Issuu on Google+

StadsOntwikkeling

Bestemmingsplan

Stadskantoor en OV terminal,

www.utrecht.nl

Ontwerp, januari 2009

Ontwerpbestemmingsplan Stadskantoor en OV Terminal, januari 2009


*

*

= locatie plangebied


Stadskantoor en OV-terminal Deze standaard is gebaseerd op de Bro (juni 2007) en SVBP2008 (april 2008).


2 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

7

1.1 Doelstelling

7

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

8

1.3 Vigerende plannen

8

1.4 Leeswijzer

10

Hoofdstuk 2 Beleidskader

11

2.1 Inleiding

11

2.2 Nationaal beleid

11

2.3 Provinciaal beleid

12

2.4 Gemeentelijk beleid

12

2.5 Lokaal beleid

14

2.6 Conclusies

16

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

17

3.1 Inleiding

17

3.2 Stadskantoor

17

3.3 Planbeschrijving OV-terminal

22

Hoofdstuk 4 Verkeersaspecten

31

4.1 Stadskantoor

31

4.2 OV-terminal

32

Hoofdstuk 5 Onderzoeken

35

5.1 Inleiding

35

5.2 Stadskantoor

35

5.3 OV-terminal

45

Hoofdstuk 6 Juridische plantoelichting

49

6.1 Algemeen

49

6.2 Planvorm

49

6.3 Systematiek

50

6.4 Opbouw Regels

50

6.5 Nadere toelichting begripsomschrijvingen

50

6.6 Artikelsgewijze toelichting

51

6.7 Lijst van bedrijfsactiviteiten

55

6.8 Lijst van horeca-inrichtingen

55

6.9 Handhaving

55

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

57

7.1 Economische uitvoerbaarheid

57

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

3


7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

57

Hoofdstuk 8 Bijlagen

61

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

65

Artikel 1 Begrippen

65

Artikel 2 Wijze van meten

69

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

71

Artikel 3 Kantoor

71

Artikel 4 Verkeer

73

Artikel 5 Verkeer - Openbaar vervoerstation

74

Artikel 6 Verkeer - Railverkeer

76

Artikel 7 Verkeer - Verkeer en verblijf

77

Artikel 8 Waarde - Archeologie

78

Hoofdstuk 3 Algemene regels

79

Artikel 9 Antidubbeltelbepaling

79

Artikel 10 Algemene bouwregels

80

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

81

Artikel 12 Algemene ontheffingsregels

82

Artikel 13 Algemene procedureregels

83

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

85

Artikel 14 Overgangsrecht

85

Artikel 15 Slotregel

86

Bijlagen

87

Bijlage 1 Lijst van Bedrijfsactiviteiten

89

Bijlage 2 Lijst van Horeca-activiteiten

97

4 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Toelichting

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

5


6 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Doelstelling

Met het vaststellen van het Masterplan Stationsgebied in 2004 en het Structuurplan Stationsgebied in 2006

beschikt de gemeenteraad van Utrecht over planvormen op basis waarvan het Utrechtse Stationsgebied herontwikkeld kan worden.

De herontwikkeling van het Stationsgebied is gericht op de ontwikkeling van een hoogwaardig, multimodaal openbaar vervoersknooppunt in combinatie met een toplocatie voor werken, wonen en voorzieningen. Een

essentieel onderdeel van deze ontwikkeling is de realisatie van het stadskantoor en de herontwikkeling van de Openbaar vervoersterminal. Hiermee wordt direct invulling gegeven aan de doelstellingen geformuleerd in het structuurplan.

Om de realisatie van het nieuwe stadskantoor en de herontwikkeling van de Openbaar vervoers-terminal (hierna OV-terminal) mogelijk te maken zijn er onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening twee

vrijstellingsprocedures ex artikel 19 lid 1 opgestart. Het voornemen om vrijstelling ex artikel 19 lid 1 WRO (oud) te verlenen voor het Stadskantoor heeft van 18 juni tot en met 30 juli 2009 ter inzage gelegen. De vrijstelling ex artikel 19 lid 1 WRO (oud) voor de OV-terminal is verleend op 10 september 2009.

Dit bestemmingsplan voegt de voornoemde ruimtelijke onderbouwingen samen en zal gaan gelden als juridisch kader voor de ontwikkelingen. Dit bestemmingsplan maakt dus de realisatie van het nieuwe

Stadskantoor mogelijk en past de verleende vrijstelling voor de herontwikkeling van de OV-terminal in in een actueel planologisch-juridisch kader. Vanwege de zeer nauwe samenhang tussen beide ontwikkelingen (het Stadskantoor staat gedeeltelijk in en boven de nieuwe OV-terminal en wordt ontsloten vanaf de

voetgangersverbinding aan de OV-terminal) zijn beide ontwikkelingen in ĂŠĂŠn bestemmingsplan opgenomen. Het plan richt zich op het vastleggen van de functionele en ruimtelijke structuur. Om de uniformiteit van

bestemmingen en regelgeving te bevorderen is met het bestemmingsplan aansluiting gezocht bij recent tot stand gekomen bestemmingsplannen binnen de gemeente.

Voor dit bestemmingsplan zijn de haalbaarheidsonderzoeken behorende bij de ruimtelijke onderbouwingen gebruikt. Het is mogelijk dat in die onderzoeken nog verwezen wordt naar die onderbouwingen, terwijl dit thans het bestemmingsplan is.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

7


1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied van het bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" is gelegen in het stationsgebied. Het stadskantoor wordt gerealiseerd direct en westen van het spoor, aan de Mineurslaan. De nieuwe OV-

terminal vervangt de huidige stationshal die ligt over het spooremplacement en komt nagenoeg op dezelfde

plaats (afbeelding 1.1).

Afbeelding 1.1: Begrenzing plangebied

1.3

Vigerende plannen

Voor het plangebied van het bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" gelden een aantal bestemmingsplannen. Hierna volgt een overzicht van deze plannen. 8 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Afbeelding 1.2 Bestemmingsplannen vigerend binnen plangebied Bestemmingsplan

Vastgesteld door Raad

Goedgekeurd door GS

Hoog Catharijne

20 februari 1969

3 april 1970

Hoog Catharijne II-2

18 mei 1973

15 augustus 1973

Hoog Catharijne, Uitwerking II-4

10 juni 1986

10 juni 1986

Stadsvernieuwingsplan Dichterswijk 12 april 1990

13 november 1990

Smakkelaarsveld

25 november 1986

Croeselaan

14 november 1985

Tabel 1.1 Bestemmingsplannen vigerend binnen plangebied Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

9


1.4

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van het beleidkader, de herontwikkelingen worden afgezet tegen het ingezette ruimtelijke beleid. Een planbeschrijving van het Stadskantoor en de OV-terminal komen aan bod in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 zal ingegaan worden op de gevolgen van de ontwikkelingen voor het aspect

verkeer. Op de diverse noodzakelijke haalbaarheidsonderzoeken wordt in hoofdstuk 5 nader ingegaan. In

hoofdstuk 6 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod. Hoofdstuk 7 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

10 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 2 2.1

Beleidskader

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het ruimtelijke beleidskader. De voorgenomen ontwikkeling moet passen in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Dit beleid is grotendeels terug te vinden in het Structuurplan

Stationsgebied (IBU, Structuurplan riolering en waterhuishouding Stationsgebied, 2007). Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling in dit hoofdstuk een complete samenvatting te geven van al het relevante beleid op de verschillende niveaus. Uitsluitend de meest relevante of nieuwe beleidskaders zijn in dit hoofdstuk

weergegeven. Voor een uitgebreide beleidsbeschrijving van de overige beleidsvelden voor de herstructurering van het Stationsgebied wordt verwezen naar het Structuurplan Stationsgebied.

2.2

Nationaal beleid

2.2.1

Structuurvisie Randstad 2040 (2008)

Het ministerie van VROM heeft in samenwerking met bestuurders van de Randstad een structuurvisie Randstad 2040 opgesteld. De ambitie is om de Randstad tot een duurzame en concurrerende Europese

topregio te ontwikkelen. Het kabinet maakt keuzes voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Randstad vanuit vier leidende principes:

Principe 1: Leven in een veilige, klimaatbestendige groenblauwe delta Principe 2: Kwaliteit maken door een sterke wisselwerking groen, blauw en rood Principe 3: Wat internationaal sterk is, sterker maken

Principe 4: Krachtige, duurzame steden en regionale bereikbaarheid.

(Inter)nationale topfuncties

Met principe 3 'Wat internationaal sterk is, sterker maken' wordt gedoeld op het benutten en versterken van

(inter)nationale topfuncties die de Randstad te bieden heeft. Voor de stad Utrecht zet het kabinet zich in op:

- Versterken van de nationale potenties van Utrecht als draaischijf en kennisstad - Versterken van de hoogwaardige economische clusters rond de universiteit.

'Revival' van de stad op economisch, sociaal en cultureel gebied

Principe 4 omvat het verstedelijkingsbeleid. Het kabinet kiest bovenal voor een kwaliteitsstrategie. Daarbij hoort een verdichtingsstrategie voor wonen, werken en voorzieningen. Koppeling van verstedelijking en

bereikbaarheid op regionaal niveau biedt kansen voor opschaling van de woningmarkt en arbeidsmarkt en betere benutting van de agglomeratievoordelen.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

11


2.3

Provinciaal beleid

2.3.1

Streekplan (structuurvisie) Provincie Utrecht 2005-2015 (2004)

Op 23 juni 2008 hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht de Beleidslijn nieuwe Wro vastgesteld. Doel van

deze beleidslijn is om, na inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008, slagvaardig het Streekplan Utrecht 2005-2015 als beleidskader te kunnen blijven toepassen. Met de Beleidslijn wordt de inzet van de nieuwe Wro-instrumenten vastgelegd. Met nadruk geldt dat deze Beleidslijn gĂŠĂŠn nieuw beleid

bevat. Het Streekplan Utrecht is van rechtswege omgezet in een structuurvisie en blijft onverminderd gelden. De provincie geeft in het streekplan aan dat het ruimtelijk beleid voor een belangrijk deel is ingegeven door het principe van beheerste groei. Gedeputeerde Staten wil zo de aantasting van waardevolle en kwetsbare

open ruimte door nieuwe verstedelijking zoveel mogelijk vermijden. Ook willen zij de contrastwerking tussen stad en land versterken. In verband daarmee is het gewenst om nieuwe bouwmogelijkheden binnen het

bestaande stedelijk gebied goed te benutten. Beleidsmatig is dit vertaald in een ruimtelijke afbakening van het stedelijk gebied door rode contouren.

In het streekplan wordt gesteld dat Utrecht het knooppunt is in het nationaal netwerk van infrastructuur en een historische binnenstad heeft met een internationale allure. Belangrijke uitgangspunten zijn het opvoeren van de stedelijke kwaliteiten en het intensiveren, transformeren en inbreiden. De omgeving van het centraal station en de belangrijkste stadstoegangswegen geven kansen om door toevoeging van beeldbepalende

stedenbouwkundige elementen de stedelijke allure van de stad Utrecht te benadrukken. Het stationsgebied biedt, naast de verbetering van de infrastructurele voorzieningen (OV-terminal), ruimte voor woningen, (vrijetijds)voorzieningen en hoogwaardige werkgelegenheid (Stadskantoor).

Cultuurhistorie

De strategie voor het beschermen en versterken van cultuurhistorische waarden is verbeeld in de

strategiekaart CHS. Het betreffende deel van het stationsgebied ligt in een gebied waaraan de provincie archeologische eisen stelt. De provincie verbindt aan veranderingsprocessen binnen deze gebieden

cultuurhistorische voorwaarden als kader bij het opstellen van ruimtelijke plannen en programma's van eisen. Achterliggende gedachte is dat cultuurhistorie een bijdrage levert aan (nieuwe) ruimtelijke kwaliteit. Hierop wordt in hoofdstuk 5 nader ingegaan.

2.4

Gemeentelijk beleid

2.4.1

Collegeprogramma 2006-2010 (2006)

In april 2006 is het collegeprogramma 2006-2010 'Utrecht voor elkaar' verschenen. In het collegeprogramma

wordt wat betreft dit plangebied aandacht besteed aan de volgende punten:

- Uitgangspunt voor de ontwikkeling van het Stationsgebied blijven visie A (waarvoor de bewoners

in 2002 hebben gekozen) en de in 2006 gesloten contracten met NS Vastgoed, Koninklijke Jaarbeurs en

Corio (de beheerder van Hoog Catherijne);

- Het aantrekkelijk maken van de openbare ruimte in het Stationsgebied door 'groen' op het Smakkelaarsveld, een aantrekkelijke entree naar het station en een goede inrichting van de ruimte boven

de Catharijnesingel;

- Er komt een nieuwe centrale bibliotheek op een nog nader te bepalen locatie in het Stationsgebied; hierbij worden private partners gezocht.

12 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

2.4.2

Economisch beleid

Nota Economisch Profiel Utrecht 2010 – 'Utrecht ontmoetingsplaats voor talent' (2003) De Nota Economisch Profiel Utrecht 2010 beschrijft de economische kansen en mogelijkheden van de

gemeente Utrecht. Het centrale thema van de nota is 'Utrecht, ontmoetingsplaats voor talent'. Uitgangspunten daarbij zijn: ruimte voor groei, selectiviteit door kwaliteit en profilering op de sterke punten van de stad. Utrecht kiest voor doorgaande economische groei en ontwikkeling, maar betracht daarbij nadrukkelijke

selectiviteit. De volgende speerpunten van beleid zijn aangewezen: - sterke dienstverleners; - medisch cluster;

- cluster gastvrijheid;

- MKB: ondernemerstalent. Ten aanzien van het speerpunt 'cluster gastvrijheid' is betere benutting van de synergie tussen horeca, detailhandel, kunst & cultuur, sport, toerisme & recreatie en de opleidingen-, congres- en vergadermarkt de doelstelling. In de historische binnenstad, in relatie met de ontwikkeling van het stationsgebied wil de gemeente een duidelijke kwaliteitssprong maken. Primair is daarbij van belang: versterking kwaliteit openbare ruimte, uitbreiding voetgangersgebied, garantie van de sociale veiligheid en handhaving

bereikbaarheid voor alle verkeersmodaliteiten. Richting 2030 is een uitbreiding en uitdijing van de

binnenstad voorzien aan de westkant van het station, op en rondom het Jaarbeursterrein, langs belangrijke centrumstedelijke vervoersassen en naar gebieden buiten de singels. In deze zones moet aan onder andere

kleinschalige bedrijfshuisvesting, detailhanden, woon-werkvormen en (openbare) voorzieningen ruimte voor ontwikkeling worden geboden.

2.4.3

Welstandsnota Utrecht 'De Schoonheid van Utrecht'

In de Welstandsnota Utrecht van juli 2004 is geformuleerd op welke wijze het welstandsbeleid van de gemeente Utrecht uitgevoerd zal worden. Dit betreft de welstandstoetsing van bouwvergunningplichtige bouwwerken en toetsing op basis van de volgende loketcriteria:

- Op basis van een gebiedsgerichte analyse per buurt of wijk wordt in hoofdlijnen een ruimtelijke karakteristiek gegeven;

- Ambities worden vertaald in beleidsniveaus per gebied; deze beleidsniveaus zijn: Behoud, Respect en

Open; de drie niveaus onderscheiden zich onderling in mate van vrijheid in omgaan met de bestaande structuur en architectuur;

- Algemeen geldende beoordelingscriteria verschillen alleen per beleidsniveau en niet per gebied. De Welstandsnota is per gebied raadpleegbaar, de loketcriteria voor lichtvergunningplichtige bouwwerken vormen een apart onderdeel. Het plangebied is in de nota grotendeels als ontwikkelingsgebied weergegeven. Ontwikkelingsgebieden zijn gebieden die een nieuwe ontwikkeling gaan of zullen krijgen en door hun ligging, omvang of aard van de ontwikkeling een grote invloed hebben op de omgeving. Het gehele plangebied is aangeduid met het beleidsniveau 'open'. 'Open' betekent:

- een vrije en open oriĂŤntatie op het bestaande bebouwingsbeeld; - er is ruimte voor vernieuwing;

- bij gedeeltelijke veranderingen van de structuur wordt aangesloten op de bestaande omgeving.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

13


2.4.4

Verkeers- en vervoerbeleid

Gemeentelijk Verkeers- en vervoerplan Utrecht 2005-2020 (2005) Het Gemeentelijk Verkeers- en vervoerplan (GVVP) is een stedelijke nota met beleid en plannen voor de hoofdinfrastructuur gericht op de bereikbaarheid van de stad Utrecht. Het GVVP is, samen met andere sectornota's, uitgangspunt voor wijkverkeersplannen, de uitwerking van stedenbouwkundige en infrastructurele plannen en overige verkeers- en vervoersprojecten.

Om een goede balans tussen bereikbaarheid, veiligheid en leefmilieu te realiseren worden de economische belangrijke gebieden via een aantal verkeersassen voor openbaar vervoer, autoverkeer en goederenverkeer goed bereikbaar gemaakt. In de overige gebieden (verblijfsgebieden) en rond de overige verkeersassen krijgen veiligheid en leefmilieu prioriteit. Parkeernota 2003 'Parkeren, een kwestie van kiezen' (2003)

De parkeernota geeft een invulling van het parkeerbeleid voor de stad. De nota heeft een horizon tot circa 2007 Ă  2009. De schaarse parkeerruimte in de stad dient bereikbaar te zijn voor belanghebbenden en

bezoekers. De aandacht blijft daarom gericht op het terugdringen van het niet-noodzakelijke autoverkeer. De gemeente Utrecht hanteert drie methoden om parkeerbeleid te sturen: sturing door aantallen parkeerplaatsen, sturing door verplaatsing van parkeerplaatsen en sturing op prijs en kwaliteit. Conform de visie voor geheel Utrecht richt het beleid in het Stationsgebied zich op beperking van het

maaiveld-parkeren ten gunste van het parkeren in parkeergarages. Bij de verdere planontwikkelingen rond het Stationsgebied zal de definitieve parkeerbalans nader worden uitgewerkt.

2.5

Lokaal beleid

2.5.1

Masterplan Stationsgebied (2003)

Het Masterplan Stationsgebied biedt het kader voor de ontwikkelingen in het stationsgebied voor een periode

tot circa 2020. Het masterplan is een vertaling van Visie A 'Stadshart verruimd' waarvoor een meerderheid van de Utrechtse kiezers in een raadplegend referendum in 2002 heeft gekozen. De doelstelling is een sterk logistiek knooppunt, hoogwaardige openbare ruimte, architectuur van hoge

kwaliteit en intensief ruimtegebruik te ontwikkelen die hun bijdrage leveren aan het nieuwe centrum van

Utrecht, dat bewoners, reizigers, winkelend publiek en werkenden beleven als prettig, schoon en veilig.

2.5.2

Structuurplan Stationsgebied (2006)

Het structuurplan Stationsgebied is de juridische vertaalslag van het Masterplan voor het Stationsgebied uit 2003, inclusief de bijbehorende actualisatie uit 2004. De aanpak van het stationsgebied is gericht op de ontwikkeling van een hoogwaardig, multimodaal openbaar vervoersknooppunt in combinatie met een toplocatie voor werken, wonen en voorzieningen.

14 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Afbeelding 2.1: Plankaart Structuurplan

Afbeelding 2.2: Schalenkaart Structuurplan Stadskantoor De locatie is op de schalenkaart die deel uitmaakt van de Structuurplan Stationsgebied (figuur 2.2)

aangemerkt als 'extra large'. Dat wil zeggen een basishoogte van 45 meter, soms tot 90 meter. Er wordt uitgegaan van veel gebruikers per kavel, atria en overdekte buitenruimte en een grote diversiteit in functie. Het gebied dat als 'extra large' is aangemerkt bevindt zich rondom het huidige Jaarbeursplein.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

15


Het stadskantoor is passend binnen het schaalniveau 'extra large'. In paragraaf wordt nader ingegaan op de onderbouwing van de locatiekeuze van het Stadskantoor. Het verbindend volume tussen de twee torens van het stadskantoor is niet in overeenstemming met de plankaart uit het structuurplan. Op dit verschil met de structuurplankaart wordt in paragraaf Stedenbouwkundige opzet () nader ingegaan. OV-terminal Op afbeelding 2.1 is aangegeven hoe het bouwblok van het OV-terminal in het grotere geheel past. In het

projectgebied is de OV-terminal opgenomen als bouwvlek, ten opzichte van die bouwvlek schuift de

bouwmassa van de OV-terminal enigszins op in westelijke richting. De totale bouwmassa blijft echter even groot, zodat deze afwijking ten opzichte van het structuurplan alleszins aanvaardbaar is.

De OV-terminal is op de schalenkaart die deel uitmaakt van de Structuurplan Stationsgebied (afbeelding 2.2) aangemerkt als 'large'. Dat wil zeggen dat de basishoogte in principe 45 meter is, soms tot 90 meter. De

hoogte van circa 30 meter +NAP voor de OV-terminal is weliswaar lager dan de basishoogte maar gelet op de unieke functie en vorm van de OV-terminal passend binnen de schalenkaart van het structuurplan. Slechts

het fietsgebouw aan de oostzijde wijkt af van het structuurplan voor wat betreft de toegangen en stijgpunten.

2.6

Conclusies

Ten aanzien van het plangebied kunnen uit het relevante beleid de volgende conclusies getrokken worden: - De realisatie van het nieuwe stadskantoor en de OV-terminal past in het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid;

- Het Streekplan Utrecht sluit aan op de rijksdoelstellingen door in het stationsgebied, naast verbetering van infrastructurele voorzieningen, ruimte te bieden aan hoogwaardige werkgelegenheid;

- De ontwikkelingen die worden beoogd met onderhavig bestemmingsplan liggen in lijn met het hiervoor

beschreven gemeentelijk beleid doordat een aantrekkelijke entree naar station wordt gerealiseerd, het plan

voorziet op aanzet tot uitbreiding van de binnenstad aan de westzijde van het station, het zorgt voor een goede bereikbaarheid voor verschillende modaliteiten en tenslotte voorziet het in de realisatie van een parkeergarage;

- Het Structuurplan Stationsgebied vormt de basis van de plannen voor de bouw van de OV-terminal en het stadskantoor en daarmee ook voor dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat een concrete

vertaling van de beleidsdoelstellingen daaruit. De afwijking van het bestemmingsplan met het

Structuurplan is minimaal en van dien aard dat de ontwikkeling nog wel binnen de uitgangspunten valt. Bovendien komen de aanpassingen de ruimtelijke kwaliteit ten goede.

