Issuu on Google+

.v . du 'A ct ie fb ht E rig

op y

cursus:

C

OriĂŤntatie op het werkveld


du 'A ct ie fb

Over deze cursus 3  Sociaal-agogische beroepen op mbo-niveau 6  Jouw kwaliteiten en beroepshouding 10  Het werkveld voor de sociaal-agogische beroepsopleidingen (de context) 12  Kerntaken, werkprocessen en competenties 13  Beroepsgerichte opleidingen volgen 17  Reflectie 19  Theoriebron 1: De sociaal-agogische beroepen op mbo-niveau in het kort 21  Theoriebron 2: Jouw werk als sociaal-agogisch werker 24  Theoriebron 3: Beroepshouding 28  Theoriebron 4: Het werkveld voor de sociaal-agogische beroepsopleidingen 31  Theoriebron 5: Kerntaken, werkprocessen en competenties 33  Theoriebron 6: STAR, STARR, STARRT 35  Theoriebron 7: Cursussen, trainingen, projecten en BPV 37  Theoriebron 8: Werken met projecten van Factor-E 40  Werkmodel: Beoordelen motivatie voor de opleiding 42  Beoordeling 43 

Edu’Actief b.v. Meppel Postbus 1056 7940 KB Meppel Tel.: 0522-235235 Fax: 0522-235222 E-mail: info@edu-actief.nl Internet: www.edu-actief.nl

op y

rig

Colofon Uitgeverij

ht E

> > > > > > > > > > > > > > > > >

.v .

> Inhoud

C

Auteurs Annelies Kool Titel Oriëntatie op het werkveld Vormgeving Binnenwerk: DBD design/Ruurd de Boer, omslag: Tekst in Beeld/Hubi de Gast ISBN Copyright

978 90 6053 AARF © 2012 Uitgeverij Edu’Actief b.v.

Eerste druk/eerste oplage Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, microfilm, fotokopie of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (Postbus 3060, 2130 KB) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.


> Over

deze cursus

Sociaal-agogische beroepen zijn erop gericht mensen zo goed mogelijk te laten functioneren in de eigen woon- en leefomgeving, sociale omgeving en samenleving. In deze cursus leer je over de opleidingen voor deze mbo-beroepen. Er wordt uitleg gegeven over de kwalificatiedossiers waarin de beroepen staan beschreven. Daarnaast leer je hoe je in projecten, met cursussen en trainingen en met de BeroepsPraktijkVorming (BPV) de juiste beroepsvaardigheden kunt leren. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat je gebruikmaakt van het lesmateriaal van Factor-E.

Doelstellingen

• • • •

.v .

Je kunt de overeenkomsten en verschillen tussen de negen sociaal-agogische uitstroomrichtingen op mbo-niveau 3 en 4 aangeven. Je hebt een overwogen keuze gemaakt voor één van de uitstroomrichtingen of eerst voor een verdere oriëntatie. Je kunt beschrijven over welke competenties je moet beschikken voor het werk in de gekozen uitstroomrichting. Je kunt de kwalificatiedossiers gebruiken om de aan het beroep gestelde eisen op te zoeken. Je kunt het verschil tussen een training, een cursus, een project en BPV uitleggen. Je kunt uitleggen hoe je in een project moet werken.

du 'A ct ie fb

Beoordeling

ht E

Je wordt op verschillende punten beoordeeld. Deze punten kun je achter in dit boek vinden. Belangrijke punten bij de beoordeling zijn: • actieve deelname aan de lessen • nette uitwerking van de opdrachten • afgeronde processtappen voor het maken van het beroepsproduct • verslag uit opdracht 11 • verslag uit opdracht 13.

Je toekomstige collega:

Werkzaam bij:

op y

Medewerkers:

Valesca Havel

rig

Naam:

Het ROC 24 medestudenten in de groep

Eerstejaarsstudent Pedagogisch medewerker 4 kinderopvang

Soort werkzaamheden:

Het volgen van cursussen, trainingen en projecten. En over een tijdje ook stage lopen.

C

Werkzaam als:

Over de werkomgeving:

Het is een mooi schoolgebouw met veel ruimtes om in te werken.

Wat is er leuk aan je werk:

De meeste vakken die ik krijg, hebben te maken met kinderen. Ik vind het heel erg leuk om met hen te gaan werken.

Grootste blunder:

Bij ons in de groep zitten ook drie jongens. De eerste dag zei ik tegen hen dat ze verkeerd zaten, omdat dit de kinderopvanggroep was. Een van de jongens reageerde direct fel op me: of hij soms geen kinderopvang mocht gaan doen omdat hij een jongen was?

Waar werk je aan:

Niet zo’n flapuit zijn.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

3


Beroepsproduct: Motivatie voor de gekozen opleiding

Dit beroepsproduct inleveren voor In deze cursus heb je je verdiept in de opleiding die je volgt. Je hebt nagedacht over of dit inderdaad de juiste keuze is voor jou. Voor het vervolg van de opleiding moet je ook je docent en medestudenten hiervan overtuigen. Ook zelf zul je een aantal medestudenten moeten beoordelen op hun motivatie voor de opleiding. Werkmodel: Beoordelen motivatie voor de opleiding

du 'A ct ie fb

.v .

Processtap 1 • Verdeel de klas in groepjes van vier. Wanneer er verschillende uitstroomrichtingen zijn, mix de groepjes dan zoveel mogelijk. • Maak een planning en een taakverdeling. • Maak afspraken over wanneer jullie bij elkaar komen om de motivaties te bespreken • Spreek af wie zorgt voor voldoende exemplaren van het werkmodel ‘Beoordelen motivatie voor de opleiding’. Dit moet worden ingevuld tijdens de bespreking.

ht E

Processtap 2 Schrijf een uitgebreide motivatie voor het vervolgen van de opleiding. In je motivatie ga je in op de volgende punten: • voor welke uitstroom richting jij kiest • waarom het beroep je aanspreekt • welke kwaliteiten jij hebt voor het beroep • wat je tijdens de opleiding vooral wilt gaan leren • hoe je de studie wilt gaan aanpakken • wat je plannen zijn voor na de opleiding • welke stage(s) je graag wilt gaan doen.

op y

rig

Processtap 3 In groepjes van vier studenten bespreken jullie elkaars motivatie voor de opleiding. Dit doen jullie in de vorm van een sollicitatiecommissie. Om beurten zijn jullie de kandidaat die wordt beoordeeld op de motivatie voor de opleiding. • De kandidaat leest de motivatie voor aan de commissie (de drie andere studenten). • De commissie stelt aanvullende vragen over de motivatie. • De commissie vult het werkmodel ‘Beoordelen motivatie voor de opleiding’ in. • De kandidaat geeft zijn reactie op de beoordeling en vult die in het werkmodel in.

C

Processtap 4 • Je levert je motivatie en het ingevulde werkmodel in bij je docent. Laat elke processtap goedkeuren door je docent voordat je begint aan de volgende processtap.

4

Orientatie op het werkveld

Werkmodel: Cursusplanning op www.factor-e.nl


Vervolg beroepsproduct De punten waarop je beroepsproduct wordt beoordeeld, kun je achter in dit boek vinden in het hoofdstuk ‘Beoordeling'.

Taal

Taal

Taal

Neem deze cursus door en onderstreep de woorden die je niet kent. Noteer deze woorden in de woordenlijst en zet de betekenis erbij. Nieuwe onbekende woorden die je tegenkomt tijdens de cursus, voeg je toe aan de woordenlijst. Na afloop van de cursus neem je dit overzicht op in je taalportfolio.

C

Taal

op y

• • •

rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

Eisen aan het beroepsproduct • Een motivatie voor de opleiding waarin alle punten zijn beschreven. • Het werkmodel is door drie medestudenten ingevuld. • Een reactie van de student zelf op de beoordeling. • De motivatie en het ingevulde beoordelingsformulier zijn op de afgesproken datum bij de docent ingeleverd.

Werkmodel: Woordenlijst op www.factor-e.nl

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

5


> Sociaal-agogische

beroepen op

mbo-niveau Doelstellingen • • •

Je kunt de verschillende werkvelden voor sociaal-agogisch werk benoemen. Je kunt kort omschrijven waarop dat werkveld zich richt. Je kunt de verschillen tussen de negen verschillende uitstroomrichtingen aangeven.

.v .

Opdracht 1: Sociaal-agogische beroepen Wat betekent sociaal-agogisch?

du 'A ct ie fb

________________________________________________________________________________________________________________________________

Theoriebron 1: De sociaal-agogische beroepen op mbo-niveau in het kort

Noem minimaal tien verschillende sociaal-agogische beroepen.

1. ____________________________________________________________________________________________________________________________

2. ____________________________________________________________________________________________________________________________

3. ____________________________________________________________________________________________________________________________

4. ____________________________________________________________________________________________________________________________

5. ____________________________________________________________________________________________________________________________

6. ____________________________________________________________________________________________________________________________

ht E

7. ____________________________________________________________________________________________________________________________

8. ____________________________________________________________________________________________________________________________ 9. ____________________________________________________________________________________________________________________________

rig

10. ___________________________________________________________________________________________________________________________ Bespreek met elkaar welke van de beroepen jullie het meest aanspreken. Leg aan elkaar uit waarom ieder dit beroep zo aantrekkelijk vindt.

Maak een top 3 van de beroepen uit de lijst die jij op dit moment het interessantst vindt.

op y

C

1. ____________________________________________________________________________________________________________________________ 2. ____________________________________________________________________________________________________________________________ 3. ____________________________________________________________________________________________________________________________

Opdracht 2: Wat een taal! Elk beroep heeft zijn eigen vaktermen. Deze vaktaal is voor anderen vaak erg ingewikkeld. Maar in de beroepsuitoefening wordt vaktaal veel gebruikt, omdat mensen die een bepaald beroep hebben allemaal precies weten wat met zulke termen wordt bedoeld. De beroepen in de sociale sector gebruiken ook heel veel vaktermen en afkortingen. Je zult moeten weten wat deze betekenen.

6

Orientatie op het werkveld

Werkmodel: Woordenlijst op www.factor-e.nl


Bespreek in je groepje de betekenis van de (vak)termen uit theoriebron 1. Zoek bij twijfel de betekenis daarvan op in een woordenboek. Schrijf de gevonden betekenissen op. Je kunt dit ook direct doen in je woordenlijst. Functie: ________________________________________________________________________________________________________________________ Functioneren: ________________________________________________________________________________________________________________ Leefomgeving: ______________________________________________________________________________________________________________ Definitie: _______________________________________________________________________________________________________________________ Dagbesteding: _______________________________________________________________________________________________________________ Psychiatrisch: _________________________________________________________________________________________________________________ Re-integratie: ________________________________________________________________________________________________________________

.v .

