Page 1

ERIC STEINER Zeven hoofdstukken uit

DE IJSKONING

ROMAN

1


2


ERIC STEINER

DE IJSKONING (versie 2018)

ROMAN

Copyright (C.) 2018 Eric Steiner Omslagillustratie: Lilian Gish (1893-1993) in ‘The Wind’ (1928). Vormgeving omslag: Eric Steiner.

3


4


But love is tired and must sleep And hungry and must graze And so abets the shining Fleet Till it is out of gaze

2e strofe, gedicht 1731, Emily Dickinson

5


6


INHO UD

1. Buggy Blues

11

2. Dat prachtig stel hersentjes van mij

13

3. Verkoopt u ook posters van Lilian Gish?

15

4. Papapa pa, Siegfried’s Tod

18

5. Het is allemaal niet zo errug

24

6. Wat er mis is aan objectiviteit

27

7. Een stem van vanille

31

8. Het begin van een mooie vriendschap

33

9. Lilian Gish, de storm en de spinnen

41

10. Niemand mag er achter komen

43

11. Uit de garderobekast van Ingrid Bergman

51

12. Tennissen tegen de zwaarlijvigheid

55

13. De Catechismus van de schoonheid en het verval

61

14. Ouderlijk gezag

66

15. Keuringen en een confrontatie

71

16. Mijn alles en iedereen liefhebbende moeder

76

17. Lijm koken

79

18. Benauwdheid en duisternis

82

19. Vier legers van spinnen

85

20. Scherven snijden diep

88

21. Wat is dat voor vreemd wicht?

94

22. Makkelijk praten

99

23. Ik zou maar uitkijken als ik jou was

102

24. Papa hum op de piano

109

25. Stom of gillen

114

26. Wraak, of toch maar niet?

122

7


27. Greenpeace T-shirt

127

28. Gevulde glazen

130

29. Beest op mijn borst

139

30. Relaties en vriendschappen

142

31. Knuffelbeertjes Blues

149

32. Tranen in het schemerduister

155

33. De vrijheid om zelf te beslissen

160

34. Azjes me besodemieterd

164

35. Oude koeien en jonge geiten

171

36. Doelgericht gal spuien

179

37. Een groot verlies

185

38. Pension Ritzmaier

189

39. Laatste nacht

195

40. Die zich mijn vader durft te noemen

201

41. Weggegooide levens

204

42. Forel in moezelwijn

208

43. Siegfried

215

44. Zwembadallergie

223

45. Weten wat je wilt

229

46. Het winkeltje ter bevrediging van onvervulde verlangens

233

47. Waarom heb jij geen wijfie?

238

48. De tragiek van de haaruitval

241

49. Nieuwe kansen

246

50. Een tweede jeugd

253

51. Hoezee voor Overmaat Bedden en Matrassen BV

260

52. Goa Paradise

266

53. De Dood op de achterbank

271

54. De vlammen van het geluk

276

55. Een vrouw van vlees en bloed

278

56. Het moederverhoor

285

8


57. En toen werd het toch nog gezellig

290

58. Een jochie van amper vijf

297

59. Pappie Blues

299

60. Mama toe

303

61. Bewegende landschappen

308

62. Reïncarnatief belast

315

63. Gevulde blazen

321

64. Patatjes en chocopudding

323

65. Parrara-pampam, en dat op pumps

327

66. Is het niet beter om te zwijgen?

331

67. Hij is dol op muziek ,

334

68. Vanwege de gevoeligheid

336

69. Avondje intelligentie smoren

344

70. Het gruis van de gebroken spiegel

353

71. Spugende kikkers

358

72. Engelenhart

363

73. Een leeg, zwart-wit geblokt plein

368

74. Door woestijnwind blootgelegd karkas

373

75. Mededogen en verzet

379

76. Een zacht zingend geluid

384

77. Nieuwe wegen naar besluitvaardigheid

389

78. Een knipoog in die zee van eeuwigheid

396

79. ‘Tra la lala la,’ zingen de vensterbankmeisjes

401

80. Requiem voor Lilian Gish

411

81. Mammie Blues

416

82. Het vaderverhoor

422

83. Na duizend scherven

431

9


10


1. Buggy Blues

Toegegeven, alleen ik ben verantwoordelijk voor datgene wat ik na al die jaren de grote catastrofe in mijn leven ben gaan noemen. Wanneer het precies begonnen is - de kiem van wat zich later zou gaan ontwikkelen tot een woekerplant van ik weet niet wat: zij moet heel lang in mijn hoofd hebben gezeten. Diep onder de oppervlakte hield zij zich als afwezig. Misschien is zij zich pas gaan roeren op die ene decemberdag van 1990, toen ik van school gekomen wat in het winkelcentrum had rondgezworven en stil hield vlak voor die kroeg met de hoge stoep. Het was een vierkante kroeg, in grauw cement opgetrokken. Zonder ramen zou het net een bunker zijn geweest. De ramen waren beslagen en trilden mee op zware basdreunen, door een hoop geschreeuw en gelach heen blèrden mannen en vrouwen schor en vals mee met de Rivers of Babylon van Boney M. Verfschilvers lagen verstoven tot aan de straatrand, het scheelde maar weinig of ook die verfschilvers trilden mee. Twee, drie, vier regels - een heel couplet en weer dat refrein. Hoe lang was ik er blijven stilstaan? Alsof ik wachtte - op iemand, op iets? Iets weerhield mij. De domme vreugde die zich daarbinnen voltrok, het gekraai en het gekrijs. Er brak glas. Iemand riep: ‘O, wat doe je nou!’ en er brak nog meer glas. Juichen. Links voor mij was een klik. De deur ging open, en het kabaal vloeide over straat. Een buggy kwam tevoorschijn, hortend en stotend. De wielen konden moeilijk over de drempel heen en toen dit de vrouw achter de buggy uiteindelijk met een vloek en een driftige stoot was gelukt, gingen ze tot

11


over de stoeprand. En God weet wie had het nodig gevonden dat ik hier getuige van moest zijn. Dat ik dat kind in zijn blauwe pakje met een verbaasde blik door de lucht zag tuimelen. En terwijl het daar nog mee bezig was, zette ik een eerste stap. Al zou ik hem niet kunnen opvangen als een goed getrainde voetbalkeeper, ik zou hem wel als eerste in de armen kunnen nemen en troosten. Ja, in mijn verbeelding had ik al een eerste stap gedaan, was ik zelfs al begonnen aan een tweede. Ik kwam niet verder dan een aanzet - een trilling van een vinger, een vingerkootje. Enkel een vingerkootje had ik bewogen toen er vanuit de kroeg boven al het kabaal uit een schorre mannenstem riep: ‘Stomme trut!’ Het jochie kwam met een smak op de klinkers terecht. Op zijn buik, waarbij er een stoot lucht uit hem ontsnapte, als de kuch van een zware roker. Een forse man duwde de vrouw opzij en stapte van de stoep af. Hij gleed over iets uit, viel, vloekte en kroop op handen en voeten over de klinkers verder, met een steeds roder aanlopend hoofd, waaruit grijze ademwolkjes ontsnapten. In een van zijn wenkbrauwen schitterde een zweetdruppeltje. Bij het kind aangekomen, drukte hij het gepassioneerd tegen zich aan. Het was net een scène uit een film - en zoals dat hoort in bepaalde films, begon pas op dat moment het kind te krijsen. Of nee, eerst nog kreeg het mij in de gaten. Zijn mondhoek trokken bitter, hij zoog een hoop lucht op en daar ging hij. Op zijn knieën draaide de man met het kind in zijn armen zich met moeite om naar de vrouw, die vanaf de hoge stoep waarschijnlijk met evenveel verbazing als ik het hele gebeuren had gevolgd. Ze keek mij aan. De man keek naar waar zij naar keek. Beiden schonken mij een verwijtvolle blik.

