het zou het klein hoopje revolutionairen op Urk niet zo gemakkelijk zijn gevallen, den reeds hoogbejaarden schout zomaar op zij te zetten. Toen werden dus aanstalten gemaakt voor de verkiezing van een nieuwen schout en zeker tegelijk van een munidpaliteit. Het spreekt vanzelf, dat enkele candidaten naar voren kwamen. Ook Grubbelt Alberts Brands, de neef van den ouden schout, schijnt 299


gehoopt te hebben, dat op hem de keuze zou vallen. Hij vroeg althans in Mei aan den kerkeraad een attestatie van zijn gedrag. Zulk een attestatie was voor de verkiezing tot het schoutambt wel niet nodig, maar Grubbelt Brands zal die uit voorzichtigheid hebben gevraagd: hij begreep, dat zijn zwager, Ds. Schmidt, geenszins op zijn schoutschap gesteld was. De attestatie werd geweigerd onder aanvoering van den op zichzelf juisten stelregel, dat de kerkeraad zich niet met burgerlijke zaken had in te laten! Het was toen 27 Mei, en kort daarna, vermoed ik, heeft de verkiezing plaats gehad. De keuze — immers van het klein hoopje Patriottische stemge rechtigden — voor het schoutambt viel niet op Jacob Cornelis Romkes, een zoon van den voor-vorigen schout, noch op Grubbelt Alberts Brands, maar — op Klaas Dubbels, den man, die in 1781 om kwaadspreken ten nadele van den schout met 50 gulden was beboet; die geweigerd had, te betalen, maar die, als erkenning van schuld, tot een overeenkomst te brengen was geweest; en die, ondanks alles, in 1787 in het ambt van ouderling was gesteld geworden. In dezen Klaas Dubbels zie ik een werktuig van Ds. Schmidt en van het Patriottische element. Hij werd schout en secretaris. Het jaar 1795, was, tot zelfs in de kerkeraadsnotulen toe, vol van politiek, direct en indirect, in gunstigen en ongunstigen zin. Zo b.v. deze resolutie van den kerkeraad: Indien iemand als kerkeraadslid voorgesteld wordt, kan een ander, zonder opgave van redenen, voorstellen, hem te passeren; natuurlijk onder geheimhouding. ,.Zonder opgave van redenen". Er kon natuurlijk niet gezegd worden: Die of die is niet van mijn politieke kleur. Maar de bedoeling van Ds. Schmidt was duidelijk genoeg. In September 1794 had Ds. Schmidt, die nog altoos om de „honorabele en profitabele" commissies dacht, „namens den kerkeraad" aan de classis gevraagd, of er bij het benoemen van een commissie voor de kerkvisitatie niet gedacht moest worden aan Urk, „dat toch ook tot de classis behoorde". Had Ds. Schmidt toen gevoeld, dat hij opzettelijk gepasseerd werd? Waren zijn politieke gevoelens voor de classis een beletsel? De classis nam dadelijk geen besluit, maar besliste later bij referendum, dat de vraag van Urk in de Paasclassis zou worden behandeld. Toen dit in den kerkeraad van Urk bekend werd, besloot deze, niet mee te betalen in de onkosten der visitatie en niet voor de visitatoren te verschijnen, als Urks voorstel werd verworpen: dit zou een verkorting zijn van het recht van de kerk van Urk. Lees hier: van Ds. Schmidt. Op de Paasclassis, waar Ds. Schmidt dat dreigement inderdaad uitsprak, werd meegedeeld, dat „bij resolutie van Hollands Representanten het houden van een synode was afgeschaft en dat er dus geen visitatie meer zou plaats hebben." De kerkeraad van Urk hield zijn voorstel intussen „levendig". 300


Allermerkwaardigst is artikel 4 van de notulen der vergadering van 27 Mei. We lezen daarin letterlijk dit: „Nog stelde gemelden predikant voor, dat 't billijk was, om van nu voortaan, in de gelukkige tijd, van vrijheid, gelijkheid en broederschap de classis reizen niet aan te besteeden, volgens oud gebruyk, maar er om te laten loten, alzoo alle even gelijk recht er toe hebben. Geresolveerd, om dit voorstel te accepteeren, als overeen komende met de regten van den mensch en burger, ook zal hiervan terstond gebruyk gemaakt worden voor de Pinxter classis reize". Wel nergens heeft Ds. Schmidt zijn politieke geloofsbelijdenis zo duidelijk uitgesproken als hier. Het standpunt van 1792 had Ds. Schmidt blijkbaar reeds lang achter zich gelaten. Onder zijn leiding en voorgang werd de leer der volkssouvereini teit op burgerlijk en zelfs op kerkelijk terrein aardig in practijk ge bracht. „Op voorstel der Burgeren" bepaalde het plaatselijke bestuur in 1795, dat de schout van sommige door hem genoten inkomsten, als b.v. zijn aandeel in de opbrengst der strandvondersgoederen, 1/8 zou moeten afstaan aan de diaconie. Hoe kwam het nu, dat de kerkeraad drie jaar later moest verklaren, uit die bron nog niets te hebben ontvangen? Klaas Dubbels was toen schout! De volksrepresentanten in Holland vorderden in Juli 1796 van alle ambtenaren, dus ook van Klaas Dubbels en zijn municipaliteit, en van alle predikanten, dat zij zich zouden onderwerpen aan den vasi te stellen regeringsvorm en dat zij niet zouden medewerken tot herstel van het stadhouderlijke bewind. De 18 predikanten, die een verklaring daartoe weigerden te tekenen, werden onmiddellijk geschorst en later afgezet. De grote meerderheid, en daaronder ook Ds. Schmidt, tekende wél, zij het ook onder zeer uiteenlopende motieven. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat de Noordhollandse synode (die toch op tijd vergaderde!) in 1797 Ds. Schmidi aanwees, om Noord-Holland in 1798 op de Groningse synode te vertegenwoordigen. Dat was, zo al geen „profitabele", dan toch een „honorabele" opdracht. Op Urk werd besloten, daarvoor 25 gulden uit de diakoniekas beschikbaar te stellen. De synode en „het land" vergoedden niets! Zelfs de woordenkeus in de notulen staat onder den invloed van de politieke denkwijze van Ds. Schmidt. Dat de kerk geen burgerlijke vereniging is, maar leeft naar haar eiger ordinantiën, scheen hij geheel te vergeten of te willen vergeten. Hij spreekt in de notulen van de verbeterde (lees: aan den politieken toestand aangepaste) classicale wetten en van het wetboekje der classis. De kerkelijke notulen van 1798 zijn zeer uitvoerig en zullen in verband met de politieke gebeurtenissen, een geruimen tijd onze aandacht vragen. 301


Die notulen beginnen, als gewoonlijk, met de mededeling van den kerkdienst op Nieuwjaar en de daarna gevolgde verkiezing. De kerkeraad was aan de beurt, om een kerkmeester aan te wijzen, en het lot viel op ...... Grubbelt Brands, zonder twijfel tot verrassing en ergernis van Ds. Schmidt. Maar nog groter ergernis zou hem ten deel vallen. Nadat op 22 Januari met militair geweld de eenheid in het staatsbestuur was doorgedreven, ging in Februari van het bewind in Den Haag de last uit, om nieuwe gewestelijke en plaatselijke besturen te kiezen uit personen, die de nieuwe orde van zaken waren toegedaan, dat is uit hen, die bij ede wilden verklaren, dat zij een afkeer hadden van het stadhouderschap, de aristocratie, de regeringloosheid en het federalisme. Nu wordt in de notulen gesproken van een militaire bezeitmg van Urk in dien tijd en van de afzetting van den schout Klaas Dubbels. Daaruit is te besluiten, dat ook op Urk, gelijk elders, een afgezant van de regering, geëscorteerd door soldaten, om het „vrije volk" in bedwang te houden, verschenen is, om uitvoering te geven aan dien regeringslast. Tot de leden, welke die afgezant — en niet de burgerij — koos in het nieuwe plaatselijke bestuur, behoorde ook ...... Grubbelt Brands! En — de gekozenen wezen Grubbelt Brands aan als hun president; geheel overeenkomstig het voorschrift. Practisch was hij dan, zoals hij reeds zo lang had begeerd, schout geworden, al werd die naam officieel niet gebruikt. Hij was toen 38 jaar oud. Ook later werd hij altoos schout genoemd, ook toen hij in regeringsstukken maire heette. Het schijnt moeilijk te verklaren, hoe Grubbelt Brands den hier boven beschreven eed heeft kunnen afleggen. Misschien klampte hij zich er aan vast, dat hij althans niet had behoeven te zweren, een afkeer van Oranje te hebben. Maar hij zat nu in het lang begeerde zadel, tot schrik en ergernis van Ds. Schmidt. Deze liet zich, al weten we niet hoe, door de gebeurtenissen zó vervoeren, dat op Zaterdag 7 April deze aantekening in de notulen kwam te staan: „Is door den predikant aan de presente leden des kerkeraads te kennen gegeven, dat hij alhoewel 't de tijd was van de bediening des H. Avondmaals volgends de 3-malige proclamatie hij egter nog in staat was om 't zelve te gebruyken nog ook om te kunnen prediken of 't Avondmaal te bedienen alles uyt hoofde van de omstandigheid waarin wij door de militaire bezetting etc. gebragt waren. Is hierop goed gevonden de bediening des Avondmaals uyt te stellen tot den eersten Pinxterdag a.s. en de gemeynte daarvan te verwittigen, 't welk van den predikstoel geschied is." De geesten op Urk, en daaronder in de eerste plaats die van Ds. Schmidt, waren dus wel in bijzonder heftige beroering gekomen. Was er niet, ongetwijfeld op instignatie van den dominee, een commissie uit de „burgerij" gekozen, om in Den Haag bezwaren in te brengen tegen de benoeming van Grubbelt Brands? 302


Kerkelijk was er al dadelijk iets tegen Grubbelt te doen. Hij en zijn vrouw, een zuster van mevrouw Schmidt, kwamen immers nooit aan het Avondmaal en zeer weinig in de kerk. Op 9 April be sloot de kerkeraad hen te ontbieden en te vermanen ....... den nieuwen schout en zijn vrouw! Maar er was nóg iets. Kon Grubbelt Brands wel als kerkmeester gehandhaafd blijven, of zou men hem bedanken? Het laatste durfde men toch niet aan. Men zou wachten op het resultaat van de klachten in Den Haag. Met het oog op de politieke strevingen van Ds. Schmidt is voorts zeer merkwaardig, wat in dezelfde vergadering genotuleerd werd omtrent de plaatsing van de „oortjesbus". Ik geef het geheel weer en onderstreep wat mijn aandacht trok. „Nopens de oorties boss, tot hiertoe bewaard door den onlangs afgezetten schout en secretaris Klaas Dubbels kwam in aanmerkinge hoe in deezen daar mede te handelen, is hier goed gevonden, om dezelve van 't huys van den genoemden KI. Dubbelts dooide B.B. diaconen bij de Burgerij te doen vragen of deeze burger boss ter alimentatie van den armen opgerigt, dog zoms door dwars bomers was te keer gegaan, 't goede oogmerk daarvan zeer schielijk zoude gemist geworden zijn, nu voortaan ter dispositie van den kerkeraad zoude geplaatst worden, is door voorgen. B.B. diaconen, met de boss in de hand aan de Burgerij ten minsten voor het grootste gedeelte te kennen gegeven, dat den kerkeraad geresolveerd had, om deeze boss te doen bewaard worden ten huize van den tijdelijken Predikant onder deeze bepaling en voorwaarde, dat niemand eenig geld daarin moge steeken ten zij het zelve eerst geteld en geboekt zij, met aanwijzing waarvoor op wat dag en tijd en dit wel onder 't oog van beyden den betaalder en bewaarder van de boss, ter vermijding van alle kwaad vermoeden, en zal bij gelegenheid hiervan kennis gegeven worden aan de Municipaliteit, zooals dit geresolveerd is bij den kerkeraad, met de grote meerderheid der Burgeren, en de municipaliteit verder te verzoeken, om in allen opzigte deeze meening der Burgeren te ondersteunen en te schragen op dat elk en een ygelijk hieraan zich onderwerpe en er naa gedrage, waaromtrent nadere voorslagen door de Burgerij, en uyt hunnen naam en last door den kerkeraad zullen gedaan worden." Op 27 Mei werd het uitgestelde Avondmaal gevierd. De militaire bezetting zal dus verdwenen zijn, en de toestand was rustig gebleven. Twee dagen later volgde een kerkeraadvergadering, die ontegenzeglijk een iets milder geest ademde. Ze werd „met een plegtig gebed ingezegend". Het voornaamste in deze vergadering genomen besluit was, dat op voorstel van Ds. Schmidt eens per maand op een Zondagavond „ter voortplanting van deugd en godsvrucht een particulier biduur zou worden gehouden. 303


Begon Ds. Schmidt nu in te zien, dat zijn optreden inderdaad de

oorzaak zou kunnen zijn van een teruggang in „deugd en godsvrucht" en van de lege kerken, vooral des Zondagsavonds? Met een in de notulen opgenomen toespraak deed Ds. Schmidt van het voornemen mededeling aan de gemeente. Het slot er van schrijf ik af. „Wij zullen onder inwachting van Gods hulpe hiermede den 17 Juny 's avonds ten halv ses uuren een begin maken. Schikt u dan daartoe en bereidt uwe harten, en komt met vereenigde zielen op in onze vergadering. Laat geen stoel of bank ledig staan! die toch kunnen niet bidden. Maar vereenigt u gebed met 't mijne. Laten wij het opzenden tot God op Christelijke gronden, op Jesus heilverdienste vertrouwende. Hij zal ons dan genadig zijn en 't goede niet onthouden. O Heere laat dan dit ons voornemen, door uw genade het gezegend gevolg hebben, dat wij alle u kennen, vreezen en dienen mogen, om ons in uwe goedheid voor tijd en eeuwigheid te verblijden." Critische opmerkingen dringen we hier maar terug. Alleen zal het, ter benadering van het begrip „godsvrucht" van Ds. Schmidt, goed zijn, de bewoordingen weder te geven, waarin hij korten tijd later in de notulen melding maakte van een besluit van den kerkeraad omtrent z.g. doopheffers. „Wierd door den Praeses voorgesteld, dat in deeze dagen 't vooral den plicht van Leeraren en Opzieneren was, om onzen gezegenden godsdienst allen mogelijken luyster bij te zetten, en daar dezen godsdienst veelal en ook bijzonder bij en met de bediening van het H. Bondteken des Doops ontluisterd word, terwijl zomwijlen doophefferen en meestal de getuygen geene ledematen van onze kerke zijn, of men hieromtrent niet eenige voorzieninge ter verbetering zoude kunnen doen?" De kerkeraad besloot toen, deze drie dingen van den kansel bekend te maken: a .doopheffers moeten „ledematen" zijn; b. peeten en getuigen moeten opstaan en ook de drie doopvragen beantwoorden; c. vaders, geen lid, moeten toch ter kerke komen en bij den doopheffer gaan zitten, ook onder 't lezen van het formulier op staan en dus bewijzen, dat zij belang stellen in den doop van hun kind. Niemand zal ontkennen, dat hier reformatie nodig was. Ds. Schmidt leidde de afkondiging van die besluiten met deze woorden in: „Gelievde B. en Z. in den Heere J. C.! Beleven wij thans die droevige dagen, in welke de geest des ongeloovs en der dwaling in en buyten ons kerkgenootschap den meesterlijken rol speelt om onzen geheiligden godsdienst te ondermijnen, en tot verachting te doen worden ...... " Men zou Ds. Schmidt kunnen vragen, of „godsdienst" en „godsvrucht" dan beperkt bleven tot de gemeentelijke samenkomsten. Be304


tekenden die samenkomsten alleen een „eredienst", zonder meer? Diezelfde vraag trouwens kan men stellen bij het lezen van een gedrukt stuk, in het notulenboek vastgehecht, en dat 28 Juli 1798 uitgegaan was van „Gecommitteerden tot waarneming der financiëele belangen der Hervormde kerk in ons vaderland, uit de onderscheidene kerkverg aderingen thans te Utrecht bijeen zijnde." De nieuwe staatsregeling bracht althans dit voordeel, dat ze dwong tot eigen behartiging van de stoffelijke belangen der kerk. De gemeenten zouden voortaan zelf moeten zorgen voor de traktementen der predikanten en voor het onderhoud der kerkgebouwen en pastorieën. Nog drie jaar zouden de traktementen door „het land worden uitbetaald. Vandaar die vergadering in Utrecht. Het door haar rondgezonden stuk wekte op tot het nemen van al die maatregelen, die voor de instandhouding van den eredienst nodig zouden zijn. De gemeente moest worden opgewekt tot geven, „Uit liefde voor den godsdienst en den Verlosser, die in onze samenkomsten vereerd wordt." Een bedenkelijke uitdrukking inderdaad. Het stuk maande verder aan, in elke gemeente een commissie te benoemen, die haar stoffelijke be iangen zou te behartigen hebben. Op Urk werden op 14 October 1798, na een kerkdienst, waarin het Avondmaal was gebruikt, in een dergelijke commissie gekozen: Ds. Schmidt met 29 stemmen (denkelijk van alle aanwezigen), Kobes Pieters met 21, Jacob Nentjes met 19, Jacob Weerstand met 4 en Jacob Camper (de ondermeester) met 2 stemmen. Gerekend naar het aantal stemgerechtigden was de opkomst gering. In de gemeentevergadering, die in 1809 een predikant had te verkiezen, werden 112 stemmen uitgebracht. Denzelfden dag benoemde de kerkeraad een Commissie om het traktement van den predikant in ontvangst te nemen, want aan hem zelf zou het niet meer worden uitbetaald. De volmacht voor deze Commissie begon aldus: „Wij ondergetekende... representeerende de gemeynte van de voormaals heerschende kerk op 't eyland Urk, doen kennelijk ..... " Er was nog meer te voorzien. Van de „Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen volks" kwam ook bij de municipaliteit op Urk een stuk in, gedateerd 26 September 1798, waarin omtrent de diakonale inkomsten opgaven werden verlangd. Ds. Schmidt had op 6 November het ontwerp-antwoord klaar. Hec is geheel in de notulen opgenomen. Er worden acht bronnen van inkomsten genoemd. a. de intrest van 3100 gulden kapitaal, waarvan de kerkmeesters 14 gulden ontvingen; b. de kerkcollecten, 250 gulden 's jaars; c. het provenu van de oortjesbus, waarin, volgens besluit van re genten gestort werd, wat de heffing op de winterharingvisserij opleverde, een duit van 100 haringen; en het armengeld, dat vreemde kooplieden verplicht waren te geven; totale opbrengst 305 20


270 gulden, ook wel 83 gulden;

d. opbrengst van hetgeen de inwoners, geen vissers zijnde, en anderen voor negotie verplicht waren te geven; e. 1/6 van de strandvonders- en andere revenuen van den schout, op voorstel der burgeren door resolutie van 1795 bepaald; in drie jaar niets ontvangen; f. de inkomsten van verhuurd hooigewas: 10 a 11 gulden; g. volgens oud gebruik de helft van de boeten, aan den schout betaald: in 18 jaar (dus sinds 1780) nog geen 50 gulden; h. twee armenbussen, één in de herberg en één in de pastorie, leverden zeer weinig op. Het totaal werd begroot op 600 a 700 gulden 's jaars. De directie, zo heette het, was toevertrouwd aan twee door den kerkeraad verkozen burgers, die jaarlijks rekening deden. Het getal der gesteunden was niet te bepalen: dat hing van „neringloze tijden" en harde en lange winters af. In moeilijke tijden was de toeloop tot de „armbezorgers" merkelijk groot. Thans waren te verzorgen 5 wezen, 3 weduwen en 2 huisgezinnen, samen 15 a 16 personen. Dan had de diaconie aan den schoolmeester 24 gulden te betalen en voor nood buiten Urk 12 gulden 3 stuiver. Vroeger werd nog wel enige steun van regenten genoten. Boven het door de diakenen ingezonden stuk stond als aanspraak: , .Burgers Representanten!'' Onderaan stond vermeld: „in onze vergadering op den eylande Urk 6 Nov. 1798 't Jfde der Bataavsche vrijheid".

De ondertekening luidde: „Burgers Representanten U.L. medeburgeren, de armen bezorgers der Hervormde Gemeynte van 't Eyland Urk, Albert Jacobs \ ,. „ Jan Lubberts J dlaconen"Het stuk werd over Muiden naar Amsterdam gezonden. Hier en daar, o.a. in het Aardrijkskundig Woordenboek van A. J. van der Aa e.a. (1848) wordt van 1799 een mededeling gedaan, die ik wel van weinig betekenis acht, maar die ik toch niet onvermeld wil laten. We weten, dat de Engelsen, op wier vloot zich de Prins van Oranje, de latere koning Willem I, bevond, en de Russen in 1799 een inval deden in Noord-Holland. Ze waren toen een korten tijd meester van de Zuiderzee. De Engelsen bemachtigden een paar schepen en voeren er mee naar de rede van Urk. Hier werden ze overvallen door 12 gewapende Zwollenaars, die, onder bevel van den artillerie-kapitein Ellokman, een Genemuider schuit hadden gedwongen, hen naar Urk te brengen met de gedachte, dat daar wel wat te halen zou zijn. De Engelsen sloegen op de vucht. De rovers namen van Urk een hoeveelheid boter en enige gouden en zilveren sieraden mee en zeilden met de door de Engelsen achtergelaten schepen weg. Het goud en zilver moeten ze later hebben teruggegeven. 306


De inval der Engelsen en Russen liep over het geheel ongelukkig af. Ofschoon hier en daar enige Oranjegezinden den moed hadden, voor hun gevoelen uit te komen, werd de Prins van Oranje door de slappe houding van het volk bitter teleurgesteld. Ook mj verliet ons vaderland. Van de Franse overmacht en van het revolutionnaire bewind zouden we vooreerst nog niet verlost zijn, al nam het laatste telkens andere vormen aan. Ik doe hierbij alleen opmerken, dat in 1801 de grenzen der departementen ongeveer dezelfde werden als die van de gewesten vóór 1795. Urk kwam toen bij het departement Holland. Als we het kerkelijke notulenboek verder doorlezen, treft het ons, dat de aantekeningen in 1799 ineens veel soberder zijn geworden. Dat maakt den indruk, alsof er over Ds. Schmidt, na de door hem ontwikkelde politieke activiteit, zekere geestelijke vermoeidheid gekomen is, die behoefte heeft aan rust. Enkele korte aantekeningen alleen vragen verder de aandacht. In 1800 trad Grubbelt Brands op de gewone wijze af als kerkmeester. De actie tegen hem in Den Haag was blijkbaar op niets uitgedraaid. Men had daar ook wel wat anders te doen! In het Doopboek wordt vermeld, dat Grubbelt Brands in 1802 zijn achtste kind liet dopen. Hij was toen 42 jaar. In de notulen wordt hij door Ds. Schmidt geen enkele maal meer genoemd. Wat het gemeentelijke leven betreft schijnt de 19de eeuw op Urk rustig te zijn begonnen. Bij de aantekeningen omtrent het H. Avondmaal staat in 1801 vermeld: „alles wel"; in 1802 ook; later in 1802: „geen tegenheden". Toch werd daarna tweemaal het Avondmaal weer uitgesteld: in 1803 „om zeer gewigtige redenen" en in 1804 „om dringende omstandigheden". We kunnen naar de redenen alleen maar raden. In April 1805 daarentegen was er „buitengewoon biduur ter afsmeeking van een goddelijken zegen over de visscherij voor de goede burgerij". En ongetwijfeld is het opmerkelijk, dat Ds. Schmidt op 22 December van datzelfde jaar in een buitengewoon dankuur tot de gemeente kon doen uitgaan „een opwekking tot dankbaarheid aan den Opperzegenaar voor de rijke vischvangst". Ook in 1806 was er een buitengewoon biduur voor de visserij. Van een dankuur wordt dan geen melding gemaakt. Op Zondag 17 November 1805 had Ds. Schmidt zijn prediking ingericht in verband met zijn 25-jarig predikantschap. De conclusie van zjjn „voorafspraak" was toen Hand. 26 vs 22: „Dan, hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot, niets zeggende buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou". Deze woorden geven ons wel een opmerkelijke beoordeling van het optreden en de prediking van Ds. Schmidt, zoals hijzelf die zag. Het ontbrak hem niet altoos aan ernstig ambtsbesef; maar daarnaast was hij ook een slachtoffer van zijn tijd. Overigens is het merkwaardig, dat sinds 1799 geen enkele 307


politieke aantekening of verwijzing in de notulen voorkomt. Een

bericht van het jubileum kwam in de „Boekzaal" te staan. Van 1807 staat in het notulenboak niets vermeld dan het jaartal en dat nog met een vreemde hand gesteld. Slechts één persoon deed toen belijdenis des geloofs. Moeten we aannemen, dat Ds. Schmidt het hele jaar sukkelende is geweest? In 1782 had hij zijn enig zoontje en in 1790 zijn vrouw verloren. In 1794 of hsgin 1795 was hij hertrouwd met Antje van Smirnen, wier vader, van Vollenhove gekomen, op Urk getrouwd was. Marretje, een zuster van deze tweede mevrouw Schmidt en gehuwd met Wijbrand Ras, stierf in het begin van Februari 1808. Heeft de toen toch al sukkelende dominee zich met waken en zorgen te veel ingespannen? Het notulenboek vermeldt alleen, tamelijk koud: „1808 d. 27 Februarij is de leeraar dezer gemeente Ds. J. H. Schmidt tot leedwezen dezer gemeente overleden, de vacatuurbeurten enigen tijd ten voordeele der weduwe naar de wet waargenomen." Deze aantekening is waarschijnlijk van den koster-schoolmeester Jan van Rulder, die in 1805 Teunis With vervangen had. Reeds 17 September 1808 volgde de weduwe haar man in het graf. Haar twee kinderen waren toen 12 en 10 jaar oud. Ds. Schmidt heeft op Urk 638 kinderen gedoopt, het grootste getal in 1806: 34. Vier waren om verschillende redenen aan huis gedoopt. Twee waren gedoopt, voordat de ouders getrouwd waren! Zeer vermoedelijk heeft Urk in den laatsten tijd van de ambtsperiode van Ds. Schmidt zijn lang begeerde haven gekregen. Althans in 1805 heeft de waterbouwkundige S. Peereboom voor de Pilotage opmetingen moeten doen van de steenglooiing bij den vuurtoren. De Pilotage was ondanks de stormen der tijden blijven bestaan en had o.a., gelijk men weet, de zorg voor den vuurtoren en zijn bescherming. Nu vermoed ik, dat het advies van Peereboom is geweest, enigszins oostelijk van die steenglooiing een havent je aan te leggen. Het is er in ieder geval niet lang daarna gekomen. Het besloeg slechts ongeveer drievijfde van hetgeen men later op Urk de oude haven noemde. Liep men, uitgaande van de middelste der drie later op Urk bestaande scheepstimmerwerven, die denkelijk zo oud is als het haventje en steeds tegenover den havenmond gelegen heeft, langs den waterkant ongeveer 125 meter oostwaarts, dan kwam men aan het reeds lang bestaande Grote of Opscheepshoofd. Welnu, van die werf tot het hoofd strekte zich die eerste haven uit. De zuiddam er van lag iets verder in zee dan het einde van het hoofd en was hier niet mede verbonden. Men liet daar een gat open van ongeveer 15 meter, zodat het haventje twee ingangen had. De schuiten lagen er veel veiliger dan op de rede in het Hop. Ze konden aan de kant worden gemeerd, al was die kant in het begin slechts een wal van rijshout. Over de vergroting van dat eerste haventje later. Als bijzonderheid valt nog te vermelden, dat de schout, Grubbelt 308


Brands, althans sinds 1806 het huis in de toenmalige Vinkeribuuri bewoonde, „dat door grootte en bouwstijl zeer uitstak boven de nederige visscherhutten er omheen." Zo staat vermeld in de oorkonde van den bouw der pastorie van de Gereformeerde kerk, waarvan 11 Juli 1906 de eerste steen werd gelegd. Van de godsdienstige gezelschappen, die, als gevolg van de niet bevredigende prediking van Ds. Schmidt en van zijn politieke dwaasheden, op Urk zich vormden en in bloei toenamen, zeggen we in het volgende hoofdstuk meer.