16 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Planbeschrijving

Inleiding

De ontwikkelingen die mogelijk wordt gemaakt in dit bestemmingsplan maken onderdeel uit van de integrale herontwikkeling van het Stationsgebied. In het plangebied worden diverse ontwikkelingen juridisch-

planologisch mogelijk gemaakt. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit hoofdstuk is onderscheid gemaakt in een tweetal hoofdontwikkelingen:

- de ontwikkeling van het stadskantoor; - de herontwikkeling van OV-terminal (OVT).

3.2

Stadskantoor

3.2.1

Omschrijving huidige situatie

Het projectgebied bevindt zich tussen het huidige spooremplacement en de Mineurslaan, ter hoogte van de gebouwenreeks Leeuwensteijn, Cranenborch, Seypesteijn en de sporthal Hoog Catharijne. Het gebied is

momenteel niet bebouwd en het wordt voornamelijk gebruikt als parkeerplaats voor NS personeel (Afbeelding 3.1).

Afbeelding 3.1: Vogelvluchtfoto huidige situatie Stadskantoor

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

17


3.2.2

Achtergronden van het plan

In het structuurplan Stationsgebied is vermeld dat het stationsgebied voor een aantal kantoormilieus de beste vestigingsplek in de stad is door de aanwezigheid van de OV-terminal, de unieke centrumlocatie, de

nabijheid van hotels, winkels en uitgaansgelegenheden en de aanwezigheid van de Jaarbeurs. De toevoeging van kantoren past binnen dit grotere geheel. Kantorentoevoeging vindt grotendeels plaats aan de westzijde van het station en draagt daarmee bij aan de ambitie om dit gebied een sterkere betekenis te geven in de stad door een nieuwe inrichting, een intensivering van ruimte en een menging van functies. De kantoren

komen niet in een monofunctioneel gebied terecht maar vormen een belangrijk onderdeel van een gemengd gebied. Het uiteindelijke kantoormilieu rondom de stationsentree west gaat er van uit dat er verschillende

kantorenmilieus van diverse kwaliteit kunnen ontstaan voor verschillende doelgroepen, waaronder overheid. Het Stadskantoor waarin nagenoeg alle over verschillende gebouwen in de stad verspreide gemeentelijke

diensten en afdelingen in ĂŠĂŠn kantoorgebouw worden gehuisvest op deze centrale plek in de stad past in dit beeld. 3.2.3

Ruimtelijke en functionele opzet van het plan

Concept van het nieuwe stadskantoor

Het gebouw sluit op een verhoogd maaiveld aan op de nieuwe OVT. Tussen de OVT en het stadskantoor loopt de Centrumboulevard. De Centrumboulevard kan gezien worden als de aorta van het Stationsgebied, die loopt van het Jaarbeursterrein tot het Vredenburg langs de OVT en Hoog Catharijne (Afbeelding 3.2).

Afbeelding 3.2: Situering nieuwe stadskantoor 18 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Binnen het beschikbare oppervlak is gezocht naar een opzet waarbij licht en lucht doordringen in het gebouw en toch de beoogde dichtheid wordt gehaald. Hiertoe is een reeks van verschillende plattegronden

ontwikkeld. De eerste zes bouwlagen vormen een open publiekshal waarin de diverse niveaus zichtbaar zijn. De volgende vijf bouwlagen vormen een gesloten ring, die zich uitstrekt tot over het dak van het station. In het midden bevindt zich een patio. Deze verdiepingen verbinden de hoger gelegen separate torens. Het gebouw voorziet in circa 2500 werkplekken voor ambtenaren. Logistiek De verticale verbindingen zijn geconcentreerd in 2 kernen (noord en zuid). De noordelijke kern loopt door tot in het podium en bevat om die reden de centrale goederenlift vanaf de expeditie. Alle gebruikers zullen aan

de noordzijde omhoog gaan. Behalve de kern zijn er ook roltrappen en een dubbele 'shuttlelift' opgenomen in het plan. De liftkern van de zuidtoren stopt op de zesde verdieping. De vluchtwegen aan de zuidzijde zijn in één kolom samengevoegd tot een zogenaamde 'wokkeltrap', om de begane grond van de OVT zoveel

mogelijk vrij te houden. De verticale opzet vraagt tevens om horizontale verbindingen tussen de noord en zuidkant van het gebouw. Deze zijn opgenomen in twee 'plaza'-verdiepingen met een collectieve functie: vergaderen en een eet-werkcafé.

Voor het functioneren van een open cultuur zullen onder normale omstandigheden ambtenaren, bezoekers en publiek door dezelfde deur het complex betreden. De publiekshal moet een hal van allen zijn in dit deel van de stad. Publiekshal

In verband met de relatief kleine footprint zijn publieksfuncties over meerdere lagen te verspreid. Door de open publiekshal ontstaat een compacte opzet en ruimtelijke samenhang. De werkvloeren en de publiekshal krijgen een visuele relatie, die transparantie in een inspirerend open gebouw tot uiting brengt (Afbeelding 3.3).

Afbeelding 3.3: Sfeerbeeld publiekshal Stadskantoor Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

19


3.2.4

Stedenbouwkundige opzet

Beschrijving Stedenbouwkundige context De westelijke zijde van het Stationsgebied zal zich tot nieuw stedelijk gebied ontwikkelen. Voor de groei van de gehele stad Utrecht, toename van het inwoneraantal en van het areaal, biedt het westelijk stationsgebied de ruimte om meer centrumfuncties toe te voegen aan het bestaande stadscentrum. Door het extensieve gebruik van dit deel van de stad (tussen spoor en Merwedekanaal) kan betrekkelijk eenvoudig ruimte

gevonden worden om nieuwe stedelijke functies toe te voegen zonder het waardevolle, historische centrum extra te belasten.

Samengevat kan gesteld worden dat het westelijk stationsgebied uitbreidingsruimte biedt die benodigd is om de groei van Utrecht op te vangen. Uitbreiding aan de westzijde is logisch door enerzijds de ligging van het

gebied ten opzichte van het nieuwe station, het belangrijkste openbaar vervoerknooppunt van stad en land,

en anderzijds omdat met het gereedkomen van het stadsdeel Leidsche Rijn ongeveer tweederde van de bevolking ook daadwerkelijk aan de westzijde van het spoor woont.

In functioneel opzicht krijgt deze uitbreiding vorm door woon- en werkfuncties en vermaaksfunctie aan deze zijde van het spoor te plannen, in combinatie met de ligging naast de OV-terminal. In ruimtelijk opzicht wordt deze uitbreiding vormgegeven door intensieve bebouwing (schaal XL uit het Structuurplan

Stationsgebied) die ruimte laat voor grote openbare ruimten. EĂŠn daarvan is het Jaarbeursplein dat als geheel voetgangersgebied wordt en waar in de toekomst grote, stadsbrede manifestaties en festiviteiten op plaats kunnen vinden; het 'podium' van de stad (zie Structuurvisie Utrecht 2030). Een andere belangrijke nieuwe openbare ruimte is het niveau boven het spoor-/busemplacement waaraan een aantal grote stedelijke

functies hun adres vinden: de nieuwe OV-terminal en het nieuwe Stadskantoor.

De hoofdlijnen van het beoogde gebouw worden vastgelegd in het bestemmingsplan. De verdere architectonische uitwerking zal in het vervolgtraject aan de orde komen en zal getoetst worden bij de

bouwvergunningsaanvraag. De Commissie Welstand en Monumenten heeft de planopzet op 9 september 2008 positief beoordeeld. De Commissie kon instemmen met het destijds ingediende vrijstellingsverzoek (artikel 19, WRO) en ziet de definitieve uitwerking van het plan tegemoet als een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend. Stadskantoor, de locatie

Het Stadskantoor was aanvankelijk in het Structuurplan gepositioneerd juist ten noorden van de westentree van de OV-terminal. In de uitwerking is besloten om de locatie te wijzigen door een deel van de

stadskantoorfunctie te 'verschuiven' in zuidelijke richting, over het dak van de OV-terminal. Boven dit dak is in het Structuurplan een bouwvolume voorzien.

Op deze wijze ontstaat als het ware een poortgebouw over de zogenaamde interwijkverbinding welke als belangrijk deel van de Centrumboulevard langs de noordzijde van de OV-terminal zal worden gerealiseerd.

Het volume van het Stadskantoor bestaat nu uit twee torens met halverwege, juist boven het dak van de OVterminal een verbindend volume. Het resultaat is een Stadskantoor dat uit een tweetal hoofdvolumes bestaat, bovenop de OV-terminal en juist ten noorden van de hal en de Centrumboulevard. Deze beide volumes zijn met elkaar verbonden vanaf de zesde bouwlaag ten opzichte van de vloer van de interwijkverbinding / OVterminal.

20 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

De Centrumboulevard is ĂŠĂŠn van de belangrijkste elementen in het Masterplan/ het Structuurplan Stationsgebied. Het is een openbare route tussen west- en oostzijde van het stationsgebied (van Jaarbeurs tot Vredenburg) die te allen tijde toegankelijk is. Het is een route waaraan grote stedelijke bestemmingen zijn

gelegen (Jaarbeurskwartier met entertainment en beurs, OV-terminal, Nieuw Hoog Catharijne en vele kleinere werkbestemmingen). Het Stadskantoor is een passende functie die door de ligging direct aan de

Centrumboulevard voor iedereen goed en altijd bereikbaar is. Voor werknemers en bezoekers is het van groot belang dat het Stadskantoor optimaal bereikbaar is met openbaar vervoer.

In de opgave voor een Stadskantoor is naar een verknoping gezocht die vorm heeft gekregen door de

openbare Centrumboulevard letterlijk door het openbare Stadskantoor te leiden. Het Stadskantoor vormt als het ware een poort over deze belangrijke openbare verbinding in de stad.

De hal van het Stadskantoor, gelegen aan de Centrumboulevard, is gedurende een groot deel van de dag openbaar toegankelijk. In ruimtelijk opzicht zal de hal met het overdekte gedeelte van de Centrumboulevard versmelten.

De ontwikkeling in het Stationsgebied Utrecht streeft, conform het gemeentelijke en ook nationale beleid, naar intensief grondgebruik nabij belangrijke OV-knooppunten. Mede om deze reden is volgens de schalenkaart bij het Structuurplan ook een bouwvolume op de OV-terminal mogelijk.

Bij de uitwerking van het bedoelde bouwvolume is gebleken dat de bereikbaarheid en toegankelijkheid van dit bouwvolume moeilijk te combineren is met de grote reizigersstromen in de hal. Direct ten noorden van de OV-terminal ligt de interwijkverbinding, als onderdeel van de Centrumboulevard, waarin obstakels niet

mogelijk zijn vanwege de ook daar aanwezige grote voetgangersstromen. Daarom is ontsluiting via een noordelijker gelegen bouwvolume logisch. Aansluiting op bouwvolumes ten zuiden van de hal is lastiger vanwege de fasering (deze ontwikkeling kan pas na de realisatie van de OVT aanvangen) en de grotere

afstand die overkluisd moet worden. Bebouwing aan de zuidzijde van de OV-terminal heeft overigens zelf ook een buitengewoon moeilijke 'ondergrond' vanwege de daar geprojecteerde bus-tramperrons.

Gelet op de redenen voor de afwijking van het structuurplan Stationsgebied (constructie van het noordelijke en zuidelijke bouwvolumes, optimalisering van de bereikbaarheid van het stadkantoor voor bezoekers, meest doelmatige gebruik van de gronden) kan in dit concrete geval worden ingestemd met een overbouwing van het Stadskantoor over de openbare ruimte. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de overbouwing niet leidt tot een inperking van de fysieke ruimte ter plaatse op het niveau van de

interwijkverbinding en het lager gelegen busstation. Ook heeft deze afwijking geen wijziging van het

kantorenprogramma tot gevolg. Het kantorenprogramma is geheel conform het structuurplan Stationsgebied. Functioneel programma De toevoeging van kantoren in het Stationsgebied vindt grotendeels plaats aan de westzijde van het station en draagt daarmee bij aan de ambitie om dit gebied een sterkere betekenis te geven in de stad door een

nieuwe inrichting, een intensivering van ruimte en een menging van functies. De kantoren komen niet in een mono-functioneel gebied terecht, maar vormen een belangrijk onderdeel van een gemengd gebied. In het

structuurplan is bij de vaststelling uitgegaan van een toevoeging van kantoren van in totaal circa 205.000 m2 bruto kantoorvloeroppervlakte. Hiervan wordt 65.000 m2 b.v.o. kantoorruimte toegevoegd door de realisering van het nieuwe stadskantoor.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

21


3.3

Planbeschrijving OV-terminal

3.3.1

Verleden en heden plangebied

Het station ligt op de plaats waar de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij in 1843 het eerste station van de stad Utrecht opende. Het werd Centraal Station toen in 1938 de reizigersfunctie van het

Maliebaanstation werd opgeheven en de treinen uit de richting Hilversum via de aansluiting Blauwkapel naar

het Centraal Station geleid werden. Het oorspronkelijke stationsgebouw uit 1843 werd in 1865 door een

nieuw gebouw vervangen. In 1936 werd dit grondig verbouwd en vernieuwd naar een ontwerp van architect Sybold van Ravesteyn. Kort daarna brandde het gebouw grotendeels uit, werd herbouwd met cosmetische verbeteringen. Dit gebouw werd in de jaren '70 afgebroken in het kader van de nieuwbouw voor Hoog

Catharijne. De oorspronkelijke perronkappen werden hierbij grotendeels behouden. Op 17 december 1973 werd de nieuwe hooggelegen stationshal geopend. Eind jaren '80 werd het station uitgebreid, naast de aanleg

van een extra eilandperron (spoor 18/19) werd de stationshal vergroot, zodat deze voortaan alle sporen overspande. Deze vernieuwde stationshal werd geopend op 28 april 1989.

De stationshal is momenteel een openbare verbindingsroute voor voetgangers tussen de binnenstad en het Jaarbeursplein en omgeving. Vanaf de westzijde van de stationshal loopt een traverse naar het op maaiveld gelegen Jaarbeursplein. Aan de oostzijde wordt de stationshal ontsloten naar de binnenstad via Hoog Catharijne (Afbeelding 3.4).

Afbeelding 3.4: Huidige situatie OV-terminal Op maaiveld is aan de oostzijde van de sporen het wijdlopige en niet geïntegreerde stads- en

streekbusstation gelegen. Dit busstation is het grootste en drukste busstation van Nederland en een belangrijk knooppunt van stads- en streekbusdiensten met een halte of eindpunt voor in totaal 72 buslijnen.

Tevens bevindt zich het beginpunt van de sneltram naar Nieuwegein en IJsselstein bij het streekbusstation. In de nabijheid van het Centraal Station zijn er twee sneltramhaltes: 'Moreelsepark' bij het streekbusstation en 'Centraal Station' bij het stadsbusstation.

Op het niveau van de stationshal is het taxiplatform gelegen. Er zijn drie bewaakte (ondergrondse) fietsenstallingen, twee aan de oostzijde van de sporen, één op het Jaarbeursplein, de openbare stallingsmogelijkheden zijn op straatniveau gelegen. Het autoverkeer voor bestemmingsverkeer (parkeren en expeditie) wordt momenteel afgewikkeld aan de

westzijde via de Mineurslaan en Jaarbeursplein en aan de oostzijde via de Catharijnesingel en de Spoorstraat. 22 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

3.3.2

Achtergronden van het plan

Het Centraal Station, 'Railport' van Nederland met een belangrijke rol tot over de landgrenzen, accommodeert 57 miljoen reizigers per jaar. Er vinden thans 1.600 treinbewegingen en 5.000 busbewegingen per dag

plaats. Daarnaast vinden zo'n 18.000 fietsen hun weg door het stationsgebied op een gemiddelde werkdag. Door toename van het treinverkeer, met onder andere het “sternet” rond Utrecht (Randstadspoor) plus de realisatie van het netwerk voor hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) zal het aantal passagiers in het

openbaar vervoer sterk toenemen naar circa 100 miljoen in 2020. Dat is bijna een verdubbeling van het huidige aantal reizigers.

Deze toename van het reizigersaantal leidt tot toename van voetgangers, fietsers en autoverkeer rondom het station. Om deze groei op te vangen is het huidige trein- en busstation onvoldoende toegerust. In het Masterplan Stationsgebied en het daarop gebaseerde Structuurplan Stationsgebied is het stationsgebied aangemerkt als één van de Nieuwe Sleutelprojecten en maakt het deel uit van de

Deltametropool. Het gebied moet goed bereikbaar zijn voor alle vervoerswijzen, met inbegrip van bevoorradingsverkeer en toegankelijkheid voor minder validen. Daarbij wordt maximaal ingezet op de positie van het Stationsgebied als het grootste openbaarvervoer knooppunt van Nederland. Een aangename transferfunctie voor zowel de aankomende of vertrekkende als voor de doorgaande reiziger is een

visitekaartje voor de stad. De reiziger ervaart het gebruik van openbaar vervoer, fiets of voet als logisch, aangenaam en soepel, ook als hij gebruik maakt van de verschillende vervoersvormen. Voor de automobilist is de routering en het aanbod van parkeeraccommodaties logisch en helder. Dit alles draagt bij aan een grotere toegankelijkheid en bereikbaarheid van het centrum van Utrecht.

3.3.3

Beschrijving van het concept van de nieuwe OV-terminal

Een grote terminal wordt gedragen door een helder concept voor het afwikkelen van grote reizigersstromen, een concept dat tevens al die publieksvoorzieningen integreert en er tevens grootstedelijke allure aan

verleent. Er is gekozen voor een consequent doorgevoerde gelijkwaardige ontsluiting van alle perrons – voor trein, tram en bus – waardoor alle vervoermodaliteiten op hetzelfde hoge kwaliteitsniveau in de OV-terminal zijn opgenomen.

De overzichtelijkheid is geoptimaliseerd door de commerciële ruimten strak in het gelid met de stijgpunten te zetten. Commercie is nodig om het programma te completeren en te verlevendigen. De terminal is

programmatisch ontwikkeld in de context van de omliggende bebouwing en de bestaande infrastructuur. Zo wordt de centrale hal ontsloten op het hoge niveau via Hoog Catharijne in de richting van de binnenstad en aan de jaarbeurszijde op het Stationsplein West. De reiziger in de OV-terminal

De toegang tot het openbaar vervoer wordt in de nabije toekomst geregeld met “Electronic Ticketing” en “Beheerste Toegang Stations”, kortweg ET/BTS, thans OVCP (Openbaar Vervoer Chipkaart en Poortjes). Er zijn

twee hoofdzones voor toegangspoortjes geprojecteerd. Ook voor de overige toegangen tot de traverse zijn de poortjes geprojecteerd. De stationshal is nu nog een openbare verbindingsroute tussen de binnenstad en het Jaarbeursplein en omgeving. Om die openbare route in stand te houden wordt de stationshal met circa 10

meter verbreed voor een vrij toegankelijke doorloop aan de noordzijde in de vorm van een balkon over de volle lengte van de hal, onder een overstek van het dak. Er is tevens een scheiding aangebracht tussen

reizigers en passanten. De afwikkeling van reizigersstromen profiteert daarvan, omdat de “spoelruimte” voor reizigers in de centrale hal wordt ontlast van doorgaand publiek. Bij een groot overstapstation als Utrecht CS is dat wenselijk, met name tijdens grote evenementen in de Jaarbeurs, die aanzienlijke additionele voetgangersstromen teweeg kunnen brengen (Afbeelding 3.5).

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

23


Afbeelding 3.5: Sfeerbeeld stationshal OV-terminal

Bij de entrees is er voldoende breedte in de hal om alle in- en uitstappers in de spits probleemloos via poortjes te geleiden. Bus en tram vallen buiten de beheerste zone. De hal is ruim genoeg om ook die op te

kunnen nemen in het regime van OVCP. Voor de bus is het systeem van dynamische haltetoewijzing verder uitgewerkt. Toewijzing geschiedt conform de vertrekrichting. Bussen richting bijvoorbeeld de A12 of Leidsche Rijn etc. vertrekken vanaf een eigen cluster haltes, zodat de buspassagier makkelijk kan anticiperen op het toewijzen van de juiste halte. In de bestaande situatie zijn de streek- en stadsbusstations wijdlopig en niet

geĂŻntegreerd. Overstappers moeten nu nog van busstation wisselen en daarbij rijbanen oversteken. Door de dynamische haltetoewijzing kunnen de busterminals compact, veilig en overzichtelijk gemaakt worden. De

tram krijgt een eigen perron aan de westzijde van de OV-terminal. Door verdeling over separate perrons,

west en oost, ontstaat ruimtewinst die de druk op de omgeving vermindert en, in samenhang met busbuffers, een aanzienlijk efficiĂŤntere lijnvoering mogelijk maakt. De OV-terminal in de stad Vanuit de binnenstad wordt het station ontsloten op het hoge niveau, via Hoog Catharijne. Parallel aan de bestaande winkelpassage is een aansluiting met nieuwe, vervangende winkelruimten gepland. De

aaneengesloten interieurs van Hoog Catharijne en het station worden ontkoppeld. Vanuit Hoog Catharijne komt het publiek op weg naar het station op een verhoogd voorplein in de open lucht. De stationshal

manifesteert zich aan de andere kant van het plein als vrijstaand gebouw, groot en uitnodigend. De overkant

van het spoor met de gebouwen aan het Jaarbeursplein is goed zichtbaar (Afbeelding 3.6). Men kan zien waar men is en waarheen men onderweg is. Het station zal zichtbaar zijn als een duidelijk gebouw met een begin

en een eind. Ook de ontsluiting via de nieuwe Stationsstraat, met trap, roltrap en lift, wordt goed zichtbaar en makkelijk bereikbaar. Het huidige taxiplateau maakt plaats voor een ruime Kiss & Ride op het maaiveld voor taxi's en publiek.

24 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Afbeelding 3.6: Sfeerbeeld voorplein OV-terminal De nieuwe Stationsstraat wordt een brede straat met royale fietspaden en stedelijk groen. In het midden daarvan steekt het nieuwe voorplein over, als een brug tussen Hoog Catharijne en het station. Ook de Jaarbeurszijde krijgt een verhoogd voorplein. De stationsentree ligt hier in de kopgevel, direct in de looprichting naar het Jaarbeursplein. Aan dit voorplein wordt de entree van een nieuw stadskantoor

gesitueerd (zie paragraaf ). Op het verhoogde voorplein wordt ook een nieuwe verbinding naar het zuiden, richting de gebouwen van de Rabobank en Defensie, aangesloten. Brede trappen met daarin opgenomen

roltrappen verbinden het voorplein met het straatniveau op het Jaarbeursplein. Vanaf het westelijke voorplein

zal het tegenover liggende plein aan de centrumkant goed zichtbaar zijn. Beide voorpleinen vormen als het ware bruggenhoofden aan weerszijden van de voetgangersverbinding over de sporen.

