Page 1

‘Huid en landschap, een vreemd universum’ Chantal Pollier, juni 2017

‘ De liefde veroorzaakt aldus ware bodemverheffingen van het brein. In dat van M. de Charlus, dat een paar dagen tevoren op een zo effen vlakte leek dat er wijd en zijd geen denkbeeld boven de grond te ontwaren was geweest, had zich plotseling, hard als steen, een gebergte opgericht, maar bergen van een sculptuur alsof een beeldhouwer het marmer, in plaats van het mee te nemen, ter plekke had bewerkt en aldaar, groepsgewijs, gigantisch, titanisch, wingend en kronkelend, de Razernij, de Jaloezie, de Nieuwsgierigheid, de Nijd, de Haat, de Smart, de trots, de Ontzetting en de Liefde stonden uitgehouwen.’ Marcel Proust, op zoek naar de verloren tijd: Sodom en Gomorra (Bij Martha Nussbaum: Oplevingen van het denken)


In 2016 kreeg ik een kortdurende ontwikkelingsbeurs bij de Vlaamse overheid, afdeling kunsten en erfgoed. ‘Vertrekkende vanuit het vleselijke, vel en huid, wil ik komen tot een abstrahering van het ‘omhulsel’, de vergankelijke zak waarin we ons voortbewegen, die ook een veruitwendiging is van hoe we ons voelen, en daardoor communicatiemiddel bij uitstek. Ik wil samen met wetenschappers onderzoeken wat er leeft op de levende en op de dode huid, ik wil preparaten maken om te bestuderen met de SEM om voorbij de rand van het zichtbare te kijken naar celstructuren en wat er nog zichtbaar wordt. In steen wordt de vergankelijkheid vertraagd, het beeld is in de tijd gestold. Steen doet iets met de tijd. De nietperfecte steen die miljoenen jaren geleden zijn vorm vond, met aders, kristallijne structuren, fossielen en vreemde tinten, holtes en breuken, bepaalt mee hoe mijn werk eruit zal zien. Je moet je overgeven aan de traagheid om een conversatie aan te gaan met dit materiaal. Steen zit in ‘aders’ in de gelaagde ondergrond. Ik wil de rand van zo’n steenlaag gedeeltelijk blootleggen en deze gebruiken in mijn werk. Daartoe moet ik de geschikte groeves vinden, die mij interessante structuren kunnen bezorgen of minstens laten zien, zoals de ruw gevormde ‘boulders’ van albast. De onderzoekswegen die ik loop, wil ik laten uitmonden in de creatie van nieuwe sculpturale vertalingen. 1. Steen Het bepalen van de ‘juiste’ steen bleek allerminst evident. We bezochten in juli ‘16 de Faeröer, een eilandengroep hoog in de noordelijke Atlantische oceaan. De eilanden bestaan volledig uit het lavagesteente basalt, de donkere stranden uit zwarte korreltjes van hetzelfde materiaal. Ik dacht dat basalt het gesteente was dat ik zocht. Ik raakte gefascineerd door lava en vooral door het moment waarop die vloeibare, bruisende en borrelende massa steen wordt. Basalt is voor mij in feite het meest ‘oorspronkelijke’ gesteente. Veel basalt wordt vermalen, enkel de lava die in het hart van de vulkaan afkoelt tot een zeer solide basaltsteen, is geschikt om beeldhouwwerken mee te maken. Mijn onderzoek was op een vreemd punt begonnen. Ik maak een serie tekeningen: ‘Ik ben lava’. Ik maak ook een eerste werk in steatiet, een zeer zachte kalksteen. Het is een poging om het stollen weer te geven, het moment dat er een dun stenen vel komt over de vloeibare lava. Het in steen vertalen van de beweging, zij het een zeer trage beweging die tot stilstand komt.