Justitiële inrichting: ________________________________________________________________________________________________________

du 'A ct ie fb

Cliënten: _______________________________________________________________________________________________________________________

Zintuiglijk: _____________________________________________________________________________________________________________________

Psychosociaal: _______________________________________________________________________________________________________________ Asiel zoeken: _________________________________________________________________________________________________________________ Individuele: ___________________________________________________________________________________________________________________

Assistent: ______________________________________________________________________________________________________________________

Residentiële: _________________________________________________________________________________________________________________ Educatie: ______________________________________________________________________________________________________________________

PGB: _____________________________________________________________________________________________________________________________

ht E

Zelfredzaamheid: ___________________________________________________________________________________________________________ Materiële: _____________________________________________________________________________________________________________________ Sociale zekerheid: __________________________________________________________________________________________________________

rig

Consumentenzaken: ______________________________________________________________________________________________________ Chronisch: ____________________________________________________________________________________________________________________

op y

Mantelzorger: _______________________________________________________________________________________________________________ Kwaliteit: ______________________________________________________________________________________________________________________

C

Opdracht 3: De verschillende werkvelden

In theoriebron 1 worden de vijf werkvelden genoemd waarin je als mbo'er in de sociale sector werkzaam kunt zijn. Je hebt wellicht al een beeld van deze werkvelden. • Werk in een tweetal. • Neem vijf A4'tjes. • Schrijf op elk velletje een werkveld. • Bedenk samen wat je al van dit werkveld weet en schrijf dit op het A4'tje. Doe dat voor alle vijf werkvelden. • Klassikaal bespreken jullie per werkveld wat op de verschillende A4'tjes is geschreven.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

7


Opdracht 4: Beroepen/werkvelden Je hebt nu enig idee van welke sociaal-agogische beroepen er zijn. Komende week ga je op zoek naar meer informatie over een van de werkvelden en over de beroepen in dat werkveld. •

du 'A ct ie fb

.v .

Verdeel de vijf werkvelden (maatschappelijke zorg, onderwijs, pedagogisch werk, sociaal-cultureel werk, sociaal-maatschappelijke dienstverlening) over de groep. Zorg voor een eerlijke verdeling, bijvoorbeeld door af te tellen. Verzamel komende week het volgende voor de werksoort die jij toebedeeld hebt gekregen: – een afbeelding van een kenmerkende beroepssituatie – een krantenartikel over dat werkveld – een advertentie voor een vacature in het werkveld – een artikel (internet, tijdschrift, krant) over een cliënt/deelnemer/jongere/bezoeker met wie je als beroepskracht in dat werkveld te maken kunt krijgen – een typerend voorwerp dat jij bij dat werkveld vindt passen. Neem alle materialen mee naar de volgende les.

Opdracht 5: Jouw (toekomstige) werk

Vandaag gaan jullie in de les aan het werk met de materialen die je de hele week hebt verzameld over het werkveld en het beroep.

C

ht E

rig

• •

Ga bij elkaar zitten met alle leerlingen die over hetzelfde werkveld materialen hebben verzameld. Wissel met elkaar uit wat jullie hebben gevonden. Lees in theoriebron 2 de tekst over het werkveld en de uitstroomrichtingen die daarbij horen. Bespreek de vaktermen uit theoriebron 2 en zet die met de gevonden betekenissen in je woordenlijst. Maak nu een (mini)expositie van de materialen, zodat de andere groepjes wanneer ze langskomen een goed beeld van het werkveld kunnen krijgen. Maak hiervoor ook een groot vel met daarop een overzicht van de belangrijkste kenmerken van de werksoort. Bepaal samen wie van jullie groepje uitleg geeft bij de expositie (deze student gaat nog niet mee langs de vier andere exposities). Jullie gaan nu langs de exposities van de andere groepjes. De achtergebleven student kan informatie geven en zal proberen jullie vragen over de werksoort te beantwoorden. Neem 5 minuten per expositie, inclusief wisselen. Wanneer jullie na de vier andere exposities te hebben bekeken terug zijn bij jullie eigen expositie, maken jullie opnieuw een ronde langs de exposities. Nu gaat ook de achtergebleven student uit jullie groepje mee. Jullie informeren nu zelf deze student over de werksoort.

op y

Opdracht 6: Beroepen films •

Om een indruk te kunnen krijgen van de verschillende beroepen, bekijken jullie een aantal korte filmpjes over de beroepen in de welzijnssector. Probeer van elke uitstroomrichting minimaal één videofragment te bekijken. Op de website van Factor-E staan enkele links naar fragmenten.

8

Orientatie op het werkveld

Theoriebron 2: Jouw werk als sociaal-agogisch werker


• •

De docent zal bepalen of jullie de filmpjes zelf in een drietal gaan opzoeken of dat jullie de fragmenten klassikaal gaan bekijken. Nadat jullie de filmpjes hebben bekeken, nummer je de negen uitstroomrichtingen in de volgorde van jouw interesse. De uitstroomrichting die je het meest geschikt lijkt voor jezelf, geef je nummer 9. De volgens jou minst geschikte uitstroomrichting geef je nummer 1.

Zie voor meer informatie www.factor-e.nl

Medewerker maatschappelijke zorg (niveau 3) ____________________________________________________________ Persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg (niveau 4) ___________________________________________________ Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen (niveau 4) ______________________________________________ Onderwijsassistent (niveau 4) _____________________________________________________________________________________ Pedagogisch medewerker kinderopvang (niveau 3) ______________________________________________________

.v .

Gespecialiseerd pedagogisch medewerker kinderopvang (niveau 4) ______________________________

du 'A ct ie fb

Pedagogisch medewerker jeugdzorg (niveau 4) ___________________________________________________________ Sociaal-cultureel werker (niveau 4) _____________________________________________________________________________

Sociaal-maatschappelijk dienstverlener (niveau 4) ________________________________________________________ •

Bespreek met elkaar voor welke richtingen jullie groep de meeste en de minste belangstelling heeft.

Opdracht 7: Mijn (toekomstige) werk

Je gaat samen met een medestudent die geïnteresseerd is in dezelfde uitstroomrichting, uitzoeken wat je nog allemaal wilt weten over deze uitstroomrichting en het werk daarin.

C

ht E

• •

rig

Lees samen nogmaals de tekst bij de werksoort. Besteed vooral veel aandacht aan de uitstroomrichting waarin jullie geïnteresseerd zijn. Maak samen een lijst met vragen die jullie zouden willen stellen aan een beroepskracht die werkt in die uitstroomrichting. Bespreek in de klas na welke vragen andere tweetallen hebben opgesteld. Bespreek met de docent of het mogelijk is dat jullie een beroepskracht gaan interviewen. Voer, indien mogelijk, het interview uit en maak hiervan een verslag.

op y

Theoriebron 2: Jouw werk als sociaal-agogisch werker

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

9


> Jouw

kwaliteiten en beroepshouding

Doelstellingen • • • •

du 'A ct ie fb

Opdracht 8: Beroepshouding

.v .

Je weet wat met het begrip 'beroepshouding' wordt bedoeld. Je kunt uitleggen wat de typerende beroepshouding van een sociaal-agogisch werker is. Je kunt voor de verschillende uitstroomrichtingen aangeven over welke kwaliteiten je daarvoor moet beschikken en wat de hoofdpunten van de beroepshouding zijn. Je kunt uitleggen waarom de beroepshouding een belangrijk onderdeel is van de beoordeling van de opleiding tot sociaal-agogische beroepen.

De term 'beroepshouding' zul je heel veel horen tijdens je studie, stage en latere werk. De beroepshouding is in de sociaal-agogische beroepen zelfs een van de belangrijkste onderdelen waarop je wordt beoordeeld om te kunnen bepalen of je geschikt bent voor het beroep. • •

Theoriebron 3: Beroepshouding

Lees in theoriebron 3 het stukje 'Typerende beroepshouding van een sociaal-agogisch werker'. Beschrijf in je eigen woorden wat jij verstaat onder elk van de 5 typerende beroepshoudingen die daarin worden genoemd.

ht E

Opdracht 9: De typerende beroepshouding …

Voor elk beroep zijn net weer iets andere vaardigheden belangrijk. Dat geldt ook voor de beroepshouding.

rig

Maak met elkaar een typerende karikatuur (uitvergroting/overdrijving) van de persoonlijke eigenschappen/kenmerken van een: – medewerker maatschappelijke zorg – persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg – onderwijsassistent – pedagogisch medewerker (kinderopvang) – pedagogisch medewerker (BSO, NSO) – pedagogisch medewerker jeugdzorg – sociaal-cultureel werker – sociaal-maatschappelijk dienstverlener. De karikatuur kun je maken door te tekenen of door een korte beschrijving van de persoon te geven. Jullie mogen deze vormen ook door elkaar gebruiken.

C

op y

10

Orientatie op het werkveld

Opmerking: Vergeet niet om steeds wanneer je een tekst met moeilijke termen hebt gelezen, de uitleg van deze termen op te zoeken en in je woordenlijst te zetten.


• •

Tip: het is best veel werk, verdeel dus de taken in jullie groepje, bijvoorbeeld: ieder maakt twee karikaturen. Presenteer jullie karikaturen aan de andere groepen. Maak er een quiz van. Op basis van de beschrijving of tekening van de anderen moet worden geraden welke beroepskracht het is.

Opdracht 10: Een goede sociaal-agogisch werker … Geef aan of je het met de onderstaande stellingen eens of oneens bent. En zorg dat je kunt uitleggen waarom je dat vindt (het antwoord motiveren). Eens

In het sociale werk ben je zelf als persoon vaak het middel.

du 'A ct ie fb

Je kunt geen sociaal-maatschappelijk dienstverlener worden wanneer je zelf wel eens (maatschappelijke) regels overtreedt of hebt overtreden.

Oneens

.v .

Stellingen

De beste hulpverleners hebben zelf een hulpverleningsverleden.

Een jongen/man kan beter niet gaan werken als pedagogisch medewerker kinderopvang in verband met seksuele gedragingen tegenover kinderen.

Je kunt beter niet gaan werken in de verslavingszorg als je zelf een verslaving hebt gehad. Beroepskrachten in de welzijnssector zijn ‘softies'.

• •

rig

Zorg nu dat er ruimte in de klas is om in twee rijen tegenover elkaar te kunnen staan. De ene rij is voor degenen die het eens zijn met de stelling, de andere rij voor degenen die het daarmee oneens zijn. Ga per stelling steeds in de rij staan bij jouw antwoord. Per stelling gaat óf de rij 'Eens' of de rij 'Oneens' naar een student uit de andere rij (soms naar 2 of meer studenten bij een stelling waarbij de meningen redelijk overeenkomen). Je voert nu een korte discussie (maximaal 3 minuten) met die student(en) over de motivatie bij de stelling.

ht E

Je maakt een korte notitie over de beroepshouding van het beroep waarvoor jij de opleiding volgt (wilt gaan volgen). Je kiest iemand die jou erg goed kent, bijvoorbeeld je moeder, opa, broer of beste vriendin. Met die persoon bespreek je jouw notitie over de beroepshouding. Daarna vraag je aan diegene of die jou eerlijk wil zeggen of deze vindt dat die beroepshouding bij jou past. Vraag of deze persoon voor jou tips heeft voor waarop je moet gaan letten. Maak een kort verslag van dit gesprek. In dit verslag kijk je terug (reflecteer je) op wat de ander heeft gezegd. Lever het verslag in bij de docent. Het maken van dit verslag is opgenomen in de beoordelingscriteria van deze cursus.

C

op y

Opdracht 11: Een goede beroepshouding

• •

• •

Inleverdatum verslag: _____________________________________________________________________________________________________

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

11


> Het

werkveld voor de sociaalagogische beroepsopleidingen (de context)

Doelstellingen • •

Opdracht 12: Waar ga je werken?

.v .

Je kunt per werkveld beschrijven in welke instellingen kan worden gewerkt. Je kunt informatie over een instelling opzoeken en in een verslag verwerken.