12


2. Dat prachtig stel hersentjes van mij

Hun verwijtvolle blik en dat in de lucht tuimelende kind, ze bleven mij de hele middag achtervolgen. Pas in de avond gingen mijn gedachten naar iets anders. Mijn moeder zette een dampende macaronischotel voor ons op tafel die met de kipfiletblokjes in gekruide kaassaus – en wat doet ze? Ze schuift een lok van haar jeugdig blonde haren achter haar oor en zegt dat ze het zo gezellig mogelijk voor mij probeert te maken, na alles wat er is gebeurd. En natuurlijk: meteen schiet ze mij weer door het hoofd: Zita Rozenmond. Haar kuiten, waar ik mijn blik niet vanaf kon houden. Hoog boven zich probeerde ze die pil van een American Poetry of the Nineteenth Century uit mijn boekenkast te trekken. Toen haar dat was gelukt, klakten met trots haar hakken op het laminaat. Met het boek tegen haar lijf aangedrukt draaide ze zich naar mij om. Die glimlach. Had ze die dag speciaal voor mij het kort leren rokje aangetrokken? Had ze die dag speciaal voor mij de haren los laten hangen, zoals ik haar het liefst had? Haar ogen. Die lieve ogen, waarin geen spoor te bekennen viel van wat ik haar nog geen een uur geleden had aangedaan. De macaroni die mijn moeder op mijn bord schept zakt ineen als een drabbige, verweekte hersenmassa. Gezelligheid. Speciaal voor mij staat er hier nu al een kerstboom. Kwam mijn vader sinterklaasavond mee. Moet nog worden opgetuigd, want gisteren heeft die pa van mij door eigen stomme schuld een manke poot opgelopen. Is niet zo erg, dat van die kerstboom. Want om ons heen, in een mooie ovale boog, de hele woonkamer door, langs elk meubelstuk, langs elke vetplant, bovenop de vitrinekast vol oosterse beeldjes, rondom die bronzen Boeddha op de schoorsteenmantel, tot aan hier in de eethoek branden de

13


naar lavendel geurende waxinelichtjes. Heeft mijn moeder bedacht. En mijn vader heeft voorzichtig vanaf een krukje Bachs Weinachtsoratorium in de cd-speler geschoven. ‘Jauchzet, frohlocket! auf, preiset die Tage.’ Op die noten dansen haar vlammetjes. Mijn moeder, ze heeft die waxinelichtjes geplaatst om ons te beschermen tegen de boze buitenwereld. Je kunt ze maar beter weer doven, mam. Voor mij helpen ze niet. Ik geloof er niet in. Neem ze mee naar boven, naar je hobbykamer. Zet ze daar om je heen, straks na het eten, wanneer je er een uurtje gaat mediteren. En als je dat gaat doen, wil je dan ook eens stil blijven staan bij een van die negatieve eigenschappen van je? Die overdreven, verstikkende aandacht voor mij? Je vindt me interessant, vanaf het begin heb je mij voorlijk genoemd. Maar of dat een zegen is, dat voorlijk zijn? Vanaf het begin, vanaf het moment dat ik zelfstandig ben gaan denken heb je geprobeerd om van mij een toeverlaat te maken, een gesprekspartner. Tot ik mijn handen tegen mijn oren begon te drukken. Vervolgens ben je me maar gaan aanhalen. Godzijdank heb ik me al vanaf mijn negende buiten je omarmingen weten te houden. Die man hier recht tegenover mij, die man die zich mijn vader noemt, jouw wettige echtgenoot: daar hoor je je tegenaan te vlijen, met hem moet je praten, bij hem kun je je knuffeltjes vandaan halen. Niet bij mij. ‘Wat zit je daar als een zandzak,’ hoor ik haar zeggen. ‘Rug recht, Patrick. En schouders naar achteren.’ Doe wat ze jou beveelt, dat geeft de minste weerstand. Het witte tafellaken schijnt me fel in de ogen en de zoetzure geur van de macaroni staat me tegen. Mijn hoofd voor de helft gevuld met macaroni: dan zou het leven een stuk gemakkelijker zijn. Daarvoor moet wel eerst de helft van mijn hersenen uit mijn hoofd gepulkt en hier voor mijn neus op het bord gekwakt. Hersenen, ik heb een deel van mijn hersenen op mijn bord. Ik prik er in om mijn gedachten lucht te geven. De met zwarte puntjes bespikkelde drab dekt ze meteen weer toe. Ook maar beter zo. Wie te diep graaft, komt er

14


op het laatst nooit meer uit. ‘Ik vraag me toch ernstig af, wat er van jou worden moet, Patrick.’ Dat is de stem van mijn vader. En nu moet je opletten. Probeert hij zo meteen in alle redelijkheid me een richting te geven, orde te scheppen in mijn adolescente hoofd. En als ik bereid ben om naar hem te luisteren, dan maakt hij best wel kans dat hij me bang maakt. Om wat hij zegt, maar meer nog door zijn zelfverzekerde houding en gebaren en vooral zijn blik. Mijn vaders blik is overweldigend. En die overweldigende blik die zo meteen langs mijn moeder scheert en bij mij zal blijven hangen, die gebaren en die zelfverzekerde houding, met of zonder manke poot - ze zullen me stuk voor stuk vertellen dat hij het bij het rechte eind heeft. Waar bemoeit hij zich mee. Ik maak me uit eigen beweging al genoeg zorgen over mijn visie en toekomst. Wanneer ik mijn bord leeg heb, ben ik hier weg. Maar straks, wanneer Bach klaar is met zijn loftuitingen en mijn moeder haar meditatie heeft beëindigd, dan zal ze met haar tengere lijf en smalle gezicht in mijn deur komen staan om mij van mijn kamer af te vragen voor de koffie. Vanavond weiger ik met haar mee naar beneden te gaan, want ze zal er zeker weer over beginnen. Vanmorgen bij het ontbijt wilde ze ook al van me weten of ik er spijt van had. Van wat ik had aangericht. En als dat zo was, zei ze zonder mijn reactie af te wachten, dan kon ik er altijd nog met Zita over praten. Toch? ‘Nee, dat is onmogelijk,’ had ik haar geantwoord, en toen had ze haar lippen een eindje naar binnen getrokken en dan weet je wel wat er volgt: ‘Dan moet je het ook maar zelf weten.’ Maar ze kan het niet laten, bij de eerste de beste gelegenheid zal ze er op terugkomen, die moeder van mij. ‘Hou toch eens op met dat geprik,’ merkt mijn vader op. ‘Van dat beetje kan iemand in de Derde Wereld een week lang in leven blijven. Ga verder met eten, Patrick, straks is het koud.’ Ja, ik lepel die hersendrab naar binnen. Des te eerder kan ik hier weg en ben ik van hun bemoeizucht af.

15


3. Verkoopt u ook posters van Lilian Gish?

Zonder eerst mijn schoenen uit te doen, laat ik me op mijn beddensprei vallen. Roerloos liggen blijven. Mijn hart, ik hoor hem tekeer gaan in mijn oor op het kussen. Wanneer de hand onder mijn borst begint te tintelen, draai ik me op mijn zij. Staar naar het plafond, met de rug van mijn hand tegen mijn voorhoofd. Het stormt daarbinnen. En midden in die storm dendert de vraag: hoe lang het zal duren voordat mijn ouders er achter zullen komen wat er werkelijk is gebeurd tussen Zita en mij? Ik moet ophouden me daarover zorgen te maken, aan wat-als vragen heb je niets. En zet Zita ook uit je hoofd. Probeer alsjeblief aan iets anders te denken. Mijn blik dwaalt langs de wanden, langs de avondduisternis in de ramen, naar mijn boekenkast, over mijn bureau. Verder lezen in De geschiedenis van de Babyloniërs, Grieken en Romeinen? Liggen laten! Het fotoboek met louter Hollywood filmsterren dan maar? Liggen laten! En je blijft ook af van de Berlin Reiseführer. Ik draai me op mijn rug. Ik hoef mijn ogen maar een fractie te bewegen, of ik heb de ingelijste poster van de mooiste vrouw ter wereld voor mij. Hele stadscentra heb ik ervoor moeten afstruinen. ‘Meneer, verkoopt u ook posters van Lilian Gish?’ De meeste van die winkeliers keken me aan, alsof ik met mijn toen nog dertien jaren gevraagd had om een Playboy. ‘Lilian Gish,’ legde ik uit, ‘dat is een filmster uit het begin van de eeuw.’ ‘Zo, jongen,’ moest er eentje zo nodig reageren, ‘val jij op grijze vrouwtjes? Op dametjes van boven de tachtig? Ik geloof dat ik je niet kan helpen.’

