R
E I J S K O N I N G


But love is tired and must sleep And hungry and must graze And so abets the shining Fleet Till it is out of gaze
2e strofe, gedicht 1731, Emily Dickinson
Omslagillustratie: Lilian Gish (1893-1993) in ‘The Wind’ (1928). Vormgeving omslag: Eric Steiner.
1.
Buggy Blues
Toegegeven, alleen ik ben verantwoordelijk voor datgene wat ik na al die jarendegrotecatastrofein mijnlevenbengaan noemen.Wanneerhet precies begonnen is - de kiem van wat zich later zou gaan ontwikkelen tot een woekerplant van haat en zelfmedelijden: zij moet lang in mijn hoofd hebben gezeten. Diep onder de oppervlakte hield zij zich als afwezig. Misschien is zij zich pas gaan roeren op die ene decemberdag van 1990, toen ik, klaar met het volgen van de lessen op school, wat in het winkelcentrum had rondgezworven en stilhield voor een kroeg met een hoge stoep.
Het was eenvierkantekroeg, in grauwcementopgetrokken.Zonderramen zou het net een bunker zijn geweest. De ramen waren beslagen en trilden mee op basdreunen, door een hoop geschreeuw en gelach heen blèrden mannen en vrouwen schor en vals mee met de Rivers of Babylon van Boney M. Verfschilvers lagen verstoven tot aan de straatrand, het scheelde maar weinig of ook die verfschilvers trilden mee.
Twee, drie, vier regels - een heel couplet en weer dat refrein. Hoelang was ik er blijven stilstaan? Alsof ik wachtte - op iemand, op iets? Iets weerhield mij. De domme vreugde die zich daarbinnen voltrok, het gekraai en het gekrijs.
Er brak glas. Iemand riep: ‘O, wat doe je nou!’ en er brak nog meer glas. Juichen!
Links voor mij was een klik. De kroegdeur ging open, en het kabaal vloeide over straat.
Een buggy kwam tevoorschijn, hortend en stotend. De wielen konden moeilijk over de drempel heen en toen dit de vrouw achter de buggy uiteindelijk met een vloek en een driftige stoot was gelukt, gingen ze tot over de stoeprand. En God weet, wie het nodig had gevonden dat ik hier getuige
van moest zijn. Dat ik dat kind in zijn blauwe pakje met een verbaasde blik door de lucht zag tuimelen. En terwijl het daar nog mee bezig was, zette ik een eerste stap. Al zou ik hem niet kunnen opvangen als een goed getrainde voetbalkeeper, ik zou hem wel als eerste in de armen kunnen nemen en troosten. Ja, in mijn verbeelding had ik al een eerste stap gedaan, was ik zelfs al begonnen aan een tweede.
Ik kwam niet verder dan een aanzet - een trilling van een vinger, een vingerkootje. Enkel een vingerkootje had ik bewogen toen er vanuit de kroeg boven al het kabaal uit een schorre mannenstem riep: ‘Stomme trut!’
Het jochie kwam met een smak op de klinkers terecht. Op zijn buik, waarbij er een stoot luchtuit hem ontsnapte, als dekuch van een zware roker.
Een lubberige man duwde de vrouw opzij en stapte van de stoep af. Hij gleed over iets uit, viel, vloekte en kroop op handen en voeten over de klinkers verder, met een steeds roder aanlopend hoofd, waar grijze ademwolkjes uit ontsnapten. In een van zijn wenkbrauwen schitterde een zweetdruppeltje.
Bij het kind aangekomen, drukte hij het gepassioneerd tegen zich aan. Het was net een scène uit een film - en zoals dat hoort in bepaalde films, begon pas op dat moment het kind te krijsen. Of nee, eerst nog kreeg het mij in de gaten. Zijn mondhoeken trokken bitter omlaag, hij vulde zijn longen eens flink met lucht - en daar ging hij.
Op zijn knieën keerde de man met het kind in zijn armen zich met moeite om naar de vrouw, die vanaf de hoge stoep waarschijnlijk met evenveel verbazing als ik het tafereel had gevolgd. Ze keek mij aan. De man keek naar waar zij naar keek. Beiden schonken mij een verwijtvolle blik.
2.
Dat prachtig stel hersentjes van mij
Hun verwijtvolle blik en dat in de lucht tuimelende kind, ze blevenmij de hele rest van de middag achtervolgen. Pas in de avond gingen mijn gedachten naar iets anders.
