Page 1

MARJAN WIT TEVEEN

•••

PETER SCHIPPER

•••

SIL VAN DOORNMALEN

Een pronkstuk in Zaltbommel Maarten van Rossem, zijn huis en het museum

APRILIS


Een pronkstuk in Zaltbommel Maarten van Rossem, zijn huis en het museum

Marjan Witteveen Peter Schipper Sil van Doornmalen

A

U it g e v eri j A prilis


Deze uitgave is mogelijk gemaakt door steun van:

Rijksgebouwendienst (eigenaar van het Maarten van Rossemhuis)

Stichting Maarten van Rossummuseum

Gemeente Zaltbommel

Historische Kring Bommelerwaard

Prins Bernhard Cultuurfonds Stichting Jan Nieuwenhuyzen – SNS Bank Stichting Fonds A.H. Martens van Sevenhoven Kattendijke / Drucker Stichting

ISBN 90 5994 110 1 NUR 693 Vormgeving: Foxy Design – Zaltbommel © 2005 Uitgeverij Aprilis - Zaltbommel Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voorzover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16b Auteurswet 1912 juncto het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351 zoals gewijzigd bij Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 artikel 17 Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de uitgever. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. Zoveel mogelijk is getracht de eventuele rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Zij die in dit verband niet konden worden benaderd kunnen zich met de uitgever in verbinding stellen.

A

Uitgeverij Aprilis Postbus 141 5300 AC Zaltbommel telefoon: 0418.512 088 fax: 0418.684 908 info@aprilis.nl www.aprilis.nl


Inhoud

7

Voorwoord

9

Enkele hoofdstukken uit het leven van Maarten van Rossem

25

57

81

Marjan Witteveen

Het Maarten van Rossemhuis in Zaltbommel Marjan Witteveen

Honderd jaar Oudheidkamer en Maarten van Rossummuseum Marjan Witteveen en Sil van Doornmalen

Maartens schatten, de collectie van de Oudheidkamer en het Maarten van Rossummuseum

Peter Schipper

84

- Een kwestie van stijl

95

- Kunstschilders uit de Bommelerwaard

102

- Topografie, het plaatjesboek van de streek

111

- Prenten en boeken

116

- Soort bij soort

123

- Volkskunst

127

- Handel en ambacht

130

- Huishouden en huisraad

138

- Tabak, snuif en een lekker geurtje

141

- Tot slot

142

Bronnen en literatuur

144

Verantwoording van de afbeeldingen


6


Voorwoord et jaar 2005 is gedenkwaardig voor het Maarten van Rossummuseum in Zaltbommel. Een eeuw geleden werd namelijk de basis gelegd voor het huidige museum en zijn collectie. Het museum vierde het bereiken van deze respectabele leeftijd met bijzondere tentoonstellingen en feestelijkheden. Het is ook het jaar dat herdacht werd dat de naamgever van het museum, de Gelderse veldheer Maarten van Rossem, 450 jaar geleden overleed. Van Rossem was de bouwheer van het monumentale gebouw waarin het huidige museum is gehuisvest. Het huis van Maarten van Rossem is daardoor de verbinding tussen een roemrijke historische figuur en het museum anno 2005. Toen de gedachte opkwam om ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het museum een boek samen te stellen, lag eigenlijk de inhoud voor de hand: een schets van het leven van Maarten van Rossem, een beschrijving van het huis, een historisch overzicht van een eeuw museum met een brede kijk in de collectie. Over de collectie had conservator Peter Schipper tussen 1997 en 2003 maandelijks een artikel geschreven in het Brabants Dagblad, editie Bommelerwaard, onder de titel Maartens Schatten. De krant had er geen bezwaar tegen dat hij deze artikelen als basis gebruikte voor de verhalen over de collectie. De geschiedenis van het museum was vijfentwintig jaar geleden door Marjan Witteveen, destijds bestuurslid van het museum, beschreven in Tussen de Voorn en Loevestein, het blad van de Historische Kring Bommelerwaard. Dat artikel kon de auteur van toen bewerken en aanvullen met behulp van Sil van Doornmalen, bestuurslid van dit museum in het nieuwe jubileumjaar. Naar de geschiedenis van het huis had de Rijksgebouwendienst in 1986 onderzoek laten doen door bouwhistoricus ir. Wim F. Weve. Daaraan had

Marjan Witteveen bijgedragen met haar onderzoek naar Maarten van Rossem en het beeldhouwwerk aan en in het Maarten van Rossemhuis in Zaltbommel. Alles bij elkaar was er genoeg materiaal voorhanden, het hoefde alleen nog (opnieuw) geschreven te worden. Marjan Witteveen verzorgde de eindredactie. Om een boek te maken dat zijn weg kan vinden naar het publiek is geld nodig. De subsidies van verschillende instanties betekenden een groot blijk van vertrouwen en een steun in de rug bij het samenstellen. Ze waren van doorslaggevend belang voor het verschijnen van dit boek. Het bestuur van het Maarten van Rossummuseum is de subsidiegevers zeer erkentelijk en dankt allen die op een of andere wijze een bijdrage aan deze uitgave hebben geleverd, hetzij door mee te lezen en commentaar te geven op de teksten, hetzij door het beschikbaar stellen van of attenderen op illustratiemateriaal dan wel het verlenen van praktische ondersteuning bij het drukklaar maken van het boek. Dat geldt niet alleen voor de medewerkers van het Streekarchief Bommelerwaard, maar ook voor de vrijwilligers en medewerkers van het museum, die allen keer op keer gehinderd werden in hun werk om hulp en bijstand te verlenen aan de redactie. Dit boek is in feite een productie van een team dat uit veel meer mensen bestaat dan de drie schrijvers. In dit boek laat het museum in woord en beeld zijn pronkstukken zien: de voorwerpen die met zorg zijn bewaard en het Maarten van Rossemhuis waar ze thuis zijn. oktober 2005 Het bestuur van het Maarten van Rossummuseum

7

Het Maarten van Rossemhuis in de Nonnenstraat te Zaltbommel omstreeks 1980.


