CRV Beslissen van Kalf tot Koe

Page 1

Beslissen van kalf van kalf tot koe Beslissen

tot koe

Handboek voor een gezonde en efficiĂŤnte melkveehouderij

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

1


Colofon Redactie

Bert Kleiboer Alice Booij

Eindredactie Bas Popkema

Opmaak

Robin Bosgra

Met dank aan

Ingrid de Brabandere Katholiek Onderwijs Vlaanderen Leon Raedts Helicon Judith Roelofs HAS Hogeschool Gerbrich Elgersma Van Hall Larenstein Medewerkers van CRV

Fotografie

CRV, Harrie van Leeuwen Els Korsten Mark Pasveer


Beslissen van kalf tot koe


Inhoudsopgave Voorwoord Hoofdstuk 1 Inleiding Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

2.1 Aanhouden of verkopen? 2.2 I&R: de burgerlijke stand van runderen 2.3 Stamboekregistratie

Hoofdstuk 3 De opfok 3.1 3.2 3.3 3.4

De eerste levensmaanden Jongveeopfok: investering in de toekomst Het beste inseminatiemoment Bestemd voor vlees en fokvee

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen 4.1 Wat zijn fokwaarden? 4.2 Diversiteit aan fokwaarden en indexen Bijlage: lijst met fokwaarden en indexen in 2020

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

5.1 Fokdoel 5.2 Fokkerijstrategie: hoe bereik je jouw fokdoel? 5.3 Selectie koeien en stieren op bedrijfsniveau Bijlage: rassen die passen

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

6.1 Exterieur in beeld met bedrijfsinspectie 6.2 Kijken naar koeien Bijlage: onderbalkkenmerken exterieurbeoordeling

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid 7.1 7.2 7.3 7.4

Aandacht voor tochtigheid Het bepalen van het juiste inseminatiemoment Drachtcontrole Invloed van conditie en gezondheid op vruchtbaarheid

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen

8.1 Aandacht in transitieperiode voorkomt problemen 8.2 Droogzetten op maat 8.3 Het afkalven 8.4 De start van de lactatie

4


Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5

Melkproductieregistratie (mpr) Melkproductiedata: kengetallen voor een efficiënte melkproductie Melkproductiedata: kengetallen voor gezonde koeien Behandelplannen en medicijnregistratie Inzicht en overzicht voor gezonde klauwen

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen 10.1 FosfaatPlanner 10.2 CRV Mineraal 10.3 CRV Mineraal: Bedrijfsoverzicht 10.4 CRV Mineraal: Derogatieoverzicht 10.5 CRV Mineraal: BEX

Bijlage

CRV als coöperatie CRV als werkgever CRV als kennisleverancier

5


VOORWOORD

Voor een volgende generatie die nog beter presteert Als veehouders nemen we voortdurend beslissingen die te maken hebben met onze vee­ stapel. Met het oog op de toekomst streven we daarbij naar een economisch duurzame bedrijfs­voering met een gezonde veestapel die efficiënt produceert. Daarmee geven we onze dieren een beter leven, wordt ons werk een stuk plezieriger en beperken we de im­ pact van ons bedrijf op de omgeving. De wijze waarop we onze beslissingen nemen, is in de voorbije jaren sterk veranderd. In de dagelijkse bedrijfsvoering gebruiken we steeds meer handige tools en sensoren. Onze koeien leveren waardevolle data en dankzij slimme informatietechnologie krijgen we meer en meer mogelijkheden om de gegevens te analyseren en te benutten voor een beter management. Ook de fokkerij is voortdurend in beweging. Op bedrijfsniveau gaat het in beginsel nog altijd om de stierenkeuze en het bepalen van de juiste paringen. Maar de technologie daarach­ ter staat niet stil. Vandaag maken we bijvoorbeeld volop gebruik van genomicfokkerij en gesekst sperma. Nieuwe ontwikkelingen in fokkerijonderzoek en gentechnologie zijn volop in beweging.

Samen doen we het beter

In de wereld van vandaag zien we dat grote internationale partijen, die veel investeren in innovatie, hun vindingen afschermen in het belang van hun aandeelhouders. Dat is een trend in zowel genetica als informatietechnologie. In die markt opereert CRV als coöperatie van rundveehouders in het belang van haar leden. Dingen die we sámen doen, doen we beter. Als boeren hebben we belang bij toegang tot de nieuwste technologische ontwikke­ lingen en kennis. Daarmee behouden we onze onafhankelijkheid en vrijheid in ondernemen en blijven we baas over onze eigen data.

Volgende generatie koeien én boeren

Toegang bieden tot kennis en informatie doen we ook met Beslissen van kalf tot koe. De vorige editie dateert van 2011. Deze nieuwe online-uitgave is de derde herziene versie, een opvolger die aansluit op de jongste ontwikkelingen. Dit naslagwerk behandelt de beslismomenten van alledag: van geboorte en opfok via fokkerij naar managementmaatregelen voor een gezonde en efficiënte veestapel. Al die momenten zijn belangrijk voor een goed management en dragen bij aan een volgen­ de generatie koeien die nog beter presteert dan de huidige. Beslissen van kalf tot koe is bedoeld voor iedereen die betrokken is bij de praktijk. Ik weet dat deze publicatie veel wordt gebruikt in het agrarisch onderwijs. En ik hoop dan ook dat we hiermee ook een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de volgende generatie boeren en hun adviseurs. Peter Broeckx, voorzitter Coöperatie Koninklijke CRV u.a.



HOOFDSTUK 1

Inleiding

Melkkoeien in Nederland en Vlaanderen behoren tot de best presterende ter wereld. Dat is deels te danken aan het gunstige klimaat en de beschikbare landbouwgrond, waardoor de sector zich kon ontwikkelen. Daarnaast is er ook veel liefhebberij, kennis en vakmanschap. BelgiĂŤ en Nederland hebben een lange traditie van veeverbetering. De geschiedenis van fokkerijorganisatie CRV begint met stamboekorganisaties in de 19e eeuw.

8


Veeverbetering

Veeverbetering of veefokkerij is het selecteren van dieren om ze in te zetten voor de voortplanting, met de intentie om bepaalde eigenschappen in je veestapel te verbeteren. Met fokkerij werk je aan een volgende generatie koeien die beter presteert dan de huidige. Voor de één ligt de focus op een nog hogere melkproductie, terwijl de ander streeft naar een betere gezondheid of misschien wel een efficiëntere, duurzamere koe. Vrijwel altijd gaat het om een combinatie van wensen. In essentie draait fokkerij om het paren van de beste koeien op jouw bedrijf met de beste stieren die beschikbaar zijn. Dat klinkt eenvoudig, maar de praktijk van het moderne melkveebedrijf is complex. Dagelijks neem je beslissingen over je veestapel en individuele dieren. Daarover gaat Beslissen van kalf tot koe.

Opfok en fokkerij

De reeks beslissingen begint bij de geboorte van het kalf. Hoofdstukken 2 en 3 gaan over de eerste fase in het leven van melkvee: de eerste weken van het kalf en de opfok tot een vruchtbare pink die zich ontwikkelt tot melkgevende vaars. Daarna volgen drie hoofdstukken over fokkerij. Hoofdstuk 4 behandelt de cijfers waarmee je dieren onderling kunt vergelijken: de fokwaarden en indexen. Hoofdstuk 5 gaat over de uitvoering van de fokkerij op jouw bedrijf, aan de hand van het fokdoel en de fokkerijstrategie. In hoofdstuk 6 lees je over het beoordelen van het exterieur van de koeien.

Vruchtbaarheid en gezondheid

Veel van de beslissingen gaan over het diermanagement. Vruchtbaarheid en gezondheid zijn randvoorwaarden. Een koe die niet drachtig wordt, levert geen volgende generatie. Hoofdstuk 7 behandelt vruchtbaarheid in het algemeen. Hoofdstuk 8 zoomt in op de kwetsbare 100 dagen rondom het kalven. In die belangrijke periode leg je de basis voor een gezonde, vruchtbare koe met een efficiënte productie. In hoofdstuk 9 staat het gebruik van melkproductiegegevens en andere data in het management centraal. Hoofdstuk 10 behandelt een specifiek onderwerp dat sinds een paar decennia steeds meer aandacht opeist: kringloop en mineralen.

Coöperatie en kennisleverancier

Beslissen van kalf tot koe is een naslagwerk voor fokkerij en het gebruik van management­­­­ informatie voor alle beslismomenten. Het wordt uitgegeven door CRV. Deze onderneming wil als coöperatie van rundveehouders in Nederland en Vlaanderen, als werkgever en als kennisleverancier een bijdrage leveren aan veeverbetering. Daarover lees je in de bijlage.

9


10

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte


HOOFDSTUK 2

Rond de geboorte Beslissen van kalf tot koe begint bij de geboorte, met de afweging: ga je het vaarskalf aanhouden? Daarbij let je op het potentieel van het jonge dier en het aantal kalveren dat je nodig hebt voor de gewenste ontwikkeling van je veestapel. Wat je ook beslist, je moet het kalf in elk geval registreren. Data vastleggen is nodig voor de wettelijke ‘burgerlijke stand’ van het vee en voor het stamboek. In dit hoofdstuk 2.1 Aanhouden of verkopen? 2.2 I&R: de burgerlijke stand van runderen 2.3 Stamboekregistratie

11


2.1

Aanhouden of verkopen? Bij elke geboorte van een vaarskalf sta je als veehouder voor de keuze: ga je het aanhouden of verkopen? Je wilt alleen de beste kalveren aanhouden. Maar welke zijn dat? Hoe weet je of een kalf het in zich heeft om een goede melkkoe te worden? Dat kun je inschatten met gegevens die je hebt over de erfelijke aanleg van het dier. Verwachtingswaarde

H5. Fokkerij op jouw bedrijf

Met de gegevens van de ouders is het ‘talent’ van het kalf in te schatten, oftewel de ver­ wachtingswaarde. Dit is het gemiddelde van de fokwaarden van de vader en de moeder. Als je deelneemt aan de stamboekregistratie, is van elk kalf een verwachtingswaarde voor productie, exterieur, levensduur en gezondheidskenmerken bekend. CRV geeft deze weer op het FokkerijOverzicht in de VeeManager-module Fokkerij. Daar staan alle dieren ge­ rangschikt naar fokwaarde, zowel de melkgevende dieren en het jongvee als de drachten. Je ziet in één oogopslag welk dier foktechnisch het meest in zijn mars heeft.

12

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

Meer over fokwaarden en stierkeuze lees je in H4. Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen en


Merkers

Merkeronderzoek kun je laten uitvoeren door CRV

De verwachtingswaarde is dus het gemiddelde van de fokwaarden van beide ouders. Maar de natuur bepaalt in welke mate een kalf eigenschappen van de vader en van de moeder erft. De verwachtingswaarde heeft daarom een lage betrouwbaarheid. Vroeger had je pas zekerheid over de prestaties als het kalf was uitgegroeid tot een volwassen, melkgevende koe. Dankzij dna-onderzoek kun je nu meteen na de geboorte een beeld krijgen van wat het dier later gaat presteren. Er is namelijk veel bekend over het dna-profiel – het genoom – van melkvee in relatie tot de genetische aanleg. Met een zogenoemde merkertest (ook wel genoomtest of genomic test genoemd) kun je dit laten onderzoeken op basis van een haarmonster of oorbiopt. De uitslagen gebruik je om te bepalen welke dieren je aanhoudt en wat je stierkeuze wordt als straks de pink kan worden geïnsemineerd.

Praktisch

Er zijn ongeveer 150 haren (inclusief haarwortels) nodig voor een goed merkeronderzoek

Hoe neem ik een haarmonster?

Handleiding voor het nemen van haarmonsters

Voor een monster trek je haren uit met een tang. Het is belangrijk dat er voldoende haarwortels meekomen. Knippen werkt dus niet! Het beste werken de haren van de kruin of de lange haren uit de oren. Als dat lastig is, kun je het proberen met de staart. Er zijn ongeveer 150 haren nodig, een bosje zo dik als een potlood. De haren moeten droog en schoon zijn. Het blijkt dat rode haren minder goed bruikbaar zijn voor merkeronderzoek. Bij roodbonten moet je – als het even kan – witte haren trekken.

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

13


Met dna-onderzoek krijg je meteen een beeld van de kwaliteiten van het kalf

Praktisch Oorbiopt voor bvd-onderzoek

Als je een oorbiopt gebruikt, kun je tegelijk met het merkeronderzoek het kalf testen op bvd. Kalveren kunnen als bvd-drager worden geboren. Ze zijn dan vaak niet ziek, maar kunnen het virus wel verspreiden. Het nemen van een oorbiopt kan het beste in combinatie met het aanbrengen van de oormerken. Hiervoor zijn speciale hulpmidde­ len beschikbaar.

Merkeronderzoek duurt 3 weken

Je verkoopt een kalf liever niet te oud. Houd er daarom rekening mee dat het mer­ keronderzoek enkele weken in beslag neemt. Stuur zo snel mogelijk een haarmon­ ster of biopt in.

Hoeveel kalveren aanhouden?

Fokkerij zorgt voor verbetering van productiecapaciteit, exterieur en andere nuttige eigenschappen zoals levensduur, uier- en klauwgezondheid en vruchtbaarheid. Als je oude koeien vervangt door vaarzen, verbeter je in de regel het genetische niveau van je veestapel. Elke nieuwe generatie is beter dan de vorige. Toch is het niet logisch om elk jaar alle oudere koeien te vervangen. Gemiddeld vervangen melkveebedrijven jaarlijks ongeveer een kwart van hun koeien door een vaars. Het vervangingspercentage

14

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte


Meer over de impact van mest­- en mineralenwet­ geving in Nederland lees je in H10. Kringloop en mineralen

schommelt in Nederland en Vlaanderen tussen 15 en 35%. Op een bedrijf met 100 melkkoeien met een vervangingspercentage van 25 zijn dus gemiddeld 25 vaarzen aan de melk. Om dit aantal nieuwkomers jaarlijks te laten instromen, moet je mikken op een hoger aanhoudingspercentage. Je moet namelijk rekening houden met uitval. Stel, je hebt een bedrijf met 100 koeien en je hebt gemiddeld 10% uitval in het eerste jaar (incl. doodgeboren kalveren). Voor 25% vervanging van de veestapel moet je dus rekening houden met 25 plus 10% = 27 à 28 kalveren. De overige kalveren (72 van de 100) kun je verkopen. Dat laatste is een interessant gegeven bij de stierkeuze op je bedrijf. Je kunt het ondereind van je veestapel insemineren met stieren van vleesrassen. De kalveren van die stieren brengen meer geld op.

Een lager vervangingspercentage levert een besparing op in kosten voor jongveeopfok

Welk vervangingspercentage is het beste?

Bereken de optimale veebezetting met de FosfaatPlanner

Wat is het optimale vervangingspercentage? Dat hangt sterk af van je fokdoel en de specifieke bedrijfsomstandigheden. Het vervangen van een oudere koe door een vaars levert weliswaar genetische vooruitgang op, maar brengt ook kosten met zich mee. In het algemeen geldt dat het verlagen van het vervangingspercentage met enkele procentpunten al een forse besparing oplevert. Ook voor de maatschappelijke waardering van de sector is het goed om te streven naar een lange levensduur. Nog een reden om te streven naar een minimale hoeveelheid jongvee is de mest- en mineralenwetgeving. Ook jongvee telt mee voor de fosfaatrechten (Nederland) of nutriëntenemissierechten (Vlaanderen). Je benut je productieruimte het liefst optimaal voor melkgevende koeien.

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

15


De afkalfleeftijd van de vaarzen in Nederland en Vlaanderen is gemiddeld 26 maanden

Opfokperiode bekorten

Behalve het beperken van het vervangingspercentage is er nog een manier om de gemiddelde jongveebezetting te optimaliseren. Dat is het beperken van de duur van de opfok, oftewel te streven naar een jongere leeftijd bij het afkalven van de vaarzen. De gemiddelde leeftijd waarop vaarzen afkalven, ligt in Nederland en Vlaanderen op 26 maanden. Als het je lukt de afkalfleeftijd van de vaarzen met bijvoorbeeld 1 maand te bekorten, scheelt dat ook in het totaal aantal aan te houden dieren. In het hiervoor genoemde voorbeeldbedrijf met 100 koeien komen gemiddeld 25 vaarzen per jaar aan de melk. 25 maal een maand besparing op de opfokperiode komt overeen met ruim 2 dierplaatsen voor jongvee op jaarbasis. Bovendien brengen vaarzen die vroeger kalven ook eerder melk in de tank.

16

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte


2.2

I&R: de burgerlijke stand van runderen Of je een kalf nu aanhoudt of verkoopt, je moet het altijd oormerken geven en registreren, en wel binnen 3 werkdagen. Er geldt een verplichte identificatie en registratie (I&R) voor landbouwhuisdieren. Dit I&R-systeem is de burgerlijke stand van de veestapel. Het systeem is cruciaal voor het diergezondheidsbeleid en de aanpak van calamiteiten, zoals ziekte-uitbraken. De basisinformatie wordt ook gebruikt voor controles en het verstrekken van premies. De overheid voert de regeling uit en houdt toezicht op de naleving. In Nederland verloopt dit via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), in Vlaanderen via Dierengezondheidszorg Vlaanderen (DGZ).

Aanvoer, afvoer en andere meldingen

De verplichte I&R-melding geldt niet alleen voor geboorten. Ook aan- en afvoer van rundvee en doodgeboorte van kalveren horen aan de I&R-computer gemeld te worden. Je moet alle meldingen doen binnen enkele werkdagen (3 in Nederland, 7 in Vlaanderen) na het moment van wijziging. Deze termijn is ingesteld om het systeem up-to-date te houden. Heb je als veehouder jouw I&R niet op orde, dan ben je in overtreding. Je kunt te maken krijgen met boetes en kortingen op bijvoorbeeld toeslagrechten en slachtpremies.

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

17


Oormerk, ID-code en basisgegevens

Voor de I&R geef je het pasgeboren kalf een oormerk in beide oren. Via een erkende leverancier houd je deze op voorraad. Met het oormerk krijgt het dier een unieke 9-cijferige ID-code (de landcode en het volledige levensnummer dat op het oormerk staat). Bij de melding geef je het oornummer door. Het viercijferige grootgedrukte nummer van het oormerk is een werknummer dat bij alle registraties weer terugkomt. Je meldt bij de geboorte ook een aantal basisgegevens: de geboortedatum, de moeder van het kalf, de haarkleur en het geslacht.

Het unieke I&R-nummer bestaat uit een 9-cijferige ID-code met een landcode

Praktisch Meldingen doorgeven aan het I&R-systeem In Nederland kan dat op de volgende manieren: • Rechtstreeks via een formulier op de website van de overheid (mijn.RVO.nl). • Via de telefoon met het Voice Response Systeem (VRS). • Via een koppeling in een bedrijfsmanagementsysteem, zoals de VeeManagermodule Registratie en de app CRV Dier. In Vlaanderen zijn dit de opties: • Op papier met een geboorteformulier dat je per post stuurt aan DGZ. • Via de telefoon met het Voice Response Systeem (VRS). • Rechtstreeks via een formulier op Veeportaal van DGZ. • Via een koppeling in een bedrijfsmanagementsysteem, zoals de VeeManagermodule Registratie en de app CRV Dier.

18

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte


Bedrijfsregister

Het bijhouden van een bedrijfsregister is ook een verplicht onderdeel van de I&Rverordening. Als rundveehouder moet je op elk moment een actuele lijst kunnen tonen van alle aanwezige dieren, met gegevens over de aan- en afvoer. De NVWA in Nederland en het FAVV in Vlaanderen voeren steekproefsgewijs controles uit. De meeste bedrijven houden zo’n bedrijfsregister bij in hun bedrijfsmanagementsysteem. Als je I&R­-meldingen doet met de module Registratie in VeeManager of de app CRV Dier worden jouw gegevens ook meteen automatisch gebruikt voor het bijhouden van het bedrijfsregister en een aantal andere managementproducten.

Geboortebewijs

Kalveren mogen pas na 14 dagen leeftijd het bedrijf verlaten. Met een geboortebewijs bied je zekerheid over de geboortedatum. Je kunt geboortebewijzen op papier aanvragen. Als je de VeeManager-module Registratie gebruikt, kun je deze documenten zelf aanmaken en printen.

Praktisch Stallijst

De stallijst is een overzicht van de aanwezige dieren op je bedrijf. Via de lijst kun je van elke willekeurige datum de op dat moment aanwezige dieren opvragen. Naast de basisinformatie worden hier ook de namen van de ouders weergegeven.

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

19


Praktisch Rundveestaat

Met de Rundveestaat maak je gemakkelijk een overzicht van het veeverloop op je bedrijf. Hierin zijn de aantallen dieren en alle mutaties, zoals aankoop, geboorte, over­ gang naar een ander bedrijf, verkoop en sterfte, vastgelegd per diercategorie. Je kunt overzichten maken met elke willekeurige begin- en einddatum. Deze functie kun je gebruiken voor de Gecombineerde Opgave, om de gemiddelde aantallen aanwezige dieren over de periode van een jaar door te geven. Accountants gebruiken dit over­ zicht voor het opmaken van de fiscale jaarrapporten. De Rundveestaat levert namelijk gegevens voor een door de fiscus geaccepteerde omzet- en aanwasberekening.

Goed om te weten Gezondheidscertificaten Diergezondheidsorganisaties GD (in Nederland) en DGZ en FAVV (in Vlaanderen) gebruiken het I&R-systeem voor de gezondheidscertificering van dieren en bedrijven en voor het bewaken van diverse ketenbeheersystemen (onder andere de Integrale Keten Beheersing, IKB).

Afvoer voor slacht Het I&R-systeem is in Nederland ook gekoppeld aan voedselketeninformatie (VKI), be­ doeld om de kwaliteit en veiligheid van vlees te borgen. Bij afvoer van dieren vraagt de slachterij naar de VKI: een verklaring van de veehouder over de kwaliteit en veiligheid van de aangeboden dieren. Hierop staan eventuele behandelingen, de gezondheids­ status en de bijzonderheden van het dier.

Automatische afvoermelding I&R In de module Registratie van VeeManager kun je de slachterij en de veehandelaar toestemming geven kalveren en (slacht)runderen af te melden. Deze automatische afvoermelding voorkomt fouten en dubbel werk.

20

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte


2.3

Stamboekregistratie Behalve een wettelijk verplichte I&R is er ook een stamboekregistratie voor rundvee. Deze zorgt ervoor dat de gegevens over dieren betrouwbaar worden vastgelegd. De regels hiervoor zijn door de Europese Unie vastgelegd. In Nederland en Vlaanderen is Coöperatie CRV officieel erkend voor de uitvoering van de stamboekregistratie van meerdere rassen melkvee, vleesvee en dubbeldoelrunderen. Om mee te doen aan de stamboekregistratie meld je je als deelnemer bij Coöperatie CRV. De gegevens die je hebt gemeld aan het I&R-systeem worden automatisch doorgestuurd naar het stamboek. Voor de stamboekregistratie zijn aanvullende gegevens nodig. Je kunt de naam van het kalf vastleggen en informatie doorgeven over bijvoorbeeld erfelijke kenmerken en het verloop van de geboorte. Ook kun je melden of het kalf één van een meerling is. Als stamboekdeelnemer geef je gegevens over de bevruchting van jouw koeien door. Dat zijn data over inseminatie, embryotransplantatie, samenweiding of natuurlijke dekking. De I&R-gegevens van een nieuw kalf worden gekoppeld aan de bevruchtingsgegevens van de moeder of draagmoeder. Op basis van die gegevens wordt de draagtijd

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

21


Als je gebruikmaakt van de VeeManager-module Registratie kun je de gegevens voor I&R en het stamboek in één keer melden

uitgerekend. Als de draagtijd klopt, worden de vader en de rasbalk bepaald. Voor een betrouwbare stamboekregistratie is het dus belangrijk dat je de bevruchtingsgegevens tijdig doorgeeft. Deze data moeten uiterlijk 4 maanden na de bevruchting zijn gemeld. Als je alles op tijd en correct hebt geregistreerd in het stamboek, krijgt een kalf de code ‘S’. Als er bij de registratie iets ontbreekt of te laat is doorgegeven, krijgt het kalf de code ‘C’. Eventuele bijzonderheden (bijvoorbeeld embryotransplantatie) voor stamboekregistratie die tijdens de controle worden geconstateerd, zijn te lezen als opmerkingen op de registratiekaart. De registratie in het stamboek is de basis voor officiële registratiedocumenten, paringsadviezen en de fokwaardeschatting. Coöperatie CRV (en haar rechtsvoorgangers) verzorgt sinds jaar en dag het vastleggen en publiceren van de data.

Praktisch

Bertha 7: tochtig

De afstamming is te bepalen met dna-onderzoek

Dna-onderzoek als controle

Om de kwaliteit van de stamboekregistratie te waarborgen, ook in verband met export, doet Coöperatie CRV jaarlijks steekproeven. Op die manier wordt via dna-on­ derzoek gecontroleerd of de afstamming die is vastgelegd correct is. Ook als veehouder heb je de mogelijkheid om gegevens te checken met dna-onder­ zoek. Als er problemen zijn geconstateerd bij de registratie, kun je afstammingson­ derzoek (via dna) aanvragen om de afstamming van het kalf te controleren en het dier alsnog goed geregistreerd te krijgen in het stamboek. Alleen erkende afstammings­ gegevens worden afgedrukt op officiële documenten en gebruikt voor de fokwaarde­ schatting.

22

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte


Een stalnaam wordt geregistreerd en bevat maximaal 15 tekens

Naamgeving

De meeste veehouders geven kalveren die ze aanhouden een naam. Vaak krijgen dieren op melkveebedrijven een naam met een volgnummer, bijvoorbeeld Moniek 15. Elke nieuwe dochter van een ‘Moniek’ krijgt dan een nummer dat volgt op het tot dan toe hoogste nummer. Bij de stamboekregistratie heb je een aantal opties. Je kunt kiezen voor naam met volgnummer, maar ook voor geen naam, zelf een naam bedenken of automatische naamgeving.

Met een stalnaam geef je bekendheid aan de fokkerij van je bedrijf én straal je trots uit Registratiekaart

Voor alle dieren die bestemd zijn voor de fokkerij krijg je een registratiekaart met daar­op alle beschikbare registratie- en afstammingsgegevens van het dier. Je gebruikt registratie­ kaarten bij de aan- en verkoop van dieren. Op de achterzijde kun je inseminaties noteren. Op de kaart worden bij de stamboekdeelnemers behalve de I&R-gegevens ook de volgende gegevens vermeld (indien bekend): naam van het kalf, stalnaam, diernummer, draagtijd van het kalf, rasbalk, gegevens van de vader en de moeder, en gegevens van de grootouders. Ook eventuele erfelijke kenmerken, zoals blad/cvm of de roodbontfactor, staan afgedrukt achter het levensnummer van het betreffende dier in de afstamming. Op de kaart staat ook vermeld of het een stamboekdier betreft (S) of geen stamboekdier (C). In de kolom ‘bijzonderheden’ kunnen zaken vermeld worden zoals: opgegeven bijzonder­ heid door de veehouder (draagtijd, et-kalf), de ID-code van de draagmoeder, de reden voor weigering van stamboekregistratie of de datum van import en het land van herkomst.

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

23


Op een registratiekaart staan alle beschikbare registratie- en afstammingsgegevens van een dier

Stamboom

De stamboom is een stamboekdocument met alle belangrijke en officiële informatie van het dier en zijn of haar voorgeslacht. Op het document staan de volgende gegevens: de naam, het nummer, de rasbalk, de exterieurcijfers, de productiecijfers, de fokwaarden voor productie, exterieur, levensduur en gezondheid, en de inseminatiegegevens. De gegevens over de afstamming betreffen alle bekende gegevens van de vader, de moeder en de groot- en overgrootouders, inclusief erfelijke kenmerken en predicaten. De stamboom is op aanvraag of via een abonnement te verkrijgen. Ook voor een embryo kun je een stamboom aanvragen. Je moet daarvoor de moeder (donorkoe) en de vader opgeven. Bij verkoop heeft de koper dan behalve de afstammingsinformatie meteen ook de verwachtingswaarde van het embryo in beeld. Als je bent aangesloten bij een vleesveestamboek, dan kun je een vleesveestamboom aanvragen met het logo van het stamboek. De stamboom is op aanvraag of via een abonnement te verkrijgen.

Zoötechnisch certificaat

Als je een dier naar een ander Europees land exporteert en de koper wil het in zijn land in het stamboek registreren, dan heb je een zoötechnisch certificaat nodig. Dit is het officiële stamboekdocument. Hierop staan ras, geboortedatum en afstamming van het dier en de naam van de fokker. Op de achterkant zijn de gegevens van het stamboekdocument vermeld (zie ‘Stamboom’). Je kunt het zoötechnisch certificaat aanvragen bij Coöperatie CRV. Als je een dier importeert en je wilt het in het CRV-stamboek geregistreerd hebben, dan heb je een zoötechnisch certificaat nodig van het stamboek in het land van herkomst. Zoötechnische certificaten zijn ook nodig voor de export en import van sperma, embryo’s en eicellen.

24

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte


Samenvatting Bij de geboorte van elk vaarskalf maak je de afweging of je het dier aanhoudt of verkoopt. Voor deze beslissing is de erfelijke aanleg van het dier relevant. Die kun je aflezen aan de verwachtingswaarde. Je kunt ook een fokwaarde laten schatten op basis van een genoomtest. Het aantal kalveren dat je aanhoudt, hangt samen met het gewenste vervangings­ percentage in je veestapel. Voor elk kalf geldt een registratieplicht. Je moet binnen enkele dagen een melding doen bij het systeem voor identificatie en registratie (I&R) voor landbouwhuisdieren. Als je dit doet via VeeManager van CRV, kun je de I&R-data benutten voor verschillende overzichten en documenten. Naast de wettelijke registratie is er de stamboekregistratie voor runderen. Het stamboek is de basis voor officiÍle documenten, de fokwaardeschattingen en de paringsadviezen.

Hoofdstuk 2 Rond de geboorte

25


26

Hoofdstuk 3 De opfok


HOOFDSTUK 3

De opfok

Een goede opfok is een investering. De tijd en aandacht die je daaraan besteedt, is bepalend voor de rest van het leven van een koe. Met een optimale opfok zorg je ervoor dat een kalf zich ontwikkelt tot een melkkoe die gezond en efficiĂŤnt een hoge levensproductie haalt.

In dit hoofdstuk 3.1 De eerste levensmaanden 3.2 Jongveeopfok: investering in de toekomst 3.3 Het beste inseminatiemoment 3.4 Bestemd voor vlees en fokvee

27


3.1

De eerste levensmaanden Als je een kalf aanhoudt voor je eigen melkveestapel, dan hoop je dat het uitgroeit tot een duurzame koe die lang blijft produceren. Voor een deel heb je dat zelf in de hand, met de opfok. Een goed begin is het halve werk. Biest: veel, vlug, vaak en vers

Elk kalf verdient aandacht. Dat begint op dag 1. Meteen na de geboorte moet het kalf genoeg biest krijgen. Biest bevat antistoffen (immunoglobulinen) die alleen in de eerste 24 uur van het leven van een kalf ongehinderd de darmwand kunnen passeren. Met de biest geef je het kalf de nodige weerstand om de eerste maanden gezond door te komen. Voor een optimale bescherming moet het kalf 6 kg biest in de eerste 24 uur krijgen. Het advies luidt ‘4xV’: veel, vlug, vaak en vers. De eerste biest is de beste biest. De kwaliteit van de biest neemt na het kalven snel af, zo’n 3% per uur. Door de koe snel te melken krijgt het pasgeboren kalf de beste biest en dus de meeste weerstand mee. Geef het kalf daarom ook bij de tweede en eventueel derde voerbeurt nog van die biest. Denk daarbij

28

Hoofdstuk 3 De opfok


ook aan de vierde V, de V van vers. Zet de biest in een koelkast. Zo voorkom je dat er bacteriĂŤn in groeien. Breng de biest voor het voeren op temperatuur in warm water van maximaal 60 graden. Doe het niet in een magnetron: daarmee maak je de antistoffen kapot.

 Goed om te weten

Met een Brix-meter kun je de kwaliteit van de biest bepalen

Biestkwaliteit meten Met een biestmeter (ofwel Brix-meter of refractometer) kun je snel en gemakkelijk de kwaliteit van de biest controleren. Bij de beste biest ligt de Brix-waarde rond 25. Een matige biestkwaliteit kan haar oorzaak hebben in de droogstand.

Een goede opfok resulteert in 1.000 tot 1.500 kilo meer melk in de eerste lactaties Melkperiode

Na de biestperiode van maximaal 3 dagen komt een periode van enkele weken waarin het kalf voornamelijk melk drinkt. Dat kun je invullen met koemelk, maar opfokmelk (ook wel kunstmelk of poedermelk genoemd) sluit beter aan op de behoeften van het jonge kalf. Deze kunstmelk is goed uitgebalanceerd en bevat naast de noodzakelijke voedingsstoffen ook vitaminen en mineralen die belangrijk zijn voor de groei. Heel belangrijk is dat de kalveren vanaf het begin ook altijd schoon water kunnen drinken.

Hoofdstuk 3 De opfok

29


Maximale groei

Het kalf heeft verder ook krachtvoer en hooi nodig. Met dit voer kunnen de magen van de kalveren zich ontwikkelen. Bovendien zorgt het vaste voer voor het bereiken van maximale jeugdgroei in de eerste 2 maanden. De groei en gezondheid van de kalveren houdt direct verband met de prestaties van de kalveren in hun verdere leven. Bij een hoge groeisnelheid bereik je sneller het gewicht en de hoogtemaat waarop de pinken geïnsemineerd kunnen worden. Bovendien is er een verband tussen groei in de eerste 2 maanden en de melkproductie op latere leeftijd. Een goede opfok resulteert in 1.000 tot 1.500 kg meer melk in de eerste lactaties.

Hoe eerder kalveren wennen aan vast voer, hoe gemakkelijker het afbouwen van de melkgift

De groei en de gezondheid van de kalveren houden direct verband met de prestaties van de kalveren in hun verdere leven Spenen op 80 kg

In het begin zal de opname van vast voer beperkt zijn. Maar als de kalveren ouder worden, krijgen ze vanzelf meer trek in ruwvoer en krachtvoer. Hoe eerder ze hieraan zijn gewend, des te gemakkelijker het afbouwen van het melk voeren verloopt. Op een gewicht van zo’n 80 kg (voor holsteinkalveren) kun je de dieren spenen. Bij een goede groei bereikt het kalf dit gewicht op zo’n 9 weken leeftijd. Voor de melkperiode zijn verschillende soorten kunstmelk, voerschema’s en manieren van verstrekken beschikbaar. Overleg met je voerleverancier of opfokspecialist wat het beste past bij jouw bedrijf.

30

Hoofdstuk 3 De opfok


Vervolg opfok

In het vervolg van de opfok is een uitgebalanceerde voeding belangrijk voor een goede groei en skeletontwikkeling. Tijdens het eerste jaar hebben kalveren een eiwitrijk rantsoen en ruwvoer van hoge kwaliteit nodig. Een risico van onjuiste voeding is het vervetten van het uierweefsel. Dat heeft later een negatieve invloed op de uierkwaliteit en daardoor ook op de levensduur van de koe. In het tweede levensjaar moet je oppassen dat je het dier niet overvoert. Je wilt vervetting voorkomen. Maar let op: te weinig voeren is ook niet goed. Tekorten leiden tot een matige ontwikkeling en een langzame groei. De dieren kalven dan af op een te laag gewicht.

Bij een hoge groeisnelheid bereik je sneller het gewicht en de hoogtemaat waarop de pinken geïnsemineerd kunnen worden levend gewicht (kg)

borstomvang (cm)

kruishoogte (cm)

gem. groei per dag (g)

6

41

12

82

26.5

180

129

108

700-800

50

340

161

126

800-850

55-60

375-480

168-174

130-133

675-725

op 18 maanden leeftijd

68

460

182

135

600-650

na kalven

85

580

197

144

100

680

212

bij geboorte bij spenen op 6 maanden leeftijd op 12 maanden leeftijd inseminatie­ moment

als volwassen koe

Bron: veepro en PTC+

% van volwassen gewicht

Optimale jongveegroei voor hf

Twee keer per jaar kruishoogte meten

Meten is weten. Als je twee keer per jaar de borstomvang en/of de kruishoogte meet, kun je goed inschatten of je opfok ‘op schema’ ligt. Het levert bovendien een goede indicatie van het moment waarop de pinken geïnsemineerd kunnen worden. Door het bijhouden van de informatie in een managementprogramma krijg je van elk dier een groeicurve die je kunt vergelijken met andere dieren van je bedrijf en met de gegevens van andere veehouders. Pinken kunnen geïnsemineerd worden rond de leeftijd van 15 maanden, bij een gewicht van 370 tot 400 kg. Oftewel een borstomvang van 170 cm en een kruishoogte van 130 tot 133 cm. De tabel hierboven geeft de ideale ontwikkeling weer voor hf-koeien.

Hoofdstuk 3 De opfok

31


Jongvee Metingskaart 145

700

140

650

135

200 600

130

193 550

125

186 500

120

179 450

115

172 400

110

164 350

105

155 300

100

145 250

95

134 200

90

120 150

85

104 100

80

50

75

borstomvang (cm)

4,0

3,5

3,0

2,5

2,0

1,5

1,0

hoogtemaat (cm)

levend gewicht (kg)

conditie score

750

conditie score

70

0 0

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

leeftijd (maanden)

moment van inseminatie 2

hoogte (cm)

levend gewicht (kg)

3

17

18

19 V VEEPRO

HOLLAND

20

21

22

23

24

VEEPRO HOLLAND Information centre for Dutch cattle

4

Met een jongveemetingkaart kun je het groeiverloop goed volgen

 Praktisch

De borstomvang geeft een goede indicatie voor de ontwikkeling van pinken

Zo meet je de borstomvang

Voor een goede meting moet het dier vlak en vierkant in een normale houding staan. Je legt de meetband vlak achter de schouder om de borst. Je trekt vervolgens de band voorzichtig aan, voorkom insnoeren. Je moet twee vingers tussen de huid en de band kunnen bewegen. De tabel toont de relatie tussen borstomvang en levend gewicht.

32

Hoofdstuk 3 De opfok


levend gewicht (kg) fh

hf

mrij

75

41

41

41

80

49

49

50

85

58

58

60

90 (2 maanden)

68

68

70

95

78

78

91

100

90

90

94

105

103

103

107

110

117

117

122

115

132

132

140

120 (5 maanden)

148

149

157

125

165

167

176

130

184

186

197

135

204

206

219

140 (8 maanden)

225

228

244

145

248

251

271

150

271

275

298

155

297

301

326

160

323

329

352

165 (14 maanden)

352

358

382

170

381

389

414

175

412

421

446

180

445

455

481

185

480

491

515

190 (22 maanden)

516

528

555

195

553

568

595

200

593

609

635

205

634

652

670

bron: PR, 1996

borstomvang (cm) leeftijd

Relatie tussen borstomvang en levend gewicht van vrouwelijk jongvee naar ras

Hoofdstuk 3 De opfok

33


3.2

Jongveeopfok: investering in de toekomst Je steekt veel tijd en geld in een koe voordat ze melk geeft. Het is dus de moeite waard om na te denken over het rendement van deze investering. Wat kost de jongveeopfok?

Als je alleen alle directe kosten rekent, zoals kunstmelk, krachtvoer en ki, dan kost de jongveeopfok volgens accountants ongeveer € 350. De totale kosten liggen hoger. De kalveren en pinken delen ook mee in de huisvesting en de ruwvoerproductie. Bovendien vraagt een secure opfok tijd. Als je de kosten voor huisvesting, ruwvoer, arbeid en mestafzet meerekent, dan investeer je € 1.500 tot € 2.500 in een kalf voordat ze is uitgegroeid tot melkgevende vaars.

Lage opfokkosten bij hoge levensproductie

In elke koe investeer je dus € 1.500 tot € 2.500 voordat deze geld gaat opleveren. Dat houdt in dat je weinig verdient aan een koe die maar 1 of 2 lactaties meegaat. Hoe hoger de levensproductie, hoe beter het rendement op de investering van de opfok. Stel, je opfokkosten bedragen € 1.500. Voor een koe met een levensproductie van 25.000 kg

34

Hoofdstuk 3 De opfok


melk komen de opfokkosten dan op 6 cent per kg melk. Bij een levensproductie van 50.000 kg zakken die opfokkosten naar 3 cent per kg melk.

Goed om te weten

Met Jonkos kun je uitrekenen wat de jongveeopfok op jouw bedrijf kost Je kunt de tool (Jonkos) vinden op de site van het platform Verantwoorde Veehouderij

Reken de kosten voor jongveeopfok uit Wageningen UR heeft een handige tool gemaakt voor het uitrekenen van de opfok­ kosten van jongvee. Daarmee kun je de situatie op jouw bedrijf inschatten en het effect van mogelijke veranderingen doorrekenen.

Uitbesteden of zelf doen?

De meeste veehouders doen de opfok zelf, op hun eigen bedrijf. Maar er kunnen redenen zijn om de zorg voor het jongvee uit te besteden. Dan kun je bijvoorbeeld je arbeid, gebouwen, voer of fosfaatrechten maximaal benutten voor je melkkoeien. Als je hiervoor een vergoeding met je opfokker overeenkomt van € 2,50 per dier per dag, dan geef je aan de opfok € 1.825 per vaars uit, bij een duur van 730 dagen (2 jaar). levensproductie (kg melk)

opfokkosten per kg melk (eurocenten)

5.000

30

10.000

15

25.000

6

50.000

3

Levensproductie in relatie tot de opfokkosten per kg melk (bij totale opfokkosten van € 1.500)

Hoofdstuk 3 De opfok

35


3.3

Het beste inseminatiemoment Voor een optimale opfok insemineer je niet te vroeg en zeker niet te laat. Maar hoe bepaal je het optimale moment? Pinken worden voor de eerste keer tochtig tussen 10 en 13 maanden. Voor een optimale opfok insemineer je ze vanaf 14 maanden. Dan kalven ze op een leeftijd tussen 23 en 24 maanden. Maar let op: niet de leeftijd maar het gewicht en de hoogtemaat zijn de beste maatstaven voor de ontwikkeling. Een goede richtlijn is een gewicht na het kalven van 550 tot 580 kg. Met de inseminatie kun je beginnen als de pink een gewicht heeft van minimaal 375 kg, een kruishoogte van 130 tot 133 cm of een borstomvang van ongeveer 170 tot 172 cm. Als het goed is, is een hf-pink dan tussen 14 en 15 maanden oud.

Eerder insemineren

De gemiddelde afkalfleeftijd (afgekort naar alva: afkalfleeftijd vaarzen) van de vaarzen in Nederland en Vlaanderen bedraagt 26 maanden. Dat is eigenlijk te oud. De meest economische en meest duurzame afkalfleeftijd is 24 maanden. Maar je kunt pas beginnen met insemineren als de pinken het gewenste gewicht en de gewenste hoogtemaat hebben. Een achterstand in de ontwikkeling is meestal het gevolg van voedingsfouten en andere factoren, zoals een slechte huisvesting of gezondheidsproblemen.

36

Hoofdstuk 3 De opfok


Een kortere opfokperiode levert een besparing op. Elke maand scheelt ruwweg € 50. Daarnaast realiseert een melkkoe een hogere levensproductie als ze goed ontwikkeld is bij de eerste keer kalven – je hebt er dus langer plezier van.

Praktisch

Met de conditiescore kun je bepalen of een pink rijp is voor inseminatie

Hulp van conditiescore

Naast de kruishoogte of borstomvang van jongvee is de conditiescore een handig hulpmiddel voor het bepalen van het optimale inseminatietijdstip. Net als bij koeien is de kans op bevruchting het grootst bij de juiste conditie. Te vette dieren worden min­ der gemakkelijk drachtig. Bij het jongvee is een conditiescore van 3 rond het moment van insemineren optimaal. Daarna groeien de dieren door naar een score van 3,5 vlak voor het kalven.