De zonering in de stationstraverse Het is wenselijk dat het publiek in de uitgestrekte stationshal moeiteloos zijn bestemming kan vinden. Een

aantal duidelijke zones, gemarkeerd door de plaats van liften en roltrappen, zorgt daarvoor. De kernzone van de hal is de middenzone waarin alle roltrappen uitkomen (Afbeelding 3.7). Dit is de overstapzone en de instapzone voor reizigers, waar men in ĂŠĂŠn oogopslag de nummering van alle perrons kan overzien.

Duidelijke rijen aanwijzers verwijzen naar treinen, bussen en tram. In de as van deze zone staan de liften

uitgelijnd, doorzichtige constructies van staal en glas. Met name bij de aankomst van volle treinen bieden de trappen een alternatief die de roltrappen ontzien. Op het voetgangersniveau in de hal sluiten de trappen aan

op twee zones parallel aan de kernzone, achter de roltrappen langs. De grote stromen uitstappers hinderen zo de in- en overstappers minimaal.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

25


Afbeelding 3.7: Sfeerbeeld stationstraverse Om het reizigersverkeer niet in de weg te zitten zijn de commerciĂŤle functies in de gevelzones gesitueerd.

Aan de noordzijde is de tussenruimte tussen de trappen benut voor twee lange commercieblokken. Aan de zuidzijde zijn dat kleinere blokken, waardoor er vanuit de hal uitzicht op de omgeving is. Strakke vormgeving zorgt voor een ordelijk totaalbeeld waarin reclame-uitingen goed beheerst kunnen worden. Een deel van dit

commercieel oppervlak wordt als etage ingericht aan de noordzijde van het gebouw. De terrassen op de etage bieden een fraai uitzicht op de drukte in de hal.

Het totaal aan commerciĂŤle oppervlakte in twee niveaus bedraagt 7.800 m2 v.v.o. (huidige situatie 4.254 m2

v.v.o., toevoeging 3.546 m2 v.v.o). Hiervan is 2.730 m2 bestemd voor reizigers gerelateerde detailhandel. De

reizigers gerelateerde detailhandel mag worden gerealiseerd in eenheden van maximaal 600 m2

aaneengesloten vloeroppervlak. Binnen deze eenheden mogen winkels niet groter zijn dan 200 m2 v.v.o.. Vanuit de interwijkverbinding is er toegang tot een deel van de reizigersgerelateerde winkels, ten gunste van de levendigheid van de interwijkverbinding.

Het overige oppervlak aan commerciĂŤle voorzieningen is bestemd voor reizigers gerelateerde horeca en dienstverlening. Dit oppervlak is exclusief terrassen. Op de entresol komt 1.800 m2 aan ruimte voor terras. De oppervlakte aan horecavoorzieningen dient ter vervanging van de oppervlakte die in de huidige hal en overbouwing van de sporen aan de westzijde aanwezig is en in de nieuwe OV-terminal een plaats krijgt. Tevens worden er terrassen aangelegd. De fietsenstallingen De bestaande stalling aan de oostzijde wordt vergroot in een laag gelegen ruimte, waar die ontstaat door de

verbreding van de perrons 1 en 2, de buurtsporen. Voor de overige stallingcapaciteit, het leeuwendeel, wordt een meerlaags stallinggebouw boven het busstation oostzijde gebouwd. De stalling maakt een dak boven het oostelijke busstation overbodig. De fiets, een belangrijke schakel in de mobiliteitsketen, wordt aldus

geaccommodeerd met een eigen opvallend gebouw. Rolpaden brengen de fietser op comfortabele wijze naar het juiste niveau. Het stallinggebouw wordt direct aangesloten op de stationshal via een luchtbrug, de kortst mogelijke verbinding.

26 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

De geboden stallingcapaciteit is berekend voor een stad met ca. 55.000 studenten. Al deze stallingplaatsen worden gerealiseerd in specifiek daarvoor ontworpen gebouwen of gebouwdelen, zodat de straat vrij kan

blijven van langdurig geparkeerde fietsen. Aan de westzijde wordt een grote meerlaagse stalling gebouwd onder het voorplein. De architectuur Temidden van hoog oprijzende kantoorgebouwen is de OV-terminal een relatief laag gebouw. Het uitzicht

vanaf de verhoogde voorpleinen versterkt dat beeld nog. De stationshal is daarom zo ontworpen, dat het

stalen dak zich vanuit de omliggende kantoren gezien manifesteert als een vijfde gevel. In het uitgestrekte en duidelijk golfvormige dak stralen 's avonds in patronen gespreide daklichten hun licht uit (Afbeelding 3.8).

Het dak is in de langs- en dwarsrichting gekromd, waardoor het zich tussen de glazen en betonnen kantoren

van het stationsgebied manifesteert als een gebouw met een bijzondere bestemming. De golfbeweging in het dak is primair ontstaan uit de wens om het interieur, meer dan tweehonderd meter lang, een geleding te

geven die de beide busstations aan de koppen markeert ten opzichte van het treinstation in het midden. Een langgerekt “oog� boven het middendeel zorgt voor extra lichtinval in het midden van de hal. De constructie van de hal maakt gebruik van de bestaande funderingsbalken en uitbreiding daarvan in dezelfde

maatsystematiek. De commerciĂŤle blokken in de hal zijn strak, haaks en sober gedetailleerd in staal en glas. Het bijzondere dak en de hoge glasgevels met uitzicht op de omgeving geven het interieur allure zonder

overdreven aandacht te vragen. Het publiek en alle typische toevoegingen die een station zo levendig maken, geven er kleur en ambiance aan. Door het vele glas en de royale entrees krijgt het station een uitnodigende uitstraling.

Afbeelding 3.8: Sfeerbeeld OV-terminal Planonderdeel

Voor een specifieke toelichting per planonderdeel van de OV-terminal verwijzen wij u naar de bijlage (Toelichting ontwikkeling OV-terminal per planonderdeel).

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

27


3.3.4

Stedenbouwkundige opzet

De nieuwe OV-terminal is onderdeel van een reeks belangrijke functies (samen met Jaarbeurs en Hoog Catharijne) die aan de centrumboulevard zijn gelegen. Samen met de meer publieke route langs de Leidsche Rijn, de stadscorridor, ontstaat een helder ruimtelijk systeem in oost west richting. Langs de spoorzone

zorgen de Croeselaan, Nieuwe Stationstraat en Catharijnesingel voor helderheid in noord zuid richting. Op de

kruispunten van deze lijnen is het nieuwe station als vanzelfsprekend aanwezig door aan weerszijden pleinen te introduceren als verbindende schakel met het maaiveld van de stad.

Het enorme gebouw van ruim 90 x 240 meter, maar met een beperkte hoogte van circa 30 meter +NAP, speelt een bemiddelende rol tussen de grootschalige bebouwing aan de westzijde (X en XL) en de meer bescheiden maat aan de oostzijde van het spoor (M en S). Door aan weerszijden opgetilde pleinen van

formaat aan het gebouw te koppelen ontstaat er een overzichtelijke en logische verbinding met de stad. Het

station kan zich op deze wijze duidelijk manifesteren en voor de reiziger ontstaat er een betere oriĂŤntatie op de stad. Door de scherpe begrenzing van het gebouw met de openbare ruimte en de invulling van het plint langs de

interwijkverbinding met winkels en horeca ontstaat er een levendige en sociaal veilige situatie, temeer omdat ook de overige bouwvlekken een publieksgerichte invulling krijgen. Door de (avond/nacht-) activiteiten langs

de centrumboulevard, de lange openstelling van de stationshal en de openbare fietsenstallingen zal dit ook in de avond en een deel van de nacht het geval zijn. Bij de toetsing van de uiteindelijke bouwplannen zal

specifiek aandacht worden besteed aan de gewenste levendigheid van de naar de openbare ruimte gerichte plint. Vormgeving van het gebouw

De beeldmiddelen die de kwaliteit bepalen hebben te maken met de inrichting van de openbare ruimte en de aard van de bebouwing. Aspecten die daarbij een rol spelen zijn schaal, plastiek, transparantie, kleur en materiaal.

De architectonische uitwerking zal in het vervolgtraject aan de orde komen en zal getoetst worden bij de bouwvergunningsaanvraag. 3.3.5

Functioneel programma

Het functionele programma is ingegeven vanuit de gedachte de potenties van de positie als 'Railport' van

Nederland optimaal te benutten door het creĂŤren van een openbaar vervoer terminal die een belangrijke

bijdrage aan het hoogwaardige en toekomstvaste openbaarvervoersysteem in de regio, op nationaal en op Europees niveau levert.

De nieuwe OV-terminal wordt gevormd door een brede traverse die als een brug de perrons van trein, tram en bus overspant. Er is ruimte voor overstappende reizigers en de interwijkzone, een overdekt gebied dat de beide verhoogde pleinen aan de oost- en westzijde verbindt en zo een essentieel onderdeel van de

Centrumboulevard tussen de binnenstad en het Jaarbeursterrein vormt. De afwikkeling van het bus- en

tramverkeer is verdeeld over de oost- en westzijde van de OV-terminal. De tram halteert aan de westzijde van de treinsporen. De bussen die naar het westen rijden krijgen een halte aan de westzijde, de Jaarbeurszijde.

28 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

De bussen naar het oosten stoppen aan de kant van Hoog Catharijne, aan de oostzijde van de sporen. De

trams, treinen en bussen rijden en stoppen op de zelfde hoogte boven maaiveld en de perrons van al deze vervoersstromen liggen parallel, onder de traverse. De huidige perrons 1 en 2 (de buurtsporen) worden verbreed om per perron twee treinen tegelijk aan te kunnen laten komen en te laten vertrekken. De

bestaande fietsenstalling wordt vergroot in een laag gelegen ruimte, waar die ontstaat door de verbreding van de perrons 1 en 2. Voor de overige stallingcapaciteit wordt een meerlaags stallinggebouw boven het

busstation aan de oostzijde gebouwd. Aan de westzijde wordt een grote meerlaagse fietsenstalling gebouwd onder het voorplein.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

29


30 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Stadskantoor

4.1.1

Bereikbaarheid

Verkeersaspecten

Auto De parkeergarage onder het stadskantoor wordt ontsloten via de Mineurslaan op de route Graadt van Roggenweg, Weg der Verenigde Naties en Ds. Martin Luther Kinglaan die direct is aangesloten op het landelijk hoofdwegennet bij verkeersplein Hooggelegen. Langzaam verkeer

Fietsers kunnen het stadskantoor bereiken via de doorgaande fietsroute langs de Leidsche Rijn, de Stadscorridor, die het stadsdeel Leidsche Rijn en het oude stadshart verbindt. Daarnaast is het stadskantoor te bereiken via de hoofdfietsroute langs de Croeselaan.

Voetgangers kunnen het gebouw optimaal benaderen, zowel vanuit het station middels de Centrumboulevard als via de Stadscorridor Openbaar vervoer De bereikbaarheid per trein is uitstekend gezien de ligging direct naast het station. Ook de bereikbaarheid met de bus is uitstekend. De nieuwe busterminals aan beide zijden van de sporen worden gefaseerd

ingevoerd. In de beginsituatie wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur, waarvoor eveneens realiseerbare oplossingen zijn ontwikkeld.

De bereikbaarheid van de OV-terminal per tram is goed, het tramtracĂŠ wordt gesitueerd aan de Jaarbeurszijde, westelijk van de busterminal en aansluitende HOV-banen. Expeditie Bevoorradend verkeer maakt gebruik van de expeditiestraat ter plaatse van de Mineurslaan. Vanuit deze

expeditiestraat is de expeditiehof in het stadskantoor toegankelijk via een kruising met de HOV-baan, die wordt voorzien van een verkeersregelinstallatie. 4.1.2

Parkeren

Auto

De uitgangspunten voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen en de toe te passen parkeernormen zijn vastgelegd in het Structuurplan Stationsgebied. De in het structuurplan opgenomen parkeernormen zijn gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd ten tijde van het Masterplan. Over de te hanteren parkeernormen hebben de betrokken partijen overeenstemming bereikt.

Er is een onderscheid gemaakt in de vraag per periode van de week en de dag, dat wil zeggen, de vraag naar parkeerplaatsen in de ochtend, middag, avond, koopavond en de zaterdagmiddag. De vraag naar de

parkeercapaciteit voor de bestaande functies is geen onderdeel van de parkeerbalans. Wel is rekening gehouden met de restcapaciteit in de bestaande parkeergarages. Hierdoor is er voldoende parkeergelegenheid.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

31


In de parkeerbalans 2006 is rekening gehouden met de toevoeging van de kantoorfunctie van het

stadskantoor. Voor de kantoorfunctie van het stadskantoor geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per 250 m2 b.v.o. Het stadskantoor van circa 65.000 m2 vraagt op basis van de parkeernorm 260

parkeerplaatsen. De 270 parkeerplaatsen die worden gerealiseerd zijn voldoende voor deze functie. Deze parkeerplaatsen zijn bedoeld voor dienstauto's en medewerkers die de auto voor hun werk daadwerkelijk

nodig hebben. Bezoekers kunnen tegen betaling parkeren in één van de parkeergarages in de omgeving van de OV-terminal. Fiets

Het aantal fietsparkeerplaatsen is conform de gangbare norm van 2 fietsenparkeerplaatsen per 100m² bvo kantoorruimte. Voor het aantal van (conform deze norm) 1.300 fietsplekken is de beschikbare ruimte van 1.400m² voor de fietsenstalling voldoende. De fietsenstalling is via de achterzijde van het gebouw te

bereiken. Vlakbij de publieksruimte komt een fietsenstalling met minimaal 1.450 en maximaal 2.200 fietsparkeerplaatsen.

4.2

OV-terminal

4.2.1

Bereikbaarheid

Auto

Het station is tijdelijk voor auto's bereikbaar vanaf de oostzijde via de Catharijnesingel en wordt ontsloten aan de westzijde middels de route Graadt van Roggenweg, Weg der Verenigde Naties en Ds. Martin Luther Kinglaan en is direct aangesloten op het landelijk hoofdwegennet bij verkeersplein Hooggelegen. In de eindsituatie zal de OV-terminal voor auto's bereikbaar zijn via de Croeselaan en Van Zijstweg. Dit is overeenkomstig de Bereikbaarheidsvisie Stationsgebied (2003). Langzaam verkeer Fietsers kunnen via de doorgaande fietsroute via het Vredenburg de openbare fietsenstalling bereiken aan de oostzijde van het station. Aan de westzijde is de OV-terminal bereikbaar via de Graadt van Roggenweg en

Croeselaan. Ook hier bevindt zich een openbare fietsenstalling. Voetgangers kunnen de OV-terminal goed

benaderen, zowel vanuit de omliggende straten in de binnenstad met zijn voetgangersgebied, als vanaf het Jaarbeursplein. De openbare route tussen binnenstad en Jaarbeursplein wordt versterkt door realisering van de interwijkverbinding. Openbaar vervoer

De bereikbaarheid met de bus is uitstekend. De nieuwe busterminals aan beide zijden van de sporen worden gefaseerd ingevoerd. In de beginsituatie wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur, waarvoor eveneens realiseerbare oplossingen zijn ontwikkeld.

De bereikbaarheid van de OV-terminal per tram is goed, het tramtracé wordt gesitueerd aan de

Jaarbeurszijde, westelijk van de busterminal en aansluitende HOV-banen. Het tracé eindigt voorbij het tramperron. In het tramspoor is een overweg voorzien ter plaatse van de huidige Mineurslaan en specifiek bedoeld voor expeditieverkeer naar het Beatrixtheater en kantoren. Expeditie Het is de nadrukkelijke wens van de gemeente dat de expeditie niet meer zal plaatsvinden via de nieuwe Stationsstraat. Er wordt daarom nog gezocht naar een voor alle partijen aanvaardbare oplossing voor de

locatie van de expeditie. Uitgangspunt is dat de expeditie in principe niet zal plaatsvinden aan de oostzijde in de nieuwe Stationsstraat. De expeditie aan de westzijde vindt plaats via de Mineurslaan.

32 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

4.2.2

Parkeren

Auto De commerciële functies in de stationshal zijn gerelateerd aan reizigers die gebruik maken van het openbaar vervoer. Deze functies vragen geen extra parkeervoorzieningen.

NS personeel parkeert nu op een parkeerterrein ten noorden van de Jaarbeurstraverse. Dit parkeerterrein ligt vrijwel geheel buiten het projectgebied. Op termijn zal dit parkeerterrein verdwijnen en wordt voor NS

personeel voorzien in 150 parkeerplaatsen in een parkeergarage onder het toekomstige stadskantoor en een

door NS vastgoed te ontwikkelen kantoor (Westflank noord). Ten behoeve van OV-reizigers die nu in de

parkeergarage "Jaarbeursplein" parkeren, die buiten het projectgebied ligt, is voldoende ruimte aanwezig in de toekomstige parkeergarage onder het Jaarbeursplein. Voor wat betreft de parkeerbehoefte voor NS-

personeel zal ter overbrugging naar de voltooiing van de nieuwe parkeervoorziening een oplossing gevonden moeten worden nabij het station. De parkeergelegenheid van het Jaarbeursterrein lijkt een goed alternatief. Fiets In het ontwerp is een deel van de fietsenstallingen, zowel bewaakt als onbewaakt, voorzien aan de westzijde. Hiertoe zal een nieuwe fietsenstalling worden gerealiseerd onder het westplein. De bestaande bewaakte stalling bij de westelijke ingang van de Noordertunnel zal opnieuw worden ingericht. In een nieuwe fietsenstalling wordt ter plaatse van de busterminal Oost voorzien door middel van

overbouwing van het busplatform. Het fietsgebouw zal voorzien in een capaciteit van in totaal circa 9.000 plaatsen. De stalling heeft vanaf de Stationsstraat een noordelijke en een zuidelijke toegang. Toegang vanaf de Stationsstraat is noodzakelijk om het boven het busstation gelegen fietsgebouw fysiek met de fiets te kunnen bereiken. Elke toegang bestaat uit een “tapis roulant” omhoog en een vaste hellingbaan omlaag. Vanaf hellingbanen zijn de 3 verschillende verdiepingen bereikbaar.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

33


34 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 5 5.1

Onderzoeken

Inleiding

In een bestemmingsplan moet voor een aantal wettelijk verplichte aspecten aangetoond worden dat het plan uitvoerbaar is. Bij iedere (ruimtelijke) ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit

milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt voor de ontwikkeling van het nieuwe Stadskantoor en de herontwikkeling van de OV-

terminal ingegaan op de verschillende aspecten. De onderzoeksrapportages zullen als separate bijlagen bij dit bestemmingsplan worden gevoegd.

Wederom zal dit hoofdstuk worden onderverdeeld in twee delen met een deel OV-terminal en een gedeelte voor het Stadskantoor.

5.2

Stadskantoor

5.2.1

Akoestiek

Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving De belangrijkste geluidbronnen die in het

kader van de ruimtelijke inrichting en ontwikkeling van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelastende object. De Wet geluidhinder (januari 2007) is van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan. De normen uit de wet zijn van toepassing bij:

- bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten zoals woningen, onderwijsgebouwen en ziekenhuizen;

- bestemmingen van gronden voor de aanleg van nieuwe (gezoneerde) wegen (niet bij 30 km/uur-wegen); - reconstructie van wegen;

- geluidsgezoneerde industrieterreinen. Aangezien het stadskantoor geen (andere) geluidgevoelige bestemming betreft is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. 5.2.2

Luchtkwaliteit

Op 1 augustus 2009 wordt het Nationaal samenwerkingprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Het NSL bevat maatregelen van de samenwerkende overheden om te zorgen dat overal in Nederland aan de luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan.

Bestuursorganen kunnen ingevolge artikel 5.16 sub d Wet milieubeheer hun bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan uitoefenen indien de uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12 lid 1 Wet milieubeheer vastgesteld programma (NSL).

In het NSL is één van de genoemde ontwikkelingen het programma van het Structuurplan Stationsgebied Utrecht. Het stadskantoor is op die wijze meegenomen in het NSL.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

35


Vorenstaande betekent dat de verkeerseffecten van dit project afdoende zijn meegenomen (in de

saneringstool) en bij het vaststellen van het maatregelen pakket van het NSL. Voor de verkeersgegevens wordt verwezen naar de bijlage (Afdeling Verkeer en vervoer, Macroscopische toelichting verkeerscijfers, 13

juli 2009). Omdat aan de programma's van het NSL maatregelen zijn gekoppeld die leiden tot het voldoen aan de luchtkwaliteitsnormen is nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan naar de luchtkwaliteit

niet aan de orde nu de integrale ontwikkeling van het stationsgebied beschreven is in het NSL. Derhalve is voldaan aan de voorwaarde voor de bevoegdheidsuitoefening zoals genoemd in artikel 5.16 sub d Wet milieubeheer. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit vormt de ontwikkeling van het stadskantoor geen belemmering. 5.2.3

Water

Voor het plangebied is het structuurplan riolering en waterhuishouding Stationsgebied Utrecht opgesteld.

Hieronder volgt na het beleidskader een beknopte weergave van de te nemen maatregelen met betrekking tot de waterhuishouding van het Stationsgebied, waarbij zal worden voldaan aan de wettelijke en technisch

noodzakelijk randvoorwaarden. Voor volledige weergave van de plannen wordt verwezen naar het Structuurplan dat in de bijlage is toegevoegd. 5.2.3.1 Beleidskader Europese Kaderrichtlijn Water

Sinds 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Met deze richtlijn wil Europa

het oppervlakte- en grondwater kwalitatief en ecologisch beschermen en verbeteren en een duurzaam

gebruik van water bevorderen. De Europese Kaderrichtlijn water stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater en het grondwater. Voor de implementatie van de Europese

Kaderrichtlijn Water binnen Nederland heeft de afgelopen jaren een intensieve samenwerking op het niveau van (deel)stroomgebieden en gebiedsprocessen plaatsgevonden.