8


Enkele hoofdstukken uit het leven van Maarten van Rossem Van Rossem, vast gegespt in ’t blancke wapen, Die van Belloon’ ten oorlog scheen geschapen, En Koningen en Vorsten schrik aen joeg, En uit het veld de Zege-toorts ontdroeg; Die tweed’ Achill’, in wien g’oit zijt gehou’en, Die u met rijk en deftige Gebouwen Verzierde, daer gy heden noch mê praeld, Heeft sijn begin uit uwen Schoot gehaeld. Uit: Hendrik Hoet, Zaltbommels oorspronck en opkomst, 1655

n de Bommelerwaard weten velen wie Maarten van Rossem was een berucht veldheer, een plunderaar en vrijgevochten boef. Hij mag dan mooie huizen hebben gebouwd, het is maar de vraag of je trots kunt zijn op zo’n streekgenoot. Was het werkelijk zo erg? Dat hij Den Haag heeft geplunderd, vinden we wel bijzonder en wellicht is de bouw van zijn huizen belangrijker dan de rooftochten. Die twee kanten zijn vooral het probleem van deze tijd. In zijn eigen tijd, de eerste helft van de zestiende eeuw, was Maarten een ruiter, een soldaat te paard. Hij deed precies wat alle andere soldaten deden: werken voor de baas en zorgen dat hij in leven bleef. Vanaf 1516 is redelijk goed te volgen hoe zijn carrière verliep. Hij ontwikkelde zich op eigen kracht tot een van de gezichtsbepalende figuren in de Gelderse geschiedenis. Daarvan volgt hier een korte beschrijving. Daarna worden een paar facetten van dat leven uitgelicht.

man was de hertog van Bourgondië, Maximiliaan van Habsburg, die ook hertog was van Brabant en graaf van Holland en Zeeland. Bovendien maakte dezelfde Maximiliaan al dan niet terecht aanspraak op het Gelderse gebied. De andere buurman van Gelre, de bisschop van Utrecht, die ook het Oversticht (Overijssel) beheerde, was afhankelijk van Maximiliaan van Habsburg en de Duitse landen, oostelijk van Gelre, kenden hem als hun keizer. Binnen Gelre had de hertog, voluit Karel van Egmond geheten, alle steun nodig die hij krijgen kon, zowel van de adel als van de steden. De adel die veel rechten had, de ‘hoge adel’, had niets te winnen bij steun aan de hertog. De steden wél, die wilden zo min mogelijk overheidsbemoeienis. Zij hadden liever een hertog dichtbij, waar ze mee konden onderhandelen, dan een verre heerser die ze niet kenden. Dan had hertog Karel nog een probleem: hij had geen kinderen uit een legaal huwelijk en zijn opvolging was dus een moeilijk punt. De hertog kon niet anders dan zoveel mogelijk steun zien te krijgen van iedereen waar de Habsburger nog geen greep op had. Daar lagen nog wel kansen voor in Groningen en de Ommelanden, de Friese gebieden, bij sommige Duitse streken en natuurlijk was ook de Franse koning, die zich omsingeld voelde, een belangrijk bondgenoot en sponsor. Ook in de stad Utrecht liep niet iedereen warm voor de bisschop. Waar de Gelderse hertog een kans zag, bood hij zijn hulp aan in een poging zijn eigen macht uit te breiden. Dat was de politiek waar Maarten van Rossem mee te maken kreeg in de tijd dat hij de legeraanvoerder, maarschalk, was van Gelre.

De Gelderse politiek Het Gelderse gebied, toen nog Gelre genoemd, was een onafhankelijk hertogdom in de eerste helft van de zestiende eeuw, maar de hertog zag zich aan alle kanten bedreigd. Zijn naaste buur-

Geboortedatum en naam In de zestiende eeuw schreef iedereen een naam zoals die in zijn oren klonk, ook Maarten van Ros-

9

Maarten van Rossem en het wapen vanVan Rossem, drie perroquetten in keel, met gouden bek en nagels, op zilveren veld. De houtsnede is vermoedelijk omstreeks 1545 vervaardigd door Cornelis Anthonisz.


sem zelf. Al is de naam van het dorp inmiddels vastgelegd als Rossum, in de geschiedschrijving is het tegenwoordig gebruikelijk de geslachtsnaam Rossem met een ‘e’ te schrijven. In dit boek is dan ook gekozen voor deze schrijfwijze. Het museum in Zaltbommel heeft evenwel zijn naam vastgelegd als Maarten van Rossummuseum en wordt dus ook bij die naam genoemd. Maarten van Rossem is geboren in 1478, zegt de literatuur. Dat is erg vroeg voor iemand die in 1555 nog in actieve dienst was. Zijn ouders, Johan van Rossem en Johanna van Hemert trouwden (vermoedelijk kort) vóór 1478. Zij kregen vier of vijf kinderen. Jan, vernoemd naar zijn vader, erfde de (lage) heerlijkheid Rossem en was de oudste. Zijn geboortedatum is niet bekend, maar zijn sterfdatum wel: hij overleed in 1568. We mogen aannemen dat Jan niet ouder dan negentig jaar is geworden en dat hij dus na 1478 is geboren. Het geboortejaar 1478, dat Pontanus geeft van de jongere Maarten, is wellicht bedoeld als ‘op zijn vroegst’. Of zou er sprake zijn van een verschrijving en moet 1478 worden gelezen als 1498? De kinderen Van Rossem werden als gebruikelijk naar hun voorouders genoemd. Zij heetten Jan, Maarten, Martina en Margaretha en mogelijk was er een Hendrik. Jan was de oudste en kreeg de naam die in de vijftiende en zestiende eeuw binnen de familie aan de oudste zoon werd gegeven. Margaretha zal vernoemd zijn naar de grootmoeder van vaders kant. De naam Maarten was in de familie Van Rossem nieuw, die kwam van moeders kant, de Van Herlaers. Door de naam Maarten te kiezen voor zijn kinderen benadrukte Johan van Rossem de band met zijn schoonmoeder en dus met Poederoijen. Hij deed dat zeer nadrukkelijk, want ook een dochter is naar Maarten van Herlaer genoemd, Martina. Daaruit kan men opmaken dat Martina vermoedelijk eerder is geboren dan Maarten en, al was ze een meisje, naar haar overgrootvader werd genoemd, die in 1481 overleed. Toen later een tweede zoon werd geboren, kreeg die ook de naam Maarten. Zo zouden in dat gezin Jan en Martina de twee oudste kinderen zijn

10

en Margriet (geboren omstreeks 1494) en Maarten de twee jongere. Uit al dit gepriegel in de familiegeschiedenis volgt dat het geboortejaar van Maarten ver na 1480 moet liggen. In 1555 overleed hij in actieve dienst, wat een geboortedatum tussen 1490 en 1500 doet veronderstellen, want zelfs in tijden van oorlog was het niet gebruikelijk om krijgslieden van boven de zestig jaar in het veld te houden. Maarten werd, vergeleken met de andere aanvoerders, gezien als oud. Hij moet tegen de zestig zijn geweest, terwijl de ordonnantiebenden van keizer Karel over het algemeen werden geleid door twintig- en dertigjarigen. Waar Maarten van Rossem is geboren, ligt ook al niet vast. De enige aanwijzing is een dichtregel uit 1655 van Hendrik Hoet: Die tweed’ Achill’ (bedoeld is Maarten van Rossem) … / die u (Zaltbommel) met rijk en deftige gebouwen / verzierde, daer gy heden noch mê praeld / heeft sijn begin uit uwen schoot gehaeld. Dat zou kunnen betekenen dat hij in Zaltbommel is geboren, maar het kan ook een dichterlijke vrijheid zijn.

