Page 1

AROUND THE NORTH SEA COAST OF EUROPE DE NOORDZEE ROND DOLPH KESSLER


AROUND THE NORTHSEA COAST OF EUROPE DE NOORDZEE ROND Dolph Kessler Hans den Hartog Jager Gerrit Jan Zwier

Mauritsheech Publishers


NORTH SEA

Jacques Descloitres, MODIS Rapid Response Team, NASA/GSFC


CONTENT 5 8 46 68 88 104 120 146 174 189 206 207 208

Voorwoord Hans den Hartog Jager / Preface Hans den Hartog Jager Nederland / The Netherlands Duitsland / Germany Denemarken / Denmark Noorwegen / Norway Shetlands & Orkneys / Shetlands & Orkneys Schotland / Scotland Engeland / England BelgiĂŤ / Belgium Essay Gerrit Jan Zwier / Essay Gerrit Jan Zwier De Noordzee rond, een toelichting / A few words of explanation Auteurs / Authors Colofon / Colophon




NETHERLANDS

IJmuiden, Noord Pier, 2008

4|5


In dit nieuwe boek van Dolph Kessler zit een gat. Een immense diepte is het, van bijna zeshonderdduizend vierkante kilometer groot, honderd meter diep soms, en gevuld met bremzout water – de Noordzee. De afgelopen jaren reisde Kessler om die zee heen, langs de kust van Nederland naar Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Schotland, Engeland om in België te eindigen. Onderweg maakte hij foto’s, die, verzameld in dit boek, laten zien hoe de Noord-Europese mens in de loop der jaren heeft geleerd zich te verhouden tot die met water gevulde leegte, die zo groot is, zo wijds en onbeheersbaar, met grote kracht en gevaar, maar die de mens ook zoveel profijt biedt en plezier. Dat is meteen de eerste conclusie die je uit dit boek kunt trekken: voor de mensen die wonen bij de Noordzee, is deze zee niet zozeer een gat, maar een groot monster, soms aaibaar, soms gevaarlijk, dat hun leven voor een groot deel bepaalt. Maar wat betekent dat? En in hoeverre kunnen we dat zien in de foto’s?

In this new book by Dolph Kessler there is a void. Its size is immense. In area, it is almost six hundred thousand square kilometres, in places a hundred metres deep and filled with briny water – the North Sea. Over the past few years Dolph Kessler has been travelling around this sea, following the coast of the Netherlands to Germany, Denmark, Norway, Scotland, England and finishing up in Belgium. On the way he took photos, which, assembled in this book, show how over the years North European man has learned to relate to this water-filled emptiness, which is so large, so vast and so uncontrollable, with great force and danger, but which also provides us so much benefit and pleasure. Straight away, this is the first conclusion you can draw from this book: for people living by the North Sea Coast, this sea is not so much a void, but a huge monster, sometimes cuddly, sometimes dangerous, but one which largely determines their lives. But what does that mean? And to what extent can we see this in the photos?

In De Noordzee rond laat Dolph Kessler tientallen verschillende manieren zien waarop de mens zich tot de zee verhoudt, zonder overigens op die verschillen de nadruk te leggen. Je moet ze zelf ontdekken. Dat begint al met het landschap – neem het zand. Nederlanders zijn geneigd de Noordzeekust te associëren met uitwaaien op zondag en zand en strand en havens en kuilgravende Duitse toeristen. Dat zijn ook precies de beelden die we aantreffen op de eerste tientallen pagina’s van dit boek – het lijkt bekend terrein. Maar dan trekken we Duitsland in en verdwijnt het zand langzaam uit het beeld. Eerst is er meer industrie, de kust wordt rotsachtiger en weerbarstiger. Denemarken: veel vissersboten. Noorwegen: rotsen. Shetland en Schotland: gras, stenen en verlaten gebouwen. Pas in Engeland doemt het eerste zand weer op en als we aankomen in België verschijnen de badgasten, de parasols en de roze kinderemmertjes weer in volle glorie in beeld – zand is blijkbaar Noordzee-Zuid. Of neem rotsen: hetzelfde verhaal, maar dan omgekeerd. Gras: hoe noordelijker, hoe meer. De bodemgesteldheid heeft ook opvallend veel gevolgen voor de rest van het beeld: de Engelsen, Denen en Schotten lijken het monster in hun achtertuin vooral te beschouwen als een buur die je in mildheid moet negeren of moet gebruiken als uitvalsbasis voor handel en industrie. Nederlanders en de Belgen lijken hem daarentegen juist als een speelkameraad te beschouwen die ze optuigen met vlaggetjes, parasols en feesthoeden. De Noordzeekust kan het allemaal schijnbaar eenvoudig aan. Alsof het vanzelfsprekend is.

In Around the North Sea Dolph Kessler shows dozens of different ways in which man relates to the sea, without emphasising those differences. You have to discover them for yourself. Let’s start with the landscape – take the sand for example. Dutch people tend to associate the North Sea Coast with getting a breath of fresh air on a Sunday and the sand and the beach and the harbours and the German tourists digging holes. These are exactly the images we find on the first few pages of this book – the scene seems familiar. But then we move on to Germany and the images of sand gradually fade away. At first there is more industry and the coast gets rockier and rougher. Denmark: lots of fishing boats. Norway: rock formations. Shetlands and Scotland: grass, stones and abandoned buildings. Only in England does sand reappear and when we arrive in Belgium the bathers, parasols and pink children’s buckets emerge again in all their splendour – apparently sand is North Sea-South. Or take rocks for instance: the same story - but then in reverse. Grass: the more northerly the area, the greener the grass. The composition of the soil also affects the rest of the image unmistakably: the English, the Danes and the Scots seem to consider this monster in their back garden chiefly as a neighbour to be ignored with HYPERLINK “http:// nl.bab.la/woordenboek/engels-nederlands/leniency”leniency or otherwise to be used as a base of operations for trade and industry. The Dutch and the Belgians on the other hand appear to regard it as a playmate to be dressed up with bunting, parasols and party hats. Yet the North Sea Coast effortlessly seems to be able to cope with it all. As if it just is a matter of course.

Maar pas als je langer door dit boek bladert, begin je ook te beseffen dat er een opmerkelijke kracht zit in Dolph Kesslers werk. Het lijkt namelijk allemaal zo neutraal, zo evenwichtig, zo waar, wat hij hier presenteert, dat je als kijker al snel vergeet dat we toch echt kijken naar een zeer hoogstpersoonlijke, subjectieve Noordzeevisie. Je zou dat Dolph Kesslers stijl kunnen noemen: of hij nu Kunstbeurzen fotografeert (zijn boek Art Fairs 2010), op reis gaat naar andere gebieden of langs de Noordzee trekt, op het eerste gezicht is hij niet erg nadrukkelijk aanwezig in zijn foto’s. Hij is in die zin een zeer klassieke fotograaf: een observator die altijd op afstand blijft en zich niet wenst te mengen in het leven dat zich voor zijn ogen voltrekt.

But, if you leaf through the book a bit more, you begin to realize that Dolph Kessler’s work contains a remarkable power. That which he presents here all looks so well-balanced, so true, that you as the viewer, soon forget that what you look at is really a very personal, very subjective vision of the North Sea. You could call it Dolph Kessler’s style. Whether he takes photos of Art Fairs (his book Art Fairs 2010), travels to foreign regions or wanders along the North Sea: at first glance he isn’t so emphatically present in his photos. In that sense he is a traditional photographer: an observer who always remains at a distance and doesn’t wish to interfere with the life that goes on before his eyes.


Niet voor niets is er in dit boek geen foto te vinden waarop mensen ons (of eigenlijk Kessler) aankijken – alsof hij er nooit is geweest, of geen toeschouwer het tafereel waarnam. En, misschien nog wel belangrijker: alsof de momenten die de fotograaf heeft vastgelegd ook zo zouden hebben plaatsgevonden als hij er niet was geweest.

It is not for nothing that there aren’t any photos in this book of people looking directly at the viewer (or in fact at Kessler) – it’s as if he was never there, as if nobody had ever noticed the scene. And, perhaps even more important: it’s as if the moments captured by the photographer would still have occurred if he had not been there at all.

Juist in die schijnbare afwezigheid en ‘waarheid’ zit de kracht van Dolph Kesslers werk. Wie wat beter naar deze foto’s kijkt ziet al snel dat we wel degelijk door zijn ogen naar de wereld kijken, naar het leven om dat grote gat. Daarbij helpt het om te weten dat Kessler ooit als stedenbouwkundige aan de TU in Delft werd opgeleid. Ineens besef je dat zijn foto’s een grote voorliefde tonen voor structuur, voor gebouwen, voor de lijnen in het landschap. Hij is in die zin zeker verwant met de beroemde New Topographics School van fotografen als Stephen Shore, Robert Adams en Lewis Baltz die op eenzelfde schijnbaar objectieve manier naar het menselijk ingrijpen in het landschap keken. Sterker nog: wie er eenmaal op let, beseft dat Dolph Kesslers Noordzee-serie niet zozeer een sociologische studie is naar de manier waarop mensen in verschillende landen zich verhouden tot dat immense watermonster, maar dat dit boek, zoals zoveel goede foto’s en kunstwerken, evengoed een onderzoek is naar de verborgen structuur van de werkelijkheid. Dat klinkt misschien zwaar, verheven, maar Kesslers landschappen, kustgezichten, havengezichten en strandscènes laten zich evengoed beschouwen als een catalogus van abstracte vormen en composities die je in het landschap aantreft – als je er maar oog voor hebt. Kijk bijvoorbeeld naar de zichtlijnen die een huizenblok trekken richting de zee. De manier waarop een horizonlijn een beeld kan afsluiten, of naar de wijze waarop het ritme van dijk, water en land een prachtig abstract lijnenspel vormt waar menige schilder een puntje aan kan zuigen. Alsof het altijd al zo geweest is. Alsof het niet anders zou kunnen zijn.

It would seem that it is precisely that absence and ‘truth’ which represents the power in Dolph Kessler’s work. But looking closer at these photos you will soon discover that we begin to see the world – the life around that big void - through his eyes. It does help to know that Kessler studied urbanism at Delft University of Technology. All of a sudden you realize that his photos express a strong preference for structure, for buildings, for lines in the landscape. In that respect he demonstrates a definite affinity with the famous New Topographic School of photographers like Stephen Shore, Robert Adams and Lewis Baltz who looked at human intervention in the landscape in a similar seemingly objective way. In fact, once you take notice, you recognise that Dolph Kessler’s North Sea series is not so much a sociological study about the way in which people in various countries relate to that immense water monster, but that this book, like so many good photos and works of art, is also an exploration into the hidden structure of reality. That might sound heavy, high minded, but Kessler’s landscapes, coastscapes, harbour views and beach scenes can be considered equally well as a catalogue of abstract forms and compositions that one can find in the landscape – so long as you have an eye for it. See for instance how a block of houses draws sightlines towards the sea. See also the way a horizon line can block off an image, or how the rhythm of dike, water and land forms a wonderful abstract linear pattern that many an artist should be jealous of. As if it always has been like this. As if it couldn’t be any different.

Daarmee lijkt Dolph Kessler ook zijn ware fascinaties te verraden. Dolph Kessler is geen fotograaf die geïnteresseerd is in menselijke beslommeringen, in alledaagse menselijke emoties. Dolph Kessler kijkt graag verder: wie dit boek doorbladert beseft dat hij het liefst wil laten zien (zonder daarover te oordelen) wat de mens voor ingrepen in de werkelijkheid pleegt. En dan niet als individu maar als soort: de mens die het landschap naar zijn hand zet, zich tot de natuur probeert te verhouden, die probeert te beheersen. Om het verhevener te zeggen: in De Noordzee rond zien we hoe de mens probeert de omgeving van de zee naar zijn hand te zetten – noem het de ultieme botsing tussen natuur en cultuur. Om zo’n onderwerp te bekloppen, te betasten, te onderzoeken is de Noordzee, dat monster in onze achtertuin, misschien wel het allerbeste onderwerp dat je kunt bedenken. Dat Dolph Kessler dat heeft beseft, gezien, maakt dit boek de moeite van het bekijken meer dan waard.

Thus Kessler also seems to betray his true fascinations. Dolph Kessler is not a photographer interested in human troubles, in everyday human emotions. Kessler likes to go beyond these: leafing through this book, you realize that he prefers to show (without passing any judgment) what kind of interventions man makes into reality. Not so much as an individual but rather as a species: man bending the landscape to his will, trying to relate to nature, trying to control it. To say it in a more sublime way: in Around the North Sea we see how man tries to bend the sea’s surroundings to his will – call it the ultimate clash between nature and culture. The North Sea, that monster in our back garden, might just be the best subject of all you can think of to tap, touch and explore. That Kessler has realized this, seen this, makes this book certainly worth looking at. Hans den Hartog Jager

Door Hans den Hartog Jager

6|7


41 37

43

39

Leeuwarden

44-45

35

29 31 33 27 22 23 24 25

20-21 19 13 15 17

Amsterdam Den Haag Rotterdam

11 9

NETHERLANDS

8|9


Vlissingen, 2008

NETHERLANDS


10 | 11


monument Oosterscheldedam, 2011

NETHERLANDS


12 | 13


2e Maasvlakte, 2008

NETHERLANDS


14 | 15


2e Maasvlakte, 2008

NETHERLANDS


16 | 17


2e Maasvlakte, 2008

NETHERLANDS


NETHERLANDS

Scheveningen, 2010 (p. 20-21)

