Page 26

Eva Meijer

Een landkaart van de dingen die we weten

H

et is koud, het is winter, er hangt mist over de gracht. Op het water zwemmen twee zwanen. Ze weten niet hoe de gracht heet, maar wel waar hij heenleidt, en ze weten ook hoe ze naar de andere kant van de stad moeten komen. Ze weten waar de warmste plek is, waar het eerste nest is, waar de andere zwanen zijn. Iemand gooit een half opgegeten boterham met kaas in het water. Een van de zwanen eet het brood op. De andere zwaan zwemt onder een brug door. Het is ochtend, de dag is net begonnen.

de weg, maar ook wie waar woont; de zwarte woont hier vlak om de hoek, de lapjeskat daar, de andere rode daar. Hij weet niet alleen wie waar woont, maar ook hoe hij moet vechten, hoe hij muizen en vogels moet vangen, recht tegen de schutting op moet lopen, in een boom moet klimmen, hoe hij de ijskast open kan maken. Dat laatste heeft hij zichzelf geleerd. De andere dingen heeft hij van zijn moeder en broertjes en zusjes geleerd, maar dat is hij vergeten. Of misschien is hij het niet vergeten, maar denkt hij er nooit meer aan. Wat hij geleerd heeft, valt samen met wat hij doet.

Op de brug staat een toerist. Hij kijkt in een boekje en daarna op een landkaart. Het is een verouderde kaart, hij kreeg hem gratis in het hotel waar hij logeert. Hij weet waar de vliegerwinkel is die zijn tante hem aanraadde, hij heeft het aangekruist, maar hij weet niet waar hij is. Hij mist zijn tante terwijl hij haar nooit eerder gemist heeft. Na een paar minuten kijkt hij op van zijn kaart.

De kat rent langs het huis van de filosoof. De filosoof leest een boek. Ze onderstreept zinnen met een potlood. De telefoon gaat, het is haar vader. Haar vader is een oude man. Ze praten over appelmoes, over dat het eigenlijk makkelijk is om zelf appelmoes te maken en ook lekker. De filosoof luistert met een half oor, maakt aantekeningen terwijl ze praat, voelt zich daar schuldig over als ze ophangt. Misschien gaat hij snel dood, denkt ze. Ze heeft de neiging om terug te bellen en sorry te zeggen, maar bedenkt dat ze beter de volgende dag kan bellen, dan is het een leuke verrassing. Ze pakt het boek, leest verder. Ze denkt na over hoe woorden de werkelijkheid vormgeven.

Aan de voet van de brug zit een straatmuzikant. Ze speelt fluit. Naast haar ligt een klein donkerbruin hondje, op een jas, opgerold tegen de kou. De muzikant speelt de hele dag hetzelfde liedje. Het is niet zo dat ze geen andere liedjes kent, ze heeft het conservatorium afgerond, maar dit is een liedje dat de meeste mensen kennen en mensen geven nu eenmaal meer als ze iets speelt wat ze kennen. Ze weet welke mensen het meeste geven en op welk tijdstip ze dat doen, het is net middag, het wordt straks beter. Ze denkt na over waar ze die nacht zal slapen; ze begon in een hotel, woonde daarna kort in een kraakpand, sliep een paar keer in een opvang, een paar keer buiten – ze kent de plekken. Het hondje slaapt overdag op de jas en ’s nachts tegen het meisje aan. Ze weet dat slapen de beste manier is om de tijd door te komen. Ze komt uit Spanje. Daar was het warmer, maar nu heeft ze iemand die op haar past. In het vliegtuig was het lawaai onvoorstelbaar. Als mensen plotseling op je afkomen, willen ze wat met je doen. Voor de voeten van het meisje rent een rode kat langs. Hij gaat de hoek om, schiet een steegje in – hij weet niet alleen

2626 Folia Folia Magazine Magazine

De oude man gaat na het telefoongesprek naar buiten om een wandeling te maken. Hij woonde hier vroeger al, hij heeft de buurt zien veranderen. Het huis waarin hij woont is niet veel veranderd sinds hij er opgroeide, de voorgevel is gerenoveerd in 1978, het is een paar keer geschilderd. Het is voor zijn dochter, het huis, als hij er straks niet meer is. In de deuropening bedenkt hij dat hij nog oud brood heeft. Nadat hij het uit de keuken gehaald heeft, loopt hij richting de gracht, waar hij twee zwanen ziet en het brood in stukjes scheurt. Het is al donker, het wordt weer vroeg donker en het mist, de lichtjes van huizen en straatlantaarns glijden over het water, lijken tastbaar. De man gooit de stukjes brood naar de zwanen, die er snel op af zwemmen. Mooie beesten, denkt hij, en ze blijven hun hele leven bij elkaar. Laatst las hij op de kinderpagina van de krant over een zwaan die verliefd was geworden op een bootje in de vorm van een zwaan en daar niet van wilde scheiden.

Folia Magazine #14  

Kennis uit Amsterdam: literaire bijdragen van jonge (en minder jonge) schrijftalenten van de UvA en de HvA.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you