SYLVAIN DE SWART
1973
‘Kom eruit, Charles, straks zien ze ons!’
‘Nog even, Sylvain, ik ben er bijna.’
De twee jongens staan aan de voet van een dikke eik. Sylvain kijkt schichtig naar het grijze gebouw even verderop, waar achter de ramen de duisternis heerst. Ze moeten in bed liggen nu, maar slapen lukt niet in de steenkoude slaapzaal.
Charles toont hem triomfantelijk zijn buit, gewikkeld in een vuile doek. ‘Gekregen van Hilaire, die oudere kerel die altijd zo vriendelijk tegen ons is. Hij heeft het gestolen toen de broeder een middagdutje deed en daarna verstopt in dat hol achter de waterput.’ Haastig ontrollen ze de fles whisky. ‘Ik krijg hem niet open,’ fluistert Charles.
‘Geef hier.’ Sylvain, kleiner dan de ander, maar peziger, geeft een wilde ruk aan de schroefdop, die verderop in het natte gras terechtkomt.
Sylvain zet de fles aan zijn mond en voelt hoe de vloeibare warmte zijn slokdarm binnendringt. Hij is een paar momenten niet meer hier, maar ergens op een plaats waarvan hij weet dat ze bestaat. Een plek waar ouders zijn, waar elke dag warm eten op tafel komt, waar je nooit de pijnlijke slagen op je rug hoeft te voelen.
Hij ziet zijn vriend niet meer. ‘Charles, waar ben je?’ fluistert hij.
Op dat moment schijnt een zaklamp recht in zijn gezicht. ‘Hier heb je de andere etter,’ klinkt de stem van de broeder. De man grijpt hem bij zijn elleboog en sleurt hem mee naar binnen.
Twee weken zitten ze in afzondering, op water en brood. De kou dringt door tot diep in hun botten. Met hun knieën op de
stenen vloer bidden ze uren aan een stuk. Ze kunnen elkaar niet zien, wel horen. Sylvain tikt op de muur van de keldercel, Charles tikt terug. Sylvain tikt drie keer, Charles tikt drie keer terug. Sylvain bijt in zijn vinger tot het bloed eruit komt. Met de rode vloeistof tekent hij twee hoofden op de muur, dat van hem en dat van Charles. Als hij voetstappen hoort naderen, veegt hij alles uit tot één grote vlek. Maar hij weet wat er staat en hij zal het nooit vergeten.
1982
Sylvain weet dat hij een grote broer heeft, maar hij heeft hem nog nooit gezien. Zijn echte broer is hier bij hem, dat is Charles. De grote broer heeft echter beloofd om een studio voor hen te huren.
De dag dat hij en Charles het tehuis mogen verlaten, zal de zogezegde broer hen komen ophalen. Dat zegt vader overste. ‘Neem daar een voorbeeld aan,’ zegt die. ‘Hugo is tenminste een goede christen. De gezinnen stonden te springen om de jongen op te nemen. Maar jij… Met je scheve tanden en je lelijke kop.
En denk je dat je van tekenen kunt leven? Van jou zal nooit iets terechtkomen, domme aap.’ Hij krijgt een klets rond zijn oren. Ook al is hij achttien nu en fysiek sterker dan vader overste, toch krimpt hij ineen.
Er komt een auto aangereden. De banden knisperen onder de kiezels van de oprijlaan. Een man in een smetteloos zwart pak, schoenen glimmend in het zonlicht, stapt uit. Ook de deur aan de passagierskant gaat open. Een vrouw met een sjaal om haar hoofd, op hoge hakken en in een regenjas die met een strakke riem om haar middel is dichtgemaakt, plooit zich uit
de wagen. Haar lippen zijn rood, roder dan het bloed waarmee hij de muren bekladt, roder dan de ondergaande zon die hij op zijn avondlijke ontsnappingstochten opzoekt. Sylvain verliest elk besef van tijd en plaats. Hij ziet alleen nog die vrouw, tot Charles hem aanstoot. ‘Wil je niet weg misschien?’
Ze stappen in de wagen en rijden hun vrijheid tegemoet. Tot nooit meer, vader overste. Sylvain haalt diep adem en drinkt de geur van het zware parfum op van de vrouw voor hem, de vrouw van zijn broer, van Hugo De Swart. 1985
Het bonzen op de deur wordt luider. ‘Niet openen,’ sist Sylvain.
‘Jawel, maat, straks springt ze uit haar hengsels. We kunnen ons niet eeuwig verstoppen.’
