Page 1

DE ONBEKENDE WILLEM FREDERIK

HERMANS Thomas Heerma van Voss Roos van Rijswijk Willem Otterspeer Laura Broekhuysen Bert Natter Jente Posthuma Hannah van Wieringen Eva Cossée Frederik Willem Daem Herman Koch

© Raymond Benders

FOTOGRAAF, BIOGRAAF, TONEELSCHRIJVER, KUNSTENAAR EN INSPIRATOR


REEDS VERSCHENEN

DEEL 1 Conserve De tranen der acacia’s

DEEL 2 Ik heb altijd gelijk De God Denkbaar Denkbaar de God Drie melodrama’s

DEEL 3 De donkere kamer van Damokles Nooit meer slapen

DEEL 4 Herinneringen van een engelbewaarder Evangelie van O. Dapper Dapper

DEEL 5 Onder professoren Uit talloos veel miljoenen

DEEL 6 Een heilige van de horlogerie Au pair Madelon in de mist van het schimmenrijk Ruisend gruis

DEEL 7 Moedwil en misverstand Paranoia Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen

DEEL 9 Kussen door een rag van woorden Horror coeli en andere gedichten Hypnodrome Overgebleven gedichten

DEEL 11 Het sadistische universum 1 Annum veritatis De laatste resten van tropisch Nederland Het sadistische universum 2: Van Wittgenstein tot Weinreb Machines in bikini Dinky Toys

DEEL 12 Boze brieven van Bijkaart Houten leeuwen en leeuwen van goud

DEEL 13 Ik draag geen helm met vederbos Klaas kwam niet

DEEL 14 De liefde tussen mens en kat Relikwieën en documenten Het boek der boeken, bij uitstek Mondelinge mededelingen Door gevaarlijke gekken omringd

DEEL 15 De schrijfmachine mijmert gekkepraat Wittgenstein Gitaarvissen en banjoklokken Malle Hugo

DEEL 16 Mandarijnen op zwavelzuur Mandarijnen op zwavelzuur. Supplement


DE ONBEKENDE HERMANS

Thomas Heerma van Voss, namens de redactie van Revisor

‘Eigenlijk was mijn teddybeer mijn enige ware vriend.’ – Fotobiografie in Volledige Werken 8

© Willem Frederik Hermans

Hoelang blijft iemands oeuvre levend? Zolang nieuwe generaties auteurs zich door hem laten inspireren, soms nadrukkelijk, soms subtiel? De aanleiding voor De onbekende Hermans zijn de delen die vanaf nu in de Volledige Werken zullen verschijnen. De reeks zal in het teken komen te staan van de meer onbekende Hermans: dus niet de auteur van veelvuldig herdrukte bestsellers maar de essayist, de fotograaf, de biograaf, de verteller van korte verhalen, de toneelschrijver & scenarist, de beeldend kunstenaar. De redactie van Revisor had het voorrecht om al kennis te nemen van de nog te verschijnen delen. En we vroegen auteurs die Hermans hoog in het vaandel hebben staan zich erdoor te laten inspireren. Roos van Rijswijk baseerde haar fictieverhaal ‘Op zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt’ op een ongepubliceerde foto van Hermans, Jente Posthuma gebruikte Hermans’ ironieopvatting (en zijn naam) voor een kort, afgewogen verhaal, en Laura Broekhuysen en Frederik Willem Daem kozen Hermans’ verhalen. Daem schreef een komische, springerige tekst op de toon van Dinky Toys (1976), Broekhuysen leverde met haar vervreemdende ‘Mensuren’ een tekst naar ‘Cascaden en riolen’, een surrealistisch kort verhaal uit 1943 – en pas toen we dát verhaal gelezen hadden, begrepen we werkelijk wat ze beoogde. Maar we bieden meer dan alleen fictie, net als Hermans zelf. Willem Otterspeer, auteur van Hermans’ tweedelige biografie, werkte voor ons een alternatief concept uit om Hermans’ leven mee te beschrijven. Bert Natter schreef in een persoonlijk essay wat de hermansiaanse roman voor hem precies behelst – en wat hem daarin zo treft. Deze schrijvers laten zien dat Hermans voortleeft als inspirator en dat hij doorklinkt in allerlei nieuwe, nog niet canoniek verklaarde oeuvres.


HERMANS DE FOTOGRAAF

© Willem Frederik Hermans

OP ZONDAGOCHTEND IN EEN STRAAT WAAR NOOIT IETS GEBEURT Op een zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt stalt ze de spullen uit en naast de spullen zet ze haar zoon neer. Thuis zeurde hij nog om een lange broek zoals die zijn vader draagt op de foto op het dressoir. ‘Nee, Zoetje. Als je groot bent.’ Als je zo groot bent dat je geen gaten meer in je knieën valt, en zo lang bent dat je de mieren die voor je voeten linten vormen niet meer ziet, als je niet meer hoeft te bukken om dat verborgen rijk te bestuderen, maar recht vooruit kijkt. Naar meisjes en wat voor je ligt.

Nu gebeurt het, langzaam, passanten rekken zich stilletjes uit in hun jassen en bekijken de uitgestalde waar terwijl ze de rest nog uit de zak moet halen. Jopie komt erbij staan, even vaderloos als die van haar maar met een moeder die niet helemaal in orde is – of dat altijd zo geweest is weet ze niet, ze kent de vrouw en haar Jopie pas even. Zoetje ziet de verschillen tussen hem en Jopie nooit, al zal hij vandaag zeker opmerken dat Jopie wel een lange broek droeg. Als je benen belachelijk en harig uit die pijpjes steken, Zoetje, als je het zwartespinnenbloed van je vader hebt. Dan. Als je stem in duizend stukken breekt, die ik allemaal zal verzamelen, dan, misschien. ‘Nee, de kar is niet te koop, maar wilt uw vrouw geen nieuwe schoenen, meneer? Dag buurvrouw, nee da’s Jopie die zo schreeuwt, z’n moeder is gaan dwalen denk ik, roep het rond, roep het rond.’


Jopie met zijn kop in een wollen muts die hij ook in de zachte aprilzon niet af wil doen, met zijn kippenlijfje in een dikke jas. Hij staat te bomen als een ouwe kerel, terwijl haar zoon gedwee naar hem luistert. Ja, verschil is er wel, nu ziet ze het ook; Jopie is sterk, en die van haar is een volger. Ze vist een oud paar handschoenen uit de zak, twee gekleurde flessen, een nooit gebruikte scheerkist, die ze had gehouden als hij ouder was. Een pan die nog best even mee kan en de houten blokken waar Zoetje op uit is gekeken. Het zal veranderen. Ooit zal Jopie Zoetje moeten volgen, omdat diens dictie keurig is en zijn broek gesteven. Ze knijpt in een oude sandaal. Ze kopen niet, haar waar is niet goed genoeg. De buurvrouw gluurt niet meer minzaam, maar vol medelijden hun kant op en Jopie is languit op de straat gaan liggen, in zijn eigen lentewinter, misschien vliegt hij, of zwemt hij, straks zal Zoetje mee gaan doen en dat is prima. Zijn knieën kunnen toch niet stuk. Wanneer je zo sterk bent dat je me met één arm op kunt tillen, wanneer iedereen je Edo noemt, wanneer je in stilte kwaad kunt worden en in het geniep gelukkig. Dan, dan, dan.

