120
De ondraaglijke schoonheid van koranrecitaties Noureddine Tahiri en ensemble Johan Van Acker Onder de noemer East of Eden kleurt niet-westerse klassieke muziek al jaren de programmering van Muziekcentrum De Bijloke. Vertrekkend vanuit de Middellandse Zee komen tradities uit de Arabische en Turkse wereld binnenwaaien. Van daaruit gaat het in hinkstapsprongen naar Iran, India en Pakistan, en zo via China en Korea tot in Japan. Eén van de grote Marokkaanse zangers, Noureddine Tahiri, opent de reeks in september. Zijn koranrecitaties zijn van een ondraaglijke schoonheid, en accentueren als geen ander de zuiverheid en de kracht van de verzen. Die toon zet hij ook in de Arabisch-Andalusische suites, muziek die weerklonk in de paleizen van de kaliefen. Hier worden hemelse tuinen bezongen, rijk gevulde wijnbekers en de ogen van de gazelle. Geliefden nemen afscheid bij het uitdovend kampvuur. Zeven eeuwen lang kruidden die islamitische, joodse en christelijke tradities elkaar in grote delen van Spanje. Bij hun verplichte aftocht eind 15de eeuw namen de moslims hun muziektraditie mee. In Marokko bleef ze bewaard, bij meesters als Tahiri en zijn ensemble.
Koranrecitaties Bij de dood van de profeet Mohammed bestond er geen enkel boekwerk dat de Koran bevatte. De volledige tekst was enkel in mondelinge vorm bewaard gebleven. De derde kalief Oethmaan riep een commissie in het leven om een officiële redactie vast te stellen. De leden gingen aan de slag onder leiding van Zaid Ibn Thabit, de vroegere secretaris van de profeet, maar tot een uniforme voordracht kwam het niet. Het vroege Arabische schrift bevatte immers geen klinkers, en een aantal medeklinkers had bovendien dezelfde of bijna dezelfde vorm. In de loop van de eeuwen werden echter tekens ontwikkeld om letters van elkaar te onderscheiden, en nieuwe tekens ingevoerd om de klinkers aan te duiden en andere bijzonderheden van de tekst vast te leggen. Toch maakte dat geen einde aan de wildgroei die uit de mondelinge overlevering voortkwam. In de eerste helft van de tiende eeuw reikte Ibn Moedjahid, de ‘imam’ van de koranlezers in Bagdad, de oplossing aan. Met steun van de autoriteiten verklaarde hij zeven overgeleverde manieren van lezen voor correct. Alle gingen terug op zeven beroemde koranlezers uit de achtste eeuw. Vandaag zijn er nog twee versies in omloop: de versie door Warsj van de lezing van Nafi‘ overgeleverd, is in gebruik in Afrika (uitgezonderd Egypte) en de versie die door Hafs is overgeleverd van de lezing van ‘Asim is gangbaar in Egypte en in de rest van de Arabische wereld. Hoewel deze lezingen naar uitspraak en naar voordracht nogal eens uit elkaar lopen, zijn de betekenisverschillen vrij klein. De Oethmaanse redactie ordende de geregistreerde openbaringen niet chronologisch, maar min of meer STAALKAART #16 augustus-oktober2012
volgens lengte. Zo ontstonden 114 delen of soera’s: eerst de langere soera’s en daarna de kortere, met aan het begin een kort lofgebed, namelijk de openingssoera ‘soerat alfatiha’. De soera’s worden op hun beurt onderverdeeld in verzen of ajaat (meervoud van aja, ‘teken’, vaak vertaald als ‘vers’). In de islamitische traditie worden de soera’s niet aangeduid met hun nummer, maar wel met hun naam. Die stamt uit een latere tijd, en is meestal ontleend aan een woord bij het begin van de soera of aan een kenmerkend onderwerp dat erin wordt behandeld. Alle soera’s – behalve de negende – beginnen met de formule ‘bismillahhi r-rahmani r-rahiem’ (in de naam van God, de erbarmer, de barmhartige). Arabisch-Andalusische suites De gedwongen uittocht van vele bevolkingsgroepen in de 15de en 16de eeuw maakte dat de rijke middeleeuwse muzikale traditie op het Spaanse schiereiland op het punt stond te verdwijnen. In Noord-Afrika wist deze traditie echter te overleven. Ze verwierf er de status van klassieke muziek en wordt vandaag nog altijd Andalusische muziek genoemd.