‘Nee Charles, ik heb het geld niet en dan pikken ze weer een van de doeken.’
‘Ik heb nog wat, we komen er wel,’ zegt Charles. Nog voor Sylvain verder kan protesteren, draait hij de sleutel om. Twee breedgeschouderde mannen tuimelen net niet de schamele studio binnen. Verfgeur overheerst. Het grote raam, met uitzicht op het stationsplein, laat dan wel gul het licht binnenstromen, open kan het niet. De sigarettendampen die als wolken tegen de muren uiteenspatten, doen evenmin goed aan de bedompte sfeer.
‘Wel wel, de twee artiesten. De heren hebben geen kalender? Weten niet welke dag het is, laat staan welk uur?’
‘Nog enkele dagen,’ stamelt Sylvain. ‘Dan heb ik een tentoonstelling…’
De oudste van de twee mannen barst uit in een bulderlach. ‘Een wat? Daar zal veel volk op afkomen, zeker.’ Hij loopt traag langs
9
de schilderijen die tegen de muren staan opgesteld, sommige nog nat van de verf. ‘Wat hebben we hier? Het is nogal rood allemaal. Zie je dat, Georges?’ Hij richt zich tot de jongere man aan de deur. ‘Heb je een voorkeur? Jij bent meer de kunstkenner in de familie.’
‘Pak de grootste maar,’ zegt die en hij wijst een doek aan in de uiterste hoek van de kamer, naast de schouw.
‘Nee, niet dat,’ kreunt Sylvain. ‘Dat heb ik nodig voor de expo.’
De oudste komt tegenover Sylvain staan. Hij torent zeker een kop boven hem uit. ‘En ik heb het nodig om mijn baas tevreden te stellen. Ik kan niet zonder huur afkomen, dat begrijp je.’ Hij klopt Sylvain op de schouders en roept: ‘Hé, dat begrijp je!’
Charles komt naar de twee mannen toe met zijn portefeuille in de hand. ‘Ik heb nog een beetje geld, misschien is dat genoeg voor de eerste week.’
De man kijkt hem giftig aan en spuwt op de grond: ‘Vergeet het. Volgende maand gaan jullie eruit. Met sukkelaars als jullie kunnen we niets beginnen. Kom Georges, we zijn hier weg.’
De jongste tilt het schilderij boven zijn hoofd en stapt de deur uit. Het past net tussen de deurstijlen. De oudste gooit met alle kracht de deur dicht.
Sylvain zakt neer op een stoel aan het raam en rolt een sigaret. ‘Wat nu? Hoe kan ik nu tentoonstellen?’
‘Nog een week,’ zegt Charles. ‘We kunnen voor nieuw werk zorgen. Die galerie hoeft niet te weten dat jij de huisbaas betaald hebt in natura.’
Sylvain kijkt zijn makker meewarig aan. ‘Nieuw werk? En waar haal ik een doek? Waar haal ik nieuwe verf?’
‘Er is nog houtskool. Of toon je tekeningen met potlood. En anders kan Hugo misschien helpen?’
Sylvain laat een schampere lach horen en haalt zijn schouders op. ‘Die zien we nooit meer terug. Dat heb ik zelf voor elkaar
gekregen. Broer kwijt, lief kwijt, alles kwijt.’
1988
Een eerste tentoonstelling, eindelijk. Sylvain is uitgeput, heeft tot in de vroege ochtenduren zitten kliederen en schaven. En nog trekt het op niets, denkt hij. Charles had hem last minute extra materiaal bezorgd, maar het was acryl en dat was hij niet gewoon. Hij kijkt woest de ruimte rond. De meeste doeken hangen niet eens recht. Wat een bende amateurs. Zijn doorwrochte portretten hangen tussen prutswerk van andere zogenaamde ‘jonge beloften’ die hier paraderen als mislukte pauwen. Moet je dat zien: twee vlakken in felle kleuren, ze kleven er een nietszeggende titel op en hop, de schapen bombarderen het tot kunst. Niet dat er veel volk te zien is. De entourage van die bende aan de kunstacademie gedrilde en bebrilde onnozelaars bestaat duidelijk uit familie: ouders, broers, zussen, neven, nichten, zo is het makkelijk om de zaal te vullen.
Wie zit er op hem te wachten? Er is geen recensent te bekennen. De idealisten van dit aftandse galerietje hebben duidelijk hun promowerk niet gedaan. Oké, Charles is er, daar komt hij aan met weer een nieuwe lading pinten. ‘Hadden ze geen whisky?’ vraagt hij. Charles haalt zijn schouders op. ‘Ofwel hadden ze er geen, ofwel wilden ze het niet geven.’