309



De kwarteeuw vóór de Afscheiding. (1808-1836) ---

Gedurende de eerste jaren van de 19de eeuw was de politieke toestand van ons vaderland zeer gewijzigd. De hevige Fransgezindheid bij velen was al spoedig bekoeld en tenslotte verdwenen. Bij de steeds inkrimpende vrijheid en bij al de ellende, die over ons volk kwam, vroegen vele der voormalige Patriotten zich af: Wat zijn we toch begonnen ? Bij de staatsregeling, die we in 1801 reeds weer gekregen hadden, was in hoofdzaak teruggekeerd tot de namen en grenzen der vroegere gewesten. Urk was toen gevoegd bij Holland, en daarbij is het, welke benamingen en grenzen Holland ook kreeg, steeds gebleven. In 1806 had Napoleon ons gedwongen, ons te buigen onder den koningsscepter van zijn broer, Lodewijk Napoleon. Van de volksvrijheid, waarvoor ook Ds. Schmidt zo in bewondering was geweest, was minder dan niets terechtgekomen. En in 1810 decreteerde Napoleon eenvoudig: Het koninkrijk Holland bestaat niet meer: Het is een deel van het Franse keizerrijk geworden. Toen kreeg ook elke Urker schuit, die de Noordzee bevoer, een Franse soldaat aan boord om te waken tegen smokkelarij. En wee den armen schepelingen, als er voor den Fransman niet goed gezorgd werd. Bij de nazaten van Klaas Jelles Hakvoort, toenmaals beurtman met een z.g. botschuyt, zijn lang bewaard gebleven de vaar ver gunningen, die hij onderscheiden in 1811 en 1813 van de Franse douane ontvangen had. Ze waren geldig voor een jaar en moesten in elke haven bij aankomst en vertrek door de havendouane afgetekend worden. De stukken zjjn thans in bewaring in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam. Bij alle kleindorps geharrewar begeerde een brede kern van de gemeente van Urk toch een Gereformeerde prediking, en dan bepaald in bevindelijke richting. Dat Ds. Schmidt bij al den ernst, die hij soms openbaarde, daaraan niet voldeed, zal samen met zijn politiek optreden de aanleiding zijn geweest, dat velen zich terugtroklccn in godsdienstige gezelschappen. Het viel inderdaad niet gemakkelijk in die dagen voor Urk een 310


predikant te vinden, die de aldaar begeerde prediking bracht. Wat dat betreft, kon men op Urk zeggen: „De getrouwen zijn weinig geworden in het land." Intussen schijnt men het in 1808 bijzonder getroffen te hebben met de beroeping van Ds. Bakker te Hattem. In de notulen lezen we: „is uit een gemaakte nominatie onder voorzitterschap van Ds. W. Petersen te Oost-Vlieland, als consulent der E. classis van Enk-huizen, door de gemeente op Pinxster Zondag beroepen Ds. Lef-fert Bakker, predikant te Hattem, die na eenigen tijd van beraad deze beroeping in 's Heeren vreeze heeft aangenomen. — Gelijk het zelve daarop door de E. classis van Enkhuizen is geappro-beerd." Een approbatie van de magistraat of van enige andere burgerlijke autoriteit was niet meer nodig. Dat was tenminste een vooruitgang. In den korten tijd van zijn verblijf op Urk, van 2 October 1808 tot 24 September 1809, maakte hij daar een goeden opgang. Hij schijnt een „bevindelijke" prediking te hebben gebracht. De herinnering daaraan leefde op Urk nog lang voort. Nog in 1827, toen op Urk het bericht van zijn overlijden kwam, werd dit aldus in de notulen vermeld: „Heden (11 Maart) werd ons bekend gemaakt het overlijden van L. Bakker, laast predikant te Ermelo, die van 2 Oct. 1808 tot 24 Sept. 1809 ons een geliefd leeraar geweest is en wiens aandenken bij velen in zegening werd gehouden." Van Urk vertrok Ds. Bakker naar Nieuwe Tonge. Op den dag der afscheidsprediking deden 15 personen belijdenis van hun geloof. Onder de kinderen, die Ds. Bakker gedoopt had, was er een met den doopnaam Johannes Henricus Schmidt. De ouders waren blijkbaar grote vereerders van Ds. Schmidt. Dat een „van" als doopnaam gebruikt werd, kwam in dien tijd op Urk meer voor. De consulent, Ds. H. Weyland van Enkhuizen, adviseerde den kerkeraad, om zich, vóór het uitbrengen van een nieuw beroep, eerst te vergewissen omtrent de uitbetaling van het landstraktement. Tot nog toe was het nog al meegelopen. Aan de in 1798 in het vooruitzicht gestelde staking na 3 jaar had de overheid zich niet gehouden. Tot 1792 hadden de Staten van Holland betaald 525 gulden en Amsterdam 250 gulden, waarbij dan nog 100 gulden van Urk zelf kwam. Na den overgang in 1792 had „het land" ook die 250 gulden voor zijn rekening genomen, en dat was tot nu toe zo gebleven. Om nu te weten, of men bij het uitbrengen van een nieuw beroep hetzelfde traktement kon beloven, zond de kerkeraad den ouderling Jan Willems Schouten op audiëntie bij den Minister van Eredienst. Wat een opluchting, toen het bericht uit Den Haag kwam, dat de uitbetaling zou doorgaan. Broeder Schouten ontving den bijzonderen dank van den kerkeraad voor zijn bemoeiingen. Op 11 November 1809 vergaderde weer onder leiding van Ds. Weyland de kerkeraad met de het laatst afgetreden kerkeraadsleden 311


en de kerkmeesters; „volgens oud gebruik", om een grostal te maken. Bovenaan het geformeerd 12-tal stond Ds. S. L. Napjus te Wijckel in Friesland. Maar op het drietal, dat na het zestal gevormd werd, kwam hij niet voor. Op dat drietal stonden: Ds. Mangel te Sijbekarspel, Ds. Immink te Muiderberg en Ds. De Jong te Gaastmeer. Bij de stemming door de manslidmaten den volgenden dag kregen de eerste twee ieder 56 stemmen en de laatste geen enkele stem. Er tekenden zich dus duidelijk twee tegen elkaar opwegende partijen af. Na gebed werd er geloot en het lot viel op Ds. Immink. Onmiddellijk werd de beroepsbrief getekend. Voordat de beroepsbrief verzonden werd, moest, volgens toenmalig voorschrift, eerst voor Ds. Immink aan de municipaliteit het „recht van inwoning" worden gevraagd, en toen die vergunning verleend was, moest daarvan kennis worden gegeven aan den landdrost van Amstelland. Met dit Amstelland is niet bedoeld het veel kleinere departement van den Amstel, waartoe Urk van 1798 tot 1801 behoord heeft. Boven heb ik reeds gezegd, dat in 1801 in hoofdzaak teruggekeerd werd tot de oude namen en grenzen der vroegere gewesten en dat Urk toen bij het departement Holland kwam. Dat duurde tot 1807, het jaar, waarin de Nederlandse gewesten samen het koninkrijk Holland werden. Het departement Holland kreeg toen den naam Amstelland, dat de grenzen van het tegenwoordige NoordHolland had. Aan het hoofd er van stond een landdrost. Alle moeite was tevergeefs: Ds. Immink bedankte voor het beroep. Nieuwe zorg en nieuwe moeite; veel moeite zelfs. Het beroepingswerk werd tot het voorjaar verschoven; maar de rusttijd is geen rustige tijd geweest, want toen men de zaak weer aanvatte, bleek er, tot in den boezem van den kerkeraad, zó grote verdeeldheid te zijn, dat het werk niet kon worden voortgezet. De partijen hadden zich blijkbaar scherper afgetekend. De consulent beproefde vruchteloos, de partijen tot elkander te brengen. Twee bijzondere deputaten van de classis ondervonden hetzelfde. Toen gaven ze de gemeente 14 dagen, om over een plan ter schikking, door hen voorgesteld, na te denken. Maar aan het einde was men even ver. Toen gebeurde er iets droevigs. De deputaten van de classis, die over „die koppige Urkers" gans niet te spreken waren, brachten de zaak voor den Minister van Eredienst. Deze gaf de zaak in handen van den landdrost van Amstelland, en de landdrost droeg den drost van het tweede kwartier op, om na te gaan en daarna zo nodig te adviseren „wie nam,ens het Gouvernement het voegzaamst als predikant in deze gemeente zal kunnen gesteld worden/' De kerkeraad had zich intussen ook tot den Minister gewend en hem bericht, „dat zij zich op 't stuk der beroeping onder elkander verstaan hebben." De Minister beval toen (ja, waar kwam het al toe in ons „vrij" 312


Nederland!), dat een commissie uit den kérkeraad voor den drost zou verschijnen. „Na breede conferentie" met den drost vond die commissie goed, „om eenstemmig en na genoegen der gemeente volgens kerkenorder een 3-tal te formeeren en daaruit door mansledematen te doen beroepen." Het zal den drost heel wat moeite hebben gegeven, om die belofte uit de commissie te krijgen: „na genoegen der gemeente". De drost gaf van e.e.a. bericht aan Ds. Weyland en beval hem, den uitslag te berichten. Zo leidde dus Ds. Weyland op 28 Juli 1810 weer een vergadering van den kérkeraad met de oude kerkeraadsleden en de kerkmeesters. Als voorbehoedmiddel tegen nieuwe verdeeldheid las de consulent voor, welke opdracht de classicale deputaten hem gegeven hadden: als er weer verschil zou ontstaan, moest hij dadelijk staken. Niette min verklaarden Jacob Nentjes, Maarten Timmerman en Albert Lubberts, blijkbaar aan denzelfden kant staande, dat zij het niet eens wa ren met de afspraak, bij den drost gemaakt: ze zouden zich van stem ming onthouden ....... De meerderheid ging evenwel door. Er werd eerst een zestal en daaruit een drietal gemaakt: Ds. J. de Jong te Gaastmeer, Ds. S. L. Napjus te Wijckel en Ds. J. D. Schuuring te Rockanje. Den volgenden dag, een Zondag, werd door de gemeente gestemd. Nu kreeg Ds. De Jong 63 stemmen, Ds. Napjus 57 en Ds. Schuuring geen enkele. Maar — ook Ds. De Jong bedankte voor het beroep! Op Zondag 9 September zou Ds. Weyland op Urk preken. Vóór den morgendienst werd een vergadering van kérkeraad, oude kerkeraadsleden en kerkmeesters gehouden. Alleen één der drie opponenten van den vorigen keer, de oud-diaken Maarten Timmerman, was afwezig. Het voorstel, om het drietal van den vorigen keer met een nieuwen naam voltallig te maken, vond bijval; en zo kreeg men: Ds. Napjus, Ds. Schuuring en Ds. A. H. Scholte van Druten, Afferden en Deest. In de notulen staat abusievelijk Scholten. 's Namiddags werd er gestemd. Ds. Napjus kreeg nu 59, Ds. Scholte 63 stemmen en Ds. Schuuring weer geen enkele. De partij, die den vorigen keer op Ds. De Jong had gestemd, was nu blijkbaar op Ds. Scholte overgegaan. Deze kreeg dus het beroep. Dat de afwezige oud-diaken Maarten Timmerman met dat beroep ingenomen was, bleek daaruit, dat hij voldeed aan het verzoek, om den beroepsbrief te schrijven en met den predikant, Hendrik de Haan, te ondertekenen, maar allermeest uit den inhoud van den beroepsbrief, die geheel afweek van het model, dat lang geleden door de classis verstrekt was. Ik geef den beroepsbrief, die nog door de nazaten van Ds. Scholte bewaard wordt, in zijn geheel weer. „Waaide Broeder. Daar het de Koning Zijner Kerke in de weg van Zijn aanbid313


delijke voorzienigheid behaagd heeft om onze keuse op U Eervv. tot onzen gewone Herder en Leeraar te doen vallen hetwelk op den 9 Sept. door Een Wettige beroeping en een volkomen meerderheid van stemmen Duydelijk gebleken is. — Nu hoopen en vertrouwen wij teffens dat de Heere U harte daartoe zal overgebogen hebben om in Zijne vreese onse Roepstem ook gewillig op te volgen en zoo U Eerw. nog ten vollen niet moogt overreedt zijn wenschen wij dat de Heere daartoe de Noodige invloeden van Zijn goede Geest mag schenken en U zoo gewillig als Philippus het midden van Samarien verliet en na een dorre woeste plaats ging om een kamerling J: C: te prediken dat UEd ook zoo gewillig moogt gemaakt worden om in het Macedonien van Urks gemeente moogt komen om ons te helpen en alle beswaaren en hindernissen die U daartoe nog in de weg zijn mag wegnemen. Mooglijk zal UEd denken dat het is een Eyland dat is zoo. Wij zijn daardoor wel van het vasteland afgescheyden maar door 70 a 80 vaartuigen die hier 't huis behooren kunnen wij veel correspondentie met de Rondom Leggende plaatsen hebben als bij voorbeeld Enk-huizen, Hoorn, Amsterdam enz. Insonderheid des Winters met de Haring Vangst op Muyden. Meest alle dagen daar bij zoo is het een Eyland dat zeer hoog is en niet overstroomd. Het word bewoond door 700 zielen in Religie met uytzondering van een Luthersch huisgezin alle Eensgezind Namelijk Gereformeerd bestaat alleen van de visch Vangst de Visscher zijn niet ongeschikt Want van Boodschappen of Brieven word niet meer als het Port teruggegeven. Onse geweesene Predikant Ds. Bakker was op hetzelve in het algemeen zoo bemind dat hij maar zeggen kon met wien hij wilde varen. Op hetzelve staan Ruym honderd huysen een bekwame pas torie. Een Schoone Nieuwe Kerk. Mooglijk zal UEd voor het Tractement ook bezorgt kunnen zijn. Dat is niet buyten Reden. Maar voor het zelve meenen wij veel verzeekering te hebben Want daar het vaste Tractement te vooren f 525 was maar ongeveert een Tyd van 50 jaar daar en boven een bijlaage van ƒ 250 is genoten geweest zoo hebben wij na het vertrek van Ds. Bakker door Request aan Zijne Majesteit den Koning verzogt om de ƒ 250 ook tot een vast Tractement te mogen genieten hetwelk door zijn Majesteyt den Koning ook is toegestaan waar van wij een gezegeld bewijs in handen hebben en op het Bureau van Eeredienst is aangeteekend zoo dat wij nu aan vast Tractement van 't Land genieten ƒ 775 en Een honderd gulden van het Dorp gegeven word te zamen agthonderd en vijf en zeventig Gulden Maar in gevalle zulks onverhoopt mogt mislopen dan moeten wij het zien te schikken waarvoor de President van het gemeentebestuur ook meede zal teekenen. Wanneer UEd onse beroeping zult hebben aan genomen zal er direct een Commissie na UEd afgevaardigd worden om over de Losmaking te spreken wanneer die geschieden kan als mede over UEd goederen waar 314


we die het best kunnen in schepen en wanneer wij daar toe een vaartuig moeten in gereedheid hebben als ook mede om turf voor EUd op te doen terwijl 't nog zomer is. Daar UEd hartelijk van ons begeerd wordt jaa ook van Alle die den Heere kennen zoo is ons verlangen zeer na UEd uytgestrekt om U aangezigt in welstand te mogen aanschouwen. Blijven in verwagting na toewensching van Heyl en Gods dierbaaren zegen UEd mede Broeders en kerkeraad van Urk uit Naam en Last deszelfs. M. Timmerman, Oud Diacon Hendrik de Haan President. Urk, den 25 Sept. 1810." Druten was de eerste plaats van Ds. Scholte. Hij stond er pas een jaar. Hij is niet op Urk wezen kijken en schijnt zelfs zijn kerkeraad van het beroep onkundig te hebben gehouden, want in de kerkelijke notulen van Druten wordt het niet vermeld. Na vier weken van „beraad" bedankte hij voor het beroep van Urk...... " Reeds dadelijk had men er toen het beroepingswerk willen voortzetten, maar eerst werd het „door opgekomen moeilijkheden" en daarna „door winter en vorst" vertraagd. In het voorjaar van 1811 was er een oefenaar op Urk werkzaam. Op Donderdag 21 Februari werd hem door den kerkeraad verzocht, de vergadering bij te wonen „tot getuigenis der waarheid". Aan dat verzoek voldeed hij. De twee diakenen werden toen naar den schout, G. Brands, gestuurd, om het trouwbusje en het ellenbusje te vragen. Het eerste hebben we nog niet leren kennen, maar het is duidelijk, waarvoor het diende. Het ellenbusje zal hetzelfde geweest zijn als het ons reeds bekende oortjesbusje. Dit was in 1809, nadat het geledigd was, bij den schout aan huis gebracht. Het had toen 13 gulden en 16 stuiver opgebracht. Nu wilde de kerkeraad beide busjes blijkbaar weer ledigen. De schout gaf echter wel het trouwbusje, maar niet het ellenbusje mee: de schout zei, dat hij er eerst het geld, dat hij er uitgenomen had, weer wilde indoen. Dit alles werd „Pro memoria" in het notulenboek geschreven en daarna door de ouderlingen en de diakenen en oefenaar Johannes Thieleman van Baaien ondertekend. Verder is van den oefenaar geen sprake. Het eindelijk op 9 Maart 1811 gevormde drietal bevatte: Ds. Napjus te Wijckel, Ds. J. Kroon te Kolhorn en Ds. A. Fonhof te Ransdorp. Met de stemming op 17 Maart ging het vreemd: Ds. Nap jus kreeg 64 stemmen. Ds. Kroon geen enkele en Ds. Fonhof 2. Ds. Napjus werd dus beroepen en reeds 5 Mei door Ds. Weyland in zijn ambtswerk bevestigd. Den volgenden Zondag deed hij zijn intrede. 315


Ik geef hier een overzicht van de laatste vier stemmingen, die alle gehouden zijn binnen een tijdsverloop van anderhalf jaar en ons dus nauwkeurig op de hoogte stellen van den toestand der gemeente. 12 Nov. 1809 Mangel van Sijbekarspel 56 Immink van Muiderberg 56 De Jong van Gaastmeer — 29 Juli 1809 De Jong van Gaastmeer 63 Napjus van Wijckel 57 Schuuring van Rockanje — 9 Sept. 1810 Napjus van Wijckel 59 Schuuring van Rockanje — Scholte van Druten ca. 63 17 Mrt. 1811 Napjus van Wijckel 64 Kroon van Kolhoen — Fonhof van Ransdorp 2 Het is, zoals boven reeds gezegd, duidelijk, dat er onder de stemhebbende leden twee tamelijk wel afgebakende groepen waren, die in getalsterkte tegen elkander opwogen. In dit laatste lag blijkbaar de voornaamste oorzaak van de moeilijkheden bij de stemming. Iedere groep meende natuurlijk, het bij het rechte einde te hebben en geloofde, dat toegeven verlies voor de gemeente zou betekenen. Wij moeten niet vergeten, dat iedere groep op haar eigen manier vasthield aan de Gereformeerde belijdenis. Maar wat was nu het verschil tussen die twee groepen? Daarop schijnt de gang van de stemmingen enig licht te werpen. Bij de laatste stemming kreeg Ds. Napjus, die voor de derde maal op het tal stond, 64 stemmen. Ban en achterban schijnen toen wel te zijn opgeroepen, al was het verschil met de vorige getallen, 57 en 59, niet zo groot. Dat hij tot driemaal toe op het drietal kwam, bewijst, dat „zijn groep" in den kerkeraad vertegenwoordigd was, wat trouwens ook uit de notulen van Juli 1810 blijkt. Maar ook doet het zien, dat die groep in haar keuze niet veranderde. Welnu, die groep alleen nam in 1811 deel aan de stemming, en de andere groep bleef eenvoudig weg. Dit laatste is alleen te verklaren, doordat die wegblijvend groep nu geen man harer keuze vond. Het valt niet moeilijk, in te zien, dat die nu wegblijvende groep in 1810 op Ds. Scholte gestemd had. Uit de bewoordingen van den beroepsbrief aan Ds. Scholte blijkt duidelijk, dat de steller, de oud-diaken'M. Timmerman, tot die groep moet worden gerekend. Daar kunnen we dan nog veilig aan toevoegen: Jacob Nentjes en Albert Lubberts, en ook den schout, G. Brands. Maar voor wie op de geestelijke kaart van ons land thuis is, blijkt uit die bewoordingen tevens, van welke geestesrichting die groep is geweest. Wanneer die geestesrichting door andere stromingen teruggedrongen wordt, vertoont zij bijna steeds haar vast kenmerk: het zich vrijwillig terugtrekken, het zich onthouden en het zich opsluiten in eigen kring. 316


De groep, die Ds. Scholte had begeerd, had op 28 Juli 1810 in Ds. De Jong en daarvóór, op 12 November 1809, in Ds. Immink den man harer keuze gevonden. Het is natuurlijk niet te zeggen, of de predikant, dien men koos, werkelijk zo was als men verwachtte. Maar toen men zijn stem uitbracht, hoopte men dan toch door de prediking van den man zijner keuze bevredigd te zullen worden. Nu is het wel zeer opmerkelijk, dat juist de groep, die zich bij de laatste stemming onthield, tot driemaal toe in den man harer keuze teleurgesteld was. Immers achtereenvolgens was er een bedankje gekomen van Ds. Immink, Ds. De Jong en Ds. Scholte. Zou daaruit ook kunnen blijken, dat ook deze predikanten toch inderdaad nog anders waren dan men op Urk dacht? Ds. Scholte kwam niet eens op Urk kijken en gaf zijn kerkeraad niet eens kennis van het beroep. Is het niet aan te nemen, dat juist de tekenende bewoordingen van den beroepsbrief hem deden vrezen, dat hij mensen van die mentaliteit niet „voldoen" zou? Met Ds. Bakker, die maar een jaar op Urk stond en die door deze groep juist werd voorgesteld als bijzonder bemind, schijnt het anders te zijn geweest. Ik geloof, dat Ds. Bakker inderdaad bracht, wat men een bevindelijke prediking noemt, en dat de groep, die Ds. Scholte zo gaarne had gekregen, een dergelijke prediking begeerde. Daarmee is meteen het karakter van die groep getekend. Ze werd gevormd door de mensen van de gezelschappen en door hen, die, zonder zelf de gezelschappen te bezoeken, met sympathie vervuld waren voor den geest, die er heerste. In deze gezelschappen hield men onder leiding van een ouderling of van een buitenambtelijk persoon „geestelijke" gesprekken. De bezoekers er van waren volstrekt niet, wat men onkerkelijke mensen noemt. O neen, ze behoorden zelfs tot de trouwste kerkgangers, die het in de kerk ontvangen „geestelijke voedsel" in hun gezelschap gingen „herkauwen", of ook door onderlinge bespreking trachtten aan te vullen, wat ze in de kerk hadden gemist. Veel waarde werd gehecht aan het „krijgen" van teksten, waarvan de eenvoudigen lukraak op den klank af vaak de toepassing maakten, maar waarbij verstandelijker en verstandiger inzicht van de voormannen gelukkig voor al te grote afwijkingen bewaarde. Wanneer er buiten de georganiseerde en min of meer officiële gezelschappen maar twee of drie mensen bij elkander kwamen „kroozen", dan liep het gesprek al heel gemakkelijk over de dingen van het innerlijke, bevindelijke leven. Hierop werd dan steeds de nadruk gelegd, dat er op den weg ter zaligheid wat „gekend" moest worden en dat innerlijk moest worden beleefd, wat met den mond werd beleden. Allicht was men daarbij in „het stuk der ellende" over het algemeen meer ervaren, dan in de blijdschap des geloofs. Psalm 38, maar ook Psalm 42 en vooral Psalm 25 waren geliefd, gelijk trouwens de Psalmen in het algemeen. Psalmzingen, in hoe kreupele klanken ook, deed men in de gezelschappen graag. „Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest" kon men er 317


zo hartelijk zingen; maar ook, al ging het meer schuchter, ,,'k Zal met mijn ganse hart Uw eer vermelden, Heer, U dank bewijzen!" Want dit was bij al het zuchten toch de schone Gereformeerde trek in deze eenvoudigen, dat ze er den nadruk op legden, dat God ook in dit leven verheerlijkt moet worden. Als er een vrouw werd „uitge dragen", die om haar godsvrucht algemeen geacht was, dan klonk het wel in het sterfhuis: „Straks leidt men haar in statie uit haar woning ...... ". Dat die mensen merendeels schuchter stonden tegenover de viering van het H. Avondmaal kwam door twee oorzaken. De eerste oorzaak lag uiteraard in de mensen zelf, in hun tekort aan geestelijk inzicht en hun te weinig letten op hel gebod des Heren: „Doet dat tot Mijn gedachtenis". De tweede, oorzaak was voornamelijk begonnen te werken onder Ds. Schmidt.. wiens prediking onbevredigd liet. Toen Ds. Schmidt dan ook had begrepen, dat zijn nodiging ten Avondmaal, bij het voorafgaand huisbezoek, niet beantwoord werd, had hij den kerkeraad immers voorgesteld, alleen maar in het algemeen, bij de voorbereidingspredikatie, te nodigen. En later, onder Ds. Napjus en de twee volgende predikanten, nam die gereserveerdheid tegenover het Avondmaal eer toe dan af. Intussen was en bleef een zeer algemene trek van de gezelschapsmensen, hoe ongeestelijk er soms ook gedwaald kon worden, dat ze met blijdschap zongen: „Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen, die Uw Naam in waarheid vrezen." Daartegenover stond nu de andere, ongeveer even sterke groep, die tot driemaal voor Ds. Napjus gekozen had. Het karakter van deze groep is in hoofdzaak niet anders dan bij tegenstelling te beschrijven; een tegenstelling intussen, die zó scherp was, dat een drietal der aanwezigen op de kerkeraadsvergadering van 28 Juli 1810 verklaarde, het niet eens te zijn met het bij den drost getroffen accoord en zich nu van stemming zou onthouden: water en vuur waren voor hun besef niet te verenigen; een tegenstelling ook, die blijkens de historie niet op te lossen is geweest. Het wil mij voorkomen, dat deze tweede groep uit verschillende, meer of minder uiteenlopende bestanddelen bestond, maar die hierin overeenstemden, dat ze wel wisten, anders te zijn dan de gezelschapsmensen. Daar had men vooreerst, en dat waren de besten, de verstandelijk aangelegde naturen, waarbij men in het oog houde, dat dit woord verstandelijk niet meer dan benaderende betekenis heeft. Ze gaven voor, aan de Gereformeerde belijdenis vast te houden; ze wilden daarover ook wel redeneren en dan bleek het soms, dat ze in hun voorstellingen misschien zelfs zuiverder Gereformeerd waren dan de mensen van het gezelschap; maar het bevindelijke bleef daarbij op den achtergrond en van den gezelschapsgeest hielden ze niet. „Iedere het zijne geven" was bij hen het parool; op zichzelf gans niet verwerpelijk. Geheel natuurlijk is het, dat zich bij deze mensen, wanneer het op stemmen aankwam, ook die lieden aansloten, die 318


meer uit traditie of geboorte tot de kerk behoorden, dan uit innerlijke overtuiging; mensen die de dingen maar over zich heen lieten gaan, zonder er door te worden geraakt. Een schonen vorm van de preek, ja, dien mochten ze wel; maar een tot belijden en beleven oproepende inhoud roerde hen niet. En dan had men in de derde plaats» wat men zou kunnen noemen de grensbewoners van de gemeente, vormende den zelfkant: onverschillige en in den wandel gans niet onberispelijke lieden, die nog meer dan alle anderen bijzonder van de gezelschapsmensen een instinctmatig en afkeer hadden. Men zal nu verstaan, wat ik bedoelde, toen ik schreef, dat door de groep, die op Ds. Napjus ging, bij de laatste stemming „ban en achterban" zal zijn opgeroepen. Met nadruk doe ik opmerken, dat ik met de tekening van deze groep in het geheel geen oordeel uitspreek over de prediking van Ds. Napjus. Immers, zoals ik vroeger reeds schreef, was het nog de vraag, of zijn prediking zou gaan in dezelfde richting, als de gangmakers van zijn groep van hem verwachtten of hoopten. Later is er misschien gelegenheid, om iets van zijn „richting" te zeggen. Hij was door Ds. Weyland bevestigd met de woorden uit Hebr. 13 vs. 17: „Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende, want dat is u niet nuttig." Na de eigenaardige stemming, waaraan de bevindelijke groep immers niet had meegedaan, zie ik daarin een vermaning, die Ds. Weyland met name tegenover die groep op haar plaats achtte. De intreepreek van Ds. Napjus had tot tekst 1 Cor. 2 vs. 2: „Want ik heb niet voorgenomen, iets te weten onder u, dan Jezus Christus en dien gekruisigd". We mogen aannemen, dat hij daarmede in gemoede de boodschap bracht, die hij meende te moeten brengen. Ds. Napjus was de zoon van een predikant in Friesland. Hij zal dus in Franeker hebben gestudeerd en was in 1797 candidaat. Hij huwde toen met de predikantsdochter Alida Elisabeth Munstingh. Giethoorn was zijn eerste, Wijckel zijn tweede plaats. In Wijckel had hij vier kinderen laten dopen; in 1815 werd hem op Urk nog een zoon geboren. Met het dopen van kinderen was het gedurende de twee vacaturen, vooral gedurende de langere tweede, niet zo geregeld gegaan als anders. Toen lagen de kinderen soms weken ongedoopt, vooral in den winter, als er geen predikant van elders komen kon. In het jaar 1810, toen er 17 gedoopt werden, ging het nog vrij geregeld, maar in 1811, toen er door de aanwezigheid van een oefenaar minder behoefte aan een predikant werd gevoeld, duurde het veel langer. Het doen van openbare belijdenis des geloofs stond in de vacaturen geheel stil. Uit de aantekeningen omtrent attestaties blijkt, dat meester Jan van Rulder in 1810 is vertrokken en vervangen door Pieter Schuurman, die tot 1818 schoolmeester, koster en voorzanger op Urk was. 319