16


Gelukkig wist de vorige secretaresse van mijn vader een adres waar ik zou kunnen slagen: een winkeltje ergens achteraf, waaraan in geen dertig jaar onderhoud leek te zijn gepleegd. Een grijze man op sloffen kwakte vanuit een lade een beduimelde catalogus op zijn bureau. Stof beklemde mijn borst. Bij de letter G aangekomen, draaide hij de band naar mij toe. In de linkerbovenhoek

stonden vier fotootjes van haar afgedrukt, allen

aankondigingen van films met haar in de hoofdrol. ‘Kies maar uit,’ zei hij. ‘Ik weet niet of ze nog leverbaar zijn, of het bedrijf die ze gemaakt heeft überhaupt nog bestaat. Maar als, dan heb je haar met een beetje geluk binnen een maand in een koker.’ En nu hangt zij al weer vier jaar boven mijn bed, de supernimf van mijn dromen. The Wind, staat er in golvende letters bovenaan de poster en de storm komt door alle kieren van haar krakkemikkig huisje. Vanuit mijn liggende positie lijken haar wapperende schort en jurk nog langer dan ze in werkelijkheid zijn en haar schoenen zijn wel tien keer groter dan haar hoofd, haar hoofd die ook veel smaller is dan als je rechtop voor je bed zou staan. Ze drukt haar handen tegen de slapen en haar ogen draait ze angstig naar links. Het is de storm, maar vooral is ze bang voor de vent die aan haar deur staat te morrelen. Die wil naar binnen, en ze weet dat hij alles met haar zal doen waar een vent toe in staat is. Ik zal zorgen dat dit niet gebeurt. Voetstappen op de trapreden. Er wordt aangeklopt, de deur gaat open. Mijn moeder. ‘Kom je naar beneden? Caspar voor je aan de telefoon.’ Ik rek mij uit en geeuw: ‘Caspar kan de pot op.’ ‘Begin je weer? Zo houd je geen vrienden over, hoor.’ ‘Zeg maar tegen hem dat ik hem morgen wel zie. Op school. Ik ben doodop. Ja, mam. Ik zal mijn schoenen uit doen.’ Ze wil ook dat ik als ik ga slapen, me uitkleed en onder het dekbed kruip. Kou vatten. Ja, ik weet wat voor gevolgen dat kan hebben. Laat me nou. Ga alsjeblieft naar beneden. Tuig voor mijn part die kerstboom op, maar laat mij met rust.

17


7. Een stem van vanille

Eind maart, 1990. Het was tijdens Engelse les, onder Van Hazenbrink. Een onbekende meisjesstem, schuin achter mij. Een nieuwe leerling in de klas? Zo laat nog in het jaar? Wat bestonden er toch een domme ouders. Het was een stem van vanille, die rondom mij kleine golven van geroezemoes en gegrinnik teweegbracht en pas daarna echt tot mij doordrong. Die stem zei: ‘Here’s naaider boes nor skrub, to bear off annie wetter at all. And anozther storm brewing. Aj here it sing aj zthe wind. Yont same black klowth, yont huge - ’ ‘Ja, stop maar Zita Rozenmond,’ zei Van Hazenbrink. ‘Begrijp je zelf eigenlijk wel wat je daar allemaal zegt? Hoe kom je in vredesnaam aan dat Duitse accent.’ Hij fronste zijn wenkbrauwen en met een nauwelijks zichtbaar glimlachje vervolgde hij: ‘Den nächsten mahl sprechen sie bitte mehr mit einen heissen Kartoffel im Mund. So dass der lieber Her Shakespeare sich nicht wieder im Grabe umdräht. Verstanden?’ De klas lachte nog harder. Ik kon niet langer de verleiding weerstaan en keek achterom. Een meisje met sluik, zwart haar tot op de schouders. Spitse borsten. Neergeslagen blik. Zo’n hoop schaamte had ik bij mijn leven nog niet eerder in één lichaam bijeen gezien. Het eerstvolgende lesuur Engels moest ze opnieuw die scène uit Shakespeare voorlezen. Minutenlang klonken haar zinnen door de klas. ‘…Aj here it sing aj zthe wind; yont same black klowth, yont huge one, looks like a fool bombert dat woet sjet his… lick her? Lach niet. …If-if it shoot tunder, as it dit before, aj know not where to hide my het; yont same klowth cannot shoes but fall by pale fools - Wat have we here? A man or a fish? Det

18


or alive?’ ‘Stop it!’ riep Van Hazebrink. ‘Thou Foolish Wench!’ Alle leerlingen rondom mij vormden één grote oceaan van smerig bruisend dollemansschik. Er ging een schok door haar heen. Ze hield haar blik strak op haar tafeltje. Ze dacht vast: Kijk alsjeblieft niet naar mij. Als ze haar lange wimpers had opgelicht en mij in de gaten zou hebben gekregen, zou ze er ongetwijfeld achteraan hebben gedacht: Kijk alsjeblieft niet zo naar mijn neus! Ja, de Here God moest daar tijdens haar schepping flink aan hebben getrokken, een beetje met een trillende hand waardoor die neus benig en ietwat scheef in haar hoofd was komen staan. - Zita Rozenmond: eindelijk een meisje in de klas dat niet ijdel of behaagziek kon worden genoemd. Eindelijk een meisje dat gebukt ging onder haar eigen ellende. In de schoolbibliotheek vroeg ik haar of ze mij iets wilde voorlezen uit een Amerikaans naslagwerk over filmsterren. Ik legde het boek voor haar neer, vouwde het open bij een artikel over Lilian Gish en volgde de bewegingen van haar wimper boven de bladzijden. ‘Nou, dat weet ik zo nog wel niet,’ zei ze. ‘Volgens mij neem je me in de maling.’ ‘Nee, hoor. Je hebt een prachtige stem.’ ‘Waarom dan?’ Ze knipperde met haar ogen, boog zich weer over het boek. ‘M’n uitspraak is hartstikke kut, en dat weet jij net zo goed als ik.’ ‘Lees nu maar voor.’ Ze pakte het kruisje aan het kettinkje om haar hals beet en liet het voor haar kin heen en weer ratelen. Nadat ze het kruisje weer losgelaten had, sloeg ze het boek dicht. Ze kwam overeind. Ze was net zo groot als ik. Ze duwde het boek in mijn handen en zei, langs mij heen kijkend: ‘Ik zal er over nadenken.’ Haar eigen boeken, pennenetui en aantekeningen borg ze in haar rugzak. Zonder mij dag te zeggen, stapte ze naar de uitgang. Heupen had ze ook.

