Page 1

13

2013

magazine over het verbinden van stad en land

Groeneveldlezing Tracy Metz

Toekomst Staatsbosbeheer Chris Kalden

‘Door de ogen van…’

Waar de wereld peinst Abdelkader Benali en verder

Voedseldemocratie, Fransje de Waard Poëzie van Mustafa Stitou Cees Nooteboom


02 Vooraf

Colofon GRNVLD is een uitgave van Sjaalman Media in opdracht van Kasteel Groeneveld. GRNVLD verschijnt vier keer per jaar. Het volgende nummer verschijnt in juni 2013.

Beeld: Hans van Oudenaarden

Caroline van der Lee Hoofdredacteur

Voor clichés over Nederland en de Nederlanders,

leze men het Amerikaanse kinderboek Hans Brinker, of de zilveren schaatsen. Dit boek, geschreven in de 19e eeuw door Mary Mapes Dodge, vertelt over een schaatstocht dwars door Holland. Mevrouw Mapes Dodge was, toen zij haar boek schreef, nog nooit in Nederland geweest. Het was het boek The rise of the Dutch Republic van de diplomaat en historicus John L. Motley dat haar interesse voor de Lage Landen had gewekt. Naast de roemrijke geschiedenis van de Gouden Eeuw, betrof haar fascinatie het Hollandse landschap met haar polders, molens en dijken. En natuurlijk het gegeven van een leven onder de zeespiegel achter die dijken in een zelfgemaakt land. De anekdote over het jongetje dat zijn vinger in de dijk steekt en zo in zijn eentje een dijkdoorbraak voorkomt, werd de bekendste passage uit het boek.

Dat we een nijver volkje zijn, altijd bezig met het maken en vormgeven van ons eigen land, lezen we ook in veel andere geschriften van buitenlanders die ons land bezochten, van James Boswell tot Simon Schama en José Rentes de Carvalho. De mengeling van spot, verbazing en bewondering die de relatie van Nederlanders met hun landschap vaak oproept, is waarschijnlijk het best verwoord door de uitspraak van de 18e-eeuwse Franse filosoof Voltaire: ‘God schiep de wereld, behalve Nederland. Dat liet hij over aan de Nederlanders zelf.’ Hoewel ik als echte Nederlander natuurlijk helemaal niet chauvinistisch ben, vervullen dergelijke opmerkingen mij altijd met trots. Dat hebben wij maar mooi gedaan. Waar een klein land groot in is. Deze gedachte zal ik proberen vast te houden als ik weer eens langs de eeuwige bouwputten van A naar Beter loop.

GRNVLD Groeneveld 2, 3744 ML Baarn, grnvld@mineleni.nl Uitgever  Sjaalman Media, Chris van Koppen Redactie  Caroline van der Lee (hoofdredacteur), Christine Tinssen (managing editor), Alie Engelsman (redacteur) Vormgeving  Volta_ontwerpers, Utrecht Druk  Wilco, Amersfoort Medewerkers  Marco Bakker, Matthijs Bosman, Jos Collignon, Comic House, Linda Driesen-van der Male, Jan Dobbe, Wilma Elmendorp, Linda van Erven, Chris Evenhuis, Barbara Houwers, Michiel de Jong, Frank Jonker, Roeland Koning, Brigitte van Mechelen, Tracy Metz, Cees Nooteboom, Aloys Oosterwijk, Hans van Oudenaarden, Eddy Posthuma De Boer, Matthijs Sienot, Marjan Slob, Mustafa Stitou, Marcel van Ool, Fred Pot, Noor Reigersman, Isabelle van der Weijden Foto cover  Hugo Schuitemaker Foto achterkant  Fred Pot Alle zorg is besteed aan het achterhalen van de namen van de rechthebbenden. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen contact opnemen met de uitgever. ISSN 1566-6190 Abonnementen  Een abonnement kost € 25,– voor vier nummers per jaar. Voor een abonnement zie p. 50. Als abonnee bent u tevens vriend van de Stichting Groeneveld. De Stichting Groeneveld ondersteunt de activiteiten van Kasteel Groeneveld. Als vriend heeft u gratis toegang tot het kasteel voor uzelf en een introducé, wordt u uitgenodigd voor openingen en evenementen en krijgt u korting op speciale publicaties. Aanmelden voor de maandelijkse nieuwsbrief kan via www.kasteelgroeneveld.nl Nieuws en persberichten kunt u sturen naar GRNVLD, Groeneveld 2, 3744 ML Baarn, grnvld@mineleni.nl

   grnvldmagazine     Kasteel Groeneveld


inhoud

03

Beschouwen 04

zaaigoed

06

interview

10

ander beeld

12

laudatio

14

essay

23

vers

24

wende

26

verhaal

28

kaf en koren

32

mijn landschap

34

oogst

36

mmm

38

verstript

40

de plek

Kort nieuws Tracy Metz Matthijs Bosman Groeneveldprijs voor Tracy Metz Tracy Metz – Het nut van natuur

12

Mustafa Stitou Chris Kalden Cees Nooteboom Reflecties, inzichten Abdelkader Benali Het artistieke Gooi Fransje de Waard Het woud zonder genade Radio Kootwijk

Het nut van natuur Tracy metz


04

zaaigoed

nieuws – publicaties, tentoonstellingen, prijs­vragen, campagnes, symposia, innovaties. Nieuws en persberichten kunt u sturen naar GRNVLD, Groeneveld 2, 3744 ML Baarn, grnvld@mineleni.nl

Expositierent

lezersaanbieding

Buitenplaatsengids Over buitenplaatsen is veel gepubliceerd. Wat echter ontbrak, was een buitenplaatsengids: een volledig overzicht van buitenplaatsen in Nederland. Met de uitgave van de Nationale gids Historische Buitenplaatsen van René Dessing en Jan Holwerda heeft Uitgeverij Noord-Holland deze belangrijke leemte opgevuld. In deze prachtig geïllustreerde publicatie worden alle van rijkswege erkende historische buitenplaatsen in beknopte vorm per provincie beschreven. En daarmee komt dit mooie groenhistorische en monumentale erfgoed nog meer en nog beter in het bereik van een breed publiek. Nationale gids Historische Buitenplaatsen Auteurs: René W.Chr. Dessing en Jan Holwerda Uitgeverij Noord-Holland | prijs € 19,50 isbn 978 90 783 8157 0

boek

Lezen in het duin. Nagenieten van de Gouden Eeuw auteurs  Gert Baeyens en Joop Mourik uitgever  KNNV Uitgeverij prijs  € 29,95 isbn  978 90 501 1367 0

De uitgever geeft 5 exemplaren van dit boek cadeau interesse? Mail uw naam en adres naar grnvld@mineleni.nl

Tentoonstelling te huur Leren kan natuurlijk uit een boek van de juffrouw of meester voor de klas, maar ook exposities zijn een prima middel om op een effectieve manier informatie over te dragen. Opzetten en bouwen van een goede tentoonstelling is voor scholen, buurthuizen en bezoekerscentra van natuurgebieden echter veelal te duur en te arbeidsintensief. Huren kan dan uitkomst bieden. ExpositieRent verzorgt volledige natuurexposities, waarbij de fantasie van jong en oud hoog in het vaandel staat. Of het nu gaat om duurzaamheid of over dieren, gericht op volwassenen of juist voor kleuters – er is voor elk wat wils. ‘Hé, WATT-je’, ‘Bos vol geheimen’, ‘Flierefluiters’ en ‘Vossie de Vos’ zijn interactieve ‘Doe en ontdek’-tentoonstellingen, die leerzaam, maar vooral leuk zijn.  www.expositierent.nl

naturexp

Lezen in het duin Altijd willen weten welke rijke geschiedenis het duinlandschap in zich herbergt? Nieuwsgierig naar het ontstaan van de waterwinplaatsen bij Amsterdam? Benieuwd naar wat er zich vroeger afspeelde in zo’n bijzonder landschap? Dan is het boek Lezen in het duin een echte aanrader. Het boek is een prachtige leidraad bij de zoektocht naar de historie van het duingebied tussen Haarlem en Noordwijk. Schrijvers Gert Baeyens en Joop Mourik beschrijven de landschapsgeschiedenis in relatie tot natuurlijke processen en menselijk handelen. Zo liggen er achter de duinen fraaie landgoederen, die dateren uit de Gouden Eeuw. Oude duinen hebben zich genesteld op eeuwenoude strand­ wallen. Waterwingebieden, vaarten en oude wegen zijn ontstaan. De auteurs vertellen hun verhaal aan de hand van oude veldnamen en sporen van oude duinbewoners. In het eerste deel van het boek wordt de geschiedenis uit de doeken gedaan, via meeslepende verhalen en mooie illustraties. In het tweede deel kunt u zelf de rijke historie van het duingebied ontdekken, door er daadwerkelijk op uit te gaan.

Outdoor teambuilding Wil je de werksfeer in je team verbeteren en tegelijk de natuur een handje helpen? Dat kan met NatureXP. NatureXP is gespecialiseerd in duurzame, maat­schappelijk betrokken, sympathieke, actieve en belevenisvolle bedrijfsuitjes, events en kick-off’s. Omdat NatureXP zowel Natuurmonumenten als Staatsbos­beheer als partner heeft, verzorgt zij deze bedrijfsuitjes in de mooiste natuurgebieden van Nederland. NatureXP laat collega’s gezamenlijk de handen uit de mouwen steken om de natuur een frisse opknapbeurt te geven. Zo heeft een bedrijf dat zich bezighoudt met de internationale handel vorig jaar een duingebied ontdaan van de vogelkers. Behalve actief in de natuur aan de slag gaan, biedt de NatureXP ook workshops aan, zoals wild-art en bouwen met hout. Met een veldlunch of veldbuffet kan de inwendige mens versterkt worden. www.naturexp.nl


05 moestuincoach

Moesie de moestuin­coach

Slapen onder vogelhuisjes, dat kan met het vogelhuisjesdekbed van Studio Ditte. De ontwerpers van Studio Ditte geloven niet in zwaarwichtige filosofie, of in designstromingen, wel in mensen en hun emoties, verlangens en dromen. In hun ontwerpen gaan ze terug naar de basis van het eenvoudige plattelandsleven en vertrouwde, soms kinderlijke, platte vormen. Zoals in hun dekbed met het vogelhuisjesdessin, dat naïviteit en een fijn gevoel van herinneringen naar de natuur uitstraalt. In hetzelfde dessin is ook kwaliteitsbehang, rompertjes, pyjama’s, stickervellen, schriften en wenskaarten verkrijgbaar. De eenvoudige, maar beeldschone papieren vogelhuisjes maken het geheel af. Ook de andere dessins kenmerken zich door zowel stoere als liefelijke simpelheid.

Het verzorgen van een moestuin is leuk, leerzaam en gezond. Zo blijkt uit onderzoek dat kinderen die zelf groenten verbouwen, ook meer groenten gaan eten. Petra Kaak wil kinderen tot 12 jaar enthousiast maken om een eigen moestuin te beginnen. Als Moesie de moestuincoach begeleidt zij de jeugd via de moesiemails. Vanaf 1 maart 2013 ontvangen de kinderen elke week een mail met instructies om hun moestuin te onderhouden. Voor een moestuin is niet veel grond nodig. Een tuintje van 1 m2 is al voldoende. Groter mag natuurlijk ook. De moestuin neemt ongeveer 1 uur per week in beslag en het project loopt van 1 maart tot en met eind september. Moesie de moestuincoach is in 2011 gestart en er doen per jaar tussen de 325 en 400 gezinnen mee. Moesies MiniMoestuinen zijn ook heel geschikt voor scholen, kinder­dagverblijven, buitenschoolse opvang en zorginstellingen. Deelnamekosten zijn 25 euro per kind. Daarvoor krijgen zij een zaadpakket toegestuurd. Moesie de moestuincoach is een project zonder winstoog­ merk. Petra de Kaak is een door­gewinterde tuinkenner. Zij is onder meer eigenaar van kwekerij De Cruydthof en werkzaam als schooltuincoach.

www.studioditte.nl

www.moestuincoach.nl

Slapen onder de vogelhuisjes

boek

Beestenboel Wat is er nu leuker dan dieren te zien rond­ scharrelen en vliegen in je tuin. Maak van de tuin een beestenboel: een paradijs voor egels, padden, kikkers, vlinders, vogels en bijen. In het boek Tuinieren voor (wilde) dieren wordt uitgelegd hoe je een paddenhotel bouwt, een egelhuis of een vogelbistro. Schrijfster en biologe Barbara Rijpkema beschrijft op een luchtige toon hoe je natuurvriendelijk kunt tuinieren. Ze vertelt wat de veel voorkomende tuindieren zijn en wat ze nodig hebben en wat geschikte bomen en planten zijn voor deze dieren. In het boek staan 24 doe-het-zelf­ projecten met praktische tips en adviezen. Je hoeft er niet eens een grote tuin voor te hebben, want natuurlijk tuinieren is geschikt voor landelijke tuinen, maar ook voor een balkonnetje midden in de stad. Tuinieren voor (wilde) dieren. Maak van je tuin een beestenboel auteur  Barbara Rijpkema | Knnv Uitgeverij prijs € 14,95 | isbn 978 90 501 1408 0

regionale vermarkting

Internationale regio’s Pajottenland (België), Plaine de Versailles (Frankrijk) en het Groene Hart (Nederland) zijn plattelands­ gebieden nabij de grote stad, die druk bezig zijn met het verbeteren van de relatie tussen stad en land. Tijdens een conferentie in 2009 hebben deze drie regio’s de eerste stap gezet om te gaan samen­ werken op het onderwerp ‘regionale vermarkting’: het in de markt zetten van de regio als merk. Dat merk kan worden uitgedragen via streekproducten, evenementen, logies, bezoekers- en educatie­

centra, horeca maar ook het land­ schap, de natuur en niet te vergeten de cultuur van de streek. De drie regio’s werken nu samen om zich hierin verder te ontwikkelen, van elkaar te leren en ervaring op te doen. Dit doen ze onder andere door middel van de promotie van hun platteland en producten. In het kader van een uitwisselings­ project organiseren de regio’s ook streekevenementen, waarvan de eerste (Fête du Goût) inmiddels is geweest. Op 13 mei 2013 wordt in Pajottenland de Aardbeiendag

gehouden en in oktober is het Essential evenement in het Groene Hart. Bezoekers aan deze streek­ evenementen krijgen een brochure waarin een promotiecode staat vermeld. Met die code krijgen de eerste bezoekers die een van de deelnemende regio’s bezoeken vóór 30 juni 2014, een heerlijk streek­productenpakket cadeau! www.tasteourcountryside.eu/ nl/hetarrangement.html


06

interview

antwoord najagen

Het op je eigen vragen


Tekst: Brigitte van Mechelen* | Beeld: Aloys Oosterwijk** © Comic House

Louise Fresco, Auke van der Woud, Willem van Toorn, John Berger; wat is de link tussen deze grote namen? Allemaal kregen zij in de afgelopen jaren een keer de Groeneveldprijs. Dit jaar gaat de prijs naar Tracy Metz, Brigitte van Mechelen ging met haar in gesprek.