© Irwan Droog

Roos van Rijswijk (1985) debuteerde met de roman Onheilig (2016, Anton Wachterprijs). Ze is redactielid van Tirade en recensent voor NRC Handelsblad.

Wil je de fotograaf en beeldend kunstenaar Hermans beter leren kennen? Deel 18 van de Volledige Werken verschijnt in 2018, en bevat:


WILLEM OTTERSPEER OVER ZIJN WILLEM FREDERIK HERMANS

Het duizelingwekkende gevoel van duizend mogelijkheden DE NOODZAAK TOT MISLUKKEN ‘In dit getij leer ik mezelf kennen,’ schrijft Cees Nooteboom in het gedicht dat met die regel begint. ‘Steeds minder: / ik had wel duizend levens / en ik nam er maar één!’ Er klinkt iets van spijt, van resignatie. Tegelijk hoor je, weet je, dat Nooteboom ook geïntrigeerd is door de mogelijkheid van het kiezen. Of een mens nu terugkijkt op zijn leven, of een biograaf op zijn levensbeschrijving, de vraag blijft: was er keuze? Toen ik Hermans een ‘mislukkingskunstenaar’ noemde, deed ik dat uit vrije wil? Moedwil zelfs, dacht een kudde kleine knaagdieren bij het verschijnen van mijn biografie. Er stond ‘mislukkingskunstenaar’. Zij lazen: ‘mislukte kunstenaar’. Ik had het over een thema, zij over hun leven. Een biograaf die over een groot archief beschikt haalt met karrenvrachten zijn materiaal binnen. Elke dag weer vult hij zijn schuren, nieuwe stemmen voegen zich bij oude. Het is als luistert hij naar een radio uit de jaren vijftig, afgetast van Beromünster tot Reykjavik: stemmen, talen, eenzaamheid, mogelijkheid, almacht, onmacht. Hermans heeft veel geschreven over de combinatie van almacht en onmacht, over het gevoel God te zijn en de zekerheid van de mislukking. De schrijver was een alwetende, die als een totalitaire God over zijn schepping regeerde. Tegelijk was de kern van die schepping de nietigheid van alles. ‘De “boodschap” uit mijn boeken,’ schreef hij ooit aan Gerard Reve, ‘is nu eenmaal de nietigheid van alles – dat zou niet zo zijn als ikzelf deze nietigheid niet onderging.’ Een biograaf van Hermans, geconfronteerd met de complexiteit van het werk en de persoon, krijgt de noodzaak om te mislukken gratis verstrekt bij de opdracht tot het schrijven. Maar ook het eerste gevoel, dat van almacht, zit als het ware verpakt in dat ar-

chief. Een groot archief is eigenlijk een soort talent: het geeft het duizelingwekkende gevoel van duizend mogelijkheden. Trefzekerheid is door Hermans zelf ooit ‘het onnavolgbare gebaar van de totale sprinkhanenvanger’ genoemd. Hij omschreef het als ‘de wijze waarop je een speertje in een werpbord plaatst, met een hand die zegt: Daar ga je speertje, de beste wensen van Wim.’ Het geval wil dat ik door mijn naam en het vroege vermogen de 100 meter in 11 seconden af te leggen mijn hele jeugd door het leven ging als het Speertje. Men heeft het niet voor het zeggen.


EEN GAVE VAN HET LOT

‘Iemand zei tegen mij: “Als je naar me kijkt, heb ik het gevoel dat je mij bestudeert. Ik geloof dat je mij alleen maar voor den gek houdt, dat je mij alleen maar als een soort proefkonijn beschouwt.” Het was in zekere zin een treffend juiste opmerking, hoewel men dat in dergelijke gevallen onmogelijk toe kan geven. Ik zou als eenige verontschuldiging kunnen aanvoeren, dat ikzelf nog altijd mijn voornaamste proefkonijn ben. Van de Röntgenstralen (zooals u het zoo treffend noemde) worden de doktoren die ermee omgaan op den duur zelf de dupe. In hoeverre dat een verontschuldiging is, blijft de vraag, aangezien zij het aan zichzelf te danken hebben.’

© Emiel van Moerkerken

Mijn eerste zoeklicht om werk en leven van Hermans in perspectief te krijgen kwam niet uit zijn leven, maar uit zijn werk, uit de eerste grote roman die hij schreef: De tranen der acacia’s. Het wildste, slordigste boek in zijn oeuvre, het dichtst vanonder zijn opperhuid vandaan gekomen, dat vrijwel alle thema’s uit zijn werk bevat. Onverlet de minstens duizend andere aanstrepingen die mijn werkexemplaar bevat, invallen en suggesties, vooruit- en terugverwijzingen, kwam ik steeds bij dit ene citaat terug: ‘Een paar maal had hij bijna een superieur in zijn gezicht geslagen, alleen om te beleven wat er dan zou gebeuren.’ In de leegte waarin de personages van Hermans’ romans ronddwalen, bij die overmaat aan mogelijke levens en mogelijke identiteiten (waarin een verwerkelijkte mogelijkheid de moord is op alle andere mogelijkheden), is dit hun geliefde experiment: stel ik doe dit, dondert niet wat, wat gebeurt er dan? Ergens halverwege mijn onderzoek – ik zat bij de L van Lohman – kwam ik een brief tegen die Hermans in de oorlog schreef. ‘Toen ik klein was, wilde ik uitvinder worden,’ schreef de 22-jarige jongeman aan een veel oudere die belangstelling voor hem had opgevat en bij wie hij een opmerkelijke openhartigheid aan de dag legde. Hij was erachter gekomen, zo schreef hij, dat hij beter over uitvindingen kon fantaseren en erover schrijven, dan ze zelf te doen. Maar het experimenteren kon hij niet laten.

Het permanente exploreren, experimenteren, met zichzelf en met zijn omgeving, zit diep in alles wat Hermans deed. Neem de weergave van de manier waarop hij tv keek. Hij deed daar verslag van in Dinky Toys. Voor de televisie (van die dagen, de jaren zestig) gezeten kon hij door visuele manipulatie de beelden ruitvormig, gedeeltelijk over elkaar heen of dubbel zien. Ook leek het beeld te gaan golven als hij de keel krachtig schraapte. Kauwen op een koekje gaf hetzelfde resultaat.

Het permanente exploreren, experimenteren, met zichzelf en met zijn omgeving, zit diep in alles wat Hermans deed. Voor het schrijven geldt hetzelfde recept. In De heilige van de horlogerie speelt niet de mens de hoofdrol, maar een klok, een gigantische klok in een paleis, voorzien van een monsterlijk klokgewicht, een loodklomp met de omvang van een bierton. Van die klok was de auteur tot aan pagina 47 geheel onkundig. Toen hij Constantijn naar de zolder van dat paleis liet gaan, wist Hermans helemaal niet wat daar te zien zou zijn. Hij wilde de lezer, via wat Constantijn door de dakvensters zag, een indruk geven van de omgeving.