Uitgangspunten en principes van de Europese Kaderrichtlijn Water: - de vervuiler betaalt;

- de gebruiker betaalt; - sinds 2000 geen achteruitgang van chemische en ecologische toestand; - resultaatverplichting in 2015;

- stroomgebiedbenadering (op Europees niveau). Als rapportage-eenheid richting Brussel worden de waterlichamen aangehouden. Dit zijn wateren met een

achterliggend stroom- of afwateringsgebied van 10 km2 of meer. Nationaal Bestuursakkoord Water (2003)

Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is een overeenkomst tussen het Rijk, de provincies, het

InterProvinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen. Het NBW heeft tot doel om in 2015 het watersysteem op orde te hebben en daarna op orde te houden. Hierbij

wordt rekening gehouden met de veranderende omstandigheden, zoals de klimaatverandering,

zeespiegelstijging en toename van verharding. De aanpak en maatregelen vindt gefaseerd plaats. Uitwerking van veiligheid en het voorkomen van wateroverlast vindt plaats waar nodig en mogelijk. Een en ander is een uitwerking van het geldende beleid uit de vierde nota waterhuishouding uit 1998.

36 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Waterhuishoudingsplan Provincie Utrecht

Hoofddoel van het provinciaal waterhuishoudingsplan is "een veilig en bewoonbaar land te hebben en te houden, streven naar een gezond en veerkrachtig watersysteem en een duurzaam gebruik van water voor mens en natuur". Onder duurzaam waterbeheer wordt in verband verstaan: - niet afwentelen van knelpunten;

- zo min mogelijk gebruik van technische maatregelen; - selectie van maatregelen volgens bergingstrits "vasthouden-bergen-afvoeren"; - kiezen van maatregelen op grond van integrale afwegingen; - meervoudig ruimtegebruik. Waterbeheerplan 2003 - 2007 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (2003)

Het beleid van het hoogheemraadschap is voor stedelijke ontwikkelingen gericht op het streven naar

robuuste. meer zelfvoorzienende en veerkrachtige watersystemen waarbij water één van de ordenende principes is. Algemene doelstellingen daarvan zijn:

- vastleggen van ruimte voor het oplossen van huidige en toekomstige knelpunten "wateroverlast" en

"watertekort", om water op te vangen en zo elders wateroverlast te voorkomen (piekberging) of om water

te reserveren voor droge periodes;

- saneren van vervuilingsbronnen en vermijden van nieuwe vervuilingsbronnen, onder meer door het gebruik van niet uitloogbare materialen, het terugdringen van vuilemissie van wegen en het verminderen van de

emissie van bestrijdingsmiddelen.

“Water voorop!” Waterbeheerplan 2010-2015 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (2009) Het waterbeheerplan beschrijft in hoofdlijnen de belangrijkste doelen en maatregelen die het waterschap de

komende zes jaar wil bereiken en uitvoeren. In het plan staat hoe Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden zorgt voor een duurzaam, schoon en veilig watersysteem. In het waterbeheerplan zijn onder andere de maatregelen voor de KRW vastgelegd. Voor de maatregelen geldt een resultaatsverplichting voor eind 2015. De doelen die aan deze maatregelen ten grondslag liggen zijn vastgelegd in het Waterplan van de Provincie Utrecht. Waterstructuurvisie, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (2002)

In de waterstructuurvisie wordt een middellange- tot langetermijnvisie ontwikkeld voor een duurzamer waterbeheer voor het beheersgebied van De Stichtse Rijnlanden. In het plangebied speelt het ontwikkelen van

een duurzaam stedelijk waterbeheer met name voor bestaand gebied. Het gaat daarbij dan met name om het schone water schoon te houden en zo langs mogelijk vast te houden, te infiltreren, af te koppelen en waar mogelijk een verbeterd gescheiden rioleringssysteem aan te leggen en om voldoende waterberging te realiseren. Waterplan gemeente Utrecht (2004)

Het doel van het gemeentelijk waterplan is het ral;sieren van een watersysteem voor de toekomst dat aansluit bij de natuurlijke omstandigheden op en rond het gemeentelijk grondgebied. In het plan zijn tien concrete

ambities voor 2030 opgenomen voor het waterbeheer in Utrecht: - geen bronnen van verontreiniging in het Kromme Rijngebied;

- de diffuse verontreiniging van water is verregaand teruggebracht; - alle puntbronnen zijn bekend en grotendeels gesaneerd;

- schoon en verontreinigd hemel-, grond- en oppervlaktewater zijn gescheiden; - er is geen wateroverlast vanuit het Kromme Rijngebied; - Utrecht kan veel meer hemelwater aan;

- de stad bezorgt de stroomafwaartse gebieden geen wateroverlast; - de waterketen is geoptimaliseerd;

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

37


- het water is een volwaardig onderdeel van de leefomgeving;

- het waterbeheer is begrijpelijk en bruikbaar voor de inwoners. Deze ambities moeten ertoe leiden dat in 2030 het streefbeeld wordt gehaald. het streefbeeld heeft als speerpunten het bergen van schoon water in droge tijden, het verbeteren van de waterkwaliteit in de stad en het aantrekkelijk van water om te zien, te beleven en te gebruiken.

Om dit streefbeeld te realiseren dient de samenwerking tussen de betrokken waterpartners actief te worden versterkt. Ook moet het aspect water zo creatief en zo vroeg mogelijk worden betrokken bij ruimtelijke

plannen en dient strategisch te worden gecommuniceerd om het draagvlak voor het waterbelang bij bewoners

en bedrijven te vergroten.

Afval-, hemel- en grondwaterplan Utrecht 2007-2010 Het beleid ten aanzien van de riolering is vastgelegd in het Gemeentelijk afval-, hemel- en grondwaterplan Utrecht 2007-2010. In het Gemeentelijk afval-, hemel- en grondwaterplan is een aantal doelen geformuleerd:

- doelmatige inzameling en transport van afvalwater; - doelmatige inzameling en verwerking overtollig hemelwater; - bevorderen van een schoon milieu;

- voorkomen van overlast en risico's volksgezondheid; - doelmatige uitvoering rioolbeheer;

- doelmatige inzameling en verwerking overtollig grondwater. 5.2.3.2 Huidige situatie In het Stationsgebied van Utrecht ligt in totaal ruim 18 km riolering in beheer bij de gemeente Utrecht. Bijna de helft van het plangebied heeft een gemengd rioolstelsel (13,6 km). Dit betekent dat het ingezamelde

afval- en hemelwater via dezelfde buis worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Op het gemengde rioolstelsel is ruim 40% van het verhard oppervlak (26 van de 61 ha) binnen het Stationsgebied

aangesloten.

Naast de gemengde riolering liggen er op diverse locaties in het Stationsgebied hemelwaterriolen (3,8 km) en duikers. Op deze riolen is het resterende deel van het afvoerende verhard oppervlak (35 ha) aangesloten. Via deze leidingen wordt het hemelwater rechtstreeks geloosd op het oppervlaktewater in het Stationsgebied. Verder ligt er een grotendeels overkluisd oppervlaktewatersysteem, bestaande uit de Leidsche Rijn, de

Catharijnesingel en de Kruisvaart. In de huidige situatie hebben de ondergrondse duikers en spuikokers een

functie voor de aan- en afvoer van oppervlaktewater van de Kromme Rijn naar de Vecht en voor de afvoer van hemelwater. 5.2.3.3 Toekomstige situatie Het Structuurplan riolering en waterhuishouding is het kader bij de uitwerking van alle deelplannen binnen het Stationsgebied tot ontwerp- en besteksniveau wat betreft riolering en oppervlaktevlaktewater. Voor de ontwikkeling van de locatie van het Stadskantoor zijn daarin de volgende uitgangspunten geformuleerd:

- Het extra afvalwater van de nieuwe bebouwing wordt geloosd op het bestaande gemengde riool van de Mineurslaan. Uitgangspunt is dat dit riool wordt gehandhaafd. Afhankelijk van het extra afvalwateraanbod

wordt het riool in de Mineurslaan vergroot of wordt vanuit de locatie rechtstreeks aangesloten op het nieuwe hoofdriool in de Van Sijpesteijnkade;

38 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

- Het afvoerend verhard oppervlak neemt door de realisering van het plan niet toe. Het hemelwater van de nieuwe daken zal rechtstreeks worden gestort op het oppervlaktewater van de Leidsche Rijn of op de

bestaande duiker in de Mineurslaan. Deze duiker blijft gehandhaafd. Bij lozing op de duiker wordt eerst

onderzocht of de capaciteit van de duiker toereikend is. Bij de nadere uitwerking van de plannen zal het Hoogheemraadschap worden betrokken. Het Hoogheemraadschap stemt in met onderhavige watertoets mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

- Indien hemelwater vanaf het dak van de nieuwbouw wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater dan mag een maximale afvoer plaatsvinden van 1,5 liter per seconde per hectare. Bij hevige regenval moet het hemelwater dus geborgen worden; - Voor de rechtstreekse afvoer naar het oppervlakte water is een vergunning nodig op grond van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater en Lozingsbesluit Kleine Lozingen. Voor deze nieuwbouw kan

worden meegewerkt aan het verlenen van een vergunning omdat er geloosd wordt op een

hoofdwatergang, de Mineurslaan. De initiatiefnemer dient hiervoor een vergunning aan te vragen.

Uit de aanvraag moet blijken dat er geen uitlogende materialen (lood, zink, koper en bitumen zonder KOMO-keurmerk) worden toegepast.

- Indien (grond)water tijdens de bouwwerkzaamheden wordt geloosd op oppervlaktewater dient de initiatiefnemer een vergunning aan te vragen bij het waterschap op grond van de Wet Verontreiniging

Oppervlaktewater.

- Indien ondergronds wordt gebouwd en daarvoor bemaling wordt toegepast dan is de Grondwaterwet mogelijk van toepassing. De provincie is hiervoor het bevoegd gezag.

In het kader van de bouwaanvraag zal de initiatiefnemer aantonen dat aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan zodat een goede waterhuishoudkundige toestand wordt gegarandeerd.

5.2.4

Bodem

In de Wet Bodembescherming (Wbb) zijn de regelingen voor het onderzoeken en saneren van bodemverontreinigingen vastgelegd. Het milieubeleidsplan 2003-2008 van de gemeente Utrecht sluit hierbij aan en gaat uit van functioneel saneren. Het belangrijkste uitgangspunt is dat risico's voor mens en dier

worden weggenomen. De hoogste eisen worden gesteld aan de functie wonen. In het MER dat is uitgevoerd in het kader van het Structuurplan voor het Stationsgebied zijn de

bodemverontreinigingen in het Stationsgebied globaal in beeld gebracht. Op basis daarvan blijkt op een aantal locaties bodemsanering noodzakelijk te zijn. Daarnaast is in het diepere grondwater een aanzienlijke verontreiniging met chloorhoudende oplosmiddelen geconstateerd. Biowasmachine Voor grondwater geldt in haar algemeenheid dat het grondwater door verschillende zogenaamde

puntbronnen onder Stationsgebied verontreinigd is geraakt met Vluchtige Organische geChloreerde koolwaterstoffen (VOCL). Onder het stadscentrum zijn in het verleden veel afzonderlijke

verontreinigingsvlekken ontstaan. Deze vlekken allemaal apart saneren is ingewikkeld, duur en tijdrovend en heeft geen prioriteit gezien het lage risico voor de volksgezondheid. Toch is het een vervuiling die van nature niet in het grondwater thuis hoort. Daarom stelt de Wbb dat deze vlekken niet verplaatst mogen worden.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

39


In het stationsgebied van Utrecht heeft de gemeente Utrecht in samenwerking met de partners een nieuwe,

duurzame manier ontwikkeld om de grondwaterverontreiniging van het gebied als geheel aan te pakken. In deze gebiedsgerichte aanpak mogen de diverse verontreinigingen zelf wel bewegen, maar niet buiten dit gebied komen. Deze aanpak heet de Utrechtse Biowasmachine. Op 13 mei 2009 hebben de betrokken actoren een intentieverklaring gesloten waarin ze besluiten deze opgave gezamenlijk op te pakken. De biowasmachine zorgt voor een versnelling van de beweging van het grondwater. Deze beweging zorgt

voor een gecontroleerde verspreiding van de verontreiniging en stimulering van de biologische afbraak. Door daarnaast ook gericht biologische stoffen aan de grond toe te voegen, wordt het biologische afbraakproces nog verder bevorderd. Met andere woorden: schoner grondwater ĂŠn duurzame energie. Het ministerie van VROM is enthousiast over deze innovatieve oplossing en beschouwt de Utrechtse aanpak als pilot voor soortgelijke locaties. Conclusie Door de jaren heen zijn er voor het Stationsgebied en omgeving, waar dit bestemmingsplangebied onderdeel van uitmaakt, talloze bodemonderzoeken uitgevoerd. Daarnaast zijn er enkele saneringsplannen

goedgekeurd waarvoor tevens beschikkingen zijn afgegeven. Het zou onzinnig zijn deze rapporten allemaal aan de orde te laten komen in deze toelichting.

Het bestemmingsplan betreft een plan waarbij het plangebied onder meer juridisch-planologisch geschikt gemaakt wordt ten behoeve van het stadskantoor. Doordat de gronden geschikt gemaakt worden voor een

kantoorfunctie met bijbehorende verkeersfunctie kent het plangebied een uiterst beperkte verblijfsfunctie. Op basis van vorenstaande informatie en met inachtneming van de gestelde Wettelijke voorwaarden (voor

sanering) kan worden geconcludeerd dat de grond geschikt kan worden verklaard voor het beoogde gebruik.

5.2.5

Flora en Fauna

In opdracht van de gemeente Utrecht heeft ingenieursbureau Tauw een quickscan in het stationsgebied

uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van verschillende grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied de komende jaren (TAUW, Quickscan Stationsgebied, 10 maart 2008). Doel van de quickscan is om

inzichtelijk te maken of de Natuurbeschermingswetgeving een belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling van het Stationsgebied.

Met betrekking tot de voorgenomen herontwikkeling is de Flora- en faunawet relevant. Deze wet voorziet in de bescherming van een groot aantal in Nederland voorkomende plant- en diersoorten. Uit de quickscan blijkt dat er binnen het plangebied mogelijk beschermde vaatplanten, vleermuizen en broedvogels voorkomen en dat deze soortgroepen mogelijk een negatief effect ondervinden van geplande werkzaamheden. Er is nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen in een deel van het plangebied (Vleermuisonderzoek Utrecht CS, bSR ecologisch advies ism Aveco de Bondt, 11 oktober 2007). Dit

onderzoek betrof met name de overwinteringsverblijven ter hoogte van de jaarbeurstraverse en de Sporthal. Er zijn geen vleermuizen op of rond de onderzoekslocatie waargenomen. Op grond van de voorlopige

onderzoeksresultaten zal geen ontheffing van de Flora- en faunawet aangevraagd hoeven te worden bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

40 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Ten slotte is het nieuwe stadskantoor grotendeels gepland op een plek die nu de functie van parkeerterrein heeft. Het terrein is verhard en er is nauwelijks begroeiing. Het verwijderen van een enkele boom en/ of struiken dient buiten het broedseizoen te gebeuren. Voor deze locatie is in het kader van de Flora- en faunawet geen aanvullend onderzoek nodig.

5.2.6

Externe veiligheid

Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is gebaseerd op de Nota

risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het in deze nota opgenomen beleid is verduidelijkt in de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In de circulaire is zoveel mogelijk aangesloten bij het

Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI).

De circulaire gaat alleen over de bescherming van personen die in de omgeving van infrastructuur verblijven

en is niet van toepassing op verkeersdeelnemers, zoals bestuurders of reizigers. Deze maken deel uit van het risicoveroorzakende systeem: de infrastructuur met de daarop plaatsvindende vervoershandelingen (interne

veiligheid). De circulaire bevat een overzicht van gegevens die in de motivering bij het betrokken besluit moet worden opgenomen (o.a. de actuele hoogte van het groepsrisico, de bijdrage van het project aan het

groepsrisico, de mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico en de mogelijkheden van zelfredzaamheid).

Bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde moet altijd worden nagegaan of door het treffen van maatregelen alsnog aan de oriëntatiewaarde kan worden voldaan of dat de toename van het groepsrisico kan

worden verminderd. Als dit niet mogelijk blijkt te zijn, moet worden gestreefd naar een zo laag mogelijk risico. Over elke overschrijding van de oriëntatiewaarde of toename van het groepsrisico moet verantwoording worden afgelegd.

In 2004 is op basis van het Masterplan Stationsgebied door TNO een rapport [Risicoanalyse van het

railtransport in het Stationsgebied Utrecht, 7 juni 2004] uitgebracht over de risico's van het railtransport van

gevaarlijke stoffen door het Stationsgebied van Utrecht op basis van de toen bekende bouwplannen en

vervoersprognoses. De resultaten van deze Risicoanalyse zijn samengevat in de tussen gemeente en de minsitereies van Verkeer en Waterstaat en VROM gesloten Uitvoeringsovereenkomst Stationsgebied Utrecht, UOK Appendix III.

De Risicoanalyse uit 2004 is recent geactualiseerd. De resultaten van deze actualisering zijn neergelegd in het

rapport “Update Risicoanalyse Externe Veiligheid Utrecht CS” van 20 oktober 2009. 5.2.6.1 Conclusie plaatsgebonden risico Preferent spoorgebruik

Voor alle bestudeerde situaties treedt er geen 10-6 contour op. Wel is er in de huidige situatie een 10-7 contour. Deze wordt voornamelijk veroorzaakt door het transport van zeer giftige vloeistoffen en brandbare

vloeistoffen. Voor de andere situaties is er geen 10-7 contour. In alle gevallen is er een 10-8 contour. Incidenteel spoorgebruik Het incidentele spoorgebruik maakt de contouren iets groter doordat gebruik gemaakt wordt van de buitenste sporen. Het bestemmingsplan voldoet aan de norm voor het plaatsgebonden Risico.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

41


5.2.6.2 Conclusie groepsrisico Preferent spoorgebruik Uit de berekeningen is gebleken dat er een overschrijding van de oriënterende waarde is voor de situatie met de huidige transportaantallen en de toekomstige bevolking. De toekomstige bevolking veroorzaakt een toename van het groepsrisico. Incidenteel spoorgebruik Naast het preferente spoorgebruik is er ook gekeken naar de risico's als er incidenteel gebruik gemaakt wordt van andere sporen dan spoor 10. Het incidentele spoorgebruik doet het groepsrisico toenemen, omdat een groter bebouwd gebied binnen de effectgebieden komt te liggen.

5.2.6.3 Conclusie maatregelen ter verlaging groepsrisico De meest effectieve maatregel ter verlaging van het groepsrisico, is het vervoer 's nachts.

5.2.6.4 Verantwoording groepsrisico --

De gemeenteraad constateert dat het Rijk zich heeft ingespannen voor het realiseren van BLEVE-vrij

rijden. Gemeente heeft het vertrouwen dat BLEVE-vrij rijden gerealiseerd zal zijn vóór de ingebruikname van objecten waarin het onderliggende bestemmingsplan voorziet. --

Gemeente constateert dat het Rijk zich inspant om op het emplacement Utrecht een systeem te

realiseren dat zijdelingse botsingen dient te voorkomen (ATBVv en geprogrammeerde wissels). Gemeente heeft het vertrouwen dat dit systeem gerealiseerd zal zijn vóór de ingebruikname van objecten waarin het onderliggende bestemmingsplan voorziet. --

Gemeente constateert dat het Rijk zich inspant om op het emplacement Utrecht een zogenaamd Hot-

Box detectiesysteem te realiseren dat gevaar voor asbreuk door warmlopen van assen vermindert. Gemeente heeft het vertrouwen dat dit systeem gerealiseerd zal zijn vóór de ingebruikname van objecten waarin het onderliggende bestemmingsplan voorziet. --

Gemeente constateert dat het transport van ammoniak door Utrecht vrijwel geheel beëindigd zal

worden, dat deze vermindering weinig invloed heeft op de hoogte van het Groepsrisico, maar voor de hulpverlening een grote winst betekent. Vóór vaststelling van het Basisnet zal via een gezamenlijke verantwoording van rijk en gemeenten

aangetoond worden dat het maximaal haalbare is gedaan aan veiligheidsreductie afgezet tegen de nationale

vervoersplicht. Daarbij zal tevens de Regionale Brandweer betrokken worden.

5.2.6.5 Conclusies In de verleende vrijstelling ex artikel 19 lid 1 WRO (oud) voor de OV-terminal zijn met het oog op het verantwoorden van het groepsrisico twee voorwaarden opgenomen die een tijdsbeperking en een

beschikbaarheidbeperking inhouden voor het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. Deze voorwaarden liggen in lijn met hetgeen wat voortkomt uit de risicoanalyse externe veiligheid van TNO en gelden tevens voor de ontwikkeling van het Stadskantoor.

42 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

De volgende voorwaarden zijn opgenomen in de gebruiksregels:

1. transport van gevaarlijke stoffen mag uitsluitend plaatsvinden tussen 19.00 uur en 07.00 uur (tijdsbeperking).

2. transport van gevaarlijke stoffen mag uitsluitend plaatsvinden over spoor 10 (beschikbaarheidbeperking).

Door de voornoemde voorwaarden aan het bestemmingsplan te koppelen wordt het groepsrisico voor in het OV-terminal aanwezig personeel in de commerciĂŤle voorzieningen aanvaardbaar geacht. De genoemde

voorwaarden en ook de reductie van de vervoersomvang in 2020 leiden ertoe dat ook het groepsrisico voor

het stadskantoor, waar in de avonduren in verhouding slechts een beperkt aantal mensen aanwezig zal zijn aanvaardbaar wordt geacht. Om te waarborgen dat het groepsrisico ook in dit bestemmingsplan wordt

verantwoord zijn de voornoemde voorwaarden in de regels opgenomen. Deze voorwaarden zijn noodzakelijk zo lang geen basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor is vastgesteld dat aansluit bij de uitgangspunten van de uitvoeringsovereenkomst (UOK) uit 2004.

5.2.7

Archeologie

Wettelijk kader

In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit Verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. EĂŠn van de belangrijkste uitgangspunten van het

Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische

informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden dient in een zo vroeg mogelijk stadium plaats te vinden, zodat hiermee bij de

planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Het Verdrag van Malta richt zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.

Het Verdrag van Malta heeft in Nederland geresulteerd in een ingrijpende herziening van de Monumentenwet uit 1988, die op 1 september 2007 met de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht is geworden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving

geĂŻmplementeerd. In de nieuwe wetgeving is de bescherming van het archeologische erfgoed, de inpassing hiervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van het archeologische onderzoek geregeld.

Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet een bestemmingsplan rekening houden met de archeologische resten in de grond. Om te kunnen bepalen op welke wijze de bestemmingsregeling rekening moet houden met de archeologie (artikel 38a Monumentenwet 1988), wordt onderzoek (veelal

archiefonderzoek) gepleegd. De resultaten daarvan worden beschreven in de toelichting van het

bestemmingsplan, waarbij wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan bij moet dragen aan de bescherming van de archeologie.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

43


Verordening en bestemmingsplan

De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen voor de bescherming van

archeologische waarden en verwachtingen. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische

waardenkaart aangegeven oppervlakte (en in een aantal gevallen diepte) vergunningplichtig. Door in het bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde – archeologie' op te nemen met een specifiek gebruiksbepaling is handelen in strijd met het bestemmingsplan een strafbaar feit. Onderzoek In het plangebied van het stadskantoor blijkt dat onder maaiveldniveau van het stadskantoor een

fietsenstalling en mogelijk ook een sprinklerbassin worden aangelegd. De locatie voor fietsenstalling en bassin bevindt zich op de oude noordoever van de Romeinse Rijn - mogelijk zelfs gedeeltelijk in de oude bedding van de Rijn. De loop van de Rijn in de Romeinse tijd (en Middeleeuwen) is een belangrijk thema

binnen het archeologische onderzoek in de stad Utrecht. In de Romeinse tijd vormde de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk.

Vanaf de Romeinse tijd tot ver in de Middeleeuwen speelde de Rijn een cruciale rol in de ontwikkeling van de stad Utrecht. Op de locatie voor fietsenstalling en sprinklerbassin kunnen resten van beschoeiingen, kades,

aanlegplaatsen, oversteekplaatsen e.d. uit de Romeinse tijd tot circa 1200 na Chr. worden aangetroffen. Dit betekent dat er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.

Het archeologische onderzoek op de locatie zal bestaan uit het graven van 2 sleuven van circa 50 m lang, 4 m breed en 2,80 m diep. Van deze sleuven worden de profielen (zijkanten) gedocumenteerd door archeologen.

Eventuele archeologische resten in deze sleuven worden eveneens door de archeologen gedocumenteerd. Het Programma van Eisen voor dit archeologische onderzoek wordt opgesteld door de Projectorganisatie

Stationsgebied. In overleg met NS Poort zal het onderzoek direct voorafgaand aan de bouw plaatsvinden.

5.2.8

Kabels en leidingen

Langs het nieuwe stadskantoor is een HOV-baan gepland. Naast de HOV baan ligt het tracĂŠ met diverse kabels en leidingen waaronder een spuikoker tussen Leidsche Rijn en Kruisvaart waar rekening mee

gehouden moet worden. Het is niet uitgesloten dat een extra damwand langs de HOV-baan/trambaan nodig is om de krachteninvloed vanuit de trambaan op te vangen.

Met de netwerkbeheerders is overleg nodig over de benodigde aansluitingen voor riolering, water, electra,

warmte en koude opslag etc.. In het gebouw dient ruimte te worden gereserveerd voor deze voorzieningen en eveneens voor nutsvoorzieningen die nodig zijn voor de openbare ruimte.

Voor een volledige weergave van de ondergrondse maatregelen verwijzen wij naar het integrale Masterplan Ondergrondse Infrastructuur Stationsgebied (IBU, Masterplan Ondergrondse Infra Stationsgebied, d.d. 5 november 2003).

44 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

5.2.9

Windhinder

Uit het rapport 'Windklimaat Stadskantoor/ OVT Terminal Utrecht' (DGMR, Windklimaatonderzoek Stadskantoor en OV-terminal, d.d. 22 mei 2008) blijkt dat een acceptabel windklimaat rondom het te realiseren Stadskantoor mogelijk is. Hiervoor worden de volgende maatregelen voorgesteld:

- het stadskantoor wordt 9 meter naar het noorden gesitueerd (deze maatregel is al onderdeel van het ontwerp);

- een scherm van 2 meter hoog langs de noordpassage;

- een scherm tot aan het dak van de OVT aan de achterzijde van het Stadskantoor; - aan de voorkant van het Stadskantoor zijn een kiosk, informatie-vertrektijdenbord en stadsplattegrond gepland en

- er worden plaatselijke maatregelen getroffen bij de ingang van het Stadskantoor. Met de bovenvermelde maatregelen is een acceptabel windklimaat in de onderdoorgang op

voetgangersniveau tussen de OV-terminal en het Stadskantoor mogelijk. Aan de noordwestzijde van het stadskantoor is sprake van een punt met beperkte windhinder. Totdat aangrenzende bebouwing is

gerealiseerd en het effect daarvan kan worden onderzocht op dit aspect zal een tijdelijke oplossing voor deze windhinder worden gezocht om het windklimaat op die plaats te verbeteren.

5.3

OV-terminal

5.3.1

Geluid

Het akoestisch onderzoek ten aanzien van de verschuiving buurtsporen (Akoestisch onderzoek, Akoestisch

effect verschuiving buurtsporen Utrecht, M+P raadgevende ingenieurs, d.d. 11 mei 2007) is opgenomen als bijlage en maakt inzichtelijk dat de geluidbelasting voor alle onderzochte waarneempunten lager is dan 2004. Er hoeft geen nader akoestisch onderzoek voor het spoorwegverkeer plaats te vinden omdat is aangetoond dat er geen negatieve effecten voor de woningen in de nabijheid zijn. Tevens is er door Arcadis onderzoek gedaan naar de geluidseffecten op bestaande woningen ten gevolge van

de aanleg en wijziging van infrastructuur rond de OVT terminal (OV Terminal Utrecht, Akoestisch onderzoek

weg- en railverkeer, Arcadis, d.d. 10 april 2008). Ook uit dit rapport blijkt dat de infrastructurele wijzigingen

zoals opgenomen in het plan niet leiden tot een wezenlijke toename van het geluid.

5.3.2

Luchtkwaliteit

Op 1 augustus 2009 wordt het Nationaal samenwerkingprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Het NSL bevat maatregelen van de samenwerkende overheden om te zorgen dat overal in Nederland aan de luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan.

Bestuursorganen kunnen ingevolge artikel 5.16 sub d Wet milieubeheer hun bevoegdheid tot het vaststellen

van een bestemmingsplan uitoefenen indien de uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12 lid 1 Wet milieubeheer vastgesteld programma (NSL).

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

45


In het NSL is ĂŠĂŠn van de genoemde ontwikkelingen het programma van het Structuurplan Stationsgebied Utrecht. Ook de ontwikkeling van de OV-terminal is op die wijze meegenomen in het NSL. Vorenstaande

betekent dat de verkeerseffecten van dit project afdoende zijn meegenomen (in de saneringstool) en bij het vaststellen van het maatregelen pakket van het NSL. Voor de verkeersgegevens wordt verwezen naar de bijlage Macroscopische toelichting verkeerscijfers (Bijlage 3). Omdat aan de programma's van het NSL

maatregelen zijn gekoppeld die leiden tot het voldoen aan de luchtkwaliteitsnormen is nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan naar de luchtkwaliteit niet aan de orde nu de integrale ontwikkeling van het stationsgebied beschreven is in het NSL.

Derhalve is voldaan aan de voorwaarde voor de bevoegdheidsuitoefening zoals genoemd in artikel 5.16 sub d Wet milieubeheer. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit vormt de ontwikkeling van de OV-terminal geen belemmering.

5.3.3

Water

5.3.3.1 Beleidskader Hierbij wordt verwezen naar 5.2.3.1. 5.3.3.2 Huidige situatie Hierbij wordt verwezen naar 5.2.3.2. Specifiek voor de OV-terminal geldt dat de locatie momenteel geheel

verhard voor wat betreft het busplatform en de wegenstructuur aan de oostzijde van de sporen. In de huidige situatie is de locatie van de OV Terminal met de perrons en het busplatform en sneltram met wegenstructuur aan de westzijde gedeeltelijk verhard. 5.3.3.3 Toekomstige situatie

De verharding zal toenemen door het extra dakvak van de OV Terminal en door extra verharding van het busplatform aan de westzijde met totaal circa 11.693 m2. Door het hoogheemraadschap is gesteld dat het hemelwater van de 11.693 m2 extra verharding niet mag

worden geloosd op het riool- of oppervlaktewaterstelsel. De hemelwaterafvoer vanuit het totale plangebied mag niet toenemen. Voor de afvoer tot de hoeveelheid van een neerslaggebeurtenis van T=10 zal een

voorziening moeten worden getroffen. Voor het opvangen van hemelwater van het OV Terminal dak heeft ProRail onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheid een wateropvang te realiseren op het

emplacementsgebied (NSP Utrecht, Afvoer hemelwater, kenmerk K23-IVEAL- 0700084, versie 3.0, d.d. 4 december 2007). De rapportage van dit onderzoek is als bijlage opgenomen. Aangezien het infiltreren van hemelwater te risicovol is, is er door ProRail gekozen om water op te vangen en te bufferen in een bassin

onder het toekomstig perron 8 en middels een hiervoor gedicteerde vertraging van maximaal 1,5 liter per

seconde per hectare terug op het open water aan de zijde van de Mineurslaan te pompen. Bij de uitwerking van de plannen zal het Hoogheemraadschap worden betrokken. Al het overige regenwater wordt opgevangen op reeds aanwezig verhard oppervlak en wordt geloosd in de Leidsche Rijn indien de waterkwaliteit voldoende is. Door te voldoen aan de voorwaarde voor

materiaalgebruik zal de waterkwaliteit voldoende zijn. De riolering wordt aangepast voor het hemelwater van het busplatform aan de westzijde. Dit water zal worden geloosd op het riool. Tijdens de bouw is tijdelijke bemaling noodzakelijk; indien nodig worden hiervoor bemalings- / lozingsvergunningen aangevraagd.

46 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

5.3.3.4 Wateradvies

Op 19 februari en 19 april 2007 hebben Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en Prorail overleg gevoerd over de waterhuishoudkundige situatie. Naar aanleiding van het overleg in het voortraject heeft het Hoogheemraadschap een aantal inhoudelijke opmerkingen gemaakt, die ProRail bij de uitvoering van de plannen als voorwaarde zal meenemen. Op het tweede wateradvies (Tweede wateradvies OV-terminal,

Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, d.d. 28 januari 2008) adviseert het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden positief. Het wateradvies met de daarin opgenomen waterparagraaf is onderdeel van de bijlage. 5.3.4

Bodem

Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 5.2.4. De conclusies die gelden ten aanzien van de ontwikkeling van het stadskantoor gelden ook voor de OV-terminal.

5.3.5

Beschermde natuurwaarden

Er is een bomeninventarisatie uitgevoerd voor de aanwezige bomen binnen het plangebied (Bomeninventarisatie, Stadswerken beheer en onderhoud, d.d.19 april 2007). Voor het kappen van bomen zal een kapvergunning worden aangevraagd. De waardebepaling van de bomen komt aan de orde bij de

beoordeling van de aanvraag voor een kapvergunning. Onderzocht zal worden of de in het projectgebied

aanwezige bomen waar mogelijk kunnen worden herplant, al dan niet in het Stationsgebied.

In opdracht van de gemeente Utrecht heeft ingenieursbureau Tauw een quickscan in het stationsgebied uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van verschillende grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in dit

gebied de komende jaren (bijlage 14). Op grond van de beschikbare gegevens en de uitgevoerde beoordeling worden de volgende conclusies getrokken:

- Aanvullend soortgericht onderzoek is nodig om vast te stellen of beschermde vaatplanten, jaarrond beschermde broedvogels en vleermuizen in het gebied voorkomen en hoe deze daarvan gebruik maken. Naar aanleiding van dit onderzoek kan bepaald worden of een ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet moet worden aangevraagd;

- De werkzaamheden dienen voor het broedseizoen van vogels te starten. Het broedseizoen loopt van circa half maart tot half juli. Deze periode is indicatief, ook buiten deze periode zijn broedende vogels

beschermd. Indien werkzaamheden in het broedseizoen zijn gepland, dient vooraf volledige zekerheid te

worden verkregen dat hierdoor geen broedende vogels worden verstoord. In het plangebied zijn vleermuizen, gierzwaluwen, boomvalken en zwarte roodstaarten aangetroffen. Er is

nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied. Dit onderzoek is echter aangehaald in paragraaf . De conclusie voor de OV-terminal is hetzelfde als voor de OV-terminal . Dit onderzoek betrof met name de overwinteringsverblijven. Er zijn geen vleermuizen op of rond de

onderzoekslocatie waargenomen. Op grond van de voorlopige onderzoeksresultaten zal geen ontheffing van de Flora- en faunawet aangevraagd hoeven te worden bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De aanwezigheid van broedende vogels behoort altijd tot de mogelijkheden. In het plangebied zal het vrijwel alleen om stadsduiven gaan die zich in de richels van het gebouw vestigen. Wanneer sloop- of

renovatiewerkzaamheden in het winterseizoen plaatsvinden (augustus – maart) zal geen sprake zijn van verstoring.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

47


5.3.6

Externe veiligheid

Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 5.2.6. De conclusies die gelden ten aanzien van de ontwikkeling van het stadskantoor gelden ook voor de OV-terminal.

5.3.7

Archeologie

Voor algemene informatie over het Wettelijk kader en de Verordening wordt verwezen naar 5.2.7. Onderzoek Bij de realisering van de OV-terminal vinden bodemingrepen plaats op plekken met een hoge archeologische verwachting, in verband met de vermoedelijke aanwezigheid van de Romeinse en vroegmiddeleeuwse

hoofdgeul van de Rijn. Bij de realisering van het bouwplan dient het archeologisch advies (OV-terminal

archeologie en cultuurhistorie, gemeente Utrecht, d.d. 28 februari 2008) te worden opgevolgd. Over de praktische uitvoering hiervan dient de aannemer tijdig afspraken te maken met de stadsarcheoloog.

5.3.8

Kabels en leidingen

Er is een inventarisatie uitgevoerd van de aanwezige kabels en leidingen binnen de plangrenzen. Omdat de busterminal Oost op maaiveld wordt gesitueerd, zijn aan de oostzijde op divese locaties verleggingen

noodzakelijk. Aan de westzijde komt de bus- en tramterminal op gelijk niveau te liggen met de bestaande Mineurslaan, dat is 2,50 m + NAP. Ten gevolge hiervan moet het bestaande maaiveld van het ProRail gebied ca. 0,7 m worden afgegraven. Dit maakt verlegging van de stadsverwarmingleiding, de drinkwater aansluiting van ProRail en van elektriciteitskabels noodzakelijk.

Voor een volledige weergave van de ondergrondse maatregelen verwijzen wij naar het integrale Masterplan Ondergrondse Infrastructuur Stationsgebied.

5.3.9

Windhinder

Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 5.2.9. De conclusies die gelden ten aanzien van de ontwikkeling van het stadskantoor gelden ook voor de OV-terminal.

48 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 6

Juridische

plantoelichting 6.1

Algemeen

Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van

gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Het bestemmingsplan is opgebouwd uit drie onderdelen: plantoelichting, verbeelding en planregels. De toelichting verwoordt welke beleidskeuzes hebben geleid tot het vastleggen van de

bestemmingen met bijbehorende regels. In de regels staan per bestemming de specifieke regels met betrekking tot bouwen en gebruik van de gronden. De verbeelding geeft weer aan welke gronden welke bestemming is toegekend.

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de standaardisering en digitalisering van bestemmingsplannen zijn intrede gedaan. Hiermee wordt beoogd de raadpleegbaarheid en uitwisselbaarheid van ruimtelijke plannen te vergroten. Met de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (verwachte inwerkingtreding per 1 januari 2010) zijn de bepalingen voor de standaardisering en

digitalisering vastgelegd. Een bestemmingsplan opgesteld volgens deze bepalingen is een digitaal bestand in GML-formaat, waarin geometrisch bepaalde planobjecten zijn vastgelegd. Technische gezien is een

bestemmingsplan zodoende een verzameling objecten (zoals bestemmingsvlakken), waaraan informatie (zoals ligging en naam) is gekoppeld. Het bestemmingsplan kan geraadpleegd worden door middel van computersoftware, bijvoorbeeld via de internetpagina www.ruimtelijkeplannen.nl. Met de software kunnen verschillende kaarten van het

bestemmingsplan opgeroepen worden. Er zijn zodoende meerdere verbeeldingen van ĂŠĂŠn plan mogelijk.

Door interactie met het kaartbeeld worden de regels van de betreffende bestemmingen weergegeven. Ook kan de toelichting worden opgeroepen. De toelichting is juridisch gezien echter niet bindend. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de koppeling tussen de regels en de kaart. In de volgende paragraaf staat uitgelegd welke systematiek voor dit bestemmingsplan gehanteerd is en op welke wijze de

eigenschappen van het plangebied en de inhoud van de ontwikkelingsrichting zich hebben vertaald in de

toegekende bestemmingen. De paragraaf daarna geeft een korte toelichting per artikel van de planregels. In de laatste paragraaf wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan.

6.2

Planvorm

Het bestemmingsplan Stadskantoor en OV-terminal kenmerkt zich door een gedetailleerde bestemmingsregeling, zowel op de plankaart als in de voorschriften, voor de in het gebied aanwezige

functies en bebouwing. Het betreft een ontwikelingsgericht bestemmingsplan dat gericht is op de realisering van een nieuw stadskantoor en een nieuwe OV-terminal. Dit betekent dat de bestaande situatie qua

bebouwing en gebruik voor een belangrijk deel zal wijzigen, en daarvoor een regeling is opgenomen in het plan.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

49


6.3

Systematiek

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op twee projectonderdelen van het Structuurplan Stationsgebied. Het is toegesneden op realisatie van het nieuwe stadskantoor en de herontwikkeling van de OV-terminal met de bijbehorende verkeersfuncties. Het aantal functies binnen het plangebied is daardoor relatief klein. De systematiek bestaat daarom uit niet veel meer dan het onderscheid aangeven tussen de verschillende verkeersfuncties en de aanwezigheid van enkele kantoren. Voor de invulling van het toegestane gebruik is gebruik gemaakt van de 'Utrechtse Leest SVBP2008'. Dit is

een handboek van de gemeente voor het opstellen van bestemmingsplannen. Het gebruik van de Utrechtse

Leest SVBP2008 zorgt ervoor dat de diverse bestemmingsplannen binnen de gemeente inhoudelijk op elkaar zijn afgestemd. De inhoud van de bestemmingen is uiteraard afgestemd op de specifieke situatie in het plangebied. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de koppeling tussen de regels en de kaart. In de volgende paragraaf

staat uitgelegd welke systematiek voor dit bestemmingsplan gehanteerd is en hoe de eigenschappen van het plangebied en de inhoud van de inrichtingsplannen zich hebben vertaald in de toegekende bestemmingen. De paragraaf daarna geeft een korte toelichting per artikel van de planregels. In de laatste paragraaf wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan.

6.4

Opbouw Regels

De opzet van de bestemmingsregels is steeds gelijk: y

bestemmingsomschrijving (met ondergeschikte en nevengeschikte doeleinden);

y

bouwregels;

y

nadere eisen waar de bestemmingsregeling dat nodig maakt;

y

ontheffingsregels van de bouwregels;

y

waar nodig: een bijzondere gebruiksregel, bijvoorbeeld bij wonen een aan huis verbonden beroep of bedrijf.

y y

ontheffingsregels van de gebruiksregels;

eventueel een aanlegvergunningstelsel ter bescherming van aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden;

y

in een aantal gevallen een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht;

6.5

Nadere toelichting begripsomschrijvingen

1.33

0penbaar vervoer station:

Het bestemmingsplan is gericht op de vernieuwing en uitbreiding van de stationsterminal van het Utrechtse Centraal Station. Dit station zal zicht in de komende jaren verder ontwikkelen tot een van de belangrijkste

openbaarvervoerknooppunten van Nederland. Een dergelijk vervoersknooppunt is een complex geheel van bouwwerken, functies en voorzieningen. Qua bebouwing omvat het begrip dan ook het geheel van van

fysieke infrastructurele werken die noodzakelijk zijn voor een een complex (spoor)vervoerknooppunt, maar ook de daarbijbehorende stationsbebouwing in de vorm van stationshallen, wachtruimten,

perronoverkappingen, nutsvoorzieningen enzovoorts. De functie (rail)verkeer is natuurlijk de belangrijkste

functie, echter een dergelijk vervoerknoopunt kent tal van ondersteunende functies en voorzieningen variĂŤrend van kantoren, dienstverlening en detailhandel tot horeca en technische ruimten. 50 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

1.37

reizigers gerelateerde detailhandel:

Gezien de directe nabijheid van het winkelcentrum Hoog Catharijne en een goed functioneren van het

winkelcentrum en de OV-terminal naast elkaar, is het van belang dat de detailhandel op het station zich beperkt tot detailhandel die nauw gerelateerd is aan het reizen met openbaar vervoer. Daarbij moet gedacht worden aan goederen die een directe relatie hebben met het reizen omdat zij gebruikt worden kort voor,

tijdens of kort na het reizen, zoals boeken, tijdschriften, souvenirs, bloemen en (voorverpakte) etenswaren en drinkwaren. Voor een goed functioneren van de OV-terminal is het maximale verkoopvloeroppervlak van de reizigersferelateerde detailhandel in omvang beperkt tot maximaal 200 m² per vestiging, terwijl de omvang

van geclusterde vestigingen maximaal 600 m² mag zijn.

1.40

stadskantoor:

Gedeeltelijk boven de nieuwe OV-terminal zal de nieuwe huisvesting voor een groot aantal gemeentelijke

diensten worden gerealiseerd, inclusief de daarbij behorende publieksfuncties. In hoofdzaak zal de functie kantoor hierop van toepassing zijn.

6.6

Artikelsgewijze toelichting

Voor een aantal bestemmingen en algemene (slot)bepalingen is in deze paragraaf een nadere toelichting opgenomen.

Artikel 3

Kantoor

In het plangebied zijn verschillende kantoorgebouwen aanwezig. Deze hebben een passende

kantoorbestemming gekregen. Ook het nieuwe stadskantoor valt onder deze bestemming. Bij het stadskantoor zijn ook de wijkverbingsone voor voetgangers, openbaar vervoer banen en bijbehorende voorzieningen die onder het stadskantoor doorlopen, geregeld door middel van specifieke functieaanduidingen.