Ondertussen lees ik ‘How to read the landscape’, waar ik ontdek dat steen helemaal niet zo onbeweeglijk en stil en dood is als wordt verondersteld: steen is voortdurend in beweging, maar wel zo langzaam dat dit buiten ons tijdsbesef valt. We kunnen het maar zien door een lezing van het landschap: een plooi, een breuk, een stapeling, een kleur. Dit is wat men de permanentie-beweging noemt.


Een zoektocht naar hoe kunstenaars doorheen de eeuwen huid hebben vertaald in steen, levert mij niet zoveel op, behalve dat hoe verweerder de steen is, hoe levendiger alles wordt. Het is dus net de aftakeling en het verweren, het verouderen, die een empathische reactie teweegbrengen. Een dag donddwalen in het British Museum toont me Romeinse torso’s waarvan slechts een stuk overblijft, verweerde gezichten zonder neus, de mond half weg‌ fragmenten dus. Ik besluit fragmenten te gaan beeldhouwen.


Maar ik geraak niet aan basalt. Vijf, zes contacten met groeves in ItaliĂŤ, Noord-Ierland en zelfs op de FaeroĂŤr, leveren niets op. Ik kom te weten dat de prachtige plooien die tijdens het stollen ontstaan, niet te krijgen zijn. Ik stel mijn zoektocht uit: er is een groeve aan de voet van de Vesuvius, maar je gaat best met een camionette om je stenen ter plaatse te kiezen. Schriftelijke vragen en telefoongesprekken leiden tot verwarring en onbegrip. Een project voor later.


2. Dieren a.

Huid en wat er onder zit Tegelijk begint mijn onderzoek aan de afdeling Morfologie van de faculteit diergeneeskunde: Ik kan afgietsels maken van de huiden van verschillende diersoorten. Het wordt me gauw duidelijk dat een malle maken van de huid op zich niet interessant is: zo kwam een dood nijlpaard binnen met een ongewone en boeiende huidstructuur. Zodra ik echter de huid afscheidde van de onderliggende spieren en van het skelet, verkreeg ik een soort lederen hoopje – ik kon net zo goed in een lederfabriek mijn huiden zoeken. Het gaat me wel degelijk om de huid, maar dan enkel in haar functie van afscheiding tussen het inwendige en daarbuiten. De huid op zich is als een vreemd object dat een nieuwe vorm behoeft. Ik maak een beeld: ‘huid-berg’, geïnspireerd door deze ervaring. Het dode nijlpaard komt er in terug.


b.

Stukken van dieren Ik raak gefascineerd door de kwetsbare buik van de dieren, de tepels, uiers, de testikels, de geslachtsorganen… De huid daar is zoveel kwetsbaarder, er is een onduidelijk grens tussen wat binnen en buiten is. Toen ik eerder toevallig in de snijzaal kwam en merkte dat er onderzoek op geiten werd gevoerd, vroeg ik of ik een uier kon krijgen – er werd me een emmer vol uiers gebracht. Een vreemde ervaring. Ook hier brengt het losgesneden zijn van het lichaam een vreemdsoortige objectivering mee. De oorspronkelijke functie gaat verloren en in de plaats komt iets van horreur, een onbestemd onheilsgevoel. Een biggetje zonder ingewanden was in een container gegooid om naar het vilbeluik te worden gebracht: ik maak een malle van de huid van de opengesneden buik. De sterkste malles zijn deze waarbij een stuk uit het lichaam wordt weergegeven – niet ‘de kop’ of ‘een poot’ maar een stuk van de buik, de rug, de bil… En die ervaring neem ik mee als ik begin te beeldhouwen. Mijn Convergenten reeks bestaat uit ‘snedes’ uit een ingebeeld landschap, een parrallel universum waarbij het landschap een lichaam is.


c.

SEM en fotografie

Er komt een aangespoelde reuzenhaai op de faculteit. Ik fotografeer de buik, flank, rug en kop en neem kleine huidstalen. Die worden bewerkt om ze zowel onder een stereomicroscoop als onder de SEMmicroscoop te kunnen onderzoeken. Het meest fascinerend zijn de stalen die dik genoeg zijn om ook de doorsnede, de rand ervan te bestuderen. Ik krijg opnieuw een blik op een wereld waarmee je een vreemdsoortige vertrouwheid voelt en tegelijk iets heel verontrustends, iets ongemakkelijks.