Sylvain drinkt van zijn pint en glimlacht naar een jonge vrouw met lang blond haar die rakelings langs hem passeert met een glas witte wijn in de hand. ‘Rustig aan, we hebben geen geld voor zottigheden,’ sist Charles zijn makker toe.
Sylvain zucht en giet zijn schuldgevoel samen met het bier door zijn keelgat. Hij stopt zijn lege glas in de handen van
Charles. ’Haal je nog wat?’
Terwijl Charles zich voor de zoveelste keer naar de bar spoedt, ontstaat er rumoer aan de ingang van de zaal. Sylvain kijkt weg van de jonge vrouw en probeert te zien wat er aan de hand is. Zou er toch wat leven komen in deze oersaaie bedoening? Is dat de politie?
Twee agenten komen de zaal binnen en vragen iets aan de eerste de beste pipo die ze tegenkomen. Die wijst eerst in zijn richting en dan naar de bar. Wat nu? Komen ze hem oppakken omdat hij zijn schulden niet kan betalen?
Hij wil op hen afstappen, maar zijn schrik voor uniformen houdt hem tegen. Hij stapt geruisloos achteruit tot hij in de uiterste hoek in de schaduw verdwijnt. De agenten stevenen echter niet op hem af, maar lopen richting de bar, waar Charles net in elke hand een schuimende pint heeft geklemd. De glazen vallen rinkelend op de grond als ze Charles bij de arm nemen en in de boeien slaan. De nieuwsgierige massa wijkt uiteen om geen scherven en bier op hun designerkledij te krijgen.
Sylvain kijkt verlamd toe hij zijn vriend wordt weggeleid.
1989
‘Daar is mijn makker!’ Sylvain loopt met uitgestoken armen op zijn vriend af.
Charles schuifelt aarzelend dichterbij. De gevangenispoort valt achter hem dicht, net zoals zeven jaar geleden de deur van het jeugdtehuis achter hem dichtviel.
‘Kom, we gaan je thuiskomst vieren,’ lalt Sylvain.
Veel is er nog niet veranderd, denkt Charles. Hij had zijn vriend uit de nood geholpen en had ervoor gebromd, maar daar
had die blijkbaar niet van wakker gelegen. Het was één ding om verf en doek te stelen, maar hij had wat tegenslag gehad. De eigenaar van de winkel was net een inventaris aan het opmaken en hij had zich moeten verweren. Ach, de man was niet dood. En dankzij zijn diefstal had Sylvain voldoende schilderijen kunnen aanleveren voor de tentoonstelling. Een echt succes was het niet geweest, had zijn makker geschreven, maar hij had er wel een paar bewonderaarsters aan overgehouden. Waar waren die nu?
‘Gedaan met al die groupies,’ zegt Sylvain triomfantelijk. ‘Ik heb de ware liefde gevonden. Kom, we gaan naar Het Stamineeke, daar is het te doen.’
Het blijkt nog te kloppen ook. Charles kan zijn ogen niet geloven. Elvira, de uitbaatster van hun stamcafé, kust Sylvain vol op de mond wanneer ze binnenkomen. ‘Ik heb haar ten huwelijk gevraagd,’ zegt Sylvain. Het wordt steeds gekker. ‘Ik kom hier wonen, er is een atelier achter het café.’
1993
Het begint te lopen, denkt Sylvain. Er is een interview verschenen met hem in de Humo en nu duiken ineens de linkse rakkers op. Ze houden wel van een marginaaltje, van een schandaaltje. Een schuimbekkende schilder die niet in het gareel wenst te lopen, prachtige investering. Want geld hebben ze wel. Hij weet niet eens meer wat hij allemaal bij elkaar heeft geluld in dat tijdschrift. Iets over anti-abstractisme en weg met de Latemse School. Die journalist was wel een toffe peer, lustte ook wel een whisky. Maar naast zijn interview stond een advertentie. ‘Smul je slank,’ hij zal het nooit vergeten, zo’n dwaze annonce naast zijn foto. Ongelooflijk. Dat doet hij nooit meer. Maar goed, er is
blijkbaar een nieuw publiek aangeboord.
Ze hebben hem overgehaald om toch naar de vernissage te komen, al was hij liever in zijn kot gebleven. De mensen schrikken hem af, hij kan steeds minder tegen het lawaai en de oppervlakkige praatjes. Waar blijft Charles met de drank? Als hij een slok kan nemen zal het wel beter gaan. Twee slokken, nog beter, of drie.