Artikel 4

Verkeer

Deze bestemming is van toepassing op de wegen waar de nadruk ligt op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Gezien de aard van het gebied als openbaarvervoerknoopunt vallen in deze bestemming tevens HOV banen, bovengrondse en ondergondse gebouwde kruisingen met railverkeer. Er zijn tevens gebouwen

toegestaan bijvoorbeeld voor het realiseren van parkeervoorzieningen en fietsenstallingen en wachtlokalen.

Artikel 5

Verkeer - Openbaar vervoerstation

Een belangrijk treinstation is een gebied dat uit zijn aard een grote mate van functiemenging kent. Enerzijds is er de de infrastructuur van de verschillende vervoersmodaliteiten, anderszijds alle gebouwen en

voorzieningen die bij een groot station horen. Deze bestemming regelt het geheel van toegelaten bebouwing en functies. In dergelijke gebieden is het ruimtegebruik vaak diffuus. Voor een aantal functies is het desalniettemin wenselijk om een nadere regeling te treffen. Daartoe zijn binnen deze bestemming aanduidingen opgenomen voor de volgende functies:

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

51


a.

"specifieke vorm van verkeer-voetgangers wijkverbindingzone sv-vwz": een gedeelte van de

stationsterminal heeft een belangrijke functie als voetgangers wijkverbindingszone tussen de oostkant en de westkant van het spoor. Dit gebied heeft uit dien hoofde een openbare functie en dient ten alle tijde

toegankelijk te zijn voor voetgangers die van de oostkant van het het station naar de westkant moeten en b.

omgekeerd. Voor deze zone is daartoe tevens een bijzondere gebruiksbepaling opgenomen;

"gemengd gd": voor een goed functioneren van de nieuwe OV-terminal en een efficiënte afwikkeling van de reizigersstromen door de Stationshal is het noodzakelijk de reizigersgerelateerde detailhandel en horeca ruimtelijk te concentreren. De twee zones waarin deze functies zich mogen vestigen hebben

daarom de aanduiding "gemengde doeleinden gd" gekregen. De toegestane horecafuncties in dit gebied zijn de horecafuncties zoals bedoeld in de categorieën C t/m D2 van de lijst van toegelaten c.

horecainstellingen;

"horeca h": in de zone met de aanduiding horeca toegestaan is horeca in de categorieën B t/m D2 van de

lijst van toegelaten horecainstellingen toegestaan. Specifieke gebruiksregels Ten behoeve van de bescherming van de externe veiligheid van personen en groepen van personen die gebruik maken van de stationsterminal is er in dit voorschrift ook een specifieke gebruiksregel opgenomen

die een tijdsbeperking en een beschikbaarheidsberperking inhouden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Op basis van dit artikel mag spoorvervoer van gevaarlijke stoffen uitsluitend plaatsvinden tussen 19.00 uur 's avonds en 7.00 uur s'ochtends . Bovendien mag dit transport alleen over spoor 10 plaatsvinden. Dit spoor grenst namelijk niet aan perrons. Omdat de voetgangerswijkverbinding tussen het oosten en het westen van het station ten allen tijden gebruikt moet kunnen worden door voetgangers, is ook hiervoor een specifieke gebruiksregeling opgenomen.

Artikel 6

Verkeer - Railverkeer

De spoorlijn heeft de bestemming 'Verkeer - Railverkeer'. In deze bestemming zijn de spoorbaan en de daarbij behorende voorzieningen toegestaan en ook stationsvoorzieningen, seinhuizen en

geleidingsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.

Ook de onder de sporen gelegen fietsenstallingen, verkeersruimte en technische ruimten vallen hieronder.

Specifieke gebruiksregels Ten behoeve van de bescherming van de externe veiliheid van personen en groepen van personen die gebruik maken van de stationsterminal is er in dit voorschrift ook een specifieke gebruiksregel opgenomen die een

tijdsbeperking en een beschikbaarheidsberperking inhouden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Op basis van dit artikel mag spoorvervoer van gevaarlijke stoffen uitsluitend plaatsvinden tussen

19.00 uur 's avonds en 7.00 uur 's ochtends . Bovendien mag dit transport alleen over spoor 10 plaatsvinden. Dit spoor grensnamelijk niet aan perrons.

Artikel 7

Verkeer - Verkeer en verblijf

De meeste wegen in het plangebied zijn opgenomen in de bestemming 'Verkeer- en verblijfsdoeleinden'. Dit zijn de wegen met hoofdzakelijk een functie voor het bestemmingsverkeer. Ook de pleinen, de bermen van

wegen en het snippergroen maken hier deel van uit. Er zijn kleine gebouwtjes toegestaan bijvoorbeeld voor het realiseren van fietsenstallingen en wachtlokalen voor openbaarvervoer.Ter plaatse van de specifieke functie-aanduiding 'sv-f' zijn de gronden tevens bestemd voor realisatie van een fietsgebouw. 52 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

De aanduiding 'sv-fos' is opgenomen om het betreffende deel van het fietsgebouw geschikt te maken voor ontsluiting van het gebouw.

Artikel 8

Waarde - Archeologie

De bescherming van Archeologische waarden vindt in Utrecht plaats door middel van de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. In deze verordening wordt geregeld op welke wijze er dient te worden omgegaan met ontwikkelingen in gebieden met een archeologische (verwachtings) waarde en welke

voorzorgsmaatregelen er in acht moeten worden genomen om te voorkomen dat archeologische waarden worden verstoord of beschadigd bij het uitvoeren van werkzaamheden in dergelijke gebieden. Het

bestemmingsplan heeft hierin een signalerende functie, in de zin dat op de plankaart een koppeling wordt gelegd met de eerdergenoemde verordening.

Artikel 9

Antidubbeltelbepaling

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat een stuk grond dat al eens was betrokken bij het verlenen van een bouwvergunning bij de beoordeling van latere bouwplannen nogmaals wordt betrokken.

Artikel 10

Algemene bouwregels

In de bouwverordening zijn ook voorschriften opgenomen. Het bestemmingsplan gaat v贸贸r deze bepalingen, maar in dit artikel is bepaald welke voorschriften uit de bouwverordening naast het bestemmingsplan van

kracht blijven. Het gaat daarbij om voorschriften van stedenbouwkundige aard, zoals de bereikbaarheid van bouwwerken van wegverkeer en brandblus-voorzieningen, bereikbaarheid van gebouwen voor

gehandicapten, de ruimte tussen bouwwerken en parkeergelegenheid bij gebouwen.

Daarnaast regelt dit artikel de mogelijkheid voor (beperkte) overschrijdingen van bebouwingsgrenzen die op de kaart zijn aangegeven.

Artikel 11

Algemene gebruiksregels

De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te

gebruiken. Een algemeen gebruiksverbod hoeft derhalve niet meer in de planregels te worden opgenomen. Het is wel mogelijk om in het bestemmingsplan aan te geven wat onder verboden gebruik in ieder geval wordt verstaan. In dit artikel is opgenomen dat onder verboden gebruik wordt verstaan: onbebouwde

gronden te gebruiken als staanplaats voor onderkomens als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan of als stortplaats voor puin en afvalstoffen.

Artikel 12

Algemene ontheffingsregels

Dit artikel regelt ontheffingsmogelijkheden voor het college van burgemeester wen wethouders. Dit heeft primair tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Ze kunnen worden toegepast als er niet op

grond van de bestemmingsregelingen in hoofdstuk 2 al een ontheffing verleend kan worden. Het gaat dan

om een afwijking van maten, afmetingen en percentages, het plaatsen van objecten van beeldende kunst, het realiseren van kleine nutsgebouwtjes.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

53


Artikel 13

Algemene procedureregels

In dit artikel is de procedure beschreven die doorlopen dient te worden bij het gebruik maken van een ontheffing van de regels. De procedure voor wijziging of uitwerking van bestemmingen wordt sinds de invoering van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening geregeld in de wet (artikel 3.6 Wro). In het

bestemmingsplan hoeft hiervoor derhalve geen aparte regeling meer voor te worden opgenomen.

Artikel 14

Overgangsrecht

In het nieuwe Besluit op de ruimtelijke ordening (in werking 1 juli 2008) is overgangsrecht opgenomen dat in elk bestemmingsplan moet worden overgenomen. Indien de in het plan opgenomen regels. voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsbepalingen van toepassing. De overgangsbepaling heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt.

Voor bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, is bepaald dat deze gedeeltelijk mogen worden

vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Gehele vernieuwing is in principe uitgesloten, waaronder ook gefaseerde vernieuwing van een bouwwerk wordt verstaan. Het doel van het

overgangsrecht is dat het bestaande bouwwerk in de bestaande staat in stand mag worden gehouden.

Uitsluitend na het tenietgaan van het bouwwerk door een calamiteit, waarmee onder andere brand of extreme weersomstandigheden wordt bedoeld, is onder voorwaarden gehele vernieuwing toegestaan.

Vergunningplichtige bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht, kunnen door overgangsrecht niet

gelegaliseerd worden. Bouwen zonder vergunning is immers een overtreding van de Woningwet die niet door een regeling in een bestemmingsplan ongedaan kan worden gemaakt. Wel kan met een beroep op het overgangsrecht een aanvraag worden ingediend voor de verbouw van een illegaal bouwwerk. Om te voorkomen dat een dergelijke aanvraag moet worden gehonoreerd, is in de

overgangsbepaling van dit plan opgenomen dat deze slechts van toepassing is op legale bouwwerken. Voor het gebruik dat onder het overgangsrecht valt, is bepaald dat dat gebruik mag worden voortgezet. Het gebruik mag eveneens worden gewijzigd, voor zover de afwijking ten opzichte van het toegestane gebruik niet vergroot wordt. Hiervoor is reeds aangegeven dat illegale bouwwerken niet gelegaliseerd kunnen worden door overgangsrecht. Voor gebruik is dat in principe wel mogelijk maar vanuit het oogpunt van handhaving

ongewenst. Gezien het voorgaande is in de overgangsbepaling opgenomen dat het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, van het overgangsrecht is uitgesloten. Ook na het van kracht worden van dit plan kan dus nog met succes handhavend worden opgetreden tegen gebruik dat reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan. Dit laatste is uiteraard mede

afhankelijk van andere aspecten, waaronder de vraag of het strijdige gebruik reeds zolang plaatsvindt dat de gemeente haar rechten heeft verwerkt.

Artikel 15

Slotregel

In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven.

54 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Prostitutie In het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen prostitutie bedrijven gevestigd met een vergunning op basis van de APV. Gezien het in Utrecht gehanteerde maximumstelsel zijn nieuwe prostitutiebedrijven niet

toegestaan en zijn prostitutiebedrijven uitgesloten in de gebruiksbepaling en in de begripsbepaling "aan huis verbonden beroep en bedrijf". Gelet op het binnen de gemeente gehanteerde maximumstelsel betekent de

regeling in dit bestemmingsplan geen algeheel verbod, maar wel een verbod op prostitutiebedrijven binnen dit plangebied.

6.7

Lijst van bedrijfsactiviteiten

Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. In de bijlagen bij de regels is een toelichting opgenomen op de Lijst van Bedrijfsactiviteiten.

6.8

Lijst van horeca-inrichtingen

Bij dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van de Utrechtse standaardlijst voor horeca-inrichtingen.

Uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan, in verband met de overlast die horecabedrijven voor het woon- en leefklimaat kunnen meebrengen, in een bestemmingsplan bij het toelaten van horecabedrijven aan de hand van ruimtelijk relevante criteria als aard, omvang en parkeerdruk een onderscheid gemaakt worden in categorieën horecabedrijven.

In dit bestemmingsplan is een functionele differentiatie in ‘harde’ tot ‘zachte’ typen van horecabedrijven opgenomen. De regeling geeft een kwalitatieve beperking ten aanzien van het type / de categorie

horecabedrijf dat zich mag vestigen in de woonomgeving. De regeling beoogt de nadelige invloeden van de vestiging van horecabedrijven op het woon- en leefklimaat in de omgeving te voorkomen. In de bijlagen bij de regels is een toelichting opgenomen op de Lijst van horeca-inrichtingen.

6.9

Handhaving

Door handhaving controleert de overheid of burgers, bedrijven en bijvoorbeeld overheidsorganen zich aan de wet- en regelgeving houden. Onder handhaving wordt verstaan het door controle (toezicht en opsporing) en het toepassen (of dreigen daarmee) van bestuursrechtelijke sancties, bereiken dat het bepaalde bij of

krachtens enig wettelijk voorschrift wordt nageleefd. De handhaving van de van toepassing zijnde regeling binnen de gemeente Utrecht, wordt uitgevoerd door diverse diensten en afdelingen. Zo wordt namens het

college onder andere gehandhaafd op de regels van voorliggend bestemmingsplan.Dit betekent dat de regels voor wat betreft het gebruik en de bebouwingsregels worden gehandhaafd. Dit gebeurt veelal door toetsing tijdens het behandelen van de aanvragen om bouwvergunning, maar kan ook gebeuren als gevolg van

toezicht tijdens de uitvoering van de bouw of op grond van een eigen constatering indien een bouwwerk of een perceel in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Indien er bijvoorbeeld sprake is van illegale ingebruikname van gemeentelijke grond, dan zal hiertegen worden opgetreden.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

55


Doel handhavend optreden? Het doel van het handhavend optreden van de gemeente is niet direct gekoppeld aan de noodzaak van een actueel bestemmingplan. Voor de bewoners van het plangebied is duidelijk waar zij aan toe zijn (qua bouwen, zoals bijvoorbeeld uitbreiding van de woning, en qua gebruik), maar het niet handhaven haalt de effectiviteit van een actueel bestemmingsplan onderuit. De toegevoegde waarde van het verlenen van een

bouwvergunning voor een bijgebouw is niet groot, indien er op andere plaatsen - zonder vergunning bijgebouwen zijn geplaatst. Dit wordt nog eens problematischer zodra een bouwvergunning wordt

geweigerd, terwijl diverse vergelijkbare bouwwerken reeds illegaal zijn geplaatst. In dit laatste geval is de roep om handhavend op te treden dan ook het grootst. Hoe wordt gehandhaafd? Op grond van de Algemene wet bestuursrecht heeft het college een tweetal instrumenten tot haar

beschikking: bestuursdwang en dwangsom. Bij het toepassen van bestuursdwang wordt de overtreding (het geconstateerde illegale bouwwerk c.q. gebruik) ongedaan gemaakt op kosten van de overtreder. Dit kan betekenen dat een bouwwerk door de gemeente wordt afgebroken en de kosten van bijvoorbeeld de

aannemer en de gemeentelijke (voorbereidings)kosten op de overtreder worden verhaald. Het is tevens

mogelijk om, indien er zonder bouwvergunning wordt gebouwd en de bouw wordt stilgelegd door middel van een bouwstop, de bouwmaterialen weg te slepen en elders op te slaan. Het opleggen van een last onder

dwangsom betekent bijvoorbeeld dat het illegale gebruik moet worden gestaakt binnen een door het college gestelde termijn. Overschrijdt men de termijn, dan zal de dwangsom in rekening worden gebracht bij de

overtreder. Doel van de dwangsom is het onaantrekkelijk maken van het voortzetten van de geconstateerde overtreding. De dwangsom zal dan ook in relatie moeten staan aan (en zal derhalve altijd hoger zijn dan) het voordeel dat de overtreder heeft bij het voortzetten van de illegaliteit. In het plangebied zal handhavend

worden opgetreden tegen het illegale gebruik van bouwwerken en percelen. Bijvoorbeeld het verhuren van

opslagruimte ten behoeve van de stalling van caravans, maar ook het gebruik van een winkel als cafĂŠ. Verder zal er bij de bouw worden gecontroleerd op de uitvoering van verleende bouwvergunningen. Uiteraard zal er

ook gecontroleerd worden of, in het geval van een geweigerde bouwvergunning voor een woning, de betreffende woning niet alsnog wordt gebouwd.Voorts zal de gemeente toezien op, onder de Wet

milieubeheer vallende, bedrijven. Dit vloeit voort uit de regels van het bestemmingsplan. Indien er immers ter plaatse een bedrijfsactiviteit plaats mag vinden, zal dit qua gebruik (intensiteit en hinder) gehandhaafd

worden.

56 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Stadskantoor Ontwikkelaar en realisator is NS Poort. De huurder van het gehele kantoor is de gemeente Utrecht. Daarmee

is voldaan aan de zogenaamde voorverhuureis van de gemeente, ter voorkoming van bouwen voor leegstand, waarin wordt aangetoond dat minimaal 70% van het nieuwe complex verhuurd zal zijn voor start bouw. Ten behoeve van de ontwikkeling van het stadskantoor is daarnaast een risicoanalyse planschade uitgevoerd

(Overwater Grondbeleid Adviesbureau, Risicoanalyse planschade Stadskantoor). Hieruit blijkt dat het risico op planschade nihil is.

Met de ontwikkelaars is een anterieure overeenkomst afgesloten, derhalve is het plan economisch uitvoerbaar.

OV-terminal De dekking van de OV-terminal bestaat grotendeels uit de bijdrage vanuit het Rijk. Deze bijdrage is conform

het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT) en Bereikbaarheidsoffensief Randstad (BOR).

Daarnaast is er een gemeentelijke bijdrage gereserveerd in de investeringsplanning in het kader van de 5% regeling.

In het kader van de economische uitvoerbaarheid zijn door ProRail en de gemeente in de Projectovereenkomst afspraken gemaakt hoe planschadekosten die een direct gevolg zijn van de planologische wijziging in verband met de OV-terminal worden doorbelast aan het project. In de projectbegroting is een bedrag geraamd voor eventuele planschadekosten.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1

Inspraak Structuurplan Stationsgebied

De herontwikkeling van de OV-terminal en realisatie van het stadskantoor vinden hun verankering in het

Masterplan en het Structuurplan. Met betrekking tot deze plannen is een uitgebreid communicatietraject voor de inspraak opgesteld. Op 6 september 2005 is het voorontwerp Structuurplan Stationsgebied door burgemeester en wethouders vrijgegeven voor inspraak en overleg op grond van toenmalige artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening. Het voorontwerp heeft vervolgens van 15 september tot en met 13 oktober 2005 op de

gebruikelijke plaatsen ter inzage gelegen in het kader van de inspraak en is in diezelfde periode aan een aantal overheidsinstanties gezonden.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

57


In totaal hebben 28 individuele insprekers / belanghebbenden gereageerd. Van de private partijen is een reactie ontvangen van NS Vastgoed en Corio. Er zijn 8 reacties van overheidsinstanties binnengekomen. Tegelijk met het artikel 10-overleg en de inspraak is het voorontwerp aan de Provinciale Planologische

Commissie (PPC) gezonden ter beoordeling. Op 13 oktober 2005 is het voorontwerp Structuurplan aan de PPC gepresenteerd. Op 9 november 2005 heeft de PPC laten weten in te kunnen stemmen met het

Structuurplan Stationsgebied. 7.2.2

Inspraaktrajecten Stadskantoor en OV-terminal

Zoals reeds in de inleiding van deze toelichting is vermeld is reeds onder de oude WRO middels een artikel 19 vrijstellingsprocedure een inspraaktraject opgestart. Voor het stadskantoor heeft de ruimtelijke

onderbouwing ter inzage gelegen van 18 juni tot en met 30 juli 2009. In deze periode zijn 2 zienswijzen binnengekomen, één zienswijze namens een tweetal stichtingen en een bewonersvereniging en één

zienswijze namens ING Real Estate. Een samenvatting van de zienswijzen en de gemeentelijke reactie daarop vindt u in de afzonderlijke bijlage bij de toelichting (Gemeente Utrecht, Zienswijzennota

vrijstellingsprocedure Stadskantoor). De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het plan. De ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de realisatie van de OV-terminal heeft van 17 april tot 29 mei 2008 voor een ieder ter inzage gelegen. Hierbij zijn de door een aantal reclamanten ingebrachte zienswijzen

ongegrond verklaard (Gemeente Utrecht, Zienswijzennota vrijstellingsprocedure OV-terminal). De vrijstelling is verleend op 10 september 2009. 7.2.3

Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Het plan is aan een aantal instanties toegezonden voor reactie als bedoeld in art 3.1.1 van het Besluit

ruimtelijke ordening.

Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft bij brief d.d. 18 november 2009 aangegeven te kunnen

instemmen met het bestemmingsplan aangezien het voldoet aan de "het standstll beginsel". Dat betekent dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Inspectie RO heeft op het plan gereageerd via e-mail en geadviseerd direct met een ontwerpbestemmingsplan naar buiten te komen. In dat kader zullen zij ook het plan beoordelen. De provincie heeft bij brief van 26 november 2009 aangegegeven dat het bestemmingsplan voorziet in een actueel planologische kader voor de realisatie van een stadskantoor en OV-terminal. Het plan geeft geen

aanleiding tot het maken van opmerkingen. Wel geeft de provincie een aantal overwegingen mee, die kunnen strekken tot verbetering van het plan. Dit zijn: het ontbreken van algemene aanduidingsregels in artikel 9, de invulling van de wijzigingebevoegdheid in artikel 7.3 en het ontbreken van concrete informatie over het ter

plaatse geldend groepsrisico en plaatsgebonden risico in de toelichting in paragraaf 5.2.6. In reactie hierop wordt opgemerkt, dat in het plan geen algemene aanduidingsregels voorkomen zodat verantwoording

hiervan in de regels niet nodig is. De wijzigingsregels zijn thans ingevuld in artikel 7.3. En de toelichting op het onderdeel externe veiligheid is uitgebreid. 7.2.4

Advies wijkraad

Bij brief van 18 januari 2010 heeft de wijkraad een advies uitgebracht met betrekking tot het ontwerp bestemmingsplan 'Stadskantoor en OV-terminal'. Onderstaand is het de reactie weergegeven met daaronder per onderdeel voorzienvan een beantwoording.

58 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Reactie: 1. Betrokkenen, belanghebbenden, bewoners en ondernemers bij planvorming De Wijkraad Binnenstad heeft op zijn laatste vergadering kennis genomen van het Bestemmingsplan 'Stadskantoor en

OV-terminal'. De Wijkraad betreurt het dat volkomen onduidelijk is of en zo ja op welke manier uw projectorganisatie Stationsgebied belanghebbenden, bewoners en ondernemers heeft betrokken bij de

planvorming. Om die reden is het voor ons onmogelijk om een gefundeerd advies te geven over de OVterminal en het Stadskantoor.