Ik heb overigens geen bezwaar tegen cirkelredeneringen. Het was niet daarom dat ik de mogelijkheid van de speler, de experimentator als centraal motief voor mijn biografie verwierp. Ik verwierp haar omdat ik in ieder geval die theorie niet kon rijmen met het nihilisme van Hermans. Hermans was een volmaakte nihilist. Hij wist het, hij zei het, hij praktiseerde het. Dat nihilisme kon hij niet funderen, want optimisme is net zo goed mogelijk. Maar hij hoefde het nihilisme ook niet te funderen, hij hoefde er alleen maar literatuur van te maken. Wat voor literatuur dan wel? Iedereen is paranoïde, zei Hermans, iedereen behalve ik. Dat was zijn spel. Iedereen in het universum van Hermans was spelbreker behalve hijzelf. Als we het schrijverschap van Hermans een spel noemen, is het een spel voor slechts één speler.

Maar de beschrijving was nog niet voltooid of Hermans liet zijn antiheld opstaan en naar een muurklok lopen en bij het vertellen daarover schoten de details van de klok hem vanzelf te binnen, de grote slinger met zijn dodelijke tik, het kolossale gewicht en de daaraan verbonden legende dat het, als het niet tijdig werd opgehaald, door de grond zou zakken en het paleis vernietigen. Toen het eenmaal op papier stond is hij naar Emmy, zijn vrouw, gelopen met de mededeling: ‘Ik heb nu zoiets raars verzonnen, ik begrijp zelf niet hoe ik eraan kom.’ Pas naderhand heeft Hermans bedacht hoe lang de slinger moest zijn om elke drie seconden een tik te geven. Dat was negen meter. Dus moest er een spleet in de grond gezaagd worden om de slinger ruimte te geven. En inderdaad, in Zuid-Afrika, in een museum in Grahamstead, had hij een oud torenuurwerk gezien, waarvan de slinger door de vloer ging. Maar hij had dat zich niet opzettelijk herinnerd. Het was een gave van het Lot aan de auteur. Nooit won hij iets in de loterij en als hij na rijp beraad een aandeeltje kocht, stortte de beurs in. Maar, constateerde hij vergenoegd, wat het doen van nuttige vondsten bij het schrijven betreft, mocht hij niet klagen. SPELBREKER

Willem Otterspeer (1950) is historicus, Huizingakenner en de biograaf van W.F. Hermans.

© Keke Keukelaar

Het leven als experiment, als spel met het eigen mechaniek, het is lange tijd het uitgangspunt van mijn biografie geweest, het Leitmotiv dat mijn selectie bepaalde, de kompasnaald van mijn vrijheid. Ik had er ook al een werktitel voor: De ernstige speler. Laat er nu – in het rijk van de Hermans-kunde bestaat geen toeval – onlangs in Utrecht een dissertatie verdedigd worden over Hermans onder de titel De ernst van het spel. Ik mocht er zelfs opponeren. De geleerde doctor in aanbouw, Daan Rutten, had, even vernuftig als speels, het nihilisme van Hermans op z’n kop gezet. Iedereen beschouwde Hermans als spelbreker, maar volgens Rutten, varend op het kompas van de Franse freudiaan Lacan, was Hermans juist een en al positivisme en fungeerde zijn nihilisme als fundament voor de instandhouding van het spel. Hij zei nee maar hij riep ja. Mijn bezwaar tegen de stelling van Rutten is dat hij, op voorbeeld van veel speltheoretici, het spel ziet als metafoor voor de hele maatschappij. Er zijn regels, dus er is spel. En aangezien er altijd regels zijn, is iedereen speler. En is niemand spelbreker. Dus ook Willem Frederik Hermans niet.


HERMANS DE VERHALENVERTELLER

M E NSU R E N LAURA BROEKHUYSEN ‘En zie je dat verschil dan niet, heb je geen onderscheidingsvermogen.’ W.F. Hermans, uit ‘Cascaden en riolen’

© Welmoet Broekhuijsen

De winkel is je vertrouwd, blind laveer je tussen de schappen. Je bent vergeten dat het een ander filiaal is. Alles ligt waar het hoort, maar centimeters uit het lood. Je blijft misgrijpen, zoals je valsspeelt op een viool met een afwijkende mensuur, je wankelt als de muur een fractie te laat, te vroeg op je afkomt, slaat hellend hoeken om die graden stomper, scherper zijn. Of komt het door je haast? De vrouw naast de vrieskist, levensgroot, is je achterop gekomen. Je herkent haar niet; het geluid van haar schoenzolen blijft stilstaan in je oren, als water in verstopte trechters. Kijk maar over je schouder, ze zal zeggen dat je niets veranderd bent – materiaal met een geheugen, dat terug zal floepen in de oorspronkelijke staat zodra zij het cellofaan eraf trekt, ratst – je schrikt als ze haar handen voor je ogen vouwt. Ra-ra! Ze laat haar vingers dwarrelen. Mijn handen, hoor je haar zeggen, of je haar handen dan niet herkent? Je hebt je die stem voor de geest gehaald, in ditzelfde register, hooguit een microtoon ernaast. Ze stuurt haar boodschappenkar om je heen – je schuift in een tijdschaal waarin een uur een etmaal is, zoals men in slow motion botst. Nu kijkt ze je aan. De wereld draaide, om haar as, rond de zon, maar zelf ben je, snel als het licht, zeventien gebleven. Ze zegt: Ik kom hier nooit. Ze heeft het kapsel van een tweelingzus, gespeeld door dezelfde actrice. Ze lijkt wat minder ruimte te beslaan, maar of het nu geldt van links naar rechts of van boven naar beneden? Je zegt dat je hier dagelijks boodschappen doet, herinnert je dan dat dat niet zo is, maar rectificeert je uitspraak niet.

Ze zet een stap dichterbij en wil je omhelzen, je staat net iets verder van haar af dan ze dacht, of stond je juist wat dichterbij – je proeft haren. Ze vraagt hoe het gaat. Het gaat je goed. Je hebt kinderen. Je noemt ze op. Haar filtrum herinner je je rimpelloos, de contouren van neusbrug en bovenlip scherp, gestift vermiljoen, de spatielengtes tussen haar woorden – je was vergeten hoe minutieus je haar in kaart hebt gebracht. Ze laadt twee liter karnemelk in haar kar. Ze vertelt waar ze werkt. Daar fiets je wel eens langs. Ze vraagt nog, je staat al bij de kassa, of je zou afstappen als je haar zou zien. Op straat herken je niets. Als je ter oriëntatie je hoofd in je nek legt, vang je een laatste glimp van een maan die afneemt, opraakt, een sikkel zo dun als een schrikkelseconde.

Laura Broekhuysen (1983) is violiste en schrijfster. Haar nieuwste boek is Winter-IJsland (2016), nu schrijft ze aan poëzie en theater. Voor ‘Mensuren’ liet ze zich inspireren door ‘Cascaden en riolen’, waarin nog veel surrealistischer ontmoetingen plaatsvinden.


Over het dramatisch werk van Hermans: De Woeste Wandeling en King Kong Hannah van Wieringen

‘EEN KORTE, ZEER HOUTERIGE, ZIELIGE WORSTELING.’