De kerkeraadsnotulen van 1811 bevatten vrijwel geen andere aantekeningen, dan die omtrent de schuld van den „Heer" Brands. Op 28 Juli beloofde deze, „de nog verschuldigde gelden uit het armenbusje als andere, boelgoedsgelden, binnenkort te voldoen." Vóór het October-Avondmaal was alles „in orde" bevonden, behalve dan, dat Brands „zijn schandelijke schuld" nog niet had voldaan. Wij kunnen dat allerminst goedkeuren, maar de kwalificatie, die Ds. Napjus hier van de zaak gaf, was in de notulen niet alleen ongepast, doch bovendien onjuist. Maar - de schout behoorde tot de groep, die zich bij de stemming afzijdig had gehouden! In December betaalde hij de 25 gulden van het ellenbusje terug; de boelgoedsgelden bleven nog staan. Van 1812 valt alleen te vermelden, dat in den namiddag van 13 Juli, toen 's morgens het Avondmaal gehouden was, een dankstond plaats had „voor de gelukkige hooioogst". Dat moet dus iets bijzonders zijn geweest. Het jaar werd besloten met de treffende vermaning van Haggai 1 vs. 5: „Stelt uw hart op uw wegen!" Van het begin van 1813 staat aangetekend, dat „de leeden van de Municipale raad, de maire en adjunct maire" een nieuwen kerkmeester hadden gekozen. Deze verkiezing was ondanks alle veranderingen dus in zwang gebleven. Alleen werd nu niet meer gesproken van de Municipaliteit, maar van den Municipalen Raad, terwijl de schout of president nu maire heette. We zijn hiermede weer gekomen op het terrein van de politiek. Het trok mijn aandacht, dat door Ds. Napjus in de notulen zelfs met geen enkel woord ook maar gezinspeeld wordt op de grote politieke gebeurtenissen in die dagen. Er zullen toch ook op Urk, tengevolge van de in 1811 door Napoleon bevolen conscriptie, wel jongelingen voor den dienst in het leger van den keizer zijn opgeroepen. Van den ongelukkigen tocht naar Rusland, waarbij de Hollandse garde zich zo dapper weerde, zullen toch ook wel tot Urk de geruchten zijn doorgedrongen van 's keizers nederlaag bij Leipzig, in October 1813, zal men toch ook op Urk wel hebben gehoord. Nu zou het opzichzelf natuurlijk mogelijk zijn, dat de vrees voor de verklikkers van den Fransen despoot er zó diep in zat, dat de dominee zelfs niet in de notulen van zijn gevoelen durfde doen blijken. Maar dat op 30 November daarna Oranje weer den voet op den vaderlandsen grond zette en tot souverein vorst van het herboren Nederlandse volk werd uitgeroepen, moest toch ook voor velen op Urk een reden van blijdschap en van persoonlijke en publieke dankzegging zijn! Maar de kerkelijke notulen geven noch op het een, noch op het ander ook maar enigen weerklank. Wèl had in Juli 1813 na de Avondmaalsbediening weer een dankstond voor het gewas plaats; wèl staat aangetekend, dat „al de kerkeraadsleden zich (na het huisbezoek) verheugden over de order(!), die in de gemeente gevonden was;" maar zelfs op 31 December, den beroemden Urksen dankdag, geen enkel woord, dat wijst op dankbaarheid voor de afwerping van het Franse juk. 320


Dat treft te meer, waar op dienzelfden 31-sten December wèl staat aangetekend, dat het jaar gesloten werd „met een dankzegging en catechisatie" over Psalm 136, bij welke gelegenheid (alsof dat een zaak van veel groter gewicht was!) andwoorders waren: Lammert Jelles Snoek, Pieter Schuurman, Frans Clases. Sterker nog. Aan het slot van de notulen van 1813 wordt nog iets vermeld, dat Ds. Napjus waard achtte, het vast te leggen voor het nageslacht. Ziehier, hoe naievelijk ZEw. hier zijn eigen lof verkondigt : „Deeze acta zijn gelezen, goedgekeurd en bekragtigd in tegenwoordigheid van den kerker aad den 31 Januari (moet natuurlijk December zijn) 1813 's avonds te 8 uur na het eindigen van hunnen laasten avond Godsdienst, waarbij hunnen geliefden predikant wegens zijne getrouwe diensten opentlijk wierd bedankt. Uit naam des kerkenraads Q.T. S. L. Napjus voorzitter des kerkeraads en predikant van Urk." We zullen maar niet meer doen, dan de feiten vermelden: ze spreken duidelijk genoeg. Alleen bij de vermelding van de „catechisatie" op 31 December maken we een aantekening. We worden door deze eenvoudige mededeling ongedacht ingelicht omtrent een toen ook op Urk nog gevolgde oude gewoonte, waaromtrent Ds. G. Keizer in „De Afscheiding van 183^" iets naders vertelt. Vroeger heb ik reeds meegedeeld, dat de Zondagmiddagkerkdienst op Urk de catechisatie werd genoemd en dat de antwoorden van de dan te behandelen Catechismusafdeling door één of meer schoolleerlingen werden „opgezegd". Uit de aantekeningen van Ds. Napjus blijkt, dat op Urk ook in andere kerkdiensten wel gevraagd en geantwoord werd. Het gebeurde hier niet bij de behandeling van den Catechismus, maar bij een cateehisatie of Bijbeloefening over Psalm 136. Ook waren de antwoorders hier geen kinderen, maar volwassenen; men herinnere zich maar, dat Pieter Schuurman de toen op Urk staande schoolmeester was. Ds. Keizer zegt er dit van: „De predikant gaf aan zulken (de antwoorders) vooraf eenige vragen ter beantwoording op, welke door hen openlijk werden beantwoord, nadat zij door den regel vooraf waren nagezien door den predikant. Deze antwoorders kregen daardoor eenige oefening in het openbaar te spreken en tevens in de behandeling van godsdienstige onderwerpen." 321 21


Men zou Kunnen zeggen, dal we in dat vragen en antwoorden den

oervorm terugvinden van de in onze jongeliedenvergaderingen geleverde „inleidingen." Ze konden onder de leiding van een wijs leraar, die zorgvuldig tegen het prikkelen van den hoogmoed waakte, strekken tot verdieping van de kennis van Schrift en belijdenis. Onder de opvolgers van Ds. Napjus schijnt de gewoonte niet te zijn gehandhaafd. In 1814 werd het Juli-Avondmaal „wegens veele onaangename voorvallen en omstandigheden" pas den laatsten Zondag van Augustus gevierd. Was de verhouding met de maire in het geding, of slaat het op oppositie van de gezelschapsmensen? Wij weten het niet. Aan het einde van het jaar werd weer „de predikant hartelijk bedankt voor zijn getrouwe diensten." De notulen van 1815 zijn heel kort. Terstond na de vermelding van den kerkdienst en de verkiezing op 1 Januari volgt alleen deze mededeling: „Nadat de Avondmaals-pletftigheden en andere bid- en dankdagen bij ons in de beste order (!) gevierd zijn, hebben wij dit jaar op Zondagavond den 31 December met een plegtig dankuur gesloten." Het bedankje aan den dominee wordt ditmaal niet vermeld. In de lijst van attestaties van 1815 wordt vermeld, dat toen de vroedvrouw Antje de Kraay uit Medemblik overkwam. Toen zij drie jaar later stierf, zette Ds. Nap jus achter haar naam: „O mortua è." Dit zal moeten zijn: O mortua est en betekent dan: Ach, zij is gestorven! Zij was blijkbaar bekwaam voor haar werk. Aan het einde van 1816 bleef niet alleen weer het bedankje aan den dominee achterwege, maar het werd vervangen door iets anders, dat aldus wordt vermeld: „Na dat het jaar 1816 op den laatsten avond met een gepast gebed en dankzegging geëindigd was, wierd door den voorzitter des kerkeraads gevraagd, of er ook iemand was, die op leer of wande] zo van predikant als kerkeraadsleden iets had aan te merken, hetwelk tot aller blijdschap bleek, dat alles in de volste order en vriendschap was gesloten." Was het een verrassing voor Ds, Napjus, dat niemand aanmerkingen had ? Gevoelde hij, dat hij op Urk terrein had verloren en dat de bedenkingen tegen zijn „leer" algemener waren geworden? Overigens - maar daar vermelden de kerkeraadsnotulen uiteraard niets van - had het jaar 1816 in de kerkelijke geschiedenis van ons vaderland een insnijding gemaakt, zó diep, dat de kerkelijke verhoudingen in het gehele land, maar ook op Urk, daardoor zouden veranderen. Ook daardoor meende ik recht te hebben, het nu in bewerking zijnde hoofdstuk te betitelen, zoals ik heb gedaan. Niet gerechtvaardigd door de Grondwet en tegen het advies van. den Raad van State was 7 Januari 1816 een Koninklijk Besluit afge322


kondigd, waarbij de organisatie der kerk, in strijd met de Kerkorde van 1618, geheel in handen der overheid en bepaald in die van den Koning gelegd werd. De onvrijheid der kerk was nu groter dan ze ooit geweest was. Van een kerkregering, die uit de gemeente zelf op kwam, was geen sprake meer, uitgenomen dan de kerkeraden. Er zouden nu zijn: classicale besturen, provinciale kerkbesturen en een z.g. synode; en van die alle zouden de leden door den Koning worden benoemd. De classis, waar Urk toe gerekend werd, kreeg den naam Hoorn. Urk zou dus te maken krijgen met het classicaal bestuur van Hoorn. Het terrein van iedere classis werd in ringen verdeeld. Zo kwam Urk bij den ring Enkhuizen. Al de predikanten binnen het ressort van den ring hoorden er toe, maar zij konden niets anders doen, dan onderling de vacaturebeurten regelen. Er verscheen een bundel reglementen, die alles van boven af tot in de kleinste bijzon derheden voorschreef ......... De classes Amsterdam, Woerden en Leiden hadden den moed, te protesteren tegen de aanranding van de rechten der kerk. Op het protest van de classis Amsterdam werd van 's Konings wege eenvoudig geantwoord, dat, zij sinds 7 Januari niet meer bestond. Ook zou aan de belijdenis der kerk niet worden getornd. In strijd hiermede ging de synode evenwel, ter tegemoetkoming aan candidaten met onvaste of vrijzinnige opvattingen, de z.g. proponentsformule wijzigen. Voor hun toelating tot de Evangeliebediening hadden de proponenten vroeger moeten verklaren, dat ze de belijdenisschriften achten in overeenstemming met de Heilige Schrift. Nu konden ze volstaan met de verklaring, „dat zij de leer, welke overeenkomstig Gods Woord in de aangenomen formulieren van enigheid is vervat, te goeder trouw aannemen en hartelijk geloven." Vrijzinnige predikers grondden later op die formule hun bewering, dat ze de belijdenisschriften alleen maar behoefden te aanvaarden en te volgen, voor zover zijzelf die in overeenstemming achtten met den Bijbel. Een belofte zonder inhoud. Met den gewijzigden algemenen toestand stond ongetwijfeld in verband, dat Ds. Napjus bij het huisbezoek in October 1816 het aantal belijdende leden op Urk opnam. Hij kwam tot 303. De kerkeraadsnotulen over 1817 geven nog duidelijker blijk van den nieuwen toestand. Nadat eerst nog op de oude manier mededeling van de verkiezing is gedaan, begint een nieuw hoofd: „Handelingen des kerkeraads van het Eiland Urk begonnen volgens de nieuwe kerkelijke wet in 1817." „De nieuwe kerkelijke wet", het typeert niet onaardig den toestand. De aantekeningen beginnen - opmerkelijk „neutraal" - met de vermelding van het besluit, dat „den volgenden Zondag sommige 323


leden vermaand zullen worden om alle delen van den openbaren godsdienst waar te nemen". Verder lezen we dit: „Ook had de kerkeraad op 10 Juli het genoegen de H.H. Kerkvisitatoren uit het classicaal bestuur van Hoorn in hunne vergadering plegtig te geleiden". Ds. Napjus moet tegen het minder vertrouwelijke en schijnbaar hoog officiële van de nieuwe regeling hebben opgezien: het was hem een opluchting, toen hij schrijven kon, dat het bezoek „tot aller genoegen" afliep. Twee dagen later ontving de kerkeraad van regeringswege antwoord op zijn verzoek, dat de kerk en de pastorie mochten worden gerepareerd. Den hoofdadministrateur der domeinen was opgedragen, daar voor te zorgen, en tevens, om „voortaan dezelve gebouwen onder zijn toeverzigt en administratie te houden". Kerk en pastorie werden dus verklaard, tot de domeingoederen te behoren. Van de kerk is dat te begrijpen, want die was in 1786 voor rekening van „het Land" gebouwd; maar van de pastorie niet: die was in 1736 door de gemeente zelf gebouwd.

In de notulen van 1818 is voor ons van belang hetgeen we lezen van 1 Januari: „Het gebeurde van het vorige jaar wierd geleezen en herinnerd, en de kerkenraad vond alle redenen om de Godheid te danken dat alles in de beste order was afgelopen." En aan het einde van het jaar werd weer de vraag gesteld, of iemand ook iets kon zeggen ten nadele van den predikant of van iemand anders. Men was nog al tevreê. Al met al was het nog al meegevallen. En toch, ondanks, ja door die herhaalde verzekering, dat het zo goed ging - 1813, 1814, 1817 en 1818 -, spreekt zich zekere bezorgdheid uit over iets, dat nooit genoemd is en soms alleen maar even werd aangeduid. Dat was niet de overhering van de kerk door de overheid: de ernstige betekenis daarvan drong vermoedelijk niet tot den dominee en misschien nog minder tot de andere kerkeraadsleden door. Het was ook niet de toenemende onverschilligheid, o.a. openbaar wordende in een slordige viering van den rustdag; waaromtrent zeker niet verklaard kon worden, dat alles in orde was. Neen, het eigenlijke punt van bezorgdheid was de toenemende oppositie tegen de prediking van Ds. Napjus. Natuurlijk zette hij daarvan niets in de notulen, althans niet direct. Maar als hij aantekent, dat er redenen waren, om de Godheid te danken, dan openbaart hij door dat ene woord voor ons, die zijn tijd beter kunnen overzien dan hijzelf, meer van zijn „geestelijke ligging", dan hijzelf wel bevroedde: het was een geliefd woord van de vrijzinnigheid van allerlei tint. 324


Het najaar van 1818 bracht twee nieuwe officiële personen op Urk: is September uit Holwerd Geertruida Eenhorst (weduwe Bos) als vroedvrouw, die op Urk populair is geworden als „ouwe Trui"; en in November uit Benningbroek en Nibbixwoud Lammert Vis, die den overleden schoolmeester Peter Schuurman opvolgde. De kleindorpse strubbeling, waarmede 1819 begon, was niet vererend voor den nieuwen schoolmeester, die tegelijk ook voorzanger was. In de kerk moest Psalm 115 worden gezongen, en — waar er van een orgel toen nog geen sprake was — de voorzanger weifelde, en het werd onbedoeld een meerstemmig „gezang". De ontevredenheid daarover uitte zich in een „klaagbriev" aan den kerkeraad aldus: ,,...... Het schijnt ons toe of er een zoort van kwakers bij een waren, niet om de luister door het Psalmgezang in Gods huis bij te zetten. Moet zo langer, ja dan neen? In afwagting van ulieder andwoord zo noemen wij ons met agting UEerw. dw. dr en vrienden Joh.'s Brands Hendrik Meun Albert A. Asma" De eerste ondertekenaar was de 29-jarige zoon van den schout. De kerkeraad nam de zaak nog al ernstig en zond onderstaanden brief aan het gemeentebestuur, dat den schoolmeester Lammert Vis had aangesteld. „Urk 24 Januarij 1819 Heeren Burger Bestuurders! De kerkeraad van het eiland Urk op heden bij een vergaderd ondervond, dat er door enige kenners der zangkunst en ledematen onzer gemeente klagten zijn ingekomen omtrent het onstigtelijke zingen van onze schone Psalmen in ons Godshuis. De kerkenraad vind zich verpligt ulieden hier van te verwittigen, en wenschte hartelijk, dat door ulieder medewerking het Godsdienstig gezang mag worden verbeterd, opdat zij niet in de noodzakelijkheid gebragt word, daaromtrent maatregelen te nemen die tot oneer van den voorzanger zouden strekken". De stok achter de deur dus! De brenger van den brief, een diaken, zo wordt er bij aangetekend, „werd door den len assesor zeer onheusch behandeld". Die assessor - we zouden hem tegenwoordig wethouder noemen - was Jacob Nentjes, de vader van den lateren burgemeester Pieter Nentjes. Ik doe opmerken, dat Jacob Nentjes zo min als de schout tot de aanhangers van Ds. Napjus behoorde. Of deze zaak overigens voor den voorzanger, Lammert Vis, nog gevolgen heeft gehad, wordt niet gemeld. 325


il Mi 1819 werd alles m oiAe UonAen. il-

leen werd door de ouderlingen geklaagd, dat de diakenen hen niet altoos „erkenden". De lezer zoeke zelf de verklaring.

Het omstreeks 1805 aangelegde haventje is in 1819 naar het oosten ruim 50 meter vergroot. Op dien afstand lag het Oude hoofd, dat korter was dan het Opscheepshoofd. Liep men langs den kant van het water van het Opscheepshoofd naar het Oude hoofd, dan kwam men eerst langs een 25 nieter lange steenglooiing en dan langs 20 meter paalwerk. Dat paalwerk zette zich aan den anderen kant van het Oude hoofd voort. Aan dien anderen kant van het Oude hoofd had men het driehoekig water, dat voor het Kleine Klif door een rijsdam afgesloten was. Welnu, in 1819 werd het Opscheepshoofd opgeruimd en de zuiddam van de haven door een rechten hoek verbonden met het Oude hoofd. Dit werd nu de oostelijke stenen dam van de haven. Toen had men verkregen wat op Urk langen tijd de Oude Haven is genoemd. In het nieuwste deel er van kwam in 1862 een tweede scheepswerf, waarvoor Albert Koopmans van De Kuinder concessie kreeg. Een 16-jarige zoon van Ds. Napjus maakte van de eerste en van de vergrote haven een tekening, die mij als leiddraad heeft gediend. De havenmond werd in 1819 verlengd tot waar het water 2 meter diep was. De mond en de haven werden op een diepte van 1.60 meter gebracht. In 1820 werd, in verband met het groeien van het zielental der gemeente, en in opvolging van de kerkelijke reglementen, de kerkeraad met een ouderling en een diaken vermeerderd, zodat er toen van elk drie waren. Tot nog toe was altoos school gehouden in het houten gebouw, dat in 1782 als noodkerk verrezen was. Maar in 1820 kreeg Urk een stenen schoolgebouw, het werk van den metselaar A. Last te Enkhuizen. Dat gebouw is later, toen er weer een nieuw schoolgebouw nodig was, veranderd in gemeentehuis en burgemeesterswoning. Burgemeester Kagei heeft er in gewoond. Het jaar 1820 gaf Urk ook een nieuwen politiedienaar, Koert Ohlsen, gekomen van Enkhuizen en die in de eerste jaren der Afscheiding nog een, zij het ondergeschikte, rol heeft gespeeld. Hij was één van de voorbeelden, die aantoonden, dat mensen, die een publieke betrekking bekleedden, geen lid van de kerk behoefden te zijn, zoals vóór de revolutie het geval was. Alleen van zijn vrouw, Margtje Widow, staat aangetekend, dat 27 Augustus 1820 haar attestatie inkwam. Maar ach, reeds een maand later werd zij op Urk begraven. In den herfst van dat jaar ontving Ds. Napjus een beroep uit Warder bij Edam. Hij nam dat aan. De „losmaking" had 6 November te Enkhuizen plaats „ten overstaan" van de beide Urker assessoren, J. J. Nentjes en T. J. Hakvoort, die daartoe door den kerkeraad wa326


ren aangewezen. Nadat op 12 November de doopboeken in bewaring waren gegeven aan den schout en de overige boeken en papieren aan den eersten assessor, preekte Ds. Napjus dien dag afscheid met de woorden van 2 Tim. 1 vs. 13 : „Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is". Zo zag Ds. Napjus zelf zijn prediking. Heel velen van zijn gemeente echter oordeelden zijn „woorden" niet „gezond" en treurden niet om zijn vertrek. In 1835 is hij in Warder overleden. Kort na zijn komst op Urk had Ds. Napjus onder zijn catechisan-ten twee jongelieden ontdekt, wier begaafdheid en ontwikkeling meer dan gewoon was. Het zal dan ook aan zijn bemoeiingen te danken zijn geweest, dat beiden bestemd werden voor het hogere onderwijs. De een was Johannes Snijder, geboren in 1794 en die in 1813, vóór zijn vertrek naar Leiden, waar hij bij de faculteit der letteren als student v/as ingeschreven, op Urk openbare geloofsbelijdenis deed. Helaas, kort daarna is hij overleden. Het andere jongmens was Jacob Alberts Romkes, geboren op Maandag 9 en gedoopt op Zondag 15 December 1793, en in de rechte lijn een achterkleinzoon van den schout, die in 1779 op hogen leeftijd overleden was. Jacobs vader was in 1802 gestorven. Hij ging naar Utrecht, om theologie te studeren. Het was toen voor een student van Gereformeerden huize ontzaglijk moeilijk, om aan de universiteit aan zijn belijdenis getrouw te blijven. Als hij niet van huis uit zo veel „geestelijke waarden" meebracht, dat hij in het universitaire onderwijs de afwijkingen wist te herkennen, en als hij daarbij niet voldoende militante geaardheid bezat, om er tegen in te gaan, dan werd hij o zo gemakkelijk met den stroom van rationalisme, die toen door onze universiteiten ging, meegevoerd. Ik doe opmerken, dat Jacob Romkes een catechisant van Ds. Napjus was. De universiteit te Utrecht nam betrekkelijk nog de meest gunstige positie in. Maar hoe zou Gijsbert Voetius, die in 1644 zijn hoogleraarschap aan de toen gestichte hogeschool begonnen was met een rede over „Het nauw verband tussen de godzaligheid en de wetenschap", zich bedroefd hebben, als hij had gezien, hoe, ook in Utrecht, dat verband hoe langer hoe losser was geworden en hoe ook hier de wetenschap zich hoe langer hoe meer emancipeerde van den grondslag van alle kennis, Gods Woord. In den tijd, toen Jacob Romkes te Utrecht studeerde, had men daar o.a. de professoren J. Heringa en Ph. W. van Heusde, die er, de een in de theologie, de ander in de wijsbegeerde en de geschiedenis, een bijna onbeperkte invloed oefenden. Van Heusde zag in de heidense cultuur de voorbereiding van het. Christendom en beschouwde het Christendom als de hoogste openbaring van het humanisme. „Utrechts platonist" werd hij genoemd. 327


Onder zijn leiding vormde zich de humanistische beweging, die voor

het eerst openlijk het Calvinisme bestreed. De begrippen openbaring, ingeving en Christendom kregen bij hem een anderen inhoud. Prof. Heringa sprak zich niet zo boud uit, ofschoon hij van het begin van zijn optreden af al onder verdenking van onrechtzinnigheid stond. Hij oordeelde, dat de belijdenisschriften wel in hoofdzaak met Gods Woord overeenstemden, en onderwees ook, zoals hij voorgaf, Gereformeerde theologie, maar deze dan ontdaan van hetgeen haar als zodanig onderscheidde. Toch kreeg hij nog tegenover anderen, die zonder reserve het rationalisme bijvielen, den naam van Bijbels orthodox te zijn. Maar welke waarde men aan die betiteling kan hechten, ziet men aan Vinke, een leerling van hem en van Van Heusde, die zijn professorale ambt aanvaardde met een rede onder den titel: „De ware wijsgeer de beste theoloog". En toch werd oo~k Vinke een B"'j bels theoloog genoemd. De grote bedachtzaamheid in het optreden van prof. Heringa bezorgde hem een groten invloed op zijn studenten. Alleen niet op Ledeboer en Buddingh, die, iets later dan Romkes, ook in Utrecht studeerden. Ledeboer sprak later van „het lichte brood", dat hem in Utrecht gegeven was. Buddingh vond er evenmin, wat hem van huis uit meegegeven was en gaf dat soms in heel scherpe woorden aan Prof. Heringa te kennen. Bij het verlaten van de school zeide deze tot hem: „Heb toch niet zulke harde gedachten!" In zulk een omgeving nu moest Jacob Romkes studeren. Heeft hij daarbij het geloof zijner vaderen ongerept weten te bewaren? Reeds 20 November 1820 had te Enkhuizen een vergadering plaats om te komen tot vervulling van de vacature Napjus. Behalve twee gemachtigden van Urk waren aanwezig: Ds. O. van Tricht voor het classicaal bestuur en Ds. A. W. Haselaar als consulent. Zonder moeite vormde men dit viertal: Jacob Alberts Romkes, candidaat bij het provinciaal kerkbestuur van Utrecht; Ds. J. H, Snijder te Kwadijk; Ds. J. Mangel te Hantum, vroeger te Sybekarspel en Ds. Van der Horst te Wilsum. De keuze viel, niet onbegrijpelijk, op den eerste, en de beroepsbrief werd onmiddellijk gereed gemaakt. De gemeente bleef geheel buiten de zaak. Nadat vanwege het classicaal bestuur en vanwege den Koning de goedkeuring was ingekomen, werd de beroepsbrief verzonden. En — kon het anders ? — het beroep werd aangenomen. Eerst 8 April 1821 had de bevestiging en denzelfden dag de intree plaats. Al bieden de bevestiging- en intreetekst geen voldoende houvast, om er een conclusie uit te trekken, daar het geheel aankomt op het gebruik, dat van een tekst gemaakt wordt, toch wijzen ook ds tekstwoorden op zichzelf reeds in een bepaalde richting. De intreetekst was: Jac. 1 vs 22 : „En zijt daders des woords en niet alleen hoorders, uzelven mei valse overlegging bedriegende." Dat was dus de eerste ambtelijke vermaning van den „eigen Urker dominee". Wie had hier den tekst gekozen, de consulent of Romkes zelf? 328