Meer over vruchtbaar­­­­heids­management vind je in H7. Vruchtbaarheid

Een conditiescore van 3 rond het moment van insemineren is optimaal

Hoofdstuk 3 De opfok

37


Insemineer met een pinkenstier

Pinken kun je het beste insemineren met een pinkenstier. Dat is een stier waarvan de kalveren gemakkelijk geboren worden. Een vlotte geboorte is voor alle koeien een voordeel, maar voor de vaarzen is dit extra belangrijk. Ze kalven tenslotte voor de eerste keer en de overgang naar de lactatie zorgt ook voor veel stress. Kenmerkend voor pinkenstieren is de fokwaarde voor geboortegemak: die is 104 of hoger. Door een stier te kiezen die bewezen heeft lichte kalveren te geven en dus goed scoort voor geboortegemak, krijgt de pink de kans om een vlotte en goede start van de eerste lactatie te maken.

Een vlotte geboorte is voor alle koeien een voordeel, maar voor de vaarzen is dit extra belangrijk

Goed om te weten Gesekst sperma voor meer geboortegemak Vaarskalveren zijn lichter en worden over het algemeen gemakkelijker geboren dan stierkalveren. Bij pinken kan de veehouder daarom ook kiezen voor gesekst sperma.

Overzicht drachtresultaten

De vruchtbaarheidsresultaten vormen ook een indicatie voor het beoordelen van de opfok. Als je de VeeManager-module Vruchtbaarheid gebruikt, kun je een overzicht met kengetallen inzien, uitgesplitst naar koeien en jongvee. Zo heb je voor de pinken de verwachte afkalfleeftijd en data zoals nonreturnpercentages in beeld. Je ziet de gegevens van het laatste kwartaal, halfjaar en jaar en kunt daarbij ook vergelijken met landelijke gemiddelden en streefwaarden.

Voorbeeld van een attentielijst

Attentielijsten tocht en dracht

Als je deelneemt aan VeeManager kun je in de module Vruchtbaarheid attentielijsten aanmaken. De attentielijst Tochtcontrole geeft – naast een lijstje met melkkoeien – een overzicht van jongvee dat de leeftijd heeft om geïnsemineerd te worden. Ook voor de drachtcontrole en de verwachte kalfdatum worden attentielijsten gemaakt.

38

Hoofdstuk 3 De opfok


Eigen stier

Er zijn veehouders die een stier bij de pinken laten lopen. Natuurlijke dekking is erg gemakkelijk, want de stier mist geen enkele tochtigheid. Selecteer hiervoor een stier op gemakkelijke geboorten. In de praktijk wordt de draagtijd van de stier – deze staat op de registratiekaart aangegeven – als maatstaf gebruikt. Een stier die zelf na een korte draagtijd werd geboren, zou ook lichte kalveren als nageslacht produceren. Maar deze redenering gaat niet altijd op. Het inzetten van een eigen stier heeft ook nadelen. Stieren zijn gevaarlijk en vaak is er minder bekend over de vererving van eigenschappen zoals het geboorteverloop en de melkbaarheid.

Goed om te weten Natuurlijke dekking registreren Ook als je een eigen stier inzet, kun je de dekkingen of het samenweiden registreren, zodat de nakomelingen voor het stamboek in aanmerking komen. Je kunt dit online doen met de module Vruchtbaarheid van VeeManager. Het kan ook nog op papier met deklijsten. Hierop noteer je de begin- en einddatum van de samenweiding/-hokking. Na afloop van een kwartaal (zie inleverdatum op het overzicht) lever je de deklijst in.

Praktisch

Het is handig om te weten of pinken in de wei drachtig zijn

Scan voordat ze naar buiten gaan

Als je de pinken laat weiden, is het handig om ze te controleren op dracht voordat ze naar buiten gaan. Dat kan door ze te scannen. Zo weet je waarop je de komende winter in de melkstal kunt rekenen. Dieren die niet drachtig zijn, kunnen in de zomer alsnog geïnsemineerd worden.

Hoofdstuk 3 De opfok

39


3.4

Bestemd voor vlees en fokvee Niet alle vaarskalveren die geboren worden, zijn nodig voor het vervangen van melkkoeien. Wat doe je met het extra jongvee? Er zijn twee mogelijke bestemmingen: vlees en fokvee voor derden. Als je kalveren verkoopt voor de slacht, kun je voorsorteren op de behoefte van de vleesveesector door een deel van je melkkoeien te insemineren met sperma van een vleesras. Je krijgt dan kalveren die geschikter zijn voor de vleesproductie en dat vertaalt zich in een betere prijs. Maar let op: voor pinken is dit sterk af te raden omdat de nakomelingen van een vleesstier vaak moeilijker geboren worden. Je kunt er ook voor kiezen vaarzen langer aan te houden voor de verkoop als fokvee aan collegamelkveehouders of voor de export.

Extra maatregelen voor export

Bij je eigen opfokkalveren besteed je aandacht aan gezondheid en kwaliteit. Als je vaarzen houdt voor export, moet je daarin nog strikter zijn. De dieren moeten worden onthoornd op een leeftijd van 2 tot 6 weken. Het is handig om tegelijk eventuele bijspenen weg te laten knippen omdat de kalveren op dat moment toch al verdoofd zijn. Verder moeten exportvaarzen vrij zijn van huidziekten, zoals wratten, schurft, luizen en ringworm. Daarnaast bepaalt ook de afstamming van de pink en de dracht hoe aantrekkelijk het dier is voor buitenlandse afnemers.

40

Hoofdstuk 3 De opfok


Samenvatting Als je een kalf aanhoudt, dan hoop je dat het uitgroeit tot een duurzame koe die lang blijft produceren. Dit hoofdstuk bespreekt hoe je in de opfok hiervoor de basis legt. De optimale ontwikkeling is afhankelijk van de verzorging en voeding. Je begint met biest voor de ondersteuning van de weerstand van het jonge kalf. Vervolgens doorloop je verschillende fasen met kunstmelk, ruwvoer en krachtvoer. Tijdens het eerste jaar hebben kalveren een eiwitrijk rantsoen en ruwvoer van hoge kwaliteit nodig. In het tweede levensjaar moet je oppassen dat je het dier niet overvoert. Een secure opfok is ook economisch van belang. Het is een investering van € 1.500 tot € 2.500 per koe. Een koe die slechts 1 of 2 lactaties op het bedrijf verblijft, verdient de opfokkosten dus nauwelijks terug. Het moment waarop je de pink kunt insemineren hangt af van de ontwikkeling, niet van de leeftijd. Je bepaalt dat door het meten van de kruishoogte of borstomvang. Als het goed is, is de pink voldoende ontwikkeld op 14 à 15 maanden. Voor kalveren die je niet aanhoudt voor eigen aanfok, zijn er twee mogelijke bestemmingen: kruisen met vleesvee of het leveren van fokvee aan derden.

Hoofdstuk 3 De opfok

41


42

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


HOOFDSTUK 4

Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen Fokken is het vermeerderen van de veestapel door het selecteren van de juiste koeien en stieren, met als doel een nieuwe, betere generatie koeien. Van de ene koe of stier wil je een nakomeling, van de andere niet. Fokwaarden helpen bij deze selectie. Een fokwaarde is de geschatte erfelijke aanleg van een dier voor een bepaald kenmerk. Het is een onmisbaar hulpmiddel bij het maken van keuzes in de fokkerij.

In dit hoofdstuk 4.1 Wat zijn fokwaarden? 4.2 Diversiteit aan fokwaarden en indexen

Bijlage Lijst met fokwaarden en indexen in 2020

43


4.1

Wat zijn fokwaarden? Van welke koeien zijn de nakomelingen het meest waardevol om aan te houden voor de volgende generatie? Welke stieren passen het beste bij de ontwikkeling van jouw veestapel en jouw bedrijf? Met fokwaarden kun je dieren onderling eerlijk vergelijken en een rangorde maken. Dat helpt bij het maken van fokkerijkeuzes. Prestaties vergelijken

Toen er nog geen fokwaarden waren, selecteerden veehouders door de prestaties van dieren te vergelijken. Dat is niet erg nauwkeurig. Zo geeft een koe in de eerste lactatie minder melk dan in de tweede of derde lactatie. Verder wordt de melkgift sterk beĂŻnvloed door het seizoen, de voeding en allerlei andere omgevingsfactoren. Voor de fokkerij wil je weten welk deel van de verschillen tussen dieren erfelijk is bepaald. Daarvoor zijn fokwaarden ontwikkeld. Een fokwaarde is een schatting van de erfelijke aanleg van een dier voor een bepaald kenmerk. De waarde wordt bepaald door de analyse van heel veel prestatiedata, waarbij alle niet-erfelijke invloeden worden uitgefilterd. Het erfelijke deel is wat de koe of stier in potentie kan doorgeven aan de volgende generatie. Alle stamboekkoeien en -stieren

44

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


krijgen een fokwaarde. Fokwaarden worden traditioneel berekend op grond van prestaties van het dier zelf en die van zijn of haar familie. Hoe meer gegevens van nakomelingen en familieleden beschikbaar zijn, hoe betrouwbaarder de fokwaarde. Tegenwoordig zijn fokwaarden ook deels gebaseerd op dna-onderzoek (genomics).

Een fokwaarde is een schatting van de erfelijke aanleg. Deze wordt bepaald door de analyse van heel veel data, waarbij alle niet-erfelijke invloeden worden uitgefilterd Achtergrondinformatie over de berekening van de fokwaarden is te vinden op de website van Coöperatie CRV

Data uit mpr en bedrijfsinspectie

Voor het berekenen van de fokwaarde van een stier zijn gegevens van dochters nodig. Die komen uit de melkproductieregistratie (mpr) en de bedrijfsinspectie (bi). Voor het publiceren van exterieurfokwaarden moet minimaal 1 dochter zijn ingeschreven en voor productiefokwaarden moeten 15 dochters een mpr van minimaal 120 dagen lactatie hebben.

Van elk pasgeboren kalf kun je dankzij dna al een fokwaarde berekenen

Informatie uit dna-onderzoek

Meer over mpr lees je in H9. Een efficiënt en gezond presterende veestapel

Naast data van nakomelingen en familieleden kan ook dna-onderzoek de basis vormen voor een fokwaardeschatting. In principe kan van elk dier meteen na de geboorte een genetisch profiel worden bepaald. Fokkerijorganisaties, zoals CRV, kunnen dat dna-beeld vergelijken met de profielen van een groot aantal dieren met een bekende fokwaarde. Ze zoeken dan naar stukjes dna die overeenkomen. Van veel stukjes is bekend dat deze samenhangen met bepaalde eigenschappen. Dit zijn ‘merkers’ (in het Engels ‘markers’). Deze technologie heet merkertechnologie of genomics.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

45


Genoomfokwaarden

Dankzij genomics is van elk pasgeboren vaars- of stierkalf dus direct een fokwaarde voor allerlei kenmerken te berekenen op basis van dna-merkers en de fokwaarden van familieleden. Dit wordt de genoomfokwaarde of de genomicfokwaarde genoemd. Jonge dieren zonder nakomelingen hebben dus dankzij genomics al een behoorlijk betrouwbare fokwaarde.

Betrouwbaarheid fokwaarden

De betrouwbaarheid van een fokwaarde wordt uitgedrukt in procenten. Heeft een stier een betrouwbaarheid van 55%, dan is de betrouwbaarheid van zijn fokwaarde niet zo hoog. Het betekent dat er nog een bepaalde onzekerheid in de schatting zit. De kans bestaat dat de voorspelling van zijn erfelijke prestaties verandert als er informatie van nog meer dochters beschikbaar komt. Veel fokstieren hebben honderden, zelfs duizenden dochters aan de melk. Met deze informatie bereikt de fokwaarde een betrouwbaarheid van 99%. In overzichten van fokstieren wordt de betrouwbaarheid van de fokwaarden vermeld.

Betrouwbaarheid van verwachtingswaarde, genomicfokwaarde en berekende fokwaarde

46

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


Informatiebronnen die fokwaarde en betrouwbaarheid van een dier beÏnvloeden

Praktisch Prestatie dochters levert de hoogste betrouwbaarheid

Meer achtergrond­ informatie over de betrouwbaarheid van fokwaarden kun je hier vinden

Voor de betrouwbaarheid van een fokwaarde zijn er drie bronnen: de verwachtings­ waarde, genomics én dochterinformatie. De prestaties van de dochters zorgen voor een hoge betrouwbaarheid van de fokwaarde. Hoe meer dochters er van een stier aan de melk zijn, hoe hoger de betrouwbaarheid. Bij kenmerken met een hoge erfelijkheid, zoals melkproductie, leveren 300 dochters een betrouwbaarheid van 96%. De genomics en de verwachtingswaarde leveren nog eens 2%, wat een totaal oplevert van 98% betrouwbaarheid. Bij een kenmerk met een lage erfelijkheidsgraad, zoals vruchtbaarheid, zijn er veel meer dochters nodig om een hoge betrouwbaarheid te realiseren. Bij 300 dochters is de betrouwbaarheid 89% en heeft de genomicfokwaarde nog 20% invloed hierop. Bij 1.500 dochters stijgt de betrouwbaarheid naar 97%.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

47


4.2

Diversiteit aan fokwaarden en indexen Fokwaarden zijn er voor een groot aantal verschillende eigenschappen. Om het overzichtelijk te houden, zijn er indexen ontwikkeld waarin afzonderlijke fokwaarden worden gebundeld. Er bestaan fokwaarden voor verschillende eigenschappen: melkproductie, exterieur, gezondheids- en vruchtbaarheidskenmerken, en gebruikskenmerken. De complete lijst omvat tientallen verschillende fokwaarden.

Relatieve of absolute fokwaarde

Fokwaarden worden uitgedrukt als een relatief getal, met 100 als gemiddelde, of als een absolute waarde die bij het kenmerk hoort, bijvoorbeeld kilogram (bij melk), percentage (bij eiwit) of dagen (bij levensduur), waarbij het gemiddelde 0 is. Meer voorbeelden van

Indexen

CoĂśperatie CRV

Om het selecteren van stieren gemakkelijker te maken, zijn indexen ontwikkeld. Een index is een combinatie van verschillende fokwaarden. In de index zijn bepaalde groepen fokwaarden gebundeld en verwerkt volgens een vaste verhouding. Indexen worden berekend aan de hand van een formule. Inet bijvoorbeeld is een index die de

48

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

relatieve naar absolute fokwaarden vind je op de website van


productiefokwaarden melk, vet en eiwit combineert. De Nederlands Vlaamse Index (NVI) combineert productie-, exterieur- en gezondheidskenmerken. De NVI is de meest gebruikte selectie-index in de Nederlandse en Vlaamse melkveehouderij. Een uitgebreide lijst met fokwaarden en indexen vind je in de bijlage van dit hoofdstuk. Verderop in dit hoofdstuk vind je een beschrijving van de belangrijkste fokwaarden en indexen: • • • • • • •

De Nederlands Vlaamse Index (NVI) Fokwaarden en indexen voor productie Fokwaarden voor exterieur Fokwaarden voor gezondheid en vruchtbaarheid Fokwaarden voor gebruikskenmerken De fokwaarde levensduur De fokwaarden voor voeropname en efficiëntie

Drie keer per jaar nieuwe fokwaarden

De volledige perspublicatie van de stierindexen vind je hier

Drie keer per jaar (in april, augustus en december) vindt er een berekening plaats van de fokwaarden. Coöperatie CRV publiceert de fokwaarden van de stieren en koeien in Nederland en Vlaanderen op haar website. Koeien geboren in een bepaald jaar bepalen wat het gemiddelde is van de fokwaarde. Er zijn vier verschillende rassen of kleurslagen die als basis dienen om de fokwaarden uit te drukken. Het gaat hierbij om melkdoel zwart, melkdoel rood, dubbeldoel en Belgisch witblauw. Onder de basis dubbeldoel vallen onder andere dieren die minimaal 62,5% genen hebben van brown swiss, montbéliarde, jersey of Noors roodbont. Als basis voor deze fokwaarden zijn stieren genomen met minimaal 87,5% mrij-bloed en maximaal 12,5% hf-bloed.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

49


Elke vijf jaar een basisaanpassing

Door fokkerij worden koeien elke generatie beter. Deze vooruitgang zie je terug in de fokwaarden, die elk jaar stijgen. Na verloop van een aantal jaren is het nodig deze waarden bij te stellen en het gemiddelde weer op 100 of 0 te zetten. Dit noemen we de basisaanpassing. Zonder zo’n bijstelling zouden de fokwaarden steeds hoger worden. Je zou stieren krijgen die bijvoorbeeld gemiddeld 120 of meer voor exterieur scoren. Dat is verwarrend en het maakt vergelijken lastiger. Daarom blijft een basisaanpassing iedere vijf jaar nodig. Zo’n correctie is bijvoorbeeld in april 2020 doorgevoerd. Vóór dat moment bepaalden koeien geboren in 2010 het gemiddelde. Vanaf april 2020 zijn de koeien geboren in 2015 het uitgangspunt.

Goed om te weten Switchen van de ene naar de andere basis Meer achtergrond­ informatie over de verschillende bases vind je hier

Stieren met fokwaarden in de basis melkdoel rood zijn om te rekenen naar de basis melkdoel zwart of dubbeldoel. Zo kunnen stieren van verschillende oorsprong met elkaar vergeleken worden in één basis. De basisverschillen zijn per kenmerk weer­ gegeven en zijn te vinden op de website van Coöperatie CRV.

De NVI combineert de index voor productie met fokwaarden voor levensduur, vruchtbaarheid, uiergezondheid, uier, beenwerk, geboortekenmerken en voerkosten of vleesaanzet De Nederlands Vlaamse Index (NVI)

De Nederlands Vlaamse Index (NVI) is gericht op een gezonde koe met een efficiënte productie en gelijkblijvende vruchtbaarheid, die een lange levensduur combineert met goed beenwerk en een functioneel exterieur. Voor het fokken van dit type koe zou je bij de stierenkeuze rekening moeten houden met de fokwaarden voor een groot aantal kenmerken. De NVI maakt dat gemakkelijk. In de index worden verschillende fokwaarden gecombineerd volgens een bepaalde weging. Dit zijn: de index voor productie Inet (zie hierna) en fokwaarden voor een aantal andere kenmerken: levensduur (LVD), vruchtbaarheid (VRU), uiergezondheid (UGH), uier, beenwerk, geboortekenmerken (Gin) en besparing voerkosten voor melkrassen (BVK) of vleesindex voor dubbeldoelrassen (VLi). Het uitgangspunt is stabilisatie of mogelijk een lichte verbetering van de vruchtbaarheid en verbetering van de andere kenmerken. De eenheid is punten. Hoe hoger de NVI, des te meer draagt een stier bij aan het hierboven genoemde fokdoel. Er zijn twee NVI’s: één voor melkdoel (zwart- en roodbont basis) en één voor dubbeldoel.

50

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


Goed om te weten Formule NVI In de NVI komt een aantal kenmerken samen. De weging van deze kenmerken is gericht op gewenste vooruitgang per kenmerk en houdt rekening met de onderlinge relaties tussen de kenmerken. Coöperatie CRV stelt deze index regelmatig bij, op basis van ontwikkelingen in de fokkerij. Zo waren er updates in 2012 en 2018. De NVI-formule voor melkdoel is als volgt: NVImd = 0,4 * Inet + 0,08 * LVD + 4,7 * (UGH-100) + 6,3 * (VRU-100) + 1,8 * (U-100) + 3,6 * (B-100) + 1,8 * (Gin-100) + 2,7 * (KGH-100) + 0,23 * BVK Voor dubbeldoel is de NVI: NVIdd = 0,35 * Inet + 0,09 * LVD + 5,2 * (UGH-100) + 5,2 * (VRU-100) + 5,2 * (U-100) + 6 * (B-100) + 2 * (Gin-100) + 5,2 * (VLin-100) Toelichting: Inet = 0,3 * kg lactose + 2,1 * kg vet + 4,1 * kg eiwit UGH = 0,477 * (SCM-100) + 0,641 * (CM-100) +100 VRU = 0,52 * (IEL-100) + 0,52 * (TKT-100) + 100 Gin = 0,08 * (GEB-100) + 0,08 * (AFK-100) + 0,55 * (LVG-100) + 0,83 * (LVA-100) + 100 Voor de betekenis van de afkortingen, zie de lijst Fokwaarden en indexen in 2020 (bijlage).

De nettomelkgeldindex: Inet

Als je in de fokkerij wilt focussen op melkproductie, kun je selecteren op fokwaarden voor hoeveelheid melk, lactose, vet en eiwit. De nettomelkgeldindex Inet combineert deze in één getal. De afzonderlijke fokwaarden worden in de index zodanig gewogen dat selectie op Inet leidt tot een rendabeler melkproductie per koe. De eenheid is euro’s. De Inet van een stier of koe geeft aan wat je van een nakomeling aan extra netto-opbrengsten per lactatie mag verwachten. Als je een stier met +€ 400 Inet koppelt aan een koe met +€ 200, dan mag je van het kalf uit deze paring een Inet verwachten van +€ 300 (helft van de vader plus helft van de moeder). Dat is € 100 meer dan van de moeder. Met andere woorden: de verwachting is dat het kalf aan nettomelkgeldopbrengsten per lactatie circa € 100 meer zal opleveren dan de moeder.

Eiwit weegt het zwaarst in Inet

De Inet geeft aan hoeveel extra netto-opbrengsten per lactatie er zijn te verwachten van een nakomeling van een dier. Dit is het resultaat van de melkgeldopbrengsten in euro’s per kg melk en de voerkosten van de productie van die kilo. De berekening is gebaseerd op de uitbetaling van de zuivelindustrie. Uit de formule valt af te lezen dat de productie van eiwit het meeste geld oplevert: € 4,10 per kg, bijna twee keer zoveel als een kg vet.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

51


Eiwit is belangrijk voor de productie van kaas, daarom draagt het eiwitgehalte in de melk het meest bij aan het melkgeld

Goed om te weten Formule Inet De Inet wordt berekend volgens de volgende formule: Inet = 0,3 * FW kg lactose + 2,1 * FW kg vet + 4,1 * FW kg eiwit Deze formule is vastgesteld in 2015. De wegingen zijn netto-opbrengsten per kg lactose, vet of eiwit. De netto-opbrengst is opbrengst via uitbetaling minus voerkosten. Zowel de opbouw van de melkprijs als de ontwikkeling van de kosten zijn aan veran­ deringen onderhevig. Daarom houdt Coöperatie CRV deze en andere ontwikkelingen nauwkeurig in de gaten. Indien nodig past ze de formules voor indexen aan.

Fokwaarden voor exterieur

met bedrijfsinspectie

Het exterieur is het best te omschrijven als het uiterlijk en de bouw van de koe. Het gaat in de fokkerij om functionele kenmerken: eigenschappen die bijdragen aan bijvoorbeeld een goede mobiliteit (beweging), een goede gezondheid en een grote capaciteit voor ruwvoeropname om een hoge productie te halen. Als je deelneemt aan het stamboek kun je ervoor kiezen alle vaarzen op jouw bedrijf te laten beoordelen op exterieur, met een periodieke bedrijfsinspectie. Deze gegevens worden ook benut voor het berekenen van fokwaarden. Voor het totaal exterieur bestaat er een index. Deze is weergegeven op een schaal met 100 als gemiddelde. Een score boven de 100 is dus bovengemiddeld.

52

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

Meer over exterieur en bedrijfsinspectie lees je in H6.1. Exterieur in beeld


Uier en benen belangrijkst

In de formule voor de fokwaarde voor totaal exterieur tellen uier en beenwerk beide voor 35% mee, frame voor 20% en type voor 10%. De fokwaarde voor totaal exterieur varieert in de meeste gevallen van 88 tot 112. Voor de berekening van de fokwaarden worden de gegevens van de bedrijfsinspectie gebruikt.

De resultaten van het klauwbekappen leveren data voor de fokwaarde klauwgezondheid

Goed om te weten Klauwaandoeningen bijhouden in DigiKlauw

Meer over DigiKlauw lees je in H9.5. Inzicht en overzicht voor gezonde klauwen

DigiKlauw is een registratiesysteem voor de resultaten van de klauwverzorging, opgezet door CRV en Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Degene die de klauwen verzorgt, de veehouder of een professionele klauwverzorger, legt de data vast. De gegevens leveren handvatten voor verbetering van de klauwgezondheid. Deze data brengen ook de genetische aanleg voor klauwgezondheid in beeld. Via een kop­ peling met het stamboek worden deze benut voor het bepalen van fokwaarden voor klauw­gezondheid.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

53


Fokwaarden voor gezondheid en vruchtbaarheid

Ook kenmerken voor gezondheid en vruchtbaarheid van koeien zijn te vertalen in fokwaarden. Dit zijn verhoudingsgetallen: 100 is gemiddeld. Hoe verder de fokwaarde boven de 100 ligt, hoe beter een dier scoort op dit kenmerk. De tabel geeft een overzicht van deze fokwaarden en laat de praktische meerwaarde zien van een fokwaarde van 104. kenmerk

fokwaarde

meerwaarde per lactatie

vruchtbaarheidsindex

104

tussenkalftijd

104

−14 dagen

interval eerste-laatste inseminatie

104

−12 dagen

uiergezondheidsindex

104

€ 10 minder kosten

• klinische mastitis

104

−3,4% klinische mastitis

• subklinische mastitis

104

−6% subklinische mastitis

• celgetal

104

−17.000 cellen/ml

klauwgezondheidsindex

104

• zoolbloeding

104

−4,5%

• mortellaro

104

−5,1%

• stinkpoot

104

−4,0%

• zoolzweer

104

−2,1%

• tyloom

104

−1,3%

• wittelijndefect

104

−2,0%

geboortegemak vaars

104

+1,9% gemakkelijke en normale geboorten

afkalfgemak vaars

104

+1,5% gemakkelijke en normale geboorten

levensvatbaarheid afkalven vaars

104

+9,6% meer levend geboren kalveren

levensvatbaarheid afkalven koe

104

1,4% meer levend geboren kalveren

kalvervitaliteit

104

2,2% minder uitval kalveren het eerste levensjaar

De concrete meerwaarde van een fokwaarde van 104 ten opzichte van 96 voor gezondheidsen gebruikskenmerken

De vruchtbaarheidsindex is een combinatie van de periode tussen twee afkalvingen, de tussenkalftijd (tkt), en het interval eerste-laatste inseminatie (iel). Beide kenmerken tellen even zwaar. Koeien met een fokwaarde van 104 voor tussenkalftijd hebben gemiddeld een 6,2 dagen kortere tussenkalftijd dan koeien met een fokwaarde van 100.

54

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


Fokkerij helpt om de klinische en subklinische mastitis te verminderen

Uiergezondheid: klinische en subklinische fokwaarden

De uiergezondheidsindex bestaat uit een fokwaarde voor klinische mastitis en een fokwaarde voor subklinische mastitis. Een stier met een fokwaarde van 104 voor klinische mastitis en een koe met een fokwaarde van 100 voor dit kenmerk krijgen een nakomeling die 1% minder kans heeft op klinische mastitis. Wat levert dat op in de portemonnee? Voor mastitis zijn de kostenposten: productieverlies, vervroegde afvoer, veterinaire behandelingskosten en opbrengstderving door niet-geleverde melk. Bij een gemiddeld mastitisgeval bedragen de kosten voor behandeling en niet-geleverde melk € 82 per koe per jaar. Een stier met een fokwaarde van 104 voor uiergezondheid geeft dochters die minder kans hebben op mastitis en daardoor in totaal € 5,91 minder kosten per lactatie door mastitis veroorzaken.

Bij een gemiddeld mastitisgeval bedragen de kosten voor behandeling en niet-geleverde melk € 82 per koe per jaar Klauwgezondheidsindex

De klauwgezondheidsindex is gebaseerd op gegevens die CRV verzamelt in samen­ werking met klauwverzorgers van de Agrarische Bedrijfsverzorging (AB) en de Vereniging Voor Rundvee Pedicure (VVRP). Uit deze gegevens blijkt dat bij de bekapte koeien in 2019 mortellaro met 22% het meest voorkwam, en vervolgens zoolbloeding en wittelijndefect met beide 16%. Een stier gebruiken met een fokwaarde van 104 voor mortellaro betekent dat een dier 3% minder kans heeft om de ziekte van Mortellaro te krijgen.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

55


Fokwaarden voor gebruikskenmerken

In de fokwaarden voor gezondheid zijn ook enkele gebruikskenmerken opgenomen. Ook dit zijn relatieve fokwaarden. Over het algemeen geldt dat een score boven 100 beter is. Melksnelheid is een uitzondering op deze regel. Dat is namelijk een optimumkenmerk: een score rond de 100 is het beste. Onder de 100 melken de koeien traag, boven de 100 is de kans op het uitliggen van melk groter. In de tabel staan de gebruikskenmerken met daarbij de variatie in fokwaarde. Er is ook aangegeven wat een score concreet betekent. Een fokwaarde van 104 voor karakter betekent bijvoorbeeld dat de dochters van een stier rustiger zijn tijdens het melken. omschrijving

kleiner dan 96

groter dan 104

afkalfgemak

zwaar

licht

vruchtbaarheid

slecht

goed

melksnelheid

traag

snel

uiergezondheid

slecht

goed

karakter

lastig

gemakkelijk

geboortegemak

zwaar

licht

Verschil in gebruikskenmerken kleiner dan 96 en groter dan 104

Goed om te weten Betrouwbaarheid gezondheidskenmerken De gezondheidskenmerken geven betrouwbare informatie om in de fokkerij vooruit­ gang te boeken. Er is wel veel informatie nodig voor een hoge betrouwbaarheid van de fokwaarden. Voor een betrouwbaarheid van 80% zijn nodig: • 40 keuringen voor exterieur • 125 dochters voor levensduur die 72 maanden na 1e afkalving geleefd konden hebben, of 400 dochters op 12 maanden na 1e afkalving, 200 dochters op 24 maanden na 1e afkalving, 165 dochters op 36 maanden na 1e afkalving • 125 geboorteverloopmeldingen voor geboortegemak • 300 afkalvingen voor afkalfgemak • 1250 geboorten voor levensvatbaarheid bij geboorte • 200 afkalvingen voor levensvatbaarheid afkalven • 100 koeien voor vruchtbaarheid • 200 dochters met gegevens van (sub)klinische mastitis • 80 bekapte dochters voor klauwgezondheid

56

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


Praktisch Melkveebedrijven leveren data voor fokwaarden

Voor het berekenen van de fokwaarden zijn data nodig. Die komen uit de praktijk. Zo zijn de gegevens over de uiergezondheid afkomstig van de celgetalgegevens die beschikbaar komen uit de melkproductieregistratie (mpr). De vruchtbaarheidsgege­ vens komen via de inseminatiegegevens bij CRV binnen. Daarnaast geven veehou­ ders ook zelf informatie door, zoals de melksnelheid en het karakter. Die gegevens worden tijdens de bedrijfsinspectie vastgelegd. Voor de fokwaardeberekening van afkalfgemak en geboortegemak gebruikt CRV de data die veehouders doorgeven bij het melden van de geboorte van een kalf voor de identificatie & registratie (I&R).

Informatie van afgevoerde dochters wordt verwerkt in de fokwaarde levensduur

De fokwaarde levensduur

De fokwaarde levensduur (LVD) geeft aan hoelang de dochters van een stier op een bedrijf blijven. Het kan zijn dat de dochters van een stier meer melk produceren en daarom langer blijven, het kan ook zijn dat ze over betere functionele kenmerken beschikken. De fokwaarde levensduur staat voor het aantal extra levensdagen ten opzichte van het gemiddelde, gerekend vanaf de start van de eerste lactatie. Een kalf erft eigenschappen van beide ouderdieren. Als een stier met een fokwaarde van +700 dagen wordt gepaard met een koe die 0 scoort (gemiddeld), dan mag je van de nakomeling +350 dagen levensduur verwachten. Dat komt overeen met een extra lactatie. De fokwaarde levensduur is opgebouwd uit twee delen: een deel met directe informatie over de afgevoerde dochters en een deel met indirecte informatie over gecorreleerde (voorspellende) kenmerken. Deze voorspellende kenmerken vormen vooral in het begin van de loopbaan van een stier een belangrijk onderdeel van de fokwaarde levensduur. Dat is logisch, omdat een jonge stier nog geen afgevoerde dochters heeft.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

57


Praktisch Verband tussen exterieur en levensduur

Onderzoek toont het verband aan tussen enerzijds het exterieur en de prestaties van koeien en anderzijds de tijd dat een dier op het bedrijf aanwezig is. Als voorspellers voor de levensduur worden de fokwaarden voor subklinische mastitis, klauwgezond­ heid en beengebruik gebruikt. Dit zijn de kenmerken die direct gerelateerd zijn aan twee belangrijke afvoerredenen op het melkveebedrijf, namelijk uiergezondheid en beenwerk.

Nettodagrendement maat voor duurzaamheid veestapel

Een lange levensduur heeft duidelijke economische voordelen. Ten eerste kun je bij een oudere koe de opfokkosten uitsmeren over een hogere levensproductie. Bij een koe die 20.000 kg levensproductie haalt, zijn de kosten voor de opfok per kg melk 9 cent. Bij een koe die 40.000 kg melk in haar leven produceert, is dit de helft: 4,5 cent. De kosten per kg melk zijn dus lager. Een ander voordeel is dat een gemiddeld oudere veestapel een hogere productie per koe oplevert. Als je gebruikmaakt van de VeeManager-module MPR vind je in de Duurzaamheids­ monitor verschillende aspecten van duurzaamheid. Een kengetal is daarbij het netto­ dagrendement (ndr), afgeleid van de melkgeldopbrengsten minus voerkosten per koe, in euro’s per dag.

De opfokkosten per kg melk halveren bij een stijging in levensproductie van 20.000 naar 40.000 kg melk

Goed om te weten Aanhoudingscijfers en levensduur

Klik hier door voor de actuele aanhoudingspercentages van stieren

58

Aanhoudingscijfers geven een globale indicatie voor de vererving van levensduur van een bepaalde stier. Deze cijfers geven aan hoeveel procent van de dochters na een bepaald aantal maanden nog aanwezig is. Maar dit zijn ruwe cijfers, die naast erfelijke aanleg ook onder invloed staan van omgevingsfactoren en wetgeving. In de volgende tabel is dat duidelijk te zien bij de dochters van Atlantic. De aanhoudingspercentages veranderen per kalfjaar van de vaarzen. De fokwaarde levensduur geeft daarom voor individuele stieren een beter beeld.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


Dochters van Atlantic, die een hoge fokwaarde voor levensduur heeft kalfjaar vaarzen

aantal dochters

12 mnd

24 mnd

36 mnd

48 mnd

60 mnd

2012

149

95

85

74

56

38

2013

903

92

83

64

46

29

2014

3756

93

82

63

44

31

2015

3986

92

76

59

43

2016

15150

88

74

60

2017

17130

88

76

2018

12779

90

Aanhoudingspercentage op 12, 24, 48 en 60 maanden na eerste afkalving voor Delta Atlantic per kalfjaar als vaars (gegevens uit fokwaardeschatting april 2020)

Goed om te weten Levensduur en gemiddelde leeftijd De vraag ‘Hoe oud worden koeien?’ kun je op verschillende manieren beantwoorden. Op het Bedrijfsoverzicht in de mpr-uitslag staat bij het bedrijfsgemiddelde van de 305 dagenproductie de gemiddelde leeftijd op het moment van afkalven. Dat is niet hetzelfde als de levensduur van de koeien. Stel, je hebt een veestapel met een klein aantal heel oude koeien en verder veel jonge vaarzen. Dan is de levensduur van de meeste dieren niet zo hoog, terwijl de gemiddelde leeftijd door de oude koeien wel hoog is. Andersom kan ook: als je veel dieren in de derde lactatie hebt, en juist weinig vaarzen, dan is de levensduur juist relatief hoog. De gemiddelde levensduur in Nederland en Vlaanderen ligt rond de 5,07. Bij het rollend jaargemiddelde staat de gemiddelde leeftijd vermeld van alle melkkoeien. De levensduur van koeien is stabiel. De afgevoerde stamboekkoeien in Nederland hebben gemiddeld 3,4 à 3,5 keer gekalfd, in Vlaanderen ligt dat op 3,0 à 3,1.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

59


Goed om te weten Levensproductie 31.553 kg melk

Op de website van Coöperatie CRV vind je uitgebreide statistieken over melkveebedrijven en stamboekkoeien in Nederland en Vlaanderen

Melkkoeien hebben gemiddeld rond 30.000 kg melk gegeven op het moment van afvoer, zo blijkt uit de mpr-gegevens van CRV. Voor Nederlandse koeien was de levensproductie in het boekjaar 2019 gemiddeld 31.553 kg melk met 1.371 kg vet en 1.120 kg eiwit. In Vlaanderen ligt de levensproductie op 27.806 kg melk met 1.145 kg vet en 954 kg eiwit. De levensproductie is al jarenlang stabiel rond 30.000 kg. Ter vergelijking: in 1992 was dat nog 22.132 kg. De toename wordt vooral veroorzaakt door een hogere melkpro­ ductie per lactatie. De levensduur is stabiel. In het boekjaar 2018-2019 produceerden de Nederlandse melkkoeien gemiddeld 9.155 kg melk met 4,38% vet en 3,59% eiwit, wat resulteert in 730 kg vet en eiwit. In Vlaanderen is dat 9.164 kg, met 4,22% vet en 3,49% eiwit.

De ene koe maakt meer melk van een kilo voer dan de andere koe

Fokwaarden voor voeropname en efficiëntie

Het verschil in voerefficiëntie tussen koeien is groot. Een hogere voerefficiëntie betekent meer melk per kilo opgenomen voer. Dat is niet alleen economisch interessant, maar ook heel gunstig voor het milieu. CRV verzamelt voeropnamegegevens van duizenden koeien. Die verschillen in voeropname vormen de basis voor de fokwaarden voeropname en besparing voerkosten (BVK). Fokken op BVK leidt tot koeien die minder voer nodig hebben voor onderhoud van hun lichaam, beweging en vertering. Hierdoor blijft er meer over voor de productie van melk en stijgt de voederconversie.

60

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


Samenvatting Als je gericht wilt fokken zijn fokwaarden onmisbaar. Ze zijn een schatting van de erfelijke aanleg. Daarmee heb je een handvat om te bepalen wat het dier kan doorgeven aan de volgende generatie. Van eigenlijk alle denkbare kenmerken van koeien en stieren zijn fokwaarden te vinden. Van melkproductie en exterieur tot aan karakter en voerefficiëntie. Van al deze fokwaarden zijn toplijstjes te maken, maar de rangschikking in Nederland en Vlaanderen wordt gedaan op basis van de NVI. Deze index is een mix van fokwaarden die nodig zijn om een gezonde en efficiënte melkproductie te realiseren. Om de fokwaarden te berekenen wordt niet alleen de eigen prestatie van het dier meegenomen, maar ook de aanleg van de ouders én de genomicfokwaarde. Deze genomicfokwaarde wordt bepaald met behulp van dna-monsters. Met enkele haren kun je dna-onderzoek laten doen om zo te bepalen wat een dier in zijn mars heeft, ook al bij jonge kalveren en stieren. Met al die informatie worden fokwaarden steeds betrouwbaarder en daarmee een steeds waardevoller ‘stuur’ in de veeverbetering.

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

61


Bijlage Lijst met fokwaarden en indexen in 2020 fokwaarde

afkorting

dit zegt iets over

Nederlands Vlaamse Index

NVI

het totaalbeeld van productie, exterieur, gezondheid en gebruikskenmerken

nettomelkgeldindex

Inet

de melkproductie, vet, eiwit en lactose

• kg melk

kgM

melkproductie

• kg vet

kgV

vetproductie in kilo’s

• kg eiwit

kgE

eiwitproductie in kilo’s

• kg lactose

kgL

lactoseproductie in kilo’s

• % vet

%V

vetgehalte

• % eiwit

%E

eiwitgehalte

• % lactose

%L

lactosegehalte

levensduur

LVD

levensduur

levensproductie-index

LPin

• levensproductie kg melk

LPkgM

• levensproductie kg vet

LPkgV

• levensproductie kg eiwit

LPkgE

fokwaarden voor productie en totaalindexen

fokwaarde levensduur

fokwaarden voor exterieur

exterieur: boven- en onderbalk

bovenbalk: totaal exterieur

Ext

• frame

F

• type

T

• uier

U

• beenwerk

B

• bespiering (bij dubbeldoel)

Bs

onderbalk:

62

• hoogtemaat

HT

• voorhand

VH

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


• inhoud

IH

• openheid

OH

• conditiescore

CS

• kruisligging

KL

• kruisbreedte

KB

• beenstand achter

BA

• beenstand zij

BZ

• klauwhoek

KH

• voorbeenstand

VB

• beengebruik

BG

• vooruieraanhechting

VA

• voorspeenplaatsing

VP

• speenlengte

SL

• uierdiepte

UD

• achteruierhoogte

AH

• ophangband

OB

• achterspeenplaatsing

AP

fokwaarden vruchtbaarheid vruchtbaarheidsindex

VRU

• non return

NR56

• interval afkalven-1e inseminatie

IAI

• interval eerste-laatste inseminatie

IEL

• tussenkalftijd

TKT

• drachtpercentage-koe

DP_ko

• drachtpercentage-pink

DP_pi

• leeftijd 1e inseminatie

LEI

reproductiestoornissenindex

Rsin

• aan de nageboorte blijven staan

NAGE

• niet opgeschoonde baarmoeders

VUIL

• baarmoederontsteking

BMON

• cysteuze eierstokken

CYST

• anoestrus (inactieve eierstokken)

ANOE

fokwaarden rondom geboorte • GEB geboortegemak

GEB

gemak waarmee de kalveren van een stier geboren worden

• geboortegewicht

GW

het geboortegewicht van de kalveren

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

63


• drachtduur

DrD

dagen dat de dracht duurt

• levensvatbaarheid geboorte

LVG

levensvatbaarheid bij de geboorte van de kalveren van een stier

• afkalfgemak

AFK

Het gemak waarmee de dochters van een stier afkalven

• levensvatbaarheid afkalven

LVA

levensvatbaarheid van de kalveren van de dochter van een stier

geboorte-index

Gin

• direct geboorteverloop

GEB

• directe draagtijd

DDt

• direct geboortegewicht

DGw

• maternaal afkalfgemak

Afk

• maternale draagtijd

MDt

• maternaal geboortegewicht

MGw

kalvervitaliteit • kalvervitaliteit gedurende opfok

KaVi1

• kalvervitaliteit gedurende opfok dag 3-14

KaVi2

• kalvervitaliteit mestkalveren

KaVi3

Index levensvatbaarheid

LVG

• index maternale levensvatbaarheid LVA • directe levensvatbaarheid vaarzen

LVG1

• maternale levensvatbaarheid vaarzen

LVA1

• directe levensvatbaarheid koeien

LVG2

• maternale levensvatbaarheid koeien

LVA2

fokwaarden rondom vleesproductie

64

vleesindex

VLin

• bevleesdheid koe

Be_ko

• vetbedekking koe

Ve_ko

• gewicht koe

Gw_ko

• bevleesdheid kalf

Be_ka

• vetbedekking kalf

Ve_ka

• groei kalf

Gr_ka

de bijdrage aan de vleesproductie van een vleeskalf of -stier

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen


• vleeskleur kalf

Vlkl

• bevleesdheid vleesstier

Be_st

• vetbedekking vleesstier

Ve_st

• groei vleesstier

Gr_st

uiergezondheidsindex

UGH

• klinische mastitis

KM

• subklinische mastitis

SKM

• celgetal

SCC

klauwgezondheidsindex

KGH

• bevangenheid

Bv

• mortellaro

Mo

• stinkpoot

Sp

• zoolzweer

Zz

• tyloom

Ty

• wittelijndefect

Wld

stofwisselingsaandoeningenindex

SAin

• melkziekte index

MZ

• klinische ketose/slepende melkziekte index

SMZ

• Subklinische ketose index

SubKE

de gezondheid van de uiers

het celgetal van de melk van de dochters

fokwaarde gebruikskenmerken • karakter

KA

het karakter van de dochters

• melksnelheid

MS

de snelheid waarmee de dochters melk geven

• AMS Efficiency

Eff

• AMS interval

Int

• AMS gewenning

Gewen

• lichaamsgewicht

Gew

het gewicht van de dochters

• persistentie

Pers

de persistentie in de lactatie

• laatrijpheid

RTM

de persistentie over de eerste drie lactaties

• kg drogestof opname

DSopn

• besparing voerkosten voor onderhoud (euro/lactatie)

BVK

Hoofdstuk 4 Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

65


66

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


HOOFDSTUK 5

Fokkerij op jouw bedrijf Met fokkerij werk je aan een nieuwe generatie van koeien die nog beter passen bij jouw bedrijf. Je bepaalt je eigen bedrijfsspecifieke fokdoel en stippelt de strategie uit om dat doel te bereiken. Daarvoor selecteer je op fokwaarden voor diverse eigenschappen. Je maakt gericht een keuze uit het aanbod stieren en uit de verschillende rassen.

