Page 1

& De enige echte Belgen

Checks&Balances I jaargang 7, editie 2, 2011

Persvrijheid in het Midden-Oosten

World’s Worst Dictators

Clio Congres 2011


Checks&Balances In deze editie

HOOFDARTIKEL 18

Joris van Duijne over persvrijheid in het MiddenOosten Hij beleefde de opstand in Egypte van dichtbij. Hoe ontwikkelen de media zich nu verder?

10

ARTIKELEN 6

Militaire macht mag wat kosten

12

‘De enige echte Belgen’

Foto: Janie Hernandez

Waar staat de Duitstalige gemeenschap binnen de formatiecrisis?

24

14

Zelfbeschikking: een recht of een plicht?

22

Afghaanse vluchtelingen in Australië

24

De spagaat van Morales Het economisch beleid in Bolivia is onhoudbaar

26

Meten met verschillende maten

Foto: C. Maranon

Hoe gelijk is gelijk binnen de Europese Unie? 29

Wetenschapsfraude in China ENGLISH SECTION

32

Diary of Leandro Vergara-Camus

34

Small, Green and Happy

35

World’s Worst Dictators

38

Peculiar IOs

38

Column

Foto: lanchongzi

29

INTERVIEWS 35

10

Noé van Hulst over de dialoog tussen energiereuzen

Foto: babeltravel

RUBRIEKEN 4 REDACTIONEEL 5 BESTUURLIJK 8 STAGEVERSLAG 13 WHAT THE VAK?! 16 STUDEREN IN HET BUITENLAND 17 IB &... 25 LEVEN NA IB 28 RECENSIE 30 VERSUS 32 DIARY OF... 38 PECULIAR IOS 38 COLUMN

21

CARTOON

3


Redactioneel COLOFON

Beste lezer,

Checks&Balances

Bij het uitkomen van deze editie is de lente hopelijk weer in volle gang. De gestolen uurtjes op terrasjes en parkgras zijn een welkome afleiding van de tentamenstress. Toch heeft deze lente nog veel meer te bieden.

studievereniging Clio.

is een uitgave van

We kunnen namelijk met recht spreken van een ‘Arabische lente’. De historische omwentelingen in het Midden-Oosten werpen de vraag op wat er verder gebeurt nu het stof op het Tahrirplein is neergedaald. Checks&Balances besprak met Joris van Duijne de perspectieven voor persvrijheid in het Midden-Oosten. Voor persvrijheidorganisatie Freevoice heeft hij frequent contact met Egyptische journalisten. Lees het interview op pagina 18! De internationale belangstelling voor het Midden-Oosten heeft deels te maken met de energie die wij uit de regio halen. Deze editie blikt vooruit op het Clio Congres met als thema ‘Energie: brandstof als brandhaard?’ Het interview met Noé van Hulst, secretaris-generaal van het International Energy Forum, geeft een bijzondere insider’s view op de mondiale energiemarkt. Diepere samenwerking tussen producerende en consumerende landen brengt de dialoog op een historisch punt. En dat is maar goed ook, want dat de olie snel op zou gaan is volgens Van Hulst een mythe…

C&B verschijnt vier keer per academisch jaar. Redactie Alexander Witt Kees Blom Lennart Noten Lisanne van Unen Niels Goet Robin Goudsmit Thijmen Hamer Victor Kuijpens Eindredactie Gerbrich Salverda Kenneth Jhinkoe Sanne Maas Sophie Beelaerts

Ten midden van de huidige ontwikkelingen zou je bijna vergeten dat de wereld er dit jaar een staat bij krijgt. Waarom spraken de Zuid-Soedanezen zich begin dit jaar met 99 procent uit voor afscheiding van het noorden? Naar aanleiding van die vraag gaat Checks&Balances dieper in op het zelfbeschikkingsrecht. Aan de andere kant vragen we ons af of soevereiniteit een plicht is, zelfs als sommige volkeren dat helemaal niet willen. En in hoeverre is Europa eigenlijk een voorbeeld op het gebied van de rechten van minderheden? Meten we met verschillende maten? Tot slot een oppepper voor zij die aan het blokken zijn: je moeite loont. In Leven na IB lees je hoe je met IBIO van je passie je beroep kan maken. Voordat je echter zover bent, moedig ik iedereen aan te genieten van het rijke studentenleven en zoveel mogelijk stages, buitenlandse reizen, activiteiten en bijvakken te doen. Wil je ook je schrijftalent ontplooien? Doe dan mee aan onze essaywedstrijd en wie weet staat jouw tekst in de volgende editie. Stuur voor 25 april je inzending naar checks@clio.nl. Kijk voor meer informatie op de website: www.checksandbalances.nl.

Hoofdredactie Victor Kuijpens Freelance Erika van Leeuwen Joost Herman Jorrit Kamminga Judith Knotters Karsten J. Kip Leandro Vergara-Camus Parsia Tayebi Philip Claeys Cartoon Dave Hoogakker

Voor nu wens ik je veel leesplezier!

Vormgeving

Victor Kuijpens Hoofdredacteur

Alexander Witt Druk Scholma Druk Oplage 1350 stuks Adresgegevens Checks&Balances Oude Kijk in ‘t Jatstraat 26 9712 EK Groningen Coverfoto Marlous van ‘t Pad Bosch checks@clio.nl www.checksandbalances.nl Abonnement

4

Foto: Marlous van ‘t Pad Bosch

vier edities per academisch jaar voor €12,50 Aanmelden mogelijk via de website of het versturen van een e-mail naar de redactie


Bestuurlijk Beste lezer, Miljoenen mensen gingen begin dit jaar de straat op in Caïro om te protesteren tegen het regime van de Egyptische president Hosni Mubarak. In een land waar van vrije media geen sprake is, was het enige jaren geleden onmogelijk geweest om een dergelijke mensenmassa op de been te brengen. Met de komst van sociale media, zoals Facebook en Twitter, is dat probleem nu opgelost. De demonstranten hebben tot dusver een positief resultaat behaald en de wereld kon intussen met hen meekijken. Regelmatig checkten de ‘vrienden’ op het Tahrir-plein de statusupdates. Sociale media zijn tegenwoordig niet meer weg te denken uit de mondiale journalistiek. Als iemand aan de andere kant van de wereld een berichtje het wereldwijde web opstuurt, kunnen wij hier op de hoogte blijven van zaken die tot voor kort in nevelen gehuld waren. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de inval van het Braziliaanse leger in de sloppenwijken van Rio de Janeiro, waar de traditionele media vakkundig buiten werden gehouden. Echter, via Facebook was het voor de jonge sloppenwijkbewoners toch mogelijk hun verhaal te delen met de rest van de wereld. Als we Wikileaks moeten geloven behoren zaken die in nevelen gehuld blijven zelfs geheel tot het verleden. Maar niet iedereen kan zich hier in vinden. In een poging deze informatiestroom een halt toe te roepen, vroegen de Verenigde Staten om de gegevens van aanhangers van de klokkenluiderorganisatie bij Twitter. Kortom, de sociale media zijn het middelpunt van onze nieuwsvoorziening geworden. Zelf ben ik geen fervent twitteraar. Ik heb zo het vermoeden dat niemand geïnteresseerd is in het feit dat ik ’s ochtends mijn bed uitkom, daarna twee boterhammen eet en op de fiets naar de Clio-kamer ga. De Twitter-acounts van onze wereldleiders snap ik dan weer wel. Zij kunnen op deze manier hun achterban op de hoogte houden van alle politieke debatten en beslissingen, die voor de tweet-lezers interessant kunnen zijn. Politici delen echter niet alleen politieke perikelen met de wereld, maar ook hoe het met hun partner gaat en dat ze een borrel drinken met de buurvrouw. Misschien kan ik toch ook gaan twitteren? Wie echt op zoek is naar relevante tweets en updates moet @cliogroningen gaan volgen, of vriend worden op Facebook. #twexit Martine van Kessel

v.l.n.r.: Marloes, Tessa, Bram, Martine, Marijn

5


Militaire macht m

TEKST: Thijmen Hamer

Over bovenstaand onderwerp verschilt de houding van de IBIO-student waarschijnlijk sterk. Je hebt de groep nee-schuddende pacifisten, de groep voorzichtig en de groep gefascineerd. De meeste IBIO-studenten bevinden zich in de eerste twee groepen. Toch ga ik de gefascineerden onder ons een plezier doen en het hebben over militaire uitgaven en in welke richting dit de oorlogsvoering stuurt.

H

et blijkt dan moeilijk te zijn om de impact van de wereldwijde economische crisis op de ontwikkeling van militaire uitgaven mee te nemen. In de meeste landen is de begroting waarschijnlijk gepresenteerd voor het uitbreken van de crisis, al dan niet net zo vrolijk als toenmalig minister van FinanciĂŤn Wouter Bos dat deed. De mondiale defensie-uitgaven lijken echter wel afgezwakt door de crisis. De grootste bezuiniging zal komen uit de VS, waar Obama het enorme defensiebudget heeft aangepakt. Onder Bush was de begroting meer dan verdubbeld tot een recordbedrag van 663 miljard dollar in 2009. Dat is iets minder dan het Bruto Binnenlands Product van Nederland en ongeveer het driedubbele van wat er in de wereld aan ontwikkelingshulp wordt uitgegeven.

Bij de besteding van dat budget legt elk land echter de nadruk op een verschillend aspect. Zo hebben veel landen in het Midden-Oosten een grote landmacht maar een relatief kleine marine en luchtmacht. Daarnaast zal IsraĂŤl weinig geld besteden aan de marine omdat het veel gemakkelijker over land kan worden aangevallen. Een land als Japan daarentegen, dat verhoudingsgewijs vrijwel niets uitgeeft aan defensie, geeft juist de voorkeur aan een sterke zeemacht.

Ondanks die cijfers lijkt het zo dat, met name in Europa, een steeds kleiner percentage van het BBP richting defensie gaat. Vrijwel alle landen geven minder dan 2 % uit, met enkele uitzonderingen waaronder Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

Om gebruik te maken van die specialisatie, pleitte een Italiaanse politicus een poosje terug voor de oprichting van een Europees leger, in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Hoewel de EU nu ook al troe-

6

Nederland en Duitsland geven slechts 1,3 % uit aan hun militaire apparaat, wat neerkomt op een slordige 12 en 48 miljard dollar. China houdt rustig vast aan de 2 %, maar geeft door de rappe economische ontwikkeling inmiddels ook al ruim 100 miljard dollar uit.


mag wat kosten

Leidende militaire naties per regio

Noord-Amerika : Zuid-Amerika : West-Europa : Oost-Europa en Noord-Azië : Midden-Oosten : Afrika : Centraal en Oost-Azië : Zuid-Azië :

pen tot zijn beschikking heeft, is dit nog zeer marginaal. Met de oprichting van een gezamenlijk leger zouden Italiaanse vliegtuigen, Duitse tanks en onderzeeërs uit het Verenigd Koninkrijk een Europese hoofdrol in veiligheidsvraagstukken garanderen. De pacifistische en voorzichtige groepen lieten zich echter gelden en sindsdien is het weer doodstil rond dit thema. Oorlog blijft een mensenzaak Bij defensie-uitgaven draait het allemaal nog om conventionele oorlogsvoering. De enige conventionele oorlog die Nederland de afgelopen jaren gevoerd heeft, bleef echter bij politieke steun. Echte conventionele oorlogen liggen nog steeds op de loer, maar kunnen steeds vaker worden voorkomen. Beter lijkt het om de krijgsmacht voornamelijk uit te gaan rusten voor het bestrijden van terrorisme en interne conflicten. Dan kun je bijvoorbeeld denken aan robots en onbewapende kamikazevliegtuigen. Het uitbesteden van oorlog aan robots is een trend die reeds is ingezet. Daar is overigens een simpele verklaring voor. Oorlogsslachtoffers worden eerder verafschuwd in eigen land en een negatieve publieke opinie zwelt gemakkelijk aan. Daarom zullen de haviken andere manieren moeten verzinnen om draagvlak voor een nieuwe oorlog te vinden. Binnen de legerleiding focust men daarom op oorlogsvoering met minder man aan het front. Desondanks blijft oorlogsvoering een zaak voor mensen. Daar moeten de defensie-uitgaven dan

VS Brazilië Verenigd Koninkrijk Rusland Saudi-Arabië Zuid-Afrika China India

ook op worden afgestemd. Een ethische discussie hierover lijkt slechts een kwestie van tijd. Nu al kampen de bestuurders van de onbewapende kamikazevliegtuigen met enorme psychische problemen. Alleen dialoog leidt tot vrede Indien men de uitgaven aan defensie vermindert, komt dit de stabiliteit alleen ten goede als dit op mondiale schaal gebeurt. Dit is geenszins het geval. Hoewel ik zeker in het geval van de VS een vermindering van het excessieve budget raadzaam acht, werkt het niet onmiddellijk bevorderend voor de wereldvrede. De oorlogsdreiging of de mogelijkheid om oorlog te voeren nemen in het geval van de VS niet af. Een goede afstemming werkt zonder meer beter, door bijvoorbeeld verdragen te tekenen als het nieuwe START-verdrag tussen Rusland en de VS. Transparantie is daarbij zeer belangrijk: ken het standpunt van je tegenstander en anticipeer hierop. Ondanks de agressieve Chinese buitenlandpolitiek zijn de spanningen met de VS en Japan nooit echt tot grote hoogte opgelopen. Communicatie is daarin essentieel. Anderzijds ligt Iran onder vuur vanwege de gebrekkige communicatie over en geheimhouding van de militaire uitgaven. De dialoog is daardoor absent en de monoloog weinig betekenisvol. Een goede discussie over veiligheid kent echter voor- en tegenstanders en kan dus ook in onze eigen collegezalen en kroegen geen kwaad. De mening van zowel pacifisten en haviken is daarbij noodzakelijk!

7


Stageverslag

Strijden tegen honger TEKST: Parsia Tayebi

Van september 2009 tot en met maart 2010 liep ik stage bij het World Food Programme (WFP) in Mozambique, waar ik deel uitmaakte van het ‘Together for Child Vitality Programme’: een samenwerkingsverband tussen Unilever en het WFP om honger en ondervoeding onder kinderen tegen te gaan. In deze samenwerking biedt Unilever in totaal tien studenten uit Nederland, België, Frankrijk en Italië de mogelijkheid om te werken in de lokale kantoren van het WFP om zo een bijdrage te leveren aan de strijd tegen honger.