Theoriebron 4: Het werkveld voor de sociaalagogische beroepsopleiding en (de context)

op y

rig

ht E

du 'A ct ie fb

Het werk dat je wilt gaan doen, doe je vanuit een instelling/organisatie. Deze heeft meestal een plaats waar of van waaruit het werk wordt gedaan. Bepaald werk vind je soms helemaal niet in een bepaalde omgeving. En soms is er juist een groot aanbod van dat werk in een bepaalde omgeving. • Ga bij elkaar zitten met vier studenten die allemaal in dezelfde werksoort zijn geïnteresseerd. • Lees samen theoriebron 4 en bespreek met elkaar de opvallende zaken en moeilijke woorden daarin. • Zoek met elkaar minimaal 10 instellingen/organisaties in jullie omgeving van waaruit het werk gebeurt waarin jullie geïnteresseerd zijn. Gebruik hiervoor bijvoorbeeld internet, een stadsgids of een telefoonboek. • Maak van elk van deze instellingen een korte beschrijving. Vermeld daarin: – het adres en of de instelling één of meer plaatsen (locaties) heeft van waaruit het werk wordt gedaan – de doelgroep/cliënten – of het een grote of kleine instelling is – het werk dat er wordt gedaan (korte beschrijving) • Neem een (grote) kaart van de omgeving. Geef daarop de plaats(en) van de 10 instellingen aan. • Vergelijk de door jullie gevonden instellingen met de instellingen die andere groepjes hebben gevonden.

C

Opdracht 13: Een instelling nader onderzocht

• • •

Kies uit de instellingen van opdracht 12 de instelling die je het meest aanspreekt. Deze instelling ga je nu zelf verder onderzoeken. Daarvoor gebruik je de website van deze instelling en folders en voorlichtingsmateriaal. Je maakt met de gegevens die je hebt verzameld een mooi verslag van je onderzoek. Je sluit je verslag af met een conclusie: zou jij in deze instelling willen werken en/of stage lopen? De docent zal aangeven wanneer je het verslag moet inleveren. Het maken van dit verslag is opgenomen in de beoordelingscriteria van deze cursus.

Inleverdatum verslag: _____________________________________________________________________________________________________

12

Orientatie op het werkveld


> Kerntaken,

werkprocessen en competenties

Doelstellingen Je kunt uitleggen wat kerntaken, werkprocessen en competenties zijn. Je kunt de kerntaken, werkprocessen en competenties bij de sociaal-agogische beroepen opzoeken. Je kunt opzoeken welk gedrag bij een competentie wordt verwacht. Je kunt een STARR(T) maken.

Opdracht 14: Kerntaken en werkprocessen I

.v .

• • • •

Theoriebron 5: Kerntaken, werkprocessen en competenties

du 'A ct ie fb

Ga weer bij elkaar zitten met studenten die dezelfde uitstroomrichting (willen) volgen. • Schrijf op een flap-over wat volgens jullie de drie kerntaken van het beroep zijn (doe dit zonder het op te zoeken in het kwalificatiedossier). • Schrijf per kerntaak minimaal twee belangrijke werkzaamheden op die je bij die taak zou moeten uitvoeren. • Schrijf per kerntaak op de flap-over minimaal één competentie waarvan jullie vinden dat je die moet bezitten om dat werkproces goed te kunnen uitvoeren. • Bespreek de flappen na in de lesgroep.

Opdracht 15: Kerntaken en werkprocessen II

Je zoekt nu zelf in het kwalificatiedossier waarin de door jou gekozen uitstroomrichting staat beschreven welke kerntaken en werkprocessen hierin worden aangegeven. In theoriebron 5 staat beschreven waar je dit kunt vinden.

ht E

Theoriebron 5: Kerntaken, werkprocessen en competenties

rig

Uitstroomrichting: _____________________________________________________________________________________________________

Kertaak1: _________________________________________________________________________________________________________________

op y

Werkproces 1.1: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 1.2: _______________________________________________________________________________________________________

C

Werkproces 1.3: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 1.4: _______________________________________________________________________________________________________

Kerntaak 2: ______________________________________________________________________________________________________________ Werkproces 2.1:________________________________________________________________________________________________________ Werkproces 2.2: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 2.3: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 2.4: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 2.5: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 2.6: _______________________________________________________________________________________________________

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

13


Kerntaak 3: ______________________________________________________________________________________________________________ Werkproces 3.1: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 3.2: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 3.3: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 3.4: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 3.5: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 3.6: _______________________________________________________________________________________________________ Werkproces 3.7: _______________________________________________________________________________________________________

Tip Het is best handig om deel C van de uitstroomrichting die jij wilt gaan volgen te printen, zodat je die gegevens ook kunt opzoeken als je geen computer hebt met een internetaansluiting.

.v .

Werkproces 3.8: _______________________________________________________________________________________________________

du 'A ct ie fb

Niet alle uitstroomrichtingen hebben bij de kerntaak evenveel werkprocessen. Let op dat je bij de goede uitstroomrichting kijkt!

Opdracht 16: Competenties uitbeelden

In het kwalificatiedossier wordt gebruikgemaakt van een lijst met 25 verschillende competenties.

C

op y

rig

De docent geeft aan elk tweetal één of meer kaartjes met daarop een competentie. Samen bekijk je hoe je deze competentie het best kunt uitbeelden. Elk tweetal beeldt de competentie(s) van zijn kaartje(s) uit voor de hele groep. Schrijf op de lijst welke competentie volgens jou is uitgebeeld. Nadat elke competentie is uitgebeeld, vertelt elk tweetal welke competentie op het kaartje stond en welke letter daarvoor in het kwalificatiedossier wordt gebruikt. Schrijf de juiste naam van de competentie op de lijst achter de letter die hiervoor in de kwalificatiedossiers wordt gebruikt. Jullie kunnen het uitbeelden van de competenties nog een keer doen.

ht E

• • • • •

14

Orientatie op het werkveld


Competenties uit kwalificatiedossiers

1.

A.

2.

B.

3.

C.

4.

D.

5.

E.

6.

F.

7.

G.

8.

H.

9.

I

10.

J.

du 'A ct ie fb

11.

K.

12.

L.

13.

M.

14

N.

15.

O.

16.

P.

17.

Q. R.

ht E

18. 19. 20.

rig

21. 22.

25.

op y

23. 24.

.v .

Deze competentie denk ik:

S. T. U. V. W. X. Y.

C

Aantal goed geraden:

Opdracht 17: Competenties opzoeken

Zoek in het kwalificatiedossier bij de uitstroomrichting die jij wilt gaan doen op welke competenties bij welke werkprocessen horen. Markeer deze met een kleur in de lijst bij opdracht 16 en/of zet deze bij de werkprocessen van opdracht 15.

Opdracht 18: Ben ik al competent? Voor het uitoefenen van het beroep moet je over competenties beschikken. Competenties heb je vaak al, maar deze ontwikkel je steeds verder in de loop van je leven.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

15


• • •

Ga met drie studenten bij elkaar zitten. Kies alle drie vijf competenties uit de lijst van het beroep waarvoor je wordt opgeleid en waarvan je zelf vindt dat je daarover al beschikt. Zet deze op de lijst. Om beurten overtuig je in één minuut per competentie je groepje van jouw competentie. Je geef hiervoor zoveel mogelijk argumenten voor en voorbeelden van waarom jij vindt dat je al over die competentie beschikt. Bespreek per student na of jullie vinden dat deze jullie heeft overtuigd van zijn competenties. Opmerkingen

du 'A ct ie fb

.v .

Competentie

Opdracht 19: Dit lijkt ons moeilijk

Ga bij elkaar zitten met een paar studenten die dezelfde uitstroomrichting willen gaan volgen. Kijk weer naar de lijst met competenties voor het beroep waarvoor je de opleiding volgt. Zoek nu de drie competenties op die jullie het moeilijkst lijken.

Bespreek met elkaar per competentie: – Waarom denken jullie dat dit moeilijk is? – Bij welk(e) werkproces(sen) wordt deze competentie genoemd?

ht E

op y

rig

En verder: • Lees met elkaar de tekst die in het kwalificatiedossier staat bij die competentie. Merk op dat wanneer de competentie bij meer werkprocessen voorkomt er verschillende beschrijvingen zijn van het gedrag dat je moet laten zien. • Schrijf op een flap-over wat je moet gaan leren om deze competentie te beheersen. • Bespreek de flap-overs na in de grote groep.

Opdracht 20: Het maken van een STARR

C

Je weet nu wat je moet beheersen voor het door jou gekozen beroep. Je zult gemerkt hebben dat je vooral veel vaardigheden moet beheersen. Hoe kan de opleiding controleren of jij werkelijk over die vaardigheden beschikt? In deze opdracht ga je oefenen met het maken van een STARR. • •

• •

Werk in een tweetal. Jullie zijn om beurten de interviewer. Student 1 (de geïnterviewde) kiest een competentie (mag ook een vaardigheid of persoonlijke kwaliteit zijn). Student 2 (de interviewer) bevraagt de andere met behulp van de STARR. Gebruik hiervoor theoriebron 6. Wissel hierna van rol. Maak hierna een verslag van jouw STARR. Beschrijf deze volgens de STARR-onderdelen waarop je bent bevraagd.

16

Orientatie op het werkveld

Theoriebron 6: STAR, STARR en STARRT


> Beroepsgerichte

opleidingen

volgen Doelstellingen Je weet hoe lesgegeven wordt op het mbo. Je kunt de vier fasen in het leerproces volgens Kolb benoemen. Je kunt aangeven wat de verschillen zijn tussen een cursus, een training en een project. Je kunt uitleggen wat met een leerlijn wordt bedoeld.

Opdracht 21: Van vmbo naar mbo

.v .

• • • •

du 'A ct ie fb

Je hebt voordat je op het mbo bent terechtgekomen, al een paar andere onderwijstypen gevolgd (zoals de basisschool of het vmbo). De basisschool verschilde van het vmbo. Maar waarin zou het mbo weer van het vmbo verschillen? Waarin verschilt volgens jou het mbo van het vmbo? Schrijf hiervoor eerst voor jezelf vijf punten op.

1. _____________________________________________________________________________________________________________________________ 2. _____________________________________________________________________________________________________________________________ 3. _____________________________________________________________________________________________________________________________ 4. _____________________________________________________________________________________________________________________________

ht E

5. _____________________________________________________________________________________________________________________________ Op het bord of op een flap-over worden alle genoemde verschillen geïnventariseerd.

• •

Bespreek met drie medeleerlingen wat jullie ideale school zou zijn. Denk bijvoorbeeld aan uren, stages en manieren van lesgeven. Maak een promotieaffiche voor jullie ideale school. De verschillende affiches worden in de klas gepresenteerd.

op y

rig

Opdracht 22: Onze ideale mbo-school

C

Opdracht 23: Ons favoriete onderwijs

• • •

Maak groepjes van vier studenten. Lees met elkaar theoriebron 7. Wat denken jullie? Wie van jullie vieren is een:

Theoriebron 7: Cursussen, trainingen, projecten en BPV

Doener: ___________________________________________________________________________________________________________________ Bezinner: __________________________________________________________________________________________________________________ Denker: ____________________________________________________________________________________________________________________ Beslisser: ___________________________________________________________________________________________________________________

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

17


Bespreek met elkaar welke vorm van onderwijs (project, cursus, training) je het liefst volgt (jullie hoeven niet allemaal hetzelfde te kiezen). Probeer te motiveren waarom die vorm van onderwijs jou het prettigst lijkt. Bedenk met elkaar een planning voor de opleiding. Geef daarbij aan wanneer en hoeveel je van een bepaalde onderwijsvorm (projecten, cursussen, trainingen, BPV, talen/rekenen, studiebegeleiding) wilt krijgen. Probeer hiervoor met elkaar een mooi schema te maken dat jullie aan de andere groepjes kunnen laten zien. Bespreek met de docent de schema’s die jullie hebben gemaakt en het leerplan van de opleidingen waarin jullie zijn geïnteresseerd.