I ‘Liever heimwee dan Holland’ stond er lang, naar Vroman, op een kaartje op m’n bureau. Op de andere zijde stond een afbeelding van de door mij geliefde bedreigde zwaan van Asselijn die in het Rijksmuseum te bewonderen valt. Ik leef, kortom, op gespannen voet met wat we ‘heel Nederlands’ zouden noemen. Lange wandelingen langs de rechte wegen in de Beemster: graag, maar ik word een beetje misselijk zodra iemand vaderlandse trots uitdraagt. De Grote Drie behoort voor mij tot die vaderlandse trots. Ik kon niets met die term, ik kan er niets mee, sterker: ik zie de term als diskwalificatie. Als het te voorkomen was las ik om het werk van deze drie heen. Ook nu sloeg ik het verzameld dramatisch werk van Hermans wat halsstarrig op. II Nu zal ik niet vanaf heden vreselijk meegaand, overal ja en amen op zeggend door de dag reizen, maar het tragikomische filmscript De Woeste Wandeling was beslist geen straf. Waarom de film nooit gemaakt is, is een raadsel. Dit kristalheldere en zeer geestige sociaal drama over de repatriëring van de familie Stein uit het voormalig Nederlands-Indië vraagt er met klem om.

© The Bridgeman Art Library


In het Rotterdam van 1959 is geen werk en geen woning voor de terugkerende familie. De angst om het eigen hachje en de algemene kleinzieligheid van het vaderland zeikstraalt uit de scènes. Ook de eigen oude vader en moeder van Karel Stein zijn hun familieleden niet erg behulpzaam. Ze bewonen een kast van een huis maar moeder Stein laat haar zoon en vrouw en zes jonge kinderen een kleine zolderkamer achter hen betrekken. Zonder huurcontract en lek als een mandje. De onverschillige vreemdelingenhaat van de hospita wordt tastbaar in zinnen als: ‘Denkt u eraan, geen nasi goreng koken.’ De oude moeder Stein is een ware tiran, die een geheim in een van de kamers van haar grote huis bewaart. Daar kan zij het gezin van haar zoon niet bij gebruiken. Ook alle bijfiguren zijn levendig getekend, het script wordt bevolkt door grotesk kleingeestige medelanders. Voor een enkele zaak ben ik te laat geboren: een melkboer barst uit in een Hans Koert-achtige lach. Daar is voor mij geen beeld en geluid bij. Maar als de oude Stein ontsnapt, onder de tirannie van moeder Stein vandaan, dan stelt Hermans hun kort daarop volgende hereniging zo voor: ‘Een korte, zeer houterige, zielige worsteling.’ Dat raakt. Zeer.


III King Kong is een taaier en narriger werk, een documentaire toneelvertelling over de dubbelspion Christiaan Lindemans, beter bekend als King Kong. Dat taaie schuilt in de al in het voorwoord aangekondigde agressief verongelijkte dichtgetimmerde verteltechniek. Hermans had geen hoge pet op van zijn theatermakende tijdgenoten. Zijn ‘de rest moet ik aan de fantasie van de regisseur overlaten’ spreekt boekdelen en ook: ‘In 1967, toen dit stuk ontstaan is, schreef ik bovendien het gebruik van een projectiescherm voor, een hulpmiddel dat toen nog betrekkelijk nieuw was, maar nu langzamerhand te afgezaagd. Jammer.’ Echt leuk – en hysterisch – zijn de aansluitende uiteenzettingen over het ontstaan en uitblijven van de opvoering van dit werk. Het doet denken aan Mijn Prijzen van Thomas Bernhard. De Oostenrijkse hystericus fulmineert er geweldig in over bekrompen zielen waar hij mee van doen krijgt bij het in ontvangst nemen van zijn literaire prijzen. Hermans trekt in een mini-memoir in elf delen op gelijke wijze van leer tegen een omroepbaas, een wethouder van cultuur en een lid van een raad van beheer voor programmazaken. Dusdanig dat je begint te vermoeden dat Hermans zelf heel goed wist dat King Kong niet zonder felle pleitbezorger kon. Met name het tweemaal inzenden van de tekst voor twee verschillende beurzen doet Hermans in vrolijke bochten wringen: ‘Tweemaal subsidie in je zak steken is helemaal niet zo immoreel als deze Rengelink in zijn socialistische bewogenheid hier met gebrekkige middelen schijnt te willen suggereren.’ Zijn uitvoerige bespiegelingen op eigen briefwisselingen over het eigen niet-opgevoerde werk handelen in de kern over Hermans zelf. Dan toch liever heimwee.

© Dim Balsem

Voetnoot Mocht u een van de vrouwenrollen willen spelen uit deze bundeling, weet dan dat u een voetnoot vertegenwoordigt. Oefent u zich in huilerigheid, feekserigheid en hoerigheid als u zich deze rollen eigen zou willen maken. U hoeft niet bang te zijn dat u een werkelijke ontwikkeling dient over te brengen, die maakt u niet door.

© The Bridgeman Art Library

Hannah van Wieringen (1982) schrijft, vertaalt en bewerkt toneel. Dit seizoen is onder andere haar toneelbewerking van On the Road naar het boek van Jack Kerouac te zien.


Š Ed van der Elsken / Nederlands Fotomuseum


OOK HERMANS SLAAPT WEL EENS BERT NATTER 1 Ik lees een tekst en tegelijkertijd gebeurt er iets anders in de tekst die ik lees.

Alles is tot dusver zonder grote ongelukken afgelopen. Niet gevallen in de bergen, geen figuur geslagen.

2 Zeventien ben ik als ik Nooit meer slapen ontdek. Het verhaal van Hermans speelt zich af in een parallel universum, dat zich ontvouwt met elke bladzijde die ik omsla. Nooit is me opgevallen dat romans doorgaans in de onvoltooid verleden tijd zijn gesteld. Dit boek staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

Al is zijn angst af te gaan nog zo veelzeggend, Noorwegen, de expeditie, de geologie, de invalide portier die Hermans zou hebben ontmoet; het valt allemaal in het niet bij waar het boek over gaat: dood, eenzaamheid, het ontbreken van een moraal en het universele gebrek aan rechtvaardigheid.

3 Hoofdstuk 10: Ik zit in de trein en Alfred Issendorf bevindt zich in een vliegtuig.

7 Ik onderscheid ook een ‘verschijnpunt’: het moment waarop de verteller begint te vertellen. In Nooit meer slapen gebeurt dat wanneer Alfred zich meldt aan de universiteit van Oslo (en hij zich op hetzelfde moment kenbaar maakt aan de lezer) met de beroemde openingszin:

Ik ben nieuwsgierig wat die man naast mij leest. Omzetten van deze zin naar de onvoltooid verleden tijd levert: Ik was nieuwsgierig wat de man naast mij las. Volgens mij moet ‘die man’ nu in ‘de man’ veranderen, omdat de wijziging in tijd tegelijk afstand in ruimte creëert. 4 In de schilderkunst betekent ‘verdwijnpunt’ een plek waar evenwijdige lijnen elkaar lijken te snijden. Je kunt ook zeggen: de stip aan de horizon waar die lijnen vandaan komen. Zo gebruik ik de term ‘verdwijnpunt’ als de reden waarom een verteller vertelt. In Nooit meer slapen moet dat de vroege dood van de vader zijn en de last die dit in zekere zin onvoltooide leven op de schouders van de zoon legt. 5 Nooit meer slapen speelt zich halverwege de jaren zestig af. Alfred is rond 1940 geboren. Hermans komt uit 1921. De schrijver had dus de vader van de hoofdpersoon kunnen zijn. 6 Hermans kent het gebied dat het desolate decor vormt voor de roman. In zijn dagboek over een expeditie aldaar staat op 4 augustus 1960:

Foto’s © Willem Frederik Hermans. Volledige serie op Literatuurmuseum.nl.