18 | 19


Hoek van Holland, 2009

NETHERLANDS


20


NETHERLANDS

Zandvoort, 2011

22 | 23


Zandvoort, 2011

NETHERLANDS


NETHERLANDS

Zandvoort, 2011

24 | 25


Zandvoort, 2011

NETHERLANDS


26 | 27


Bloemendaal, 2010

NETHERLANDS


28 | 29


IJmuiden, 2008

NETHERLANDS


30 | 31


IJmuiden, 2008

NETHERLANDS


32 | 33


IJmuiden, 2010

NETHERLANDS


Petten, 2010

34 | 35


Petten, 2010

NETHERLANDS


36 | 37


Roptazijl / Fryslan, 2009

NETHERLANDS


38 | 39


Westhoek / Fryslan, 2007

NETHERLANDS


40 | 41


Ameland, 2007

NETHERLANDS


42 | 43


Schiermonnikoog, 2009

NETHERLANDS


Nieuwe Statenzijl, 2007

NETHERLANDS


63 65 66-67

59

49 51

61

57

47

53 55 52

Hamburg

Bremen

GERMANY

46 | 47


Petkum, 2007

GERMANY


48 | 49


Norderney, 2010

GERMANY


50 | 51


Norderney, 2010

GERMANY


GERMANY

Brake at Weser, 2011

52 | 53


Bremerhaven, 2011

GERMANY


54 | 55


Bremerhaven, 2007

GERMANY


56 | 57


Dorum, 2007

GERMANY


58 | 59


Helgoland, 2011

GERMANY


60 | 61


B端sum, 2008

GERMANY


62 | 63


Dageb端ll, 2008

GERMANY


64 | 65


Westerwarft, Hallig Hooge, 2010

GERMANY


66 | 71


Halligen, Hooge, 2010

GERMANY


85 86-87 79 81

83

Alborg

77

Esjberg

74 75 69

71 73

DENMARK

68 | 69


Rømø, 2008

DENMARK


70 | 71


Rømø, 2008

DENMARK


72 | 73


Rømø, Havneby, 2008

DENMARK


DENMARK

Esjberg, 2008

74 | 75


Esjberg, 2008

DENMARK


76 | 77


Bovbjerg Klint, 2008

DENMARK


78 | 79


Hanstholm, 2008

DENMARK


80 | 81


Hanstholm, 2008

DENMARK


82 | 83


Torup Strand, 2010

DENMARK


84 | 85


Løkken, 2010

DENMARK


86


Løkken, 2010

DENMARK


Bergen 95 96 97 101 102-103 99 100

Stavanger 93

Kristiansand 90 91 89

NORWAY

88 | 89


near Kristiansand, 2008

NORWAY


NORWAY

Lista, 2008

90 | 91


Lista, 2008

NORWAY


92 | 93


Egeroy Fyr, 2008

NORWAY


94 | 95


Austevoll, 2010

NORWAY


NORWAY

Austevoll, 2010

96 | 97


Austevoll, 2010

NORWAY


98 | 99


Bomlo / Mosterhamn, 2010

NORWAY


NORWAY

Bomlo, 2010

100 | 101


Austevoll, 2010

NORWAY


102


Bomlo / Goddo, 2010

NORWAY


107 113

Lerwick 111

105

109

115 116 118-119

Kirkwall

117

SHETLANDS & ORKNEYS

104 | 105


Lerwick, 2009

SHETLANDS


106 | 107


near Hillswick, 2009

SHETLANDS


108 | 109


Quendale / Fitful Head, 2009

SHETLANDS


110 | 111


Maywick, 2009

SHETLANDS


112 | 113


near Sullom Voe, 2009

SHETLANDS


114 | 115


Brough of Birsay, 2009

ORKNEY


ORKNEY

Ring of Brodgar /Â Mainland, 2009

116 | 117


Mainland, 2009

ORKNEY


118 | 122


Mainland, 2009

ORKNEY


122 123 121

125 127

Inverness

128

129 131 133

Aberdeen

134-135 137 139

141 144-145

Edinburgh

SCOTLAND

142 143

120 | 121


Wick, 2009

SCOTLAND


SCOTLAND

near Castletown, 2009

122 | 123


near Castletown, 2009

SCOTLAND


124 | 125


Helmsdale / Highland Games, 2009

SCOTLAND


126 | 127


Helmsdale / Highland Games, 2009

SCOTLAND


SCOTLAND

Fraserburg, 2008

128 | 129


Petershead, 2008

SCOTLAND


130 | 131


Petershead, 2008

SCOTLAND


132 | 133


Petershead, 2008

SCOTLAND


134 | 137


SCOTLAND

Aberdeen, 2008 (p. 134-135)

136 | 137


Aberdeen, 2008

SCOTLAND


138 | 139


Dunnottar castle / Stonehaven, 2008

SCOTLAND


140 | 141


St Monans, 2008

SCOTLAND


SCOTLAND

St Abbs, 2008

142 | 143


St Abbs, 2008

SCOTLAND


North Berwick, 2008

SCOTLAND


149 147 151 153

Newcastle

154 155

157 159

Hull

161 162 163 165 166 167

Norwich

London

ENGLAND

168 169 171

172 -173

146 | 147


view on Holy Island, 2008

ENGLAND


148 | 149


Berwick-upon-Tweed, 2008

ENGLAND


150 | 151


Bamburgh, 2008

ENGLAND


152 | 153


Beadnell, 2008

ENGLAND


ENGLAND

Teeside, 2008

154 | 155


Teeside, 2008

ENGLAND


156 | 157


Scarborough, 2009

ENGLAND


158 | 159


Bridlington, 2009

ENGLAND


160 | 161


Aldbrough, 2009

ENGLAND


ENGLAND

Grimsby, 2009

162 | 163


Grimsby, 2009

ENGLAND


164 | 165


Mablethorpe, 2009

ENGLAND


ENGLAND

Ingoldmells, 2009

166 | 167


Ingoldmells, 2009

ENGLAND


ENGLAND

Great Yarmouth, 2008

168 | 169


Great Yarmouth, 2008

ENGLAND


170 | 171


Great Yarmouth, 2008

ENGLAND


ENGLAND

Felixstowe, 2009

172 | 169


Felixstowe, 2009

ENGLAND


180 181 186 - 187 183 185 175 177 178 179

Oostende

BELGIUM

Antwerpen

174 | 175


Oostende, 2008

BELGIUM


176 | 177


Oostende, 2009

BELGIUM


BELGIUM

Blankenberghe, 2006

178 | 179


Blankenberghe, 2006

BELGIUM


BELGIUM

Knokke, 2008

180 | 181


Knokke, 2008

BELGIUM


182 | 183


De Haan, 2009

BELGIUM


184 | 185


De Haan, 2009



BELGIUM


BELGIUM

Knokke, 2008

186 | 183


Knokke, 2006

BELGIUM


188 | 189


Mijn Noordzee kust Gerrit Jan Zwier

My favourite destinations around the North Sea Gerrit Jan Zwier

Voor de mensen die aan de kust van de Noordzee wonen voegt de zee iets extra’s toe aan het leven. Men heeft er een ruime blik, de lucht is er ziltig en in het volksgeheugen is een kroniek van schipbreuken, overstromingen en juttersfeesten opgeslagen. Antropologen hebben het graag over een maritieme cultuur, die niet alleen op de economie betrekking heeft, maar ook op de geest en het geloof. In de kerken hangen modellen van schepen aan het plafond die aangeven dat een gelofte aan de Heer of een heilige vervuld is. Alleen aan de kust zingen mannen met zeebenen hun shanties (zeemansliedjes). Wie vissoep of fruits de la mer wil eten, kan het beste een tafel boeken in een restaurant met uitzicht op zee. ‘De zee geeft en de zee neemt,’ zeggen ze in Oostende, Harlingen, Esbjerg, Bergen en Grimsby.

The sea adds something extra to the lives of the people living by the North Sea Coast. Their eyes are bright, the air is salty and stored in collective memory, there is a chronicle of shipwrecks, floods and beachcombers’ parties. Anthropologists tend to talk of a maritime culture that not only has a bearing on the economy but also on the spirit and religion. Models of ships are suspended from churchceilings to indicate that a vow to the Lord or a Saint has been fulfilled. Only at the coast will you find men with sea legs singing their shanties. If you want to eat fish soup or fruits de la mer you only need to book a table at a restaurant overlooking the sea. “The sea gives and the sea takes away”, as they say in Ostend, Harlingen, Esbjerg, Bergen and Grimsby.

De zes landen – Engeland/Schotland, Nederland, Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen – die rond de Noordzee liggen, hebben elkaar, sinds men in staat was een zeewaardige boot te bouwen, over en weer beïnvloed. Die historische banden hadden soms een negatief karakter (denk aan de vroeg-middeleeuwse rooftochten van de Noormannen) en soms een positief (de laatmiddeleeuwse Hanze). Dankzij de handelsbetrekkingen, ook uit latere tijd, de visserij, de walvisvaart, is er in de geschiedenis van deze kustgebieden aan de Noordzee veel gemeenschappelijks terug te vinden. Eenheid in verscheidenheid, zou je kunnen zeggen. Misschien is er zelfs sprake van een ‘Noordzeecultuur’. Eeuwenlang was de visserij van groot belang voor vele kustregio’s langs de ‘productieve kustzee’ die Noordzee heet. Het gaat om een ondiepe zee, tussen de 50 (Doggersbank) en 94 meter, al neemt de diepte voor de Noorse kust toe tot 700 meter. Samen met het Kanaal behoort de (zuidelijke) Noordzee tot de drukst bevaren scheepvaartroute ter wereld. Door overbevissing en quota is het economisch gewicht van deze bedrijfstak in de afgelopen tientallen jaren aanzienlijk geslonken. Ook de vervuiling, die mede door de massa’s industriewater van grote rivieren als de Rijn, de Elbe, de Schelde en de Theems wordt veroorzaakt, heeft daarbij een negatieve rol gespeeld. Bijna tegelijk met de neergang van de commerciële visserij, zorgde de exploitatie van olie en gas onder de zeebodem echter voor nieuwe welvaart, vooral in Noorwegen. Mijn persoonlijke verhouding tot de Noordzee en haar kusten kent een lange geschiedenis. Ik herinner mij bijvoorbeeld die septemberavond in 1966 dat ik de havenstad Bergen zag opdoemen vanaf het dek van een schip – een woud van lichtjes dat op de berghellingen wortel had geschoten. De veerboot kwam uit Ålesund, waar ik zes weken in een visfabriek had gewerkt. Ik was negentien en had er vier maanden Scandinavië op zitten. In jeugdhotel Montana, dat nog steeds bestaat, vond ik onderdak. De

The six countries – England/Scotland, the Netherlands, Germany, Denmark, Sweden and Norway – that are situated around the North Sea, have influenced each other ever since they were capable of building a seaworthy boat. Sometimes those historical ties have had a negative effect (think of the Viking raids in the early Middle Ages) and sometimes the effects were positive (e.g. the Hanseatic League of the late Middle Ages). Thanks to trade relations - and later through fishing and whaling - the coastal regions along the North Sea have a lot of history in common. You might say: Unity in diversity. Perhaps there is even a ‘North Sea culture’. For centuries fishing has been the lifeblood of the coastal regions along this ‘productive coastal sea’ known as the North Sea. It’s a shallow sea between 50 (Dogger Bank) and 94 metres, although the depth off the Norwegian Coast increases up to 700 metres. Both the North Sea and the English Channel rank among the busiest shipping routes in the world. The economic importance of this line of business has been substantially diminished by overfishing and quotas over the past decades. Also pollution, caused by masses of industrial water from major rivers like the Rhine, the Elbe, the Scheldt and the Thames, has played a negative role. Almost simultaneous to the decline of commercial fishing, the exploitation of oil and gas beneath the bottom of the North Sea has provided new wealth, especially in Norway. My personal relationship to the North Sea and its coasts goes back a long way. I remember for instance, that September evening of 1966, the moment I saw the port of Bergen loom up from the deck of a ship – a forest of lights scattered all over the mountain slopes. The ferry came from Ålesund, where I had worked in a fish factory for six weeks. I was nineteen and had just spent four months in Scandinavia. I found accommodation in a youth hostel called Montana, which still exists. The following days I roamed the narrow streets of the old town together with an American hippy and an Eskimo from Greenland. We meandered past the


volgende dagen zwierf ik samen met een Amerikaanse hippie en een Groenlandse Eskimo door de smalle straatjes van de oude stad, langs het raadhuis, de Mariakerk, de kathedraal, het koffiehuis aan Strandkaien, de houten koopmanshuizen van Bryggen en over de markt (Torget), waar elke dag kabeljauw, zalm en heilbot werd verkocht. ’s Avonds bestelden we Hansa-bier in het zeemanscafé en luisterden er naar de zomerhits van dat jaar – Sonny van Sonny & Cher en I’ll be there van The Four Tops – die bijna onafgebroken uit de jukebox schalden. Toch was deze noordelijkste stad van de Noordzee voor mij in die tijd slechts het zuidelijkste vertrekpunt naar de gebieden waar het echte avontuur riep: IJsland, de Faerøer, de toendra’s van Lapland. Maar nu ik wat ouder en socialer en minder nurks ben geworden, weet ik ook het landschap van de Noordzeekust zelf te waarderen. Met het klimmen der jaren heb ik zo langzamerhand de gehele Noordzeekust wel bezocht en heb ik er mijn favoriete plekken gevonden. Dit fotoboek van Dolph Kessler, met wie ik in de afgelopen 10 jaar vele reizen heb gemaakt, biedt mij de gelegenheid impressies te geven van een aantal favoriete Noordzee-bestemmingen. Dat er onder die favoriete plekken veel eilanden voorkomen, zal niemand verbazen die begrip heeft voor mijn eilandgekte. Laten we beginnen met de kust van Nederland, met Walcheren, om precies te zijn. Het verlangen naar de kust De bus uit Vlissingen brengt mij op een herfstdag via Koudekerke en Biggekerke naar Zoutelande, waar ik mij op het Deltapad waag, een schier eindeloos traject dat van Zeeuws-Vlaanderen naar Hoek van Holland loopt. Nu de grote zomerdrukte voorbij is en het herfstlandschap van kleur is verschoten, lijkt een voettocht door Walcheren een aantrekkelijk perspectief. Aan de kust hangt het zilverige licht waar schilders zo verzot op zijn. Achter de dijken verdringen rode pannendaken zich rond kerken en vuurtorens. Een hoge duinenrij biedt uitzicht op de wijde watervlakte van de Westerschelde, de enige Zeeuwse zeearm die niet is afgesloten. Verderop naar het noorden kost het de massieve vuurtoren van Westkapelle geen enkele moeite de aandacht op zich te vestigen. Over klinker- en schelpenpaden gaat het naar de Westkapelse Kreek, het restant van een dijkdoorbraak. Die herinnert niet aan de Watersnoodramp van 1953 (Walcheren bleef toen gespaard), maar aan 1944, toen de geallieerde luchtmacht de zeedijk vernielde en het land aan de golven prijsgaf. Een paar kilometer voor Domburg klimt het pad weer omhoog naar de duinen. Begin 1900 streken bekende Nederlandse schilders als Piet Mondriaan, Jan en Charley Toorop en andere impressionisten en expressionisten in Domburg neer. Vele duinen, kerken, molens en vuurtorens werden op hun doeken vereeuwigd. Menige schilder maakte portretten van de apostelkoppen van Zeeuwse boeren. Achter de badplaats dwaalt het Deltapad verder door oud en dicht geboomte. Landgoed Westhove blijkt te zijn afgezakt tot

old city hall, St Mary’s Church, the Cathedral, the coffee house at Strandkaien, the wooden merchant houses of Bryggen and the Torget fish market, which sold fresh cod, salmon and halibut every day. In the evening we ordered Hansa beer in the sailors’ pub and listened to the hits of that summer – Sonny from Sonny & Cher and I’ll be there by the Four Tops – songs that blared continuously out of jukeboxes. At the time, this northernmost city of the North Sea was for me just the southernmost point of departure in my search for real adventure: Iceland, the Faroe Islands, the tundras of Lapland. But now, being older, more sociable and less boorish, I have learned to appreciate the landscape of the North Sea Coasts as well. In fact, as I advanced in years, I gradually explored the entire length of the North Sea Coast to find my favourite places. This photo book by Dolph Kessler, with whom I made a lot of trips these past ten years, offers me the opportunity to reflect on a number of favourite North Sea destinations. It won’t come as a surprise to anyone understanding my islomania, that a lot of these favourites are islands. Let’s start on the Netherlands coast, at Walcheren to be precise. Longing for the coast On an autumn day, the bus from Vlissingen (Flushing) takes me through Koudekerke and Biggekerke to Zoutelande, from where I take the Deltapad (Delta trail), an almost infinite hiking route alongside the Dutch North Sea coast, which goes from Zeeuws Vlaanderen (Zealand Flanders) to the Hook of Holland. Away from the bustle of summer and amidst the changing colours of an autumnal landscape, a walk through Walcheren seems an attractive prospect. The silvery light that artists are so fond of shimmers above the coastline. Behind the dikes, red tiled roofs crowd round churches and lighthouses. A line of high dunes offers a view overlooking the wide expanse of water that is the Westerschelde - the only estuary in Zeeland which is not blocked. More to the north the massive lighthouse of Westkapelle claims centre of attention. Brick-paved tracks and shell paths lead to the Westkapelse Creek, which was formed as a result of a dike bursting. This is not a reminder of the Flood Disaster of 1953 (Walcheren was not affected at the time), but of 1944, when the Allied Air Force destroyed the sea dike and the land was left at the mercy of the waves. A few kilometres before arriving in Domburg the path climbs up to the sand dunes. In the early 1900’s, famous Dutch painters like Piet Mondriaan, Jan and Charley Toorop together with other impressionists and expressionists descended on Domburg. Dunes, churches, windmills and lighthouses were immortalized on their canvasses. Many a painter made portraits of the apostles’ heads of the Zeeland farmers. Behind the seaside resort the Delta trail wanders on through old and dense trees. Westhove country estate has been reduced to a youth hostel. After the forest, the landscape opens out to the