Tip Op internet zijn veel tests te vinden waarmee je kunt bepalen welke leerstijl bij je past.

Zie voor meer informatie www.factor-e.nl.

.v .

Opdracht 24: Projectplanning

• •

C

op y

rig

Maak groepjes van vier studenten en lees met elkaar theoriebron 8. Log met je code in op de website van Factor-E en bekijk de bladerboekjes van de volgende projecten: – Pedagogisch medewerker 3 en 4 kinderopvang – Een spellenboek samenstellen. – Pedagogisch medewerker 4 jeugdzorg – Pleegzorg binnen de jeugdhulpverlening. – Onderwijsassistent – Werken aan taalontwikkeling: het vertelspel. – Maatschappelijke zorg – Vormen van kleinschalig wonen. – Sociaal-cultureel werker – Armoede in Nederland. – Sociaal-maatschappelijk dienstverlener – Kom op voor het belang van je cliënt. Maak voor elk van deze zes projecten een lijst van alle activiteiten die tijdens het project moeten worden gedaan. Kies het project dat jullie het meest aanspreekt. En maak vanuit de lijst met activiteiten de globale projectplanning en de takenlijst voor het vooronderzoek voor dit project. Presenteer jullie projectplanning en takenlijst aan de andere groepjes.

ht E

• •

Theoriebron 8: Werken met projecten van Factor-E

du 'A ct ie fb

Projecten zijn belangrijke lesonderdelen. Vooral een goede planning maken is bij een project erg belangrijk. In deze opdracht ga je een aantal projecten van Factor-E bekijken en bekijk je welke activiteiten allemaal in een project moeten worden gedaan.

18

Orientatie op het werkveld

Zie voor meer informatie www.factor-e.nl


>

Reflectie

Cursusevaluatie Noem het belangrijkste dat je hebt geleerd.

.v .

Noem wat je het best is bevallen aan deze cursus.

Geef tips voor verbetering van de cursus.

Geef hier je overige opmerkingen.

ht E

Thermometer

du 'A ct ie fb

Voor welke onderdelen had je te weinig tijd?

Voor de inhoud van deze cursus geef ik een (1-10).

op y

rig

Voor de begeleiding van deze cursus geef ik een (1-10).

C

Voor de organisatie (zoals de aanwezige middelen, tijdsduur en lesruimte) van deze cursus geef ik een (1-10). Voor het kunnen ontwikkelen van mijn competenties bij de kerntaak en/of het werkproces waarbij deze cursus aansluit, geef ik een (1-10).

Š Uitgeverij Edu’Actief b.v.

19


Reflectie: beroepsproduct Wat was de opdracht?

.v .

Wat moest jij doen?

Wat was het resultaat van je activiteiten?

rig

Waarover was je minder tevreden?

ht E

Waarover was je tevreden?

C

op y

Hoe wil je het de volgende keer anders aanpakken?

20

du 'A ct ie fb

Noem activiteiten die je hebt gedaan.

Orientatie op het werkveld


> Theoriebron

1: De sociaalagogische beroepen op mboniveau in het kort

du 'A ct ie fb

.v .

Sociaal-agogische beroepen zijn alle beroepen en functies die erop gericht zijn mensen zo optimaal en volwaardig mogelijk te laten functioneren in de eigen woon- en leefomgeving, de sociale omgeving en samenleving (definitie van Thesaurus Zorg en Welzijn). Er zijn vijf werkvelden/sectoren waarin je als sociaal-agogische beroepskracht op mboniveau werkzaam kunt zijn: • maatschappelijke zorg • onderwijs • pedagogisch werk • sociaal-cultureel werk • sociaal-maatschappelijke dienstverlening. Elk werkveld heeft een beschrijving (kwalificatiedossier) gemaakt voor de beroepen op mbo-niveau. De kwalificatiedossiers voor de sociaal-agogische beroepen in het mbo zijn opgesteld door kenniscentrum Calibris (www.calibris.nl). In het kwalificatiedossier staat beschreven waar je kunt werken, welke beroepen er zijn, welke taken je moet doen en welke eisen aan een beroepskracht worden gesteld. In deze theoriebron staat de letterlijke tekst uit het kwalificatiedossier 2011-2012, waarin een korte omschrijving van het beroep wordt gegeven.

Maatschappelijke zorg in het kort

C

op y

rig

ht E

Je kunt komen te werken bij instellingen die begeleiding en zorg bieden op het gebied van persoonlijke verzorging, wonen of dagbesteding. Denk bijvoorbeeld aan een kleinschalige woonvorm voor ouderen of gehandicapten, dak- en thuislozentehuis, psychiatrisch centrum, zorgboerderij en verzorgings- of verpleeghuis. Daarnaast kun je komen te werken bij instellingen als een sociale werkvoorziening, re-integratiebedrijf, asielzoekerscentrum of justitiële inrichting. Je streeft ernaar mensen in de maatschappelijke zorg, ook wel cliënten genoemd, zo zelfstandig mogelijk te laten functioneren in hun eigen omgeving en als lid van de samenleving. Je krijgt te maken met bijvoorbeeld: • mensen van alle leeftijden met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking en/of een zintuiglijke beperking • volwassenen en ouderen met een psychiatrische aandoening • volwassenen en ouderen met een verslavingsprobleem • volwassenen en ouderen met een psychosociaal probleem of gedragsprobleem • ouderen met ouderdomsklachten • volwassenen en ouderen die dak- of thuisloos zijn • vrouwen (en hun eventuele kinderen) en mannen die te maken hebben gehad met huislijk geweld • aanstaande tienermoeders • volwassenen en ouderen die in justitiële inrichtingen verblijven • volwassenen en ouderen die asiel zoeken in Nederland • volwassenen en ouderen met een combinatie van problemen.

Onderwijsassistent in het kort Je bent als onderwijsassistent meestal actief in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, beroepsonderwijs of volwassenenonderwijs. Je werkt met groepen van verschillende leeftijden en opleidingsniveaus, met individuele leerlingen en deelnemers of als vaste assistent van één klas. Als onderdeel van een team richt jij je vooral op het ondersteunen van de bevoegde leraar of het team. Je bent verantwoordelijk voor de taken die je zelf uitvoert, waarbij een leraar of teamleider eindverantwoordelijk is.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

21


Pedagogisch werk in het kort

Sociaal-cultureel werker in het kort

.v .

Je werkt als groepsleider of woonbegeleider jeugd bij een organisatie voor kinderopvang of een instelling voor jeugdzorg. Denk bij kinderopvang aan een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of peuterspeelzaal. De kinderopvang biedt groepsgewijze opvang, ondersteuning en ontwikkelingsmogelijkheden aan kinderen van 0 tot en met 12 jaar. Meestal werk je met collega's in een team. In de jeugdzorg kun je bijvoorbeeld werken in de residentiële opvang, waar kinderen (tijdelijk) wonen en begeleid worden. Er zijn ook projecten voor jongeren die begeleid (zelfstandig) wonen. Je begeleidt kinderen of jongeren tot 23 jaar. Je werkt met: • kinderen die buiten huis opgevangen worden, van zowel werkende als niet-werkende ouders • kinderen of jongeren met ontwikkelingsachterstanden (bijvoorbeeld op het gebied van taal) of opvallend gedrag • kinderen of jongeren die met justitie in aanraking zijn gekomen.

du 'A ct ie fb

In deze functie richt jij je op de deelname van de burger aan de samenleving en zijn functioneren in de maatschappij. Met jouw algemene opleiding kun je aan de slag in de maatschappelijke opvang, als welzijnswerker, in een buurthuis, als educatief medewerker, als jongerenwerker of opbouwwerker, in de buitenschoolse opvang of in een wijkcentrum. Je werkt met allerlei groepen mensen, van alle leeftijden en met verschillende culturele achtergronden: jongeren, volwassenen, tieners, gehandicapten, asielzoekers. Of in het kader van het PGB (Persoons Gebonden Budget). Ook werk je samen met vertegenwoordigers van culturele en maatschappelijke organisaties.

Sociaal-maatschappelijk dienstverlener in het kort

op y

rig

ht E

Als sociaal-maatschappelijk dienstverlener wil je de zelfredzaamheid van je cliënten vergroten. Dit doe je door middel van begeleiding en het overbrengen van kennis en vaardigheden. Je richt je op de materiële en (daaraan gerelateerde) psychosociale behoeften van cliënten. Wat heeft iemand nodig om zijn draai te kunnen vinden in de maatschappij? Je werkt met cliënten van allerlei verschillende leeftijden en opleidingsniveaus. Je behandelt vragen over sociale zekerheid, belastingen, financiën, arbeid, huisvesting, vreemdelingenrecht, personen- en familierecht, onderwijs, consumentenzaken en/of toegang tot en gebruik van regelingen en voorzieningen. Met deze brede opleiding kun je op veel gebieden aan de slag: gezondheidszorg (verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg, ziekenhuizen), vluchtelingenwerk, ouderenwerk, crisisopvang, sociale pensions, justitiële inrichtingen, gemeenten, sociaal buurtbeheer, re-integratiebureaus, schuldhulpverleningsinstellingen, woningbouwcorporaties, sociaal-cultureel werk en soms bij scholen of de politie.

C

Helpende Zorg en Welzijn in het kort (niveau 2) Met jouw algemene opleiding kun je zorg bieden aan allerlei cliënten/zorgvragers. Mensen met een (chronische) ziekte, psychiatrische problemen, een verslaving of een handicap. Dit kunnen ouderen, volwassenen, jeugdigen, kinderen en pasgeborenen zijn. Je werkt vaak samen met de mantelzorgers of hebt te maken met wettelijke vertegenwoordigers van de cliënt/zorgvrager. Dat kunnen familieleden zijn, maar ook andere verzorgers. Je ondersteunt of begeleidt de cliënt/zorgvrager thuis of in een andere woonomgeving, maar kunt ook bij of voor een groep cliënten/zorgvragers werken. In een zorg- of welzijnsinstelling werk je samen met collega's, maar heb je ook vaak te maken met andere hulpverleners, zoals verzorgenden en sociaal-agogisch werkers. Deze functie kom je in veel vormen tegen: • In de gehandicaptenzorg ben je assistent-begeleider gehandicapten of groepshulp. • In de thuiszorg kom je de functies helpende thuiszorg, bejaardenhelpende of verzorgingshulp B tegen.

22

Orientatie op het werkveld


In het ziekenhuis vind je de voedingsassistent (deze verleent ook assistentie bij algemene dagelijkse levensbehoeften van de cliënt/zorgvrager). • In de kinderopvang ben je assistent. • In het welzijnswerk ben je de contactmedewerker voor de helpende. Helpende Zorg en Welzijn is een verantwoordelijke baan, waarbij je soms onder tijdsdruk werkt. Maar voor jouw inspanningen krijg je veel terug: cliënten/zorgvragers die blij zijn met jouw hulp en de fijne leefomstandigheden die jij hebt helpen creëren. In hun thuissituatie of in de zorg- of welzijnsinstelling. Je kunt echt een verschil maken in de kwaliteit van leven.