De portier is een invalide. Heeft Hermans dit verschijnpunt gekozen omdat deze bejegening de eerste tegenslag markeert die Alfred te verduren krijgt? Hermans heeft toegegeven pagina’s uit het eerste hoofdstuk te hebben geschrapt en ik ben geneigd te denken dat het om scènes gaat die voorafgaan aan de kennismaking met de portier: het afscheid in Nederland, het vertrek van Schiphol, de vliegreis naar Noorwegen, de tocht naar de universiteit; de passages kortom waarin de reis nog voorspoedig verloopt. 8 De onvoltooid verleden tijd wordt gebruikt in sprookjes, waarin het niet gaat om een verrassend slot, maar om de moraal. De auteurs van een lexicon over sprookjes noemen het genre zelfs ‘onverbeterlijk optimistisch’. Lang geleden leefde er een portier die een invalide was. 9 Hermans kunnen we ‘onverbeterlijk pessimistisch’ noemen en in de tragikomedie Nooit meer slapen


past hij de tijd toe die we reserveren voor moppen. De roman eindigt met een soort uitsmijter: Maar geen enkel bewijs voor de hypothese die ik bewijzen moest. 10 Terugkijkend willen we gebeurtenissen opvatten als een keten van oorzaak en gevolg. Wie wordt aangereden, zegt: ik keek niet goed uit, en vergeet alle keren dat hij niet uitkeek en ongedeerd bleef. 11 2008: Na bij Hermans te rade te zijn gegaan, zet ik het laatste hoofdstuk van mijn debuut Begeerte heeft ons aangeraakt in de onvoltooid tegenwoordige tijd en preludeer daarop in de openingszin: Als je ophoudt met zingen zal ik je alles vertellen. De verteller van mijn roman doet in de tegenwoordige tijd, maar achteraf, zijn verhaal. Dit stijlmiddel gaat terug op Longinus, die in Over het sublieme stelt dat het als functie heeft ‘een verhalende passage tot levende werkelijkheid’ te maken. 12 De onvoltooid tegenwoordige tijd biedt daarnaast de mogelijkheid live verslag te doen. In de bundel Verboden toegang (1989) staat het essay ‘Alfred en zijn spiegelbeeld’ van Gerard Raat, dat gaat over ‘de vertelsituatie in Nooit meer slapen’: ‘In de noterende stijl wordt de activiteit van het registrerende bewustzijn nagebootst.’ Raat merkt op dat Hermans hierin niet altijd consequent te werk lijkt te zijn gegaan: Onwillekeurig kijk ik op mijn polshorloge (…). Waarna Raat zegt: Het lijkt onmogelijk dat iemand een onwillekeurige handeling verricht en tegelijk vaststelt dat hij dit doet. Echter, ‘onwillekeurig’ betekent: iets doen zonder het te willen. Als je niest en je beweegt je hoofd naar voren, gebeurt dat onwillekeurig, maar niet ongemerkt. Het ten overstaan van een blinde portier onwillekeurig op je horloge kijken is natuurlijk niet heel erg, dus wat Hermans ermee lijkt te willen aangeven, is

dat in ieder mens een dierlijke kern huist die zich maar moeilijk door de ratio laat beheersen. In mijn eigen werk beschrijf ik regelmatig onwillekeurige handelingen van mijn personages, die zichzelf over het algemeen slecht kennen. De in dit opzicht misschien meest pregnante passage staat in mijn laatste roman Goldberg. Sebastian Savage vindt een dagboek van zijn overleden zus: Ik wil het niet lezen, maar ik pak mijn bril en zie Heleen die huilend boven haar boekje zit en schrijft. 13 Op diverse plaatsen wordt Alfred zich in Nooit meer slapen van onwillekeurige handelingen bewust: Zonder het eigenlijk te willen, begin ik toch te lezen. 14 In mijn werk heb ik herhaaldelijk stilgestaan bij een fenomeen dat hiermee verband houdt, bijvoorbeeld in mijn tweede roman Hoe staat het met de liefde?: We kiezen het lekkerste taartje met onze ogen, maag en handen en als we dat gedaan hebben, denken onze hersenen dat zij hebben gekozen. 15 Er gaat maar een fractie van een seconde voorbij tussen het omhoogschuiven van je mouw en de gewaarwording dat je bezig bent op je horloge te kijken, maar in die flits ligt je onderbewustzijn bloot: brein, geest en geweten leggen het af tegen reflex, instinct en lijf. 16 In de nanoseconden tussen doen en denken stelt de verteller in Nooit meer slapen vast wat voorvalt. Hij bevindt zich aldus in dezelfde schemertoestand van afwezige aanwezigheid waarin de schrijver zich al schrijvende begeeft. Zijn vingers tikken sneller dan zijn ogen kunnen lezen. 17 In ‘Alfred en zijn spiegelbeeld’ wijst Gerard Raat op het begin van hoofdstuk 30 van Nooit meer slapen, waar het gaat over ‘schisteus gesteente’. Hier lijkt Hermans de fysisch geograaf en polemist zich even met zijn vertelling te bemoeien: De leek die niet weet wat dit is, moet het maar opzoeken of voor kennisgeving aannemen.


21 Natuurlijk wekt Hermans de indruk alles altijd nauwkeurig uit te dokteren, maar hij schrijft in een brief aan Geert van Oorschot op 21 januari 1955:

Hermans zelf lijkt het woord te nemen. Het is een inconsistentie in de tekst, en om Longinus nog eens aan te halen: ‘Genialiteit gaat boven regels.’ Horatius zegt: ‘Ook Homerus slaapt wel eens.’

Mijn grote ongeluk is namelijk dat mijn beste invallen altijd als mosterd na de maaltijd komen, d.w.z. als ik het verhaal al heb gedaan.

18 Nooit meer slapen zou in de ogen van sommigen de weerslag zijn van aantekeningen die Alfred onderweg zegt bij te houden. Wat wij te lezen krijgen lijkt eerder het tegendeel van een wetenschappelijk verslag. We lezen juist wat hij niet opschrijft:

Talloos zijn de anekdotes over Hermans die in herdrukken eindeloos kleine en grote zaken wijzigt, een gegeven dat in tegenspraak is met zijn eigen dogma’s over de doelgerichtheid van de klassieke roman die hem als ideaal voor ogen staat.