Antwoord : In het onderdeel Maatschappelijke Uitvoerbaarheid van het ontwerp bestemmingsplan is aangegeven op welke wijze inspraak/informatie heeft plaatsgevonden en dat in het kader van dit bestemmingsplan de zienswijzenperiode van de afgeronde vrijstellingsprocedure ex artikel 19 lid 1 WRO (oud) voor de OV-terminal uit 2008 en de zienswijzen in het kader van de ter inzage legging van het voornemen om voor het Stadskantoor de vrijstellingsprocedure van artikel 19 lid 1 WRO (oud) te voeren (van 2009) zijn beschouwd als inspraakreacties. Laatstgenoemde reacties zijn van een beantwoording voorzien die is opgenomen in één van de bijlagen bij de toelichting van het plan. Daarnaast zijn de plannen voor het Stadskantoor en de OV-terminal regelmatig ter sprake gebracht op de periodieke informatie-/schouwavonden in het Stationsgebied, waar bewoners, belanghebbenden en ondernemers worden geïnformeerd over de relevante projecten. Voor belangengroepen in het VO en DO traject van de OV-terminal zijn destijds separate consultatiesessies georganiseerd.

2.

Situering tramhalte

Wel willen wij deze gelegenheid aangrijpen om u nogmaals te adviseren over één aspect dat naar onze mening voor de Binnenstad van eminent belang is, namelijk de locatie van de eindhalte van de tram. Het Bestemmingsplan stelt dat de tramhalte wordt gesitueerd aan de westzijde van de OV-terminal.

De Wijkraad acht het van groot belang voor de bewoners, maar vooral ook voor de bezoekers en daarmee eveneens voor de ondernemers van de Binnenstad, dat de eindhalte aan de oostzijde van de OV-terminal wordt gesitueerd. Reeds in een advies van 26 november 2007 stelde de Wijkraad: 'Alleen op deze wijze ontstaat een aantrekkelijke aanlooproute voor trampassagiers naar de Binnenstad. Met name voor de

ondernemers is deze verbinding van levensbelang. Maar ook voor studenten -die in toenemende mate in de Uithof gevestigd zullen worden- is een goede verbinding met de Binnenstad van groot belang'. Ons inziens zijn deze argumenten nog steeds geldig. Wij adviseren u daarom de locatie van de halte nogmaals te

heroverwegen en te kiezen voor een locatie aan de oostzijde. Bovendien adviseren wij u in de toekomst bovenstaande argumenten ook zwaar mee te wegen bij de locatiekeuze voor de (eind) haltes van de andere, nog te realiseren, tramlijnen.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

59


Antwoord: De keuze voor een eindhalte aan de westzijde is niet nieuw in dit bestemmingsplan maar vloeit voort uit eerder gemaakte bestuurlijke keuzes, al uit de periode van het Masterplan voor het Stationsgebied. Tot nu heeft geen besluitvorming plaatsgevonden die leidt of zou moeten leiden tot een andere situering van de eindhalte van de tram. Om die reden kan in het bestemmingsplan voor het Stadskantoor en de OV-terminal dan ook niet worden uitgegaan van een andere situering van de eindhalte. De verbinding met de binnenstad is vanaf de westzijde van het station gewaarborgd door de interwijkverbinding aan de noordzijde van de stationshal. Deze verbinding is zowel in het Masterplan Stationsgebied als in het Structuurplan Stationsgebied aangegeven als onderdeel van de Centrumboulevard.

60 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


Bijlagen bij toelichting (apart bijlagenboek) Inhoudsopgave Bijlage 1

:

Structuurplan Stationsgebied

Bijlage 2

:

Toelichting ontwikkeling OV-terminal per planonderdeel

Bijlage 3

:

Macroscopische toelichting verkeerscijfers

Bijlage 4

:

Rapport structuurplan riolering en waterhuishouding Stationsgebied

Bijlage 5

:

Quickscan Sationsgebied

Bijlage 6

:

Vleermuisonderzoek

Bijlage 7

:

Concept risicoanalyse externe veiligheid

Bijlage 8

:

Masterplan ondergrondse infra Stationsgebied (verkenningsfase)

Bijlage 9

:

Windklimaatonderzoek stadskantoor OV-terminal

Bijlage 10

:

Notitie akoestisch effect verschuiving buurtsporen

Bijlage 11

:

Akoestisch effect verschuiving buurtsporen, figuur 1

Bijlage 12

:

Akoestisch effect verschuiving buurtsporen, figuur 2

Bijlage 13

:

Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer

Bijlage 14

:

Afvoer hemelwater

Bijlage 15

:

Tweede wateradvies OV-terminal, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Bijlage 16

:

Bomeninventarisatie

Bijlage 17

:

OV-Terminal archeologie en cultuurhistorie

Bijlage 18

:

Zienswijzennota vrijstellingsprocedure OV-terminal en stadskantoor

Bijlage 19

:

Risicoanalyse planschade stadskantoor

61 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


62 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Regels

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

63


64 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.2

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.3

afhaalzaak:

een specifieke vorm van detailhandel waar in hoofdzaak kant en klare maaltijden en kleine etenswaren, alsmede alcoholvrije drank en consumptie-ijs worden verkocht voor directe consumptie anders dan ter plaatse. 1.4

antenne-installatie:

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.5

antennedrager:

installatie of andere constructie bedoeld voor bevestiging van een antenne. 1.6

archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning op grond van de Monumentenwet 1988 beschikt. 1.7

archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.8

bebouwing:

ĂŠĂŠn of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.9

bebouwingspercentage:

het met een aanduiding of in de regels aangegeven percentage, dat aangeeft hoeveel van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen. 1.10

bedrijfsvloeroppervlak:

de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende

magazijnen en overige dienstruimten en met uitzondering van gebouwde (ondergrondse of halfverdiept gelegen) parkeervoorzieningen. Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

65


1.11

belhuis:

een onderneming die in de sfeer van publiekgerichte dienstverlening in hoofdzaak is gericht op het aanbieden van diensten op het gebied van telecommunicatie, zoals telefoon- en internetverbindingen. 1.12

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak. 1.13

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een

bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.15

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak. 1.16

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. 1.17

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18

bouwperceelsgrens:

een grens van een bouwperceel. 1.19

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.20

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect

met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.21

dak:

een bovenbeĂŤindiging van een gebouw. 1.22

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren en/of het leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of

aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Hieronder wordt niet verstaan afhaalzaken. 66 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

1.23

dienstverlening:

dienstverlening door een bedrijf of instelling dat in hoofdzaak baliewerkzaamheden verricht of andere diensten verleent, gericht op het publiek, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, pedicures, makelaars, reisen uitzendbureaus e.d.. Hieronder worden niet verstaan belhuizen. 1.24

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.25

hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de

bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.26

hoogte-accent:

een incidenteel en rank gebouw of een beperkt onderdeel van een gebouw, met een afwijkende bouwhoogte naar boven ten opzichte van de direct omliggende bebouwing, dat dient als markering en/of oriĂŤntatiepunt van een bijzondere plek in een wijk of buurt. 1.27

horeca:

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. 1.28

kantoor:

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat dient voor de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve werkzaamheden en voor zakelijke dienstverlening. 1.29

Lijst van Bedrijfsactiviteiten:

de Lijst van Bedrijfsactiviteiten (LvB) die onderdeel uitmaakt van deze regels, die een onderverdeling van bedrijfsactiviteiten aangeeft, die een gelijke of nagenoeg gelijke invloed hebben op een nabij gelegen of omringende woonomgeving. 1.30

Lijst van Horeca-activiteiten:

de Lijst van Horeca-activiteiten (LvH) die onderdeel uitmaakt van deze regels, die een onderverdeling van horeca-activiteiten aangeeft, die een gelijke of nagenoeg gelijke invloed hebben op een nabij gelegen of

omringende woonomgeving. 1.31

maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, religie, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren. 1.32

nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

67


1.33

0penbaar vervoer station:

het geheel van gebouwen, bouwwerken, voorzieningen en verkeer- en verblijfsruimten in de vorm van onder andere hallen, overkappingen, traversen, trappartijen, perrons, pleinen, abri's, loketten en aanwijsborden inclusief de daarbij behorende infrastructurele voorzieningen en werken in de vorm van spoorbanen,

trambanen, busbanen, verkeer- en gebouwde parkeervoorzieningen waaronder tevens worden verstaan

fietsparkeervoorzieningen, alsmede de daarbij behorende nutsvoorzieningen en technische installaties, die tezamen een op, in, uit en overstapplaats vormen voor het treinverkeer en verschillende (openbaar)vervoersmodaliteiten. 1.34

peil:

a.

voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg;

b.

voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het

c.

voor gebouwen die grenzen aan een dijk: de hoogte van de kruin van de dijk ter plaatse van het

aansluitende afgewerkte maaiveld; bouwwerk.

1.35

plan:

het bestemmingsplan Stadskantoor en OV-terminal van de gemeente Utrecht. 1.36

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling. 1.37

reizigers gerelateerde detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren en/of het leveren van reisgerelateerde goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik,

verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, en waarbij het maximale verkoopvloeroppervlak 200 m² per vestiging is. Hieronder worden tevens verstaan afhaalzaken. 1.38

reisgerelateerde goederen:

goederen die een directe relatie hebben met het reizen omdat zij gebruikt worden kort voor, tijdens of kort

na het reizen, zoals boeken, tijdschriften, souvenirs, bloemen en (voorverpakte) etenswaren en drinkwaren. 1.39

seksinrichting:

hieronder wordt in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf, seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub al dan niet in combinatie met elkaar. 1.40

stadskantoor:

gebouw waarin een groot aantal gemeentelijke diensten is gevestigd inclusief de daarbij behorende kantoren en vergaderzalen alsmede openbare publieksfuncties in de vorm van loketten, balies en ontvangstruimten. 1.41

verkoopvloeroppervlakte (vvo):

de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.

68 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

1.42

zendmast:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarop antenne-installaties worden geplaatst.

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

69


70 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Kantoor

Bestemmingsomschrijving

De voor Kantoor aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

kantoren;

b.

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-openbaar vervoerstation (sv-ovs)" tevens voor

c.

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-openbaar vervoer (sv-ov)" tevens voor

d.

ter plaatse van de aanduiding "gemengd (gd)" tevens voor dienstverlening, reizigers gerelateerde

e. f.

een hoogwaardig openbaar vervoer station als bedoeld in Artikel 5 van deze voorschriften; openbaar vervoer en de daarbij behorende wegen en voorzieningen;

detailhandel en horeca in de categorie C t/m D2 van de bij dit bestemmingsplan behorende Lijst van Horeca activiteiten;

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-voetgangers wijkverbindingzone (sv-vwz)" tevens voor een voetgangersverbinding langs de stationshal;

de bij de bestemming behorende verkeers-, (gebouwde) parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, erven en terreinen.

3.2

Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: 3.2.1

Gebouwen

a.

gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b.

indien er geen aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven, geldt als maximaal

c.

de hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte', mag niet worden overschreden;

d.

bebouwingspercentage 100%;

ten aanzien van de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-openbaar vervoerstation (sv-os)", is tevens het bepaalde in Artikel 5 van deze voorschriften van toepassing.

3.2.2 a. b. c.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen, met uitzondering van terrein- en erfafscheidingen welke niet meer dan 2 meter hoog mogen zijn.

het gestelde onder a. geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter geleiding, begeleiding en regeling van het (rail)verkeer.

In afwijking van het gestelde onder a. mag de bouwhoogte van vlaggenmasten niet meer dan 6 meter bedragen.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

71


3.3

Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het vestigen van een kinderdagverblijf, onder de volgende voorwaarden: y

er geen onevenredig nadelige gevolgen voor de omgeving wordenveroorzaakt, in de vorm van geluids-, verkeers- of parkeeroverlast;

y

voldaan wordt aan de eisen die de Wet geluidhinder stelt ten aanzien van dergelijke voorzieningen;

y

voorzien kan worden in voldoende buitenruimte.

72 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Artikel 4

4.1

Verkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

rijwegen;

b.

fiets- en voetpaden;

d.

water en kruisingen met water;

f.

hoogwaardig openbaar vervoerbanen;

h.

geluidwerende voorzieningen;

c.

parkeervoorzieningen;

e.

waterbeheer en waterberging;

g.

kruisingen met railverkeer;

i.

j.

ter plaatse van de aanduiding 'parkeren (pk)': uitsluitend voor (gebouwde) parkeervoorzieningen en de daarbijbehorende in - en uitritten;

de bij de bestemming behorende groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, gebouwde wachtruimten, fietsenstallingen, reclame-uitingen en (infrastructurele) kunstwerken.

4.2

Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen: 4.2.1

Gebouwen

a.

gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b.

het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage', mag niet

c.

indien er geen aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven, geldt als maximaal

d.

de hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte', mag niet worden overschreden;

e.

worden overschreden;

bebouwingspercentage 100%;

ter plaatse van de aanduiding 'parkeren' mogen (ondergrondse) parkeervoorzieningen worden gebouwd.

4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.

de bouwhoogte van fiets- en voetgangersbruggen mag niet meer bedragen dan 20 m;

c.

het gestelde onder a. geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter geleiding, begeleiding en

b.

de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen; regeling van het (rail)verkeer, waaronder tevens worden verstaan electronische openbaarvervoer- en verkeersinformatie systemen, alsmede voor windhinderbeperkende voorzieningen;

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

73


Artikel 5

5.1

Verkeer - Openbaar vervoerstation

Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer - openbaar vervoerstation aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

railverkeer;

b.

een hoogwaardig openbaar vervoerstation;

d.

verkeer - en verblijfsruimten;

f.

hoogwaardig openbaar vervoerbanen;

h.

gebouwde parkeervoorzieningen;

j.

geluidwerende voorzieningen;

c.

e.

g. i.

k. l.

kantoren; rijwegen;

kruisingen met railverkeer;

waterbeheer en waterberging;

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-voetgangers wijkverbindingzone (sv-vwz)" tevens voor een voegangersverbinding langs de stationshal;

ter plaatse van de aanduiding "gemengd (gd)" tevens voor dienstverlening, reizigers gerelateerde detailhandel en horeca in de categorie C t/m D2 van de bij dit bestemmingsplan behorende Lijst van Horeca activiteiten;

m. ter plaatse van de aanduiding "horeca (h)" tevens voor horeca in de categorie B t/m D2 van de bij dit bestemmingsplan behorende Lijst van Horeca activiteiten;

n.

de bij de bestemming behorende gebouwde wachtruimten, kunstwerken, informatievoorzieningen, technische installaties, trappartijen, paden, fietsenstallingen, nutsvoorzieningen, water, erven en terreinen.

5.2

Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, met in achtneming van de volgende bepalingen: 5.2.1

Gebouwen

a.

gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b.

indien er geen aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven, geldt als maximaal

c.

de hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte', mag niet worden overschreden;

d.

bebouwingspercentage 100%;

de gezamenlijke oppervlakte van reizigers gerelateerde detailhandel en horeca bedraagt 7.800 m² verkoop vloeroppervlak, met dien verstande dat:

y

de gezamenlijke oppervlakte ten behoeve van reizigers gerelateerde detailhandel bedraagt maximaal 2.730 m² verkoop vloeroppervlak, alsmede:

y

dat reizigers gerelateerde detailhandel uitsluitend mag worden gerealiseerd in eenheden van maximaal 200 m², aaneengesloten vloeroppervlak;

y

dat onvermindert het bepaalde in het vorige lid geclusterde winkels (winkel in winkle) niet groter mogen zijn dan maximaal 600 m² vloeroppervlak;

5.2.2

Bouwerken, geen gebouw zijnde

a.

de bouwhoogte van de bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter.

b.

het gestelde onder a. geldt niet voor bouwwerken geen gebouwen zijnde ter geleiding, begeleiding en regeling van het (rail)verkeer.

74 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

5.3 a.

Specifieke gebruiksregels In verband met de bescherming van de externe veiligheid van personen en groepen van personen die gebruik maken van het openbaar vervoerstation en de nabijgelegen gebouwen en voorzieningen worden de volgende gebruiksvoorwaarden opgenomen die een tijdsbeperking en een beschikbaarheidbeperking inhouden voor het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor;

y

Transport van gevaarlijke stoffen mag uitsluitend plaatsvinden tussen 19.00 uur en 7.00 uur;

y

Transport van gevaarlijke stoffen mag uitsluitend plaatsvinden over spoor 10.

b.

De gebruiksvoorwaarden onder a komen te vervallen wanneer anderszins kan worden aangetoond dat het groepsrisico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor aanvaardbaar kan worden

geacht.Hierbij wordt in ieder geval advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). c.

In verband met waarborging van de functie als wijkverbinding voor voetgangers tussen het oostelijk en

westelijk deel van het stationsgebied, dienen de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer-voetgangers wijkverbindingzone (sv-vwz)" 24 uur per dag openbaar toegankelijk te zijn.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

75


Artikel 6

6.1

Verkeer - Railverkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer - Railverkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

railverkeer;

b.

stationsvoorzieningen;

d.

parkeervoorzieningen;

f.

de bij de bestemming behorende gebouwde wachtruimten, seinhuizen en geleidingsvoorzieningen,

c.

e.

waterbeheer en waterberging; geluidwerende voorzieningen; kunstwerken, paden, fietsenstallingen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen.

6.2

Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, met in achtneming van de volgende bepalingen. 6.2.1 a.

b. c. d.

Gebouwen

gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

indien er geen aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven, geldt als maximaal bebouwingspercentage 100%;

de hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte', mag niet worden overschreden; in afwijking van het bepaalde onder a. mogen (ondergrondse) fietsenstallingen ook buiten het bouwvlak

worden gebouwd;

6.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a.

de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer bedragen dan de hoogte ter plaatse van de aanduiding

b.

de bouwhoogte van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter.

c.

'maximum bouwhoogte';

het gestelde onder b. geldt niet voor bouwwerken geen gebouwen zijnde ter geleiding, begeleiding en regeling van het (rail)verkeer.

6.3 a.

Specifieke gebruiksregels In verband met de bescherming van de externe veiligheid van personen en groepen van personen die

gebruik maken van het openbaar vervoerstation en de nabijgelegen gebouwen en voorzieningen worden de volgende gebruiksvoorwaarden opgenomen die een tijdsbeperking en een beschikbaarheidbeperking inhouden voor het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor;

y

Transport van gevaarlijke stoffen mag uitsluitend plaatsvinden tussen 19.00 uur en 7.00 uur;

y

Transport van gevaarlijke stoffen mag uitsluitend plaatsvinden over spoor 10.

b.

De gebruiksvoorwaarden onder a komen te vervallen wanneer anderszins kan worden aangetoond dat het groepsrisico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor aanvaardbaar kan worden geacht.Hierbij wordt in ieder geval advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Utrecht (VRU).

76 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Artikel 7

7.1

Verkeer - Verkeer en verblijf

Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer - Verkeer en verblijf aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

verkeers- en verblijfsgebied voor gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer;

b.

water, waterbeheer en waterberging;

c.

d. e. f.

g. h.

kruisingen met wegverkeer en hoogwaardig openbaarvervoerbanen; groenvoorzieningen;

speelvoorzieningen;

hoogwaardig openbaar vervoerbanen;

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer- fietsgebouw (sv-f)" uitsluitend gebouwde fietsparkeervoorzieningen;

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer- fietsgebouw ontsluiting (sv-fos)", uitsluitend ontsluitingen in de vorm van opgangen, entreepartijen en/ of trappartijen ten behoeve van gebouwde fietsparkeervoorzieningen;

i.

j.

evenementen;

en bij de bestemming behorende gebouwde wachtruimten, wegen, voet- en fietspaden, geluidwerende voorzieningen, fietsenstallingen, nutsvoorzieningen, kunstwerken, trappartijen en pleinen.

7.2

Bouwregels

7.2.1

Gebouwen

a.

gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b.

indien er geen aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven, geldt als maximaal

c.

de hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte', mag niet worden overschreden;

d.

bebouwingspercentage 100%;

ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - fietsgebouw ontsluiting sv-fos", mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van de ontsluiting van gebouwde fietsparkeervoorzieningen worden gebouwd;

7.2.2

Bouwwerken, geen gebouw zijnde

a.

de bouwhoogte van fiets- en voetgangersbruggen mag niet meer bedragen dan 20 m;

c.

het gestelde onder b. geldt niet voor bouwwerken geen gebouwen zijnde ter geleiding, begeleiding en

b.

de bouwhoogte van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter. regeling van het (rail)verkeer.

7.3

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van het gebied, ter plaatse van de aanduiding 'Wrozone - wijzigingsgebied', gedeeltelijk wijzigen naar de bestemming Horeca in de categorie D1 en D2 van de bij dit bestemmingsplan behorende Lijst van Horeca activiteiten , met in achtneming van de volgende regel. 7.3.1

Wijzigingsregels

De oppervlakte van de bebouwing mag bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid niet meer bedragen dan 500 m2, terwijl de hoogte niet meer dan 8 meter mag bedragen.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

77


Artikel 8

8.1

Waarde - Archeologie

Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachting. 8.2

Specifieke gebruiksregel

Onder met het bestemmingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen, het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg.

78 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 3 Artikel 9

Algemene regels

Antidubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

79


Artikel 10 a.

Algemene bouwregels

Bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingsgrenzen, aanduidingen en bestemmingsregels worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappenhuizen, hellingbanen, entreeportalen, veranda's en afdaken en andere

b.

ondergeschikte bouwdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m.

De hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte', mag worden overschreden door dakranden en/of borstweringen, al dan niet als onderdeel van een gevel, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m.

c.

De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard

blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende bepalingen: 1.

de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen;

2.

de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;

4.

het bouwen bij hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransportleidingen;

6.

de ruimte tussen bouwwerken.

3. 5.

de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten; de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden;

80 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Artikel 11

Algemene gebruiksregels

Onder met het bestemmingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik van of het laten gebruiken van: a.

onbebouwde gronden als staan- of ligplaats voor onderkomens;

b.

onbebouwde gronden en/of bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen;

d.

onbebouwde gronden als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan;

c.

e.

onbebouwde gronden als kampeerterrein;

onbebouwde gronden als stortplaats voor puin en afvalstoffen, voor zover dit niet betreft het storten of opslaan in bij gebouwen behorende erven en terreinen van geringe hoeveelheden afvalstoffen die afkomstig zijn van het onderhoud van deze erven en terreinen.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

81


Artikel 12

Algemene ontheffingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van: a. b.

c. d.

e.

de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;

de bestemmingsbepalingen voor het toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting

van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;

het plaatsen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van vlucht- en/of noodtrappen; het overschrijden van de maximale bouwhoogte van gebouwen voor het plaatsen van hekwerken of

borstweringen ten behoeve van dakterrassen, met dien verstande dat de maximale bouwhoogte met niet meer dan 1,50 meter mag worden overschreden;

de bestemmingsbepalingen voor het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bestemmingsgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of

onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele f.

verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt;

de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde,en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;

g.

h.

de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en

toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 55 meter;

het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt verhoogd ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, trappenhuizen, lichtkappen en andere ondergeschikte bouwdelen.