Het jaar 1822 werd begonnen met de opwekking „tot een Gode welgevallige wandel". En de intreepreek èn deze nieuwjaarspreek zijn te beschouwen als reacties van den jongen leraar tegen de voorstelling, die hij zich van het leven der gemeente gevormd had. Hij zag zo veel, dat niet met de belijdenis in overeenstemming was. Door zachtmoedigheid in den omgang en door persoonlijke vroomheid wist hij zich bemind te maken. Na de viering van een Avondmaal schreef hij in de notulen: „Het H. Avondmaal zoo wij vertrouwen tot versterking van ons geloof, tot vernieuwing van onze hoop, in broederlijke liefde, tot heil der gemeente gevierd, waarvoor wij in onze namiddaggodsdienst-oefening den Vader in onzen Heer Jezus Christus hartelijk hebben gedankt." Nog driemaal vond ik een dergelijke aantekening. Toen de diakonierekening een zeer voordelig slot aanwees, schreef hij: „Waarover wij ons dankbaar verheugen en den Vader van zooveel onverdiende zegeningen in den naam van onzen Heer Jezus Christus dankten." Of er — immers voor een Urker — gevolgtrekkingen uit te maken zijn, dat Ds. Romkes driemaal schreef Heer tegen eenmaal Heere, kan ik niet zeggen. Ds. Romkes heeft wel in 's levens leed gedeeld. In Maart 1823 verloor hij zijn echtgenote, Maria Wilhelmina Schut, en vier jaar later, toen hij zelf ongesteld was, stierf ook zijn tweede vrouw. Dat Ds. Romkes op Urk een goeden opgang maakte, zou ook daaruit kunnen blijken, dat de kerkmeesters gedurende zijn ambtsperiode op het denkbeeld kwamen, een naamlijst van de predikanten, die tot nog toe op Urk gediend hadden, in de kerk te doen ophangen. Zo kwam het eerste predikantenbord tot stand. Bovenaan stond: „Naamlijst, komst en vertrek der Predikanten sedert de Reformatie tot nu toe, vervaardigd door kerkmeesters K. J. Hakvoort en D. P. Romkes, 1823". Een paar namen zijn verkeerd gespeld. Onderaan stond „Geschilderd door P. Anker 1824". Boven heb ik gesproken. van een assessor. Dat ambt bestond sedert 9 October 1816, toen het Reglement voor het platteland van Holland verschenen was. Volgens dat Reglement stond aan het hoofd van het plaatselijke bestuur weer een schout. Voorts had men een „gemeenteraad" van op Urk vermoedelijk 5 leden. Van volkskeuze v/as in het geheel geen sprake. De Koning benoemde den schout en de Gedeputeerde Staten van het gewest wezen uit de „vroedste en gegoedste" ingezetenen de raadsleden aan. Ook in dit opzicht was er niets nieuws onder de zon: „reeds Herman (III)", heer van Urk en Emmeloord, had 11 Mei 1415 bepaald, dat elk jaar „goede rijke knapen" tot schepen zouden gekozen worden. De schout kreeg twee asses329


soren naast zich, die op voordracht van den gemeenteraad door Gedeputeerden werden benoemd. Ook de gemeentesecretaris en de ontvanger kregen van Gedeputeerden hun aanstelling. De rechtspraak bleef aan het gemeentebestuur onttrokken. De ons reeds bekende eerste assessor Jacob Jacobs Nentjes stierf in 1822 op 71-jarige leeftijd. Zijn zoon, Pieter Nentjes, kwam toen in zijn plaats. In 1824 stierf de schout, Grubbelt Brands. Eigenaar van zijn huis, in de Vinkenbuurt, werd toen de herbergier Pieter Keuter, die er tot 1840 zijn bedryf in heeft uitgeoefend. Pieter Nentjes werd in Brands' plaats tot schout aangesteld. Ook hij was, evenals Ds. Romkes, een achterkleinzoon van den vroegeren schout Cornelis Romkes. Bij Koninklijk Besluit van 22 Juli 1825 kreeg de schout den titel van burgemeester. Dit woord kreeg dus een heel andere betekenis dan het vroeger had gehad. Met den burgemeester en de assessoren zou de gemeenteraad op Urk uit 7 personen bestaan. De burgemeester zou door den Koning, de zes raadsleden en uit hen de asses soren door Gedeputeerden worden benoemd. Ingevolge dat K.B. zonden Gedeputeerden in Augustus naar Urk bericht, dat de schout, Pieter Nentjes, als zodanig eervol ontslagen was en benoemd was tot burgemeester en secretaris der gemeente; alle raadsleden waren eervol ontslagen en die en die waren tot leden van den nieuwen raad benoemd. In de eerste daarop gevolgde vergadering van dat nieuwe en toch oude bestuur dechargeerde de schout, nu burgemeester, de oude leden en installeerde de nieuwe. Tevens deelde hij mede, wie door Gedeputeerden tot assessoren waren aangewezen. Het aantal inwoners van Urk bedroeg toen ongeveer 660. Toen Napoleon in 1811 de conscriptie of gedwongen krijgsdienst invoerde, wilde hij natuurlijk den leeftijd van alle jonge mannen weten, en die was alleen te bepalen met behulp van de kerkelijke doopboeken, want een „burgerlijke stand" had de overheid toen nog niet. De doopboeken werden dus opgeëist, opdat op de gemeentehuizen zou kunnen worden nagegaan, wie dienstplichtig waren. Na Napoleons val bleef de conscriptie bestaan, zij het ook in den iets zachteren vorm van „loting voor de nationale militie". En toen ook nog moesten gedurende enkele jaren de doopboeken dienen, om telken jare de „lotelingen" uit te zoeken. Zo waren ook de Urker doopboeken telkens en na 1817 geregeld op het gemeentehuis. Door de zorg van Ds. Napjus zijn toen nieuwe doopboeken aangelegd, en de tot dien tijd gebruikte zijn niet meer aan de kerk teruggegeven. Ze zijn thans in bewaring in het Rijksarchief te Haarlem. Ik heb kunnen constateren, dat ze uitnemend verzorgd worden; en — dat is het mooie van onze archieven — ze zijn voor ieder toegankelijk. Maar zo komt het dan ook, dat in die tot 1817 lopende dagboeken 330


in het gemeentehuis niet alleen hier en daar nadere aanduidingen of zelfs naamsveranderingen zijn aangebracht (de schout of burgemeester, zelf een Urker, kende de mensen en de namen beter dan de dominee), maar dat er ook „kladjes", briefjes en briefafschriften in liggen, die op het raadhuis geschreven zijn. Blijkens een kladje van de lotelingen van 1822 en '23 moesten ook toen de jongens loten in het jaar, waarin ze 19 jaar oud werden. Ofschoon er nu in de jaren 1803 en '04 wel 58 kinderen geboren waren, komen er op dat kladje maar 5 namen voor. Er moeten dus in dien tijd wel heel wat jongens gestorven of vertrokken zijn. In 1806 waren 34 kinderen gedoopt, en het lijstje van de lotelingen van 1825 bevat 11 namen. Die verhouding is niet ongunstig. Het doopboek geeft voor 1813 23 dopelingen aan, en 1832 telde 7 lotelingen. Slechts één kwam voor den dienst in aanmerking. Burgemeester Nentjes heeft achter de namen van enkele mannelijke dopelingen van 1813 een aantekening geplaatst. Op een los papier van 1834 staat: „Lijst van Lotelingen, welke in 1815 geboren zijn". Daarop volgen 10 namen in de volgorde van de geboorte. In 1815 waren 21 kinderen gedoopt, dus die verhouding was zeer gunstig. De burgemeester schreef onder het lijstje: „Vriend Vis Maak mij hier van eens een Lijst volgens Alphabetisch Model wel lettende dat Ab voor Ac worde geplaast." Meester Vis, even gemoedelijk van opvatting als de burgemeester, nommerde naar hij dacht de namen in de juiste volgorde, maar gaf geen acht op de aanwijzing van den burgemeester: hij lette alleen op de beginletters. De burgemeester had het werk beter zelf kunnen doen. Een der 10 jongens staat aangegeven als „onwijs". De stormen en watervloeden, waardoor ons vaderland in den winter van 1824 op '25 werd geteisterd, zijn lang in het geheugen van ons volk blijven hangen, mede door de geestelijke gevolgen, die ze meebrachten. Hofdijk schreef: „De kusten werden (in 1824) door een hevigen Novemberstorm fel geteisterd. Bij den Helder sloegen de golven over den dijk heen; Rotterdam geraakte ten dele, Kampen geheel onder water. Maar vreezlijk bovenal was de waterramp, waardoor het land in den aanvang van 1825 getroffen werd. Den derden Februarij van dat jaar stak er een stormramp op, die ontzettende verwoestingen aanrichtte." „Drie honderd tachtig menschen, waaronder in Overijsel alleen al drie honderd vijf, lieten hun leven in de hunne bezittingen overspoelende wateren. De schade, aan vee, woningen en roerende goederen geleden, bedroeg weinig minder dan vijf millioen." 331


Ook Urk was in 1824 door storm en watervloed reeds zeer geteisterd. Toen volgden de lage prijzen van de winterharing en daarna op 4 Februari de storm, die de kracht van een orkaan kreeg. Een oom van schrijver dezes werd als achtjarig kind door den wind als het ware opgenomen en verscheidene meters verder tegen een hek geworpen. Bij Urk bereikte het water een hoogte van 2,80 meter boven het gemiddelde peil. Aan de havenwerken, aan de waterkeringen, aan gebouwen en landerijen werd door wind en water grote schade aangericht; in de haven werden vijf schuiten geheel stukgeslagen; maar — men had op het eiland geen enkel mensenleven te betreuren, want de vloot was thuis. Dat ons volk onder den indruk van de inderdaad nationale rampen kwam, is te verstaan. Maar hoe verschillend was die indruk! Mr. I. da Costa riep in zijn „Aan Nederland" ons volk op tot boete en bekering. Hij vond daarbij een bondgenoot in Ds, A. F. Terwall, predikant bij de Engelse kerk in Amsterdam, toen deze uitgaf: „Keert u tot Hem, die slaat", een brochure, die veel aftrek vond. Maar het zelfgenoegzaam en zelfvoldaan „Christendom" van dien tijd was van zulke ernstige woorden afkerig. De schrijvers werden overladen met smaad en schimp. We zijn toch Christenen! riep men, en hoe velen hebben niet door het offeren van duizenden guldens tot leniging van den nood het ware, practische Christendom getoond! Toch schaarde Ds. J. J. Ie Roy van Oude Tonge (behorende tot denzelfden „ring", waarheen in 1809 Ds. Bakker vertrokken was) zich aan de zijde van Ds. Therwall. En in hetzelfde jaar dichtte Da Costa in zijn „Geestelijke Wapenkreet" onvervaard: „Te lang reeds heerschen de onverlaten, die Jesus' bloedverzoening haten, en wien Zijn kruis een gruwel is." Ontging die strijd aan Ds. Romkes? Roerde hem niet de toeneming van het ongeloof en de onverschilligheid en het briesen van vijanden tegen de heerschappij van Gods Woord? Zelfs Ds. Schmidt, de Patriot, had geklaagd over het wassende ongeloof buiten en in de kerk. Maar waar bleef Ds. Romkes? In de notulen is geen enkel woord te vinden, dat er op wijst, dat hij er onder gebukt ging. Was hij dan tevree, als het in zijn eigen gemeente maar rustig, vooral rustig, bleef? Nu kan men zeggen, dat Ds. Romkes over het algemeen sober was in zijn aantekeningen; maar als de diakonie een voordelig jaar had, maakte hij er toch wél met bijzondere dankbaarheid melding van. En bovendien, Urk had toch ook gedeeld in de algemene beproevingen. En in élk geval ivas er te danken geweest, dat op Urk geen mensenlevens te betreuren waren. Natuurlijk zal dat ook wel gebeurd zijn, maar in de notulen wordt er niets van gemeld, zelfs niet op den op Urk steeds zo indrukwekkende Oudejaarsavond. Ds. Romkes moge blijk hebben gegeven van persoonlijke vroom332


heid en zich bemind hebben gemaakt door zijn zachtmoedigheid, aio een kloek strijder voor de waarheid heeft hij zich niet gekenmerkt. Ook het volgende moge dit nader aantonen. In 1827 gaf Ds. D. Molenaar te 's-Gravenhage zonder vermelding van zijn naam een geschriftje uit onder den titel: „Adres aan alle mijne Hervormde geloof sgenooten". Het ging daarin o.a. over de proponentsformule. De wijziging daarvan door de Synode achtte de schrijver „de losmaking van den band der formulieren" en „een oneerlijkheid tegenover de gemeente". Dan klaagde hij over de alg'emene afwijking van de Gereformeerde beginselen in de kerk, in leer en leven beide. De storm van verontwaardiging, die in de kerk zelf tegen den onbekenden schrijver oprees, was het bewijs, dat hij terecht geklaagd had. Maar dat verhinderde niet, dat het „Adres" druk gelezen en ook in de hofkringen besproken werd. Zo kwam de Koning met den inhoud op de hoogte. Of Z.M. boos was! Het kon niet verborgen blijven, dat Ds. Molenaar de schrijver was, en deze werd weldra door den Minister van Eredienst ter verantwoording geroepen. Hij bekende, de schrijver van het „Adres" te zijn, en toen hij hoorde van de verontwaardiging van den Koning, betuigde hij zijn spijt, dat hij het in het licht gegeven had! Hem werd nu de raad gegeven, zich met een request tot den Koning te wenden, om diens verschoning in te roepen en te beloven, dat hij de „rust" in „de vaderlandse kerk" niet meer verstoren zou. En inderdaad, dat heeft Ds. Molenaar gedaan! Die was dus ook al geen held. Het antwoord op dat request werd gegeven in het Koninklijk Besluit van 22 September 1827. Daarin werd te kennen gegeven, „dat Z.M. het naamloos geschrift met ongenoegen en afkeuring had gelezen, maar evenwel voor het tegenwoordige deze zeer onaangename zaak daarbij zoude laten berusten, in het vertrouwen, dat de requestant zich zorgvuldig zou onthouden van alles, wat de rust in de Hervormde kerk zou kunnen storen en zich overeenkomstig de Reglementen zoude gedragen". Maar of dat alles niet aan de gemeente van Urk voorbijgleed, zoals de golven der Zuiderzee in de verte voorbijgleden aan de eilandskerk op het Hoge Klif ? In genen dele, want een afdruk van het K.B. van 22 September 1827 werd aan alle kerkeraden gezonden. Ze moet dus ook aan het adres van Ds. Romkes bezorgd zijn. Maar - in de notulen wordt er met geen enkel woord van gerept! Nu is het waar, dat het Avondmaal in het begin van October van dat jaar niet kon gehouden worden door de ongesteldheid van Ds. Romkes en het overlijden van zijn eega, zoals ik vroeger heb meegedeeld. Maar na dien tijd moet er toch voldoende gelegenheid geweest zijn, om de zaak ter sprake te brengen; want reeds het volgende 333


Avondmaal werd wèl gehouden. Heeft Ds. Romkes van de ontvangst van het Koninklijke stuk geen melding gemaakt, omdat hij dan genoodzaakt zou zijn, om ook omtrent de aanleiding er van een verklaring te geven en zou moeten spreken van de brochure van Ds. Molenaar? Had hij liever niet, dat deze op Urk meer bekendheid kreeg, omdat zijn instemming er mee niet bijster groot was? Zo schijnt het inderdaad. Maar dan heeft Ds. Romkes zijn kerkeraad groot onrecht gedaan, door dezen te onthouden, hetgeen voor dat college en niet alleen voor den dominee bestemd was. Misschien wil iemand ter rechtvaardiging van Ds. Romkes de veronderstelling opwerpen, dat hij het niet eens zal zijn geweest met de inmenging van den Koning in deze zaak. Dat ware werkelijk schoon geweest. Maar dan had hij, als dienaar der kerk van Jezus Christus, in dien geest een uitspraak van den kerkeraad moeten uitlokken. Bij al mijn waardering voor den persoon van Ds. Romkes kan ik niet anders zeggen, dan dat het achterwege houden van het tot den kerkeraad gericht stuk een ambtelijk verzuim is geweest, dat geenszins in zijn voordeel getuigt. Trouwens, we hebben een onverdacht getuigenis omtrent de houding, die Ds. Romkes tegenover een belangrijk deel van zijn gemeente innam, toen er van die zijde bedenkingen tegen zijn prediking geopperd werden. Het is wel van enige jaren later, maar daardoor allicht te meer onbevooroordeeld. De Gouverneur van Noord-Holland n.1. betuigde in 1836 den Burgemeester van Urk zijn ontevredenheid over diens „laksheid" tegenover het optreden van de Afgescheidenen. Te zijner verdediging schreef toen de Burgemeester 8 Augustus 1836 het volgende: „Ook kan zulks door mij wegens herhaalde pogingen van vroe ger dagen, door mij tot uit den weg ruiming van een zoodanige spanning in de gemeente aangewend, meer als genoegzaam wor den tegengesproken, want in mijne betrekking als assessor van de gemeente (1822-'24) ontwaar wordende, dat er tusschen zommige leden van de gemeente, en den (toen) tegenwoordigen pre dikant, eenig misverstand, omtrent de verklaring der H. Schrift bestond, zoo heb ik destijds met mijnen vriend en ambtgenoot G. Bakker alles aangewend wat dienstig zijn kon, om de uiteenloopende denkwijzen met malkander door onderlinge verdraag zaamheid en onderlinge liefde te vereenigen, dan helaas hierin nimmer geslaagt zijnde, maar zelfs bij herhaaling daarin tegen stand zoowel van de zijde van den Predikant, als ook van zommige leden van de gemeente ondervindende, zoo heb ik echter in mijn betrekking als Burgemeester ofschoon toen door het droevig afsterven van mijn vriend en ambtgenoot G. Bakker maar alleen zijnde tot in de jongste oogenblikken toe, niet opgehouden........ " 334


Hieruit blijkt duidelijk, dat de mensen, die ik getekend heb als gezelschapsmensen, ook in de prediking van Ds. Romkes geen bevrediging vonden. Ondanks de pogingen van de heren Nentjes en Bakker, om de partijen tot elkander te brengen, nam de spanning eer toe dan af. In hoe voorzichtige woorden de Burgemeester zich ook uitdrukt, de geestelijke atmosfeer werd blijkbaar hoe langer hoe sterker geladen. Zo verklaar ik ook, dat Ds. Romkes redenen meende te hebben, het bewuste stuk achterwege te houden. De gezelschapsmensen zouden er een stok uit weten te snijden tegen zijn prediking. De Hoefnagels op Urk zijn nazaten van den chirurgijn Leendert Hoefnagel, die omstreeks 1800 op het eiland zijn practijk uitoefende en vermoedelijk in 1811 overleden is. Theodorus van der Stoop zal in 1812 „dokter" op Urk zijn geworden. In 1812 liet hij tweelingen en in 1814 weer een kind dopen. In 1827 zal hij gestorven zijn. Hij had toen 15 a 16 jaar lief en leed met de bevolking van Urk gedeeld en schijnt er zeer geacht te zijn geweest. Dat kan blijken uit het merkwaardig en voor vreemdelingen raadselachtig opschrift op zijn grafsteen. De laatste regels er van luidden: „En veel geholpen in den nood En velen ook gebracht ter dood". Het is hier de plaats, om iets te zeggen van de begrafenissen op Urk. Ze hadden steeds en hebben tot op den huidigen dag iets eigens. In haar naieven, ongekunstelden vorm stammen ze uit den tijd deieerste bewoners van Urk, in haar innerlijk zijn ze gewijd door het Christelijk geloof. Ofschoon de bevolking groeide, bleef men zich door het isolement van het eiland beschouwen als een grote familie, nog meer, dan dit met de (immers tijdelijke) bewoners van een groot passagiersschip het geval is. Met een ernstig ziektegeval leefde heel het volk mee, en bij een sterfgeval was heel het dorp er spoedig van op de hoogte. Op den morgen van een begrafenisdag gingen de „doodaanzegsters" in rouwkerkdracht huis aan huis boodschappen, hoe laat de begrafenis zou plaats hebben. Lang voor den tijd verzamelde zich de rouwdragende familie in het sterfhuis, waar ze plaats nam rondom de kist. Verder voegde ieder, die er begeerte toe gevoelde en er de vrijmoedigheid voor bezat, zich daar bij, tot alle plaatsen in het huis op van elders gehaalde stoelen bezet waren. Ook daarna stroomden de mensen nog toe. Ze groepten zich dan rondom, althans vóór het huis en wachtten, vrouwen, zowel als mannen. Hoe meer achting de gestorvene genoten had, icaarvoor openbare godsvrucht het voorname element vormde, des te meer werd het als een bewijs van onaandoenlijkheid en gebrek aan levensernst aangerekend, wanneer iemand bij een begrafenis aan zijn gewone bezigheden bleef. 335


Een uur vóór het ,.uitdragen" verscheen de predikant, vergezeld

van den „lezer", die door den kerkeraad was aangesteld. Voor hen waren plaatsen vrij gehouden. De lezer las enkele gedeelten uit de Heilige Schrift voor, die meer of minder verband hadden met de verwachting, die er tegenover de eeuwigheid voor den gestorvene bestond, en in ieder geval zulke gedeelten, die aan den ernst van leven en dood herinnerden. De predikant deed dan aan de hand van een dier Schriftgedeelten de „aanspraak", die woorden van troost en vermaning bracht en met een gebed besloten werd. Als het tijd geworden was, om het lijk uit te dragen, begon de torenklok te „kleppen". De menigte voor het sterfhuis was intussen nog meer aangegroeid. De kist werd door de dragers, in gewone kerkdracht, op de baar geplaatst, en de stoet zette zich in beweging. Eerst, maar niet bijzonder geordend, de familie, waarvan de vrouwen den geplooiden overrok, „het schort", over het hoofd hadden geslagen, en dan, zonder enigen regel, alle anderen. Tussen die anderen zag men bij meer autoriteiten, steeds ook den dokter. „En velen ook gebracht ter dood", d.i. mee grafwaarts gedragen. Tot op den huidigen dag kan men op Urk die wijze van begraven waarnemen. Wat er in de toekomst, nu Urk zijn eilandelijk bestaan verloren heeft, gebeuren zal, weten we niet; maar wel geloof ik, dat hij, wien het zou gelukken, dit stuk volksleven te leiden langs de strakke lijnen van den modernen tijd, niet anders zou bereiken, dan dat hij, voor het onvrije en gekunstelde van den mageren vorm, verloren zou hebben de wijding van de natuurlijkheid en spontaneïteit, en daarmee de algemene deelneming zou hebben geblust. Nadat de kist met touwen in het graf neergelaten was, vulden de dragers dit geheel met de uitgegraven aarde, totdat er een heuveltje opgeworpen was. De baar werd daaroverheen geplaatst, en de stoet verliet het kerkhof. De meesten gingen naar huis, maar de familie en de nadere vrienden naar het sterhuis, waar onder leiding van een of meer geestelijke voormannen de gesprekken niet liepen over alles en allerlei, maar over de dingen des geestelijken levens. Zijn er misschien tijden geweest, dat er op Urk (toch uiteraard sobere) begrafenismalen gehouden zijn, die waren in de 19-de eeuw in ieder geval beperkt tot het gebruik van een „bolletjen" of „kadetjen" en een kopje koffie. Na gebed en dankzegging door een der voorgangers ging men huiswaarts. In 1831 moest helaas een graf gedolven worden voor den leraar der gemeente. Meester Vis tekende in het notulenboek aan: „Den 17 Maart is onze geliefde leeraar I. A. Romkes, na een langdurig lijden, in den ouderdom van bijna 38 jaren, tot onze droefheid overleden". Hoe jong nog! Nog geen tien jaar had hij in het ambt gestaan. We mogen aannemen, dat het woord „geliefde" in de aantekening het algemeen gevoelen weergeeft. 336


De begrafenis zal geleid zijn door den consulent. Van de jaren 1823 tot '29 deden 41 mannelijke en 44 vrouwelijke personen belijdenis des geloofs. Ter voorbereiding van een beroep werd 18 Juli ten huize van den consulent te Enkhuizen een vergadering van den kerkeraad gehouden. Alles ging weer buiten de gemeente om. Na het vormen van een zestal en een drietal viel het lot op Petrus Jacobus ter Plegt, candidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Brabant. Het beroep werd door hem aangenomen. Op 9 October 1831 werd de jonge leraar in het ambt bevestigd. Zijn intreetekst was: „En de Rere wrocht mede". Was de prediking van Ds. Ter Plegt voor velen een teleurstelling ? Bij de vermelding van het Paasavondmaal en de Dankzegging in 1832 schreef hij in de notulen: „Mogt dit alles gestrekt hebben tot stichting en zegen voor de broeders en zusters welke daaraan deel namen". Op Zondag 2 December van dat jaar tekende Ds. Ter Plegt aan: „Volgens de begeerte van onzen geliefden Vorst hielden wij heden een plegtige bededag om Gods zegen over ons, en over ons volk en vaderland in de tegenwoordige omstandigheden af te smeeken". Hier werd blijkbaar gedoeld op de verwoestingen, die sinds Juni ook in ons land werden aangericht door de Aziatische cholera, en op de gespannen politieke verhouding met vijf grote mogendheden en België. Om deze laatste bleven onze troepen tot 1839 tegenover onze zuidelijke grenzen gelegerd. Enkele Urker jongens hebben toen in Noord-Brabant hun (langdurigen) militairen diensttijd vervuld. In October 1833 namen de 10 in de kerk „aangenomen" „nieuwe leden" (alleen vrouwelijke) mede deel aan het H. Avondmaal. Van die 10 zijn er later 8 tot de Afscheiding overgegaan. Op 31 December 1833 en 1 Januari 1834 werd vanwege een geduchten storm en de ongerustheid over volk en schuiten geen kerk gehouden. En helaas, Evert Hoefnagel, een diaken kwam in den Oudejaarsnacht voor Enkhuizen in de golven om. Volgens de overlevering moet de bekende Ds. C. C. Callenbach van Nijkerk in dien tijd of iets vroeger eens een bezoek aan Urk hebben gebracht, bloot met de bedoeling, het eiland te bezichtigen. Toen men er hoorde, wie hij was, werd hem verzocht, eens „op te treden". „Maar dat kan toch niet, zonder dat het afgekondigd is", antwoordde Ds. Callenbach. „O, dat 's geen bezwaar, dominee", werd daarop gezegd, „we luiden maar even de klok, en dan komen de mensen wel." Of er toen een kerkdienst gehouden is, weet ik niet. Indien ja, dan houd ik mij overtuigd, dat men van zijn prediking 337 22


genoten heeft. Hij behoorde tot de weinige Gereformeerde predikers

van dien tijd. Omtrent de vele adressen, waarin over onrechtzinnigheid van leraars geklaagd werd, besloot de Synode, ze „wegens hun ongepasten inhoud" ter zijde te leggen. En op 16 Juli 1834 werd het vonnis der afzetting van Ds. H. de Cock te Ulrum door de Synode bevestigd. Op 13 October 1834 werd door de gemeente van Ulrum de „Acte van Afscheiding of Weder kering" getekend, sinds door andere gemeenten of groepen van belijders gevolgd. Of de geruchten daarvan op 9 November al tot Urk waren doorgedrongen, kunnen we niet beoordelen. Ds. Ter Plegt plaatste toen in het notulenboek deze merkwaardige woorden, waarvan ik er enkele heb onderstreept: „Nadat wij op den 2en dezer de gewoone voorbereidings leerrede voor het Avondmaal gehouden hadden, mogten wij op heden (9 Nov.) weder deze Heylige gedachtenismaaltijd van Jezus dood vieren, hoewel het te beklagen is, dat zoo weinige leden der gemeente daaraan deelnamen, hetgeen helaas! getuigd van de slegte godsdienstige geest die hier heerscht - van de onverschilligheid in hunne ware belangen. Met anderen mocht ons klein getal dischgenooten zich in dankzegging vereenigen tijdens het namiddag uur." Scherper en minder gemotiveerd oordeel over degenen, die zich afzijdig hielden, voornamelijk - en dat besefte Ds. Ter Plegt heel goed - om de prediking, had zeker moeilijk kunnen worden uitgesproken. De Synode had het voor haar rekening kunnen nemen. De kerkelijke notulen geven omtrent het jaar 1835 niet veel bijzonders. Van de 29 personen, die in dat jaar „aangenomen" werden, zijn er later 8 met de „Scheiding" meegegaan. Zekere L. Hunnink had de kerkfondsen geadministreerd. Toen zijn weduwe, die in Enkhuizen was gaan wonen, door den kerkeraad aangemaand werd, om het saldo over te geven, kwam zij voor den dag met een onkostenrekening, waarop o.a. voorkwam een „staand horologe", dat eens aan Ds. Romkes ten geschenke moest zijn gegeven. De kerkeraad vond de rekening te hoog en wist er niet van, dat er ooit last was gegeven, een pendule aan Ds. Romkes te geven. Er werd geklaagd bij de Commissie van Toezicht, en die besliste, dat niet meer dan 5% onkosten mocht worden gerekend en dat daaronder niet een staand horologe mocht worden opgenomen, omdat voor het schenken daarvan geen last gegeven was. De weduwe behoorde alles tegen kwitantie af te dragen. Bij de vermelding van het Avondmaal op 4 October tekende Ds. Ter Plegt aan: „Zij, die zich in deze gemeente niet onttrokken, ge noten het voorrecht ...... " „In deze gemeente", blijkbaar een heen wijzing naar de gebeurtenissen elders. 338


Ps. 130 : 3 was voor Ds. Ter Plegt het slotwoord van 1835: „Zo Gij, Here, de ongerechtigheden gade slaat, Here, wie zal bestaan?' 1836 werd geopend met: „Mijn tijden zijn in Uwe hand". Het is, alsof de prediker gevoelde, dat er iets gebeuren ging. Bij 10 Januari schreef hij: „H. Avondmaal, waaraan sommige leden der gemeente, die zich niet onttrokken aan deze heilige roeping, den 10 mogten aanzitten, om daar de goedheid Gods te zien en te smaken; over welk voorregt wij ons in den namiddag dankzeggende vereenigden". „Sommige leden" ....... Van den kant van Ds. Ter Plegt bekeken was de gang der gebeurtenissen ongetwijfeld tragisch. Maar ,,de kwarteeuw vóór de Afscheiding" was nu voorbij. Bij maniere van overgang naar het volgende hoofdstuk geef ik hier weer hetgeen mij uit officiële stukken bekend is geworden van het burgerlijke leven op Urk omstreeks 1835. Hoe slecht het postverkeer met Urk in dien tijd was, kan blijken uit een geval van 1834. Een brief, op 10 April in Hindelopen geschreven, ging eerst naar Sneek, van daar op 19 April naar Amsterdam en toen naar Enkhuizen. Den 12-den Mei kwam hij op Urk. Hjj had voor de reis dus ruim een maand nodig gehad. De laagste rechter, waarmee men op Urk te maken had, was de vrederechter in het kanton Enkhuizen. De daarop volgende was de Rechter van Eersten Aanleg te Hoorn. De reeds bestaande plaatselijke strafwetvoorschriften moesten ter goedkeuring voorgelegd worden aan de Gedeputeerde Staten der Provincie. Zo werd in 1833 een „Plaatselijk Reglement op de invordering van de belaste voorwerpen van turf en hout", dat naar den inhoud van zeer ouden datum moet zijn geweest, door het Gemeentebestuur opnieuw vastgesteld en door Gedeputeerden goedgekeurd. Steven Post was aangesteld, om toe te zien, dat geen brandstoffen werden aangevoerd en verkocht, zonder dat daarvan het vereiste recht was betaald. Op 1 September 1834 zond de Burgemeester het eerste proces-verbaal van dien ambtenaar aan den Vrederechter. Op 24 Augustus van dat jaar had het Gemeentebestuur vastgesteld wat wij thans noemen een Politieverordening. Merkwaardig was het lange opschrift. Daaruit reeds is te zien, welk een moeite het steeds gegeven had en nog gaf, om de gemeentenaren aan wet en regel te wennen. Dat opschrift luidde: „Reglement of Keure, houdende bepalingen tegen het willekeurig houden van schapen, geiten of bokken, alsook wegens het eigendunkelijk uitlaten van paarden en runderen op de gemeenteweide te Urk, alsmede tegen alle verkeerde misbruiken, welke dagelijks in velerlei opzichten bij de gemeente, door zich aan de wettige orde te onttrekken, zijn komen te ontstaan." 339


