Skip to main content

Eric Steiner - 'De behouden stilte'

Page 1


D E B E H O U D E N S T I L T E

Het labyrint van droom en werkelijkheid

Deel 1

Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.

Genesis 2, vers 24

Heerlijk land van mijn dromen, ergens hier ver vandaan.

Waar ik zo graag wil komen, daar waar geen leed kan bestaan.

Willy Derby, Droomland

Omslag; William Lees Judson (1842-1928), ‘Golden Dream’, fragment.

1.

Een plek om tot rust te komen (Schemerzone)

Daar aan de overkant tussen het riet, die jongen van een jaar of zeventien: iemand met zo’n blonde kuif, dat moet Christiaan zijn. Waar is dan zijn broer. Ja, Wouter waar ben je? Sinds ze wat meer naar elkaar zijn toegegroeid, vissen ze altijd samen. Nu zit Christiaan er alleen, emmer naast zich en een eindje van zich af nog vijf andere jongelui met een hengel in de hand.

Wouter is vast de hort op. Ik ken dat van hem. Geen zin meer in zich nog verder als een volwassene te gedragen, zit z’n kop plotseling weer vol malle streken. Heeft wel iets van mij vroeger, maar dan in het kwadraat. Goed dat Christiaan niet met hem mee is, anders ben ik ze straks nog allebei kwijt. Zijn ze door een of andere malloot omvergereden omdat ze maar bleven sarren en weigerden aan de kant te gaan. Of een boer die dacht dat ie met dieven te maken had heeft ze een kogel door het hoofd gejaagd. Je kan het zo gek niet bedenken. En wat moet ik dan? Wat moet ik tegen Greetje zeggen? Dat we onze twee zoons naar het kerkhof kunnen dragen? Dan hebben we allebei geen leven meer.

Hier aan het kanaal, met vijf jongelui en mij in de buurt, zal Christiaan niet zo snel iets overkomen. Ik wou dat ik ogen in mijn rug had. Dan kon ik ook Wouter in de gaten blijven houden, want natuurlijk wil ik geen van tweeën kwijt. Als God of een of ander mens mij zou dwingen te kiezen, dan zou ik zeggen: Neem dan mij.

Christiaan en die vijf jongelui aan de overkant, ze zeggen geen woord. En niet een die mij in de gaten krijgt, hun aandacht blijft bij hun dobber.

Het water rimpelt nauwelijks. Vlak erboven zullen ook bij hen her en der insecten zwermen, hier aan mijn oever wemelt het ervan. Een libelle gaat van rietstengel naar rietstengel.

En dat allemaal onder een aangenaam temperatuurtje en een licht bewolkte hemel, die mij m’n kopzorg om Wouter een beetje doet vergeten.

Vogels strijkenneeropdeakkervelden. Sprietjes rogge, haveren net boven de grond uitkijkende aardappelplantjes. Verderop grazen in een wei paarden, witte paarden. Er is ook een merrie die een veulen zoogt.

Dit is echt een plek om tot rust te komen.

Het is hier zo broeierig stil dat ik hem al van verre kan horen naderen. Zijn zwaarder wordende klapwieken. Het verandert in een suizen. Hij scheert over mij heen. Wat een brede vleugels! Een reiger. Laag zweeft hij over het water, gaat dan iets omhoog, doet zijn poten naar voren en weer klapwiekend zet hij zich aan de grond, een eindje van Christiaan en de jongelui af. Allemaal kijken ze zijn kant op.

Christiaans dobber schiet onder. ‘Nou moet je snel zijn, jongen! Voordat ie zich losrukt.’

Hij hoort me niet, geniet zichtbaar van de strijd die hij met de vis levert.

Zo agressief als dat beest zich gedraagt, al die spartelingen. Als dat geen… Moet je kijken wat voor joekel hij naar binnen haalt! Zeker wel eentje van een halve meter en vijf pond.