Mijn moeder zette een dampende macaronischotel voor ons op tafel - die met de kipfiletblokjes in gekruide kaassaus – en wat doet ze? Ze schuift een lokvanhaarjeugdigblondeharen achterhaaroorenzegtdatzehetzogezellig mogelijk voor mij probeert te maken, na alles wat er is gebeurd. En natuurlijk: meteenschiet zemij weer door het hoofd: ZitaRozenmond. Haar kuiten,waar ik mijn blik niet vanaf kon houden, een van de laatste keren dat ze bij mij op mijn kamer was geweest. Hoog boven zich probeerde ze die dikke pil van een American Poetry of the Nineteenth Century uit mijn boekenkast te trekken. Toen haar dat was gelukt, klakten trots haar hakken op het laminaat. Met het boek tussen haar lijf en armen geklemd, draaide ze zich naar mij om. Die glimlach.Hadzediedagspeciaal voormij het kortelerenrokjeaangetrokken?
Had ze die dag speciaal voor mij de haren los laten hangen, zoals ik haar het liefst had? Haar ogen. Die lieve ogen, waarin geen spoor te bekennen viel van wat ik haar nog geen een uur eerder had aangedaan.
De macaroni die mijn moeder op mijn bord schept zakt ineen als een drabbige, verweekte hersenmassa.
Gezelligheid.
Speciaal voor mij staat er hier nu al een kerstboom. Kwam mijn vader Sinterklaasavond mee. Moet nog worden opgetuigd, want gisteren heeft die pa van mij door eigen stomme schuld een manke poot opgelopen.
Is niet zo erg, dat van die kerstboom. Want om ons heen, de hele woonkamer door, langs elk meubelstuk, langs elke vetplant, bovenop de met oosterse beeldjes gevulde vitrinekast, rondom de bronzen Boeddha op de
schoorsteenmantel, tot aan hier in de eethoek branden de naar lavendel geurende waxinelichtjes. Heeft mijn moeder bedacht. En mijn vader heeft voorzichtig vanaf een krukje Bachs Weinachtsoratorium in de cd-speler geschoven. ‘Jauchzet, frohlocket! auf, preiset die Tage.’ Opdienotendansen haar vlammetjes.
Mijn moeder, ze heeft die waxinelichtjes geplaatst om ons te beschermen tegendebozebuitenwereld. Jekunt zemaarbeter weerdoven,mam. Voormij helpen ze niet. Ik geloof er niet in. Neem ze mee naar boven, naar je hobbykamer. Zet ze daar samen met de rest om je heen, straks na het eten, wanneer je er een uurtje voor het grote doek met de mandala gaat mediteren. En als je dat gaat doen, wil je dan ook eens stil blijven staan bij een van die negatieve eigenschappen van je? Die overdreven, verstikkende aandacht voor mij? Je vindt me interessant, vanaf het begin heb je mij voorlijk genoemd. Maarof dat eenzegenis, dat voorlijk zijn? Vanaf het begin,vanafhet moment dat ik zelfstandig ben gaan denken heb je geprobeerd om van mij een toeverlaat te maken, een gesprekspartner. Tot ik mijn handen tegen mijn oren begon te drukken. Vervolgens ben je me maar gaan vertroetelen. Godzijdank heb ik me al vanaf mijn negende buiten je omarmingen weten te houden. Die manhierrechttegenovermij,diemandiezichmijnvadernoemt,jouwwettige echtgenoot: daar hoor je jetegenaante vlijen, met hem moet je praten,bij hem moet je je knuffeltjes zien af te troggelen. Niet bij mij.
‘Wat zit je daar als een zandzak,’ hoor ik haar zeggen. ‘Rug recht, Patrick. En schouders naar achteren.’
Doe wat ze jou beveelt, dat geeft de minste weerstand.
Het witte tafellaken schijnt me fel in de ogen en de zoetzure geur van de macaroni staat me tegen. Mijn hoofd voor de helft gevuld met macaroni: dan zou het leven een stuk gemakkelijker zijn. Daarvoor moet wel eerst de helft van mijn hersenen uit mijn hoofd gepulkt en hier voor mijn neus op het bord gekwakt. Hersenen, ik heb een deel van mijn hersenen op mijn bord. Ik prik erin om mijn gedachten lucht te geven. De met zwarte puntjes bespikkelde
drab dekt ze direct weer toe. Ook maar beter zo. Wie te diep graaft, komt er op het laatst nooit meer uit.