We zullen hierbij maar niet vragen, of men toen ook nog andere dan verkeerde misbruiken kende. Na de goedkeuring van Gedeputeerden zond de Burgemeester een afschrift aan den Vrederechter te Enkhuizen, opdat deze daarnaar, indien nodig, zou kunnen vonnissen. Artikel 1 verbood het zenden van schapen, geiten en bokken in de gemeenteweide. Art. 2 verbood, paarden en koeien te weiden vóór den door het Gemeentebestuur vastgestelden datum. Art. 4 eiste, dat het vee ook na dien datum des nachts zou worden binnengehouden, totdat de hooioogst was afgelopen en de hekken waren weggenomen. Art. 5 bepaalde, dat er in Maart vanwege het Gemeentebestuur op de stallen een telling van het vee zou plaatshebben; met het oog op de vaststelling van het weidegeld en ter controle van overtredingen. Art. 6 verbood, des winters mest op de wegen of tussen de huizen te werpen. Ze moest op de daarvoor aangewezen belt worden gebracht. Art. 7 waakte tegen het neerwerpen van visafval of verrot hooi in of bij het dorp; het moest „buiten de palen" worden gebracht. Volgens art. 8 mochten op Zon- en feestdagen onder of na kerktijd geen waren worden gevent. Van 's morgens 5 tot 's avonds 7 uur mochten op die dagen geen goederen worden geladen of gelost. Op diezelfde dagen was het dobbelen en spelen verboden. Alle bepalingen waren zeker al heel oud en hadden telkens vernieuwd moeten worden. Artikel 8 schijnt zelfs te stammen uit den tijd vóór de Reformatie. De Reformatie heeft het kwaad van de overtreding niet uitgeroeid. De moeder van schrijver dezes herinnerde zich, dat zij in den tijd der Afscheiding 's Zondags nog met de „bollenmaande" had zien venten. Aan de strengere zeden der Afgescheidenen schrijf ik het toe, dat het kopen en verkopen op Zondag op Urk geheel verdwenen is. Dat er in deze Politieverordening geen verbod meer voorkomt van het varen en vissen op Zondag schijnt er op te wijzen, dat dit kwaad niet meer voorkwam, althans tot de uitzonderingen behoorde. In de jeugd van schrijver dezes werd aan het verbod van het werpen van vuil op verkeerde plaatsen nog niet streng de hand gehouden. In het algemeen bleek het ook nu weer gemakkelijker, bepalingen te maken, dan ze te handhaven. Men zocht de handhaving te veel in een hernieuwde afkondiging. Het merendeel der bewoners van Urk had een sober bestaan, en dikwijls werd over de schrale vangsten geklaagd. Het lot van den schipper waa dikwijls nauwelijks beter dan dat van zijn knecht. Van de geringe verdiensten waren vaak loonkwesties het gevolg. Ging een der partijen, meestal de knecht, er mee naar den Burgemeester, wat nog al eens gebeurde, dan werden de verschillen door dezen zo veel mogelijk in der minne opgelost; maar soms moest de Vrede340


rechter er aan te pas komen. Voor velen was het ook toen nog een uitkomst, dat ze des winters „aan den dijk" konden werken. Men zag nog wel mannen en vrouwen, en zelfs kinderen, aan de heistelling staan. Doordat het Rijk op den duur meer zorg aan de waterkering ging besteden, zag men dat toen evenwel al verminderen. De genees- en heelmeester P. Musch, vermoedelijk de opvolger van Theodorus van der Stoop, achtte het in 1835 nodig, een aanklacht bij den Vrederechter in te dienen wegens wanbetaling. De aangeklaagde en zijn schoonzoon waren isder eigenaar van een schuit. Die schoonzoon was uit een ziekte hersteld. Nu kioam het in een geval van groten of langdurigen tegenspoed vel voor, dat er met vergunning van het hoofd der gemeente voor den getroffene op het eiland een collecte werd gedaan. In dit geval evenwel had de Burgemeester daartoe geen toestemming gegeven, omdat de familie twee schuiten bezat en dus tot de „welgestelden" gerekend werd. Het gevolg was, dat de familie weigerde den dokter te betalen en dat deze een aanklacht bij den rechter indiende. De afloop is mij onbekend. Tot de welgestelden konden ook gerekend worden de vissers, die een grotere schuit hadden en voordeliger in hun bedrijf waren, dan anderen. Ook de „landlui" behoorden daar over het algemeen bij, vooral indien ze hooieigenaars waren en vee hadden.

341



De Afscheiding. --De kerkeraadsvergadering, gehouden op Zondag 17 Januari 1836, was zeer belangrijk. Nadat zes punten van het agendum waren afgehandeld, deelde Ds. Ter Plegt mede, dat de post twee stukken bij hem bezorgd had, waarvan hij den kerkeraad kennis moest geven. Het eerste stuk was een aanschrijving van den Minister van Eredienst, namens den Koning tot alle kerkeraden gericht. Ik laat het hier volgen en onderstreep nu en dan. „De minister van Staat, belast met de Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk, enz. Bij aanschrijving van 10 dezer, No. 71, ontvangen hebbende Zijner Majs. beschikking op de adressen van onderscheidene personen, welke verklaren zich op daarbij aangegevene gronden van de gevestigde Hervormde kerk te hebben afgescheiden, en diensvolgens verzoeken 's Konings goedkeuring, autorisatie en bescherming, ten einde in hunne eeredienst niet te worden belemmerd, maar integendeel in de vrije uitoefening van dezelve te worden gehandhaafd; Geeft, overeenkomstig gemelde Koninklijke aanschrijving, bjj dezen, aan de adressanten te kennen: Dat Z.M. met het hoogste leedwezen vernomen heeft hun voornemen, om de gevestigde Hervormde kerk te verlaten en afzonderlijke genootschappen te vormen; daar zoodanige scheuring van veruitziende gevolgen is en aanleiding geeft tot onverdraagzaamheid, twisten en partijschappen, den nadeeligsten invloed uitoefenende op de rust der huisgezinnen en de opvoeding der kinderen; terwijl deze afscheiding voor henzelven van zeer bedenkelijke gevolgen zoude wezen, daar zij er wel op bedacht moeten zijn, dat zij alsdan zelven geheel en al zouden moeten zorgen voor hunne kerken, voor hunne leeraars en voor het onderhoud hunner behoeftigen. Dat in allen gevalle de door hen ingediende verzoekschriften voor geen gunstige beschikking vatbaar zijn, maar zoo als zij zijn liggende, moeten worden gewezen van de hand. Dat, indien zij onverhoopt mogten blijven volharden bij hun voornemen om afzonderlijke nieuwe Godsdienstige genootschappen te vormen, de Koning aan hen geen toelating en grondwettige 342


bescherming kan verleenen, dan nadat Zijner Majesteit zal zijn gebleken, dat de openbare orde of veiligheid daardoor niet gestoord kan worden; dat Hoogstdezelve dus zou afwachten de nadere daartoe te dienen adressen, welke verzeld zullen moeten zijn van hunne reglementen en statuten, ten einde daarop finaal te beschikken; nadat een en ander in het belang eener goede politie zal zijn onderzocht, en daarin niets gevonden dat de publieke orde en rust zou kunnen storen, met de goede zeden strijden of eenige inbreuk maken op de bezittingen, inkomsten, regten of titels van de gevestigde hervormde (gereform.) kerk of eenig ander, reeds in dit rijk bestaand kerkgenootschap, als welke Zijne Majesteit, volgens de grondwet, verpligt is te beschermen. Dat dan inmiddels, zoolang zoodanige toelating door Zijne Majesteit niet zal zijn verleend, de adressanten geene aanspraak kunnen maken op de vrijheid van godsdienstoefening en bescherming, alleen aan de bestaande kerkgenootschappen bij de grondwet verzekerd, en dat mitsdien voorlopig de door hen, zonder verkregen toelating feitelijk opgerigte gemeenten, als onwettig, niet kunnen worden geduld. 's-Gravenhage, 11 Dec. 1835 De minister van Staat voornoemd, Van Pallandt van Keppel. Voor overeenkomstig afschrift: De secretaris en adviseur bij het dep.t Janssen." Ds. Ter Plegt kon natuurlijk niet weten, dat de redenering over verdraagzaamheid en eenheid in latere jaren precies zo zou worden aangewend tegen de stichting van Christelijke scholen. Maar evenmin zal het bij hem zijn opgekomen, dat de in dit stuk gegeven rechtsbeschouwing op grond van het in Nederland geldende recht niet te verdedigen waren. Het stuk had niet aan de kerkeraden behoren te zijn gezonden, doch aan degenen, die bij den Koning hadden geadresseerd. De bedoeling evenwel, die er achter zat, was al te doorzichtig: het stuk moest als waarschuwing algemene bekendheid verkrijgen. Met het oog hierop was het Ds. Ter Plegt gans niet onwelkom. Het viel hem nu, in tegenstelling met de vroeger gevolgde methode van verzwijgen, gemakkelijk, om het stuk in zijn geheel ter kennis van den kerkeraad te brengen. De broeders zouden ongevraagd wel optreden als verbreiders; wie weet, het mocht diegenen op Urk, die over afscheiding dachten, van de uitvoering terughouden. En dat er dezulken waren, wist Ds. Ter Plegt met zekerheid uit het tweede stuk, waarmede hij den kerkeraad in kennis stelde. Het was van Ds. H. de Cock. Op het adres stond: „Aan de Gelovigen op het eiland Urk". De post had het begrijpelijkerwijs bij Ds. Ter 343


Plegt bezorgd. Uit den inhoud had hij dadelijk begrepen, dat de brief bestemd was voor „enigen uit de gemeente", die Ds. De Cock verzocht hadden, op Urk: te komen. Hij bevatte verder de mededeling, dat Ds De Cock het plan had, „in 't voorjaar over te komen". De wijze van doen, dat men op Urk niet lijdelijk had afgewacht, wat er gebeuren zou, maar dat men zich, zoals men op Urk zegt, „tot het hoofdkantoor" had gewend, is kenmerkend voor het Urker volkskarakter, dat hier iets van zijn Friese verwantschap openbaart. Waar de brief van Ds. De Cock mag gebleven zijn, weten we niet Ds. Ter Plegt had er al een afschrift van genomen en had daarmede, allereerst aan zichzelf, bekend, dat de brief niet voor hem bedoeld was. We achten het intussen niet onmogelijk, dat het juist de bedoeling van Ds. De Cock is geweest, om het stuk onder de ogen van Ds. Ter Plegt te brengen en dezen zodoende voor een beslissing te plaatsen. Welnu, die beslissing viel thans reeds, want de notulen delen mede,dat „door de vergadering besloten wordt, vermelden H. de Cock als prediker niet te kunnen toelaten in ons kerkgebouw, - verder dat indien hij elders op deze plaats mogt prediken, dat alsdan de kerkeraadsleden zich daar niet zullen vervoegen." Het valt te betwijfelen, of Ds. Ter Plegt te dezen opzichte gerust kon zijn. Natuurlijk hebben de „Gelovigen", in het adres van den brief bedoeld, toch volledig kennis van den inhoud gekregen. Ds. Ter Plegt formuleerde het slot van de notulen aldus: „Eindelijk wordï de vergadering, in liefde vereenigd geweest, met gebed en dankzegging door den Predikant besloten." Het verband der reeds in ons land gevormde „Afgescheiden" gemeenten was, hoe verspreid ze ook lagen, reeds zo ver geregeld, dat ze van 2 tot 12 Maart 1836 te Amsterdam voor het eerst in synodaal verband konden samenkomen. Alle zes predikanten en elf ouderlingen waren daar bijeen. Op voorstel van een der broeders werd er bij de opening knielend gebeden. Het voornaamste besluit der vergadering was, om zich met een krachtig verweerschrift tot den Koning te wenden als antwoord op het ministeriële schrijven van 11 December 1835. Drie deputaten zouden bij den Koning gehoor vragen, om het verweerschrift aan Z.M. persoonlijk te kunnen overhandigen. Ds. De Cock preekte en doopte op Zondag 13 Maart in de Afgescheiden gemeente te Amsterdam. Van hier naar Utrecht vertrokken, stelde hij zich voor, 's Donderdags over Zwolle naar huis te gaan. Kort voor zijn vertrek ontving hij een brief van zekeren P. Jolly te Hoorn, die hem dringend verzocht, daar te komen. Jolly wist ook van de briefwisseling met „de gelovigen" te Urk en herinnerde Ds. De Cock aan zijn belofte, om ,,in het voorjaar" op Urk te komen. 344


Hij zou nu op dezelfde reis Hoorn en Urk kunnen bezoeken en over Kampen huiswaarts kunnen gaan. Zo zal Ds. De Cock in die week op Urk zijn geweest. Het is zeer jammer, dat ons alle bijzonderheden van zijn eerste bezoek op Urk ontbreken. Ongetwijfeld is er gesproken over de prediking en de houding van Ds. Ter Plegt. Ten slotte zal men overeengekomen zijn, dat Ds. De Cock, als hij gelegenheid kreeg, op Urk zou terugkeren, om dan te besluiten, wat er gebeuren zou. Intussen was Woensdag 16 Maart de Apologie van de Synode der Afgescheiden gemeenten door drie deputaten den Koning overhandigd. Het brede stuk toont duidelijk aan, dat de „Vaderen der Scheiding" heel goed wisten, wat zij deden. Niet zonder ontroering kan men bij het lezen constateren, dat de beschuldiging van dweperij en piëtisme, die hun wel naar het hoofd werd geworpen, geheel zonder grond was. Ze toonden een goed inzicht te hebben in de verhouding tussen kerk en overheid, zoals die naar het Gereformeerde kerkrecht behoorde U. bestaan, en spraken zich uit als echte anti-revolutionnairen. Het «lot van het adres in het bijzonder - een aanhaling uit Artikel 37 der Geloofsbelijdenis - was een geloofsuiting, zó teder en tegelijk zó krachtig, dat men zich verwonderen moet, dat de houding van de autorit» aten tegenover de „Afgescheidenen" niet totaal veranderd is. Helaas neen! Op 5 Juli 1836 verscheen in het Staatsblad een Koninklijk Besluit als antwoord. Hier volgen er enkele aanhalingen uit. „Wij Willem enz. Gezien het adres van A. Brummelkamp c.s., zich noemende „afgevaardigden van hunne geloofsgenooten in de onderscheidene provinciën onzes Vaderlands" ..................... Overwegende. Dat de adressanten, wel verre van zich naar Onze beschikking te gedragen, voortgegaan zijn in hunne onrust en verwarring veroorzakende onwettige handelingen, en niet alleen bij voortduring ongeoorloofde godsdienst-oefeningen gehouden hebben, maar ook ouderlingen en diakenen aangesteld, predikanten beroepen en ingezegend, en zonder Onze toelating, een afgezonderd kerkgenootschap met de daad hebben opgerigt, onder het bestuur van een zoogenaamde algemeene Synode, die, bij een opentlijk en in druk uitgegeven geschrift, den titel aanneemt van de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk onder het Kruis in Nederland; Dat, hoe gering ook het getal hunner aanhangers is, in vergelijking met het aantal der Hervormden in Nederland, zij zich bij uitsluiting durven aanmatigen den naam van ware Gereformeerde 345


haam hun ie vergunnen, Wij met der daad

zouden verklaren dien te beschouwen als niet toekomende aan het door Ons erkende Nederlandsen Hervormd of Gereformeerd Kerkgenootschap, waarvan de adressanten en hunne aanhangers zich facto hebben afgescheiden, door zich aan deszelfs reglementen en tucht te onttrekken; Dat voorts de adressanten, hoezeer zij door het overleggen van dezelfde formulieren als bij het door Ons erkende Nederlandsch Hervormd of Gereformeerd Kerkgenootschap in gebruik zijn, genoegzaam doen blijken, dat tusschen hunne leerstellingen, op zich zelve genomen, en die welke in het genoemde kerkgenootschap worden beleden, geen onderscheid bestaat, en mitsdien in dezelve niets gevonden wordt, dat de publieke orde en rust zoude kunnen storen of met de goede zeden strijden, niettemin in gebreke zijn gebleven, om, betrekkelijk de door hen gewenschte reglementen en kerkelijke organisatie, de vereischte opgaven en ontwerpen ter beoordeeling en goedkeuring in te zenden, terwijl de door hen eigenmachtig en in strijd met onze beschikking van den lOden December 1835, no. 71, opgerigte vereeniging of kerkgenootschap en gemeente, intusschen bestuurd worden door personen, die, vroeger leeraren der Hervormde kerk zijnde geweest, van deze hunne bediening door de wettige kerkelijke magten zijn ontzet, en zich alzoo een hoedanigheid toeschrijven, welke zij op dit oogenblik niet bezitten; Dat zoodanige wederstrevingen van het wettig gezag, met aanranding van een gevestigde en erkende kerk, en het kweeken van openbare onrust en verwarring, niet verder kunnen worden gedoogd. Gezien................... Gelet op .................. Hebben goedgevonden en verstaan: Vooreerst met betrekking tot het adres van A. Brummelkamp c.s. te verklaren, dat de hierboven gemelde zoogenaamde Gereformeerde Kerk, of het genootschap en de gemeenten, door de adressanten en hunne aanhangers, zonder Onze toelating, en strijdig met Onze vorige beschikking, opgerigt, worden gehouden als geen wettig bestaan hebbende en mitsdien (voor zooveel des noods) als ontbonden, en dat derzelve zamenkomsten als zoodanig, uit dien hoofde worden verboden, met verdere waarschuwing aan de adressanten, dat zij zich bijzonder zullen moeten onthouden zoo van zich eenigen titel toe te schrijven, op welken het door Ons erkend Nederlandsch Hervormd of Gereformeerd kerkgenootschap als zoodanig aanspraak bezit, als van het voorwenden van eenig regt of aanspraak op eenige goederen, inkomsten en regten der gevestigde Hervormde of Gereformeerde Kerk of van eenig kerknootschap van het Rijk, daar een zoodanige aanmatiging alle toelating en bescherming, of het regard slaan op eenige nadere vertoogen der adressanten, voor Ons ondoenlijk zoude maken; 346


Ten tweede, te bepalen: a. Dat wanneer in eenige plaats een eenigszins aanmerkelijk aantal personen mogt zijn, welke een gemeente van de voornoemde afgescheidenen zouden wenschen te vormen, en toelating verlangen tot vrije uitoefening van hunnen eeredienst, in een daartoe bestemd gebouw, of bijzonder huis, dezelve personen zich daartoe, met inachtneming van het bepaalde bij art. 161 der grondwet, en met overlegging van de vereischte opgaven en ontwerpen, betrekkelijk de door hen gewenschte reglementen en kerkelijke organisatiën aan Ons zullen kunnen vervoegen, bij een door hen individueel geteekend adres, waarvan de naamteekeningen zullen moeten zijn gecertificeerd door den burgemeester der gemeente, en waarbij zij zullen moeten verklaren, zelven te zullen zorgen voor de behoefte van hunnen eeredienst en armen, zonder op onderstand van het Rijk of op eenge bezittingen, inkomsten of regten van de Hervormde (Gereformeerde) kerk, of eenig onder in dit Rijk erkend kerkgenootschap, ooit aanspraak te zullen maken en dat hetzelve adres, door middel van den gouverneur der provincie, waartoe de gemeente behoort, vergezeld van zijn consideratiën en advies, zal worden ingezonden aan het departement voor de zaken der Hervormde kerk enz., ten einde aan Onze overweging te worden aangeboden. En b. Dat voor zooverre de adressanten en hunne aanhangers intusschen mogten verlangen boven het getal van twintig, als bijzondere personen, binnenshuis tot hun oefening godsdienstig zamen te komen, zij zich daartoe zullen kunnen vervoegen bij de bestuurderen hunner woonplaatsen, met opgave aan dezelve van de namen en woonplaatsen dier personen, alsmede van de dagen en uren waarop en van het lokaal waarin deze zamenkomst zoude plaats hebben, ten einde die besturen alzoo in de gelegenheid worden gesteld, om de daartoe vereischte toestemming te kunnen verleenen, en het noodige toezicht te bevelen, tot voorkoming van al wat de openbare orde of veiligheid zoude kunnen storen. Wordende aan alle openbare magten in het Rijk, die het eenigszins kan aangaan, nadrukkelijk aanbevolen om toe te zien en te zorgen, dat aan den inhoud van Ons tegenwoordig besluit worde voldaan, terwijl Onze Procureur Generaal bij het Hoog-Gerechtshof, en alle andere officieren van Justitie, tegen hen, die in strijd met hetzelfde besluit mogten handelen, de straffen zullen vorderen, welke zij zullen bevinden door dezelve beloopen te zijn. 's Gravenhage, den 5 Julij 1836". De voorschriften van dit veel besproken K.B., gegeven onder letter a en die onder b verschillen veel. Sub a bedoelde, de Afgescheidenen in de gelegenheid te stellen, vrijheid te vragen, om zich als kerkelijke gemeente te openbaren. Bij het verkrijgen van een daartoe strekkende vergunning van den Ko347


ning zouden de ambten kunnen worden ingesteld, de sacramenten bediend en een ambtsgewaad worden gedragen! Sub b gaf gelegenheid, om ook aan „bijzondere personen" vergunning te verlenen, „godsdienstige zamenkomsten" van meer dan 20 personen te houden. De concessie hiertoe kon door den Burgemeester worden verleend. Vooral van sub b werd de eigenlijke bedoeling niet begrepen. Het had den schijn, dat men als bijzondere personen maar concessie behoefde te vragen en dat men na het verkrijgen daarvan de godsdienstige samenkomsten kon inrichten, zoals men verkoos. Nu daargelaten nog de vraag, of dat vragen van concessie niet reeds in strijd was met de rechten van het Koninkrijk Gods, men zou spoedig genoeg ervaren, wat aan het geven van concessie verbonden werd. In Amsterdam b.v. werd concessie verleend. Maar toen men zich in de „godsdienstige zamenkomsten" ook verder als kerk openbaarde en zich onder de ambten bleef stellen en de sacramenten bleef be dienen, toen ...... werd de concessie ingetrokken en was de gemeente als zodanig verder rechtloos. Intussen gingen de gebeurtenissen op Urk haar gang. Op Dinsdag 12 Juli 1836 zeilde een Urker schuit naar Genemuiden. Aan boord was ook de vrouw van Willem Kramer, lid van den gemeenteraad en diaken in de Hervormde gemeente. Zij zou uit naam van de broeders en zusters op Urk Ds. De Cock, van wien men wist, dat hij te Genemuiden vertoefde, verzoeken, om mee naar Urk te gaan en nu „een gemeente te stichten": drie kinderen wachtten op den doop. Ds. De Cock ging mee. Hem vergezelde, gelijk meermalen, zekere W. W. Smit, winkelier te Zwolle en luitenant van de schutterij aldaar. Te middernacht kwam men op Urk. Vrouw Kramer, geboren Jannetje Molenaar, nam de gasten mee naar haar woning. De gastheer, wakker geklopt, ontving hen met vreugde. De nachtrust duurde niet lang, want er was over en weer veel te vertellen, en reeds des morgens om acht uur togen Pieter Snoek en Pieter Kramer, twee ouderlingen van Ds. Ter Plegt, die de zaak genegen waren, naar de pastorie, om den dominee uit naam van Ds. De Cock te verzoeken, tegen tien uur het kerkgebouw ter beschikking te stellen, opdat Ds. De Cock er zou kunnen prediken. Ds. Ter Plegt behoefde zich niet te bedenken. Hij hield zich aan liet kerkeraadsbesluit van 17 Januari en weigerde; en ondanks den aandrang van de twee ouderlingen, die ook op de vergadering van 17 Januari present waren geweest, bleef hij bij zijn weigering. Geen nood: de weduwe van Albert Bakker, geboren Heiltje Molenaar en zuster van vrouw Kramer, stelde haar betrekkelijk ruime woning beschikbaar, en daarheen werden, evenals bij een begrafenis, van alle kanten stoelen aangedragen. Onder de schare belangstellenden, die er des middags vergaderde, telde men de bovengenoemde 348


twee ouderlingen, en behalve Willem Kramer ook nog het raadslid Jan Hakvoort, ja zelfs den Burgemeester en de beide assessoren, Albert Romkes en Steven Post. De veldwachter, Koert Ohlsen, vatte op bevel van den Burgemeester post bij de deur, om van buiten komende stoornis op te vangen. Maar de stoornis kwam niet, en de vergadering verliep rustig. Ds. De Cock predikte over Hebr. 11 : 23—26. Zelden zal een spre ker aandachtiger gehoor hebben gehad, dan hier. Hoe zal de aan dacht op het hoogst gespannen zijn bij de behandeling van het: „En zij vreesden het gebod des konings niet", en van: „verkiezende lieve>• met het volk Gods kwalijk behandeld te worden"....... Na de prediking verzocht Smit, dat degenen, die zich bij een te stichten gemeente wensten aan te sluiten, nog niet zouden heengaan. De nieuwsgierigen en bloot belangstellenden, waaronder de Burgemeester, de tweede assessor Steven Post en de twee ouderlingen, verlieten toen de vergadering. Deze een en dertig personen bleven achter: A. Romkes, W. K. Kramer, K. H. van Urk, Lammert I. Snoek, Lubbert Snoek, H. J. Roos, H. J. Kamper, Klaas Brands, Jelle A. Loosman, Kobus Bakker, Kornelis Bakker, J. J. Hakvoort, Albert Bakker, Geert Bakker, Okke de Boer, Jacob Visser, Jannetje Molenaar Kd., Willempje Kramer Wd., Heiltje Molenaar Kd., Mina Visser Jd., Jannetje Molenaar Jd., Johannes Snoek, Jacob Bakker, Andries Loosman, Marretje Meun Hd., Jan Post, Dirkje Meun, Marretje van den Berg Td., Marretje Korf, Hendrikje de Boer en Lammertje Schouten, 20 mannen en 11 vrouwen. Allen ondertekenden dit stuk: Aan het Bestuur van het Hervormde Kerkgenootschap te Urk. De ongeteekenden geven aan ulieden vrijwillig en duidelijk te kennen, dat zij volgende Art. 32 der Christelijke Gereformeerde Geloofsbelijdenis „verwerpen alle menschelijke vonden, en alle wetten, ingevoerd om God te dienen en door dezelve de concientien te binden en te dwingen, in wat manier het ook moge zijn"; en daarom ook Uw bestuur, vonden, wetten, sedert 1816, buiten toestemming der gereformeerde kerk ingevoerd: dat zij zich, volgende art. 28 en 29 van voornoemde geloofs Belijdenis van Uw kerkgenootschap afscheiden, en zich vereenigen met die gemeente, welke, volgens hare uitdrukkelijke verklaring (blijkens de handelingen der Synode door derzelver opzieners gehouden den 2en Maart 1836, en volgende dagen) in Leer, Tucht en Dienst vasthout aan de Formulieren van eenigheid der Christelijke Gereformeerde kerk in Nederland, de Geloofsbelijdenis, Catechismus en leerregels der Synode, gehouden te Dordrecht in 1618 en 1619, wenschende met die gemeente den hals te buigen onder het juk Jesu Christi, het eenige Hooft Zijner uitverkoren gemeente. Urk, 13 Julij 1836". 349


Toen werd een kerkeraad gekozen. Ouderlingen werden Willem Kramer en Jan Hakvoort, diakenen Kobus Bakker en Cornelis Bakker. Volgens de overlevering had een der tot diaken aangewezenen te kennen gegeven, dat hij „nog geen lid" was; maar Ds. De Cock moet daarop geantwoord hebben: „Dan maak ik het je!" En daarbij was het gebleven. Het betrof vermoedelijk den 28-jarigen Kobus Bakker. In het later, op uitnodiging van het Classicaal Bestuur van Hoorn, opgemaakt proces verbaal van de gebeurtenissen, maakte Ds. Ter Plegt blijkbaar melding van dit geval en wel met deze woorden: „geljjk ook door hem (Ds. De Cock) tot lidmaten van zijn nieuw op te richten kerkgenootschap zijn opgenomen, die bij onze Hervormde kerk nog geen lidmaatschap verkregen hadden". De vier gekozenen werden terstond in hun ambt bevestigd. In denzelfden dienst werden door Ds. De Cock drie kinderen gedoopt. Een dier kinderen was van een weduwe. Als schrijver dezes de overlevering goed weergeeft, was die weduwe de vrouw, in wier woning vergaderd werd. Haar man, Albert Bakker, had zó veel bezwaar tegen de prediking van Ds. Ter Plegt gehad, dat hij zich de ontzettende woorden had laten ontvallen: „Ik verdrink nog liever, dan dat ik mijn kind in de Hervormde kerk laat dopen!" Niet minder ontzettend was, dat hij kort daarna werkelijk zijn leven in de golven verloren had. We kunnen hierbij alleen maar huiveren en moeten het oordeel aan de Here God overlaten. In den laten namiddag kwam men in dezelfde woning andermaal samen. Ruim 100 personen moeten toen aanwezig zijn geweest. De boven genoemde Smit, een man van 32 jaar, hield toen een „oefening". Ds. De Cock was slechts drie jaar ouder dan hij. Voor de derde maal kwam men in een beperkt aantal samen in de woning van Willem Kramer. Ds. De Cock bediende toen het heilig Avondmaal. Den volgenden morgen, Donderdag 14 Juli, werden Ds. De Cock en de heer Smit al heel vroeg naar Genemuiden teruggebracht. Den Burgemeester werd daardoor de gelegenheid afgesneden, om hen, zoals hij zich voorgenomen had, te „onderhouden". Aan den avond van dien Donderdag begaven Willem Kramer, Jan Hakvoort en Kobus Bakker zich naar de pastorie. Aan Ds. Ter Plegt stelden ze zich voor als afgevaardigden van den pas ingestelden kerkeraad der Afgescheiden gemeente. Ze overhandigden hem de hier boven medegedeelde verklaring met de 31 ondertekeningen als Akte van Afscheiding. Er werden weinig woorden gewisseld. Waartoe zou het ook hebben gediend? Op de volgende wijze maakte Ds. Ter Plegt in zgn kerkeraadsnotulen melding van het geval: „Urk 17 Julij 1836, Kerkvergadering. Door den Predikant wordt aan de leden des kerkeraads, na het 350


eindigen der openbare godsdienst in den namiddag, voorgelezen een stuk waarop een en dertig personen (daarbij zes, die nog bij onze Hervormde gemeente niet waren bevorderd tot het lidmaatschap) zich afscheiden van ons kerkgenootschap, volgens hierbij liggend stuk met de daarop voorkomende namen, gedateerd den 13 Julij 1836 te Urk. Wordt besloten, volgens wet en orde hiervan in dit acteboek aantekening te doen, en het ingezonden stuk daarbij te leggen, gelijk geschied bij dezen door den Predikant namens den kerkeraad." De namen op het stuk heb ik gegeven in de volgorde, waarin Ds. Ter Plegt ze mededeelde aan het Classicaal Bestuur, en die zal wel dezelfde zijn als op het stuk zelf. Aan de hand van het rapport van den Burgemeester aan den Gouverneur heb ik een enkele wijziging aangebracht. Een der vrouwen had ondertekend als Martje Toons; dat is veranderd in Marretje van den Berg. In het „Ledematenboek der Chr. Afgescheiden Gereformeerde gemeente te Urk" zijn de namen der eerste uitgetredenen ook opgenomen, maar dat is blijkbaar eerst later gebeurd, waardoor de lijst onnauwkeurig en niet volledig is. Harmpje Molenaar moet Jannetje Molenaar zqn en Jan Post is zelfs niet vermeld, zodat er maar 30 namen in staan. Alle uitgetredenen behoorden tot den gezeten burgerstand. Men telde er onder: 6 echtparen, 2 weduwnaars, 1 ongehuwde jonge man. 3 gehuwde vrouwen zonder haar man en 2 weduwen. Ik moet wijzen op het verschil tussen de afscheiding, zoals die in 1834 in Ulrum was tot stand gekomen, en die op Urk. In Ulrum was door den Leraar, Ds. De Cock, gesteund door zjjn kerkeraad en onder den bijval der gemeente, een strijd gevoerd tegen de willekeur van de „kerkelijke besturen", die met de afzetting van Ds. De Cock geëindigd was. Toen was de ganse gemeente uitgetreden uit het verband van het Hervormde kerkgenootschap, zoals dat in 1816 was ingericht. Overigens was de gemeente in leer en tucht en in de bediening der sacramenten dezelfde gebleven. Haar „Akte van Afscheiding of Wederkering" was alleen een verklaring voor haarzelf en voor het nageslacht. Op Urk ging het anders. Daar had noch de predikant, noch de kerkeraad de leiding. Deze berustte bij de kern van de gezelschapsmensen, die zich reeds eerder hoe langer hoe meer uit het practische leven der kerkelijke gemeente hadden teruggetrokken. Het is dan ook een tere plek in de Afscheiding op Urk, dat de zich afscheidenden geen helderen kijk kunnen hebben gehad op de kerkrechtelijke zijde van hun optreden. Blijkens de erkenning van de sacramenten en de erkenning ook van de belijdenis des geloofs, zoals die tot nog toe in de Hervormde gemeente had plaats gehad, hadden ze die gemeente ten einde toe beschouwd als een openbaring van het lichaam van Jezus Christus, in wat voor banden ze ook gekneld zat. 351


Dat kon trouwens niet anders.

Wanneer men nu evenwel ook de zich afscheidenden had gevraagd, waarom ze zich afscheidden, dan hadden ze geantwoord: Omdat in de Hervormde kerk Gods Woord niet, of niet zuiver gebracht wordt. Het stond hun evenwel niet klaar voor de ogen, dat zij de gemeente, die ook voor hen tot nog toe de gemeente des Heren was, niet zo maar los mochten laten, om zichzelf veilig te stellen. Hun bedoeling, om hun hals te buigen onder het juk van Jezus Christus, was uitnemend, maar dat bracht allereerst mede den plicht, om te trachten, de eigen plaatselijke kerk tot reformatie te brengen. Ds De Cock schijnt wél de plaatselijke reformatie op het oog te hebben gehad. Men denke aan zijn adressering van den brief „Aan de Gelovingen op het eiland Urk" en aan het vragen om het gebruik van het kerkgebouw voor zijn prediking. Het is ook mogelijk, dat pogingen tot reformatie van de gehele gemeente althans vooraf besproken zijn, maar dat men, gezien het standpunt van Ds. Ter Plegt, van het nutteloze daarvan overtuigd was. En zo kan Ds. De Cock door de omstandigheden en zeer vermoedelijk ook onder den invloed van Smit, gedrongen zijn in de richting, die ten slotte gevolgd is. Bij dit alles mogen we niet vergeten: De mens overdenkt zijn weg, maar de Here stuurt zijn gang. Er was trouwens ook op de Akte te Ulrum ruimte gelaten voor gevallen als op Urk, toen daarin gezegd werd: „en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering ........ " Dat de „geestelijke ligging" van Ds. Ter Plegt zo geheel anders was dan van de Afgescheidenen, bleek wel daaruit, dat hij korten tijd later aan het Classicaal Bestuur van Hoorn scheef, dat de gemeente te Urk, dus niet maar een groep, doch de gemeente, „altijd een bijzondere neiging tot dweeperij aan den dag (had) gelegd." Het Classicaal Bestuur gaf dat weer door aan den Minister van Eredienst en deze weer aan den Gouverneur van Noord-Holland! Indien Ds. Ter Plegt gepredikt had, zoals verondersteld mag worden, dat Ds. L. Bakker heeft gedaan, dan was het op Urk zeker nog niet tot afscheiding gekomen; ofschoon we daaraan onmiddellijk moeten toevoegen, dat op den duur, bij het getrouw blijven van leraar en kerkeraad, een botsing met de „kerkbesturen" niet zou zijn uitgebleven. Als in Ulrum. De van dweperij beschuldigden waren intussen nuchter genoeg, om geen overijlde stappen te doen. Kalm, beslist en met overleg gingen ze hun gang; hetgeen zeker geen kenmerk van dwepers is. De kerkeraad der Afgescheidenen zag terstond uit naar een vasten voorganger. Toen hij hoorde van de bijzondere gaven van zekeren 352


Pier Schaap te Workum, nodigde hij dezen uit, om op Urk een proef oefening te komen houden. Hij was een man van pas 26 jaar. Op Zondag 24 Juli trad Schaap tweemaal voor de gemeente op en 's Maandags en 's Dinsdags telkens weer eenmaal. De druk bezochte vergaderingen werden gehouden in de woning van de weduwe Bakker. Als bijzonderheid valt te vermelden, dat de Burgemeester, Pieter Nentjes, 's Maandags ook in de vergadering was, evenals een niet genoemde ouderling der Hervormde gemeente, denkelijk Pieter Snoek, op Urk gewoonlijk Klis Pieter genoemd. (Zijn vader, die Klaas heette, was beter bekend als Klik). De Burgemeester en Pieter Snoek, ofschoon beiden instemmende met de Gereformeerde belijdenis, konden gerangschikt worden onder de mensen, die hun handelingen meer laten steunen op verstandelijke overwegingen, dan op gemoedelijke opwellingen. Liubbert Alberts Romkes, die nog diaken bij d% Hervormde gemeente was, was alle keren aanwezig. De oefeningen van Pier Schaap voldeden zo goed, dat men hem voor vast begeerde. Men zegde hem 6 gulden per week toe. Hij hield de benoeming in overweging. Merkwaardig was ongetwijfeld de houding, die Burgemeester P. Nentjes tegenover de Afscheiding aannam. Zijn sympathie voor de Gescheidenen, indien al niet voor de Schei ding, werd alleen in twijfel getrokken....... door de Gescheidenen zelf. In zijn herhaalde pogingen, om scheiding te voorkomen; in zijn telkens vernieuwde vermaning aan wie hij „de hoofden" noemde, om toch de „wettelijke" voorschriften in acht te nemen, alsof die van het eerste belang waren; in het zenden van den diender naar de samenkomsten zagen de Afgescheidenen zekere tegenwerking van „de zaak des Heren". Onder den druk van de hogere autoriteiten zouden ze die tegenwerking nog gevoeliger ervaren. De werkelijke tegenstanders van de Afscheiding beschuldigden den Burgemeester daartegenover, dat hij zich niet hield aan het K.B. van 1836 en dat hij tegenover de Afgescheidenen veel te slap en te toegeeflijk was. Het oordeel van Ds. Ter Plegt had invloed op dat van het Classicaal Bestuur, op dat van de rechters te Enkhuizen en te Hoorn en op dat van den Gouverneur van Noord-Holland en van den Minister van Eredienst. Aan die zijde werd de Burgemeester beschouwd als een ambtenaar, die nodig op zijn plicht behoorde te worden gewezen. Den Burgemeester zelf was het eerst nog onbekend, dat er druk over Urk en over hem persoonlijk gecorrespondeerd werd. Ds. Ter Plegt schreef herhaaldelijk aan het Classicaal Bestuur en dit weer aan den Minister van Eredienst. Deze Minister uitte zich op 27 Juli 1836 als volgt tegenover den Gouverneur van Noord-Holland. „Ik meen in het bijzonder U HEGestr. attentie te moeten ves353 23


tigen op hetgeen daarin (n.1. in den brief van het Classicaal Bestuur) voorkomt omtrent het gedrag van den Burgemeester Nentjes, die inplaats van te handelen overeenkomstig het Kon. Besl. van den 5en dezer, no. 75, zich aan een stellige wederstreving van Zijner Majesteits bevelen schijnt te hebben schuldig gemaakt."

Op den duur bleef de Burgemeester natuurlijk niet onkundig van de wijze waarop men tegenover hem oordeelde. Zo b.v. Ds. Ter Plegt. Het is te begrijpen, dat deze zich onder den gang der gebeurtenissen gans niet op zijn gemak gevoelde. Dat bleek uit de herhaalde bezoeken, die hij aan den Burgemeester bracht. Hij oordeelde, dat deze krachtiger had moeten optreden en de samenkomsten der Afgescheidenen op grond van het K.B. van 5 Juli had moeten verbieden. Als de Burgemeester, zo dacht hij, niet zo toegeeflijk was geweest en de Afgescheidenen door zijn aanwezigheid op hun vergaderingen niet had aangemoedigd, dan was het niet tot een openbare breuk gekomen. Hij sprak dat oordeel onomwonden tegen den Burgemeester uit, en verder volgde het denzelfden weg, als de beschuldiging van dweperij. De Burgemeester daarentegen gaf te kennen, dat hij meende, „volgens 's konings laatst genomen besluit", de samenkomsten te kunnen toestaan, omdat in het geheel geen orde of rust gestoord was. „Nogthans is het maar al te waar", zo schreef Ds. Ter Plegt al3 weerklank daarop den 28sten Juli aan den scriba van het Classicaal Bestuur, „dat hier in meer dan een huisgezin, Zondag (24 Juli) en later reeds onrust geheerscht heeft, ja zelfs kloppartijen, tussen man en vrouw of betrekkingen, alles voortkomende uit de zaak der afscheiding van onze kerk". Bij deze woorden van Ds. Ter Plegt zouden we kunnen opmerken, dat het wel zeer de vraag is, wie met dat „geklop" (als het voorgekomen is) begonnen mocht zijn. De scriba van het Classicaal Bestuur gaf de woorden van Ds. Ter Plegt door aan den Minister van Eredienst en voegde er aan toe: „Moeijelijk in de daad is deze geschapenheid van zaken voor den braven en bedaarden ter Plegt. — De Koek heeft hier met zijn komst veel onheil gesticht en de dienst van den Predikant bij velen nutteloos gemaakt." Maar ook van hogerhand dan van Ds. Ter Plegt meende men den Burgemeester te moeten doen weten, hoe men over zijn optreden oordeelde. De Gouverneur van Noord-Holland sprak, na het ontvangen van den boven aangehaalden brief van den Minister, op 30 Juli aldus tegenover den Burgemeester zijn ongenoegen uit: „Met bevreemding even zoo zeer als met regtmatig ongenoegen heb ik kennis gekregen van het geen binnen Uwe gemeente 354


op den 13 dezer lopende maand is voorgevallen en van de houding welke daar bij door UEA zelf is in acht genomen." Wat verder schreef de Gouverneur: „Deze ongeoorloofde en met de bestaande hooge verordeningen ten eenenmale strijdige handelwijze had door UEd. Achtb. moeten te keer gegaan zijn, immers had mij daarvan dadelijk moeten kennis gegeven worden, en is deeze derhalve in de eerste plaats dienende, om UEAb. dienaangaande mijne ernstige berisping voor te houden; terwijl ik U al verder op het nadrukkelijkst aanschrijf om met al den klem des gezags welke UEd. achtb. is toevertrouwd, de voortzetting van de bovenstaande handelwijze voor het vervolg te keer te gaan." Ten slotte herinnerde de Gouverneur den Burgemeester met veel nadruk aan bepaling b van het K.B. van 5 Juli. Hij beduidde den Burgemeester, dat deze zorgen zou, de vergaderingen der Afgescheidenen alleen vrij te laten: „voor degenen aan welke zulks met name is toegestaan, zonder toetreding van eenig ander persoon; voorts dat bij die vereenigingen nimmer de rede kan zijn van de uitoeffening van den Eeredienst, op den voet als zulks bij de bestaande kerkgenootschappen gebruikelijk is, het optreden in ambtsgewaad, het toekennen of aannemen van kerkelijke hoedanigheden en het bedienen van Doop of Avondmaal." Wanneer ook maar in het geringste tegen die bepalingen werd gehandeld, zo voegde de Gouverneur daaraan toe, zou een reeds verleende vergunning onmiddellijk moeten worden ingetrokken en mei alle gestrengheid volgens art. 291 van het Strafwetboek moeten worden opgetreden. Inderdaad, dreigend genoeg! De Gouverneur gaf hier aan sub b van het K.B. van 5 Juli een uitbreiding, die daar nooit in gelezen was en die het voor de Afgescheidenen veel moeilijker maakte. Die uitbreiding was blijkbaar als toelichting van hogerhand uitgegaan tot alle autoriteiten, die met de uitvoering te maken zouden hebben. Indien het inderdaad naar wet en recht geschiedde, dat de gewetens- en godsdienstvrijheid aldus in het daarvoor vrij gevochten Nederland tot in het kleingeestige toe aan banden werd gelegd, dan waren alle Afgescheidenen in Nederland en niet in de laatste plaats de Urkers in overtreding, en dan kwam den Burgemeester inderdaad een ernstige berisping toe. Dat art. 291 van het Strafwetboek op godsdienstige bijeenkomsten zou slaan (het ging daar over vergaderingen van meer dan 20 personen) werd reeds in dien tijd door meer dan één rechtsgeleerde ernstig bestreden. Voor de zaak der Afgescheidenen werd vrijmoedig gepleit in het tijdschrift „Nederlandsche Stemmen over Godsdienst enz.", dat in 1834 was opgericht en dat o.a. geredigeerd werd door Mr. A. M. C. van Hall, die zich eerst in 1836 bij de Afgescheidenen voegde, en door 355


Mr. ï. da Costa, die de Hervormde kerk nooit heeft verlaten. Het tijdschrift „De Reformatie", in 1836 door Mr. Van Hall opgericht, bewoog zich in dezelfde richting. Maar laat mij nu, tegenover de veroordelingen, die over den Burgemeester van Urk werden geveld of tot hemzelven werden gericht. aan hem het woord geven. Op denzelfden dag, waarop de Gouverneur den boven aangehaalden dreigenden brief aan den Burgemeester schreef, maakte deze den volgenden brief voor den Gouveneur gereed, om hem verslag te geven van de gebeurtenissen der laatste dagen. „Urk den 30 Julij 1836. Daar zedert jaren door verscheiden Personen in de gemeente van Urk, welke zich aan de bijwoning van den openbaren godsdienst hebben onttrokken, godsdienstige bijeenkomsten onderling zijn gehouden, dewelke voor het tegenwoordige ogenblik nimmer reden tot twist of verwarring bij de gemeente heeft veroorsaakt, schoon dezelve ook nimmer van zulk een uitwerking zijn geweest, als voor het tegenwoordige, want blijkens eene hier bij zijnde staat bij mij van den Heer Predikant te Urk gevestigt ontvangen zoo heeft zich bij het houden van een leerrede door H. de Cock te Urk, binnens huis verrigt, dat gedeelte opentlijk, en zeer vermoedelijk in het heimelijke nog een veel grooter aantal van het bestaande Hervormde kerkgenootschap te Urk, zich afgescheiden, zeer vermoedelijk, om voortaan als een afgescheiden gemeente op zich zelve, door een Persoon van buiten inkomende, hunne godsdienstoefeningen of liever godsdienstig onderwijsch binnens huis van zodanig Imand te ontvangen, zonder dat eenige twist of verwarring daar door in de gemeente werdt veroorzaakt. Verlangende de zoodanige voortaan, vrijelijk, onder de stipste in achtneming van alle wettelijke bepalingen te mogen uitoefenen. En om in dezen aan mijn verplichting volgens de bepalingen van het Kon. Besluit van 5 Julij j.1. Staatsblad no. 42 te beantwoorden, zoo geef ik u Excellentie daar van door dezen kennis, onder de stellige verzekering dat de algemeene rust en orde in de gemeente bij de uitoefening van zulke bijeenkomsten nog nimmer is gekrenkt of eeniger maten gestoort. En om hier in bij voortduring wel te mogen slagen, zoo heb ik getracht, om aan mijn medebestuurders, waarvan een gedeelte mede tot de afgescheidenen behoren, den inhoud van voornoemd Kon. Besluit aan hun kennelijk te maken en zich naar den inhoud van hetzelve als voorbeelden stiptelijk te gedragen. De Burgemeester te Urk P. Nentjes." De lijst der namen van de eerste 31 Afgescheidenen, die er als bijlage bijgevoegd werd, kreeg dit geschrift: 356


„Naamlijst van Persoonen, zoo mannen als vrouwen welke zich van het Hervormd Kerkgenootschap te Urk bestaande, hebben afgescheiden, scharende zich deze bij de zoodanige gemeentens, welke ginds en elders door A. Brummelkamp, en Ds. de Kok worden opgerïgt." Hoe de Burgemeester ook zijn best deed, om zich tegen aanmerkingen van boven af veilig te stellen, het was hem daarbij toch niet mogelijk zijn sympathie voor de Afgescheidenen verborgen te houden. Hij wilde blijkbaar de geit en de kool sparen. Als gevolg van het gebeurde met de Afgescheiden gemeente te Amsterdam, verscheen er onder den datum 1 Augustus 1836 op bevel des Konings een circulaire van den Procureur Generaal bij het Hooggerechtshof, die aan alle rechters en politieambtenaren toegezonden werd. Die circulaire was niet minder dreigend dan de brief van 30 Juli aan den Burgemeester van Urk. Van beide stukken toonde de hoofdinhoud trouwens een merkwaardige overeenkomst. De Procureur herinnerde nog eens nadrukkelijk, dat de samenkomsten (waarvoor de burgemeesters concessie gaven) ,,in geenerhande opzigt de kenmerken, het aanzien of den vorm (mochten hebben) van de uitoefening eener eeredienst, zoo als die bij de bestaande kerkgenootschappen plaats vindt, onder het bestuur van personen van erkende kerkelijke hoedanigheid, in ambtsgewaad optredende; of dat daarin de bediening van Doop en Avondmaal kan geschieden." Ook het „ambtsgewaad" is hier waarlijk niet vergeten. Doet het niet denken aan de bescherming van een handelsmerk tegen concurrentie ? Allen ambtenaren, wien het aanging, dus ook den Burgemeester van Urk, werd verder op het hart gedrukt, „om ieder wat hem betreft, zorgvuldiglijk toe te zien, dat bij de te deze bedoelde zamenkomsten tot godsdienstige oefening het voren staande in alles nauwkeurig wordt betracht en nageleefd, en om met klem en nadruk te waken tegen alle daarmede strijdige han delingen en daden .......... " „Nauwkeurig" en: „met klem en nadruk" ............. Twijfelde de steller van het stuk aan het effect van zijn eigen woorden? Deze circulaire intussen is de aanleiding geweest, dat het ganse rechterlijke apparaat tegen de Afgescheidenen op Urk in werking werd gesteld. In het begin door „geheime" of „vertrouwelijke" correspondentie. Maar de geheimen van toen liggen nu open en bloot voor ons. De Procureur, de heer A. W. Philipse, een man, die tot stelregel had: men moet pas overgaan tot vervolging, als men zeker is van succes, meende stellig, dat hem het succes niet zou ontgaan, toen hij allen ontvangers van de circulaire gelastte, hem bericht van ontvangst te zenden. 357


Het „vrijheid vragen", waarvoor het K.B. van 5 Juli 1836 de gele genheid opende, werd onder de eerste Afgescheidenen helaas een oor zaak van ......... „meningsverschillen". De een achtte het terecht het verkopen van het eerstgeboorterecht voor een schotel linzenmoes. Ds. De Cock was er gans niet voor, het karakter der gemeente te verbergen, alleen om tegen vervolging gevrijwaard te zijn. „De Reformatie" waarschuwde later met ernst tegen het vragen van concessie. Anderen evenwel oordeelden, dat men, nu de toestand eenmaal zo was, wel gebruik mocht maken van een gedienstigheid der practijk, als men daardoor vervolging kon ontgaan. Tot diegenen - de minderheid! - behoorde ook Smit van Zwolle, die met Ds. De Cock op Urk was geweest. Of men op Urk van deze tegenover elkaar staande meningen op de hoogte was, valt wel enigszins te betwijfelen, maar een opportunistische inslag in het ürker volkskarakter kan niet worden weggecijferd, verklaarbaar als hij is door den eeuwen ouden strijd der Ur~ kers om en voor het bestaan. Waar nu verondersteld mag worden, dat de principiële grond, waarop het vragen van concessie werd veroordeeld, nog niet door de Urker Afgescheidenen gezien werd, viel het: den Burgemeester gemakkelijker, op hun opportunistische neigingen een beroep te doen. Dat men op Urk reeds den 6den Augustus tot het vragen van concessie overging, wijt ik met een aan zekerheid grenzend vermoeden aan de rechtstreekse bemoeiingen van den Burgemeester, terstond in het werk gesteld na het ontvangen van den dreigbrief van den Gouverneur. Dat hij reeds kennis zou hebben gehad van de in denzelfden toon gestelde circulaire van den Procureur Generaal, is met het oog op de slechte postverbinding, niet denkbaar. Zo werd dus het volgende stuk verzonden. Aan den Heer Burgemeester te Urk. Ter voldoening aan het besluit van Z.M. onzen geëerbiedigden Koning vermeld in het Staatsblad van 5 Julij 1836, no 42, nemen wij ondergeteekenden de vrijheid ons tot U. E. Achtb. Burgemeester bij de gemeente van Urk ons te wenden, met Eerbiedig verzoek dat aan ons door U. E. Achtb. de verleende concessie tot het houden van onze godsdienstige bijeenkomsten met de hierbij opgeteekende leden mag worden verleend zullende deze bijeenkomsten plaats hebben op den 7 Augustus 1836, ten Huize van de weduwe Albert Bakker woonende te Urk, en op den tijd hier bij opgegeven, des voormiddags ten 10 uren, en des namiddags ten 2 en ten 6 uren des avonds. Zijnde dit ons verzoek door de hoofden van dat genootschap met hunne naamteekeningen bekrachtigt. A. Romkes W. Kramer Urk den 6 Augustus 1836 Jan Hakvoort." 358