82 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Artikel 13

Algemene procedureregels

Bij toepassing van een ontheffingsbevoegdheid, zoals bedoeld in deze regels, worden de navolgende procedureregels in acht genomen: a. b.

het ontwerpbesluit tot ontheffing of het stellen van nadere eisen ligt met bijbehorende stukken gedurende 2 weken ter inzage;

burgemeester en wethouders maken de onder a bedoelde ter inzage legging tevoren bekend in ĂŠĂŠn of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, alsmede op de gebruikelijke en electronische wijze;

c.

gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij burgemeester en wethouders

schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

83


84 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Hoofdstuk 4 slotregels Artikel 14 14.1 1.

Overgangs- en

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a.

b.

gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is

teniet gegaan. 2. 3.

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten

van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10 %.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van

inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.2

Overgangsrecht gebruik

1.

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het

2.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen

3.

bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te

laten hervatten. 4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

85


Artikel 15

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Stadskantoor en OV-terminal.

86 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Bijlagen

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

87


88 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

Bijlage 1

Lijst van Bedrijfsactiviteiten

Toelichting regeling toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieĂŤn. Voor de indeling in de categorieĂŤn zijn de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten van belang: y

geluid;

y

geur;

y

stof;

y

gevaar (met name brand- en explosiegevaar).

Daarnaast kan de verkeersaantrekkende werking van een bedrijf relevant zijn. Toepassing Lijst van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging" Algemeen In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2007) zijn twee VoorbeeldStaten voor milieuzonering opgenomen, namelijk de 'VoorbeeldStaat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen' en de ' VoorbeeldStaat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging'. De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte Lijst van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' (SvB 'functiemenging') is gebaseerd op de tweede VoorbeeldStaat in de VNG-publicatie Bedrijven en

milieuzonering (2007). De SvB 'functiemenging' wordt gehanteerd in gebieden waar bedrijven of andere milieubelastende functies verspreid zijn gesitueerd tussen woningen en/of andere gevoelige functies.

Onderstaand wordt hier meer in detail op ingegaan. Het gaat in dergelijke gebieden in het algemeen om relatief kleinschalige bedrijvigheid die op korte afstand van woningen kan worden toegestaan. De toelaatbaarheid van activiteiten wordt voor dergelijke gebieden in de VNG-publicatie (en de SvB 'functiemenging') bepaald met behulp van op deze situaties toegesneden toelatingscriteria. Functiemengingsgebieden In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust

functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de SvB 'functiemenging' toegepast. Zoals in de VNG-publicatie reeds is aangegeven kan bij functiemengingsgebieden gedacht worden aan: y

stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;

y

horecaconcentratiegebieden;

y

zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen;

y

(delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.

Daarnaast kan ook in (delen van) woongebieden waar enige vorm van bedrijvigheid aanwezig of gewenst is de SvB 'functiemenging' worden toegepast. Kenmerken van de activiteiten De activiteiten in dergelijke gebieden verschillen in het algemeen qua aard en schaal sterk van de activiteiten op een bedrijventerrein. Behalve in historisch gegroeide situaties gaat het in hoofdzaak om:

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

89


y y

kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid;

bedrijven waarbij de productie en/of laad- en loswerkzaamheden noodzakelijkerwijs alleen in de dagperiode plaatsvindt;

y

activiteiten die hoofdzakelijk inpandig geschieden.

De toegepaste Lijst van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' De bovengenoemde criteria liggen mede ten grondslag aan de selectie van activiteiten die zijn opgenomen in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'. In de Lijst van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' zijn de aspecten geluid, geur, stof en gevaar en de index voor verkeersaantrekkende werking (zoals aangegeven onder het kopje 'Regeling toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten met behulp van milieuzonering') in de categorisering opgenomen. Deze Lijst is samengesteld volgens dezelfde methodiek als de betreffende VoorbeeldStaat uit de VNG-publicatie. Op twee punten is een andere werkwijze toegepast: In dit plan wordt alleen de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten gekoppeld aan de Lijst. In de Lijst van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' zijn daarom alleen de activiteiten opgenomen die passen binnen de definitie van bedrijf volgens de begripsbepalingen in de regels van dit bestemmingsplan). De toelaatbaarheid van andere functies wordt in dit plan indien nodig op een andere wijze in de regels en

op de plankaart van dit bestemmingsplan geregeld (bijvoorbeeld horecabedrijven via een afzonderlijke Lijst van Horeca-activiteiten). Toegevoegd zijn enkele regelmatig voorkomende bedrijfsactiviteiten die in de lijst van de VNG-publicatie niet specifiek zijn opgenomen, maar wel aan de genoemde criteria

voldoen zoals een ambachtelijke glas-in-loodzetterij en caravanstalling. Voor aannemers, SBI-code 45, heeft een nadere specificatie van de activiteiten plaatsgevonden met bijbehorende categorie-indeling die is afgestemd op de verwachte milieueffecten) van deze activiteiten. In de Lijst van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' is in de categorie-indeling een nader onderscheid gemaakt tussen categorie B1 en B2. Voor de toepassing in dit bestemmingsplan blijkt het onderscheid

tussen categorie A en categorie B zoals beschreven in de VNG-publicatie te groot om de toelaatbaarheid van activiteiten voldoende af te kunnen stemmen op de kenmerken van de functiemengingsgebieden en

het daarin te volgen beleid. Categorie-indeling

Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke

systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De Lijst van Bedrijfsaciviteiten 'functiemenging'

hanteert vier categorieĂŤn A, B1, B2 en C met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid die onderstaand uiteen zijn gezet. Categorie A

Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Categorie B1

Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven

gebied

met

functiemenging

zijn

toegestaan.

milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.

)

De

activiteiten

zijn

zodanig

weinig

Categorie B2 Bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden

van woningen/andere gevoelige functies. Bouwkundig afgescheiden betekent dat de panden los van elkaar dienen te staan. Uitzondering hierop vormen binnenterreinen omringd door voornamelijk woningen: 90 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)


StadsOntwikkeling

ook al zijn bedrijven bouwkundig afgescheiden van woningen, op deze locaties zijn hooguit categorie B1 bedrijven toegestaan. Categorie C Activiteiten genoemd onder categorie B2, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is. Flexibiliteit De Lijst van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' blijkt in de praktijk een relatief grof hulpmiddel te zijn om hinder door bedrijfsactiviteiten in te schatten. De inschalingen gaan uit van een gemiddeld bedrijf met een moderne bedrijfsvoering. Het komt in de praktijk voor dat een bepaald bedrijf als gevolg van een geringe

omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de LIjst van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' is verondersteld. In de regels is

daarom bepaald dat het college van burgemeester en wethouders een dergelijk bedrijf toch via een ontheffing kan toestaan, indien dit bedrijf niet binnen de algemene toelaatbaarheid past. Bij de LIjst van

Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' is deze mogelijkheid beperkt tot maximaal 1 categorie (dus bijvoorbeeld categorie B1 in plaats van A of categorie B2 in plaats van B1). Om deze ontheffing te kunnen verlenen moet

worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met andere bedrijven uit de desbetreffende lagere categorie. Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich aandienen, waarvan de activiteiten in de Lijst van

Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' niet zijn genoemd, maar die qua aard en invloed overeenkomen met bedrijven die wel zijn toegestaan. Met het oog hierop is in de regels bepaald dat het college van

burgemeester en wethouders vestiging van een dergelijk bedrijf via een ontheffing kan toestaan. Om deze ontheffing te kunnen verlenen moet op basis van milieutechnisch onderzoek worden aangetoond dat het

bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met direct toegelaten bedrijven.

Voor de concrete toetsing van een verzoek om ontheffing wordt verwezen naar bijlage 5 van de VNGpublicatie Bedrijven en milieuzonering.

Lijst van afkortingen in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten "functiemenging" -

niet van toepassing of niet relevant

o.c.

opslagcapaciteit

< >

kleiner dan

groter

p.c.

productiecapaciteit

=

cat.

gelijk aan

categorie

b.o.

bedrijfsoppervlak

e.d.

en dergelijke

u

uur

n.e.g.

niet elders genoemd

w

kl.

klasse

p.o.

productieoppervlak

v.c.

verwerkingscapaciteit

d

dag

week

j

jaar

SBI-CODE

OMSCHRIJVING nu

CATEGO

mm

RIE

er 01

-

014

0

014

1

014

3

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

LANDBOUW EN DIENSTVERLENING

TEN BEHOEVE VAN DE LANDBOUW Dienstverlening ten behoeve van de landbouw: -

algemeen (onder andere

-

plantsoenendiensten en

loonbedrijven), b.o < 500 m²

91

B1 B1


hoveniersbedrijven, b.o. < 500 m²

15

-

151

0

VERVAARDIGING VAN

VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Slachterijen en overige vleesverwerking: -

151

4

1552

1

vleeswaren- en

vleesconservenfabrieken, p.o. < Consumptie-ijsfabrieken, p.o. < 200 m²

Broodfabrieken, brood- en 1581

0

B2

200 m²

banketbakkerijen, v.c. < 2.500 kg

B1 B1

meel/week

Verwerking cacaobonen en 1584

0

vervaardiging chocolade- en suikerwerk: -

cacao- en

chocoladefabrieken, vervaardigen 1584

1

1584

5

-

suikerwerkfabrieken zonder

suiker branden, p.o. < 200 m²

Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen en artikelen

-

181

B1 B1

VERVAARDIGING VAN TEXTIEL Vervaardiging van textielwaren

176, 177

18

-

dergelijke

174, 175

B1

200 m²

Vervaardiging van wijn, cider en

1593 t/m 1595 17

van chocoladewerken met p.o. <

B2 B2

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging kleding van leer

B2

HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING 20

-

ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK EN DERGELIJKE

Timmerwerkfabrieken, vervaardiging 203, 204, 205

1

overige artikelen van hout, p.o. < 200 m² Kurkwaren-, riet- en

205

B2

vlechtwerkfabrieken

B1

UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN 22 2222.6 92 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

-

REPRODUCTIE VAN OPGENOMEN MEDIA

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

B1


StadsOntwikkeling

2223

A

Grafische afwerking

A

2223

B

Binderijen

B1

2224

Grafische reproductie en zetten

B1

2225

Overige grafische activiteiten

B1

Reproductiebedrijven opgenomen

223

media

A

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE

24

-

2442

0

Farmaceutische productenfabrieken:

2442

2

-

PRODUCTEN verbandmiddelenfabrieken

B1

VERVAARDIGING VAN GLAS, 26

-

AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUCTEN

2612

Glas-in-lood-zetterij

B1

2615

Glasbewerkingsbedrijven

B2

262, 263

0

262, 263

1

267

0

Natuursteenbewerkingsbedrijven:

267

2

-

2681

Aardewerkfabrieken: -

vermogen elektrische ovens

totaal < 40 kW

indien p.o. < 2.000 m²

Slijp- en polijstmiddelen fabrieken

B1 B2 B2

VERVAARDIGING VAN PRODUCTEN 28 281

-

VAN METAAL (EXCLUSIEF MACHINES/ TRANSPORTMIDDELEN) -

1a 200 m²

gesloten gebouw, p.o. <

Smederijen, lasinrichtingen, 284

bankwerkerijen en dergelijke, p.o. <

B1 200 m²

2852

2

287

B

30 30

A

Overige metaalbewerkende industrie, inpandig, p.o. < 200 m²

Overige metaalwarenfabrieken n.e.g.; inpandig, p.o. < 200 m²

B2 B2 B2 B2

VERVAARDIGING VAN

KANTOORMACHINES EN COMPUTERS Kantoormachines- en computerfabrieken

B1

VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN 33

-

OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN

Fabrieken voor medische en optische 33 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

A

apparaten en instrumenten en dergelijke 93

B


36

-

361

2

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.

Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m² Fabricage van munten, sieraden en

362

dergelijke

A B1

363

Muziekinstrumentenfabrieken

B1

3661.1

Sociale werkvoorziening

B1

PRODUCTIE EN DISTRIBUTIE VAN 40 40

-

STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER

Elektriciteitsdistributiebedrijven, met

C0 transformatorvermogen:

40

C1 -

40

D0 Gasdistributiebedrijven: -

40

gas: reduceer-, compressor-

, meet- en regelinstallaties categorie

D3 A -

40

< 10 MVA

gasdrukregel- en

meetruimten (kasten en gebouwen),

D4 categorie B en C E0 gasgestookt:

40

E2 -

41

-

blokverwarming

B1

Waterdistributiebedrijven met

B0 pompvermogen:

41

B1 3

< 1 MW

Aannemersbedrijf of bouwbedrijf met werkplaats, b.o. < 1.000 m² spuiterij)

2

B1

BOUWNIJVERHEID

Bouwinstallatie algemeen (exclusief

453 453

B1

WINNING EN DISTRIBUTIE VAN WATER

41

45

A

Warmtevoorzieningsinstallaties,

40

45

B1

Elektrotechnische installatie

B1 B1 B1

HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, 50

-

MOTORFIETSEN;

BENZINESERVICESTATIONS Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

501, 502, 504 5020.4 5020.5 503, 504 94 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

B1

(exclusief plaatwerkerij of spuiterij) B

Autobeklederijen

A

Autowasserijen

B1

Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -

B1


StadsOntwikkeling

accessoires

51

-

GROOTHANDEL EN

HANDELSBEMIDDELING

5134

Groothandel in dranken

C

5135

Groothandel in tabaksproducten

C

Groothandel in suiker, chocolade en

5136

suikerwerk Groothandel in koffie, thee, cacao en

5137

specerijen

Groothandel in overige

514 5148.7 5148.7 5153

consumentenartikelen 0 1 0

C C C

Groothandel in vuurwerk en munitie: -

consumentenvuurwerk,

verpakt, opslag < 10 ton

B1

Groothandel in hout en bouwmaterialen:

5153

1

-

algemeen

C

5153

2

-

indien b.o. < 2.000 m²

B1

5153.4

4

Zand en grind:

5153.4

6

-

indien b.o. < 200 m²

B1

Groothandel in ijzer- en metaalwaren

5154

0

5154

1

-

en verwarmingsapparatuur: algemeen

C

5154

2

-

indien b.o. < 2.000 m²

B1

Groothandel in overige intermediaire

5156

goederen

C

Groothandel in machines en

apparaten, opp >= b.o. 2.000 m², 5162

2

exclusief machines voor de bouwnijverheid

Groothandel in machines en apparaten, opp < 2000 m², exclusief

5162

(bedrijfsmeubels, emballage,

517

-

REPARATIE TEN BEHOEVE VAN PARTICULIEREN particulieren (exclusief auto's en

527

Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

A

motorfietsen) -

6022 6024

C

vakbenodigdheden en dergelijke)

Reparatie ten behoeve van

60

B1

machines voor de bouwnijverheid Overige groothandel

52

C

VERVOER OVER LAND Taxibedrijven

0

Goederenwegvervoerbedrijven

(zonder schoonmaken tanks), b.o. < 95

B1 C


1.000 m² Pomp- en compressorstations van

603

pijpleidingen

DIENSTVERLENING TEN BEHOEVE VAN

63

-

6321

3

Caravanstalling

64

-

POST EN TELECOMMUNICATIE

641

B1

HET VERVOER

Post- en koeriersdiensten

B1

C

VERHUUR VAN 71

-

711

TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN Personenautoverhuurbedrijven Verhuurbedrijven voor

transportmiddelen (exclusief

712

Verhuurbedrijven voor machines en werktuigen

-

INFORMATIETECHNOLOGIE informatietechnologiebureaus en

72

A

72

B

Switchhouses

73

-

SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK geesteswetenschappelijk onderzoek

-

7481.3

9001

dergelijke

C A

MILIEUDIENSTVERLENING B

Rioolgemalen

93

-

OVERIGE DIENSTVERLENING

9301.3

A

Wasverzendinrichtingen

96 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

A

DIENSTVERLENING Veilingen voor huisraad, kunst en

90

B1

OVERIGE ZAKELIJKE Foto- en filmontwikkelcentrales

7484.4

A

dergelijke

Maatschappij- en

732

C

COMPUTERSERVICE- EN Computerservice- en

74

C

personenauto's)

713

72

B2

B1

B1


StadsOntwikkeling

Bijlage 2

Lijst van Horeca-activiteiten

Toelichting Lijst van Horeca-activiteiten Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan, in verband met de overlast die horecabedrijven voor

omwonenden kunnen meebrengen, in het bestemmingsplan bij het toelaten van horecabedrijven aan de hand van ruimtelijk relevante criteria als aard, omvang en parkeerdruk een onderscheid gemaakt worden in categorieën horecabedrijven.

In dit bestemmingsplan is een functionele differentiatie in "harde" tot "zachte" typen van horecabedrijven

opgenomen. De regeling geeft een kwalitatieve beperking ten aanzien van het type horecabedrijf dat zich mag vestigen in de woonomgeving. De regeling beoogd de nadelige invloeden van de vestiging van horecabedrijven op het woon- en leefklimaat in de omgeving te voorkomen.

De Lijst van Horeca-inrichtingen kent een indeling in vier categorieën. De categorieën van A tot en met D

lopen af in de zwaarte van de overlast die horecabedrijven voor omwonenden kunnen meebrengen. In geval van meerdere soorten activiteiten in één inrichting telt de activiteit in de zwaarste categorie voor de typeindeling van de inrichting. De volgende categorieën van horecabedrijven zullen voortaan worden onderscheiden met als uitgangspunt hun invloed op het woon- en leefklimaat: Categorie A.

Discotheek; bardancing; zaalverhuur/party-centra (regulier gebruik t.b.v. feesten en

Categorie B.

Café; bar; brasserie

Categorie C.

Cafetaria; snackbar; grillroom; fastfood-restaurant; automatiek; snelbuffet

Categorie D.

Restaurant; bistro; crêperie, lunchroom;konditorei; Koffie-/theehuis; IJssalon

muziek-/dansevenementen, i.t.t. zaalverhuur t.b.v. congressen en seminars)

Onderscheid café-disco Het verschil tussen een café en een disco zit in het gelegenheid geven tot dansen als wezenlijk onderdeel van de inrichting. Cafetaria/snackbar Het verschil tussen een lunchroom en een cafetaria/snackbar zit in het feit dat cafetaria al dan niet voor

consumptie ter plaatse bereide etenswaren verstrekt. Het betreft hier laagdrempelige inrichtingen met veel in- en uitgaande bewegingen, die veelal laat open zijn. Deze zaken zijn hoofdzakelijk ingericht voor het

meenemen dan wel snel nuttigen ter plaatse van etenswaren. De aantasting van het woon- en leefklimaat wordt vooral veroorzaakt door afval op straat van buiten de inrichting geconsumeerde spijzen en de daarbij behorende stank- en geluidsoverlast. Afhaalcentra Een winkel met als nevenfunctie een horecavoorziening valt bestemmingsplan technisch gezien onder de

detailhandelsfunctie. Voorwaarde is dat het horeca-aspect een ondergeschikt deel uitmaakt van het geheel. Hiermee wordt voorkomen dat het probleem van branchevervaging leidt tot het vestigen van winkelfuncties

die in de loop van de tijd veranderen in horecafuncties. Definitie afhaalcentrum: "detailhandelsvestiging met een horeca-exploitatievergunning op grond van de horeca-exploitatieverordening Utrecht". Additionele horeca Bij deze categorie gaat het om horeca-activiteiten die neven- of ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie van

de instelling. Deze activiteiten worden juridisch-planologisch gezien niet onder de functie "horeca" begrepen, maar onder de bestemming van de hoofdfunctie van de instelling sociaal-

culturele/maatschappelijke/(sportief-)recreatieve doeleinden) gerekend. Voor de toepassing van de Lijst van Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)

97


Horeca-inrichtingen wordt onder een horecabedrijf het volgende begrepen: een bedrijf of instelling waar 1. bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, en/of; 2. bedrijfsmatig zaal accommodatie wordt geëxploiteerd. Categorie: A

Inrichting: discotheek bar-dancing zaalverhuur/partycentra1

B

café bar brasserie

C

cafetaria snackbar grill-room fastfood-restaurant automatiek snelbuffet restaurant bistro crêperie lunchroom, konditorei

D1 D2

koffie-/theehuis

Activiteiten: Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het bedrijfsmatig ten gehore brengen van muziek en het geven van gelegenheid tot dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en kleine etenswaren, alsmede de verstrekking van (alcoholhoudende) dranken ter plaatse, al dan niet met levende muziek en al dan niet met kleine etenswaren. Het accent ligt op het ten gehore brengen van muziek en het gelegenheid geven tot dansen. Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van (alcoholhoudende) dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren. Het accent ligt op de verstrekking van drank. Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van (al dan niet voor consumptie ter plaatse) bereide etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholvrije dranken. Het accent ligt op de verstrekking van al dan niet voor consumptie ter plaatse bereide, kleine etenswaren. Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken. Een daghorecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het al dan niet voor gebruik ter plaatse verstrekken van al dan niet in dezelfde onderneming bereide of bewerkte etenswaren en dranken. Een daghorecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholvrije dranken, met als nevenactiviteit het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren. Het accent ligt op de verstrekking van alcoholvrije dranken.

Een daghorecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van consumptie-ijs voor gebruik ter plaatse. Daghoreca (D.2) is gebonden aan de openingstijden zoals die gelden voor detailhandel, conform de winkeltijdenwet en de gemeentelijke regelgeving aangaande winkeltijden. Bij deze horeca moet de aard en omvang van de bedrijfsactiviteit te passen binnen een overwegend winkelgebied (centrumgebied) en is zij geheel of overwegend gebonden aan c.q. ondersteunend voor de (winkel)functie van dat gebied, daarbij lettend op de aard en de ligging van de andere gebruiksvormen in en het karakter van het gebied. 1regulier gebruik t.b.v. feesten en muziek- en dansevenementen, in tegenstelling tot zaalverhuur voor congressen en seminars. ijssalon

Voor de toepassing van de lijst van horeca-inrichtingen wordt onder een horecabedrijf het volgende begrepen een bedrijf of instelling waar: 1.

bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, en/of,

2.

bedrijfsmatig zaal accommodatie wordt geëxploiteerd.

98 Bestemmingsplan "Stadskantoor en OV-terminal" (ontwerp)



Bestemmingsplan Stadskantoor OV-terminal