Daar is er weer iemand die denkt een praatje te moeten slaan met de schilder. Hij wou dat de galeriehouder stopte met mensen naar hem toe te sturen. Alsof hij al die namen kan onthouden. Wat moet hij doen? Glimlachen, handjes schudden en liefst iets shockerends zeggen, want dat strookt met zijn imago. ‘Je zou een ideaal model zijn, mevrouw,’ zegt hij. ‘Je kop past perfect bij mijn stijl.’ Ze lacht luid, om de belediging te verteren. Ach, hij is een kunstenaar, hij mag dat zeggen.
Wie is de volgende? Een ouwe heer, met een kruis op zijn borst. Sylvain huivert. Hij kent dat kruis. Komen zijn spoken uit het verleden weer opduiken? Zijn ze hier om hem de finale rekening te presenteren? Zijn mislukkingen onder zijn neus te wrijven? Het zou nooit wat worden met hem en misschien hebben ze wel gelijk gekregen.
De man spreekt hem vriendelijk toe. Hij ziet eruit als Vader Overste, maar hij klinkt anders. ‘Prachtig werk,’ zegt de man. Hij heeft iets zalvends, tussen een priester en een dokter in.
Sylvain knikt, weet zelfs niets te stamelen als antwoord. De man wijst naar een doek waarop een man en een vrouw een leeuw aan de leiband houden. De man heeft een breedgeschouderde torso, de vrouw draagt jarretelles. ‘Wat een kracht,’ zegt de man. ‘De leeuw als symbool van niet te temmen gevaar, de onderhuidse dreiging, ik vind het prachtig.’
Wat een blabla, denkt Sylvain. Ik had gewoon zin om een leeuw te schilderen. En die twee figuren zag ik in Het Stamineeke
toen ze zich stomdronken van hun bovenkleren ontdeden. Elvira heeft ze buitengebonjourd, maar de man brulde en de vrouw klauwde als een leeuwin. Elvira hield een litteken op haar wang over aan de scherpe nagels van die strekenmadam.
De man haalt een cheque boven. ‘Je moet daarvoor niet bij mij zijn,’ zegt Sylvain en hij wenkt de galeriehouder. Die komt handenwrijvend naar hen toe, terwijl de man al driftig aan het schrijven is.
Eindelijk komt Charles eraan met de drankjes. Hij neemt een flinke slok terwijl de galeriehouder de cheque in ontvangst neemt. Zou hij iets zeggen tegen zijn vriend? Neen, toch maar niet, later misschien. Sylvain kijkt dwars door Charles heen. Hij denkt niet meer met zijn hoofd, maar met zijn handen. Het zijn geen gedachten meer, maar strepen op een doek, uithalen met een penseel als degen. Ooit zal hij ze allemaal fileren.
DEEL 1 HET ONGEVAL
Marie Vos duwt de slepende deur van de zolder open waar sinds jaar en dag de stadsredactie van de krant De Ochtendgazet huist. Op het eerste gezicht lijkt de ruimte leeg. Dan schrikt ze op van een stem naast haar. ‘Wie we daar hebben!’
Norbert, de collega met wie ze al het langst samenwerkt, geeft haar een knuffel. Ze verdrinkt in zijn zachte, grote armen. ‘Wat heb ik jou gemist, grote beer.’
‘En ik jou, Vos, het waren lange maanden. Laat me naar je kijken. Je bent wat afgevallen, maar je ziet er goed uit.
Ontspannen.’
‘Praattherapie en lange wandelingen,’ zeg Marie. ‘Van het duister terug het licht in. Elias en ik kunnen weer door één deur, denk ik. We zien elkaar niet meer, maar zes jaar samenzijn wis je ook niet zomaar uit. Mijn schuldgevoel zal altijd wel blijven hangen, ik moet ermee leren omgaan. En bij Dave probeer ik zoveel mogelijk uit de buurt te blijven.’
Norbert kijkt langs haar heen. ‘Tja Dave… Hoe zal ik het zeggen… Marchand is weg, dat weet je, hij kon een betere job krijgen bij de nieuwsredactie van VTM. Dus de nieuwe hoofdredacteur is…’
Marie laat een langgerekte ‘nee’ ontsnappen.