Behalve door deze drie „hoofden" was het verzoekschrift nog ondertekend door 28 mannen en 18 vrouwen, noemende zich „leden van het genootschap". Uit de bewoordingen en de schrijfwijze blijkt klaar, dat de Burgemeester zelf het stuk heeft opgesteld! De concessie werd dadelijk gegeven. Indien de Burgemeester heeft gehoopt, dat hij zich door deze wijze van doen tegen verdere aanvallen van boven af veilig kon stellen, en indien de Afgescheidenen hebben verwacht, dat de Burgemeester wel een oogje dicht zou doen, wanneer men de gestelde voorwaarden op eigen manier opvatte, dan is men aan beide zijden wel teleurgesteld. In Zwolle, om dat ook even te vermelden, werd ook op die wijze door de Afgescheidenen vrijheid gevraagd, maar toen de ware betekenis er van begrepen werd, nam de kerkeraad eigener beweging, met betuiging van leedwezen over zijn onoprechte houding, de aanvrage terug. Het daartoe strekkende stuk, dat verzonden werd ondanks een breedvoerig vertoog van den heer Smit, was opgesteld door Ds. De Cock. De boven geschetste meningen kwamen hier wel scherp tegenover elkander te staan. Toen de Burgemeester van Urk op Maandag 8 Augustus aan den Gouverneur een afschrift zond van de concessie-aanvrage der Afgescheidenen, voegde hij er een uitvoerig vertoog bij ter beantwoording van 's Gouverneurs berispingen. De middenmoot van dat vertoog neem ik over. ,, .......... zoo kan en moet ik u Exc. verzekeren, dat de redevoering destijds door H. de Cock te Urk gedaan, niet dan naar herhaalde verbiedingen en menigvuldige tegenkantingen van mijn kant tot stremming van zulk een onderneming, aan de hoofden van dat genootschap, in tegenwoordigheid van den assessor gedaan zijnde, op eene gehele eigendunkelijke wijze, naar de mening van verscheiden menschen in de gemeente welke reeds vroeger zoo als thans blijkt, heimelijk dat godsdienstig stelsel waren toegedaan, is verrigt en ten uitvoer gebracht." Het onmiddellijk daarop volgende is een kostelijk staal van de geestesgesteldheid der bevolking. „Want terwijl ik met de hoofden van dat genootschap, zooals dezelve op de door mij vroeger ingezonden lijst staan opgeteekend, ten mijnen huize in het bijzijn van den assessor Steven Post, bezig was, om hun door mijn veel vermogenden invloed, tot meer bedachtzame gevoelens, omtrent zulk een godsdienstige onderneming te vermanen en hun het gevolg daar uit voortspruitende, onder den aandacht te brengen, zoo was reeds de menigte als van nieuwschierigheid opgetoogen, om de beruchte de Cock te hooren spreken bijeen verzameld. En om zulk een bijeenkomst door geweld te verhinderen, was mij volstrekt niet mogelijk. Ook vreesde ik, dat zulks niet dan wanorde en oproer tengevolge zoude hebben, 359


vinden het alstoen raadzaamst dit te laaten gaan, schoon nimmer denkende dat de opentlijke afscheiding van een aantal leden uit de gemeente daarvan het gevolg zoude zijn." De meest tekende woorden zijn door mij onderstreept. Dan gaf de Burgemeester een verdediging van zijn aanwezigheid in de vergadering der Afgescheidenen en - van de Afgescheidenen zelf. Met deze woorden: „Echter mij verpligt achtende, om te zorgen, dat de openbare rust bij de gemeente niet werdt gestoort, en tevens den aart en de bedoeling van deze bijeenkomst willende onderzoeken, zoo heb ik mij dan persoonlijk, met mijnen assessor Steven Post, hambtshalve, vergezeld van den veldwachter, welk door mij aan de deur van 't huis geplaatst is, zonder mijn verder huisgezin, zoo als men zegt bij mij te hebben, in het midden van dat gezelschap waar alles bedaard en rustig werdt behandeld, vertegenwoordigt, ten einde mij zelven te overtuigen, als ook met grond te kunnen beoordelen, van welk een godsdienstig punt dat genootschap uitging, ook kan ik u Ecx, met waarheid verzekeren, dat ik gedurende mijn verblijf in die vergadering, niets heb hooren voorstellen, dat strijdig was met de zuivere leer van onze gereformeerde kerk." Ik heb een en ander onderstreept. Het is wel zeer de vraag, of die overeenstemming „met de zuivere leer van onze gereformeerde kerk" den Gouverneur belang heeft ingeboezemd. Iets verder schreef de Burgemeester: „H. de Cock was des anderen daags, toen ik hem dacht te onderhouden, reeds vroeg in den morgen naar Genemuiden vertrokken." Dan volgde nog dit: „Deze voor mij destijds verontrustende gebeurtenis heeft ten gevolge, dat de leden van dat genootschap zich opentlijk volgens de hier nevens gaande copie van het verzoekschrift, volgens § b van het Kon. Besluit van 5 Julij Staatsblad no. 42 gerigt, zich tot mij als Burgemeester wenden, ten einde van mij de daarbij verleende concessie tot de vrije uitoefening van hunne godsdienstige bijeenkomst verlangen, met oogmerk, om zich door een oefenaar uit Vriesland, welke plan schijnt te hebben om zich in de gemeente te vestigen, voordurent in het godsdienstige te (laten) onderwijzen, zijnde tot op dit tegenwoordige de tot dus verre gehoudene godsdienstige bijeenkomsten zonder de geringste twist of verwarring bij de gemeente veroorzaakt hebbende ten uitvoer gebragt. Ook bestaat daaromtrent voortdurent, bij mij geen de minste vrees." Het volgende is zeker al heel nederig, om niet te zeggen al te nederig. „Mogt zomds door mij als niet genoegzaam alles doorziende, 360


volgens de bedoeling van dat besluit gehandeld zijn dan verzoek ik met nederigen Eerbied, daaromtrent van wegens u Ecx. goedgunstig verschooning, zullende mij voortaan, na daar omtrent nauwkeuriger onderrigt wordende, mij naar den inhoud van Uwer Ecx.'s bevelen stiptelijk trachten te gedragen." Eigenaardig is het zeker, dat de Burgemeester er telkens met nadruk op wijst, dat door het optreden der Afgescheidenen geen wanorde in de gemeente ontstaan is. Van het instellen der ambten en het bedienen der sacramenten maakte hij evenwel geen melding. Op denzelfden dag, waarop de Burgemeester dien brief aan den Gouverneur schreef, was de Gouverneur bezig aan een nieuwen brief voor den Burgemeester. Hij sprak het vertrouwen uit, dat de bestuurders van het eiland Urk, „aan hetwelk voortdurend zoo veele voorregten vanwege het gouvernement zijn te beurt gevallen, zouden waken voor de strikte naleving van alle Z.M.'s bevelen." Een dreigement? Maar dan zeker geen hoogstaand dreigement. De Gouverneur zal hier in de eerste plaats gedoeld hebben op de buitengewone toelage van duizend gulden, die het gemeentebestuur jaarlijks uit de provinciale kas ontving. Dat geld kon gebruikt worden, om daarmede, buiten de diakonie om, allerlei, vooral tijdelijke behoeften te lenigen. Drie burgerlijke armmeesters zorgden voor de uitvoering. Intussen rekende de Gouverneur er blijkbaar op, dat zijn dreigement, hoe bedekt ook uitgesproken, wel het gewenste effect zou hebben. Immers, toen de Minister van Binnenlandse Zaken den Gouverneur onder het opschrift „Geheim" inlichtingen had gevraagd over de „separatisten" op Urk en bijzonder over de houding van den Burgemeester, had de Gouverneur den lOden Augustus, nog voordat hij 's Burgemeesters brief van 8 Augustus had ontvangen, den Minister geantwoord, dat hij vertrouwde, dat zijn aan den Burgemeester gezonden brief „de nodige indruk" op dezen zou maken. En drie dagen later, toen hij dien brief wél had ontvangen, berichtte de Gouverneur nader aan den Miniser, „dat deze ambtenaar zijn gedrag thans eenigzints disculpeert". D.w.z.: rechtvaardigt. In werkelijkheid was de verhouding dus wel enigszins anders, dan de Gouverneur had verwacht: de brief van den Burgemeester had indruk op hèm gemaakt. Maar de Gouverneur boekte dat als een overwinning! Urk had nog nooit zo de hogere belangstelling genoten. Intussen had Pier Schaap na kort beraad de „beroeping" van den kerkeraad der Afgescheidenen op Urk aangenomen. Reeds op Vrijdag 12 Augustus kwam hij met zijn vrouw, Elizabeth Blooter, op Urk wonen. In het boven genoemd Ledematenboek staat, dat Pier Schaap en 361


zijn vrouw, met attestatie uit Workum gekomen, den eersten Octobex' 1837 op Urk als belijdend lid werden ingeschreven. Denkelijk heeft de inschrijving inderdaad pas op dien datum plaats gevonden, omdat toen ook, door Ds. De Cock, 30 namen werden ingeschreven van mensen, die belijdenis des geloofs hadden afgelegd. De door Schaap ingeleverde attestaties waren afgegeven door de Afgescheiden gemeente te Workum, die 1 April 1836 „uitgetreden" was.

Steunende op de voor allen gezamenlijk door den Burgemeester gegeven concessie gingen de Afgescheidenen hun gang. Ze gingen zelfs verder, dan waartoe hun vergunning verleend was. Pier Schaap, ofschoon wettelijk nog geen ,.inwoner" der gemeente en dus vanzelf niet vallende onder algemene concessie, op 6 Augustus door den Burgemeester verleend, „oefende" op Zondag 14 Augustus driemaal; en op Woensdag 17 Augustus kwam men weer samen voor een weekbeurt, telkens onder een grote toeloop van volk. Maar onverwachts werd het vleugje zonneschijn door een zware wolk onderschept. De Burgemeester namelijk ontving in dien tijd antwoord op zijn brief van S Augustus, waarin hij den Gouverneur mededeling had gedaan van het verlenen van concessie voor de vergaderingen en van de verwachte komst van den „oefenaar uit Vriesland", en waarin hij zo nederig verzocht had, om beter te worden ingelicht, indien hij soms in een of ander verkeerd mocht hebben gehandeld. Die „betere" inlichtingen waren er dan nu. De Gouverneur eiste daarin, dat vergaderingen onder leiding van iemand, die nog geen inwoner der gemeente was, beslist verboden zouden worden en dat de Afgescheidenen, als ze toch dien weg op wilden, dan eerst concessie moesten vragen aan den Koning zelf, en wel op grond van letter a van het K.B. van 5 Juli. Zo ontbood de Burgemeester dus terstond de „hoofden" van de Afgescheidenen, om hun mede te delen, dat hij verdere vergaderingen onder leiding van Pier Schaap beslist verbood. Pier Schaap was volgens de wet geen inwoner der gemeente en was niet in de concessie begrepen. Maar Burgemeester, zo vroegen de ontbodenen onthutst, hoe moet het dan nu? De Gouverneur, antwoordde de Burgemeester, eist, dat er in dit geval concessie aan den Koning zelf gevraagd wordt op grond van letter a van het K.B. van 5 Juli. De Afgescheidenen bogen het hoofd en gingen kort daarna in verslagenheid huiswaarts. Op Zondag 21 Augustus hielden ze geen samenkomst. Den volgenden dag schreef de Burgemeester aan den Gouverneur o.a. het volgende: ,,Tot mijn genoegen kan ik UExc. bij dezen berigten dat zij zich aan deze verordening zoo het schijnt wenschen te onderwerpen, want op heeden is aan mij een door hun geteekend adres, aan 362


Z.M. den Koning gerigt, ter vicering van daar opgeplaatste naamtekeningen aangeboden, welk adres ook zeer waarschijnlijk door de belangenhebbenden in handen van UExc. zal worden gesteld."' Zoals men ziet, gebeurde er niets, en stond er zelfs niets te gebeuren, zonder dat de Burgemeester er den Gouverneur van op de hoogte bracht. Blijkens dit bericht van den Burgemeester gingen de Afgescheidenen nu verder op den weg van het ,,vrijheid vragen". Zoals in hun bedrijf wilden ze het nu over een anderen boeg proberen: ze stonden gereed, aan den Koning vrijheid voor hun eredienst te vragen. Welnu, als er tegen dat vragen zelf geen bezwaar had bestaan, dan was hun positie er in ieder geval eerlijker door geworden. Pier Schaap is waarschijnlijk de steller van het request geweest. Maar — het request heeft den Koning nimmer bereikt. Het plan was, dat Willem Kramer en Jan Hakvoort, vergezeld door Pier Schaap, het stuk bij den Gouverneur in Haarlem zouden brengen. Zodra mogelijk begaven ze zich met een schuit naar Amsterdam. — Voorzichtigheidshalve raadpleegden ze eerst nog de Afgescheiden broeders aldaar — en die raadden de indiening van het request sterk af. Ze wezen op een uitlegging van het K.B. van 5 Juli, zoals die gegeven was door de Amsterdamse Courant en volgens welke men vrij zou mogen samenkomen, als er maar geen onrust of stoornis in de gemeente door veroorzaakt werd. Het drietal ging niet door naar Haarlem, maar keerde mèt het request naar Urk terug. En op Zondag 28 Augustus werd weer driemaal „geoefend" ....... Men had dan toch altijd nog de concessie, zoals de Burgemeester die op 6 Augustus had verleend. Gewaagd spel inderdaad. Zonder dat men er op Urk nog iets van wist of zelfs vermoedde, had juist in de week, die aan 28 Augustus vooraf gegaan was, het rechterlijke apparaat, ongetwijfeld als gevolg van de circulaire, die op 1 Augustus van den Procureur Generaal was uitgegaan, de directe actie tegen de Afgescheidenen op Urk ingezet. De Officier van Justitie bij de Rechtbank van Eersten Aanleg te Hoorn had bij geheim schrijven van 22 Augustus aan den Vrederechter te Enkhuizen gevraagd, wat er op 13 Juli te Urk gebeurd was. Kort daarop was de Vrederechter door den Procureur Generaal zelf herinnerd aan zijn verplichting, om van de ontvangst van boven bedoelde circulaire mededeling te doen. Hij had zich toen gehaast, den Procureur Generaal te antwoorden, dat hij zich reeds met het op Urk gebeurde had bezig gehouden, en het resultaat daarvan nog denzelfden dag — 24 Augustus — naar Hoorn zou worden gezonden. Dit gebeurde ook werkelijk — bij geheim schrijven. Uit dat stuk blijkt, dat de Vrederechter door een beambte inlichtingen had doen inwinnen „bij mensen te Urk, die geen belang bij de zaak hadden". Dat moeten dan wel vreemde liedden zijn geweest, want iedereen op Urk trok partij, óf aan den enen, óf aan den anderen kant. Geen

363


wonder dan ook, dat de inlichtingen, die zij den beambte verstrekt

hadden, door ons niet als geheel juist kunnen worden erkend. Die inlichtingen hadden blijkbaar ook den Vrederechter niet voldoende geschenen; vandaar, dat hij, bij brief van 26 Augustus, ook nog inlichtingen had ingewonnen bij Ds. Ter Plegt, een brief, dien Ds. Ter Plegt nog vóór den Zondag kan hebben ontvangen. Voor zijn antwoord nam hij den tijd, want het is eerst gedateerd 1 September. Zijn objectieve mededelingen omtrent de samenkomsten op 13 Juli, 14, 17 en 28 Augustus schijnen den grondslag te hebben gevormd van de tegen Ds. De Cock, Pier Schaap en anderen gevoerde procedure. Vreemd is het ongetwijfeld, dat de samenkomsten op 24, 25 en 26 Juli, waarin Pier Schaap proef-oefeningen had gehouden, nog wel onder een groten toeloop van volk, daarvoor niet in aanmerking kwamen. Ds. Ter Plegt had indertijd nog wel aan het Classicaal Bestuur geschreven over kloppartijen, die op die dagen moesten hebben plaats gehad. Aan het slot van zijn brief aan den Vrederechter schreef Ds. Ter Plegt: „Het blijkt belangrijk en wenschelijk voor mijn persoon en betrekking alhier, dat ik buiten sprake .blijve in het regterlijk onderzoek dezer zaak, waarom ik mij beroepe op de geheimhouding, door UEd. beloofd. Het staat er hier overigens wel na, dat het getal der Separatisten nog vermeerderen zal, naar dien men hoog ingenomen is met de Geestes gaven, die genoemde Pier Schaap zou bezitten, en naardien vele zich in onkunde door allerlei wind van leering laten verleiden." Het laatste was zeker niet objectief. Dat de Afgescheidenen, na de reis van het bekende drietal naar Amsterdam, op Zondag 28 Augustus zonder enige vrees hadden durven vergaderen, had den Burgemeester enigszins aan het twijfelen gebracht. Men zal hem wel mededeling hebben gedaan van het in Amsterdam ontvangen advies. Toen de Burgemeester op 29 Augustus de gebeurtenissen van de laatste dagen aan den Gouverneur berichtte, voegde hij er — weer enigszins naief — het volgende aan toe. „Mogt zomds daar omtrent eene meerdere vrijheid verleend zijn, dan verzoek ik U.Exc. met eerbied, daar omtrent te mogen bericht worden, naardien voor het tegenwoordige, door mij de geestdrift van velen in de gemeente wegens de bevordering (vordering?) van dat godsdienstige stelsel, met de aan mij verleende magt, voor het uitwendige niet kan worden verhinderd, zijnde daartoe, wanneer zulks de bedoeling waare, eene sterkere uitwendige magt benodigt, schoon zulks te verhinderen, de tot hiertoe bestaande rust bij de gemeente grootendeels zoude stooren, uit hoofde een aanmerkelijk gedeelte van de gemeente dat godsdienstige stelsel schijnt toegedaan te zijn." 364


Zoals men ziet, ging de Burgemeester als vanzelf weer over tot een verdediging van de zaak der Afgescheidenen. Hij vervolgde: „Ja zoo men zegt zal voortaan aan de jeugd, of aan de kinderen van afgescheiden ouders, door den redenaar Pier Schaap, godsdienstig onderwijs worden gegeven." Aan het slot komt weer de nederige dienaar van den Gouverneur voor den dag. „Nuw hier mede UExc. van alles wat aan mij voor het tegenwoordige, betrekkelijk het werk der afscheiding naar het uitwendige bekent is, berigt geevende zoo verzoek ik ook omtrent het een en ander van wegens U.Exc. te mogen onderrigt worden, terwijl het mijn volstrekte bedoeling is, om in alles zoo verre zulks door mij kan volbragt worden mij naar den inhoud van Uwer Exc. vernieuwde bevelen stiptelijk wensch te gedragen." „Vernieuwde bevelen". Werden we dan, naar de opvatting van den Burgemeester, niet volgens de wet geregeerd? Het is bepaald jammer, dat de eerste Afgescheidenen zo weinig van hun samenkomsten, handelingen, besluiten, ervaringen en zorgen hebben aangetekend. We kunnen de geschiedenis alleen leren kennen uit de brieven en aantekeningen der autoriteiten, en die moeten we in het algemeen tot de tegenstanders rekenen. Het dossier, dat ik voor de jaren 1836 tot '39 te doorworstelen had en dat in het Rijksarchief in Haarlem in bewaring is, bevat ruim 70, nu en dan heel uitvoerige stukken. Pier Schaap begon op 1 September inderdaad met het catechetische onderwijs aan de kinderen. Vermoedelijk ontving hij deze in zijn woning. Waar mag die hebben gestaan? Vermoedelijk tegenover de plaats of het gebouw, waar in 186S de Christelijke Bewaarschool gevestigd zou worden en waar nóg later een slagerij gekomen is. In mijn eerste jeugd woonde „Grietjen van Pier" nog in een winkeltje tegenover het bewaarschool. Die Grietjen was een dochter van Pier Schaap. Ze was toen de weduwe van een visser, Willem Weerstand. Ze verkocht o.a. ook snoepgoed. Ik vermoed, dat haar winkeltje een erfstuk van haar ouders was. Het kwam namelijk in de eerste jaren der Afscheiding en zelfs nog later voor, dat de vrouw van den predikant door het houden van een winkel het uiteraard sober inkomen van haar man trachtte aan te vullen. Zo hield b.v. de vrouw van Ds. Zeebuyth te Leerdam nog in de zestiger jaren een winkel, waar sajet, maar ook spek verkocht werd! Hoe zijn de tijden veranderd! Het is zeer goed te begrijpen, dat ook de vrouw van Pier Schaap (op Urk noemde men hem Pier, zonder meer) getracht heeft, door het houden van een winkel het wekelijkse gezinsinkomen — immers maar 6 gulden, misschien later iets meer — enigszins te verhogen. 365


In dezelfden tijd — omstreeks 1 September 1836 — werd bij Ds. Ter Plegt een nieuwe lijst, nu van 55 personen, ingeleverd met de mededeling, dat ook zij zich van de Hervormde kerk afscheidden. Blijkbaar een vrucht van de reis naar Amsterdam! Ds. Ter Plegt plaatste dit uitvoerig bericht in de kerkeraadsnotulen: „Urk, 4 September 1836. Kerkeraadsvergadering gehouden op dato dezes na kerktijd. Door den Predikant wordt ter visie gebracht een stuk van afscheiding van gelijken gedrukten inhoud als het vorige van 13 Juli j.1. op welk stuk de namen voorkomen van 55 personen, waaronder slechts 23 (drieëntwintig) ledematen. Dewijl deze naamteekeningen niet behoorlijk zijn, zoo wordt door den kerkeraad besloten, om de navolgende brief aan de zich afscheidenden te zenden. Aan de zich afscheidenden van de Hervormde gemeente op Urk. De kerkeraad der Hervormde of Gereformeerde gemeente op het eiland Urk, ontvangen hebbende een stuk, waarbij eenige persoonen, ook dezulke, die nog geen lidmaatschap bij voornoemde kerk bekomen hebben, verklaren zich aftescheiden van onze gemeente voorn., en wel op grond van art. 32, 28 en 29 onzer gereformeerde geloofsbelijdenis, waarin echter geen gronden van afscheiding van onze kerk zich voordoen, aangezien die geloofsbelijdenis in onze kerk wordt aangenomen en beleden. Gelet hebbende op de naamteekening van de op genoemd stuk voorkomende persoonen. Bevonden hebbende, dat niet door ieder persoon zelve de eigen naamteekening is geschied, gelijk in dat stuk vereischt wordt, maar dat door eene hand de meeste namen op dat stuk zijn gebragt, en onvolledig staan uitgedrukt, bijna onleesbaar door elkander. Begrijpende dat zulk een verklaring van afscheiding niet als geldende kan worden aangenomen. Zoo geeft de kerkeraad voorn, aan de zich afscheidenden te kennen, dat ieder der zelven, die bij zijn voornemen van afscheiding volhardt, zich bij eigenhandige naamtekening daartoe zal hebben te verklaren, opdat de kerkeraad der Hervormde of Gereformeerde gemeente op Urk, in staat gesteld worde, om in hun acte boek, opteekening van deze zich afscheidenden te doen, overeenkomstig de wetten en kerkelijke reglementen. Verzoekende dus dat een nieuw stuk in plaats van het hierbij teruggaande, met eigenhandige handteekening vrijwillig en duidelijk geschreven, ons zoo spoedig mogelijk worde ingeleverd. 366


De kerkeraad voornoemd: P. J. ter Plegt, predikant Okke de Boer Pieter Snoek Pieter K. Kramer ouderlingen Gerrit de Boer Jelle Roos diakenen".

Urk, 4 Sept. 1836. De notulen werden besloten met de woorden: „de vergadering eindigd in vrede." Meer niet. Dat er onder de 55 niet minder dan 32 waren, die in de Hervormde gemeente nog geen belijdenis gedaan hadden, ofschoon ze daarvoor toch oud genoeg waren, doet zien, dat het den laatsten tijd met het afleggen van belijdenis des geloofs in die gemeente niet vlot was gegaan. Indien Ds. Ter Plegt gemeend heeft, dat hij sommigen door grote woorden wel van hun voornemen af zou brengen, dan heeft hij zich vergist. Uit de notulen blijkt zelfs niet, dat er een nieuwe lijst ingeleverd is. De 55 hadden trouwens alleen maar een kennisgeving bedoeld. Na dien verschenen in de kerkeraadsnotulen nog enkele mededelingen omtrent kleinere getallen, die zich afscheidden; de laatste op 12 Januari 1838, toen een lijst met 8 namen ingekomen was. „Door den kerkeraad gezien."

Elke in de laatste weken van den Gouverneur op Urk ontvangen brief had tot nog toe den druk voor de Afgescheidenen zwaarder gemaakt. Zo ook zijn brief van 5 September 1836, die gericht was tot „Burgemeester en Assessoren van Urk" en die een antwoord was op het schrijven van den Burgemeester van 29 Augustus, waarin deze melding had gemaakt van de voorgenomen maar niet uitgevoerde reis naar Haarlem, van het advies van de Amsterdamsche Courant en van de op 28 Augustus hervatte samenkomsten der Afgescheidenen. Bij het ontvangen van dezen brief moest een man als de Gouverneur wel gans zeer verbolgen worden. De Burgermeester had om „vernieuwde bevelen" gevraagd; welnu, hij zou ze ontvangen. Viei punten werden met nadruk onder de aandacht van Burgemeester en Assessoren gebracht. 1. De verzoeken om vergunning tot bijwoning der samenkomsten moesten door elk persoon afzonderlijk worden gedaan en op zegel geschieden; 2. Ieder, die niet zelf een schriftelijke vergunning van het gemeen tebestuur had ontvangen, mocht de samenkomsten der Afgeschei denen niet bijwonen. Iemand, als Pier Schaap, die niet tot de „inge367


zetenen" behoorde, kon geen vergunning krijgen en mocht dus niet in de vergaderingen komen; 3. De vergaderingen mochten in geen enkel opzicht het karakter van een eredienst hebben; 4. Ze mochten niét storend zijn voor den godsdienst van er-kende kerkgenootschappen. Van elke afwijking van deze eisen moest proces-verbaal worden opgemaakt. Voor hoe ver we hier met een eigenmachtige exegese van het K.B. van 5 Juli 1836 te doen hebben, zullen we in het midden laten, maar zelfs de Burgemeester was door de „vernieuwde bevelen" zó getroffen, dat hij onmiddellijk de „hoofden" van de Afgescheidenen bij zich ontbood, om hun den inhoud van 's Gouverneurs brief mee te delen. Dat hun daarbij de schrik om het hart sloeg en dat in hun gemoed de toorn oprees, wie zou het niet verstaan? Waarom, zo vroegen ze, moeten wij erger bezwaard worden dan andere gemeenten? En mag, zo gingen ze verder, Pier Schaap dan niet meer oefenen of catechiseren? Neen, was het antwoord. Maar Burgemeester, u hebt ons toch zelf de algemene concessie gegeven! Toen kwam het erge, waarop men zeker niet gerekend had, van 's Burgemeesters lippen: Die algemene concessie trek ik in, totdat er meer onderwerping aan de voorschriften van den Gouverneur getoond is. Met deze verpletterende mededeling konden de mannen heengaan, en ze gingen heen „in hittigheid des toorns". Bij nader overleg evenwel gaven zij den Burgemeester te kennen, dat zij zich, wanneer aan Pier Schaap het recht van inwoning gegeven werd, aan alle bepalingen, hoe bezwaarlijk ook, wilden onderwerpen. Toen ze verzochten, dat de oude concessie mocht worden vernieuwd, was het barse antwoord: Neen, die blijft ingetrokken. Op Zondag 11 September durfde men de weigering van den Burgemeester, om toestemming te geven, niet trotseren; maar toen voor den volgenden Zondag de toestemming weer botweg geweigerd werd, wilde de kerkeraad den aandrang der gemeente niet weerstaan, en er werd „geoefend" als voorheen. Alles ging overigens heel rustig in zijn werk. Maandag 19 September reeds schreef de Burgemeester aan den Gouverneur: , ...... dan, niet tegenstaande zulks door mij aan hun bij voort during, zonder volkomen onderwerping aan die bepalingen is gewijgert, verneem ik nochtands, dat door hun een oefeningssamen komst is gehouden, zijnde tot hiertoe bij alle voorkomende moejelijkheden ten dien opzigte voor mij ontstaande, nog nimmer de rust of orde bij de gemeente gestoord ...... ....... Terwijl voortaan, bij het houden van een oefeningssamen komst, zonder bekomen concessie van het bestuur, Procesverbaal van alle daarbij aanwezig geweest zijn de Personen zal worden op gemaakt." 368


Weer getracnt, de geit en de kool te sparen. De Gouverneur intussen kon tevreden zijn! De Afgescheidenen haastten zich, om aan den Gouverneur een request te zenden met het verzoek, dat aan Pier Schaap het recht van inwoning op Urk mocht worden verleend. In afwachting van de beschikking op dat request hielden ze den eersten tijd geen oefeningen. Daar de beslissing in dit geval bij het Gemeentebestuur berustte, zond de Gouverneur het verzoekschrift aan den Burgemeester. Onder het opschrift „Geheim" gaf hij den Burgemeester o.a. te kennen, dat aan Pier Schaap inderdaad het recht van inwoning kon worden gegeven. Op de vraag van de Afgescheidenen, of iemand eens en voor altijd vergunning kon krijgen, tot het bijwonen der vergaderingen, of dat de aanvraag telkens moest worden vernieuwd, had de Gouverneur maar geen rechtstreeks antwoord gegeven. Hij had alleen geschreven, dat de vroeger voor allen gegeven concessie als geldig was te beschouwen, indien geen reden tot intrekking gegeven werd, maar dat alle nieuwe aanvragen persoonlijk en op zegel moesten geschieden, en dat bovendien elke vergunning door den Burgemeester op een zegel van 75 cent moest worden geschreven. Zo bracht dus elke aanvraag de kosten van twee zegels mee. Nadat de Burgemeester deze dingen aan de „hoofden" der Afgescheidenen had medegedeeld, besloten zij, zich andermaal met een request tot den Gouverneur te wenden. Het werd opgesteld door Pier Schaap en luidde als volgt: „Urk den 24 Oct. 1836. Aan Zijn Exelensi den Heere Staatsraad Governeur der Provinsi Noord-Holland. Wij ondergeteekende, van het afgescheidene genootschap te Urk, Adreseeren ons nogmaals op een eerbiedige wijze aan U Zijn Exelensi ter oorzake van de bepaalingen die ons voorgeleid zijn tot het houden van onzen Godsdienst. Wij willen ons aan alle de ons voorgeleide bepaalingen houden; en daar aan voldoen dat is in alles ons doel, om onzen God te vreezen, en den Koningk te eeren, maar ons is voorgeleid, om eene Disposisje te neemen voor eiken aanvraager om de veroorloofde Admisje, van vijf en zeeventig cents, gaarn wensten wij hier aan ook te voldoen, maar terwijl onder ons genootschap veele geringe Leeden zijn en meest uit zulken bestaat zoo is onze aanvrage in ons Adres, aan U Zijn Exelensi niet anders, dan om op de eerbiedigste wijze te verzoeken, of wij niet op een zoo een Disposisje voor alle de aanvraagers onzen Godsdienst moogen houden, op dat wjj van deeze groote kosten mag gespaard worden, terwijl ook onze verdiensten voor het tegenwoordige niet veele zijn. Terwijl dan dat wij ons aan alle bepaalingen houden en onderwerpen, verlangen en verwachten wij, Zijn Exelensi, dat uwe on369 24


derdaanen dit verzoek mooge worde toegestaan. Na gemeene toewensing van des Heeren zeegen noemen wij onze naamen aldus A. L. Romkes J. J. Hakvoort Jan Post W. K. Kramer Jacob Asma". Waren dat nu mensen, zou men hier kunnen vragen, om wanorde en onrust in de gemeente te verwekken? Werd dat inderdaad gevreesd? Of voorgewend? Laat Burgemeester Nentjes het maar zeggen. Een week later reeds antwoordde de Gouverneur op het request aan den Burgemeester, „dat alle nieuwe aanvragen, afzonderlijk, voor iederen persoon, op zegel zullen moeten worden gedaan, en voor elk zodanig verzoek eene afzonderlijke dispositie door het gemeentebestuur, altoos op behoorlijk zegel zal moeten worden uitgerijkt." Het zegel van 75 cent was nu een „behoorlijk zegel". Willekeur of niet? De tweeslachtige houding van den Burgemeester maakte hem soms tot getrouwer opvolger van de „bevelen" uit Haarlem, dan den Gouverneur zelf. Op 19 November 1836 berichtte hij aan den Gouverneur, dat de Afgescheidenen, na door hem verleende concessie, des Zondags tweemaal vergaderden. Ze gedroegen zich geheel naar de eisen van het K.B. De Burgemeester had er bij kunnen voegen, dat hij geweigerd had, toestemming te geven, om 's Zondags driemaal samen te komen. Wel schreef hij, dat hij niet aan ieder, die in den geëisten vorm concessie vroeg, die concessie verleende, omdat hij vreesde, dat de toeloop dan nog groter zou worden. De diender waakte trouw, dat niemand zonder vergunning in de vergaderingen kwam. Maar aangezien de weigering van verdere vergunningen bij sommigen, zoals de Burgemeester zich uitdrukte, „enig misnoegen" verwekt had, vroeg hij nu den Gouverneur, of hij door kon gaan met het geven van vergunningen aan ieder, die er op zegel om vroeg. De Gouverneur heeft dat in elk geval eigenmachtig optreden van den Burgemeester nooit afgekeurd. Wel aangemoedigd. Op denzelfden dag, waarop de Burgemeester het bovenstaande aan den Gouverneur schreef, werd er op Urk nóg een brief voor den Gouverneur gereedgemaakt. Die luidde als volgt: „Urk 19 November 1836. Mijn Heer Wat is ons toestand wegen het Godsdienstige ongelukkig 370