190 | 191


een jeugdherberg. Na het bos vouwt het landschap zich open in blonde toppen en kragen van helmpluimen. Hogerop glinstert een groene zee met witte zeilen. In de heiige verte lossen de strakke lijnen van de Veerse Dam en de Oosterscheldekering zich op, beide onderdelen van de Deltawerken. Beter zichtbaar zijn het Veerse Meer en de slanke toren van Veere, het favoriete stadje van Japi, de uitvreter, uit het gelijknamige verhaal van Nescio. Hij zat daar graag uren achtereen en staarde over het water naar de Dikke Jan van Zierikzee en de Lange Jan van Middelburg. Japi had het op Walcheren naar zijn zin, want ‘Zeeuwen zijn de beroerdsten niet’. De waddeneilanden Een wad is een stuk droogvallende grond aan de zeekust. De eerste waddeneilanden vormden zich op zandbanken die op een bepaald moment als strandwallen boven het water uitstaken. De Waddenzee zelf is een ondiepe getijdenzee die bij eb nagenoeg droogvalt. Aangezien er aan het boetseerwerk van de zee nooit een einde komt, veranderen de eilanden voortdurend van vorm. Er worden stukken afgeslagen en stukken toegevoegd. De afslag is het sterkst aan de noord- en westzijde. Hele dorpen, die aan deze verkeerde kant lagen, zoals West-Vlieland en het Amelandse Sier, zijn in de loop der eeuwen onder de zeespiegel verdwenen. Vaak groeien de eilanden aan de oostkant weer aan, met als gevolg dat zij zich in de richting van Duitsland verplaatsen. Omdat de eilanden pas de laatste duizend jaar uit de golven opdoken hebben ze een tamelijk korte bewoningshistorie. De akkers met hun houtwallen lagen op het zand, het vee graasde op de kwelders, terwijl het tussengebied als hooiland in gebruik was. Op Vlieland kwam de akkerbouw nooit van de grond. De veeteelt beperkte zich tot kudden geiten die in de duinen naar voedsel zochten. (Met een ‘geit’ wordt zowel het dier als de Vlielander aangeduid, te vergelijken met een ‘Belg’, waarmee zowel het paard als het baasje wordt bedoeld.) Op Texel kwam de schapenteelt tot bloei. Een boer op de eilanden was vaak tevens jager, jutter en visser. Menige boerenzoon was gedwongen zijn geld op zee te verdienen. Ze monsterden aan als zeeman op Hollandse schepen of trokken mee ter walvisvaart. De meeste eilanden beschikten vroeger over een eigen vloot van pinken en snikken die de Noordzee bevisten. Halverwege de negentiende eeuw begon er een heel andere ontwikkeling die de eilanden uit het economische slop zou halen: de badgast verscheen op het toneel. Met een hoofd vol nieuwe ideeën over de gezonde zeelucht en het heilzame zoute water, stapte hij van de boot. Her en der verrezen badhotels, na 1920 nam de bouw van zomerhuisjes een hoge vlucht. Dertig jaar later kregen de eilanden hun definitieve bestemming als vakantieparadijs. Het aardige is dat alle waddeneilanden – in totaal meer dan dertig – ondanks de vele gemeenschappelijke elementen, wat de recreatie betreft een eigen gezicht hebben. De Nederlandse waddeneilanden zijn vooral bij kampeerders en gezinnen met kleine kinderen populair. De in de Duitse Bocht gelegen Oost-Friese en Noord-

golden tops and crests of marram grass and above it all a green sea glistens with white sails. The taut outlines of the Veerse Dam and the Oosterscheldekering (Eastern Scheldt storm surge barrier) – both are a part of the Delta Works - dissolve in the hazy distance. More visible are the Veerse Meer (Lake of Veere) and the fine church-tower of Veere, the favourite town of Japi, the uitvreter (the sponger) from Nescio’s story with the same name. He would sit there for hours gazing out over the water at the Dikke Jan (the Fat John) of Zierikzee and the Lange Jan (Long John) of Middelburg. Japi felt good on Walcheren, because ‘ the people of Zeeland aren’t half bad’. The Wadden Islands A wad is that section of land at the seacoast that falls dry during low tide. The first Wadden Islands were formed on sandbanks, which originally were just mud flats above the water. The Wadden Sea is a shallow tidal sea, which becomes practically dry at low tide. The activity of the sea is a never-ending story. The islands are in constant movement and change shape continuously as land disappears into the sea and new sandbanks are formed. Dune erosion is worst at the north and the west side of the islands. Entire villages, which are situated at this wrong side of the islands, like West-Vlieland and the Amelandse Sier, have disappeared below sea level over the course of centuries. Often these villages reform and move towards the east side of the islands, which results in a constant movement in the direction of Germany. As the islands only emerged from the waves some thousand years ago, the history of their habitation is rather short. The fields surrounded by hedgerows were on sandy soil, cattle grazed on the kwelders (tidal marshland outside the dike), while the land in between was used as hay fields. Agriculture on Vlieland never really got off the ground. Animal husbandry consisted mainly of herds of goats looking for food in the dunes. (A ‘goat’ is the animal as well as the person from Vlieland; comparable to a ‘Belgian’ referring both to the horse and his master.) Sheep breeding however, did prosper on Texel. A farmer on the islands wasn’t just a farmer, but a hunter, beachcomber and fisherman as well. Many a farmer’s son was compelled to go to sea in order to earn money. They signed up as sailors on ships from Holland or went whaling. Most islands used to have their own fleet of pinken and snikken (traditional local sailing ships), which fished the North Sea. Halfway through the nineteenth century a whole new development began, which would revitalize the islands’ economy: the seaside visitor appeared on the scene. He got off the boat, his head filled with new ideas about healthy sea air and wholesome salt water. Seaside hotels appeared here and there; the construction of summerhouses took off after 1920. After thirty years, the islands were destined to become holiday paradises. The remarkable thing is that all of the Wadden Islands – over


Friese eilanden hebben zich, geheel in tegenstelling tot de Nederlandse waddeneilanden, ontwikkeld tot kuuroorden. Wie problemen heeft met de luchtwegen of gebukt gaat onder allergische aandoeningen, hoopt op de eilanden genezing te vinden. De eilander hotels zetten graag een K voor het woord Urlaub: Kurlaub. De Deense waddeneilanden zijn weer op een andere manier bijzonder. Auto’s mogen hier meestal op het strand rijden en stoppen pas bij de vloedlijn. Op zonnige dagen is het brede strand van Rømø één grote parkeerplaats. Rømø is al sinds 1948 met het vasteland verbonden. De dam werkt als een magneet op de gemotoriseerde vakantieganger. Tegenwoordig weten jaarlijks vele tienduizenden Denen en Duitsers de weg naar het breedste strand van Europa te vinden. Pas bij Esbjerg komt er een einde aan de serpentine van waddeneilanden die boven Den Helder begint. Texel Als enige waddeneiland beschikt Texel over een eigen langeafstandwandelpad (80 km). Het Texelpad volgt zowel de duinenrij als de wadkant. Bij Texel denkt een Nederlandse natuurliefhebber meteen aan de grote natuurvriend Jac.P. Thijsse. Het Verkade-album Texel, dat in 1927 verscheen, bereikte een massapubliek. Wat de meeste mensen niet weten, is dat Thijsse maar twee jaar op Texel als onderwijzer actief was. Later, toen hij schoolmeester was in Amsterdam, stak hij echter nog vele malen het Marsdiep over. Het was zijn overtuiging dat één uur in de vrije natuur opwoog tegen zes uur natuurlijke historie in de klas. De man straalde een levensblijheid uit die haast on-Nederlands aandoet. In ieder geval on-Texels – wie het boek Familiezaken van de Texelse schrijver Nico Dros kent, zal zich de stoet van zwaarmoedige boeren herinneren die zich in de schuur verhingen. Leerlingen van Thijsse, zoals Jan Strijbos en Bert Garthoff, hadden Texel in hun hart gesloten. Deze natuurromantici hadden vooral een zwak voor vogels; in de lente en in de zomer vormen de lepelaar en de elegante kluut een speciale attractie. In de winter moeten we ons vooral met grote aantallen rotganzen tevreden stellen. Strijbos ging in navolging van Thijsse zelfs op Texel wonen. Het advies van zijn leermeester om Texel helemaal rond te lopen was aan hem goed besteed. ‘Dat waren werkelijke ontdekkingstochten en wat wij daarbij ondergingen is onbeschrijfelijk,’ herinnerde hij zich later. Monter en geheel in zijn geest stap ik bij De Koog op het Texelpad. Mijn koers is NNO. Zo kom ik langs de Muy, een duinmeertje dat beroemd is om zijn lepelaarskolonie, en de Slufter, die in open verbinding staat met de zee. Een duintop biedt vrij uitzicht op de rode, vroeger oud-roze geschilderde vuurtoren van De Cocksdorp, die als een machtige beschermheer tussen zijn vazallen oprijst. Na het dorp buigt het Texelpad af naar de polders en kwelders. De wind blijft zilt, maar het is nu alles cultuurlandschap wat de klok slaat. Gras en schapen, en rotganzen, wintergasten, hoewel ze pas

thirty in total – offer different kinds of recreation notwithstanding their similar circumstances. The Dutch Wadden Islands are popular with campers and families with small children while the East Frisian and North Frisian Islands in the German Bight developed into health resorts. People with bronchial problems or allergic complaints hope to recover on the islands. The hotels on the German Wadden Islands proudly put a K before the word Urlaub (vacation): Kurlaub (‘Curevacation’). The Danish Wadden Islands are also special in their own way. Here cars are allowed to drive on the beach and need only stop at the high-water line. On sunny days the wide beach of Rømø is one big car park. Rømø has been connected to the mainland since 1948. The causeway works like a magnet for the motorized holidaymakers. Today some tens of thousands of Danes and Germans find their way to this, the broadest beach in Europe. This serpentine of Wadden Islands, which starts in Den Helder, finally ends in Esbjerg.  exel T Of all the Wadden Islands Texel is the only one that has a longdistance footpath (80 km). The Texel trail follows the line of sand dunes and also passes along the side of the Wadden Sea. Texel reminds every Dutch nature lover of the great nature friend Jac. P. Thijsse. The Verkade album Texel, published in 1927, reached a wide section of the public. Most people don’t know that Thijsse only taught at the Texel school for two years. Later, when he worked as a schoolteacher in Amsterdam, he would often cross the Marsdiep. It was his firm conviction that one hour in the open air was equal to six hours natural history in the classroom. The man radiated a joy of life that almost strikes one as un-Dutch or at least as un-Texel. Those who have read the book Familiezaken (Family business) by Texel author Nico Drost, will remember the procession of gloomy farmers, hanging themselves in the barn. Thijsse’s pupils, like Jan Strijbos and Gert Garthoff, had fallen in love with Texel. These nature romantics had in particular a soft spot for birds; in spring and summer the spoonbill and the elegant avocet merited special attention. In winter they were content with large numbers of brent geese. Following in Thijsse’s footsteps Strijbos even moved to Texel. His teacher’s advice to walk around the island wasn’t wasted on him. “Those were real exploratory expeditions and what we experienced was indescribable,” he later recalled. Cheerful and entirely in his spirit I start walking the Texel trail at De Koog. My course is NNE. I pass de Muy, a small lake in the dunes known for its colony of spoonbills, and the Slufter, which is in open connection to the sea. There’s a clear view from the top of the dunes of the red – formerly old rose – painted lighthouse of De Cocksdorp, rising up as a mighty lord amidst his vassals. After the village the Texel trail winds away in the direction of the polders (low-lying land, reclaimed from the water and protected by dikes) and the kwelders (tidal marshland). The wind remains briny, but a