C

op y

rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

Bron: stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

23


> Theoriebron

2: Jouw werk als sociaal-agogisch werker

In de vijf kwalificatiedossiers voor de sociaal-agogische beroepen in het mbo op niveau 3 en 4 zijn in totaal negen verschillende uitstromen (diploma’s) beschreven. Deze uitstromen hebben ook betrekking op het niveau van het beroep. In het mbo zijn opleidingen verdeeld in vier niveaus: • Niveau 1: assistent-beroepsbeoefenaar. • Niveau 2: medewerker/basisberoepsbeoefenaar. • Niveau 3: vakopleiding. • Niveau 4: middenkaderfunctionaris/gespecialiseerd beroepsbeoefenaar.

du 'A ct ie fb

.v .

Om toegelaten te worden tot een opleiding van een bepaald niveau, moet je voldoen aan toelatingscriteria. In niveau 2 kun je worden toegelaten met een vmbo-diploma van de basisberoepsgerichte leerweg. Voor niveau 3 en 4 is minimaal een vmbo-diploma (kaderberoepsgerichte leerweg, gemengde leerweg of theoretische leerweg) of een overgangsbewijs van havo/vwo 3 naar havo/vwo 4 nodig. Met een niveau 2-diploma voldoe je ook aan de toelatingseisen voor een niveau 3-opleiding. Een ROC kan werken met een doorstroom van niveau 3 naar 4 en hanteert soms voor het starten met een niveau 4-opleiding de eis dat het instroomniveau minimaal de theoretische leerweg moet zijn. Per ROC kunnen er verschillen zijn in de instroom- en doorstroomcriteria. Niet elk ROC biedt alle uitstroomrichtingen aan. Informeer naar welke uitstromen je kunt doen bij jouw ROC.

ht E

Maatschappelijke zorg 1. Medewerker maatschappelijke zorg (niveau 3). 2. Persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg (niveau 4). 3. Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen (niveau 4). Onderwijs 4. Onderwijsassistent (niveau 4).

op y

rig

Pedagogisch werk 5. Pedagogisch medewerker kinderopvang (niveau 3). 6. Gespecialiseerd pedagogisch medewerker kinderopvang (niveau 4). 7. Pedagogisch medewerker jeugdzorg (niveau 4).

C

Sociaal-cultureel werk 8. Sociaal-cultureel werker (niveau 4). Sociaal-maatschappelijke dienstverlening 9. Sociaal-maatschappelijk dienstverlener (niveau 4). De onderstaande teksten over het werk en de verschillende uitstroomrichtingen zijn afkomstig uit de kwalificatiedossiers.

Maatschappelijke zorg Medewerker maatschappelijke zorg (niveau 3) De medewerker maatschappelijke zorg houdt zich vooral bezig met uitvoerende taken op het gebied van persoonlijke verzorging, wonen en huishouden, vrije tijd, scholing en werk. • Je levert informatie voor het plan van aanpak. • Je ondersteunt individuele cliënten of een groep cliënten zo goed mogelijk op het gebied van persoonlijke verzorging, wonen, scholing, sport, werk en vrije tijd.

24

Orientatie op het werkveld


• •

Je stimuleert de cognitieve, motorische, sociale, emotionele en creatieve ontwikkeling van cliënten bij activiteiten. Je voert activiteiten met een groep cliënten uit en zorgt dat ze gemotiveerd de activiteiten uitvoeren.

op y

rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

Persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg (niveau 4) Naast de uitvoerende taken (op niveau 3) verzamel je als persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg informatie over jouw cliënt, die je verwerkt in een plan van aanpak. Je begeleidt cliënten van alle leeftijden met één of meer beperkingen, die soms complex van aard zijn. De beperking kan verstandelijk, lichamelijk of zintuiglijk zijn, of een combinatie daarvan. Cliënten kunnen naast hun (verstandelijke) beperking ook gedragsproblemen hebben. De persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg verricht ook verpleegtechnische handelingen, zoals medicijnen toedienen op een deskundige en verantwoorde manier. De persoonlijk begeleider gehandicaptenzorg is begeleider of groepsleider, maar kan ook aan het werk als coördinerend begeleider, pedagogisch werker, ambulant begeleider, pedagogisch thuishulp en sociaalpedagogisch beroepskracht of jobcoach.

C

Persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen (niveau 4) Naast de uitvoerende taken (op niveau 3) verzamel je als persoonlijk begeleider specifieke doelgroepen informatie over jouw cliënt, die je verwerkt in een plan van aanpak. Je werkt met volwassen of oudere cliënten die het niet lukt om zelfstandig deel te nemen aan de samenleving. Sommige cliënten hebben langdurige ondersteuning nodig op het gebied van persoonlijke verzorging, wonen en dagbesteding en wonen daarom in een instelling, zoals een psychiatrisch centrum. Andere cliënten begeleid je tijdelijk bij het terugkeren in de samenleving. Bijvoorbeeld verslaafden, maar ook vrouwen die een onderkomen zoeken in een instelling voor vrouwenopvang. Je werkt vaak met cliënten met meer (complexe) problemen, zoals een verslaafde dakloze cliënt met geldproblemen. Je kunt aan de slag als begeleider of groepsleider in bijvoorbeeld de geestelijke gezondheidszorg, ouderenzorg of maatschappelijke opvang. Ook kun je aan het werk als jobcoach, trajectbegeleider en werkbegeleider.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

25


Onderwijs

Pedagogisch werk

du 'A ct ie fb

.v .

Onderwijsassistent (niveau 4) Een onderwijsassistent werkt vooral 'rondom de lessen' (lees: het primaire proces) of assisteert bij lessen. Binnen haar werk kan zij ook met computerprogramma's werken. De taken van de onderwijsassistent bestaan uit drie soorten werkzaamheden: • Pedagogisch-verzorgende werkzaamheden: werkzaamheden gericht op hygiëne, veiligheid en verzorging. • Pedagogisch-didactische werkzaamheden: begeleidende werkzaamheden gericht op taken rondom het primaire proces en op deeltaken binnen het onderwijsproces. • Technisch-instrumentele werkzaamheden: werkzaamheden inzake het ontwikkelen en verzorgen van lessen, gericht op het aanleren van beroepsvaardigheden van leerlingen. Het pedagogisch-didactische werk vormt de kern van het beroep. In het basisonderwijs en in het speciaal onderwijs is de onderwijsassistent vooral pedagogisch-verzorgend bezig. In het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs kan de onderwijsassistent ook te maken krijgen met technisch-instrumentele werkzaamheden. De onderwijsassistent beheerst de leerstof praktisch minimaal op het niveau als leerlingen of deelnemers deze moeten kennen.

De pedagogisch medewerker kinderopvang (niveau 3) De pedagogisch medewerker 3 kinderopvang biedt dagelijkse opvang, ontwikkeling, opvoeding en verzorging aan een groep kinderen. Vaak zijn dit kinderen zonder specifieke begeleidingsvraag. Als zij kinderen met ontwikkelingsachterstanden of opvallend gedrag begeleidt, neemt ze daarbij het opgestelde plan van aanpak als uitgangspunt. Zij bespreekt de dagelijkse gang van zaken met de ouders/vervangende opvoeders. De meer formele voortgangsgesprekken zullen, indien gewenst, samen met of door haar leidinggevende worden gevoerd.

C

op y

rig

ht E

Gespecialiseerd pedagogisch medewerker kinderopvang (niveau 4) De gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang richt zich daarnaast op meer coördinerende taken binnen de opvang en is het aanspreekpunt voor ouders, collega’s en externe betrokkenen bij de begeleiding van kinderen met specifieke begeleidingsvragen. Zij beantwoordt vragen van ouders over de ontwikkeling/opvoeding van hun kind en informeert hen over stappen die gezet kunnen worden bij een gesignaleerde ontwikkelingsachterstand of opvallend gedrag. Ook stimuleert zij ouders thuis (spel)activiteiten uit te voeren voor de ontwikkeling van het kind en adviseert ze hen daarbij. Ze informeert ouders over de werkwijze en het aanbod van andere instellingen (zoals basisscholen en bureaus voor opvoedingsvoorlichting). De gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang onderhoudt eventueel contacten met andere professionals, zoals in het kader van de brede school.

PEUTERSPEELZAAL en BSO De pedagogisch medewerker 3 kinderopvang of gespecialiseerd pedagogisch medewerker 4 kinderopvang kan ook werkzaam zijn een peuterspeelzaal of in de BSO (buitenschoolse opvang). Pedagogisch medewerker jeugdzorg (niveau 4) De pedagogisch medewerker 4 jeugdzorg richt zich op opvang en begeleiding bij de problematische ontwikkeling en opvoeding van kinderen en jongeren. Ook licht verstandelijk beperkte jongeren behoren tot de doelgroep. Zij levert een bijdrage aan het opstellen van een plan van aanpak voor de begeleiding van een kind/jongere. Ze neemt het in het team opgestelde plan van aanpak als uitgangspunt voor haar handelen. Zij ondersteunt het kind/de jongere bij zijn verzorging en ontwikkeling. Hiervoor stelt ze een (dag)indeling en activiteiten(programma) op en voert ze deze uit. De pedagogisch medewerker 4 jeugdzorg biedt ontwikkelingsgerichte activiteiten op het gebied van

26

Orientatie op het werkveld


bijvoorbeeld koken, financiën en sociale vaardigheden. Ze creëert een veilige en stimulerende (leef)omgeving voor het kind/de jongere, met een optimaal opvoedingsklimaat. Daarnaast ondersteunt zij het kind/de jongere bij de inrichting van zijn dagelijks leven, het realiseren van vrijetijdsbesteding, onderwijs, werk, wonen en bij relatievorming.

Sociaal-cultureel werk

du 'A ct ie fb

.v .

Sociaal-cultureel werker (niveau 4) De sociaal-cultureel werker organiseert activiteiten en projecten met groepen van uiteenlopende leeftijden en achtergronden. Zij begeleidt de uitvoering van projecten en activiteiten of voert deze zelf uit. De projecten en activiteiten kunnen betrekking hebben op ontmoeting, recreatie, opvang, opvoeding, sport, kunst, cultuur, politiek en educatie, of op combinaties hiervan. De sociaal-cultureel werker richt zich op de participatie van de burger en zijn functioneren in de samenleving, met als doel de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de doelgroep te vergroten en het woon-, werk- en leefklimaat te verbeteren (of soms middels preventie erger te voorkomen). De sociaal-cultureel werker heeft het vermogen om individuen, groepen en samenlevingsverbanden in hun waarde te laten en de ambitie om ieder tot zijn recht te laten komen. Zij gaat uit van een positief mensbeeld en gelooft in de beïnvloedbaarheid en ontwikkelmogelijkheden van personen, groepen en samenlevingsverbanden, met als doel de kwaliteit van leven te verbeteren (en hiermee het welzijn).

Sociaal-maatschappelijke dienstverlening

rig

ht E

Sociaal-maatschappelijk dienstverlener (niveau 4) De sociaal-maatschappelijk dienstverlener houdt zich bezig met het in kaart brengen van materiële (en daaraan gerelateerde) psychosociale behoeften van de cliënt, praktische dienstverlening, informeren en adviseren over regelingen/procedures of voorzieningen, belangenbehartiging, dossiervorming/rapporteren, verwerken van gegevens, overleg voeren en afstemmen met andere disciplines of hulpverleners. Coördinatie, overleg en afstemming zijn vooral gekoppeld aan cliëntgebonden werkzaamheden. Afhankelijk van de functie, organisatie en doelgroep zal het zwaartepunt van de functie net anders liggen. In sommige organisaties ligt het zwaartepunt van de werkzaamheden bij informatie en advies, dossiervorming en bemiddeling op het terrein van sociale zekerheid. Omgaan met verschillende typen cliënten en het voeren van verschillende soorten gesprekken zijn van groot belang. In andere organisaties ligt het accent op ondersteuning en begeleiding van kwetsbare doelgroepen bij hun materiële behoeften.