Daar ons Leeraar door de hoofden van het bestuur gescholden en die der afgeschijdene beschermd word het is te vreesen dat op erger zal worden want wij worden onderdrukt en de afgescheijdene beschermd er word veel gehoop op de toelaag van 1000 gulden om haar P. Schaap van te betalen zoo het komt het is te wenschen dat er in voorsien wort daar haar gemeente Zondags groter is als onse UEDW Dienaar." De ondertekening bleef weg. Kan men zich venijniger en laatdunkender geschrijf voorstellen? Min was de toespeling op de provinciale toelage. Tot tweemaal toe werd geklaagd over de „bescherming" der Afgescheidenen. De domme schrijver erkende daarmede, dat die bescherming tegen lieden van zijn slag wel nodig moet zijn geweest. Dat de Gouverneur aan het onwaardig geschrijf nog aandacht heeft geschonken, blijkt uit de woorden, die er met potlood onder gekrabbeld zijn: „Hr Griffier bespr." Trouwens, ook het antwoord van den Gouverneur op 's Burgemeesters brief van 19 November toonde dat. „Ik mag" — zo schreef de Gouverneur — „Ik mag het overigens niet ontveinzen, dat in den toon waarop UEA ditmaal wederom de belangen der z.g. separisten voorstaat, eene blijk doorstraalt van meer bijzondere protectie van dezelve waartoe ook van een andere zijde vermoedens bij mij zijn opgekomen; en het is te dezer aanzien, dat ik mij verpligt acht UEA onder het oog te brengen, dat de toelating welke dezelve, door Z.M. welwillendheid genieten, nimmer vermag afbreuk te doen, op de handhaving en bescherming van het bestaande en erkende kerkgenootschap." Ik heb enkele woorden onderstreept. Over de „welwillendheid" zou wel een en ander te zeggen zijn. Het is maar gelukkig, dat zelfs deze Gouverneur den voortgang der Afscheiding niet heeft kunnen stuiten. Zelfs lag er in de tegenwerking een zegen: ze werkte zuiverend. Intussen bleef de goedkeuring, waarop de Burgemeester althans ditmaal zal hebben gehoopt, achterwege. Meende de schrijver van het schendbriefje over den Burgemeester te kunnen klagen, de Afgescheidenen deden het evenzeer. In een met redenen omkleed, behoorlijk gezegeld en ondertekend request wendden zij zich 28 November 1836 aldus tot den Gouverneur: „Wij onderwerpen ons aan alle de ons voorgeschreevene bepaalingen, uit hoofde dat wij ons niet tegen wet en reegel wenschen te verzetten." Vervolgens klaagden ze er over, dat Hinderik Snijder en Klaas Ras op de voorgeschreven manier concessie hadden gevraagd, maar dat de Burgemeester bovendien een bewijs van den Predikant gevor371


derd had, dat ze zich metterdaad afgescheiden hadden; en toen ze

met dat bewijs kwamen, kregen ze toch de concessie niet. „Nu is het voorwendsel des Burgemeesters geweest, dat hij niet en wist, of hij meer mocht toelaaten, waarvan wij nimmer in UEx's voorschriften noch in des Konings besluit (n)iets hebben gezien, en deze zaak ons dus niet goed te voore komt, maar een willekeurige handel teegen de besluiten des Konings van onzen Burgemeester, en wij weten niet waarom." Dat was wel iets anders dan bescherming der Afgescheidenen. Een ander bezwaar drukten de klagers aldus uit: „Waar het de begeerte van ons gemoed was, om onzen gods dienst op den dag des Heeren driemaalen, en dan noch ook eens in de week uit te oeffenen, en wij alleen op tweemaal des Zondags worden bepaald ....... " De ondertekenaars waren: A. L. Romkes, W. K. Kramer, J. J. Hakvoort, K. H. Bakker, J. Post en C. J. Bakker, denkelijk alle ouderlingen en diakenen, van elk drie. Intussen werd de aandacht van de ondertekenaars en van de gehele bevolking de eerstvolgende dagen geheel ingenomen door de gevolgen van den ontzettenden storm, die op 29 November woedde en die bijzonder voor Urk tot een ramp werd, doordat de vissers bij het geschikte weer langer dan anders in bedrijf waren. Toen de schade opgenomen was. zond de Burgemeester een bericht over de storm aan de Alkmaarsche Courant, met de bedoeling, dat de „weldadige landgenoten" de getroffenen zouden gedenken; een methode, die ook later dikwijls met goed gevolg is toegepast. Hier volgt het bericht. „Eiland Urk 12 Dec. 1836. Bij den zoo verschrikkelijken storm van 29 November heeft deze gemeente opnieuw deerlijk geleden, als zijnde drie woonhuizen in een oogenblik tijds, door den feilen wind geheel omver geworpen, terwijl een aantal andere op onderscheidene wijzen grootelijks zijn beschadigd. Ook zijn bij dien storm 21 van de voornaamste visservaartuigen bemand met meer dan 100 personen, welke allen ter uitoefening van hun gewoon visschersbedrijf zich op zee hadden begeven, in zoodanigen reddeloozen staat gebragt, dat zich tien van dezelve genoodzaakt hebben gevonden, zich hier en op de Overijsselsche kust op strand te zetten, terwijl de anderen dooi* verlies van masten, zeilen, ankers en touwen nagenoeg onbruikbaar zijn geworden. De schade aan deze vaartuigen en aan de huizen veroorzaakt, wordt berekend, een zoodanige som te bedragen, dat het voor velen onmogelijk is aan het herstel daarvan te denken. Als een bizondere weldaad mag men nog hier opmerken, dat geen bewoner van dit eiland bij dien storm is omgekomen. De Burgemeester te Urk, P. NENTJES". 372


Het aantal opvarenden blijkt in dien tijd groter te zijn geweest, dan in latere jaren, toen een schuit in den regel bemand werd door 3 personen: den schipper, den knecht en den derdeman. In de beugtijd kwam er soms nog een „schiemannetje" bij. Voor snuffelaars zou het interessant kunnen zijn, na te gaan, of, en zo ja, hoe ver „de weldadige landgenoten" zich hebben laten beinvloeden door de berichten over de Afscheiding op Urk, b.v. in de „Boekzaal". Ons staan daaromtrent geen gegevens ten dienste. Omtrent het request, door de Afgescheidenen onder den datum van 28 November tot den Gouverneur gezonden, verzocht deze aan den Burgemeester „consideratie en advies". De Burgemeester gaf in zijn antwoord, gedagtekend 23 December, de voorstelling der feiten toe. Het eisen van een vergunning voor iederen nieuwen afgescheidene afzonderlijk achtte hij „hoe langer hoe meer noodzakelijk, daar dezelve bij een strenge uitoefening voor velen, welke anders dat genootschap schenen toegedaan, als tot een afschrik van 't zelve verstrekt." De Burgemeester heeft blijkbaar niet doorzien, dat hij zichzelf hier opwierp als een wachter aan het begin van een weg, dien de mensen meenden te moeten bewandelen te hunner zaligheid. Het onbeperkt verlenen van vergunningen achtte hij „tegenstrijdig" aan de bedoeling van het K.B. „en ook volstrekt ten nadele van het bestaande kerkgenootschap ... naardien zoo danige verzoeken zich tot een oneindig getal van Personen zouden uitstrekken." Wist de Burgemeester hier niet knap aan te tonen, dat hij toch wèl zijn beschermende hand over „het bestaande kerkgenootschap" uitgestrekt hield? Hij ging aldus voort. „Wat hun verzoek tot het houden van meerdere oefeningszamenkomsten betreft, daar aan kan mijns oordeels niet voldaan worden, en wel omdat zulks juist bij den avond moet geschieden, ook zouw deze oefeningszamenkomst èn voor mij èn voor de Politiebeambte op den duur nog oneindig meerdere moejelijkheden opleveren ook zou daaruit zomds moeite en onrust, bij de gemeente worden veroorzaakt, doordien de ligtzinnigheid van zommige, op bedekte wijzen, zich tot in het verregaande uitstrekt." Bij de laatste door mij onderstreepte woorden doelde de Burgemeester, die toch niets van het ongetekende briefje aan den Gouverneur wist, op het woelen van duistere machten onder de tegenstanders der Afgescheidenen. En zo leverde hij onbewust op dat briefje een prachtige toelichting. Na dat advies van den Burgemeester aan den Gouverneur over het adres der Afgescheidenen van 28 November kwam het antwoord van den Gouverneur maar niet. 's Burgemeesters advies noopte den Gou373


verneur in het geheel niet, om haast te maken, en de Afgescheidenen wachtten maar weer. In den blijkbaar zachten winter van 1836 op '37 gebeurden er overigens geen buitengewone dingen. Pier Schaap had steeds een groot getal hoorders. Het manvolk was thuis, en men stoorde zich niet aan de waarschuwingen van den Burgemeester en nog minder aan die van Koert Öhlsen, den diender. Het aantal ouderlingen en dat der diakenen ook was van twee op drie gebracht. Albert Lubberts Romkes was ouderling en Jan Post was diaken geworden. De gemeente groeide gestadig. Met het trekken van conclusies uit het aantal ondertekenaars van een stuk moet men intussen voorzichtig zijn. In den winter, als de meeste mannen thuis waren, konden meer handtekeningen geplaatst worden dan in „de volle teelt". Het stuk van 6 Augustus aan den Burgemeester droeg maar drie ondertekeningen. Het stuk van 24 October aan den Gouverneur, dat van meer betekenis werd geacht, was ook ondertekend door Jacob Asma (den grootvader van den lateren omroeper!). Ofschoon hij geen lid van den kerkeraad was, schijnt hij er bij genomen te zijn, om een groter getal te krijgen. Van een ander bekend Urks geslacht, dat voortgesproten moet zijn uit zekeren Romkes en waaruit ook de schout C. J. Romkes en Ds. Romkes voortgekomen waren, geef ik in dit verband ook enkele bijzonderheden. De eerste ondertekenaar van de Afscheidingsakte was Albert Lubbert Romkes, eerste assessor bij de burgerlijke gemeente, een man van vaste lijn. Toen hij nog een kleine jongen was, moet hij reeds een opmerkelijke intelligentie, nuchterheid en activiteit hebben getoond. Zijn moeder, - hoe zijn moeders? - had het nog al eens over „haar Abbe": m'n Abbe dit en m'n Abbe dat, m'n Abbe zus en m'n Abbe zo, geheel naar Friesen trant gezegd. De Urker spotzucht maakte zich meester van het geval en plakte den kleinen Albert een nieuwen naam op zijn rug: „M'n Abbe". Dien naam heeft hij meegedragen, zijn leven lang en verder nog. De grote hoop kende hem als assessor bij de gemeente en ouderling bij de Afgescheidenen beter als M'n Abbe, dan bij zijn officiëlen naam, een gewoon Urks verschijnsel. M'n Abbe nu had een zoon, die, naar zijn grootvader, Lubbert gedoopt was. Dat was dus M'n-Abben-Lubbert, officieel: Lubbert Alberts Romkes. De Urker traditie in de naamgeving zette zich voort. Toen de Afscheiding tot stand kwam, was die M'n-Abben-Lubbert diaken van de bestaande Hervormde gemeente. M'n Abbe ging terstond resoluut mee, maar M'n-Abben-Lubbert bleef op twee gedachten hinken, zoals er onder de nuchtere geesten meer waren. Ofschoon hij officieel nog diaken was, kwam hij niet meer in de Hervormde kerk, noch op de vergaderingen van den kerkeraad. Op het stuk van 4 September, gericht tot de 55 zich afscheidenden, dat nog door P. Snoek als ouderling mede ondertekend was, komt zijn naam 374


dan ook niet voor. De vergaderingen der Afgescheidenen evenwel bezocht hij, zo vaak hij daartoe gelegenheid had. Welnu, van dien Lubbert Abben Romkes schreef Ds. Ter Plegt op 1 Januari 1837 in de kerkeraadsnotulen: „diaken Lubbert A. Romkes, welke echter zijn post willekeurig sinds Julij 1836 heeft laten varen, zich van deze Hervormde gemeente afscheidende zonder redenen daarvoor in te dienen." Den zoon van dien M'n-Abben-Lubbert, n.1. Jannes van M'n-AbbenLubbert was als wethouder der gemeente, als ouderling bij de kerk en als „admiraal" van de vloot algemeen geëerd. Het antwoord van den Gouverneur op het misschien al te nederig request van de Afgescheidenen kwam nog maar niet. En de Burgemeester bleef, ondanks herhaalde en steeds dringender aanvraag, hardnekkig weigeren, aan meer personen vergunning te geven tot het bijwonen der vergaderingen. Omdat — zo verdedigde hij dat op 23 Februari 1837 tegenover den Gouverneur — „omdat die verzoeken geen andere strekking hebben, als om de thands bestaande hervormde kerk in belijders te doen verminderen." In arren moede voegde hij er bij: „Wij zijn bijkans niet meer in staat, om zonder dat er verwarring ontstaat, de van buiten indringende personen uit deze oefeningszamenkomsten te weeren." „Op den laast verlopen Zondag heb ik aan de afgescheidenen te kennen gegeven, dat zoo zij niet krachtdadig medewerkten, om de van buiten indringende te helpen weeren ik mij dan verpligt vond, om de aan hun verleende admissie, ter voorkoming van opentlijke wanorde bij de gemeente voor het vervolg te moeten intrekken." Gelooft gij, dat er wanorde zou zijn ontstaan, als de overheidsmacht zich buiten dit terrein gehouden had? De Burgemeester kreeg nu, zo al geen goedkeuring van den Gouverneur, dan toch een aansporing om met alle gestrengheid te blijven voortgaan. Aan het slot van den brief — van het begin van Maarf — verwaardigde de Gouverneur zich, om eindelijk antwoord te geven op het request van 28 November. „Voorts - zo schreef hij - autoriseer ik U.E.A. om deeze mijne wijze van zien aan alle de daarbij geïnteresseerde personen en wel speciaal aan de onderteekenaars van zeker in de maand November j.1. aan mij gericht adres kenbaar te maken, met uitdrukkelijke verklaring, dat voor zoo verre zij zich niet mogten te vrede houden met de tot hier toe aan hun gegeven onverdiende vrijlating, 375


ook deeze laatste zal moeten ingetrokken worden, iets waartoe U.E.A. des noods zonder eenig de minste toegevendheid zoud moeten overgaan." Hoe zou de Burgemeester, de Gereformeerde belijder en geestverwant van de Afgescheidenen, bij het ontvangen van dat barse woord te moede zijn geweest? De nacht der verdrukking was daarmede nog niet voorbij. Toen onder de Afgescheidenen het antwoord van den Gouverneur op hun request bekend was geworden, maakte zich van een deel van hen, voornamelijk van degenen, die tot nog toe geen vergunning hadden kunnen krijgen, zeker verbijstering meester, die bijna tot radeloosheid werd. Er waren er, die graag luisterden naar Pier Schaap, den volbloed Fries, als hij verklaarde, dat de Burgemeester volgens het Koninklijk Besluit niet het recht had, om het verlenen van een naar de eis gevraagde concessie te weigeren, en dat men ten slotte Gode meer gehoorzaam moest zijn, dan den mensen; in de 16-de eeuw hadden onze vaderen wel gewapende hagepreken gehouden! Kan het niet goedschiks, zo redeneerden enkelen, dan maar kwaadschiks! Een ander deel was het meer eens met Willem Kramer, raadslid en ouderling. Hij maande aan tot kalmte en voorzichtigheid en waarschuwde tegen openbaar verzet, waarbij hij allicht het principe naar voren bracht, dat men ook den „harden heren" onderdanig moest zijn. Al waren er geen twee scherp belijnde partijen, er was toch enige wrijving. Er broeide iets, maar vóór al hield de bezonnenheid nog de overhand. Men vergaderde, als voorheen, des Zondags tweemaal, en anderen dan wie vergunning hadden kwamen er niet bij. Trouwens, Koert Ohlsen stond steeds aan de deur. We kunnen nu den betrekkelijk kalmen tijd gebruiken om na te gaan, wat er al zo in het achtergebleven deel van de Hervormde gemeente juist in die dagen omging. Uit het ruim overschot van de diakonierekening, uitgebracht 27 Maart 1837, werd aan Ds. Ter Plegt, op zijn verzoek, een voorschot van 40 gulden gegeven, opdat hij daarvoor „vraagboekjes van Nahuis" zou kunnen aanschaffen. Bedoeld zal hier zijn een werkje van Ds. Petrus Nahuys te Monnikendam, dat in 1738 voor de eerste maal verschenen en daarna viermaal herdrukt was. Van klein formaat telde het niet minder dan 300 bladzijden. We moeten inderdaad respect hebben voor Ds. Ter Plegt en zijn catechisanten, dat ze er niet tegen op zagen, om een vraagboek van dien omvang door te werken. Naar de gewoonte van den tijd droeg het dezen uitgebreiden titel: „Kort begrip der Christelijke Religie, ten klaarste en allerkortste opengelegd ten dienste van mingeoefenden en nogtans heilbegeerige zielen, die zich willen begeven tot des Heeren H. Avondmaal". 376


Het gaf in vragen en antwoorden een toelichting van het bekende „Kort Begrip" en sloot zich bij de stof en de indeling daarvan geheel aan. Er waren hoofd- en bijvragen. Het was uitgegeven „na voorgaande Visitatie en Approbatie van het Eerw. Classis van Edam". Achterin stond het Kort Begrip in zijn eigen woorden met als bewijsplaatsen dienende teksten. Bij dit laatste was afgedrukt een verzoek van de classis Leiden en Neder-Rijnland aan de Synode van Zuid-Holland van 1737, om nauwlettend toe te zien op de vele vraagboekjes, die in dien tijd verschenen, en waarin soms de meest kenmerkende stukken waren weggelaten. Van Nahuys' vraagboekje kon dat in geen geval worden gezegd: het was volledig en gezond. We staan hier voor een probleem. Voerde Ds. Ter Plegt dit vraagboekje in, om te doen zien, dat hij in zijn opvatting wel degelijk Gereformeerd was? en dat de Afscheiding, wat dat betreft, dus een vergissing was geweest? Maar ook dat strijdmiddel heeft de Afscheiding blijkbaar geen afbreuk gedaan. Trouwens, niet het boekje, maar de daaraan gegeven toelichting, en niet een Bijbeltekst, maar de daaraan verbonden prediking is beslissend. In drie jaar verkocht Ds. Ter Plegt van de boekjes de helft. Dat er in Maart en April wat gaande was onder de Afgescheidenen, ontging ook den Burgemeester niet en — den 17-den April briefde hij dat dadelijk over aan den Gouverneur. Eindelijk, op 14 en 15 Mei, de beide Pinksterdagen, toen Urk voi was van de jaarlijkse Pinkstergangers, toen kwam als vanzelf, zonder afspraak, het grote verzet. Men stoorde zich niet aan den diender of Burgemeester en drong in onbepaald getal de woning van de weduwe Bakker binnen; en toen er in huis geen plaatsje meer over was, groepte men, als bij een begrafenis, samen voor de open deuren en vensters, om Pier Schaap toch maar te kunnen horen. Hij sprak telkens voor een schare, groter dan ooit. Het had inderdaad iets van een hagepreek! Of de Burgemeester toen boos was, echt boos! Kwam die boosheid ook aan den dag, toen hij een aanklacht bij den Rechter inzond tegen Jelle Loosman, den voerman, omdat deze reeds op Vrijdag vóór Pinksteren, dus vóór den door het Gemeentebestuur vrijgegeven dag, zijn paard aan een lijn op de weide had laten grazen ? Jelle Loosman behoorde tot de eerste Afgescheidenen. En de Burgemeester was een man van de wet en Koert Ohlsen een getrouw wetsdienaar. Waarvoor diende toch een „keur", als men een Afgescheidene niet kon „bekeuren" ? Loosman werd door de rechtbank te Hoorn veroordeeld tot een boete van 10 gulden, plus de kosten ....... 377


Reeds op Pinkstermaandag gaf de Burgemeester „in hiltigheid des toorns" aan den Gouverneur kennis van het gebeurde. Aldus: „Deeze hunne willekeurige handelwijze verpligt mij voor het tegenwoordige U.E. daarvan terstond kennis te geven, als kunnende door mij voor het tegenwoordige om zulks te keer te gaan met de aan mij verleende magt van Policie niets meer worden verrigt. Het is dus van het uiterste gewigt en aanbelang dat mij ter beteugeling en onderwerping dezer wederstrevers tegen de verordende bepalingen daaromtrent vastgesteld een meerdere magt van Policie, of van militaire manschappen mag worden toegevoegd, ten einde door inlegering bij de hoofden, of liever bij de drijvers van dat genootschap, de onderwerping te bevorderen, daar zonder krachtdadige maatregelen, deze geweldadige onderneming door hun thans ten uitvoer gebragt, niet kan worden gestuit." Inderdaad, hier was de Burgemeester zijn bezinning kwijt. Hij speelde met vuur. En hij blies het vuur nog wat aan, door er aan toe te voegen: „Hoogstaangenaam zal het voor den ondergeteekende zijn, wanneer aan dit zijn verzoek op de een of andere wijze ter handhaving van het gezag, en tot onderwerping aan de bestaande orde mag worden voldaan." Kan in plaats van de onderstreepte woorden niet gelezen worden: Te mijner handhaving? Zelfs de Gouverneur, wien dit schrijven koren op zijn molen moet zijn geweest, beoordeelde het geval nuchterder. Doorzag hij den Burgemeester, toen hij dezen vijf dagen later doodleuk vroeg, of „door UEA behoorlijk proces verbaal tegen de overtreders is opgemaakt en ter vervolging aan den officier bij de competente regtbank verzonden, met opgave tevens of en wanneer zulks reeds vroeger ter zelver zake door UEA was bewerkstelligd, en wat het gevolg dier opzendingen geweest is. Het zal den Burgemeester zeker weer „hoogst aangenaam" zijn geweest, dat hij weer vijf dagen later, althans op de eerste vraag kon antwoorden, dat inderdaad proces verbaal was opgemaakt en verzonden. Antwoord op de tweede vraag gaf hij maar niet, om de eenvoudige reden, dat vroeger nooit proces verbaal was opgemaakt. En zo had de Gouverneur ook op de tweede en daardoor ook op de derde vraag toch een antwoord. Alleen dit voegde de Burgemeester nog aan zijn woorden toe: „Ook zal men daar omtrent den verderen loop welk daaraan zal gegeven worden behoorlijk dienen af te wachten, zullende bij den afloop dier zaak U.E. vande verdere handelwijze der Separatisten voortdurend berigten." 378


Het woord Separatisten, vooral in hogere en vijandige kringen gebruikelijk, nam de Burgemeester over van den Gouverneur. Als Gereformeerd belijder had hij moeten weten, dat de Afgescheidenen nog geen separatisten waren. De scherpe niet direct beantwoorde tweede vraag van den Gouverneur deed toch haar werking, want op Zondag 28 Mei 1837, toen er weer te veel in de samenkomsten der Afgescheidenen binnengedrongen waren, werd telkens proces verbaal opgemaakt en aan de rechtbank verzonden. En de Gouverneur kreeg daarvan weer trouw bericht. Over zo'n volgzamen Burgemeester kon hij tevreden zijn. De Gouverneur had den Burgemeester gevraagd, of hij ook bij vroegere gelegenheden proces verbaal tegen de overtreders had opgemaakt en aan de competente rechtbank verzonden. Hij zal daarin naar den hem bekenden weg hebben gevraagd, want denkelijk had hij zelf bij de rechtbank te Hoorn een aanklacht ingediend. De berichten van den Burgemeester hadden hem daartoe steeds voldoende gegevens verstrekt. En de mededelingen van Ds. Ter Plegt niet te vergeten. De Gouverneur zal dus ook hebben geweten, dat het vooronderzoek van de rechtbank reeds gereed was en dat dagvaardingen waren of zouden worden verzonden. Tien personen ontvingen in die dagen een dagvaarding, om op Vrijdag 2 Juni 1837 voor de rechtbank te Hoorn te verschijnen: Ds. H. de Cock, W. W. Smit te Zwolle, Willem Kramer en Jan Hakvoort (ouderlingen), Kobus Bakker en Cornelis Bakker (diakenen), Heiltje Molenaar (wed. A. Bakker), Pier Schaap, Jan Post en Lubbert Romkes. De aanklacht was tweeledig, ten eerste het houden op 13 Juli, 14, 17 en 28 Augustus 1836 van bijeenkomsten van meer dan 20 personen, om zich bezig te houden met onderwerpen „van Godsdienstigen aart"; en ten tweede, voor W. Kramer en de wed. Bakker, het daarvoor ten gebruike afstaan van hun woningen, zonder verlof van het plaatselijke bestuur. Smit en de wed. Bakker alleen verschenen niet. Het verhoor duurde van 's morgens 10 tot des namiddags 3 uur. De verdediging werd uitgesteld tot 5 en duurde tot 8 uur. Wel een zeer vermoeiende dag dus, vooral voor de in spanning verkerende gedaagden. Het is jammer, dat ons van de ongetwijfeld koene verdediging, door Ds. De Cock, naar zijn gewoonte, zelf uitgesproken, niets bewaard is gebleven. Alleen weten we, dat Ds. De Cock o.a. aanvoerde, dat de samenkomst van 13 Juli hem nooit door enig lid van het gemeentebestuur en allerminst door den Burgemeester verboden was. Ze heeft niet mogen baten. Hijzelf en de heer Smit werden ieder tot een boete van 100 gulden veroordeeld, de weduwe Bakker van 50 379


en de ouderlingen en diakenen van 25 gulden ieder. De overigen werden buiten vervolging gesteld. Den wettelijken grond van het vonnis vond de rechtbank in drie artikelen van de Code Pénal en nog 2 artikelen van de Code d'Instruction correctionnelle, twee wetten uit den tijd van de heerschappij van Napoleon! Ver gezocht, inderdaad. Maar die wetten waren immers nooit afgeschaft! Het K.B. van 5 Juli 1836 werd zelfs niet genoemd. Schrijver dezes kan niet nalaten te vermelden, dat de veroordeelde Willem Kramer zijn grootvader en de wed. Bakker de zuster zijner grootmoeder was. De veroordeelden gingen onmiddellijk in beroep bij de rechtbank van Amsterdam. En — die vernietigde bij arrest van 20 Juli 1837 alle gestreken vonnissen. De wind woei in Amsterdam anders dan in Hoorn. Een getuigenis tegen heel den opzet. Hier blijve niet onvermeld, wat er op den dag der rechtszitting — 2 Juni ■— in Hoorn gebeurde. J. Verhagen Jr. geeft er in zijn „Geschiedenis der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland", Amsterdam 1881, het volgende, iets te langwijlig, verhaal van. „Was vroeger het volk in Hoorn rustig, thans werd de vijandschap openbaar. De Koning had immers 5 Juli 1836 (Staatsblad no. 42) verboden, dat de afgescheidene predikanten godsdienstoefeningen leidden en sacramenten bedienden. De „Afgescheidenen" waren dus paria's der maatschappij, met welke men handelen kon naar goedvinden. Zoo redeneerde het volk. Zoo deed men te Hoorn. Toen het vonnis geveld was, openbaarde het zijn haat niet alleen in schelden, vloeken, razen, tieren en verwenschen, maar zelfs in het steenigen en in het werpen van modder en van al wat het vond. Zelfs het huis van den stillen burger Van de Velde, waar Ds. De Cock inging, werd niet gespaard. Wel werd de leeraar door eenige politieagenten op een afstand gevolgd. Deze moesten hem tegen het geweld des volks beveiligen. Maar dat deden ze niet; ze vermaanden het niet eens, toen het ook in hun bijzijn bleef schelden en steenen werpen. Bij het huis van Van de Velde gekomen, ging de politie terug. Nu had het volk vrij spel. De huisschel werd stukgetrokken, de deur opengestooten, ja zelfs de glazen ingeworpen. De eigenaar der woning verzocht hulp bij den commissaris van politie, maar vernam, dat deze niet te spreken was! Toen ging hij naar den officier van justitie, en deze zond eenige dienaren, om de rust te herstellen, wat eindelijk te halfelf gelukte. Niet alleen voor de woning van Van de Velde was het volk op 380


de been; ook elders toonde het zijn haat tegen de Afgescheidenen. Niemand der broeders of zusters, die van elders gekomen waren, om getuige van dit proces te zijn, liet men ongemoeid. Allen werden gehoond en geworpen onder het geroep: „Wij hebben hiertoe vrijheid van den commissaris van politie gekregen." Zelfs den heer P. Jolly, een achtenswaardig inwoner t