192 | 193


in mei vertrekken. Was Thijsse nu ook gecharmeerd van dit Texelse polderland? Jazeker: ‘Zo’n lange lijnrechte polderweg lijkt wel vervelend, maar inderdaad is er geen mooier en onderhoudender weg in heel Nederland ... dan de rechte hoofdweg door den polder Waal en Burg […] Nooit zal ik vergeten hoe ik er op een winterdag een grote troep rotganzen heb zien neerstrijken, kleine zwarte gansjes met hoge achtersteven.’ Vlieland Er gaat voor mij geen jaar voorbij zonder een paar weken Vlieland. Een wandeling over de Vlielandse waddijk is in alle jaargetijden een genoegen. Aan de ene kant de zee, waarboven de schepen op een zonnige dag schijnen te zweven, aan de andere kant de langgerekte wadtuintjes met hun groenten en fruitbomen. Verderop de rode vuurtoren boven op het duin en de lage kwelders waar grazende paarden voorzichtig om meeuwen en kauwen heen stappen. Menigeen heeft het wad met een paradijs vergeleken. De vergelijking met de eerste dag van de Schepping, toen de aarde nog woest en ledig was, ligt ook voor de hand. Zéker als je ’s ochtends in alle vroegte de dijk beklimt, uitkijkt over een glanzende drasvlakte van geulen en prielen en een zware lucht van zout en wier opsnuift. De Nederlandse bioloog Dick Hillenius dacht bij de wadden aan de Grand Canyon. Is het niet wat overdreven om het dal aan de voet van de Ballumer Blinkert (Ameland) of de Vliesuvius (een ‘zandvulkaan’ op Vlieland) met het beroemde Amerikaanse ravijn te vergelijken? Ja, beslist. Hillenius bedoelde het ook niet letterlijk. Naar zijn mening heeft het waddengebied veel gemeen met een kunstwerk, met een kathedraal of symfonie. Met name het wisselende landschap van eb en vloed en de grote zwermen vogels erboven, waarvan de vlucht steeds andere vormen aanneemt, verraden de hand van een groot kunstenaar. Volg je de wadweg verder naar het westen, dan kom je langs het Posthuys, nu een uitspanning, vroeger een boerderij, en de Kroon’s Polders. Hier broeden lepelaars en aalscholvers, hier bloeien zoutminnende planten als zeeaster, alsem en lamsoor. In de zomer wemelt het in de weilanden van de orchideetjes. Ten slotte ligt de Vliehors aan je voeten, een zandplaat vol luchtspiegelingen en vergezichten. Naast Vlieland zou ik ook over alle andere wadden eilanden moeiteloos de loftrompet kunnen steken. Elk eiland heeft zijn eigen specifieke charme. Laat ik er nog twee noemen. Spiekeroog Vanuit het Kurhaus, dat aan het haventje van Neuharlingersiel grenst, zien de gasten bij helder weer het Duitse waddeneiland Spiekeroog op de kim liggen. Zien zij ook al wat ik, vanaf het dek van de veerboot, met steeds grotere ongerustheid ga vermoeden? Dat Spiekeroog een eiland zonder vuurtoren is? Een eiland zonder vuurtoren is als een café zonder bier. Waar moet een eiland anders

cultivated landscape is the order of the day now. Grass, sheep, and brent geese, those winter migrants, which will only leave in May. Was Thijsse also taken with this Texel polder land? Certainly: ‘Such a long straight polder road looks boring, but there’s indeed no road more beautiful and more entertaining in all of the Netherlands … than the straight main road through the polder Waal and Burg. […] I’ll never forget how I saw a large flock of brent geese alighting on a winter’s day, small black geese with a high stern.’ Vlieland Not a year goes by without a few weeks’ stay on Vlieland. To walk on the Vlieland wadden dike is always a pleasure whatever the season. On one side the sea, with ships that on a sunny day seem to hover on top of it; on the other side the long and narrow wad gardens with their vegetables and fruit-trees. Further on, the red lighthouse on top of a dune and the low-lying marshland where grazing horses step carefully around seagulls and jackdaws. Many people compare the wad with a paradise. The similarity with the first day of Creation when the earth was waste and empty, is obvious. In particular when you scale the dike in the early hours of the morning, look out over a glistening marshland of trenches and creeks and inhale the heavy air of salt and algae. Dutch biologist Dick Hillenius thinks of the wadden as a kind of Grand Canyon. Isn’t it rather an exaggeration to compare the valley at the foot of the Ballumer Blinkert (Ameland) or the Vliesuvius (a ‘sand volcano’ on Vlieland) with the famous American gorge. Yes, definitely. But Hillenius didn’t mean it literally. In his opinion you should look at the Wadden Sea Region as a work of art, like a cathedral or a symphony. The changing scenery of the tides and the large flocks of birds above with their ever-shifting configurations of flight shapes, reveal the hand of a great artist. If you follow the wad road a bit further on to the west, you pass the Posthuys, formerly a farm but now a lunchroom, and then the Kroon’s Polders. This is where the spoonbills and cormorants brood, this is where salt-loving plants like zeeaster (Aster tripolium), alsem (Artemisia campestris) and lamsoor (Limonium vulgare) flourish. In summertime the meadows also abound with small orchids. And finally the Vliehors lies at your feet - a sandbank full of mirages and vistas. Apart from Vlieland I would gladly sound the praises of all the Wadden Islands. Every one of them has its own specific charm. Let me tell you about two more. Spiekeroog In clear weather guests from the Kurhaus, situated on Neuharlingersiel’s harbour front, can see the German wadden island of Spiekeroog on the horizon. Do they see what I, from the deck of the ferry, start to suspect with growing concern? That


zijn identiteit aan ontlenen? Die ontleen je niet aan het strand of de duinen of het schelpenmuseumpje of het visrestaurant, want die zaken tref je op elk eiland aan. Aan boord heerst op deze mooie maartse dag een ontspannen sfeer. Door het bootreisje hebben de mensen het gevoel dat hun zorgen op het vasteland achterblijven. Niemand staat er kennelijk bij stil dat in oude godsdiensten de zielenreis door de overtocht naar een eiland wordt gesymboliseerd. Zelfs aan het luidruchtige gedrag van een groepje jongelui, dat al om half elf ‘s morgens de kurken van bierflessen laat knallen, wensen de passagiers geen aanstoot te nemen. ‘Alles op zijn tijd’, schijnt de huisspreuk van de Spiekeroogers te zijn. Vroeger moest men als zeeman of walvisjager de kost verdienen, maar tegenwoordig wordt men door het toerisme slapende rijk. In de loop van een halve eeuw is een onvruchtbare hoop zand in een welvarend vakantieparadijs veranderd. Spiekeroog wil het graag dorps en gemoedelijk houden. Een ambulance en een brandweerauto zijn de enige auto’s op het eiland. Driekwart van het eiland is ‘stiltegebied’.

Spiekeroog is an island without a lighthouse? An island without a lighthouse is like a pub without beer. What else does an island derive its identity from? It’s not the beach or the dunes or the shell museum or the seafood restaurant as you can find those on any island. The atmosphere on board is relaxed on this beautiful day in March. The boat tour gives people the feeling of leaving their worries behind on the mainland. It occurs to nobody that in old religions, the journey of the soul is symbolized by the sea crossing to an island. The passengers even choose not to take offence at the boisterous behaviour of a group of youngsters who already pop the corks of beer bottles at half past ten in the morning. ‘All in due time’, seems to be the slogan of the Spiekeroogers. Once the Spiekeroogers had to earn their living as seamen or whalers, but now they make easy money from tourism. Over the course of half a century this barren heap of sand has been transformed into a thriving holiday paradise. Spiekeroog would like to remain rural and friendly. An ambulance and a fire engine are the only cars on the island. Three-quarters of the island is a ‘noise control area’.

Het dorp, dat uit zijn winterrust ontwaakt, maakt een tevreden indruk. Het centraal gelegen ‘Hotel Inselfrieden’ zou wel eens de ware geest van het eiland kunnen vertolken. Smalle straten; grote huizen; een houten speelgoedkerkje in het centrum; een kuurcomplex aan de rand; een handvol hotels; twee handenvol winkels; twee maneges; geen vuurtoren en één molen. Veel huizen zijn met groene houten gevels uitgerust, wat het dorp een ‘Zaans’ uiterlijk geeft. Voor mijn voeten strekt zich een mooi wit strand uit. Achter de duinen langs loopt een klinkerpad naar een badstrand, waar badstoelen worden verhuurd, en dat bij de Kurverwaltung weer afbuigt naar de zee.

The village, waking up from its winter sleep, gives off an aura of contentment. The centrally located ‘Hotel Inselfrieden’ (island peace) could very well represent the true spirit of the island. Narrow streets; large houses; a small wooden church in the centre; a health resort on the outskirts; a handful of hotels; two handfuls of shops; two horse riding centres; no lighthouse and one windmill. Many houses have green wooden facades, which give the village a ‘Zaans’ appearance (de Zaan is an area in the Netherlands). An exquisite white beach stretches out in front of me. A brick path passes behind the dunes towards the beach - where beach chairs can be rented - and then rejoins the sea at the Kurverwalting.

Het duin is dik begroeid met duindoorns waarvan sommige nog de oranje bessen van de afgelopen herfst dragen. Zoals Terschelling de cranberry heeft, zo heeft Spiekeroog de duindoorn. De oranje bes ligt aan de basis van siroop, jam, gebak, likeur en jenever die in de eilandwinkels worden verkocht. Op eilanden wordt van alles verzameld, van juthout, potvistanden, eieren, cantharellen en rozenbottels aan toe, maar het oogsten van duindoorns is een Spiekeroogse specialiteit.

The dunes are covered with sea buckthorn (Hippophae rhamnoides), some still bearing last autumn’s orange berries. As Terschelling has the cranberry, Spiekeroog has the sea buckthorn. The orange berry is the main ingredient in syrup, jam, pastry, liquor and a kind of jenever, all sold at the local shops. People collect all kinds of things on islands, from driftwood found at the beach, sperm whale teeth, eggs, to chanterelles and rosehips, but harvesting sea buckthorn is the speciality of Spiekeroog.

De Halligen Een bezoek aan het oerlandschap van de Halligen is als een teruggang in de tijd en is alleen al om die reden de moeite waard. De boottocht van de Duitse kust naar Hooge levert een haast surrealistisch schouwspel op. Rondom liggen vreemde bouwsels die eruitzien als ontplofte vulkanen of als verzakte piramiden op de horizon. Soms is er in de wijde omgeving van zo’n verhoging verder niets te zien dan water en slikplaten. Zou het noorden van Friesland of Groningen door de zee zijn overstroomd, dan zouden de terpdorpjes ook op deze manier boven het verdronken land

The Halligen A visit to the primeval landscape of the Halligen is like going back in time and for that reason alone, is worth your while. The boat trip from the German coast to Hooge presents an almost surrealistic scene. All around, strange structures that look like erupted volcanoes or collapsed pyramids lie on the horizon. Sometimes water and mud flats are all that you can see in the vicinity of such elevations. If the north of Friesland or Groningen had been flooded by the sea, the terpen (artificial mounds) would rise above the drowned land in the same way. Houses and farms vie for space on

194 | 195


uitsteken. Huizen en boerderijen betwisten elkaar de ruimte op de door mensenhanden opgeworpen heuvels, die hier Warften worden genoemd. Niet alle tien Halligen zijn bewoond. En de bewoonde eilanden kennen een vertrekoverschot. Vroeger leefde men er van landbouw en visserij; het schaarse hooi werd in lakens van het land gehaald en de koeienmest diende als brandstof. Maar tegenwoordig brengt het toerisme veel geld in het laatje. Een Hallig is van origine een onbedijkt eiland waarop het getij zijn stempel drukt. Tegenwoordig is een aantal Halligen door een lage dijk omringd. Hoewel de lokale geschiedenis zich laat lezen als een droef stemmende kroniek van stormvloeden en verdrinkingen, lieten de bewoners zich toch niet door ‘Blanke Hans’ – troetelnaampje voor de ziedende zee – verdrijven. Ook niet als het vee in de stallen tot aan de buik in het zeewater stond. Op zolder is nu een speciale vluchtruimte geschapen waar de mensen zelfs een zondvloed kunnen overleven. Het eiland Hooge wordt tegenwoordig door een zomerdijk tegen hoge waterstanden beschermd. Maar bij springvloed – een paar keer per jaar – is er geen houden aan. Dan moeten het vee, de trekkers en de auto’s op de terpen in veiligheid worden gebracht. Heel vroeger, voordat de dijken steeds verder werden opgehoogd, was iedereen in het waddengebied met een dergelijk rampenplan vertrouwd. Vlak bij de haven rijst de eerste van de negen terpen die Hooge telt uit het groene land op. Het zijn net verspreide zeeburchten waarin boerengezinnen zich hebben verschanst. Ik kom langs een tweede terp waarop slechts twee huizen zijn gevestigd - de naam Kirchwarft maakt duidelijk dat het geestelijke leven van Hooge zich hier heeft geconcentreerd. Hanswarft is de ‘hoofdstad’ van een eiland dat ongeveer 130 inwoners telt. Behalve woonhuizen, telt deze terp twee winkels, enige eethuizen, een bioscoop en twee musea. De huizen dragen namen van vrouwen – Haus Ine, Haus Ingeborg. De bezichtiging van de hoofdstad neemt niet langer dan tien minuten in beslag. Aan de rand van de bewoonde ruimte lopen weggetjes steil af naar het grasland aan de voet van de terp, waar bankjes de bewoner de kans geven om eventjes aan de blik van zijn buren te ontsnappen. De noordpunt van Denemarken, Jutland Jutland lijk sterk op Drenthe – een afwisseling van hei, bosjes, heuvels, graanakkers en boerderijen. Een verschil is dat hier brede zeearmen zijn die fjorden genoemd worden. Om de overheersende westenwinden te slim af te zijn en het gebrek aan natuurlijke havens te compenseren, aarzelen sommige dorpen in de Jammerbocht – een naam die naar schipbreuken en treurende weduwen verwijst – niet om hun vissersboten met een lier het strand op te trekken. Een eindje verderop, bij Løkken, verandert het strand in een Belgische striptekening: een schijnbaar ordeloze drukte van auto’s, quads, zeilwagens, mountainbikes, vliegers en hanggliders. Vooral het spel dat de in stoeltjes gezeten vliegeniers

these man-made hills, which are called Warften in German. Not all of the Halligen Islands are inhabited. Also there’s a migratory deficit on the inhabited ones. People used to live off agriculture and fishing; the little hay they had was meticulously harvested in bedsheets and cow dung was used for heating. But nowadays tourism brings in a lot of money. Originally a Hallig is an island affected by the tides but without a dike. Currently a number of the Halligen are surrounded by low dikes. Though local history reads like a sad chronicle of floods and drownings, the inhabitants would not be driven away by ‘Blanker Hans’ – the pet name for the seething sea - not even when the cattle in the stables were standing waist-high in seawater, Nowadays a special place of refuge has been created in every attic, so that people can even survive a deluge. Today the island of Hooge is protected against high water by a summer dike. But at spring tide – a few times a year – floods can no longer be prevented and cattle, tractors and cars must be brought to safety on the mounds. A long time ago, before dikes had to be raised constantly, everybody in the Wadden region was familiar with such an emergency plan. Close to the harbour the first of the nine dwelling mounds of Hooge emerges from the meadows. These mounds look like scattered sea fortresses in which farmer’s families have entrenched themselves. I pass a second one with only two houses – the name Kirchwarft implies that the spiritual life of Hooge was concentrated here. Hanswarft is the ‘capital’ of an island that has approximately 130 inhabitants. Apart from houses, this mound has two shops, a few restaurants, a cinema and two museums. The houses bear names of women – Hause Ine, Haus Ingeborg. Visiting the capital doesn’t take more than ten minutes. At the edge of the inhabited land, small roads run downhill towards the grassland at the foot of the mound. Here, benches give the inhabitants the opportunity to escape the eyes of their neighbours for a short while. The northern point of Denmark – Jutland Jutland looks a lot like Drenthe – with its variety of moors, hills, grain fields and farms. There’s a difference though: Jutland has broad estuaries known as fjords. To outwit the prevailing westerly winds and to make up for the lack of natural harbours, some villages in the Jammerbugt (jammeren is to lament) – a name referring to shipwrecks and grieving widows – winch their fishing boats up onto the beach. Further on, at Løkken, the beach changes into a Belgian cartoon: what looks like a disorderly hustle and bustle of cars, quads, sand yachts, mountain bikes, kites and hang gliders. Hang gliding is an especially fascinating sport to watch, particularly when the pilots, ensconced in their harnesses, play with the thermal up-currents above the line of dunes - like human albatrosses. At the top of Jutland I make a little detour to visit Skagen, where in the dunes, a dreary lighthouse keeps watch like a finger of God.