In dit hoofdstuk: 5.1 Fokdoel 5.2 Fokkerijstrategie: hoe bereik je jouw fokdoel? 5.3 Selectie koeien en stieren op bedrijfsniveau

Bijlage Rassen die passen

67


5.1

Fokdoel De keuze die je vandaag maakt bij het insemineren van je koeien, zie je over zo’n drie jaar terug in melkgevende dochters. Voor de veestapel van de toekomst moet je dus nú strategische keuzes maken. Dat begint met het formuleren van een fokdoel. Het fokdoel omschrijft jouw ideale koe. Daarbij staat economie vaak centraal. Logisch, je hebt immers een melkveebedrijf om een inkomen te verdienen. Maar de manier waarop is voor elk bedrijf en iedere ondernemer anders. Bij het formuleren van een fokdoel moet je dus nadenken over jouw specifieke bedrijfsomstandigheden, bedenken wat jij als ondernemer wilt bereiken en welke koe daarbij past.

Bedrijfsomstandigheden en persoonlijke stijl

De bedrijfsomstandigheden en jouw persoonlijke stijl zijn van groot belang bij het bepalen van het fokdoel. Wat vind je belangrijk, wat is je managementstijl en wat zie je graag terug bij je vee? Dat bepaalt met welk type koe je het beste werkt. Een voorbeeld: als je veel wilt weiden, zul je een ander slag dieren nodig hebben dan bij jaarrond opstallen. Ook exterieur en gezondheid kunnen onderdeel zijn van je fokdoel. Mogelijk wil je meer

68

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


aandacht voor bepaalde eigenschappen, bijvoorbeeld uiergezondheid of beengebruik. Rendement, levensduur, keuringssucces: het kan allemaal in het fokdoel terugkomen. Ook emotie speelt een rol. Jij bepaalt zelf met welke koeien je wilt werken.

Hoe snel ga je vooruit in de fokkerij: erfelijkheidsgraad

Om het fokdoel sneller te realiseren biedt CRV hulp met Fokken op Maat

Bij het bepalen van je fokdoel moet je je realiseren dat je niet elke eigenschap even goed kunt bijsturen met fokkerij. De mogelijkheden zijn afhankelijk van de erfelijkheidsgraad en de spreiding. De erfelijkheidsgraad is een getal tussen 0 en 1 dat aangeeft in hoeverre een eigenschap via de genen wordt doorgegeven. Hoe hoger de erfelijkheidsgraad, hoe meer invloed de fokkerij heeft. Het getal geeft aan welk percentage van de verschillen die je ziet in de prestatie van dieren, erfelijk is. Hoogtemaat en melkproductie bijvoorbeeld scoren hoog, met erfelijkheidsgraden van respectievelijk 0,60 en 0,50. Deze kenmerken zijn dus gemakkelijk door fokkerij te verbeteren. Kenmerken met een lage erfelijkheidsgraad zijn bijvoorbeeld afkalfgemak (0,07) en vruchtbaarheid (0,03). Dit betekent voor vruchtbaarheid dat slechts 3% van de verschillen tussen koeien wordt verklaard door de erfelijke aanleg. De overige 97% komt door omgevingsfactoren, zoals voeding en huisvesting. Met managementmaatregelen kun je sneller verbeteren, maar door zo’n kenmerk consequent mee te nemen in je fokdoel verbeter je op de lange termijn. En belangrijker misschien wel: je zorgt ervoor dat je niet achteruitgaat op dit kenmerk.

Hoe snel ga je vooruit in de fokkerij: spreiding

Een ander belangrijk element voor vooruitgang in de fokkerij is spreiding. Hoe meer spreiding in een populatie, des te meer vooruitgang er mogelijk is met fokkerij. Een grote spreiding betekent dat er grote verschillen zijn tussen de beste en de slechtste dieren. Bij koeien is er bijvoorbeeld meer spreiding in vetgehalte dan in eiwitgehalte. Het verhogen van het vetgehalte met fokkerij is daarom gemakkelijker dan het verhogen van het eiwitgehalte.

Kruisen betekent naast heterosis ook een variatie van kleuren in de stal

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

69


Uit twee zwartbonte ouders kan een rood kalf geboren worden

Heterosis: bonus bij kruisen

Door het kruisen van twee niet-verwante ouderlijnen of rassen krijg je heterosis. Dat houdt in dat het product van een kruising beter presteert dan het gemiddelde van de ouders. Zeg maar: dat 1 + 1 bij heterosis 3 is. Bijvoorbeeld als je op basis van beide ouders een melkproductie verwacht van 9.000 kg melk, terwijl de dochter 9.500 kg melk produceert. Hoe minder verwantschap er tussen de ouders/rassen is, des te groter het effect. Heterosis heeft vooral uitwerking op gezondheid en vruchtbaarheid, het zorgt voor meer vitaliteit. Dat is het sterkst bij de eerste kruising van rassen, bijvoorbeeld holstein en jersey. Als je daarna nog een keer kruist met een van deze rassen neemt het heterosiseffect weer af.

CRV biedt met de stieradvies­programma’s SAP en StierWijzer een hulpmiddel bij het maken van de juiste stierkeuze.

Een inteeltdepressie kenmerkt zich door verminderde weerstand, met als gevolg een slechtere gezondheid en vruchtbaarheid Inteeltdepressie kost gezondheid en vruchtbaarheid

genetische afwijkingen

Inteeltdepressie is het tegenovergestelde van heterosis. Als je familieleden met elkaar paart, is er sprake van inteelt. Bij het combineren van een koe en een stier werken adviesprogramma’s met maximaal 6,2% inteeltgraad. Een te hoge inteeltgraad kan een inteeltdepressie tot gevolg hebben. Een inteeltdepressie kenmerkt zich door verminderde weerstand, met als gevolg een slechtere gezondheid en vruchtbaarheid.

70

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

Zo voorkom je paringen van verwante dieren en paringen met een verhoogd risico op


ÉÉN OUDER IS DRAGER drager

drager

drager

BEIDE OUDERS ZIJN DRAGER

geen drager

geen drager

geen drager

drager

dubbeldrager

drager

drager

drager

geen drager

Als je twee dragers paart, is de kans 25% dat de nakomeling het recessieve gen van beide ouders krijgt en ‘dubbeldrager’ is

Praktisch Hoe voorkom je erfelijke gebreken?

Blad (bl), brachyspina (by), cholesterin deficit haplotype (cd) en cvm (cv) zijn erfelijke gebreken die door sterfte van dieren veel schade kunnen veroorzaken. Het zijn zoge­ naamd recessieve erfelijke eigenschappen. Dat betekent dat een dier alleen ziek wordt als het van beide ouders het betreffende gen krijgt. Als dieren het gen van een van de ouders meekrijgen zijn ze niet ziek, maar kunnen ze het gen wel doorgeven aan de volgende generatie. Deze dieren noemen we heterozygoot of ‘drager’. Als je twee dragers paart, is de kans 25% dat de nakomeling het recessieve gen van beide ouders krijgt en daarmee homozygoot of ‘dubbeldrager’ is. Alle stieren worden getest op verschillende erfelijke gebreken. In overzichten staat de uitslag achter de naam van de stier. Bijvoorbeeld: Snowfever cd. Door bepaalde paringen te vermijden, kun je deze erfelijke gebreken terugdringen en zelfs helemaal uit de populatie fokken. Een stieradviesprogramma kan je helpen om erfelijke gebreken te voorkomen.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

71


Goed om te weten

Voor fokkerij op een rode haarkleur kies je roodbonte stieren of stieren met de roodfactor, rf

Fokken op haarkleur, hoornloosheid en A2A2-melk Naast eventuele erfelijke gebreken kunnen stieren ook andere toevoegingen achter hun naam hebben staan. Rf bijvoorbeeld staat voor roodfactor. Een zwartbonte stier met roodfactor zal in combinatie met een roodbonte koe 50% zwartbonte en 50% roodbonte kalveren geven. Roodbont is in dit geval recessief, zwartbont dominant. De vererving zal op dezelfde manier plaatsvinden als in het schema op de vorige pagi­ na, waarbij de drager een koe of stier is met roodfactor. A2A2-melk bevat een specifieke variant van het eiwit caseïne waaraan positieve gezondheidseffecten worden toegeschreven. Een koe geeft melk met uitsluitend de A2A2-variant als ze van beide ouders het gen voor de gewenste caseïne heeft meegekregen. Om deze eigenschap in je veestapel te behouden, kies je homozygote stieren die de eigenschap doorgeven (A2A2-stieren). Net als de bovengenoemde erfelijke ziekten komt hoornloosheid van nature voor in de holsteinpopulatie. De eigenschap hoornloosheid is dominant. Dat betekent dat zowel dragers als dubbeldragers hoornloos zijn, maar er is wel een verschil in het doorgeven bij een paring. Van een homozygoot hoornloze stier (PP) blijven alle kalveren hoorn­ loos. Als je een heterozygoot hoornloze stier (Pp) gebruikt, ontwikkelt de helft van de geboren kalveren geen horens. Hoornloosheid wordt op de stierenkaart aangeduid met PP of Pp.

72

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


5.2

Fokkerijstrategie: hoe bereik je jouw fokdoel? Als je jouw fokdoel duidelijk hebt bepaald, is de volgende stap: nadenken over de strategie. Hoe wil je het fokdoel bereiken? Daarvoor kijk je naar de prestaties, afstamming en genetische waarde van de dieren op jouw bedrijf. Wat heeft je veestapel nodig om het fokdoel te verwezenlijken? In deze paragraaf vind je voorbeelden van verschillende fokkerijstrategieĂŤn. Je fokdoel bereik je onder meer met de stierkeuze. Daarin kun je verschillende beslissingen nemen. Blijf je bij je eigen ras? Ga je inkruisen? En zo ja: met welke rassen, en welk kruisingsschema houd je aan? Allemaal vragen waar je een antwoord op moet geven voordat je je uiteindelijke keuze maakt op de stierenkaart. Hierna is een aantal mogelijkheden uitgewerkt.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

73


Strategie 1: lage kosten en hoge marges

Door de soms heftige bewegingen op de zuivelmarkt wisselen pieken en dalen in de melkprijs elkaar af. Als je met fokkerij hierop wilt inspelen, kies je stieren die een hoge levensduur doorgeven en veel kilo vet en eiwit. Je verlaagt daarmee de kostprijs door het aantal productieve dagen per koe te vergroten en de (melkgeld)opbrengst per dierplaats te verhogen. Met een langere levensduur kun je de opfokkosten uitsmeren over een hogere levensproductie. Bij een hogere productie per koe wordt de kostprijs verlaagd door lagere huisvestingskosten per kilo melk. Hogere inkomsten realiseer je door te fokken op hogere gehalten. Kilo eiwit is daarbij de hoogste opbrengstverhoger.

 Praktisch Hoge NVI past bij kosten- en margestrategie

Als je met jouw fokkerijstrategie lage kosten en betere marges nastreeft, is de NVI een goed hulpmiddel. De berekening van deze index is namelijk sterk gericht op zo­ wel levensduur als het aantal kilo eiwit. Stieren met een hoge NVI-score passen dus goed bij deze strategie.

Wil je inspelen op de pieken en dalen in de melkprijs, kies dan stieren met een hoge levensduur Strategie 2: selectief inzetten melk- en vleesstieren

Als je snel genetische vooruitgang wilt blijven boeken, kan een combinatie van gesekst sperma en vleesrassen een goede strategie zijn. Je kiest dan voor gesekst sperma van topstieren en insemineert daarmee alleen je beste koeien of pinken. De genetische vooruitgang gaat snel doordat er uit jouw topkoeien bijna uitsluitend vaarskalveren worden geboren. Het ondereind van de veestapel insemineer je met vleesstieren. Het kruisingskalf brengt door een betere vleesproductiegeschiktheid meer op dan gewone holsteinkalveren. Met de extra opbrengsten van die kalveren compenseer je de extra kosten van het gesekste sperma. Ook van vleesstieren is gesekst sperma beschikbaar, waarmee je ervoor kunt zorgen dat je (vrijwel) uitsluitend stiertjes krijgt. Let bij vleesrassen op de eigenschappen voor geboorteverloop van de stieren. Een vlotte kalving is een voorwaarde. Voor deze gebruikskruisingen is een aantal rassen interessant. Belgisch witblauw is het meest gebruikte vleesras.

74

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


Praktisch Rekenvoorbeeld

Een melkveebedrijf heeft 100 melkgevende dieren met een gemiddelde leeftijd van 4,04 jaar, en daarnaast 30 dekrijpe pinken. Het aantal inseminaties per dracht is bij de koeien 2, bij gesekst sperma 2,5, en bij de pinken 1,7. Het gewenste vervangings­ percentage is 25. De veehouder wil op jaarbasis 25 vaarskalveren van zijn beste koeien en pinken, en gebruikt daarvoor gesekst sperma. Hij selecteert hiervoor in totaal 35 dieren: 15 pinken en 20 koeien. Hij houdt daarmee rekening met eventuele uitval en met het feit dat gebruik van gesekst sperma in 90% van de gevallen een vaarskalf oplevert. De overige koeien insemineert hij met een Belgisch-witblauwstier. Voor de overige pinken gebruikt hij conventioneel sperma van melkveestieren die goed scoren voor afkalfgemak. Meerkosten Gesekst sperma is gemiddeld € 25 duurder dan ‘gewoon’ sperma. 15 pinken x 1,7 rietjes per dracht x € 25 meerkosten per rietje = € 637,50 20 koeien x 2,5 rietjes per dracht x € 25 meerkosten per rietje = € 1.250 Totaal aan extra kosten = € 1.887,50 De kosten voor inseminaties met sperma van de Belgisch-witblauwstier zijn ongeveer even hoog als de kosten voor conventionele inseminaties. Meeropbrengsten Bij een vervangingspercentage van 25 worden 25 van de 100 dieren afgevoerd. Van de resterende 75 koeien selecteert de veehouder er 20 voor de fokkerij en insemi­ neert hij er 55 met een vleesras. Bij een uitval van 9% resteren er dus 50 kruisings­ kalveren voor de verkoop. Belgisch witblauwe kruislingen leveren gemiddeld € 100 meer op dan ‘normale’ stierkalveren. De extra opbrengst is dus: 50 kalveren x € 100 extra opbrengsten = € 5.000 CRV begeleidt veehouders bij het inzetten van gesekst sperma en gebruikskruisingen met Belgisch witblauw, in het concept Fokken met gesloten beurs

Het resultaat • De veehouder heeft 25 vaarskalveren van zijn allerbeste dieren. • Hij heeft € 5.000 opbrengsten - € 1.887,50 kosten = € 3.112,50 extra opbrengsten.

Gesekst sperma: ook bij Belgisch witblauw

Van Belgisch-witblauwstieren is ook gesekst sperma beschikbaar. Door het gebruik van dit sperma heb je 90% kans op een stierkalf.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

75


Goed om te weten

In plaats van het drachtig maken van de koe met sperma kun je ook kiezen voor een embryo

Fokken met embryo’s

Vooruitgang in NVI­punten per lactose schaalverdeling

Je kunt in het streven naar een veestapel met topgenetica ook kiezen voor hoog­ waardige embryo’s in plaats van gesekst sperma. Dat kan op twee manieren. Je kunt een eigen koe of veelbelovende pink spoelen en de embryo’s inzetten. Je kunt ook embryo’s aankopen. Dit kan bijvoorbeeld via het Delta Satelliet-programma.

250 FOKKERIJSYSTEEM MET CONVENTIONEEL SPERMA

FOKKERIJSYSTEEM MET SIRYX

FOKKERIJSYSTEEM MET EMBRYO’S EN SIRYX

200

150 Groei in NVI 100

50 0 Genetische vooruitgang op veestapelniveau Genetische hoogste dier met gesekst sperma Genetische middelste dier met conventioneel sperma Genetische lager dier met bwb­gebruikskruising Genetische laagste dier met embryo’s

De gekozen fokkerijstrategie bepaalt de vooruitgang in NVI (Bron: CRV)

76

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

Fokkerijsysteem


Het inkruisen met een ander ras kan een geschikte manier zijn om grote veranderingen in je veestapel door te voeren

Strategie 3: kruisen verschillende rassen

In een kruisingsstrategie kies je bewust voor stieren van een ander ras. Een veelgenoemde reden om te kruisen is het verbeteren van de gezondheidskenmerken en de levensduur van de veestapel. Kruisen levert namelijk heterosis op en daarmee een betere gezondheid, vruchtbaarheid en levensduur. Het inkruisen met een ander ras kan een geschikte manier zijn om grote veranderingen in je veestapel door te voeren of een heel ander type koe te fokken dan je nu hebt.

Welke rassen komen in aanmerking?

In Nederland en Vlaanderen heeft een behoorlijk aantal melkveebedrijven ervaring met het inkruisen met fleckvieh, brown swiss, montbéliarde en Zweeds roodbont. Ook jerseys en de Oudhollandse rassen kunnen dienstdoen in kruisingen: blaarkop, fh, mrij en ook de Belgische rassen witrood, rood en witblauw-mixte worden gebruikt.

Bepaal je fokdoel, denk na over je strategie en maak pas daarna een stierselectie Verschillende manieren om te kruisen Meer informatie over verschillende rassen vind je in de bijlage Rassen die passen

Bij het kruisen met andere rassen is het zaak om na te denken over de lange termijn. Kies je bijvoorbeeld voor een eenmalige kruising waarna je weer terugkruist naar het huidige ras? Of wil je het ‘nieuwe’ ras blijvend inzetten? Dat zijn wezenlijke verschillen. Hierna de belangrijkste kruisingsschema’s op een rij.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

77


De vraag bij kruisen is vooral: welk ras kies je en wat ga je na de eerste kruising doen?

het concept CrossFit

1. Verdringingskruising Als je blijft kruisen met het nieuwe ras wordt het oorspronkelijke ras uiteindelijk verdrongen. Dit heet een ‘verdringingskruising’. Na een aantal generaties kan je veestapel bestaan uit bijvoorbeeld fleckvieh. De kenmerken van het nieuwe ras worden bij deze manier van kruisen sterk verankerd in de veestapel.

78

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

CRV ondersteunt en adviseert bij het uitvoeren van een kruisingsstrategie, met


MET 2 RASSEN Rotatiekruising

MET 3 RASSEN Rotatiekruising

2. Rotatiekruising Bij een rotatiekruising zet je telkens een ander ras in. Een voorbeeld is een driewegrotatie van brown swiss, holstein en fleckvieh. Je kunt de rotatiekruising ook met twee of vier rassen uitvoeren. Door een vaste volgorde van rassen in de stierkeuze aan te houden, combineer je de kenmerken van de rassen en benut je telkens het heterosiseffect. Een ander voordeel is dat je de kans op inteelt verkleint. Na een aantal generaties wordt de veestapel letterlijk kleurrijk door de mix aan rassen. Om toch uniformiteit in je veestapel te behouden, moet je een gerichte stierkeuze uitvoeren. Je hebt kennis nodig van de afzonderlijke rassen om deze kruisingsvorm succesvol toe te passen.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

79


Verdelingskruising

3. Veredelingskruising Als het doel is om specifieke kenmerken van een ander ras in de veestapel te fokken, kan een veredelingskruising geschikt zijn. Hierbij kruis je ĂŠĂŠn of twee keer met een ander ras. Daarna ga je weer terug naar het oorspronkelijke ras. Zo voeg je de sterke eigenschappen toe en blijven de goede eigenschappen van het oorspronkelijke ras bewaard. Het nieuwe ras helpt dus bij de veredeling van het oude ras. Bij deze kruisingsvorm ontstaat er wel veel variatie.

80

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


5.3

Selectie koeien en stieren op bedrijfsniveau Bij de selectie van ouderdieren spelen vele factoren een rol. De essentie is: welke koeien en welke stieren selecteer je en hoe maak je de beste paringen? Prestaties van het dier

De uitvoering van jouw fokkerijstrategie begint met het selecteren van de koeien. Van welke koeien wil je dochters melken? Van welke dieren verwacht je het meeste rendement en plezier? Voor de beste selectie kijk je naar de prestaties van een dier en naar de erfelijke aanleg, samen verwerkt in fokwaarden. Dat geeft je in de selectie de maximale slagkracht. Als je naar de prestaties van het dier kijkt, moet je eerlijk vergelijken. Als je deelneemt aan de mpr, kun je kijken naar de lactatiewaarde. De lactatiewaarde geeft aan hoeveel een koe boven (>100) of onder (<100) het gemiddelde van de veestapel scoort voor productie, te weten melk, vet, eiwit en lactose. Het is slim om bij de selectie van de beste dieren ook gezondheid en vruchtbaarheid mee te nemen. Zieke dieren kosten tijd, geld en werk. In grote koppels is het soms lastig om van alle dieren te onthouden of ze problemen hebben gehad. Managementprogramma’s zoals

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

81


VeeManager bieden daarvoor een oplossing, met overzichten van relevante kengetallen. Nog een factor die van belang is bij koeselectie is het exterieur.

Naast productie zijn ook kenmerken als gezondheid en vruchtbaarheid van belang bij de selectie van de beste koeien Meer over vrucht­baarheid lees je in H7. Vruchtbaarheid Meer over mprgegevens en gezond­ heidsdata lees je in H9. Een efficiënt en gezond presterende veestapel

Erfelijke aanleg in FokkerijOverzicht

Naast de eigen resultaten speelt de erfelijke aanleg van het dier een belangrijke rol bij de selectie. Fokwaarden geven de erfelijke aanleg voor een bepaald kenmerk weer. Als je deelneemt aan het stamboek, kun je gebruikmaken van het FokkerijOverzicht. Daarin staan de dieren (en drachtigheden) gerangschikt op fokwaarden. Je kunt deze per dier vergelijken met het stalgemiddelde en het landelijk gemiddelde. Zowel prestaties en genetica alsook (eventuele) genomics zijn hierin verwerkt. Dat maakt het werken met deze fokwaarden in de selectie zeer betrouwbaar. Het FokkerijOverzicht is ook een prima hulpmiddel om te bepalen of je met je fokkerijstrategie nog op koers ligt.

Fokwaarden zijn zeer betrouwbaar omdat zowel de prestaties en de genetica alsook de genomics hierin verwerkt zijn

De stierkeuze

Om het fokdoel te vertalen naar de dagelijkse praktijk moet je stieren uitzoeken die de eigenschappen doorgeven om je doel te bereiken. Dat hoeven niet per se de stieren te zijn die boven aan de stierenkaart staan. Jouw bedrijfseigen fokdoel vraagt om een stierkeuze die specifiek bij jouw bedrijf past. Coöperatie CRV publiceert drie keer per jaar de fokwaarden van de beschikbare stieren.

82

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


Praktisch Mrij Jochem

Saturnus

(Bernard x Dos 4 x Matthijs)

(Remco x Menno x Kian)

• Pinkenstier

• Efficiënte dochters

• Beste gehalten

• Super gehalten

Irma 539, eig.: P. H. G. Groot Koerkamp, Lettele

• Best beenwerk

BETTER LIFE GEZONDHEID +2%

BETTER LIFE GEZONDHEID -2%

BETTER LIFE EFFICIËNTIE +1%

BETTER LIFE EFFICIËNTIE +2%

Melkrijke dochters van Saturnus

mrij

6452 1 3 —

Buster x Daniel

+4%

+2% 139

93 102 107 111 100 105

Donald 563 x Nicator

+0%

+6%

73 102 102

Buster x Lars

-1%

+2%

67

86 103 101 105 100

94 101 100 103 97

940859 BERNARD

354 1 26

Baltimore x Marnuel

+5%

+1%

60

99 105

940955 MUSTANG

4325 1 6

Owen x Daniel

+2%

+4%

53

98 101 103 100 101 107

94 1 553 SATURNUS

4536 1 2

Remco x Menno

-2%

+2%

46 101

94 1 433 CONSTANT

53 1 462

Albert x Baltimore

+0%

+1%

18

940699 MORENO

4352 1 6

Menno x Dorus

-1%

-3%

Rudolf x Baltimore

+2%

+2% 101

97 103 103 102

98 101

-29 100

99 100 106 112

98

98 100

99

92

97 106

98 102

89 -439 +.24 +.09 87

987 -.42

90

-41 +.11 +.09

-.18 13 5

4

88 -414 +.40 +.22

6

-2

87

165 +.25 +.04 24

9

80

201 +.57 +.25 47

84 -333 +.50 +.10 16

23 131

klauwhoek

totaal exterieur

bespiering

type

frame

vleesindex (vli)

98 226

25 101 -6

76

0 101

96 125

+1 105

87 101

34

24 200

96 -197

nb

-6

-2

94

44

6

31

4

97 105 103

96 104 104 102 100

91 101

95

98

99

95

95 101

99

99 105 102

99 100 102

99 104

99

97 104

99 102 103 102 103 105

98 103

103 105

93

105 107 109 103 102

99

89 103

97 103 104 97 100

16

100 100 104 107

95

97

102

97 106 104

96 105 103

94 107 104 103

220004

a

a

24

nb 101

101 103 100 107 101

98 104

101

92 101 104

101

99 100 101

98 103

99 109 107 111

216167

a

a

14/40**

90 -203

-1 100

103

97 102

96

95

104

97 104 106

104 103

99 100 104 103 103

205681

a

a

nb 109

108 103 103 103 102 104 104

103 100 103 103 100 101 101

102

99 101 102

103

99 103 101 102 100

-74 +.11 +.14

94 103 100 102 105 107

vw

196 +.26 +.07 26

12 104 100 -37

vw

92

97 104 106

97 106 110 99

99 100 100

94

105 104

95 101

88

98

99 105 103 104

98 102 104

97

94

97 100 100 101 99

107 106 103

92

95

12

** SiryX reserveren (artikelcode 237708)

Jonge mrij-stieren 942206 WILHELM*

beschikbaarheid NL

100

artikelcode conventioneel

a

ophangband

210927 vrij

achteruierhoogte

100 101

102

uierdiepte

102 102 104 104

97 104

speenlengte

18

+3 100

vooruieraanhechting

a

beengebruik

209235 vrij

beenstand zij

102 102

beenstand achter

102 101 104 102

kruisbreedte

18

104 106 103 103 103 103 105

kruisligging

20

a

conditie

a

205199 vrij

95

openheid

209234 vrij

99 102 104 104 101 104

104

voorhand

99 100 100

99 100 103 104

105

96

hoogtemaat

99

94

karakter

22

93

95 100

melksnelheid

a

101 105

bevruchting

205243 vrij

96 102 101

levensduur (dgn)

940 1 06 KOEN

942286 KOMEET

BESTELLEN

103 101 103 105

95

+2

Inet (€)

UIER

102 107 108 105 100 101 101

+1

kg eiwit

BEENWERK

brutospermaprijs* conventioneel

FRAME EN TYPE

beschikbaarheid VLA

TOTAAL

-5 -11 -63 104 393

kg vet

% eiwit

% vet

kg melk

% betrouwbaarheid

afkalfgemak

ketose

uiergezondheid

klauwgezondheid

vruchtbaarheid

geboortegemak

NVI

EFFICIËNTIE

(Het geboortegemak ligt bij mrij op zwartbontbasis 3 punten hoger en op roodbontbasis 2 punten hoger)

940 1 85 DIRK 940858 FLAVIO

afstamming

Better Life Efficiëntie

aAacode

A2A2

stiercode

naam

Better Life Gezondheid

GEZONDHEID = NIEUW

beenwerk

levert ook extra opbrengsten uit omzet en aanwas.

inhoud

X

die eiwitrijke melk produceert. De goede bespiering

uier

holstein x mrij fokt u een compacte en vruchtbare koe

Mrij-fokstieren

Saturnus is de absolute productietopper in ons mrij-aanbod. Hij is grensverleggend, met +201 kg melk, ruim +0,57% vet en +0,25% eiwit. De moeder van Saturnus, Suzan 515 van Frank van der Heijden, is daar een mooi voorbeeld van. Zij maakte lijsten van 9.000 liter met 5% vet en ruim 4% eiwit. Saturnusdochters zijn gemiddeld van hoogtemaat, met veel lengte in het melkrijke

h o l s tei n

Met de CrossFit Gezondheid-kruising

frame. De uiers zijn zowel voor als achter voorzien van een beste speenplaatsing. Ook de uiergezondheid (103) is bovengemiddeld. Daarnaast stappen de dames op best beenwerk (104). Saturnus is bovendien geschikt voor pinken en draagt geen Baltimorebloed. Dat maakt hem geschikt voor breed gebruik.

achterspeenplaatsing

KRUISING: HOLSTEIN X MRIJ

CROSSFIT GEZONDHEID

voorspeenplaatsing

• Vruchtbare dochters

Saturnusdochter

99

238827

a

a

16

+0%

+2%

97

92 101 100 105 102

261 -.04 +.11

9

17

91

99

56

nb 100

103 101 101 105 103 100 104

101 102 106 106

98

101 102 103 103

99 106

99 100 105 105 104

238070

a

a

16

Bernard x Dos 4

+2%

+1%

50

97 102

99 100 103 107

vw -192 +.22 +.13

5

1

11

98

11

nb 102

100 107 104 104 103 104 106

105 102 104 103 100 103 103

101 100 100 105

105 103

95 104 100 103 102

23866 1

a

a

16

942259 DIK TROM

42635 1

Thor x Baltimore

+1%

-2%

46

97 101 101 103 102 100

vw -228 +.26 +.05

6

-5 -12 100 -150

nb 101

104 100 101 104 105 102 105

102 100 101 101 102 101

97

103 102 102 105

105 101

98 104 101 103 101

2386 1 6

a

a

16

942 1 68 PRIMEUR P*

43526 1

Don Quichot x Ewald

+0%

-2%

-5 104

-4

nb 106

94 100

102 101 102 101

103 104

99 102 102 103 102

236536

a

a

12

942258 JOCHEM

53 1 462 Koen x Remco —

* Bevat 25% holstein

18

99 100

99

98

98 102

vw

-50 +.22

-.03 12

0

98 -149

PP = 1 00% hoornloze nakomelingen, P = 50% kans op hoornloze nakomelingen

CRV Stierenaanbod april 2020

100

97

98 104 102

97 101

99

98 102 103

98

97

99

Alle mrij-stieren zijn robotgeschikt

CRV Stierenaanbod mrij

* Toelichting op de kortingen zie pagina 22

19

Drie keer per jaar verschijnt er na de indexdraai een nieuwe stierenkaart

Stierenkaarten

CRV publiceert na elke indexdraai, dus drie keer per jaar, een uitgebreid magazine met het stierenaanbod. Hierin worden de stierenkaarten per ras en de uitgebreidere informatie van uitgelichte stieren gepubliceerd. Daarnaast verschijnen er korte stieren­ kaartoverzichten met bijvoorbeeld het aanbod gehaltenstieren, de selectie aAa-stieren en het TPI-aanbod (Amerikaans-Canadese stieren). De stierenkaarten voor Belgisch witblauw zuiver ras en die voor de vleesveerassen verschijnen één keer per jaar.

De fokwaarden van stieren die al dochters aan de melk hebben, zijn het meest betrouwbaar. Wil je gebruikmaken van de jongste generatie stieren, dan kies je voor genomicstieren. Deze hebben nog geen dochters aan de melk, hun fokwaarden zijn gebaseerd op dna-onderzoek. Uit resultaten blijkt dat de genomicfokwaarde van de stier gemiddeld dicht bij de berekende fokwaarde ligt die de stier later krijgt na het aan de melk komen van zijn dochters.

Stieren uit het buitenland vergelijken

Je kunt in je selectie ook buitenlandse stieren meenemen. Met omgerekende fokwaarden zijn deze te vergelijken met de in Nederland en Vlaanderen geteste stieren. Het omrekenen van de fokwaarden is nodig omdat de oorspronkelijke fokwaarden zijn gebaseerd op de productieomstandigheden in het land van herkomst. Ook is er natuurlijk sprake van een basisverschil. Het in Zweden gevestigde Interbull verzorgt de omrekening van alle stieren uit de hele wereld. Deze zijn ook verwerkt in het fokwaardeoverzicht van Coöperatie CRV.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

83


Praktisch Slim stieren selecteren Om snel een stier te vinden die past bij je wensen, kun je op de website van CRV bij het aanbod van de stieren selecteren op verschillende kenmerken en eigenschap­ pen. Onder andere de hoornloze stieren en stieren die A2A2 doorgeven, zijn zo gemakkelijk te vinden.

Op internet kun je makkelijk stieren selecteren met de voor jou gewenste eigenschappen

De juiste stier bij elke koe

advies achter de koe

Als je een aantal stieren hebt uitgezocht, moet je bepalen welke stier bij welke koe past. Topstieren hebben soms ook matige dochters en van matige stieren zijn ook toppers geboren. Voor de perfecte match moet je weten op welk vlak de vader en de moeder elkaar aanvullen en elkaars minder sterke punten compenseren. Met veel verschillende fokwaarden, een flink wensenpakket en de eigenschappen van de koe en de stier naast elkaar is het matchen een ingewikkelde puzzel. Je wilt bovendien inteelt zoveel mogelijk voorkomen, erfelijke gebreken uitsluiten en geen moeilijke geboorten. Gelukkig zijn er in de praktijk stieradviesprogramma’s. Daarnaast bieden fokkerijorganisaties graag persoonlijk advies.

84

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

CRV heeft ook adviseurs beschikbaar voor Fokkerij­


Goed om te weten Koeien en stieren matchen met aAa-codes Het paringssysteem aAa (triple A) helpt bij het maken van de beste combinatie tussen koe en stier op basis van de bouw. Uitgangspunt is dat koe en stier elkaar moeten aanvullen: een ronde stier levert zijn beste nakomelingen bij een scherpe koe en andersom. Het systeem gaat uit van zes skeleteigenschappen, aangeduid met cijfers 1 tot en met 6. Elk dier kan worden getypeerd met een volgorde van deze cijfers. Bij stie­ ren staat de code voor wat het dier te bieden heeft, in volgorde van belang. Bij koeien drukt de code uit wat het dier tekortkomt. Hoe beter de code van een stier overeen­ komt met die van een koe, hoe beter ze elkaar aanvullen. Een koe met code 156 en een stier met code 156 betekent een 100% aAa-match. Om het systeem te gebruiken moet je je koeien laten analyseren. De cijfers in de triple A-systematiek geven dus geen waardeoordeel. Ze zeggen ook niets over fokwaarden voor bijvoorbeeld productie-eigenschappen. CRV heeft een speciale aAa-stierenkaart, waarop naast fokwaarden ook aAa-codes staan. Ook online zijn alle aAa-codes van de stieren te vinden.

Het maken van de juiste match tussen koe en stier is soms een hele puzzel

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

85


Goed om te weten

In Wirdum staan veelbelovende vrouwelijke dieren die voor het fokprogramma ingezet worden

Selectie voor CRV-fokprogramma CRV heeft een fokprogramma om de leden te helpen bij het genetisch verbeteren van hun veestapel. Dit gebeurt met sperma van de stieren uit het fokprogramma. Daarvoor worden steeds de beste dieren voor de volgende generaties geselecteerd. De vrou­ welijke dieren in dit programma komen deels voort uit eigen fokkerij van CRV en deels uit aankoop bij veehouders. Voor de aankoop selecteert CRV potentiële stiermoeders op melkveebedrijven. Cri­ teria zijn: afstamming, merkerinformatie en fokwaarden gebaseerd op prestaties van het dier in de mpr en de bedrijfsinspectie. CRV test nakomelingen van deze koeien op genetische merkers en koopt daarna de beste dieren aan. Deze dieren komen vóór de leeftijd van 12 maanden naar het zogeheten donor- en opfokstation van CRV in Wirdum (NL). In deze stallen verblijven ook de pinken die CRV zelf heeft gefokt. Van de veelbelovende vrouwelijke dieren worden via ivf embryo’s gewonnen en verkocht aan veehouders. Uit de kalveren die hieruit worden geboren, selecteert CRV opnieuw de beste – op basis van een merkertest – en koopt deze terug. Als de donorpinken voldoende embryo’s hebben geproduceerd, worden ze geïnsemi­ neerd en mogen ze afkalven. Dan is het tijd om te laten zien of de genetische aanleg in de praktijk tot uitdrukking komt. Dat moet blijken uit de mpr en de bedrijfsinspectie. Dit gebeurt op verschillende testbedrijven door heel Nederland en Vlaanderen. De gekalfde dieren die nog steeds tot de genetische top van de populatie behoren en goede resultaten in de praktijk laten zien, worden opnieuw gespoeld voor nog meer potentiële fokstieren en stiermoeders. Ook de mannelijke dieren in het fokprogramma van CRV worden deels zelf gefokt en deels aangekocht bij veehouders. In totaal heeft CRV jaarlijks ongeveer 2.600 stierkal­ veren in beeld die de potentie hebben om fokstier te worden. CRV test deze stieren op merkers en zet hiervan 50 tot 55 stuks in als genomicstier in het InSire-programma.

86

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

87


Samenvatting Met fokkerij werk je aan een nieuwe generatie van koeien die nog beter passen bij jouw bedrijf. Dat begint met het bepalen van je eigen bedrijfsspecifieke fokdoel. Welke koe past bij jouw specifieke bedrijfsomstandigheden en bij wat je wilt bereiken? Daarbij richt je je op eigenschappen die je met fokkerij kunt beĂŻnvloeden. Vervolgens denk je na over de strategie. Er zijn verschillende mogelijkheden om je doel te bereiken. Dit hoofdstuk laat enkele voorbeelden zien. De eerste is een strategie die is gericht op lage kosten (hoge melkproductie) en hoge marges (gehalten). Vervolgens komt een strategie aan bod die is gericht op het selectief inzetten van de beste melkstieren in combinatie met vleesrassen voor het ondereind van je veestapel. Ten slotte krijgt het inkruisen met verschillende rassen aandacht. Bij de uitvoering van de strategie gaat het om het maken van de beste paringen. Bij de koeien selecteer je de beste dieren. Voor de stieren let je in eerste instantie op specifieke fokwaarden. Voor de perfecte match moet je weten op welk vlak de vader en de moeder elkaar aanvullen en elkaars minder sterke punten compenseren. Je wilt bovendien inteelt zoveel mogelijk voorkomen, erfelijke gebreken uitsluiten en geen moeilijke geboorten. Gelukkig zijn er in de praktijk stieradviesprogramma’s die je helpen bij deze ingewikkelde puzzel.   Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

87


Bijlage Rassen die passen Holstein is het meest gebruikte rundveeras in Nederland en Vlaan­ deren. Naast dit typische melkveeras zijn er verschillende andere runderrassen beschikbaar, onderverdeeld naar productiedoel: melk, vlees of dubbeldoel. Coöperatie CRV is door de Nederlandse en Vlaamse overheid erkend voor de uitvoering van de officiële stamboekregistratie van meer dan twintig rassen. Deze staan in de tabellen. Daaronder een korte beschrijving van de belangrijkste rassen. melkveerassen

dubbeldoelrassen

vleesrassen

brandrood (brr)

blaarkop (g)

aberdeen angus (aa)

brown swiss (bs)

fleckvieh (flv)

Belgisch witblauw (bwb)

holstein friesian (hf)

Fries-Hollands (fh)

blonde d’Aquitaine (ba)

jersey (jer)

lakenvelder (lv)

charolais (chl)

mrij

dexter (dex)

montbéliarde (mon)

hereford (her) limousin (lim) marchigiana (mar) piemontese (pim) verbeterd roodbont (vrb) wagyu (wag)

Stamboekrassen Nederland melkveerassen holstein friesian (hf)

dubbeldoelrassen Belgisch witblauw (bwb) rood (brd) witrood (bwr) Kempens roodbont (krb)

vleesrassen Belgisch witblauw (bwb) rood (brv) blonde d’Aquitaine (ba)

Stamboekrassen Vlaanderen

Melkveerassen Holstein friesian

Het holstein-friesianras, kortweg holstein, is ontstaan uit de Nederlandse Fries-Hollandse koeien. Amerikaanse fokkers kochten de beste Europese dieren en selecteerden ze voornamelijk op melkgift. Hierdoor kregen de koeien een melktypisch uiterlijk. In de jaren

88

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


zeventig begon de ‘holsteinisering’ in Nederland en Vlaanderen. Veehouders kruisten hun dieren massaal in met de melktypische Amerikaanse holsteins. Inmiddels is hf het meest verspreide ras ter wereld. De roodbonte holsteins worden red holsteins (rhf) genoemd. Het hf-ras staat bekend om zijn hoge melkproductie en goede uiervorm.

Brown swiss

Brown swiss is een melkras met als typische kenmerken: sterk gebouwd, een vierkante en vast aangehechte uier en sterk droog beenwerk dat krachtig wordt gebruikt en voorzien is van sterke, zwarte klauwen. De kruishoogte is ongeveer 144 tot 148 cm. De kleur van de vacht is karakteristiek grijsbruin, variërend van lichtgeelachtig of zilverkleurig tot donkerbruin. Rond de neusspiegel is het haar bijna wit en ook de haren van de oren zijn licht van kleur. Brownswisskoeien geven melk met een hoog eiwitgehalte en hebben een lange levensduur. Ze zijn goed vruchtbaar en hebben een normaal geboorteverloop.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

89


Jersey

De jersey (oorspronkelijk afkomstig van het Britse eiland Jersey) is een kleine, lichtgebouw­ de maar sterke en efficiënte melkkoe. De uier is ondiep, vierkant en vast aangehecht. De dieren hebben fijn droog beenwerk dat krachtig wordt gebruikt. De kruishoogte is ongeveer 125 tot 130 cm. De haarkleur is egaal bruin. Bijzondere raskenmerken zijn: lager dan gemiddelde melkproductie met een zeer hoog vetgehalte en een hoog eiwitgehalte, lange levensduur, goede vruchtbaarheid en een gemakkelijk geboorteverloop.

Dubbeldoelrassen Blaarkop

De blaarkop is een van oorsprong Nederlands (Gronings) dubbeldoelras. De blaarkop is een sterk en evenredig gebouwde melkkoe met een wigvormige romp, een kruishoogte van ongeveer 140 tot 142 cm, een soepele en vast aangehechte uier en sterk beenwerk dat vlot en krachtig wordt gebruikt. De haarkleur is zwart of rood. Typische raskenmerken zijn de witte kop met een ‘blaar’ rond de ogen en het wit boven de klauwen. De blaarkop kalft gemakkelijk, is voldoende bevleesd en kan de melkproductie lang volhouden.

90

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


Brandrood rund

Het brandrode rund is van oudsher een degelijke koe met goede overlevingseigenschappen. Brandroden zijn egaal diep donkerrood of bruinrood van kleur met witte aftekeningen: een witte kol, een witte buik, een witte staartpunt en witte sokken of onderbenen. De neusspiegel is blauwzwart. Op de kop en de poten neigt de kleur naar zwartachtig rood. De naam van het ras verwijst naar deze geblakerde kleur. Brandrode runderen zijn middelgroot en evenredig gebouwd. Het zijn rustige en vriendelijke dieren, zowel voor elkaar als voor de mens.