Alsof hij het gehoord heeft, vliegt op dat moment de deur open. De rijzige gestalte van Dave Peeters past net in het deurgat. De rechtopstaande sprietjes van zijn met gel bijgewerkte kapsel raken het hout van de deurlijst. Marie onderdrukt de eerste gevoelens van fysieke aantrekkingskracht. Het is een reactie van
herkenning van haar lichaam, maar haar hoofd volgt niet. Dave is een afgesloten hoofdstuk, een misstap die niet voor herhaling vatbaar is. Zijn wolk van aftershave blijft achter hem hangen als hij binnenstapt.
‘Marie, ik zag je de trap op denderen. Je had eerst bij mij moeten langskomen, miss.’
Ze gaat achter haar bureau staan, met het meubel als fysieke barrière tussen hen in. ‘Bij de grote baas dus?’
‘Ach, je hebt het al gehoord.’ Dave kijkt in de richting van Norbert, die wat verderop met zijn voeten staat te schuifelen en zijn hoofd afwendt.
Marie weet dat ze zich best inhoudt, maar het is sterker dan haarzelf. Traag klapt ze in haar handen. ‘Goed gedaan, Dave. Dikke proficiat. Ik hoop dat Marchand je onze afspraak heeft doorgegeven? Marchand had mij duidelijk gemaakt dat als er een plaats vrijkwam, ik naar het onderzoeksteam kon verhuizen.’
Dave komt dichterbij, maar blijft aan zijn kant van het bureau. ‘Ik heb geen weet van een afspraak,’ zegt hij afgemeten. ‘Norbert heeft je hier nodig, op de stadsredactie. Plaatselijk nieuws is het fundament van onze krant, dat weet je.’
‘Wat een gelul, man, je zit pas op de grote stoel en je praat al als een manager. Ik heb de laatste jaren keihard gewerkt, dossiers uitgespit, primeurs gescoord voor deze krant. Marchand zag dat, hij wou mij belonen, de plaats geven die ik verdien. Ik mocht mij de komende tijd meer verdiepen in onderwerpen in plaats van de plaatselijke waan van de dag te volgen.’
‘Daar weet ik…’
‘En doe niet alsof je dat niet weet! Je was er als de kippen bij om mijn contacten te gebruiken voor jouw artikels, met jouw naam onder. Met al je grote woorden: ooit komt jouw dag, Marie, wat een belofte Marie, jij gaat het nog ver brengen, Marie. En nu is meneer hoofdredacteur? Er is dus een plaats
vrij. Wel, hier ben ik.’
Het antwoord komt even snel als onverwacht. ‘We hebben al iemand anders.’
Marie hoort Norbert kuchen in de achtergrond. Ze probeert met alle macht de woede die ze voelt opkomen, te onderdrukken.
Dave vervolgt: ‘Je was drie maanden weg, het nieuws wacht niet. En Kat diende zich net op het goede moment aan. Voor andere interne verschuivingen is er geen budget.’
Marie klemt haar handen om de leuning van de bureaustoel. ‘Kat? Heet ze zo? Kat?’
‘Marie, de krant heeft continuïteit en stabiliteit nodig. Jij moet rustig herbeginnen, je kunt niet zo lang out zijn omdat…’
‘Ja, zeg het maar, omdat mijn relatie is stukgelopen doordat jij mij zo nodig wou binnen doen, Don Juan van mijn voeten. En dat ga je mij nu aanwrijven.’
Norbert is weer dichterbij gekomen en legt een hand op haar arm. ‘Marie, ik denk dat het beter is…’
Ze schudt de arm van zich af en priemt met haar wijsvinger richting Dave. ‘Denk maar niet dat je mij kan commanderen, meneertje de hoofdredacteur. Mijn plaats is daarbeneden in het onderzoeksteam en niet hierboven op zolder en ik zal het bewijzen ook.’
‘Je doet maar,’ zegt Dave, ‘maar morgen hebben jullie vier pagina’s te vullen. Eerste opdracht: opening van een nieuwe tentoonstelling in het Psychiatrisch Museum. Dat bestaat tien jaar en ze houden een persconferentie. Echt iets voor jou, Marie.’
‘Ben je er nu mee aan het lachen?’
‘De ironie ontgaat me niet, maar je bent op dit moment de meest geschikte persoon om dat nieuws te verslaan.’
‘Hoe spreek jij ineens? Doe eens normaal.’
‘Doe jij maar normaal, dat is al zot genoeg. En een beetje
respect is wel op zijn plaats. Voor morgen graag 70 lijnen met foto.’
Terwijl hij naar de uitgang stapt, zegt hij nog: ‘En die affaire, dat was evengoed jouw keuze, daar komen we niet meer op terug, begrepen?’
