

WOR tekst en commentaar 2026
Samengesteld door:
mr. L.I. Hofstee
DingemansVanderKind advocaten en mediators te Amsterdam
VMN media, 2026
Samenstellers en uitgever zijn zich volledig bewust van hun taak een zo betrouwbaar mogelijke uitgave te verzorgen. Niettemin kunnen zij geen enkele aansprakelijkheid aanvaarden voor (de gevolgen van) onvolkomenheden die eventueel in deze uitgave voorkomen.
ISBN 978-94-6215-925-9 (Paperback)
NUR 807
© 2026 VMN media
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, in fotokopie of anderszins zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan Stichting Reprorecht, Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp.
Correspondentie inzake overneming of reproductie richten aan: VMN media, Utrechtseweg 44, 3704 HD Zeist.
Voorwoord
Voor u ligt de herziene uitgave van Wet op de ondernemingsraden tekst en commentaar, editie 2026. De Wet op de ondernemingsraden heeft in 2025 haar 75-jarig bestaan gevierd. De toelichting op de wet heeft sinds haar inwerkingtreding een ingrijpende ontwikkeling laten zien, niet alleen door diverse wetswijzigingen in deze wet sinds de inwerkingtreding, maar vooral door rechtspraak van de Ondernemingskamer en de Hoge Raad en van vele kantonrechters.
Helaas geen wetswijzigingen dit keer, die staan op de planning van de regering voor een later tijdstip. Maar wel interessante rechtspraak van kantonrechters, gerechtshoven en de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Vanzelfsprekend is deze rechtspraak verwerkt bij de toelichting op de diverse artikelen.
Interessante uitspraken zijn gewezen over de medezeggenschapsstructuur in diverse ondernemingen, over geheimhouding door leden van de ondernemingsraad en over benadeling van or-leden. Ook zijn er uitspraken terug te vinden over bovenwettelijke bevoegdheden van de ondernemingsraad die zijn overeengekomen in een ondernemingsovereenkomst of anderszins zijn toegekend. En vanzelfsprekend heeft de Ondernemingskamer zich weer diverse keren uitgelaten over de toepasselijkheid van het adviesrecht en de wezenlijke invloed die een ondernemingsraad op de besluitvorming van de bestuurder dient te hebben. De relatie tussen het instemmingsrecht en primaire arbeidsvoorwaarden is daarnaast ook diverse keren onderwerp van discussie geweest, iets wat niet vaak gebeurt. En het blijkt dat de ondernemingsraad van AH e-Commerce opnieuw is gaan procederen. Mijn oproep om in mediation te gaan is duidelijk niet opgevolgd.
Bij de Ondernemingskamer zijn net als in andere jaren veel verzoekschriften ingediend, waarvan er opnieuw veel zijn ingetrokken nadat partijen met elkaar in gesprek zijn getreden. Uiteindelijk worden er daardoor jaarlijks gemiddeld vijf beschikkingen door de Ondernemingskamer gewezen. Het drievoudige aantal wordt beslecht door de kantonrechter of door het gerechtshof in hoger beroep. Daarmee kent het medezeggenschapsrecht een overzichtelijke ontwikkeling in de rechtspraak, die wel van doorslaggevend belang kan zijn in de praktijk voor ondernemingsraden en bestuurders.
Mr. Inge Hofstee
INHOUD
Voorwoord / V
Wet op de ondernemingsraden / 9
I Algemene bepalingen / 11
II De instelling van ondernemingsraden / 21
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden / 31
IV Het overleg met de ondernemingsraad / 67
IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad / 79
IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad / 125
IVC Verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad / 137
V De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden / 141
VA De medezeggenschap in kleine ondernemingen / 149
VI De algemene geschillenregeling / 159
VII De bedrijfscommissies / 165
VIIA Bijzondere taak Sociaal-Economische Raad / 169
VIIB Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid / 171
VIII Overgangs- en slotbepalingen / 181 Register / 187
WET OP DE ONDERNEMINGSRADEN
I Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Raad: De Sociaal-Economische Raad, bedoeld in de Wet op de Sociaal-Economische Raad;
c. onderneming: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht;
d. ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming in stand houdt;
e. bestuurder: hij die alleen dan wel te zamen met anderen in een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid;
f. bedrijfscommissie: de bevoegde bedrijfscommissie, bedoeld in de artikelen 37 en 46.
2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder in de onderneming werkzame personen verstaan: degenen die in de onderneming werkzaam zijn krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij dan wel krachtens een arbeidsovereenkomst met de ondernemer die de onderneming in stand houdt. Personen die in meer dan een onderneming van dezelfde ondernemer werkzaam zijn, worden geacht uitsluitend werkzaam te zijn in die onderneming van waaruit hun werkzaamheden worden geleid.
3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder in de onderneming werkzame personen mede verstaan:
a. degenen die in het kader van werkzaamheden van de onderneming daarin ten minste 15 maanden werkzaam zijn krachtens een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek, en
b. degenen die krachtens een publiekrechtelijke aanstelling bij dan wel krachtens arbeidsovereenkomst met de ondernemer werkzaam zijn in een door een andere ondernemer in stand gehouden onderneming.
4. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden
de bestuurder of de bestuurders van een onderneming geacht niet te behoren tot de in de onderneming werkzame personen.