Jeugd In de levensbeschrijvingen van Maarten wordt steeds een oplossing gezocht voor de vraag wat Maarten deed vóór 1516, waar hij zijn militaire vaardigheden leerde en hoe hij aan het harnas kwam dat hij bij Nieuwpoort verloor. Het spreekt niet vanzelf dat Maarten of zijn familie dat konden aanschaffen, want het was een zeer kostbaar stuk uitrusting dat men zelf moest betalen, evenals een paard. De familie Van Rossem had een klein kasteel in Rossum. Het gezin waarin Maarten opgroeide was van lage adel en niet erg rijk. De grootvader van Maarten had al belangrijke delen van het bezit verkocht: de heerlijkheid Heesselt, het dijkgraafschap en tienden (belastingopbrengsten). Maartens vader Johan had zich kunnen handhaven, maar het bezit was niet weer uitgebreid. Ook al ontbreken de feiten over de opleiding van Maarten, de omstandigheden in de Bommeler-


De oudst bekende afbeelding van het Huis te Rossum, aangegeven met H:R:. Detail van het schilderij van De blokkade van Zaltbommel in 1574 in het Maarten van Rossummuseum Zaltbommel. (Foto: D.B.G. Hermans)

waard in het begin van de zestiende eeuw boden genoeg kansen om het krijgsbedrijf te leren. Bourgondisch gezinde Brabanders en Hollanders aan de ene kant en de Geldersen aan de andere kant probeerden het gebied onder hun zeggenschap te krijgen, met wisselend succes. De familie Van Rossem had zich aan de Brabantse kant geschaard, maar moest in 1495 de zeggenschap van de hertog van Gelre erkennen. Ook binnen de familie was het krijgsbedrijf bekend, want maarschalk Hendrik Ense gaf tussen 1493 en 1508 leiding aan een bende vrijbuiters die vanuit Poederoijen Holland en Brabant onveilig maakte. Deze Ense of Snijdewind was getrouwd met Merel van Rossem, een dochter van Jan van Rossem uit zijn eerste huwelijk en dus een halfzuster van Maarten. Kasteel Poederoijen werd in 1507 en 1508 belegerd door de Hollanders en Brabanders en werd uiteindelijk vernield, maar de ru誰ne bleef in het bezit van de hertog van Gelre. Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat Snijdewind in Rossum over de vloer kwam en voor de jonge Maarten een

inspirerend voorbeeld kan zijn geweest, zoals ook het verjagen van de Bourgondische troepen uit de stad Zaltbommel in 1511 tot zijn verbeelding kan hebben gesproken. Maarten had geen zicht op een leenbezit, want zijn vaders erfdeel ging (in 1511) naar de oudere broer Jan en het erfdeel waar zijn moeder eigenlijk recht op had, Poederoijen, werd niet beleend. Hij zocht het niet in een kerkelijke loopbaan, daar had hij waarschijnlijk geen affiniteit mee. Hij zou ook een rijke dame kunnen trouwen, maar nergens blijkt dat hij belangstelling had voor vrouwen. Hij had zelfs geen bastaardkinderen. De stoere mannengemeenschap van Snijdewinds bende heeft mogelijk een grote aantrekkingskracht gehad. In 1508 was Snijdewind gesneuveld en daarmee leek zijn bende uiteengevallen te zijn maar enkele jaren later liet de bende weer van zich horen. Misschien is Maarten meegetrokken met de weinig georganiseerde troep, die onder meer een beruchte plundertocht ondernam naar het noorden en via West-Friesland weer naar het eigen Gelderse gebied trok. Een

11


andere opvallende onderneming was de deelname van hertog Karel van Gelre aan de tocht die zijn bondgenoot de Franse koning in 1515 ondernam naar Italië. Het Gelderse contingent ging naar huis voordat ze de Alpen over waren gestoken, maar toen hadden ze al een verre tocht gemaakt door onbekend gebied. Als Maarten daar aan deelgenomen heeft, heeft hij niet alleen ervaring opgedaan met vreemde landen en talen, maar maakte hij ook deel uit van een (kleine) Gelderse legermacht. Met zoveel opstandigheid in de buurt was het niet nodig het krijgsbedrijf elders te leren. Latere successen van Van Rossem waren vaker gebaseerd op misleiding, verrassingsaanvallen en snelheid van handelen dan op klassieke ruitergevechten, wat in de richting van de guerillastrijders wijst.

De slag bij Nieuwpoort Hoe dan ook, in 1516 was Maarten ruiter in het leger van de Gelderse hertog en bezat hij een paard en een harnas. Zo nam hij deel aan een expeditie die eindigde met het gevecht bij Nieuwpoort aan de Lek. Dat gevecht liep slecht af voor de Geldersen en Maarten verloor daarbij zijn harnas. Hij kon de hertog daarvoor een vergoeding vragen, want de expeditie was in opdracht van de hertog ondernomen, in tegenstelling tot de gebruikelijke plundertochten in dit gebied. De hertog ontkende echter achteraf in alle toonaarden dat hij een opdracht had gegeven. Als gevolg daarvan konden de zeventien mannen die door de Hollanders gevangen waren genomen niet, zoals gebruikelijk, vrijgekocht worden met het betalen van losgeld. Ze werden gedood als illegale rovers en landlopers, dat wil zeggen opgehangen. De edelen onder hen werden onthoofd. De verontwaardiging daarover was groot in het Gelderse kamp. Door de dood van jonker Van Broeckhuysen werd zijn enige zuster Odilia van Zuylen van Nyevelt de erfgename van Broeckhuysen. Zij trouwde een maand later met Jan van Rossem. De tocht die Maarten van Rossem veel later, in 1528, naar Den Haag ondernam was mede bedoeld om wraak te nemen voor de moord op de Gelderse jonkers.