Op 19 juli 711 staken Arabische en Berberse ruiters onder leiding van Târiq ibn Ziyâd de Straat van Gibraltar over. In minder dan zeven jaar liepen ze het Visigotische rijk onder de voet. Bij een diepe raid stootten ze zelfs door tot Poitiers waar Karel Martel hen in 732 tot staan bracht. Aan die nederlaag bleken ze uiteindelijk weinig belang te hechten, want op Asturië en Galicië na stond het hele Iberische
121
schiereiland onder hun gezag. Zevenhonderd jaar lang zou de halve maan wapperen boven ‘al-Andalus’, de naam waarmee in de Arabische wereld naar Spanje werd verwezen. In het begin werd ‘al-Andalus’ bestuurd door de gouverneurs van het Oemayyadenkalifaat van Damascus. Door de machtsovername van de ‘Abâssiden in 750 kwam hieraan een abrupt einde. Eén telg uit de Oemayyadendynastie wist te ontkomen naar Spanje, waar hij zich vestigde als emir ‘Abd al-Rahmân I. Hij koos Cordoba tot hoofdstad en knoopte diplomatieke betrekkingen aan met de christelijke rijken in het noorden en met Byzantium. Zijn verre opvolger ‘Abd al-Rahmân III besloot in 929 opnieuw de titel van kalief te voeren. Het westerse kalifaat daagde hiermee de vanuit Bagdad regerende ‘Abâssidendynastie openlijk uit. Drie eeuwen lang bleef Cordoba de hoofdstad van ‘al-Andalus’.
De Arabisch-Andalusische muziek is een geestesinstelling. De hele cultuur zit erin: architectuur, kalligrafie, de openheid van de wetenschap, de tolerantie tegenover andere godsdiensten. Een lied is hier een gebouw, je moet er alleen willen instappen. Kijk naar de verfijning van het Alhambra of de moskee van Cordoba, de poëzie die toen werd geschreven, het feit dat christenen, moslims en joden samenleefden. Het moge duidelijk zijn: in alAndalus bloeide tussen de 8ste en de 15de eeuw een mooie en weelderige cultuur. In Marokko kan je nog flarden van het klassieke repertoire opvangen. Slenterend door de medina, komen fragmenten uit de nouba’s je tegemoet. Een mirakel... Het is muziek die gemaakt is tussen de intocht van de moslims in 711 in Spanje en de uittocht in 1492. Mensen die al acht eeuwen in Andalusië woonden, moesten plots weg. Ze verloren zowat hun hele beschaving, hun land, de gebouwen. De gezangen zijn ze echter blijven cultiveren als waren het overblijfselen van een verloren paradijs.
In de 11de eeuw verdween het centrale gezag, en raakte de macht verdeeld over verschillende stadstaatjes. Toch vormde deze politiek onstabiele periode een cultureel hoogtepunt. De onderlinge rivaliteit tussen de hoven en de zucht naar een verfijnd, kleurrijk en briljant hofleven stimuleerden in belangrijke mate de beoefening van de kunsten. De christelijke koningen vormden echter een steeds grotere militaire bedreiging voor de Arabische bewindslieden. Toen Alfons VI van Castilië in 1085 Toledo innam, riepen ze de hulp in van de Almoraviden, een Berberstam uit Noord-Afrika. De reconquista bleek echter niet meer te stoppen. Een laatste reactie kwam er onder de Almohadendynastie, maar in 1223 moest ook zij plaats ruimen. Geleidelijk aan veroverden de christelijke vorsten alle Spaanse gebieden die nog onder moslimbewind stonden. Na Cordoba (1236) en Sevilla (1248), restte er alleen rond Granada nog een klein gebied. Door handig politiek manoeuvreren slaagde de daar heersende Nasridendynastie er nog anderhalve eeuw in zelfstandig te blijven. Cultureel was dit zelfs de glansperiode van Granada. Het Alhambra, dat voltooid werd eind 14de eeuw, is daar het meest sprekende voorbeeld van. Volgens de 14de-eeuwse Grenadijnse historicus Ibn al-Khatîb speelde ook de muziek aan dit hof een belangrijke rol. Dat blijkt in elk geval uit de vooraanstaande plaats van dichters en musici binnen de hofhiërarchie. In 1492 was het echter definitief afgelopen, het jaar waarin emir Boabdil de sleutels van het Alhambra overhandigde aan het katholieke vorstenpaar Ferdinand en Isabella.