N

a een uitgebreide selectieprocedure van verschillende rondes, waaronder een telefonisch interview en een beoordelingsdag, volgde goed nieuws: ik was geselecteerd! Wat volgde waren trainingen in Rotterdam en Rome, waar ik ook de andere stagiaires leerde kennen. Daarna was het tijd voor het echte werk en ging ieder zijn eigen weg – naar Mali, Swaziland, Ghana, Laos of Mozambique. Ik had voor Mozambique gekozen, waar mij heel wat te wachten stond… Bij het WFP Mozambique had ik een logistieke opdracht. Ik was verantwoordelijk voor het opstellen van een logistiek noodplan dat voor verschillende humanitaire organisaties in Mozambique als handboek dient ten tijde van een humanitaire crisis. Mozambique wordt geteisterd door verschillende natuurrampen, die veelal plaatsvinden van november tot maart. Precies in de periode dat ik in Mozambique was. Aangezien coördinatie en logistieke samenwerking tussen de hulporganisaties tijdens een ramp van groot belang is, is het opstellen van een noodplan essentieel. Al op mijn tweede werkdag zat ik samen met de directeur van het WFP Mozambique in de auto op weg naar een vergadering, waar ik werd geïntroduceerd als ‘een consultant van Unilever die het nationale logistieke noodplan zou gaan maken voor 2009/2010’. In deze vergadering zaten voornamelijk directeuren van grote NGO’s en VN-instellingen zoals Unicef, Oxfam en het Rode Kruis. Dat was in het begin wel even spannend, maar als snel werden deze vergaderingen routine. Het noodplan is normaal gesproken de verantwoordelijkheid van een logistiek manager die over de benodigde ervaring en voorkennis beschikt. Voor mij was de opdracht dus een

8

behoorlijke uitdaging. Een voorbeeld: een bekend probleem in de humanitaire wereld is dat van de ‘Non-Food Items’ (NFI). Verschillende organisaties hebben verschillende typen NFI’s die zij distribueren tijdens en/of na een ramp. Hierbij kun je denken aan tenten, keukensets, waterpompen, en waterzuiveringsmiddelen. Een bekende uitspraak is: ‘Een emmer is geen emmer.’ Dit verwijst naar het verschil in gewicht en volume van de vele typen NFI’s. Het is hierdoor moeilijk berekeningen te maken van de totale logistieke capaciteit in termen van de benodigde vrachtwagens, helikopters en boten. Dit levert vaak een probleem op voor de logistieke analyse en planning van een noodsituatie. Ondanks deze vraagstukken en andere uitdagingen, heb ik het noodplan in goede samenwerking en met succes weten af te ronden. Ook ben ik tijdens mijn stage regelmatig het veld in geweest. Ik ben door het hele land gereisd en heb veel projecten gezien, veel ziekenhuizen en klinieken bezocht en veel mensen gesproken. Zo heb ik bijvoorbeeld in een aantal dorpjes samen met een collega trainingen over Programma Evaluatie gegeven aan partnerorganisaties. Daarnaast heb ik veel (wees)kinderen en kwetsbare families geïnterviewd om de impact van de WFP-steun te meten. In de provincies waar ik werkte, leeft ongeveer twintig procent van de mensen met HIV/AIDS. Veel weeskinderen en families zijn dan ook totaal afhankelijk van externe steun. Mijn ervaringen in het veld staan in schril contrast met het dagelijkse ‘expat leven’ in de hoofdstad Maputo. Ik was blij met de afwisseling, zo heb ik naast de relatieve ‘luxe’ ook de harde realiteit meegemaakt waarin het overgrote gedeelte van de Mozambikanen leeft.


Naast het interessante werk bleek Mozambique een fantastisch land om te wonen. Aanvankelijk had ik enige moeite met het vinden van een woning maar uiteindelijk had ik via een kennis een appartement gevonden dat ik deelde met een vriend: veertien hoog en uitkijkend op de Indische Oceaan! Een mooi appartement, maar wel met drie sloten op de voordeur en een bewaker beneden in de hal. Veiligheid bleek minder vanzelfsprekend dan in Nederland. Toch heb ik me nooit echt onveilig gevoeld. De Mozambikanen zijn over het algemeen erg vriendelijk, zeker als je een paar woorden Portugees spreekt en een praatje over voetbal maakt.

kelijk om toch te gaan. Het naar school gaan wordt op deze manier dus gestimuleerd. Dankzij een goede maaltijd kunnen kinderen zich bovendien beter concentreren en nemen zij meer informatie op tijdens de lessen. Het bezoeken van deze projecten is een fantastische ervaring geweest. Het is prachtig om te zien hoe enthousiast de kinderen zijn en hoe graag zij naar school gaan om te leren. De vrolijke en blije gezichten van de kinderen zal ik nooit vergeten en ik hoop mijzelf in de toekomst weer voor hen te kunnen inzetten.

Wanneer ik terugkijk op mijn stage, was het absolute hoogtepunt mijn bezoek aan de schoolprojecten van het WFP: kinderen krijgen maaltijden op school. Veel kinderen blijven normaal gesproken thuis om hun ouders te helpen, maar nu zij een maaltijd krijgen aangeboden op school is het aantrek-

Advertentie Van plan om binnenkort zelf naar het buitenland te vertrekken? Vergeet dan niet een volledige studentenverzekering af te sluiten via www.ips-lippmann.com.

9


‘Wij gaan het einde van de olievoorraad niet meemaken’ Voorproefje op het Clio Congres 2011 TEKST: Kees Blom & Niels Goet

Energie: brandstof als brandhaard. Dit thema staat centraal op het Clio Congres van 28 april 2011. Als voorproefje op dit evenement sprak Checks&Balances met Noé van Hulst, secretaris-generaal van het International Energy Forum (IEF) - de organisatie die zich bezighoudt met het voeren van een constructieve dialoog tussen ministers van producerende en consumerende landen. Doel is het creëren van een stabiele mondiale energiemarkt. Op 22 februari werd in Riyadh, Saudi-Arabië, door 86 landen een handvest ondertekend dat moet voorzien in diepere samenwerking waarmee ook officieel lidmaatschap van het IEF wordt geïntroduceerd. ‘We staan nu op het punt van een historische nieuwe stap in de dialoog.’

H

oudt het ondertekenen van dit handvest in dat er ook bindende afspraken worden gemaakt?

Is de vorming van het GECF een positieve ontwikkeling? Bent u niet bang dat de markt hierdoor minder competitief wordt?

‘Nee, vanaf het ontstaan van de organisatie is de kracht van de dialoog vooral het informele karakter. Het is niet de bedoeling dat er bindende afspraken worden gemaakt tussen de landen. Dat wordt gezien als de grote kracht van een dialoog tussen landen met verschillende opvattingen: je spreekt van tevoren niet af dat je het per definitie eens moet worden over bepaalde dingen. Het is niet uitgesloten dat dat uiteindelijk toch gebeurt - zoals er nu een handvest wordt ondertekend dat de grondslag en het speelveld van de dialoog vastlegt.’

‘Binnen mijn beroep is het helemaal niet interessant wat ik daarvan vind. Als het nu regent in Groningen vind je dat waarschijnlijk ook niet leuk, maar daar kun je ook niets aan doen. Je kunt maar beter zorgen dat je een paraplu meeneemt en goede kleren aan hebt. Over de vorming van het GECF kunnen we allemaal een opvatting hebben, maar dat doet niet ter zake. Landen hebben het in hun belang geacht om het GECF op te richten. Wij streven naar samenwerking met het GECF, met name naar manieren waarop het kan bijdragen aan het verbeteren van de transparantie binnen de gasmarkt. Of de organisatie daarnaast bezig is om kattenkwaad uit te halen, dat weet ik niet en dat interesseert me verder op dit moment ook niet. Mijn instelling is meer pragmatisch: trek ze daar naartoe waar ze kunnen bijdragen aan zaken die voor iedereen van belang zijn.’

Er komen nu binnen het IEF ook besprekingen over gas. Waar ligt bij deze besprekingen de nadruk op? Wat kan hier bereikt worden?

‘Een belangrijk onderwerp is het hele thema van energy outlooks, omdat de schattingen die de OPEC (Organisation of Petroleum Exporting Countries, red.) en IEA (International Energy Agency, red.) doen over de waarde van de oliemarkt, trouwens de hele energiemarkt, nogal uiteen lopen. Dat feit op zichzelf kan de turbulentie in de markt ook vergroten omdat het onduidelijk is waarom dat het geval is. We kijken wat verbeterd kan worden om in ieder geval betere uitleg te geven waarom die outlooks zo verschillen. Daarnaast is er de kwestie van datatransparantie in de markt. Het IEF is verantwoordelijk voor het JODI (Joint Organisations Data Initiative, red.), dat de oliemarkt voorziet in maandelijkse data over vraag-aanbod en voorraadvorming op wereldschaal. Dat wordt door ons als een mondiale database elke maand op het web geplaatst. We zijn bezig om datzelfde systeem op het terrein van gas aan de markt ter beschikking te stellen. Dat is een megaklus waarin organisaties wereldwijd samenwerken, inclusief de nieuwe instelling van het Gas Exporting Countries Forum (GECF, red.).’

10

Als we de oliemarkt en de gasmarkt naast elkaar leggen, waar liggen dan de grootste uitdagingen?

‘Het zijn hele verschillende markten. Olie is vooral gerelateerd aan de transportsector. De vraagstijging zal in de toekomst daar vandaan komen. Wat betreft de vraag naar gas is juist de energiesector de grote. De gasmarkt is veel minder gemondialiseerd. De regionaal geconcentreerde markt wordt in toenemende mate met elkaar verbonden door vloeibaar gas. De mondialisering is wel onderweg, maar het gaat nog een lange tijd duren voordat het een wereldmarkt is. De afgelopen vijf tot tien jaar is er enorm veel gas gevonden. Gas heeft dus een hele zonnige toekomst, met name omdat er in de opkomende economieën nog veel nieuwe energiecentrales bijgebouwd moeten worden.’


Over de toekomst van olie bent u ook positiever. U gelooft niet in de peak oil ‘mythe’: het idee dat olieproductie een hoogtepunt zal bereiken om vervolgens permanent af te nemen.

‘De productie in de OECD-landen zal waarschijnlijk niet veel hoger komen dan nu als er geen grote technologische doorbraken komen, wat nog maar de vraag is. De mogelijkheid tot innovatie in deze sectoren wordt permanent door velen onderschat. Op de olie- en gasmarkt worden veel nieuwe technologieën gevonden waardoor olie en gas gewonnen worden, dat werd tien jaar geleden ondenkbaar geacht. Dus in de OECD-landen zet ik bij peak oil mijn vraagtekens. Wereldwijd ben ik er absoluut van overtuigd dat we dat niet gaan meemaken, noch onze kinderen. Wat ik wel verwacht, is dat de consumptie van olie op een gegeven moment zal afnemen. Niet omdat er geen olie meer is, maar omdat er betere middelen zijn gevonden om het transport te organiseren. Het stenen tijdperk is ook niet afgelopen door een gebrek aan steen. Dus zelfs als je geen nieuwe olie meer vindt, betekent dat niet dat je geen olie meer uit de grond kunt halen. Het gaat om het toepassen van nieuwe technologieën.’

‘Het stenen tijdperk is ook niet afgelopen door een gebrek aan steen’ Is het niet beter om in plaats daarvan te investeren in meer duurzame energiebronnen? ‘Het is mijn ogen absoluut geen kwestie van of-of, maar veel meer en-en. De komende dertig à veertig jaar zullen we nog steeds een toename van de energievraag zien, simpelweg omdat de levensstandaard in ontwikkelingslanden omhoog gaat en er nog steeds een significante bevolkingsgroei is. Dat betekent in de praktijk dat we van alles, en dus ook van energie, méér nodig zullen hebben. Daar zul je dus linksom of rechtsom meer olie voor moeten vinden. Maar ook duurzame

energie moet ontwikkeld worden En ik verwacht dan ook dat deze markt sneller zal groeien. Maar de basis van deze markt is nog erg klein. En dan hebben we het nog niet eens over de twee miljard mensen die momenteel geen energietoevoer hebben, maar het straks wel willen hebben.’ Denkt u dat het IEF in de komende decennia erin zal slagen de mondiale energiesystemen veilig te stellen, zodat we over een stabiele markt kunnen beschikken? ‘Dat is een hele moeilijke vraag. Met het handvest is een vehikel gecreëerd waarin dat zou moeten kunnen. Of de landen er ook in zullen slagen om dat te doen, is een andere kwestie. Dat is ook afhankelijk van heel veel factoren die buiten het bereik van het IEF liggen, bijvoorbeeld van politieke ontwikkelingen en de politieke wil binnen de landen. Er zal ongetwijfeld ooit weer een moment komen op de oliemarkt waarbij de consumerende en producerende landen overleg dringend nodig zullen vinden, zoals in 2008. Dan zal moeten blijken of men sneller en adequater kan reageren. Ik ben er tamelijk hoopvol over dat dat zou moeten kunnen, maar ik ben me er ook van bewust dat een hoop andere ontwikkelingen een rol spelen die niet direct met energie te maken hebben.’

11


‘De enige echte Belgen’ De positie van de Duitstalige gemeenschap in België TEKST: Kees Blom

Het is 2011. Heel België wordt in zijn greep gehouden door een politieke crisis. Heel België? Nee. Een kleine gemeenschap van Duitstalige Belgen biedt moedig weerstand aan het overheersende politieke klimaat. Sinds de verkiezingen van juni 2010 zit België in een impasse over de te vormen regering, een impasse die op het moment van schrijven nog altijd voortduurt. Dit lijkt vooral een strijd te zijn tussen de Nederlandstalige Vlamingen en de Franstalige Walen. Hoe de Duitstalige Belgen hiermee omgaan, wordt echter nauwelijks benoemd. Hoe gaat het met ze?