Dit geeft me het idee om niet via vlugschetsen maar via linosnedes te komen tot het basismateriaal dat ik nodig heb om iets in steen te maken: de afstand bij het staren door een microscoop is te vergelijken met wat ik ervaar als ik door een loupe kijk om de linosnedes zo precies mogelijk te maken. De grijstonen op de computerbeelden die bij SEM horen, versterken het gevoel van het binnentreden in een ‘alien world’. De traagheid van het werken in lino dwingt me bovendien om lang na te denken over hoe ik de vorm van de lijn wil. De lino’s vormen de basis voor de bas-reliëfs in steen. Een nieuw en interessant parcours. Er is een fototoestel gemonteerd op de stereomicroscoop, waardoor je haarscherpe foto’s kunt nemen van wat je ziet. Ook bij de SEM is dit mogelijk. Ik kreeg toestemming om enkele door mij gemaakte foto’s ook te publiceren. Ik zoek bij dit nieuwe medium wat de mogelijkheden zijn. Verdere samenwerking met de faculteit kan ook volgend academiejaarjaar gebeuren.


Ik denk er ook aan om een experimentele kortfilm te maken die toont wat ik zie als ik een microscopisch landschap laat bewegen. Ik heb hier het basismateriaal voor maar moet dit nog uitwerken: nieuw werk dringt zich op, nieuw voor mij. Boeiend hier is een nieuwe manier om beweging weer te geven via film, waardoor mijn pogingen om beweging in steen weer te geven hopelijk worden versterkt.


3. Convergenten

Mijn atelier vult zich met afgietsels van stukken dier: geitenuiers, de buik van een big, een kop van een brilkaaiman, zijn flank, een stuk tapir. Uitermate indrukwekkend allemaal, maar wat moet ik ermee? Ik probeer verschillende steensoorten uit en experimenteer met combinaties van materialen: was op steen, olieverf op marmer. Een fragment van een nijlpaard in witte marmer en was, beschilderd met olieverf, een mummie van een cavia als een bergketen in albast. Bevreemdend werk. Het komt in de buurt van wat ik bedoel, maar ik ben er nog niet. Ik maak in zwarte marmer een werkje, met als inspiratie de microscopiefoto van een petrischaaltje met huidcellen.


Aanzet tot het bewerken van een blok albast


Aanzet in zwarte marmer – basreliÍf

Vooral het gebruiken van was op een marmeren werk geeft een zeer interessante combinatie van oppervlaktestructuren. Het versterkt het bevreemdende gevoel dat ik wil oproepen. Het is een interessant parcours dat ik verder wil uitdiepen. De kleur van zwarte marmer benadert deze van basalt. Ik denk erover om in zwarte marmer verder te werken, ondanks de gigantische beperkingen die het materiaal me oplegt. Het bewerken van een zwarte marmer is zeer moeilijk en de steen is heel kostbaar waardoor ik voorzichtig en doordacht te werk moet gaan en me ietwat beklemd voel – ik mag hier vooral geen fouten maken. Dit gevoel kan ik echter gaandeweg achter mij laten.


Bij mijn steenleverancier weet ik een massief blok zwarte marmer liggen. Nader onderzoek toont dat het marmer in kleinere blokken is gespleten door inwerking van water dat doorsijpelde en bestaande spleten openduwde, het marmer lag dan ook al jaren buiten. Het blok zit vol grote natuurlijke breuken en is ongeschikt geworden voor de meeste beeldhouwers, maar het is ideaal voor mijn project! Ik besluit de hele steen te kopen, met brokken en al.

