Issuu on Google+

&

Checks&Balances I jaargang 6, editie 2, 2010

In gesprek met:

Jaap de Hoop Scheffer Dubai: Parel of erwt van de Perzische Golf? Yemen: Al-Qaeda’s Comeback in the War on Terror China: ‘Godfather van ontwikkelingslanden’


Claudine Tsongo Mbalamya maakt zich sterk voor de vrouwen in DR Congo. Zij wordt hierin gesteund door VN resolutie 1325. Die is er voor alle vrouwelijke lansbrekers van deze wereld. Steun Claudine. Steun de VN resolutie 1325.

Ga naar vrouwenstaansterker.nl

Claudine Tsongo Mbalamya werkt in DR Congo voor DFJ, partnerorganisatie van ICCO.


Checks&Balances In deze editie Hoofdartikel 8

14

Jaap de Hoop Scheffer over zijn werk bij de NAVO

foto: rytc

Hij stond bijna zes jaar aan het hoofd van één van de belangrijkste verdragsorganisaties ter wereld, en zag in die periode deze organisatie en de wereld drastisch veranderen. Artikelen

Foto: Imre Solt

24

Foto: freedigitalphotos.net

30

8

Wat vindt Zwitserland?

10

Een Sovjet-vinger in Amerikaanse pap

17

Tussen embargo’s en ontwikkeling in Syrië

19

China: ‘Godfather van ontwikkelingslanden’

24

Dubai: een toekomst van meer met minder

32

De hypocrisie van het Nederlandse mensenrechtenbeleid

33

Al-Qaeda’s Comeback interviews

6

Koos van der Bruggen, secretaris van de Commissie Davids, over een controversieel rapport Op 12 januari 2010 presenteerde de Commissie Davids haar rapport over de besluitvorming inzake Irak. In 2003 besloot het toenmalige demissionaire kabinet om de BritsAmerikaanse invasie van Irak politiek te steunen – een beslissing die ernstig wordt bekritiseerd in het rapport.

30

Op weg naar een federaal Europa? Wat is Europeanisering voor fenomeen? Welke gevolgen heeft het huidige klimaat van eurosceptisme voor de toekomst van ‘Fort Europa’? 

33

foto: ammar abd rabbo

Rubrieken 4 Redactioneel 5 Bestuurlijk 9 Diary of... 12 Stageverslag 13 Bewogen leven 21 Cui Bono? 26 Leven na IB 27 Recensie 28 Versus 31 IB &... 34 Column 18

Cartoon

3


Redactioneel Colofon Checks & Balances is een uitgave van studievereniging Clio. C&B verschijnt vier keer per academisch jaar. Redactie Daan Soons Jessica van der Meij Kees Blom Lennart Noten Lisa van Wageningen foto: NAVO Bewerking: Lisa van wageningen

Beste lezer, Meldde ik de vorige keer nog dat met de gemeenteraadsverkiezingen de opmars naar de parlementsverkiezingen in 2011 zou worden gemaakt; hebben we nu een compleet ander politiek spectrum. Niet mei 2011 staat in het teken van nieuwe Tweede Kamerverkiezingen maar woensdag 9 juni 2010.

Maaike Slotema Marjon Op de Woerd Niels Goet Victor Kuijpens Eindredactie Hanna van Schie Joris Tamboura

Aan deze verandering is het nodige vooraf gegaan. Eerst natuurlijk het conflict binnen het huidige kabinet om de uitkomsten van de Commissie Davids. Er was geen adequaat volkenrechtelijk mandaat voor de Amerikaans-Britse inval in Irak in 2003, zo oordeelde de Commissie. Onze demissionair minister-president deed dit echter af als een mening, een zienswijze, een persoonlijke opvatting die hij niet deelde met de betreffende Commissie. Naast mij heeft ook de Commissie Davids met verbazing naar de reactie van Balkenende gekeken zoals je kunt lezen in het interview dat Checks & Balances hield met de secretaris van deze veelbesproken commissie, Koos van der Bruggen. Het interview kun je lezen op pagina zes van deze editie. Vervolgens bleek de Uruzganmissie de druppel die de kabinetsemmer deed overlopen, de Partij van de Arbeid besloot uit het kabinet te stappen. Balkenende IV werd zo geschiedenis.

Kenneth Jhinkoe Hoofdredactie Marjon Op de Woerd Freelance Astrid Dunselman Barbara Baarsma Bart Beltman Esther-Mirjam Sent Hedwich van der Bij Karsten J. Kip

Uit het belang dat politieke partijen aan deze kwesties hechten wordt duidelijk hoe belangrijk internationale betrekkingen zijn voor de nationale politiek. Onder andere de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en het trans-Atlantische samenwerkingsverband NAVO oefenen veelal grote druk uit op de aanwezigheid en bijdrage van Nederlandse troepen in het buitenland en dit beinvloedt het nationaal beleid. Jaap de Hoop Scheffer stond vijfenhalf jaar aan het hoofd van de NAVO en vertelt uitvoerig over zijn ervaringen als Secretaris-Generaal in het interview dat Checks & Balances met hem hield. Wat kun je verder nog verwachten in deze editie? Allereerst dat Nederland niet altijd geroemd wordt door internationale organisaties. Human Rights Watch, de Raad van Europa, Amnesty International en het VN-kinderrechtencomité hebben rapporten uitgebracht waaruit blijkt dat Nederland op regelmatige basis mensenrechten schendt. Interesse gewekt? Lees meer hierover op pagina 25. Daarnaast besteedt Checks & Balances aandacht aan het buitenlandsbeleid van China ten aanzien van Afrika. Miljardeninvesteringen door het bedrijfsleven en de staat geven China zowel economische als politieke invloed in ‘s werelds armste continent. Wat de gevolgen hiervan zijn voor China, het Westen en voor de Afrikaanse bevolking lees je in het artikel op pagina 19. Verder zoomt Checks & Balances in op Jemen, lid van de Arabische Liga en veelal in het nieuws vanwege een vermeende Al Qaida-opleving aldaar. Lees dit Engelstalige artikel op pagina 33. Graag wil ik nog even de aandacht vestigen op een nieuwe ontwikkeling binnen Checks & Balances. Bij het uitkomen van deze editie heeft Checks & Balances haar eigen website gelanceerd. Surf naar checks.clio.nl en ontdek! Namens de redactie wens ik je heel veel leesplezier, Marjon Op de Woerd Hoofdredacteur Checks & Balances

4

Pieter Swieringa Vera Knoops Cartoon Dave Hoogakker Vormgeving Lisa van Wageningen Druk Thieme Groningen Oplage 1300 stuks Adresgegevens Checks & Balances Oude Kijk in ‘t Jatstraat 26 9712 EK Groningen E-mail: check@clio.nl Website: www.checks.clio.nl


Bestuurlijk

Beste lezer,

Ten tijde van schrijven is het kabinet net gevallen. Ook het vierde kabinet-Balkenende heeft de eindstreep niet gehaald. Balkenende bond nog in na zijn – ietwat – ongelukkige uitlatingen over de bevindingen van de commissie-Davids, maar tijdens de onderhandelingen over verlengde militaire steun aan Afghanistan zegden Wouter Bos en de PvdA het vertrouwen in de regering op en trokken de spreekwoordelijke stekker uit het kabinet. Voor ons – studenten van de politieke wetenschappen – is dit interessant nieuws. Niet alleen omdat de militaire missie in Afghanistan een internationaal probleem is, maar ook omdat we nieuwsgierig zijn naar de uitslag van de volgende verkiezingen. Het viel me op dat de politieke crisis de desbetreffende zaterdag, toen het kabinet net een paar uur gevallen was, niet het gesprek van de dag was. Ik zat in een overvolle trein richting de Randstad en luisterde naar de gesprekken om me heen, maar niemand had het over de val van het kabinet! Natuurlijk moet de nieuwste Tupperware-lijn, net op de kop getikt op de Huishoudbeurs, ook uitvoerig besproken worden, net zoals de terugkomst van Calimero op tv maar de val van het kabinet geeft ook genoeg gespreksstof, lijkt mij. Hopelijk gaan mensen zich weer meer in de politiek verdiepen als er begin juni weer gestemd mag worden voor een nieuwe regering. Eind mei zit voor ons het bestuursjaar er ook weer op. Na een jaar lang van alles geregeld te hebben en vooral ook veel plezier te hebben gehad is het dan voor ons tijd om het stokje aan het volgende bestuur door te geven. Maar niet voordat er nog een aantal mooie Clio-activiteiten georganiseerd is. Zo vindt op 20 april het Clio-congres plaats. Dit jaar zullen onder andere Max van den Berg en Maarten van Rossem hun visie op het onderwerp Europeanisering geven. In het weekend van 24 april zullen door de – zowel sportieve als de totaal niet sportieve - Clio-leden de longen weer uit het lijf gerend worden tijdens de jaarlijks terugkerende Batavierenrace. En last but not least zullen vijftig Clio-leden eind april naar Israël en Palestina afreizen om daar niet alleen vakantie te vieren, maar ook wat te leren over de problematiek aldaar. Dan rest mij niets dan jullie veel leesplezier in deze Checks & Balances te wensen en hopelijk zie ik jullie op een van de Clio-activiteiten! Namens het Clio-bestuur, Clio Bestuur v.l.n.r. Sam Trompert, Gerbrich Salverda, Daan Soons, Sanne Roefs en Michaël Brevet.

Sanne Roefs Voorzitter

Klik n u doo r naar check voor n s.clio.nl Check og meer s & Ba lance met s

o.a. ac h van ge tergrondinf orm pla en reg elmati atste artikel atie e g nieu we pu n blicati es

5


‘Wij hebben met enige verbazing naar Koos van der Bruggen, secretaris van de Commissie Davids, over een controversieel rapport TEKST: Kees Blom & Niels Goet

Op 12 januari 2010 presenteerde de Commissie Davids haar ruim vijfhonderd pagina’s tellende rapport over de besluitvorming inzake Irak. In 2003 besloot het toenmalige demissionaire kabinet om de Brits-Amerikaanse invasie van Irak politiek te steunen – een beslissing die ernstig wordt bekritiseerd in het rapport. Checks & Balances sprak hierover met Koos van der Bruggen, secretaris van de commissie.

h

eeft u het idee dat u bij het onderzoek toegang heeft gekregen tot alle beschikbare informatie?

‘Ja, ik denk dat wij alles gekregen hebben. De ministeries hadden zelf al een selectie gemaakt van alles wat met de besluitvorming-Irak te maken had. Daar kregen we zonder meer toegang tot. Daar zit natuurlijk het risico aan vast dat ze er bepaalde dingen uit kunnen halen. We zijn er voor 99,9 procent zeker van dat dat niet gebeurd is. Wel kwamen we soms in archiefstuk A een verwijzing tegen naar een archiefstuk dat er niet bij zat. Maar als we daar naar vroegen, kregen we het zonder meer. Toen we begonnen kregen we van het Ministerie van Defensie een brief waarin stond: ‘Bedenk wel, er staat hier 180 strekkende meter archief dat met Irak te maken heeft’. Dat is natuurlijk onbegonnen werk. We waren dus heel blij dat ze een voorselectie hadden gemaakt.’ ‘Er waren een paar uitzonderingen. Die betroffen met name informatie van de Algemene Inlichten- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) die direct van buitenlandse diensten afkomstig was. Wij kregen dan wel in te zien hoe de AIVD of de MIVD een analyse had gemaakt van een document dat zij van de Britse, Amerikaanse of andere geheime dienst hadden gekregen. Maar alleen als die buitenlandse dienst daar zelf toestemming voor gaf, konden we inzage krijgen.’

6

Hoe snel kwam de commissie tot de conclusie dat er geen volkenrechtelijk mandaat was voor de inval in Irak? Was dat iets dat in het begin al naar voren kwam?

‘We hadden met professor Nico Schrijver een deskundige op dat gebied (volkenrecht, red.). Hij had de visie dat het toch wel dubieus was. In de commissievergaderingen zijn er allerlei discussies gevoerd en hypotheses gesteld. De commissie heeft zich niet al te vroeg vastgelegd op bepaalde standpunten. We hebben daar uiteraard uitvoerig over gepraat met de personen die we geïnterviewd hebben. Met name het volkenrechtelijke aspect is voorgelegd aan oud-politici, maar ook aan medewerkers van Buitenlandse Zaken en Defensie die zich met dit soort zaken bezighouden. Uiteindelijk bleek wel dat de redenering die door het kabinet gehanteerd werd, niet toereikend was.’ Balkenende doet het hele rapport af als een visie, behalve de twee zaken – de benoeming van Jaap de Hoop Scheffer als Secretaris-Generaal van de NAVO en de afwezigheid van militaire betrokkenheid – die hij ziet als feiten. Dat kan toch niet?

‘We hebben als commissie afgesproken om ons buiten de politieke discussies te houden. Voor de commissie geldt dat alle conclusies gebaseerd zijn op feitelijk onderzoek. Wij maken geen onderscheid tussen conclusie a of conclusie b. In de commissie zaten leden met verschillende politieke visies, maar die


FOTO: US Army

Soldaten in Irak: met of zonder volkenrechtelijk mandaat, ze zitten er toch

r de reactie van Balkenende gekeken’ hebben geen rol gespeeld bij de oordeelsvorming. We hebben ons ook niet bezig gehouden met de eventuele politieke consequenties. Maar om alleen de conclusies die toevallig wel in de lijn van het kabinet passen, feiten te noemen, is natuurlijk opvallend. Laat ik het zo maar formuleren.’ Deze reactie van Balkenende had u niet verwacht?

‘Nee. Dit had denk ik niemand verwacht, vriend noch vijand. Want ik denk dat hij ook in eigen kring het nodige commentaar heeft gekregen op deze wijze van handelen. Wij hebben er met enige verbazing naar zitten kijken. Het was veel slimmer geweest als hij had gezegd: ‘We gaan het heel zorgvuldig bestuderen en er is een aantal conclusies waarbij we misschien vraagtekens zullen stellen. Maar we komen er uitvoerig op terug.’ Het is voor hemzelf natuurlijk ook erg slecht geweest: het heeft bijna een kabinet gekost.’ Balkenende zegt nu ook dat regime change destijds een argument was om de oorlog te steunen. Hoe staat de commissie hier tegenover?

‘Formeel heeft het kabinet destijds nooit gezegd dat ze de inval steunden omdat Saddam Hoessein zo’n schurk was. Daar was iedereen het wel over eens. Dan zou je dus op argumenten van humanitaire interventie terecht komen en daar heeft het kabinet nooit een beroep op gedaan. Juist ook omdat dat op zeer gespannen voet staat met opvattingen in het volkenrecht en de Verenigde Naties. Dus daar kunnen ze zich niet op beroepen.’ In het rapport staat dat in een brainstormsessie in augustus 2002 onder leiding van De Hoop Scheffer het beleid ten aanzien van Irak al was vastgelegd. Balkenende zegt dat er daarna nog wel over gesproken is, maar dat het standpunt niet is gewijzigd. Klopt dat?

‘Wat wij hebben vastgesteld is dat die brainstormbijeenkomst in augustus 2002 heeft plaatsgevonden met een aantal ambtenaren. Dat was overigens niet de enige brainstormbijeen-

komst, er waren meer van die bijeenkomsten om de nieuwe minister (van Buitenlandse Zaken, red.), De Hoop Scheffer, in te lichten over belangrijke beleidsterreinen. De uitkomst was dat, als de Verenigde Staten zouden besluiten tot ingrijpen, wij die lijn zouden steunen. Daaraan is vastgehouden. Dat betekent niet - dat is misschien in sommige media wel gesuggereerd - dat de discussie na die tijd niet meer gevoerd is. Uiteraard zijn er nog discussies gevoerd, maar men is niet van de hoofdlijn afgeweken. Je kunt zelfs zeggen dat in een aantal gevallen informatie die andere kanten op wees, niet of onvoldoende is meegenomen. Soms is zelfs expliciet gezegd: ‘Daar hebben we geen behoefte aan’. Dus ze hielden wel echt vast aan één lijn?

‘Balkenende was net minister-president, had op buitenlandterrein geen enkele ervaring. Hij kende De Hoop Scheffer al langer, dus het is heel begrijpelijk dat hij op diens koers heeft gevaren. Het is logisch dat hij, zeker in die beginfase, het aan De Hoop Scheffer overliet. Toen het urgenter werd moest hij zich ermee bemoeien. Dat is tamelijk laat gebeurd. Ook hij heeft daarbij te weinig kritisch gekeken naar tegengeluiden.’ Wil je meer weten over de werkwijze van de commissie Davids, de rol van partijpolitiek in de besluitvorming rond Irak, en de conclusies van de commissie? Surf dan naar checks.clio.nl!

De belangrijkste conclusies van de Commissie Davids in een notendop: •

• • •

De corpustheorie (het negeren van meerdere VN-resoluties door Irak als reden om in te grijpen) is volkenrechtelijk gezien niet valide De VS hebben ‘regime change’ wel als argument gebruikt; Nederland bewust niet De beleidslijnen van het kabinet over Irak zijn in een korte brainstormsessie in augustus 2002 al bepaald Nuancerende informatie over het wapenarsenaal van Irak is soms bewust genegeerd

7


Wat vindt Zwitserland? Wel of geen minaretten: nu drukken alstublieft TEKST: Kees Blom

Zwitserland wordt wel gezien als het meest democratische land ter wereld. Deze bewering wordt gebaseerd op het systeem van directe democratie dat verankerd zit in de Zwitserse politiek. Dit systeem wordt gekenmerkt door een hoge frequentie van referenda en burgerinitiatieven, waardoor burgers zeer nauw betrokken zijn bij de politieke besluitvorming. Dit bejubelde stelsel kwam echter in opspraak toen de Zwitsers in november 2009 via een referendum lieten blijken geen minaretten te dulden in hun landschap van bergen en Milka-koeien. Aanzienlijke imagoschade was het gevolg. Is dit systeem wel zo ideaal als het lijkt?

A

llereerst moet opgemerkt worden dat Zwitserland geen totale directe democratie is, maar een representatieve democratie met directe invloeden, zoals het burgerinitiatief en het referendum. Sinds de tweede democratische transformatie - van stadstaat naar nationale staat - zoals deze door Dahl is omschreven, is het vrijwel onmogelijk om een volledige directe democratie te handhaven.

Zwitserland kent twee soorten referenda. Om grondwettelijke wijzigingen en internationale verdragen door te kunnen voeren, dient een verplicht referendum gehouden te worden. Hierbij moet zowel een meerderheid van de stemmers als een meerderheid bij de kantons (deelstaten) behaald worden. Daarnaast bestaat het optionele referendum. Dit kan door 50.000 Zwitsers worden aangevraagd over ‘normale’ wetgeving.

Opgevoede burgers

Voorstanders van referenda zien dit anders. Volgens hen zijn burgers wel degelijk in staat om de juiste keuze te maken. Sterker nog, het gebruik van referenda zou de burgers ‘opvoeden’: het dwingt ze om na te denken over politieke zaken. Via het publieke debat dat ontstaat, krijgt de burger nieuwe inzichten. Vervolgens kan men een weloverwogen keuze maken die het belang van het volk dient, in plaats van het eigen belang. Een keuze die ook nog eens dichter bij de wil van het volk ligt. Critici betwijfelen echter of dit in de praktijk ook daadwerkelijk gebeurt, zeker op nationale schaal. En als er dan een ‘publieke smaak’ gevonden wordt, is het dan nog wel nodig om er over te stemmen? Bovendien beweren zij dat degenen die de keuzemogelijkheden op het stembiljet bepalen, op die manier de uitkomst kunnen sturen. Het is dus maar de vraag of een referendumuitslag de wil van het volk weergeeft.

Tirannie van het volk

Dat het Zwitserse systeem zo geprezen wordt, is op het eerste gezicht niet zo verrassend. De hoge frequentie van referenda en burgerinitiatieven biedt burgers de mogelijkheid zeer direct betrokken te zijn bij de besluitvorming. Ook stimuleert het parlementariërs om goed naar de wil van het volk te luisteren, omdat ze afgestraft zullen worden middels een referendum wanneer zij dit nalaten. Ondanks deze voordelen, bestaat er ook al sinds jaar en dag kritiek. Vooral in de negentiende eeuw, tijdens de beginfase van dit systeem, vreesden velen voor een ‘tirannie van het volk’: de meerderheid kan immers beslissen om bepaalde fundamentele rechten af te schaffen. Hoewel dit argument in deze term nauwelijks meer voorkomt, richten critici hun pijlen nog steeds op het volk. Het volk zou namelijk niet in staat zijn om beslissingen van wettelijke aard te nemen, simpelweg omdat het ze aan de benodigde kennis ontbreekt. Zij zien deze taak weggelegd voor parlementariërs, die er voor betaald krijgen om zich in politieke materie te verdiepen en, in dienst van het volk, de juiste beslissing te nemen.

8

Een ander kritiekpunt is dat, door het gebruik van referenda, het doorvoeren van hervormingen wordt bemoeilijkt. Het is bewezen dat campagnes voor nee-stemmen effectiever zijn dan voor ja-stemmen. Dit zou betekenen dat een referendum-systeem ten gunste van de status quo zou werken. Zo werd het algemeen vrouwenkiesrecht in Zwitserland pas in 1971 aangenomen. Anderen verwerpen dit punt, waarbij ze wijzen op ‘normale’ democratieën waar hervormingen ook traag verlopen. Bovendien kan worden opgemerkt dat in veel landen (waaronder Nederland) een tweederde meerderheid van het parlement nodig is om een grondwettelijke wijziging door te voeren, terwijl in Zwitserland slechts een meerderheid van volk en kantons volstaat. Dat maakt het makkelijker om hervormingen door te voeren, zoals het minaretverbod bevestigt. Het is duidelijk dat referenda de politieke betrokkenheid van burgers vergroten. Of dit wenselijk is, en of de doorsnee burger deze taak aankan, is een tweede. Moet dit referendum-systeem na het controversiële minaretverbod gehandhaafd blijven? Misschien is dat een goede vraag voor het volgende referendum.


Diary of…

Pieter Swieringa Monday

Wednesday

Some say oil is the black gold. They are wrong – coffee is. EsYou can listen to music while you grade exams, which is a pecially on Monday morning. Luckily my office-mate Meg huge advantage when you are an obsessive music lover like Williams (History Department) agrees, so we usually share the I am. Right now, I am listening to [Insert: obscure composers pleasure of a regular caffeine-fix. Unfortunately, she is not in and cult artists to impress both colleagues and students]. this morning, so my coffee addiction and I are alone in the After grading all morning I have a desk lunch and room. But today, having the room to myself is very convenient. switch off the music, because I’ve deWhy? Well, I have a lot of grading to do today. Most of the time cided to start reading the I share the office with a total of three most friendly colleagues research pa–yes, they expect me to say nice things about them in this little diary that I am writing- so you can get distracted quite easily. Now I’ll be able to focus on those seven hundred exams, that I’ll work on for the rest of the e: day. [Edit: the rest of the week] Nam

ringa e i w .M. S

Tuesday

Sex

:

Grading exams is very, very exciting work. One Job of the highlights of life in academia, as all my colleagues will agree. Today however I will work on my research proposal. I have drs. in front of my name, but plan on erasing that ‘s’. This means writing a research proposal that is strong enough to obtain a PhD research position at the Groningen Graduate School for the Humanities. And that is everything but an easy task. Luckily, several colleagues have offered to read my research proposal on cultural diplomacy in EU-China relations and give most useful comments. Of course, I return the favor and end the day with an article on 16th-century diplomatic networks. Some historians are great storytellers.

P.C Drs. O IR/I Male r e r Lectu le :

pers for the graduate research class on EU-China relations. Several students manage to provide an impressive and authentic analysis. The best paper will be awarded an original Chinese propaganda poster, which I managed to scoop up during my visit to a Beijing flea-market last summer. These posters are absolutely fantastic, which is why I am trying to organize an exhibition on them at the Groningen Museum for Graphic Art. The day ends with a phone call to Stefan Landsberger -- the number one collector of Chinese propaganda posters in the Netherlands -- who expresses his interest in the proposed exhibition. He promises we can use posters from his collection.

Tit

9


Diary of...

Een Sovjet-vinger in Amerikaanse pap? TEKST: Lennart Noten

Thursday

This morning starts with a meeting. Professor Van der Harst and I discuss the conference volume on EU-China relations that we are working on. Everything seems to go according to plan, although we did receive a rather disturbing email…one of the conference participants wrote us to say that his entire department had been abolished due to the financial crisis. After the meeting, I prepare for this afternoon’s International Organization seminar. An hour later, I step on my bike to go to the A-weg, the polar reaches of the humanities faculty. At the end of the class, we have a discussion about Timosjenko’s hair. How on earth does she manage to organize it that way? Okke Faber (one of the students) took a student trip to Ukraine and shares his story: One of his fellow students had been drinking and at a meeting with several Ukrainian officials boldly asked if there was any chance that parts of her hair were fake? The response was some mumbling, no straightforward yes or no and a vague smile. It is quite tempting to take that as a yes.

Friday

The larger part of this morning was spent on grading, so the NGIZ (Nederlands Genootschap Internationale Zaken/Netherlands Society for International Affairs) board meeting offers a welcome distraction. The NGIZ is in the middle of organizing an impressive series of activities, such as a Diplomacy Masterclass at the Clingendael Institute. Do yourself a favor and check the NGIZnoord website. Fridays are busy, so I should go back to my desk after the meeting and stick to my tight schedule. Nonetheless I justify going to the nearby Timbuctoo bookstore by reminding myself that punctuality is the thief of time (thank you, Mr. Wilde). An intellectual excuse for straightforward simplistic consumerism, which leaves me with a volume of Susan Sontag essays. It really is much more fun to grade when you know you can spend Sunday afternoon reading Sontag and her perspective on fascist aesthetics: ‘The color is black, the material is leather, the seduction is beauty, the justification is honesty, the aim is ecstasy, the fantasy is death’…I guess coffee is not the only black gold. There you go, shameless NGIZ promotion and snobbish name-dropping. No doubt a most satisfying way to end the week.

10

H

et communisme in de kapitalistische Verenigde Staten. Een vreemde, maar bestaande combinatie. Waarom is er dan zo weinig bekend over de Communistische Partij van de Verenigde Staten, de CPUSA? Zijn er zaken die beter niet aan het licht kunnen komen? Of heeft de partij eenvoudigweg nooit een rol van betekenis kunnen spelen in de Amerikaanse politiek? In de Verenigde Staten bestond al een socialistische partij sinds 1901. Ook in Moskou bleef dit niet onopgemerkt: in 1919 werd een ultralinkse vleugel van deze partij door Vladimir Lenin persoonlijk gevraagd om lid te worden van de Comintern. Door verdeeldheid binnen de ultralinkse vleugel ontstonden echter twee communistische partijen, iets wat de Comintern niet had voorzien. Op vriendelijk, maar dringend verzoek vanuit Moskou, was het ontstaan van de CPUSA een jaar later dan ook een feit. Het moge duidelijk zijn dat de Comintern zeker een vinger in de pap had. Dat is ook niet zo vreemd, als men bedenkt dat de CPUSA grotendeels werd opgebouwd met geld vanuit de Sovjet-Unie. Zo ontstond er een sterke band tussen de CPUSA en de Comintern. Deze band was echter niet geheel gebaseerd op reciprociteit: het was vooral de CPUSA die deed wat de Comintern wilde. De Comintern had grootste plannen: men wilde niets minder dan een communistische revolutie in de Verenigde Staten ontketenen. Om dit doel te bewerkstelligen werd er binnen de CPUSA een ondergrondse afdeling opgericht, die geheime kernen moest vormen binnen het leger, in munitiefabrieken en bij de spoorwegen en havens. Er is zelfs een communistisch stappenplan ontdekt om de Verenigde Staten geheel over te nemen, door onder andere te infiltreren in de pers en door controle over scholen te krijgen. Toch is Amerika zoals wij het vandaag de dag kennen één van de meest kapitalistische landen ter wereld. Er moet dus iets mis gegaan zijn met de plannen van de Comintern. Maar wat? Het probleem ligt vooral bij de CPUSA. In een kapitalistisch land was het voor de CPUSA erg moeilijk om veel leden te werven. Als de leden al aangetrokken werden door communistische ideeën, dan vertrokken ze al snel door de belabberde organisatie binnen de partij. De meeste leden waren ook nog eens werkloos, waarin ook direct de fout van de Comintern zelf schuilt: zonder baan is het immers onmogelijk te infiltreren in een fabriek of bij een haven. De vraag uit de inleiding is dus vrij eenvoudig te beantwoorden. Het gebrek aan leden en middelen om doelstellingen te kunnen behalen heeft er voor gezorgd dat de CPUSA nooit een rol van betekenis heeft kunnen spelen in de Verenigde Staten. De partij bestaat overigens nog altijd, maar kiest al jaren de zijde van de Democraten.


Are you A BAchelor student who wAnts to improve the quAlity of life?

come And explore the possiBilities of A mAster At wAgeningen university!

International Development Studies www.mid.wur.nl

Applied Communication Science www.mcs.wur.nl

msc open day April 9th 2010


Stage in Ghana Frustratie en verbazing gaan hand in hand

TEKST: Vera Knoops

Het ondersteunen van beginnende ondernemers middels een microkrediet, het opzetten van scholen, het slaan van waterputten: zomaar een greep uit de activiteiten van de Ghanese NGO waar ik stage loop. Ondanks dat frustratie en verbazing hand in hand gaan in dit West-Afrikaanse land kan ik hier met mijn brede IB/IO achtergrond zeker een rol van betekenis spelen.

S

inds drie maanden loop ik stage bij de NGO Co-operation for Integrated Development Ghana (CID) Bij deze organisatie houd ik mij bezig met de externe betrekkingen. Dit houdt in dat ik verantwoordelijk ben voor het onderhouden van relaties met alle lokale en internationale partnerorganisaties, het maken van beleid met betrekking tot de uitbreiding van de organisatie naar andere delen van Ghana en voor het ondersteunen van de directeur. CID bestaat sinds 2002, het hoofdkantoor van de organisatie is gevestigd in Tamale, in het noorden van Ghana.

De NGO is betrokken bij een breed scala aan ontwikkelingsprojecten als microkredieten, sponsoring van studenten, scholen en water- en sanitairvoorzieningen. Dit alles wordt gedaan vanuit een community based development-visie. Daarnaast is de organisatie medeoprichter van het samenwerkingsverband Coalition for Voluntary Organisations, Northern Ghana (COVO). Naast mijn werk bij CID zal ik daarom ook de voorzitster van dit samenwerkingsverband ondersteunen met het schrijven van een constitutie, een beleidsplan en de registratie bij de overheid. CID werkt samen met verschillende organisaties in Tamale zelf, hiernaast heeft de organisatie afdelingen in Zweden, Nederland, Groot-Brittannië, Ierland en Spanje. De Afrikaanse manier van werken is chaotisch. Op een morgen begint de dag met veel stress want die avond vindt er een vergadering plaats met een grote internationale NGO. Het is mij totaal onbekend of we dit pas sinds vandaag weten of dat deze meeting al weken op de agenda staat. In ieder geval moet er die dag een projectaanvraag en een presentatie voorbereid worden. Ik ga hiermee aan het werk en bespreek het werk vervolgens met de directeur en de projectcoördinator. Verwacht geen efficiënte aanpak; een dergelijke dag wordt gekenmerkt door discussies over details, van stress bij mijn collega’s lijkt geen sprake, zij lijken vooral bezig te zijn met an-

12

dere zaken. Rond etenstijd besluit ik even op en neer naar huis te gaan. Als ik vervolgens terug op kantoor kom blijkt dat we niet naar de betreffende vergadering gaan omdat het regent. Voor westerlingen is het onbegrijpelijk dat een NGO geld kan mislopen door de weersomstandigheden maar in Afrika is het simpelweg realiteit. Naast frustraties roept Ghana ook positieve verbazing op. Tamale is een overwegend islamitische stad. Tijdens de Ramadan zie je in de berm tussen twee drukke wegen moslims bidden omdat de moskee al vol is. Aan het einde van deze periode worden de christenen door de moslimburen getrakteerd op lekker eten en met kerstmis is dit andersom. Een opmerkelijke situatie wanneer je op het nieuws hoort over de religieuze conflicten in Nigeria, een buurland van Ghana. Nu terug naar het Ghanese werkleven, waar elke week weer anders is. Vaak beginnen we op maandag met een stafvergadering. Het brede karakter van IB/IO komt hierbij goed van pas. Zo kan het zijn dat we praten over microkredieten, het beleid van de overheid of de verhouding tussen de westerse NGO’ s en de lokale bevolking. Elke week bezoek ik NGO’s in Tamale om te bekijken of zij geschikt zijn om mee samen te werken. Deze organisaties hebben een aanvraag ingediend bij CID voor vrijwilligers en steun bij ontwikkelingsprojecten. Verschillende keren reis ik naar het zuiden van Ghana om met NGO’s te bespreken hoe ze samen met CID nieuwe ontwikkelingsprojecten kunnen opstarten of de werkzaamheden van CID kunnen voortzetten buiten Tamale. Daarnaast bereid ik elke drie weken een COVO-vergadering voor en leid ik de commissievergaderingen van dit samenwerkingsverband. Door mijn functie moet ik mijzelf de Ghanese manier van onderhandelen en netwerken snel eigen maken. Na jaren vanuit een globaal perspectief gekeken te hebben, is het prettig nu te leren over community based development en over de gang


Bewogen Leven TEKST: Jessica van der Meij

‘W

e hadden de overtuiging dat we het konden, nu moesten we het bewijzen’ aldus Johan Ferrier, de eerste president van de onafhankelijke republiek Suriname. Op 25 november 1975 werd om middernacht te Paramaribo de Nederlandse vlag gestreken en de nieuwe Surinaamse vlag gehesen.

Johan Ferrier werd op 12 mei 1910 geboren in Paramaribo. In zijn jeugd kwam Ferrier in aanraking met de Anansitories, verhalen over de sluwe spin Anansi, verteld door zijn oma. Tijdens zijn carrière als onderwijzer, die al op 17-jarige leeftijd begon, ontpopte hij zich als een geliefd verteller van deze tories, die ooit door Afrikaanse slaven naar Suriname gebracht werden. In 2002 bracht Ferrier Het grote Anansiboek uit. Dit verzamelde werk werd in Nederland een groot succes.

Vera Knoops tijdens nationale feestdag in Ghana

van zaken in een kleine ontwikkelingsorganisatie. Daarnaast krijg ik hier verantwoordelijkheden die je bij een Europese stage niet snel zou krijgen. Voorop staat dat Ghana een zeer prettig land is om te wonen met erg sympathieke mensen. Eén specifiek voorval is voor mij een illustratie van deze vriendelijkheid. Een medestagiaire had enige tijd geleden haar portemonnee verloren in een taxi. Een week later kwam er een man binnen in mijn kantoor, hij was opzoek naar ‘Tante Vera’. Deze man was een taxichauffeur. Wat bleek, hij liet zijn taxi wassen en er werd een portefeuille gevonden met een foto van een blank meisje en twintig Cedi’s erin, ongeveer 10 euro. De taxichauffeur ging terug naar het restaurant waar hij dit meisje naar toe had gebracht. Wonderbaarlijk genoeg wist de restauranteigenaar te vertellen dat er bij de kapsalon verderop iemand werkte die een blank meisje als huisgenoot heeft. Mijn gastzus werkt daar en herkende een van de medestagiaires op haar ACLO-pas. Zo kregen mijn medestagiaire de portefeuille terug met alles er nog in, ook de twintig Cedi’s waar je hier twee weken van kunt leven. In deze drie maanden heb ik CID mogen adviseren over hoe zij kunnen uitbreiden naar andere delen van Ghana, hoe zij kunnen professionaliseren en hoe zij zaken moeten doen. Verder is er een samenwerkingsverband van NGO’s opgezet. Kortom, ik heb een beeld gekregen van hoe het er aan toe gaat binnen een kleine NGO, heb een kip van een stamhoofd mogen ontvangen en een berg beklommen. Ik ben een ervaring rijker!

In 1947 vertrok Ferrier naar Nederland om sociale pedagogiek te gaan studeren. Na zijn promoveren aan de Universiteit Leiden keerde hij met zijn gezin terug naar Suriname, waar hij van 1955 tot 1958 minister-president en minister van Binnenlandse Zaken was. Na de val van het kabinet ging hij aan het werk als raadsadviseur van Nederland met betrekking tot de Europese Economische Gemeenschap. Voor kerstmis 1966 keerde hij terug naar Suriname. Hier werd Ferrier directeur van mijnbouwmaatschappij Billiton die in Suriname actief was bij de winning van bauxiet. Een jaar later werd hij gevraagd om gouverneur van Suriname te worden. Ferrier nam het ambt aan onder één voorwaarde: de Nederlandse regering moest aanvaarden dat hij in de eerste plaats op zou treden als het regeringshoofd van Suriname. Zijn voorwaarde werd geaccepteerd en in 1968 werd Ferrier beëdigd door koningin Juliana. Toen minister-president Joop den Uyl in 1973 in zijn regeringsverklaring aankondigde dat Suriname en de Nederlandse Antillen binnen de komende regeringsperiode onafhankelijk zouden worden, vond Ferrier dat Suriname de eer aan zichzelf moest houden. In februari 1974 kondigde premier Arron dan ook de onafhankelijkheid van Suriname aan. Ferriers verwachtingen over de toekomst van Suriname kwamen niet uit. Na drie jaar onafhankelijkheid gleed Suriname economisch af. De onvrede groeide en Ferrier maakte zich zorgen over de stabiliteit van de democratie. Zijn zorgen waren terecht want in de nacht van 24 op 25 februari 1980 werd een staatsgreep gepleegd onder aanvoering van legerleider Desi Bouterse. Toen Ferrier door Bouterse verzocht werd het kabinet te ontbinden en de grondwet buiten werking te stellen, weigerde Ferrier dit en vertrok hij met zijn gezin naar Nederland. Hij vestigde zich in Oegstgeest maar behield de Surinaamse nationaliteit, zijn hart lag immers in Suriname. ´Ik ben Surinamer in hart en nieren.’ Ferrier werd in 1958 Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en in 1999 werd hij gekozen tot Surinaamse politicus van de eeuw. Op 4 januari 2010 overleed hij in zijn huis in Oegstgeest. Johan Ferrier is 99 jaar geworden.

13


14


‘Je bent vooral procesbewaker en bemiddelaar’ Jaap de Hoop Scheffer over zijn werk bij de NAVO TEKST: Kees Blom & Niels Goet

Hij stond bijna zes jaar aan het hoofd van één van de belangrijkste verdragsorganisaties ter wereld, en zag in die periode deze organisatie en de wereld drastisch veranderen. Jaap de Hoop Scheffer, thans werkzaam als hoogleraar aan de Universiteit Leiden, sprak met Checks & Balances over zijn werkzaamheden als Secretaris-Generaal (SG) van de NAVO. Bent u opgelucht dat u zo’n zware verantwoordelijkheid niet meer hoeft te dragen?

‘Ik heb daar geen slapeloze nachten van gehad. Ik vind het goed voor de NAVO en voor mij persoonlijk dat er een limiet aan het mandaat van de SG zit. Je moet in dat soort functies niet tien jaar lang blijven zitten. Het is wel zo dat je op een bepaald moment belangrijke beslissingen moet nemen. Een onderwerp als Afghanistan en de doden die daar vallen, daar ben je wel mee bezig. Ik eiste ook altijd dat ik een aantal malen per dag zogenaamde situation reports uit Afghanistan kreeg, omdat ik heel snel wilde weten of er doden te betreuren waren aan NAVO-zijde, hoe de situatie in het veld was en of er burgerdoden gevallen waren. Ik mis die hectiek niet. Het grote verschil is dat er toen altijd een helikopter of een vliegtuig klaarstond als ik ergens heen wilde vliegen; nu zit ik op de fiets in Den Haag. Misschien slecht voor het ego, maar goed voor de bescheidenheid.’ In hoeverre kan de Secretaris-Generaal invloed uitoefenen op de koers die de NAVO vaart? Is dat gelimiteerd?

‘Ja die invloed is gelimiteerd. De SG is niet een CEO die zo maar de richting kan bepalen: de NAVO beslist door consensus. Maar de SG heeft natuurlijk een belangrijke rol om die consensus te bereiken. Je hebt formeel weinig macht. In het oprichtingsverdrag wordt de SG zelfs niet genoemd: de lengte van je polsstok wordt bepaald in de hoofdsteden van de NAVO. Op het informele vlak valt wel veel te bewerkstelligen. Bijvoorbeeld door in Brussel de rol van bemiddelaar te vervullen, door op ambassadeurs in te praten en door compromisvoorstellen te doen. Op deze wijze probeer je de landen op één lijn te krijgen. Als dat ook niet lukt, heb je nog een ander belangrijk informeel middel: dan bel je een minister, premier, of als het nodig is zelfs een president. Dan zeg je: ‘Jan, Piet of Klaas: we komen hier niet uit, jouw land heeft een probleem:

wat is dat probleem? En kunnen we daar samen een politieke oplossing voor vinden?’ Dat moet je niet te vaak doen want, dan wordt het wapen bot. Persoonlijk contact is ontzettend belangrijk. Die mensen moeten denken: in deze man heb ik vertrouwen.’ Dus het is vooral een rol als bemiddelaar, als procesbewaker, meer dan initiator?

‘Je bent procesbewaker en je bent bemiddelaar. Maar de SG heeft als initiator één heel belangrijk privilege: hij heeft agenderingsbevoegdheid. Als je dat goed gebruikt, heb je een heleboel invloed, wat iets anders is dan pure macht. Je moet als SG niet iedere dag in de media willen verschijnen, met sweeping statements van ‘ik vind dit’ of ‘ik vind dat’. Van die 28 landen zijn er dan altijd wel een paar die het er niet mee eens zijn. Dus als men mij vroeg, toen ik in Brussel woonde: ‘Waarom zien we je zo weinig in de media?’ dan zei ik: ‘Houden zo. Want als men mij in de media ziet dan betekent dat, dat er problemen zijn. Dus hoe minder je me ziet, hoe beter het is’.’ Wat ziet u als de belangrijkste ontwikkelingen onder uw mandaat?

‘De Afghanistan-missie is tijdens mijn mandaat aanzienlijk groter, steviger en breder geworden. Verder waren er toen ik aankwam negentien lidstaten; toen ik wegging waren het er 28. De uitbreiding van de democratische familie is natuurlijk een heel fundamenteel proces. Ook heb ik in mijn mandaat gezien dat de banden van de NAVO met bestaande en nieuwe partners enorm werden aangehaald. Daarnaast is het belangrijk dat Frankrijk aan het einde van mijn mandaat is teruggekeerd in de militaire structuur van de NAVO. De uitbreiding van de NAVO en het intensiveren van de partnerrelaties, inclusief het ondertekenen van een overeenkomst tussen NAVO en de Verenigde Naties, de joint declaration, zijn dingen waar ik wel een beetje trots op ben.’

15


Interview

Hoe was het om samen te moeten werken met de Verenigde Staten onder leiding van Bush? Hij was allergisch voor multilaterale samenwerking.

‘Dat is een te makkelijke conclusie. Ik heb George Bush vanaf 2004 meegemaakt en ik moet zeggen dat ik over die termijn geen klagen heb. Over de eerdere periode kan ik niet oordelen. Bush is in zijn tweede termijn veel multilateraler geworden. In zijn relaties met de Europese Unie, en ook binnen de NAVO. Toen ik kwam waren de wonden van de discussie over Irak nog heel vers. De NAVO was totaal gespleten, net zoals de Europese Unie en de Veiligheidsraad. Nog regelmatig zien we hier de nasleep van, zoals met de Commissie Davids. Die wonden moesten geheeld worden. Dat is vrij snel gelukt, sneller dan ik had verwacht. Zelf heb ik op constructieve wijze met Bush samengewerkt.’ Maar het was van zijn kant ook bittere noodzaak, want hij had u natuurlijk wel nodig met de problemen in Afghanistan en Irak.

‘Kijk, er zijn twee belangrijke lessen uit Irak te trekken. De Amerikanen hebben bondgenoten nodig: dat is een les voor de Amerikanen. De belangrijke les voor Europa is, dat als een eensluidend Europees standpunt zou moeten worden afgedwongen met het zich afzetten tegen de Verenigde Staten, het resultaat dan een totaal gespleten Europa is.’ U vindt niet dat er met Obama echt een omslag heeft plaatsgevonden?

‘Obama legt zeker andere accenten dan Bush. Maar naar mijn mening zijn de constanten in het buitenlands beleid van Amerika veel groter en sterker dan de variabelen. Eén van die constanten is dat Obama, en daar mogen we heel blij mee zijn als Europeanen, een rotsvaste Atlanticus is en in die zin de NAVO een heel warm hart toedraagt. Obama is een multilateralist pur sang. Hij heeft natuurlijk met een wereld te maken waar de economische machtspolen zich op een bepaald moment, onder andere in het geval van China en India, tot politieke machtspolen zullen ontwikkelen. Daarom noemt hij zichzelf óók een Pacific President. Voor ons betekent dat, dat wij die trans-Atlantische relatie niet meer per definitie als vanzelfsprekend kunnen beschouwen.’ Nu is het zo dat deze missie in Afghanistan behoorlijk impopulair is. Bovendien kent de NAVO geen burden-sharing; degene die deelneemt aan een missie moet ook zijn eigen kosten betalen. Maakt dat het niet moeilijk om in Europa, mede door de economische crisis, de benodigde troepen te krijgen?

‘Ik denk dat het huidige systeem niet houdbaar is op termijn. Momenteel is er een grote groep NAVO-landen die het troepenaantal opvoert, dus ik ben helemaal niet ontevreden. Maar het zal, naarmate de tijd verstrijkt, steeds moeilijker worden. Al was het maar omdat landen geen miljoenen overhebben

16

De Hoop Scheffer: ‘In het oprichtingsverdrag wordt de Secretaris-Generaal zelfs niet genoemd’

in de huidige crisis. Ondertussen zit er nog wel steeds een coalitie van 43 landen: alle NAVO-leden, plus een aantal partnerlanden. En ik zie dat ook wel zo blijven voor de naaste toekomst. Dus in die zin heeft Obama tot nu toe redelijk succes geboekt met zijn pleidooi voor meer troepen.’ Nu het kabinet is gevallen zal Nederland hoogstwaarschijnlijk vertrekken uit Afghanistan. Wat betekent dit voor de internationale reputatie van Nederland?

‘Nederland is niet nu plotseling al zijn aanzien in de wereld kwijt, maar het doet onze reputatie zeker geen goed. Het wordt heel scherp waargenomen in Europese hoofdsteden en in Washington: het maakt het leven van andere regeringen er niet makkelijker op. Ik kan me voorstellen dat Nederland in Canada, dat in 2011 uit Kandahar wil vertrekken, toch wel met argusogen is gevolgd. Ook in andere landen in Europa is opgemerkt dat Nederland als enige van een coalitie van 43 landen, Afghanistan verlaat. Dat valt wel op en dat doet de internationale positie van Nederland natuurlijk geen goed.’ Wil je meer lezen over de visie van De Hoop Scheffer op Afghanistan, het nieuwe Strategisch Concept, de samenwerking met andere internationale organisaties, en het werk van een Secretaris-Generaal van de NAVO? Ga dan naar checks.clio.nl!


Tussen embargo’s en ontwikkeling in Syrië TEKST: Astrid Dunselman

Economische embargo’s en een staat waar het nepotisme eerder regel dan uitzondering is. In Syrië zijn deze zaken aan de orde van de dag. Het zijn vooral jonge, hoogopgeleide Syriërs, werkzaam in de ICT, die hier de wrange vruchten van plukken. Want hoe kan de ICT-sector zich ontwikkelen binnen een economie die tot stilstand lijkt te zijn gekomen en hoe gaan de jonge professionals, die dromen over een nieuw bestaan in het buitenland, om met de hardnekkige vooroordelen over de Arabische wereld? Checks & Balances bericht vanuit de Syrische hoofdstad.

O

p een terras in Damascus zit een tiental hoogopgeleide Syriërs, leeftijd tussen de twintig en dertig jaar, thee te drinken. Eén van hen is Ashur, een kunstenaar gespecialiseerd in fotografie en grafische vormgeving. Cehan vertelt hem over de problemen met de kwaliteit van de foto’s die geleverd worden voor het vrouwenblad waar ze voor werkt als webmaster. Zowel zij als Ashur zijn tevreden met hun werk en vormen daarmee een uitzondering in deze vriendengroep, en in Syrië. Banen liggen er niet voor het oprapen. Al jaren niet. En al gaat de economie met kleine stapjes vooruit, een goede baan krijgen is moeilijk aangezien nepotisme hier de norm is. Daarbij werd ook al vóór het instorten van de wereldeconomie de ontwikkeling voor veel sectoren onmogelijk gemaakt door verschillende economische embargo’s, zoals in de ICT-sector, waarin veel jonge Syriërs zich specialiseren. De slechte reputatie van het Midden-Oosten verkleint de kansen van hoogopgeleide twintigers, die zich daardoor niet richten op de ontwikkeling van hun eigen land. Fadi is een ICT’er, hij mengt zich in het gesprek van Cehan en Ashur. Hij vertelt over nieuwe software waar hij aan zou kunnen komen en zou kunnen installeren. Die zouden veel problemen op kunnen lossen. Tijd genoeg nu hij zijn baan bij een Amerikaanse school, die moest sluiten, heeft verloren. Nu zit hij thuis te studeren, om op deze manier meer diploma’s binnen de ICT te halen. ‘Niet dat me dit in Syrië veel zal helpen,’ schampert hij, ‘hier bestaat een hoop programma’s officieel niet’. Dit komt door het Amerikaanse embargo op de export van intellectueel bezit naar Syrië. De betrekkingen tussen de Verenigde Staten (VS) en Syrië kwamen onder druk te staan na de inval in Irak. Vervolgens beschuldigde de VS de Syrische regering van betrokkenheid bij de aanslag op premier Hariri van Libanon in 2005. ‘Natuurlijk zijn alle programma’s beschikbaar via de zwarte markt,’ verzekert Fadi. Iedere keer zijn er echter weer nieuwe certificaten en cursussen nodig. Daarom reist Fadi nu wat vaker naar Libanon, zogenaamd om familie te bezoeken. Daar behaalt hij na zelfstudie de examens voor de certificaten. Wanneer hij deze echter zou opvoeren bij een sollicitatie, dan zou dat vooral vervelende vragen oproepen en hem geen stap dichter bij een baan brengen. ‘Ondertussen werken ongekwalificeerde idioten met oude programma’s waardoor we met z’n allen achter de feiten aan blijven lopen.’ Dat is aan de ene kant een voordeel, want daardoor is er veel

meer vrijheid op internet dan de regering misschien zou willen zien. Aan de andere kant loopt Syrië daardoor structureel achter op de westerse wereld, wat een vertragend effect heeft op de economie. De mensen die daardoor geraakt worden, zijn uiteindelijk toch de burgers zoals Fadi en zijn vrienden. Binnen de ICT sector is er enige beweging gekomen aangezien onder Obama het embargo tegen Syrië eind juli 2009 is opgeheven. Fadi heeft daar echter niet op willen wachten. Daarbij zijn de relaties met het westen al jaren instabiel en kan er zo maar weer een embargo worden geheven. ‘Mijn aanvraag ligt inmiddels bij de Australische immigratiedienst. Daar ga ik mijn bestaan opbouwen.’ Dan reageert Cehan fel: weglopen, dat kan niet. Ze werkt zelf ook voor een internationale organisatie ter bevordering van de persvrijheid. ‘Wij zijn de toekomst. Je moet je land helpen opbouwen, anders verandert er nooit iets!’ De kritiek op het autoritaire Al-Assad-regime door deze jongeren wordt weinig gehoord omdat men bij de minste kritiek meteen in de gevangenis verdwijnt. Ook gebrek aan persvrijheid is een probleem waar Cehan met haar werk bij het tijdschrift dagelijks mee te maken heeft. En de geheime dienst is alom aanwezig. Wel gaat het onder Bashar Al-Assad beter dan onder zijn vader. ‘Daarom moet je blijven en door bouwen!’ roept Cehan weer. ‘In het buitenland denken ze toch maar dat je een terrorist bent.’ Angst voor moslims, angst voor het Midden-Oosten is een hardnekkig probleem. ‘Maar dat ik een hoofddoek draag, betekent nog niet dat ik terrorist ben! Ziet het eruit alsof ik hier een bom onder heb?’ vraagt ze terwijl ze op haar strakke longsleeve wijst. Met deze grappen komt de discussie weer terug op het probleem dat door deze beeldvorming en embargo’s voor vele Syriërs de kans op een goede toekomst binnen hun eigen land onmogelijk lijkt. Daardoor houden velen de droom te emigreren, waardoor ze niet op de ontwikkeling en veranderingen in hun eigen land gericht zijn, zoals Cehan zo vurig betoogt. Jonge Syriërs blijven kijken en hopen op een leven in het buitenland dat op zijn beurt angstig terug kijkt. De namen in dit artikel zijn uit veiligheidsoverwegingen gefingeerd.

17


Cartoon

- Advertentie -

18


‘Godfather van ontwikkelingslanden’ China’s invloed in Afrika biedt uitdagingen én kansen TEKST: Victor Kuijpens

‘China heeft geen vrienden, alleen belangen’, zo parafraseerde een Afrikaanse diplomaat de Britse staatsman Palmerston. Waar of niet, het maakt nauwelijks uit: het is in China’s belang om vrienden met Afrika te zijn. Nergens is Beijings herwonnen invloed zo duidelijk te zien als op dit continent, waar zijn invloed het laatste decennium explodeerde. Wat voor gevolgen heeft dit voor China, het westen en bovenal: voor de Afrikanen zelf?

B

ijna een eeuw vóór de Portugezen ontdekte de Chinese admiraal Zheng He Oost-Afrika. Zijn vloot van zestig machtige oorlogsschepen was op dat moment veel beter in staat om de wereld te ontdekken dan de schrale vissersboten van Christoffel Columbus. Als rivaliserende Mandarijnen de vloot niet hadden teruggeroepen zou de wereld er vandaag waarschijnlijk heel anders uit hebben gezien. Maar China sloot zichzelf eeuwen lang van de wereld af en kwam er vervolgens achter dat het ingehaald was door de Europeanen. Nu is China echter terug op het wereldtoneel - en in Afrika. Miljardeninvesteringen door het bedrijfsleven en de staat geven China zowel economische als politieke invloed in‘s werelds armste continent. De cijfers liegen er niet om. China’s handel met Afrika vertienvoudigde van tien miljard dollar per jaar in 2000 tot meer dan honderd miljard dollar in 2008. Daarmee is het Afrika’s tweede handelspartner geworden en als deze groei doorzet zal het binnenkort ook de Verenigde Staten voorbijstreven. Ook op het gebied van ontwikkelingshulp speelt China een steeds grotere rol: op de Chinees-Afrikaanse top vorig najaar in het Egyptische Sharm el-Sheik beloofde premier Wen Jibao tien miljard dollar aan zachte leningen - no strings attached. Importtarieven op 95 procent van de producten uit Afrika’s ‘least developed countries’ (LCD’s) worden gefaseerd afgeschaft. Verder scheldt China schulden kwijt van diezelfde LCD’s en belooft het de komende drie jaar twintigduizend Afrikaanse ingenieurs, artsen, onderwijzers en andere specialisten op te leiden.

China’s belangen

Wat nieuw is aan de Chinese ontwikkelingshulp is dat China het niet presenteert als liefdadigheidswerk maar als een win-winsituatie. In ruil voor ontwikkelingshulp biedt Afrika de grondstoffen die China nodig heeft om zijn explosieve groei te handhaven. Hierbij gaat het voornamelijk om olie (Afrika levert één derde van China’s olie-import), maar ook om allerlei metalen die noodzakelijk zijn voor het produceren van hightech producten variërend van mobiele telefoons tot spaceshuttles. Daarnaast is Afrika een opkomende afzetmarkt met zijn gigantische bevolkingsgroei en de opkomst van een middenklasse. Afrika is klaar voor made in China. Maar China’s motieven zijn niet louter economisch. Afrika is het grootste blok van ontwikkelingslanden ter wereld. Het gemeenschappelijke antikoloniale en communistische verleden in combinatie met het succes van China maakt dat China de nieuwe godfather van ontwikkelingslanden genoemd kan worden. Met 53 zetels in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vormt Afrika de nodige multilaterale rugdekking in een vijandige, democratiserende wereld. Handig in het Noord-Zuid conflict, zoals bleek in Kopenhagen, maar ook cruciaal voor hét speerpunt van China’s buitenlandbeleid: de éénchinapolitiek. De weinige Afrikaanse landen die Taiwan erkennen hoeven niet te rekenen op hulp van Beijing. Ontwikkelingshulp aan Afrika vormt dus voor China een belangrijk machtsmiddel in de politieke arena.

19


Artikel

The good, the bad and the ugly

Het Westen ziet het nieuwe huwelijk tussen zijn grootste uitdager en zijn grootste zorgenkind met lede ogen aan. Het betekent concurrentie in de koloniale achtertuin. Het is echter niet alleen de economische concurrentie maar ook de ideologische invloed die het westen vreest. Tegenover de ‘Washington consensus’ (het democratisch liberaalkapitalisme) staat nu de ‘Beijing consensus’ (het autoritair staatskapitalisme). Afrikaanse leiders hoeven niet langer te kiezen voor het westerse ontwikkelingsmodel, want het Chinese ontwikkelingsmodel is effectief, politiek stabiel en crisisbestendig. Het westen verliest dus niet alleen zijn economisch monopolie maar ook zijn monopolie op de wijsheid. Op het eerste gezicht lijkt Afrika van deze keuzevrijheid te profiteren. En nog meer profiteert het van de broodnodige ontwikkelingshulp en investeringen, steun in de Veiligheidsraad en het ontbreken van politieke eisen. Bovendien geeft China’s aanwezigheid Afrika de mogelijkheid om zijn ‘prijs’ op te drijven tussen de verschillende bieders. ‘Afrika is als een vrouw met twee minnaars’, zou men kunnen zeggen. Voor een continent dat zo veel geleden heeft, lijkt dit alles te mooi om waar te zijn. Helaas is dat inderdaad het geval. Want ondanks de positieve invloed van China’s handel en hulp zijn er ook schadelijke gevolgen.Ten eerste omdat China’s expansie economisch ook schaadt. De handelsvoet met China is net zo oneerlijk als die met het westen. China importeert goedkope grondstoffen in ruil voor duurdere eindproducten. Bovendien concurreert

China scherp met Afrika’s infant industries, bijvoorbeeld op het terrein van textiel. De resulterende lage lonen, ontslagen en slechte werkomstandigheden leiden bij veel Afrikanen tot onvrede. Ook komt de extra werkgelegenheid niet altijd ten goede aan de Afrikaanse bevolking. Chinese bedrijven nemen namelijk vaak hun eigen arbeidskrachten mee.

‘Het westen is zijn monopolie op de wijsheid kwijt’ Terwijl de problemen voor de arbeidsklasse zijn, komen de vruchten vaak ten goede aan de elite. De burgers van Zimbabwe zullen geen cent terugzien van de Chinese investeringen. Integendeel, door dergelijke regimes te ondersteunen houdt China slecht bestuur in stand. De prijs daarvan zou weleens de opbrengst van samenwerking kunnen overtreffen. Beter één miljard goed besteed dan tien door Mugabe. Bovendien heeft concurrentie tussen grote mogendheden Afrika vaker geschaad dan geholpen. Economische concurrentie in de beruchte ‘Scramble for Africa’ leidde rond 1900 tot bloedige annexaties zoals de Namibische genocide en schandalige uitbuiting in Congo. Tijdens de Koude Oorlog leidde ideologische concurrentie tot proxy-oorlogen (het uitvechten van conflicten tussen grootmachten middels

China’s handelspartners in Afrika 10 9

8

4

Top tien Chinese handelspartners 2006 in miljarden dollars 3 5

7

6

1

1. Angola 2. Zuid-Afrika 3. Sudan 4. Egypte 5. Nigeria 6. Republiek Congo 7. Equatoriaal Guinea 8. Libië 9. Algerije 10. Marokko

11,10 8,81 2,90 2,86 2,84 2,80 2,26 2,25 1,92 1,77

< 0,1 miljard dollar 0,1 - 0,3 miljard dollar 0,3 - 1 miljard dollar > 1 miljard dollar

2 Bron: Het Chinese Ministerie van Handel. (2006) Bewerkking: Lisa van Wageningen

20


Cui Bono? TEKST: Maaike Slotema

derden) in onder andere Angola en Mozambique. Met de terugkeer van economische en ideologische concurrentie op het continent is een terugkeer van dergelijke proxy-oorlogen een zeer reële mogelijkheid. Bijvoorbeeld tussen Sudan en haar opstandige deelgebieden. Deze dreigende conflicten laten zien dat de positieve effecten van China’s toenemende invloed in Afrika een niet te verwaarlozen keerzijde hebben. De Afrikaanse leeuw

Toch hoeven de genoemde problemen geen realiteit te worden. Allereerst omdat China niet de schurkenstaat is die vaak wordt geportretteerd. Natuurlijk streeft China zijn eigen belangen na in Afrika - net als de westerse mogendheden. Maar oorlog en instabiliteit op het continent is geenszins in zijn belang. Het is slecht voor de zaken en met zijn toenemende betrokkenheid heeft China staatsburgers en investeringen om te beschermen. Maar ook buiten het continent heeft China behoefte aan een stabiel Afrika. Terroristen uit failed states destabiliseren China’s islamitische grensgebieden en piraten kapen Chinese schepen in de Golf van Aden. Vredesmissies in Liberia, Sudan en Congo, plus samenwerking met NAVO-oorlogsschepen tegen piraterij zijn hier een teken van. Daarnaast beseft Beijing heel goed dat regimes tijdelijk zijn en dat soevereiniteit uiteindelijk ligt bij land en volk. China zal zich dus voldoende moeten indekken tegen beschuldigingen van mensenrechtenschendingen want als bijvoorbeeld Mugabe valt moet het schone handen hebben om zaken te blijven doen met Zimbabwe. China’s toenemende invloed in Afrika biedt dus zowel kansen als uitdagingen voor het continent. Uiteindelijk hangt het van de Afrikanen af welke van die twee zal overheersen. Als Afrika zijn bieders vreedzaam tegen elkaar uit kan spelen, kan het maximaal profiteren van de interesse. Als de Afrikanen zélf verdeeld raken en gesteund worden door grote mogendheden, heb je het recept voor een ramp. De Afrikaanse Unie en de opkomende regionale blokken kunnen op deze kruising een cruciale rol spelen. Voor het eerst sinds de dekolonisatie heeft Afrika zijn lot in eigen handen. Dat is belangrijk op die andere kruising: die op de weg naar ontwikkeling. De juiste keuze hier is niet het westerse model, noch het Chinese model, maar het Afrikaanse. Van de andere zal Afrika kunnen lenen en leren maar het Afrikaanse model moet passen bij de Afrikaanse waarden en omstandigheden. En die bieden ondanks de vele ellende toch perspectief. Als Afrika de juiste keuze maakt spreken we in de 22e eeuw wellicht niet meer over de Chinese draak, maar over de Afrikaanse leeuw.

G

eïnteresseerd in samenzweringstheorieën en fictieve, sinistere complotten? Lees dan niet verder, want de schandalen die in deze column belicht worden zijn veelal op feiten gebaseerd. In het behandelen van deze schandalen speelt de vraag wie er profiteert (‘Cui bono?’) steeds een rol.

Vanaf november vorig jaar, toen bekend werd gemaakt dat de Climatic Research Unit (CRU) van de Universiteit van East Anglia valse informatie verstrekte over klimaatverandering, zijn er vraagtekens ontstaan bij de ernst van de opwarming van de aarde. Er laait een felle discussie op in de media over hoe politici met deze informatie om moeten gaan. PVV-Kamerlid Richard de Mos, die het hele klimaatgedoe flauwekul vindt, wordt in Pauw & Witteman tegenover PvdA-Kamerlid Diederik Samson gezet en na een warrig debat verzucht Jeroen Pauw dat ’de wetenschap’ het alweer niet eens is. Kortom, de CRU heeft met haar valse informatie veel verwarring, verdeeldheid en vraagtekens opgeroepen. Maar wat zijn nu eigenlijk de motieven van deze wetenschappers om informatie achter te houden? Een opstapeling van belangen kan ervoor hebben gezorgd dat informatie over klimaatverandering is overdreven. Ten eerste zijn er natuurlijk de bedrijven die in groene energie en duurzame ontwikkeling investeren. Voor hen is het van belang dat consumenten gestimuleerd worden om rekening met het milieu te houden. Maar ook de wetenschappers zelf zouden er voordeel van kunnen hebben. Wanneer zij aangeven dat het eigenlijk wel meevalt met de opwarming van de aarde, zouden er vele toekomstige fondsen aan hun neus voorbij gaan. Minder voor de hand liggende belanghebbenden zouden nationale overheden kunnen zijn. Desalniettemin zouden ook zij baat kunnen hebben gehad bij het manipuleren van de onderzoeksresultaten. Wanneer het duidelijk zou worden dat het broeikaseffect serieuze gevolgen met zich mee brengt, zouden burgers wel eens meer macht aan de overheid kunnen afstaan uit angst voor catastrofale gevolgen van deze wereldwijde dreiging. Deze machtsuitbreiding zou voor de overheid gunstig kunnen uitpakken. Bovendien zou een organisatie als de VN wel eens voordeel kunnen hebben bij het overdrijven van klimaatgegevens. Zij zullen hierdoor beter in staat zijn legitimiteit te creëren bij het promoten van een wereldoverheid en kunnen op deze manier de kans aangrijpen om uit hun identiteitscrisis te komen. Het is immers onmogelijk voor nationale overheden om dit mondiale probleem op nationaal niveau op te lossen. Staten zullen genoodzaakt zijn om gedeeltelijk afstand van de staatssoevereiniteit te doen ten gunste van de VN. Door de uiteenlopende belangen is er alle reden om kritisch om te gaan met onderzoekscijfers. Deze belangen hadden echter niet ten koste mogen gaan van wetenschappelijk onderzoek. Wetenschappers dienen onafhankelijk informatie te verschaffen. Helaas lopen zij door hun eigen toedoen het risico minder serieus genomen te worden, terwijl correcte uitkomsten ten tijde van de klimaatcrisis juist zo hard nodig zijn.

21


Studeren in een wereldstad Internationale Betrekkingen in Mexico TEKST: Hedwich van der Bij

Mexico-Stad: een stad vol temperament

‘Compañeras y compañeros, relaciones internacionales es una cienca de dominación.’ Tussen de smalle bankjes door loopt onze professor Sosa Fuentes driftig heen en weer. Gepassioneerd legt hij uit dat de studie Internationale Betrekkingen wordt gedomineerd door westers gedachtegoed. In Groningen kwam dit tijdens het kernvak ‘non-western perspectives’ ook aan bod, maar hier in Mexico krijg ik de kans het niet-westerse perspectief nog verder te ontdekken.

S

inds een maand studeer ik aan de Universidad Nacional Autonoma de Mexico (UNAM). Net als Mexico-Stad is het universiteitsterrein onvoorstelbaar groot. Zo volg ik vakken aan de politicologie- en filosofiefaculteit. Met de bus is het ongeveer een half uur reizen! Gelukkig kan je hier ook fietsen huren maar als je je volledig wilt aanpassen aan de Mexicaanse cultuur wacht je liever een half uur op de bus dan dat je moet fietsen of lopen.

Ondanks de ontspannen sfeer die op de UNAM heerst, worden er strakke roosters gehanteerd. De dagen beginnen hier al vroeg: rond een uur of zeven ‘s ochtends. Hoe mijn Mexicaanse medestudenten nog een flink ontbijt met enchiladas of tacos naar binnen werken blijft voor mij een raadsel. Het is aan te raden om de eerste weken zoveel mogelijk lessen te volgen en daar vervolgens de leukste uit te kiezen. Er is namelijk een groot verschil in niveau en stijl tussen de colleges. Aan de UNAM worden vrijwel alleen werkcolleges gegeven. Je achterin de grote Offerhauszaal van het Academiegebouw verschuilen is hier dus niet mogelijk. Er wordt hier veel meer gediscussieerd tijdens de colleges. Met name de eerste paar weken is dat wel even klapperen met je oren maar je Spaans gaat hierdoor wel met sprongen vooruit. Bovendien moet je voor vrijwel ieder college huiswerk of een presentatie voorbereiden. Het klinkt nogal schools maar je leert er veel van. Niet alleen leer je beter lezen, luisteren en schrijven in het Spaans maar ook op hoeveel manieren een tekst geïnterpreteerd kan worden door je klasgenoten. Gelukkig blijft er genoeg tijd over om van het Mexicaanse leven te genieten. Zo kom je er in Mexico niet onderuit om te leren salsadansen. Dit kan vrijwel overal. Zo kan je gewoon tussen de faculteitsgebouwen op een grasveldje meedansen. Wil je liever

22

wat minder publiek dan zijn er ook tal van andere mogelijkheden waaronder de sportfaciliteiten van de UNAM. Hiervoor heb je wel iets meer geduld en papieren nodig. Het blijft wennen dat in Mexico voor alles handtekeningen, wat geld en stempels nodig zijn. Zelfs voor het sporten moet je een gezondheidsverklaring aanvragen! Verder is het fantastisch om in Mexico-Stad te wonen. Mijn vooroordelen over snorren, sombrero’s en smog lijken deels te kloppen maar de stad heeft me ook op vele manieren verrast. Zo is het geweldig om de metro te pakken en je te verbazen over de vele verschillende buurten zoals Coyacan, Condesa, Roma of Zona Rosa. Het uitzicht in Mexico-Stad is prachtig omdat de stad omringd is door bergen waaronder de bekende en met sneeuw bedekte Popocatepetl. Iedere hoek van de straat ruikt naar vers gebakken quesadillas, tacos of koriander. De mensen zijn bovenal ontzettend vriendelijk. Mexicanen zijn ontzettend trots op hun land en cultuur en laten je het liefst zo veel mogelijk zien, proeven en horen. Het is daarom ook aan te raden om bij een zoektocht naar een kamer en advies over de betere buurten in Mexico-Stad Mexicaanse vrienden in de arm te nemen. Als je zo nu en dan toch even aan de drukke stad wilt ontsnappen dan kan je heel gemakkelijk een bus de stad uit nemen. Zo heb ik bijvoorbeeld carnaval gevierd in Veracruz en gevoetbald met kinderen in een klein bergdorpje net buiten de stad via de vrijwilligersorganisatie ‘Un tetcho para mi país’. Ik kan het iedereen aanraden om ook een half jaar aan de UNAM te studeren. Het is een geweldige kans om vloeiend Spaans te leren spreken en je onder te dompelen in een geheel andere cultuur!


Maastricht Graduate School of Governance

MSc in Public Policy and Human Development (MPP)

The one-year programme deals with the connection between public policy analysis and implementation and focuses on the effectiveness and efficiency of governance. The programme is designed to train highly skilled policy makers and policy analysts and prepares graduates to work within both public and private institutions at local, national and international levels.

Specialisations: „-IGRATION3TUDIES „3OCIAL0OLICY$ESIGN „3OCIAL0OLICY&INANCING

„3USTAINABLE$EVELOPMENT „'LOBALISATION 4RADEAND$EVELOPMENT „&OOD (EALTHAND$EVELOPMENT

7HATTOEXPECT „)NTENSIVEANDMULTIDISCIPLINARY „)NTERNATIONALCLASSROOM „)NTERNATIONALLYRECOGNIZED „)NTERNATIONALCAREERPERSPECTIVES

„3YNERGYBETWEENTHEORYANDPRACTICE „'LOBALPERSPECTIVE „%XPERTSFROM),/ 7ORLD"ANK 5.)#%&

3TUDENTPRO½LE „3TRONGACADEMICSKILLS „6ARIETYOFBACKGROUNDS

„#OMMITMENTTOPUBLICINTERNATIONAL AFFAIRS

www.maastrichtuniversity.nl/governance


Dubai Een toekomst van meer met minder TEKST: Maaike Slotema

In november 2009 verzoekt Dubai World, het grootste staatsbedrijf van Dubai dat onder andere verantwoordelijk is voor de creatie van de Palmeilanden voor de kust van het land, om de afbetaling van haar schulden (een bedrag van totaal 59 miljard dollar) voor een half jaar op te schorten. De wereldmarkt reageert geschokt, maar sindsdien vernemen we weinig meer van het autonome emiraat Dubai, dat Emiraten. Wat is er sinds deze media-aandacht met Dubai gebeurd? Staat het land op het randje van faillissement, of worden er inmiddels weer nieuwe eilanden aangelegd?

D

e economische groei was sinds de jaren negentig letterlijk torenhoog in Dubai, ondanks dat er, in tegenstelling tot de omringende landen, weinig olie te vinden was. Dubai besloot het daarom over een andere boeg te gooien. Het land ontwikkelde een economie die aantrekkelijk was voor buitenlandse investeerders. Sleutelwoorden binnen dit beleid waren lage belastingen, weinig overheidsbemoeienis en forse investeringen in prestigieuze projecten. Het resultaat van deze economische koers was indrukwekkend. Wolkenkrabbers schoten als paddenstoelen uit de grond, waarbij een kwart van alle bouwkranen in Dubai stond. Particulieren konden stukken opgespoten eiland kopen in de vorm van palmbomen en zelfs in de vorm van de wereld. In 2008 opende het winkelcentrum Dubai Mall haar deuren. Dit is echter geen doorsnee winkelcentrum. Je kan er, te midden van een enorm aquarium, shoppen tussen koraalrif en tijgerhaaien. Alles leek mogelijk in Dubai en er werd volop geleend om dit te realiseren.

24

foto: Jake Brewer

onderdeel is van de zeven Verenigde Arabische

Toch bleek er echter een einde te komen aan al deze schijnbaar oneindige mogelijkheden. Ongeveer anderhalf jaar na het ontstaan van de kredietcrisis in de Verenigde Staten werd ook Dubai door de crisis getroffen. De luchtbel van geleend geld spatte uiteen en investeringen daalden. Maar na een aantal maanden leek de economie weer iets aan te trekken. Op 4 februari 2010 kondigde de huidige minister-president van de Verenigde Arabische Emiraten, Khalifa bin Zayed Al Nahayan, aan dat er voor het eerst sinds 1991 olievelden zijn gevonden voor de kust van Dubai. Bovendien heeft het olierijke buuremiraat Abu Dhabi tien miljard Amerikaanse dollar aan Dubai geschonken. Maar deze lichtpuntjes zijn slechts een druppel op de gloeiende plaat voor de economie van Dubai. De volledige economische structuur van het land zal namelijk moeten veranderen om de economische problemen het hoofd te bieden. Het grootste probleem is het herstel van de onroerende goederensector. Volgens een recentelijk rapport van Landmark Advisory Research, is er in 2009 ĂŠĂŠn miljoen vierkante meter aan


Parel van de Perzische Golf: bouwt Dubai op dit imago voort?

kantoorruimte bij gebouwd. Om deze kantoren te verhuren zou de economie 85.000 tot 90.000 banen moeten aantrekken, maar om dit te realiseren zou de bevolking met twintig tot dertig procent moeten groeien. Onder normale omstandigheden zou deze bevolkingsgroei al ondenkbaar zijn, laat staan in het economisch instabiele Dubai. Bovendien ondervinden de banken in Dubai structurele problemen. Banken hebben een tekort aan liquide middelen. Grote sommen geld worden aan investeerders geleend, terwijl de banken niet garant staan voor deze bedragen. De Centrale Bank van Dubai hanteert de regel dat banken niet meer dan twintig procent van hun leningen mogen verstrekken aan de onroerende goederensector. In de praktijk worden de regels echter met mondjesmaat nageleefd, waardoor de kwetsbaarheid van deze banken toeneemt. Verder wordt de overheidsschuld volgens Standard & Poorâ&#x20AC;&#x2122;s geschat op 80 biljoen dollar. Deze schuld kan alleen worden ingelost als er economische groei ontstaat. Maar aangezien de onroerende goederensector 30 procent van het BBP van Dubai voor zijn rekening

neemt, zal de groei lager zijn dan de laatste jaren terwijl de schuld waarschijnlijk zal toenemen. Ondanks het feit dat we weinig meer vernemen van het emiraat Dubai, zijn de problemen nog lang niet opgelost. Voor economisch herstel van Dubai is het belangrijk dat er veranderingen in de structuur van de economie plaatsvinden. Een economie zonder overheidsingrijpen waarbij alles hoger, sneller en beter moet is geen lang leven beschoren. Om een oplossing te bieden aan het probleem zal de overheid de onroerende goederensector, leningen en banken moeten controleren en zo nodig bijsturen. Dubai heeft de periode waarin alles mogelijk leek te zijn noodgedwongen achter zich moeten laten. Er breekt een nieuwe periode aan, waarin de bevolking en de bedrijven zullen moeten leren om meer met minder te doen om zo een gezonde economie te bewerkstelligen die minder kwetsbaar zal zijn voor financiĂŤle tegenvallers in de rest van de wereld.

25


Leven na IB

Van IB naar BZ Maar gebaande paden bestaan niet TEKST: Bart Beltman

En dan is het ineens zomer 2005. Het moment waarop het leven na IB/IO begint. In de aanloop daarnaar natuurlijk de bekende vragen, je kent ze wel: Wat wil ik? Welke baan sluit het beste aan op mijn kennis en interesse? En bij welke organisatie vind ik deze baan? Dit allemaal in een situatie van economisch slecht weer met een krappe arbeidsmarkt, waardoor de praktijk weerbarstiger lijkt dan in dromen het geval is.

M

et IB en mijn stage bij de Ambassade in Amman als bagage begon mijn arbeidsmarktrondreis naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ). Met als persoonlijk doel om daarbinnen met mijn specialisatie in het Israëlisch-Palestijns conflict aan de slag te kunnen gaan. Voor menig IB’er klinkt deze gang naar BZ ongetwijfeld logisch in de oren. Misschien zelfs te logisch, alsof het pad van IB van BZ gebaand is. Toegegeven: een betere vooropleiding voor BZ dan IB bestaat er niet. Maar gebaand is het pad zeker niet. Al is het maar omdat de concurrentie voor een stoel in ‘het klasje’ zo groot is en het wervingsproces van BZ zo onvoorspelbaar kan zijn. Ik koos ervoor om hiertoe de ‘uitzendmethode’ te hanteren: met een open houding je een plek binnen een organisatie verwerven, beetje bij beetje ervaring opdoen en stapje voor stapje verder kijken. Gewoon aan de slag gaan, dus niet gelijk op ‘jouw’ niveau mikken. Via Tempo-Team kwam ik terecht bij het Ministerie van Financiën. Als beleidsondersteuner zag ik erop toe dat de fiscale wetgeving het juiste traject aflegde in ambtelijk en politiek Den Haag. Eenmaal binnen Financiën ontdekte ik het Ministerie pas echt. Waar ik een stoffig beeld had van financiële, fiscale en juridische specialisten, werd deze ontkracht door de alledaagse politieke dimensie die al het werk beheerst. Financiën vormt echt een spil in politiek Den Haag en is daarmee veel dynamischer dan het stereotiep doet vermoeden. Als beleidsmedewerker bij de directie Internationale Fiscale Zaken vervolgde ik mijn pad. Ik maakte kennis met de praktijk van bilaterale onderhandelingen over verschillende soorten belastingverdragen. Later kwam daarbij de beleidsvorming van de fiscale voorrechten voor (personeel van) buitenlandse vertegenwoordigingen en internationale organisaties in Nederland. In beide functies kwamen alle (juridische, economische, bestuurskundige) onderdelen van IB vaak zeer van pas. De juridische en bestuurskundige basis uit de eerste jaren, de kennismaking met het analyseren van complexe processen achter internationale organisatie en internationale onderhandelingen uit de jaren die volgden. Zeker ook de gedegen schrijfvaardigheden waar binnen IB constant en terecht de nadruk op wordt gevestigd. Alles bleek een onvervalste meerwaarde voor mijn functioneren binnen Financiën.

26

Prima naar mijn zin had ik het, bij Financiën. Leerde veel van de professionele strijd die ik namens Financiën met BZ voerde. Toch waagde ik een tweede poging om bij BZ aan de slag te mogen gaan. Dit resulteerde in 2007 in een plekje in ‘het klasje’. Een onvergetelijk mooie periode van drie maanden, waarin maar weinig onderwerpen niet eerder al binnen IB aan bod waren gekomen. Binnen BZ was mijn eerste ‘plaatsing’ bij de directie Milieu en Water, op het terrein van duurzame energie. Met weinig voorkennis bleek echter al gauw dat een IB’er ook daar prima uit de voeten kan. Simpelweg door de handigheid je snel veel informatie eigen te maken en met een open houding te vertalen in daden. Dit betekende in korte tijd samen met de collega’s plannen maken en beleid formuleren ter uitvoering van het kabinetsstandpunt om 500 miljoen euro extra te investeren in duurzame energievoorziening in ontwikkelingslanden. Door mijn zeer enerverende ‘stage’ van 6 weken bij de Ambassade te Kaboel nam deze uitdaging echter al na een jaar een andere wending. Gegrepen door de dynamiek in Afghanistan en de voor Nederland unieke rol in dit prachtige land, greep ik de kans met beide handen aan om voor twee jaar te blijven op de Ambassade. De kans om een rol te mogen spelen in deze historische missie. De kans om ook een persoonlijk unieke ervaring op te doen. Binnen de Ambassade houd ik mij sinds de zomer van 2008 dagelijks bezig met het Nederlandse wederopbouwprogramma, nationaal alsook in Uruzgan. Politieke ontwikkelingssamenwerking in optima forma. Vaak dus onder een politiek vergrootglas, internationaal maar zeker ook in Nederland. Al met al geen baan als je erg op je vrijheid en privacy gesteld bent. Wel een baan waarin je met de IB-bagage, een open houding en voldoende stressbestendigheid, organisatietalent en improvisatievermogen prima uit de voeten kunt. Door bijna zeven dagen per week de klok rond te werken vliegt dan de tijd – helaas! Zie je tegelijkertijd dat het land zich ondanks alles stapje voor stapje ontwikkelt – gelukkig! Komende zomer, als mijn plaatsing hier eindigt, komt aan deze etappe in mijn arbeidsmarktrondreis helaas een einde. Benieuwd welke etappes van mijn arbeidsmarktrondreis, nu binnen BZ, zullen volgen. Nu al met de ervaring rijker dat dromen soms echt sterker zijn dan de praktijk weerbarstig lijkt.


Recensie

‘Vernietig Rietvink!’ De kans is groot dat je, na het lezen van bovenstaande titel, een moment achter je oor hebt gekrabd. Wees niet bang, je zult niet de enige zijn geweest. Sterker nog, op enkele mannen en vrouwen na zal het niemand in Nederland duidelijk zijn wat men zou moeten doen bij het horen van dit bevel. Het mag dan zeer onbekend zijn, onbelangrijk was het ten tijde van de Koude Oorlog allerminst. Bij het horen van ‘Vernietig Rietvink’ zou namelijk de Afsluitdijk de lucht in zijn gegaan.

H

et is een scenario dat wij maar moeilijk voor ons kunnen zien. Troost je, ook tijdens de Koude Oorlog zelf had bijna niemand een flauw benul van wat er gaande was. Alleen de absolute bestuurlijke top van ons land was zich bewust van de situatie. De Tweede Wereldoorlog leek nog maar net voorbij of een nieuwe periode van spanning kondigde zich aan. De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, die uit de oorlog waren gekomen als de twee grootste spelers op het wereldtoneel, konden elkaar niet luchten of zien. Tegenwoordig weten wij dat deze strijd altijd ‘koud’ zou blijven, maar deze kennis had men toentertijd natuurlijk niet. Aangezien beide grootmachten atoomwapens tot hun beschikking hadden, zou een ‘hete’ strijd tussen de twee landen vernietigende effecten kunnen hebben. Ook de Nederlandse regering voelde de dreiging en maakte, zonder dat de bevolking daar ook maar enig idee van had, noodplannen die het land zouden moeten beschermen tegen Russische bombardementen. In ‘De Russen komen!’ beschrijft Mark Traa tot in detail het op papier ontstaan van een ‘Nederland in oorlog’. Meteen bij het openslaan van het boek word je als lezer geconfronteerd met een kopie van een brief die je verbeelding te boven gaat. Daar, op de eerste pagina, valt te lezen: ‘Wij Juliana, […], Koningin der Nederlanden, Prinses van OranjeNassau, […] hebben goedgevonden en verstaan, Nederland met ingang van heden in staat van oorlog te verklaren’. Het doet je toch even slikken. Hoe zou ons land eruit hebben gezien als deze brief zou zijn ondertekend? Als je bedenkt dat de Russen hun atoombommen hadden kunnen inzetten, zou het goed mogelijk zijn geweest dat wij hier vandaag niet geweest zouden zijn. In 1971 wordt door de Nederlandse regering rekening gehouden met een aanval van twintig Russische atoombommen. Het resultaat daarvan zou een catastrofe zijn geweest: zes miljoen doden en twee miljoen gewonden. Nederland zou zo goed als weggevaagd zijn. Een goede reden voor de regering om grootschalige plannen te maken. Tot in het kleinste detail worden deze plannen door Traa aan de lezer gepresenteerd. Zo zou bij het bevel ‘Wandelstok Wandel-

Foto: Athenaeum – Polak & Van Gennep

TEKST: Lennart Noten

stok twaalf twaalf’ heel Amsterdam ontruimd moeten worden. Bij het horen van zulke woorden zouden complete stukken land onder water worden gezet en bruggen worden opgeblazen. Ook zouden alle KLM-toestellen worden verplaatst naar Lissabon, Tunis en Karachi, om ze uit de handen van de vijand te houden. Traa weet erg goed duidelijk te maken dat er een groot verschil is tussen verschillende ‘soorten’ mensen. Het Koninklijk Huis, ministers en de topbestuurders van grote bedrijven weten zich verzekerd van een veilige vlucht naar het buitenland. De gewone man doet er echter niet toe. Erg treffend is Traa’s verwijzing naar een brief van het hoofd van de nationale veiligheidsdienst: ‘Laat het leger in tijd van oorlog niet het land verdedigen en de burgerij beschermen, maar laat de soldaten louter vechten om de evacuatie van de bestuurlijke top mogelijk te maken’. Als lezer valt je mond soms bijna open van verbazing wanneer je leest welke plannen de regering destijds maakte. Hoe interessant het ook moge zijn om dit te lezen, het boek blijft toch vooral een presentatie van feiten. Het leest niet makkelijk weg en soms begint het je haast te duizelen door alle cijfers die je voorgeschoteld krijgt. Sommige feiten komen ook nog eens vrij nodeloos over. Wil je per se weten dat de burgemeester van Veldhoven 15329 kippen wilde evacueren? Ik betwijfel het. Al met al levert Mark Traa met ‘De Russen komen!’ een interessant werk af, hoewel hij zo nu en dan details had mogen weglaten. Voor wie geïnteresseerd is in de Koude Oorlog en benieuwd is hoe deze periode van invloed was op ons land, is dit boek een absolute aanrader. Wie echter op zoek is naar spanning en sensatie raad ik toch aan zijn heil te zoeken in de categorie ‘fictie’, want de uiteindelijke slottoon van ‘De Russen komen!’ is en blijft toch: it didn’t happen. Mark Traa. 2009. De Russen komen! Nederland in de Koude Oorlog. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep.

27


Versus

Topvrouwen Een gemiste kans voor Nederland TEKST: Esther-Mirjam Sent - Hoogleraar Economische Theorie en Economisch Beleid aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Nederlanders hebben een nogal allergische reactie op alles wat naar feminisme ruikt. Vandaar dat de recente oproepen tot meer topvrouwen in het bedrijfsleven op veel weerstand stuiten. De historische achtergrond voor onze conservatieve mening over de rol van vrouwen wordt gevormd door het feit dat rond 1900 deftige dames niet mochten werken. Vervolgens heeft de sociaal-democratie dat in de 20ste eeuw als cultureel ideaal overgenomen. Dit ideaal laat zijn sporen na in het achterblijven van (top)vrouwen in het Nederlandse bedrijfsleven in de 21ste eeuw.

V

olgens de eind vorig jaar gepubliceerde Female Board Index 2009 heeft 65 procent van de 107 beursgenoteerde ondernemingen in Nederland nog steeds geen enkele vrouw in de Raad van Bestuur en/of Raad van Commissarissen. Samen met Pakistan bezet Nederland de laatste plaats op de internationale ranglijst als het gaat om vrouwen in de top van het bedrijfsleven. Bij ongewijzigd beleid zou 30 procent vrouwen op topfuncties in Nederland bereikt worden in…2090. Wat betreft het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen staat Nederland in Europa gelijk met Tsjechië en Slowakije en laat Nederland in Europa alleen Oostenrijk en Estland achter zich. Dit is een jammerlijk gemiste kans. Waarom dan? Het is niet nodig geëmancipeerd te zijn om een voorstander te zijn van meer topvrouwen in het bedrijfsleven. Immers, bekend is dat diversiteit een bewezen succesfactor is. Uit economische experimenten blijkt dat gemengde teams van vrouwen en mannen de beste resultaten opleveren. Met andere woorden, het gaat hier om harde economie en niet om softe vrouwenemancipatie.

Maar de Britse econome Blythe Masters wordt toch aangewezen als de verantwoordelijke voor de creatie van zowel de CDS (Credit Default Swap) als de CDO (Collateralized Debt Obligation) en daarmee als één van de hoofdschuldigen van de kredietcrisis? En Nina Brink speelde toch een dubieuze rol bij de mislukte beursintroductie van internetbedrijf World Online? Wellicht, maar deze dames opereerden in een mannelijke cultuur waarin ze zich nog mannelijker dan hun mannelijke collega’s opstelden om zich staande te houden. Er is een kritische massa nodig voor vrouwen om hun eigen inbreng te leveren. Immers, vrouwen worden pas als individu gezien als een team voor 35 procent of meer uit vrouwen bestaat. Als diversiteit inderdaad een bewezen succesfactor is, waarom nemen bedrijven dan niet uit eigen beweging meer (top)vrouwen in dienst? De reden ligt in diep ingesleten vooroordelen over vrouwen. Het idee dat vrouwen geen leiders

28

zijn is nog een diep ingesleten vooroordeel. Als gevolg hiervan en zolang de bedrijfscultuur mannelijk is, zullen bedrijven het moeilijk vinden om een geschikte vrouwelijke kandidaat voor een topfunctie te vinden. Vrouwen die zich aanpassen, worden als competent en onaardig beschouwd. En vrouwen die zich niet aanpassen, worden als incompetent en aardig gezien. Maar vrouwen willen toch helemaal geen carrière? Zo stelt het Sociaal Cultureel Planbureau in de vorige jaar verschenen publicatie ‘Deeltijd (g)een probleem’ dat de meeste Nederlandse vrouwen heel tevreden zijn met hun kleine deeltijdbaan. En welke vrouw zou er ook meer uren willen gaan werken te midden talrijke institutionele en culturele belemmeringen? Naast de als onvriendelijk ervaren bedrijfscultuur vanwege het ontbreken van een kritische massa, spelen hier ook diep ingesleten vooroordelen over de taken van vrouwen en mannen een rol. Het punt is dat de grote groep vrouwen die wel een carrière ambieert, de mogelijkheden moet krijgen en dat is nu niet het geval. In de Verenigde Staten hebben vrouwen veel meer mogelijkheden op de arbeidmarkt dan in Nederland, maar daar is het geluk van vrouwen in absolute termen en in vergelijking met mannen de afgelopen 35 jaar juist afgenomen. Een mogelijke verklaring is de zogenaamde dubbele dienst. Dat wil zeggen, Amerikaanse vrouwen hebben veel meer mogelijkheden op de arbeidsmarkt, maar hun huishoudelijke taken zijn niet evenredig afgenomen. Kortom, als ze thuiskomen, kunnen ze aan hun ‘tweede dienst’ beginnen. Willen we de harde markteconomie stimuleren door een betere balans, dan is een betere balans in de softe thuiseconomie dus ook wenselijk. Zoals Loesje zo wijs schreef: ‘Kinderen zijn de toekomst, als hun moeders er ook één krijgen.’ Diversiteit is een bewezen succesfactor, dus het ontbreken van topvrouwen in het Nederlandse bedrijfleven is een jammerlijk gemiste kans.


Versus

Geen excuustruzen aan de top Op hun weg naar de top moeten vrouwen niet worden gepamperd, maar weerbaar worden gemaakt TEKST: Barbara Baarsma - directeur van SEO Economisch Onderzoek en bijzonder hoogleraar Marktwerking en

mededingingseconomie aan de Universiteit van Amsterdam

Excuustruus is een typisch Nederlands woord. Geboren uit het oude maakbaarheidsdenken worden vrouwen naar de top geduwd door politiek correct diversiteitsbeleid of binnenkort misschien wel een wettelijk quotum. Het zogenoemde Quota-Manifest pleit voor zo’n wettelijke regeling die verplicht dat vrouwen uiterlijk in 2014 veertig procent van de commissariaten en toezichtfuncties vervullen. Wetten zijn er om problemen op te lossen. Maar is er wel een probleem met vrouwen aan de top? Zoals eerder betoogd in NRC Handelsblad denk ik dat er helemaal geen probleem is. Sterker nog, een quotum leidt juist tot problemen, waarvan de excuustruus het vleesgeworden bewijs is.

O

m een baan aan de top te krijgen is ambitie, doorzettingsvermogen en een voltijdbaan nodig. Dat geldt voor mannen en ook voor vrouwen. In Nederland werkt zo ongeveer zeven op de tien vrouwen tussen de 15 en 65 jaar. Dat is best een aardige score: Nederland staat daarmee derde in Europa. Echter, Nederlandse vrouwen werken massaal in kleine deeltijdbanen van gemiddeld 25 uur. Van de vrouwen die werken werkt slechts een kwart voltijds. Bij mannen – waarvan overigens acht op tien werkt – is dit precies omgekeerd: van de werkende mannen werkt driekwart voltijds. Behalve een voltijdbaan hebben vrouwen die naar de top willen ook managementervaring nodig. Uit Eurostat-gegevens blijkt dat in Nederland 28 procent van de leidinggevende functies door een vrouw wordt bezet. Dat is bijna één op de drie. De huidige verhouding vrouwen in leidinggevende functies is kortom een prima afspiegeling van vrouwen in voltijdbanen. Bovendien doen Nederlandse vrouwen het juist erg goed vergeleken met andere Europese vrouwen. Die laatsten werken veel vaker voltijds (zeven op de tien), maar zijn relatief – ten opzichte van dit aandeel voltijd werkende vrouwen – minder goed vertegenwoordigd in leidinggevende functies. Een argument van voorstanders van een quotum is dat de veertig procent-eis nodig is, omdat mannen en vrouwen zo verschillend zijn en dat vrouwen niet gedijen in een omgeving met veel mannen. Aan tafel bij het programma Pauw en Witteman werd mij verteld dat mannen en vrouwen zich verhouden als honden tot katten. Pardon? Het gaat nog verder. Mij werd verzekerd dat de vrouwen die nu aan top zitten daar terecht zijn gekomen omdat ze zich mannelijk gedragen. Dank je lekker! Alsof krachtige vrouwen niet vrouwelijk zouden zijn.

Topvrouwen worden hier weggezet als – om maar even in het Manifestjargon te blijven – kattige honden. Er is dus altijd iets mis met vrouwen aan de top. Of ze zitten aan de top omdat ze een quotum moeten vullen of ze zitten daar omdat ze goed zijn, maar eigenlijk een vent. Als ik dan toch moet kiezen: liever kattige honden dan excuustruzen aan de top. Dit soort redeneringen draagt bij aan het problematiseren van de gang naar de top. Een nietsvermoedende student interpreteerde het honden- en kattenverhaal als volgt: ‘Het quotum is dus nodig om vrouwen die niet zo stevig zijn en niet goed voor zich zelf op kunnen komen te beschermen?’. Een quotum neemt de verschillen tussen vrouwen en mannen niet weg, maar bezegelt die verschillen juist. Bovendien: de verschillen tussen mannen en vrouwen bieden kansen voor vrouwen: als vrouw in een mannenomgeving val je eerder op – maak daar wat van in plaats van er onder te lijden! In plaats van het pamperen van vrouwen is het beter ze weerbaar te maken. Maak duidelijk dat goed kunnen onderhandelen en lef beide een must zijn op weg naar de top. Want die competenties zijn nodig om flexibele werktijden, hogere salarissen en promotie af te dwingen. Het is een illusie om te denken dat een quotum leidt tot de noodzakelijke cultuurverandering in de maatschappij. En dat is nu juist wat nodig is. Zolang de sociale norm blijft dat moeders niet meer dan 20 tot 25 uur per week behoren te werken, blijft een grootschaliger gang naar de top dicht. Tegelijkertijd zien we nu dat vrouwen in steeds grotere getale voltijds gaan werken en doorstromen naar het management. Het voorportaal voor de top loopt dus voller en voller. Even geduld en wachten tot de doorstroom vanzelf op gang komt, is beter dan die doorstroom overhaast en met een stigmatiserend quota op scherp te zetten.

29


Clio Congres 2010 Op weg naar een federaal Europa? TEKST: Niels Goet

Wat is Europeanisering voor fenomeen? Welke gevolgen heeft het huidige klimaat van eurosceptisme voor de toekomst van ‘Fort Europa’? Op deze, en op andere vragen wordt op 20 april 2010 tijdens het Clio Congres in Groningen getracht een antwoord te vinden. In aanloop naar dit congres sprak Checks & Balances met Europakenner en journalist in ruste Eppo Janssen.

E

ppo Jansen is een groot voorstander van een federaal Europa: ‘Alleen een Europa dat de krachten bundelt zal haar stem hoorbaar kunnen maken op het wereldtoneel’. Met sterk groeiende economieën als Rusland en China zou je toch verwachten dat de lidstaten hun beleid meer op elkaar afstemmen. Niets is minder waar: euro scepsis steekt weer steeds vaker de kop op in de Europese samenlevingen en het imago van Europa lijdt onder onjuiste informatievoorziening. In de afgelopen jaren heeft Jansen het karakter van de Europese Unie (EU) zien veranderen: ‘Je ziet een terugkeer naar het nationalisme, en in zijn ergste vorm zelfs naar het provincialisme’.

‘Europa is niet sexy , het heeft geen glamour’ Deze ontwikkelingen hebben te maken met hoe de bevolking tegen Europa aankijkt: ‘De EU wordt steeds meer gezien als een bedreiging en steeds minder gezien als een oplossing’, aldus de Europa-kenner. Vroeger maakte de EU voornamelijk beleid op een hoger niveau en waren de gevolgen niet erg ingrijpend voor het leven van burgers. Nu is dat anders, en het effect daarvan is groot. Jansen: ‘De mensen krijgen het idee dat Europa overal in hun leven binnendringt zonder dat ze zich van de voordelen die daarbij horen bewust zijn. Dat geeft een angstig gevoel en dat vertaalt zich dan ook weer in allerlei schrik- en angstreacties’. Het imagoprobleem van de EU was bij de Europese verkiezingen van vorig jaar zeer merkbaar: de ‘regelzucht’ van de Unie werd aangegrepen door anti-Europese partijen voor politiek gewin. Eppo Jansen noemt deze regelzucht een mythe: ‘Wetsvoorstellen worden echt niet op een stille namiddag in de herfst in Brussel zomaar bedacht omdat een ambtenaar te weinig te doen heeft’. Regelmatig wordt de heer Jansen na een lezing benaderd met de vraag of het nou echt nodig is dat Europa zich met de kromming van bananen

30

bezighoudt. Volgens hem wilden de lidstaten dit juist: ‘Het waren de lidstaten die voor een richtlijn kozen toen ieder land nog een nationale bananenregel kende’. Het gaat volgens Jansen dus mis bij de beeldvorming van de Europese burgers en niet zozeer bij de besluitvorming binnen de EU zelf. Maar waar gaat het dan fout met deze beeldvorming? Jansen is van mening dat een groot deel van de schuld bij de politici zelf ligt: ‘Die hebben altijd de neiging om dingen die Europa goed doet aan zichzelf toe te rekenen, en dingen die slecht gaan toe te rekenen aan Europa. Dat komt omdat Europa een lange termijn-project is, en politiek een korte termijn-project, waarbij verkozen worden het voornaamste doel is’. Ook de media spelen volgens Eppo Jansen hierin een rol. ‘Elk land heeft een ander verhaal. Daarnaast positioneren de politici zichzelf allemaal als helden, en doordat er nog niet echt een Europees politiek veld is, krijg je telkens weer die fragmentatie, die vertekenend werkt. Het lijkt een soort paranoïde vertekening waarbij niet meegeteld wordt hoe enorm veel wij verdienen aan Europa, door die interne markt. En daarbij komt natuurlijk: Europa is niet sexy, het heeft geen glamour.’ Het probleem met Europa is dat het altijd erg goed is in zaken die mensen niet direct aanspreken, en slecht is in dingen waar de Europese burgers wel in geïnteresseerd zijn. Jansen is van mening dat een beetje drama op het Europese politieke speelveld essentieel is om de interesse te wekken: ‘Sarkozy heeft kort geleden over Neelie Kroes gezegd dat ze maar twee cellen verstand heeft: dat fleurt het dan een beetje op, dat maakt het weer leuk’. Veel belangrijker is volgens Jansen dat Europa actiever moet worden in andere beleidsaspecten. ‘Iran, misdaadbestrijding, dat zijn allemaal appetijtelijke onderwerpen voor een journalist. Maar daar blijft het stagneren, daar wint het verstand het voorlopig nog niet.’ Een federaal Europa is noodzakelijk. Jansen: ‘Het is eigenlijk de enige oplossing voor Europa om geen positie te verliezen. De enige manier waarop met ons rekening wordt gehouden


is toch door naar één stem te gaan’. Er moet een effectief Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB) komen om dit te bereiken. Erg positief ziet hij dat niet in: ‘Het GBVB wordt door iedereen wel genoemd maar als het puntje bij het paaltje komt, gebeurt er niets’. Of de opkomst van nieuwe economische grootmachten daarin verandering zou kunnen brengen is niet zeker volgens Eppo Jansen. ‘Het groter worden van deze landen is een zeer geleidelijk proces. Het is een beetje zoals het groeien van gras dat die landen machtiger worden: er is nu niet opeens een acute noodzaak voor een gemeenschappelijk beleid.’

‘Als er mannetjes van Mars zouden komen, dan zul je zien hoe gauw Europa de krachten zal bundelen’ Ondanks alle problemen is er toch vooruitgang: ‘Je hebt dus naast die tegenkrachten, toenemend nationalisme en afnemende solidariteit, dan toch het verdrag van Lissabon, dat Europa in de juiste richting kan manoeuvreren naar meer supranationaliteit. Dat is wel bijzonder’. Maar voordat de leden van de Unie werkelijk met één stem gaan spreken, moet er iets radicaals gebeuren, zoals een dreiging van buitenaf: ‘Als er opeens mannetjes van Mars zouden komen, dan zul je zien hoe gauw Europa de krachten zal bundelen’, aldus Jansen. Zal een dergelijk federaal Europa ooit realiteit worden? Als we Jansen mogen geloven wel: ‘Ik houd vol dat het de ratio meeheeft. Het onderliggende probleem blijft dat men zich blijft vastklampen aan wat je goed kent. Maar de ratio ziet wel in dat, bijna op ieder terrein, grensoverschrijdende samenwerking een meerwaarde oplevert die je in je eentje nooit kunt bereiken’. Eén ding is zeker: de globale machtsverhoudingen zijn aan het veranderen. Of de EU tot de nieuwe grootmachten zal gaan behoren, of dat de Unie kan worden afgeschreven, zal in de komende decennia duidelijk worden. Bezoek het Clio Congres op dinsdag 20 april in Martiniplaza. Volg verschillende workshops en luister naar Maarten van Rossem, Max van den Berg, Bob van den Bos en Eppo Jansen. Je vindt meer informatie en kunt je inschrijven op congres.clio.nl

IB & Eten TEKST: Lisa van Wageningen

D

e combinatie Internationale Betrekkingen en eten doet menig wenkbrauw fronsen, want erg vanzelfsprekend lijkt deze combinatie niet. Maar onderschat het belang van eten vooral niet! Want iedereen ongeacht herkomst houdt van eten. Wat zou Pratibha Patil, de president van India, bijvoorbeeld doen als ze op staatsbezoek in Kirgizië de locale delicatesse, een portie schapenogen, voorgeschoteld zou krijgen? Zoals ook de presidente, is een groot deel van de Indiase bevolking vegetariër. En zo kent iedere cultuur weer andere voedselvoorschriften. In de Islamitische wereld zul je niet snel varkensvlees voorgeschoteld krijgen en Joden eten zelfs geen rode m&m’s. Oftewel, eten is verweven met cultuur en cultuur met de Internationale Betrekkingen. Als je zaken wilt doen, zul je de eetgewoonten van je zakenpartner moeten kennen. Het is in veel landen gebruikelijk zaken te doen tijdens het nuttigen van spijzen en dranken. In Indonesië bijvoorbeeld, vinden zakelijke onderhandelingen doorgaans tijdens het ontbijt plaats, zo tussen half zeven en acht uur. Tijdens het diner is er geen ruimte voor zaken, deze maaltijd wordt geweid aan het uitdiepen van sociale contacten. De vork met de linkerhand hanteren is volstrekt onbeleefd in Saoedi-Arabië, terwijl het wel weer heel beleefd is om je bord niet helemaal leeg te eten. Als je goede whisky serveert houd je een Japanse zakenman tevreden, want bij de Japanners is het slagen van een diner afhankelijk van de kwaliteit van de spijs en drank die je hen aanbiedt. Dit terwijl je bij Russen vooral moet letten op tafellinnen en goed verzorgde bediening. Maar ook in de internationale politiek speelt eten een belangrijke rol. Een voorstel van ex-Beatle Sir McCartney aan het Europees Parlement tot het instellen van een vleesloze maandag hield de gemoederen binnen Europa bezig. Hoe ver reikt de macht van Europa wanneer zelfs de voedselkeuze door de politiek wordt bepaald? Ook verschillende topconferenties deden het onderwerp eten eer aan. Bijvoorbeeld de G8-top in Tokio in 2008. Terwijl de wereldleiders het agendapunt ‘voedselcrisis’ bediscussieerden, werden zij getrakteerd op een achtgangendiner. Een jaar later, tijdens de G20-top in 2009 in Londen berichtten de media volop over eten, toen internationale leiders voor ruim een half miljoen aan Britse belastingcenten aan het beste eten en drinken besteedden. Zo werd er een Bordeaux geserveerd van 157 euro de fles. Wel werd het eten bereid door kansarme jongeren. Kortom, eten en de IB beïnvloeden elkaar wederzijds. Hopelijk heeft deze kleine introductie je enig inzicht gegeven in de wereld van spijs en drank. Voor de aanstormend internationalisten onder ons: je bent gebaat bij een goede kennis over eten en drinken. Dus een goed kookboek en een opfriscursus etiquette kan zeker geen kwaad.

31


De hypocrisie van het Nederlandse mensenrechtenbeleid Binnenlandse mensenrechtenschendingen onder de loep TEKST: Lisa van Wageningen

D

e afgelopen jaren is Nederland meerdere malen op haar vingers getikt door verschillende organisaties. Human Rights Watch, De Raad van Europa, Amnesty International en het VN-kinderrechtencomité hebben rapporten uitgebracht waaruit blijkt dat Nederland op regelmatige basis mensenrechten schendt. Naast racisme en intolerantie jegens moslims en discriminatie op basis van etniciteit bij het afleggen van inburgeringexamens in het buitenland, betreffen de schendingen met name het Nederlandse asielbeleid. In Nederland vindt er namelijk administratieve detentie plaats. Illegale vreemdelingen en uitgeprocedeerde asielzoekers worden vastgezet terwijl illegaal verblijven an sich niet strafbaar is. Bij een ongeldig visum wordt binnen 48 uur onderzoek gedaan waarna wordt bepaald of legaal verblijf mogelijk is. Als dit onderzoek langer dan 48 uur duurt, wordt de vreemdeling of asielzoeker vastgezet in een detentiecentrum. Human Rights Watch uit voornamelijk kritiek op de tijdsduur waarin asielzoekers en illegalen hun verhaal duidelijk moeten maken. Dit tijdsbestek is volgens deze organisatie simpelweg te kort om goed onderzoek te doen en dus een eerlijk oordeel te geven. Bovendien is er geen sprake van transparantie bij de onderzoeksmethode. De Nederlandse regering wil hierover niets kwijt. Overigens krijgen volgens Amnesty International alleen asielzoekers direct een advocaat. Illegale vreemdelingen die geen asiel menen te zoeken moeten soms meerdere weken op een advocaat wachten terwijl ze opgesloten zitten. Aan administratieve detentie is geen tijdslimiet verbonden. Inmiddels komt het voor dat vreemdelingen en asielzoekers zonder tussenkomst van een rechter meer dan een jaar worden opgesloten. Uitgeprocedeerde asielzoekers gaan, voordat ze worden teruggestuurd naar het land van herkomst, naar een uitzetcentrum. Maar in de praktijk mislukt de uitzetting niet zelden. Herkomstlanden werken niet altijd mee en vreemdelingen bezitten niet altijd identiteitspapieren, waardoor uitzetting lastig wordt. Wanneer uitzetting onmogelijk blijkt, beslist de rechter dat ze niet meer in vreemdelingenbewaring mogen blijven en dan belanden de ex-gedetineerden op straat. De Raad van Europa betreurt dat er geen goede opvangmogelijkheden zijn. In de detentie- en uitzetcentra zijn door Amnesty International verschillende misstanden geconstateerd. De organisatie komt tot de conclusie dat asielzoekers en migranten zelfs slechter af zijn dan Nederlandse criminelen. Nederlandse criminelen hebben recht op verlof, werk of onderwijs. In de detentie- en uitzetcentra zijn deze rechten wegbezuinigd. Het komt voor dat gedetineerden 21 uur per dag in de cel zitten en er maar één keer

32

per dag wordt gelucht. In de cellen verblijven tenminste twee mensen, waardoor het privacyrecht wordt geschonden. De gedetineerden hebben nauwelijks toegang tot juridische en medische bijstand. Daarnaast zijn klachten over mishandelingen door bewakers niet ongewoon. Ook mensen met een trauma worden opgesloten. Slachtoffers van mensenhandel zijn geen uitzondering op dit beleid. Het VNkinderrechtencomité uit vooral kritiek op het feit dat kinderen soms zonder hun ouders worden opgesloten. Ook alleenstaande, minderjarige vreemdelingen worden opgesloten terwijl dit in strijd is met de rechten van het kind. De wet die ten grondslag ligt aan dit asielbeleid - en dus aan de schendingen - is de vreemdelingenwet 2000. Momenteel wordt gewerkt aan een herziening van deze wet. Verschillende gemeenten, de Raad van Kerken en vluchtelingenorganisaties hebben echter al protest aangetekend tegen het concept van de nieuwe wet. Sommige toestanden zijn in de herziene versie namelijk nóg schrijnender. De wet bepaalt onder andere dat iemand die ooit illegaal is geweest, nooit meer in aanmerking komt voor een verblijfsstatus. De mogelijkheid om uitzonderingen te maken is hierbij uitgesloten. Uitgeprocedeerde asielzoekers en vreemdelingen zijn geen criminelen. Detentie moet een noodmiddel zijn, terwijl het in Nederland een alledaagse maatregel is. Alternatieven worden door de Nederlandse regering niet goed genoeg onderzocht. Een meldplicht, een elektronische enkelband of een open celdeur binnen de instelling zou het beleid menswaardiger maken. Er zijn echter weinig concrete voorstellen voor verbetering. Hoe is het mogelijk dat een land dat de mensenrechten zo hoog in het vaandel heeft staan, binnen de eigen landsgrenzen niets lijkt te willen veranderen? In de binnenlandse politiek lijken de misstanden niet op de agenda te staan. Erg kenmerkend voor de houding van politici was de reactie van CDA-Kamerlid Wim van de Camp, verantwoordelijk voor het vreemdelingenbeleid, naar aanleiding van een alarmerend rapport van de Raad van Europa. Hij reageerde met de woorden: ‘Volgens mij is er niks mis met de mensenrechten in Nederland’. Rapporten over mensenrechtenschendingen zullen zowel nu, als met de nieuwe vreemdelingenwet blijven binnenstromen. Misschien is het daarom tijd dat niet de minister van Buitenlandse Zaken maar de minister van Binnenlandse Zaken de strategie Naar een menswaardig bestaan in haar beleid opneemt.

foto: Richard Messenger

Nederland heeft de mensenrechten hoog in haar vaandel staan. Zo presenteerde minister Verhagen in 2007 Naar een menswaardig bestaan: een strategie die de mensenrechten centraal stelt in het Nederlands buitenlands beleid. Maar hoe menswaardig is het bestaan in Nederland zelf?


Sana’a: capital of a country in turbulence

Al-Qaeda’s Comeback A New Frontline in the War on Terror TEKST: Niels Goet

The befittingly named ‘underpants-terrorist’ Umar Farouk Abdulmutallab has proven that Western anti-terrorist defences are far from impenetrable. The young Al-Qaeda affiliate, originally from Nigeria, trained in Yemen, but educated at the prestigious University College London, made an attempt to bomb flight 253 from Amsterdam to Detroit last Christmas. Fortunately, disaster was averted as passengers managed to overpower him. It is, however, one in a series of attacks that worries political scientists and policy-makers alike. Is Al-Qaeda making a comeback in what is to become the next stop in the War on Terror: Yemen?

O

peration Enduring Freedom in Afghanistan ended with a triumphant Bush on an aircraft carrier parading the banner ‘Mission accomplished’; an action that was slightly premature in retrospect. It is definitely true that Al-Qaeda has been uprooted from Afghanistan. But terrorist organizations do not tend to comply with conventional geopolitical standards of warfare. In fact, Al-Qaeda disappeared from Afghanistan right after the invasion, only to secure new bases elsewhere. Western intelligence agencies already issued warnings a year ago that Yemen was becoming the new Afghanistan. The small republic in the Arabian Peninsula has become the rallying ground for Al-Qaeda militants and threatens to become the next battleground in the ‘War on Terror’. In response, the US has doubled its financial support to the Yemeni government’s military training programmes. Covert operations not included, it now amounts to some US$ 140 million, topping the charts and outstripping that of Pakistan.

Abdulmutallab has told FBI agents that ‘more bombers are coming’, a warning that has instigated fear amongst the general public. A further attack on a CIA base in Afghanistan has embarrassed the US intelligence services and induced Obama to strengthen anti-terrorist measures. By extending military support to the Yemeni security forces and intensifying training programmes, the Obama administration hopes to drive the terrorists out of the virtually inaccessible mountainous regions in the country. The Obama administration seems to perceive the attack as part of a more structural problem, rather than considering it an incident: a comeback of Al-Qaeda. At first examination, this assessment seems to be correct. Political analyst and Foreign Policy contributor Gregory D. Johnson explains that Yemen is on the ‘verge of disintegration’. He explains that the sheer multitude of problems facing the country will cause it to be overwhelmed in the near future. Al-Qaeda is growing stronger, the northern region is threatened by a Shi-

33


Article

Uwe Koninklijke Hoogheid TEKST: Karsten J. Kip

ite rebellion, and there is a renewed threat of secession in the south. President Ali Abdullah Saleh, aged 67, has ruled Yemen for 31 years: elites are waiting to seize power once he departs. A young and rapidly growing population of some 23 million, dire economic circumstances, poor education and Islamist pressures, combine to form an volatile mix; a situation that extremist groups like Al-Qaeda stand to gain from. Not surprisingly, AlQaeda operatives from Saudi Arabia and Yemen have merged in January 2009 and created a dangerous alliance dubbed Al-Qaeda in the Arabian Peninsula (AQAP). With a government in disarray, Al-Qaeda is consolidating its gains. Johnson explains that three years ago they were relatively disorganized and on the run. Nowadays, they are reinforcing their position by ‘marrying into local tribes and establishing a durable infrastructure that can survive the loss of key commanders’. According to Johnson, persuasion and intimidation now represent the cornerstones of their policy matters of decisions. Firstly, they have constructed a narrative of jihad that is broadly popular in Yemen, and secondly they assassinate or execute security officials who are too adamant in their prosecution of Qaeda fighters. In all, Obama is playing a game of ‘hit the mole’: as he knocks out Qaeda bases in Jalalabad and Waziristan in Afghanistan, new ones pop up in Marib, Shabwa, and al-Jawf in the Arabian peninsula. The idea that Al-Qaeda is gaining ground however is not universally accepted amongst experts. Other facts contradict the idea that Yemen is increasingly becoming a safe haven for the terrorist organisation. AQAP numbers between 100 and 300 core operatives, equalling the total of operatives in Pakistan. Yet they are younger and lack the operational skills and sophistication of their Pakistani counterparts. Most are rookies, lacking the combat skills of the former Afghani Qaeda operatives. Local experts like Nadia Abdulaziz Al-Sakkaf, editor of The Yemen Times, claim that the threat posed by the terrorist organisation has diminished greatly and is much smaller compared to 1994 and 1995. Al-Sakkaf even claims that Yemenis have turned against Al-Qaeda, realising that terrorism is hurting their prospects in the global economy. It is difficult however to find experts who share this assessment outside Yemen. Dealing with the economic problems of the country might be one approach. But with Washington and London refusing to issue a ‘blank check’ and a lack of coordination from other donor countries (including its neighbour, Saudi Arabia), this seems impossible. Moreover, the Yemeni government is in quite an untenable position. With the majority of its population against foreign intervention, it cannot allow the US to operate on its territory, while attacking Al-Qaeda by itself will provoke the opposition parties and the Islamists alike. Meanwhile, some two hundred different tribes are competing for local and national power in the country. In all, it is a perfect recipe for yet another intractable, protracted conflict. One we must hope the US will not get involved in.

34

O

m deze column maar meteen met een boude mededeling te beginnen: Ik word praktisch nooit met ‘Uwe Koninklijke Hoogheid’ aangesproken. Die aanspreekvorm schijnt voor bepaalde mensen dagelijkse kost te zijn, voor mij is dat toch wat minder zo. En, het moet gezegd worden, er is een aantal goede redenen te bedenken om mij niet zo te noemen. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik enkele tijd geleden een mail met die aanhef ontving en deze, na wat verder onderzoek, ook nog daadwerkelijk aan mij gericht bleek te zijn. In deze brief werd mij in zeer Duits aandoend Nederlands verzocht of ik, in het kader van een afstudeerproject, misschien mee zou willen werken aan een documentaire met de titel ‘In en om Neutraal Moresnet’. Voor degenen die onbekend zijn met dit voormalige ministaatje; Neutraal Moresnet was een taartpuntvormig landje vlak ten zuiden van het drielandenpunt (toen nog het vierlandenpunt) in Vaals, dat in het leven werd geroepen toen het Koninkrijk Pruisen en het toenmalige Verenigde Koninkrijk der Nederlanden na de val van Napoleon het niet eens konden worden over het bezit van een waardevolle zinkmijn bij het plaatsje Moresnet. Na lang wikken en wegen heeft men toen besloten om het gebied nabij de zinkmijn onder gezamenlijk bestuur te plaatsten, een zogenaamd condominium. Na de Belgische onafhankelijkheid zou het Nederlands deel van het bestuur overgedragen worden aan onze zuiderburen. Aan het kortdurende bestaan van het landje kwam een einde met het Verdrag van Versailles, waarin Duitsland afzag van alle rechten op het gebied en het dorpje aan België toekwam. Zowel voor als na het opheffen van het staatje zijn er nog enkele pogingen ondernomen om het stukje land te redden. De meest serieuze hiervan, een poging van enkele leden van de Esperantobeweging om het neutrale landje onder de naam Amikejo (‘vriendenplaats’) tot ’s werelds enige echte Esperantosprekende staat uit te roepen, bleek door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog tot mislukken gedoemd. Eén van de minder serieuze pogingen tot herleving van de onafhankelijke taartpunt werd dus al een flink aantal jaar geleden door mijzelf ondernomen, door op een nogal obscure plek ergens in de krochten van het wereldweide web mijzelf uit te roepen tot ‘koning Karsten Jan I’. Eigenlijk kan ik er achteraf geen betere reden voor bedenken dan simpelweg een groot overschot aan vrije tijd. En aangezien er genoeg mensen rondlopen die werkelijk alles wat op internet geschreven staat ook daadwerkelijk geloven krijg je dan jaren na dato nog verzoeken tot interviews voorgeschoteld. Ik mag hopen dat die arme jongen voor de rest van zijn afstudeerproject zijn bronnen beter gecheckt heeft.


Studeren duur?

Profiteer van de allerscherpste prijzen op je boeken. Clio biedt jou de mogelijkheid om onder zeer voordelige voorwaarden bij ons je studieboeken te bestellen. Profiteer van kortingen van 10 tot 20%!* Kijk op de website voor meer informatie.

www.clio.nl www.clio-international.nl

powered by *Volgens wet op de vaste boekenprijs


De Masters Public Administration en European Studies volg je natuurlijk aan de Universiteit Twente Universiteit Twente. Dat is menswetenschappen en technologie. High tech and human touch. Onderwijs en onderzoek verbonden aan actuele maatschappelijke vraagstukken. Nieuwe technologie als aanjager voor verandering, vernieuwing en vooruitgang in de samenleving. Universiteit Twente, de ondernemende universiteit.

Public Administration (MSc)

European Studies (MSc)

De opleiding met de langste historie van Nederland. Al jaren een

Internationaal georiënteerde opleiding. Ontstaan uit de oudste en

veelzijdige en kwalitatief sterke opleiding. Aandacht voor complexe

excellent beoordeelde Bestuurskunde opleiding van Nederland.

bestuurlijke vraagstukken in een veranderende wereld. Hoe steken

Gericht op Europa en de uitdagende interactie met de rest van de

ze in elkaar en wat kan er aan worden gedaan? Praktijkgericht, met

wereld. Europese maatschappelijke vraagstukken vanuit verschillende

wortels in de wetenschap. Hoogleraren in de vakgebieden economie,

invalshoeken. Namelijk: economie, recht, politicologie en sociologie.

politicologie, recht en sociologie. Alumni die nationaal en internationaal

Het Centre for European Studies (CES) coördineert mede deze opleiding.

het verschil maken in een samenleving. Daar staan we voor.

Talrijke mogelijkheden: uitzonderlijke gastlezingen en discussies met (internationale) specialisten, leerzame excursies naar de EU en andere

De volgende 1-jarige specialisaties zijn mogelijk. Startdatum september

internationale organisaties en zeer actuele onderzoeksresultaten.

en februari:

Bovendien heeft CES een omvangrijk netwerk, waar jij van profiteert!

- Policy and Governance

Deze master biedt een aantal unieke mogelijkheden:

- Public Safety - Higher Education

- Een 1-jarige master (start in september) en de eventuele keuze voor

- Environment & Sustainability

de “Regulation Module”. Hierbij ga je meer in op de regulering van

- Publiek management

Europa.

- Recht en Bestuur (grotendeels Nederlands)

of - Een 1,5-jarige master (start in september of april) aangeboden

Meer informatie vind je op master.utwente.nl/pa

en onderwezen door de Universiteit Twente en de Westfälische Wilhelms-Universität Münster. Heel bijzonder, want je ontvangt na afloop meteen twee diploma’s: een Nederlands en een Duits diploma. Meer informatie vind je op master.utwente.nl/mes

Nieuwsgierig? Bezoek de last minute voorlichting op 10 juni 2010


Checks & Balances, jaargang 6, editie 2