Een omtrekkende ­beweging

levert vaak de beste interviews op. Al dwalend kom je nog eens ergens. In dit geval is er een terrein waar we vandaan moeten blijven: de Groeneveldlezing, en het essay dat daarvan de neerslag is. Immers essay en interview flankeren elkaar in dit magazine. Maar als we elkaar in hotel Krasnapolsky ontmoeten, het chique hotel in de Warmoesstraat waar het aldus Tracy zowel grootstedelijk als heerlijk rustig is, is het essay nog niet af en zit de laureaat nog middenin het proces van componeren en afbakenen. Hoe niet te spreken over dat waar de geïnterviewde zo vol van is, dat wat bovendien aanleiding is voor ons gesprek? We spreken af dat we, wanneer we al dwalend te diep het domein van haar lezing binnendringen, Tracy op de rem zal trappen. Maar, hoe gaat het eigenlijk, wil ik voor we de regeling laten ingaan nog snel even weten. Immers, als journalist heb je altijd een concrete aanleiding voor je verhaal, en dus een rode draad. Nu is het zaak een metablik te hanteren, ‘erboven te hangen’. ‘Een open opdracht aan een journalist, een beproeving,’ zegt Tracy en werpt haar handen in onmacht in de lucht. ‘Voordat ik wist waarover ik het wilde hebben, heb ik zó veel overwogen, verworpen, heroverwogen. Eindeloos. Uiteindelijk heb ik veel gehad aan een recente publicatie van het Planbureau voor de leefomgeving, Natuurverkenning 2010-2040. Een bedachtzaam document met veel visie maar ook interviews waarin specifieke invalshoeken aan de orde komen. Ook heb ik mijn gedachten kunnen scherpen tijdens de serie Goudader, een discussiereeks over de toekomst van de natuur in de Balie. Dit gecombineerd met wat er uit mijn eigen werk door de jaren heen oprijst, groeide de noodzaak om het te hebben over hoe natuur meer en meer als product of dienst wordt gezien. Met andere woorden hoe natuur wordt gezien als iets wat nut moet hebben.’ En nu ga jij een pleidooi houden om dit nutsdenken te kantelen? ‘Mijn ambitie is iets bescheidener, ik zou willen bijdragen aan het besef dat we natuur marginaliseren.

Natuur wordt vandaag de dag gezien als een financieel probleem, waarvoor we een oplossing moeten zoeken. Maar ‘wie’ heeft ‘wie’ nu eigenlijk? De mens de natuur, de natuur de mens? Ik ben ervan overtuigd dat wij mensen onderdeel zijn van de natuur, van een groter geheel.’ Maar wat ís natuur dan volgens Tracy? Oernatuur, de mussen op de Dam? ‘De vraag hoe natuur te definiëren, af te bakenen, is een interessante. Ik ga hier in mijn lezing en essay zeker op terugkomen.’

“De journalistiek, daar had ik echt nóóit aan gedacht” Oké, wegwezen dus, laten we het hebben over het landschap van je jeugd, je bent Amerikaanse… ‘Ik kom het uit zuiden van Californië.’ Ah, glooiende heuvels, wijngaarden. ‘Niets daarvan, ik groeide op in LA. En ik vond het er vreselijk. Alles moest met de auto, altijd was ik afhankelijk van mensen die me wilden halen en brengen, ik voelde me een gijzelaar van de auto. Dat was wat ik van Amsterdam meteen zo leuk vond, de fiets, de tram. Vrijheid gewoonweg. De compactheid van de stad zorgt voor een grote levendigheid in de publieke ruimte, ook dat sprak me meteen enorm aan. Hoe ik hier verzeild raakte? Na mijn studie Frans en Spaans nam ik gewoon het goedkoopste ticket naar Europa.’ Om vervolgens in Amsterdam te blijven hangen en journalist te worden… ‘Ach, mijn leven hangt van bizarre voorvallen aan elkaar. Tussen het lanterfanten door – dat heb ik echt jaren gedaan – voorzag ik in mijn onderhoud middels het geven van lessen Engels aan volwassenen. Een van mijn cursisten was redactie­chef van het Parool, we raakten bevriend en op een dag zei hij: waarom kom je niet bij de krant, dat lijkt me echt iets voor jou. De journalistiek, daar had ik echt nóóit aan gedacht. Tijdens mijn eerste dag als beginnend journalist

*B rigitte van Mechelen is freelance journalist, schrijver en redacteur. **A loys Oosterwijk is (strip)tekenaar. Grote bekendheid verwierf hij met zijn strip Willems Wereld in Panorama. Sinds 2004 is hij ook rechtbanktekenaar.

07


08

interview

Zoet&Zout: water en de Nederlanders (2012). Tracy Metz & Maartje van den Heuvel, NAi Uitgevers. Bekroond met de Gouden Tulp 2013.

A Falling Horizon: de Sophiapolder, een afscheid in vijf aktes (2011). Fotografie: Heidi de Geer, tekst: Tracy Metz, Fw:.

Huis in Frankrijk: Nederlanders en hun maison de campagne (2010). Fotografie: Theo Baart, Sake Elzinga, tekst: Tracy Metz, NAi Uitgevers.

– 3 maart 1980, ik weet het nog precies –, rolden de tanks door de Vondelstraat, op weg om een door krakers bezet pand te gaan ontruimen. De hele redactie in rep en roer natuurlijk, en niemand had tijd voor mij, maar ik weet nog dat ik dacht: de volgende keer dat zoiets gebeurt ben ik erbij! Ik vind het nog steeds een machtig vak. Een prachtige manier om het antwoord op je eigen vragen na te jagen. En wat ook fijn is, het ene project leidt vaak tot het andere.’

“Ik ben ervan overtuigd dat wij mensen onderdeel zijn van de natuur, van een groter geheel” Is de ontwikkeling van nieuwsjournalist tot auteur met, zoals het juryrapport meldt, ‘De relatie tussen mensen en hun omgeving, zowel de stedelijke als de natuurlijke, als een van haar belangrijkste thema’s’, ook zo’n organisch proces geweest? ‘Eigenlijk wel. Het Parool besloot destijds, met een vooruitziende blik want zoiets bestond nog niet, een prijs in het leven te roepen voor de beste sociale woningbouw van de voorgaande vijf jaren. Er werd een internationale jury opgetuigd waarvan de leden ieder met een verslaggever en iemand van de dienst huisvesting op stap gingen. Mijn wandeling met Geert Bekaert is echt een kantelpunt geweest. Augmented reality avant la lettre, dat was wat deze architectuurcriticus aankleefde. Planologie, stadsgeschiedenis, culturele diversiteit, wát een lagen zag die man. Mijn ogen werden geopend. Een ander jurylid was trouwens hoofdredacteur van Architectural Record, waaraan ik sindsdien als correspondent verbonden ben. Niet lang hierna vroeg

Nature as Artifice (2008). Maartje van den Heuvel & Tracy Metz, NAI Uitgevers.

Op de grond: observaties vanuit Harvard (2007). Tracy Metz, Architectura & Natura.

NRC Handelsblad mij om hun Amsterdamredactie te komen versterken.’ Je woont inmiddels ruim dertig jaar in Amsterdam? ‘Hartje stad, maar binnenkort voor het eerst met een tuin. Niet te groot, genoeg om lekker buiten te kunnen zitten. Ik heb een aantal jaren een huisje in Zeeland gehad, maar de mythe van het buitenhuis is echt een misvatting. Het enige dat ik daar deed was klussen en in de tuin werken.’ Je bent meer het type van de lange wandelingen langs zee en het trekken door de bossen? ‘Zal ik je eens wat vertellen, voor reportages ga ik natuurlijk op pad maar daarbuiten eigenlijk nooit. Ik ben vooral aan het werk, thuis achter mijn bureau. En als ik eruit wil ga ik naar de bioscoop, of een museum.’ Aan de Groeneveldprijs is een bedrag verbonden toch, heb je al een bestemming? ‘Was de prijs eerder gekomen dan had ik het vast in Zoet&Zout gestopt, maar ik vrees dat het nu door de verbouwing van mijn huis wordt opgeslokt.’ Wacht even, betekent dit dat je Zoet&Zout zelf hebt geïnitieerd? ‘Het merendeel van de projecten naast het werk voor de krant til ik zelf van de grond. Eigenlijk is dit met Snelweg, het boek dat ik samen met Theo Baart heb gemaakt, begonnen. Mijn projecten zijn vaak jaren in de maak, soms zonder dat ik het zelf weet. Toen ik besloot Pret! te gaan maken, ging ik door mijn knipsels heen en zag ik dat ik al jaren artikelen verzamelde over vrijetijdsindustrie. Het idee voor Zoet&Zout bijvoorbeeld kreeg een slinger toen ik als Loeb Fellow aan de Harvard Graduate School of Design verbleef. Elk jaar worden tien mid-career professionals in de gelegenheid gesteld colleges te komen volgen aan de Amerikaanse universiteit Harvard, professoren te spreken en onderzoek te doen. In dat jaar


09

Pret! Leisure en landschap (2002). Tracy Metz, NAi Uitgevers.

Atlas van de verandering. Nederland herschikt (2000). Fotografie: Theo Baart, tekst: Tracy Metz & Tjerk Ruimschotel, NAi Uitgevers.

Nieuwe natuur: reportages over veranderend landschap (1998). Tracy Metz met foto’s van Theo Baart, Ambo/Anthos Uitgevers.

(2006-’07) was ik veel met studenten in gesprek, jonge mensen die waar het Nederland aanging vooral geïnteresseerd waren in environmental engineering. Ik had de term nog nooit gehoord, maar begreep meteen wat ze bedoelden. Als lid van de Delta Commissie die speciaal was opgericht om het kabinet een richtinggevend advies voor de komende twee eeuwen te geven, heb ik gezien dat water een van de grote verhalen is van onze tijd. Na mijn verblijf aan Harvard realiseerde ik me: dat verhaal wil ik vertellen! Nu ja, dan begint het ondernemen, geld organiseren, mensen voor je idee warm maken.’ Ligt er alweer een nieuw project in de week? ‘Behalve ‘Stadsleven’, de maandelijkse talkshow in de Rode Hoed over het leven in de grote stad, nog even niet. Zoet&Zout loopt nog steeds, de komende maanden heb ik lezingen in het National Building Museum in Washington DC, Harvard, de universiteit in Berkeley, de Chicago Architecture Foundation en de American Library in Parijs. Bij veel mensen bestaat het beeld ‘met de waterveilig­ heid zit het wel snor, daar hebben we toch de waterschappen en de ingenieurs voor’. Maar los van de vraag of we wel alle reden hebben ons zo veilig te voelen, is het een fascinerend veld vol verhalen die mensen raken. Ik vind het enorm leuk om mensen de ogen te openen. Sterker nog, ik vind het een belangrijke functie van mijn vak’. De journalist als docent? ‘Als verhalenverteller; ik vorm een soort trait d’union tussen de deskundigen en het grote publiek. Deskundigen zijn, of voelen, zich dikwijls gebonden aan organisatorische of politieke belangen. Als buitenstaander en als buiten­ lander, waardoor ik toch een ander begrippenkader hanteer, heb ik veel meer ruimte. Mijn vrijheid als toeschouwer, beschouwer zie ik als een toegevoegde waarde. En kennelijk werkt het, want mijn boeken lopen goed.’

De nieuwe kaart: atlas van Nederland in 2005 (1997). Tracy Metz en Margriet Pflug, NAi Uitgevers.

Snelweg/Highways in the Netherlands (1996). Theo Baart, Cary Markerink & Tracy Metz, Architectura & Natura.

IJsvermaak: de Noord- en Zuidpoolexpedities (1995). Samenstelling Tracy Metz, Nijgh & Van Ditmar.

“Een soort trait d’union tussen de deskundigen en het grote publiek” Op de grond: observaties vanuit Harvard gaat over actuele vraagstukken in de ruimtelijke ordening in de Verenigde Staten. In het voorwoord schrijf je dat deze observaties relevant zijn voor Nederland. Wat ziet de Amerikaanse die na een lang verblijf in Nederland haar thuisland observeert? ‘Eigenlijk is het vooral andersom, ik zag zaken waarin de Verenigde Staten een voorbeeld aan Nederland kan nemen. Neem het fenomeen drive till you qualify, oftewel het gegeven dat werknemers alleen op grote afstand van hun job een betaalbare woning kunnen vinden, waardoor sommigen wel vijf uur per dag aan het forenzen zijn. Met het kwalijke gevolg dat het landschap wordt opgevroten door buitenwijken en mensen aan niets anders toekomen dan werken en onderweg zijn. Dat is iets wat we echt niet moeten willen. Maar zo’n vaart zal het niet lopen. Waar Amerikanen bang zijn voor dichtheid, zijn wij eraan gewend en geeft het ons misschien zelfs een gevoel van beschutting en veiligheid. Geen wonder ook, ons wonen begon immers op de terpen. Walkable urbanism, daar zijn wij echt goed in. Ja, je hoort het goed, ik zeg ‘wij’, ik voel me inmiddels hartstikke Nederlands.’ 


10

Ander beeld


11

Tekst: Christine Tinssen Beeld: Matthijs Bosman

Leenman doet de was Kunstenaar Matthijs Bosman ‘leende’ vorig jaar Kasteel Geldrop. Voor vier weken. Hij nam zijn gezin mee, meubels, bedden, matrassen en speelgoed en huurde een douche, want een badkamer ontbrak in het kasteel met zeker tien kamers. Overdag kon hij bezoekers of een bruidegom tegenkomen, want het ­kasteel bleef wel gewoon in bedrijf ­tijdens de logeerpartij. Als bezoeker kon je een houten zwaard in de tuin zien liggen, of de pas gewassen was van ­de-leenman-voor-een-maand aan de lijn zien hangen.


12

laudatio

Tekst: Stichting Groeneveld | Beeld: Wilma Elmendorp

Chroniqueur van het landschap Groeneveldprijs voor Tracy Metz Op 31 januari jongstleden ontving Tracy Metz, journalist en auteur van publicaties over urban issues, de Groeneveldprijs 2012. Deze prijs is een initiatief van de Stichting Groeneveld en wordt jaarlijks toegekend aan een persoon die zich bijzonder heeft ingezet voor het debat over de groene ruimte en die daarbij een afwijkend, kritisch geluid laat horen.

Tracy Metz,

 van oorsprong Amerikaanse, heeft zo’n eigen geluid. ‘Traag door oneindig laagland gaan’ is niet haar ding. Met de snelheid van licht past beter. Hollands licht! Dat voortdurend verandert en het waterige land eronder steeds anders uitlicht. Als een regisseur kiest ze frames waarmee ze het landschap in de spotlights zet om de lezer, die eigenlijk kijker is, te laten zien wat er gebeurt. ‘Waar bent u nu eigenlijk mee bezig’ is de vraag die vooraf gaat aan haar beschouwingen over de omgang van de Nederlanders met hun krap bemeten ruimte. Fotografen zoals Theo Baart geven haar ogen. Haar oren registreren het koor van denkers, makers en gebruikers van het land en het water. Als een chroniqueur van het Nederlandse land-

schap en wat zich daarin voltrekt schildert Tracy de tekst op haar toetsenbord. Ze schrijft over architectuur en kunst, die als verbindingen tussen ratio en gevoel reflecteren op wat er gebeurt. Door haar kennis van zaken is ze in staat informatie in behapbare proporties voor een breed publiek op te dienen. Tracy’s werk is ook heel Nederlands: niet zeuren, het is zoals het is. Ze blijft ver van het vrijblijvend observeren vanuit een nivellerende globalisering en ziet liefdevol toe op het intelligente geploeter in de Delta. Dat heeft bij elkaar een mooi en toegankelijk oeuvre opgeleverd, dat zich laat lezen als een kroniek. Nieuwe natuur (1998), Atlas van de verandering (2000), Pret! (2002), Nature as artifice (2008) en Huis in Frankrijk. Nederlanders en hun maison de campagne


13

2012

(2010), zijn slechts enkele voorbeelden van haar werk. Daarnaast zijn er die tussenrapportages in kranten en tijdschriften. Mooi voorbeeld is haar stuk in NRC Handelsblad over het MILKproject van Esther Polak dat paginagroot het Economiekatern opende. Een mooi voorbeeld dat kunst en economie elkaar iets te vertellen hebben. Laag boven Holland zou een boektitel van Tracy Metz kunnen zijn. Leven in Nederland is de strijd tegen en met het water, die landschap en bewoners tot een onlosmakelijke eenheid heeft gesmeed en wordt weerspiegeld in de taal: ‘en de boer hij ploegde voort’, ‘een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst.’ Het resultaat is steeds het startpunt voor de volgende ingreep. Steeds veranderen in de verwachting dat het nog beter wordt, blijft alles toch onvervreemdbaar Nederlands. Zie daar een perpetuum mobile! De beweging terwijl toch alles hetzelfde blijft. Zie daar ook het voordeel van de roots van Tracy Metz. Genoeg Amerikaans om het bijzondere gedoe van het ‘gepolder’ te zien. Genoeg Nederlands om de logica ervan te

begrijpen. De Verenigde Staten en de geschiedenis van de Zeven Verenigde Nederlanden raken elkaar daar misschien wel. Landen van op elkaar aangewezen individualisten. Een perpetuum mobile is een onbereikbaar ideaal. Het houdt een keer op. ‘Is Nederland af ?’ is misschien de werkzame vraag. Maar ook een retorische, want het bestaan van dit land is direct gekoppeld aan de bewegingen van het water dat bij Lobith en Eijden het land instroomt en van de Noordzee op de kust slaat. Ophouden met ingrijpen is ophouden met bestaan. Dit jaar is het zestig jaar geleden dat het fout ging in de Delta omdat er te lang geen onderhoud was geweest. Tracy Metz was lid van de Deltacommissie die ons voorhield dat de schop opnieuw ter hand moet worden genomen om klimaatverandering en zeespiegelstijging te overleven. Van levensbelang is dat ook de discussie doorgaat. Dat er plekken en instellingen als Kasteel Groeneveld zijn, die deze discussie bevorderen. Dat schrijvers en kunstenaars, zoals Tracy Metz, het oppakken en verder brengen. Die

verschuivingen in waarden signaleren en duiden en zo bijdragen aan een cultuur die Nederland in stand houdt door te veranderen. De Groeneveldprijs 2012 vond een eminente en logische drager: Tracy Metz, chroniqueur van de getijdenbeweging in het Nederlandse landschap. 