C

op y

Bron: stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

27


> Theoriebron

3: Beroepshouding

Typerende beroepshouding van een sociaal-agogisch werker

du 'A ct ie fb

.v .

Werken in de sociaal-agogische sector betekent direct werken met cliënten, in het pedagogisch werk met kinderen en jongeren. Hierbij speelt de beroepskracht als persoon een essentiële rol. Haar kwaliteiten zijn van doorslaggevend belang bij het aangaan van een professionele relatie en bij het bereiken van de gewenste resultaten. Voor een verantwoorde beroepsuitoefening moet de beroepskracht de volgende eigenschappen hebben: • Betrokken: de beroepskracht doet haar werk vanuit een maatschappelijk engagement. Bij deze betrokkenheid past een professionele distantie. • Empathisch: de beroepskracht kan zich inleven in de situatie van zijn cliënt en is in staat zijn kwaliteiten, talenten en potenties te zien en te waarderen. • Assertief: de beroepskracht heeft een antenne voor verbale en non-verbale signalen en weet hierop op de juiste wijze te reageren, waarbij zij haar eigen waarden, normen en grenzen bewaakt. • Representatief: de beroepskracht heeft een positieve, professionele uitstraling naar cliënten en collega's en presenteert zich als vertegenwoordiger van haar (werk)organisatie met een eigen beroepsidentiteit en ethiek. • Integer: de beroepskracht is betrouwbaar en handelt conform algemeen geldende ethische normen en de beroepscode.

Daarnaast werkt de beroepskracht resultaatgericht, efficiënt, methodisch, hygiënisch, veilig, kostenbewust, milieubewust, tijdsbewust (ten aanzien van de eigen werktijd) en ergonomisch verantwoord.

ht E

Maatschappelijke zorg

C

op y

rig

Jouw kwaliteiten Je hebt direct contact met cliënten. Daarom is jouw persoonlijkheid doorslaggevend. Je gaat een professionele relatie met de cliënten aan. De ontwikkeling van deze kwaliteiten en eigenschappen kan je daarbij helpen: • Betrokken: je hebt interesse in maatschappelijke vraagstukken in het algemeen en in jouw cliënt specifiek. Vanzelfsprekend met de nodige professionele afstand. • Empathisch: je kunt je inleven in de situatie van de cliënt en ziet, waardeert en respecteert zijn kwaliteiten, talenten en mogelijkheden. • Assertief: je kunt op een juiste, positieve manier voor jezelf opkomen. • Representatief: als vertegenwoordiger van jouw organisatie houd je van een positieve en professionele uitstraling. • Integer: je bent betrouwbaar en handelt volgens ethische normen en de beroepscode.

Onderwijsassistent Jouw kwaliteiten • Je bent een sociaal, begripvol en integer persoon en kunt goed communiceren. • Je bent flexibel, toont initiatief en kunt zelfstandig werken. • Je neemt graag je verantwoordelijkheid. • Je weet je prima staande te houden tussen de leerlingen en in onverwachte situaties. • Je wilt vooral plezier hebben in je werk en vindt het leuk om leerlingen te motiveren en enthousiast te maken. Typerende beroepshouding onderwijsassistent Een baan in het onderwijs betekent direct werken met en rond leerlingen. Heel belangrijk hierbij is de 'persoonlijkheid' van de beroepskracht. Haar persoonlijke kwaliteiten zijn doorslaggevend bij het aangaan van een professionele relatie en voor het bereiken van de

28

Orientatie op het werkveld


rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

gewenste resultaten. Een onderwijsassistent is zich ervan bewust dat in haar baan haar eigen persoonlijkheid het belangrijkste gereedschap is voor een goede uitvoering van haar beroep. Voor leerlingen is het heel belangrijk dat een onderwijsassistent rust en stabiliteit uitstraalt. Zij moet ervoor zorgen dat ze emotioneel en sociaal stabiel is. Zij weet dat de werkomgeving haar stabiliteit kan beïnvloeden en moet daarom goed daarop kunnen reageren. Ook beschikt de onderwijsassistent over integriteit in haar beroepshouding. Zij gaat correct om met vertrouwelijke gegevens en is zich ervan bewust dat zij met privacygevoelig en/of organisatiegevoelig materiaal omgaat. Een onderwijsassistent is mensgericht, sociaal communicatief, betrokken, empathisch, assertief, representatief, integer, flexibel, initiatiefrijk, leergierig en zelfstandig. Creativiteit (vindingrijkheid) is wenselijk. Een onderwijsassistent werkt resultaatgericht en veilig en is efficiënt en methodisch. Zij gaat bewust om met kosten en het milieu (bijvoorbeeld bij het gebruik van materialen). Ook werkt zij hygiënisch en ergonomisch verantwoord (bijvoorbeeld: bij de verzorging van leerlingen).

op y

Pedagogisch werk

C

Deze interesses en eigenschappen komen in dit beroep goed van pas: • Je wilt werken met kinderen en jongeren. • Je werkt graag met groepen kinderen en jongeren, omdat er sociaal gezien veel gebeurt en je moet omgaan met onverwachte gebeurtenissen, wisselende situaties en stemmingen. • Je houdt je graag bezig met de ontwikkeling van kinderen/jongeren: kwaliteiten, talenten en mogelijkheden zien, waarderen en ‘prikkelen'. • Je bent goed in de omgang met ouders en houdt rekening met hun verwachtingen en wensen. Je bent klantgericht. • Je kunt goed communiceren en je verplaatsen in de leef- en belevingswereld van een kind/jongere en zijn ouders/vervangende opvoeders. • Je bent betrouwbaar en weet hoe je warmte en geborgenheid kunt geven. • Je bent flexibel in de omgang met kinderen, jongeren en ouders, maar weet daarbij de regels te handhaven en kinderen en jongeren daarop aan te spreken. Je weet dat strengere maatregelen soms in het belang van een kind of jongere kunnen zijn. • Je kunt een band met het kind/de jongere opbouwen, maar je weet ook professionele afstand te houden.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

29


Je weet van aanpakken als de ontwikkeling niet soepel of niet volgens verwachting verloopt.

Door Abvakabo FNV is een Beroepscode Kinderopvang opgesteld voor pedagogisch medewerkers. Daarin zijn ethische en praktische normen en beginselen opgenomen die bij de uitoefening van het beroep gehanteerd moeten worden en die binnen de beroepsgroep algemeen geaccepteerd zijn.

Sociaal-cultureel werker

du 'A ct ie fb

.v .

Jouw kwaliteiten • Als sociaal-cultureel werker werk je graag met verschillende mensen met verschillende achtergronden. • Je respecteert de mensen met wie je werkt en kunt hen in hun waarde laten. • Je wilt iedereen tot zijn recht laten komen. • In jouw werk ga je uit van het beste in de mens. • Je weet mensen op zodanig te beïnvloeden dat dit de kwaliteit van hun leven verbetert. Als sociaal-cultureel werker ben je ook commercieel en ondernemend ingesteld om nieuwe ontwikkelingen te signaleren en te vertalen in nieuw beleid op het gebied van sociaal-cultureel werk. Dit omdat de sociaal-cultureel werker ook wel eens zelfstandig ondernemer is.

Sociaal-maatschappelijk dienstverlener

rig

ht E

Jouw kwaliteiten • Voor dit afwisselende beroep moet je veel kunnen improviseren. • Je bouwt een professionele band op met je cliënten, maar raakt niet te betrokken en kunt goed je grenzen aangeven. • Je kunt je inleven in cliënten en ziet en waardeert hun kwaliteiten, mogelijkheden en talenten. • Je bent assertief en proactief, toont lef, doet voorstellen en geeft graag je eigen mening. • Je kunt omgaan met tegenstrijdige belangen, weerstand en agressie. • Als vertegenwoordiger van jouw organisatie ben je representatief en heb je een positieve, professionele uitstraling. • Je bent integer en bouwt een vertrouwensband op met de cliënt. • Je komt betrouwbaar over en handelt volgens ethische normen en de beroepscode.

C

op y

Bron: stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

30

Orientatie op het werkveld


> Theoriebron

4: Het werkveld voor de sociaal-agogische beroepsopleidingen (de context)

In een werkveld kunnen er verschillende instellingen zijn van waaruit het werk wordt gedaan.

Maatschappelijke zorg

Onderwijsassistent

du 'A ct ie fb

.v .

Beroepskrachten maatschappelijke zorg zijn werkzaam in instellingen voor wonen, dagbesteding en vrije tijd in onder andere de gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg, ouderenzorg en maatschappelijke opvang. Daarnaast zijn zij werkzaam in welzijnsinstellingen, sociale werkvoorzieningen, re-integratiebedrijven, justitiële inrichtingen, asielzoekerscentra, verpleeghuizen en ziekenhuizen. Verder zijn zij onder andere ook inzetbaar in overige verzorgend-agogische functies binnen het sociaalagogisch werk of in de verpleging en verzorging. Daarbij komen verschillende typen dienstverlening voor, zoals 24 uurszorg (intramuraal), semimurale zorg en ambulante zorg.

ht E

Een onderwijsassistent werkt meestal in teamverband. Haar werk is vooral gericht op de ondersteuning van het onderwijsleerproces. Daarbij is een onderwijsassistent vaak gekoppeld aan één leraar; maar zij kan ook werken voor een groep leraren. De onderwijsassistent is meestal lid van een team. Zij voert daarbinnen haar eigen taken uit. Zij kan werken met meer groepen leerlingen (of mbo-deelnemers) van uiteenlopende leerjaren; in verschillende settings in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, beroepsonderwijs of de volwasseneneducatie. De onderwijsassistent kan ook werken in een combinatiefunctie. Zij werkt dan bijvoorbeeld op een brede school of in de voor- en vroegschoolse educatie. Daarin zorgt zij ook voor de opvang van kinderen buiten de directe schooluren.

rig

Pedagogisch werk

C

op y

De pedagogisch medewerker kinderopvang is inzetbaar in een kinderdagverblijf, de buitenschoolse opvang of een peuterspeelzaal. De opvang kan plaatsvinden in het kader van de brede school. In de Wet kinderopvang (1 januari 2005) is het begrip voor verantwoorde kinderopvang weergegeven. In artikel 49 staat: ‘Een houder van een kindercentrum biedt verantwoorde kinderopvang aan, waaronder wordt verstaan: opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.’ Volgens deze wet moet pedagogisch beleid van de ondernemer leiden tot verantwoorde kinderopvang. In de toelichting op de wet staat dat dit kan door: 1. het bieden van voldoende veiligheid 2. het bieden van voldoende mogelijkheden om persoonlijke competenties te ontwikkelen 3. het bieden van voldoende mogelijkheden om sociale competenties te ontwikkelen 4. overdracht van normen en waarden. De pedagogisch medewerker jeugdzorg is werkzaam in semiresidentiële en residentiële instellingen voor jeugdzorg (bijvoorbeeld gezinshuizen, logeerhuizen, crisisopvang en dagbehandeling) en – in aansluiting daarop – bij jongeren thuis (activerende begeleiding).

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

31


Sociaal-cultureel werk

Sociaal-maatschappelijk dienstverlener

.v .