12

Overigens heeft Maarten enkele jaren later de vergoeding voor het harnas alsnog gekregen.

De militaire carrière In 1518 kreeg Maarten van Rossem Poederoijen in leenbezit en voortaan ging hij als ‘heer van Poederoijen’ door het leven. In 1523 en 1524 werd Van Rossem ‘ritmeester’ genoemd. Die functie hield in dat hij het bevel voerde over de ruiterij van Gelre, hooguit een tweehonderd ruiters. Een deel van het Utrechtse stadsbestuur riep in 1527 de Gelderse hertog te hulp. Die schoot onmiddellijk toe en Van Rossem ging met de hertog mee. Als maarschalk, legeraanvoerder en een invloedrijk raadgever van hertog Karel, ondernam hij vanuit Utrecht een tocht naar Den Haag. Zijn legertje trok door Holland zonder op te vallen en kon Den Haag eenvoudig binnenlopen en plunderen. Daar waren nog nooit vijandelijke soldaten geweest en het stadsbestuur vluchtte in paniek. In de loop van dat jaar wist Van Rossem in Holland en Brabant nog veel meer buit en brandschatting binnen te halen, maar de tegenpartij boekte successen in het Gelderse gebied en uiteindelijk trok iedereen zich weer terug op zijn eigen terrein. In de herfst werd in Gorinchem een vredesverdrag gesloten. Van Rossem ging na afloop de Franse koning meedelen dat Gelre het bondgenootschap had moeten verlaten. Bij het ondertekenen van de vrede was Van Rossem namens de hertog in Mechelen aanwezig. In de periode 1528-1538 werd het voor de Gelderse hertog steeds moeilijker zijn gezag te handhaven tegenover de steden. Uiteindelijk moest hij zich erbij neerleggen dat de jonge Willem van Gulik hem zou opvolgen, de keus van de steden. Maarten bleef van 1538 tot 1543 ook onder hertog Willem Gelres legeraanvoerder. In 1542 ondernam hij een legendarisch geworden expeditie naar Brabant en de zuidelijke Nederlanden. Het was een tocht die niet geheel naar wens verliep. Van Rossem slaagde er niet in de grote steden die het doel waren, Antwerpen en Leuven, snel in te nemen en de landvoogdes zat Van Rossem


op de hielen. Hij wist het de aanvoerders van het Habsburgse leger wel zo moeilijk te maken, dat de landvoogdes verzuchtte dat die heren niet zo arrogant moesten zijn. Ze konden beter een voorbeeld nemen aan Van Rossem dan klagen over diens handigheid en snelheid. In het jaar daarop, 1543, leed Van Rossem eerst een gevoelige nederlaag in het Overkwartier (nu Limburg) en daarna wist hij Amersfoort in te nemen, wat veel ruchtbaarheid kreeg, maar weinig gevolgen had. Met een nieuwe plundertocht door de Brabantse Meierij leek de geschiedenis zich te herhalen, maar aan het eind

van de zomer kwam keizer Karel zelf naar het noorden om een einde aan de Gelderse ambities te maken. Hij nam op hardhandige wijze de stad DĂźren in, ten oosten van Aken, en ontmoette daarna niet veel tegenstand meer. Een directe confrontatie tussen Karel V en Maarten van Rossem bleef uit. In september onderwierp keizer Karel V het hertogdom aan zijn gezag. Maarten van Rossem had tevergeefs twintig jaar lang in het hele gebied tussen Frans Vlaanderen en Groningen de angst voor de Geldersen in stand gehouden. Zoals dat gaat in een oorlog,

13

’s-Gravenhage geplunderd door Maarten van Rossem in 1528. Kopergravure, gesigneerd en gedateerd S. Fokke del. et sculps. 1750.


overdrijven de partijen de slechte kanten van de tegenstander. De Habsburgse partij had wel geldgebrek, maar was veel meer bedreven in het voeren van propaganda. Van Rossem werd afgeschilderd als een baarlijke duivel en dat beeld is in de geschiedenis blijven hangen. Hij was ongetwijfeld hardhandig, maar het is ook waar dat hij afkoopsommen of plunderingen nodig had om zijn soldaten eten te geven en te betalen. Zo waren de afspraken over de oorlogvoering. Maarten slaagde er meestal in een veldtocht tot een succes te maken, want zijn mannen kregen de kans iets over te houden aan de oorlogvoering. Ze waren dan ook graag in zijn dienst. Zijn onverwachte acties en slimme oplossingen van een probleem maakten hem populair. Na 1543 bekleedde Van Rossem verschillende functies in het grote Habsburgse leger van keizer Karel V, die voortaan ook hertog van Gelre was. Hij leidde expedities in het hele grensgebied tussen de landen van de keizer en van de Franse koning en reed met zijn regiment van Luxemburg in het oosten naar Terwanen in het westen. Al was hij van eenvoudige adel, hij werkte op voet van

Kasteel Poederoijen in de Bommelerwaard, zoals te zien op het schilderij De blokkade van Zaltbommel in 1574. (Foto: D.B.G. Hermans)

14

gelijkheid met de aanvoerders van ‘ordonnantiebenden’, allen leden van de hoge adel, wat ongebruikelijk was. In die jaren speelde hij een grote rol als de man met ervaring die zo populair was dat hij moeilijkheden met manschappen meestal snel wist op te lossen. Ook in het opleiden van jongeren had hij een reputatie. In 1553 werd hij benoemd tot gouverneur van Luxemburg en graaf van Chimay. Uiteindelijk overleed hij in actieve dienst. Bij de beveiliging van de aanleg van een fort aan de Maas, Charlemont, werd hij ziek. Daar overleed hij op pinksterzondag, 7 juni 1555, nu 450 jaar geleden.