14

Essay

Tekst: Tracy Metz

nut natuur Het

Allereerst wil ik de Stichting Groeneveld bedanken voor de toekenning van deze illustere prijs. Ik was verbaasd en verguld – dit is de eerste prijs die ik heb gekregen voor mijn werk. Het is natuurlijk vleiend om als journalist en auteur te lezen dat je ‘afwijkende, kritische geluid’ wordt gewaardeerd.

Maar toen werd het al snel moeilijk. Een eigen geluid, oké, maar welk? Zo’n prijs, en daarmee het schrijven van deze lezing, dwingt tot introspectie. Waar sta ik eigenlijk zelf in dit debat? Hoe staan natuur en landschap ervoor in deze roerige politieke en economische tijden? Ik ben geen deskundige, geen natuurbeschermer, geen ecoloog, geen landschapsarchitect en al helemaal geen beleidsmaker. Als journalist en auteur reageer ik op wat ik om me heen zie gebeuren, met oprechte belangstelling en nieuwsgierigheid, maar ik ben daarbij beschouwer en toeschouwer, ik heb geen eigen standpunt of ideologie. Ik probeer verandering te vangen. Altijd ben ik op zoek naar dat ene moment, die ene uitspraak of observatie die alle vastgeroeste aannames op hun kop zet, de boel in de war schopt, een nieuw licht werpt op iets wat een voldongen

van

feit leek. (Daarom hebben ook veel mensen een hekel aan journalisten.) Ik sta als verhalenverteller tussen de leek en de deskundige in. Ik ben de trait d’union, of zo u wilt: de postillion d’amour.

Met deze vraag in het achterhoofd – Waar sta ik? – ben ik om te beginnen voor de boekenkast gaan staan om nog eens door mijn eigen boeken te bladeren. Mijn veronderstelling is dat daaruit een beeld oprijst van het veranderende, ik mag zeggen veranderlijke denken over natuur en landschap. In een landschap als dit, dat zo door mensenhand is geboetseerd, zit de spanning tussen het artificiële en het natuurlijke er per definitie ingebakken. Wat dat betreft had ik als studieobject geen interessanter land dan Nederland kunnen kiezen. Terugkijkend op Nederland via mijn eigen boeken werd het me duidelijk hoezeer de denkbeelden over de groene ruimte aan modes en mood swings onderhevig zijn. Ik zal u hieronder schetsen hoe ik de pendule heen en weer heb zien zwaaien tussen een laatromantisch wildernisdenken en een prozaïsche opvatting over natuur die vooral nut moet hebben – vandaar de titel van deze lezing, ‘Het nut van natuur’. En de derde en nieuwste ontwikkeling ligt ergens in het midden: het herontdekken van de natuur als bondgenoot in onze nieuwe verhouding tot het water. En dit alles in nog geen kwart eeuw tijd.


15 Ik weet nog heel goed wat het verrassingsmoment was toen ik op reportage ging voor het boek Snelweg: Highways in the Netherlands (1996), samen met de fotografen Theo Baart en Cary Markerink. Ik reed door Zeeland met een bioloog van Rijkswaterstaat, die vertelde dat zeldzame vogels als de kiekendief graag in de lussen van op- en afritten nestelen. Ze wennen aan de herrie en niemand valt ze lastig. En sinds de bermen minder vaak worden gemaaid is de snelwegberm het langste aaneen­ gesloten natuurgebied van het land. Wie had dat gedacht.

Nieuw gemaakte natuur was ook het onderwerp van A Falling Horizon. Fotografe Heidi de Gier had voor dit boek ruim een jaar lang haar tante Hannie gevolgd. Hannie woonde met haar twee kinderen naast een scheepssloperij aan de rivier de Noord in Hendrik Ido Ambacht. Ze beheerde de boerderij die van haar vader was geweest, aan de overkant, in de Sophiapolder. Deze kleine Sophiapolder moest een zoetwater­getijdenmoeras worden, dus moesten Hannie en de boerderij weg. Dat moeras moet de natuur helpen vervangen die verloren was gegaan met de Betuwelijn, die op 25 meter diepte onder deze oude landbouwpolder doorloopt. Dat was voor mij een verrassende stapeling: de Sophiapolder, puur natuur van boven, pure techniek van onderen.

Uit Snelweg: Highways in the Netherlands (foto Theo Baart)

Ontzettend Nederlands vond ik dat, natuur die door de mens wordt gemaakt. Daarover gaat Nieuwe natuur: reportages over veranderend landschap (1998). Voor mij was natuur per definitie juist datgene wat niet was gemaakt, maar er gewoon wás. Zelden heb ik zo veel argwaan ondervonden als bij het schrijven van dit boek. Iedereen, boeren én natuur­beschermers, wilden weten wie mij ertoe opdracht had gegeven. Met andere woorden: in welk kamp zit je. Frappant vond ik de bijna religieuze overtuiging van de natuur­beschermers dat ze met een verheven missie bezig waren, namelijk om het over­ gedomes­ticeerde Nederland weer met wildernis te verrijken. Een wildernis, wel te verstaan, die vrij spel had binnen de grenzen van de snelweg, het spoor, de woonwijk en het schietterrein van Defensie.

De aanleg van nieuwe natuur in de Sophiapolder (foto Jacques van der Neut)

Boerin Hannie de Vos uit de Sophiapolder (foto Rinie Boon)

Iedereen, ook het buitengebied, hoopt een graantje mee te pikken van het geld dat we uitgeven in onze vrije tijd. Die hoop, en dat geld, veranderen onze omgeving: daar gaat Pret! Leisure en landschap over. Het productielandschap verandert in een domein voor consumptie, in een groen decor voor hedendaags vermaak, waarbij geldt: hoe ‘authentieker’ hoe beter. Afgetrapte oude klompen brengen in de souvenirwinkel meer op dan nieuwe, eier­ boeren plakken een donzig veertje op de scharreleieren voordat ze naar de supermarkt gaan. We koesteren de illusie bij gebrek aan the real thing, en laten we wel wezen, de meesten van ons willen helemaal niet op het platteland leven. En als we naar het platteland gáán dan doen we dat niet voor onze rust, we willen iets beleven: koe knuffelen, boerengolf, apestoned housen in Spaarnwoude, schat­ zoeken met de GPS in het bos, streekeigen producten kopen die we in ons tweede huis op het platteland opeten. Misschien klinkt het cynisch, maar ik bedoel het niet zo. Kennelijk willen we dit allemaal, en waar vraag is, is aanbod en andersom. Kortom: een markt.

Een overzicht van de boekpublicaties van Tracy Metz is te vinden op pagina 08 en 09.


16

Essay

Rust, maar vooral ruimte: dat is wat veel Nederlanders drijft een tweede huis in Frankrijk te kopen. Zij zijn het onderwerp van Huis in Frankrijk: Nederlanders en hun maison de campagne, gemaakt met de fotografen Theo Baart en Sake Elzinga, in opdracht van Kasteel Groeneveld. Ruimte is er zeker, maar de rust is betrekkelijk: er moet altijd geklust, en zoals Martin Bril het zo mooi zei, in de verte hoor je altijd wel ergens een cirkelzaag. Er wonen inmiddels meer stedelingen op het platteland (al dan niet in deeltijd) dan boeren. De Franse sociologen Jean Viard en Bertrand Hervieu spreken daarom van la campagne, bonheur des urbains – het platteland, geluk der stedelingen. De rust- en ruimtezoekers beoordelen het platteland meer nog op zijn esthetische kwaliteiten dan op zijn productiecapaciteit – en de boer moet voor beide zorgdragen. In Zoet&Zout: water en de Nederlanders maakt de natuur zich weer wat losser van de esthetiek en de marketing en sluit ze een alliantie met de veiligheid tegen rampen en overstromingen. Na eeuwen van steeds hogere dijken bouwen en steeds harder pompen hebben we ontdekt dat het misschien slimmer is om met de krachten van de natuur mee te bewegen, to go with the flow. Eeuwenlang hebben we onze wil opgelegd aan het land waarop we leven en nu bijt die ons in de hielen. Vannacht is het zestig jaar geleden dat de Watersnood zich in zuidwestelijk Nederland voltrok. Het antwoord, dat weten we allemaal, was een huzarenstukje van de waterbouw samen met de civiele techniek, de Deltawerken, die het water moesten bedwingen. Nederland moest veilig tegen het water worden gemaakt. Wie had toen kunnen denken dat Rijkswaterstaat nu zou zeggen dat het veiliger is om de dijken te verlagen, om de druk eraf te halen en het water de ruimte te geven? Je zou toen voor gek zijn verklaard! Wat toepasselijk om net vandaag, nu het op de dag af zestig jaar geleden is dat de Watersnood van 1953 zich voltrok, te spreken over dit nieuwe bondgenootschap tussen natuur en veiligheid in dit landschap, dat een uniek samengaan is van cultuur en natuur. Nu willen we veilig worden mét het water. Ik kom straks terug op dit bondgenootschap, want daarin zie ik de toekomst en ook nieuwe mogelijkheden voor het denken over en omgaan met natuur.

Watersnoodramp 1953

Uit deze reeks blijkt dat er de afgelopen ruim twintig jaar al heel wat verschillende opvattingen over de natuur voorbij zijn gekomen, en daarmee ook verschillende notities over wat je met het natuurbeleid zou willen bereiken. Maar wat gaat dat snel! Ik

kan me haast niet onttrekken aan het idee dat de natuur van zijn gezag en zijn oerkracht is ontdaan, en in plaats daarvan een bijproduct is geworden van de wisselvallige maatschappelijke gemoedstoestand.

De grootste kentering in deze woelige periode was onge­ twijfeld het wildernisdenken van de nieuwe Natuurnota uit 1990. Ik vond het intrigerend dat wildernis een wensbeeld was geworden – net zoiets als het Amerikaanse verlangen naar de eeuwige frontier. Tot in de negentiende eeuw was wildernis geen wensbeeld maar juist een schrikbeeld, het was er koud of juist te heet en in ieder geval gevaarlijk. Maar nu leek het alsof iedere Nederlander recht had op X vierkante meter wildernis of fietsafstand van zijn huis, alsof het net zoiets was als de parkeernorm of de groennorm voor nieuwe woonwijken. Wat bij mij ook verwondering oproept, is het verlangen naar wildernis in een land dat heel lang een onbewoonbare natte delta was. Waar verlang je dan naar terug? In een interview in Trouw maakt historicus Auke van der Woud, een van mijn voorgangers als winnaar van deze prijs, korte metten met wat hij noemt ‘duur getuinier onder de vlag van ongereptheid’ en ‘een toneelstukje dat met veel subsidie wordt opgevoerd’. Daar zit wel wat in, maar hij gaat

“Eeuwenlang hebben we onze wil opgelegd aan het land waarop we leven en nu bijt die ons in de hielen” voorbij aan de redenen waarom hedendaags wildernis zo tot de verbeelding spreekt. In de eerste plaats is het een nostalgisch verlangen naar een ongereptheid, een puurheid die we kennelijk als een ideaal in ons achterhoofd meedragen – naar onze verloren onschuld. In de tweede plaats is er naar mijn overtuiging veel te zeggen – in principe – voor de opvatting dat de natuur een eigen, intrinsieke waarde heeft. ‘Natuur’ is een veel te klein en simpel woord voor het reusachtige en complexe systeem waarbinnen wij leven. Het getuigt van grote hoogmoed om te denken dat wij boven de wetmatigheden van dat systeem verheven zijn – het tegendeel is waar. De vraag is echter, en vandaar dat ik zeg ‘in principe’, of er nog plekken op aarde


17 zijn waar dat systeem gevrijwaard is van de invloed van de mens. Zeker in Nederland, waar de zeggenschap van de mens over de omgeving heel ver reikt, is het een illusie te denken dat de natuur in zijn meest zuivere vorm kan bestaan. En in de derde plaats heeft nieuwe natuur in deze hightech, gehaaste, verkwistende, vervuilende samenleving een belangrijke functie als aflaat. Het is een vorm van vergiffenis. Die bewijst dat als wij ons er maar niet mee bemoeien, de natuur op eigen kracht kan terugveren. Fijn! Dan kunnen we de illusie van wildheid blijven koesteren en hoeven we er niets voor te laten. Dat komt ons eigenlijk wel goed uit. Rustig achterover leunen: daarvoor waarschuwt de Amerikaanse schrijver William Cronon in zijn prachtige essay The Trouble with Wilderness, dat hij schreef voor de bloemlezing Uncommon Ground: Rethinking the Human Place in Nature. Door ons te fixeren op de romantische wildernis als de enige echte natuur zien we niet meer de kleine, alledaagse, natuur om ons heen die in feite véél omvangrijker is dan alle Yellowstones bij elkaar. Die fascinatie is in feite vluchtgedrag, vindt hij. ‘Idealizing a distant wilderness too often means not idealizing the environment in which we actually live, the landscape that for better or worse we call home. Most of our most serious environmental problems start right here, at home, and if we are to solve those problems, we need an environmental ethic that will tell us as much about using nature as about not using it. The wilderness dualism tends to cast any use as abuse, and thereby denies us a middle ground in which responsible use and non-use might attain some kind of balanced, sustainable relationship.’ Die middle ground vind ik een belangrijk begrip, aan het eind van mijn verhaal zal ik daar nog wat over zeggen.

Aan die gemaakte Nederlandse natuur kleeft een onoplosbaar paradox. Enerzijds

is die een uitdrukking van een verheven en romantische gedachte, anderzijds werd het in de uitvoering een nogal technocratische bedoening. Dat signaleert ook het Planbureau voor de Leefomgeving in de vorig jaar verschenen Natuurverkenning 2010-2040. ‘De laatste jaren is in het natuurbeleid het accent komen te liggen op het realiseren van ecologische doelen, met name het behoud van biodiversiteit,’ aldus het PBL. ‘Die aandacht voor de achteruitgang van vooral kwetsbare dier- en plantensoorten heeft een sterk procedureel en juridisch karakter gekregen. Dat heeft als consequentie dat weinig mensen het beleid nog begrijpen.’ Inderdaad was het gesteggel over de hectares voor de Ecologische Hoofdstructuur al een tijd lang voor niemand te volgen behalve voor de opponenten zelf. Ik heb weleens de schertsende term ‘clipboardnatuur’ gehoord, een verwijzing naar de lijsten met af te vinken doeltypen die je als terreinbeheerder naar je gebied moest lokken om te bewijzen dat je je subsidies waarmaakte. Alsof planten en

Yellowstones

Beeld uit de BBC-serie Earhflight (foto BBC)

dieren op afroep beschikbaar zijn. In Nederland is zelfs het ongerepte maakbaar. Je zou denken dat we in reactie op de vérgaande technologisering van ons leven, een steeds sterkere hang naar de natuur zouden hebben. Dat is ook zo, maar bij verreweg de meesten van ons komt de natuur binnen als mooi plaatje. Op de sportschool heb ik lange de tijd op Animal Planet de avonturen gevolgd van een meerkatkolonie – op een gegeven moment kende ik de familieleden allemaal van naam. De schitterende opnames van National Geographic zijn een soort natuurporno, waarbij we ons verlustigen aan de kracht en de pracht zonder dat het betekenis heeft voor ons dagelijks doen en laten. De schitterende BBC-serie Earthflight brengt de luchtige wereld van de vogels binnen handbereik, nu de ganzen de wereld overvliegen met een camera op hun kop. We griezelen even als we in Earthflight een baviaan een onfortuinlijke flamingo aan zijn poot uit de lucht zien trekken, we zitten op de bank te juichen als we op YouTube in de amateurvideo The Battle of Kruger Park zien hoe de buffelkudde wraak neemt op de gemene leeuwen die een buffelkalf bijna hebben verschalkt. Deze Battle is 66 miljoen keer bekeken op YouTube. Het is allemaal een indruk­ wekkend schouwspel. De natuur komt dichterbij maar staat tegelijkertijd verder van ons af.