De kaart van België met uiterst rechts het gebied van de Duitstalige gemeenschap

D

e staatsinrichting van onze zuiderburen is buitengewoon complex. Waar wij in Nederland simpelweg één regering en één parlement bestaande uit twee Kamers hebben, kent het federale België een enorme variatie aan soorten volksvertegenwoordigingen en uitvoerende organen. Daardoor is het mogelijk dat de Duitstalige gemeenschap, die met ongeveer 75.000 mensen niet groter is dan een flink dorp, ook een eigen volksvertegenwoordiging kent. Het parlement bestaat uit 25 leden en wordt rechtstreeks verkozen door de inwoners van enkele gemeenten in de provincie Luik (gewest Wallonië), waar de Duitstaligen in de meerderheid zijn. De regering wordt gevormd door een minister-president en drie ministers. Op een aantal be-

12

leidsterreinen heeft de Duitstalige gemeenschap autonomie, maar op federaal niveau is haar rol beperkt. Dat wil niet zeggen dat ze geen eigen belangen heeft. Hoewel de Duitstalige gemeenschap zich in het gewest Wallonië bevindt, lijken haar standpunten aangaande regionalisering meer op die van de Vlamingen. Wim Winckelmans, politiek redacteur bij de Vlaamse krant De Standaard, zegt daarover: `De Duitstalige gemeenschap heeft autonomie op gebieden als onderwijs en welzijn, maar wil op andere vlakken, zoals milieu, ook meer autonomie krijgen. Het is eigenlijk een soort vierde gewest geworden. Vanuit haar positie heeft ze meer begrip voor de Vlaamse eisen.‘


What the Vak?! Development Studies Het feit dat de Duitstalige gemeenschap op veel gebieden autonomie heeft, zorgt ervoor dat ze niet geheel het kind van de rekening wordt van de tweestrijd tussen de Walen en de Vlamingen. Toch erkent Winckelmans dat de vastzittende formatie problemen oplevert voor de regionale besturen. De regeringen functioneren gewoon, maar wel binnen hun beperkte bevoegdheden. Het is de vraag in hoeverre je binnen die bevoegdheden efficiënt beleid kunt voeren. Maar de impasse zorgt voor meer problemen voor de gewesten dan voor de gemeenschappen.‘ De mogelijkheden voor de Duitstalige Belgen om invloed op het federale politieke proces uit te oefenen zijn beperkt. Van de 25 parlementsleden heeft er één zitting in de Belgische federale senaat. Op dit moment is dat Siguet Louis van de grootste Duitstalige partij, de Socialistische Partei (SP), de Duitstalige afdeling van de Waalse Parti Socialiste (PS). Hij moet in zijn eentje de belangen van zijn gemeenschap zien te vertegenwoordigen tegen tien Vlaamse en tien Waalse senatoren in een senaat van in totaal 71 leden. De geringe rol van de Duitstaligen zou echter ook een voordeel kunnen zijn in de huidige problematische situatie. Gelegen in het gewest Wallonië maar met sympathieën voor de Vlaamse standpunten, zou er een rol van bemiddelaar weggelegd kunnen zijn voor de Duitstalige politici. Gezien het recente verleden is dat echter geen reële mogelijkheid volgens Winckelmans. `Een tijdje geleden, in 2008, mocht de Duitstalige minister-president Karl-Heinz Lamberts de formatie leiden als een soort van bemiddelaar, maar dat werd met een glimlach bekeken. Het was meer bezigheidstherapie dan dat het echt doorbraken forceerde.´ Het lijkt er dus op dat de Duitstalige gemeenschap rustig af moet wachten tot de gewesten Vlaanderen en Wallonië er onderling uitkomen. Winckelmans: `Het is maar een kleine gemeenschap. De Duitstaligen hebben eigenlijk niets in de melk te brokkelen. Ze zijn een beetje de vreemde eend in de bijt. Maar ze hopen wel dat als de twee gewesten iets bedisselen, zij er ook beter beter van worden.´ Tot die tijd hebben ze in ieder geval het geluk dat ze zelf in ieder geval wél een regering hebben die tot op zekere hoogte beleid kan blijven uitvoeren. De Duitstalige gemeenschap in België kent haar plaats en past zich aan naar de omstandigheden. Wellicht zijn de Duitstaligen zelfs een voorbeeld voor de rest van België. Winckelmans concludeert: `Die Duitstaligen spreken allemaal zeer goed Frans en Nederlands. Samen met de Brusselaars zijn zij de enige echte Belgen die nog overblijven.‘

TEKST: Judith Knotters

Altijd al willen weten wat de mooiste minors of vreselijkste vrije ruimtevakken zijn? In ‘What the Vak?!’ vertellen medestudenten jou alles over hun ervaringen met inspirerende docenten, creatieve colleges of tenenkrommende tentamens.

H

et afgelopen semester heb ik de minor ‘Development Studies’ gevolgd. Een bijzonder onderdeel van deze minor is het vak: ‘Reading Seminar: Key Debates in Development Studies’. Dit vak kun je alleen volgen als je de hele minor doet, maar is zeker een aanrader voor IBIO’ers die geïnteresseerd zijn in ontwikkelingsbeleid en internationale economie.

Het vak bestaat uit acht werkcolleges van drie uur, waarbij je iedere week artikelen over uiteenlopende onderwerpen moet lezen. Het leuke hieraan is dat je zoveel mogelijk de originele teksten van verschillende auteurs leest. Zo komt het Communistisch Manifest van Marx langs en begreep ik eindelijk wat Weber bedoelde met ‘protestantse ethiek’. Maar ook moderne auteurs komen aan bod, zoals voormalig senior vice-president van de Wereldbank Joseph Stiglitz. Iedere week bespreek je met een groep van vijftien tot twintig personen onderwerpen als de wereldvisie van de auteurs, hoe ze ontwikkeling bezien en wat verschillende actoren zouden moeten doen om ontwikkeling te bereiken of juist niet. Dit vak laat bijzonder veel kritische geluiden horen over het huidige internationale systeem, over de rol van de staat en van internationale organisaties zoals het IMF en de Wereldbank. Maar ook de grotere stromingen komen ruim aan bod. Als fervent aanhanger van het realisme heb ik mijn mening over het internationale systeem toch moeten aanpassen en werd ik helaas gekscherend communist of feminist genoemd. Iedere week wordt een ander onderwerp besproken, zoals de rol van de staat, industrie of landbouw in ontwikkeling. Je cijfer voor het vak wordt gevormd door het schrijven van twee literature reviews, twee quizzen en je participatie tijdens de colleges. Het vak is vooral interessant omdat je met mensen van verschillende academische achtergronden discussieert over zeer uiteenlopende onderwerpen. De discussie eindigde niet wanneer de pauze begon of het college was afgelopen, maar ging vaak de hele middag door. Zelfs op georganiseerde borrels en etentjes die ik met de werkgroep heb genoten, zijn deze discussies aanwezig. Het ontmoeten van deze verschillende personen gaven het vak echt dat beetje extra en ik ging iedere week weer met plezier naar college. Concluderend is de ‘Reading Seminar’ een ontzettend interessant vak dat niet alleen kritische wereldverbeteraars zullen waarderen. Je gaat dieper in op onderwerpen die bij verschillende vakken aan bod zijn geweest en je leert daarbij kritiek te geven op verschillende auteurs, iets dat in onze studie helaas te weinig gebeurt. De minor verruimt je blik en is daarom een interessante opvulling van je vrije ruimte.

13


Foto: unmultimedia.com

Soevereiniteit: een recht? TEKST: Lisanne van Unen

Begin 19e eeuw pleitte de Amerikaanse vicepresident, John Calhoun, voor het recht van staten om uit de Amerikaanse Unie te treden. Wilson en Lenin waren beide voorstander van het zelfbeschikkingsrecht. Vanaf de jaren ’60 van de twintigste eeuw werd dit recht officieel vastgelegd door de Verenigde Naties en het is tegenwoordig een van de fundamentele rechten in het internationaal recht. Dit is ook te zien aan de massale kritiek als gevolg van een schending van dit recht. Toch rijst hierbij de vraag waarom dit het geval is. Bestaat er een recht op soevereiniteit en waarom wordt dit zo belangrijk geacht?

N

eem het referendum in Soedan als voorbeeld. Begin dit jaar besloten de Zuid-Soedanezen in een referendum met een overweldigende meerderheid van 98,83% dat ze zich willen afscheiden van NoordSoedan. Het referendum zorgde voor een massale trek van Zuid-Soedanezen terug naar hun thuisland. Het noorden van het land besloot begin februari het referendum te accepteren en in juli zal Zuid-Soedan erkenning krijgen, in ieder geval door de Verenigde Staten. Voordat er daadwerkelijke sprake is van onafhankelijkheid, moet er over enkele zaken onderhandeld worden. Kwesties als de munteenheid, de verdeling van de nationale schuld en de definitie van burgerschap moeten namelijk geregeld worden. Bovendien kan de verdeling van de olie tot problemen leiden. De aanwezige olie in het zuiden van het land werd tot nu toe vooral naar het noorden geleid en de olierijke Abyei regio wordt betwist. Verder zijn er zeer grote risico’s aan afscheiding verbonden. Soevereiniteit klinkt aantrekkelijk, maar Zuid-Soedan zal als nieuwe staat een van de minst ontwikkelde landen ter wereld zijn. Zo is de levensverwachting er slechts 42 jaar, is 85% van de bevolking analfabeet en is een schokkende 90% van de Zuid-Soedanezen werkloos. De regio is instabiel en sterk gemilitariseerd, de etnische spanningen lopen geregeld hoog op en het land wordt door vele conflicten geteisterd. De kans dat onafhankelijkheid tot een nieuwe burgeroorlog gaat leiden is dan ook aanzienlijk. Ook was er een kans dat het noorden van Soedan het referendum niet zou accepteren. Waarom wilde het zuiden deze risico’s dan toch zo graag nemen? Naast het belang van soevereiniteit voor Zuid-Soedan zelf, is ook de acceptatie in de internationale gemeenschap van dit zelfbeschikkingsideaal opvallend. De Verenigde Staten willen Soedan belonen voor de medewerking aan het referendum door het land te schrappen van de lijst met staten die terrorisme steunen. Ook de UN-Veiligheidsraad feliciteerde de regering van het land met de goede medewerking. In de Veiligheidsraad zouden de Verenigde Staten en Frankrijk zelfs bereid zijn het internationaal arrestatiebevel dat tegen president Bashir loopt op te schorten. Voor de internationale veiligheid zijn er zodoende risico’s aan een onafhankelijk Zuid-

14

Soedan verbonden. Waarom wordt de onafhankelijkheid toch zo breed gesteund? Dit laat duidelijk zien dat het idee van zelfbeschikking diep geworteld is. Bijna de gehele internationale gemeenschap is het er over eens dat als Zuid-Soedan voor onafhankelijkheid zou stemmen, het land ook soeverein zal worden. Slechts een overeenkomst sluiten met het noorden is niet genoeg. ZuidSoedan moet een soevereine staat worden met een eigen vlag en regering, ondanks de risico’s. Waarom is het zo belangrijk soeverein te zijn? Er zijn verschillende redenen die ervoor zorgen dat soevereiniteit zo belangrijk geacht wordt. Ten eerste kan onafhankelijkheid vaak stabiliteit brengen; zo zou het een oplossing kunnen zijn voor langlopende conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen in een land. De tweede reden is dat een land dat soevereiniteit verkrijgt ook een rechtstaat wordt, waardoor het rechten heeft in andere staten, zoals het hebben van immuniteit, de mogelijkheid een procespartij te zijn en internationale aanvaarding van de rechtshandelingen van de nieuwe staat. Bovendien zorgt soevereiniteit voor een gevoel van veiligheid. Ingrijpen in een andere soevereine staat druist in tegen de internationaal erkende norm van non-interventie, terwijl ingrijpen in een eigen regio gemakkelijker geaccepteerd zal worden. In het geval van Soedan wordt geweld vanuit het noorden minder waarschijnlijk, als het in dat geval een soeverein Zuid-Soedan moet binnenvallen. Er is echter nog een derde reden die soevereiniteit zo belangrijk maakt: vaak speelt een nationalistisch gevoel een grote rol in de strijd voor soevereiniteit. Volkeren willen zichzelf regeren en niet het gevoel hebben overheerst te worden. Vaak wordt er daarom een natiestaat nagestreefd. Er is echter meer nodig dan slechts erkende soevereiniteit. Stabiliteit en een effectief, democratisch bestuur zijn essentieel voor een betere toekomst. Of dit in de dichtbije toekomst in het geval van Zuid-Soedan zal gebeuren, valt nog te bezien.


Of wordt eigen staat een plicht? TEKST: Thijmen Hamer

Ieder volk heeft een eigen identiteit en cultuur. We zijn gewend dat die identiteit verbonden is aan een soevereine natiestaat, die rechtsmacht en effectief bestuur uitoefent. Wanneer we echter tot een multiculturele samenleving behoren, is er dan nog wel één volkse identiteit? En als vervolgens autonome regio’s met minderheidsgroepen hun zelfbeschikkingsrecht claimen, is er dan nog steeds sprake van een soevereine staat? Wat is precies dit zelfbeschikkingsrecht en hoe werkt de relatie tussen zelfbeschikkingsrecht en soevereiniteit? Een filosofische discussie aan de hand van ons eigen Bonaire.

M

et het ‘zelf’ in het woord ‘zelfbeschikkingsrecht’ wordt in het internationaal recht ‘het volk’ bedoeld. Dit levert echter de nodige problemen op. Volk is een verzamelnaam voor mensen die bij elkaar horen. Zo heb je niet uitsluitend het Nederlandse volk, maar wordt er ook gesproken over het Friese of Limburgse volk. In de praktijk echter, wordt het volk tegenwoordig gelijkgeschakeld met nationaliteit. Zo heb je op je paspoort enkel je nationaliteit staan en ben je binnen het internationaal recht van oudsher enkel verbonden aan een staat, oftewel de natie. En ga maar na, eerst was het de Volkerenbond, later werd het de Verenigde Naties. Hiermee lijkt het zelfbeschikkingsrecht onlosmakelijk verbonden aan nationaliteit. Nationaliteit suggereert dat je onderdaan bent van een natiestaat en is hiermee problematisch.

Wat betekent die interpretatie voor volkeren die geen eigen natiestaat bezitten? De etnische, culturele en sociale verschillen tussen Nederlanders en Bonairianen zijn duidelijk. De eilandbewoners kunnen zich dan ook met recht een eigen volk noemen. Ze zijn echter met de huidige hervorming, waarbij Bonaire wordt opgenomen in het Nederlands gemeentebestel, tussen wal en schip gevallen. Echt Bonairiaan zijn ze niet meer en Nederlander zijn ze ook niet. Dat valt wel op te maken uit alle beperkingen die de Bonairiaanse bevolking worden opgelegd. Ondanks dat Bonaire officieel onderdeel uitmaakt van het Nederlandse gemeentebestel, kunnen in Nederland wonende Bonairianen niet zomaar terugkeren, terwijl dit andersom wel geldt. Bovendien zijn sociale voorzieningen niet gelijk aan die in andere Nederlandse gemeenten. Daarnaast moet de gelovige Bonairiaanse bevolking voor hen pijnlijke abortus- en euthanasiewetgeving slikken. Ook op bestuurlijk niveau is Bonaire onderworpen aan een bovengemiddelde financiële controle vergeleken met andere gemeentes. De Bonairianen zijn dus de controle kwijtgeraakt en opgegaan in de soevereine staat Nederland. In het

referendum van 2004 koos de bevolking van Bonaire voor rechtstreekse banden met Nederland, maar zij bedoelde hiermee geen overheersing. Menig Bonairiaan zou met de kennis van nu anders hebben gestemd. De bijzondere optie die Nederland lange tijd voor zijn afzonderlijke relaties met de eilanden hanteerde, lijkt daarmee tot een einde te zijn gekomen. De zogenaamde vrije associatie impliceerde een blijvend recht op zelfbeschikking. Is ook de Nederlandse regering nu van mening dat de Nederlandse Antillen, om te kunnen participeren in het internationaal systeem, moeten kiezen voor eigen soevereiniteit of Nederlandse controle? Net als de Britse Commonwealth eilanden onafhankelijk van het moederland, of juist volledig geassimileerd als de Franse Départements d’Outre-Mer? De Nederlandse regering vervult in het geval van Bonaire plichtsmatig de rol van soeverein en laat dezelfde rol, zeker zo plichtsmatig, vrijwel volledig over aan de autonome gebieden Curaçao, Sint Maarten en Aruba. Deze voorbeelden laten zien dat in het huidige internationale statensysteem een haast neurotische hang bestaat naar ofwel absolute soevereiniteit of de afstoting ervan. Zelfbeschikking is uiteindelijk de beste manier om een stabiele en vredige wereld na te streven. De praktijk op Bonaire zegt ons echter dat het niet zo gemakkelijk is om dit recht ook daadwerkelijk te kunnen verwezenlijken. Beschikt het Bonairiaanse volk nog over zijn zelfbeschikkingsrecht, of is dit opgeslokt in een keuze tussen soevereiniteit of geen soevereiniteit? Kunnen volkeren nog wel hun rechten uitoefenen zonder dat ze daarvoor eerst een soevereine staat moeten worden? Als zelfbeschikking alleen mogelijk is in de vorm van onafhankelijkheid, bestaat er dan geen plicht tot soevereiniteit? Rechten worden immers wel vaker plichten. Het is een recht om college te volgen maar je ervaart het dikwijls als een verplichting. Wanneer dit echter doorschiet zijn we niet meer reëel bezig…

15


Studeren in de hoofdstad TEKST: Erika van Leeuwen

Op het moment van schrijven ben ik precies een week terug op Nederlandse bodem en is het tijd voor een terugblik op een semester studeren in de hoofdstad van onze zuiderburen. Hoewel Brussel niet mijn eerste keuze was en niet de meest exotische bestemming lijkt, ben ik er toch van overtuigd dat Brussel voor IBIO’ers een interessante stad is om te verblijven. De voertaal is Frans en met zetels van de Europese Commissie, Raad van Ministers, Europese Raad en het Europees Parlement is Brussel natuurlijk de onmiskenbare ‘hoofdstad van Europa!’

H

-

et semester aan de VUB begon pas in de laatste week van september, waardoor ik de weken daaraan voor afgaand mooi kon benutten om alle bezienswaardigheden in een nazomerzonnetje op de foto zetten. Voordat ik aan de slag kon gaan aan de VUB moest ik een vakkenpakket samenstellen dat paste binnen mijn bachelorprogramma. Omdat de RUG een uitwisselingscontract heeft met het Geschiedenisdepartement van de VUB was ik genoodzaakt om minstens vijftig procent geschiedenisvakken te volgen. Uiteindelijk heb ik me ingeschreven voor vijf vakken: Maatschappijgeschiedenis van de Hedendaagse Periode (HP), Sociaal-Economische Problemen van de HP, Politieke Problemen van de HP, Political Structures and Processes of the European Union en Frans. Met name Political Structures and Processes of the European Union was uitermate boei- end dankzij de docent die eigenlijk fulltime bij de Europese Commissie werkt, maar als hobby één keer in de week een college geeft aan de VUB. Door zijn inside information heb ik nu een redelijk inzicht gekregen in de uitgebreide bureaucratische rompslomp binnen de diverse EUinstellingen. Na een aantal indrukwekkend intelligente vragen te stellen deed ik tevergeefs een poging om een stageplek via de spreekwoordelijke achterdeur te regelen. De toelatingsprocedures tot de Commissie zijn namelijk bijzonder ingewikkeld en tijdrovend. De enige tip die hij meegaf was: ‘Zeg tegen niemand dat je solliciteert, want de kans dat je teleurgesteld wordt, is groter dan dat je er doorheen komt.’ Dat is duidelijke taal. De Brusselaren zijn Vlaams noch Waals, maar echt ‘een apart slag volk’. Staatsrechtelijk ge-

16


van Europa

IB &... に登録 TEKST: Niels Goet

De meesten onder jullie zullen zich even achter de oren krabben bij het zien van deze Japanse titel. Niet getreurd: zelfs menig Japanner zal dit doen. Het betekent namelijk Facebook, en alhoewel de sociale netwerksite wereldwijd meer dan 583 miljoen leden heeft, zijn de Japanners niet zo gecharmeerd van dit fenomeen. Met twee miljoen leden (zo’n twee procent van de bevolking) blijft Facebook een kleine speler in het land van de rijzende zon, waar de bevolking toch één van de grootste internetgebruikers ter wereld is.

zien komt dat al tot uiting door de drie Belgische gewesten: het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In de metro‘s en trams is een grote variëteit aan talen te horen (van Arabisch tot Russisch en van Swahili tot Engels), maar de ‘echte‘ inwoners van Brussel communiceren in het Frans. De Nederlandstalige Vrije Universiteit is een soort van Nederlands eilandje in een oceaan van Frans. Via ESN leerde ik naast een hoop internationale studenten ook enkele Vlaamse studenten kennen en zij bevestigden wat ik inmiddels al vermoedde: de Vlamingen die hier komen wonen, passen zich aan aan het ‚echte‘ Brussel (lees: Frans leren) óf gaan na verloop van tijd vanzelf weer terug naar Vlaanderen.  Naast het feit dat Brussel Franstalig is, is Brussel ook vrij groot. Via de universiteit kon ik een voordelige OV-kaart krijgen waarmee ik onbeperkt in elke bus, tram en metro kon stappen. Het openbaar vervoer houdt er redelijk vroeg mee op, waardoor ik regelmatig voor de keus stond om (te) vroeg naar huis te gaan of het feestje uit te zitten tot de vroege ochtend. In het weekend reden er gelukkig wel nachtbussen vanaf het centrum in alle richtingen. In Groningen liep ik eigenlijk altijd voorbij aan posters en flyers van ESN, maar in Brussel deed ik volop mee met allerlei activiteiten zoals een City Rally, museumbezoek, rondleidingen, borrels, barbecues, een bierproeverij, bowlen, pub tours, feestjes, thema-avonden en uitstapjes naar andere Belgische steden. Erg verfrissend om allerlei verhalen en ervaringen te horen van studenten uit Pakistan, Ecuador, China, Finland, Spanje, Duitsland,  Brazilië, Tanzania, Polen, enzovoort. Terugkijkend op de afgelopen vijf maanden ben ik heel erg positief over Brussel en de VUB. Voor de avonturiers kan ik het misschien niet aanraden, maar voor de studenten met Europese ambities is het uitermte geschikt om de eventueel toekomstige werkplek van dichtbij te bekijken!

D

e oprichter van Facebook, Mark Zuckerberg, heeft de afgelopen jaren flink aan de weg getimmerd. TIME Magazine riep hem uit tot man van het jaar, Goldman Sachs investeert een slordige 450 miljoen dollar in zijn internetcreatie en die blijkt vijftig miljard dollar waard te zijn. Bepaald niet slecht voor iemand die 26 jaar jong is. Facebook verovert de wereld, maar één land houdt stand: Japan. Facebook haalt het grootste gedeelte van haar inkomen uit advertenties, dus het feit dat Japan niet meedoet, is op zijn zachts gezegd een probleem. Japanners zijn gek van netwerksites en maken er gretig gebruik van. Maar waarom zien ze niets in Facebook?

De verklaring is tweevoudig. Ten eerste is er stevige concurrentie van bestaande netwerksites. De drie grootste sites, Mixi, Gree en Mobage-Town, hebben elk meer dan twintig miljoen leden en hebben alle drie hun eigen manier van communiceren. Ten tweede is de internetcultuur in Japan erg anders. De gemiddelde westerse gebruiker is gewend om met naam, achternaam en foto op het internet te staan. Japanners moeten daar niets van hebben: alles werkt met pseudoniemen en avatars. Bovendien hebben gebruikers veel meer mogelijkheden om te kiezen wie hun berichten en informatie kan lezen. Het internet is in Japan, in tegenstelling tot in het Westen, niet zozeer verbonden met het echte leven. Westerse gebruikers proberen veelal hun sociale contacten online voort te zetten. Voor Japanners zijn de netwerksites juist de manier om aan de conformistische werkvloer te ontsnappen en op een totaal andere manier en met andere mensen contact te maken. Facebook past niet binnen dit plaatje. Zuckerberg heeft al aangegeven dat het veroveren van de Japanse markt één van de doelen is van Facebook. Met een omzet van 8,5 miljard dollar, zou de internetreclamehandel in het land een aangename toevoeging zijn aan de Facebook-portefeuille. Eén ding werkt in zijn voordeel: Japanners zijn gek op alles wat nieuw is. Mixi wordt bijvoorbeeld steeds minder populair en consumenten zijn op zoek naar the next big thing. Hier zou Facebook winst kunnen boeken. Voorlopig lijkt dit nog niet te gaan gebeuren: het bedrijf weigert van haar real name policy af te stappen. In Japan betekent dit voorlopig virtuele zelfmoord.

17


‘Het Midden-Oosten heeft he Joris van Duijne over persvrijheid in het Midden-Oosten TEKST: Kees Blom & Niels Goet

Sinds 1986 zet Free Voice zich in voor de ontwikkeling van journalistiek overal ter wereld. Joris van Duijne is politicoloog en programmamanager bij de afdeling Midden-Oosten en Noord-Afrika. Tot 31 januari verbleef hij voor deze organisatie in Egypte, waar hij de ontwikkelingen van dichtbij meemaakte. Checks&Balances sprak met hem over de persvrijheid in het Midden-Oosten en de vooruitzichten voor een onafhankelijke journalistiek in de regio. ‘Wat overeind zal blijven is dat Egyptenaren niet bang meer zijn.’

P

ersvrijheid, bestaat dat überhaupt in autoritaire regimes?

‘Ja. Vaak zijn er onder internationale druk normale mediawetten. Ze lijken in zekere zin sterk op Europese wetgeving. Het probleem is dat op het moment dat een regime journalisten wil aanpakken, er meer middelen zijn dan alleen mediawetgeving. Er wordt vaak strafrecht toegepast. Maar ook daar zit een bepaalde trend in en wij kunnen die advocaten ook sturen in hoe ze daarmee om moeten gaan. In veel Arabische landen is het verschil nog erg groot tussen wat daadwerkelijk niet mag en wat er in de krant verschijnt. Omdat heel veel journalisten eigenlijk niet weten wat wel of niet mag, passen ze heel veel zelfcensuur toe. De wet biedt meer mogelijkheden dan journalisten in de praktijk gebruiken. Dat gat proberen wij te dichten.’ Het plaatselijke regime werkt jullie in zo’n geval niet tegen?

‘Dat wisselt heel erg per land. In de Arabische wereld is het programma vrij nieuw. We hebben toen gekozen voor een aantal landen waar het relatief gemakkelijk werken is. Ondanks alle verhalen die nu verschijnen, is Egypte op het gebied van persvrijheid weliswaar enorm restrictief, maar veel vrijer dan bijvoorbeeld Libië of Tunesië, daar is het echt een ramp. Ten

18

tweede kunnen wij het goed verkopen als capaciteitsversterking. Het is ook in het belang van Arabische regimes dat er goede journalisten zijn die degelijk werk doen, hoor- en wederhoor toepassen en niet zo maar wat in de krant schrijven. Dat werk is redelijk te doen. Het wordt natuurlijk een ander verhaal als je op je website misstanden aan de kaak stelt zoals Amnesty International en Reporters without Borders dat doen. Advocacy doen wij specifiek niet. Wij blijven in de ogen van regimes binnen het acceptabele.’ Hoe gaan jullie te werk? Hebben jullie in Egypte bepaalde contacten in de lokale media die ingangen bieden?

‘Dat hebben we opgebouwd. We zijn begonnen met een Jordaanse partner die een vrij groot regionaal netwerk heeft. Met lokale partners heb je natuurlijk automatisch toegang tot de contacten die zij hebben. Op een gegeven moment heb je die contacten zelf. De samenwerking met de Jordaanse partner wordt nu bijvoorbeeld afgebouwd omdat die tamelijk top-down opereert. Wij willen journalisten zelf zeggenschap geven over wat ze willen leren. Wij hebben een team van vijf mensen in Caïro, dat is ook de voornaamste reden om in Egypte te zijn. Die mensen beheren heel veel contacten. We werken vooral samen met kranten in de Arabische landen,


eel normale mediawetten’ ‘Mubarak leek ook wel aardig de realiteit verloren te hebben’ maar ook met de lokale journalistieke vakbonden en soms met universiteiten. Dat is afhankelijk van de mogelijkheden in het land in kwestie. Daarnaast hebben we in de afgelopen vijf jaar een heel groot netwerk van individuele journalisten opgebouwd waar we regelmatig contact mee hebben.’ U zat zelf in Caïro. Heeft u de ontwikkelingen zoals ze zijn gegaan zien aankomen?

‘Iedereen die zegt dat hij dat heeft zien aankomen, liegt. Ik had niet gedacht, niemand had gedacht, dat het nu zo uit de hand zou lopen. Ik had verwacht dat ze het vrij eenvoudig konden onderdrukken. Voorheen is dat goed gelukt door massa-arrestaties en coöptatie, door carrots and sticks.‘ Is bij zo’n revolutie Al-Jazeera belangrijker geweest dan het internet voor de informatievoorziening?