Niemand zal weten hoe het gegaan is. 19 Volgens Adriaan Morriën fungeert Alfred Issendorf ‘vrijwel uitsluitend als een vooruitgeschoven verkenner van de auteur’ (recensie in Het Parool van 19 maart 1966). Hij bedoelt te zeggen dat Alfred over weinig zelfkennis beschikt en zijn psychologie minder interessant is dan de manier waarop hij faalt. Zelf ben ik niet geneigd Alfred te beschouwen als een pion die door Hermans wordt vooruitgeschoven in de wereld die de schrijver voor hem heeft bedacht. Ik moet eerder denken aan Philippe Claudel, die over zijn holocaustfantasie Het verslag van Brodeck heeft opgemerkt dat hij als schrijver een onbekend gebied moet betreden waarvan hij in zijn roman verslag aan de lezer uitbrengt. Hermans is niet de poppenspeler die Alfred bestuurt; de zintuigen van Alfred geven Hermans toegang tot de wereld die hij ontdekt terwijl hij hem verzint.

23 Alfred beweegt zich tijdens het ontstaan van het boek in de tijd. Zijn schepper volgt hem op de voet en waant zich onbespied. Aan het woord is een ontdekkende verteller. In een brief aan Erik Schwimmer van 22 maart 1967 bekent Hermans: Van betekenis is ook dat ik bij voorkeur in het holst van de nacht schrijf, als iedereen slaapt en dus, bij wijze van spreken, niemand zien kan wat ik doe. 24 De innerlijke en universele chaos overwinnen en vormgeven in een zinvolle constructie, dat is schrijven. 25 Ik schrijf een tekst en tegelijkertijd gebeurt er iets anders in de tekst die ik schrijf. Bert Natter (1968) schreef Begeerte heeft ons aangeraakt (2008), Hoe staat het met de liefde? (2012), Remington en Goldberg (beide 2015).

© Getty Images

© Merlijn Doomernik

20 Kees Fens oordeelt (in De Tijd van 19 januari 1966) over Nooit meer slapen dat door de keuze voor de ik-vorm in plaats van de hij-vorm ‘de scherpzinnigheid van de hoofdfiguur […] weinig in overeenstemming [is] met zijn psychologische onnozelheid’. Het is natuurlijk een denkfout ervan uit te gaan dat een intelligent iemand in staat zou zijn zichzelf te doorgronden. Die ‘psychologische onnozelheid’ heeft niet zozeer te maken met het gekozen perspectief, maar is vooral een gevolg van de toepassing van de onvoltooid tegenwoordige tijd, die ervoor zorgt dat Alfred alles wat in het langgerekte ‘nu’ plaatsgrijpt moeilijk kan duiden. Zolang zijn reis duurt, heeft hij geen overzicht over wat er is gebeurd. Als het blijft regenen kun je niet uitleggen wat je bent gaan doen toen het droog werd.

22 Hermans stuurt Alfred op pad met een missie die tot mislukken gedoemd is en volgt wat er gebeurt – in die zin is het een dialoog tussen schrijver en personage, ieder op zich een amalgaam van mogelijkheden en beperkingen.


J E N T E P O ST HU M A HERMANS DE DW E RG S CH NAUZ E R bank en beet haar in haar enkel. Ze schreeuwde, haar man schrok wakker en schreeuwde ook. W.F. Hermans blafte hysterisch en hield daar pas mee op toen ze hem met een kandelaar hard op zijn kop sloeg. De hond lag bewegingloos op het tapijt. De talkshowhost zei dat het tijd was voor muziek. Dit wilde ik niet, zei ze. Hij keek naar haar roze knieën en naar de vingers om de voet van de kandelaar. Hoger wilde zijn blik niet gaan. Ze heeft nog steeds worstige vingers, dacht hij. Ze heeft altijd worstige vingers gehad. Ik ga even wandelen, mompelde hij. Hij pakte zijn hond op en liep naar buiten.

© Bas Uterwijk

Ze kochten een hond. Zij noemde hem Hermans, hij zei W.F. Hermans, zoals het hoorde. De hond luisterde vooral naar hem. De naam W.F. Hermans vond hij op het internet, toen hij ‘1 september’ en ‘verjaardag’ googelde. Hij wilde weten welke bekende mensen op dezelfde dag jarig waren als de hond. Even overwoog hij Ruud Gullit, totdat zij zei dat er al zoveel honden Ruud Gullit heetten. Zij kende het werk van Hermans wel, maar hield meer van Gerard Reve, alleen was die op een andere dag jarig dan de hond. Helaas. Dat woord gebruikte ze vaak: helaas. Helaas zit mijn man de hele dag op het internet. Helaas houdt mijn man meer van zijn hond dan van mij. Dat meen ik niet hoor, zei ze altijd, dat is ironie. Als je het niet meent, zei hij, waarom zeg je het dan? Ironie is als een steentje in je schoen. Maar je moet niet je hele schoen vol steentjes hebben. Zoiets las hij op het internet, W.F. Hermans zei het kort voor zijn dood. W.F. Hermans was een dwergschnauzer, zo’n keffertje. Hij was fel, maar had opvallend lieve ogen en zachte oren. Het liefst lag hij bij zijn baas op de bank en dan keek hij dankbaar omhoog als die zijn oren streelde. Wanneer zij erbij kwam zitten sprong W.F. Hermans overeind en blafte net zolang tot ze opstond en zich een eindje verder in een stoel liet zakken. Na een paar keer nam ze de moeite niet meer en liep ze meteen door naar de stoel. Vanuit de stoel keek ze iedere avond naar een talkshow terwijl W.F. Hermans en haar man een dutje deden op de bank. Zo nu en dan praatte ze tegen de tv, meestal als ze het niet eens was met een gast. Dan werd W.F. Hermans wakker en gromde naar haar. Op een avond – ze had net iets geroepen naar een controversiële cabaretier – sprong W.F. Hermans van de

Jente Posthuma (1974) debuteerde in 2016 met de roman Mensen zonder uitstraling. Probeer een beetje goed over me te denken, haar tweede boek, maakte ze samen met haar man, fotograaf Bas Uterwijk.


DINKY FREDER IK W Gezien in Westerpark. Een bronzen beeld van twee identieke vrouwen die elkaar flankeren. Op hun hoofd dragen ze elk een rechthoek, mogelijks waterkruiken, die even groot zijn als hun bovenlichaam. Ook gezien in Westerpark. Een bordje, liggend in het gras naast het beeld: “Laat ons erbij stil staan, dat elk mens, waar hij of zij ook vandaan kwam of naartoe gaat, zijn culturele rijkdom heeft meegenomen en uitdraagt opdat wij ten alle tijden (sic) zijn schoonheid mogen ervaren.� Het regende. Niemand die het zag.

Ik stel vast dat de mens tegenwoordig geen principes meer heeft. Als mens blijf ik daar zelf natuurlijk niet van gespaard.

Men kan niet elke dag drinken. Dat heb ik geleerd, vroeger, toen ik nog elke dag dronk. Sindsdien drink ik nog slechts om de dag.

Het weinige wat je moet doen om te overleven, is eten in je mond steken, het verteren en vervolgens uitpoepen. Uit heel veel meer hoeft een leven niet te bestaan. Misschien af en toe ook nog wat drinken.

Het is overbodig te beweren romantisch te zijn omdat de romantiek enkel en alleen door de ogen van de ander als romantisch kan bevonden worden. Toch is men het aan zichzelf verschuldigd een poging te doen.