19


23. Ik zou maar uitkijken als ik jou was

‘Wat is er met jou aan de hand,’ hoorde ik Caspar zeggen. ‘Ze kijken je aan, alsof je uit de stront getrokken bent.’ Met zijn handen in zijn broekzakken leunde hij tegen een muur van de fietsenstalling. Ik schoof de capuchon van mijn hoofd, draaide me om naar de schimmen die mij daarnet nog een fatsoenlijk ademen bijna hadden ontnomen, en zei: ‘Niet hier.’ Met de fiets aan mijn hand liep met hem mee naar de bushalte. De zonnevlekken op de trottoirtegels vervaagden, ik zag het hele gebeuren tijdens Kemps les opnieuw voor me. Ik vertelde Caspar alles. Wat maakte het uit? Nu de hele klas het wist, nu Zita het niet meer erg was gaan vinden dat wij met elkaar werden gezien, zou vroeg of laat Caspar er toch wel achter komen. Ik vertelde hem ook hoe Zita zich tegenover de rector had gedragen en wat daarvan de gevolgen waren geweest: ‘Ik heb enkel een berisping gekregen. Maar alle andere jongens… De cijfers van boven de zeven, daar gaan nu twee punten vanaf. Of ze nu van mij overgeschreven hebben of niet. Die meid heeft het klaargespeeld, Caspar. Wat het schoolbestuur al die jaren niet is gelukt - de eenheid van de klas - het front dat die idioten al die jaren tegen de leraren hebben gevormd, om maar zo veel mogelijk de voortgang van het lesgeven op te kunnen houden - dat is dankzij haar nu eindelijk gebroken. En weet je,’ grinnikte ik, ‘uit een deel van de brokstukken hebben zich twee nieuwe fronten gevormd: de overschrijvers en de niet-overschrijvers. Ze zijn een paar dagen tegen elkaar tekeer gegaan. Het had weinig gescheeld, of er waren klappen gevallen. Die

20


Adriaan Bokkelink, ik heb hem nog nooit zo woest gezien. En toen hadden ze opeens, van de ene op de andere dag, een oplossing voor hun geruzie. Ze vonden een gemeenschappelijke vijand. In mij!’ We waren bij de bushalte aangekomen. Ik zette mijn fiets tegen de zijwand van de abri en ging naast hem zitten. Hij tuurde naar de overkant van de straat en langzaam verscheen er een grijns over zijn gezicht. ‘Je helpt haar dus met Engels les. Laat haar gedichtjes voorlezen. How to think without brains. How to become truly mad. And - all in vain - how to become a philosopher without a grain.’ Hij draaide zijn hoofd naar me toe. ‘Ben je al met haar naar de bioscoop geweest? Nee? Dan hebben jullie het ook nog niet met elkaar gedaan.’ ‘Wat is dat voor kolder.’ ‘Dat is gewoon zo, Patrick. Echt, je kunt pas samen naar de bioscoop wanneer je met elkaar naar bed bent geweest.’ Met een duistere blik voegde hij er aan toe: ‘Ik zou maar uitkijken als ik jou was.’ Ik sprong overeind. ‘Je begint al net zo te zeuren als mijn moeder! Nooit – nooit zal ik proberen haar te versieren. Meisjes. Ze maken je volwassen. En dat is wel het laatste wat ik wil: volwassen worden. Op mijn eenentwintigste zal ik de jaren omkeren, Caspar. Ja, vanaf mijn eenentwintigste zal ik weer negentien, zeventien, zestien, tien, vijf en vier worden. Om - om ten slotte helemaal op te kunnen gaan, op te gaan in het niets.’ ‘En de Nobelprijs?’ zei hij koel. ‘Nee, je wil terug naar de baarmoeder. Er moet toch echt wel iets waar zijn aan die vervangende moeders van jou.’ ‘Ach, hou toch op met die onzin.’ ‘Onzin? Werkelijk?’ Hij keek op zijn horloge. ‘Hm! De bus is laat.’ Hij haalde zijn broodtrommeltje tevoorschijn en zette zijn tanden in een dubbele boterham met gebakken ei. Ik nam weer naast hem plaats, met de handen in mijn jaszakken en de blik op de uiteinden van mijn gestrekte benen.

21


‘Ik betwijfel of je wel zo zeker van je eigen overtuiging bent, Patrick. Laat ik je daarom een tip geven. Wanneer zij te dicht bij je komt, die Zita Rozenmond: weet je wat je dan moet doen? Over de dood beginnen.’ Zijn boterham verder oppeuzelend, stak hij een heel vertoog af in zijn typisch chaotische wanorde. Nadat de bus was verschenen en wij enigszins gebrouilleerd uit elkaar waren gegaan en ik op mijn fiets was gestapt, moest ik het allemaal voor mijzelf nog eens herordenen en samenvatten. Wat had hij precies gezegd? Meisjes gingen op de loop voor de dood. Waarom gaan meisjes op de loop voor de dood? Omdat zij één zijn met de natuur. Daarom zijn ze ook zuiverder dan jongens. Jongens halen zich allerlei dingen in hun bol. Meisjes bruisen als de lente en willen ontvangen, ontvangen het zaad van het leven. Jongens zoeken de dood op, besmeuren zich met bloed. Vechten met leeuwen, slachten koeien, slachten elkaar en zelfs vrouwen en kinderen af. Of anders gaan ze wel een of ander gevaarlijke berg beklimmen. Al dat vele denken van hem. Misschien had dat vele denken sappen aan zijn hoofdhuid onttrokken, waardoor zijn haren op willekeurige plekken minder en minder waren blijven doorgroeien. Wat had hij daarna beweerd? Dat meisjes veranderden. Zodra ze in staat zijn om te baren, zijn ze in overeenstemming met de wetten van de natuur veranderd in vrouwen. Maar Jongens? Jongens bleven het liefst voor eeuwig jongens. Maar zodra ze vader zijn geworden, ja, dan moesten ze zich aanpassen aan de natuur. ‘Ze moeten zorgen voor het gezin,’ was hij verder gegaan. ‘Door die aanpassing - die extra moeite die zij moeten doen ten opzichte van vrouwen, om man te worden bedoel ik, gaan zij ook eerder dood. Alleen daarom al zou ik nooit van mijn leven een relatie willen aangaan.’ ‘Ik ook niet,’ had ik gezegd. ‘Dat heb ik je daarnet duidelijk proberen te maken.’ ‘Maar jij hebt heel andere redenen, Patrick. Jij hebt je vervangende

22


moeders.’ ‘Begin je weer?’ ‘Valt het voor jou zo moeilijk om een grapje van pure ernst te kunnen onderscheiden?’ Het was maar een grapje. Met dit soort smoezen kun je in de wereld een heel eind komen. Mijn vader bijvoorbeeld. Maakt stekelige opmerkingen naar mijn moeder. En als ze eindelijk vraagt wat daarvan de bedoeling is, dan zegt hij: ‘Je hapt weer.’ Maar als het vaker dan drie keer per maand gebeurt, zo’n stekelige opmerking, en zij reageert er niet op en hij gaat er mee door, de volgende week en de week daarop ook, net zo lang tot zij er genoeg van gekregen heeft en tegen hem begint uit te varen over dingen die werkelijk nergens op slaan - dan moet er toch meer achter zitten? Een gloeiende hekel? Gisteren had hij het weer eens over haar uitgaven. Of ze dacht dat het geld hem op de rug groeide. Vandaag zal hij er vast opnieuw over beginnen, misschien vanmiddag al. Ja, voor de afwisseling is hij vanmiddag van plan om een paar uur eerder thuis te komen. Hij is al thuis, die vader van mij. Op dit moment zitten ze gezellig met hun blikken in elkaar gehaakt nu echt ruzie te maken. Het is tenslotte alweer een tijdje geleden, nietwaar? Ik heb daar geen zin in, ik wil daarbij niet aanwezig zijn. Ik nam de volgende afslag, keerde om. Op naar het centrum. Tegenover de woning in de steigers stalde ik mijn fiets. Te voet ging ik verder. Aan de overkant bleef in de schaduw van de winkelpanden het kromgebogen grijze vrouwtje met De Dood op de rug een heel eind met mij oplopen. Ze droeg een kreukelig bloemetjesjurk met er overheen een vod, dat ooit eens een regenjas moest zijn geweest. Als vanouds hield ze haar tot vuistjes gebalde pluizige handschoentjes naast haar kin. Wat prevelde zij? Het enige wat ik kon verstaan, was, en het klonk als de stem van een kind: ‘Het moet! Het moet! Het moet!’