‘Ja, om de doodsimpele reden dat het internet eruit lag. Heel veel mensen hebben satellietverbinding. Internet is vooral voor de logistiek belangrijk. Via Facebook is bijvoorbeeld georganiseerd dat er na het vrijdagsgebed, vanuit verschillende moskeeën naar het Tahrirplein gegaan zou worden. Dat gebeurde op een heel ingenieuze manier. Waarschijnlijk waren in elke moskee mensen aanwezig met toegang tot Facebook. Het had er vooral mee te maken dat ze in de moskee met een te kleine groep zijn, met duizenden ordetroepen in de nabijheid. Dus is er besloten om in kleine groepjes rond te lopen, maar pas als er een grote groep bij elkaar was naar het Tahrirplein te gaan. Dat is gecoördineerd via Facebook. Maar wat betreft Al-Jazeera: het regime is heel boos op Al-Jazeera en de demonstranten zijn heel blij met Al-Jazeera. Wat mij betreft heeft die zender het ontzettend goed gedaan. Maar op het moment dat er een pro-Mubarak demonstratie kwam, zag je dat Al-Jazeera ging paniekvoetballen. Ze hadden het totaal niet zien aankomen, moesten dat duiden en hebben eigenlijk voordat iemand wist wat er aan de hand was, geroepen dat het regime de boel heeft opgestookt en dat het allemaal politieagenten waren die daar op straat stonden.’ Dat was ook het dominante beeld in de Westerse media.

‘Ja, dat hebben ze grotendeels van Al-Jazeera overgenomen. De werkelijkheid is dat het niet te verifiëren is, ook niet door Al-Jazeera. Ze kunnen wel roepen, maar ze weten het niet. Het is slechts speculatie.’

Was het niet ook heel vernederend voor Mubarak om door een Twitterende opstandige menigte verjaagd te worden?

‘Absoluut. Ik kan natuurlijk niet in zijn hoofd kijken, maar hij leek ook wel aardig de realiteitszin verloren te hebben. Ik laat mij ook vertellen dat hij heel weinig tegenspraak duldde. Dus of hij überhaupt heeft meegekregen wat er echt in de stad gebeurde, betwijfel ik.’ Is er een bepaalde gebeurtenis of fragment dat bij u is blijven hangen, dat u echt ontroerd heeft?

‘Dat zijn er zo veel als je daar middenin zit. Wat voor Egyptenaren denk ik heel belangrijk is geweest is die eerste grote vrijdag, the day of anger, de eerste echt grote massademonstratie. Toen hebben wij de stad gemeden, want het was tamelijk gevaarlijk. Maar vanuit het appartement waar wij zaten hadden we heel mooi uitzicht op een rotonde waar een groep demonstranten de stad in probeerde te komen. Dat was een groep van zo’n drieduizend demonstranten met daar tegenover zo’n drieduizend politieagenten, ongeveer één op één. Zes uur lang hebben ze traangas de ene kant en molotovcock-

‘Wat overeind zal blijven is dat Egyptenaren niet bang meer zijn’ tails de andere kant op staan gooien. Het was een soort slagveld, het was ontzettend heftig. Maar het doorslaggevende moment, ook voor Egypte, kwam aan het einde van de dag toen de politie niet die slag verloor, maar ophield. Er werd in het midden wat gepraat, de politie ging aan de kant en de mensen werden doorgelaten. Dat is voor Egypte ontzettend belangrijk, want Egyptenaren hebben dertig jaar lang alleen maar in angst geleefd voor dat binnenlandse veiligheidsapparaat. En wat er nu ook gebeurt: wat overeind zal blijven is dat Egyptenaren niet bang meer zijn. Op dat moment hadden ze gewonnen van het veiligheidsapparaat.’

19


Hoe zijn de vooruitzichten voor de persvrijheid als er democratisering komt in Egypte? Ik neem aan dat het leger op dit moment nog wel enige censuur handhaaft.

‘Op de hele korte termijn wel. Er is natuurlijk een aantal heilige huisjes dat is neergegaan. Ik vermoed niet dat het leger heel veel censuur zal gaan toepassen. Mensen gaan nu kanten kiezen, ook journalisten van de staatsmedia. Ze kunnen de oude lijn wel vasthouden maar dan vervreemden ze zichzelf compleet van alles wat er gebeurt. Het grootste probleem was de noodwetgeving, de toepassing van strafrecht. Dat is iets waar het regime niet alleen over kan beslissen. Het zijn ook de industriëlen die dat soort strafzaken aanspannen tegen journalisten, vooral zij zelfs. Ik verwacht wel dat die situatie zal verbeteren. Als je het hebt over mediawetgeving, zal die vast veranderen, maar de vraag is in welke richting. Er zijn natuurlijk ontzettend veel internationale organisaties die zich met het aanpassen van die mediawet willen bemoeien. Dat lijkt me ook goed, zolang het gestuurd wordt door Egyptenaren. Er zijn advocatenkantoren die allang bezig zijn met het ontwerpen van mediawetten. Als die ondersteund worden is dat alleen maar goed.’

Gaan jullie als Free Voice nog jullie programma aanpassen in Egypte nu de revolutie voltooid is?

‘Ongetwijfeld, maar het hangt van een aantal dingen af. Mediawetgeving is daar maar eentje van. De noodtoestand is een andere. Op het moment dat journalisten daar niet meer aan bloot staan, moeten we toch echt ons programma gaan bijstellen, dan hoeven we misschien iets minder aandacht te besteden aan veiligheid. Dan kun je iets meer gaan schuiven naar die journalistieke ethiek bijvoorbeeld, die in een democratisch proces natuurlijk nog veel belangrijker wordt. Een andere belangrijke is: de NGO-wetgeving. Er is een strenge NGO-wetgeving ingevoerd een aantal jaren geleden, waarin het heel moeilijk is gemaakt voor non-gouvernementele organisaties om geld uit het buitenland te krijgen. Dat is natuurlijk om de logische motieven dat Mubarak niet wilde dat internationale NGO’s, zoals wij, hun maatschappelijke middenveld gaan versterken. Het is voor ons en voor anderen natuurlijk wel heel erg van belang om te kijken wat er nu met die wetgeving gebeurt. Dus ook de mogelijkheden voor buitenlandse organisaties zouden kunnen veranderen en daar moet je ook op inspelen. Maar daar gaan we de komende maanden naar kijken.‘ Meer lezen van dit interview? Surf naar www.checksandbalances.nl voor extra inzichten en foto‘s. Foto: Marlous van ‘t Pad Bosch

20


Cartoon

- Advertentie -

21


22 Foto: Nicolas Holzheu


Vluchten Down Under Afghaanse vluchtelingen trekken naar Australië

TEKST: Robin Goudsmit

Ze worden door de Australiërs simpelweg ‘Boat people’ genoemd: vluchtelingen die Australië over zee proberen te bereiken om zo asiel te verkrijgen. In 2010 waren dat er volgens de Australische regering 6.879, een recordaantal. Het land van herkomst van deze mensen is echter nog het meest opvallend: verreweg het grootste deel van de vluchtelingen komt uit Afghanistan. Sinds 2008 hebben meer dan 3500 Afghanen deze route van maar liefst 10.000 kilometer afgelegd. Een reconstructie van deze reis van Bijbelse proporties.

V

eel vluchtelingen uit Afghanistan komen terecht in kampen in het buurland Pakistan. Velen van hen behoren tot de Hazara-minderheid, een etnische groep die vaak slachtoffer is van geweld en discriminatie. In de Pakistaanse kampen groeit de wens naar een beter thuis; de situatie is er namelijk uitzichtloos. Werk is er nauwelijks, en teruggaan naar Afghanistan is voor veel mensen geen optie meer. Dit ondanks het feit dat het UNHCR mensen uit regio’s die inmiddels weer stabiel worden bevonden, aanbeveelt om terug te keren. De organisatie biedt zelfs iedere Afghaan die zich weer in zijn thuisland vestigt honderd dollar aan. Veel mensen hebben echter de hoop op verbetering in hun land van herkomst opgegeven. Bovendien kennen jonge mensen Afghanistan vaak slechts uit de verhalen van hun ouders; zelf zijn ze de binding met het land al verloren. Pakistan ontvluchten is echter niet gemakkelijk. Legale reisdocumenten verkrijgen is bijna onmogelijk. De meeste mensen die er weg willen, moeten reizen via het illegale circuit. Dan zijn er twee mogelijkheden: noordwest, richting Europa, of zuidzuidoost, naar Australië. Het eerste mag dan vanwege de afstand gemakkelijker lijken; strenge grenscontroles en politiemachten bemoeilijken de route. In Azië is minder controle en dat maakt de zuidzuidoost route aantrekkelijker. De Australische regering dringt dan ook regelmatig bij Aziatische landen aan op verscherping van controles.

Het zijn vaak de jongere mannen die uiteindelijk met het spaargeld van de familie proberen het westerse land van belofte te bereiken. Als het einddoel Australië is, probeert men eerst naar Karachi te komen. Mensensmokkelaars vervoeren de vluchtelingen meestal verborgen in vrachtwagens naar deze havenstad. In Karachi is het vervolgens zaak om aan boord van een vliegtuig of boot in de richting zuidzuidoost te komen; meestal is de bestemming van vluchtelingen uit het Midden-Oosten eerst Maleisië of Indonesië. Eenmaal in Zuidoost-Azië houdt de reis voor velen in eerste instantie op. Om smokkelaars te betalen is veel geld nodig, wat de meesten op dit punt niet meer kunnen opbrengen. Daarom werken zij eerst enkele maanden tot een jaar illegaal, ondergedoken in grote steden. Als er genoeg geld is verdiend, volgt de laatste etappe: de tocht over de oceaan. Smokkelaars vervoeren de vluchtelingen op vaak krakkemikkige boten richting de Australische wateren. Eenmaal aangekomen in Australië moet dit land asiel verlenen. De overzeese reis is gevaarlijk: boten zitten vaak erg vol en zijn slecht berekend op de onstuimige oceaanwateren. In december verdronken er nog zo’n vijftig Afghanen bij een rampzalige schipbreuk op zee.

Links: een groep kinderen in het Afghaanse Azakhel vluchtelingenkamp nabij Peshawar, Pakistan, in de winter van 2010.

23


De spagaat van Morales Boliviaanse economie kent structurele problemen TEKST: Kees Blom

Nergens is populariteit zo grillig als in het temperamentvolle Zuid-Amerika. De in 2009 herkozen president van Bolivia, de socialistische Evo Morales, dankt veel van zijn geliefdheid aan het herverdelen van de Boliviaanse gasrijkdommen. De beslissing van afgelopen december om de subsidies die jarenlang op brandstof werden verstrekt op te heffen, leverde dan ook het nodige protest op. Als gevolg van deze maatregel stegen de benzineprijzen met ongeveer tachtig procent. Na gewelddadige protesten draaide Morales de beslissing terug. Daarmee is hij echter niet uit de problemen, want de regering kan zich de subsidies financieel niet meer veroorloven.

H

et is een probleem waar meer socialistische presidenten op het Zuid-Amerikaanse continent mee worstelen. Vooral president Chavez van Venezuela staat bekend om zijn inzet om de brandstofprijzen zo laag mogelijk te houden voor zijn bevolking, maar zadelt daardoor diezelfde bevolking wel op met een steeds groter wordende staatsschuld. In Bolivia lijkt sinds de verkiezing van Morales eenzelfde soort trend op gang te zijn. De Boliviaanse subsidies gelden niet alleen voor brandstof maar ook voor sommige landbouwgewassen zoals suiker. Dit zorgt voor hoge overheidsuitgaven. Van de brandstofsubsidies alleen al wordt verwacht dat deze in 2011 vijfhonderd miljoen dollar zullen bedragen.

24

Ook de onderontwikkeling van het Zuid-Amerikaanse land maakt de economische situatie voor Morales en de zijnen er niet rooskleuriger op. Aangezien 65 procent van de bevolking nog steeds onder de armoedegrens leeft, is het land onaantrekkelijk voor bedrijven die het moeten hebben van binnenlandse consumptie. Daarnaast is ook de infrastructuur ondermaats. Bolivia is zeer bergachtig en kent grote gebieden die moeilijk begaanbaar zijn. Bovendien is het land landlocked, wat de concurrentiepositie ten opzichte van landen als Peru, Ecuador en Chili er niet beter op maakt. Morales moet dus een keuze maken. Zijn land staat er economisch slecht voor en kent in de regio een slechte concurrentiepositie, ondanks de rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. De afschaffing van subsidies op brandstof en voedsel, samen met hervormingen in het zakenleven en de infrastructuur, zijn noodzakelijk om Bolivia economisch sterker te maken en buitenlandse investeerders aan te trekken. Morales weet sinds afgelopen december echter heel goed wat dat betekent voor zijn eigen positie. Het zal van hem behoorlijke politieke en economische lenigheid vereisen om zonder schade uit deze spagaat te komen.

Foto: Szeke

Dit is echter niet het enige probleem dat veroorzaakt wordt door de Boliviaanse subsidiëring. Het heeft er ook toe geleid dat het investeringsklimaat ongunstig is voor buitenlandse investeerders. Als gevolg van de brandstofsubsidies zijn de winstmarges op brandstof laag, wat investeren in deze industrie onaantrekkelijk maakt. Het gebrek aan investeringen zorgt voor een stagnatie van de olieproductie in Bolivia, waardoor het land genoodzaakt is om brandstof te importeren. Voor 2011 worden de kosten hiervan geschat op ongeveer één miljard dollar. Investeerders worden verder afgeschrikt door de mogelijkheid van nationalisatie van bedrijven door de overheid. De Boliviaanse overheid heeft meer dan eens bedrijven in strategische sectoren zoals olie en energie genationaliseerd. Het risico om in zulke sectoren te investeren is daardoor groot. Hoewel het vanuit socialistisch oogpunt dus logisch is om brandstof te subsidiëren zodat ook het arme deel van de bevolking op korte termijn brandstof kan betalen, is dit beleid zeer schadelijk voor de economie op de lange termijn.

De Boliviaanse economie kampt met nog meer problemen. Volgens Business Monitor International kent het Zuid-Amerikaanse land een slecht zakelijk klimaat. Bolivia laat regionaal gezien alleen Venezuela nog net achter zich, maar moet toezien hoe concurrerende landen als Colombia, Peru en Chili het op dit gebied een stuk beter doen. De Wereldbank onderschrijft dit door Bolivia op plaats 163 van de 180 landen te zetten in een lijst waarin landen worden gerangschikt op basis van de mogelijkheden tot zakendoen.


Leven na IB

Internationale betrekkingen met behulp van cassettebandjes TEKST: Jorrit Kamminga

In januari dit jaar werd ik als deskundige uitgenodigd voor de hoorzitting in de Tweede Kamer over de Nederlandse politietrainingsmissie in Afghanistan. Vlak voor mijn sessie, waarin ik overigens naast ‘jeugdheld’ Rob de Wijk zat, kwam oud-studiegenoot IBIO Steven Schoppert naar mij toe. Hij was daar in zijn rol als verslaggever voor RTL4 en kwam mij vanuit de perszaal even begroeten. Het gesprek gaat dan niet over de situatie in Afghanistan of over het nut van een politietrainingsmissie aldaar. Nee, dan gaat het ineens over de studie van toen en hoe die er voor gezorgd heeft dat we elkaar toevallig weer ontmoeten, zo´n negen jaar na het voltooien ervan.

H

et bovenstaande is natuurlijk niet bedoeld om aan te geven hoe goed Steven en ik sindsdien aan onze carriéres gewerkt hebben. De boodschap is belangrijker: je kunt daadwerkelijk iets met de studie IBIO. Daar dachten mijn vrienden in Groningen destijds heel anders over. De studie werd vanwege de afkorting gekscherend als een LOI-cursus afgedaan met de bijbehorende grappen over cassettebandjes waarop de college’s werden ingesproken. Intussen zijn mijn vrienden van mening veranderd, mede omdat ze gezien hebben wat ik zoal met de studie gedaan heb de afgelopen tien jaar.

In mijn geval is mijn specialisatie binnen IBIO uiteindelijk bepalend geweest voor wat ik daarna ben gaan doen. Ik richtte mij binnen de studie op internationaal drugsbeleid en daaraan gerelateerde onderwerpen, zoals het internationaal terrorisme, conflicten en instabiliteit in drugsproducerende landen. Via deze specialisatie kwam ik als stagiair terecht bij het Bureau van de Verenigde Naties voor Drugs en Misdaad (UNODC) en sindsdien ben ik eigenlijk niet meer van dit pad afgeweken. Mijn belangrijkste tip voor huidige IB-studenten is dan ook: probeer tijdens de studie te ontdekken welke onderwerpen je binnen de enorm brede studie het meest interessant vindt. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar enige vorm van specialisatie in de eindfase zal het makkelijker maken een interessante stage te vinden en na de studie kun je ook nog eens gerichter solliciteren. Ik belandde na mijn afstuderen eerst in Córdoba, Zuid-Spanje, niet bepaald het walhalla van de internationale betrekkingen. Maar omdat ik echt iets wilde doen met mijn studie, lukte het uiteindelijk om als stagiair op de politieke afdeling van de Nederlandse ambassade in Madrid te beginnen. En door een combinatie van hard werken en een flinke portie geluk, werk-

te ik er uiteindelijk ruim twee jaar. De onderwerpen waarmee ik te maken kreeg tijdens mijn werk op de ambassade waren onder meer terrorisme (ik zat er tijdens de bomaanslagen in de treinen bij het Atocha-station in maart 2004), de ETA en het ermee samenhangende vraagstuk omtrent de onafhankelijkheid van Baskenland, meer autonomie voor de Spaanse regio’s en de prioriteiten van het buitenlands beleid van Spanje. Naast mijn toenmalige plek op de ambassade werk ik ook al sinds oktober 2003 voor een internationale denktank, de International Council on Security and Development (ICOS, destijds nog The Senlis Council geheten). Daar kon ik mijn passie voor drugsbeleid kwijt en uiteindelijk belandde ik zo in 2005 in Afghanistan. Sindsdien houd ik mij bezig met de analyse van, en de wisselwerking tussen drugs-, ontwikkelings- en veiligheidsbeleid. Afghanistan is daarbij een van de belangrijkste aandachtspunten en ik ben er de afgelopen zes jaar meerdere keren voor langere tijd geweest, onder andere voor het verrichten van veldonderzoek, het organiseren van (pers)conferenties en voor het verlenen van voedselhulp. Momenteel richt ik me meer en meer op Latijns-Amerika. Ik ben met mijn promotieonderzoek bezig aan de Universiteit van Valencia en na het komende halfjaar als visiting scholar aan de London School of Economics (LSE) vertrek ik naar Colombia. Daar zal ik me wederom – zowel in mijn werk als op academisch gebied – toeleggen op het snijvlak van drugsbeleid, ontwikkeling, instabiliteit en veiligheid. En ook daar hoop ik weer oud-IBIO’ers tegen te komen om herinneringen op te halen aan een studie die niet alleen boeiend maar ook zeer relevant blijft – met of zonder cassettebandjes.

25


Meten met verschillende maten Hoe gelijk is gelijk binnen de Europese Unie? TEKST: Lennart Noten

Wie naar een restaurant gaat, wenst net zo behandeld te worden als ieder ander. Ga je naar een winkel, dan wens je net zoveel te betalen voor een bepaald product als alle andere klanten. Gelijkheid staat in onze samenleving hoog in het vaandel. Ook in de grondvesten van de Europese Unie neemt gelijkheid een prominente plaats in. Toch lijkt dezelfde EU op onvolkomenheden betrapt te kunnen worden waar het gelijke behandeling betreft. Meet de EU met verschillende maten?

S

inds 1993 is het voor landen die de aspiratie hebben om lid te worden van de EU een stuk lastiger geworden om daadwerkelijk toe te treden. Met het oog op grootse uitbreidingen besloten de politieke leiders van de Unie namelijk, in 1993 bijeen in de Deense hoofdstad Kopenhagen, dat er strengere eisen verbonden moesten worden aan het lidmaatschap. Alleen die landen die voldeden aan de liberale democratische waarden en normen waaraan de EU zulk groot belang hechtte, konden uiteindelijk toetreden tot dit verbond van Europese staten. Zo zagen dat jaar de - in Oost-Europa waarschijnlijk roemruchte - ‘criteria van Kopenhagen’ het licht.

lange toetredingsproces van Turkije. Eén van de grote punten van zorg vanuit de EU is namelijk de onvoldoende bescherming van de rechten van minderheden in Turkije, met name van de Koerden en Armeniërs. In de associatieovereenkomst die met Turkije gesloten is, uit de EU haar ontevredenheid en zorgen over hun achtergestelde positie en systematische discriminatie. Een essentiële voorwaarde die de Unie gesteld heeft, is bijvoorbeeld het erkennen van het Koerdisch als officiële taal. De signalen van de EU laten niets aan het toeval over: eventuele toetreding van Turkije is afhankelijk van het doorvoeren van hervormingen, onder meer op het gebied van minderhedenrechten.

Hoe complex de EU soms ook moge lijken, wat de ‘criteria van Kopenhagen’ betreft was ze uiterst duidelijk: voldoe je er niet aan, dan kun je lidmaatschap wel uit je hoofd zetten. Wat houden deze criteria precies in? Allereerst zijn er de geografische criteria: om lid van de EU te mogen worden, moet je een Europees land zijn. Hoe vanzelfsprekend dit misschien ook klinkt, de lidmaatschapsaanvraag van Marokko in 1987 bewijst het tegendeel. Daarnaast zijn er economische en politieke criteria: er moet sprake zijn van stabiele politieke instituties, het bestaan van een rechtstaat en democratie moet gegarandeerd worden en er moet een functionerende markteconomie zijn. Verder wordt er groot belang gehecht aan respect voor de mensenrechten, non-discriminatie en bescherming van minderheden. Juist wat dit laatste criterium betreft lijkt het echter in de praktijk niet helemaal goed te gaan.

Dit beeld van een EU als fervent voorvechter van minderhedenrechten verwatert enigszins wanneer men kijkt naar het minderhedenbeleid van landen die reeds lid zijn. Neem nou bijvoorbeeld Estland. Sinds het land werd opgenomen in de Sovjet-Unie leven er bij de Estse bevolking duidelijke gevoelens van wrok tegen Russen. De Russen die na de val van de Sovjet-Unie in het land achterbleven, konden dan ook nooit rekenen op een goede behandeling. Toen Estland eind jaren ’90 lid wilde worden van de EU, wees de EU het land op de discriminatie van de grote Russische minderheid. Veranderingen werden doorgevoerd, de situatie verbeterde en Estland kon in 2004 toetreden tot de Unie. Eenmaal lid was voor Estland de noodzaak voor goede behandeling van de Russen echter afgenomen. Dientengevolge rapporteerde Amnesty International enkele jaren na de toetreding over disproportioneel hoge werkeloosheidscijfers onder de Russischtalige minderheid in Estland. Dit droeg volgens Amnesty bij aan verdere sociale buitensluiting en kwetsbaarheid voor mensenrechtenschendingen. Alle strenge eisen van de EU ten spijt, voor etnische Russen zat gelijke behandeling in Estland er ook na toetreding niet in.

In eerste instantie lijkt de EU duidelijk wanneer het minderheden betreft. Nationale minderheden moeten de mogelijkheid hebben om hun taal, cultuur en gewoontes te behouden zonder daarbij geconfronteerd te worden met discriminatie. Dat de EU streng is als het hierom gaat, blijkt wel uit het ellen-

26


Foto: Pedro Ribeiro Simões

Een Roma-vrouw. Roma worden regelmatig gediscrimineerd in Hongarije en Slowakije.

Een soortgelijke situatie deed zich voor in Hongarije en Slowakije. Na de nodige vooruitgang geboekt te hebben in onder meer hun minderhedenbeleid, traden ook deze landen in 2004 toe tot de EU, maar al gauw werd duidelijk dat ook zij niet goed omgingen met hun grootste minderheid: de Roma. In de jaren na toetreding meldden verschillende mensenrechtenorganisaties dat er nog altijd niet tolerant werd omgegaan met de Roma-bevolking. Vooral op het gebied van scholing, werkgelegenheid, politiegeweld, gezondheidszorg en huisvesting zouden ze nog altijd slachtoffer zijn van discriminatie. Een schamele vier à vijf procent van de Roma-kinderen zou in deze landen het voortgezet onderwijs halen en slechts ongeveer één op de twee Roma zou werk hebben. Eind vorig jaar deed Amnesty nog melding van racistisch geweld tegen Roma in Hongarije. Hoe kan het er in deze landen, ondanks de strenge eisen die de EU heeft verbonden aan het lidmaatschap, nog altijd zo slecht aan toe gaan? Dat zit zo: met het in werking treden

van het Verdrag van Amsterdam werden alle politieke toetredingscriteria omgezet in primair EU-recht. Het enige dat niet werd omgezet was - je raadt het al - de clausule over minderhedenbescherming. Hierdoor ontbreekt het de minderhedenbescherming nog altijd aan bindende werking en een duidelijke EU-interne dimensie. Waar het in feite dus op neerkomt, is dat de EU weinig te zeggen heeft over het minderhedenbeleid van landen die reeds lid zijn. Wil de EU geloofwaardig blijven en serieus genomen worden door potentiële lidstaten wat betreft haar minderhedenbeleid (vooral Turkije en de westelijke Balkan ontberen een deugdelijk minderhedenbeleid), dan zal er iets moeten veranderen. De EU zelf zal meer expliciete mogelijkheden moeten krijgen op het gebied van minderhedenrechten en lidstaten moeten verplicht worden om effectieve actie te ondernemen om hun minderheden te beschermen. Alleen dan kan de EU wat betreft haar minderhedenbeleid meten met één maat.

27


Recensie

Journalistieke rampenporno? De valkuilen van verslag doen van een ramp TEKST: Robin Goudsmit

Journalist Hans Jaap Melissen vertrok in januari 2010 halsoverkop naar Haïti om verslag te doen van de nasleep van een zware aardbeving. Wat hij aantrof, was een ander Haïti dan dat wat de Nederlandse media het publiek lieten zien. Melissen ontdekte dat de ramp weliswaar vele slachtoffers had gemaakt, maar dat de schaal van verwoesting in de media vele malen groter leek dan deze in werkelijkheid was. Na thuiskomst in Nederland schreef hij over zijn ervaringen het boeiende boek ‘Haïti, ramp voor journalisten’.

W

ie begint te lezen in het boek van Melissen, ontdekt dat hier ten eerste een geoefend vakman aan het woord is. Scherp en met een niet-aflatende curiositeit beschrijft Melissen de dikwijls vreselijke, maar ook ontroerende en vaak haast surrealistische situaties waar hij in terecht komt. Maar naast een interessant ooggetuigenverslag biedt ‘Haïti: Ramp voor journalisten’ vooral een kijkje in de keuken van de journalist. Het wordt de lezer duidelijk dat ook rampenjournalistiek geschreven wordt volgens bepaalde regels. Een veel gebruikte formule is bijvoorbeeld: kies een getroffen persoon, breng zijn of haar verhaal op dramatische wijze en leg uit dat dit verhaal representatief is voor een grotere groep mensen. Melissen staat sceptisch tegenover deze manier van verslaggeven, omdat die in zijn ogen te vaak journalistieke ‘rampenporno’ tot gevolg heeft. Hij twijfelt in zijn boek sterk aan de ethiek van zijn vak en legt helder uit voor welke dilemma’s de rampenjournalist staat. Hoe ver mag je bijvoorbeeld gaan met

Foto: US State Department

28

het manipuleren van beeld, of welke privacynormen dien je in acht te nemen als je het verhaal van slachtoffers vertelt? Mag je in de laptop van een omgekomen Nederlander neuzen, op zoek naar informatie? En mag je een teddybeer in een hoop puin naast het wrak van een kinderwagen leggen voor een dramatische foto? Melissen kan door het stellen van deze vragen gerekend worden tot de school van Joris Luyendijk en, iets eerder, Edward Brehr. De laatste schreef over zijn carrière als oorlogsjournalist het boek met de illustere titel `Anyone here been raped and speaks English?´ Dat dergelijke twijfels over ethiek in de journalistiek worden geuit is belangrijk, al helemaal in het geval van Melissen. Immers, rampenjournalistiek heeft grote maatschappelijke gevolgen. Zo kan berichtgeving het draagvlak voor (particuliere) hulp van buitenaf verkleinen of vergroten. Het is natuurlijk van groot belang dat de omvang van noodhulp correspondeert met de omvang van de ramp zelf. Vooral over dit soort processen roept Melissens boek vragen op. In hoeverre zijn hulporganisaties eigenlijk gebaat bij rampenjournalistiek? Zou je de waarde van een reportage kunnen uitdrukken in keiharde euro’s gedoneerd aan het Rode Kruis, als de grens tussen informeren en emotioneren in de journalistiek op deze wijze vervaagt? Melissen heeft echter vooral waarnemingen en onderzoek naar de ramp op Haïti gedaan, hetgeen binnen zijn oorspronkelijke taak viel. Misschien is het dus tijd voor een vervolg op dit verder zeer interessante boek, dat ook de verdere impact van ‘rampenporno’ onderzoekt.

Hans Jaap Melissen. 2010. Haïti, een ramp voor journalisten. Amsterdam: KIT Publishers.


Frauderen over fraude … en meer problemen in de Chinese wetenschap TEKST: Lisanne van Unen

Zo’n honderd piloten van een Chinese luchtvaartmaatschappij hebben hun geschiedenis gefalsifieerd en de eerste Chinese chip die een hart op dreef zou kunnen houden, bleek een bewerkte chip van Motorola te zijn. Chinese professoren die medicijnen tegen ongeneeslijke ziektes zouden hebben uitgevonden, werden ontmaskerd, en het voormalig hoofd van Microsoft in China bleek helemaal geen doctoraat van het California Institute of Technology te hebben ontvangen. En ironisch: een andere Chinese professor zou plagiaat hebben gepleegd in een artikel over plagiaat.

D

it zijn geen uitzonderingen: de wetenschapsfraude in China is inmiddels een groot probleem. Er wordt niet slechts gedeeltelijk plagiaat gepleegd maar sommige onderzoeken worden geheel verzonnen. Dit is niet alleen slecht voor de geloofwaardigheid van de Chinese wetenschap, het kan ook grote risico’s met zich meebrengen, voornamelijk als het gaat om medisch onderzoek.

Onderzoek doen zonder het boeken van resultaat, valt niet goed te verantwoorden bij de overheid. Daarnaast verdient een professor met een officiële titel veel meer dan een gemiddelde wetenschapper. Dit is een stimulans om er alles aan te doen een titel te krijgen, zelfs door fraude. De oorzaak ligt echter niet alleen bij de wetenschappers zelf: tijdschriften publiceren namelijk gefraudeerde stukken tegen betaling.

Er wordt in China vooral gekeken naar kwantiteit. Bijna al het geld dat beschikbaar is voor de wetenschap is afkomstig van de overheid en de hoeveelheid die daarvan vrijkomt voor een project hangt af van het aantal publicaties dat een professor op zijn naam heeft staan. Er wordt daarom zo veel mogelijk gepubliceerd, inclusief het werk van anderen. Zo bleek minstens 31 procent van de ingediende artikelen voor het gerenommeerde Journal of Zhejiang University–Science plagiaat te bevatten. China publiceert dan ook, op de Verenigde Staten na, de meeste academische stukken per jaar in de wereld.

Het zal niet eenvoudig zijn deze wetenschapsfraude op te lossen, aangezien een belangrijke oorzaak in de Chinese cultuur ligt. Al eeuwenlang wordt er in het land gefraudeerd. Daar komt bij dat de intellectuele onafhankelijkheid die nodig is om wetenschap te bedrijven, niet goed past bij de Chinese traditionele hiërarchie.

Er wordt geen goed toezicht gehouden op deze fraude en de corruptie in het land is groot. Universiteitsbesturen, professoren en de autoriteiten houden elkaar de hand boven het hoofd. Er is geen goede regelgeving, waardoor er bijvoorbeeld professoren benoemd worden die daartoe niet gekwalificeerd zijn. Bovendien zijn mensen vanwege de strenge censuur bang om kritiek te uiten op de grootschalige fraude. Een ander probleem is het feit dat falen niet gewenst is.

Er worden inmiddels wel maatregelen genomen. Al in 2006 werden door het Chinese Ministerie van Wetenschap en Technologie regels aangekondigd om toezicht te houden op wetenschappelijke projecten. Op fraude staan strengere straffen en goed onderzoek zonder concrete resultaten wordt geaccepteerd. Er zijn echter ook berichten die erop wijzen dat de Communistische Partij juist meer invloed krijgt op de wetenschap. Duidelijk is dat de problemen nog niet zijn opgelost. Er zijn structurele veranderingen nodig om wetenschappelijke integriteit te bevorderen. China wil een belangrijke kenniseconomie worden, hiervoor zal het echter eerst de grootschalige fraude moeten tegengaan.

29


Versus

Een Griekse muur … is een nodige, doortastende maatregel TEKST: Philip Claeys, Europees parlementslid voor het Vlaams Belang

De Europese Unie kampt met een enorm probleem op het gebied van illegale immigratie. Volgens een vertrouwelijke nota van Europol, Eurojust en Frontex (het Europese agentschap dat het beheer van de buitengrenzen coördineert) van mei vorig jaar, komen elk jaar ongeveer 900.000 nieuwe illegale immigranten de EU binnen. De situatie is zo acuut dat Frontex in november vorig jaar zelfs een tweehonderdtal leden van de Rapid Intervention Teams naar dat gebied moest sturen.

D

oor het wegvallen van onderlinge grenscontroles en door het vrije verkeer van personen binnen de Europese Unie, worden de gevolgen van de tekortkomingen van één of meerdere andere lidstaten gezamenlijk gedragen. De ketting is zo sterk als de zwakste schakel. En die zwakke schakel is Griekenland. Dat komt hoofdzakelijk door zijn ligging naast Turkije, veruit het belangrijkste transit- en herkomstland voor illegale immigratie richting Europa. Turkije weigert zijn kant van de grens effectief te controleren, en heeft zich jarenlang verzet tegen een overeenkomst met de EU betreffende de overname van illegale immigranten. Er zijn doortastende maatregelen nodig om de grens tussen Turkije en Griekenland beter te controleren. Het bouwen van een twaalf kilometer lange muur in de streek van Orestiada (waar de belangrijkste illegale immigratieroute ligt) kan daar een onderdeel van zijn. Een goed bewaakte en met camera‘s uitgeruste muur kan een afschrikkend effect hebben voor mensensmokkelaars en hun klanten. Het is een mogelijk signaal dat er voortaan efficiënter zal worden opgetreden tegen illegale immigratie.

30

Natuurlijk zal die muur van twaalf kilometer op zich niet volstaan om de problemen op te lossen. De rest van de landgrens met Turkije zal ook beter bewaakt moeten worden, en er moet geïnvesteerd worden in een betere controle van de kustlijn (wat in Griekenland geen sinecure is). Daarnaast is het van groot belang dat Europa minder aantrekkelijk gemaakt wordt voor illegale immigranten door een einde te maken aan de massale regularisaties van illegalen, en door mensensmokkelaars en werkgevers van illegalen harder aan te pakken. De tegenstanders van de muur tussen Griekenland en Turkije zijn nog altijd niet op de proppen gekomen met andere voorstellen om de grens efficiënter te bewaken. Het blijft zelfs de vraag of links überhaupt wel aanvaardt dat onze Europese buitengrenzen effectief beschermd moeten worden.


tegen immigranten

Versus

… is een muur der dwaasheid TEKST: Dr. Joost Herman, Associate Professor in International Relations aan de RUG en directeur van het Humanitarian

Action Program en Globalisation Studies Groningen

In januari 1989, luttele maanden voor de sloop van de Berlijnse Muur, meende de toenmalige Oost-Duitse partijleider Erich Honecker te moeten opmerken dat ‘die Mauer steht noch in Hundert Jahren’. Had hij de geschiedenis iets meer tot zich genomen, dan had hij kunnen beseffen dat ’s mans vertrouwen op muren om de vreemdelingen buiten te houden immer een dwaasheid is gebleken. De Chinese muur, de muur van Hadrianus, de Maginotlinie, de Atlantikwal, anti-Roma muren, de muur tussen Mexico en de Verenigde Staten en de Israëlische muur op de Westbank, het zijn voorbeelden van de valse hoop een gebied ondoordringbaar te beveiligen.

E

chter, gelijk de mars der dwaasheid door de eeuwen heen, zo mooi beschreven door de Amerikaanse historica Barbara Tuchman (March of Folly. From Troy to Vietnam, 1985), blijven politici en beleidsmakers van tijd tot tijd geloven in muren als oplossing tegen naderende vreemdelingen. De jongste loot aan deze stam is het Griekse voornemen een muur tussen zichzelf en Turkije op te richten van aanvankelijk ruim 200 kilometer lang (later teruggeschroefd tot 12 kilometer, red.), teneinde de illegale migratie tegen te gaan. Natuurlijk is meteen vast te stellen dat de illegale migratie vanuit Turkije richting de Europese Unie een probleem vormt waarop gereageerd moet worden. Het is zo dat 75 tot 80 procent van de illegale immigratie richting de EU plaats vindt via Griekenland, een getal van 40.000 personen wordt genoemd voor 2010.

Deze vaststelling wijst er meteen op dat het probleem niet wordt opgelost met het bouwen van een muur. Het feit dat zo’n hoog percentage de afgelopen jaren via Griekenland de EU is binnengekomen, duidt erop dat aldaar de grenspassage gemakkelijk moet zijn geweest. Gezien het feit dat er duizenden en duizenden kilometers Europese buitengrenzen zijn, is het kinderspel een muur van 200 kilometer te omzeilen. De afgelopen jaren hebben laten zien dat de inventiviteit van mensen in nood èn de doortraptheid van mensensmokkelaars hoog zijn. De routes richting de EU worden eenvoudig verlegd indien nodig. Kortom, het probleem wordt daarmee ook alleen maar verlegd, tot opluchting wellicht van de Grieken, maar tot het chagrijn van, zeg, de Italianen of de Polen. Daarmee komt het waarlijk bestuurlijk-politieke probleem vanzelf om de hoek kijken. Sinds vele Europese richtlijnen en verordeningen als Amsterdam (1997), Tampere (1999) en Dublin II (2003) is de EU gekomen tot een gezamenlijke aanpak van asiel en migratie. Normen en standaarden zijn gecreëerd om tot een eenvormig beleid te komen inzake mensen die het

EU-gebied willen betreden. Deze geharmoniseerde aanpak is mede gebaseerd op onderlinge solidariteit (het eerlijk delen van de lasten), omdat de verschillende geografische posities van EU-lidstaten vanzelf tot uiterst scheve influx-cijfers leiden. Als puntje bij paaltje komt, is die solidariteit echter zeer gering. Menig lidstaat laat Griekenland, Italië of Malta rustig doormodderen in hun poging tot het verwerken van massa’s migranten, is zeker niet bereid bilateraal of communautair meer middelen ter beschikking te stellen, maar staat wel gelijk met het vingertje omhoog om het falende beleid vanuit het perspectief van mensenrechteneerbiediging aan de kaak te stellen. Het aanvaarden van een Griekse muur zou het aanvaarden van het failliet van de gemeenschappelijke Europese aanpak betekenen. Over mensenrechten gesproken, zoals iedere muur uit het verleden zou de Griekse muur niet-discriminatoir zijn en derhalve in strijd met menig stukje internationaal recht. Vanuit de Geneefse Vluchtelingenconventie en aanpalende verdragen geredeneerd, is het eenieder toegestaan een asielverzoek in te dienen in het land waarheen men vlucht. Indien zonder onderscheid des persoons een muur het fysiek onmogelijk zou maken zo’n verzoek in te dienen, vindt er schending plaats van het recht en zullen, bovenal, de goeden onder de kwaden lijden. Er zijn tientallen meerdere argumenten aan te dragen waarom het creëren van een muur aan de Grieks-Turkse grens niet alleen inefficiënt maar dwaas zou zijn. Het verstevigen van de intra-Europese solidariteit met die lidstaten die het aan de buitengrenzen zwaar hebben en, bovenal, het toegaan naar een transparant gereglementeerde migratie richting Europa op basis van noodzaak (asiel) en behoefte (werkgelegenheid), zoals UNHCR al jaren bepleit, zijn de oplossingswegen die we moeten bewandelen, niet afsluiten met brokken beton.

31


ENG

Diary of…

Leandro VergaraTEXT: Leandro Vergara-Camus

I have been at the University of Groningen since September 2008. I was hired as an Assistant-Professor in the Centre for Development Studies and since September 2010, I joined the department of International Relations and International Organization. The following is the story of one of my most interesting weeks since I joined the University of Groningen.

Monday, 15 November 2010

Morning: As every morning, I spent some time revising and answering my e-mails. This week, my in-box is particularly full given that we are holding the annual conference of the Netherlands Association of the Latin American and the Caribbean Studies (NALACS), entitled ‘Latin America: Beyond Neoliberalism?’. With several other colleagues Paula Hevia-Pacheco, Annelies van Noortwijk, Wil Pansters and Teresa Alcacio-, we have been preparing this for the past 8 months.

From 13:00 to 16:00, I am giving my first lecture for my course ‘Reading Seminar: Key Debates in Development Studies’ in the Minor of Development Studies. This course is one of my favorites. The format of the course is that of a seminar, where students read a few texts on a particular topic and I lead a discussion on the contrasting views and theoretical perspectives of the authors. At the end of the semester, I am always glad to see the incredible improvement in students’ understanding of development issues, theoretical concepts and approaches and in their ability to communicate their ideas. It’s a shame, but very often the university setting does not allow for small group teaching and the active participation of students, which I believe is the best way to learn. From 18:00 to 21:00, I am giving my weekly lecture in the first year ‘Skills’ course. At the end, I am exhausted!

Tuesday, 16 November 2011

Morning: More e-mail communications with the other organizers of the conference. From 13:00 to 15:00: Last meeting of the organizing committee of the conference to oversee all the last details. What makes me particularly proud is that it is the

32

first time that the conference is organized outside the Randstad (Groningen would be apparently too far away for our colleagues from the ‘South of the Netherlands`). But, participants are coming from all over Europe, Latin America and North America. There will be papers on topics that are at the top of the political agenda in the region, such as resource extraction, policing and human rights, left-wing governments, antiglobalization/resistance movements, etc. After this meeting, I have to run back to my office for a meeting with a student who asked for help with the course material and with the topic of the research paper.

Wednesday, 17 November 2010

From 9:00 to 12:00: First lecture for my second group of the Reading Seminar. While I am presenting the different approaches to development and asking questions to students, I can predict that in the course of the seminar many of them will change their minds several times on what should be the goal of development and who should be its main agents. That’s why I often like to say to my students that my courses are more about questions than about answers.

In the afternoon two old friends, one that I met in Mexico and the other in Toronto, arrive from Schiphol to present their papers at the conference. We have not seen each other in a long time, but right after ‘dropping’ them home, I have to run back to the train station to pick-up one of our keynote speakers: John Holloway, a renowned Marxist scholar in Latin America and Europe. I give him a small tour of the city centre and met for dinner with my friends from abroad and from Groningen.


-Camus Thursday, 18 November 2010

Morning: I have to work on the last details for the conference. Student volunteers are finalizing the conference material to hand out to participants and come up with a super efficient system to distribute logistic tasks.