Fleckvieh

Fleckvieh is een dubbeldoelras dat zijn oorsprong heeft in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en TsjechiĂŤ. De fleckviehkoe is een goede melk- en vleesproducente. De dieren zijn ruim ontwikkeld en hebben een goed gevormde uier en correct beenwerk. De volwassen koeien hebben een hoogtemaat van gemiddeld ongeveer 140 cm. De melkproductie ligt gemiddeld op 8.000-8.500 kg melk met gemiddelde gehalten. De haarkleur is roodbont met een overwegend witte kop. De kalveren worden normaal geboren.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

91


Kempens roodbont

Het Kempens-roodbontrund is een robuuste, sobere, duurzame dubbeldoelkoe. Het oor­ spronkelijke fokgebied ligt in de Kempen en de Oostkantons in Vlaanderen. De haarkleur is roodbont, waarbij de rode vlakken duidelijk afgelijnd zijn ten opzichte van de witte delen. De kop moet rastype uitstralen. Deze is aan de kleine kant, tamelijk kort en breed. De hals heeft een brede aanzet aan de borst en moet een rechte bovenlijn hebben. De dieren zijn stevig gebouwd en hebben een gewillig karakter. Het is een dubbeldoelras met een goede melkproductie en voldoende vleeskwaliteiten. Volwassen koeien hebben een gewicht tussen de 600 en 700 kg. Ze worden gemiddeld 128 cm groot.

92

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


Fries-Hollands

Fries-Hollands (fh) is een oud Nederlands zwartbont dubbeldoelras. De roodbonte variant heet Fries roodbont. De fh-koe is een sterk gebouwde, goed bevleesde melkkoe, met die­ pe en goed gewelfde ribben en een kruishoogte van ongeveer 135 tot 142 cm. De koeien hebben een vierkante, soepele en vast aangehechte uier en sterk beenwerk dat vlot en krachtig wordt gebruikt, en klauwen die binnen en buiten even groot zijn. Naast een goede melkproductie wordt gestreefd naar een gunstige aanleg voor vleesproductie. De kalveren worden vlot geboren.

Lakenvelder

De lakenvelder is een Nederlands dubbeldoelras dat herkenbaar is aan de speciale kleuraftekening. Kenmerkend is de witte baan (laken) over de rug en de buik, terwijl de voor­ hand en de achterhand zwart of rood is zonder witte aftekeningen. De ideale hoogtemaat van een volwassen lakenvelder ligt tussen de 126 en 136 cm. De koeien produceren ruim 4.000 kg melk per jaar met vrij lage gehalten, maar de meeste lakenvelders worden gehou­ den als zoogkoeien. De dieren zijn sober en robuust en kalven gemakkelijk af.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

93


Montbéliarde

Montbéliarde is van origine een Frans dubbeldoelras. De montbéliarde is een zeer goed ontwikkelde, ruim gebouwde melkkoe met veel lengte en een hellend kruis. De kruishoog­ te is ongeveer 145 cm. De iets korte uiers zijn hoog en breed aangehecht. Het beenwerk, met veel bot, is sterk. De haarkleur is roodbont, de kop is overwegend wit. Sterke rasken­ merken zijn: een hoog eiwitgehalte en een goede geschiktheid voor de vleesproductie.

Mrij

Het Maas-Rijn-IJsselvee is een Nederlands dubbeldoelras. De mrij is een ruim gebouwde en goed bespierde roodbonte melkkoe met een sterke bovenbouw, een wigvormige romp, een licht hellend kruis en een kruishoogte van ongeveer 142 tot 144 cm. De koeien hebben een soepele en vast aangehechte uier en beenwerk dat vlot en krachtig wordt gebruikt. De haarkleur is roodbont. Mrij-koeien produceren ruim 7.500 kg melk per lactatie met een relatief hoog eiwitgehalte.

94

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


Vlaams rood

Het Vlaams-roodras (brd) komt oorspronkelijk voor in West-Vlaanderen. De runderen hebben een uniform dieprode haarkleur met kleine, witte vlekken op de kop, buik, uier en staartpunt. De neusspiegel is zwart of vlezig roze. De dieren hebben een zacht karakter. Volwassen stieren hebben een gewicht tussen de 1.000 en 1.300 kg. Ze worden gemiddeld 155 cm. De koeien hebben een gewicht tussen de 650 en 775 kg en worden gemiddeld 135 tot 142 cm groot. Naast het dubbeldoeltype zijn er binnen dit ras ook dieren van zuiver vleestype (brv).

Vlaams witrood

Het Belgisch-witroodras (bwr) komt oorspronkelijk voor op de zandgronden van OostVlaanderen. De haarkleur van de dieren is overwegend wit met op de kop en hals een typisch rode kleuraftekening. Op de romp en benen komen soms kleine rode vlekjes voor. Volwassen stieren hebben een gewicht tussen de 1.100 en 1.500 kg. Ze worden gemiddeld 155 cm groot. Volwassen koeien hebben een gewicht tussen de 700 en 850 kg. Ze worden gemiddeld 135 cm groot.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

95


Witblauw mixte

Het Belgisch-witblauwras heeft een extreem vleestype (zie volgende pag.), maar ook een tweeledig dubbeldoeltype: het witblauw-mixteras. In 1973 is deze splitsing in de fokkerij ontstaan. Mixte witblauwe is het meest gebruikte dubbeldoelras in Vlaanderen, waarbij er ook een fokprogramma gevoerd wordt ter verbetering van ongeveer 2300 geregistreerde dieren. De dieren van het witblauw-mixteras combineren een sterke bevleesdheid en een goede groei met een keurige melkproductie en prima vruchtbaarheid. Hun kleur varieert van geheel wit of witblauw (schimmelkleur) tot zwartbont. De witte variant komt het meest voor.

96

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


Vleesrassen Aberdeen angus

Aberdeen angus is een van oorsprong Schots vleesras. De dieren zijn van nature hoorn­ loos. Ze zijn eenkleurig zwart of rood, de uier kan wit zijn. De dieren zijn klein van formaat (koeien 115 tot 125 cm). Het ras wordt geroemd vanwege zijn superieure vleeskwaliteit met veel marmering en weinig bot. Het geboorteverloop is zeer gunstig. Kenmerkend is verder de soberheid van het ras. Het ras wordt ook ingezet in gebruikskruisingen met melkvee. De bevleesdheid is minder dan bij de Belgisch witblauwe kruislingen. Daartegenover staat dat het vlees door de mar­ mering een heel fijne kwaliteit heeft.

Belgisch witblauw

Belgisch witblauw is een vleesras met een evenredige bouw. De volwassen vrouwelijke dieren hebben een schofthoogte van ongeveer 134 cm. De haarkleur is wit, witblauw, zwart of zwartbont. De dieren zijn royaal bespierd en hebben een hoog slachtrendement. Het dikbiltype komt in grote mate voor met als gevolg dat meer dan 90% van de raszuivere kalveren geboren wordt met een keizersnede. Een speciaal fokprogramma levert stieren voor de gebruikskruising. Door gunstige cijfers voor afkalfgemak en geboorteverloop zorgen deze stieren voor een vlotte geboorte. De witte ‘witblauwe’ stieren zorgen in combinatie met een rood- of zwartbonte koe voor een blauw kalf. Blauwe ‘witblauwe’ stieren kunnen ook zwartbonte kalveren geven die minder onderscheidend van kleur zijn (zie beeld op volgende pagina).

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

97


Blonde d’Aquitaine

Blonde d’Aquitaine is een laatrijp vleesras dat opvalt door lengte en hoogtemaat en sterke benen. De dieren zijn van het langbiltype en hebben een hoog slachtrendement. De bespiering is zeer goed. Het zijn sobere dieren die gemakkelijk groeien. Er zijn weinig geboorteproblemen, meer dan 90% van de kalveren wordt op natuurlijke wijze geboren. De dieren zijn eenkleurig en de haarkleur kan worden aangeduid met tarwekleur (beige). Kruisingskalveren zijn eenkleurig vaal.

Charolais

Charolais is een Frans vleesras, sterk, breed en diep ontwikkeld, met recht beenwerk. De volwassen vrouwelijke dieren hebben een schofthoogte van ongeveer 142 cm. Het ras is laatrijp, vrij grof gebouwd en heeft een zeer geringe neiging tot vetaanzet. De dieren

98

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


hebben een zeer royale bespiering en een hoge groeicapaciteit. Ze kalven overwegend normaal af. Het geboorteverloop is zeer stierafhankelijk. De dieren hebben een sterke gezondheid, een goede vruchtbaarheid en kunnen goed tegen sobere omstandigheden, waardoor ze geschikt zijn voor landschapsbeheer. De dieren zijn eenkleurig, de haarkleur is wit. In een gebruikskruising met hf zijn de kalve­ ren eenkleurig vaal, met een witachtige kop.

Dexter

Dexter is van oorsprong een Iers/Engels vleesras. De kleine runderen zijn geheel zwart of rood. De koeien zijn 100 tot 110 cm en wegen gemiddeld 350 kg. Het beenwerk is droog en vierkant geplaatst. Het ideale dier heeft een rustig, volgzaam, aangenaam temperament en een intelligente, nieuwsgierige aanwezigheid.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

99


Hereford

De hereford komt van oorsprong uit Engeland en is een vroegrijp vleesras, vrij klein van for­ maat (koeien 135 tot 140 cm) en geblokt. Het vierkant geplaatste beenwerk is tamelijk recht, de koten zijn sterk. De haarkleur is donkerrood, waarbij hoofd, borst, nek (witte streep van nek tot schoft), halskwab, buik, sokken en staartborstel wit zijn. Het geharde sobere ras is een zeer goede natuurgrazer. De dieren kalven gemakkelijk af.

Limousin

Limousin is een ruim en evenredig gebouwd Frans vleesras, middelgroot (140 cm) en even­ wichtig ontwikkeld. Het beenwerk is sterk, licht en droog. De bespiering is royaal en het slachtrendement is gunstig. De dieren zijn zelfredzaam en het geboorteverloop bij deze natuurgrazers is gunstig. De bruinrode limousin wordt geroemd vanwege de vruchtbaarheid en de goede moedereigenschappen. Ze doen het goed onder sobere omstandigheden en hebben een neiging tot vetaanzet. De geboorten verlopen zowel binnen als buiten het ras ge­ makkelijk. De haarkleur is eenkleurig roodbruin. De kruisingskalveren zijn eenkleurig donker.

100

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


Marchigiana

Marchigiana’s zijn grote, gerekte Italiaanse vleesrunderen met sterk, licht beenwerk. De haarkleur is eenkleurig wit en de neus is zwart, de kalveren zijn bij de geboorte rood. De groeisnelheid is hoog, het slachtrendement is gunstig. Het zijn geschikte natuurgrazers met een gunstig geboorteverloop.

Piemontese

Piemontese is een middelgroot Italiaans vleesras. Het skelet is fijn, het beenwerk is sterk, licht en droog. De dieren groeien snel en zijn vroegrijp. De bespiering is royaal, het dikbiltype komt regelmatig voor. Het ras blinkt uit in een hoog slachtrendement. Het vlees is fijn van draad. De vetaanzet is gering. In de zuivere fokkerij worden de kalveren licht van gewicht geboren. Het percentage moeilijke geboorten is zeer stierafhankelijk. De haarkleur van zuivere piemonteses is grijswit, de kalveren zijn bij de geboorte bruin. Kruislingen uit een zwartbonte holsteinmoeder zijn eenkleurig donkerbruin of bijna zwart. Het drinken uit de emmer levert nog weleens problemen op.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

101


Verbeterd roodbont

Verbeterd roodbont is een Nederlands ras met een vrij korte historie. De dieren zijn nor­ maal ontwikkeld en fijngebouwd en hebben een rustig karakter. De haarkleur is roodbont, waarbij rood overheerst. De bespiering is royaal tot zwaar. Het slachtrendement en de kwa­ liteit van het vlees zijn zeer gunstig. Er is een fokrichting voor het dikbiltype en een voor het goed bespierde roodbonte type. Het geboorteverloop is minder gunstig. De kalveren worden over het algemeen met een keizersnede gehaald. Er is (nog) niet veel ervaring met gebruikskruising.

Vlaams rood (vleestype)

Het roodras (brv) heeft als oorspronkelijk fokgebied West-Vlaanderen. Het is een vroegrijp vleesras van het dikbiltype. De dieren hebben een uniform dieprode haarkleur met kleine, witte vlekken op de kop, buik, uier en staartpunt. De neusspiegel is zwart of vlezig roze. De dieren hebben een zacht karakter. Ze hebben sterk maar zwaar beenwerk en zijn schurftbestendig. Volwassen stieren hebben een gewicht tussen de 1.100 en 1.300 kg. Volwassen koeien hebben een gewicht tussen de 700 en 850 kg. Het vlees van het roodras is een door de EU erkend en beschermd streekproduct met de benaming ‘Vlees van het rood ras van West-Vlaanderen’.

102

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf


Wagyu

Het wagyurund is een vleesras van Japanse oorsprong. De dieren zijn eenkleurig bruin en het ras werd oorspronkelijk gehouden als trekdier. Zo kreeg het wagyurund een bijzonder fraaie marmering van onverzadigde dus gezonde vetten die het vlees mals maken en voor de bijzondere smaak zorgen. De dieren zijn zeer vruchtbaar en kalven gemakkelijk af. De koeien zijn 120 tot 130 cm groot.

Hoofdstuk 5 Fokkerij op jouw bedrijf

103


104

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur


HOOFDSTUK 6

Fokkerij – exterieur In fokkerij speelt het exterieur een belangrijke rol. Het uiterlijk en de bouw van een koe zijn medebepalend voor haar potentieel om een hoge levensproductie te realiseren. Dieren met goede scores voor exterieur­ kenmerken blijven vaak langer gezond en vitaal. Bovendien, het oog wil ook wat!

In dit hoofdstuk: 6.1 Exterieur in beeld met bedrijfsinspectie 6.2 Kijken naar koeien

Bijlage Onderbalkkenmerken exterieurbeoordeling

105


6.1

Exterieur in beeld met bedrijfsinspectie Tijdens de bedrijfsinspectie beoordeelt de inspecteur van het stamboek het exterieur van individuele dieren. Daarmee krijg je een beeld van de sterke en zwakke punten van je koeien. Om te kunnen fokken op exterieurkenmerken moet je deelnemen aan Bedrijfsinspectie van CRV. Bij deelnemende bedrijven komt een stamboekinspecteur gemiddeld eens per 8 maanden om alle melkgevende vaarzen objectief te beoordelen en op te nemen in het stamboek. Je kunt een kortere bezoekfrequentie aanvragen. Ook kun je koeien die zich goed hebben ontwikkeld (op latere leeftijd) opnieuw laten keuren. Aan de hand van een keuringsrapport legt de inspecteur de scores voor alle exterieur­ kenmerken vast. Zo heb je een objectief beeld van de plussen en minnen van elk dier én van de veestapel. Aan het einde van de keuring ontvang je de uitslag van de gekeurde dieren en het Bedrijfsoverzicht. De uitslagen staan online in VeeManager, in de module Fokkerij. De exterieurbeoordeling wordt ook meegenomen bij het paringsadvies in het StierAdviesProgramma (SAP).

106

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur


Keuringsstandaard

De inspecteur hanteert vastgestelde normen: de keuringsstandaard. Er zijn twee keurings­ standaards: ‘melk’ (voor zwart- en roodbont melktype) en ‘lokaal’ (voor dieren van een dubbeldoelras). Op het moment van keuren kent de inspecteur alleen het diernummer, de naam, het levensnummer en de geboorte- en kalfdatum. De afstammingsgegevens zijn niet bekend bij de inspecteur, want die zouden een objectief oordeel in de weg kunnen staan.

Keuringsrapport

Het keuringsrapport bestaat uit een onderbalk en een bovenbalk. De onderbalk bevat de beschrijvende lineaire kenmerken, de bovenbalk de waarderende algemene kenmerken. Daarnaast geef je als veehouder zelf een beoordeling van de gebruikskenmerken, zoals melksnelheid en karakter. Dit wordt hierna verder uitgelegd. Onderbalkkenmerken De onderbalk bestaat uit 19 lineaire kenmerken die voldoen aan de internationale eisen van het keuringsrapport. Ze worden vastgelegd in scores van 1 tot en met 9, met uitzondering van de hoogtemaat: die wordt gemeten in centimeters. De kenmerken van de onderbalk zijn beschrijvend, dat wil zeggen dat het constateringen zijn die aangeven hoe de koe eruitziet. De kenmerken vormen als het ware een ‘foto’ van de koe in cijfers. De scores geven dus geen waardeoordeel. Van de 19 onderbalkkenmerken zijn afbeeldingen met uitersten en een beschrijving te vinden in de bijlage bij dit hoofdstuk. De afbeeldingen laten zien waar de inspecteur op let en wat de uiterste scores betekenen.

De inspecteur bekijkt de koe op 19 verschillende onderdelen

Bovenbalkkenmerken Het exterieur in de bovenbalk is onderverdeeld in frame, type, uier en beenwerk. Bij de keuringsstandaard ‘lokaal/dubbeldoel’ komt hier ook bespiering bij. In tegenstelling tot de onderbalk bevat de bovenbalk wél een waardeoordeel. De bovenbalk geeft aan in welke

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

107


mate het dier overeenkomt met de keuringsstandaard. Hiervoor hanteert de inspecteur een range van 71 tot 99 punten. De scores worden verdeeld in klassen waarmee een kwalificatie van het dier wordt gegeven. Het populatiegemiddelde is 80 punten. Voor vaar­ zen kan de exterieurscore niet hoger zijn dan 89 punten. Op een oudere leeftijd kunnen koeien opnieuw worden gekeurd en kan de waardering van 90 punten of hoger worden gegeven. Om 90 punten of meer te krijgen, moeten de koeien ten minste 48 maanden oud zijn en twee keer hebben gekalfd. De bovenbalk bevat de volgende kenmerken: • Frame De functionele bouw en capaciteit van het dier. • Type Het type wordt bepaald door de onderbalkkenmerken conditie, inhoud, voorhand en kruisbreedte. De hoogste waardering is voor dieren die voor alle vier kenmerken gemid­ deld scoren (4 t/m 6). • Uier De totaalwaardering van de uier. • Beenwerk De totaalwaardering van het beenwerk. • Bespiering De bespiering van het gehele dier, vooral de dikte van het spierenpakket in de achter­ hand. Bespiering wordt alleen beoordeeld bij de keuringsstandaard ‘lokaal/dubbeldoel’. • Algemeen voorkomen Totaalindruk van de koe.

Het kenmerk bespiering is onderdeel van de keuringsstandaard ‘lokaal’

108

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur


klasse

score bovenbalk

excellent

90 en hoger

zeer goed

85 t/m 89

goed

80 t/m 84

voldoende

75 t/m 79

onvoldoende

71 t/m 74

Klassen exterieurscores bovenbalk

Bons-Holsteins Koba kreeg 94 punten voor haar exterieur

Gebruikskenmerken

Als veehouder geef je zelf een score voor melksnelheid en karakter. Dat doe je voorafgaand aan de bedrijfsinspectie. • •

Melksnelheid De snelheid waarmee de vaars melkt. Score 1 staat voor traag en score 9 voor snel. Karakter Het gedrag van de vaars tijdens het melken. Score 1 staat voor nerveus en score 9 voor rustig.

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

109


Praktisch

Bij robotmelken is van elke koe de melksnelheid bekend

Robot meet melksnelheid

Als je melkt met een melkrobot kun je de gemeten gegevens als leidraad gebruiken voor de score van de melksnelheid in de bedrijfsinspectie. score

1

2

3

4

5

6

7

8

9

kg/min

< 1,00

1,01-

1,26-

1,56-

1,91-

2,51-

2,96-

3,61-

> 4,40

1,25

1,55

1,90

2,50

2,95

3,60

4,40

Gemiddeld 80 punten

Het algemeen voorkomen is de totaalindruk. Die wordt berekend uit de scores van de afzonderlijke bovenbalkkenmerken, volgens een vastgestelde weging. Het gemiddeld algemeen voorkomen van de Nederlandse en Vlaamse vaars is 80 punten. De inspecteurs die de bedrijfsinspecties uitvoeren, vergelijken alle dieren in één jaar met elkaar en stemmen zo af hoe een gemiddelde vaars eruitziet. De score voor het algemeen voorkomen van een koe uit 1971 is dan ook niet te vergelijken met een score uit 2010, ook al hebben ze beide 80 punten. klasse

keuringsstandaard ‘melk’

keuringsstandaard ‘lokaal’

frame

20%

15%

type

10%

10%

uier

35%

30%

beenwerk

35%

30%

bespiering totaal algemeen voorkomen

15% 100%

Wegingsfactoren voor algemeen voorkomen

110

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

100%


Goed om te weten 100.000 kg-koeien scoren bovengemiddeld op exterieur Koeien die 100.000 kg melk of 10.000 kg vet en eiwit hebben geproduceerd, scoren beter op exterieur dan gemiddeld. De exterieurscore van deze levensproductietoppers ligt gemiddeld op 82 tot 82,5 punten. Deze koeien scoren vooral hoog voor uier en benen. Een bovengemiddeld exterieur levert dus een bijdrage aan een bovengemid­ delde productie.

Het gemiddeld algemeen voorkomen van de Nederlandse en Vlaamse vaars is 80 punten. Productietoppers scoren boven­ gemiddeld op exterieur Inspectiegegevens basis voor fokwaarden

De scores van de bedrijfsinspectie worden gebruikt voor het berekenen van de exterieur­ fokwaarden van de koe. Die fokwaarden worden gebaseerd op de gegevens uit de bovenen onderbalk en de gebruikskenmerken. Deze gegevens worden ook verwerkt in fokwaar­ den van de vaders. Voor het berekenen van fokwaarden worden alleen de keuringen van de vaarzen gebruikt. Koeien die op latere leeftijd voor de eerste keer gekeurd worden, krijgen geen fokwaarde voor exterieur. Van koeien die op latere leeftijd opnieuw worden gekeurd, wordt alleen de keuring in de eerste lactatie gebruikt voor het berekenen van fokwaarden. Wel wordt de uitslag van de nieuwe keuring gebruikt om een beter advies in het StierAdviesProgramma (SAP) te geven.

Alle excellente koeien en de hoogst ingeschreven vaarzen krijgen een ver­ melding op de website van Coöperatie CRV onder ‘exterieurtoppers’

Koeien kunnen op latere leeftijd opnieuw gekeurd worden

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

111


Praktisch BEDRIJFSINSPECTIE uitslag Bedrijfsoverzicht

204727

Datum Bedrijfsinspectie 17-03-2020 Z Keuringsstandaard

2

Aantal

Frame

9

Deze Bedrijfsinspectie

3

Postbus 454, 6800 AL Arnhem 1/1 Verwerkingsdatum 03/08/20 Blad

Aeres Flevolandstal

Type

81.9

Uier

81.6

Beenwerk

82.2

1 Bespiering

80.1

Alg.voorkomen

81.6

Aantallen verdeling

4

< = 74 75 - 79

1 1

3

3

4

2

80 - 84 > = 85

4

4

3

5

5

3

2

3

81.0

Landelijk

80.9

2

80.6

80.3

80.6

Voorgaande Bedrijfsinspecties

5 6

September 2019

22

81.3

81.0

80.5

79.1

80.2 \ 80.1*

Januari 2019

13

81.4

81.5

80.5

82.0

81.4 \ 81.3*

Juni 2018

24

80.7

80.7

78.5

79.8

79.6 \ 79.4*

Augustus 2017

24

81.1

81.0

78.2

80.0

79.9 \ 79.6*

106

80.9

81.3

79.5

80.2

80.2

106

80.9

81.3

79.5

80.2

80.2

Bedrijfsgemiddelden

Vaarzen 2e kalfs koeien Oudere koeien Totaal

Deze BedrijfsInspectie gemiddelde

1

2

3

4

5

6

7

8

9

150.0

147.6

klein

groot

Voorhand

5.0

5.3

smal

breed

Inhoud

5.1

5.1

weinig

veel

Openheid

5.4

4.6

weinig

veel

Conditiescore

5.2

6.0

weinig

veel

Kruisligging

5.0

4.8

oplopend

Kruisbreedte

5.2

5.0

smal

Beenstand achter

4.7

5.4

hakkig

recht

Beenstand zij

3.9

3.9

recht

krom

Klauwhoek

5.2

5.1

weinig

Beengebruik

4.6

4.9

zwak

Vooruieraanhechting

5.0

4.6

los

vast

Voorspeenplaatsing

6.2

5.3

wijd

nauw

Speenlengte

5.7

5.2

kort

lang

Uierdiepte

5.2

4.4

diep

ondiep

Achteruierhoogte

5.6

4.7

laag

hoog

Ophangband

5.7

5.2

zwak

sterk

Achterspeenplaatsing

6.3

5.7

wijd

nauw

Melksnelheid

6.3

5.5

traag

snel

Karakter

5.9

6.1

nerveus

Hoogtemaat

7

hellend breed

veel krachtig

rustig

* Algemeen voorkomen is gecorrigeerd voor genetische vooruitgang © CRV Arnhem

Bedrijfsoverzicht

Het Bedrijfsoverzicht bevat alle sterke en zwakke punten van je veestapel. Het bevat de bedrijfsgemiddelden van de vaarzen, de tweedekalfskoeien, de oudere koeien en het totaal. Je ziet hierop ook de gegevens van de vier voorgaande bedrijfsinspecties en je kunt jouw scores vergelijken met het landelijk gemiddelde. Dit Bedrijfsoverzicht geeft handvatten voor het formuleren van je fokdoel en het evalueren van je fokkerij­ strategie. Hiernaast vind je een toelichting op dit overzicht.

112

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur


De uitkomsten van de bedrijfsinspectie geven handvatten voor je fokdoel en strategie

1

Keuringsstandaard Melk (zwartbont, roodbont) of lokaal (dubbeldoel).

2

Deze bedrijfsinspectie Gemiddelde scores voor de bovenbalkkenmerken van deze inspectie.

3

Verdeling punten De scores voor de bovenbalkkenmerken ingedeeld in vier klassen. Dat geeft een indruk van de spreiding.

4

Landelijk gemiddelde Het landelijk gemiddelde voor de bovenbalkkenmerken. Interessant in vergelijking met de bedrijfsgemiddelden onder 6.

5

Voorgaande bedrijfsinspecties De gemiddelde scores van de laatste vier bedrijfsinspecties. Hiervan kun je de ontwikkeling aflezen.

6

Bedrijfsgemiddelden Gemiddelden van de bovenbalkkenmerken van alle koeien die tijdens de laatste keuring aanwezig waren op het bedrijf.

7

Onderbalkkenmerken De onderbalkscores van deze inspectie en het gemiddelde van alle op het bedrijf aanwezige gekeurde dieren in getallen en in een grafische weergave.

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

113


6.2

Kijken naar koeien Bij de definitie van de ideale koe heeft iedereen zijn eigen voor­ keuren. De een hecht meer waarde aan een fraai type om te scoren op een keuring, de ander legt meer nadruk op probleemloos melken of op koeien die 100.000 kg melk kunnen produceren. Los van al die verschillen: alle veehouders hebben passie voor hun vee. Kijken naar koeien hoort daarbij. Veebeoordelen

Kennis en vaardigheden voor het beoordelen van vee zijn essentieel om de gewenste koe te kunnen fokken. Bovendien helpt het je bij je dagelijks werk als je goed naar je koeien leert kijken. Door op de juiste details te letten, merk je eerder of een koe ziek is of in de problemen komt. Veebeoordelen kun je leren door het te doen. Jongerenorganisaties en veeteeltstudieclubs organiseren veebeoordelingscursussen en wedstrijden. Hier kun je ervaring opdoen of jouw skills meten met die van andere liefhebbers. In provinciale en na­ tionale (Champions League) wedstrijden kun je in teamverband strijden om de hoogste eer. Behalve leerzaam is veebeoordelen ook leuk als sport. De basis voor het beoordelen is het keuringsrapport van Coöperatie CRV.

114

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur


Keuringen: sportieve strijd in de ring

In regionale en provinciale keuringen komen veehouders met hun kalveren, pinken en koeien voor een wedstrijd ‘wie heeft het mooiste dier’. Een onafhankelijke jury plaatst de dieren op volgorde en beargumenteert zijn keuze. Het is een sportieve strijd, maar het gaat ook om gezelligheid en netwerken. De grootste keuring is de tweejaarlijkse Nationale Rundvee Manifestatie (NRM) in Nederland, die ook veel internationale belangstelling trekt. In Vlaanderen organiseert CRV de grote tweejaarlijkse keuringen Agriflanders en Agribex. Ook de jaarlijkse HHH-show in Nederland is een groot evenement.

Keuringen: leuk én nuttig

Praktisch Veebeoordelen: ook voor vleesvee

In Nederland en Vlaanderen worden niet alleen keuringen voor rood- en zwartbonte koeien georganiseerd, maar ook voor vleesvee. In Vlaanderen zijn er talrijke lokale keuringen en een paar nationale keuringen ( Agribex, Doornik). De gezamenlijke vleesveestamboeken in Nederland organiseren eens in de twee jaar de Nationale Vleesvee Manifestatie (NVM).

Jong geleerd, oud gedaan

Om de liefhebberij voor de fokkerij al vroeg te stimuleren, organiseren veel kalver­ opfokclubs (koc’s) wedstrijden met kalveren voor de jeugd. Daar leren deelnemers de beginselen van het omgaan met dieren en het toiletteren. In Nederland zijn veel plaatselijke, regionale en provinciale keuringen, soms in combinatie met een keuring van de kalveropfokclub.

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

115


Bij de eerste honderdtonner op je bedrijf krijg je een wandbord

Predicaten voor excellente dieren en Sterkoeien

Een koe met een uitzonderlijk goed exterieur krijgt het predicaat excellent. Dat wordt toege­ kend bij een waardering van 90 punten of meer. Koeien die naast een fraai exterieur ook een goede productie hebben, komen in aanmerking voor het predicaat Sterkoe. Daarvoor moeten ze gemiddeld 105 lactatiewaarde halen en mi­ nimaal 85 punten noteren voor algemeen voorkomen én uier. Er zijn drie niveaus: Sterkoe 1, 2 en 3, die kunnen worden toegekend als een koe respectievelijk 9, 12 en 15 jaar oud is.

Predicaat voor honderd- en tientonners

Productietoppers worden in de spotlights gezet. Er zijn predicaten voor 100.000 kg melk en voor 10.000 kg vet + eiwit. Als je deelneemt aan MPR ontvang je van Coöperatie CRV een ingelijst certificaat. Bij de eerste honderdtonner op je bedrijf krijg je ook een wandbord voor zo’n topproducente. Deze zogenoemde honderd- en tientonners komen direct na het behalen van de mijlpaal op de website van Coöperatie CRV. Een select aantal koeien ver­ legt de grens nog verder, ze produceren 200.000 kg melk. In 2020 hadden 4 koeien deze mijlpaal bereikt: Big Boukje 192, Dora 442, Minke 64 en De Rith Nora 265.

Alle honderd- en tientonners krijgen een vermelding op de website van Coöperatie CRV onder ‘tien-/ honderdtonners’

De Rith Nora 265 is een van de weinige koeien die meer dan 200.000 kg melk hebben gegeven

116

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur


Samenvatting Een goed exterieur helpt de koe bij een efficiënte en gezonde melkproductie. Een ondiepe uier, droge benen en breedte in het bekken zijn bijvoorbeeld kenmerken die van belang zijn voor het halen van een hoge levensproductie. Een bedrijfsinspecteur is gespecialiseerd in het beoordelen van het exterieur. Hij/zij beoordeelt alle vaarzen en hanteert daarbij de standaard ‘melk’ voor melktypische dieren en ‘lokaal’ voor dubbeldoeldieren. Een gemiddelde koe in Nederland en Vlaanderen heeft 80 punten. Excellente koeien worden gewaardeerd met 90 punten of meer. Met het keuringsrapport van elke koe kun je beter stieren uitzoeken. Ook paringsadvies­ programma’s gebruiken deze gegevens om de beste combinatie te maken tussen koe en stier. Zelf kun je ook exterieur leren beoordelen. Je kunt een veebeoordelingscursus volgen, met je koeien of kalveren meedoen aan een keuring of een fokveedag bezoeken. Dat is leerzaam, nuttig en vooral erg leuk. Exterieur beoordelen is vooral ook: in het alge­ meen leren kijken naar koeien. Dan leer je ook herkennen of de koe wel of niet goed in haar vel zit. Het is de basis van het vak van veehouder.

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

117


Bijlage Onderbalkkenmerken exterieurbeoordeling De onderbalk van de exterieurbeoordeling bevat 19 punten waarvoor een beoordeling wordt gegeven op een schaal van 1 tot 9. Hieronder een toelichting in woord en beeld.

naar buiten (1)

1. Hoogtemaat De hoogtemaat, gemeten in centimeters van het midden van het kruis tot de grond.

2. Voorbeenstand Vanaf schuin achter de koe beoordeeld: de richting waarin de punten van de voorklau­ wen wijzen. Daarbij bepaalt de stand van het meest afwijkende been de score.

smal (1)

weinig (1)

breed (9)

veel (9)

3. Voorhand De afstand tussen de voorbenen beoordeeld op het hoogste punt van de voorbenen.

4. Inhoud De afstand tussen de bovenkant van de rug en de onderkant van de buik ter hoogte van de laatste rib. De score is onafhankelijk van de hoogtemaat.

weinig (1)

weinig (1)

veel (9)

5. Openheid Van ribben en de welving van de ribben.

118

parallel (9)

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

6. Conditiescore De beoordeling van de vet- en spierbedekking.

veel (9)


oplopend (1)

horizontaal (3)

hellend (9)

smal (1)

breed (9)

7. Kruisligging De helling van het heupbeen naar het zitbeen. Een horizontaal kruis krijgt score 3.

8. Kruisbreedte De afstand tussen de zitbeenderen, op het meest achterste punt.

hakkig (1)

recht (1)

breed (9)

krom (9)

9. Beenstand achter Vanaf de achterzijde beoordeeld: de richting waarin de punten van de klauwen wijzen.

10. Beenstand zij De hoek beoordeeld aan de voorkant van het spronggewricht.

weinig (1)

zwak (1)

veel (9)

krachtig (9)

11. Klauwhoek De hoek aan de voorkant van de buiten­ klauw van het minst goede been (dit geldt voor alle beenkenmerken).

12. Beengebruik Het gebruik van de benen, zowel de lengte als de richting van de pas.

los (1)

wijd (1)

vast (9)

13. Vooruieraanhechting De sterkte van de aanhechting tussen vooruier en buikwand (voor- en zijkant).

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

nauw (9)

14. Voorspeenplaatsing De plaatsing van de voorspenen onder de kwartieren.

119


kort (1)

lang (9)

15. Speenlengte De lengte van de voorspenen.

laag (1)

hoog (9)

nauw (9)

19. Achterspeenplaatsing De plaatsing van de achterspenen. Als de spenen in het midden van het kwar­ tier staan, wordt score 4 gegeven.

120

ondiep (9)

16. Uierdiepte De afstand van de uierbodem tot de hak. Als de bodem van de uier gelijkhangt met de hak wordt score 2 gegeven.

17. Achteruierhoogte De afstand tussen het laagste punt van de vulva en het melkuitscheidend weefsel, in relatie tot de hoogte van de koe.

wijd (1)

diep (1)

Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

zwak (1)

sterk (9)

18. Ophangband De diepte van de ophangband onder in de uier.


Hoofdstuk 6 Fokkerij – exterieur

121


122

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


HOOFDSTUK 7

Vruchtbaarheid Aan de productie van melk gaat de geboorte van een kalf vooraf. Voor een hoge levensproductie is goed vruchtbaarheidsmanagement dan ook essentieel. Dat is het resultaat van goede voeding, optimale conditie, een goede tochtwaarneming en inseminatie op het beste moment. Kengetallen en overzichten zijn hierbij onmisbaar.

In dit hoofdstuk: 7.1 Aandacht voor tochtigheid 7.2 Het bepalen van het juiste inseminatiemoment 7.3 Drachtcontrole 7.4 Invloed van conditie en gezondheid op vruchtbaarheid

Bijlage Data voor grip op vruchtbaarheidsresultaten

123


7.1

Aandacht voor tochtigheid Je insemineert een koe als ze tochtig is. Je moet er dus voor zorgen dat je de tocht goed waarneemt. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want niet alle koeien laten heel duidelijk zien dat ze tochtig zijn. Het is een kwestie van heel goed observeren en waar mogelijk gebruikmaken van sensoren om tochtige koeien op te sporen. Het tochtig zien van de koe

Als een koe vruchtbaar is, vertoont ze zo’n 30 uur voor de eisprong bronstgedrag. Dat noemen we tocht. Een goede tochtwaarneming is cruciaal voor het vruchtbaarheids­ management. Want een koe die niet wordt opgemerkt tijdens de tocht, wordt niet geïnse­ mineerd en wordt dus ook niet drachtig. Een goede tochtwaarneming is een hele kunst, want de mate waarin de signalen zicht­ baar zijn, varieert en is afhankelijk van verschillende factoren: omgeving, koe en boer. Omgevingsfactoren zijn bijvoorbeeld het rantsoen, de huisvesting en klimaat(wisselingen). Koefactoren zijn onder meer gezondheid, melkproductie en lactatienummer. En bij de factor boer gaat het om de plaats en het tijdstip van de waarneming, hoelang je kijkt en waar je op let.

124

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Signalen

Een tochtige koe geeft de volgende signalen af: • Staande tocht/sta-reflex • Andere dieren bespringen • Kin op het kruis van een andere koe leggen • Ruiken/likken/snuffelen aan de kling van een andere koe • Onrust/vechten • Slijmen • Meer loeien • Attenter zijn dan normaal Staande tocht is het meest duidelijke signaal. Als een koe dit gedrag vertoont, kun je er vrij zeker van zijn dat ze tochtig is. Maar let op: koeien vertonen dit onderdeel van het tochtge­ drag maar een relatief korte periode (gemiddeld 6 uur) en het springen zelf duurt per keer maar een paar seconden. Je kunt het dus gemakkelijk missen. Bovendien: als een koe niet besprongen wordt door een andere koe (als ze in haar eentje tochtig is), kan ze ook geen staande tocht laten zien. Als je alleen op staande tocht afgaat, zul je driekwart van de tochtigheidsgevallen missen. Het is dus belangrijk om ook op andere signalen te letten. Het bespringen van andere koei­ en is ook een duidelijk teken, zeker als dit op de kopse kant gebeurt. Dat doet een koe ook als ze als enige in het koppel tochtig is. Hoe meer van de andere signalen zichtbaar zijn, des te zekerder dat de koe tochtig is. Gemiddeld geeft een koe gedurende 12 uur tochtig­ heidssignalen af.

Een goede vruchtbaarheid begint bij een goede tochtwaarneming

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

125


Praktisch

In een lichte, luchtige stal met een stroeve ondergrond laten koeien hun tocht beter zien

Stal bepaalt tochtgedrag

Huisvesting is belangrijk voor tochtdetectie. Koeien laten meer tochtsignalen zien in een stal waarin ze zich gemakkelijk en vrij kunnen bewegen. Zorg daarom voor voldoende licht, lucht en ruimte in de stal. Matige ventilatie en onvoldoende licht hebben een negatieve invloed op de vruchtbaarheid van de veestapel. Hittestress in de zomer veroorzaakt ook een slechte tochtexpressie en een matige kans op een succesvolle bevruchting. Ook de vloer is belangrijk: op een gladde ondergrond zijn koeien banger om springgedrag te vertonen.

Praktisch Zowel bij actie als in rust

Tijdens het voeren en melken zijn tochtige koeien vaak extra actief. Dat lijkt een mooie gelegenheid om tochtige koeien te spotten. Maar door de omstandigheden is de kans groot dat je veel gevallen mist. In de onrust rond het opdrijven en voe­ ren tonen de koeien vaak minder verschijnselen. Bovendien zie je het minder goed omdat je minder overzicht hebt. Het kijken op rustige momenten is effectiever. Als de meeste koeien liggen, valt springgedrag meer op. Als er maar één koe in het koppel tochtig is, is tochtdetectie een hele kunst. Het wordt gemakkelijker wanneer er meer­ dere koeien tochtig zijn. Die zoeken elkaar. Een goed moment voor tochtdetectie is ‘s morgens vroeg voor het melken en tijdens de laatste avondronde in de stal.

126

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Goed om te weten Cyclus 21 dagen Net als veel andere zoogdieren hebben koeien een regelmatige cyclus. Deze begint met de groei van een follikel met een eicel in een van de eierstokken (ovaria). Dit gebeurt onder invloed van het hormoon FSH. Ongeveer een dag voor de eisprong is de koe tochtig. Dat wordt veroorzaakt door het hormoon oestradiol, dat door de grote follikel wordt afgegeven. Dit hormoon zorgt ook voor het typische tochtslijm. Als de follikel is uitgegroeid, komt de rijpe eicel vrij in de eileider, onder invloed van het hormoon LH. Dit is de eisprong (ovulatie). LH zorgt er ook voor dat de cellen van de lege follikel zich ontwikkelen tot het gele lichaam, dat vervolgens het hormoon progesteron gaat produceren. Progesteron is belangrijk voor de ontwikkeling van de baarmoeder en de instandhouding van de dracht. Als de eicel op het juiste moment wordt bevrucht in de eileider, nestelt deze zich na ongeveer 18 dagen in de baarmoe­ derwand en groeit uit tot kalf. Bij een succesvolle bevruchting zorgt het embryo ervoor dat het gele lichaam blijft bestaan, door interferon-tau af te geven. Dat proces heet maternale herkenning. Als dat niet gebeurt, krijg je regelmatige terugkomers. Interferon-tau blokkeert onder andere het hormoon prostaglandine (PGF2α). Blijft een succesvolle innesteling uit, dan wordt het gele lichaam afgebroken onder invloed van prostaglandine. In dat geval start weer een nieuwe cyclus. Bij een koe duurt de cyclus ongeveer 21 dagen.

Hormonale veranderingen in de vruchtbaarheidscyclus

Koeien kijken is nuttig werk

Kijken naar koeien is een nuttig onderdeel van het vruchtbaarheidsmanagement. Hoe vaker en hoe langer je kijkt, hoe hoger het percentage waargenomen tochtige dieren. Het beste resultaat bereik je als je er de tijd voor neemt. Beter drie keer per dag 15 minuten dan vijftien keer 3 minuten. Het is verstandig de tochtwaarneming gestructureerd aan te pakken. Als je met meer mensen samenwerkt, moet je het slim organiseren. Je wilt geen tochtigheid missen. Je kunt gelukkig gebruikmaken van technische hulpmiddelen, zoals activiteiten­ meters en managementprogramma’s waarin je attenties en overzichten kunt raadplegen.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

127


Activiteitenmeting: hulpmiddel voor tochtdetectie

Automatische activiteitenmeting is een veelgebruikte manier om tochtdetectie te on­ dersteunen. Deze systemen werken met een hals- of pootband of een sensor in het oor. Het systeem registreert de bewegingen van een koe en vergelijkt deze met het normale patroon. Een tochtige koe valt op omdat die meestal actiever is. Je kunt met activiteitenme­ ting vaak heel nauwkeurig vaststellen op welk tijdstip de verhoogde activiteit is begonnen. Een ander groot voordeel van de sensoren is dat ze dag en nacht hun werk doen. Onder ideale omstandigheden kunnen ze 90% van de tochtigheden detecteren. Als je drie tot vier keer per dag intensief kijkt, kom je op ruim 70% uit. Veehouders die minder intensief kijken, missen vaak meer dan de helft. In managementprogramma’s zoals VeeManager van CRV worden de activiteitendata benut voor attentielijsten met koeien die (mogelijk) tochtig zijn.