18

Essay

In The New York Times beschreef dichteres Diane Ackerman laatst hoe zij met een aantal bevriende vogelaars een stel ibissen bekeek die in de weer waren met hun jongen in een natuurgebied in upstate New York. De vriendengroep bleek anderhalf miljoen mensen groot te zijn, allemaal mensen die thuis achter de computer via de webcam de natuur beleven en steeds van de ene diersoort naar de andere hoppen, afhankelijk van waar de actie is. De titel van haar column was dan ook: ‘Nature: Now Showing on TV’. De natuurbeleving via en dankzij de techniek, schrijft Ackerman, ‘is swiftly becoming the preferred way to view nature.’ Misschien vaart de natuur er wel bij dat die anderhalf miljoen mensen niet rond dat ibisnest staan, maar op veilige afstand meeleven, maar de beleving is toch anders. Je bent mét de natuur maar niet erín. Je hoeft er niks voor te doen, de natuur komt naar jou toe. Via het opgloeiende scherm van je computer of je telefoon kun je die elk moment opvragen, zoals je je email checkt of je Facebookstatus of de voortgang van je Wordfeudspel. Fotograaf Tim Simmons heeft er een missie van gemaakt om de stedeling met natuur te confronteren. In Los Angeles en Philadelphia heeft hij voor zijn Urban Land Project reusachtige billboards bedekt met natuurfoto’s. De wereld op die enorme foto’s is zó totaal anders dan hun omgeving van beton en prikkeldraad en asfalt, dat het lijkt alsof

Nature: Now Showing on TV

je een droomwereld binnenstapt. Met typisch Engels understatement zegt hij daarover: ‘The evolution of our environment and the way that most of us live has naturally separated us from the landscape. This disconnection makes it easy to forget our responsibility to maintain and preserve our environment in the small ways that we can. I try to offer a space to reconnect.’

Gaat de digitale natuur de biologische natuur vervangen? Volgens de oprichters van

NextNature, Koert van Mesvoort en Hendrik-Jan Grievink, zijn natuur en technologie inmiddels zo met elkaar verweven dat er een nieuwe hybride is ontstaan: Next Nature. ‘Waar technologie en natuur traditioneel als tegenpolen worden gezien, lijken ze nu samen te smelten en zelfs van plaats te verwisselen,’ schrijven zij op hun indrukwekkende site nextnature.net. ‘Door onze drang om onze omgeving te ontwerpen hebben wij het ontstaan van een onvoorspelbare next nature veroorzaakt. De natuur verandert met ons mee!’

Urban Land Project van Tim Simmons

Nextnature.net

Rayfish Footwear van NextNature

Een geweldig project van NextNature was ‘Rayfish Footwear’. Drie jaar lang hebben de initiatiefnemers een hype opgebouwd rond spannende sneakers in hallucinerende kleuren, gemaakt van het leer van genetisch gemodificeerde roggen. Ze hadden verwacht dat er enorm ophef zou ontstaan over het geknoei met het DNA van die beesten, en er kwamen ook protesten, maar er kwamen nog veel méér bestellingen binnenstromen. Ze maakten met video’s en persberichten een heel circus eromheen – totdat een aantal van die Frankensteinroggen zogenaamd ontsnapten. Tot slot ging Rayfish failliet – waarna de NextNature jongens het échte verhaal bekend maakten, over onze consumptieve omgang met dieren en dus met de natuur.


19

Konikpaarden

Ondanks het beleid van de afgelopen twee decennia heeft het wildernisdenken bij het grote publiek nooit tot in zijn uiterste consequenties echt wortel geschoten.

Dat merken de natuurbeschermers in strenge winters. Als de Konikpaarden en Schotse Hooglanders dreigen te verhongeren dan hebben wandelaars en omwonenden geen boodschap aan hun status als puur natuur. Mensen vinden de dieren zielig en ze bellen boos op naar de beheerder dat die er iets aan moet doen. Op zo’n moment moet je wel sterk in je schoenen staan om met harteloze argumenten als ‘survival of the fittest’ aan te komen. De expert die zegt dat het normaal is dat dieren in de winter dood gaan van de honger, kan de boom in. En als de kadavers van de dieren die toch omgekomen zijn, zichtbaar langs het pad blijven liggen, zoals in de Oostvaardersplassen, dan heb je ook de poppen aan het dansen. Mensen willen niet horen dat de natuur hard en onbarmhartig is, nee, de natuur is goed, en mooi, en lief, want zo is het altijd in de reclame. Overigens gelden die gevoelsargumenten alleen voor dieren. Er zullen weinig boze omwonenden naar Natuurmonumenten of Staats­ bosbeheer bellen om zich te beklagen over het verdwijnen van de aardbeiganzerik of het blauwe kweldergras. Diezelfde opwelling van sentiment hebben we onlangs breed uitgemeten gezien rond het langgerekte overlijden van Johannes de bultrug. In een raak stuk in NRC Handelsblad (19 december 2012) schreef bioloog Stephan van Duin dat de tranen die verspild zijn aan zo’n absoluut non-event, ‘voor de afkalving staan van het respect voor wetenschappelijke expertise en voor een beperkt idee van wat natuur inhoudt. De wetenschap legt het weer eens af tegen emotionele argumenten en de brute botheid van het populisme,’ zegt hij. Van Duin heeft gelijk. Sterker nog, de pendule zwaait nu heel hard de andere de kant op, weg van het ongerepte naar

Johannes de bultrug (foto Hollandse Hoogte)

een heel prozaïsch nutsdenken – vandaar de titel van deze lezing. Niks eigen autonome waarde, de natuur loopt nu aan de leiband van de politiek en de economie. Tegenwoordig moet natuur ergens goed voor zijn. Ze moet behagen. Ze moet ons van dienst zijn – als een oord van plezier en bezinning, als een consumeerbare toeristisch-recreatieve belevenis, als een bron van waardevermeerdering voor het onroerend goed in de buurt. De natuur moet nut hebben, ze moet zich aan ons aanpassen. Ik moest denken aan de woorden van Johan van de Gronden, directeur van het Wereld Natuur Fonds, die in zijn reactie op de publicatie Natuurverkenning zegt dat ‘de N van natuur niet meer terug te vinden is tussen harde infrastructuur en economische belangen. De natuur zit niet meer aan tafel in de Trêveszaal.’

“Mensen willen niet horen dat natuur hard en onbarmhartig is, natuur is mooi, en goed, en lief” Een jaar of twee geleden kwam er een nieuw soort gelegenheidsnatuur op. Door de economische crisis gaan vele bouwplannen niet door en liggen de kavels maar braak. Het platform ‘Tijdelijk Anders Bestemmen’ heeft allerlei lumineuze en pragmatische ideeën gelanceerd voor tijdelijk gebruik, zoals moestuinen, speelweiden, studenten­ containers, zelfs windturbines – maar ook tijdelijke natuur! Het idee is dat de eigenaar van de kavel dit zal toestaan als het een maximum aantal jaar is verbonden en als hij zeker weet dat áls het bouwplan doorgaat, de natuur als een kleedje wordt opgerold en weggedragen. Natuur als spin-off van de economie – ik ben er nog steeds niet uit of dit briljant of cynisch is.


20

Essay

Hoe snel we van de romantiek op de pragmatiek zijn overgestapt, bleek vorig jaar in de aanloop naar de verkiezingen.

Tijdens een debat over de ruimtelijke toekomst van Nederland vatte VVD-Kamerlid Betty de Boer deze popularisering bondig samen toen ze zei: ‘De natuur is er voor ons.’ En ANWB-directeur Guido van Woerkom roept, niet zonder pathos: ‘Geef de natuur terug aan het volk!’ Hij vindt dat de ‘technische’ natuur te ver af is komen te staan van de mensen, die gewoon lekker willen wandelen en fietsen. Ook Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, presenteert het nieuwe nutsdenken als een inhaalslag. In zijn blog schrijft hij hetzelfde maar in andere woorden, namelijk dat ‘de aandacht voor beleving en benutting van natuur op de achtergrond is geraakt.’ Voor veel mensen is de natuur vooral een plek om te willen wonen of recreëren, zegt Hajer. Zelfs de natuurbeheerders vinden nu ook dat de natuur een verlengstuk moet zijn van de wensen van het volk. Directeur Chris Kalden van Staatsbosbeheer zei eind vorig jaar dat het natuurbeleid zich meer moet richten op de verwachtingen van het publiek. ‘Als we aan de mensen vragen wat ze verwachten van natuur, dan horen we nooit iets over biodiversiteit of soortenrijkdom,’ zegt hij. ‘Wel over recreatie, rust en allerlei activiteiten die we graag in de natuur doen.’ Het natuurbeleid is te zeer bepaald geweest door juridische normen, zegt hij. Dat moeten ‘maatschappelijke normen’ worden. Daaruit volgt dat Staatsbosbeheer afscheid neemt van de biodiversiteit ten gunste van de recreatie. Is natuur echt van zijn voetstuk gevallen en tot een decor voor onze vrije tijd verworden? Let wel, ik heb niets tegen lekker wandelen en fietsen – maar ik vind wel dat de natuur meer is dan een uitlaatplek voor mensen op de zondag­ middag. En ook meer dan een transactie.

De vraag in deze nieuwe constellatie is: wie gaat er voor de natuur zorgen – als die tenminste niet intussen zelfvoorzienend is geworden – en vooral: wie gaat dat betalen? Marktwerking en burgerparticipatie zijn de nieuwe tover­ spreuken. De natuur moet niet alleen nut hebben, ze moet bij voorkeur haar eigen broek ophouden. Met andere woorden: het moet vooral niks kosten, het moet juist iets

“Mensen die via de webcam de natuur beleven, en steeds van de ene diersoort naar de andere hoppen”

opbrengen. Want waarom zouden we er geld aan uitgeven als je er niet aanwijsbaar iets aan hebt? Geldtekort heeft één groot voordeel, moet ik toegeven: het dwingt tot innovatieve oplossingen. Zo kondigden ruim vijftig natuurclubs eind vorig jaar aan dat ze een nauwe samenwerking aangaan in een ‘brancheorganisatie’ die als advocaat van de natuur moet functioneren. Staatsbosbeheer wordt mogelijk omgevormd tot een organisatie als de Engelse National Trust. Dan kunnen mensen er (betaald) lid van worden en kan de organisatie sponsoring en commerciële samenwerkingen zoeken. Directeur Walter Kooy van het Nationaal Groenfonds heeft voorgesteld de natuur anders te financieren: 15 procent van de overheid, 40 procent donaties en 45 procent eigen inkomsten. Staatsbosbeheer heeft al aangekondigd haardhout uit eigen bos te gaan verkopen. En als ze de openhaardbezitters zo ver kan krijgen dat ze hun eigen hout bij wijze van vrijetijdsbesteding in het bos komen kappen – uiteraard onder begeleiding – dan is iedereen blij en wordt het onderhoud van het bos budgettair neutraal. Kennisinstituut Triple E kwam begin dit jaar met het vernieuwende idee ‘moderne heerlijckheden’. Zoals het woord en de spelling verraden is het gemodelleerd naar een maatschappelijk arrangement dat teruggaat tot de middeleeuwen. Het idee, volgens een artikel in Trouw, is dat de overheid de rechten voor natuur- en landschaps­ gebieden in langlopende contracten overdraagt aan coöperaties of verenigingen. In ruil voor de plicht het gebied te verzorgen krijgt de beheerder het recht het gebied uit te baten. Bijkomend voordeel is dat rechten waarde­ voller dan subsidies of giften, die zoals we nu zien afhankelijk zijn van de politieke wind en het economische getij. Wie dergelijke rechten voor twintig jaar in handen heeft, kan ze verhandelen of er een lening op krijgen. En de opbrengsten van de natuur komen terug bij de natuur. Als de overheid zich terugtrekt ontstaat er – nolens volens – ruimte voor andere partijen: energiebedrijven, de water­ sector, de recreatie. Zo is het Wereld Natuur Fonds een samenwerking aangegaan met Eneco. Dat is ook de strekking van de Natuurverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving, namelijk dat deze politisering van de natuur kansen biedt voor nieuwe coalities tussen natuur en andere sectoren als bouw, zorg en water.

De natuurpendule heeft de laatste twee decennia wild heen en weer gezwaaid en dat is nog niet voorbij. Maar deze nieuwe allianties

bieden zicht op een inbedding van de natuur in een groter verhaal en, vooral, een gedeeld belang. Een van die belangen, ik noemde het net, is de water­ huishouding. Het is wel zo toepasselijk om vandaag, op de dag af zestig jaar na de Watersnood, te kijken naar de


21

Toekomstbeeld van de Grevelingen in Zeeland

Boer Jan Kant en zijn vrouw Rie uit de Noordwaard (foto Tracy Metz)

wisselwerking tussen de natuur en het nieuwe denken over onze veiligheid tegen overstromingen. Van oudsher heeft Nederland het water bedwongen, met dijken en pompen. Maar gaandeweg, en zeker sinds de grote ingrepen van de Deltawerken, hebben we ontdekt dat dit allemaal gevolgen heeft waar we last van krijgen. Dat, in combinatie met de verandering van het klimaat, heeft de experts aan het denken gezet. De gedachte wint steeds meer terrein dat we beter met de krachten van de natuur mee kunnen deinen dan er hard tegenin blijven gaan. Dit is de even innovatieve als logische gedachte die ik in mijn boek Zoet&Zout: water en de Nederlanders onderzoek. Het is ook een gedachte waarmee Nederland wereldwijd de aandacht trekt. Een van die gedachten is dat het misschien veiliger is als we de dijken verlagen en niet alleen maar verhogen. Dit was vijftig, dertig, zelfs twintig jaar geleden vloeken in de kerk geweest. Toch is dat de gedachte achter het programma Ruimte voor de Rivier. Niet iedereen kan daar met zijn hoofd bij. Jan en Rie Kant, boeren in de Noordwaard, zeiden tegen mij: ‘Wij geloven niet zo aan dat water.’ Boer Kant heeft aan zijn nagels aan de dakgoot gehangen in 1953, en het kan er bij hem gewoon niet in, dat het veiliger zou zijn om het water door de polder te laten stromen. En dat je daar misschien je boerenbedrijf voor zou moeten verhuizen – ‘Nee, dat gaat niet gebeuren,’ zegt Kant, ‘al belooft Rijkswaterstaat ons koeien met gouden hoorns.’ In diezelfde Noordwaard is een plan om de dijken tegen golfslag te beschermen door er een brede strook wilgenbos tegen aan te bouwen – een primeur in Nederland. Nooit eerder werd een bos officieel erkend als onderdeel van een primaire waterkering. De combinatie veiligheid, nut en natuur is ook goed te zien in de Waterleidingduinen die al sinds de 19e eeuw het drinkwater van Amsterdam zuiveren en een geliefde ‘uitlaatplek’ zijn. Duinen bieden bescherming tegen de zee, ze maken het drinkwater schoon en in ruil daarvoor is