Ik ben trots op mijn zoon. Hij houdt hem in de hoogte. De andere jongelui knikken goedkeurend. Het is werkelijk een prachtbeest. Een baars met zo’n zilverachtig blauwe buik, zulke geelachtige flanken met donkere, rechtopstaande strepen en zo’n stekelige rugvin heb ik zelf nog nooit gevangen. En dan moet je bedenken dat ik al vis vanaf het moment dat ik een hengel kan vasthouden zonder door de kracht van een voorntje in het water te plompen.

Christiaan legt het beest in de emmer. Daarna is het voor hem weer genieten van de stilte om zich heen.

Had ik mijn hengel ook maar bij me. En die rust, ik zou hier wel voor altijd willen blijven.

De zon breekt door. Daar waar het water begint te schitteren komt iets aangezwommen, iets ronds. Een otter? Een mensenhoofd, het moet een mens zijn. Wouter?

In de schittering lichten smalle ellebogen op, te smal voor een jongeman. Het hoofd gaat van links naar rechts. Het is een vrouw, een vrouw met donkere haren. Met vlakke handen veegt ze het water en wat haarslierten uit haar gezicht. Ze spuugt een straaltje water uit. Dat blinkend zilver om haar heen, het kost me moeite om haar te herkennen.

‘Greetje, ben jij het? Weet jij waar Wouter uithangt? En je moet hier niet zwemmen, schat. Straks krijg je nog vishaken in je lijf en dan raak je zó verstrikt in de draden. Bovendien, wordt het zo langzamerhand geen tijd dat je naar huis gaat? Om voor het eten te zorgen? Het loopt al tegen vijven.’

Ze glimlacht naar me. En alsof het eten allang klaar is en zij nog tijd te over heeft, gaat ze door met zwemmen. Op haar rug. Net een zeemeermin.

Richting overkant. Kan het haar dan echt niks schelen dat ze straks in de vishaken van die jongelui terechtkomt?

Halverwege draait ze zich op haar buik en keert naar mij terug.

Ze staat op uit het water. Het lange witte hemd plakt tegen haar ronde vormen. Door het riet komt ze naar me toe. Ze staat voor me. Haar glimlach wordt stralend, haar gezicht is vlakbij. Zo snel haar haren gedroogd zijn, is dat geen wonder? Ze bewegen op een zuchtje wind.

‘Ik kan hier zwemmen wat ik wil,’ zegt ze. ‘Maar jij niet. En vissen mag je hier ook nog niet, hoe graag je ook zou willen. Jij moet terug, Jacob. En wij blijven hier. Maak je geen zorgen om Wouter. Jij moet terug, want je moet

nogwat doen. Je moet onzedochterover mij vertellen.Als je dat gedaan hebt, zullen we elkaar hier weer zien. Hier op dezelfde plek. Dat beloof ik je.’

Ze keert mij de rug toe en daalt de oever af. Haar hoofd verdwijnt tussen het riet.

Gevangen in een cocon van vissnoer (1981, woensdag 25 februari)

Ze is weer gaan zwemmen, lijkt nu echt naar de overkant te willen gaan. Die zon schittert me nu toch wel iets te fel op het water. Ik sluit de ogen voor een tijdje.

…Ik heb pijn, overal pijn.

Wat doen al die draden aan mijn pols en neus? Het voelt alsof ze met vishaken in me zijn vastgeklemd. Ze moeten eraf. Ik wil met Greetje mee, straks met onze twee zoons een middagje rondrijden in de koets van de burgemeester Doen alsof we stinkend rijk zijn. Ja, ik weet het: gelukkig zijn is belangrijker. Of nog beter: tevreden. Ik ben niet tevreden. Alles doet me zeer. Die vishaak in mijn neus irriteert me nog het meest. Er is ook een constant piepen.En een eentonig druppelen, als vaneenlekkende waterkraan. Licht in mijn linkerooghoek. Een deur die open en dicht gaat. Greetje? Ik kan haar niet goed zien, ik heb mijn bril niet op.Ze loopt aan mijn bed voorbij en opent de gordijnen. Waarom draagt ze een witte schort. Ik mag hopen dat ze geen baantje als huishoudster heeft aangenomen. Zo arm zijn we nou ook weer niet dat ze buitenshuis zou moeten gaan werken.