Poederoijen Maarten van Rossem was geboren in de Bommelerwaard en opgegroeid in Rossum, in het oosten van de Bommelerwaard. Poederoijen, waar hij mee beleend werd in 1518, ligt in het uiterste westen van de streek. De belening aan Van Rossem was opmerkelijk. Hertog Karel van Gelre had zijn Bourgondisch gezinde leenman van de heerlijkheid, Peter van Hemert, in 1495 gevangen


genomen, samen met diens zoon Gijsbert. De twee waren sindsdien verdwenen en de hertog had het leen onder eigen beheer gehouden. Daarna liet hij Poederoijen enige tijd als uitvalsbasis gebruiken door een ongeregelde bende, soldaten die geen soldij ontvingen van de hertog, maar als vrijbuiters tot ver in Brabant en Holland de streek onveilig maakten. De hertog keek de andere kant op, ook al stond de bende onder leiding van zijn maarschalk Snijdewind. Na diens dood in 1508 is de bende bij tijd en wijle nog actief geweest, maar na 1517 hoort men er niets meer van. In 1518 bracht de hertog de heerlijkheid weer in het gewone regime van belening. Zou hij het leen aan Peters vrouw, Johanna van Herlaer of aan zijn dochter, Johanna van Hemert, in leen geven, dan leek het of hij hun aanspraken erkende, wat forse schadeclaims tot gevolg kon hebben. Karel van Gelre koos Maarten van Rossem als leenman, een zoon van Johanna van Hemert en een kleinzoon van de laatste rechtmatige eigenaar; tegen hem kon de moeder toch geen bezwaar hebben. In de Bommelerwaard gaf het rust, want Poederoijen werd weer goed beheerd en nog wel door een nazaat van de Van Herlaers, de oude eigenaars. De belening was ook een vorm van uitbetaling. Zo staat het ook in de leenakte met de gebruikelijke woorden: ‘als dank voor bewezen diensten’, wat hetzelfde was als vergoeding of betaling voor werkzaamheden. De hertog kan nog een reden hebben gehad voor deze belening. Maarten was tot dan toe aan niemand gebonden en zou elke krijgsheer zijn diensten kunnen aanbieden, van welke partij dan ook. Dat was niet denkbeeldig, want wie leeft van de oorlog heeft geen inkomsten in vredestijd en zoekt werk. Men kan zich voorstellen dat de hertog een goed soldaat liever aan zijn eigen kant wilde houden dan in het Bourgondische kamp. Op deze manier was Maarten leenman van Gelre en was hij voortaan gebonden aan de hertog. Uit oudere beschrijvingen is duidelijk dat de hoge heerlijkheid een rijk bezit was. Er waren rechten aan verbonden die bestuurlijke en juridische zeggenschap gaven over de bewoners, privileges en de vrijheden. Bij het bezit hoorden enkele boer-

derijen met vruchtbaar bouwland en weidegrond. Belangrijk waren ook de belastinginkomsten uit de dorpen Aalst en Poederoijen. Het kasteel zelf was een ruïne, maar de stallen en de bijge­bouwen stonden nog overeind. Paarden, runderen en ander vee hoorden tot het bezit. De boomgaarden floreerden met wel honderd appel- en perenbomen en in de griendgronden stonden 23.000 wilgenbo­ men waarvan het rijshout veel op kon brengen. De hoge opbrengsten legden de basis voor de latere rijkdom van Maarten van Rossem. Problemen waren er ook, vooral met het verzanden van de monding van de weteringen op de ene plaats en afkalving van de grond bij zijn kasteel aan de andere kant. Ook al woonde Maarten later meestal in andere delen van Gelre, hij bleef in de eerste plaats ‘Heer van Poederoijen’. Als hij een leger moest samenstellen, huursoldaten aantrekken en de ruiters en knechten verzamelen, deed hij dat vooral rondom Poederoijen. In Den Bosch wisten ze dat ook, want dat was de eerste Brabantse stad die te maken kreeg met de soldaten als die de Maas overtrokken. De Bosschenaren bleven dan ook bang voor Poederoijen, zeker toen ze zagen dat het huis werd hersteld en weer versterkt. In 1527 lieten ze het ondermijnen en brachten grote schade aan. Dat werd nog een belangrijk punt bij de onderhandelingen die hertog Karel voerde met de landvoogdes Margaretha in Gorinchem om een vredesakkoord te bereiken en de positie van Gelre te verzekeren. Over het beheer van de heerlijkheid is verder weinig bekend. Maarten breidde het bezit later nog uit met de Nesse en de Meer, uiterwaarden bij Poederoijen waaraan de huidige naam Esmeer is ontleend. Voor het beheer stelde hij een zaakwaarnemer aan in de persoon van Wolter van Isendoorn, een bastaardzoon van zijn zwager Johan van Isendoorn. In 1531 is Wolter voor het eerst vermeld en in 1555 vervulde hij de functie nog steeds.

15


Karel van Egmond, hertog van Gelre enzijnvrouwElisabethvanLüneburg (anoniem, houtsnede 1519).

Brunswijk Onduidelijk in de geschiedschrijving is een verhaal over gebeurtenissen in 1518. Hertog Karel zou hebben gevochten bij Soltau aan de Weser, waar de hertog van Brunswijk-Lünenburg gesteund moest worden tegen een verwant. Maarten van Rossem zou daarbij aanwezig zijn geweest. De slag bij Soltau vond pas een jaar later plaats, maar de hertog is wel in 1518 naar de hertog van Brunswijk gereisd. In Brunswijk kwamen de koningen van Denemarken en Frankrijk en de hertogen van Brunswijk en Gelre samen om een bondgenootschap te sluiten tegen Karel van Habsburg. Na het spoedig te verwachten overlijden van keizer Maximilian zou de verkiezing van een nieuwe Duitse keizer plaatsvinden en Karel van Habsburg had daarvoor de beste kaarten. Hij was al koning van Spanje, hertog van Bourgondië en Brabant en graaf van Holland en Zeeland, dus de bondgenoten vreesden ingesloten te worden door de Habsburgse macht. Zij zagen liever de Franse koning op de keizerstroon. Ter bezegeling van hun overeenkomst spraken zij op aandrang van Frankrijk een huwelijk af van de Gelderse hertog Karel van Egmond (1467-1538) met Elisabeth,

16

de dochter van de hertog van Brunswijk-Lünenburg (1494-1572). Een huwelijk en vooral wettig nageslacht zou de positie van de hertog van Gelre versterken. Of Van Rossem bij dat alles aanwezig was, is maar de vraag. Hij was gouverneur (stadhouder of plaatsvervanger) in Friesland en had daar zijn handen aan vol. Wat zijn militaire rol was, is niet zeker, maar hij werd nog geen ritmeester genoemd. Later in het jaar 1518 ging hertog Karel opnieuw naar het Duitse gebied, waar hij in Celle het huwelijk daadwerkelijk bekrachtigde. In februari 1519 kwam Elisabeth naar Zutphen, waar het huwelijk officieel en met grote feestelijkheden werd gesloten. Daar was Maarten als plaatsvervanger van de hertog in Friesland wel bij aanwezig. In Brunswijk intussen moest de hertog van Brunswijk-Lünenburg de strijd aanbinden met pro-Habsburgse familieleden, maar in de samenstelling van dat leger waren geen Gelderse soldaten te vinden. De hertog van Brunswijk won later in dat jaar weliswaar de slag bij Soltau en besliste daarmee de Hildesheimer Stiftsfehde in zijn voordeel, maar omdat op hetzelfde moment Karel van Habsburg tot keizer was gekozen, leverde die winst niet veel meer op.