Als hij de deur achter zich heeft dichtgeslagen, kijkt Marie verbouwereerd naar Norbert. Die heft hulpeloos zijn handen in de lucht. ‘Ik wou het je allemaal vertellen, maar hij was te snel.’
Marie neemt de tram naar het psychiatrisch ziekenhuis annex museum. Toen naast het verouderde gebouw een nieuwe vleugel verrees, werden de oude ziekenzalen omgetoverd tot een museum van de geest. In de historische gebouwen vinden wisselende tentoonstellingen plaats, die altijd iets te maken hebben met de kortsluitingen in de menselijke psyche.
De woede zindert nog na in haar lijf. Tot zover haar voornemen om Dave zoveel mogelijk te ontwijken. Hoe kan het dat hij net in die tijd dat zij afwezig was, hoofdredacteur is geworden? Ze had vooraf verschillende scenario’s in haar hoofd gehad, met zelfs één fantasie dat zij zijn chef zou worden, maar dit… Het is allemaal zo verdomd onrechtvaardig.
Ze stapt van de tramhalte de lange oprijlaan van het museum op. Opening van een tentoonstelling, vooruit dan maar. Ze had zich de eerste dag terug op het werk wel anders voorgesteld.
Dave weet dat deze plek een speciale betekenis voor haar heeft. Ze moet een jaar of 12 geweest zijn toen ze hier samen met haar moeder haar grootvader kwam bezoeken. De man kampte al zijn hele leven met zware nachtmerries en angsten. Hij heeft het instituut nooit verlaten, twee jaar na zijn opname was hij al gestorven. Er werd niet over gepraat in de familie, ook al zeiden ze vaak dat haar moeder op opa leek, met haar stemmingswisselingen en periodes van depressie. En zij, de kleindochter, zij ook?
Aan de ingang toont ze haar perskaart. ‘Marie van De Ochtendgazet, dat is lang geleden,’ zegt de baliebediende. Hij stuurt haar door naar de achterkant van het gebouw. Ze stapt de binnentuin door, die is aangelegd in strakke Franse stijl. Het is precies zoals ze zich herinnert, maar dan kleiner. Haar
oog valt op een wegwijzer naar een andere tentoonstelling aan de overzijde van de tuin, met schilderijen van de plaatselijke kunstenaar Sylvain De Swart, naar aanleiding van de tiende verjaardag van zijn dood. Ze vertraagt, twijfelt, stapt eerst rechtdoor en keert dan op haar passen terug. Tien jaar museum? Of tiende verjaardag van de dood van Sylvain De Swart? Ach, die feestelijke opening schrijft ze wel over uit de persmap.
Ze loopt naar de overkant en gaat de verlaten exporuimte binnen. Voor haar rijst een groot schilderij op van een gigantische rode kop die het uit lijkt te schreeuwen. Alleen komt uit zijn mond een slang die zijn gil smoort en terug verdwijnt in zijn hart. De man is enkel tot op borsthoogte te zien. Hij zwaait zijn armen omhoog, ver uit de lijst. Hij is te groot om zich te laten vangen in een kader, te rood om realistisch te zijn, te woest om van woede te kunnen spreken. In zijn ogen zwemt de wanhoop, de onderarmen en handen kunnen elk moment de achteloze kijker naar de strot grijpen.
Marie huivert en stapt verder. Behalve schilderijen hangen er ook uitvergrote foto’s van de artiest, met een uit de kluiten gewassen snor en scheve tanden. Zijn hoofd lijkt te groot voor zijn lichaam. Vluchtig leest ze enkele artikels door. Hoe De Swart jarenlang in deze stad woonde in de grootste armoede. Niemand wou zijn schilderijen kopen, de man raakte aan de drank. De bazin van zijn stamcafé, een zekere Elvira, gaf hem onderdak op een kamertje boven de zaak, zodat hij toch ergens heen kon. Hij trouwde met haar, maar de relatie hield niet stand. Hij was gefascineerd door wat de geest met een mens kan doen, hoe iemand ten onder kan gaan aan zijn eigen gedachten. Zelf zat hij op het randje van de waanzin, trok naar Parijs om er tussen de clochards te leven, wat dan weer een reeks schilderijen opleverde. Terug in België verbleef hij enkele jaren in deze inrichting en maakte portretten van de andere patiënten.
Weerklank in de kunstwereld vonden ze niet, dat gebeurde pas na zijn dood. Hij stierf eenzaam en berooid.