Onder ideale omstandigheden detecteren sensoren 90% van de tochtigheden

Attentielijsten

Met de vruchtbaarheidskalender en de attentielijsten uit je managementprogramma kun je bepaalde dieren gericht in de gaten houden. De module Vruchtbaarheid van VeeManager maakt een lijst met alle koeien en pinken die in aanmerking komen voor tochtigheidscon­ trole. Je kunt zelf aangeven vanaf welke leeftijd (voor pinken) of hoeveel dagen na het afkalven (voor koeien) je geattendeerd wilt worden.

Slimme kengetallen voor vruchtbaarheidsmanagement

overzichten

Om een actueel beeld te krijgen van de vruchtbaarheid op je bedrijf staan er in de module Vruchtbaarheid in VeeManager drie kengetallen: insemination rate (ir), conception rate (cr) en pregnancy rate (pr). Met name voor grotere bedrijven zijn deze kengetallen bruikbaar omdat er in elke periode grotere aantallen zijn. De insemination rate (ir) geeft het percenta­ ge dieren aan dat de afgelopen 21 dagen is geïnsemineerd ten opzichte van het aantal die­ ren dat beschikbaar was voor inseminatie. Met dat kengetal krijg je een indruk van de toch­

128

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

In de bijlage Data voor grip op vruchtbaarheidsresultaten vind je een voorbeeld van de attentielijsten en andere


tigheid van de koeien en de tochtsignalering. De beste bedrijven scoren hier 42%, de minste bedrijven 24%. De conception rate (cr) geeft aan hoe goed de koeien drachtig zijn geworden van de inseminaties 2 maanden geleden. De cr is het percentage dieren dat 63-84 dagen geleden is geïnsemineerd en drachtig is geworden. Is dat 64% of hoger? Dan hoor je bij de beste 25% bedrijven. Bedrijven die niet goed scoren, halen een percentage lager dan 35%. De pregnancy rate (pr) geeft een algemeen inzicht in de vruchtbaarheid van de veestapel. De pr = ir x cr. De 25% topbedrijven haalt 18%, de minst presterende bedrijven 9%.

De vruchtbaarheid is de motor van de melkproductie. Met kengetallen krijg je een actueel beeld van de vruchtbaarheid

Praktisch Zoekstier, veestift en kleurpatroon

Stieren hebben een feilloze neus voor bronstige koeien. Met een zoekstier maak je daarvan gebruik. Als je een stier dicht bij de koeien stalt, verraden tochtige koeien zichzelf door het contact met de stier op te zoeken. Met een veestift worden koei­ en op de ruggenwervels aan de staartbasis ‘geverfd’. Als de koe vaak besprongen wordt, gaat de verf eraf en blijft het haar rechtop staan. Bij een kleurpatroon wordt een plastic buisje op het kruis van de koe gelijmd. Als de koe wordt besprongen, verkleurt de inhoud van het buisje. Beide systemen hebben twee nadelen. Ze kunnen niet worden gebruikt in stallen met stalborstels en ze richten zich op de staande tocht, terwijl maar 40% van de koeien die laat zien. Een andere beperking van deze hulpmiddelen is dat ze niet registreren wanneer het begin van de tocht is. Deze infor­ matie is nuttig bij het bepalen van het optimale inseminatiemoment.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

129


7.2

Het bepalen van het juiste inseminatie­ moment Bij een geslaagde natuurlijke of kunstmatige bevruchting – een dekking of een ki – komen de zaadcellen van de stier precies op het juiste moment in de eileider: als de eicel rijp is. De kunst van insemineren is het bepalen van dat moment. Optimale moment: ongeveer 8 uur na begin springactiviteit

Het juiste inseminatiemoment verschilt van koe tot koe. Een half uur na de eisprong is het eitje gearriveerd op de plek van de bevruchting. Daar moeten dan vruchtbare sperma­ cellen aanwezig zijn, want de eicel leeft maar enkele uren. Als de eicel in die tijd niet is bevrucht, sterft ze af. Het sperma ondergaat een rijpingsproces van 6 tot 8 uur vanaf het inseminatiemoment. Het blijft daarna 18 tot 24 uur vruchtbaar, met uitschieters tot zelfs 48 uur. De levensduur van de eicel is dus de beperkende factor. Gemiddeld begint het spring­ gedrag ongeveer 30 uur voor de eisprong. Het optimale inseminatiemoment ligt binnen 12 uur na het zien van staande tocht. Als je niet weet wanneer de tocht is begonnen, kun je beter iets te vroeg dan te laat insemineren. De meeste sensorsystemen geven een advies voor het inseminatiemoment op basis van de activiteitengegevens.

130

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Insemineren met gesekst sperma

Gesekst sperma heeft een kortere levensduur dan conventioneel sperma. Zorg er dus voor dat je met de inseminatie zo dicht mogelijk bij de eisprong zit. In de praktijk betekent dat: later in de tocht dan bij conventioneel sperma.

% drachtig na eerste inseminatie

100

voortocht gem. 12 uur

90

tochtig gem. 18 uur

natocht gem. 10 uur

80 70 60 50 40 30

eitje komt vrij

20 0 0

0

5

10

15

20

te vroeg

25

30

35 uren

40

de beste tijd om te insemineren

De tochtverschijnselen en het percentage dracht na inseminatie

7 weken na het kalven

Een gezonde koe met een goede vruchtbaarheid wordt snel na het afkalven weer tochtig. Als alles goed verloopt, vindt de eerste eisprong gemiddeld rond de 30 dagen plaats. Pas na circa 50 dagen en twee tochtigheden is de cyclus van de koe weer op orde. Je kunt dus ongeveer 7 weken na het afkalven weer voor de eerste keer insemineren. Dit geldt voor een situatie waarin alles volgens het boekje verloopt: de koe kalft vlot, blijft niet aan de nageboorte staan en is gezond opgestart. Pinken worden vanaf een leeftijd van 13 maanden geĂŻnsemineerd.

 Praktisch Insemineer in alle rust

Rust rondom de inseminatie bevordert de bevruchting. Als je ervoor zorgt dat de koeien gemakkelijk herkenbaar klaarstaan voor de inseminator, kan de inseminatie in alle rust en met aandacht plaatsvinden. Koeien zijn kuddedieren: als dieren kort voor het insemineren worden afgezonderd, levert dit sociale stress op. Door die onrust raken ze verhit en dat heeft direct invloed op de kans van slagen, want sperma- en eicellen zijn gevoelig voor een verhoogde temperatuur.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

131


Goed om te weten Slimme kengetallen voor vruchtbaarheidsmanagement Niet alle inseminaties slagen. Gemiddeld zijn in Nederland en Vlaanderen 1,8 insemina­ ties nodig voor een koe drachtig is. Je moet dus koeien op 3 en 6 weken (1 en 2 cycli) na de inseminatie goed in de gaten houden. Een koe die dan weer tochtig blijkt, is een ‘terugkomer’. Met een aantal handige kengetallen houd je de vinger aan de pols. Het inseminatiegetal is het aantal inseminaties dat nodig is om de koe drachtig te krij­ gen. Het percentage non return op 56 dagen (nr-56) is ook een maat voor het succes van de inseminatie, maar dan op koppelniveau. Dit is het percentage koeien dat niet is terugge­komen (ofwel non return) op 8 weken (56 dagen) na de eerste inseminatie. De tussenkalftijd (tkt) is het aantal dagen tussen twee geboorten. Een tkt van 365 dagen houdt in dat jouw koeien precies ééns per jaar kalven. In Nederland ligt de tussenkalftijd rond de 410 dagen (cijfer in 2020). De optimale tussenkalftijd verschilt per bedrijf en per ondernemer en hangt af van zijn eigen doelstellingen. Het interval afkalven-eerste inseminatie (iei) is het gemiddeld aantal dagen tussen afkalven en eerste inseminatie. Het optimum ligt tussen 50 en 80 dagen na afkalven. Begin je te vroeg, dan kan dit leiden tot lagere bevruchtingsresultaten. Als je laat begint met insemineren, heb je meer kans op vervetting in het laatste gedeelte van de lactatie of, afhankelijk van het bedrijf, op een lagere melkproductie.

Langer wachten met insemineren

Melkproductie en vruchtbaarheid hangen samen. Hoogproductieve koeien zijn vaak moei­ lijker drachtig te krijgen in het begin van de lactatie. Veel veehouders beginnen daarom later met insemineren van de koeien: nadat de dieren hun piekproductie hebben gehad. In de piekperiode kunnen de koeien namelijk in een diepere negatieve energiebalans zitten. Ze zijn dan minder vruchtbaar. Als je iets langer wacht met insemineren, is de kans groter dat de koe vlot drachtig wordt. Je kiest dan bewust voor een langer interval afkalven-eer­ ste inseminatie. Een langere tussenkalftijd is bij een hoog productieniveau minder erg, zolang de koeien maar persistent produceren zodat de melkgift ook langer op peil blijft. Een langere tussenkalftijd kost vooral geld als de productie afneemt, de voerefficiëntie vermindert en koeien lang droog staan.

Hoe vaak insemineer je een koe?

Hoelang blijf je proberen een koe drachtig te krijgen? Dat hangt af van de waarde van de koe voor het bedrijf. Dieren met een hoge lactatiewaarde kunnen op meer geduld rekenen dan dieren die ver onder de 100 scoren. Daarnaast is het lactatiestadium van belang. Hoe langer de kalfdatum is verstreken, hoe minder interessant het wordt om te blijven proberen. De afweging heeft consequenties voor het rendement van je bedrijf. Het kan bijvoorbeeld verleidelijk zijn een oudere koe af te voeren als er jongvee staat te trappelen om te gaan produceren. Tegelijkertijd produceren oudere koeien efficiënt en kan overtollig jongvee ook via export geld opleveren. Overigens is veel jongvee aanhouden ongunstig voor de mestwetgeving.

132

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Goed om te weten Inseminatiewaarde Nog een keer insemineren of gust laten en afvoeren? CRV heeft een kengetal ontwik­ keld dat je helpt bij die afweging: de inseminatiewaarde (iw). Deze geeft weer wat het verwachte extra rendement is als de koe na inseminatie drachtig wordt, in vergelijking met afvoeren op een later moment. De inseminatiewaarde houdt rekening met de leeftijd van de koe, het lactatiestadium, de lactatiewaarde van de laatste monstername en de lactatiewaarde van de vorige lactatie. De inseminatiewaarde is weergegeven op dezelfde schaal als de lactatiewaarde. Als een tochtige koe een inseminatiewaarde heeft van 85 of meer, dan is het de moeite waard om te insemineren.

Het kan verleidelijk zijn een oudere koe af te voeren als er jongvee staat te trappelen, maar oudere koeien produceren efficiënt

Goed om te weten Grote kans op een vaars- of stierkalf met gesekst sperma Ki-organisaties bieden gesekst sperma aan. Bij gebruik van SiryX is ongeveer 90% van de geboren kalveren uit een melkstier een vaarskalf. Bij een vleesstier is 90% een stiertje.

Niet insemineren maar implanteren

In plaats van een koe insemineren kun je ook embryo’s implanteren. Deze embryo’s zijn uit een donorkoe gespoeld, 7 dagen na de bevruchting. Zo’n embryo implanteer je 7 dagen nadat de ontvangster tochtig is geweest. Dat kan een vers embryo zijn, maar ook een diepvriesembryo. Embryo’s uit het eliteprogramma van CRV zijn genetisch hoogwaardige embryo’s. Deze kun je bijvoorbeeld in je minder goede dieren implanteren in plaats van in­ semineren met sperma van Belgisch witblauwe stieren. Zo boek je een snellere genetische vooruitgang. Je kunt ook topkoeien uit je eigen veestapel laten spoelen (dat heet embryo­ transplantatie, et) en die embryo’s weer inzetten in dieren van je eigen bedrijf.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

133


Als de koe niet drachtig wil worden van een inseminatie is een embryo implanteren nog een goede optie

Praktisch Laatste kans met een embryo

Bij waardevolle koeien die niet drachtig worden door inseminatie kan het inzetten van een embryo een oplossing zijn. Circa 7 dagen na de tocht kun je een embryo laten implanteren. CRV levert zogeheten laatstekansembryo’s. De helft van de koeien die deze behandeling ondergaat, brengt 9 maanden later toch een gezond kalf.

Melden van tochtige koeien en bestellen van sperma Bij het insemineren kies je voor stieren die passen bij jouw bedrijf. Meer over fokdoel en stierkeuze lees je in H5. Fokkerij op jouw bedrijf

134

Als je tochtige koeien wilt insemineren, geef je een melding door aan je ki-organisatie. Dat kan online en telefonisch. In Vlaanderen meldt de veehouder de tochtige koeien recht­ streeks aan de inseminator of het ki-team. Online opgeven kan eenvoudig via VeeManager. Meldingen via dit systeem komen automatisch bij het juiste ki-team terecht. In de meeste gevallen geven veehouders ook de naam van de gewenste stier door. Als je activiteiten­ meting hebt, is in VeeManager zichtbaar welke koeien (mogelijk) tochtig zijn. Op het scherm zie je een overzicht van de dieren die in aanmerking komen voor inseminatie. Je kunt de inseminatiedatum, de naam van de stier en het chargenummer toevoegen. De applicatie

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


geeft ook een overzicht van de al uitgevoerde inseminaties. Je kunt tochtige koeien ook telefonisch melden via het voice response systeem.

Waardevolle data

Het registreren van inseminaties levert waardevolle data op. Die zijn de basis voor de ken­ getallen waarmee je je vruchtbaarheidsmanagement controleert en aanscherpt. Daarnaast zijn de gegevens ook nodig voor de stamboekregistratie, voor kloppende afstammings­ gegevens van het toekomstige kalf en voor betrouwbare fokwaarden van vruchtbaar­ heidseigenschappen. Deelnemers aan dhz-ki kunnen de inseminaties ook melden via VeeManager. Veehouders die dit niet online kunnen doen, kunnen van de routerijders formulieren krijgen om de inseminaties te noteren. Deze moeten elk kwartaal verzonden worden naar de afdeling ki in Deventer of de klantenservice in Sint-Denijs-Westrem.

Met een eigen vat kun je ook zelf insemineren

Goed om te weten Natuurlijke dekking registreren Ook als je een eigen stier inzet, kun je de dekkingen of het samenweiden registreren, zodat de nakomelingen voor het stamboek in aanmerking komen. Je kunt dit online doen met de module Vruchtbaarheid van VeeManager. Ook is het nog mogelijk om te werken met deklijsten. Hierop noteer je de begin- en einddatum van de samenwei­ ding/-hokking. Na afloop van een kwartaal (zie inleverdatum op het overzicht) lever je de deklijst in.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

135


Inseminator, dhz-ki of eigen stier?

Bij ki kun je ervoor kiezen het werk door een inseminator te laten uitvoeren, je kunt het ook zelf doen. Het voordeel van dhz-ki is dat je als veehouder op elk gewenst moment kunt insemineren. In de praktijk leidt dit overigens niet tot hogere bevruchtingsresultaten. Insemineren is een vak apart. Je hebt ervaring nodig om het goed in de vingers te krijgen. Je moet een grote veestapel hebben om routine te ontwikkelen en je moet er de tijd voor (kunnen) nemen. Zelf insemineren betekent ook dat je zelf de administratie moet bijhouden en de gegevens tijdig moet doorgeven aan het stamboek om registratie van de kalveren mogelijk te maken. In plaats van ki kun je ook een eigen stier inzetten voor natuurlijke dek­ king. Een eigen stier heeft een verwachtingswaarde, maar die heeft een erg lage betrouw­ baarheid. Een aandachtspunt is de vruchtbaarheid van de stier. Dit kun je controleren door middel van drachtcontrole. Daarnaast zijn er ook foktechnische beperkingen. Als één stier veel dekkingen uitvoert, moet je oppassen voor inteelt en voor ongewenste eigenschap­ pen zoals zware kalveren of een lage melksnelheid. Bovendien kan een stier gevaarlijk zijn. Het voordeel is dat een stier de tochtcontrole en de bevruchting overneemt.

Praktisch Opleiding dhz-ki

Voor het toepassen van doe-het-zelf-ki (dhz-ki) is het volgen van een cursus nood­ zakelijk. CRV organiseert opleidingen voor startende dhz’ers en opfriscursussen voor het gehele vruchtbaarheids- en inseminatietraject.

VruchtbaarheidsAttentie (VBA)

en andere overzichten

Een inseminator verzorgt niet alleen de inseminatie, hij legt ook gegevens vast over de conditiescore, de spanning (tonus) op de baarmoeder en de reinheid van de baarmoe­ der. Deze gegevens vind je terug in de VruchtbaarheidsAttentie (VBA). Daarop staat ook informatie over tussenkalftijd, nonreturncijfers en aantal inseminaties per geïnsemineerde koe. Naast jouw eigen cijfers zie je ook de gemiddelde score van vergelijkbare bedrijven. Groene of rode balkjes tonen in één oogopslag jouw sterke en zwakke punten. Het over­ zicht helpt je je vruchtbaarheidsmanagement te verbeteren. Het geeft ook de dierenarts en vruchtbaarheidsspecialisten handvatten bij het begeleiden van jouw bedrijf. De VBA is online beschikbaar voor gebruikers van de module Vruchtbaarheid in VeeManager.

136

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

In de bijlage Data voor grip op vruchtbaarheidsresultaten vind je een voorbeeld van de VruchtbaarheidsAttentie


7.3

Drachtcontrole Als de koe na de inseminatie niet meer tochtig wordt, zou ze drachtig moeten zijn. Toch is het verstandig dat te controleren. Het uitblijven van de tocht kan andere oorzaken hebben. En elke dag dat een koe ongewenst gust blijft, kost geld. Drachtcontrole geeft op tijd duidelijkheid. Scannen: snel en zeker

Drachtcontrole met echografie – scannen genoemd – geeft de grootste zekerheid. Bovendien kan dit al vanaf 30-35 dagen na de bevruchting. Op het beeldscherm van de scanner zijn de baarmoeder en de eventuele vrucht zichtbaar. Deze technologie is ook bruikbaar om de baarmoeder en eierstokken te controleren op afwijkingen. CRV biedt veehouders maatwerk met een specifie­ ke combinatie van advies en diensten zoals insemineren, tocht- en drachtcontrole: Vruchtbaarheid op Maat

Drachtig voelen

Een andere, betrekkelijk eenvoudige methode is de rectale drachtcontrole. Dierenartsen en speciaal hiervoor opgeleide inseminatoren kunnen het dier onderzoeken door via de endeldarm de baarmoeder te voelen (palperen). Dit onderzoek is mogelijk vanaf dag 42 na de inseminatie.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

137


Praktisch Scanner toont ook cysten

Koeien met cysten op de eierstokken kunnen niet-cyclisch zijn, wat betekent dat ze geen nieuwe eisprong krijgen. Wel zijn ze vaak actief bij andere tochtige koeien. Ze worden cysteuze koeien of ‘brullers’ genoemd. Op de scan is deze aandoening goed te zien. De koeien zijn alleen na behandeling drachtig te krijgen. Snel ingrijpen ver­ hoogt de kans op herstel.

Drachtcontrole via MPR Dracht

Je kunt drachtigheid van de koeien ook checken via een melkmonster, als onderdeel van de mpr: met MPR Dracht van CRV. Het monster wordt getest op een eiwit (PAG oftewel pregnancy-associated glycoproteins) dat te vinden is in melk van drachtige koeien.

Goed om te weten Data delen met de dierenarts Veel melkveehouders maken gebruik van bedrijfsbegeleiding door de dierenarts. Hierbij komen eventuele knelpunten voor de vruchtbaarheid ter sprake en worden de probleemkoeien gecontroleerd. Attentielijsten en bedrijfsoverzichten (zoals Koe­ Attenties Vruchtbaarheid of VruchtbaarheidsAttentie uit VeeManager) kunnen daarbij behulpzaam zijn. Je kunt via pirDAP de dierenarts ook toestemming geven om data op te halen, zoals mpr-resultaten en attentielijsten.

] Meer over attentielijsten vind je in H9. Een efficiënt en gezond presterende veestapel

Tijdens de bedrijfsbegeleiding met de dierenarts komt de vruchtbaarheid altijd ter sprake

138

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


7.4

Invloed van conditie en gezondheid op vruchtbaarheid De conditie en de energievoorziening rond het afkalven zijn bepalend voor de bevruchting en de innesteling van het embryo. Daarom is het essentieel om aandacht te besteden aan een uitgebalanceerde voeding. Het drachtig worden van een koe of pink is van vele factoren afhankelijk. Een goed ma­ nagement hoort daar ook bij. Zorg ervoor dat al je koeien een vreetplaats en ligplek hebben. Een stal met ruimte, licht en ventilatie helpt ook. En niet te vergeten een goed rantsoen met goede watervoorziening. Met een hoog koecomfort hebben koeien minder problemen met de klauwen en locomotie. Ze nemen meer voer op en dat zorgt voor een betere gezondheid, voor minder baarmoeder- en uierontsteking. De pensvulling is een goede maat voor de voeropname. Sommige sensorsystemen kunnen de voeropname vol­ gen, door het meten van vreet- en herkauwtijd.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

139


Negatieve energiebalans

De meeste verschillen in vruchtbaarheidsresultaten tussen bedrijven zijn te herleiden tot de voeding. De grote uitdaging is het voeren in de droogstand en in de eerste maanden na het afkalven. Berucht is de zogeheten negatieve energiebalans. In de opstartperiode stijgt de melkgift snel naar de productiepiek. Dat kost koeien meer energie dan ze via de voe­ ding kunnen opnemen. Ze verliezen daardoor conditie. De kunst is om de periode van de negatieve energiebalans zo kort mogelijk te houden en het energietekort zo klein mogelijk. Zorg voor voldoende vreetplekken voor de koeien, vers en smakelijk voer en altijd gemak­ kelijke toegang tot het voerhek. Zo bereik je de hoogste voeropname.

De meeste verschillen in vruchtbaarheidsresultaten tussen bedrijven zijn te herleiden tot de voeding

Voeropname bepaalt diepte negatieve energiebalans

Een negatieve energiebalans begint vaak enkele dagen voor het afkalven en bereikt 2 à 3 weken later het dieptepunt. Gemiddeld komen de dieren 6 weken na het afkalven weer in de juiste balans. De diepte van de negatieve energiebalans heeft meer te maken met een te geringe voeropname dan met de hoogte van de melkgift. Als de negatieve energiebalans te lang aanhoudt, hapert de hormonale regulatie van de voortplantingscyclus en de ontwikkeling van het embryo. Daardoor komt de bevruchting in gevaar of treedt er vroege embryonale sterfte op. Meer over de voeding tijdens de droogstand en de opstartperiode lees je in H8. De kwetsbare 100 dagen. Meer over mpr en gezonde productie lees je in H9. Een efficiënt en gezond presterende

Praktisch Analyse rantsoen met MPR Voeding

Aan de mpr-resultaten kun je goed zien of koeien last hebben van een verstoorde energiebalans en of het rantsoen aansluit op de behoeften van de koeien. MPR Voe­ ding, onderdeel van VeeManager, geeft een overzicht van het productieresultaat in relatie tot het rantsoen.

veestapel

140

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Voorkom leververvetting

Leververvetting kan plaatsvinden bij een negatieve energiebalans. Als de koe meer energie nodig heeft dan de voeding biedt, mobiliseert de lever vet uit het lichaam als energiebron. Voor het benutten van dit vet is glucose nodig, dat zich bindt aan de vetzuren. Als die gluco­ se ontbreekt, stapelt het vet zich op in de lever. Dit zorgt voor leverschade en komt vooral voor bij koeien die in een ruime conditie zijn. Vervetting kan optreden bij zowel pinken aan het eind van de dracht als koeien aan het eind van de lactatie. Ook in de droogstand is leververvetting een risico. Al tijdens de droogstand komt energie uit lichaamsvet vrij: de ‘vetmobilisatie’. De koe gebruikt maar een deel van deze energie. De overtollige energie wordt weer als vet opgeslagen in de lever. Wanneer de drogestofopname aan het einde van de droogstand en het begin van de lactatie te laag is, bestaat de kans op leververvetting. Vervetting heeft gezondheids- en vruchtbaarheidsproblemen tot gevolg. Koeien met lever­ vervetting hebben vaak zware kalveren, hun geboorteweg kan vervetten en ze kalven zwaar af. Ze blijven vaker aan de nageboorte staan en hebben meer last van witvuilen, lebmaag­ dislocaties, slepende melkziekte, verlate eisprong en cysteuze follikels, en klauwproblemen.

Het verlies aan conditiescore in het begin van de lactatie mag maximaal 1 punt bedragen

Conditiescore

De conditiescore van een koe geeft aan hoeveel vetbedekking een dier heeft, oftewel hoe mager of vet een koe is. Koeien met conditiescore 1 zijn mager, die met conditiescore 5 zijn vet. De conditiescore wordt ook wel afgekort tot ‘BCS’, het Engelstalige ‘body condition score’. De conditiescore zegt iets over de vetreserve van het dier. Je bepaalt deze door een schatting te maken van de vetbedekking van de koekoeksgaten, de lendenen en de ribben. Een score van 3 tot 3,5 is ideaal voor droge koeien. Tijdens de lactatie is 2,5 tot 3 optimaal. Het geraamte en de bedekking met vlees zijn dan goed in balans. De conditiescores helpen je om maatregelen te nemen op het gebied van de voeding en het management. Zowel de inseminator als de inspecteur van het stamboek scoren de con­ ditie bij dieren. Veel veehouders doen het ook regelmatig zelf. Om snel te kunnen bijsturen, is het vooral tijdens de droogstand (begin en eind) en het begin van de lactatie belangrijk dat je in de gaten houdt hoe de conditiescore zich van week tot week ontwikkelt.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

141


Conditiescoreverloop: maximaal 1 punt

In de loop van de lactatie schommelt de conditiescore. Vooral in het begin van de lactatie verliest een koe conditie door de negatieve energiebalans. Dit verlies wil je beperken tot maximaal 1 punt (op de schaal van 5). Enkele voorbeelden van het effect van conditieverlies: • Dieren die meer dan 1 punt conditie verliezen, laten hun tocht 14 dagen later zien dan dieren die 0,5 punt in conditie verminderen. • De kans dat dieren met veel conditieverlies drachtig worden na de eerste inseminatie is slechts 17%, terwijl bij dieren die maar een halve punt conditie verliezen het drachtper­ centage op 65% ligt. Bij hoogproductieve koeien bepalen de conditie en de gezondheid mede of het überhaupt zin heeft om te insemineren. De figuur hieronder toont de normlijnen voor het conditieverloop. Als de score tussen de lijnen blijft, is de koe niet te vet en niet te mager. Haar energieopname past dan bij haar behoefte en lactatiestadium. 5 4,5 4 3,5 3 2,5 2 1,5 5 03

06

09

01

20 1501

80 210 240 270 300 330 360 390 420

lactatiestadium (dagen)

droog

Normlijnen voor het verloop van de conditiescore kengetal vruchtbaarheid

daling in punten conditiescore 0,5

0,5-1,0

>1,0

afkalven-eerste ovulatie in dagen

27

31

42

afkalven-eerste tochtigheid in dagen

48

41

62

afkalven-eerste inseminatie in dagen

68

67

79

drachtpercentage na eerste inseminatie

65

53

17

Effect van daling conditiescore (in punten) op vruchtbaarheidskengetallen

142

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Goed om te weten Stamboekinspecteur scoort conditie van 1 tot 9 De stamboekinspecteur gebruikt niet de score tussen 1 en 5, maar een beoordeling tussen 1 en 9. De inspecteur kijkt naar de vet- en spierbedekking van de zitbeenderen, de lendenen en de koekoeksgaten. Daarbij staat 1 voor weinig bedekking en 9 voor veel. Deze meer verfijnde onderverdeling is nodig voor het maken van een fokwaarde waarbij de verschillen tussen stieren duidelijk uitkomen.

Ziekte en kreupelheid

Koorts als gevolg van ontstekingen (bijvoorbeeld mastitis) heeft vlak na het insemineren een negatieve invloed op de bevruchting. Kreupelheid heeft een negatieve invloed op het laten zien van de tocht. Ook kan een lage voeropname door de kreupelheid – en daarmee een teruggang in conditie – negatief werken op het drachtig worden.

Een kreupele koe heeft een lagere voeropname en laat de tocht niet zien. Bekap een kreupele koe daarom zo snel mogelijk

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

143


Praktisch Voorkom insleep infectieziekten

Ziekten als ibr, bvd, neospora en salmonella kunnen een dramatische invloed hebben op de vruchtbaarheid van de veestapel. Je kunt insleep van deze ziekten voorkomen door je bedrijf zo gesloten mogelijk te houden. Je kunt het risico beperken door be­ zoekers te verplichten (jouw) bedrijfskleding te dragen en door een strikt aankoopbe­ leid voor vee te hanteren. Denk ook aan de verspreiding van neospora door honden.

Voeding: pas op voor veel eiwit

Een tekort aan eiwit in de voeding leidt zelden tot problemen voor de vruchtbaarheid. Een overschot, bijvoorbeeld door te veel (te jong) gras, kan wél gevolgen hebben. Dat veroor­ zaakt namelijk een hoog ureumgehalte in het bloed en dat heeft een negatieve invloed op de eicelkwaliteit. Hierdoor ontwikkelen zich minder levensvatbare eicellen. Daarnaast kan een hoog ureumgehalte een sterke verhoging van embryonale sterfte tot gevolg hebben. Het probleem wordt groter als het dier tegelijkertijd in een negatieve energiebalans verkeert.

Mineralen en vitaminen

Als je krachtvoer (brok) geeft, krijgen de dieren meestal voldoende mineralen en vitaminen binnen tijdens de lactatie. Als je enkelvoudige voedingsproducten zoals bierbostel of bieten­ perspulp voert, moet je extra aandacht besteden aan mineralen en vitaminen. Die extra aan­ dacht is ook nodig bij koeien in de droogstand, bij de voeding van de pinken aan het einde van de dracht, en bij een rantsoen met veel mais. Goed ruwvoer is de basis. Met bemesting kun je het mineralengehalte beïnvloeden. Grondonderzoek brengt de behoefte in beeld. Met bloedonderzoek bij de verschillende diergroepen check je de mineralenvoorziening.

Praktisch

Een schimmelkuil is desastreus voor de vruchtbaarheid en gezondheid van de koeien

Schimmelkuil schaadt

Schimmels in de kuil hebben een slechte invloed op de voeropname, door een verminderde smakelijkheid. Bovendien produceren de schimmels schadelijke stoffen (mycotoxinen) die de vruchtbaarheid sterk negatief kunnen beïnvloeden. In het ergste geval kan het zelfs leiden tot abortussen.

144

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Goed om te weten

Check na het insemineren of de koe mooi helder slijm had

Bevruchtend vermogen en kwaliteit sperma De vruchtbaarheidsresultaten zijn voor het grootste deel afhankelijk van een goed koe­ management. De kwaliteit van het diepvriessperma heeft ook invloed op het succes van een inseminatie. Het bepaalt voor 4% het resultaat. De bevruchtingscijfers van stieren staan op de stierenkaart onder ‘gebruikswaarden stier’. Gemiddeld over alle stieren is het NR-percentage 68%. Een goed bevruchtende stier met bijvoorbeeld +3 bevruchting scoort dus 71%. Van jonge stieren zijn nog geen bevruchtingsresultaten bekend. De vruchtbaarheid wordt berekend zodra de inseminatoren meer dan 1.000 inseminaties hebben geregistreerd. Het is niet zo dat jonge stieren automatisch beter bevruchten dan oudere fokstieren. Ki-organisaties controleren de kwaliteit van het sperma op aantal spermacellen, beweeglijkheid en kwaliteit. CRV vult van elke nieuwe stier de rietjes op een gestandaardiseerde wijze af en volgt de resultaten nauwlettend om de afvulling bij te stellen als dat nodig is. Het sperma wordt na elke sprong uitgebreid gecontroleerd, als het vers is en na het invriezen en ontdooien. Als het niet voldoet, komt het niet in de verkoop. Ook bij de inseminatoren vindt monitoring plaats op basis van de maandelijkse resultaten van het percentage non return. Indien nodig vindt bijsturing plaats.

Praktisch Fokken op vruchtbaarheid

Twee manieren om de vruchtbaarheidsresultaten te verbeteren via de fokkerij zijn: gebruik goed bevruchtende stieren en let op de dochtervruchtbaarheid van de stier. Beide gegevens staan op de stierenkaart. Vruchtbare stieren hebben spermacellen die beter bevruchten. Dat helpt op korte termijn bij het drachtig worden van de koe. Het fokken op dochtervruchtbaarheid is: zorgen voor een betere vruchtbaarheid bij de nakomelingen op lange termijn.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

145


Samenvatting Voor goede vruchtbaarheidsresultaten is een goede tochtdetectie het vertrekpunt. Het waarnemen van de juiste signalen is een hele kunst. Daarvoor moet je tijd nemen op meerdere momenten van de dag. Gelukkig kun je gebruikmaken van techniek zoals activiteitenmeting en van attentielijsten. Zo kun je gericht te werk gaan. Een goede tochtwaarneming helpt je bij het insemineren op het juiste tijdstip. Gemiddeld begint het springgedrag ongeveer 30 uur voor de eisprong. Het optimale moment ligt bin­ nen 12 uur na het zien van staande tocht. Of een koe daadwerkelijk drachtig wordt, kun je controleren. Er zijn verschillende mogelijkheden: voelen, scannen en het onderzoeken van een mpr-monster. Vruchtbaarheidsmanagement is meer dan het bepalen van het beste moment voor de be­ vruchting. Het gaat ook over vragen als: ‘Hoe snel na het kalven begin je met insemineren?’ en ‘Hoelang ga je door met insemineren als een koe niet drachtig wordt?’ Ten slotte is het voor een succesvol vruchtbaarheidsmanagement nodig te zorgen voor goede omstandig­ heden. Vooral een uitgebalanceerde voeding – het beperken van de negatieve energieba­ lans – en de juiste conditie zijn belangrijk. Voor het beoordelen en verbeteren van je vruchtbaarheidsmanagement kun je gebruikma­ ken van verschillende kengetallen en managementtools. De bijlage bij dit hoofdstuk geeft hiervan een overzicht.   146

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Bijlage Data voor grip op vruchtbaarheids­resultaten Als melkveehouder beschik je over veel data om het vruchtbaarheidsmanagement te verbeteren. Managementprogramma’s helpen je te sturen op de signalen en kengetallen. Via verschillende attenties en overzichten kun je op elk moment inzicht krijgen in de vruchtbaarheidsstatus van je veestapel en eventuele acties op dierniveau. In deze bijlage een aantal voorbeelden uit VeeManager van CRV. 1. KoeAttenties en attentielijsten 2. Stallijst vruchtbaarheid 3. Dieroverzicht

1. KoeAttenties en attentielijsten

Met attentielijsten creëer je je eigen checklist. In de VeeManager-module Vruchtbaarheid kun je zelf lijsten instellen voor onder meer tocht- en drachtcontrole. Daarnaast kun je ook attenties instellen voor droogzetten, opstarten en afkalven.

Toelichting per onderdeel

1

1

Tochtcontrole/insemineren Alle koeien en pinken die in aanmerking komen voor tochtcontrole/inseminatie. Ze staan op de lijst vanaf het ingestelde aantal dagen na afkalven of (bij pinken) de ingestelde leeftijd. Aanvullende informatie is mogelijk: kalfdatum, laatste tocht, aantal inseminaties, SAPadviezen.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

147


2

3

4

5

148

2

Drachtcontrole Alle koeien die in aanmerking komen voor een drachtscan. Ze staan op de lijst vanaf het ingestelde aantal dagen na inseminatie (minimaal 31). Aanvullende informatie is mogelijk: kalfdatum, leeftijd, lactatiewaarde, inseminatiedatum, aantal inseminaties, de naam van de stier.

3

Droogzetten Alle koeien die in aanmerking komen om te worden drooggezet. Ze staan op de lijst vanaf het ingestelde aantal dagen voor afkalven. Aanvullende informatie: de verwachte afkalfda­ tum, de naam van de stier, informatie over het celgetal, mastitisrisico.

4

Opstarten Alle koeien die opgestart kunnen worden. Aanvullende informatie: droogzetdatum, verwachte kalfdatum, vader van het kalf.

5

Afkalven Koeien en vaarzen die binnenkort afkalven. Ze komen op de lijst vanaf het ingestelde aantal dagen voor de verwachte afkalfdatum. Aanvullende informatie: droogzetdatum, de vader van het kalf, gebruik gesekst sperma.

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


2. Stallijst vruchtbaarheid

Met een stallijst vruchtbaarheid heb je de status van alle dieren in één overzicht. Je kunt de lijst op verschillende manieren sorteren: bijvoorbeeld op laatste tocht, inseminatie of verwachte kalfdatum. Als je klikt op een individueel dier, zie je een uitgebreide vrucht­ baarheidshistorie van de huidige lactatie. Je kunt ook de gegevens van eerdere lactaties bekijken.

Voorbeeld van een stallijst gesorteerd op inseminatiedatum

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

149


3. Dieroverzicht

Het Dieroverzicht in de module Vruchtbaarheid van VeeManager is een hulpmiddel om pinken en koeien op te sporen die de (bedrijfs)kengetallen het meest (negatief) beïnvloeden. Als extra kengetal wordt de inseminatiewaarde (iw) weergegeven. Dit kengetal kan helpen bij de afweging om een dier wel of niet opnieuw aan te bieden voor inseminatie. Naast de bekende diergegevens worden de volgende gegevens weergegeven: • Kalfdatum, leeftijd en lactatienummer • Interval afkalven-eerste inseminatie (bij pinken interval geboorte-eerste inseminatie) • Aantal inseminaties en de intervallen tussen de inseminaties • Aantallen ‘correcte’ en ‘gemiste’ tochten vanaf de eerste inseminatie • Verwachte tussenkalftijd • Verwachte kalfdatum, leeftijd en lactatienummer • Inseminatiewaarde (zie ook 7.2)

150

Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid


Hoofdstuk 7 Vruchtbaarheid

151


152

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen


HOOFDSTUK 8

De kwetsbare 100 dagen Van ongeveer 40 dagen vóór het kalven tot 60 dagen daarna is de koe in haar meest kwetsbare periode. In deze transitieperiode heeft ze extra aandacht nodig omdat haar situatie behoorlijk verandert. Dat brengt risico’s met zich mee voor gezondheid, vruchtbaarheid en productie. Deze 100 dagen zijn cruciaal voor een hoge en efficiënte levensproductie.

In dit hoofdstuk: 8.1 Extra aandacht rondom het kalven 8.2 Droogzetten op maat 8.3 Het afkalven 8.4 De start van de lactatie

153


8.1

Aandacht in transitieperiode voorkomt problemen Om melk te produceren moet de koe kalven. De 100 dagen rondom het kalven vormen de lastigste periode in het leven van een koe, omdat er veel overgangen – transities – plaatsvinden: droogzetten, groei en ontwikkeling van het kalf, de geboorte en de opstart van melkveeproductie. Als die transitieperiode goed verloopt, ligt de weg open voor een lang en productief leven. Tachtig procent van de gezondheidsproblemen van melkkoeien heeft zijn oorsprong in de transitieperiode: van droogstand tot de opstart in de eerste weken na afkalven. Als je de koe veilig door deze 100 dagen loodst, heb je daar de hele lactatie plezier en rendement van. Rust, reinheid en regelmaat zijn belangrijk in deze periode. Besteed ook aandacht aan comfort: voldoende ruimte, voor iedere koe een zacht en ruim ligbed en een vreetplek (85 cm per koe), en vanzelfsprekend een passend droogstandrantsoen dat vers en smakelijk is. Dat zijn basisvoorwaarden voor een hoge drogestofopname.

154

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen


8.2

Droogzetten op maat In de droogstand vraagt de uier om bescherming. Oude uierinfecties verdienen aanpak. Droogzetten is daarmee maatwerk met duidelijke regels. Na de lactatie gaat de koe genieten van de droogstand. In die rustperiode kan ze zich opladen voor een nieuwe lactatie. In de droogstand maakt ze nieuw uierweefsel aan. Goed droogzetten is belangrijk voor de gezondheid van de koe en in het bijzonder voor de bescherming van haar uier. Waar nodig kun je ter ondersteuning een antibioticum gebruiken. Een koe of vaars met een gezonde uier (voor een vaars lager dan 50.000 cellen/ml, voor een koe lager dan 150.000 cellen/ml) en een melkproductie onder de 12 kg melk per dag kun je droogzetten zonder antibiotica, eventueel wel met een teatsealer.

Problemen opsporen

De droogstand is een uitgelezen periode om een aantal mastitisverwekkers aan te pakken. Als jouw koeien in de lactatie een hoog celgetal of mastitis hebben, is het raadzaam om bacteriologisch onderzoek te doen. Hierdoor weet je welke ziekteverwekker de problemen veroorzaakt en zo kun je een behandeling op maat geven. Wanneer koeien een hoog celgetal of mastitis hebben vlak voor het droogzetten, is bacteriologisch onderzoek ook

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen

155


van belang om de koe met het juiste antibioticum droog te zetten. Hiermee bied je de koe de optimale bescherming en de beste kans op herstel. Het verloop van haar celgetal tijdens de lactatie kan ook informatie geven over de mogelijke boosdoeners die voor problemen hebben gezorgd.

Een teatsealer beschermt de uier tegen ziekteverwekkers

Met of zonder antibiotica

Het gebruik van antibiotica bij droogzetten is in Nederland aan richtlijnen gebonden. Vaarzen die een celgetal hoger dan 150.000 cellen/ml hebben en koeien met een celgetal boven 50.000 cellen/ml mag je droogzetten met antibiotica, volgens het bedrijfsbehandelplan (BBP). Dit BBP stel je samen met de dierenarts op. Er staat precies in aangegeven hoe en waarmee je koeien behandelt.

Goed om te weten KoeAttenties Droogzetten en de droogzetevaluatie De attentielijst Droogzetten in de VeeManager-module MPR geeft een overzicht van droog te zetten koeien mét hun celgetal bij de laatste controles. Deze informatie helpt je bij de afweging om droog te zetten met of zonder antibiotica. Je kunt het verloop van de uiergezondheid in de droogstand evalueren met het overzicht ‘droogstand­ evaluatie’ in de MPR-module. Het celgetal na het kalven van de koeien wordt hierbij gevolgd. Is de koe genezen in de droogstand? Hoeveel koeien komen met een hoog celgetal uit de droogstand? Het antwoord op deze vragen biedt aanknopingspunten om je droogstandmanagement verder te verbeteren.

156

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen


Het verloop van het celgetal tijdens de lactatie geeft informatie over de mogelijke boosdoeners die voor uiergezondheids­problemen hebben gezorgd Beschermen met een teatsealer

Met een teatsealer kun je de uier beschermen zonder antibiotica. Normaal maken koeien in de droogstand een keratineplug aan in het tepelkanaal als natuurlijk barrière voormastitisverwekkers. Bij sommige koeien wordt die keratineplug onvoldoende aangemaakt, met name bij koeien die nog veel melk geven aan het einde van de lactatie. De teatsealer geeft bescherming gedurende de hele droogstand. Een teatsealer dicht het tepelkanaal af met een tandpasta-achtige emulsie zodat ziekteverwekkers niet in de uier kunnen komen. Hygiënisch werken is hierbij van extra groot belang, omdat het kwartier helemaal wordt afgedicht. Je wilt voorkomen dat bacteriën opgesloten zitten. In de warme uier en met extra melkdruk de eerste dagen in de droogstand, kunnen ziekteverwekkers ‘exploderen’ in de uier.