Het bondgenootschap heeft nog even een vervolg gehad. In 1522 is Maarten van Rossem als ritmeester in opdracht van hertog Karel met een groep ruiters naar Hildesheim gereden. De ruiterij zou daar worden betaald door de bisschop, die de hulp had gevraagd. Die verloor echter de strijd en de beloofde 1.600 goudgulden bleven uit. Hertog Karel, die zelf het geld niet wilde geven, zei dat Van Rossem dat op de bewoners van die streek moest verhalen, want die hadden immers profijt gehad van de aanwezigheid van de ruiters. Voor zover bekend is dat niet gebeurd. In politieke zin was de band met Brunswijk toen beëindigd.

Van Rossem en de kerk Een intrigerende gebeurtenis waar in de geschiedschrijving meestal aan voorbij is gegaan, is het interdict dat de kanunniken van de Sint-Maartenskerk in Zaltbommel op dreigden te leggen aan Maarten van Rossem en Arie Thijs in 1520. Zo’n schorsing van de kerkelijke bediening is een zeer zware kerkelijke straf. Dat daar sprake van was, blijkt uit een schrijven van Willem van Rossem uit Zoelen, een oudere neef van Maarten en ambtman van de Nederbetuwe. Willem van Rossem vroeg de kanunniken of ze wilden schrijven wat er aan de hand was dat ze deze twee mannen een zo zware straf wilden opleggen. Het antwoord is niet overgeleverd, als het al ooit is gegeven. Het blijft gissen naar de overtreding, die zeer ernstig moet zijn geweest om zo’n straf op te leggen, maar er is nooit meer over gerept. Dit incident maakt duidelijk dat Maarten in die tijd in Zaltbommel woonde of daar vaak verbleef. Arie Thijs woonde in de Nonnenstraat, in de buurt dus van het huis dat Maarten heeft toebehoord. Connecties tussen het kapittel van de Sint-Maartenskerk en de Rossumse familie Van Rossem zijn niet bekend. Aan de zuidzijde van de Sint-Maartenskerk was in de tweede helft van de vijftiende eeuw een ruimte aangebouwd die aan het eind van de zestiende eeuw het ‘Van Rossemkoortje’ wordt genoemd. Daaronder ligt een grafkelder en de ruimte is ooit van buitenaf toegankelijk geweest. De meest voor de hand liggende optie

is dat het om een grafkapel van de familie Van Rossem gaat, al wordt dat nergens door gestaafd. De familieleden kunnen ook heel goed in Rossum zijn begraven, al staat dat alleen van Maarten van Rossem in 1555 vast. Ook van enige andere affiniteit van zijn familie met de Bommelse kerk is geen sprake. De enige uitzondering is de vermelding van Odilia van Zuylen van Nyevelt, echtgenote van Jan van Rossem, in het dodenboek anno 1537. De kapel kan haar naam ook te danken hebben aan het feit dat ze aan de zuidkant lag, waarte-

17

Maarten van Rossem, staande figuur metzwareknevelenvierkantgeknipte baard. De houtsnede is van Cornelis Anthonisz, maar het hoofd is vermoedelijk uitgevoerd door een ander. De prent is uitgegeven in Antwerpen, na de belegering van 1542. Hij maakt deel uit van een vlugschrift met een lange tekst over dewoedevandeAntwerpsebevolking over de verraderlijke praktijken van Maarten van Rossem.


want hertog Karel had meer maarschalken. Hendrik Ense (Snijdewind), de echtgenoot van Moralla van Rossem en de man die in 1508 sneuvelde bij de inname van Poederoijen, droeg ook die titel. Willem van Rossem uit Zoelen, de ambtman van de Nederbetuwe, was eveneens maarschalk, evenals Willem van Ooy. Hendrik Erkelentz had de titel zelfs geërfd, hij was erfmaarschalk. In de loop van de geschiedenis werd niet alleen de maarschalkstitel exclusief op Van Rossem toegepast. Ook eigenschappen van de maarschalken lijken uitwisselbaar. Vele hebbelijkheden die Maarten van Rossem werden toegedicht, waren ook bekend van Snijdewind, zoals een snor die overeind ging staan als hij boos werd, en het duivelse karakter. Maarten van Rossem, reliëf in de gevel van kasteel Cannenburch.Desteenishoogindegevelgeplaatst bij de voltooiing van het huis door Hendrik van Isendoorn,neefenerfgenaamvandeCannenburch. Maarten is afgebeeld met een zware snor, maar zonderbaard.Desteenheeftvermoedelijkeerderop eenandere,lagergelegenplaatsindegevelgezeten. De originele steen wordt bewaard in de kapel, in de gevel is een kopie aangebracht.

Titelpagina van een Frans historielied op de verovering van Den Haag met een klaaglied van de HollandersenVlamingen.Deafbeeldingheeftgrote gelijkenis met het reliëf in de Cannenburch, zij het dat de ridder snor noch baard heeft.

genover het huis van Jan van Rossem stond. Een andere en de meest waarschijnlijke mogelijkheid is dat een andere Van Rossem betrokken is geweest bij de kapel, nazaten van Willem van Rossem bijvoorbeeld, heer van Zoelen en ambtman van de Tieler- en Bommelerwaard. Diens zoon Hendrik van Rossem was vicaris en deken van het Bommelse kapittel van 1523 tot 1533 en ook een andere (bastaard)zoon Hanrick, overleden in 1544, bekleedde die functie.