van de hanggliders met de thermiek langs de duinenrij spelen, als menselijke albatrossen, is fascinerend. Op de kop van Jutland wijk ik nog even uit naar Skagen waar tussen de duinen een saaie vuurtoren als een vinger Gods de wacht houdt. Ooit was hier, in de tweede helft van de negentiende eeuw, een kolonie kunstenaars actief die zich verzadigde aan het zilverige kustlicht. Op het strand loop ik met een grote groep mee naar een zandarm waar de Noordzee en de Oostzee tegen elkaar botsen. Het blijkt een geliefde plek te zijn, waar men elkaar op de punt verdringt om foto’s te maken. De één poseert met zijn hond, een ander duikt de zee in, een derde glimlacht in zijn rolstoel. Helaas is er van enig spektakel geen sprake. De zeestromen uit het westen en het oosten storten zich hier niet met groot geweld, wit schuimend als een ontplofte melkfabriek, op elkaar. Een paar wit afgebiesde golfkammetjes kabbelen tegen elkaar aan, dat is alles. Noorwegen: impressies van het Noorse Zuidland Zoals al even aangestipt, heb ik de laatste jaren ook de charmes van de Noorse zuidkust ontdekt. In het laat seizoen van 2010 volg ik de kustweg van Kristiansand naar Bergen. In Mandal ademt alles rust en vredigheid. De halve maan van zand ligt er volstrekt verlaten bij en het kustdorp rust als een luie, vadsige kat op zijn lauweren. Vanaf Nordberg Fort, bij Farsund, waag ik mij samen met Lars Brunborg, een fitte zestiger, bestuurslid van Den Norske Turistforening, die de honderden berghutten onderhoudt en alle routes met een rode T markeert, op het Noordzeepad. Het pad slingert zich langs de kust, door velden vol zwerfkeien en prehistorische bouwsels, door donkere naaldbossen, langs akkers vol ‘tractoreieren’ – zoals de Noren de oogst van in wit plastic verpakt gras noemen – en eindigt bij de massieve vuurtoren van Lista. Bij een eenzame rotsbult houden wij de pas in. Lars vertelt over zijn eigen hytte, op zes uur rijden hiervandaan, waarna hij met een bootje nog een meer moet oversteken. Elke rechtgeaarde Noor streeft ernaar een eigen hut te bezitten. Noren zijn, net als de andere Scandinavische volken, buitenmensen. In de weekeinden en in de vakantie laten ze de stad achter zich en duiken onder in de natuur. Ze gaan wandelen, skiën, vissen of mountainbiken. Diep in hun hart geloven zij in de goedheid van de natuur, hoe ruw en weerbarstig die zich in het noorden ook toont. Het is altijd weer een ontroerend gezicht om op kale scheren of hoog op onherbergzame rotswanden een rood of geel zomerhuisje te zien staan, vaak gekroond met een grasdak dat als het ware een verlengstuk van het weiland is. Langs nooit onderzochte grafheuvels, door een stukje toendra met bessenstruikjes en rendiermos, door een stil zwart naaldbos waar tussen de sparren een vlekkerig licht hangt, rijst opeens de waarschuwende bruine tabaksvinger van een vuurtoren voor

In the second half of the nineteenth century Skagen had an active colony of artists, who were captivated by the silvery light of the coast. I walk with a large crowd of people over the beach to the arm of sand where the North Sea and the Baltic Sea collide. It seems to be a popular spot and at its very tip, people jostle each other to get a good photo. One poses with his dog, another dives into the sea, a third sits smiling in his wheelchair. Unfortunately, spectacular it is not. The ocean currents from the west and the east don’t crash into each other with enough brute force to form frothing white foam like an exploded dairy factory. A few white-capped wavelets with a foamy crest ripple gently, that is all. Norway: impressions of the Norwegian Southland Over the past few years I have discovered the charm of the Norwegian south coast. In the after season of 2010 I follow the coastal road from Kristiansand to Bergen. Everything in Mandal breathes tranquillity and peacefulness. A crescent of sand lies utterly deserted and this seaside village rests like a lazy, flabby cat on its laurels. From Nordberg Fort, near Farsund, I start hiking the North Sea trail with Lars Brunborg. Lars is a fit Norwegian in his sixties who, as committee member of the Norske Turistforening, maintains the hundreds of mountain huts and marks all the routes with a red T. The path meanders along the coast, through fields covered with boulders and prehistoric structures, through dark pine forests, past land dotted with ‘tractor eggs’ – as the Norwegians call the hay bales wrapped in white plastic – and finishes at the sturdy lighthouse of Lista. We slowed down at a solitary boulder. Lars tells me about his own hytte, which is a six hours’ drive from here, followed by a boat trip across a lake. Every true Norwegian aims at having his own hut. Like all other Scandinavians, Norwegians are outdoor people. At weekends and on holidays they leave the city behind and plunge into nature. They go hiking, skiing, fishing or mountain biking. Deep down they believe in the benevolence of nature, as rough and rugged as it may be in the north. It’s always a heartwarming sight to spot a red or yellow summerhouse either on bare skerries or high up on barren precipices, the summerhouse often crowned with a sod roof as if the meadow has extended into it. Passing never-explored burial mounds, through a little patch of tundra with berry bushes and reindeer moss and on through a silent black pine forest with speckled light between the fir trees, the premonitory brown tobacco finger of a lighthouse suddenly looms up before us. It towers high above the low coastal land, which has been devoured by an ever-hungry sea constantly forming deep inlets. A walk cannot end more beautifully than that. After Flekkefjord – which even has a district named after Dutch merchants – we are back in the mountains. The road winds upwards to great heights. Sometimes I pass an inhabited valley in

196 | 197


ons op. Hoog troont hij boven de lage kustvlakte, waar de altijd hongerige zee zich diep het binnenland heeft ingevreten. Mooier kan een wandeling niet eindigen.

the middle of this barren desolation. A gigantic wobbly rock seems to await its moment to crash down on the few houses below in the valley. It doesn’t get more dangerous than that.

Bij Flekkefjord, waar zelfs een hele wijk naar Hollandse kooplui is vernoemd, herneemt het gebergte zijn rechten. De weg stijgt al draaiend naar grote hoogten. Soms rijd ik in deze kale onherbergzaamheid een bewoond dalletje voorbij. Een reusachtige wiebelrots lijkt het moment af te wachten dat hij zich op de paar huizen in de diepte kan storten. Gevaarlijker kan een mens niet wonen.

In the middle of nowhere, in a biting wind I follow a small side-road to the sea and arrive at a tiny, sheltered harbour. A solid peculiar house, with its red pointed cap, turns out to be a small lighthouse with an adjacent home. Life doesn’t get more isolated than that.

In het midden van nergens volg ik in een snijdende wind een zijweggetje naar de zee en kom bij een piepklein, beschut haventje aan. Het gedrongen, eigenaardige huis, met zijn rode puntmuts, blijkt een vuurtorentje te zijn, waar een woning tegenaan is gebouwd. Eenzamer kan een mens niet wonen. Shetlands en Orkneys De Shetlands en de Orkneys zijn twee eilandengroepen die op de grens liggen van de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Aan de Shetlands gaan mijn herinneringen ver terug. In een grijs verleden liftte ik vanuit Aberdeen met een vissersboot naar de Shetlandeilanden. In Lerwick, een verzameling bruingrijze huizen rond een havenkom, alle voorzien van leisteendaken en meerdere schoorstenen, zette ik aarzelend voet aan wal, nog duizelig van de stormachtige oversteek en de zeeziekte die daar het gevolg van was. Dwalend door bochtige steegjes en steile klinkerstraten kwam ik terecht bij de jeugdherberg, een soort kasteeltje, nog altijd een opvallend gebouw in het hart van de stad. In de eetzaal was een Duits stel verwoed bezig met een hamer en een tang twee kreeften te slopen, die ze bij een naburige visfabriek hadden gekocht. Ik herinner me dat ik een rond fort of een toren van stapelstenen heb bezocht, die in deze streken een broch genoemd wordt – een relict uit de prehistorie. In de haven lag een snelle boot van de Noorse kustwacht, een tastbaar bewijs dat Noorwegen, dat eeuwenlang zijn stempel op de plaatselijke cultuur had gedrukt, niet ver uit de buurt was. Eerst verschenen de drakenboten van de Vikingen voor de kust, op de vlucht voor koning Harald Schoonhaar; bijna duizend jaar later waren de Shetlands een vluchthaven voor het Noorse verzet. In het kielzog van vogelman Jan Strijbos nam ik ruim veertig jaar geleden de boot naar het eilandje Noss, waar alken, zeekoeten, drieteenmeeuwen en papegaaiduikers elkaar op de rotsen verdrongen. In het boek met de mooie, ouderwetse titel Al zwervende vergaar ik geeft Strijbos een indruk van de lokale vogelrijkdom: ‘Duizenden vogels drijven op de glinsterende, bewogen zee. Grote, witte jan-van-genten vliegen af en aan, dichte troepen drieteenmeeuwen trekken voorbij, lange slierten kuifaalscholvers passeren ons, en waar je ook kijkt, is er de wilde warreling van uitvarende en thuiskomende gevleugelde vissers.’

Shetland and Orkney Islands The Shetlands and Orkneys are two archipelagos on the border of the North Sea and the Atlantic Ocean. My memories of the Shetlands go back a long time. In the dim and distant past I hitchhiked on a fishing boat from Aberdeen to the Shetland Islands. In Lerwick – with its accumulation of brown grey houses, slate roofs and numerous chimneys based around an inner harbour - I hesitantly set foot ashore, still dizzy from the stormy voyage and the ensuing seasickness. Wandering through meandering alleys and sloping brick-paved streets I ended up at the youth hostel, a remarkable building in the heart of town, which resembled a small castle. With the help of a hammer and a pair of pliers a German couple in the dining room was passionately trying to dismember two lobsters they had bought in a nearby fish factory. I remember visiting a round fortress or some kind of brick hollowwalled tower, called broch in these areas – a prehistoric relic. A fast boat belonging to the Norwegian coastguard was moored in the harbour, visible proof that Norway, having left its mark for ages on the local culture - was not far off. Subsequent to the Vikings arriving in their dragon boats off the coast whilst fleeing from King Harald Fairhair - the Shetland Islands became a refuge for the Norwegian resistance almost a thousand years later. More than forty years ago I took the boat to the island of Noss – following in the wake of ‘birdman’ Jan Strijbos - where razorbills, guillemots, kittiwakes and puffins jostled each other on the rocks. In his book with the beautiful, old-fashioned title Al zwervende vergaar ik (While roaming, I collect) Strijbos gives us his impressions of the local birdlife: ‘Thousands of birds are floating on the glistening, stirring sea. Large gannets intermittently fly by, there are dense flocks of kittiwakes, long trails of shags go past, and wherever you look, there is a wild whirl of departing and homecoming winged fish-eaters.’ Originally I was on my way to Iceland. I couldn’t imagine a more fascinating travel destination than the country of Snorri Sturluson and Grettir the Strong. But at that time (1968) I got no further than the Faroe Islands, an island group very similar to the Shetlands as far as barrenness, craggy bird habitats and rough weather are concerned. 


Eigenlijk was ik op weg naar IJsland. In die tijd kon ik me geen boeiender reisbestemming voorstellen dan het land van Snorri Sturluson en Grettir de Sterke. Maar ik zou toen (in 1968) niet verder komen dan de Faerøer, een eilandengroep die wat kaalheid, steile vogelrotsen en ruig weer betreft veel op de Shetlands lijkt. Tussen de Shetlands en de Orkneys bestaan grote verschillen. Op de Shetlands wonen vissers die ook schapen houden, op de Orkneyeilanden wonen boeren die er wat bij vissen. In menig handboek wordt zo het verschil tusen beide archipels omschreven. Dat de Orkneys vlak en groen zijn en de Shetlands steil en paars (van de bloeiende hei), heeft alles met dit verschil te maken. Ondanks het maritieme, noordelijke klimaat heeft dat mensen uit de steen- en ijzertijd er nooit van weerhouden zich op een aantal van de in totaal 170 eilanden (70 voor de Orkneys, 100 voor de Shetlands) te vestigen. Wie zich als toerist in deze streken waagt, en geen belangstelling heeft voor zeevogels of archeologische opgravingen, steencirkels en staande stenen kan beter thuis bij de kachel blijven zitten. Het verre verleden van de eilanden is sterker door Noorwegen dan door Schotland bepaald. Hebben de inwoners van de Orkneyeilanden – de Orcadians – het over Mainland, dan bedoelen ze niet Schotland, maar hun eigen hoofdeiland, met de hoofdstad Kirkwall en zijn fameuze Sint Magnus-kathedraal, Skara Brae (een nederzetting uit de steentijd) en de Brough of Birdsay (restanten van een Pictendorp). Hetzelfde geldt voor het Mainland van de Shetlanders. Vanaf de Vikingentijd tot aan de zeventiende eeuw spraken de vissers en crofters (keuterboeren) in deze contreien Norn, een Scandinavisch dialect, verwant aan het oud-Noors, dat nog voortleeft in het naamvallenrijke IJslands en de taal van de Faeringers. Toen de Schotten de lakens op de eilanden begonnen uit te delen, maakte het Norn geleidelijk plaats voor een mengtaal, met eigen woorden die zowel aan het Noors als aan het Schots herinneren. Zo is een bonxie een grote jager (roofmeeuw), een tammie-norie een papegaaiduiker, voe een fjord en ayre een strand. Fair Isle Tussen beide archipels in ligt nog een eiland, Fair Isle, het meest afgelegen bewoonde eiland binnen het Verenigd Koninkrijk, dat in administratieve zin bij de Shetlands hoort, maar een geheel eigen karakter heeft. Nadat ik al meer dan eens met een hongerig gevoel op de kaart had gekeken, was het in 2002 eindelijk zover. Bij helder weer stegen we in een vliegende sigaar op van Sumburgh Head in het zuiden van de Shetlands. Aan boord was ruimte voor zes passagiers. De vlucht zou tien minuten duren. Beneden ons zagen we de Good Shepherd liggen, de veerboot die er bijna vier uur langer over deed. De stenige kust met zijn witte branding, het groene land en de witgesausde huizen gleden snel onder de vleugels weg. Rechts van ons dook Foula uit