Ik zie de redactievergadering al voor me, waarop het hun vooral grappig leek ene Frederik Willem iets te laten schrijven over de multatuliaanse periode van ene Willem Frederik. In een poging de opdracht af te schepen, zeg ik hun enkel iets te willen doen met de kleinigheden of Dinky Toys die Hermans destijds gebundeld heeft. De redactie laat weten dat dit niet meteen conformeert aan de inhoud van het nummer. Toch mag ik mijn gang gaan.

De dinky toys. Op de grote lanen staan ze. Als speelgoed. Ook al is de hele wereld uitgespeeld.

Schade zeg ik. Schade herhaalt ze.

Nonkel Jerry heeft geprobeerd de herpes rond zijn lul eraf te scheren. Hij beweert dat dit is hoe innovatie tot stand komt. Door idioten die in zichzelf geloven. Verder beweert hij toen hij de poging ondernam meer van zichzelf te zijn gaan houden, vanwege zijn positieve ingesteldheid. Volgende keer, verkondigt hij, zal ik de herpes eraf branden.

Ook een credo van Nonkel Jerry: winnaars gaan nooit een volgende overwinning uit de weg.

K. Heeft me een ontroerende brief gemaild. I. en ik liggen in haar zetel en luisteren Nils Frahm. Saampjes zijn we brak. Onze handen liggen vervloch-


YILLE TOYS M DAEM ten boven onze hoofden en onze armen vormen een ellips. Uit bovenaanzicht beelden we samen onbewust een ballerina uit. J. en ik zouden vijf jaar samen zijn geweest, op dezelfde dag kus ik met C. Niet veel later scheept C. me opnieuw af. Intussen slaat L. na één afspraakje volledig door en belooft me hete stomende seks en een pronte boezem die heerlijk zoent. I. uit Amsterdam stuurt dat ik haar vast al vergeten ben en ik zeg dat ik vrijdag naar de grachten kom, waar ze woont, waar ik zaterdag met T. naar het museum zal gaan als C. niet alsnog mee afreist. Tegen de psycholoog zeg ik dat ik bindingsangst krijg zodra een vrouw dichterbij komt. Natuurlijk weet hij ook dat ik gewoon mijn toevlucht zoek in vrouwen om de confrontatie met mijn leed uit de weg te gaan.

EEN REM AKE

We kunnen onszelf en anderen bij leven enkel kwetsen. Niks is namelijk nooit voor niks.

Mensen lijken niet altijd te begrijpen dat ik niet zomaar mijn schrijfsels ben of omgekeerd. Ik denk er daarom over na om rapper te worden.

© Stephan Vanfleteren

Frederik Willem Daem (1988) is een Brussels schrijver en medeoprichter van cultureel tijdschrift Oogst. In 2015 debuteerde hij met de verhalenbundel Zelfs de vogels vallen, die bekroond werd met de Debuutprijs 2016.


MUGGE N


HE RMAN KO C H Met muggen is het een beetje als met kiespijn: zolang je het niet hebt, is het nauwelijks voorstelbaar hoe erg het kan zijn. Over muggen lezen is iets anders dan muggen in het echt. Eén mug in je slaapkamer kan je een hele nacht uit je slaap houden, maar op zeker moment – je staat intussen rechtop op je bed, een kussen in je hand, met alle lichten aan – zie je hem toch echt op het plafond zitten. Eén welgemikte klap – dood! – en de nachtrust kan beginnen. Duizenden muggen, miljoenen muggen, is een ander verhaal. Ze zijn er gewoon, altijd en overal: hun aanwezigheid is net zo vanzelfsprekend als de lucht die je inademt. Ze zijn er zoals de bergen er zijn, de eeuwig groene naaldwouden, de branding: de golven die ook al voor het verschijnen van de eerste mens tegen de kust aansloegen, en dat ook zullen blijven doen nadat de laatste mens de deur achter zich dicht heeft getrokken. Ik was gewaarschuwd toen ik in de winter van 1973 naar Finland vertrok om een halfjaar op een boerderij in Noord-Karelië te gaan werken. Ik had over de muggen gelezen, niet in een reisgids maar in een Nederlandse roman. Ik was nieuwsgierig of het echt zo erg zou zijn met die muggen, maar eigenlijk geloofde ik toen nog dat het wel mee zou vallen. In die eerste maanden was er nog geen mug te bekennen. Daarna zette de dooi in. In Finland duurt de lente nog geen tien dagen. Van de ene op de andere dag krijgen ook de massaal aanwezige berkenbomen doorschijnende groene blaadjes. Overal schieten bloemen omhoog. De ijsvlakte waar je drie maanden op hebt uitgekeken verandert in een lichtblauw meer. Je hoort een bekend geluid dicht bij je oor, je voelt iets prikken op je onderarm en daarna ook in je nek. De idylle is voorbij.

Nu duurde het ook niet lang meer voordat de zon nooit meer onderging. Je keek door het raam naar buiten. Wat je zag was zonder meer een mooi uitzicht te noemen. Wat zou het heerlijk zijn om met een boek op die steiger te gaan zitten. Om met de daar afgemeerde roeiboot naar de overkant van het meer te roeien. Maar je deed het nooit. Je wist dat deze wereld door andere wezens dan door mensen werd bewoond. Dat ze in de meerderheid waren en overal, op alle tijden van de vierentwintig uur durende dag, de overhand hadden. Je was hier slechts te gast. Je bleef binnen. Afgelopen zomer was ik voor het eerst in drieënveertig jaar terug in Finland. In een huis aan hetzelfde meer waar ik als negentienjarige een halfjaar op de boerderij had gewerkt. De parallel met kiespijn gold nog altijd. Ik dacht dat het deze keer, in 2016, wel mee zou vallen. Soms werd ik om drie uur ’s nachts wakker. De zon was dan al op. De verleiding is dan groot om gewoon op te staan, met een mok koffie op het terras te gaan zitten en over het meer uit te staren. En zo ontdekte ik iets wat me in 1973 kennelijk was ontgaan: dat er op dat vroege tijdstip geen muggen waren. Nou ja, geen… Een enkel sloom exemplaar dat je makkelijk doodsloeg wanneer het op je arm landde. Ook de muggen waren om drie uur in de ochtend nog niet helemaal wakker. Dat werd mijn nieuwe dag- en nachtritme. Niet voor het eerst dacht ik aan Nooit meer slapen, en dat over muggen lezen iets anders is dan te gast zijn in het land waar deze dieren de dienst uitmaken.

© Getty Images

Herman Koch (1953) is de schrijver van o.a. Het diner, Geachte heer M. en De greppel. Dit jaar schrijft hij het Boekenweekgeschenk: Makkelijk leven.