Zekijkt mijnkant op. Ikknik haartoe.Ikgeloofniet dat zedat heeftgezien.

Heb ik wel geknikt? Dat lijkt me een wonder. Ik zit gevangen in een cocon van vissnoer. Zo voelt mijn hele lichaam aan. Nee, ik kan me niet bewegen. Zelfs een vinger strekken lukt amper.

Ze legt een hand op mijn schouder, en ik schiet vol. Het klinkt als een snurk. Is ze daarvan geschrokken? Ze heeft me meteen weer losgelaten. Dan voel ik iets kouds langs mijn slapen gaan en op mijn neus landen. Dat zal dan mijn bril moeten zijn. Maar wie is deze vrouw? Dat is Greetje helemaal niet!

Die huishoudster en haar zoon (1981, donderdag 26 februari)

Opnieuw beweging aan mijn bed. Bezoek. Die huishoudster en haar zoon. Hebben ze ook een naam? Ja. Eliza en Eddie. De twee E’s. Alsof ik al niet genoeg aan mijn hoofd heb. Eliza met haar levensvragen. En Eduard, Eduard kan soms zo onbezonnen en meegaand zijn, wil Jan en alleman te vriend houden. Het is beter dat ik daar niets over zeg. Anders krijgen we toch weer onenigheid. Hij is al een eindje in de twintig, hij moet zijn eigen boontjes leren doppen. En Eliza, Eliza? Denkt ze nou echt nog steeds dat ik een antwoord zal hebben op al haar vragen? Begrijp me niet verkeerd, Eliza. En ook jij Eduard. Al laat ik het niet altijd blijken, ik houd zielsveel van jullie. Maar op dit moment zijn jullie me echt net even iets te veel. Weet je wat? Ik zal mijn ogen sluiten en doen alsof ik in slaap val. Druipen ze vanzelf af Kan ook Greetje eens langskomen. Wel zorgen dat ik niet echt in slaap val en weer in zo’n merkwaardige droom terecht kom. Ik heb

gedroomd over Christiaan die een baars ving en… Eerst gewoon even een paar minuten de ogen dicht en de oren gespitst houden. Als ik goed luister, zal ik niet in slaap vallen.

Prachtig. Ze zijn al stil.

Geschuifel van het linnen van Eliza’s jurk. De twee stappen die Eduard op de vloer zet. Het is zover. Hun jassen gaan aan, Eduard kucht en Eliza laat een snik. Vreemd mens. Maak je toch niet zo’n zorgen om mij.

Ze zijn weg. Waar blijft Greetje nou? Zou ze soms boos op me zijn? Ik kan het me niet voorstellen. Bij mijn weten heb ik niks verkeerd gedaan. 4.

Wegwerkzaamheden en kwajongensstreken (1937 & 1920)

In wat voor jaar zouden we leven. 1937? Ja, en ze hebben me zó van mijn bed gelicht en op de straatklinkers gelegd. Een eindje van mij af is de hele rest van de straat opgebroken.

Niet tegen de kuiten van over het trottoir langslopende vrouwen aankijken. Per slot van rekening ben ik getrouwd. Daarbij komt dat de baas een foto van mij aan het maken is. Hoe ik hier lig om wat landmeetkundige werkzaamhedentekunnenverrichten.Wat zalik tegenGreetjeendekinderen moeten zeggen als ik die foto aan ze laat zien? Een foto met mijn blik op die vrouwenkuiten?

Hier in Leperta willen ze graag meedoen met het moderne leven. Bij ons in Eikenesch lopen we minstens twintig jaar achter, vooral wat de mode betreft. Bij ons reiken de rokken nog tot de enkels, hier in Leperta... Nee, niet

kijken.Voorje’tweet,gaathet rondenheefthetals eendoorhetveenvretend vuurtje Eikenesch bereikt nog voor dat je werkdag erop zit. Maak je door al die verdere roddel kans dat ze je niet langer willen hebben als regisseur van de toneelvereniging.