There are large differences between the Shetland and Orkney Islands. On the Shetlands there are fishermen who also keep some sheep, while on the Orkneys there are farmers who do a bit of fishing as well. Most handbooks describe the difference between both archipelagos like this. The fact that the Orkneys are flat and green and the Shetlands steep and purple (when the moors are in bloom) has everything to do with this contrast. During the Stone and Iron Age, settlers to these islands (of which there are 170 in total – 70 Orkneys and 100 Shetlands) were not discouraged by the harsh maritime climate. Nowadays, those who come to these parts as tourists and are not interested in sea-birds, archaeological excavations, stone circles or standing stones, well they might as well stay at home. The distant past of these islands has been more determined by Norway than by Scotland. If the residents of the Orkney Islands – the Orcadians - talk about the Mainland, they don’t mean Scotland, but their own main island with the capital Kirkwall and its famous St. Magnus Cathedral, Skara Brae (a settlement from the Stone Age) and the Brough of Birsay (the remains of a Pictish village). The same applies to the Mainland of Shetland. From the Viking period until the seventeenth century, fishermen and crofters in these regions spoke Norn. Norn is a Scandinavian dialect related to the Old Norse language, which lives on in the Icelandic language with its many grammatical cases and also in Faroese, the language of the Faroe Islands. When the Scots were in power Norn gradually evolved into a mixed language with words reminiscent both of Norwegian and Scottish - like bonxie (Stercorarius skua), tammienorie (puffin), voe (a fjord) and ayre (a beach). Fair Isle Between both archipelagos lies another island, Fair Isle. Although administratively part of the Shetland Islands, Fair Isle has its own special character and is the most remote inhabited island belonging to the United Kingdom. For so long, I had anticipated a trip to this island and finally in 2002, the time had come. In clear weather we took off in a flying cigar from Sumburgh Head in the south of the Shetlands. There was room for only six passengers on board. The flight would last ten minutes. We saw the Good Shepherd beneath us, the ferry that takes almost four hours longer to go the same distance. The rocky coast battered by white crested breakers and the green terrain dotted with whitewashed houses rushed by underneath the wings. On our right, Foula emerges from the sea. Just like Fair Isle, Foula is a sparsely populated outpost of Hitland, as the Dutch sailors used to call the Shetland Islands. Fair Isle is well-known to bird-watchers. It is a temporary refuge for birds that in spring are flying north to breed and in autumn are returning south to hibernate. Birds flying from as far away as the United States and Siberia also land regularly on the island. The

198 | 199


zee op, net als Fair Isle een schaars bevolkte buitenpost van Hitland, zoals onze zeelui de Shetlands vroeger noemden. Bij vogelaars heeft Fair Isle een bekende klank. Het is een doorgangshuis voor vogels die in het voorjaar op weg zijn naar noordelijke broedgebieden en in het najaar in zuidelijker streken overwinteren. Maar ook vogels uit Amerika en Siberië raken geregeld op het eiland verzeild. Het vogelstation ligt in het noordelijke, ruigere deel van het eiland, het dorp in het lagere en vruchtbaarder zuiden. Er was veel wit in het landschap – van schapen, veenpluis, de vuurtoren op de achtergrond, het kerkje dat op de grens van land en zee stond. Kleine boerderijen, die omgeven zijn door stenen stapelmuurtjes, lagen verspreid in de ruimte. Fair Isle doet zijn naam – ‘Mooi Eiland’ (eigenlijk: ‘Schapeneiland’, naar het Oud-Noorse woord faar voor schaap) beslist eer aan. Tot 1955 was het eiland particulier bezit. Daarna ging het over in de handen van de National Trust for Scotland. In de jaren vijftig dacht de Trust erover om het eiland, net als St. Kilda in de Buitenste Hebriden, te ontvolken. Maar dat stuitte bij de crofters op heftig verzet. Familie die al lang naar de Orkneys of de Shetlands was uitgeweken, keerde terug naar de bedreigde veste. Met het gevolg dat de dorpsgemeenschap nu uit 69 mensen bestaat. In het vogelobservatorium konden ruim dertig gasten worden ondergebracht. Als gast werd je opgenomen in een kleine overzichtelijke wereld; de etensbel luidde op vaste tijden; na het avondmaal vroeg de beheerder aan de gasten of ze nog interessante vogels hadden gezien. Vroeg in de morgen kon je samen met een ornitholoog een ronde langs de vangnetten maken. Het dorp op Fair Isle wordt beheerst door een witgesausd kerkje, dat op de grens van land en zee staat, en een witte vuurtoren die de zuidpunt van het eiland siert. De wollen truien van het eiland zijn wereldberoemd. De bewoners maken prachtige spinnewielen en stoelen van hout en haverstro en zelfs violen die naar alle hoeken van de wereld werden verstuurd. Menige ambachtsman had een achtergrond als vuurtorenwachter. Als ‘s nachts de lamp eenmaal brandde, had de wachter de handen vrij. Hij kon gaan schilderen, knutselen, spinnen, politoeren of vedelen. Of hij verdiepte zich in het werk van de rusteloze Schotse schrijver Robert Louis Stevenson, wiens broer deze vuurtoren had gebouwd. Schotland: Edinburgh en Aberdeen Het Schotse deel van de Noordzeekust is voor mij voor een groot deel nog onbekend gebied, de Highlands van Schotland trokken meer. Het zijn daarom vooral de twee grote steden aan de schotse Noordzeekust die mij bekend zijn. De treinreis van Edinburgh naar Aberdeen en de aansluitende bustocht naar Elgin hebben mij weer helemaal vertrouwd gemaakt met het Schotse landschap. Een grillige kustlijn, met inhammen, baaien, havens, speeltuinen en hier en daar een kirk met een kirkhof, kale bergen, heidevelden, rivieren en vergezichten. Na een kolossale brug, die de Firth of

bird observatory lies on the northern, rugged half of the island, while the village is in the lower and more fertile south. The colour white is visible all over the landscape – created by flocks of sheep, a proliferation of common cotton grass (Eriophorum angustifolium) and buildings such as the lighthouse in the background and the church on the coastline. Small farms, surrounded by dry stone walls, are dispersed all over the island. Fair Isle certainly lives up to its name – ‘Beautiful Island’ (but in fact the name originated from the Old Norse word faar for sheep). The island was private property until 1955 when it passed into the hands of the National Trust for Scotland. In the fifties, the National Trust considered depopulating the island, just like St Kilda in the Outer Hebrides. But that proposal encountered fierce opposition from the crofters and as a result, families that had previously moved away to the Orkney or Shetland Islands, returned once more to their endangered homeland. Consequently, the village community today consists of 69 people. The bird observatory accommodated 30 people. Guests were welcomed into a pleasant, structured and orderly world, where the dinner bell rang at fixed hours and after supper the manager inquired of the guests, if they had seen any interesting birds. Early in the morning you could make a tour along the trap-nets with an ornithologist. The village on Fair Isle is dominated by a small whitewashed church and a white lighthouse, which adorn the southernmost tip of the island. Woollen sweaters from the island are world-famous. The residents also make beautiful spinning-wheels, chairs made of wood and oat straw and even violins, which are exported to every corner of the world. Many of the craftsmen had a background as lighthouse keepers. Once the lamp was burning, the light-keeper had his hands free. He could paint, tinker, spin, polish, play the viol or he could pore over a book by the restless author Robert Louis Stevenson, whose brother actually built this lighthouse on the island. Scotland The Scottish side of the North Sea Coast is for the greater part still unknown territory to me. The Scottish Highlands appealed to me more. That’s why I am mainly familiar with the two big cities by the North Sea Coast. The train journey from Edinburgh to Aberdeen and subsequently the bus trip to Elgin have reacquainted me with the Scottish landscape. A rugged coastline with coves and bays, harbours, playgrounds, and here and there a kirk (church) with a kirkhof (churchyard) bare mountains, moors, rivers and panoramas. After a gigantic bridge, which spans the Firth of Forth, a rolling landscape unfolds, interspersed with bushes of pinewood and shrubs of gorse. This is an ideal country for golf courses, of which there are many. The stone, whitewashed houses, with their slate roofs and conical shaped chimneys, are built to resist gales and rain.


Forth overspant, opent zich een glooiend groen land, onderbroken door bosjes naaldhout en struiken gaspeldoorn. Een ideaal land voor golfterreinen, waarvan er dan ook vele zijn. De witgesausde huizen van natuursteen, steevast van een leistenen dak en taps toe lopende schoorstenen voorzien, zijn gebouwd op storm en regen. Edinburgh is, zoals zoveel oude steden, een stad met een januskop, verdeeld in middeleeuwse en nieuwe wijken, die overigens ook alweer uit de Verlichting dateren. De bijnaam ‘Auld Reekie’ (Ouwe Stinkerd) herinnert aan de stank die vroeger uit het middeleeuwse deel opsteeg. Walter Scott mag Edinburgh een romantische plek hebben gevonden, de altijd ziekelijke Robert Louis Stevenson dacht heel anders over zijn geboortestad: ‘Edinburgh boet zwaar voor haar hoge troon in één van de ellendigste klimaten die er bestaan. Ze wordt neergesabeld door alle winden die er waaien, doordrenkt van de regen, begraven onder koude zeemist die uit het oosten komt en bedekt door sneeuw die vanuit de hooglanden zuidwaarts de heuvels af komt vliegen. Het weer is in de winter ruig en beestachtig, in de zomer wisselvallig en guur en in het voorjaar is het louter een necrologische hel.’ Aberdeen, de stad van grijs graniet, ontwikkelde zich in de jaren zeventig opeens tot het Dallas van het noorden. Niet langer drukten de scheepswerven hun stempel op de stad maar de oliemaatschappijen. Voor de duizenden werknemers, die ver op zee hun basis hadden op platforms en boortorens, was Aberdeen echter vooral een doorgangshuis. In Langs de kust van Jonathan Raban, waarin deze Engelse reisauteur een zeiltocht rond Engeland en Schotland beschrijft, zijn ook een aantal bladzijden aan Aberdeen gewijd. Na saaie stadjes als Hull en Blyth verheugt hij zich op het mondaine leven in deze welvarende oliestad. Ja, vroeger, was het net zo saai als de andere kuststeden: ‘Het was een stad vol sombere, deftige arcaden, waar ik op een druilerige kade op de veerboot naar de Shetlands wachtte. Het was alsof je een dag in een verlaten kathedraal doorbracht, waar iedereen op de doodgraverstoon van de kerkdienaren sprak. Maar nu was het ongetwijfeld een wildweststadje geworden, waar Dolly Parton door de diepe, ravijnachtige straten schalde, waar je op elke straat hoek een tequila sunrise kon drinken en waar de lichtekooien zich in de havenwijk verdrongen. Niets van dit alles blijkt, spijtig voor Raban, met de grauwe werkelijkheid overeen te stemmen.’ Engeland: langs de kust en op de kermis Alweer jaren geleden ging ik op verkenning in East Anglia, een oude streek die tussen de monding van de Theems en de Wash, een inham, haar ronde rug ver de zee insteekt. East Anglia, waar volgens historici de wieg van de Engelse beschaving stond, komt tot leven op de doeken van de schilder Constable: een landschap van kerktorens, watermolens en knotwilgen. De kustprovincies – Essex, Suffolk en Norfolk – zijn rijk aan

With its two faces, Edinburgh is typical of so many old cities, divided as it is into medieval and new districts - although even these ‘new’ districts date from the period of the Enlightenment. The nickname ‘Auld Reekie’ (Old Stinker) is a reminder of the stench that used to come from the medieval part. Walter Scott might have found Edinburgh to be a romantic place but the alwayssickly Robert Louis Stevenson thought quite differently about his home town: ‘Edinburgh pays cruelly for her high seat in one of the vilest climates under heaven. She is liable to be beaten upon by all the winds that blow, to be drenched with rain, to be buried in cold sea fogs out of the east, and powdered with the snow as it comes flying southward from the Highland hills. The weather is raw and boisterous in winter, shifty and ungenial in summer, and a downright meteorological purgatory in the spring.’ In the seventies Aberdeen, the Grey Granite City, developed rapidly into the Dallas of the north. It was no longer the shipyards but the oil companies that put their stamp on the city. Today Aberdeen is mainly a transitory stopping-off place for the thousands of employees that work on the offshore oil platforms and the oil and gas drilling rigs in the North Sea. In the book ‘Coasting’ by Jonathan Raban, this British travel writer describes his sailing trip around England and Scotland. A few pages have been devoted to Aberdeen. ‘I had been to Aberdeen when I was sixteen. I remembered it for its grey, stony weight; a town of gloomy and genteel arcades, where I waited to catch the Shetland packet from a drizzly quay. It was like spending the day inside a gaunt cathedral, where everyone spoke in the sepulchral voices of church vergers. Not now, though. Since the discovery of the North Sea Oil, Aberdeen had become a boom town. In Hull and Blyth, I had amused myself by imagining Aberdeen as an astounding counterworld to Hull and Blyth. There’d be all-day, all-night saloons, their granite walls drumming with the amplified sound of Dolly Parton and Johnny Cash. You’d be able to buy Manhattans and Tequila Sunrises in dollars and cents.‘ But regrettably for Raban, neither of the above descriptions seemed to fit into the dreary reality of today. England: along the coast and at the fair It was many years ago that I went on a trip around East Anglia, a long-established region shaped like a hunchback protruding into the sea, which is situated between the mouth of the river Thames and The Wash, a shallow bay and estuary. Historians have called East Anglia the birthplace of civilization. Its landscape of church towers, water mills and pollard willows comes to life on the canvasses of the painter, Constable. The coastal counties – Essex, Suffolk and Norfolk – are rich in castles and fortresses, which had to protect the old kingdom against the invasions of the barbarians. It’s also a region of churches and cathedrals, a ‘land of plenty’ thanks to the fertile soil, the wool industry and the rich fishing grounds.