W I E NI E T WE E T WAT D IT IS, MOET H E T M A A R O P ZOEK EN T I J D E N S D E C O L L E G E S van professor Guus Sötemann zaten wij een semester lang gebogen over de verschillende edities van Nooit meer slapen. Close reading was in zwang aan de universiteit eind jaren zeventig, de vorm of vent-discussie nog niet beslecht. Gedichten werden minutieus uitgeplozen en geanalyseerd, varianten bestudeerd, tekstedities vergeleken. Dat J.C. Bloem een melancholicus pur sang was, die steevast als de vijf in de klok was zijn eerste borreltje nam (om tien voor halfvijf) deed er niets toe en mocht je ook niet in stelling brengen bij de interpretatie van bijvoorbeeld zijn gedicht Insomnia. Eigenlijk kon ik zo geen betere voorbereiding krijgen voor mijn latere beroep als redacteur en uitgever. Alleen wist ik toen nog niet dat daar mijn toekomst lag. Die colleges waren geestverruimend voor mij door hun precisie en vanwege het feit dat ik ineens werktuigen kreeg aangereikt om heel anders met literatuur om te gaan. Wat hier gebeurde had niets te maken met het taal- en redekundig ontleden van de middelbare school. Sötemann ried ons jonge studenten aan om onze ouders aan te sporen ons ruimhartig te ondersteunen bij het opbouwen van een persoonlijke bibliotheek. Want als je eenmaal leraar was geworden in een afgelegen stadje zou je maar al te blij zijn dat je in je eigen boekerij de nodige teksten had staan. Dat zijn vrouw een gerenommeerde boekhandel ter stede dreef, had misschien ook iets met dit advies te maken. Nog steeds staan in mijn boekenkast bijna alle boeken van W.F. Hermans en van Nooit meer slapen zelfs drie verschillende drukken met onderlinge varianten. Nu ik het boek na meer dan dertig jaar weer opensla, blijkt dat ik vele passages nog vrijwel letterlijk uit mijn hoofd ken. Dat is niet bij veel boeken zo die ik in de loop van de jaren gelezen heb. Van de romans van J.M. Coetzee bijvoorbeeld heb ik ook vele stukken paraat, omdat die evenzeer grote indruk op me maakten door de thematiek, de formulering, de stijl, het vakmanschap. Een beginnend auteur denkt vaak dat het makkelijk is om dicht bij huis als eerste boek een ik-roman te schrijven. Eigen ervaringen, een beetje gefictionaliseerd. Dan raad ik eigenlijk altijd aan om eens

Nooit meer slapen te lezen. Ja, Hermans was ook geograaf en maakte zelf een expeditie naar Finnmark, maar hij is niet de ik in de roman. Protagonist Alfred Issendorf schrijft zijn belevenissen op, terwijl hij door een snel stromende rivier van steen naar steen springt, terwijl hij struikelt en valt of een spartelende forel uit het visnet haalt. Want het hele boek gebruikt de auteur de onvoltooid tegenwoordige tijd. Probeer dat maar eens overtuigend te doen. Als lezer zit je helemaal in het personage, geloof je werkelijk dat hij zo’n loser is als hij zelf denkt, totdat je via het dagboek van een tochtgenoot een andere kijk op hem krijgt. En enkele perspectiefdoorbreking werpt een heel ander licht op de hoofdpersoon. De fraaiste doorbreking is die van de auteur zelf. Een sterk staaltje om dat aan te durven als auteur om je lezer zo uit de door jou geschapen fictionele wereld te duwen. Als het begrip schisteus gesteente valt, staat er: ‘De leek, die niet weet wat dit is, moet het maar opzoeken of voor kennisgeving aannemen.’ En Hermans gaat verder met: ‘Een van de oorzaken waardoor de meeste leesboeken altijd over dezelfde dingen handelen, is de bezorgdheid van de auteurs dat iedereen zal kunnen begrijpen waar het over gaat.’ Dit is een van die passages die ik me nog letterlijk herinner. En dat is natuurlijk ook wat een beginnend auteur wil bereiken. Je formuleringen in het geheugen van je lezers griffen. Dus, lees die boeken van Hermans en probeer het vakmanschap te evenaren. En wees niet bang om steeds weer versies te verwerpen en opnieuw te beginnen. J.M. Coetzee liet pas de zestiende versie van zijn roman In ongenade het licht zien. Hermans veranderde nog aan zijn romans na publicatie, druk na druk. En permitteer je één keer zijn verwaandheid om je lezer zo op z’n nummer te zetten en hem te zeggen dat als hij iets niet weet, hij het maar op moet zoeken. En dat gaat tegenwoordig heel wat makkelijker dan in de jaren zestig. Eva Cossée (1954) studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde, Algemene Literatuurwetenschap en Zweeds aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Ze werkte bij verschillende uitgeverijen, tot ze in 2001 samen met Christoph Buchwald de zelfstandige literaire uitgeverij Cossee oprichtte.


1 J UNI IN DE BOEK HAND EL Toen Willem Frederik Hermans werd gevraagd een tekst voor een publicatie over Multatuli te schrijven, greep hij die gelegenheid aan om zijn eigen oude plan nieuw leven in te blazen: een rijkgeïllustreerde biografie van de schrijver voor wie hij een levenslange fascinatie zou koesteren en die hij karakteriseerde als ‘absoluut de meest dolle man die ooit een Nederlandse pen gehanteerd heeft’. Toen De raadselachtige Multatuli in 1976 verscheen, las menig recensent er een verkapt zelfportret in. Hermans zou altijd een groot pleitbezorger blijven voor Multatuli. In 1987, het jaar van Multatuli’s honderdste sterfdag, bezorgde hij een geannoteerde editie van Max Havelaar, ‘voor het eerst, na meer dan honderd jaar, een fotografische herdruk van de laatste, door de auteur zelf herziene uitgave’. Beide werken verschijnen nu in deel 17 van de Volledige Werken, dat net als Mandarijnen op zwavelzuur in afwijkend formaat wordt gepubliceerd.

‘Van alle boeken over Multatuli is dit vermoedelijk het meest toegankelijke, en het is stellig een van de beste.’ Dik van der Meulen ‘Een uitmuntend gedocumenteerd werk van een man die daar bij uitstek geschikt voor was.’ Fons Rademakers


willemfrederikhermans.nl debezigebij.nl revisor.nl

Redactie Thomas Heerma van Voss, Jan van Mersbergen, Daan Stoffelsen (Revisor)

In samenwerking met Peter Kegel en Bram Oostveen (Huygens ING) en De Bezige Bij

Vormgeving Marry van Baar

Copyright Š 2017 de auteurs


IN VOORBEREIDING

DEEL 17 De raadselachtige Multatuli Multatuli, Max Havelaar

DEEL 18 Fotobiografie Koningin Eenoog Het hoedenparadijs. 40 collages van Willem Frederik Hermans Een foto uit eigen doos!

DEEL 8 Een wonderkind of een total loss De laatste roker Vier novellen De onversleten wandelaar

DEEL 10 Drie drama’s De Woeste Wandeling King Kong Periander

DEEL 19 Focquenbroch, Bloemlezing uit zijn lyriek J.B. Priestley, Zonlicht op zaterdag H. Tazieff, Kraters in lichterlaaie Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus Henri BĂŠraud, De martelgang van een dikzak

DEEL 20 Ongebundeld werk

DEEL 21 Ongebundeld werk

DEEL 22 Ongebundeld werk

DEEL 23 Ongebundeld werk

DEEL 24 Misdaad stelt de wet Misdaad aan de Noordpool De demon van ivoor Erosie Zwarte handel Scheppend nihilisme Beertje Bombazijn Vaerzen, Belgische en andere


Z17 hermans brochure met cover222  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you