23


Niets moet. Ik bleef staan voor een etalage, zag in de weerspiegeling van het glas haar voorbij komen en dat ze een eind verderop een woning binnen ging, waarvan het dak slechts uit verkoolde houtresten bestond. Ik zette mijn wandeling voort en besloot, de barokke en klassieke gevels van de winkelpanden en de hier en daar daartussen gezette monumentale huizen te gaan bewonderen. Lange tijd bleef ik staan voor een herenhuis, waarvan ik wist dat Cesar Molhuizen er met zijn ouders woonde. Dat interesseerde mij allerminst. Het ging mij om het dak, om al die ineengedoken stenen roofvogels, die met hun gespreide vleugels en open snavels allemaal mijn kant op leken te kijken, alsof ze mij ergens voor wilden waarschuwen. ‘Hallo!’ Zita. Blij stak ze een plastic zak met een Vlaamse gaai er op afgebeeld voor mij in de hoogte. Ze had een boek gekocht. Over zeehonden. Terwijl we samen verder wandelden, kon ze er maar niet over ophouden. In plaats van allerlei filosofische beschouwingen, heeft ze liever door ijsberen opgevreten

of

door

jagers

doodgeknuppelde

zeehondjes

als

gespreksonderwerp. Die zeehondjes konden volgens haar maar beter naar Nederland overgevlogen worden. Minutenlang weidde ze er over uit, om helemaal aan het eind uit te komen bij de zeehondencrèche van Pieterburen. Daar ging haar boek over. Ondertussen was ik de historische gevels van het stadscentrum blijven bewonderen. Toen ze een tijdje had gezwegen, vroeg ik: ‘Wat vind je interessanter: mens of ding.’ ‘Ik dacht dat we het over zeehonden hadden! - Je hebt helemaal niet geluisterd.’ ‘Jawel, hoor.’ ‘’t Zal wel!’ ‘…Ben je nu vertoornd?’ ‘De wat?’ ‘Ja, zakje patat. Of je nu boos op me bent.’

24


‘Nee. Wat ik veel erger vind… Ik loop met een mannetje van mars over straat! Mens of ding – hoe kom je er op.’ ‘Ik bedoelde je alleen maar vragen, of de mens interessanter is dan datgene wat hij voortbrengt.’ ‘Ik zou het niet weten, Patrick.’ ‘Of zijn schepper en schepping onlosmakelijk met elkaar verbonden? Is wat je bent, datgene wat je voortbrengt? Ikzelf geloof van niet. De beste schrijver kan de grootste hufter zijn. Wordt zijn boek er dan slechter door?’ ‘Kan je alsjeblieft even dimmen? Je stapelt van alles op elkaar. Leg me alsjeblief uit, waar je naartoe wil.’ ‘Goed, ik zal je een concreet voorbeeld geven. Er zijn mensen die beweren dat vriendschappen door toeval ontstaan. Daar geloof ik niets van. Ontmoetingen kunnen bij toeval plaatsvinden. Maar vriendschappen, ontstaan die niet vaak uit berekening? Een klusjesman in je vriendenkring kan erg handig zijn.’ ‘Nou, dan ben je wel heel erg materialistisch bezig.’ ‘Precies. Je kiest toch iemand om zijn karakter, om wie hij is en niet om wat hij doet?’ ‘Ik vraag me nog steeds af hoe je zomaar knots boem op die gedachten komt, terwijl ik het over de zeehondencrèche van Pieterburen had. Ben je soms boos op mij. Heb je zo’n hekel aan mij gekregen na wat ik tegen Kemp en de decaan heb gezegd? Ik weet het niet hoor, maar volgens probeer je van mij af te komen.’ Ze trok een pruilmondje, en snel reageerde ik: ‘Nee, hoor. Kijk omhoog. Kijk naar die oude gevels. Het is toch duidelijk dat dan vanzelf zulke vragen over mens en ding bij je opkomen?’ ‘Bij jou, ja. Ik vind trouwens gezichten interessanter dan steen. - Ik snap echt niet dat je opeens zo onduidelijk kan zijn, Patrick. Terwijl je me alle huiswerk wel goed kunt uitleggen. Hou alsjeblieft op met die onzin.’ Ze hield halt en keerde zich naar mij toe. ‘Kan je in ‘t vervolg voor mij de dingen zo

25


proberen te zeggen dat ik je meteen snap? Zodat ik niet weer het gevoel hoef te krijgen dat ik met een marsmannetje over straat loop? Beloof je me dat?’

26


60. Mama toe

Had ik me vergist in de afspraak? Ik zat al een half uur in De Tierelantier en Caspar van Blokland bleef maar weg. Spa rood gedronken, naar de zwart-wit geblokte

vloertegels

gestaard,

wat

in

tijdschriften

gebladerd,

vogelschilderijtjes bekeken. Tussendoor de paar gasten geobserveerd en noodgedwongen naar popmuziek geluisterd. Het volume ging hoger. De serveersters die in hun paarse jurkjes en groene schortjes elk blad van de onbezette tafeltjes en tafels met een vochtige doek waren gaan afnemen, zij zongen met het liedje mee. Boney M. Ik kreeg het koud. Elke regel zoog me verder terug in de tijd.

Waar zijn papa en mama? Ik heb het op een rennen gezet, naar de achterkant van het grote onbekende huis. Ik ben nog nooit zo ver gekomen. De talloze hoeken, waar ik mijn vingers omheen klem om de bocht om te vliegen. Ik schuur een schouder langs de stenen, schaaf mijn handen. Om de eerstvolgende hoek is er meteen een andere muur. Ik bots er tegenop. Bah! Hij is kleverig. Hij is vochtig en koud. Er zitten gekke groene, bruine en gele vlekken op. En hij stinkt. Hij stinkt naar paddenstoelen. Die benauwdheid. Of dat komt van het rennen? Steken in mijn zij. Ik kan niet meer. Vanaf de heg krijgt ze mij in de gaten. Het meisje. Al ben ik bekaf, ik probeer een aap na te doen. De vorige keer is het me ook gelukt. Ze lag dubbel van het lachen en toen kon ik wegrennen en me voor de rest van de middag verborgen voor haar houden. Ik krom mijn benen en armen en zeg: ‘Hoe, hoe!’

27


Gillend komt ze over het gras naar mij toegerend. Ze graait naar me. Ze pakt me beet. ‘Mama,’ roep ik. Ze sleurt me mee. ‘Mama!’ ‘Je moeder is er niet,’ zegt ze. ‘Kom op. In de benen.’ Ze is heel veel groter dan mij. Ze is al acht en ik ben nog maar vijf. Ze zegt dat mijn papa er ook niet is. ‘Ik ben de baas.’ Ze brengt me terug naar de voorkant van het huis, naar de drie matrassen. Ik moet liggen op een stel afgedankte matrassen. Ze ruiken muf. ‘Zo,’ zegt ze. ‘En nu gaan we verder spelen. Ik was de moeder. Mijn broertje was de vader. En jij was de baby. Je moet meteen gaan slapen. Voor straf. Nee, luisteren, jij!’ Ze vat me bij de schouders, drukt mij terug. Haar bruine haren zwaaien langs mijn wangen, ze zit bovenop mij en heeft mijn polsen in bedwang. ‘Luisteren naar je moeder!’ Ze ruikt naar snoepjes en roest. ‘Liggen blijven! Blijf je liggen?’ Ik knik. Gehurkt spreidt ze een deken over mij heen. Op haar knieën stopt ze mij in. Onder de warme zon. ‘Je bent heel erg stout geweest. Zomaar er tussenuit knijpen. Weet je wel hoe ongerust je ons hebt gemaakt? Zul je dat nooit meer doen?’ Haar ogen staan streng. Ik knik. Haar bruine haren glijden van mij weg, ze keert mij de rug toe. Haar geblokt jurkje, waar de schaduwen van de boomtakken overheen spelen wanneer ze zich voorover buigt. Ze neuriet een liedje en is bezig met haar kindertheeservies. Haar barbiepoppen plaatst ze er om heen. Tegen mij zegt ze met fijngeknepen ogen: ‘Mijn barbiepoppen hoeven geen middagdutje doen. Die zijn zoet geweest.’ Ik draai mijn hoofd van haar weg. Ik zal mij niet meer bewegen. Houd mij slapende. Wacht maar. Wacht maar. Tot mijn papa of mijn mama komen. Maar ze komen niet. Opnieuw glijden bruine lokken over mijn gezicht. ‘Jij krijgt nu de fles.’ Meteen drukt ze die tegen mijn mond. ‘Toe dan! Toe dan!’ Ik moet