En dan krijg ik een idee: ik bekeek tientallen basaltsteen-foto’s. In Ierland worden de stenen vaak als gevelbekleding gebruikt en één van de meest geliefde toepassingen is de ‘natural surface basalt stone’. De stenen worden geklieft en tonen het oppervlak zonder zichtbare ingrepen van de mens. Aan mijn steenleverancier vraag ik om een perfect vierkant blok te zagen rond een breuk. Het blijkt een niet evidente opdracht te zijn. Zwarte marmer breekt zeer gemakkelijk en vooral de hoeken zijn kwetsbaar, maar het lukt. De eerste aanzet voor ‘The Gatekeeper’ is gegeven. Het werk draait rond de schoonheid van het gespletene. Bladgoud en cortenstaal maken het werk af. Het is een vreemd, dreigend werk dat ik zélf niet goed uitgelegd krijg. De perfecte vierkante vorm, het edele materiaal, de ongelooflijke weerbarstigheid, de schoonheid van het zwart, het goud, het roest. De naam ‘Gatekeeper’ verwijst naar de ‘keeper of things you are not supposed to see’. De bewaker van de parallelle wereld, de bewaker van de sleutel die de toegang geeft of ontzegt. Het is een zeer puur beeld en ik begrijp er niets van.


Ondertussen krijgen de andere werken vorm. ‘Erratic’ is het tweede werk in zwarte marmer. Tijdens het werken … herinneringen aan het landschap op de faeröer eilanden, het zwarte zand op het strand, de naakte basaltrotsen, de resten van gletsjers die de vorm van de eilanden bepaalden, miljoenen jaren geleden… De nietigheid. Het is zeer moeilijk om te komen tot een manier om het organische weer te geven in een materiaal als steen. Ondertussen ben ik aan het experimenteren met overgangen van de oorspronkelijke oppervlakte van de steen – dat ik wil behouden - naar door mij gecreëerde vlakken. Dit spel boeit mateloos en creëert een spanning die me zeer interessant lijkt om verder uit te diepen.


De steen is zeer donker, eens geschuurd, gepolierd en ingeolied. De zwarte oppervlakte neemt een pak informatie weg die ik absoluut wil behouden. Ik besluit om een selectie van krasjes, lijnen en restanten van mijn ingrepen intact te laten en om de impregneerolie gecontroleerd te schilderen op de steen. De zijvlakken maak ik zeer donker om te benadrukken dat het me gaat om een fragment.


Ik liet door een professioneel fotograaf foto’s maken. Het is boeiend om te observeren hoe een andere kunstenaar kijkt naar het werk dat ik maak, de focus ligt elders.


Het derde werk in marmer is ‘Lorifa’. Het is een basrelïef, gebaseerd op de lino met dezelfde naam. De lino is een werk op zich, beide werken zijn uiteraard sterk gelinkt aan elkaar maar ik beschouw ze niet als werken die samen moeten blijven. Het zijn verschillende resultaten uit dezelfde bron.

‘Lorifa’, linocut


‘Lorifa’, zwarte marmer

Het afgeplatte oppervlak is ontstaan na een breuk. Dit oppervlak heb ik deels ongemoeid gelaten, het werd deel van het werk. De aanwezigheid van kleine kristallen en fossiele elementen maakt het werk sterker. 4. Meer convergenten - work in progress De werken die hierboven beschreven staan, komen op een tentoonstelling ‘Resten’. Een testcase om mijn recente werken aan het publiek voor te stellen. Wat me vooral bezig houdt is, hoe het werk zich zal verhouden tot de ruimte. De tentoonstellingsruimte is wit, ruim, leeg. Ik dacht perfect voor dit zwarte werk, maar ik word verrast. Het werk krijgt een steriliteit die ik nooit heb bedoeld. Afhankelijk van de ruimte komt de nadruk op andere aspecten te liggen. 1. Een nieuwe uitdaging dringt zich op: als ik meer controle wil over hoe mijn werk verschijnt, moet ik meer controle hebben over de ruimte rond het werk. Ik voer gedachtenexperimenten uit met ruimtes in verschillende materialen als plastiek, glas, serre-achtige toestanden, donkere kubussen als uitvergrotingen van ‘the gatekeeper’… dit moet zeker verder onderzocht worden. 2. Ik krijg de huidstaaltjes te zien van de reuzenhaai. Enkele beelden springen me direct in het oog. Eén foto toont een dentikel, 150 keer vergroot - 500 µm. Dentikels zijn minuscule ‘tanden’ op de huid van de haai. Huid-dentikels zorgen ervoor dat haaien minder weerstand ondervinden in het water, waardoor ze tot de snelste zwemmers horen. Dentikels hebben een specifieke vorm, die verschillend is per haaiensoort en geëvolueerd in de ontwikkeling van de dierensoort. Omdat van deze dieren enkel de tanden en de dentikels als fossielen kunnen overblijven, zijn deze ook belangrijk voor onderzoek naar de evolutie van de soort.