De sociaal-cultureel werker werkt binnen de sector sociaal-agogisch werk op het gebied van: • recreatie, (buitenschoolse) opvang, sport en spel • kunst, cultuur en amusement (waaronder culturele en kunstzinnige festivals) • educatie, burgerschapsvorming en (ambulant) jongerenwerk. De sociaal-cultureel werker werkt, vanuit een organisatie, gebiedsgericht (wijk, buurt of dorp) of stedelijk voor een specifieke bevolkingsgroep. Zij werkt in of vanuit wijkaccommodaties. Zij is ook inzetbaar in functies op sociaal-cultureel gebied binnen de maatschappelijke opvang, in de buitenschoolse opvang en voor het begeleiden van mensen met een beperking. In de functie van jongerenwerker heeft haar werk vaak een niet locatiegebonden outreachend karakter.

Helpende Zorg en Welzijn

du 'A ct ie fb

De sociaal-maatschappelijk dienstverlener kan werkzaam zijn in een veelheid aan organisaties, zoals verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg, ziekenhuizen, woonorganisaties, gemeenten, arbeidsbemiddeling, organisaties voor algemeen maatschappelijk werk, asielzoekerscentra en vluchtelingenwerk, justitiële inrichtingen, organisaties voor slachtofferhulp, dak- en thuislozenzorg, verslaafdenzorg, crisisopvang, sociale pensions, Bureau Sociaal Raadslieden en Fiom-bureaus.

De helpende Zorg en Welzijn werkt binnen de gezondheidszorg en in het sociaal-agogisch werk in diverse settings op het snijvlak van wonen, zorg en welzijn. Zij richt zich op de zorg en ondersteuning van de individuele cliënt/zorgvrager of van de groep cliënten/zorgvragers in de context.

rig

ht E

Zij voert eenvoudige, routinematige werkzaamheden uit op het terrein van huishouden, persoonlijke verzorging/ADL en het organiseren van activiteiten. Ze voert haar werkzaamheden zelfstandig uit, in laag complexe, stabiele en veelal langdurige situaties. In meer complexe situaties, bijvoorbeeld intramurale settings of in een kleinschalige verblijfsvoorziening, werkt zij in teamverband en assisteert zij andere beroepsbeoefenaren bij de zorgverlening en/of de sociaal-agogische werkzaamheden. In elke werksetting werkt ze volgens protocollen.

op y

In alle werksettings heeft ze te maken met de leidinggevende en werkt ze samen met collega's. Ook met die van andere disciplines, zoals verzorgenden, verpleegkundigen, artsen of verloskundigen en sociaal-agogisch werkers.

C

Bron: stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

32

Orientatie op het werkveld


> Theoriebron

5: Kerntaken, werkprocessen en competenties

Kerntaken

du 'A ct ie fb

Kerntaken zijn taken die regelmatig moeten worden uitgevoerd in het beroep. De kerntaken zijn opgedeeld in werkprocessen.

.v .

Alle opleidingen in het mbo zijn op eenzelfde manier beschreven in kwalificatiedossiers. Deze zijn opgesteld door de Kenniscentra Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (KBB). Het kenniscentrum dat de kwalificatiedossiers voor de zorg-, welzijn- en sportopleidingen heeft opgesteld, is Calibris (www.calibris.nl). In een kwalificatiedossier staan de beroepsbeschrijvingen van beroepen met gemeenschappelijke kerntaken. In een kwalificatiedossier staan dus soms meer opleidingen (uitstromen) beschreven.

Werkprocessen

Een werkproces is een aantal bij elkaar horende handelingen (beroepsactiviteiten) binnen de kerntaak. Een werkproces heeft een resultaat en is kenmerkend en herkenbaar in de beroepspraktijk. Bij de werkprocessen is aangegeven welke competenties voor de uitvoering hiervan nodig zijn.

Competenties

Er zijn veel verschillende definities van competenties. De kern is dat een competentie bestaat uit een combinatie van kennis, vaardigheden en persoonlijke kenmerken, zoals houding en gedrag.

rig

ht E

Competenties zijn ontwikkelbare vermogens van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd en proces- en resultaatgericht kunnen handelen. Competenties zijn samengesteld van karakter en relateren aan onderliggende vaardigheden, kennis en houding. Competenties krijgen pas betekenis in een context. Of iemand over de gevraagde competenties beschikt, wordt zichtbaar in gedrag dat, als één van de voorwaarden, leidt tot succes bij het uitoefenen van het beroep.

op y

Er zijn ook veel verschillende soorten omschrijvingen van competenties. In alle kwalificatiedossiers voor het mbo worden de competenties beschreven volgens het KBBcompetentiemodel (powered by SHL). Zie voor een link naar de lijst van de competenties van het KBB-competentiemodel de website van Factor-E.

Zie voor meer informatie www.factor-e.nl

C

Voor elke uitstroomrichting is een competentiematrix opgesteld waarin per kerntaak en per werkproces is aangegeven over welke competenties je moet beschikken om deze goed te kunnen uitvoeren.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

33


.v .

op y

rig

ht E

du 'A ct ie fb

Wat je moet laten zien bij een competentie, is afhankelijk van het beroep en het werkproces (context). Van een kapper wordt bij de competentie samenwerken en overleggen net weer ander gedrag gevraagd dan bij diezelfde competentie voor een pedagogisch medewerker kinderopvang. Dit gedrag staat beschreven in deel C van het kwalificatiedossier (onder de prestatie-indicator).

C

Tijdens je opleiding zul je beoordeeld worden met behulp van deze prestatie-indicatoren. Als je kunt laten zien wat in de prestatie-indicatoren is beschreven, voldoe je aan de eisen van dat beroep. Je kunt alle kwalificatiedossiers voor het mbo bekijken op de website www.kwalificatiembo.nl. Ze staan daar beschreven per dossier en in alfabetische volgorde. Tip: Je kunt het dossier van de opleiding die jij volgt ook downloaden, zodat je dit ook kunt bekijken wanneer je geen internetverbinding hebt.

34

Orientatie op het werkveld


> Theoriebron

6: STAR, STARR,

STARRT Reflecteren is terugkijken op en nadenken over hoe je hebt gehandeld en hoe je je handelen kunt verbeteren.

du 'A ct ie fb

.v .

De STARR-methode voor reflectie zul je vaak in de opleiding en later tijdens je beroep tegenkomen. Reflecteren doe je om te leren en je handelen en gedrag in de toekomst nog beter te maken. De basis van de methode is STAR: • Situatie • Taak • Acties • Resultaat. Dit is een veelgebruikte manier om bijvoorbeeld tijdens sollicitaties een kandidaat zijn geschiktheid voor het beroep te laten aantonen. In de opleiding kan STAR gebruikt worden bij het aantonen van competenties bij opdrachten, de stage (BPV) en de examinering. Je kunt de STAR-methode ook gebruiken als een interviewtechniek. De interviewer vraagt dan naar concreet gedrag. Deze techniek wordt meestal gebruikt om te beoordelen of iemand aan bepaalde eisen (criteria) voldoet. Een interview volgens de STAR-methode wordt ook wel een criteriumgericht interview genoemd. Bij STAR kunnen per onderdeel bijvoorbeeld de volgende vragen worden gesteld:

rig

ht E

Situatie • Wat was de situatie? • Wat was de aanleiding? • Wat gebeurde er? • Wie waren erbij betrokken? • Waar speelde de situatie zich af? • Wanneer speelde deze situatie? • Welke kerntaak en welk werkproces voerde je uit?

C

op y

Taak • Wat was je taak? • Wat was je rol? • Wat wilde je bereiken? • Wat werd van je verwacht? • Wat verwachte je van jezelf in die situatie? • Wat vond je dat je moest doen? • Welke competenties waren nodig voor het uitvoeren van de taak? Acties • Wat heb je precies gezegd en/of gedaan? • Hoe was je aanpak? • Hoe reageerden anderen op jouw aanpak? • En hoe heb jij daarop vervolgens weer gereageerd? • Enzovoort. Resultaat • Wat kwam eruit? • Hoe is het afgelopen? • Wat was het resultaat van je handelen? • Hoe reageerden de anderen?

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

35


De STAR-methode kun je ook gebruiken in je eigen leerproces. Je stelt jezelf dan de vragen die horen bij de onderdelen van de STAR-methode en schrijft hierover een verslag. Omdat je de STAR-methode dan gebruikt om van te leren, moet je reflecteren. Je stopt dan niet bij de beschrijving van het resultaat, maar kijkt terug op hoe je hebt gehandeld en hoe je je handelen kunt verbeteren. Je reflecteert dus op je eigen handelen. Je hebt het dan over STARR. De laatste R is van Reflectie.

.v .

Vragen bij Reflectie kunnen zijn: • Hoe vond je dat je het deed? • Was je tevreden met de resultaten? • Wat zou je een volgende keer anders doen? • Wat heb je daarvoor nodig? • Welke leerdoelen kun je hieruit halen voor jezelf?

C

op y

rig

ht E

Vragen bij Transfer kunnen zijn: • Wat wil ik anders doen? • Wat ga ik anders doen? • Welke mogelijkheden heb ik? • Welke voornemens kan ik formuleren? • Hoe ga ik dat aanpakken? • Waarop ga ik speciaal letten? • Waar ga ik het uitproberen?

du 'A ct ie fb

In een aantal situaties stopt de STARR-methode ook na Reflectie nog niet. Er wordt dan nog gevraagd naar een transfer. Hiermee wordt bedoeld dat je ook aangeeft hoe je het in een volgende situatie zou gaan doen. Je hebt dan de STARRT-methode. De laatste T is van Transfer.

36

Orientatie op het werkveld


> Theoriebron

7: Cursussen, trainingen, projecten en BPV

ht E

du 'A ct ie fb

De fasen in het leerproces volgens Kolb zijn:

.v .

Het onderwijs is de laatste jaren veranderd. Je zit tegenwoordig niet meer in een bankje en luistert niet meer naar een docent die vertelt wat je moet weten. Leren wordt nu meer gezien als een proces dat uiteindelijk leidt tot gedragsverandering. De Amerikaanse leerpsycholoog David Kolb beschrijft vier fasen in het leerproces. Alle vier fasen moeten doorlopen worden voor effectief leren, maar de cyclus hoeft niet altijd in dezelfde fase te starten. De meeste mensen hebben een voorkeursleerstijl. Dat wil zeggen dat je voorkeur hebt voor een bepaalde fase in de leercyclus.

C

op y

rig

Wanneer je een bepaalde leerstijl hebt, leer je het meest van de activiteiten die bij die fase in het leerproces horen. Toch is het belangrijk om ook aan de andere fasen in het leerproces aandacht te schenken, dus om ook de andere leerstijlen te ontwikkelen. Veel mbo-opleidingen werken daarom tegenwoordig met verschillende soorten onderwijsopdrachten die aansluiten bij de verschillende leerstijlen. Deze worden soms ook wel in verschillende leerlijnen ondergebracht. Veel scholen gebruiken de term 'leerlijnen'. Een leerlijn is een groep opdrachten met gemeenschappelijke kenmerken. Dit kunnen opdrachten zijn die een gemeenschappelijk onderwerp behandelen of opdrachten die aansluiten bij een bepaalde leerstijl. Je kunt dus een leerlijn Nederlands hebben, maar ook een leerlijn vaardigheden. De opzet van de verschillende soorten opdrachten in de lespakketten van Factor-E sluiten aan bij de leerlijnen. Dit betekent niet dat in een project of tijdens een training nooit de fase van abstracte begripsvorming zit, maar de nadruk op de abstracte begripsvorming ligt in een cursus.

Š Uitgeverij Edu’Actief b.v.