‘Portretten van andere patiënten,’ mompelt Marie. Haar grootvader was een van die andere patiënten. Er hing een reproductie van het portret van haar grootvader boven de schoorsteenmantel in het huis van haar grootmoeder. Ze wou haar man dicht bij zich, maar Maries moeder huiverde van het ziekelijke portret. Als ze bij grootmoeder gingen eten, zat haar moeder er altijd met haar rug naartoe. Na de dood van grootmoeder zette haar moeder de reproductie met lijst en al bij het grof vuil.
Marie slentert verder langs de vele grimmige potloodtekeningen en expressies van de diepste pijn. Haar hart klopt in haar keel. Ergens moet het hangen, het schilderij dat ze zo goed kent. Helemaal achterin doemt het doek voor haar op. Het rood spat er van af. Op een sofa ligt een man ineen gekruld op z’n zij, zijn handen om zijn knieën. Boven hem hangt een groot kruisbeeld aan de muur. Zo expressief de emotie was in het eerste schilderij, zo naar binnen gekeerd is het hier. Deze figuur in foetushouding kan zich niet uiten, krult zich rond zijn ellende, een uitweg is er niet. Zijn gelaatsuitdrukking is een mysterie, maar zijn lichaamshouding verraadt de put waarin hij gevallen is, de kromming getuigt van een onverdraaglijk lijden. Ze huivert. Ze kan zich de afkeer van haar moeder voorstellen, de walging om haar vader zo afgebeeld te zien. Hoe wanhopig moet haar grootmoeder zijn geweest om zich hieraan vast te klampen nadat haar man was weggekwijnd in dit instituut.
‘Prachtig, hé?’ klinkt het naast haar. Ze kijkt om en ziet een oudere man meekijken. Waar is die ineens vandaan gekomen? ‘Het is een van de sterkste werken in de reeks rond het instituut hier.’
Hij wijst naar haar notitieboekje. ‘Ik zie dat je zaken opschrijft. Ben je journalist?’
Ze knikt en geeft hem een hand. ‘Marie Vos, De Ochtendgazet.’
Zijn mond verstrakt. ‘O. Toch niet van de cultuurredactie?’
‘Nee, van de stadsredactie. Bent u de curator?’
De man haalt zijn schouders op. ‘Zo zou je het kunnen noemen. Ik beheer de nalatenschap van mijn broer, maar je ziet dat er nog altijd niet veel aandacht voor is. Dat het museum tien jaar bestaat is blijkbaar meer reden tot feesten.’
‘Bent u de broer van…?’
‘Hugo De Swart, oudere broer van Sylvain, aangenaam,’ zegt hij en hij geeft haar opnieuw een hand. ‘Als je wil praten, ik heb tijd genoeg. Goed dat je van de stadsredactie bent, daar kan ik mee leven. Jouw krant heeft nooit een letter aan mijn broer besteed, behalve wat roddels over zijn liederlijke leven.’
‘Dat spijt me,’ zegt Marie. ‘Maar ik heb een speciale band met dit werk.’ Ze vertelt Hugo De Swart dat de afgebeelde man haar grootvader is. ‘Hij was hier opgenomen rond 2007. Hij had zijn hele leven te kampen met depressies en waanbeelden. Ik heb nooit goed geweten hoe het precies zat, ik weet alleen dat hij als kind is grootgebracht in een weeshuis en dat dat geen pretje was.’
Hugo De Swart wijst naar een tafel en een paar stoelen in de hoek die een geïmproviseerde cafetaria vormen. ‘Laat ons een koffie drinken en verder praten.’
‘Je grootvader moet mijn broer goed gekend hebben,’ zegt De Swart. ‘Sylvain en ik zaten ook in dat weeshuis, De Vlijtige Bijtjes. Ik was nog klein toen ik opgenomen werd in een pleeggezin, maar Sylvain is er gebleven tot zijn achttiende.’
‘Had u nog veel contact met hem daarna?’
‘Niet echt. Sylvain was… hoe zal ik het zeggen… niet echt voorbereid op het leven in de echte maatschappij. We hebben ruzie gehad. Ach, het is allemaal zo lang geleden. Pas na zijn dood heb ik me over de schilderijen ontfermd.’
‘Zijn al deze werken nog in familiebezit?’
‘O neen,’ zegt hij. ‘Ik doe het beheer vooral in opdracht van het museum, dat de meeste werken aangekocht heeft. Of aangeslagen, het is maar hoe je het bekijkt.’
