■■ Vlak voor het sluiten van de ‘bubble’: zicht op de opstelling van de objecten. © KLM-MRA, 2012
De locatie van de voorziene behandelruimte zorgde nog voor een specifieke, bijzondere eis. Omdat dit lokaal zich nabij een publiekszone bevond, werd gevraagd het geluidsvolume onder 50dB te houden. Een dynamische anoxiebehandeling door middel van een separator die stikstof en zuurstof van de omgevingslucht scheidt, was hierdoor uitgesloten. Zo’n machine wordt immers aangedreven door een luidruchtige generator. Het gebruik van gasflessen voor de aanvoer van stikstof bood echter de oplossing … De firma die de opdracht uiteindelijk kreeg toegewezen, had ervaring met zowel separator als gasflessen voor anoxiebehandelingen. Vooraleer de stikstofbron kon worden aangesloten, moest een hermetisch afgesloten tent (‘bubble’) rond de geïnfecteerde objecten worden opgebouwd. De firma leverde het vloervlak van meerlagige folie16 en legde dit tussen twee dunne beschermlaagjes. Daarop kon een team van het Koninklijk Legermuseum naar eigen oordeel rekken installeren. De te behandelen voorwerpen kregen elk de meest optimale plek toegewezen. De firma pakte vervolgens het geheel in met een op maat gemaakte hoes. Deze bestond uit dezelfde meerlagige folie als het vloervlak. Een groot deel van de panden was vooraf aan elkaar gelast, de laatste dichtingen werden ter plaatse gesealed met een thermische lastang. In de wand werden aangepaste aansluitingen voorzien voor gastoevoer en meetapparatuur. Door het aansluiten van de gasflessen met stikstof op de hermetisch gesloten tent rond de objecten, verkreeg men eigenlijk een semidynamische opstelling voor anoxie. De stikstof werd langs een waterkolom geleid voor gecontroleerde bevochtiging en vervolgens in de verpakking of ‘bubble’ gebracht. Hierdoor ontstond lichte overdruk. Door een opening achteraan vloeide de nog zuurstofrijke lucht weg. Na de spoeling met stikstof werd de opening telkens opnieuw
44
faro | tijdschrift over cultureel erfgoed | 6 (2013) 2
dichtgemaakt. Deze operatie werd herhaald tot het gewenste zuurstofgehalte van 0,1 % bereikt werd. Omdat de voorwerpen met vertraging nog zuurstof afgaven, diende nog een paar keer stikstof ingeblazen te worden. Eens de metingen aangaven dat het zuurstofgehalte stabiel bleef, werd geen stikstof meer toegevoegd. De gasfles bleef wel nog verbonden met de ‘bubble’ om onmiddellijk stikstof te kunnen toevoegen indien het zuurstofgehalte de toegelaten drempel plots zou overschrijden. Enkel uiterst gevoelige meetapparatuur was in staat de subtiele evolutie in het zuurstofgehalte te registreren. De regelmatige controle van alle parameters werd zeer strikt opgevolgd. Dit bleek alvast in de opstartfase zeer nuttig. De anoxiebehandeling is na een wat moeizame start van de registratie goed verlopen. De ‘bubble’ vertoonde geen lekken en het kritische zuurstofgehalte werd gedurende 28 dagen nooit overschreden. Bovendien bleef de omgevingstemperatuur gedurende de volledige periode hoog genoeg. Met andere woorden: het hele lot objecten is in een enkele operatie behandeld en alle motten waren gedood. Deze veldslag had het Koninklijk Legermuseum alvast gewonnen!