‘Ik vraag me toch ernstig af, wat er van jou worden moet, Patrick.’
Dat is de stem van mijn vader. En nu moet je opletten. Probeert hij zo meteen in alle redelijkheid me een richting op te duwen, orde te scheppen in mijn adolescente hoofd. En als ik bereid ben om naar hem te luisteren, dan maakt hij best wel kans dat hij me bang maakt. Om wat hij zegt, maar meer nog door zijn zelfverzekerde houding en gebaren en vooral zijn blik. Mijn vaders blik is overweldigend. En die overweldigende blik die zo meteen langs mijn moeder scheert en bij mij zal blijven hangen, die gebaren en die zelfverzekerde houding, met of zonder manke poot - ze zullen me stuk voor stuk vertellen dat hij het bij het rechte eind heeft. Waar bemoeit hij zich mee. Ik maak me uit eigen beweging al genoeg zorgen over mijn visie en toekomst.
Wanneer ik mijn bord leeg heb, ben ik hier weg.
Maar straks, wanneer Bach klaar is met zijn loftuitingen en mijn moeder haar meditatie heeft beëindigd, dan zal ze met haar tengere lijf en smalle gezicht in mijn deur komen staan om mij van mijn kamer af te vragen voor de koffie. Vanavond weiger ik met haar mee naar beneden te gaan, want ze zal er zeker weer over beginnen. Vanmorgen bij het ontbijt wilde ze ook al van me weten of ik er spijt van had. Van wat ik had aangericht. En als dat zo was, zei ze zonder mijn reactie af te wachten, dan kon ik er altijd nog met Zita over praten. Toch? ‘Nee, dat is onmogelijk,’ had ik haar geantwoord, en toen had ze haar lippen een eindje naar binnen getrokken en dan weet je wel wat er volgt: ‘Dan moet je het ook maar zelf weten.’
Maar ze kan het niet laten, bij de eerste de beste gelegenheid zal ze erop terugkomen, die moeder van mij.
‘Houtocheensopmet dat geprik,’merktmijnvaderop.‘Vandatbeetjekan iemand in de Derde Wereld een week lang in leven blijven. Ga verder met eten, Patrick, straks is het koud.’
Ja, ik lepel die hersendrab naar binnen. Des te eerder kan ik naar boven.
3.
Verkoopt u ook posters van Lilian Gish?
Zonder eerst mijn schoenen uit te doen, laat ik me op mijn beddensprei vallen. Roerloos liggen blijven. Mijn hart, ik hoor hem tekeergaan in mijn ene oor op het kussen. Wanneer de hand onder mijn borst begint te tintelen, draai ik me op mijn zij. Staar naar het plafond, met de rug van mijn hand tegen mijn voorhoofd. Het stormt daarbinnen. En midden in die storm dendert de vraag: hoelang zal het duren voordat mijn ouders erachter zullen komen wat er werkelijk is gebeurd tussen Zita en mij?
Ik moet ophouden me daarover zorgen te maken, aan wat-als vragen heb je niets. En zet Zita ook uit je hoofd, probeer aan iets anders te denken.
Mijn blik dwaalt langs de wanden, langs de avondduisternis in de ramen, naar mijn boekenkast, over mijn bureau met daarop de wekker die aangeeft dat het Friday, 07-12-1990, 19:47 is, en het stapeltje boeken links daarvan.
Verder lezen in De geschiedenis van de Babyloniërs, Grieken en Romeinen? Liggen laten! Het fotoboek met louter Hollywood filmsterren dan maar? Liggen laten! En je blijft ook af van de Berlin Reiseführer.
Ik draai me op mijn rug. Ik hoef mijn ogen maar een fractie te bewegen, of ik heb de ingelijste poster van de mooiste vrouw ter wereld voor mij. Hele stadscentra heb ik ervoor moeten afstruinen.
‘Meneer, verkoopt u ook posters van Lilian Gish?’ De meeste van die winkeliers keken me aan, alsof ik met mijn toen nog dertien jaren gevraagd had om een Playboy. ‘Lilian Gish,’ legde ik uit, ‘dat is een filmster uit het begin van de eeuw.’
‘Zo, jongen,’ moest er eentje zo nodig reageren. ‘Val jij op dametjes van boven de tachtig? Ik geloof dat ik je niet kan helpen.’