13:00: The opening of the conference. We are all excited and nervous. As rarely (?) happens in the Netherlands, the whole train network is shut down because of a major problem in Utrecht. The rector Frans Zwarts opens the conference 30 minutes behind schedule and makes the audience laugh with his wellknown sense of humor. The two keynote speeches are good. John Holloway’s presentation calls on the participants to reflect on the effects that some of the radical transformations in Latin America might have on us here in Europe.

Name: on:

Functi

Friday, 19 November 2010

Morning: second day of the conference. In the corridors, I am happy to see that a few students from my MA course in IRIO, as well as my undergraduate courses are attending the conference. Afternoon: Mariclaire Acosta, long-time human rights activist and academic, gives a keynote speech on a very hot topic: narco-traffic and human rights violation in Mexico —another excellent presentation. The public reacts with enthusiasm, some agreeing with her analysis and others challenging her idea that reforming the state is the solution to the human rights violation. I love academic discussions about Latin Amer-

c

ti l Poli

tiona nterna

I ment:

Depart

At 18:00, we leave the Zernike campus, where the conference is held, for the conference dinner at Txoco, probably the best tapas place in town. After the dinner at 20:00, as part of the conference, we attend a documentary on the life of poor families in Lima at Images. It has been a very long and hectic day!

-Camus a r a g r Ve ndro) a e L ( .A. Dr. L fessor oup o r P air gr t h n C a y t m no al Eco Assis

ican politics. They often go to the roots of the main dilemmas of our times for scholars, activists, and people critical of the current neoliberal order. Is radical social change still possible? How can radical social change come about? Through a few interventions from participants from Latin America, the discussions that I have grown accustomed to through my years of fieldwork and research in Latin America resurface here in Groningen. Geographic and political distances suddenly shrink. 18:00: Closing of the conference. People are happy and congratulate us. The conference was a success and many people will leave Groningen with a good impression and a few new contacts in their address books. We finish the day in a pub, celebrating the successful conference with our old time friends and new colleagues. For some hours, I forget that I have a pile of papers to grade waiting for me at home this weekend‌

33


ENG

Small, Green, and Happy The Costa Rican Experience TEXT: Niels Goet

Now, on account of the title you might expect this article to be about a rather peculiar species of gnomes recently discovered in the Costa Rican rainforest. (Un)fortunately, it is not: this article is about rainforest preservation, in which the small Central American country appears to have an excellent track record. I know this sounds more boring than the former topic, but bear with me here, because it is going to get much more interesting.

Photo: Unsure Shot via Flickr

C

34

osta Rica currently ranks among the top nations in the Happy Planet Index (HPI), which couples happiness of citizens with their ecological footprint. Costa Ricans apparently combine the greatest level of life satisfaction with an ecological footprint four times smaller than that of the average US citizen. Although to achieve the latter is not exactly rocket science, it does seem to be quite an achievement for the small country to get top grades for its preservation policies. It has an ambitious conservation programme that protects more than ten per cent of its surface area. But how has the country made sure that the rainforest still remains its main source of income? And more importantly: is this simply window dressing, or are we witnessing a new episode in environmental protection?

What’s more, it seems to have some good strategies in this area. Firstly, there is a system of protected areas and parks covering nearly four per cent of the total land area. With several parks and nature reserves, national parks, and an International Peace Park established jointly with Panama, its preservation system is one of the most advanced in Latin America. Furthermore, these parks have restrictions on the number of visitors, which would mitigate the risk of too large herds of tourists rampaging around and cluttering the natural reserves. In the end, it all boils down to money: Costa Rica takes part in a UN programme that obliges UN members to compensate developing countries for rainforest preservation, which has allowed it to reign in considerable amounts of cash for developing projects.

Basically, there are two ways to capitalise on rainforests. One is reminiscent of the eloquent phrase attributed to our favourite US politician, Sarah Palin, and in the context of forest preservation would translate to ‘chop baby chop’. This basically entails cutting down all the trees, processing them into nice rough planks and selling them on the world market so they eventually end up as a dinner table in a cosy home on the Old Continent (or anywhere else for that matter). The other is ecotourism. Both are potentially harmful, but one can imagine the latter to be the more prudent course of action, given that there are appropriate policies in place. With safe and accessible parks to allow visitors to view some of the thousands of species of wildlife and plants that live in its rainforests, Costa Rica is a case in point of a country that thrives on eco-tourism.

However, illicit timber harvesting in reservations and conversion of unprotected areas for agricultural purposes remain a threat. Moreover, corruption still ravages the country and makes protection hard to enforce. This raises questions as to whether the money will indeed be spent to preserve the rainforest or rather to make up for budget shortfalls. On a more positive note, deforestation rates have dropped considerably. Seeing Costa Rica’s poor track record (since 1940, forest cover has declined by a staggering fifty per cent) this seems to be an important step forward. Whichever way developments may turn out for Costa Rica, we may console ourselves with the merry thought that, at least for the time being, Costa Rica is the happiest country in the world.

Enjoying the good life in the happy country of Costa Rica in a green way.


ENG

Muammar al-Qaddafi attending the 12th African Union Summit in Addis Ababa, Ethiopia.

Photo: U.S. Navy/ Jesse B. Awalt

World´s Worst Dictators TEXT: Alexander Witt

Revolutionaries in the Arab world are getting rid of their old structures and autocratic regimes. Ben Ali and Mubarak have allready fallen, Qaddafi‘s fate has been uncertain for a long time. However, his colleagues elsewhere are still keeping their chairs. Don´t be fooled by their eccentricities though: these men will not hesitate to arrest, deport or execute you. Checks&Balances gives you an overview of the world´s worst dictators and the most absurd features of their reign. Muammar al-Qaddafi (68), Libya In power since 1969 Spreading any information that the government believes ‘tarnishes Libya’s reputation’ is punishable by life imprisonment. By the 1980s, Muammar al-Qaddafi was widely viewed as a major source of finance for terrorist organizations around the globe. His oldest son Muhammad Qaddafi owns all telecommunication facilities in the country. His 40-member bodyguard contingent, known as the Amazonian Guard, is entirely female. All women who qualify for duty supposedly must be virgins, and are handpicked by Qaddafi himself. They are trained in the use of firearms and martial arts at a special academy before entering service.

35


King Abdullah bin Abdul-Aziz (87), Saudi Arabia In power since 1995

Photo: UN

In Saudi Arabia, all phone calls are recorded and mobile phones with cameras are banned. It is illegal for public employees ‘to engage in dialogue with local and foreign media’. By law, all Saudi citizens must be Muslim. Saudi women may not appear in public with a man who isn’t a relative, must cover their bodies and faces in public and are not allowed to drive a vehicle. Despite King Abdullah’s talk of reform, Saudi women still need permission from male guardians to work, study, travel, marry, or even obtain an ID card. In a very unusual show of power, children were forbidden to play with Barbie dolls, which were dubbed ‘Jewish dolls’ that are ‘symbols of decadence of the perverted West’.

Dictat

Swaziland (population 1.2 million) is the last remaining absolute monarchy in Africa. On September 15, 2002, the king watched thousands of girls and young women dance bare-breasted in the annual Reed Dance and then chose one of them to be his tenth wife (his father had hundred wives). In an attempt to appease international opinion, Mswati approved the drafting of a new constitution to replace the one that his father had suspended thirty years earlier. However the new constitution bans political parties, allows the death penalty for any criminal offense and provides for the reintroduction of debtors’ prisons.

Photo: Salymfayad via Flickr

King Mswati III (42), Swaziland In power since 1986

36

Photo: sajed.ir

Mahmoud Ahmadinejad is the president of Iran since June 2005. Ultimately, however, the country is run by the twelve-man Guardian Council, overseen by the Ayatollah Khamene’i, which has the right to veto any law that the elected government passes. Khamene’i has shut down the free press and ordered the execution of homosexual males. Ayatollah Khamene’i has increased arrests of nonviolent opponents of his regime, women‘s rights activists, ethnic and religious minorities and journalists. In 2008, Khamene’i’s government was the only one in the world to execute juveniles. Iranian law considers boys eligible for the death penalty at the age of fifteen and girls at the age of nine.

Ph ot

o:

J

Ayatollah Seyed Ali Hoseyni Khamene’i (71), Iran In power since 1989


Alexander Grigoryevich Lukashenko (56), Belarus In power since 1994

Photo: Kremlin.ru

Belarus’ first democratically elected leader, Lukashenko quickly consolidated power. Belarus has never held a poll seen as fair by international monitors since Lukashenko began his presidency. The former U.S. Secretary of State Condoleezza Rice has called Belarus ‘the last true remaining dictatorship in the heart of Europe’. Several Belarusian officials are also subject of the sanctions imposed by the European Union for egregious human rights violations. Lukashenko promotes himself as a ‘man of the people’. Due to his style of rule, he is often informally referred to as ‘daddy’. He has been accused of making a remark in 1995, praising Adolf Hitler: ‘The history of Germany is a copy of the history of Belarus.’

tor

He runs the world’s most tightly controlled society. He maintains strict control of all media and allows his citizens to read nothing but government propaganda. Hundreds of thousands of citizens, including children, are imprisoned in labor camps for such ‘crimes’ as hoarding food or ‘anti-socialist’ activities. An estimated 250,000 people are confined in ‘reeducation´ camps. Kim assumed control of North Korea on April 9, 1993, and established his official title as ‘Dear Leader’. He commands the fourth-largest standing army in the world and has aggressively sought to amass nuclear and chemical weapons during his reign.

via

W

iki

Co m m

on s

Photo: Presidential Press, Russia

Kim Jong Il (69), North Korea In power since 1994

Photo: UN/Marco Castro

Js

ha ffie

ld

Robert Gabriel Mugabe (87), Zimbabwe In power since 1980 Inflation in Zimbabwe is so bad that in January 2009, the government released a 50 billion dollar note - enough to buy two loaves of bread. The unemployment rate is around 80% and the HIV/AIDS rate more than 20%. Life expectancy has declined since 1988 from 62 to 38 years. Mugabe has inflicted disastrous economic policies, political corruption, starvation and human-rights abuses on the citizens of Zimbabwe. He also employs retaliatory and scare tactics, such as blowing up the printing press of an opposition newspaper, torturing journalists and sending opponents off to camps where they are beaten or raped.

37


Column

ENG Peculiar IOs TEXT: Alexander Witt

IRIO is all about international organizations, most of them well-known like the European Union or the United Nations. There are some international organizations however that are more abscure – which is not to say that they are not important. Some are rather odd, peculiar or underestimated but certainly worth exploring.

O

ne of these is the Simon Wiesenthal Center. According to its mission statement, it is `a global Jewish human rights organization that confronts anti-Semitism, hate and terrorism, promotes human rights and dignity, stands with Israel, defends the safety of Jews worldwide, and teaches the lessons of the Holocaust for future generations.´ The organization was established in 1977 and named after Simon Wiesenthal, the famous Nazi hunter. Its headquarters are located in Los Angeles, California and it maintains offices in New York, Toronto, Miami, Paris, Buenos Aires, and Jerusalem. With a constituency of over 400,000 households in the United States, it is accredited as an NGO at international organizations including the United Nations, UNESCO, OSCE, Organization of American States (OAS), the Latin American Parliament (PARLATINO) and the Council of Europe. Moriah films, the film division of the Simon Wiesenthal Center, was created to produce theatrical documentaries to educate both national and international audiences. It focuses on the 3,500-year old Jewish experience as well as contemporary human rights and ethics issues. Moriah has produced 11 films to date, two of which have received the Academy Award for best feature documentary, The Long Way Home (1997) and Genocide (1981). The Simon Wiesenthal Center leads investigations on ExNazis in order to bring them to justice. It updates its list of most wanted Nazis every year, along with an update about various countries‘ cooperation in helping bring Nazi war criminals to justice after all these years. `I pray for the health of Nazis every day,´ said Efraim Zuroff, Israel director of the Wiesenthal Center and coordinator of research on Nazis remaining worldwide. ’But only for those I can bring to justice.’ In January 2011 the Simon Wiesenthal Center called upon the German authorities to make a final effort to bring to justice two convicted but unpunished Nazi war criminals living in Germany and to open the files of the BND (German Secret Service) regarding the postwar escape of notorious Holocaust perpetrators. Simon Wiesenthal, a survivor of the Nazi death camps, dedicated his life to documenting the crimes of the Holocaust and to hunting down the perpetrators still at large. `When history looks back,’ Wiesenthal explained, `I want people to know the Nazis weren’t able to kill millions of people and get away with it.´ His work stands as a reminder and a warning for future generations.

38

The Mitigation of World Tension through the Exercise of Humour TEXT: Karsten J. Kip

Only few will not be acquainted with the history of the American Civil War. The tale of how the south seceded from the north, spawning a bloody conflict. Few however will be familiar with a much more recent southern secession in the United States.

T

he Florida Keys are a chain-shaped archipelago in southernmost Florida. The proximity to the Caribbean has been the source of many a headache for those customs officers tasked with preventing the smuggling of narcotics and human trafficking. To counter both the problems at hand and the headaches resulting from them, US Border Patrol decided to place a road block on the only road connecting the Keys to the Floridian mainland, and search all vehicles crossing into Florida proper. Though these measures alleviated the problem of smuggling somewhat, they caused a tremendous amount of annoyance with the residents of such towns as Key West. They now found themselves forced to pass through a thorough check by customs authorities for what should have been an ordinary domestic trip. Perhaps more importantly: visitors to the Keys were also subject to these checks. The continued presence of this roadblock therefore would jeopardise the vital tourist industry of the islands. Though it can easily be understood that the inhabitants of the Keys were, to say the least, annoyed by these measures, noting a problem and fighting it are still two very different things. Luckily, the people of Key West had a creative mayor, who realised that sometimes serious problems are most adequately dealt with by humour. Noting that his city had apparently been placed outside of border patrol, the mayor reasoned that it indicated a new US border. After a failed attempt to stop the roadblock in a federal court in Miami, mayor Wardlow was therefore proud to announce to the media that, the next day at noon, the Keys were to secede from the Union. The very next day a new entity called the ‘Conch Republic’ came into being. Obviously secession was not radical enough to get the message across. The now self-styled prime minister Wardlow proceeded to declare war on the United States by breaking a loaf of Cuban stale bread on the head of a man dressed in a naval uniform. After one minute of warfare, Wardlow surrendered to the admiral in charge of the local naval base and demanded one billion US Dollars in War Relief to rebuild his nation. Though the billion dollars never arrived in Key West, the roadblock was removed because of the publicity generated by the secession. To this very day, the secession keeps generating publicity and attracting tourists.


Checks&Balances jaargang 7 editie 2  

Magazine von studievereiniging clio, voor studenten Internationale Betrekkingen en internationale Organisatie

Advertisement