Met impressionistische toets De Arabisch-Andalusische muziek heeft een ingenieuze structuur. Op het eerste gehoor lijken het afzonderlijke liederen, maar eigenlijk gaat het om suites. Ze zijn opgebouwd uit een verzameling gedichten, die in hun volledigheid 6 tot 7 uur kunnen duren. Een bekend musicus uit Bagdad, Ziryab, concipieerde in de 8ste eeuw al de poëtische en muzikale contouren. Hij deed dat door Griekse en Perzische modi, Byzantijnse toonaarden, Arabische modulaties en Berberritmes te vermengen met Romaanse grondlagen. De structuur ging van zeer trage openingsliederen over vijf verschillende ritmes tot opwindende stukken aan het eind. Je had één zo’n suite per uur van de dag, 24 in totaal, elk met hun eigen gevoel. Vergelijk het met impressionistische schilders die op elk uur van de dag een andere lichtinval schilderden.
Faisons la nouba Gasten die in het Arabo-Andalusische Spanje op een audiëntie bij de kalief wachtten, hadden niet te klagen. Vocaalinstrumentale ‘suites’ zorgden de klok rond voor vermaak en afleiding. Ieder uur kreeg een muzikale invulling, met liederen over de liefde tot Allah of over meer aardse verlangens in geheime tuinen. Ustad Noureddine put uit de 11 nouba’s of suites die de tijd overleefden. Hun virtuoze zang met traditionele begeleiding is een feest. Faisons la nouba…
Elke nouba is opgebouwd vanuit melodie en ritme, maar kent in de notatie – een recente praktijk – geen aanduidingen voor dynamiek of klanksterkte. Intrinsiek eenstemmig worden de suites dikwijls heterofoon uitgevoerd: instrumenten en stemmen verdubbelen de hoofdmelodie met lichte versieringen en afwijkingen. Het staat de muzikanten vrij om de liederen solo of via beurtzang te brengen. Het doel blijft de compacte hoogstaande poëzie met maximale diepgang te verklanken.
n Noureddine Tahiri
De teloorgang van de gouden eeuwen in Andalusië leidde tot een ware culturele depressie. De vluchtelingen hadden het moeilijk in Noord-Afrika, en kwamen de malaise pas in de loop van de 19de eeuw te boven. Tijdens de Turkse overheersing (enkel Marokko ontsnapte hieraan) werd de muziek angstvallig bewaard tussen de muren van de moslimbroederschappen. Uit schrik om hun erfgoed te verliezen, hebben ze die muziek dan ook vastgelegd. Sommige eigenschappen zoals het improviseren bij de openingsstukken zijn hierdoor verloren gegaan, maar dat was nu eenmaal de prijs om de culturele eigenheid te behouden.
Noureddine Tahiri 27 september 2012, 20 u00 Inleiding om 19u15 Ensemble Noureddine Tahiri Noureddine Tahiri (zang), Attas Attar (rebab [knievedel]), Amine Belkaab (ud [luit]), Mohamed El Ouariti (viool), Hicham Benzahra (tar [schellentrom]) Islamitische voorzangen & Arabisch-Andalusische suites in Marokko →→www.debijloke.be
STAALKAART #16 augustus-oktober2012