Kalven betekent een grote verandering voor koeien. Zorg voor een goed rantsoen en extra comfort

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen

157


 Praktisch Ook vaarzen kennen een droogstand

Koeien die worden drooggezet, komen in een aparte groep met een ander rantsoen. Hoe zit dat eigenlijk bij vaarzen die voor de eerste keer kalven? Deze dieren hebben ook extra aandacht nodig, misschien zelfs wel meer dan oudere koeien. Zo kunnen vaarzen last krijgen van zucht (oedeem, zwelling door vochtophoping) in de uier en onder de buik. De vorming van de uier, de ontwikkeling van het kalf en de hormonale veranderingen zijn voor de vaarzen nieuwe ervaringen die met veel stress gepaard kunnen gaan. De kans bestaat dat de vaarzen veel liggen, te weinig bewegen en daardoor ook te weinig vreten. Dat vormt een risico. De voeding van de vaarzen, de conditie en de klauwverzorging vragen daarom extra aandacht, ook in hun droogstand.

Een eerste vereiste bij het kalven: een schoon strohok

158

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen


8.3

Het afkalven Om de lactatie vlot te starten is gemakkelijk kalven essentieel. Daar kun je als melkveehouder zelf veel aan doen. Stressvrij en hygiënisch kalven

De koe is een kuddedier en houdt van een saai leven. Het liefst wil ze dat alle dagen hetzelfde zijn. Dat is zeker niet het geval rondom het afkalven en dat levert dan ook stress op voor de hoogdrachtige koeien en vaarzen. Stress betekent risico’s op problemen en stress kan het afkalfproces laten stagneren met doodgeboorte tot gevolg. Zorg er dus voor dat je de koe zoveel mogelijk haar gang laat gaan en dat ze contact met haar koppelgenoten heeft. Nog een belangrijke factor rondom het afkalven is hygiëne. Tijdens het afkalven staat de baarmoedermond helemaal open en ontstaan vaak wondjes aan de geboorteweg. De kans op besmetting en ontsteking is dan aanwezig. Baarmoederontsteking heeft grote negatieve invloed op de vruchtbaarheid.

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen

159


Praktisch Tips voor het afkalven

• Zorg voor een ruime en schone afkalfbox. Voldoende stro voor elke koe is geen overbodige luxe. Voldoende is: wanneer je zelf droge knieën houdt als je in het stro zit. Laat de koe los in het hok. • Reinig en ontsmet de achterkant van de koe vlak voordat ze afkalft. Dat verhoogt de hygiëne rondom het afkalven. • Onderzoek de koe inwendig nooit zonder wassen en ontsmetten van de handen, en gebruik voldoende glijmiddel. Zorg voor kortgeknipte nagels en draag geen ringen of andere sieraden. • Gebruik alleen schone hulpmiddelen, zoals trekhoutjes, touwtjes of kettinkjes. • Onderzoek de koe inwendig niet te vroeg: de baarmoederhals heeft tijd nodig om ruimte te maken.

Goed om te weten Deel je ervaring over het geboorteverloop Als je de geboorte van een kalf opgeeft, kun je binnen VeeManager van CRV ook gegevens toevoegen over het geboorteverloop. Deze gegevens vormen belangrijke informatie voor de berekening van de fokwaarden: ze bepalen of een stier wel of geen pinkenstier wordt. Hierdoor kunnen veehouders de stieren gericht gebruiken en afkalf­ problemen voorkomen.

Een rantsoen voor droge koeien bevat minder energie en meer structuur

160

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen


Voorkom zware geboorten

Een vlotte kalving zorgt ook voor het vlot opstarten van de lactatie. Zware geboorten trekken een wissel op de gezondheid van de koe en zorgen voor een langere herstelperiode van de koe na het afkalven. Gebruik daarom een pinkenstier bij de pinken en kies zorgvuldig de stieren voor je oudere koeien. Ook de voeding tijdens de droogstand en het seizoen (vooral na de zomer zijn er meer zware kalveren) hebben invloed op het verloop van de geboorte.

Met een gemakkelijke kalving start de koe de lactatie soepel op MPR Voeding en de KoeAttenties MPR geven inzicht in de resultaten van de droogstand. Meer hierover lees je in H9. Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel

Vruchtbaarheid begint in de droogstand

Een goede vruchtbaarheid van je veestapel begint in de droogstand. Een koe mag niet toenemen of afnemen in conditiescore. Een goede voersamenstelling is daarom van groot belang, plus een hoge voeropname. Een koe die problemen in de droogstand krijgt, komt in een vicieuze cirkel terecht. Ze blijft aan de nageboorte staan, vreet te weinig, loopt (slepende) melkziekte op, krijgt mastitis en wordt moeilijk drachtig. Allemaal kostbare problemen die je kunt voorkomen door de droogstand te optimaliseren.

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen

161


8.4

De start van de lactatie Voor de pasgekalfde koe verandert er in een korte tijd heel veel. Het antwoord op de vraag hoe ze zo goed mogelijk door deze periode komt, is heel kort: zoveel mogelijk opname van een kwaliteitsrantsoen. De pasgekalfde koe wil veel melk produceren. De voeropname kan de plotseling toegenomen energiebehoefte vaak niet bijhouden. We spreken dan van een negatieve energiebalans. Op zich is dit een normaal verschijnsel, de koe is hier van nature op ingesteld. Maar je kunt er wel voor zorgen dat de duur en diepte van de negatieve energiebalans beperkt blijft. Veel problemen zijn te voorkomen met goed samengestelde rantsoenen voor de koeien die droogstaan en de koeien die weer beginnen aan een nieuwe lactatie. Hierbij een paar tips voor de beste lactatiestart: • Zorg voor een zacht ligbed en voor iedere koe een ligplaats en een voerplek. • Fris en smakelijk voer en water zorgen voor een hogere drogestofopname. • Zet koeien 2 weken voor het afkalven in de close-upgroep (strohok). Dit levert de minste stress op voor de koe.

162

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen


• • • • • • •

Voer vezelrijk, energiearm ruwvoer tijdens de droogstand, met een eiwitvoorziening van 13%. De koe dient met een goede conditie de droogstand in te gaan en mag niet te veel groeien, maar zeker ook niet afvallen tijdens de droogstand. Besteed aandacht aan de mineralen en vitaminen in het rantsoen van de droogstaande koeien. De verhoudingen tussen calcium, fosfor, kali en magnesium moeten kloppen. Laat de pensflora de laatste weken vóór het afkalven alvast wennen aan het voer van de verse koeien, door een gedeelte van het rantsoen aan te passen. Verstrek te vette droge koeien aan het einde van de droogstand juist meer energie om leververvetting te voorkomen. Evalueer het rantsoen bij iedere rantsoenwisseling met een deskundige. Check ook de Brix-waarde van de biest. Is de Brix rond de 23 of hoger, dan geef je de nuchtere kalveren maximale weerstand mee. Een te lage waarde heeft vaak zijn oor­ zaak in de droogstand.

De kwaliteit van de biest zegt ook wat over de droogstand

Met goed samengestelde rantsoenen voor de droogstand en opstart kun je problemen voorkomen Voorkom daling van conditiescore

Het dalen van de conditiescore is een indicatie voor een negatieve energiebalans. Als de conditie sterk (meer dan 1 punt) afneemt na het afkalven, wordt de koe moeilijker weer drachtig. Het stimuleren van de voeropname is van groot belang voor de verse melkkoe. Dit begint al vóór het afkalven. Hoe meer de koe in de droogstand aan voer opneemt, des te gemakkelijker kan ze veel ruwvoer opnemen aan het begin van de lactatie.

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen

163


Praktisch Goede start, gezonde klauwen

Vlak voor de droogstand bekap je de klauwen van de koeien. In de droogstand kun­ nen de klauwen herstellen. Na het kalven is aan de klauwen te zien hoe de droog­ stand is geweest. Zijn ze verkleurd? Dan heeft de koe zoolbloedingen. Als er veel verkleuring is, valt er wat te verbeteren met de voeding tijdens de droogstand en in de eerste maanden van de lactatie.

Goed om te weten KoeAttenties Opstarten De KoeAttenties Opstarten helpen je herinneren dat een koe zo’n 2 weken voor haar kalving is. Zo kun je zorgen voor de beste opstart.

Praktisch Algemene tips voor transitiemanagement

• Vermijd stieren met een zeer lage fokwaarde voor het kenmerk geboortegemak. Vooral bij vaarzen is het belangrijk om een pinkenstier te gebruiken met een fokwaarde voor geboortegemak van 102 of hoger. • Gebruik alleen vleesstieren met bekende fokwaarden voor geboortegemak. • Wees alert op overvoeding. Eiwit vergroot de kans op veel oedeemvorming (zucht) en extra zware kalveren bij de geboorte. Te veel energie veroorzaakt vervetting. • Zorg voor een goede conditie bij afkalven, de conditiescore ligt tussen 3+ tot 3,5. • Voer droge en hoogproductieve koeien een smakelijk rantsoen en verstrek dit vaak. Vooral in de zomer: zo voorkom je broei en daarmee verminderde kwaliteit. Verse koeien moeten in de eerste weken zoveel mogelijk voer opnemen. • Maak optimaal gebruik van de mpr-cijfers. Koeien geven zelf signalen af over hun uiergezondheid en hun energiebalans. In de mpr zijn ze te herkennen aan hun prestaties. De attentiedieren komen apart op een lijst te staan zodat je weet welke koeien je moet controleren of in de gaten houden. Externe adviseurs kunnen van­ uit hun eigen vakgebied de cijfers analyseren en op basis hiervan advies geven. • Let op het eiwit in het rantsoen van de hoogproductieve koeien: te veel eiwit kan de vruchtbaarheid schaden. Een gezond ureum ligt rond de 20. • Houd de vinger aan de pols door regelmatig conditie, pensvulling, mest en locomotion/klauwen te scoren.

164

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen


Samenvatting De meeste problemen bij melkkoeien hebben hun oorsprong in de droogstand en het begin van de lactatie. Koeien ĂŠn vaarzen hebben in deze transitieperiode veel aandacht nodig, zodat ze probleemloos kunnen produceren en de beste uitgangspositie hebben voor nĂłg een lactatie. Voeding is van groot belang en gezond de droogstand ingaan ook, met klauwen en uiers die in goede conditie zijn. Dan volgt een stressvrije afkalving en de overgang naar een hoogwaardig melkveerantsoen. Al met al zijn het veel veranderingen in een korte tijd en daar houdt een koe per definitie niet van. Zorg er dus voor dat je je koeien een optimale droogstand geeft. Daarmee geef je jezelf het minste werk en het meeste arbeidsplezier en rendement.

Hoofdstuk 8 De kwetsbare 100 dagen

165


166

Hoofdstuk 9 Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel


HOOFDSTUK 9

Een efficiënt en gezond presterende veestapel Je besteedt veel aandacht aan de voeding en verzorging van je veestapel. Dit resulteert in efficiënt producerende en gezonde koeien. Met diverse kengetallen uit de mpr voor productie en (uier)gezondheid kun je exact volgen in hoeverre dat lukt. Gezondheidsproblemen kun je bovendien voorkomen of aanpakken met gerichte plannen voor bedrijfsgezondheid en klauwverzorging. In dit hoofdstuk: 9.1 Melkproductieregistratie (mpr) 9.2 Melkproductiedata: kengetallen voor een efficiënte melkproductie 9.3 Melkproductiedata: kengetallen voor gezonde koeien 9.4 Behandelplannen en medicijnregistratie 9.5 Inzicht en overzicht voor gezonde klauwen

167


9.1

Melkproductieregistratie Met melkproductieregistratie (mpr) verzamel je waardevolle gegevens over de prestaties, de voeding en de gezondheid van de hele vee­ stapel en van individuele koeien. De zuivelfabriek geeft van elke levering waardevolle data: gegevens over de hoeveelheid en de kwaliteit van de geleverde melk. Die resultaten bepalen de uitbetaling. Voor het verfijnen van je bedrijfsvoering kun je nog veel meer data verzamelen met de melkpro­ ductieregistratie (mpr). Hiervoor laat je regelmatig voor elke afzonderlijke koe de produc­ tiehoeveelheid bepalen en een melkmonster onderzoeken. Je krijgt daarmee een schat aan gegevens over de voeding, gezondheid, vruchtbaarheid en fokkerij op jouw bedrijf. Bovendien worden de mpr-gegevens via het stamboek benut voor het berekenen van de fokwaarden van jouw koeien en ze worden verwerkt in de fokwaarden van stieren.

Nederlandse melkvee­ houders kunnen melk­

Proefmelkingen

Kringloop en mineralen

Proefmelkingen vormen de basis van de mpr. Daarbij leg je van elke melkgevende koe de geproduceerde hoeveelheid melk vast en verzamel je melkmonsters. De monsters worden geanalyseerd op de samenstelling van de melk: vet-, eiwit- en lacto­ segehalten. Daarnaast kun je ze laten onderzoeken op ureum, ketose, celgetal en dracht.

168

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

productiegegevens benutten voor de FosfaatPlanner, zie H10.


Dat levert interessante gegevens op over de gezondheid van de dieren en de samenstel­ ling van het rantsoen. Het ureumgehalte geeft informatie over de benutting van eiwit in de voeding. De aanwezigheid van ketonlichamen (ketose) duidt op (sub)klinische slepende melkziekte. Het celgetal is een maat voor de uiergezondheid. Het melkmonster kun je ook gebruiken als drachttest, met een onderzoek op een specifiek eiwit dat alleen voorkomt in melk van drachtige koeien.

MPR van CRV: met monsternemer of in eigen beheer

CRV is de grootste aanbieder van erkende melkproductieregistratie. Je kunt kiezen voor een drie-, vier-, vijf- of zesweekse frequentie. Voor het vaststellen van de hoeveelheid melk zijn verschillende mogelijkheden (AMS, elektronische melkmeting, meetglazen en tru-test­ meters), afhankelijk van de melktechniek op jouw bedrijf. Voor de uitvoering van de mpr in de melkstal maken de meeste veehouders gebruik van een monsternemer. Die schept en verzamelt de melkmonsters en legt ook de productie­ hoeveelheid vast. Je kunt de mpr ook in eigen beheer uitvoeren. Daarvoor levert CRV de benodigde materialen (zoals een monsternameapparaat en monsterflesjes) en een app (MPR Assistent). Je kunt dan zelf de gegevens van de monstername verwerken op je smart­ phone of tablet. Monstername in eigen beheer gebeurt vooral op bedrijven met elektro­ nische melkmeting of een melkrobot. Voor melkrobots is een apparaat ontwikkeld dat automatisch een melkmonster van elke koe neemt. Ongeveer 57% van de bedrijven laat de monsternames uitvoeren door een monsterne­ mer van CRV of een van de contractorganisaties (zelfstandige vvb’s). Ruim 43% van de mpr-deelnemers voert de monstername uit in eigen beheer (meb). Daarbij horen ook de bedrijven met een melkrobot.

Op de website van CRV vind je informatie over MPR, waaronder instructievideo’s

Voor monstername kun je kiezen uit eens per drie, vier, vijf of zes weken

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

169


Goed om te weten Elektronische MelkMeting Als je op jouw bedrijf beschikt over elektronische melkmeting, dan verzamel je elke dag productiegegevens. CRV biedt de mogelijkheid om deze te combineren met de mpr. De data uit jouw eigen melkmeting en die van de mpr worden dan verwerkt in VeeManager. Deelname aan Elektronische MelkMeting van CRV levert je zeer nauw­ keurige gegevens op. Voor de berekening van de dagproductie van de mpr worden de melkgiften van de monstername gebruikt. Bij de berekening van de totale lacta­ tieproductie worden alle melkgiften meegenomen. De invloed van een afwijkende melkgift wordt hierdoor zeer klein.

Tweemaal bemonsteren – of driemaal bij drie keer daags melken – geeft het beste beeld van de vet- en eiwitpercentages Enkelvoudige monstername

Veel veehouders kiezen voor een mpr met twee keer een monstername van elke koe, zodat ze een beeld hebben van de dagproductie. Bij drie keer daags melken neem je hiervoor drie monsters. Die meervoudige bemonstering geeft ook het beste beeld van de vet- en eiwitpercentages. Robotmelkers maken meestal gebruik van enkelvoudige monstername omdat lang niet alle koeien twee keer in de melkrobot komen. De melkrobot legt toch al de productiegegevens op dierniveau vast. Datzelfde geldt voor veehouders die gebruikmaken van elektronische melkmeters (emm) in combinatie met een managementsysteem.

Goed om te weten Distributiedienst en centraal laboratorium Als deelnemer aan de mpr krijg je ongeveer een week van tevoren een aankon­ digingsbericht. CRV heeft een distributiedienst met routerijders die de benodigde materialen tijdig bezorgen en na de proefmelking de verzamelde monsters ophalen. Ze nemen tijdens hun bezoek ook eventueel bestelde spermarietjes en ki-benodigd­ heden mee. De analyse van de melkmonsters vindt de volgende werkdag plaats in een centraal on­ derzoekslaboratorium. In Nederland is dat Qlip in Zutphen, in Vlaanderen MCC-Vlaan­ deren in Lier. Via CRV ontvang je vervolgens de uitslagen in je managementsysteem, zoals de module MPR in VeeManager. Je kunt de resultaten ook per post ontvangen.

170

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


De stroom aan gegevens vanuit de mpr zorgt voor informatie om de veestapel beter te managen

Overzichten voor veehouders en adviseurs

Uit de mpr kun je heel veel nuttige managementinformatie halen, zowel op individueel dier­ niveau als op koppelniveau. In de paragrafen hierna (9.2 en 9.3) lees je meer hierover. Veel van die informatie is ook interessant om te delen met jouw adviseurs, zoals de voer­ specialist en de dierenarts. Via een machtiging kun je regelen dat zij rechtstreeks toegang krijgen tot de data. Zo kunnen ze over je schouder meekijken. MPR van CRV bevat hiervoor handige overzichten, zoals SnelZicht en KoeAttenties. SnelZicht is een analyseoverzicht op één A4’tje. Hiermee kun je een snelle beoordeling maken van bedrijfsprestaties. Dit is handig in het contact met dierenartsen en adviseurs/ voorlichters. Zo kunnen deze adviseurs zich optimaal voorbereiden op een bedrijfsbezoek. KoeAttenties is bedoeld als lijst met koeien die direct aandacht nodig hebben. Inzicht in po­ tentiële probleemkoeien is ook nuttig voor externe adviseurs. Meer hierover vind je in 9.3.

Goed om te weten Kwaliteit van de mpr Het officiële Reglement Melkproductieregistratie is te vinden op de website

Om de kwaliteit van de mpr-data te controleren doet CRV steekproefsgewijs hercon­ troles. Verder voert het computersysteem een aantal (automatische) controles uit op basis van de kengetallen MPR 24 uur, MPR Zuivel en Verdeling isk. Deze kun je inzien in het overzicht MPR Kwaliteit in de module MPR van VeeManager.

van Coöperatie CRV

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

171


9.2

Melkproductiedata: kengetallen voor een efficiënte melkproductie De mpr bevat verschillende productiekengetallen waarmee je je management op zowel dierniveau als op koppelniveau kunt bijsturen. Bij MPR van CRV krijg je daarvoor twee overzichten: het Dieroverzicht en het Bedrijfsoverzicht. Dieroverzicht

Het Dieroverzicht in de mpr-uitslag toont de individuele resultaten van alle koeien die tijdens de laatste monstername aanwezig waren. Behalve de gemeten productiecijfers van de laatste proefmelking zie je hier ook cumulatieve productiecijfers. Op de volgende pagina’s zie je een voorbeeld van een Dieroverzicht, met een beknopte uitleg van de verschillende onderdelen.

172

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


1

2

3

4

5

6

7

8

Voorbeeld van het Dieroverzicht, de cijfers verwijzen naar de toelichting in de tekst hieronder

1

Dagproductie De dagproductie ‘kg m dag’ is de gemeten hoeveelheid bij de laatste mpr. Deze wordt vergeleken met de verwachte dagproductie. Als het verschil tussen de gemeten en de verwachte hoeveelheid groter is dan 15%, staat bij gemeten waarde een ‘+’ of een ‘-’. Daardoor heb je snel een beeld van de uitschieters. De verwachte voorspelde dagproductie ‘kg m vw’ wordt gebaseerd op eerdere metingen en het gemiddelde verloop van de melkgift van dieren met een vergelijkbaar productieniveau. Behalve de hoeveelheid geproduceerde melk vind je hier ook de gehalten vet, eiwit en lactose en de uitslagen van andere analyses: ureum, ketose en celgetal (deze worden verderop toegelicht).

2

Individuele standaardkoe (isk) De gemeten dagproductie wordt omgerekend naar de individuele standaardkoeproductie (isk). Dat is de (berekende) melkgift van de betreffende koe op de dag van de mpr als ze op volwassen leeftijd in februari of maart zou hebben afgekalfd en 50 dagen in lactatie zou zijn. De dagproductie wordt gecorrigeerd voor leeftijd, lactatiestadium en seizoen. Dat maakt de prestatie van de koe vergelijkbaar met andere koeien. Alle dieren die tussen 5 en 305 dagen aan de melk zijn, krijgen een isk. Het gemiddelde van alle isk’s is de bsk. Die vind je op het Bedrijfsoverzicht.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

173


3

4

Lactose en ureum Vet-, eiwit- en lactosegehalten zijn belangrijk voor de uitbetaling van het melkgeld. Ze geven bovendien extra informatie. Zo is het lactosegehalte nuttig voor het opsporen van gezondheidsproblemen die te maken hebben met voeding. Verse koeien met een laag lactosegehalte hebben mogelijk een energietekort. Bij koeien die al langer in lactatie zijn, duidt een laag percentage lactose vaak op andere problemen. Ook de verhouding tussen vet- en eiwitgehalte biedt vaak aanknopingspunten voor voeradviseurs. Het ureumgetal (ur) geeft een indicatie van de benutting van het eiwit in het voer. Vooral de gemiddelde ureumscores voor groepen dieren bieden aanknopingspunten voor de rantsoenbeoordeling en -aanpassing. Dat kun je beoordelen in het Bedrijfsoverzicht of in het overzicht MPR Voeding (zie 9.3).

5

Celgetal Van elk dier wordt het gemeten celgetal weergegeven, waarbij een celgetal van 90 wil zeggen dat er per ml melk 90.000 (afweer)cellen geteld zijn. Naast het celgetal wordt het aantal keren dat het celgetal verhoogd is binnen de lactatie weergegeven. Verhoogd wil zeggen: >150.000 cellen/ml bij vaarzen en >250.000 cellen/ml bij koeien. Voor een gedetailleerder overzicht is er een overzicht Uiergezondheid (zie 9.3).

6

Status Onder ‘Status’ staan de opmerkingen die tijdens de mpr zijn ingevoerd. Verder valt onder status een eventuele groepsindeling, ‘g1’, ‘g2’, etc. codes

betekenis

1x

1 maal per dag gemolken

drg

droog

drsp

driespeen

ber

berekende gehalten

ne

niet-erkende monstername/ lactatie

mast

mastitis of uierontsteking

onm

monstername was onmogelijk

toch

tochtig

tvg

te vroeg gekalfd

vers

nog geen vier dagen geleden gekalfd

ziek

ziek

Betekenis codes van de kolom ‘status’

7

174

8

Productie, 305 dagenproductie en lactatiewaarde Naast kalfdatum, leeftijd (uitgedrukt in jaren en maanden), lactatienummer en het aantal dagen in lactatie, zie je in het Dieroverzicht de cumulatieve opgetelde productieresultaten. Er zijn hiervoor twee cijfers: de gerealiseerde productie in de lopende lactatie en de 305 dagenproductie. Als de lopende lactatie nog geen 305 dagen duurt, wordt een voorspel­ ling gemaakt. Met de (voorspelde) 305 dagenproductie kun je dieren onderling vergelijken en checken hoe jouw koeien presteren ten opzichte van je doelen. Ook de lactatiewaarde

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


(lw) is een kengetal waarmee je dieren kunt vergelijken. Dit is een kengetal voor de produc­ tie van een koe ten opzichte van haar stalgenoten. Het gemiddelde van alle koeien is 100. Bij een lw van 90 of lager wordt met een ‘-’ aangegeven dat de koe duidelijk slechter pro­ duceert dan de overige koeien. Een lw van 110 of hoger krijgt een ‘+’. De lactatiewaarde is afgeleid van de netto-opbrengst (no). Stel een dier heeft een no van 2.500 en het bedrijfs­ gemiddelde is 2.400, dan is de lw van het individuele dier 2500/2400 * 100 = 104. De lactatiewaarde is een economisch kengetal waarmee je jouw koeien onderling kunt vergelijken. Deze is gebaseerd op het productieniveau en gecorrigeerd voor een aantal factoren, zoals gehalten, leeftijd, lactatiestadium en seizoen. Ook vruchtbaarheid telt mee: een langere tussenkalftijd verlaagt de lw.

Praktisch Detailoverzicht per dier

Je kunt vanuit het Dieroverzicht nog veel meer details over een individuele koe in beeld krijgen. Door te klikken op de naam van het dier verschijnt een pop-upvenster met gerelateerde informatie uit onder meer de stamboekregistratie en het gezond­ heids- en vruchtbaarheidsmanagement.

Maak je eigen toplijst

In het Dieroverzicht staan de koeien op nummer gerangschikt. Wil je een ranglijst voor % eiwit? Of voor de 305 dagen lactatieproductie? Klik dan op het betreffende kenmerk en er ontstaat vanzelf een handige rangorde van je koeien.

Van elke koe wordt een melkmonster genomen

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

175


2

1

3

4

5

Voorbeeld van een Bedrijfsoverzicht, de cijfers verwijzen naar de toelichting in de tekst hieronder

Bedrijfsoverzicht

De analyse van mpr-gegevens op groeps- of koppelniveau is waardevol voor verschillende onderdelen van de bedrijfsvoering, zoals voeding en selectie voor de fokkerij. Het Bedrijfsoverzicht toont daarvoor verschillende kengetallen op bedrijfsniveau en uitgesplitst naar groepen. De groepen worden gesorteerd op lactatiestadium en lactatienummer. Met de indeling op lactatiestadium kun je bijvoorbeeld zien of de dieren goed opstarten na het afkalven. Een groepsindeling op lactatienummer (pariteit, vaarzen, tweedekalfs- en oudere koeien) geeft ook inzicht in de vooruitgang in melkproductie van vaarzen ten opzichte van tweedekalfs- en oudere dieren.

176

Hoofdstuk 9 Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel


1

2

3

Dagproductie, 305 dagenproductie, rollend jaargemiddelde Het Bedrijfsoverzicht toont de gemiddelde dagproductie en de 305 dagenproductie. Daarnaast is er een rollend jaargemiddelde. Dat geeft de terugblik op de afgelopen 365 dagen. Dit wordt berekend door de gemiddelde dagproductie (kg melk, vet, eiwit) van alle koeien uit de monsternames in het afgelopen jaar te vermenigvuldigen met 365.

4

Lactatiewaarde en de bedrijfsstandaardkoeproductie (bsk) Net als op het Dieroverzicht zie je hier ook twee gestandaardiseerde productiecijfers: de gemiddelde lactatiewaarde (lw) en de bedrijfsstandaardkoeproductie (bsk). De bsk is een berekende waarde die afgeleid is van de gemiddelde dagproductie per koe, gecorrigeerd voor factoren als leeftijd, afkalfmaand en lactactiestadium. De bsk is de gemiddelde dag­ productie op de dag van de monstername als de koe bij volwassen leeftijd (69-92 maanden) in februari/maart afgekalfd zou hebben en 50 dagen in lactatie zou zijn. Je kunt de bsk van je eigen bedrijf vergelijken met andere bedrijven. De bsk is het gemiddelde van de gestandaardiseerde productie van een individuele koe (de isk op het Dieroverzicht). In het Bedrijfsoverzicht zie je in een grafiek de ontwikkeling van de bsk in de afgelopen 2 jaar. In de berekening zijn producties verwerkt van koeien die tussen 5 en 305 dagen in lactatie zijn.

5

Economisch jaarresultaat (ejr) en netto-opbrengst (no) Het Bedrijfsoverzicht toont twee economische cijfers: ejr en no. Het economisch jaarresultaat (ejr) is de waarde van de melkproductie. Deze wordt berekend door aan de melkproductie en de gehalten een waarde te geven die overeenkomt met de gangbare melkgeldbereke­ ningen. In 2020 was dat € 1,90 per kg vet, € 3,80 per kg eiwit en € 0,20 per kg lactose. Het andere economische kengetal is netto-opbrengst (no), een maat voor het saldo van melkgeld minus voerkosten op basis van de gecorrigeerde 305 dagenproductie en (normatieve) voer­ kosten. Het Bedrijfsoverzicht toont het verloop van de netto-opbrengst in een grafiek.

Een koe krijgt na de monstername een lactatiewaarde en een isk

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

177


MPR JAAROVERZICHT

CRV Postbus 454, 6800 AL ARNHEM Tel: +31880024440 330828 Univ. Utrecht Fac. Diergeneeskunde

bedrijfsoverzicht

Univ. Utrecht Fac. Diergeneeskunde Postbus 80011 3508 TA UTRECHT

Postbus 454, 6800 AL Arnhem Verwerkingsdatum 20/09/19 blad 1/5

periode: 1 september 2018 - 31 augustus 2019

Productie voor rangschikking (365 dagen) bedrijven koeien lft(gem) 71

Rollend jaargemiddelde District West-Nederland CRV Utrecht Nederland

1574 11912 800 13493

88 100 80 99

%vet %eiwit

kgv

kge

EJR

4.09 11106

melk

4.17

3.40

463

378

2419

4.10 4.07 4.09 4.08

4.33 4.38 4.35 4.38

3.58 3.59 3.58 3.59

379 402 383 401

314 329 315 329

1992 2098 2002 2095

8752 9165 8792 9155

rang 61 992 38 1110

Gemiddelde lactatie-productie aantal

lft(afk)

dagen

melk

kgv

kge

EJR

tkt

lw

Bedrijf

43

4.02

343

11793

4.03

3.27

475

385

2254

402

97

vaarzen 2e kalfs oudere koeien

13 8 22

2.00 3.02 5.10

333 354 345

9116 12666 13058

4.41 3.92 3.91

3.25 3.33 3.25

402 496 510

297 421 425

1855 2298 2474

388 417 404

97 101 96

Zwartbont 93 HF 3 BS Roodbont 67 HF 13 BS

37 6

4.02 4.06

341 358

11867 11337

3.95 4.51

3.26 3.34

469 511

387 378

2258 2234

400 412

98 92

Afgevoerde koeien

19

5.06

287

9823

4.25

3.36

417

330

afk dgn(lact) dgn(drg) melk

%vet

%eiw

2.7 4.4

4.05 4.00

3.29 1135 922 3.25 1860 1511

%vet %eiwit

93

Gemiddelde levensproductie Aanwezige koeien Afgevoerd (slacht/dood)

aantal

lft(gem)

67 21

4.07 6.06

827 1410

155 239

28037 46434

kgv

kge

Monsternames in het statistiekjaar datum sep BSK 53.1 no 2569 kg melk (gemiddeld) 33.3 % vet 4.08 % eiwit 3.34 % lactose 4.67 ureum 21 melkgevend 61 droog 10 vlees 0 aantal melkingen 3 mpr 24 uur mpr zuivel erkend Ja

okt 52.1 2601 33.0 4.26 3.48 4.64 15 59 13 0 3

nov 48.5 2602 32.2 4.50 3.43 4.54 18 65 8 0 3

dec 49.0 2579 32.9 4.39 3.36 4.60 17 67 5 0 3

jan 51.7 2582 35.2 4.14 3.32 4.63 17 67 5 0 3

feb 54.8 2641 35.9 4.20 3.41 4.61 20 68 4 0 3

mrt 55.8 2675 36.3 4.13 3.40 4.61 24 66 3 0 3

apr 54.9 2700 36.1 4.17 3.40 4.63 21 68 2 0 3

mei 55.8 2695 35.1 3.96 3.45 4.68 17 66 3 0 3

jun 54.7 2704 33.8 3.87 3.48 4.66 23 64 5 0 3

jul 51.7 2685 31.4 4.19 3.42 4.63 25 62 9 0 3

aug 53.0 2679 31.8 4.11 3.37 4.56 29 65 3 0 3

totaal 52.9 2643 33.9 4.17 3.41 4.62 21 64.8 5.8 0.0 3

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

© CRV Arnhem

0052414 IRIS_021.1909

Voorbeeld van een Jaaroverzicht op bedrijfsniveau

Jaaroverzicht (bedrijf)

Deelnemers aan MPR van CRV krijgen twee jaaroverzichten: op bedrijfsniveau en op dierniveau. Het boekjaar loopt van 1 september tot en met 31 augustus. Het Jaaroverzicht (bedrijfsniveau) is niet alleen een terugblik op het afgelopen jaar, het geeft ook een vergelijking van de gemiddelde productie op jouw bedrijf ten opzichte van andere bedrijven. Je ziet het rollend jaargemiddelde en het economisch jaarresultaat (ejr). Voor het ejr zie je jouw positie op de ranglijst van de regio, de provincie en nationaal. Verder toont het Jaaroverzicht de gemiddelde lactatieproductie en de gemiddelde levens­ productie. Lactatieproductie wil zeggen: afgesloten lactaties van koeien die in het verslag­

178

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


jaar hebben gekalfd. De gemiddelde levensproductie van de aanwezige koeien is de totale productie zoals berekend op 31 augustus. Voor de levensproductie van de afgevoerde dieren worden alleen die dieren meegenomen die afgevoerd zijn voor de slacht, noodslacht of destructie. Koeien die ‘voor het leven’ zijn verkocht, worden hierin niet meegenomen. Onder aan het overzicht staan de gemiddelde resultaten per monstername.

© CRV Arnhem

CRV Postbus 454 6800 AL ARNHEM Tel: +31880024440 330828 Univ. Utrecht Fac. Diergeneeskunde Diernr Naam Rasbalk Levensnummer

0052414 IRIS_021.1909

28 Charlotte 5 NL 383876816 46 Tolbert 595 NL 465514827 51 Ida 525 NL 544720109 52 Charlotte 20 NL 544720116 49 Ida 526 NL 940520695 59 Bertha 91 NL 936720724 80 Tolbert 629 NL 934621425 27 Tolbert 630 NL 934621379 94 Neeltje 554 NL 934621393 87 Tolbert 631 NL 934621519 33 Charlotte 24 NL 711121618 74 Neeltje 558 NL 711121740 64 Betje 165 NL 711121649 11 Ida 536 NL 711121656 50 Tinie 5 NL 656721788 67 Ida 539 NL 656721872 32 Bertha 95 NL 656721928 19 Ida 541 NL 656721997

100%HF 100%HF

MPR JAAROVERZICHT dieroverzicht Haarkleur Vader

Katshaar Kirby

Poos Stadel Classic 75%HF 25%NRB Ponsstar Shogun 100%HF Herzbube 62%HF 25%DR 12%ZRB R David 100%HF Mascol 100%HF Ponsstar Shogun 100%HF Survivor 50%BS 25%HF 25%NRB Kulp Gen Pronto Dally ET 100%HF Morningview Legend 100%HF Jerudo 50%ZRB 25%BS 25%HF Peterslund 100%HF Ponsstar Shogun 100%HF Jerudo 100%HF Danillo 100%HF Jerudo 100%HF Jerudo 100%HF Slotboom's Pilot

ZB

Postbus 454, 6800 AL Arnhem Verwerkingsdatum 20/09/19 blad 2/5

Geb. datum Lactatie-productie / 305 dagenproductie kalfdatum lactnr aantal kg lft dagen melk

04/08/04

ZB

13/03/07

ZB

08/01/11

ZB

23/02/11

RB

15/05/11

ZB

22/08/11

ZB

22/09/11

ZB

22/12/11

ER

08/01/12

ZB

17/02/12

RB

07/09/12

RB

28/10/12

ZB

31/10/12

ZB

01/11/12

ZB

10/01/13

ZB

20/07/13

ZB

23/08/13

ZB

26/10/13

08/12/17 13.04 24/08/17 10.05 06/09/17 6.08 14/02/18 7.00 09/07/17 6.02 30/07/17 5.11 07/01/18 6.04 28/10/17 5.10 28/03/18 6.03 08/09/17 5.07 15/08/18 5.11 27/10/17 5.00 09/12/17 5.01 09/01/18 5.02 31/12/17 5.00 06/11/17 4.04 05/10/17 4.01 29/09/17 3.11

11 9 5 6 5 5 5 4 5 4 5 4 4 4 4 3 3 3

479 305 485 305 315 305 384 305 448 305 352 305 325 305 294 305 434 305 348 305 322 305 300 305 299 305 302 305 356 305 282 305 318 305 347 305

14836 11860 16820 13078 12504 12310 15925 14465 13153 11242 13376 12663 14778 14338 13240 13465 15893 12604 11810 11185 12611 12224 9541 9614 11260 11339 12754 12806 13406 12472 11697 12150 14300 13987 11708 10854

% vet

4.11 4.03 3.52 3.49 3.60 3.59 3.52 3.44 3.89 3.87 3.98 3.98 4.29 4.28 3.71 3.71 4.02 3.94 3.87 3.83 4.54 4.53 5.58 5.58 3.48 3.50 3.93 3.94 3.84 3.78 3.73 3.73 3.41 3.41 3.97 3.92

% eiwit

3.10 3.01 3.06 3.00 3.24 3.23 3.23 3.18 3.12 3.10 3.21 3.19 3.25 3.23 3.01 3.01 3.51 3.42 3.27 3.27 3.37 3.36 3.58 3.58 3.13 3.13 3.30 3.30 3.48 3.44 3.21 3.22 3.34 3.33 3.13 3.12

kg vet

610 478 592 456 450 442 560 497 511 436 533 504 633 613 491 500 639 497 457 429 572 553 532 536 392 397 502 505 515 471 436 454 488 477 465 425

kg eiwit

460 357 515 392 405 397 514 460 410 348 429 404 480 463 398 405 558 431 387 366 425 410 342 345 353 355 421 423 467 429 376 391 478 466 367 338

lw

opm

76

3x

kalfdatum afvoerdatum

90

3x

17/03/19

96

3x

20/09/18

96

3x

01/04/19

74

3x

29/11/18

97

3x

24/09/18

116

3x

29/01/19

102

3x

25/10/18

96

3x

24/07/19

86

3x

01/11/18

13/07/19

101

3x

17/08/19

94

3x

22/10/18

85

3x

04/12/18

104

3x

25/12/18

98

3x

17/02/19

100

3x

17/09/18

113

3x

24/10/18

87

3x

01/11/18

tkt drg

582 103 570 85 379 64 411 27 508 60 421 69 387 62 362 68 483 49 419 71 367 45 360 60 360 61 350 48 413 57 315 33 384 66 398 51

EJR

1909 2072 2414 2811 1900 2398 2986 2598 2630 2131 2805 2433 2220 2788 2542 2740 2734 2188

Voorbeeld van een Jaaroverzicht op dierniveau

Jaaroverzicht (dier)

Op het Jaaroverzicht (dierniveau) wordt de gerealiseerde lactatie- of 305 dagenproductie van alle koeien vermeld die in de statistiekperiode opnieuw (ten minste voor de tweede keer) gekalfd hebben of zijn afgevoerd. De dieren staan op leeftijdsvolgorde en de afgevoerde dieren staan in een aparte rubriek. De kalf- of afvoerdatum die bepalend is voor de publicatie, wordt vermeld. Daarnaast worden de tussenkalftijd (tkt), het aantal dagen droog en het ejr gepubliceerd.

Een jaaroverzicht loopt van 1 september tot en met 31 augustus

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

179


Goed om te weten ���������

��������

��������

������������� ��������������������������� �����������������������������������������

�������������������������

����������� � �������������

���

���������

� � � � �

���

�������� �������� �������� �������� ��������

���

���� ���� ���� ���� ����

���

��

����������������� ��

���

��� ���� ���� ���� ��� ����� ���� ���� ��� ����� ���� ���� ��� ����� ���� ���� �� ���� ���� ����

��� ��� ��� ��� ��

��� ����

��� ��� ��� ��� ��

���

��� ���

���� ��� ���� ��� ���� ��� ���� ���

�� �� �� �� ��

���� ����� ���� ���� ���� ����

���������

�����

���

���

��

��

�������� �� ���� �������� �� ���� ����������������

���� ����

���� ����

�� ���������

� �������� � ��������

������������

������������������ ���

��

���� ���� ���� ���� ����

���� ����� ����� ����� �����

���� ���� ���� ���� ����

��� ��� ����

��

��� ��� ��� ��� ���

���� ���

������������������������������ �� ��� ���

���� �� ���� ��

��������

� ������� ����������� ��� ��� � �������������� ������������ � ������ ������������ ��� ���

����� ������ �������

�� ���������

�����

���

���

��

�� �� �� �� �� �� �� �� �� �� �� �� �� �� �� �� �� ��

���� � ��� ���� � ��� ���

�����

��� ���

� � �� ��� ����� � � �� ������ � � ��

�� ��� �� � �� ���

� � � �

� �

� �

� �

� �

� �

� �

� �

� �

� �

� �

����������

���

���

��

��������� ��

�� ��� ��� ��� ����

�� ���� ���� ���� ����� ��� �� ���� ���� ���� ����� �� �� ���� ���� ���� ���� �

������������������������

�� �� �� �� �

��

�� ����� ���� ���� ��

��

��

��

���� �� ���� ��� ���� �� ���� �� ���� ��

��

��� ���

� �

���������

��� �

������������

������������� � �������� ��������� � ��������� ������� � ������

���������������������������������� ���������� ���������������

��

����

����������

�����

����������

���� ���� ���� ����

����������� ����������� ����������� �����������

�������� �������� �������� ��������

������ ����� �������� ������

�� �� ��� ���

� �

� �

� �

� �

����������

���

���

� ��

�� ��

� �� �� �� �� �� � �� �� �� �� ��

���

�� ��� ��� ��� ��� ���� �� ��� ��� ��� ��� ��� �� ��� ��� �� ��� ����

���

��������� �

� �

� �

��

�� ��� ��� ��� �� �� �� ��� ��� ��� �� ��� �� �� ��� �� �� ��

�����������

������������

Voorbeeld van een KoeKaart

KoeKaart Productiegegevens van elke koe staan ook op de KoeKaart, die je kunt inzien en downloaden in de module MPR van VeeManager. ��� Op de������������������������������������������������ KoeKaart staan alle bekende gegevens van de koe: van afstamming, productie, exterieur en fokwaarden tot en met de nakomelingen. Je kunt dit overzicht gebruiken bij beslissingen rond selectie en fokkerij en bij de aan- of verkoop van dieren of hun nakomelingen. De KoeKaart is geen officieel stamboekdocument, in tegenstelling tot de stamboom en het exportcertificaat. De KoeKaart wordt automatisch bijgewerkt met de actuele gegevens als je deelneemt aan mpr, exterieurcontrole, stamboekregistratie en ki (of deklijsten).

180

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


9.3

Melkproductiedata: kengetallen voor gezonde koeien Melkkoeien geven veel signalen af over hun gezondheid, door de hoeveelheid en de samenstelling van hun melk. Ook daarin is de mpr een belangrijke informatiebron, met overzichten van uiergezondheid en voeding en een duurzaamheidsmonitor. Overzicht Celgetaluitslag

Bij de mpr kun je van elke individuele koe het celgetal laten onderzoeken. Dat is een maat voor de gezondheid van de uier. Een verhoogde waarde kan duiden op uierontsteking (mastitis). Verhoogd wil zeggen >150.000 cellen/ml bij vaarzen en >250.000 cellen/ml bij koeien. De uitslagen van elke individuele celgetalbepaling vind je terug in het Dieroverzicht. Het overzicht Celgetaluitslag in de module MPR van VeeManager geeft een uitgebreidere analyse op bedrijfsniveau. Net als in het Bedrijfsoverzicht met productiecijfers kun je hier ook onderscheid maken naar lactatienummer en lactatiestadium. Per groep zie je de gemid­ delde waarde, het aantal dieren met een verhoogd celgetal en het aantal dieren dat voor het eerst (na langere tijd) een verhoogde waarde heeft (zie volgende pagina nr. 1).