37


Leerlijnen volgens Kolb

Leerlijnen in lespakketten Factor-E

Fase 1

Concreet ervaren

Integrale leerlijn – Reflectie/ervaring leerlijn

Projecten BPV-opdrachten

Fase 2

Waarnemen en overdenken

Vaardigheden leerlijn

Trainingen

Fase 3

Abstracte begripsvorming

Conceptuele leerlijn

Cursussen

Fase 4

Actief experimenteren

Integrale leerlijn – Reflectie/ervaring leerlijn

Projecten BPV-opdrachten

Cursussen

op y

Trainingen

rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

Een cursus is de onderwijsvorm die nog het meest lijkt op het onderwijs dat je op het vmbo hebt gehad. In een cursus krijg je uitleg over begrippen en theorie. Je volgt nu een beroepsgerichte opleiding. De theorie heeft dan ook te maken met de kerntaken en werkprocessen van het beroep. In een cursus wordt deze theorie vaak behandeld met behulp van opdrachten die over een casus (praktijkprobleem) gaan. In de cursus wordt ook schriftelijke informatie over de theorie gegeven. Deze theorie staat in de theoriebronnen en wordt vaak ook door de docent toegelicht. De cursus rond je af met een grotere opdracht waarvoor je individueel of met een groepje een beroepsproduct maakt. Een beroepsproduct is een onderdeel van het werk, bijvoorbeeld een begeleidingsplan voor een kind of een begroting voor een evenement. Behalve uit het beroepsproduct bestaat een cursus vaak uit een schriftelijke toets om te bekijken of je voldoende kennis hebt van de behandelde stof uit de cursus. Een cursus bestaat meestal uit een wekelijkse bijeenkomst en uit een deel waarin je zelf aan de opdrachten moet werken. Afhankelijk van het rooster van je school duren de bijeenkomsten 1-2 uur. Verwacht wordt dat je dezelfde hoeveelheid tijd aan de opdrachten besteedt. De kern van een cursus is: • kennis leren toepassen • de docent is expert • theorie wordt aangeboden • theorie toepassen aan hand van casussen • opgedane kennis wordt aan het einde van de cursus getoetst.

C

Voor je beroep moet je beschikken over vaardigheden. Je moet bijvoorbeeld een informatief gesprek kunnen voeren of moet een kind kunnen begeleiden bij het knutselen. In een training oefen je deze vaardigheden in de school. Je speelt vaak rollenspelen om situaties na te bootsen. Of je oefent zelf met de technieken waarmee je kinderen of jouw cliënten en deelnemers moet begeleiden. De docent is meer een trainer die je ondersteunt bij het aanleren van de vaardigheden. Bij de oefeningen in een training moet je steeds reflecteren (terugkijken) op hoe je het hebt gedaan. Bij een training leer je door te doen. Een training sluit je af met het demonstreren van de vaardigheden die je in de training hebt moeten leren. Je wordt beoordeeld op het goed kunnen uitvoeren van deze vaardigheden. De kern van een training is: • vaardigheden oefenen en vergroten • de docent is trainer • voordoen en nadoen • vaardigheden oefenen met behulp van casussen • reflecteren op je handelen tijdens de oefeningen.

38

Orientatie op het werkveld


Projecten

rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

In een project werk je meestal in een kleine groep leerlingen samen om een opdracht uit te voeren. Een projectopdracht is meestal vrij ingewikkeld. Je moet veel onderzoek doen om de opdracht te kunnen uitvoeren. Bij een project is de docent/begeleider er alleen maar om je te ondersteunen bij de aanpak en om te beoordelen of jullie de opdracht goed uitvoeren. In een project heeft de docent/begeleider vaak de rol van de opdrachtgever. De docent/begeleider zal (zelfs al weet hij alles van het onderwerp) je niet met de inhoud van het project helpen. Het gaat er in een project juist om dat je zelf op onderzoek uitgaat en zelf oplossingen bedenkt voor de uitvoering van de opdracht. Projecten in het mbo bevatten meestal een opdracht die aansluit bij het werk dat je gaat doen. Vaak zul je voor het project ook taken buiten de school moeten uitvoeren. In een project moet je alle onderdelen van je competenties gebruiken om een goed resultaat te kunnen afleveren. Om een project te kunnen uitvoeren, werk je methodisch volgens een projectmatige aanpak. Hoe je goed projectmatig werkt, lees je in een aparte theoriebron. In een project gebruik je dus je: • ervaring • kennis • vaardigheden • motivatie • capaciteiten • persoonlijkheid. Je werkt meestal één hele dag per week aan een project. Afhankelijk van het rooster van je school kunnen dit ook twee dagdelen zijn.

BPV-opdrachten

C

op y

In de beroepspraktijkvorming (BPV) oefen je in en met de praktijk van het beroep. Je voert opdrachten binnen een instelling of organisatie uit en krijgt hierbij ondersteuning van je praktijkopleider. Naast de opdrachten die je van de school meekrijgt, voer je ook opdrachten van je stagebedrijf uit. Tijdens je BPV zul je ook veel moeten reflecteren op je handelen. Elk ROC heeft hiervoor een eigen opzet en werkwijze.

Andere lesprogramma’s Naast de beroepsgerichte lesprogramma’s is er ook andere kennis waarover iedereen met een mbo-opleiding moet beschikken: voldoende kennis van de Nederlandse taal, rekenvaardigheden en maatschappelijke oriëntatie/goed burgerschap. Elk ROC heeft een eigen opzet en werkwijze voor hoe deze onderdelen worden aangeboden. Vaak heeft het ROC ook nog een onderdeel dat studie(loopbaan)begeleiding heet, bedoeld om je goed te ondersteunen bij het volgen van je opleiding.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

39


> Theoriebron

8: Werken met projecten van Factor-E

du 'A ct ie fb

Voorbeeld verschillende projectfasen.

.v .

Tijdens je opleiding zul je ook projecten moeten uitvoeren. In een project moet iets worden gemaakt en/of bereikt. Een project is een aanpak waarbij planmatig volgens verschillende fasen wordt gewerkt. Afhankelijk van de gehanteerde projectmethodiek worden verschillende fasen in een project onderscheiden:

Hoe de fasen ook worden genoemd, de kern van een project is dat het een begin en een einde heeft en dat gewerkt wordt volgens een plan en (tijds)planning. Projectoverleg waarbij de betrokkenen bij het project elkaar informeren over de voortgang van het project, is ook een kenmerk van een project.

Factor-E-projecten

rig

ht E

In de projecten van Factor-E waaraan je tijdens de opleiding werkt, word je geholpen doordat aanwijzingen worden gegeven over wat je allemaal moet uitzoeken om tot een goed eindresultaat te komen. Maar ook in deze projecten wordt veel initiatief van de projectgroep gevraagd en moet de projectgroep veel zelf uitzoeken.

Projectfasen Factor-E

C

op y

De eerste stap in de projecten van Factor-E is een plan van aanpak maken. Het is van belang dat het plan van aanpak zorgvuldig en gedetailleerd wordt opgesteld, want dit is de basis voor de rest van het project. Het plan van aanpak bestaat uit de volgende onderdelen: 1. aanleiding of probleemstelling (wat is de vraag van de opdrachtgever?) 2. doelstellingen (wat wil de opdrachtgever geleverd krijgen/bereiken?) 3. beschrijving van de opdracht 4. betrokken partijen 5. projectplanning. De projectplanning in het plan van aanpak is gericht op het hele project. Maak een lijst van alles wat gedaan moeten worden om de opdracht uit te voeren. Elk onderdeel van die lijst beschrijf je kort in de projectplanning. Voor het vooronderzoek, het ontwerp en de uitvoering worden gedetailleerdere takenlijsten opgesteld.

40

Orientatie op het werkveld


Takenlijst Taak

Wie

Wanneer af

Benodigdheden

Gedaan

Omdat in een project nog uitgezocht moet worden hoe het eindproduct het best kan worden bereikt, is een belangrijk deel van het project bestemd voor vooronderzoek naar wat geleverd moet worden en voor het opstellen van de specificaties hiervoor, het ontwerp.

C

op y

rig

ht E

du 'A ct ie fb

.v .

Vooral tijdens het werken aan het project komt de E in Factor-E naar voren. Deze E staat voor empathie en empowerment. Empathie betekent inlevingsvermogen, empowerment leren opkomen voor jezelf. Tijdens het werken in de projectgroep zul je deze twee belangrijke vaardigheden doorlopend moeten gebruiken. Je houdt tijdens het werken aan een project een persoonlijk logboek bij. Tijdens de afsluitingsfase zul je dit logboek gebruiken om te evalueren. En om volgens de STARRmethode een reflectie te maken op het werken aan het project.

Š Uitgeverij Edu’Actief b.v.

41


> Werkmodel:

Beoordelen motivatie voor de opleiding

Naam student: ______________________________________________________________________________________________________________ Uitstroomrichting: _________________________________________________________________________________________________________ Welke redenen geeft de student voor zijn interesse in het gekozen beroep?

.v .

Welke motivatie geeft de student voor de geschiktheid voor het beroep?

du 'A ct ie fb

Welke motivatie toont de student om dingen te willen leren? Is het studieplan van de student realistisch?

Heeft de student een realistisch toekomstplan?

rig

Overige opmerkingen

ht E

Welke stagewensen heeft de student?

op y

Wij vinden de motivatie van de student voor de gekozen uitstroomrichting:

0 onvoldoende 0 twijfelachtig 0 voldoende 0 zeer overtuigend

Beoordelaars:

C

_____________________________________________________________________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________________________________________________________________ _____________________________________________________________________________________________________________________________________

Datum: __________________________________________________________________________________________________________________________

Reactie student:

42

Orientatie op het werkveld


> Beoordeling Naam deelnemer: Namen groepsleden:

Groep: Docent: Blok:

.v .

Cursus:

Beoordeling

Criteria

Beroepsproduct

• • • •

Voldoende

Onvoldoende

Een motivatie voor de opleiding waarin alle punten zijn beschreven. Het werkmodel is door drie medestudenten ingevuld. De student heeft zelf een reactie op de beoordeling ingevuld. De motivatie en het ingevulde beoordelingsformulier zijn op de afgesproken datum bij de docent ingeleverd.

Serieuze reflectie in het verslag op het interview over de beroepshouding.

Er is informatie over een instelling opgezocht en er is een verzorgd verslag van de informatie gemaakt. In het verslag is gemotiveerd aangegeven of de student hier wel of niet zou willen werken/stage lopen.

ht E

Opdracht 11

du 'A ct ie fb

Onderwerp:

rig

Opdracht 13

op y

• •

C

Actieve deelname in de les

Opdrachten

• • •

De student was voldoende aanwezig. De student leverde een positieve bijdrage in zijn groepje. De student leverde een actieve bijdrage in de les De taalopdrachten zijn ingeleverd en beoordeeld. De opdrachten voor de cursus zijn goed en netjes uitgewerkt. De eigen evaluatie is ingevuld en besproken.

© Uitgeverij Edu’Actief b.v.

43


Beoordeling

Criteria

Voldoende

Mondeling en schriftelijk taalgebruik

Mondeling taalgebruik

Onvoldoende

Schriftelijk taalgebruik • De teksten zijn in correct Nederlands geschreven. Overig

Onvoldoende

Voldoende

Paraaf deelnemer:

…………………………………………

C

op y

rig

ht E

……………………………………….

44

>

du 'A ct ie fb

Datum: .........................................

Paraaf docent:

Goed

.v .

Eindbeoordeling

Orientatie op het werkveld


Aarf c orientatie op het werkveld ttcorr29062012 mvdl