Alles staat klaar: een steen met het prachtig glooiende oppervlak dat ontstond nadat er een breuk was, de vorm zodoende perfect om een ‘berg’ te maken. Ik moet er aan beginnen maar ik moet nog keuzes maken in verband met de schaal waarin ik wil gaan werken. Dit zijn cruciale keuzes die niet ongedaan kunnen gemaakt worden en ze moeten dus zorgvuldig overdacht worden.


3. Op een andere steen ontstaat ondertussen een tweede vreemdsoortig ‘landschap’. Landschappen veranderen voortdurend en vernieuwen zich onder bepaalde weersomstandigheden en door de onvermoeibare ingrepen van de mens. Restanten van oude beschavingen, kleurveranderingen in en op het aardoppervlak, microscopisch kleine resten ‌ kunnen gelezen worden door wie ze herkent en de taal spreekt. Als markeringen op de huid, restanten van oud zeer en leven in vroegere tijden. De schoonheid hiervan wekt nieuwsgierigheid en en verzacht het besef van voortdurende vernietiging. Ik heb het lastig. Ik moet deze steen grondig vernietigen om tot iets nieuws te kunnen komen. Ik experimenteer met zuren die op de steen inwerken en probeer deze manier van werken controleerbaarder te houden. Meer onderzoek en experiment is nodig.


4. In de voorbije vijf jaar verzamelde ik allerlei fragmenten: stukjes huid, dode insekten, haar, … een kleine vreemde collectie die dit jaar flink is aangegroeid. Deze fragmenten maken deel uit van een nieuwe installatie: ‘Curiosity killed the cat’. De presentatie is een spannende zoektocht – het doet me denken aan een woordpuzzel met letterassociaties die tot vreemde woorden kunnen leiden en duidelijke linken die je ongewild volgt. Ook dit werk zit volop in de ontwikkelingsfase. Ik zoek een goede drager en uitgepuurde presentatie-wijze.


5. Tussendoor blijf ik linosnedes maken. Deze manier van werken ligt me, de traagheid dwingt me tot fantaseren, opent nieuwe manieren van kijken, nieuwe vormen die vertrekkende vanuit het concrete leiden tot verregaande abstractie: een verrassende wending. Ik zal experimenteren met meerkleurendruk en hoe wit/zwartruimtes in het werk een plek kunnen opeisen. 6. En dan is er natuurlijk de digitale wereld: mijn duik in de microscopie opende via de fotografie een deur naar nieuwe mogelijkheden. Ook het filmmateriaal dat ik verzamelde, smeekt om verdere bewerking. Ik loop al jaren met het idee om een werk te maken waarop film en steen samenvallen in een symbiose van verstilling en beweging. Ik ontdekte net de mogelijkheden van video-mapping, en wil dit gebied verder onderzoeken om zo te komen tot werken vol contrasten. De vluchtigheid van film gecombineerd met het logge, zware, verstilde van steen. Ik denk er aan om dit te combineren in een gelijktijdig bewerken van een steen waarop een projectie komt die ik aanpas naarmate het oppervlak van de steen door mij wordt vormgegeven.

Huid en landschap  

Chantal Pollier