200 | 201


kastelen en forten, die het oude koninkrijk tegen de invallen van barbaren moesten beschermen. Een streek ook van kerken en kathedralen, een land van overvloed dankzij de vruchtbare bodem, de wolnijverheid en de rijke visgronden. Voorbij het weinig opmerkelijke King’s Lynn was de kust voorzien van een snoer van bad- en vissersplaatsen met namen als Great Yarmouth of Felixstowe. Het zijn de vakantiecentra van de werkende klasse uit London. Zowel in als buiten het seizoen maken ze vaak een armoedige indruk. Hoewel ze niet horen tot mijn favoriete plekken aan de Noordzee, is er hier voor de antropoloog in mij veel te zien. Bingotenten, snackbars, caravanparken, minigolfbanen, volkstuinen, omkleedhokjes, kermissen en speeltuinen vechten vaak om een plaatsje bij het strand. De uithangbordjes van kraampjes, met teksten als Cockles & Whelks, Jellied Eels & Crabs en Worlds of Fun hingen piepend en knarsend in de zeewind. Een in zichzelf pratende oude vrouw duwde haar pekineesje voort in een wandelwagentje. Achterin een van de speelhallen annex Burger King waren oude mannen verdiept in een spelletje snooker. Voorin beheerde een vrouw met een smoezelige koksmuts bakken vol bruine jus, waarin worstjes, hamburgers en uien ronddreven. Was er een gerecht klaar, dan deponeerde ze dat met een luid Thank you! op de toonbank. Op de menukaart stonden simpele gerechten als Ploughman’s lunch (brood met kaas) en Bangers and Mash (worst met aardappelpuree). Jonathan Raban laat zijn (mast-) licht ook over dit kustland schijnen. Om van de Theems naar de Humber, bij Hull, te varen kostte hem drie weken. Hij merkte dat hij voortdurend op zijn hoede moest zijn: de Noordzee was dicht onder de kust ondiep en ‘vergeven van zich verplaatsende zandbanken’. Af en toe zag hij trawlers en bevoorradingsschepen voor de olieboorinstallaties en gasplatforms op zee. Toen hij voor anker ging op de Humber – ‘een louche, norse, zakkende, vuile, sombere rivier’ – was hij terug in de stad waar hij ooit vijf jaar had gewoond, en waarop hij, als taxichauffeur die zeelui naar de hoeren bracht, verliefd was geworden. ‘Alle meisjes waren ouder dan ik. Een heleboel waren ongeveer zo oud als mijn moeder. Ze waren vriendelijk, behandelden me als een collega en gaven me kopjes Nescafé in de voorkamers van hun gemeubileerde flats in de buurt van Beverley Road.’ Toen Raban nog in een taxi reed, was Hull een florerende vissersplaats: ‘Op hete zomermiddagen hing de stank van kabeljauw zo zwaar in de lucht dat je hem in een fles had kunnen stoppen en verkopen als vismest.’ Maar na de kabeljauwoorlog met de IJslanders, in de jaren zeventig, ging het bergafwaarts met deze bedrijfstak. De trawlers werden verkocht of omgebouwd tot bevoorradingsschepen voor de olieplatforms. Grimsby, aan de overkant van de rivier, trof eenzelfde lot. In de jaren zestig leverden Grimsby en Hull samen 90 procent van de kabeljauw voor de fish and chips. Vanwege overbevissing op de

Past the not-very-interesting town of King’s Lynn there is a string of seaside villages and fishing ports along the coast with names like Great Yarmouth or Felixstowe. These are the holiday centres for the working class people of London and can leave one with a rather shabby impression both in high and low season. Although they do not belong to my favourite North Sea destinations, there is a lot to be observed by the anthropologist in me. Bingo halls, fish and chips stands, caravan parks, miniature golf courses, allotments, beach huts, funfairs and playgrounds - all fight for a spot on the beach. Signboards on stalls with texts like Cockles & Whelks, Jellied Eels & Crabs and Worlds of Fun were swinging in the sea breeze, making squeaking and grating sounds. A mumbling old woman was pushing her Pekinese along in a stroller. In the rear of an amusement arcade - with adjoining Burger King - old men were engrossed in a game of snooker. In the front of the arcade, a woman with a grubby chef’s hat was managing deep frying pans filled with brown gravy in which sausages, hamburgers and onions were floating. If a dish was ready, she placed it on the counter with a loud Thank you! The menu offered simple dishes like Ploughman’s Lunch (bread and cheese) and Bangers and Mash (sausage and mashed potatoes). Jonathan Raban sheds his (mast-) light on this coastal land as well. It took him three weeks to sail from the Thames to the Humber estuary, near Hull. He constantly had to be on his guard as, close to the shore, the North Sea was shallow and ‘riddled with shifting bars and shoals’. Occasionally he saw trawlers and oil rig supply vessels, ‘that were busy gophering between the ports and the rigs and gas platforms’. When he anchored in the mouth of the Humber – ‘a shady, sullen, lowering, earthy, gloomy river’ – he was back in the town where he had once lived for almost five years, a town he had fallen in love with, when as a cabby he had taken sailors to the whores. ‘All the girls were older than I was; many of them were much the same age as my mother. They were friendly, treating me as a colleague in the business and serving me with cups of Nescafé in the front rooms of their furnished flats off the Beverley Road.’ At the time that Raban still drove a cab, Hull was a prospering fishing town: ‘On hot summer afternoons, the reek of cod was so thick in the air that one could have bottled it and sold it for fish manure.’ But during the seventies, after the Cod War with the Icelanders, this line of business went downhill. Trawlers were sold off or converted into supply vessels for the oil rigs. Grimsby, on the other side of the river, met with the same fate. In the sixties Grimsby and Hull together supplied 90 per cent of the cod for England’s fish and chips. Because of overfishing, the North Sea boats had already fled to Icelandic waters before the war, until Iceland decided to extend its control to a two-hundred-mile fishing limit. Grimsby never recovered from that blow. Even now, Grimsby’s Fishing Heritage Centre attracts hardly any visitors.


Noordzee waren de schepen al voor de oorlog uitgeweken naar IJsland, tot men daar een 200 mijlszone instelde. Grimsby is de klap nooit meer te boven gekomen. Zelfs het Visserijmuseum trekt er nauwelijks bezoekers. Vlaanderen aan zee: het sepialicht van het verleden Nee, dan geef ik de voorkeur aan de Belgische kust. Dat zal een natuurvriend vreemd in de oren klinken, maar een antropoloog zal het begrijpen. De Belgische kust is het enige stukje Noordzeekust met een aaneengesloten bebouwing. ‘Vlaanderen aan Zee’ is een 67 kilometer lange strandpromenade die vol staat met flats, hotels, restaurants, casino’s en souvenirwinkeltjes. Blankenberge heeft bovendien nog een wandelpier, net als Scheveningen en Brighton. En wat ook bijzonder is, langs de gehele kust rijdt een tram. Dankzij deze tram kun je een tocht over het strand of door het duin combineren met een wandeling door een van de kustplaatsen, en werp je op de minder interessante trajecten gewoon even een verveelde blik uit het groezelige tramraam. ‘Belgiekske nikske’, klinkt het een enkele keer in Hugo Claus’ roman Het verdriet van België. Wat is dat voor verdriet? Het heeft allemaal iets te maken met de verscheurdheid van de Belgische natie en de daarmee gepaard gaande identiteitsproblemen van haar inwoners. In de Trotter-reisgids (Trotter is een Belgisch produkt) over België wordt gezegd dat het land ‘nog steeds op zoek is naar de ideale samenlevingsvorm’. Het is immers bijna onmogelijk ‘om niet te kibbelen als je met z’n tienen in een klein huisje woont, drie verschillende talen spreekt en allemaal iets anders wilt’. Natuurlijk, af en toe doen met name de Vlamingen forse uitspraken over autonomie, maar uiteindelijk dempt iedereen zijn stem: ‘Het is zoals oude koppels, die wel eens ruzie maken, maar er uiteindelijk toch voor kiezen om bijeen te blijven in plaats van het avontuur van de scheiding te wagen.’ Wie weet. Maar de ruzie tussen Vlamen en Walen duurt wel steeds langer. De historische en culturele verschillen tussen de tien Belgische badplaatsen aan de Noordzee zijn groot. Een hotelier in Oostende – een vermoeid ogende, verzuurde man – had er geen moeite mee om dat palet in enkele zinnen in te kleuren: De Panne was van oudsher voor de Fransgezinden; Knokke is het mekka voor de snobs; Blankenberge is een buitenwijk van Antwerpen en Oostende is voor iedereen. Oostende bewaart nog wel de geur van vroeger, toen het een zeer mondaine plek was, maar de komst van de tram, aan het eind van de negentiende eeuw, en later van de autoweg hebben aan die grandeur een einde gemaakt. Al is het badseizoen voorbij, de wit-blauwe hokjes blijven op het strand de wacht houden. Dit is het domein van de Belgische schrijver Eric de Kuyper, die in Aan zee de schier eindeloos lange zomervakanties beschrijft die hij als kind (van Brusselse ouders) in het ‘Vlaamse Monte Carlo’ (Oostende) doorbracht. In de jaren vijftig begon de Promenade te veranderen: ‘Er kwamen van die winkeltjes

Flanders on sea: the sepia light of the past On the whole, when compared to the English coast, I have a definite preference for the Belgian coast. That may sound strange to a nature lover but an anthropologist would understand. The Belgian coast is the only part of the North Sea coast where there is no distinct separation between one city or town and the next, this gives the impression of one continuous line of development right along its coastline.‘Flanders on sea’ is one long esplanade of 67 kilometres full of blocks of flats, hotels, restaurants, casinos, and souvenir shops. Furthermore, Blankenberge has a promenade pier, just like Scheveningen and Brighton. Another special feature is the Coast Tram, which runs along the entire Belgian coast. Thanks to this tram you can combine a trip to the beach or through the dunes with a walk around one of the coastal villages, and, if you‘re less interested in a certain section of this tram ride you can just cast a bored glance through the grimy windows. ‘Belgiekske nikske’, is an expression occasionally used in Hugo Claus’ novel Het verdriet van België (The Sorrow of Belgium). What kind of sorrow are we talking about? It has everything to do with the schism within the Belgian nation and the identity problems of its inhabitants as a result. In the Trotter travel guide about Belgium (Trotter is a Belgian product) they say that the country is ‘still looking for its ideal way of cohabitation’. After all, it is almost impossible ‘not to quarrel if ten people live together in a small house, speak three different languages and all of them want different things’. Of course, now and then the Flemish people make strong statements about autonomy, but in the end, everyone moderates their opinion: ‘ It’s like old married couples who sometimes argue, but finally choose to stay together instead of risking the adventure of a divorce.’ Who knows? But the dispute between the Flemings and the Walloons continues to drag on and on. The historical and cultural differences between the ten Belgian seaside resorts by the North Sea are great. A hotelier in Ostend – a tired looking, sourfaced man – had no problem sketching the situation in a few colourful phrases: From way back, De Panne is the favourite of the Francophiles; Knokke is the eldorado for the snobs; Blankenberge is a suburb of Antwerp and Ostend is for everybody. Ostend still preserves an air of days gone by, a time when it was still a very sophisticated resort, but the arrival of the Coastal Tram at the end of the nineteenth century and later, the motorway, has now put an end to that grandeur. Even though the season is over, a line of white and blue beach huts still keep watch over the beach. This is the domain of the Belgian writer Eric de Kuyper, who talks in his book Aan zee about the almost endless summer vacations that he used to spend as a child (of Brussels parents) in the ‘Flemish Monte Carlo’ (Ostend). The Promenade started changing in the fifties: ‘These shops selling

202 | 203


met postkaarten, visnetten, ballen, strandballen, tennisrackets, badpakken, badmutsen en zonnebrandolie. De befaamde Ambre Solaire deed zijn intrede, met als beeldmerk een levensgrote, bruingebrande kartonnen pin-up.’

picture postcards, fishing-nets, balls, beach balls, tennis rackets, swimming suits, bathing caps and suntan oil came into vogue. The well-known Ambre Solaire brand entered the scene, together with life-sized, bronzed, cardboard pin-ups.’ 

Ook in Oostende voegen mijn stappen zich naar een wandeling door de oude stad. Bij Hôtel du Parc betreed ik een statige gelagzaal waar je nog de ‘kosmopolitische sfeer van het Oostende uit de jaren dertig’ kunt opsnuiven, dat wil zeggen houten stoelen, houten plafond, pilaartjes, schemerlampen, met groen marmer ingelegde tafelbladen en kranten aan een stok. De marmeren traptreden naar het toilet zijn door talloze plassers diep uitgesleten. Het Belgische koningshuis kwam graag in Oostende; met name koning Leopold, die het in Belgisch Kongo verdiende slavengeld graag besteedde aan doorluchtige bouwprojecten in deze kustplaats. We komen langs een gietijzeren kiosk, een neogotische kerk, ‘met de allure van een Franse kathedraal’, statige herenhuizen, het Leopoldpark, een synagoge en het fraaie casino (één van de vier in ‘Vlaanderen aan Zee’). Een bejaarde man, wiens wandelstok met vergulde knop naast hem de wacht houdt, leest in Tintin et L‘Affaire Tournesol, een titel die ik na enig nadenken vertaal in Kuifje en de Zaak Zonnebloem. Het lijkt of de tijd hier in Oostende heeft stilgestaan. Op straat en op terrasjes zie je veel bejaarde Belgen, met hun hoedjes, hun biertjes, hun sigaretten en hun boodschappentasjes vol pralines, koekjes, en heerlijke dingetjes van de traiteur. Wat een aardige plek om rond te dwalen. Op het raam van het Museum voor Moderne Kunst hangt een oud affiche met de tekst ‘Ostende – La Reine des Plages’. Wij nemen even een kijkje in de afdeling waar de ontwikkeling van James Ensor, Oostendes beroemdste schilder, in beeld is gebracht: van traditionele doeken over zijn stedeke en haar bewoners naar de absurde, satirische schetsen en tekeningen van een latere tijd, toen hij zich een leerling van Goya betoonde. Hoe beroemder Ensor werd, hoe grimmiger hij zich in zichzelf terugtrok. Misschien moet je toch niet je hele leven in een badplaats doorbrengen.

I make a walk through the old centre of Ostend. I set foot in the grand old bar of Hôtel du Parc, which still has the ‘cosmopolitan atmosphere of the Ostend of the thirties’, that is to say, wooden chairs, a wooden ceiling, small pillars, shaded-lamps, tabletops with green marble inlay and newspapers hanging from a rack. The marble steps to the toilets are deeply worn away by countless visitors over the years. The Belgian royal family liked to come to Ostend; especially King Leopold, who loved to spend the slave money he earned in the Belgian Congo on illustrious building projects in this seaside resort. We pass a wrought-iron kiosk, a neo-gothic church ‘with the allure of a French cathedral’, stately mansions, the Leopold Park, a synagogue, and a very fine casino (one of the four in ‘Flanders on sea’). An elderly man, with a gilt-tipped cane next to him keeping watch, reads Tintin et l’Affaire Tournesol ’, a title which I translate after a moment’s thought into Tintin and The Calculus Affair. Time here in Ostend seems to have come to a standstill. You see a lot of elderly Belgians in the streets and outdoor cafés - with their hats, their beers, their cigarettes and their shopping bags full of chocolate truffles, biscuits and scrumptious food from the delicatessen. How nice it is to wander around this town. There was an old poster in the window of the Modern Art Museum with the text ‘Ostend – Queen of the Beaches’. We have a quick look in the section where you can see the development of James Ensor, Ostend’s most famous painter: from the traditional paintings of his stedeke (Flemish for ‘little town’) and its inhabitants to the absurd, satirical sketches and drawings of his later period, when he manifested himself as a pupil of Goya. The more famous Ensor became, the more intensely he withdrew into himself.Perhaps, after all, you shouldn’t spend your entire life in a seaside resort.