De titel maarschalk Maarten van Rossem werd in 1528 tot maarschalk benoemd, wat betekende dat hij het Gelderse leger aanvoerde. In het tweede kwart van de zestiende eeuw was hij de enige maarschalk, met als gevolg dat in de geschiedschrijving elke keer als het woord ‘maarschalk’ valt, daar Maarten van Rossem voor wordt ingevuld. Dat is te veel eer,

18

Bezittingen Maarten gebruikte een deel van zijn vermogen om bezittingen te verwerven. Uiteindelijk heeft hij veel bezittingen (in leen) gehad, allemaal in het Gelderse gebied: vruchtbare landerijen aan de Veluwezoom, de halve heerlijkheid Meinerswijk, kasteel Hulhuizen en de heerlijkheden Lathum en Baer. Het eerste bezit was het leen Poederoijen met bijbehoren. Daarna, tot in 1534, kocht Van Rossem visrechten, stukken grond, belastingrechten en dergelijke die allemaal zijn positie in het westen van de Bommelerwaard versterkten. De rechten op de tol in Zaltbommel waren daarop een uitzondering. Die schonk de hertog van Gelre hem in 1524, na een grote stadsbrand. Van de tolopbrengst heeft Van Rossem volgens afspraak met de hertog jaarlijks een honderd goudgulden aan de stad geschonken, die daarvan het vervaardigen van stenen daken subsidieerde. De oorlogsexpedities brachten meestal veel winst. Strategisch en politiek was het succes niet altijd groot, maar de schatkist van de hertog werd gevuld, de soldaten waren tevreden en Maarten verdiende er goed aan. Als maarschalk kreeg hij tien procent van de opbrengst. Dat stelde hem in staat het huis in Zaltbommel te bouwen, het eerste huis dat hij liet versieren met beeldhouwwerk.


Het zogenoemde Duivelshuis, het huis van Maarten van Rossem in de KoningstraatinArnhem,datnudeel uitmaakt van het stadhuis. De tekening is uit de zeventiende eeuw. Rechtsonder in het huis staan de drie saters waaraan het huis zijn naam heeft te danken. (Coll. Gemeentearchief Arnhem)

Wanneer dat huis in Maartens bezit kwam en wanneer hij het ging verbouwen is niet precies bekend, maar dat zal in de jaren dertig zijn geweest. In 1534 vertrok Van Rossem uit de Bommelerwaard. Hij moest in Bredevoort de oostelijke grens bewaken, omdat de hertog bang was dat de wederdopers vanuit Münster naar Gelre zouden trekken. Van Rossem kreeg daarvoor ambt, huis en heerlijkheid in pandleen. Enkele jaren later liet keizer Karel een beschrijving maken van de versterkingen in de hem vijandelijke gebieden. Bredevoort stond daarin te boek als zo’n sterke vesting dat Maarten van Rossem ‘al zijn rijkdommen daar bewaarde’. Omstreeks 1538 verwierf Van Rossem kasteel de Cannenburch bij Vaassen. Dat herstelde en verbouwde hij en liet hij versieren met beeldhouwwerk, zoals hij dat ook bij het huis in Zaltbommel had gedaan. Zijn Arnhemse huis kreeg Maarten in 1538 van de hertog, kort voor diens overlijden. Ook dat huis liet Maarten verbouwen en rijk versieren met beeldhouwwerk, zowel binnen als buiten. Het meest opvallend zijn de nog steeds aanwezige vier grote saters aan weerszijden van de ingang, waarnaar het huis het ‘Duivelshuis’ werd genoemd. Het maakt nu deel uit van het gemeentehuis. Nog

steeds is in Gelderland het meeste beeldhouwwerk uit de vroege renaissance te vinden in de decoratie van gebouwen, wat deels aan Maarten van Rossem is te danken. Het is sculptuur van opmerkelijk goede kwaliteit en het is veel. De beeldhouwkunst die hij in Gelderland heeft gebracht, is in de cultuurgeschiedenis markant aanwezig. In 1541 kocht Van Rossem een leen van 160 morgen land bij Est in de Tielerwaard, de ‘Alpense goederen’, befaamd om hun vruchtbaarheid. Hij bleef dus stevig verankerd in het westen van Gelre, maar tegelijk versterkte hij zijn belangen elders. In datzelfde jaar kocht hij namelijk ook grond bij Vaassen op de Veluwe en twee jaar later verwierf hij het daaraan grenzende kasteel De Cannenburch, of wat daarvan over was. In de rest van zijn leven zou hij het kasteel verbouwen en zich intensief bezighouden met verbetering van de bedrijfsvoering rond de watermolen en de bossen. De aankoop van dit leen was een doelgerichte actie van Van Rossem, geen schenking of betaling, mogelijk met de bedoeling zich hier te vestigen, mocht hij zonder werk komen. Hij begreep vermoedelijk dat Gelre zich op den duur niet zou kunnen handhaven tegenover de keizer en dan was het onzeker hoe zijn inkomen er uit zou zien. Het liep echter allemaal anders, want na de Gel-

19


In dienst van de keizer

Dansende putti, beeldhouwwerk in het Duivelshuis te Arnhem, vermoedelijk vervaardigd door Arnt van Tricht, omstreeks 1540.

derse overgave nam de opvolger van hertog Willem, in feite de keizer, hem onmiddellijk opnieuw in dienst. Willem van Gulik betaalde Van Rossem achteraf voor de periode dat Van Rossem onder hem had gediend met het pandschap van Hulhuizen, een Kleefs bezit aan de rechteroever van de Waal bij Gendt, waar weinig rendement uit te halen was. Ook de volgende aanwinst lag in het oosten van Gelre en aan een rivier: half Meinerswijk, een uiterwaard met landhuis tegenover Arnhem, dat een grote reputatie had omdat het in het verre verleden een gerechtsplaats was geweest. Daar vlak naast landde het veer uit Arnhem aan en de aanwezigheid van een bijbehorende krib was de aanleiding tot voortdurende twisten met het bestuur van de stad Arnhem. De aanwinsten uit de laatste tien jaren zijn aankopen uit het grote bezit van Lamoraal van Egmond, die veel geld nodig had om te trouwen, om lid te worden van het Gulden Vlies en om zijn ordonnantiebende (regiment) te onderhouden. De aankopen lagen langs de IJssel en aan de Veluwezoom. Al het bezit lag dus in drie (van de vier) kwartieren van Gelre, waarbij Van Rossems aandacht zich op den duur uitbreidde van het westen naar het oosten.

20

Na 1543 groeide Maarten van Rossem uit tot een ‘grand old man’ in het leger, met veel invloed in militaire en strategische zaken. In praktijk werd de keizer vervangen door de landvoogdes, zijn zuster Maria van Hongarije. Maarten gaf haar advies over de vestingwerken van de steden in Gelderland en daarbuiten, onder andere in Luxemburg, dat de reputatie had een van de sterkste vestingen van Europa te zijn. Als gouverneur was hij ook adviseur van de landvoogdes, een invloedrijke functie die vrijwel voorbehouden was aan leden van de hoge adel. Collega’s waarvan de troepen opstandig waren of gingen muiten, riepen de hulp en bemiddeling in van Maarten. Met diens ervaring en goede naam onder de manschappen konden de meeste problemen worden opgelost. Vooral de laatste jaren kreeg Maarten ook vaak veelbelovende jonge edelen onder zijn gezag om ze op te leiden tot krijgslieden. De bekendste van hen was Willem van Oranje. Die voerde het regiment aan dat na Maartens dood in 1555 het lichaam van Maarten begeleidde naar de laatste rustplaats in Rossum.