Gelukkig wist de vorige secretaresse van mijn vader een adres waar ik zou kunnen slagen: een winkeltje ergens achteraf, waaraan in geen dertig jaar
onderhoud leek te zijn gepleegd. Een grijze man op sloffen kwakte vanuit een lade een beduimelde catalogus op zijn bureau. Stof beklemde mijn borst. Bij de letter G aangekomen, draaide hij de band naar mij toe. In de linkerbovenhoek stonden vier fotootjes van haar afgedrukt, alle aankondigingen van films met haar in de hoofdrol.
‘Kies maar uit,’ zei hij. ‘Ik weet niet of ze nog leverbaar zijn, of het bedrijf die ze gemaakt heeft überhaupt nog bestaat. Maar als, dan heb je haar met een beetje geluk binnen een maand in een koker.’
Ennuhangt zijalweervierjaarbovenmijnbed,devrouwvanmijndromen. The Wind, staat er in golvende letters bovenaan de poster en de storm komt door alle kieren van haar krakkemikkig huisje. Vanuit mijn liggende positie lijken haar wapperende schort en jurk nog langer dan ze in werkelijkheid zijn en haar schoenen zijn wel tien keer groter dan haar hoofd, haar hoofd die ook veel smaller is dan als je rechtop voor je bed zou staan. Ze drukt haar handen tegen de slapen en haar ogen draait ze angstig naar links. Het is de storm, maar vooral is ze bang voor de vent die aan haar deur staat te morrelen. Die wil naar binnen, en ze weet dat hij alles met haar zal uitvreten waar een vent toe in staat is. Ik zal zorgen dat dit niet gebeurt.
Voetstappen op de traptreden. Er wordt aangeklopt, de deur gaat open.
Mijn moeder. ‘Caspar voor je aan de telefoon.’
Ik rek mij uit en geeuw: ‘Caspar kan de pot op.’
‘Begin je weer? Zo houd je geen vrienden over, hoor.’
‘Zegmaartegenhemdatikhemmaandagwelzie.Opschool.Ikbendoodop en ik heb van het weekend een hoop huiswerk. Ja, mam. Ik zal mijn schoenen uitdoen.’
Ze wil ook dat ik als ik ga slapen, me uitkleed en onder het dekbed kruip. Kouvatten. Ja, ik weet wat voor gevolgen dat kan hebben, dat heb je me al duizend keer verteld. Laat me nou. Ga alsjeblieft terug naar beneden. Tuig voor mijn part die kerstboom op, maar laat mij met rust.
4.
Papapa pa, Siegfrieds Tod
Met de capuchon tot over mijn gebogen voorhoofd getrokken en de handen in de zakken loop ik tussen het geroezemoes en het kabaal van de andere scholieren door naar de hoofdingang. Hoop haar niet tegen te komen. En Caspar, daar heb ik ook geen zin in.
Iemand zegt – en het is duidelijk de stem van Adriaan Bokkelink: ‘Hé, kraterkop! Ga nou naar haar toe, man. Het wordt tijd dat je eindelijk eens scoort!’
Hij knikt naar Alice Boskoop, dat blonde ding – ja, ‘ding’ - waar alles rond aan is wat bij een vrouwspersoon maar rond mag zijn. In haar gespeelde onschuld weet ze de loop van Marilyn Monroe perfect te imiteren. Ze zit verderop,alleenop eenbankje.Endiekraterkop,dat isMarcovanDisschoten. Zegt helemaal niets terug, de zielenpoot. Ook blond en vanaf het begin de enige van de klas die zowel in talen als in Wis- en Natuurkunde achten en negensindewachtweetteslepen.Verdergezegendmeteenflinkedosisdroge humor,waarmijntenenvankrommen,maarwaarmeehijgemakkelijkmeisjes meteenniet altehoogIQhadkunnenversieren.Jammervoordiemeisjes,zijn verlangen gaat enkel uit naar die Marilyn Monroe kloon.
Waarom blijft Adriaan Bokkelink hem daarmee treiteren? Ze is al bezet, of betergezegd: alweer.Toenhet uit was met dievent van desupermarkt hierom de hoek, heeft Marco gewoon zijn kansen aan zich voorbij laten gaan. Hij had zichnetzolangbeziggehoudenmetdevraagofhetinverbandmetzijnpuistjes wel loonde om haar te benaderen, net zo lang tot hij haar weer had zien vallen voor een ander. En Marco? Hele theorieën had hij daarna in die kleine kring van die zogenaamde vrienden van hem opgebouwd, theorieën vol zelfbeklag.