204 | 205


De Noordzee rond, een toelichting

Around the North Sea - a few words of explanation

In het kader van dit fotoboek De Noordzee rond heb ik in ruim 120 dagen, verdeeld over bijna vijf jaar, langs de Noordzeekust van Nederland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Shetlands / Orkneys, Schotland, Engeland en België gefotografeerd. Ik heb mij laten leiden door situaties die ik interessant en spannend vond en typerend voor de betreffende Noordzeekust. Soms waren dat de landschappen, soms was dat de industriële ontwikkeling of de visserij, soms waren dat de badplaatsen en verschillende recreatievormen. Elk land heeft daarbij een eigen en karakteristieke sfeer.

For this photo book Around the North Sea I have been taking pictures along the North Sea Coast of the Netherlands, Germany, Denmark, Norway, the Shetlands/Orkneys, Scotland, England and Belgium for more than 120 days, spread over nearly five years. I have been guided by situations that I thought were interesting, fascinating and typical for these North Sea countries: sometimes beautiful tranquil landscapes, sometimes busy seaside resorts with various forms of recreation, and sometimes industrial development or fishing. Each country has its own characteristic atmosphere.

Als documentair fotograaf beweeg ik mij op het snijvlak van romantiek en de (soms rauwe) werkelijkheid. Mijn foto’s spelen in op het verlangen van de hedendaagse mens naar weidse, ongerepte natuur en verstilling. Langs de Noordzeekust bestaan landschappen die nog vrijwel hetzelfde zijn als tientallen zo niet honderden jaren geleden. Anderzijds laat ik ook, in verschillende gradaties, menselijke ingrepen en processen in het landschap zien en de onttakeling die dat veroorzaakt. De Noordzee en de Noordzeekust zijn al lang niet meer ongerept en worden steeds meer uitsluitend het werk- en speelgebied van zijn bewoners.

As a documentary photographer I hover at the interface between romanticism and (raw) reality. On the one hand my photos respond to the yearning of modern-day man for grand, unspoilt nature and stillness. There are landscapes along the North Sea Coast that have remained virtually unchanged for decades if not for hundreds of years. On the other hand I also show the effects – in various gradations – of human intervention and processes in the landscape and how this results in demolition. For some time now the North Sea and the North Sea Coast cannot be considered unspoilt anymore; they become more and more the playground of the inhabitants.

Hans den Hartog Jager, kunsthistoricus en schrijver, heeft een boeiende inleiding over de foto’s en mijn fotografie geschreven.

Hans den Hartog Jager, art historian and author, wrote a captivating introduction to the photos and my photography.

Verder gaan de foto’s in dit boek vergezeld van een door Gerrit Jan Zwier, reisjournalist en schrijver, geschreven reisimpressie. Hij grijpt daarbij terug op zijn ervaringen met de landen rond de Noordzee die 40 jaar terug gaan toen hij als jonge man het avontuur zocht. Hij richt zich vooral op de reiziger zelf en de individuele drang om te verkennen. Zijn teksten staan overigens geheel op zichzelf. De foto’s zijn geen illustraties bij de teksten en de teksten zijn geen toelichting op de foto’s. Sterker nog, fotografie en tekst zijn qua inhoud verschillend van karakter omdat wij ons door andere invalshoeken en fascinaties laten leiden.

To accompany the photos in this book, travel impressions have been written by Gerrit Jan Zwier, travel journalist and author. In these impressions he reverts back to his own experiences in the countries around the North Sea, which go back 40 years to when he was a young man and sought adventure. He focuses especially on the traveller and his individual urge to explore. The texts stand entirely on their own. The pictures don’t illustrate the texts and the texts don’t describe the pictures. In fact, the photography and the text are very different in character, as we both approached the subject matter from different perspectives and fascinations.

Die verschillende accenten benadrukken ook de verschillende ”verhalen” die over de Noordzeekust te vertellen zijn. Zij dragen bij aan ons gezamenlijk doel om de eenheid, maar ook de verscheidenheid, van de Noordzeekust nader te belichten. Daarbij past wel een relativering. De Noordzeekust is bijna 4.000 kilometer lang, en als alle inhammen, eilanden en fjorden meegerekend worden nog veel langer. Dit betekent dat het schier onmogelijk is om een compleet beeld te schetsen van de Noordzeekust.

Those different accents also emphasize the different “stories” that can be told about the North Sea Coast. They contribute to our common objective to highlight the unity but also the diversity of the North Sea Coast. This should be put into perspective. The North Sea Coast is almost 4000 kilometres long and actually a lot longer, if you count all the inlets, islands and fjords. This means that it is almost impossible to present a complete picture of the North Sea Coast.

Dolph Kessler Juni 2012

Dolph Kessler June 2012

206 | 207


Auteurs informatie

The Authors

Dolph Kessler (Amsterdam, 1950) is sinds 2005 documentair fotograaf en woont in Friesland. Hij studeerde Stedenbouwkunde (TH Delft). Hij was werkzaam als planoloog bij de provincie Friesland (1976 – 1982) en later als wethouder van Leeuwarden (1982 – 1991) en organiseerde studiereizen (1995 – 2003). Van 2003 – 2006 volgde hij de Foto Academie Amsterdam. Hij levert regelmatig foto’s voor verschillende tijdschriften en kranten. Behalve als fotograaf van de “condition humaine” (de moderne mens in de hedendaagse samenleving) is hij landschapsfotograaf en gefascineerd door de betekenissen die aan het landschap en de natuur gegeven worden.

Dolph Kessler (Amsterdam, 1950) has been a documentary photographer since 2005. He studied urbanism at Delft University of Technology and presently lives in Friesland in the north of the Netherlands. He worked as a regional planner for the province of Friesland (1976-1982), as a municipal councillor for the town of Leeuwarden (1982-1991) and organized study tours (1995-2003). From 2003-2006 he studied at the Fotoacademie Amsterdam. He regularly publishes photos in magazines and newspapers. Besides being a photographer of the ‘condition humaine’ (the modern man in the social and cultural context of today), he is a landscape photographer who is fascinated by the meanings and significances given to landscape and nature.

Via zijn uitgeverij Mauritsheech publiceert hij in eigen beheer fotoboeken. De meeste daarvan verschijnen in een beperkte oplage, ondermeer: RDM, de laatste dagen van een Rotterdamse fabriek (2006); Tristan da Cunha (2007); South Atlantic Ocean (2008); Remedios, a small Cuban town (2009). Het fotoboek de Noordzee rond is het eerste in eigen beheer uitgegeven boek in een hoge oplage. Bij de Friese Pers Uitgeverij verscheen het fotoboek Palingvissers en Palingrokers (2007). Voor de gemeente Dongeradeel maakte hij het fotoboek Tussen Dokkum en de zee (2009). Voor het Rosa Spierhuis maakte hij de foto’s van het boek Een leven lang kunst (2011). Bij uitgever d’ jonge Hond verscheen eind 2009 het boek Art Fairs (met essays van Hans den Hartog Jager, Huub Mous, Olav Velthuis en Kees Keyer). Voor dit project heeft hij drie jaar gefotografeerd op de grote internationale kunstbeurzen. Met een selectie van de foto’s uit dit boek won hij bij de Zilveren Camera 2009, de eerste prijs in de categorie kunst, cultuur en entertainment. Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 1948) studeerde biologie, geografie en antropologie en publiceert reisverhalen, columns en kritieken in verschillende kranten en bladen. Als schrijver en reisjournalist is hij gespecialiseerd in noordelijke gebieden. Hij publiceerde romans (Allemaal projectie, De inquisiteur, De dwaze eilanden, de knoop van IJsland) en een antropologische thriller (Antropologen te velde). Hij schreef reisboeken over Lapland (Altijd Lapland) en over IJsland (Land van grote eenzaamheid). In 1998 verscheen Het noordelijk gevoel, met verhalen over Noord-Canada, Groenland, IJsland en andere koude streken. Ook Zilverig licht bevat verhalen over noordelijke gebieden, waaronder Spitsbergen. Naar de rand van de kaart (2008) beschrijft een enerverende reis door Patagonië en langs een hele reeks eilanden in Antarctische en Zuid-Atlantische wateren. Nooit hier, altijd daar (2010) gaat over Alaska en Noord Amerika. Zijn laatste boek is Mijn Noorwegen (2012). Hans den Hartog Jager (Herveld, 1968) is schrijver en kunstcriticus. Hij publiceerde twee romans: Zelf God worden (2003) en Maltus (2006) en diverse boeken over beeldende kunst. De bekendste daarvan zijn Verf (2004) een bundel gesprekken met hedendaagse Nederlandse schilders, Haai op sterk water (2008, essays) en Dit is Nederland (2008) waarvoor hij tachtig van de bekendste Nederlandse schilderijen uitkoos en nader toelichtte. In 2011 was hij curator van de tentoonstelling Meer licht in museum de Fundatie te Zwolle.

He publishes photo books on his own account through his company Mauritsheech Publishers. These are mainly limited edition books e.g.: RDM, de laatste dagen van een Rotterdamse fabriek (2006); Tristan da Cunha (2007); South Atlantic Ocean (2008); Remedios, a small Cuban town (2009). The photo book De Noordzee rond (Around the North Sea) is the first one that is being self-published with a high print run. The photo book Palingvissers and Palingrokers (2007) was published by the Friese Pers Uitgeverij. Another photo book Tussen Dokkum en de zee (2009) was created for the municipality of Dongeradeel. He also produced the photos for the book Een leven lang kunst (2011). At the end of 2009 the book Art Fairs (with essays by Hans den Hartog Jager, Huub Mous, Olav Velthuis and Kees Keyer) appeared at d’jonge Hond Publishers. His photographs for this book were taken at international art fairs over a period of three years. With a selection of photos from this book he won the Zilveren Camera 2009 in the category arts, culture and entertainment - the Silver Camera is an annual award for the best Dutch journalistic photo. Gerrit Jan Zwier (Leeuwarden, 1948) studied biology, geography and anthropology and publishes travel stories, columns and reviews in several newspapers and magazines. As a writer and travel journalist he specialises in the northern regions. His published novels include: Allemaal projectie, De Inquisiteur, De dwaze eilanden, De knoop van IJsland and an anthropological thriller (Antropologen te velde). He wrote travel books about Lapland (Altijd Lapland) and Iceland (Land van grote eenzaamheid). In 1998 Het Noordelijk gevoel appeared with stories about Northern Canada, Greenland, Iceland and other cold regions. Also Zilverig licht contains stories about northern areas like Spitsbergen. Naar de rand van de kaart (2008) describes an exciting journey through Patagonia and through a series of islands in the Antarctic and South Atlantic waters. Nooit hier, altijd daar (2010) acquaints us with Alaska and North America. His latest book is Mijn Noorwegen (2012). Hans den Hartog Jager (Herveld, 1968) is an author and art critic. He published two novels: Zelf God worden (2003) and Maltus (2006) and various books about the visual arts. The most famous ones are Verf (2004), a collection of interviews with contemporary painters, Haai op sterk water (2008, essays) and Dit is Nederland (2008), a commentary on eighty of the best-known Dutch paintings. In 2011 he was curator of the exhibition Meer licht in Museum de Fundatie in Zwolle. The book Het sublieme (2011) was published for that occasion.


© 2012 Dolph Kessler www.denoordzeerond.nl Dolph Kessler www.dolphkessler.nl Uitgever / Publisher Mauritsheech Publishers Tekst / Text Hans den Hartog Jager Gerrit Jan Zwier Vertaling / Translation Jantine van der Knaap i.s.m. Anne Agnew Vormgeving / Design Richard van der Horst www.riezz.biz Drukwerk / Print Èpos Press, Zwolle Verkoop en distributie / Sales and distribution www.homeofartbooks.nl www.denoordzeerond.nl Copyright / Copyright www.dolphkessler.nl

ISBN 978-90-809810-7-2 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyrighthouders.

208


DOLPH KESSLER FOTOGRAFEERDE GEDURENDE VIJF JAAR DE NOORDZEE KUST VAN NEDERLAND, DUITSLAND, DENEMARKEN, NOORWEGEN, SHETLANDS, SCHOTLAND, ENGELAND EN BELGIE. HIJ LAAT ZIEN DAT DE NOORDZEEKUST VAN EUROPA AL LANG NIET MEER ONGEREPT IS EN STEEDS MEER HET WERK- EN SPEELGEBIED VAN ZIJN BEWONERS WORDT. “ER ZIT EEN OPMERKELIJKE KRACHT IN HET WERK VAN DOLPH KESSLER. HIJ WIL LATEN ZIEN WAT DE MENS, ZONDER DAAROVER TE OORDELEN, VOOR INGREPEN IN DE WERKELIJKHEID PLEEGT. EN DAN NIET ALS INDIVIDU MAAR ALS SOORT: DE MENS DIE HET LANDSCHAP NAAR ZIJN HAND ZET, ZICH TOT DE NATUUR PROBEERT TE VERHOUDEN, DIE PROBEERT TE BEHEERSEN” (HANS DEN HARTOG JAGER). MET EEN INLEIDING VAN HANS DEN HARTOG JAGER EN EEN REISIMPRESSIE VAN SCHRIJVER GERRIT JAN ZWIER.

DOLPH KESSLER HAS PHOTOGRAPHED THE NORTH SEA COAST OF THE NETHERLANDS, GERMANY, DENMARK, NORWAY, THE SHETLANDS, SCOTLAND, ENGLAND AND BELGIUM FOR NEARLY FIVE YEARS. HE SHOWS THAT FOR SOME TIME NOW THE NORTH SEA COAST OF EUROPE CANNOT BE CONSIDERED UNSPOILT ANYMORE AND BECOMES MORE AND MORE THE PLAYGROUND OF ITS INHABITANTS. “DOLPH KESSLER’S WORK CONTAINS A REMARKABLE POWER. HE LIKES TO SHOW, WITHOUT PASSING ANY JUDGMENT, WHAT KIND OF INTERVENTIONS MAN MAKES INTO REALITY. NOT SO MUCH AS AN INDIVIDUAL BUT RATHER AS A SPECIES: MAN BENDING THE LANDSCAPE TO HIS WILL, TRYING TO RELATE TO NATURE, TRYING TO CONTROL IT.” (HANS DEN HARTOG JAGER) WITH AN INTRODUCTION BY HANS DEN HARTOG JAGER AND TRAVEL IMPRESSIONS BY WRITER GERRIT JAN ZWIER.

0 680569 161642

De Noordzee rond / Around the Northsea Coast of Europe  

Dolph Kessler has photographed the North Sea Coast of the Netherlands, Germany, Denmark, Norway, the Shetlands, Scotland, England and Belgiu...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you