Ouderdom en dood Van Rossem was in 1552 de oudste kapitein onder de commandanten die Luxemburg en Henegouwen tegen de Fransen verdedigden, wat meer zegt over de jeugd van de andere aanvoerders dan over Maartens leeftijd. Hij speelde een actieve rol, had niet alleen een eigen regiment, maar voerde ook bij verschillende acties het commando in het gebied van de Maas bij de gevechten in het westen, in de Picardie en Artois waarbij één tocht tot in het Ile de France leidde en tot vlakbij Parijs. De ‘maarschalk van Gelre’, zoals hij nog steeds werd genoemd, werd geprezen door de collega’s en werd gerekend tot de meest vermaarde heren van de Nederlanden: de hertog van Aerschot, de prinsen van Oranje en Epinoy, de graven van Hoogstraten en Roeulx, de heren van Brederode, Glajon, en Trélon. Het was een harde oorlog, waarin alle partijen het zeer zwaar te verduren kregen. Het land, de dorpen en de steden werden bij herhaling


geplunderd en verbrand, nu eens door de Franse, dan weer door de keizerlijke troepen. Bovendien waren de verliezen aan beide zijden ongekend groot. Zowel de bevolking als de soldaten leden bovendien grote verliezen door besmettelijke ziektes. Dat Maria van Hongarije Maarten van Rossem in 1553 tot haar gouverneur van Luxemburg en Chiny benoemde, lag niet voor de hand. Voor een zo prestigieuze post kwam altijd een lid van de hoge adel in aanmerking, bij voorkeur uit de zuidelijke Nederlanden. Er was tijdelijk een vacature ontstaan omdat Van Mansfelt gevangen was genomen. Vermoedelijk zou hij weer terugkomen op zijn positie, maar in de tussentijd wilde de landvoogdes de vesting Luxemburg verbeteren. Dat was de voornaamste taak van de te benoemen gouverneur. Het burgerlijk bestuur was op dat moment van ondergeschikt belang, want er waren nauwelijks meer burgers in de stad die al jarenlang door de oorlog werd geteisterd. De landvoogdes moest een van haar deskundige militairen benoemen, maar kon ze in het veld niet missen. Maarten van Rossem kende de stad en de vestingwerken, en met die benoeming bleef de oudere Van Rossem bij de hand en hoefde hij minder te reizen. Van Rossem nam bouwmeesters mee, Sebastiaan van Noyen uit Utrecht en Donato Doni, die al jaren werkzaam was als vestingbouwkundige. Ze verzetten veel werk in de stad. Toch was Maartens aanwezigheid ook daarbuiten weer nodig. Onder zijn leiding werd een fort opgericht tussen Metz, dat in handen van de Fransen was, en Thionville, dat van de keizer was. ‘La mauvaise S’ was de naam van dit fort, dat de Fransen moest beletten uit te breken naar het noorden. De Fransen slaagden er niet in de bouw van het fort te verhinderen. Donato onderzocht ook of langs de Maas nog goede mogelijkheden waren om een fort te bouwen. Bij Givet vernauwde het rivierdal zich en stroomde het water tussen twee hogergelegen plateaus. Daar kocht de keizer een terrein. Pierre Butlius en Roland de Tournon kregen de technische leiding over de bouw van dit fort Charlemont. De landvoogdes recruteerde vele bouwvakkers, sjouwers, gravers en wie er nog meer nodig

waren en Van Rossem moest met zijn regiment de aanleg beveiligen. Elke militaire aanval wist hij te pareren, maar de echte problemen lagen op een ander vlak. Er was te weinig geld, leveranciers staakten hun diensten en de soldaten kwamen in opstand. In een noodkreet schreef Van Rossem aan de landvoogdes hoe zijn soldaten de dorpen in de omgeving plunderden om aan eten te komen, wreedheden begingen, vrouwen verkrachtten, kinderen verdronken, armen bestalen en alsnog vernederden, martelden en vermoordden. ‘Het is een ellende!’ Dat was het in elk opzicht. Daar kwam nog bij dat Karel V geen geld meer had, dus niemand werd betaald en iedereen maakte schulden. Overal in het leger heersten chaos, opstand en ziektes. Ondanks alles was in juni de omwalling van het fort met twee bastions zo goed als klaar.

21

Fragment van de gevelWaterstraat 26 in Zaltbommel. Het beeldhouwwerk in deze gevel is van elders afkomstig en later, in de achttiende of negentiende eeuw, in de gevel geplaatst.Deovereenkomstmethet beeldhouwwerk in het Duivelshuis doet vermoeden dat het ook van Arnt van Tricht is.


In 2005 bestaat het Maarten van Rossummuseum in Zaltbommel honderd jaar, een mooie gelegenheid om de geschiedenis daarvan te boek te stellen. Vooral over de collectie is veel te vertellen en te tonen. Bij het verhaal van het museum hoort het verhaal van de kasteelachtige woning die Van Rossem in Zaltbommel liet bouwen. Hierin is thans het museum gevestigd. Nog niet eerder is de geschiedenis van dat huis gepubliceerd, noch van het opzienbarende beeldhouwwerk. Wie over zijn huis schrijft moet het ook over Maarten van Rossem zelf hebben. Deze befaamde Bommelerwaarder bracht het tot aanvoerder in het leger van keizer Karel V, zoals in een korte levensbeschrijving duidelijk wordt. De uitwerking van enkele aspecten van dat leven voegt nieuwe kennis toe aan het beeld dat van hem bekend is.

De schrijvers zijn als (kunst) historici betrokken bij of verbonden aan het museum in Zaltbommel en brachten de verschillende aspecten van het Maarten van Rossemhuis nu in één boek bij elkaar. ISBN 90-5994-110-1

A

Uitgeverij Aprilis – Zaltbommel

Een pronkstuk in Zaltbommel  

Een pronkstuk in Zaltbommel, Foxy Design

Een pronkstuk in Zaltbommel  

Een pronkstuk in Zaltbommel, Foxy Design

Advertisement