Ben ze aan het inwerken voor Bouke op Vrijerspad. De twee die ik de hoofdrol heb gegeven blijken toch niet zo geschikt. Ze gedragen zich te ouwelijk, niet schuchter en schutterig genoeg en dat zal met de andere leden precies hetzelfde zijn als ze die rollen zouden krijgen. Er zou fris bloed moeten komen. Ebeltje Verschoor misschien. En Willem Muizenwinkel. Die zijn vanuit zichzelf al een koppel, zonder dat ze het zelf door hebben. Zo’n fantastisch stel om op gepaste afstand een beetje te volgen. Dat draait maar omelkaarheen enraaktvandeeneindeanderemisvatting.Datstelisverliefd met het hart. Het verstand wil er nog niet aan. Het verstand wil vrijheid en plezier.

Dat wilde ik vroeger ook. Vooral plezier.

Met de fiets slingerend over een bruggetje zonder relingen, met op mijn bagagedrager Jelle Modderkolck. Die verloor wel eens zijn evenwicht en plonsde dan mooi de wijk in. Gemeen? Ik? Hij kon zwemmen als een otter.

Behalvedieenekeer.Toeniezelfook eenfiets had gekregen enermeetijdens wat onderling gestoei in het water donderde en niet meer boven kwam. Lag ie op de bodem zich in allerlei bochten te wringen met de fiets bovenop hem.

Toen mijn vader me in druipende kleren zag thuiskomen, vroeg hij wat voor kattenkwaad ik nou weer uitgevreten had.

‘Jelle uit de wijk gehaald.’

Ja, ook ik kon zwemmen als een otter. Had ik aan hem te danken, hij daar met zijn strenge en onvriendelijke kop. Mijn vader. Die heeft het me zo’n negen jaar eerder, zo rond m’n zesde, bijgebracht. Daarvóór mocht ik van hem pertinent niet aan de oever van zo’n wijk komen. Ook niet met mijn oudere broer of zussen. ‘Als je te dicht bij de oever komt,’ zei hij, ‘pas maar

op. Dan grijpt de boesjeude jou bij de kladden. Of een of ander veengeest.

Die sleept je dan mee, zó het water in.’

Kattenkwaad. Zondagsmorgens als een van de eersten de kerk uit, de weg op rennen en me voorbij de bocht in de bosjes verstoppen. Rustig afwachten. Geheid dat ze komen, de meisjes, na bijna twee uur kerkdienst met een donderpreek over begeerte en jaloezie, over ‘Gods toorn die komt over de kinderen der ongehoorzaamheid.’ Wat heb ik daarmee te maken? Plezier wil ik.

Daar heb je ze! Ze lopen nogal vreemd. Af en toe staan ze stil, kruisen de benen en zakken met schokjes een beetje door hun knieën. Zijn ze uit de buurt van de grote mensen, dan schieten ze van de weg af de bosjes in. Twee komen er mijn kant op. Als ze lacherig en giebelend hun rokken hebben opgetild en op hun hurken zitten, kruip ik over het kurkdroge zand dichter naar ze toe. Door hun eigen kabaal horen ze mij niet. Dan zijn ze stil. Een eerste straaltje is genoeg. Met een takje tik ik tegen hun billen aan, snel drie keer. – Je zou je er bijna voor schamen nu je als volwassene erop terugkijkt. Maar toen had ik weer een mooi verhaal waarmee ik Jelle Modderkolck kon overtroeven.

‘Hé, Buck. Ben je met opmeten nou nog niet klaar?’ Dat is de baas. ‘Of verwacht je soms dat ik meer foto’s van je maak? Je kan wel bij het toneel zitten, een filmster ben je nog lang niet. Overeind met die luie reet van je en snel een beetje. Anders komt die weg nooit af. Vertel eens, je was toch niet in dromenland verzeild geraakt, hè?’

Dat zal ik tegen Greetje en de kinderen zeggen als ik ze die foto toegeschoven heb. ‘Kijk, hier ben ik op mijn werk in slaap gevallen.’

Zou Greetje er niet ingetrapt zijn en blijft ze daarom weg?

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Eric Steiner - 'De behouden stilte' by Eric Steiner - Issuu