Hoofdstuk 9 Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel

181


Er is ook een categorie ‘verhoogd na afkalven’, voor de gevallen die worden geconstateerd bij de eerste monstername na kalven. Die geven een indicatie van problemen bij de jong­ veeopfok, rond het droogstandsmanagement of rondom het afkalven.

Celgetal uitslag

330828

Univ. Utrecht Fac. Diergeneeskunde

17/08/20 Blad

1/1

Deelnamegegevens celgetalfreq.: Elke proefmelking

1

zuivelorg/tanknr

gemiddeld celgetal 244 117 265 74 120

aantal aantal verh 1 1 4 2 1

vaarzen 2e kalfs oudere

14 14 35

184 73 184

3 1 5

bedrijf

63

157

9 (14%)

2

aantal nieuw

aantal verh na afkalven

0

(0%)

0

(0%)

Uiergezondheid aantal celgetal % verhoogd % nieuw % verhoogd na afkalven

laatste 63 14 0 0

kwartaal 63 13 4 19

3 0.3 2.9

1 0.8 2.0

% zichtbare mastitis (gemeld via MPR) % omgevingsgebonden % koegebonden

50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

% Verhoogd

aug sep okt nov dec jan

feb

mrt

apr mei jun

vorig jaar

5

224030

Celgetal informatie aantal celgetal 9 7 16 23 8

groep - 60 dgn - 120 dgn - 200 dgn - 305 dgn > 305 dgn

3

Friesland Campina Nederland BV

jul

sep okt nov dec jan

vorig jaar

feb

mrt

huidig jaar

1.0 1.0

0.9 1.4

aug sep okt nov dec jan

feb

mrt

vorig jaar

6

apr mei jun

jaar 60 9 4 18

jul

4

% Nieuw

huidig jaar

Tankcelgetal 500 450 400 350 300 250.00 250 200 150 100 50 0 aug

50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0

half jaar 61 11 4 24

apr mei jun

jul

huidig jaar

% Celgetalpatronen 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 aug

sep okt nov dec jan

omgeving

feb

mrt

apr mei jun

jul

koe

© CRV Arnhem

Voorbeeld celgetaluitslag, de cijfers verwijzen naar de toelichting op deze pagina’s

2

182

3

4

Uiergezondheid In de celgetaluitslag kun je de actuele cijfers vergelijken met die van de achterliggende periode. Ook zie je grafische weergaves van het percentage verhoogd celgetal en het aandeel nieuwe gevallen in het huidige jaar in vergelijking met het vorige jaar. Dat geeft een beeld van de ontwikkeling van de uiergezondheid.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


5

Tankcelgetal De zuivelfabriek bepaalt de kwaliteit van de geleverde melk. Een vast onderdeel daarvan is de bepaling van het tankcelgetal. De tankcelgetalinformatie wordt met de centrale database van CRV uitgewisseld, mits je daarvoor toestemming hebt gegeven. Deze tankcijfers worden ook verwerkt als grafiek in het overzicht Celgetaluitslag.

6

Celgetalpatronen: omgevingsgebonden en koegebonden Via de mpr kun je als veehouder alle zichtbare mastitisgevallen doorgeven. Het aantal gemelde gevallen komt terug in het overzicht. Je vindt er ook gegevens over patronen in het verloop van het celgetal. Die geven informatie over de aard van ziekteverwekkers die uierontsteking veroorzaken. Bij een snel herstel (één keer een te hoog celgetal) hebben koeien vaker last van een bacterie uit de omgeving (omgevingsgebonden, bijvoorbeeld E. coli). Daarvan ligt de oorzaak vaak in de voeding, de huisvesting of de wijze van melken. Als het verhoogd celgetal meerdere monsternames aanhoudt, is meestal sprake van een koegebonden ziektekiem. Denk bijvoorbeeld aan S. aureus. Met behulp van bacteriolo­ gisch onderzoek (bo) van de melk van probleemdieren kun je een betere diagnose van de ziekteverwekker stellen, zodat je gerichter kunt behandelen. Via het logistieke netwerk van de mpr kun je flesjes en formulieren voor een bo laten brengen en afhalen.

Praktisch

Een melkmonster genomen voor mpr kun je ook laten onderzoeken op een aantal aandoeningen

Bacteriologisch onderzoek

Het advies luidt om bij koeien die twee tot drie keer een verhoogd celgetal hebben gehad, een bacteriologisch onderzoek (bo) te laten uitvoeren. Bij koeien die meer dan 70 dagen in lactatie zijn, is dat het geval als het geometrisch gemiddelde van de laatste drie celgetalbepalingen uitkomt op 250.000 cellen/ml of meer. Voor vaarzen is de drempel 200.000 cellen/ml. Bij koeien die korter dan 70 dagen melk geven is het raadzaam om een bo uit te laten voeren na tweemaal een verhoogd celgetal. Als je gebruikmaakt van KoeAttenties MPR word je automatisch geattendeerd wanneer dat het geval is.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

183


Praktisch Extra onderzoek melkmonsters

De individuele mpr-monsters kunnen ook onderzocht worden op andere aandoe­ ningen. Dat kan voor ziekten waarvoor ook tankmelkonderzoek mogelijk is, zoals para-tbc, ibr, salmonella, leptospirose en blauwtong.

MPR Voeding

Afwijkingen in de melkgift en/of gehalten kunnen op een probleem in de voeding duiden, zeker als meerdere koeien hetzelfde beeld laten zien. Ook het ureumgetal en de ketose­ bepaling leveren belangrijke signalen. Het ureumgetal geeft een indicatie van de benutting van het eiwit in het rantsoen. Zeker voor de groep pasgekalfde dieren (van 0 tot 60 dagen) is het juiste rantsoen belangrijk. Een ureumgetal van 18 tot 28 is optimaal. Een veel te laag of te hoog ureumgetal wijst op een niet-optimale eiwitbenutting. Dat heeft invloed op de melkproductie, de gezondheid en de vruchtbaarheid van de dieren, vooral als dat op­ treedt in combinatie met een negatieve energiebalans. Het ureumgetal staat op zowel het Dieroverzicht als op het Bedrijfsoverzicht. Een overzicht van de ontwikkeling op koppel- en groepsniveau vind je in MPR Voeding. Ketose De aanwezigheid van ketonlichamen (stoffen die vrijkomen bij afbraak van lichaamsvet) in de melk kan duiden op voedingsgerelateerde ziekten, zoals (sub)klinische slepen­ de melkziekte (ketose) en pensverzuring. Slepende melkziekte komt het meest voor bij verse koeien (0 tot 60 dagen in lactatie), met name bij de oudere dieren die een (te) hoge conditiescore hadden voor het afkalven. De oorzaak is een chronisch tekort aan energie (negatieve energiebalans) bij de opstart van de melkproductie. Melkmonsters worden onderzocht op het ketonlichaam aceton. Het onderzoek op ketose geeft de veehouder een duidelijk overzicht van de dieren die zeker (sub)klinische melkziekte hebben.

Onderzoek op ketose geeft je een duidelijk overzicht welke dieren (sub)klinische melkziekte hebben Overzicht in drie onderdelen

Het overzicht MPR Voeding bestaat uit drie onderdelen.

1

184

Meting laatste MPR Het eerste onderdeel is een tabel met gegevens van de verschillende lactatiegroepen. Hierin staan aantallen dieren die mogelijk aandacht nodig hebben in verband met ketose, een afwijkende verhouding vet en eiwit, en pensverzuring. Verder bevat de tabel het gemiddelde ureumgetal per groep. Ten slotte wordt de behaalde melkproductie uitgedrukt als percentage van de verwachte productie op groepsniveau. Een (tegenvallende) score van minder dan 100 procent kan duiden op problemen op bedrijfs- of groepsniveau.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


2

Ureum-eiwitoverzicht Het tweede onderdeel is een figuur waarin het ureumgehalte (horizontale as) wordt afgezet tegen het eiwitpercentage (verticale as). In deze figuur zijn de lactatiegroepen uitgebeeld in bolletjes. De grootte van de bol geeft ook de grootte van de groep aan. De verticale stippellijnen geven de grenzen aan voor de optimale ureumwaarde. Deze figuur laat zien hoe goed de verschillende groepen het aangeboden rantsoen benutten. Eventuele afwijkende groepen vallen direct op. In elke hoek van de figuur is beknopt de energieeiwitverhouding van het rantsoen aangegeven die hoort bij die plek in de figuur.

3

Jaaroverzichten ureum en ketose Het derde element van MPR Voeding zijn de jaaroverzichten voor ureum (gemiddeld ureumgetal) en ketose (percentage potentiële probleemgevallen). Deze figuren tonen het ureumgehalte in cijfers per maand voor de nieuwmelkte koeien (0 tot 60 dagen in productie) en het hele bedrijf. Vergelijkbare grafieken zijn er voor ketose.

MPR Voeding

CRV Postbus 454, 6800 AL ARNHEM Tel: 088-0024420

Postbus 454, 6800 AL Arnhem

330828 Univ. Utrecht Fac. Diergeneeskunde

22/07/20

Univ. Utrecht Fac. Diergeneeskunde Postbus 80011 3508 TA UTRECHT

1

aantal

Dgn

vet-eiwit aant (%)

ketose aant (%)

vaarzen 2e kalfs oudere

14 14 35

169 186 206

- 60 dgn - 120 dgn - 200 dgn - 305 dgn > 305 dgn

9 7 16 23 8

19 90 161 245 397

bedrijf

63

193

2

(3%)

1 1

1/2

Datum monstername 17-07-2020

Meting laatste MPR

groep

Blad

pensverz. aant (%)

ureum

% behaalde tov vw melkprod.

1 2 2

(7%) (14%) (6%)

26 24 25

102% 100% 91%

(7%) (3%)

2

(6%)

1

(11%)

2

(22%)

1

(6%)

1 2 1 1

(11%) (29%) (6%) (4%)

23 25 26 25 25

81% 98% 93% 103% 94%

2

(3%)

5

(8%)

25

95%

Ureum - eiwit overzicht

2 4,6

weinig eiwit veel energie

veel eiwit veel energie

weinig eiwit weinig energie

veel eiwit weinig energie

4,4 4,2

eiwit (%)

4,0 3,8 3,6 3,4 3,2 3,0 2,8 2,6 10

15

- 60 Dgn

3

20

- 120 Dgn

ureum

- 200 Dgn

25

- 305 Dgn

30

> 305 Dgn

35

bedrijf

Jaaroverzicht Ureum

ureum

40

- 60 Dgn

40

30

30

20

20

10 aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul vorig jaar

huidig jaar

bedrijf

10 aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul vorig jaar

huidig jaar

© CRV Arnhem

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

185


1

2

3

Voorbeeld overzicht KoeAttenties, de cijfers verwijzen naar de toelichting op deze pagina’s

KoeAttenties MPR voor productie en uiergezondheid

Naast KoeAttenties

Attentielijsten wijzen je op koeien die aandacht nodig hebben. Managementsystemen baseren deze attenties op verschillende gegevens. Als je de juiste signalen herkent, kun je in een vroeg stadium ingrijpen. Bijvoorbeeld door een zieke koe te laten onderzoeken en behandelen, of door het rantsoen aan te passen. In VeeManager heten deze attentielijsten KoeAttenties. KoeAttenties op basis van mpr-gegevens zijn gericht op productie en uiergezondheid.

MPR voor productie en uiergezondheid zijn er ook KoeAttenties Vruchtbaarheid. Daarover lees je in H7. Vruchtbaarheid

1

186

Attenties afwijkende productie Er zijn twee productiegerelateerde attenties. De eerste is voor koeien met een melkgift of gehalten die sterk afwijken van de verwachting tijdens de eerste 120 dagen van de lactatie.

Hoofdstuk 9 Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel


Op de lijst staan de koeien op volgorde van kalfdatum. Links in de tabel staan de gemeten productieresultaten, in de kolommen rechts is met kruisjes aangegeven wat het mogelijke probleem is. Deze problemen zijn: • Gerealiseerde melkgift is kleiner dan 85% van de verwachte hoeveelheid. • Het vetpercentage is lager dan 3,80. • Het eiwitpercentage is lager dan 3,00. • Kans op pensverzuring: het vetpercentage is lager dan het eiwitpercentage en lager dan 4,00. • Kans op ketose (slepende melkziekte): - de verhouding tussen het vet- en eiwitpercentage is verstoord, het verschil is meer dan 1,50 procentpunt, waarbij het eiwitpercentage lager is dan 3,25. - hoog ketosegetal: bij deze dieren is met grote zekerheid (sub)klinische slepende melkziekte vastgesteld.

Veel veehouders maken gebruik van de mogelijkheid de dierenarts (via pirDap) en/of de voerleverancier mee te laten kijken naar de mpr-uitslagen 2

Attenties afwijkend melkvet Bij de tweede productiegerelateerde melding gaat het om een sterke daling van het vetgehalte bij de nieuwe ten opzichte van de vorige monstername. Dit duidt op een sterk negatieve energiebalans. Deze dieren verbruiken te veel van hun eigen lichaamsreserves. De vastgelegde percentages vet en eiwit zijn van belang, maar nog belangrijker is de ver­ houding tussen de percentages. Koeien die een verhoogde kans hebben op pensverzuring of slepende melkziekte komen op deze manier in beeld. Ook de koeien waarbij ketose is aangetroffen in de melk en die dus last hebben van (sub)klinische slepende melkziekte zijn geattendeerd. De geconstateerde afwijkingen zijn weergegeven door middel van kruisjes. De bijzonderheden staan in de kolom ‘opmerking’.

3

Celgetal als maat voor uiergezondheid KoeAttenties voor uiergezondheid zijn afgeleid van het celgetal in de melk. Met deze lijst heb je mogelijke probleemkoeien in beeld, ook over een langere periode. Je ziet daarbij de incidenten en chronische gevallen. Ook zijn de effecten van de uitgevoerde behandelingen te volgen. Er zijn drie categorieën: nieuw verhoogd celgetal, verhoogd celgetal en droog­ stand. De eerste categorie bestaat uit koeien die voor het eerst of opnieuw (na een langere tijd) een verhoogd celgetal laten zien. Dat wil zeggen: voor vaarzen hoger dan 150.000 cellen/ml, voor koeien hoger dan 250.000 cellen/ml. De tweede categorie bestaat uit dieren die herhaald een te hoge waarde hebben. Het overzicht toont behalve lactatiegegevens ook de celgetallen van vorige monsternames, het aandeel van de betreffende koe in de verhoging van het tankcelgetal (‘% tank’) en het aantal malen met een verhoogd celgetal in de lopende lactatie (‘verh’). In de kolom ‘opmerking’ staan eventuele bijzonderheden, hier zie je opmerkingen die bij de proefmelking zijn gemaakt. Hier verschijnt ook de opmerking ‘bo’ bij dieren die in aanmerking komen voor bacteriologisch onderzoek. Bij de categorie droogstand gaat het om koeien die met een te hoog celgetal de droogstand zijn ingegaan.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

187


Je kunt in de Duurzaamheidsmonitor toevoegen waarom je dieren afvoert

Duurzaamheidsmonitor

Hoe langer de koeien meegaan, hoe hoger het rendement. Want een nieuwe koe klaar­ stomen voor productie kost veel tijd en geld voor de opfok. De Duurzaamheidsmonitor (zie het voorbeeld rechts) in de module MPR van VeeManager geeft je inzicht in hoe duurzaam jouw veestapel produceert. Hij biedt ook een overzicht van de oorzaken van afvoer.

188

1

Nettodagrendement (ndr) De duurzaamheid van de productie wordt weerspiegeld in het kengetal nettodagrende­ ment (ndr). Dat is een berekend saldo per koe per dag: opbrengsten uit melkgeld minus voerkosten, gedeeld door het aantal levensdagen. In deze calculatie worden de kosten en opbrengsten gecorrigeerd voor een aantal factoren, net als in de lactatiewaarde en het economisch jaarresultaat. Het overzicht toont het ndr van verschillende leeftijdsgroepen. Normaal gesproken is de waarde bij de oudere koeien het hoogst.

2

Afvoerreden De Duurzaamheidsmonitor geeft daarnaast ook een beeld van de redenen waarom je die­ ren hebt afgevoerd. Dat zijn de opmerkingen die je zelf kunt toevoegen als je de module Registratie van VeeManager gebruikt voor de afvoermeldingen in het I&R-systeem. In de Duurzaamheidsmonitor staan deze gegevens op bedrijfsniveau bij elkaar, zodat je de gedwongen afvoer beter kunt analyseren. De Duurzaamheidsmonitor is een spiegel voor de bedrijfsvoering. Je kunt jouw gegevens vergelijken met landelijke data. Het overzicht biedt ook aanknopingspunten voor bedrijfs­ begeleiders, bijvoorbeeld dierenartsen en voeradviseurs.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


1

2

Voorbeeld van de Duurzaamheidsmonitor

Hoofdstuk 9 Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel

189


9.4

Behandelplannen en medicijnregistratie Als veehouder ben je begaan met de gezondheid van je dieren. Waar nodig voer je behandelingen uit om problemen te verhelpen of te voorkomen, in de meeste gevallen samen met de dierenarts. Een goede uitwisseling van informatie is hierbij cruciaal. Het vastleggen van gegevens helpt om de gezondheid op jouw bedrijf verder te verbete­ ren. Je kunt daarmee beter bepaalde patronen ontdekken, of het effect van behandelingen beoordelen. Door jouw data te delen, kun je ervoor zorgen dat de dierenarts en andere experts op de hoogte zijn van jouw situatie. Ze kunnen je dan beter adviseren. Rundveehouders zijn verplicht om samen met een vaste dierenarts een bedrijfsgezond­ heidsplan en een bedrijfsbehandelplan op te stellen voor het bedrijf. De zuivelindustrie verlangt ook van melkveehouders dat ze gezondheidsgegevens en het diergeneesmiddelengebruik registreren. Dat is opgenomen in de leveranciersvoorwaarden.

190

Hoofdstuk 9 Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel


Goed om te weten KoeMonitor: één systeem voor Nederlandse melkveehouders Nederlandse melkveehouders werken sinds 2020 met KoeMonitor, een systeem voor monitoring en borging. Hiermee laten ze zien dat ze de regels voor diergezondheid, dierenwelzijn en de voedselveiligheid naleven. KoeMonitor bestaat uit drie onderde­ len: KoeAlert, KoeData en KoeKompas. Bij KoeAlert gaat het om het signaleren (door de veehouders) van koeien met mogelijke gezondheidsproblemen. KoeData zijn kwar­ taaloverzichten met diergezondheidsdata. KoeKompas is een managementsysteem dat de diergezondheid, het dierenwelzijn en de mogelijke risico’s op het melkveebedrijf in kaart brengt. KoeMonitor is ontwikkeld door LTO, NMV en NZO, in samenwerking met KNMvD en CPD. ZuivelNL, de ketenorganisatie van de zuivelsector, verzorgt de uitvoe­ ring. Meer informatie over KoeMonitor vind je op www.koemonitor.nl.

Online gegevens uitwisselen met de dierenarts

Voor een professioneel melkveebedrijf is automatische verwerking en uitwisseling van gegevens rond diergezondheid eigenlijk onmisbaar. Dierenartspraktijken kunnen hier­ voor gebruikmaken van pirDAP. De naam staat voor ‘partners in rendementsverbetering Dierenartspraktijken’. Het is ontwikkeld door CRV, de dierenartsenorganisatie KNMvD en diergeneesmiddelenfabrikant Zoetis. De gegevens uit pirDAP worden gedeeld met veehou­ ders via een koppeling in de module Diergezondheid in VeeManager. In dit systeem legt de dierenarts behandelingen en verstrekte medicijnen vast. Voor regelmatig voorkomende gevallen stel je samen vaste behandelplannen vast. Als veehouder kun je in de module Diergezondheid vervolgens ook zelf een behandelplan koppelen aan een dier of diergroep. Dat werkt efficiënt en geeft ook structuur en overzicht. De behandelplannen brengen struc­ tuur in de aanpak van voorkomende ziektegevallen. Alle behandelingen worden automatisch geregistreerd. Ook houd je met deze module automatisch een sluitende medicijnregistratie bij waarmee je voldoet aan de eisen van de zuivelsector en de overheid.

Via VeeManager kun je informatie uitwisselen met je dierenarts over de gezondheid van de koeien

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

191


Overzichten diergezondheid

De module Diergezondheid geeft je inzicht in de ziekten die voorkomen in je koppel, de uitgevoerde behandelingen en de effectiviteit daarvan. Je kunt overzichten raadplegen op bedrijfsniveau, maar ook op het niveau van individuele dieren, bijvoorbeeld de behandelhistorie van een koe. Naast het dier- en bedrijfsoverzicht voor ziekten en behandelingen kun je ook een overzicht raadplegen voor de voorraad en aankoop van medicijnen. Op het overzicht ‘Niet-geleverde melk’ kun je zien van welke dieren geen melk geleverd mocht worden en hoeveel dagen dit duurde. Hiermee kun je uitrekenen hoeveel melk de betreffende aandoeningen hebben gekost. De module Diergezondheid draagt bij aan een bewuster medicijngebruik. Doordat zaken inzichtelijker worden, kun je eerder actie ondernemen en vindt er een verschuiving plaats van behandelen naar preventief werken.

Bedrijfsbegeleiding

Dierenartsen kunnen de data van afzonderlijke veehouders vergelijken met landelijke gemiddelden, zodat ze gerichter kunnen adviseren op basis van de sterke en zwakke punten in jouw situatie. PirDAP is ontwikkeld met als doel het stimuleren en intensiveren van bedrijfsadvisering door de erkende rundveedierenarts. Als veehouder kun je de betreffende dierenarts ook machtigen om mpr-resultaten en vruchtbaarheidsgegevens in te zien. Die kan hij ook betrekken in de bedrijfsbegeleiding.

Geef de bedrijfsbegeleiding meerwaarde door informatie te delen

192

Hoofdstuk 9 Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel


9.5

Inzicht en overzicht voor gezonde klauwen Je wilt klauwproblemen effectief aanpakken en het liefst voorkomen. Daarvoor heb je inzicht nodig in de aard van de problemen en de oorzaak ervan. Schadepost

Kreupelheid is samen met mastitis en problemen met de vruchtbaarheid het belangrijkste diergezondheidsprobleem bij runderen. De kosten van kreupelheid liggen tussen € 100 en € 300 per kreupele koe. Dat is de optelsom van directe kosten, zoals behandelkosten en een verlaagde melkproductie, en indirecte kosten, zoals een verhoogde vatbaarheid voor mastitis, verminderde vruchtbaarheid en uitval. Uit onderzoek blijkt dat op een doorsnee bedrijf de schade ruim € 81 per gemiddeld aanwezige koe bedraagt.

Infectieuze en niet-infectieuze kreupelheid

Het bekendste verschijnsel bij klauwaandoeningen is kreupelheid. Vaak heeft een koe al last voordat ze zichtbaar kreupel is. Ze beweegt dan al moeizamer en daardoor functio­ neert ze niet optimaal. Klauwproblemen zijn grofweg te verdelen in infectieuze en niet-in­ fectieuze aandoeningen. De belangrijkste infectieproblemen zijn mortellaro, stinkpoot en tussenklauwontsteking. Deze vormen van kreupelheid worden veroorzaakt door bacteriën.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

193


De besmetting komt veelal uit de stal. Door een goede hygiëne, een niet te hoge stalbezet­ ting en regelmatig een voetbad kun je problemen voorkomen of beperken. Niet-infectieuze klauwaandoeningen zijn het gevolg van overbelasting, vaak in combinatie met tekortkomin­ gen in de voeding. De bekendste kwalen zijn zoolbloedingen, wittelijndefecten en zoolzweren.

Informatie verzamelen over klauwproblemen geeft inzicht in de klauwgezondheidsstatus

DigiKlauw

Inzicht is cruciaal voor de aanpak van klauwproblemen. Een interessant hulpmiddel is DigiKlauw, een dataregistratiesysteem dat is ontwikkeld door de klauwverzorgers van de Agrarische Bedrijfsverzorging (AB), de Vereniging Voor Rundvee Pedicure (VVRP) in Nederland, de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) en CRV. In dit systeem leggen klauwverzorgers hun bevindingen vast. Dat levert overzichten op waarmee veehouders inzicht krijgen in de klauwgezondheidsstatus. Zeker als je regelmatig gegevens registreert, krijg je inzicht in het verloop van bepaalde klauwproblemen en het effect van maatregelen. Je kunt de data ook benutten voor preventie. Sommige aandoeningen vragen om een aanpassing in de stalvloer, andere om een wijziging in de voeding of een specifieke behandeling. Het is dan ook nuttig om overzichten te bespreken met je dierenarts of voeradviseur. Overigens kunnen behalve professionele klauwverzorgers ook dierenartsen en veehouders data invoeren.

194

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


Praktisch DigiKlauw gekoppeld aan VeeManager en pirDAP

DigiKlauw is gekoppeld aan het managementsysteem VeeManager van CRV. De gegevens over klauwgezondheid worden ingevuld op een (digitale) stallijst die wordt aangemaakt op basis van VeeManager. De klauwverzorger registreert zijn bevin­ dingen met behulp van een smartphone, tablet of pda (handcomputer). Nadat het systeem de gegevens heeft verwerkt, kun je de resultaten inzien in het onderdeel Klauwgezondheid in de VeeManager-module Diergezondheid (je hoeft hiervoor geen VeeManager-abonnement te hebben). Ook dierenartsen kunnen toegang krijgen tot de resultaten, via pirDAP.

Naast de verschillende aandoeningen kun je in DigiKlauw ook aangeven of je tape of een blokje hebt aangebracht

Uniforme methode voor typeren belangrijkste aandoeningen

DigiKlauw is gebaseerd op een uniforme methode voor het typeren van klauwgezond­ heidsgegevens, ontwikkeld door de GD (Royal GD, Gezondheidsdienst voor Dieren in Nederland). De klauwverzorger kan tien verschillende aandoeningen per koe registreren en daarnaast nog drie andere kenmerken vastleggen (zie kaart en tabel op de volgende pagina’s). Voor de vijf belangrijkste wordt de ernst van de aandoening vastgelegd (1 is licht aanwezig, 2 is duidelijk aanwezig en 3 is ernstig kreupel). Voor de overige aandoeningen volstaat de melding of het kenmerk dat het zichtbaar is of niet. Verder kan de verzorger aangeven of hij een blokje of verband heeft aangebracht en of hij een koe de volgende keer wil zien.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

195


nr.

kenmerk

afkorting

waarde

1

mortellaro

MT

1, 2, 3

2

stinkpoot

SP

1, 2, 3

3

zoolbloeding (kneuz.)

Zb

1, 2, 3

4

wittelijndefect

WL

1, 2, 3

5

zoolzweer

ZZ

1, 2, 3

6

chronische bevangenheid

Cb

x

7

tyloom

TL

x

8

dikke hak

DH

x

9

teenpuntnecrose

TN

x

10

tussenklauw

TK

x

11

blokje bevestigd

bL

x

12

verband

Vb

x

13

volgende keer zien

VK

x

Scoren van klauwaandoeningen

Klauwgezondheidsscore KGS

Op basis van de gestandaardiseerde gegevens heeft de GD de klauwgezondheidsscore KGS ontwikkeld. Dat is een kengetal voor de gezondheidsstatus op het bedrijf ten opzichte van het landelijk gemiddelde. De score loopt van 0 tot 100. Een KGS van 50 is gemiddeld, hoger is goed en lager is ongewenst. In deze score wordt rekening gehouden met onder andere pariteit (eerste-, tweedekalfs), lactatiestadium en seizoen van bekappen. Er is een klauwgezondheidsscore per aandoening (mortellaro, stinkpoot, zoolbloeding, witte lijn, zoolzweer, tyloom). Daarnaast krijg je ook een totaalscore. Overzichten De klauwgezondheidsscores vind je terug in overzichten op bedrijfs- en dierniveau. Het bedrijfsoverzicht Klauwgezondheid bestaat uit drie gedeelten. Het eerste is een overzicht van de scores uit de laatste behandelingen op een rij. Verder krijg je een overzicht van het aantal aandoeningen tijdens de laatste bekapping, uitgesplitst naar zowel leeftijdscatego­ rieën als lactatiegroepen. Het derde onderdeel is het verloop van de algemene klauwge­ zondheidsscore. Dieroverzichten en attentielijsten DigiKlauw laat via het Dieroverzicht de vastgelegde data per dier zien. Je kunt per dier doorklikken naar de klauwgezondheidshistorie van het betreffende dier. Het is ook moge­ lijk om het overzicht van eerdere bekappingen te bekijken. Op het Dieroverzicht vind je ook een attentielijst met dieren die volgens de klauwverzorger extra aandacht nodig hebben.

196

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


Klauwenscorekaart Klauwenscorekaart Klauwenscorekaart

Klauwen Klauw Klau

1. Mortellaro 1. Mortellaro 1. Mortellaro

1 = licht 1 = licht 1 = licht 2 = matig 2 = matig2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

1. Mortellaro 1. Mortellaro 1. Mortell

1

1

• rond-ovale plek < 2 cm. 1 overgang • rond-ovale • plek rond-ovale <•2 vaak cm.plek < 2 cm.huid-hoorn • vaak overgang • vaakhuid-hoorn overgang huid-hoorn

2

2

• rond-ovale plek 2 - 4 cm. 2 overgang huid-hoorn • rond-ovale • plek rond-ovale 2•- 4vaak cm. plek 2 - 4 cm. • vaak overgang • vaakhuid-hoorn overgang huid-hoorn

3

3

• rond-ovale plek > 4 cm. 3 overgang • rond-ovale • plek rond-ovale >•4 vaak cm.plek > 4 cm.huid-hoorn • vaak overgang • vaakhuid-hoorn overgang huid-hoorn

1 = licht 1 = licht 1 = licht 2 = matig2 = matig 2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

2. Stinkpoot 2. Stinkpoot 2. Stinkpoot

1 = licht 1 = licht 1 = licht 2 = matig 2 = matig2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

2. Stinkpoot 2. Stinkpoot 2. Stinkpo

1

1

2

3

• stinkende aantasting tussenklauwhuid/eczeem • stinkende aantasting tussenklauwhuid • stinkende aantasting tussenklauwhuid 1 2 2 3 3 • enkele oppervlakkige hoorndefecten• balgebied • één of enkeletussenklauwhuid V-vormige kloven in •hetstinkende balgebied • zoolzweer in tussenklauwhuid kloof • stinkende• aantasting stinkende tussenklauwhuid/eczeem aantasting tussenklauwhuid/eczeem stinkende• aantasting stinkende tussenklauwhuid aantasting • aantasting stinkende tussenklauwhuid aantasting niet tot aan in hethet leven • enkele oppervlakkige • enkele oppervlakkige hoorndefecten hoorndefecten balgebied balgebied • één of enkele • éénV-vormige of•enkele kloven V-vormige kloven balgebied in het balgebied • zoolzweer• inzoolzweer kloof• pijnlijke in kloofzwelling huid balgebied • niet tot aan • niet hettot leven aan het leven • pijnlijke •zwelling pijnlijke huid zwelling balgebied huid balgebied

1 = licht 1 = licht 1 = licht 2 = matig2 = matig 2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

3. Zoolbloeding 3. Zoolbloeding 3. Zoolbloeding

1 = licht 1 = licht 1 = licht2 = matig 2 = matig2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

3. Zoolbloeding 3. Zoolbloedi 3. Zoolblo

1

1

1

2

• geelverkleuring over hele oppervlak of

• enkel bloedinkje de zool of • geelverkleuring • geelverkleuring over hele oppervlak over heleofin oppervlak • enkel bloedinkje • enkel in bloedinkje de zool in de zool

2

2

3

• bloedingen in de zool over 20-50%

• bloedingen • bloedingen in de van zoolhet over in oppervlak de20-50% zool over 20-50% van het oppervlak van het oppervlak

3

3

1 = licht 1 = licht 1 = licht 2 = matig2 = matig 2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

• grote bloedingen • loslating zool over groot oppervlak • grote bloedingen • grote bloedingen • loslating •zool loslating over groot zool oppervlak over groot oppervlak

4. Wittelijn defect 4. Wittelijn 4. Wittelijn defect defect

1 = licht 1 = licht 1 = licht2 = matig 2 = matig2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

1

4. Wittelijn 4. Wittelijn 4. Witteli defect d

1

1

• witte lijnontsteking of loslating

• witte lijnontsteking • witte lijnontsteking of loslatingof loslating

2

2

2

• witte lijnontsteking of loslating

• witte lijnontsteking • witte lijnontsteking of loslatingof loslating

3

3

3

1 = licht 1 = licht 1 = licht 2 = matig2 = matig 2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

• wandzweer

• wandzweer • wandzweer

5. Zoolzweer 5. Zoolzweer 5. Zoolzweer

1 = licht 1 = licht 1 = licht2 = matig 2 = matig2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

5. Zoolzweer 5. Zoolzweer 5. Zoolzw

1

1

1 • kneuzing op typische plek

• kneuzing•opkneuzing typischeop plek typische plek

6. Chron. bevangenheid 7. Tyloom 6. Chron. 6.bevangenheid Chron. bevangenheid 7. Tyloom 7. Tyloom

2

2

2

• zware kneuzing op typische plek

• zware kneuzing • zwareopkneuzing typischeop plek typische plek

8. Dikke hak 8. Dikke8.hak Dikke hak

3

3

3

1 = licht 1 = licht 1 = licht 2 = matig2 = matig 2 = matig 3 = ernstig 3 = ernstig 3 = ernstig

• gat in de zool, kan uitpuilen, erg pijnlijK

• gat in de•zool, gat in kandeuitpuilen, zool, kanerg uitpuilen, pijnlijK erg pijnlijK

9. Teenpuntnecrose 10. Tussenklauwontsteking 9. Teenpuntnecrose 9. Teenpuntnecrose 10. Tussenklauwontsteking 10. Tussenklauwontsteking

6. Chron. 6.bevangenheid Chron. 6. Chron. bevangenh bevan

Symptomen Symptomen Symptomen Symptomen Symptomen • duidelijke groeiringen aan voorzijde • weefselwoekering in de Symptomen • verdikking aan de buitenzijde • stinkend gat in de puntSymptomen van de klauw • zwelling hele kroonrand Symptomen Symptomen Symptomen Symptomen Symptomen Symptomen Symptomen Symptomen vanaan dede hakbuitenzijde • verdikking • aan verdikking de buitenzijde van de hak van de hak

Symptomen Symptomen Symptomen

• ernstige kreupelheid en koorts klauw steeds • stinkend •gatstinkend in de• punt gat van inwordt dedepunt klauw van korter de klauw • zwelling •hele zwelling kroonrand hele kroonrand • ernstige •kreupelheid ernstige kreupelheid en koorts en koorts • klauw wordt • klauw steeds wordt korter steeds korter

GDOV0068/05-15

Kijk voor meer informatie op www.digiklauw.com Kijk Kijk voor voor meermeer informatie informatie op www.digiklauw.com op www.digiklauw.com

GDOV0068/05-15

DigiKlauw wordt mogelijk gemaakt door: Gezonde en duurzame koeien… het begint met DigiKlauw. DigiKlauw wordt mogelijk wordt mogelijk gemaakt gemaakt door: door: Gezonde Gezonde en duurzame en duurzame koeien… koeien… het begint het begint met met DigiKlauw. DigiKlauw. DigiKlauw

• duidelijke• groeiringen duidelijke • duidelijke groeiringen aan voorzijde groeiring aan v en/of knik en/of knik en/of knik

GDOV0068/05-15

• duidelijke• groeiringen duidelijkeen/of groeiringen aan knik voorzijde aan voorzijde • weefselwoekering • weefselwoekering intussenklauwspleet de in de en/of knik en/of knik tussenklauwspleet tussenklauwspleet

Gezonde Gezonde Gezonde en duurz en de Kijk Kijk voor Kijk voor meer voor me in

De klauwenscorekaart, ontwikkeld door GD en CRV

Praktisch Bewegings- of locomotionscore

Je kunt gemakkelijk zien of een koe kreupel is of niet, maar hoe krijg je een beeld van de klauwgezondheidssituatie van het hele koppel? Dat kan met de bewegings- of loco­ motionscore. Aan de hand van een scorekaart kun je eenvoudig per koe een waarde­ ring geven voor de klauwgezondheid. Daarbij is de kromming van de rug een belang­ rijk ijkpunt. Bij een goede klauwgezondheid scoort 80% van de koeien een 1 of 2.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel

197


Goed om te weten Fokwaarden en de index klauwgezondheid

Meer over fokwaarden vind je in H4. Fokkerij algemeen – fokwaarden en indexen

198

Dankzij de registratie van gegevens over individuele koeien herbergt DigiKlauw een schat aan informatie over de klauwgezondheid. CRV koppelt de data aan de cijfers van de ouders van het dier en gebruikt de informatie voor het berekenen van fokwaarden. Er zijn fokwaarden voor de zes meest voorkomende aandoeningen. Deze zes worden verwerkt in één klauwgezondheidsindex. Stieren met een hoge klauwgezondheidsindex dragen positief bij aan de klauwge­ zondheid op de bedrijven. Zodra van 15 bekapte dochters van één stier de gegevens binnen zijn bij CRV, inclusief de been-exterieurkenmerken, zorgt dit voor een betrouw­ baarheid van 60%. Bij 30 bekapte dochters stijgt de betrouwbaarheid van de fokwaar­ de naar 70%. De gegevens zijn te vinden bij de verervingsgegevens op de stierenkaart en nog uitgebreider op de site.

Hoofdstuk 9 Een efficiënt en gezond presterende veestapel


Samenvatting In melk zit heel veel informatie verborgen. De melkproductieregistratie (mpr) zorgt ervoor dat die data beschikbaar komen. Dat helpt je bij het managen van je bedrijf en je veestapel. Deze data worden omgerekend naar kengetallen. Denk bijvoorbeeld aan de bsk, waarmee je je bedrijf kunt vergelijken met andere bedrijven. Of het celgetal om de uiergezondheid te monitoren. En het ureumgehalte: dat geeft aanknopingspunten voor het optimaliseren van het rantsoen. De mpr geeft ook informatie over individuele koeien. Dankzij attentielijsten weet je welke koeien je in de gaten moet houden. Welke koe heeft een verhoogd celgetal of kans op ketose? Tijdig reageren kan helpen om ziekten en dus schade te voorkomen. Daarmee kun je je veestapel gezond houden en efficiĂŤnt laten produceren. Naast mpr zijn er meer manieren om informatie uit de veestapel te halen. Het vastleggen van gegevens over ziektebehandeling en medicijngebruik helpt je om de gezondheid op jouw bedrijf verder te verbeteren. Je kunt daarmee beter bepaalde patronen ontdekken of het effect van behandelingen beoordelen. Je kunt deze gegevens gemakkelijk delen met de dierenarts en andere organisaties. Met DigiKlauw registreert de klauwverzorger zijn bevindingen en krijg je inzicht in de klauwgezondheidsstatus van je bedrijf. De gegevens van DigiKlauw worden gekoppeld aan de afstamming van de koeien. Zo leveren ze ook een bijdrage aan de fokwaarde klauwgezondheid.

Hoofdstuk 9 Een efficiĂŤnt en gezond presterende veestapel

199


200

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen


HOOFDSTUK 10

Kringloop en mineralen Als ondernemer streef je naar een efficiĂŤnte productie. De maatschappij vraagt bovendien nadrukkelijk aandacht voor de impact van veehouderijbedrijven op hun omgeving, via mest- en milieuwetgeving. CRV Mineraal maakt het gemakkelijker om aan de eisen te voldoen.

In dit hoofdstuk: 10.1 FosfaatPlanner 10.2 CRV Mineraal 10.3 CRV Mineraal: Bedrijfsoverzicht 10.4 CRV Mineraal: Derogatieoverzicht 10.5 CRV Mineraal: BEX

201


10.1 FosfaatPlanner Elk melkveebedrijf in Nederland heeft sinds 2018 fosfaatrechten. Deze geven aan hoeveel kilo fosfaat er in een jaar op het bedrijf geproduceerd mag worden. Je wilt ze optimaal benutten, maar moet tegelijkertijd oppassen dat je de grenzen niet overschrijdt. Dat is best een uitdaging. De FosfaatPlanner is een handig hulpmiddel. Wat is de FosfaatPlanner?

De FosfaatPlanner van CRV kan de fosfaatproductie over het hele jaar voorspellen. Deze planner verzamelt automatisch informatie over de veestapel en de zuivelleveranties op je bedrijf. Zo heb je zicht op het aantal koeien dat kalft, het aantal vaarzen dat instroomt, en de hoeveelheid melk die je hebt geproduceerd. Daarmee geeft de FosfaatPlanner een nauwkeurige voorspelling van de fosfaatproductie van het hele jaar. Zo kun je de fosfaatproductieruimte op je bedrijf optimaal benutten zonder de fosfaatgrens te overschrijden. Hoe dichter je bij de laatste datum van het jaar komt, hoe nauwkeuriger de voorspelling. Maar let op: bijsturen in aantal dieren of melkproductie heeft dan nog maar een heel klein effect.

202

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen


Bedrijfsspecifieke instellingen

Naast het voorspellen van de fosfaatproductie kun je met de FosfaatPlanner ook bedrijfsspecifieke scenario’s doorrekenen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met de fosfaatproductie als de productie stijgt? Of als je de droogstand verlaagt van 60 naar 50 dagen? En wat betekent het als je deze maand 5 koeien afvoert? Je kunt de planner benutten om binnen de fosfaatgrenzen je bedrijfsvoering te optimaliseren.

Praktisch Fosfaatrechten

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) houdt het aantal fosfaat­rechten bij dat aan je melkveebedrijf is toegekend. Melkveehouders hebben de fosfaatrech­ ten toegekend gekregen op basis van de veestapel die ze op 2 juli 2015 hadden en de gemiddelde melkproductie per koe in dat jaar. Door aan- of verkopen kan de hoeveelheid fosfaatrechten wijzigen.

In Vlaanderen: mestactieplan (MAP)

In dit hoofdstuk gaat het over de Nederlandse mestwetgeving. Hoe zit het in Vlaan­ deren? Daar is het mestactieplan in werking: MAP. In dit plan staan de maatregelen die Vlaamse veehouders nemen om de Europese kwaliteitsdoelen te halen voor grond- en oppervlaktewater. In de Vlaamse wetgeving wordt het MAP omgezet naar het mestdecreet: MAP 6. Melkveehouders hebben onder andere te maken met nutri­ ëntenemissierechten (NER), mestproductie, -transport en -toediening op het bedrijf, en het meten van nitraatresidu’s. In Vlaanderen zorgt de Mestbank voor het verwer­ ken van de administratie, de controle en ook de naleving van de mestwetgeving.

Ook voor jongvee heb je fosfaatrechten nodig

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

203


10.2 CRV Mineraal Als melkveehouder heb je te maken met vaak complexe wetgeving op het gebied van de mineralenhuishouding. Op welke manier kun je daaraan voldoen? CRV heeft samen met andere grote coรถperaties en organisaties, grondlaboratoria en mengvoer- en zuivelindustrie het programma CRV Mineraal ontwikkeld. Dit geldt inmiddels als standaard in de sector. Mestboekhouding

Het gebruik van organische, dierlijke mest en minerale kunstmeststoffen is aan maxima gebonden. Daarom moet je als melkveehouder een mestboekhouding bijhouden. Globaal betekent het dat je aangeeft hoeveelheid dieren je houdt, hoeveel mest ze produceren en hoeveel grond je hebt om de mest te kunnen plaatsen. Een overschot moet je afvoeren en eventueel verwerken, en je kunt mest aanvoeren wanneer je meer grond dan mest hebt. CRV Mineraal helpt om te voldoen aan de administratieve verplichtingen.