28


bessensap drinken. Maar ik heb geen dorst, heb al genoeg binnengekregen. Ze zet door. Als de fles helemaal leeg is, stroopt ze het shirt van mijn lijf en doet ze mij in het plastic zwembadje. Met een washandje mijn armen, handen en vingers schoonmakend met echte zeep, verbiedt ze mij om alleen in het Grote Mensen Zwembad te komen. Anders drijf ik ‘straks nog dood op het water. En dat is heel erg voor een baby, maar nog erger voor de vader en de moeder van het kind.’ Ze legt me met mijn blote bast te drogen in de felle zon. Terug op de muffe matrassen. Als ik me verweer, me los heb weten wurmen en overeind ben gekrabbeld, draait ze haar gezichtje met zwaaiende haren van mij weg en roept: ‘Vader? Vader? Het kind wil al weer niet slapen.’ Hij draagt een cowboyhoed, waar bruine haarlokken onder vandaan krullen. Ik kijk omhoog naar zijn bovenlip waar zij een snor op heeft geverfd. Hij laat legostenen uit zijn handen vallen. Met gemaakt hese stem zegt hij: ‘Jij moet een middagdutje doen! Samen met je zusjes!’ Ik bal mijn vuisten. Hij pakt me beet, licht me pootje en duwt mijn schouders tegen het matrasoppervlak. Ik wil overeind komen, hij houdt me tegen, drukt me terug. Links en rechts van mijn hoofd legt zij haar vijf barbiepoppen te slapen. Ze zijn warm en ze stinken naar plastic. Ik draai mijn hoofd opzij en sluit de ogen. Langzaamaan stoomt de zon het vocht uit mijn broek. Bij het grote huis vandaan hoor ik de vrouw zeggen: ‘Willen jullie een vanille-ijsje?’ Meteen rennen ze juichend weg. Ik blijf roerloos liggen. Als de vrouw een paar keer mijn naam geroepen heeft en ik mijn mond gehouden heb, zie ik tussen de stammen van de struiken door dat ze het grote huis in gaat. Nog even wachten. Dan kom ik overeind. Ik verstopt mij in de achtertuin, onder struiken. Het geruis van de bladeren, het riet, de schreeuwende en krassende reigers en de klotsende golven van de rivier en nog verder weg het stampen van een boot. Ik ontdek een kikker tussen het gras. Hij kijkt me aan.

29


Wanneer ik een vinger beweeg, springt hij hoog de lucht in. Een eind verderop komt hij terug in het gras. Later - de jongen en het meisje zijn buiten nog overal mijn naam aan het roepen - schuif ik achter de deur vandaan, zonder hem te laten piepen. Wel tien keer tot honderd tellen heb ik me daarachter verborgen gehouden. Door de duistere gang sluip ik moe naar voren. Reik met mijn handen hoog boven mij naar de deurklink. In de woonkamer staat op de tafel een plastic mand met wasgoed. Overal dwarrelt stof. Met het zonlicht op haar gezicht is ze een laken aan het strijken, de vrouw die wil dat ik haar tante Jessica noem. Het is hier droog en warm, stukken warmer dan buiten. De lakens die ze heeft gedaan, liggen in stapels van vier naast elkaar op de bank. Ze werpt een blik op mij en gaat gewoon door met strijken. ‘Wat is er?’ vraagt ze. ‘Waarom speel je niet fijn met de anderen? Ze zijn naar je op zoek, hoor. Of heb je nu opeens wel zin in een vanille-ijsje.’ Mijn ogen stromen vol. ‘Mama toe!’ ‘Ach, jochie.’ Ze komt achter de strijkplank vandaan. ‘Je weet toch dat dat niet kan?’ Met een paar stappen is ze bij me. ‘Kom maar.’ Ze buigt zich naar mij voorover, het is maar even dat ik haar bollende borsten zie. Bruine lokken glijden langs mijn gezicht, haar handen voel ik onder mijn oksels. Ik ga de hoogte in. Ik leg mijn armen om haar hals. Haar wang tegen mijn wang. Ze ruikt naar de bloemen van de tuin. Tussen mijn vochtige wimpers door zie ik hoe de vloer even zwiert en dan onder haar rok begint door te schuiven. Voorbij het einde van die rok verschijnen telkens even om beurten de achterkant van haar schoenen. Dan staat alles stil, houdt ze me nog maar met een arm tegen zich aangedrukt. Ik draai mijn hoofd naar achteren, wil weten wat ze aan het doen is. ‘Niet zo achterover hellen, schat,’ zegt ze. ‘Anders vallen we beiden nog om.’ Ze staat voor de pick-up, trekt de arm ervan naar achteren tot de pick-up klik zegt. Het plaatje begint te draaien. Ze zet de naald er op. De branding van een strand. Zacht hummende stemmen.

30


Zodra er overal om ons heen muziek klinkt, voel ik me weer stevig met beide armen tegen haar aangedrukt, een hand rust op mijn achterhoofd. Weer wang tegen wang, begint alles om mij heen nu echt in het rond te draaien. In één richting, en dan naar links, naar rechts, naar links, links, links, naar rechts, met kleine kuiltjes in de vloer. Precies op de maat van de muziek. Ze draait, ze wiegt, ze danst. Ze danst met mij in haar armen. Wang tegen mijn wang. En met het plaatje op de pick-up zingt zij mee: ‘By the rivers of Babylon. There we sat down. Whe-where we wept. When we remembered Zion.’

Mijn maag, het begint daarbinnen kolken. Een inwendige storm. Het klotst tegen mijn maagwanden op, zet zich gistend en grommend uiteen, stuwt zichzelf omhoog. Het zuur. Het is eruit. Haar jurk zit onder het bessensap. Al heel snel is mijn papa gekomen. In zijn auto. Hij zet mij in het kinderzitje op de achterbank, gespt mij vast en waarschuwt mij: ‘Je mag nu niet ziek worden, hoor. Pas als je bij mama bent, dan mag je ziek worden.’ Hij slaat de autodeur dicht, met zo’n knal dat ik het nu echt op een brullen zet.

De tranen op mij wangen brachten me maar half terug. De schim aan de overkant van mijn tafeltje vroeg, waar ik met mijn hoofd zat. Door de glans op zijn schedel wist ik dat het om Caspar ging. Hij grijnsde even en vervolgde: ‘Wat is er aan de hand, Patrick?’ Ik zweeg. Hij bleef aandringen, deed geërgerd ‘Bweuaah!’ en sloeg zijn bierglas in een keer achterover.

31


62. Reïncarnatief belast

Grote pannen stonden zonder vuur op het fornuis. Een voor een lichtte ik de nog warme deksels op. Macaroni, bijna tot aan de rand. Kipfiletblokjes in nog veel te dunne kaassaus. Een mix van prei, paprika en nog heel wat andere groenten, de hele boel verre van glanzend gaar. Dat wilde mijn moeder straks na definitief en met liefde en geduld te zijn toebereid allemaal gezellig met mijn vader en mij opeten? De honger van een heel weeshuis kon je ermee stillen. Een blauwe Citroën CX reed het grindpad op. Oom Harry en tante Nicolet. Dat mijn ouders me daar niet telefonisch van op de hoogte hadden gesteld. Waren ze soms bang dat ik dan in Utrecht zou zijn gebleven? Terwijl ze wisten hoe zeer ik op oom Harry was gesteld? Aan tafel wilde hij alles weten over mijn studie, over het studentenleven en of ik al een nieuw vriendinnetje had. Bij die laatste vraag knipoogde hij naar mij. Alsof hij me uitnodigde tegen hem te liegen, zodat ik daarmee mijn ouders de wapens uit handen zou kunnen slaan. Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee? Dan zou ik daar maar eens werk van maken, jongen.’ ‘Hij is nog bezig zijn verdriet om Zita te verwerken.’ Dat was de stem van mijn moeder. Ik roerde mijn vork door mijn macaroni, zonder iets naar mijn mond te brengen. ‘Volgens mij zit het heel diep bij hem. Een psycholoog, dat zou een oplossing zijn. Maar als hij zelf niet wil, dan houdt alles op.’ ‘Mam, kun je alsjeblieft een ander onderwerp aansnijden?’ Vanuit de gang kwam een hoop kabaal, dof en schel met veel geritsel.