“Geldtekort heeft één groot voordeel moet ik toegeven: het dwingt tot innovatieve oplossingen” waterleidingbedrijf PWN verplicht de duinen als natuuren recreatiegebied te onderhouden. Nog een voorbeeld: in het Zeeuwse project Waterdunen worden vierhonderd recreatiewoningen aangelegd op 40 hectare nieuwe duinen en schorren. En een van de meest ambitieuze projecten om natuur, water en economie weer aan elkaar te verbinden is het plan voor de Grevelingen in Zeeland. Bij de aanleg van de Deltawerken is de zuidwestelijke delta in verschillende compartimenten opgedeeld. Het Volkerak-Zoommeer is zoet geworden, wat nu grote problemen geeft met blauwalg. En de Grevelingen is van het getij afgesneden waardoor het nu een grote dode bak met zoutwater is geworden. Nu hebben allerlei maatschappelijke organisaties, bewoners en bedrijven een gezamenlijk plan voor de toekomst van dat gebied ontwikkeld en zelf ook al geld ervoor bijeen gebracht. Ze willen het getij terugbrengen, wat ten goede komt aan zowel de natuur als de recreatie en het vestigingsklimaat. Ik wil hiermee de serieuze bedreiging van het klimaat zeker niet bagatelliseren. Zoals minister Schultz afgelopen weekend in de Volkskrant het recht voor z’n raap formuleerde: ‘We verdienen weliswaar ruim zestig procent van het bruto nationaal product beneden de zeespiegel, maar we zijn vergeten wat er voor nodig is om dat te kunnen doen. En we zijn slecht voorbereid op een ramp. We zijn veel minder veilig dan we denken.’ Maar als we slim en praktisch zijn, en dat zijn we, dan kunnen we deze dreiging als leverage gebruiken om én Nederland veiliger te maken, én de kwaliteit van onze leefomgeving te verhogen én de natuur te bevorderen. Want een natuur die er alleen voor ons op de zondagmiddag is, dat is mij niet genoeg. Ik geloof in nut, maar ik geloof nog meer in waarde.  Tracy Metz Baarn, 31 januari 2013


22

[ advertentie ]

Bedrijfsevenementen | Vergaderingen | Huwelijken | PrivĂŠ feesten Museum | KasteelcafĂŠ | www.buitenplaatsamerongen.nl


vers

Tekst: Mustafa Stitou* | Beeld: Michiel de Jong © Comic House**

23

De schil waarop wij leven 1 Het onderliggende het zich tonende, het zich tonende het zich tonende. Op voormalige zeebodem een vinexvesting, met zo natuurlijk mogelijk bos omgeven, recreatiepaden, en met kunstwerk binnenkort. Alma Mater heet het beeld van Johan IJzerman en wordt gebouwd van gras, de schil waarop wij leven. Hier zijn pionieren klootjes of crimineel en wie niet te categoriseren valt in een aparte doos – woonkamers wemelen van geruchten over een pedofiele buur en asielkampen moeten het liefst aan de horizon staan, zo scheidt men het goede van het zwarte. Transcendentie schenkt een machtige eik misschien, een afgewaaid takje staat goed in een vaas chrysanten, weet Klazien. Mustafa Stitou uit de bundel Varkensroze ansichten (2003)

*Mustafa Stitou (1974) werd geboren in Marokko en groeide op in Lelystad. Hij studeerde geschiedenis en filosofie studeren in Amsterdam. In 1994 verscheen zijn debuutbundel Mijn vormen die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij won in 2004 de prestigieuze VSB Poëzieprijs voor zijn derde bundel Varkensroze ansichten. **Michiel de Jong volgde diverse kunstopleidingen om uiteindelijk voor het vak van striptekenaar te kiezen. Hij publiceert onder andere in Zone 5300. De Jong wordt gezien als Nederlandse vertegenwoordiger van de Atoomstijl in de school van Yves Chaland.


24

wende

“B urgers en bedrijfsleven zijn steeds meer bereid om zich in te zetten voor hun directe leefomgeving�


25

Tekst: Matthijs Sienot* | Beeld: Marco Bakker**

Chris Kalden, directeur Staatsbosbeheer, over ondernemen om betekenis te kunnen bieden.

Hoe blijft de hofleverancier van groene geluks­momenten rendabel? Bijna elke Nederlander vindt natuur belangrijk: voor rust, recreatie, of stilte. ‘Geluksmomenten van uiteenlopende aard,’ aldus Chris Kalden, directeur Staatsbos­ beheer. Zijn organisatie beheert ruim de helft van de natuurgebieden in ons land, en is daarmee een belangrijke publieke gelukverschaffer. Maar hoe blijf je die rol vervullen, terwijl de overheid terugtreedt? Chris Kalden gaat dit jaar weliswaar met pensioen, maar zijn antwoord klinkt toekomstvast. ‘Wij willen geen geld verdienen omdat er bezuinigd wordt. Wij ondernemen renderende zaken om betekenisvolle activiteiten mogelijk te maken.’

Een overstekend ree op een wandelpand. Een opera in de Rottige Meenthe en dan in het pikdonker je weg terugvinden. Staatsbosbeheer is een grootverschaffer van geluksmomenten. Chris Kalden: ‘Een hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving doet er zeer toe voor het functioneren van de samenleving. Niet alleen voor het welbevinden van mensen, maar ook voor hun welvaart.’ Desondanks moet Chris Kalden Staatsbosbeheer voorbereiden op een toekomst waarin de overheid fors minder investeert in het beheer van groen geluk. De staatsbijdrage neemt af met ruim twintig miljoen euro, meer dan 20%! Maar daar staat een positieve trend tegenover: burgers willen zich vaker inzetten voor hun directe leefomgeving en ook het bedrijfsleven staat meer open voor samenwerking.

Aan die ontwikkeling heeft de directeur de afgelopen jaren zelf proberen bij te dragen door te zorgen dat medewerkers van Staatsbosbeheer zich meer oriënteren op hun omgeving. ‘De ecoloog wordt binnen onze organisatie zeer gewaardeerd, maar is niet de enige factor van invloed. De expert moet leren loslaten: ruimte bieden aan de opvattingen van andere belanghebbenden. Ik vind het ook fantastisch dat onze boswachters de slag maken van ‘als je links kijkt, zien jullie dat…’ naar ‘je raadt nooit wat ik hier drie weken geleden heb beleefd’. Bij kinderen gaat het om ontdekken met hoofd, hart en handen. Wij helpen ze daarbij: ze mogen zelf prutsen, vies worden. Op die manier raken ze veel meer betrokken bij de natuur. Dat vind ik belangrijk, want kinderen nemen bij ons

een bijzondere plek in. Minder dan 10% van de kinderen speelt nog regelmatig buiten, in bos, park of veld.’

Sommige politici, zoals de voormalige PVV’er De Mos, zien in de toegenomen burgerbetrokkenheid kansen om volksaandelen Staatsbosbeheer uit te geven. Klinkt als een interessant idee in dit tijdperk van crowdfunding, toch? Chris Kalden kan een milde glimlach nauwelijks onderdrukken. ‘Aan natuurbeheer verdien je niet veel, dat maakt het uitgeven van aandelen lastig. Maar waar mogelijk moeten we de betrokkenheid van burgers en bedrijven zeker ook financieel vorm geven.’ Volgens onderzoek van Motivaction zien Nederlanders Staatsbosbeheer het liefst winst maken met de verkoop van hout, excursies met een boswachter, kampeer­ terreinen en het leveren van duurzame energie. ‘Die zaken moeten we dan ook op een ondernemende manier organiseren. Met rondleidingen voor € 2,- schrijf je nog steeds rode cijfers. Maar gaan mensen € 15,- betalen? Ja, dat kan. Neem de Weerribbenexcursie, die zou je alleen al doen omdat boswachter Egbert Beens hem geeft.’ Wie Chris Kalden hoort over de toekomst van Staatsbosbeheer, krijgt geen moment het idee dat hier een vertrekkende directeur aan het woord is. ‘Ach, ik ben 65 jaar, het is gewoon zo ver. Al is het werk nooit af, een maat­ schappelijk bedrijf blijft altijd in beweging.’

Omdat het nooit klaar is, zal de discussie over Staats­ bosbeheer ook na zijn vertrek doorgaan. Onlangs stelde ANWB-directeur Guido van Woerkom bijvoorbeeld nog een fusie voor van Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de Provinciale Landschappen. Kalden: ‘Mijn stelling is dat de huidige drie organisaties meer geld en maatschappelijke betrokkenheid genereren dan één grote, nieuwe organisatie. Ik denk dat het veel verstandiger is om zelfstandig verder te groeien als maatschappelijke onderneming en waar mogelijk intensief samen te werken met die andere organisaties.’ 

*Matthijs Sienot is publicist en uitgever van hetkanWel, de website over groener, eerlijker en leuker leven. **Marco Bakker is freelance portretfotograaf.


26

Verhaal

Tekst: Cees Nooteboom* Beeld: Eddy Posthuma de Boer

5 GROENEVELD, wat verdween en wat bleef

D

e beek is er nog, het bos is er nog, de vijver is er nog, de rododendron is er nog waar ik achter stond toen ik het kasteel voor het eerst zag. Jan Vrijman, die mij daar later filmde om mij over het kasteel te laten vertellen, is er niet meer. Jopie niet, Fritzi niet, Gras niet, Ali niet, Apie niet en de ontwerper Wijnand Grijzen niet die ook in het kasteel woonde en met Joop in de oorlog in het verzet had gezeten en papieren had vervalst. Het verdwijnen van de anderen hoort bij mijn leeftijd, die les had ik al geleerd als ik in de herfst door de bossen achter het kasteel liep, gele en roestkleurige bladeren die langzaam naar beneden vielen en op de grond lagen als een memento. Doden zijn geen bladeren, en toch, als ik naar een van die groepsfoto’s kijk die op het bordes gemaakt zijn, voel ik soms een winterse kou, terwijl het toch duidelijk hoogzomer was op de dag dat de foto gemaakt werd. Vrolijk is het, op die foto’s, op een ervan zie ik Jopie en Ali, maar ook Jan Vrijman en Karel Appel, en de vrouw van Karel, Machteld, die al zo lang voor hem gestorven was. Op een andere zie ik een opgetogen Simon Vinkenoog en een van zijn vroegere vrouwen, Ilse, ik zie Ed van der Elsken, Hein Donner en Mea Blazer, en dan ook Kees en Mari Colson, ik zie gezichten die ik nog wel ken maar waar geen naam meer bij hoort, en godzijdank zie ik ook lachende jongemannen van rond de dertig die nu, net als ik, op de tachtig afzweven of er al overheen zijn, zoals Remco Campert, Wim Crouwel, Eddy Posthuma de Boer. We lachen,natuurlijk lachen we, we zijn vrolijk en we hebben alle reden, het was een gouden dag die niemand ons ooit meer afneemt, een dag van een vrijheid die zo nooit meer terugkomt. Op een van die foto’s lig ik achterover op de grond met een ouderwetse revolver, mijn benen hoog in de lucht, lachend naar een buldog die op mij afspringt. Soms ga ik nog wel eens naar Groeneveld. Net als Jagtlust is het een ander huis geworden, een huis zonder pauwen waar nooit meer een kanon wordt afgeschoten, een huis van anderen. Dan zet ik mijn auto ergens opzij en wandel naar de poort toe. Naar binnen ben ik nooit meer geweest, daarvoor zijn er te veel herinneringen. Ik loop dan rechts langs het huis over de lange lanen tot ik bij de beek van die allereerste keer kom, alsof ik denk dat de geschiedenis nog een keer opnieuw


27

Vanaf nummer 14 schrijft Tommy Wieringa het verhaal voor GRNVLD

zou kunnen beginnen. De laatste keer dat ik Jopie zag was op zijn sterfbed. Eerst was er de begrafenis van Ali geweest. Na haar dood leek hij verloren, iets van de onstuimige bravoure was verdwenen, en hij zou haar ook niet lang overleven. Ik kwam binnen in zijn ziekenkamer, hij lag Het Parool te lezen. Een verpleegster kwam binnen en zei dat hij zijn voeten onder de dekens moest doen. Hij maakte een gebaar van wat maakt dat nou nog uit, en toen zij weg was las hij iets voor over Karel Appel en zei toen plotseling zonder enige treurnis: ‘Raar hè, Keessie, dat ik de krant van morgen niet meer zal lezen.’ Ik zei wat je dan zegt, ben je gek, jij bent er nog heel lang, maar hij lachte en zei: ‘Nou moet je weg, want ik moet nog een paar andere mensen zien.’ De volgende dag was hij dood. In een boek over Groeneveld dat in 1993 verscheen staat een foto van hem, in Menton gemaakt door Sem Presser. Hij staat er op zoals ik hem kende, uitdagend. Zijn korte jasje vangt het volle mediterrane zonlicht. Schalks, en een beetje spottend, zo kijkt hij mij aan vanuit het dodenrijk, zoals iemand mag kijken die zo veel voor zoveel anderen betekend heeft, en die wist hoe je moet leven en hoe je moet sterven.

*Cees Nooteboom (Den Haag, 1933) wordt beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandse schrijvers. Van zijn romans en reisverhalen verschenen vertalingen over de hele wereld. In 2003 kreeg hij de Oostenrijkse Staatsprijs voor Europese Literatuur, in 2004 de P.C.Hooft-prijs, en in 2009 de Prijs der Nederlandse Letteren.


28

K a f en Kor e n

Tekst: Noor Reigersman* | Beeld: Jos Collignon**

Verslagen, samenvattingen, reflecties, standpunten en inzichten beeldverhaal

Groene Vesting inspireert met regionale beeldverhalen Relatie stad-platteland vraagt om andere aanpak

De

relatie stad en platteland was vroeger hecht en vanzelfsprekend, maar dat is al lang niet meer het geval. In en rondom ’s-Hertogenbosch wordt op eigentijdse wijze gewerkt aan de versteviging van deze relatie. In 2006 is het burgerinitiatief De Groene Vesting ontstaan, met als doel: het ontwikkelen van de bijzondere waarden van de ommelanden van ’s-Hertogenbosch. Een belangrijke samenbindende factor in dit gebied is de Linie van Frederik Hendrik. Door Frederik Hendriks legendarische overwinning op de Spanjaarden kwam ’s-Hertogenbosch in 1629 weer in handen van Staatsgezinden. De tweeënveertig kilometer lange Linie is een grotendeels verdwenen stelsel van grachten, dijken en kanalen rondom de stad, met daaraan

gelegen – eveneens verdwenen – schansen en legerkwartieren. Op basis van oude kaarten, zoals de Ex Pugnatio Sylvae-Ducis uit 1631, is de Linie geheel te traceren. Het weer zichtbaar en beleefbaar maken van de Linie is een middel om de economische levens­ kracht van het gebied te versterken. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn erfgoedtoerisme en maatschappelijk en landschappelijk verantwoord ondernemen.

inspiratie door regionaal beeldverhaal Een instrument om dit proces van economische versterking op gang te brengen en daadwerkelijk een uitvoeringsprogramma te realiseren, is het regionaal beeldverhaal. Dit vertelt het unieke verhaal van een regio:

zoals het vroeger was, zoals het nu is en zoals het in de toekomst zou kunnen worden. Het is in eerste instantie bedoeld om eigenaren van het gebied te inspireren en in beweging te zetten. Daarbij gaat het om ondernemers en organisaties die zich bezighouden met land- en tuinbouw, waterbeheer, natuur, landschap, cultuur, recreatie, horeca en toerisme. Samen met overheden geven ze richting aan de ontwikkeling van het gebied om het te behouden voor de toekomst. Met nadruk op het beleefbaar maken van de unieke kenmerken van de streek. Landschapsarchitect Joeri de Bekker onderscheidt vier kenmerkende landschappen in de ommelanden van ’s-Hertogenbosch: Landschap van de Verbeelding, Landschap van de Beleving, Landschap van de Verwijzing en