204

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen


Zelf invullen of laten invullen

Onder het kopje CRV Mineraal binnen VeeManager zijn alle hulpmiddelen te vinden om aan de wet- en regelgeving te voldoen

Als veehouder kun je de mestboekhouding zelf bijhouden en verwerken. Je kunt ook een adviseur inschakelen. Die heeft ervaring en is op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Ook als je het uitbesteedt, is het goed om inzicht te hebben in de beschikbaarheid en de benutting van mineralen. Met CRV Mineraal kun je op een eenvoudige manier een goed onderbouwd bemestingsplan opstellen. Tegelijkertijd is inzichtelijk of je bedrijf de normen overschrijdt of nog gebruiksruimte onbenut laat. Ook voor de derogatiedeelnemers biedt CRV Mineraal alle mogelijkheden die nodig zijn om aan de overheidseisen te voldoen.

Ook als je de mestboekhouding laat invullen is het goed om zelf inzicht te hebben in de beschikbaarheid en benutting van mineralen

Praktisch Derogatie

Een sluitend bemestingsplan is een voorwaarde voor deelname aan de derogatie (daarover meer in paragraaf 10.4). De derogatie is een uitzonderingspositie voor de Europese normen voor het gebruik van mest. Boeren in Nederland en Vlaanderen kun­ nen hiervoor in aanmerking komen. Hiervoor geldt een aantal voorwaarden. Zo moet het bedrijf onder andere uit minimaal 80% blijvend grasland bestaan, is bemesting met fosfaatkunstmest niet toegestaan en moet je een sluitend bemestingsplan hebben. Als je aan de voorwaarden voor derogatie voldoet, mag je in plaats van 170 kg stikstof 230 of 250 kg stikstof per hectare uit dierlijke mest toedienen. 230 kg geldt voor land­ bouwgrond op zand- en lössgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant of Limburg. In de rest van Nederland mag je 250 kg stikstof toedienen.

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

205


Digitaal informatie verzamelen

Met CRV Mineraal kun je een sluitend bemestingsplan maken. Daarmee laat je zien waar de mest naartoe gaat die op je bedrijf is geproduceerd. CRV heeft de module verdeeld in vier thema’s: grond, vee, mest en voer.

 Goed om te weten Samenwerking van de sector CRV Mineraal is ontwikkeld in samenwerking met veehouders, de veevoerindustrie, de zuivel en organisaties die grond- en gewasonderzoek uitvoeren. De informatie van al die bedrijven is van belang voor het bemestingsadvies. Bij CRV Mineraal komt al die informatie digitaal bij elkaar, uiteraard alleen met jouw toestemming.

CRV Mineraal bestaat uit een aantal overzichten: het Bedrijfsoverzicht (10.3), het Derogatieoverzicht (10.4) en bedrijfsspecifieke excretie (10.5).

206

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen


10.3

CRV Mineraal: Bedrijfsoverzicht In het Bedrijfsoverzicht van CRV Mineraal wordt bepaald hoeveel dierlijke en organische mest je beschikbaar hebt en hoeveel kunstmest je kunt inzetten. In dit overzicht komen de data van je veestapel, de melkproductie, de mestproductie en de grond bij elkaar. In bijgaand voorbeeld (zie volgende pagina) worden de verschillende blokken op dit overzicht uitgelegd.

1

Deelnamegegevens Het BRS-nummer is het LNV-relatienummer waaronder je staat geregistreerd bij Dienst Regelingen. Per BRS-nummer dien je een mestboekhouding bij te houden. Aan één BRSnummer kunnen meerdere UBN’s gekoppeld zijn. In het blokje uitgangspunten staat nog een aantal specifieke kenmerken, zoals derogatie, fosfaatdifferentiatie en beweiden.

2

Grond en gewas Hier staat per grondsoort het aantal hectares grasland en bouwland, zoals je dat hebt geregistreerd bij RVO. Voor de derogatie moet je minimaal 80% van de grond als grasland in gebruik hebben. Het laatste blok geeft het eventuele aantal hectares aan dat buiten de mestwetgeving valt (bijvoorbeeld natuurterreinen).

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

207


CRV Mineraal

Crv Postbus 454, 6800 AL ARNHEM Tel: 088-0024440

Bedrijfsoverzicht

Postbus 454, 6800 AL Arnhem Verwerkingsdatum 20/08/20 blad 1/4

Uitgangspunten:

Jaar: 2020 Periode 20-08-2019 - 19-08-2020 - Derogatie: Ja - Forfaitaire mestproductie - Fosfaatdifferentiatie - Beweiden melkvee BB 120 x 6

1

Aanvraag

2

Grond en gewas Grondsoort

Klei Veen Zand Zuid. zand Löss Onbekend Totaal: Totaal: 2

Grasland (ha) Blijvend

Snijmaïs

31.41

7.32

31.41 31.41

bron:

Internet

Bouwland (ha) Gras vanggew.

Totaal Natuur 1 Grond

Totaal Bouwland

7.32 3

12.95 3.19

14.64

14.64 7.32 (18.9%)

(81.1%)

1 grond welke niet meetelt voor mestwetgeving

2 exclusief volgteelt

38.73

3 volgteelt

Bedrijf voldoet wel aan derogatie eis van minimaal 80% grasland

3

Gemiddeld aantal dieren Aantal dieren Diercategorie

Toename Begin

100 101 102 104 115 120 941 943

Melk- en kalfkoe Jongvee < 1 jaar Jongvee > 1 jaar Fokstier > 1 jaar Startkalf rosé- of roodvl Weide- en zoogkoe Pony's Paarden

Totaal:

Afname

73 14 22 1 0 0

0 2 3 0 0 0

0 64 0 0 0 0

14 0 12 0 22 4

4 34 14 0 0 0

2 4 0 0 0 1

14 19 4 1 22 0

67 23 19 0 0 3

73.6 20.9 15.1 0.2 0.2 0.6

110

5

64

52

52

7

60

112

110.6

4

74.0 26.0 11.0 0.2 0.2 0.6 1.0 2.0

Melkproductiekenmerken Melkproductie per koe

kg melk

% vet

% eiwit

ureum

fosfor

N-excr. P2O5-excr.

Gemiddeld

10257 (Zuivel)

4.15 (Zuivel)

3.47 (Zuivel)

18 (Zuivel)

99 (Zuivel)

127.3

47.1

In berekening

10125

4.15

3.47

18

99

127.3

47.1

© CRV Arnhem

208

Aantal in Gemiddeld berekening

Verkoop Einde

Aankoop Geboorte Overgang Overgang Sterfte

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

00180206 IRIS_019.2008


3

Gemiddeld aantal dieren In dit overzicht zie je het jaargemiddelde van dieraantallen over de periode van 1 jaar voorafgaand aan de verwerkingsdatum of een kalenderjaar. Het gemiddelde dieraantal wordt berekend door per diercategorie van elk aanwezig dier het aantal dagen aanwezig op te tellen en dit getal te delen door 365 (366 bij een schrikkeljaar). Deze gegevens komen overeen met de informatie op de Rundveestaat en de veesaldokaart.

4

Melkproductiekenmerken De zuivelindustrie geeft de zuivelleveranties door. De gemiddelde productie per koe bestaat uit de geleverde kilo’s melk per jaar gedeeld door het gemiddeld aantal aanwezige melkkoeien. Het gemiddeld ureumgetal is het gemiddelde van de tankleveranties uit het voorgaande jaar. Beide getallen (gemiddelde productie en ureumgetal) worden gebruikt voor het vaststellen van de stikstofproductie op het bedrijf. Hiervoor wordt het gemiddeld aantal aanwezige melkkoeien vermenigvuldigd met de excretienorm die hoort bij de vastgestelde productiecijfers en het ureumgetal.

De afgeleverde kilo’s melk per koe en het gemiddeld ureumgetal bepalen de stikstofproductie op het bedrijf

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

209


5

Berekening voorspelde mestproductie Door de gemiddelde dieraantallen uit het rollend jaargemiddelde te vermenigvuldigen met de stikstof- en fosfaatexcretienormen die gelden per diercategorie, wordt de mineralenproductie in kilo stikstof en fosfaat van het bedrijf zichtbaar. CRV Mineraal houdt per diercategorie rekening met de opgegeven verhouding tussen drijfmest en vaste mest en hanteert de bijbehorende excretienormen. Je kunt zelf de beweidingsduur en het percentage vaste mest online aanpassen. Met deze aangepaste gegevens wordt dan gerekend.

6

Gebruiksruimte dierlijke mest Voor zowel stikstof als fosfaat bestaat er een zogenaamde plaatsingsruimte op het bedrijf. De plaatsingsruimte voor stikstof wordt berekend door het aantal hectares te vermenigvuldigen met 170, 230 of 250 kg stikstof per hectare (afhankelijk van deelname aan derogatie). De plaatsingsruimte voor fosfaat wordt verkregen door de hectares te vermenigvuldigen met de gebruiksnormen per hectare. Maakt een bedrijf gebruik van de fosfaatdifferentiatie, dan is de norm afhankelijk van het PAL-getal (grasland) of het Pw-getal (bouwland). Dit gaat per 2021 veranderen.

7

Berekening gebruik en ruimte dierlijke mest Door de beschikbare hoeveelheid mest af te trekken van de gebruiksruimte dierlijke mest komt het saldo in beeld. Als er te weinig ruimte is voor de beschikbare mest, is het saldo negatief. In dat geval wordt de gebruiksruimte dierlijke mest overschreden en moet het plan worden aangepast. Door het bemestingsplan vroegtijdig op te stellen, heb je tijdig inzicht in een mogelijke over- of onderschrijding van de normen.

8

Gebruiksruimte meststoffen Per hectare gelden gebruiksnormen voor het totaal aantal kilo stikstof en fosfaat dat mag worden aangewend. De optelsom van de uitkomsten is de totale gebruiksruimte voor stikstof en voor fosfaat voor het bedrijf.

202364931 Lucky Holsteins

Verwerkingsdatum 20/08/20

5

blad 2/4

Berekening voorspelde mestproductie Diercategorie 100 101 102 104 115 120 941 943

Aantal 74.0 26.0 11.0 0.2 0.2 0.6 1.0 2.0

Melk- en kalfkoe Jongvee < 1 jaar Jongvee > 1 jaar Fokstier > 1 jaar Startkalf rosĂŠ- of roodvl Weide- en zoogkoe Pony's Paarden

Percentage vaste mest 1.0 50.0 0.0 0.0 100.0 0.0 100.0 100.0

Stikstof Norm Productie 127.3 9422.4 30.7 798.2 66.9 735.9 64.4 12.9 10.5 2.1 75.4 45.2 27.3 27.3 58.8 117.6

Fosfaat Norm Productie 47.1 3485.4 9.6 249.6 21.9 240.9 25.9 5.2 3.4 0.7 26.9 16.1 13.0 13.0 28.6 57.2

11162.0 kg

4068.0 kg

Totaal Benodigde mestopslagcapaciteit (1 augustus - 1 maart)

Mestopslagcapaciteit Drijfmest Vaste mest 1253.7 6.1 57.2 28.7 104.5 0.0 2.0 0.0 0.0 0.2 6.7 0.0 0.0 3.8 0.0 13.4

1424.0 m 3

52.1 m3

Gebruiksruimte dierlijke mest kg Stikstof (N) Hectares ha benut v. graasdiermest

210

38.73 x

kg Fosfaat (P2 O 5) Norm 250

Totaal =

9683

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

Totaal

9683 A

Toestand Grasland Grasland Grasland Bouwland

Totaal

Laag Neutraal Ruim voldoende Laag

Hectares 19.36 9.43 2.62 7.32

Norm x x x x

105 95 90 80

Totaal = = = =

2033 896 236 586

3750 B


100 101 102 104 115 120 941 943

Aantal 74.0 26.0 11.0 0.2 0.2 0.6 1.0 2.0

Melk- en kalfkoe Jongvee < 1 jaar Jongvee > 1 jaar Fokstier > 1 jaar Startkalf rosé- of roodvl Weide- en zoogkoe Pony's Paarden

vaste mest 1.0 50.0 0.0 0.0 100.0 0.0 100.0 100.0

Norm 127.3 30.7 66.9 64.4 10.5 75.4 27.3 58.8

Norm 47.1 9.6 21.9 25.9 3.4 26.9 13.0 28.6

11162.0 kg

Totaal Benodigde mestopslagcapaciteit (1 augustus - 1 maart)

6

Productie 9422.4 798.2 735.9 12.9 2.1 45.2 27.3 117.6

Productie 3485.4 249.6 240.9 5.2 0.7 16.1 13.0 57.2

4068.0 kg

Drijfmest 1253.7 57.2 104.5 2.0 0.0 6.7 0.0 0.0

1424.0 m 3

52.1 m3

Gebruiksruimte dierlijke mest kg Stikstof (N) Hectares

Crv Postbus 454, 6800 AL ARNHEM benut v. graasdiermest 38.73 x Tel: ha 088-0024440 202364931 Lucky Holsteins

CRV Mineraal Norm

Totaal

250

kg Fosfaat (P2 O 5)

Toestand

Bedrijfsoverzicht = 9683 Grasland Grasland Grasland Bouwland

Boer-boer transport

Hectares

Norm

Verplichte mestverwerking

Totaal

Laag 19.36 xPostbus 105454,= 68002033 AL Arnhem Neutraal 9.43 20/08/20 x 95 = 896blad 3/4 Verwerkingsdatum Ruim voldoende 2.62 x 90 = 236 Laag 7.32 x 80 = 586 92%

Percentage van fosfaatproductie op eigen grond: Boer-boer transport is mogelijk bij plaatsing van > 75% van fosfaatproductie op eigen grond. Boer-boer transport mogelijk: Maximale afvoer (25% van de totale fosfaatproductie) via boer-boer transport: Totaal 9683 A Totaal

7

Vaste mest 6.1 28.7 0.0 0.0 0.2 0.0 3.8 13.4

Ja 1017 kg fosfaat 3750 B

Berekening gebruik en ruimte dierlijke mest

Fosfaatproductie totaal: Melkveefosfaatproductie: Fosfaatgebruiksruimte: Gebruiksruimte dierlijke mest Plaatsingsruimte fosfaat op Natuurterrein: Fosfaatplaatsingsruimte totaal: Beginvoorraad Melkveefosfaatreferentie: Mestproductie graasdieren

kg Stikstof (N) Ton

Bedrijf

kg N/ton

Bedrijf

9683 A

1225.0 + 4912 2531.5 + 11162 Mestproductie staldieren Mestverwerking regionale norm Aangevoerde dierlijke volgens mest Fosfaatproductie totaal: Afgevoerde dierlijke mest 290.0 1160 Fosfaatplaatsingsruimte totaal: Eindvoorraad 1225.0 4912 Fosfaat overschot totaal: Verwerkingspercentage behorend bij regio Overig: Beschikbare mest 10002 C Te verwerken kg fosfaat (verwerkingspercentage x Fosfaat overschot totaal): - Graasdiermest Mestverwerking is verplicht bij een te verwerken fosfaatoverschot van >=100 kg. in put 2013.9 9026 Mestverwerking verplicht: via beweiding 227.6 976

4.0 4.4

+ +

4.0 4.0

-

kg Fosfaat (P2 O 5) 4068 kg kg kg P3976 2 O 5 /ton kg 3750 3750 B 257 kg + 40071.5 kg 1846 01.6 kg 4068 435 4068 kg 1846 4007 kg 3633 D

4.5 4.3

3281 353

Verantwoorde groei melkveehouderij

Melkveefosfaatproductie: Melkveefosfaatreferentie: Fosfaatplaatsingsruimte totaal: SaldoMelkveefosfaatoverschot: -319 Groei Verwerkingspercentage behorend bij regio Overig: Conclusie Gebruiksruimte dierlijke mest Te verwerken kg fosfaat (verwerkingspercentage x Groei Melkveefosfaatoverschot): Op basis van deishuidige gegevens wordt de gebruiksruimte dierlijke Mestverwerking verplicht bij een te verwerken fosfaatoverschot vanmest >=0met kg. 319 kg stikstof overschreden.

117

1.6 Nee 1.5 3976 kg 0 kg 4007 kg 0 kg 90 % x 0 kg

Mestverwerking verplicht:

8

Nee

Totale mestverwerkingsplicht * : Gebruiksruimte meststoffen

0 kg

* Op de verplichting van mestverwerking kunnen een aantal uitzonderingen van toepassing zijn volgens RVO.

kg Stikstof (N)

Gewas

Grondsoort

Hectares

Norm

Totaal

kg Fosfaat (P2 O 5 ) Toestand

Hectares

Norm

© CRV Arnhem

Grasland blijvend Grasland tijdelijk Gras (vanggewas) Snijmaïs

1.5 1.5 61 kg 10 % x 6 kg

Totaal

00180206 IRIS_019.2008

Zand Zand Zand Zand

28.74 2.67 7.32 7.32

x x x x

250 250 0 140

Totaal

© CRV Arnhem

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

= = = =

7185 668 0 1025 8877

Grasland Grasland Grasland Bouwland

G Totaal

Laag 19.36 Neutraal 9.43 Ruim voldoende 2.62 Laag 7.32

x x x x

105 95 90 80

= = = =

2033 896 236 586 3750 H

00180206 IRIS_019.2008

211


202364931 Lucky Holsteins

Verwerkingsdatum 20/08/20

9

blad 4/4

Berekening gebruik en ruimte kunstmest Ton

kg Stikstof (N) Bedrijf

kg Fosfaat (P2 O 5 ) kg N/ton

Bedrijf

kg P2 O 5 /ton

Gebruiksruimte meststoffen

8877 G

3750 H

Werkzame dierlijke mest Beschikbare dierlijke mest x wettelijke werkingscoëfficient

4501

3633

Beginvoorraad Aangevoerde kunstmest Afgevoerde kunstmest Eindvoorraad

+ + -

17.5

4321

4321

Beschikbare kunstmest

+ + -

246.9

0.0

0 J

I

56

Saldo

0

117

Conclusie gebruiksruimte meststoffen De gebruiksruimte dierlijke mest wordt nog overschreden, hierdoor kan de conclusie met betrekking tot de gebruiksruimte kunstmest onjuist zijn. Op basis van de huidige gegevens wordt de gebruiksruimte meststoffen niet overschreden.

10

Bedrijfssysteem Aanwezige mestopslagcapaciteit Drijfmest m3 Vaste mest 2650 150 2650 150

Totaal

11

1424.0

m3

52.1

Dierlijke mest beschikbaar voor bemesting Soort Beginvoorraad Productie Eindvoorraad Te verdelen Beginvoorraad Productie Afvoer Eindvoorraad Te verdelen Productie Te verdelen Productie Te verdelen Productie Te verdelen Totaal

12

Omschrijving

Mestsoort

Voorraad 2 10 Vaste mest, rundvee Productie mestcode 10 10 Vaste mest, rundvee Prognose Voorraad 2 10 Vaste mest, rundvee Voorraad 1 Productie mestcode 14 Prognose afvoer Prognose Voorraad 1

14 Drijfmest, rundvee 14 Drijfmest, rundvee 14 Drijfmest, rundvee 14 Drijfmest, rundvee

wet. wc 45 45

45 45

Productie mestcode 19 19 Vleeskalveren, rosévlees

45

Productie mestcode 25 25 Vaste mest, paarden

45

Productie mestcode 27 27 Vaste mest, pony's

45

Ton 5.0 52.9 5.0 52.9 1220.0 2226.6 290.0 1220.0 1936.6 0.4 0.4 18.7 18.7 5.3 5.3 2013.9

kg N

kg P2O5

kg

kg P2O5

/ton 6.4 8.5 6.4

/ton 3.2 2.9 3.2

4.0 4.3 4.0 4.0

1.5 1.6 1.5 1.5

5.1

1.7

6.3

3.1

5.2

2.5

bruto N 32 449 32 449 4880 9590 1160 4880 8430 2 2 118 118 27 27 9026

16 155 16 155 1830 3490 435 1830 3055 1 1 57 57 13 13 3281

Kunstmest en overige organische mest beschikbaar voor bemesting Soort Aanvoer Te verdelen Aanvoer Te verdelen Aanvoer Te verdelen Totaal

Omschrijving Prognose aanvoer

Mestsoort KAS

KAS Zwavel

KAS Zwavel

Gromaize Opticoat

N 30, P2O5 0

© CRV Arnhem

212

Benodigde mestopslagcapaciteit Drijfmest m3 Vaste mest

m3

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

Ton 1.5 1.5 14.9 14.9 1.1 1.1 17.5

kg N 405 405 3586 3586 330 330 4321

kg P2O5 0 0 0 0 0 0 0

00180206 IRIS_019.2008


9

Berekening gebruik en ruimte kunstmest Bij punt 8 is de totale gebruiksruimte voor stikstof (bij G) en fosfaat (bij H) berekend. Hiervan wordt het werkzame deel vanuit de dierlijke mest afgetrokken. Wat overblijft, is de ruimte voor stikstof uit kunstmest. Het saldo – op de onderste regel – voor stikstof en fosfaat geeft aan of je wel of niet binnen de gebruiksruimte gebleven bent. Werkingscoëfficiënt Omdat niet alle mineralen uit dierlijke mest efficiënt worden benut, worden de kilo’s stikstof uit dierlijke mest niet volledig in mindering gebracht op de totale gebruiksnorm. De berekende kilo’s worden eerst vermenigvuldigd met een werkingscoëfficiënt.

10

Bedrijfssysteem De wettelijk benodigde mestopslagcapaciteit (1 september-1 maart) voor het bedrijf wordt berekend door het gemiddeld aantal aanwezige dieren per diercategorie te vermenigvuldigen met de forfaitaire mestproductie in die 7 maanden. De totaaltelling geeft de benodigde kubieke meters (m³) mestopslagcapaciteit aan.

11

Dierlijke mest beschikbaar voor bemesting Hier staat een overzicht van de dierlijke mest die beschikbaar is voor bemesting. In de berekening worden de (bekende) beginvoorraad, de productie, de aan- en afvoer van mest en de eindvoorraad meegenomen.

12

Kunstmest beschikbaar voor bemesting Dit is een overzicht van de kunstmest die beschikbaar is voor bemesting. In de berekening worden de (bekende) beginvoorraad, aan- en afvoer van kunstmest en de eindvoorraad meegenomen.

Praktisch Archief

In CRV Mineraal is een archief opgenomen van de bemestingsplannen voor je bedrijf. De laatste 5 jaar kun je altijd terugvinden in CRV Mineraal. Zo kun je altijd terugvinden hoe je bemestingsplannen en het Derogatieoverzicht zich in de loop van de jaren hebben ontwikkeld.

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

213


10.4

CRV Mineraal: Derogatieoverzicht Het Derogatieoverzicht in CRV Mineraal geeft inzicht in de onder­ liggende gegevens van het Bedrijfsoverzicht. Op basis van deze gegevens worden de gebruiksnormen berekend. Om derogatie te mogen toepassen moet je naast het maken van een Bedrijfsoverzicht nog aan extra regels voldoen. Een daarvan is het maken van een Derogatieoverzicht. Het Bedrijfsoverzicht en het Derogatieoverzicht vormen samen het bemestingsplan.

 Goed om te weten Als voorwaarden veranderen De voorwaarden voor derogatie veranderen van jaar tot jaar. Check op www.rvo.nl aan welke voorwaarden je moet voldoen om in aanmerking te komen voor derogatie. Denk daarbij ook aan het tijdig regelen van de derogatievergunning via RVO.

214

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen


Het eerste deel is de berekening van de (landbouwkundig) optimale bemesting. De werking van mest wordt hierbij berekend volgens de landbouwkundige werkingscoëfficiënten. Het tweede deel omvat de berekening van de voorgenomen bemesting. De mestgiften moeten worden berekend volgens de wettelijke regels (dus ook de formele werkingscoëfficiënten). Deze twee delen moeten met elkaar ‘geconfronteerd’ worden. Voldoet het voorgenomen bemestingsplan aan de normen? Dat zie je in het derde deel van het overzicht, de confrontatiematrix.

Elke 4 jaar moet de grond worden onderzocht op stikstofleverend vermogen (N) en fosfaat (P2O5 )

Als je meedoet aan de derogatie moet je elke 4 jaar grondmonsters laten nemen

Praktisch Grondmonsters nemen

Als je meedoet aan de derogatie moet je elke 4 jaar grondmonsters laten nemen door een erkend laboratorium. Monsters die op 1 februari jonger zijn dan 4 jaar, zijn nog geldig voor derogatie (dit geldt alleen voor stikstof). Monsters voor fosfaatdiffe­ rentiatie mogen op 15 mei niet ouder zijn dan 4 jaar. In het onderdeel Grond wordt een automatische koppeling gemaakt tussen de perce­ len en de bodemonderzoeken op basis van coördinaten. Binnen CRV Mineraal vindt er een berekening plaats of de voorgenomen bemesting past binnen de wettelijke gebruiksnormen.

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

215


1

2

3

4

5 6 7

216

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen


Derogatieoverzicht 1

Bodemonderzoek en bemestingsbehoefte Het bemestingsplan in CRV Mineraal is gebaseerd op bodemonderzoeken. Op het overzicht staan de uitgevoerde grondonderzoeken in de laatste 4 jaar. Je ziet de aanwezige geldige grond- en onderzoeksgegevens met een waardering van het stikstofleverend vermogen (NLV) en de fosfaattoestand. Het overzicht van het grondgebruik bevat de topografische percelen, namen, het gewas, de grondsoort en de oppervlakte.

2

Landbouwkundig optimale mestgift per ha Op basis van de aanwezige gegevens (hoeveelheid beschikbare mest, oppervlakte per soort grond en gewas) wordt een landbouwkundig optimaal bemestingsadvies opgesteld. Het advies is opgedeeld in een advies voor enerzijds dierlijke mest (DM) en anderzijds kunstmest.

3

Voorgenomen mestgift binnen gebruiksruimte Op basis van het overzicht ‘Landbouwkundig optimale mestgift per ha’ (zie punt 2) weet je de wenselijke hoeveelheid dierlijke mest. De verdeling is een voorstel, je kunt als gebruiker de mestgift vervolgens naar eigen wens aanpassen tot een voorgenomen bemesting. De werkelijke mestgiften voer je later in. Het programma berekent daarna de totale hoeveelheden stikstof en fosfaat uit dierlijke mest per hectare en per perceel. Deze waarden worden per kolom (kg N-totaal uit DM/perceel en kg P205 -totaal uit DM/ perceel) opgeteld en automatisch ingevuld bij T, U en W op het overzicht. De voorgenomen dierlijke mestgiften en de totalen stikstof en fosfaat worden (met de oppervlakte van de percelen) vervolgens doorgerekend met de wettelijke normen.

4

Confrontatiematrix De laatste stap is de confrontatiematrix, ofwel: voldoet het bemestingsplan aan de diverse normen? Is dit niet het geval, dan kun je via de voorgenomen bemesting je keuze aanpassen waardoor het bemestingsplan wel aan de eisen voldoet.

5

In de eerste regel van de confrontatiematrix is het gebruik van N en P205 volgens het plan ‘Voorgenomen mestgift’ te zien (T, U en W) (zie punt 4).

6

De tweede regel laat het gebruik van N en P205 voor dit bedrijf volgens de wettelijke rekenregels zien (C, D en J). De berekening van deze gegevens is te vinden op het Bedrijfsoverzicht van CRV Mineraal (zie paragraaf 10.3, punt 7 en 9).

7

Op de derde regel staat de gebruiksruimte voor N en P205 voor dit bedrijf (A, G, B en H). Zolang de aantallen kg N en kg P205 die afgedrukt staan bij gebruiksruimte (regel 3) hoger zijn dan de aantallen kg op regel twee (gebruik volgens de wettelijke rekenregels), blijf je binnen de toegestane normen.

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

217


10.5

CRV Mineraal: BEX De ene veestapel gaat efficiënter om met het voer dan de andere. Met de bedrijfsspecifieke excretie (BEX) maak je inzichtelijk hoe efficiënt jouw veestapel omgaat met stikstof en fosfaat. In de BEXuitslag vind je de geproduceerde kilo’s stikstof en fosfaat van de melkveestapel. Deze productie wordt gerelateerd aan de forfaitaire productie. Een hogere BEX geeft je meer gebruiksruimte op je bedrijf. Om de BEX te kunnen berekenen, moet je een berekening maken van de hoeveelheid en kwaliteit van je voer. Of beter gezegd: die moet je laten maken door een erkend laboratorium. Dat meet de hoeveelheid voer in kubieke meters kuil of in aantallen kuilpakken. Een analyse maakt duidelijk hoeveel kwaliteit in de vorm van droge stof, vem, dve, stikstof en fosfor er in het voer zit. Als je deze voerproductie van een jaar corrigeert met een begin- en eindvoorraad weet je wat de veestapel heeft opgevreten om de – ook bekende – hoeveelheid melk en vlees te produceren. De BEX maakt hiermee de stikstof- en fosfaatefficiëntie van de veestapel duidelijk.

218

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen


Praktisch Eigen BEX

Binnen CRV Mineraal kun je je eigen BEX ingeven. Bij een hogere efficiëntie levert dat meer ruimte op voor het gebruik van dierlijke mest. Als de BEX minder voorde­ lig uitpakt voor je bedrijf, kun je beter kiezen voor de forfaitaire excretie, oftewel de wettelijke gemiddelden.

Excretiewijzer melkvee Melkveebedrijf Giesen Invoerset : 289890_3216 Analyse bedrijfsspecifieke excretie (rantsoenkenmerken) Melk per ha Jongvee per 10 melkkoeien Opname krachtvoer (excl. bijproducten) per bedrijf Opname krachtvoer (excl. bijproducten) per 100 kg melk BEX-excretie per ton melk, stikstof BEX-excretie per ton melk, fosfaat Melk per kg BEX-excretie, stikstof Melk per kg BEX-excretie, fosfaat Voordeel bedrijfsspecifiek, stikstof Voordeel bedrijfsspecifiek, fosfaat Maximale melkproductie zonder mestafzet, stikstof Maximale melkproductie zonder mestafzet, fosfaat Efficiëntie voeding stikstof Efficiëntie voeding fosfaat

13640 4.0 261472 24 14.2 4.4 70 228 +4 +17 16969 19597 27.2 36.2

kg stuks kg kg kg kg kg melk kg melk % % kg/ha kg/ha % %

Voervoorraden op bedrijf

Voer Grasland producten Snijmais producten Ov. ruwvoer, bijprod. Krachtvoer, mineralen Melkproducten

Begin RE/kVEM P/kVEM (eenh*) (g/kvem) (g/kvem) 281416 202 4.1 279078 77 1.9 58715 191 3.9 26500 154 4.1 0 0 0.0

Eind RE/kVEM P/kVEM (eenh*) (g/kvem) (g/kvem) 319053 178 4.1 297324 75 1.7 52579 172 3.8 22000 167 4.6 0 0 0.0

Mutatie (eenh*) +37637 +18246 -6136 -4500 0

Voeding veestapel (melkkoeien, incl. jongvee) Opname veestapel Voer (kg ds) Vers gras 91578 Grasland producten 302601 Snijmais producten 263515 Ov. ruwvoer, bijprod. 31647 Krachtvoer, mineralen 234586 Melkproducten 1736 Rantsoen

Aandeel (% in ds) 9.9 32.7 28.5 3.4 25.3 0.2

925663

100.0

VEM RE P RE/kVEM (/eenh*) (g/eenh*) (g/eenh*) (g/kvem) 960 194 3.89 202 912 180 3.86 197 1000 78 1.85 78 849 136 3.19 161 977 189 4.41 193 1514 212 7.15 140 986

159

3.54

P/kVEM (g/kvem) 4.0 4.2 1.8 3.8 4.5 4.7

161

3.6

Normen: - krachtvoeders : ds-gehalte = 897 g/kg - melkproducten : ds-gehalte = 945 g/kg * Krachtvoer en melkproducten: opname staat in 'kg ds', voorraden en analyse eenheid staat in 'kg product'. Overige voeders en rantsoen: opname, voorraden en analyse eenheid staat in 'kg ds'. berekend op 31 augustus 2020 - 10:32:38

Hoofdstuk 10 Kringloop en mineralen

3

versie dll 2019.08

219


Bijlage CRV Als veeverbeteringsorganisatie speelt CRV verschillende rollen in de sector: ze is coรถperatie, werkgever en kennisleverancier. Deze bijlage licht die functies toe.

220

Hoofdstuk 11 CRV


CRV als coöperatie CRV is een coöperatieve onderneming. Het grootste deel van de activiteiten wordt uitgevoerd door bedrijven binnen CRV Holding bv. De eigenaar is de Coöperatie CRV. De leden van de coöperatie zijn rundveehouders in Nederland en Vlaanderen. Coöperatie: bijzondere ondernemingsvorm

De ‘coöperatieve vennootschap’ (België) of ‘coöperatieve vereniging’ (Nederland) is een bijzondere ondernemingsvorm. Volgens het kenniscentrum NCR (Nationale Coöperatieve Raad) is een coöperatie in feite een vereniging met een bedrijf. In een coöperatie bundelen leden hun krachten om hun individuele doelen te bereiken. De agrarische sector heeft een rijke coöperatieve historie. Hieruit zijn bijvoorbeeld de grootste marktpartijen in de zuivel (FrieslandCampina, Milcobel) ontstaan. Het doel van een coöperatie is waardecreatie voor de leden. Bij CRV is dat gericht op veeverbetering. Vanuit dat perspectief levert CRV vanuit het bedrijf genetica, management­ producten en diensten als ki en MPR, en vanuit de coöperatie diensten zoals stamboek­ registratie, erkenning van MPR, Bedrijfsinspectie en fokwaardeschattingen.

Winst als middel

Bij een coöperatie gaat het nooit om het genereren van zoveel mogelijk winst. Winst maken is geen doel op zich, maar een middel om het doel te bereiken. Een goed financieel resul­ taat is een voorwaarde voor de continuïteit en noodzakelijk om te kunnen blijven investe­ ren in innovatie, in het belang van de leden. Bij de meeste coöperaties wordt een deel van de winst uitgekeerd aan leden. Bij CRV wordt dat ‘CRV-Ledenvoordeel’ genoemd.

Sinds 1874

De geschiedenis van coöperatieve veeverbetering begint in de 19e eeuw. In 1874 vindt de oprichting plaats van het Nederlandsch Rundvee Stamboek en in 1897 die van het Provinciaal Verbond der Veekweeksyndicaten van Oost-Vlaanderen. Deze organisaties ontwikkelen zich tot CR Delta u.a. in Nederland en de Vlaamse Rundvee­ teelt Vereniging (VRV) vzw in België. Deze gaan in 2002 intensief samenwerken en fuseren in 2017 tot Coöperatie Koninklijke CRV u.a. Alle leden (ruim 23.000 in 2020) van CR Delta en VRV zijn sindsdien lid van de Coöperatie CRV, met het hoofdkantoor in Nederland.

Leden hebben zeggenschap

In een coöperatie hebben de leden zeggenschap via stemrecht. Via bestuurs- en advies­ organen kunnen ze invloed uitoefenen op het beleid. Bij CRV is de bestuurlijke organisatie opgebouwd vanuit tien districten, met elk een eigen districtsbestuur van acht tot twaalf leden. De districtsbestuurders vormen de ledenraad van de coöperatie. De ledenraad

Hoofdstuk 11 CRV

221


bestaat uit 87 leden en is het ‘hoogste orgaan’ in de coöperatie. Het hoofdbestuur van de coöperatie heeft tot taak de coöperatie te besturen. Het bestuur bestaat uit zeven leden. De raad van commissarissen (RvC) is toezichthouder voor de onderneming en benoemt de leden van de directie. De RvC bestaat uit de leden van het hoofdbestuur, aangevuld met drie externe commissarissen. Er zijn diverse raden en commissies die het hoofdbestuur en de directie ondersteunen bij het nemen van beslissingen, waaronder drie jongerenraden, de CRV-adviesraad en de dubbeldoelraad.

In een coöperatie hebben de leden zeggenschap via stemrecht. Leden van CRV worden actief betrokken bij het fokbeleid en ze kunnen invloed uitoefenen via bestuurs- en advies­organen

Leden hebben invloed op fokbeleid

Hoe ziet het melkveebedrijf er over tien jaar uit en welke eisen stelt dat aan de koe? Voor de fokkerij is het belangrijk hierop te anticiperen. Veranderingen in het fokbeleid werpen immers pas na vijf tot tien jaar vruchten af. Als coöperatie betrekt CRV de le­ den bij het fokbeleid. Zo krijgen leden elke vijf jaar gelegenheid hun mening te geven over fokdoelen, via enquêtes en bijeenkomsten. De fokwaarden voor voeropname en besparing voerkosten (BVK), geïntroduceerd in 2020, komen voort uit de ledenraad­ pleging van 2015. Eerdere overlegrondes lagen ten grondslag aan fokwaarden voor klauwgezondheid en vruchtbaarheid.

Meer over de bestuurlijke organisatie vind je op de website van de coöperatie voor Nederland Meer over de bestuurlijke organisatie vind je op de website van de coöperatie voor Vlaanderen

222

Hoofdstuk 11 CRV


CRV als werkgever Als internationale leverancier van genetica, ontwikkelaar van inno­ vatieve managementproducten en dienstverlener op het melkvee­ bedrijf is CRV ook een interessante werkgever.

Als je geïnteresseerd

CRV zoekt voortdurend nieuw talent: mensen die zich betrokken voelen bij de rundvee­ houderij en die met trots bijdragen aan een duurzame toekomst van de sector. Bij CRV liggen kansen voor leerlingen en studenten van agrarische en andere opleidingen. Ook voor bedrijfsopvolgers die ervaring willen opdoen buiten het melkveebedrijf van hun familie biedt CRV de mogelijkheid voor een bredere ontwikkeling van kennis en competenties.Je kunt een loopbaan bij CRV uiteenlopend invullen, zowel met praktijkgericht werk als met functies op wetenschappelijk niveau. Je kunt aan de slag als dierverzorger of distributieme­ dewerker. Je kunt de boer op als inseminator of veestapeladviseur. Daarnaast kun je achter de schermen werken aan de ontwikkeling van nieuwe managementtools, de uitvoering van het fokkerijbeleid of de zoektocht naar nieuwe innovaties in genetica. Ook als je interesse

bent in een stage of een

hebt in werken in het buitenland liggen er kansen. CRV is internationaal actief, met vesti­

baan bij CRV, kun je

gingen in verschillende werelddelen. Als je nog niet toe bent aan een baan, zijn er andere mogelijkheden om het bedrijf alvast te leren kennen. Van meeloopstage tot aan afstudeer­ onderzoek.

contact opnemen via jobs@crv4all.com

Hoofdstuk 11 CRV

223


CRV als kennisleverancier In veeverbetering draait alles om data. CRV gebruikt die data voor haar fokprogramma’s en benut ze in managementproducten voor de veehouder. Marktleider in genetica

Vrijwel alle rundveehouders kennen CRV als ki-organisatie en leverancier van fokmateriaal. Het assortiment fokkerijproducten omvat sperma en embryo’s van hoogwaardige koeien en stieren. CRV is marktleider en heeft eigen fokprogramma’s met internationale reikwijdte. In het verlengde daarvan levert CRV diensten die met de genetica te maken hebben, zoals ki, embryotransplantatie en fokkerijadvies. Het aanbod omvat toepassingen van moderne technologische ontwikkelingen, zoals het gebruik van gesekst sperma en genomicfokwaar­ den. Niet alleen boeren in Nederland en Vlaanderen maken hiervan gebruik. CRV is we­ reldwijd actief, met businessunits in Europa (Duitsland en Tsjechië), Noord- en Zuid-Amerika en Oceanië.

224

Hoofdstuk 11 CRV


Dagelijks gebruikte managementproducten

Met een lange geschiedenis in stamboekregistratie en veeverbetering heeft CRV zich ook ontwikkeld tot partner van rundveehouders voor het registreren en analyseren van data. Sinds jaar en dag worden exterieurkenmerken en melkproductiegegevens geregistreerd. Die zijn waardevol in het streven naar een functionele koe met een goede productie en hoge gehalten. Ook informatie over vruchtbaarheid en gezondheid heeft een rol gekregen in de fokkerij. Die ondersteunt de ontwikkeling naar een langere levensduur van koeien. Dat is in het belang van het dier en van de boer. Verder groeit de interesse in data rondom efficiëntie. Als melkveehouder wil je kosten beheersen. De maatschappij vraagt boven­ dien nadrukkelijk aandacht voor een efficiënte benutting van mineralen en een beperking van emissies. Al die waardevolle data vormen de basis voor managementproducten van CRV. In grote lijnen zijn deze producten onder te verdelen in twee categorieën: ondersteuning bij beslis­ singen in genetica en ondersteuning van het veemanagement.

Ondersteuning fokkerijstrategie

Binnen de eerste categorie vallen de programma’s en tools die je ondersteunen bij de uitvoering van de fokkerijstrategie. Het paringsadviesprogramma SAP is een voorbeeld. Dit helpt je bij het bepalen van je persoonlijke fokdoel, het selecteren van geschikte stieren en de uitwerking daarvan in het maken van de best passende paringen. SAP gebruikt alle beschikbare data van jouw veestapel, zoals afstamming, fokwaarden, gegevens van mpr en bedrijfsinspectie. Die gegevens kun je in handige overzichten zelf raadplegen. Daarnaast krijg je als SAP-gebruiker advies van een persoonlijk adviseur.

Hoofdstuk 11 CRV

225


Managementpakket

De managementproducten vallen binnen de tweede categorie. Deze zijn gebundeld in VeeManager en de app CRV Dier. VeeManager is een online managementpakket voor veehouders. De basis is vrij toegankelijk. Daarmee kun je gegevens invoeren en een aantal basisoverzichten raadplegen. Hieronder vallen de meldingen in het I&R-systeem en VKImeldingen, opgaven voor ki en het invoeren van dhz-inseminaties en de resultaten van de mpr-proefmelkingen. Naar behoefte kun je deze basis uitbreiden met een aantal modules: • Module Registratie: extra functies voor het verwerken van I&R-gegevens, zoals het pro­ duceren van overzichten en documenten. • Module MPR: uitgebreide overzichten en analyses van mpr-gegevens. • Module Vruchtbaarheid: analyses van resultaten en kengetallen met betrekking tot vruchtbaarheid. • Module Diergezondheid: inzicht in de gezondheid van je veestapel en eenvoudig aan­ maken van (verplichte) overzichten. • Module Fokkerij: gerichte ondersteuning bij fokkerijbeslissingen, aansluitend op pro­ gramma’s als Fokkerij op Maat en tools als SAP en Herdoptimizer. • CRV Mineraal: praktische overzichten en inzicht in de mineralenstromen op je bedrijf, toegepitst op de Nederlandse situatie.

App CRV Dier

Met VeeManager krijg je meer grip op de enorme hoeveelheid gegevens, zodat je ze kunt benutten voor het verbeteren van je bedrijfsvoering. In combinatie met de app CRV Dier heb je alle relevante informatie altijd beschikbaar op je smartphone of tablet en kun je ter plekke nieuwe gegevens invoeren.

226

Hoofdstuk 11 CRV


Dataplatforms DjustConnect en JoinData

Dankzij technische ontwikkelingen kun je steeds meer gegevens automatisch verza­ melen én steeds gemakkelijker data delen met andere partijen, zoals je dierenarts, zuivelverwerker of de overheid (I&R). CRV verwacht dat veehouders in toenemende mate kunnen profiteren van het delen van informatie met uiteenlopende erfbetreders en leveranciers. Maar een onbeperkte toegang tot data is niet vanzelfsprekend en ook niet altijd gewenst. Als boer moet je zelf de regie kunnen houden over jouw data. Het gebruik ervan moet verantwoord en veilig zijn. Daarom is CRV actief betrokken bij JoinData (Nederland) en DjustConnect (België). Dat zijn dataplatforms waarop je overzicht hebt over alle partijen die jouw data mogen inzien en waarop je gericht toestemming kunt verlenen en desgewenst ook weer kunt intrekken.

Vakinformatie en evenementen

Behalve met genetica en managementproducten ondersteunt CRV haar leden met vak­kennis, via de vakmedia Veeteelt, VeeteeltVlees en De Boerin. Deze verschijnen in print en online en zijn ook actief via social media. Verder organiseert en ondersteunt CRV evenementen zoals fokveeshows en dochtergroepenpresentaties.

Hoofdstuk 11 CRV

227


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.