32


‘Inbrekers?’ vroeg tante Nicolet. ‘Junks, terwijl we hier aan tafel zitten? Hoe is het mogelijk. Zelfs hier!’ Mijn vader glimlachte en at op zijn gemak verder. Ik stond op en ging kijken. Op de traptreden lag een spoor van aarde en potscherven. Aan mijn voeten een geknakte bananenplant met aan de wortels verdroogde kluitjes aarde. Terug in de woonkamer trof ik de vragende blikken van mijn moeder, oom Harry en tante Nicolet. ‘Gewoon een van de planten die naar beneden is gedonderd. Gebeurt wel vaker.’ ‘Dat is een teken,’ knikte mijn moeder. ‘Ik heb altijd gedacht dat jij daarvoor verantwoordelijk was, Patrick. Dat jij die planten half over de rand van de trap had gezet. Maar nu je het huis uit bent, gebeurt het nog steeds. Het zijn tekens, wist ik maar waar voor.’ Die planten van haar, dacht ik, die kunnen het ook niet langer aanzien. Ook zij willen het huis uit. Er is hier een grote uittocht gaande. Alle huisstofmijt zal intussen ook al afgetaaid zijn. Alsof er zich hier binnenkort een grote ramp zal voltrekken. ‘Geesten?’ vroeg tante Nicolet. ‘Zou kunnen,’ zei mijn moeder. ‘En jullie willen dat we hier overnachten? Op jullie zolderkamertje? Ik doe geen oog dicht. Nee, dan maar een hotel.’ Oom Harry legde zijn hand op haar pols. ‘Maar schat, je gelooft toch niet in geesten?’ Met de blik naar binnen gekeerd, schudde ze haar hoofd. Daarna vulde enkel het tikken van het bestek en het spaarzame knisperen van een kaars bij ons op tafel of een waxinelichtje in de kring rondom ons de stilte. Mijn vader bracht de fles Freiburger Riesling voor de tweede keer boven de glazen. Die van mijn oom en tante en mijn moeder waren slechts voor de helft geleegd. Hun protest wuifde hij van tafel, hij zei dat het overheerlijk was – speciaal gekocht in Berlijn! - en dat je goed moest drinken bij zo’n voortreffelijke macaronischotel. Op zijn verzoek hieven ze het glas. Ik liet

33


het mijne staan. Toasten met een Spaatje rood sloeg nergens op. ‘Kom op jongen,’ spoorde mijn vader aan. ‘Je moeder heeft geweldig haar best gedaan op die macaroni. Dat was vroeger wel eens anders. Op jou, Ellen. En op de gezondheid van ons allen.’ We klonken. Mijn tante hikte. Of was het een snik? Ze waaide met een hand voor haar hals en zei een beetje hees: ‘Excuseer. Santé.’ We namen een slok en toen we ons weer over onze borden hadden gebogen, vervolgde mijn vader: ‘Die secretaresse van mij – Hilde Veldkamp - jullie zouden een machtig koppel hebben gevormd, Patrick.’ Mijn moeder liet haar bestek hard op haar bord neerkomen. ‘Ze heeft het regelmatig over jou. Vraagt naar je gezondheid. Of je het wel redt, daar in Utrecht. Ze maakt zich echt zorgen om jou. En zal ik je wat verklappen? Minstens één keer per week draagt ze kleren die jij tijdens onze Berlijnreis voor haar uitgekozen hebt.’ Vast de veel te korte, dacht ik. Nadat hij iets van zijn glas genomen had, begon hij aan oom Harry en tante Nicolet te vertellen, wat er in Berlijn zoal was voorgevallen. Gelukkig zweeg hij over waar ik tijdens de opvoering van Siegfried naar had zitten gluren. Als hij er tenminste van op de hoogte was. Wel moest hij het een en ander kwijt over die uithaal van Hilde Veldkamp, een paar dagen na de voorstelling. Hij vond dat grappig, en toch ook wel een beetje triest: ‘Een vrouw die in tranen is uitgebarsten door al de ellende die ze daar in Berlijn te zien heeft gekregen, maar die weigert zich te laten troosten door mijn zoon. Nee, met geweld weert ze hem af. En daar heeft ze nu flinke spijt van.’ Mijn moeder keek mij aan. ‘Weet je wat ik denk? Dat je reïncarnatief belast bent.’ ‘Re-ïn-car-na-tief!’ hoestte mijn vader er uit. ‘Hoe komt ze er op!’ ‘Net zo als ik. Ook ik ben reïncarnatief belast. Ja, lach maar, Rutger. Het heeft allemaal te maken met een van zijn vorige levens, dat waar hij nu mee

34


zit.’ ‘Willen jullie alsjeblieft ophouden over mij te praten in mijn aanwezigheid?’ Mijn vader depte zijn lippen en kwakte zijn servet op tafel. ‘Je bent gek, Ellen. Hartstikke gek, als je daarin gelooft.’ ‘Wat weet jij van mij. Wat weet jij werkelijk van mij? Ik krijg allerlei aanwijzingen door. Via mijn meditatie, via mij dromen. We zijn allemaal reïncarnatief belast, Rutger. – Ik heb het sterke vermoeden dat ik in een vorig leven een heks ben geweest.’ ‘Schat, het is je misschien zelf niet opgevallen: dat ben je nog steeds.’ Hij nam een teug en keek samenzweerderig oom Harry en tante Nicolet aan. ‘Vandaar die vlammetjes om haar heen, wanneer ze zogenaamd aan het mediteren is.’ ‘Een heks in Duitsland,’ vervolgde mijn moeder. Met in haar ene hand een trillend mes en in aan haar andere hand een trillende vork hield ze haar blik op haar eten, alsof het daarin allemaal te lezen viel. ‘Ergens in de Dertigjarige oorlog.’ ‘En hoe heette je toen, Ellen?’ Ze haalde haar schouders op en zei dat ze daar nog wel achter zou komen. Wanneer ze naar een reïncarnatietherapeut zou gaan. Mijn vader bracht zijn glas naar zijn lippen. ‘Drink alsjeblieft niet zo veel, Rutger.’ ‘Gelukkig kiest ze voor een anoniem vrouwtje. Heel verstandig. Anderen van haar slag komen in het gekkenhuis terecht.’ ‘Nou, nou, nou,’ protesteerde oom Harry. ‘Anderen, die zich inbeelden in een vorig leven Maria Theresia te zijn geweest. Of madame Bovary. Of zelfs Anne Frank. En weten jullie waarom? Alleen ter compensatie van hun huidig leven, dat in hun ogen volledig mislukt is.’ ‘Hou alsjeblieft je mond, Rutger. Met jou valt geen zinnig woord te

35


voeren, vooral niet wanneer je er zo veel alcohol bij drinkt!’ ‘Gaan jullie samen eens in relatietherapie,’ flapte ik er uit. Meteen daarop liet ik mijn hoofd vollopen met kwetterende eenden, ganzen en zwanen, een heel koppel roeken, blauwe reigers, ooievaars. Een park vol krijsende vogels, klaar voor de grote trek. Massaal stuiven ze oorverdovend vlak bij me langs, over en door mij heen. Tussen al die klapwiekende vleugels door zie ik de Latijns Amerikaanse negerin met de glanzende borsten staan. Ze knikt me toe. Ja, ik moet kalm blijven. Rustig blijven adem halen. Ik ben hier niet. Niet in deze kamer, niet aan deze tafel. Ik ben verzeild geraakt in een driedimensionale speelfilm, gevuld met miljoenen krijsende vogels. Ik hoef alleen maar te zwijgen. Ik heb me enkel op te stellen als bioscoopbezoeker. ‘Ja, Ellen,’ ging mijn vader verder. ‘Laten we ophouden met dat zweverige gedoe.’ Hij vulde zijn glas. ‘Je zou ons nog op vreemde ideeën kunnen brengen. En dan sta ik er helemaal alleen voor. Kan ik de boel hier, kan ik alles hier in mijn eentje opknappen. - Nee, wacht. Heb nog even geduld, schat. Eén ding wil ik hierover nog kwijt. Een dingetje maar. Oké?’ Met liefdevolle aandacht nam hij een slok. ‘Drink alsjeblieft niet zo veel.’ Oom Harry en tante Nicolet roerden zich nauwelijks. Ze leken zich er volledig op te hebben toegelegd om die overheerlijke drabbige en verweekte macaronimassa die mijn moeder had klaargemaakt, op een liefdevolle en nette manier binnen hun mond en maag te brengen. Mijn vader keek tevreden naar het glas in zijn hand. ‘Misschien zou je zoon zodra hij in de Geschiedenis afgestudeerd is, misschien zou hij dan voor jou kunnen uitzoeken wie je vroeger bent geweest, Ellen. Met naam en toenaam en levensloop en al.’ Hij zette zijn glas neer. Zijn blik, zijn overweldigende blik die langs ons heen scheerde en zich priemde in mijn moeders hoofd. ‘Laat die zoon van jou het voor je uitzoeken. Dat is stukken goedkoper dan zo’n reïncarnatietherapeut. En wie weet, gaan dan ook jouw