29 Landschap van de Ontwikkeling. Over ieder landschap kan een beeldverhaal ontwikkeld worden. Het eerste beeldverhaal, Landschap van de Beleving, is net klaar. Het gaat over het gebied ten zuidoosten van ’s-Hertogenbosch. Kwartiermaker Jan van Roekel, al lange tijd actief voor De Groene Vesting, is tevreden. ‘Inmiddels zijn er bij het Landschap van de Beleving al veel ondernemers, landgoedeigenaren en bestuurders van gemeenten betrokken.’

mooier en aantrekkelijker Het regionaal beeldverhaal moet dus leiden tot een andere aanpak van gebiedsontwikkeling. Van Roekel: ‘Naast het bevorderen van de economie kun je tegelijkertijd een gebied ook mooier en aantrekkelijker maken. Wij, de vrijwilligers van De Groene Vesting, hebben daarom workshops, bijeenkomsten en inspiratietochten georganiseerd, waaraan alle belanghebbenden in het gebied actief hebben bijgedragen. Als je op deze manier samenwerkt, dan kun je een gebied niet alleen beleefbaar maken, maar óók duurzaam bewaren voor volgende generaties.’ Van Roekel benadrukt dat de toepassing van regionale beeldverhalen geen pasklare oplossingen biedt voor regionale gebiedsontwikkeling. ‘Een beeldverhaal brengt partijen bij elkaar en stimuleert innovatie op gebied van economie en ruimtelijke kwaliteit. Het helpt gebiedspartners op een nieuwe manier met elkaar samen te werken. Zo is er al een plan om het Kampement van Bredero – hij was een veldheer van Frederik Hendrik – nieuw leven in te blazen. Verder kunnen recreatiemogelijkheden flink worden ­uitgebreid om in te spelen op de behoefte aan erfgoedtoerisme. Dus ook de routestructuren over land en water moeten zodanig worden ontwikkeld dat de kwaliteit van de groene ruimte verbetert. Overal liggen kansen, zoals in Den Dungen, dat vroeger ook wel de ‘Moestuin van Den Bosch’ werd genoemd. Hier kan weer een prachtige wissel­ werking tussen stad en platteland ontstaan!’ • Het beeldverhaal Landschap van de Beleving is te lezen op www.degroenevesting.nl *Noor Reigersman is tekstschrijver en journalist. Ze is de hoofdschrijver van het beeldverhaal Landschap van de Beleving. **Jos Collignon is tekenaar en cartoonist en maakt sinds 1992 politieke prenten voor de Volkskrant. In januari 2010 won hij de Inktspotprijs voor de beste politieke tekening.

column marjan slob

Schieten

Opeens is het klimaat opvallend jachtig. Voor- en tegenstanders van het schieten van wilde dieren buitelen in onze kwaliteitspers over elkaar heen. Voorstanders ruiken dat ze het culinaire tij mee hebben, en spreken van het meest duurzame, diervriendelijke, lokale vlees dat er in Nederland maar te krijgen is. De eenden, reeën, zwijnen die zij afschieten hebben immers volledig naar eigen instinct kunnen leven. ‘Jager Bas heeft deze fazant hoogstpersoonlijk voor u geschoten,’ is inmiddels op sommige menukaarten te lezen. Waarbij het de bedoeling is dat u in aandachtige eerbied voor Bas, kok, én geofferde fazant uw bordje leeg eet. Verder van de kiloknaller kun je niet komen.

“Soms ben je in één klap dood” Tegenstanders ervaren de wereld heel anders. In hun ogen is het lot van de Nederlandse wilde dieren sowieso al benard, want zeg nu eerlijk: waar kunnen onze dieren nog vrijuit hun gang gaan? En dan worden ze ook nog eens opgejaagd door mannen met honden en geweren, die vanuit de verte op hen schieten. Soms ben je in één klap dood. Vaker sleep je je nog dagen voort met hagel in je lijf, om dan van uitputting en bloedverlies ergens in een greppel te bezwijken. Leuke oogst! Zelf kan ik niet goed nadenken over de jacht. Ik zie gelijk weer voor me hoe mijn opa in kaplaarzen en ribfluwelen broek in het jachtseizoen terugkeerde uit de polder, met zijn geweer, de honden, de andere jagers. Ik wierp dan een blik in de schuur waar soms wel tientallen hazen aan hun achterpoten hingen te besterven. Ik voelde trots voor mijn vader, die in zijn jongensjaren had besloten niet meer mee te willen als drijver. Maar ik at ook de hazenpeper die mijn oma ons voorzette. Lekker vond ik dat, en als ik een kogel tussen mijn tanden trof, voelde ik me een winnaar. Alsof ik de boon in het Driekoningenbrood had gevonden. Die dubbelzinnigheid – de opwinding en de afschuw – benevelt mijn oordeel nog steeds. Een goede jager houdt van zijn prooi. En dat is precies het probleem. Liefde waarbij bloeddorst komt kijken. Jagen gaat niet over de natuur, jagen gaat over onze natuur. • Marjan Slob is filosoof, schrijver en moderator. www.marjanslob.nl


30

K a f en Kor e n

Tekst: Jan Dobbe

experiment

Blauwestad mikt op recreatie en toerisme De structurele dip in de vastgoedmarkt dwingt de provincie Groningen haar plannen voor woningbouw in Blauwestad, een nieuwbouw­ project in het hogere segment, bij te stellen. Blauwestad moet Oost-Groningen een economische impuls geven, onder andere doordat welgestelde westerlingen zich er vestigen. Van de geplande 1.480 kavels zijn er echter pas 194 verkocht. De grondprijs wordt nu met 20 procent verlaagd. Recreatie en toerisme moeten het gebied redden. Bovenstaande maatregelen betekenen een schadepost van 25 miljoen euro. Toch blijft de provincie geloven in Blauwestad. Gedeputeerde Wiebe van der Ploeg: ‘De dip in de vastgoedmarkt is structureel, en op grond daarvan hebben we deze aanpassingen moeten doen. Maar we blijven investeren, zij het met meer accent op toerisme en recreatie.’

“Voor mensen met een goed gevulde portemonnee is het een geweldig gebied” hongerige wolf Volgens Van der Ploeg heeft Blauwestad ondanks de tegenvallende huizenverkoop veel waarde voor de leefbaarheid en de lokale economie. Waar zien we dat aan? ‘We zien toenemende bedrijvigheid rondom het gebied. Huizen worden opgeknapt en er vestigen zich steeds meer ondernemers, met name in de recreatie- en toeristische sector. De afgelopen periode waren dat er rond de veertig. En we zijn blij met de diverse grote evenementen die hier zijn neergestreken. Ik noem Hongerige Wolf, een jaarlijks openluchtfestival met theater, muziek en dans, en Pura Vida, een gratis openlucht­ concert aan de oever van het Oldambtmeer.

Verder wordt hier ’s zomers volop gezeild en ’s winters geschaatst. Er is hier bedrijvigheid genoeg.’

bestemming Welke gevolgen hebben de lagere grondprijzen en het verleggen van het accent naar toerisme voor de huidige 400 bewoners? ‘Van één woongebied gaan we de bestemming wijzigen in recreatie. Met de tot nu toe enige bewoner zullen we in goed overleg tot een goede regeling komen. Maar in de andere woongebieden, zoals de Wei en het Riet, verandert er voor de bewoners niets.’ De huidige bewoners zijn volgens Van der Ploeg heel positief over het wonen in het gebied. ‘Daarom vinden we het belangrijk om Blauwestad te blijven ontwikkelen.’ Niettemin wordt het oorspronkelijk geplande aantal van 1.480 woningen teruggebracht naar 1.247. werkgelegenheid Blauwestad moest Oost-Groningen een economische impuls geven en vooral rijke westerlingen interesseren een woning te bouwen aan het Oldambtmeer. Dat laatste lukt maar mondjesmaat, en daarom zet men nu in op recreatie en toerisme. Van der Ploeg: ‘De afgelopen periode mochten we 2,2 miljoen bezoekers verwelkomen in het Oldambt-gebied. Dat heeft positieve gevolgen voor het gebied. Zo zijn er circa 130 nieuwe arbeidsplaatsen ontstaan.’ Om het positieve effect te versterken, investeert men in het Havenkwartier: ‘Momenteel wordt het Havenpaviljoen gebouwd, waar onder meer de VVV gevestigd wordt en allerhande horeca. Zulke belangrijke kernen trekken weer meer ondernemers aan.’

“Je kunt zelfs je eigen eiland bewonen”

*René W.Chr. Dessing is voorzitter Stichting T ­ hemajaar Historische Buitenplaatsen 2012.

recreatie Naast het Oldambtmeer is er ook nog eens zo’n 350 hectare nieuw natuurgebied toegevoegd. Al met al is er een natuurgebied ontstaan van circa 2.000 hectare. Het zijn deze unique selling points die kopers moeten trekken. En zeg nu zelf: voor mensen met een goed gevulde portemonnee is het een geweldig gebied. In de eerste plaats kun je er zelf bepalen hoe je huis eruitziet. Vervolgens woon je direct aan het water, met of zonder eigen haven. Of je woont in een parklandschap of in het bos. Je kunt zelfs je eigen eiland bewonen. De stad Groningen, tot slot, ligt op zo’n 20 minuten rijden. De bewoonde wereld op een steenworp afstand. •

Graanrepubliek Blauwestad ligt in het Groningse Oldambt. Deze streek – ooit de Graanrepubliek van Nederland genoemd – is beroemd om zijn eindeloze akkers, monumentale boerderijen, weidse uitzichten, hoge luchten en schitterende wolkenpartijen. Eind jaren tachtig kreeg de landbouw in het gebied het zwaar. Boeren hadden geen opvolgers, de jeugd trok weg en de werkeloosheid was hoog. Om de neerwaartse spiraal te doorbreken kwamen Wim Haasken, gemeenteraadslid van Scheemda, en architect Jan Timmer met het idee om een meer te creëren. En dat kwam er ook: het Oldambtmeer, met zijn oppervlakte van ruim 8 km2 vergelijkbaar met de Reeuwijkse plassen en het Sneekermeer. Nooit eerder werd zo’n groot landbouwgebied onder water gezet. Blauwestad, dat het Oldambtmeer omvat, is dan ook het meest spectaculaire landschapsproject sinds de drooglegging van de IJsselmeerpolders.


31

Tekst: Linda Driesen–van der Male**

BEHEER EN BEHOUD

De toekomst van de buitenplaats begint nu! Het Jaar van de Historische Buitenplaats 2012 is officieel voorbij. Dankzij ‘het jaar’ is een duidelijk beeld ontstaan over wat goed gaat en waar verbetering nodig is. De stichting Thema­jaar Historische Buitenplaatsen heeft deze nieuwe kennis gebundeld in zestien aanbevelingen. De toekomst van de historische buitenplaatsen begint daarom in 2013.

samen Eén van de sleutelwoorden van het afgelopen jaar is ‘samen’. Samen in de zin van elkaar opzoeken, ondersteunen en gebruiken, om gezamenlijk een toekomst voor de buiten­ plaatsen te realiseren. Er is behoefte aan een nationale koepelorganisatie, waar eigenaren (alle typen), huurders en betrokkenen terecht kunnen met hun vraag en aanbod. Daartoe is nood­zakelijk dat de nadruk meer komt te liggen op overeenkomstige behoeften van dit cultureel erfgoed en minder op individuele behoeften. Door de samenwerking uit te breiden naar gerelateerd erfgoed, zoals historische tuinen of parken, wordt het voordeel nog groter. Hoe meer belanghebbenden, hoe groter de slagkracht van de organisatie, bijvoorbeeld ten aanzien van politiek draagvlak of de financiële mogelijkheden op nationaal en lokaal gebied. balans Het tweede sleutelwoord van 2012 is ‘balans’. Vooral op regionaal en lokaal niveau is meer balans nodig in de verhouding tussen overheid,

De brochure Toekomst voor de historische buitenplaats. Bevindingen uit het Jaar van de Historische buitenplaats 2012 is te vinden op de website www.buitenplaatsen2012.nl

eigenaar en omgeving. De economische en sociaal-maatschappelijke voordelen van buitenplaatsen voor de omgeving worden benut en gewaardeerd, zonder daar verdere conclusies aan te verbinden. Focus ligt nu vooral op de verantwoordelijkheden van eigenaren rondom de instandhouding, terwijl juist het creëren van een evenwichtige balans tussen kosten en baten voor eigenaar én omgeving nadruk behoeft. Het gaat daarbij om een andere manier van denken over verdeling van verantwoordelijkheden: niet alleen ten aanzien van financiële voorzieningen vanuit de overheid, maar ook met betrekking tot de wijze waarop wordt omgegaan met regelgeving rondom buitenplaatsen en de (innovatieve) wensen van de eigenaar.

“Kant-en-klare verdien­ modellen zijn er niet” begrip ‘Begrip’ is het derde sleutelwoord. Begrip voor de buitenplaats is noodzakelijk voor het nodige draagvlak en daarmee voor het behoud. Dat begrip start bij een heldere en eenduidige definitie van wat een buitenplaats eigenlijk is. Subsidieen beleidsregelingen hanteren helaas ieder hun eigen definitie, die inhoudelijk verschillen, met alle gevolgen van dien. Het ontwerp van zo’n definitie wordt nog een interessante, multi­ disciplinaire uitdaging: naast eenduidigheid moet tegelijk recht worden gedaan aan de diversiteit die het gevolg is van de verschillen in de regionale ontwikkelingsgeschiedenis van buitenplaatsen. Voor meer begrip voor buitenplaatsen moet ook iets worden gedaan aan de kennis en bekendheid rondom dit fenomeen. De aantrekkingskracht van de buitenplaats wordt grotendeels bepaald door het ensemble van huis, park/tuin en bijgebouwen. De veelzijdigheid van deze

ensembles biedt voldoende aanknopingspunten om onderzoek en kennisontwikkeling interessant te maken. Maar niet alleen onderzoek is noodzakelijk om de bekendheid te vergroten. Erfgoedonderwijs vanaf de vroege jeugd kan bijdragen aan de waardering van erfgoed. Betrek kinderen en studenten meer bij het cultureel erfgoed, waaronder buitenplaatsen, in de eigen regio. Zij immers zijn de wetenschappers, restaurators en groenspecialisten van de toekomst. Opgroeien met erfgoed kweekt bekendheid en ‘bekend maakt bemind’.

nieuwe wegen Eigenaren, particulier of institutioneel, staan voor de zware taak om de kwetsbare buiten­ plaatsen een toekomst te bieden, zowel financieel als intellectueel. Naar verwachting zal de overheid steeds minder financiële middelen beschikbaar stellen. Continuïteit kan in veel gevallen komen van minder voor de hand liggende partners of activiteiten, zoals duurzame ontwikkelingen, natuurbeleving of cultuur­toerisme. Het is goed om dergelijke mogelijk­heden met open vizier tegemoet te treden. Kant-en-klare verdienmodellen zijn er niet. Ook hier is samenwerking weer een belangrijke factor. Aangevuld met een dosis originaliteit, doorzettingsvermogen en enthousiasme kunnen mooie dingen ontstaan, die de buitenplaats een nieuwe betekenis geven. nu verder? De aanbevelingen geven het startsein voor de toekomst. De grootste uitdaging komt nu. De vraag is wie zich verantwoordelijk gaat voelen voor de uitwerking van de aanbevelingen? Bij deze een uitnodiging aan het veld om de geformuleerde handvatten aan te pakken en samen de eerste stappen te zetten richting de toekomst! •

**Drs. Linda Driesen-van der Male is architectuurhistorica en eigenaar van adviesbureau Culthis, www.culthis.nl


32

mijn landschap

Daar waar Abdelkader Benali over reisliteratuur, de woestijn als verlokking en over het geluid van de branding.

Tijdens het schrijven

stel ik me altijd voor waar mijn karakters terecht­ komen, hun emotionele staat natuurlijk, maar ook in welk landschap ze zich bevinden. Hun omgeving is in zekere zin bepalend voor hoe ze zich voelen. Er is een gezegde, ‘laat me uw schoenen zien en ik zeg wie u bent’. Ik bedenk nu ter plekke: laat me uw landschap zien en ik zeg wie u bent. Wat mijn landschap is? Ach, er is geen betere plek om het landschap te zien dan in reisliteratuur. Niet alleen in die van nu, vooral ook die van honderd jaar geleden.