Als hij de vragende blik van Marie ziet, vult hij aan: ‘Sylvain zat er niet bepaald warmpjes bij, dus hij betaalde zijn verblijf hier grotendeels in natura. Nu ja, sommige schilderijen zitten ook in de collectie van privé-eigenaars. Er is ook nooit eerder getoond werk bij dat het museum op de kop heeft kunnen tikken. En dan zijn er nog andere werken, die zijn gewoon… weg.’
Marie stopt met noteren. ‘Hoe bedoel je, weg?’
Hugo De Swart schuifelt ongemakkelijk heen en weer. ‘Dat we niet weten waar ze zijn. Eén van zijn bekendste werken is spoorloos verdwenen. Moedwillig, daar ben ik zeker van.’ ‘Gestolen?’
Hij schuift haar een afdruk van een foto toe. ‘Banket met kinderen. Mijn broer durfde al eens maatschappelijk gevoelige thema’s aansnijden en dat werd hem niet in dank afgenomen.’
Marie bekijkt het blad van dichtbij. In de kleinste details is een rijkelijk diner geschilderd. Op de tafel staan grote taarten en kommen koffie. Mannen in strakke pakken en soutanes staan errond en doen zich te goed aan gebraden wild, kelken wijn en… kinderen. Ze grijpen met hun handen naar baby’s en peuters en stoppen die in hun mond als was het een mals stukje vlees. Het is walgelijk en fascinerend tegelijk. In de achtergrond staan een aantal schimmige figuren toe te kijken. ‘Door dit schilderij mocht hij het vergeten om in kerken en katholieke galerijen te exposeren,’ zegt Hugo De Swart. ‘Het hing eerst in zijn atelier en plots was het weg. De verdwijning is nooit opgeëist en het schilderij is nooit teruggevonden.’
‘Is dat in de pers geweest?’ vraagt Marie.
‘We hebben verscheidene redacties aangeschreven,
waaronder de jouwe,’ zegt hij schamper. ‘Maar veel interesse was er niet.’
‘Dat is schandalig,’ zegt Marie. Ze kijkt opnieuw naar de foto. ‘Hebben die figuren echt bestaan?’ vraagt Marie.
‘Reken maar,’ zegt Hugo. Hij buigt zich naar haar toe en fluistert, alsof hij verwacht dat de muren zullen meeluisteren: ‘Die man met wijd uitstaande bakkebaarden en het kleine brilletje is een voormalige minister van Justitie.’ Hij wijst een van de geestelijken aan. ‘En dit hier is de directeur van dit eigenste museum.’
Marie laat een zucht van verbazing horen. ‘Maar waarom?’
‘Zoek maar op,’ zegt Hugo. ‘De directeur was indertijd een van de spilfiguren in de jeugdinstelling en het ging er niet bepaald zachtaardig aan toe. Maar er is nooit een veroordeling gevolgd.’
Er gaat een steek door haar hart. Haar grootvader, wat zou die meegemaakt hebben?
‘Mag ik daarover iets schrijven in de krant?’ vraagt ze.
Hugo De Swart kijkt haar doordringend aan. ‘Ik zou niets liever willen,’ zegt hij. ‘Het kan geen toeval zijn dat jij hier net vandaag verschijnt. Morgen zouden ze de tentoonstelling opdoeken, ik was mijn boeltje al aan het pakken. Je komt als geroepen. Eindelijk iemand die begrijpt waarover dit gaat. Ik denk dat mijn broer, en jouw grootvader, beter verdienen dan de vergetelheid. Dat de waarheid nog niet volledig verloren is.
Dat we het schilderij nog kunnen terugvinden en aan het licht brengen wat mijn broer wilde vertellen. We moeten het doen voor hen en ook voor alle anderen die nooit gerechtigheid hebben gekregen. Jij moet het doen.’
Marie voelt ineens een enorme druk op haar schouders. ‘Ik ben maar een simpel journalistje van de stadsredactie,’ zegt ze.
‘Ik ben in de fase gekomen dat ik me aan elke strohalm vastklamp,’ zegt hij. ‘Misschien ben jij de laatste kans om dit op
te helderen.’
Terwijl Hugo De Swart haar probeert te overtuigen, hoort ze een andere stem in haar hoofd. Stel dat zij het schilderij kan terugvinden, stel dat zij een oud gerechtelijk dossier weer kan bovenspitten, dan zal Dave wel moeten inzien dat ze meer waard is dan verslagen maken van persconferenties en openingen. Dat ze tegelijk een familiegeheim kan ontrafelen, misschien meer te weten kan komen over haar eigen achtergrond en gemoedstoestand, geeft de doorslag. ‘Ik doe het,’ zegt ze. ‘Je kan op mij rekenen.’