36


dromen over vorige levens over. Misschien heb je dan ook die uren verspillende meditatie niet meer nodig. En al die jou tegen boze geesten beschermende vlammetjes. Want dan zullen die boze geesten ook verdwenen zijn. Word je eindelijk weer de vrouw op wie ik vroeger zo verliefd ben geweest.’ ‘Rutger,’ snikte tante Nicolet. ‘We zitten hier aan tafel om te eten, en vanwege de gezelligheid.’ ‘Nog even, Nicolet,’ zei hij, zonder zijn blik van mijn moeder af te wenden. ‘Wordt het toch nog iets met hem, die zoon van jou. Hoeft hij zich na zijn studie Geschiedenis en na jaren van werkeloosheid ook niet meer om te laten scholen tot archiefmedewerker. Ja, want dat zullen ze je op het arbeidsbureau komen aanbieden, Patrick. Dan mag je beneden je stand en beneden je intelligentieniveau in gemeentelijke archieven die puinhoop van bouwvergunningen en milieuheffingen, dan mag je alle documenten van eeuwigheidswaarde vastleggen in een mooie inventaris. Een inventaris met een door hem persoonlijk geschreven historisch verantwoorde inleiding. Een inleiding die niemand lezen zal, zelfs zijn moeder niet. Als dat geen verspilling van talent is.’ Met zijn servet veegde hij zijn mond en handen schoon. Hij stond op en liep de woonkamer in. Vanuit de gang riep hij: ‘En als je nog deze week niet iets gedaan hebt aan die overbevolking van planten hier, dan smijt ik ze persoonlijk het huis uit!’ Hij liep de trap op en sloeg boven onze hoofden een deur dicht. Die ging vroeg naar bed. In mijn verbeelding zag ik hem vanonder zijn bed een fles Водка Gorbatschow vandaan halen, waarvan hij, nog voor hij zijn schoenen en kleren had uitgetrokken, de dop afschroefde om hem aan zijn mond te kunnen zetten.

37


63. Gevulde blazen

‘Mens wat een mooie septemberdag,’ had mijn moeder gezegd. ‘Morgen wordt het nog mooier. Maar ik kan niet wachten, naar buiten allemaal!’ Met zijn vijven maakten we een fietstocht over de Veluwe. Ik zorgde er voor dat ik achter die vader van mij bleef, dat ik met hem geen woord hoefde te wisselen. Het gonsde na in mijn hoofd, van wat hij gisteravond had gezegd. Op het terras van het pannenkoekenhuis, waar ik een moment Zita voor me zag zitten met haar Sjoebiedoehaa, dronken oom Harry, tante Nicolet en mijn moeder een flink glas bier. Mijn vader hield het op twee glaasjes cola. Dat eerste glaasje. Voor hij daarvan een slok nam, tikte hij het tegen mijn Spa rood aan. ‘Proost, jongen.’ Ik keek van hem weg. Gisteravond had ik op mijn bed lange tijd liggen staren naar de vale rechthoek waar de poster van Lilian Gish gehangen had. Ik had terug gewild naar Utrecht, want de kans was groot dat straks op hun slaapkamer de hele heisa zich zou voortzetten. Vanmorgen was hij als laatste bij ons in de keuken verschenen. Misschien was hij wakker geworden van mij, want waarom zou ik rekening houden met hem? Ik had me bij mijn moeder en oom Harry en tante Nicolet aan de eettafel gevoegd, was met mijn doffe, onuitgeslapen kop een boterham gaan smeren en had hun discussie een beetje proberen te volgen. Opeens hielden ze hun mond. Hun blikken, met meer wit aan de onderkant dan aan de bovenkant. Achter mijn rug voelde ik zijn aanwezigheid. ‘Neem me niet kwalijk, jongens,’ had hij gezegd. ‘Dat van gisteravond. Ik had

38


inderdaad niet zo veel moeten drinken.’ Voor sommige mensen is dat heel gemakkelijk, alles de schuld geven aan de alcohol. Had hij zijn excuses maar gisteravond aan tafel gemaakt. Dan was ik de afgelopen nacht gevrijwaard gebleven van nachtmerries Mijn moeder had mij wakker geschud. ‘Je was in onze slaapkamer te horen.’ Vanaf mijn wastafel bracht ze een glas water. Ik leegde het en nog steeds een beetje slaapdronken legde ik mijn bezwete hoofd terug in de kussens. ‘Waarom doet papa toch zo gemeen tegen jou.’ Ze streek over mijn haren. ‘Ooit zal ik je dat vertellen, schat. Nu ben je er nog niet klaar voor.’ We verlieten het terras en zetten onze fietstocht voort. Mijn vader en moeder reden naast elkaar. Zij strekte haar hand naar hem uit. Hij pakte die beet en zij zei: ‘Ik zal er een flink aantal van weg doen. Van de planten.’ Hij keek haar aan en knikte. ‘Als je je nu eens beperkte tot de zolder en de overloop?’ Hand in hand reden ze zo nog een hele tijd. Bovenop de Veluwe, riep oom Harry: ‘Mijn blaas staat op barsten!’ ‘Die van mij ook,’ zei mijn vader. ‘Oké, dames. Onze fietsen vasthouden en jullie hoofden de andere kant op.’ Oom Harry en mijn vader stonden naar de wei gekeerd, koeien kwamen aangelopen. Oom Harry zei: ‘Wie het verst kan richten?’ Vrijwel meteen daarna schoot met een ‘Ooowh!’ zijn bovenlichaam voorover. Zijn bril viel in het gras. Mijn moeder sloeg zich op een dijbeen, begon te lachen, hoog en schel. Onbedaarlijk. ‘Wat is er gebeurd?’ riep tante Nicolet. ‘Ik geloof,’ zei mijn vader, ‘dat hij een opdonder heeft gekregen van het schrikdraad.’ ‘M’n broek!’ riep oom Harry. ‘En m’n schoenen!’ ‘Wat is er met zijn broek en schoenen?’ vroeg tante Nicolet. ‘O,’ zei mijn vader nuchter, ‘die zijn een beetje nat geworden.’

39


Ik wenste dat hij die opdonder gekregen had, in plaats van mijn oom. Mijn oom, die mijn moeder thuis, terwijl de anderen buiten met de fiets aan de hand op ze stonden te wachten, een enveloppe in de handen had gedrukt. ‘Niet doen,’ had ze gezegd. En hij: ‘Neem toch.’ Ze kon het gebruiken. Geld. Wilde oom Harry ook dat ze van mijn vader af ging?

40

Eric Steiner - 'De IJskoning', zeven hoofdstukken  

De scholier Patrick Vernooi is vervuld van angst. Angst voor de ruzies tussen zijn ouders, angst voor de liefde, angst voor het leven zelf....

Eric Steiner - 'De IJskoning', zeven hoofdstukken  

De scholier Patrick Vernooi is vervuld van angst. Angst voor de ruzies tussen zijn ouders, angst voor de liefde, angst voor het leven zelf....

Advertisement