‘Hoe’ het landschap beschreven wordt, biedt niet alleen inzicht in de verhouding tot het landschap maar ook tot de literatuur van de desbetreffende tijd en zelfs tot elkáár. Reisliteratuur wekt doorgaans een groot verlangen om ergens naartoe te gaan. Zeg ik dat met veel pathos? Ach, verlangen is het allerbelangrijkste op aarde. Het verlangen om erbij te zijn, dingen te ondervinden, te delen; verlangen is de motor voor ontwikkeling. Wat mij het meest aanspreekt zijn landschappen waar een dusdanig klimaat heerst, en vegetatie voorkomt dat het de mens vrijwel onmogelijk

wordt gemaakt om te existeren. Woestijn spant hierbij, voor mij, de kroon. In Mali heb ik op het randje van de Sahara verbleven en later in Oman heb ik echt de tijd gehad om alleen in de woestijn te zijn. Omdat er zo weinig is, valt het kleinste detail je op. En dat tegenover de grootsheid van het landschap. Fascinerend. En dan die fantastische vlak­ verdeling tussen lucht en zand, Mondriaan had het kunnen bedenken. Ik zou er graag ooit langere tijd verblijven en onderzoeken hoe reisliteratuur mij beïnvloed heeft en wat er gebeurt als ik er zélf ben. Via het landschap zou ik bijvoorbeeld in dialoog willen


33

Tekst: Brigitte van Mechelen | Portret: Gilles Frenken | Beeld: Nes aan de Amstel, Roeland Koning

de wereld peinst gaan met Wilfred Thesiger, de Britse reiziger, diplomaat, spion, die in de jaren veertig door het gevaarlijkste stuk woestijn op aarde trok – Rubh al Khali, ofwel het Lege Kwartier, ongeveer het huidige Saoedi-Arabië.

Abdelkader Benali werd in 1975 geboren in Ighazzazen (Marokko) en woont sinds zijn vierde jaar in Nederland. Zijn debuut Bruiloft aan zee (1997) werd bekroond met de Geertjan Lubberhuizenprijs. In 2002 verscheen De langverwachte, waarvoor Benali in 2003 de Libris Literatuurprijs kreeg. De Marathonloper en De Zandloper handelen over Benali’s fascinatie voor het hardlopen. Benali’s werk, dat internationaal wordt uitgegeven, werd in 2010 bekroond met de E. du Perronprijs.

Maar ook in Amsterdam, waar ik woon, weet ik mij omringd door het landschap. Achter mijn appartement kronkelt de Amstel zich een weg naar zee. In dat stuk ben ik overigens helemaal niet geïnteresseerd, te druk, te ingevuld. Nee, de andere kant uit, richting Ouderkerk, Nes aan de Amstel, daar ligt ‘mijn’ stuk. Mijn hardloop­ rondje voert hierlangs. Eén tot vijf keer per week doorkruis ik het gebied, tot nu toe ben ik er een paar duizend maal doorheen gerend. De seizoensgebonden veranderingen, hoe de mensen daarop reageren; elke keer weer is het een verrassing wat ik er aantref. En de rivier, zij

stopt niet mij in haar ban te houden. Zij bezorgt mij een lichtheid waardoor ik het gevoel krijg dat ik over water kan lopen. Elk landschap vormt je, draag je met je mee. ‘Wat is thuis?’ is een terugkerende vraag in mijn werk, in het antwoord is landschap absoluut een factor. Ook weer in mijn volgende roman die zich afspeelt in Marokko, waar ik in een kleine kustplaats geboren ben. Voor mij is Marokko vooral een zintuiglijke ervaring. De stand van de zon en dus de lichtval is anders, de kleuren, de geur van het asfalt, alles is anders. En dan de zee, niets mooiers dan luisteren naar de zee. De wereld peinst daar, het geluid van de branding is hoe wij denken. 


34

Oogst

Het artistieke

Gooı

Een streek van kunstenaarskolonies & vrijplaatsen

1

Voor Kasteel Groeneveld verzorgde de Gooise Kunstkring onlangs de tentoonstelling ‘De Buitenplaats verbeeld’. De kunstenaars lieten zich voor deze expositie inspireren door de locatie van het Kasteel en de mooie Gooi en Vechtstreek en Eemland. Zij staan hiermee in een traditie die al teruggaat tot de tweede helft van de 19e eeuw. Een geschiedenis van een unieke inspiratieplek met vele vrijplaatsen en kunstenaarskolonies.

Vanaf 1880

werd het Gooi een verzamelplek voor kunstenaars uit het hele land en ver daarbuiten. Oorspronkelijk waren het landschap en de ligging hiervoor de aanleiding: bossen, heide, water en meer landschappelijk schoon op kleine afstand van grote steden. De aanleg van de spoorlijn Amsterdam-Utrecht en de komst van de Gooische stoomtram hadden de streek toegankelijk gemaakt. de ‘larense school’ Tegen het schilderachtige decor van het gevarieerde landschap en de pittoreske boeren­ dorpjes groeiden het Gooi en vooral Laren en het aangrenzende Blaricum uit tot een kunstenaarskolonie. De streek inspireerde tot mooie kunst en werd internationaal bekend

als ‘het land van Mauve’ en centrum van de ‘Larense School’. Volgens kunsthistorici bestaat de Larense School als kunststroming eigenlijk niet. Laren werd beroemd als kunstenaars­ kolonie vanwege de kruis­bestuiving tussen diverse nieuwe en vernieuwende kunstvormen en niet omdat men er via één eenvormige kunststijl werkte. Behalve aantrekkelijk, was een verblijf in Laren of Blaricum ook goedkoop, niet onbelangrijk voor veel kunstenaars en kunstliefhebbers. Een belangrijke ontmoetings­ plaats voor de diverse kunstenaars was Hotel Hamdorff in Laren. Een maaltijd kostte er slechts 80 cent en wie ook dat niet had, kon betalen met zijn werk. In die tijd ontwikkelde zich – mede dankzij de kwaliteit van de ‘Larense school’ – een levendige internationale kunst­ handel met hotelier Jan Hamdorff in een

hoofdrol. Hij had een goed contact met kunstenaars en zocht kopers voor hun werk. De Larense en Blaricumse ‘binnen­huistaferelen’ en de schapen­schilderijen werden een succes­ vol exportartikel. Doordat kunstenaars uit diverse disciplines bijeenkwamen en elkaar beïnvloedden, ontstond een cultureel klimaat dat uniek was voor Nederland en dat van ver over de grenzen bezoekers naar Laren trok. Niet de minste Nederlandse en buitenlandse kunstenaars werkten tussen 1880 en 1914 tijdelijk of permanent in het Gooi. De inter­ nationale aantrekkingskracht had vergaande gevolgen voor het langdurige sterke culturele imago van de streek. Evident hierin was de rol van het echtpaar William Henry en Anna Singer, die een kunstverzameling aanlegden – zij kochten overigens liever geen ‘modernen’. Mede door Anna’s inzet was dit de basis voor het latere Singer Museum. hutten en kolonies Minder bekend dan het Singer Museum, maar zeker zo interessant als cultureel erfgoed zijn ‘de Hutten’ van De Dooyewaard Stichting in Blaricum. De hutten hebben hun oorsprong in het gemeenschapsleven van het Gooi eind 19e eeuw. *B arbara Houwers is beeldend kunstenaar, art consultant en voorzitter van de Gooise Kunstkring


35

Tekst: Barbara Houwers* | © Beeld: Leo Janssen, Laren

www.gooisekunstkring.nl www.singerlaren.nl www.dooyewaardstichting.nl

‘De buitenplaats verbeeld’ in en bij Kasteel Groeneveld is te zien tot en met 12 mei 2013.

Schrijver Frederik van Eeden stichtte in 1898 de kolonie Walden in Bussum. In navolging daarvan startte Professor Jacob van Rees in 1899 een kolonie langs de weg van Laren naar Blaricum. De kolonies bestonden uit diverse houten hutten rondom een koloniehuis. De bewoners probeerden hier een ideale maatschappij te creëren. De kolonies kenden slechts een korte bloeitijd, maar zetten onder de ‘creatieve import’ een duurzamere trend in gang om te werken en wonen in hutten. Op de Gooise (zand)gronden was bouwen goedkoop en er werden tientallen hutten neergezet. De mooiste hutten waren kleine landhuisjes met prachtige daken van golvend riet, maar de meeste waren eenvoudiger en van donker geteerd hout. Deze hutten werden gebruikt als woonplek en ook vaak als atelier. Juist in die functie ontstond er een levendige handel in de hutten. Eenvoudig gebouwd zonder diepe fundering werden de hutten regelmatig opgetild en op een boerenkar verplaatst naar een nieuwe plek, indien op de bestaande plek andere plannen voor bijvoorbeeld dorpsuitbreiding waren. De planken nummeren, uit elkaar halen en weer opbouwen was ook een vaak gebruikte methode. Tot ver in de 20e eeuw waren in Laren en Blaricum nog veel van deze

oorspronkelijke, eenvoudige hutten te vinden. Toen Laren en Blaricum tot de duurste woonplaatsen van Nederland gingen behoren, is helaas veel van dit cultureel en architectuur­ historisch erfgoed verdwenen. verenigingen en stichtingen Soms maakt de geschiedenis weer een mooie wending. Vanaf de eerste helft van de twintigste eeuw namen de gebroeders Jacob en Willem Dooyewaard een vooraanstaande plaats in onder de Larense (en Blaricumse) schilders. Tijdens hun leven ontstonden de eerste kunstenaarsverenigingen en waren er ongekende mogelijkheden voor kunstenaars.

artistieke vrijplaatsen Ook in de vijftiger en zestiger jaren bleef het voor de culturele elite trendy om de oprukkende stad te verruilen voor het platteland. Het Gooi en omgeving bleven verzamelpunt voor alles wat jong en artistiek was. Niet alleen beeldende kunst gedijde op de zandgronden. De creatieve sector werd verbreed met vormgevers, architecten, dichters, schrijvers, wetenschappers en andere intellectuelen op zoek naar inspiratie en artistieke samenwerking. De opkomst van moderne media, zoals radio en televisie, die zich juist in deze regio vestigden bood nieuwe mogelijkheden.

“Een maaltijd bij Hamdorff kostte slechts 80 cent en wie ook dat niet had, kon betalen met zijn werk” Met een vooruitziende blik bepaalden de Dooyewaards dat met hun nalatenschap ateliers in Blaricum blijvend behouden zouden worden. Een jaar na het overlijden van Willem in 1981 werd de Dooyewaard Stichting opgericht. Met hun nalatenschap verwierf de Stichting recent authentieke schildershutten uit de tijd van Mondriaan, Hart Nibbrig en vele andere grote schilders, die er tijdelijk werkten, met als doel ze te restaureren en weer beschikbaar te stellen als plaats voor Artists in Residence.

Beroemd uit deze tijd is het verhaal van Jagtlust in Blaricum. Dichteres Fritzi Harmsen van Beek had zich in deze villa gevestigd en ontving er tout literair en artistiek Nederland van die tijd. Joop en Ali Colson maakten, als de hoofdbewoners van nabijgelegen Kasteel Groeneveld, van het kasteel een vrijplaats. Ook op Groeneveld was altijd plaats voor kunstenaars, schrijvers, dichters en andere artistiekelingen. Een traditie die tot op de dag van vandaag voortleeft. 

3

1 De hutten – Lohmann atelier 2 Heide in Laren, Anton Mauve 3 Het Kroegje van Hotel Hamdorff, Cornelis Vreedenburgh 2


36

MMM

• 1 flinke peer • 2 roosje s broccoli • 1 wor te ltje • 1 biet (c a. 150 g) • ¼ avocad o • 3 cm ge mber • 10 blaadj es basilicum

• 50 g am andelen • eventue el superfoo ds: ½ theelepe l bijenpolle n, zaad van he nnep en chia (salie ) • bloedsi naasappels ap als nodig voor gewenste dikte

B lo e d ro de g r een smooth

y

Voor ontbij t, lunch of tussendoo naar smaak r. Heftig ge zond en te variëren , u it e raard met b groente en iologische fruit. Be r e id in g s w ij ze :  Was de pee verwijder o r en – indie ngeschild h n bio – e t klokhuis. S flinke dobb n ij d d e peer in elstenen. S nijd ook de biet, avoca broccoli, w do en de ge ortel, schilde gem Doe ze met ber in dobb de basilicu elstenen. m, amande eenvoudig le n e n e v entueel de e superfoo ds – die nie t van het an van de plan dere eind eet hoeven te komen – Breng met in de blend bloedsinaa er. sappelsap tot de gewe Eet de smo nste dikte. othie uit ee n soepkom goed kauw , a ls g a z p a cho, en en! Suggest ie voor een vervang ee mildere va n deel van h riant: et sap door rijstmelk.

Fransje de Waard is bosbouwkundige en permanaut. Ze geeft les en lezingen, ook aan overheden, om vernieuwing in de Nederlandse landbouw te versterken. Haar boek Tuinen van overvloed gaat over de permacultuur als inspiratiebron. Daarbij geeft ze ook tips en handvatten om zelf voedsel te telen: op de vensterbank, in de tuin en in de buurt.

luisterlunch Meer Fransje de Waard: op zondag 14 april om 12.30 uur is Fransje de Waard de gastspreker van de Sociëteit culinair in Grand Café Groeneveld. Deelname aan deze luisterlunch kost € 30,- per persoon inclusief twee drankjes, kinderen onder 12 jaar half geld.

Aanmelden: info@grandcafegroeneveld.com onder vermelding luisterlunch 14/4 Tuinen van overvloed: permacultuur als inspiratie voor een duurzaam leven op aarde werd uitgegeven door Jan van Arkel prijs € 14,95 | isbn 978 90 622 4508 6


37

Tekst: Isabel van der Weijden* | Beeld: Linda van Erve** | Portret: Linda Wormhoudt

Tijd voor

voedseldemocratie Permacultuur laat zien hoe mens en natuur optimaal kunnen samenwerken – agro-ecologie bij uitstek. Door principes uit natuurlijke ecosystemen toe te passen in de voedsel­ productie, ontstaat een betere, duurzame wereld. Fransje de Waard is sinds de jaren negentig een van de pioniers in Nederland. Hoe staat de voedselproductie in Nederland ervoor? ‘Wij doen het hier met een vrijwel geheel aanbodgestuurde voedselproductie. Van oudsher produceert Nederland in bulk; efficiëntie is leidend. Met monocultuur als het dominante systeem: allemaal dezelfde planten die direct met elkaar concurreren om dezelfde ruimte en voedingsstoffen. De natuur laat overal zien dat een divers systeem – een polycultuur – veel efficiënter gebruikmaakt van een plek en weerbaarder is tegen ziekten en plagen. Maar in die richting kijkt nog vrijwel niemand.’ Het is nu crisis. Is dat wel het juiste moment om te veranderen? ‘Als we ons voedsel in polyculturen gaan produceren, bestaat het onderhoud in zekere zin alleen nog maar uit oogsten. Het huidige systeem heet efficiënt en goedkoop te zijn, maar wat rekenen we niet mee? Er zijn enorme onzichtbare kosten. Het maken van kunstmest kost heel veel energie en de belasting voor bodem en water is aanzienlijk. Voor elke calorie die we nu produceren, hebben we tien calorieën nodig. We betalen allang de prijs voor de industriële monocultuur. Mondiaal levert deze zeker 15% van alle broeikasgassen op, met negatieve effecten van klimaatverandering tot gevolg. In Engeland waren vorig jaar haast geen appels en met de graanoogsten in Rusland en de Verenigde Staten ging het ook slecht.’

*Isabel van der Weijden is adviseur in culinaire communicatie en realiseert met haar bedrijf Bel&Jet kookboeken en receptenbrochures. Zowel voor de consumentenmarkt als business-to-business. **Linda van Erve is striptekenaar en illustrator. Zelf noemt ze haar strips toneelstukjes op papier. Samen met Ko de Laat maakt ze de strip Vicky in business.

