Skip to main content

2Kronieken

Page 1

2 Kronieken

5. Ook was het koperen altaar, dat Bezaleel, de zoon van Uri, den zoon van Hur, gemaakt had, aldaar Niet te Jeruzalem, waar de ark was, maar te Gibeon, waar de tabernakel stond. voor den

aanmerkende zijn wettelijke verkiezing tot de kroon, de eenparige toestemming des volks, den algemenen vrede des lands, en wegneming van alle beletselen van denzelven. in zijn koninkrijk, want de

tabernakel des HEEREN; Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelve. 6. En Salomo offerde daar, voor het aangezicht Zie Lev. 1:3. des HEEREN, op het koperen altaar, dat aan de tent Alzo Lev. 1:5. der samenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandofferen. 7. In dienzelfden nacht verscheen Te

HEERE, zijn God, was met hem, Zie Gen. 21:22. en maakte hem ten hoogste Hebreeuws, opwaarts. Alzo 1 Kron.

weten, in een droom, 1 Kon. 3:5. Van de verschijning Gods, door middel van dromen, zie Gen. 20:3, en Gen. 28:12. God aan

22:5, en 1 Kron. 23:17, en 1 Kron. 29:25. De zin is dat Hij hem als omhoog verheven heeft door grootheid van staat, eer, vrede en rijkdom. groot.

Salomo; en Hij zeide tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal. 8. En Salomo zeide tot God: Gij hebt aan mijn vader David grote weldadigheid gedaan; en Gij hebt mij koning gemaakt in zijn plaats; 9. Nu, HEERE God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David; want Gij hebt mij koning gemaakt over een volk, menigvuldig als het stof Zie Gen. 13:16. der aarde; 10. Geef mij nu wijsheid en wetenschap, Zie van het onderscheid dezer twee gaven, 1 Kon. 3:13. dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; Zie de verklaring dezer manier van spreken, Num. 27:17; Deut. 31:2. want wie zou dit Uw groot volk kunnen Dit

2 Kronieken 1

1. En Salomo, de zoon van David, werd versterkt Dat is, nam enen moed,

2. En Salomo sprak tot het ganse Israel, tot de oversten der duizenden en der honderden, en tot de richteren, en tot alle vorsten Versta onder dezen naam, die onder anderen uitsteken in adel, vermaardheid en hoge ambten. in gans

Israel, de hoofden Zie 1 Kon. 8:1, waar zij genoemd worden de oversten der vaderen.

der vaderen; 3. En zij gingen henen, Salomo en de ganse gemeente met hem, naar de hoogte, Genoemd een grote hoogte; 1 Kon. 3:4. Zie de aantekening. die te Gibeon Een stad in den stam van Benjamin. Zie 1 Kon. 3:4. was; want daar was de tent Dat is, de heilige tabernakel van denwelken zie Exod. 26; idem Lev. 1:1. der samenkomst

Gods, die Mozes, de knecht des HEEREN, in de woestijn gemaakt had. 4. (Maar de ark Gods had David van Kirjath-Jearim opgebracht, ter plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.)

woord is hier ingevoegd uit 1 Kon. 3:9. Hoewel het ook anderszins dikwijls in den zin is ingesloten, en, wie zou richten? Dat is, regeren; alzo in 2 Kron. 1:11. Zie Richt. 2:16. zoveel is als: wie zou kunnen richten? Dat is, regeren; alzo in 2 Kron. 1:11. Zie Richt. 2:16. richten? Dat is, regeren; alzo in 2 Kron. 1:11. Zie Richt. 2:16.

11. Toen zeide God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw hart Dat is, de begeerte en het voornemen uws harten.

geweest is, en gij niet begeerd hebt


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook