Brussel, 29 februari 2008 | Willem Frijhoff1
Cultureel erfgoed, cultuurbeleid en culturele dynamiek Y Lezing bij de opening
van FARO. Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed
Erfgoed en verleden
maart 2008
Wij leven in het heden, en als het goed is denken we daarbij zorgzaam aan de toekomst. Actualiteit is hot, en toekomst is salonfähig. Wie zou zijn toekomst niet willen koesteren? De toekomst lijkt immers een leeg blad waarop iedereen zijn programma en projecten kan schrijven. Politici en beleidsmakers zijn daar zoals bekend geweldig goed in, maar laten we de wetenschappers niet onderschatten, die zich zonder persoonlijk commitment of noemenswaardig risico achter de meest ondoordachte toekomstscenario’s en -strategieën kunnen verschuilen. “Oh Science, combien de crimes ne commet-on en ton nom?” – zou ik willen uitroepen met een parafrase op de beroemde uitspraak over de vrijheid van Madame Roland, geguillotineerd wegens haar verdediging van de revolutionaire samenleving van de toekomst. Maar papier is geduldig, en zelfs de beste projecten, dat weten we allemaal, worden maar mondjesmaat gerealiseerd. En wordt de toekomst niet bepaald, of op z’n minst ‘ge-preformatteerd’ door de erfenis van het verleden? Daar komt het erfgoed om de hoek, als element van een cultuurproces dat zich afspeelt op een tijdlijn, van het heden naar de toekomst met de erfenis van het verleden in de knapzak. Over die relatie gaat deze voordracht. U zult het mij niet euvel duiden dat ik daarbij vooral reflecteer op de notie cultureel erfgoed en de manier waarop we daarmee omgaan. Op het gebied van het erfgoedbeleid en erfgoedbeheer bent u immers veel competenter dan ik. Liever bied ik u daarom elementen voor een kader om verder na te denken over de wijze waarop onze erfgoedactiviteiten binnen het bredere begrip van de interactie tussen cultuur en samenleving moeten worden geplaatst.
6
Terug naar het verleden. Ja, waar blijft dat in dit model? Het verleden is een grote grijze massa, vaak een ballast waar we niet goed raad mee weten en die we dan het liefst op de grote hoop van de vergetelheid dumpen. De status van het verleden is dubbel-
zinnig. Er is goed en kwaad verleden, verleden waar we ons op mogen voorstaan en verleden dat we het liefst verdoezelen. En er is ook goed en kwaad erfgoed. Dingen die we koesteren en zaken die ons in de weg zitten en die we liever kwijt zijn. De christelijke theologie heeft dat laatste vanaf het begin gerationaliseerd in de leer van de erfzonde, strikt gesproken het basiserfgoed bij uitstek, maar een vorm van immaterieel erfgoed waar we liever aan ontsnappen. Geen mens zal het in zijn hoofd halen om de criminogene aanleg van een samenlevingstype of vormen van biologische degeneratie via incestueuze verhoudingen tot cultureel erfgoed te benoemen en er cultuurbeleid op te baseren, hoe cultuurgebonden en erfelijk bepaald die ook mogen zijn. Ze zijn, met een te snelle woordspeling, geen erfgoed maar erfkwaad. Waarom benoemen we het een dan tot erfgoed en het andere niet? Het zal duidelijk zijn dat hier een aanvullend waarderingselement de doorslaggevende rol speelt, namelijk het waardepatroon van de samenleving. Wat wij positief waarderen mag erfgoed worden, het negatieve niet. Wat achter ons ligt te schitteren, wat vroegere generaties en ook wijzelf naar onze huidige overtuiging al aan positiefs hebben bereikt, vormt een reden tot trots om wat het is, om de betekenis die het thans voor ons heeft. Gebouwen als het Broodhuis en de Sint-Goedelekerk in deze stad, de artnouveauscheppingen van Van de Velde en Horta, kunstwerken als van Brueghel of Rubens, Ensor of Magritte, geschriften zoals van Gezelle of Claus, zonder Hergé te vergeten: het zijn relicten uit het soms nog nabije verleden die worden gekoesterd als getuigen van het goede, schone, bekoorlijke en vermakelijke waartoe onze gemeenschap via haar leden in staat is. Het is door hun scheppers aan ons nagelaten, het is een legacy, een erfenis uit het verleden. We noemen dat erfgoed, cultureel erfgoed omdat het om kwalitatieve cultuuruitingen van de eerste orde gaat.