Wat kan de consument bijdragen aan de omslag naar een duurzamer systeem? ‘Het kan bij iedereen beginnen. We eten wat we eten omdat het ons goedkoop en gemakkelijk wordt gemaakt. Maar willen we dat werkelijk zo? Hoe soeverein zijn we, en hoe democratisch is onze voedselvoorziening, wat hebben we zelf echt in te brengen? Programma’s als Keuringsdienst van Waarde geven ons een kijkje in de ‘keuken’ van fabrikanten. Dat zet mensen toch aan het denken. Vroeg of laat ontdekken we dan dat de boer nauwelijks keuze heeft, en de consument

“Het huidige systeem heet efficiënt en goedkoop te zijn, maar wat rekenen we niet mee?” ook niet. Dat kunnen we veranderen door als consumenten en producenten directe lijnen aan te gaan, zodat ook meer wordt geproduceerd op basis van behoefte. Iedereen wil toch het liefst gezond, vers en lokaal voedsel? In Wageningen biedt de natuurvoedingswinkel voedsel van tientallen lokale producenten. Daar zijn ook producten verkrijgbaar van een veehouder die op vier plekken een koelcel heeft staan, waar leden komen ‘winkelen’ voor hun zuivel en vlees. Ook formules als van Willem&Drees en Landmarkt versterken de directe binding tussen producent en consument.’ Dus iedereen kan morgen beginnen? ‘Jazeker, en dat leidt dan tot de nodige cultuuromslag. Ook door een deel van ons voedsel zelf te kweken, worden we meer bewust. We zien dat meer en meer gebeuren. Ook in de stad waar mensen in daktuintjes bijvoorbeeld hun eigen tomaten telen. Zo krijgen we weer een relatie met hoe gewassen groeien, en maken we ook bewustere keuzes in de supermarkt. Met het oog op onze voedselvoorziening moeten we echt beter voor onze bodem zorgen. Omdat vruchtbare grond vol zit met beestjes en bacteriën heeft dat bovendien als effect dat we dan – net als vroeger – weer een zwerm vogels zien als er geploegd wordt. 


38

Verstript

Het woud zonder genade

Sage over een Romeinse keizer die Holland probeert te veroveren


Tekst: Frank Jonker* | Beeld: Chris Evenhuis, inkleuring Sjan Weijers Š Comic House**

*F rank Jonker is auteur van stripscenario’s en korte verhalen. Zijn verhalen staan onder andere in Donald Duck, Tina en Penny. **C hris Evenhuis kwam tijdens zijn studie Milieuwetenschappen en Biologie in aanraking met de stripwereld, door als illustrator en striptekenaar te werken voor onder andere The Darkness voor Top Cow. Na zijn studie is hij aan de slag gegaan als conceptontwerper voor computergames. Strips publiceert hij vooral in Frankrijk.

39


40

de plek

sfinx

Een op het Veluwse zand Radio Kootwijk: al negentig jaar modern Staatsbosbeheer beheert naast zo’n 250.000 hectare natuur ook bijna vijfhonderd rijksmonumenten: landgoederen, buitenplaatsen, historische tuinen, boerderijen, religieuze, militaire en industriÍle monumenten. De verbinding tussen monument en omgeving schuilt vaak in verhalen. Die kunnen echt gebeurd zijn of louter fictie. Maar altijd zijn ze de moeite van het vertellen waard.


41

Tekst: Marcel van Ool* | Beeld: Staatsbosbeheer

Lange tijd onbekend

bij het grote publiek, maar toch een van de markantste gebouwen van Nederland: Radio Kootwijk, het voormalig radiotelegrafisch zendstation van de Nederlandse staat. Het hoofdgebouw, ook Zendgebouw of Gebouw A genoemd, is onderdeel van een groter complex dat in 1923, precies negentig jaar geleden, op het Kootwijkerzand bij Apeldoorn gereed­ kwam. Doel was om de communicatie ‘via de ether’ met de koloniën, met name Nederlands Oost-Indië, mogelijk te maken. Voor die tijd waren er wel kabelverbindingen, maar de Eerste Wereldoorlog had duidelijk gemaakt hoe gevoelig vaste lijnen zijn voor sabotage. De keuze voor de locatie van het zendstation lag enigszins voor de hand: Kootwijkerzand was staatseigendom (het was van Staats­ bosbeheer) en er was dus geen lastige onteigeningsprocedures nodig. Nog belangrijker was de afgelegen ligging van het terrein, dat bestond uit heide en stuifzanden die al voor een deel door middel van bebossing waren vastgelegd. In deze praktisch onbewoonde woestenij had men nauwelijks last van verstoringen bij het radioverkeer. Dat verkeer bestond bij de oplevering nog uit telegrammen en Radio Kootwijk heette officieel ‘Openbare telegraafdienst van Nederland naar Nederlands Oost-Indië.’ Wat een wonder van techniek was het toen het in 1929 mogelijk werd ook met die overzeese gebiedsdelen te telefoneren! Een stem te horen van 12.000 kilometer verderop… Voor degene die wat technischer is aangelegd: het telefonische contact over zo’n grote afstand kon plaatsvinden door radiosignalen op een zeer korte golf uit te zenden, een ontdekking van de Nederlandse radioamateur H.J. Jesse. De woorden die Koningin-moeder Emma sprak bij de officiële ingebruikname van het telefoonverkeer tussen Nederland en zijn kolonie zijn legendarisch geworden: ‘Hallo Bandoeng. Hallo Bandoeng. Hoort u mij!?’ Vanaf 1929 was de Rijksradio Telefoondienst voor het betalende publiek opengesteld. Om er gebruik van te maken, moest je een gesprek aanvragen ‘aan een rijkstelefoonkantoor’. Kijk op www.hierradiokootwijk.nl voor verhuur en meer informatie. Of check www.staatsbosbeheer.nl/ radiokootwijk voor routes en excursies. *Kunsthistoricus Marcel van Ool is werkzaam bij Staatsbosbeheer

Drie minuten bellen met Soerabaja kostte f 34,50. Het lage (zaterdagmiddag)tarief voor een gesprek met Java was 21 gulden! Het fascinerende aan het hoofdgebouw van Radio Kootwijk was dat het een echt nieuwe ontwerpopgave betrof. In Duitsland had men weliswaar al ervaring met de constructie van zendgebouwen, maar daarvan had men voornamelijk geleerd hoe het niet moest. Om te kunnen zenden zijn grote hoeveelheden energie nodig en de stalen balken die in Duitsland gebruikt waren ‘absorbeerden’ te veel energie, wat de zendingen verstoorde. Door het gebruik van stalen spijkers in hout ontstonden bovendien regelmatig kleine brandjes. De Duitse maatschappij Telefunken, die ook Radio Kootwijk realiseerde,

muren om de koelvijver, – tegen instuivend zand –, als de voorpoten. Dat maakt Kootwijk tot een soort symbolische ‘architecture parlante’. De belangrijkste sculpturen die het gebouw verfraaien zijn van de beeldhouwer H. van den Eijnde, die vooral bekend is van zijn werk voor het Utrechtse postkantoor op de Neude. Eerder had hij leiding gegeven aan het beeldhouwers­ atelier dat belast was met de decoratie van het Scheepvaarthuis in Amsterdam. Boven de deuren in de zendtoren van Radio Kootwijk, de centrale entree van het hoofd­ gebouw, heeft Van den Eijnde een reliëf aangebracht. Het stelt twee vrouwenfiguren voor, personificaties van Europa en Azië, die een roepende mannenkop flankeren die voor

“De woorden van Koningin-moeder Emma bij de ingebruikname zijn legendarisch geworden: ‘Hallo Bandoeng. Hallo Bandoeng. Hoort u mij!’” formuleerde nieuwe strikte regels voor Radio Kootwijk en geeft het advies om in gewapend beton te bouwen. Architect Jules M. Luthmann en constructeur J. Emmen, die het relatief nieuwe materiaal goed in de vingers had, bedachten voor de machinehal van het zendgebouw een ingenieuze overkapping waarbij de betonnen ‘spanten’ naar het midden toe verdunnen zodat er weinig metaal nodig is om de boel te dragen. De enorme hal, van 23,5 bij 35 meter kreeg zeven van deze elegante betonnen vormen die het dak dragen. Wie dit deel van het gebouw ziet, moet toegeven dat grote schoonheid kan ontstaan wanneer de vorm de functie volgt, zoals een overbekend architectonisch voorschrift uit die tijd luidde. Maar in Radio Kootwijk is meer aan de hand! Het geheel is zeker geen puur functionalistisch gebeuren. Architect Luthmann schijnt weleens gezegd te hebben dat de nieuwe radio­ technieken hem geheimzinnig voorkwamen en dat hij daarom het hoofdgebouw als een sprekende sfinx in het Kootwijkse zand heeft ontworpen. En wie wil, kan dat mythisch wezen nog steeds in het gebouw zien, met de

Nederland staat dat Oost en West verbindt. Gebouw en reliëf zijn letterlijk aus einem guss. Het hoofdgebouw is een totaalkunstwerk, waarbij alles de hand van meesterontwerpers verraadt; van vloerpatroon tot raampartij, van deurknop tot belettering in verschillende reliëfs. De glorietijd van Radio Kootwijk als zend­ station is allang voorbij. Het complex werd in 2003 door KPN verkocht aan de overheid. Uiteindelijk werd Staatsbosbeheer eigenaar en stelt nu Radio Kootwijk open voor mensen en organisaties die aan de slag willen met ontwikkeling van nieuwe concepten, met creatie en co-creatie, met kunst, muziek, theater. En er is nog veel meer te ontdekken dan alleen het hoofdgebouw! Er zijn allerlei geweldige bijgebouwen, waarbij zeker de watertoren, ook in beton en ook van Luthmann, vermeld moet worden. De excursies die met regelmaat georganiseerd worden zijn dan ook zeker de moeite waard. Maar het meest indrukwekkend aan Kootwijk is de ligging. Het monument baadt in Veluwse rust en ruimte. Die overvallen je op weldadige wijze. Elke keer weer. 


42

in het volgende nummer:

nr.14 over wildernis, natuur en sublieme ­ervaringen

Angstaanjagend en groots, een verkenning van sublieme natuurervaringen door filosoof Marjan Slob;  Kester Freriks en Bram van de Klundert wisselen wilderniservaringen uit; Jan Dobbe en Michiel de Jong in de stadsjungle;  Het landschap van tekenaar Peter van Straaten;  Hoe komt Hunebed de Papeloze Kerk aan zijn naam? Marcel van Ool vertelt het en Marissa Delbressini verstript de oude ballade van de Elfenkoning.

Word abonnee! Voor slechts € 25,–! Als abonnee krijgt u GRNVLD, magazine over het verbinden van stad en land, vier keer per jaar toegestuurd. Daarnaast: als abonnee bent u automatisch vriend van de Stichting Groeneveld. Als vriend • hebt u gratis toegang tot het kasteel voor uzelf en een introducé, • wordt u uitgenodigd voor openingen en andere activiteiten en • krijgt u korting op speciale publicaties en ander artikelen. Abonnee worden kan op drie manieren: • stuur een briefje met uw naam, adres, telefoonnummer en emailadres aan: Stichting Groeneveld, Antwoordnummer 586, 3740 VB Soest Nijverheidsweg. Een postzegel is niet nodig. • stuur een mail met dezelfde gegevens aan info@kasteelgroeneveld.nl • of bel naar 035 5420446.


[ advertorial ]

KASTEEL GROENEVELD, BUITENPLAATS VOOR STAD EN LAND DIV. AUTEURS, KASTEEL GROENEVELD, BUITENPLAATS VOOR STAD EN LAND, UITGEVERIJ THOTH, ISBN 978 90 686 8596 1 (€ 24,95)

De verbouwing van Kasteel Groeneveld was aanleiding tot een zoektocht in de tijd. Het verleden van Kasteel Groeneveld komt tot leven in vijf essays. De auteurs doen een aantal verrassende ontdekkingen. Zoals die van Barbara Joustra over Karel Appel en de schilderkunst in de Grote Zaal. “Ik schilder als een barbaar in een barbaarse wereld” roept Karel Appel. Zijn doek van ruim twee bij drie meter wankelt op de schildersezel, terwijl hij smijt met verf. Hij spuit het zo uit de tube, of mengt met grote kwasten en plamuurmessen kleuren en vormen dik op het linnen. Deze beelden werden legendarisch. Het was de al even rebelse journalist en documentairemaker Jan Vrijman die er voor koos de schilder Karel Appel in 1961 zo vast te leggen. Zijn film De werkelijkheid van Karel Appel ontstond dankzij de gastvrijheid van de familie Colson op Groeneveld. Want Vrijman had een grote ruimte nodig om de beweeglijke Appel te kunnen vastleggen. Als tijdelijk atelier koos Appel op de bel-etage de Grote Zaal, toen nog aangeduid als Wapenzaal: diverse wanden waren volgehangen met antieke wapens. Hoewel juist deze ruimte onderdeel uitmaakte van de persoonlijke vertrekken van de Colson, schikten die zich zonder morren in de aangrenzende ruimte, de voormalige Eetkamer. Ze vonden alles prima. Zelfs toen Vrijman voorstelde de wanden van de Wapenzaal helemaal zwart

men? Zijn werken vond men maar kinderlijk en primitief.

te maken, zodat de schilderende Appel goed op de film kwam zonder afleidende achtergrondbeelden. De Colsons en hun kring waren in de jaren ‘50 en ‘60 ruimdenkend en ontvankelijk voor nieuwe ideeën en kunstvormen. Zij vormden in Nederland een uitzondering. Terwijl Appel vanaf de periode na de Tweede Wereldoorlog in New York, Parijs en Kopenhagen als vernieuwend schilder werd erkend, bleven zijn werken en uitspraken in eigen land op grote weerstand stuiten. Zo verging het ook de film van Vrijman. Internationaal viel de film in de prijzen, maar in Nederland werd hij lange tijd verguisd. De kunstbeleving stond hier nog niet open voor dit werk. Hoe kon een schilder die zo ruw te werk ging, zichzelf een goede kunstenaar noe-

Bijna 200 jaar voordat Appel zich de Grote Zaal als tijdelijk atelier toe eigende, lieten de toenmalige bewoners in diezelfde zaal op de wanden zogenaamde geschilderde behangsels aanbrengen, een heel ander genre dan de “barbaarse” werken van Karel Appel. Behalve de raamwand werd het vertrek rondom voorzien van levensgrote arcadische landschappen, waardoor het lijkt alsof men zich in een fantasiewereld begeeft. Een geïdealiseerd landschap dat Italiaans aandoet met heuvels, waterpartijen, decoratieve gebouwen en ruïnes is “gestoffeerd” met figuren van verschillende standen: boerinnen en herders rusten met hun dieren, terwijl een adellijke dame en heer te paard stil houden voor het oversteken van een rivier. Ter weerszijden van de dubbele deuren naar de Eetkamer (de zogenaamd porte brisée) zijn een dame en een heer geportretteerd. De interieurschilder Hieronymus Lapis signeerde dit werk in 1766 precies op de plaats waarin een verborgen deur naar de aangrenzende Muziekkamer in het behangsel is opgenomen. Deze behangsels hadden de tand des tijds bijna niet doorstaan – ten tijde van de Colsonperiode had men er al geen weet meer van, omdat ze onder verschillende lagen behang uit het zicht waren geraakt. Pas 15 jaar na de film van Vrijman kwamen ze tijdens de restauratie weer aan het licht.

Meer lezen? Boekenkrant.com


Kasteel Groeneveld, buitenplaats voor stad en land van het ministerie van Economische Zaken, wil stad en (platte)land opnieuw met elkaar verbinden.

En midden op de glooiing lag in ’t licht Een vierkant veld met bloemen, opgericht, Van bekervorm. Ze maakten met elkaar Een tafel, klaar voor ’t drinkgelag, en waar De gasten nog niet aanzitten. Vol wijn Staan al de kelken, dungesteeld en fijn Geslepen

Fragment uit Mei van Herman Gorter (1864-1927)

GRNVLD 13  

Magazine over het verbinden van stad en land

Advertisement