Toelichting
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (eerste lid onder a)
De Minister is onder meer belast met het goedkeuren van verordeningen van de Sociaal-Economische Raad (SER) met betrekking tot de inhoud van het reglement (artikel 8, tweede lid). Daarnaast kan de Minister regels stellen ten aanzien van de verslaglegging van de bedrijfscommissies, die jaarlijks aan de Minister en aan de SER verslag uitbrengen van hun werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar (artikel 40). Door het afschaffen van de verplichte bemiddeling door de bedrijfscommissies is het aantal bemiddelingen door de bedrijfscommissies sterk gedaald. Inmiddels zijn er nog maar twee bedrijfscommissies, een voor de markt en een voor de overheid. Zie ook de toelichting bij de artikelen 36 en 37.
SER (eerste lid onder b)
De SER heeft onder meer als taak het bevorderen van de medezeggenschap in ondernemingen, zoals volgt uit artikel 46a. Zie verder de toelichting op artikel 46a. De SER heeft naast het vaststellen van verordeningen waaraan de Minister zijn goedkeuring moet geven (artikel 8, tweede lid) de bevoegdheid om voor ten hoogste vijf jaar vrijstelling te verlenen van de verplichting een ondernemingsraad in te stellen (artikel 5). Daarnaast heeft de SER een taak met betrekking tot de instelling, samenstelling en kosten van de bedrijfscommissies (artikelen 37, 38, 39 en 41).
Onderneming (eerste lid onder c)
Het begrip onderneming staat centraal in de wet. De onderneming is de ‘arbeidsgemeenschap’, dus de plaats waar de activiteiten plaatsvinden en waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Drie elementen dienen aanwezig te zijn om van een onderneming te kunnen spreken:
– er moet een organisatorisch verband bestaan van samenwerkende personen;
– deze personen dienen krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling werkzaam te zijn;
– het organisatorisch verband moet als zelfstandige eenheid (naar buiten) optreden.
Van een zelfstandige eenheid is in de regel sprake indien de onderneming – vaak maar niet noodzakelijk onder eigen naam – naar buiten treedt en als zodanig zelfstandig met derden overeenkomsten sluit en aan derden goederen of diensten levert. Een productielocatie, het kantoor van een handelsonderneming, een filiaal van een bank of bijvoorbeeld een winkel
van een winkelketen kan meestal als onderneming in de zin van de wet worden aangemerkt. Deze locaties, kantoren, winkels of filialen sluiten namelijk in de regel zelfstandig overeenkomsten met derden en leveren die derden goederen of diensten. Ook een ministerie en een waterschap zijn ondernemingen in de zin van de wet. Hetzelfde geldt voor de afzonderlijke vestigingen van de belastingdienst, de provincies en de gemeenten. De wet is ook van toepassing op een buitenlandse rechtspersoon die in Nederland activiteiten verricht. Daarvoor is dan wel vereist dat het organisatorisch verband dat in Nederland in stand wordt gehouden als een onderneming, lees: als een zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband, wordt gedreven. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van UWV Arbeidsjuridische Dienst, 19 maart 2019 inzake Ryanair (JAR 2019/96). Treedt de organisatorische eenheid niet zelfstandig naar buiten, dan spreekt de wet over een ‘onderdeel’ van de onderneming. Dat doet zich bijvoorbeeld voor indien die eenheid uitsluitend goederen en diensten levert aan de eigen onderneming. Als voorbeeld kunnen worden genoemd de drukkerij van een metaalbedrijf die uitsluitend het interne drukwerk verzorgt of de inkoopafdeling van een grootwinkelbedrijf. Voorbeelden van een ‘onderdeel’ van de onderneming bij de overheid zijn een directoraat-generaal of directie bij een ministerie en een dienst bij een gemeente of provincie.
Het begrip onderneming is in de wet ruim geformuleerd. Zo vallen bijvoorbeeld ook ondernemingen zonder winstoogmerk onder de wet, zoals zieken- en verpleeghuizen, culturele instellingen en (eenheden van) publiekrechtelijke instellingen, zoals ministeries, provincies, gemeenten, de Belastingdienst, diverse onderwijsinstellingen, enzovoort. De definitie van het begrip onderneming brengt ook met zich mee dat een ondernemer meer dan één onderneming in stand kan houden. De Staat der Nederlanden houdt bijvoorbeeld vele ondernemingen in stand. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een onderneming in de zin van de wet speelt de rechtsvorm van de ondernemer geen rol. Ook is niet relevant of de onderneming een aparte juridische entiteit betreft.
De uitgangspunten van de wet zijn ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ en dat ‘de medezeggenschap zo moet worden ingericht dat de medezeggenschap op de beste manier vorm wordt gegeven’. Het kan daarvoor nodig zijn om organisatieonderdelen samen te voegen die niet als een onderneming in de zin van de wet zijn aan te merken maar toch tegemoet komen aan deze uitgangspunten van de wet. Er is dan sprake van een gemeenschappelijke ondernemingsraad (artikel 3). De ondernemingsraad van de Belastingdienst verzette tegen zo’n gemeenschappelijke ondernemingsraad en wenste meerdere ondernemingsraden te behouden. Deze versnippering van medezeggenschap was echter niet bevorderlijk voor
Art. 1 I Algemene bepalingen
een goede toepassing van de wet, zo oordeelde het Hof (Hof Den Haag, 1 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1021, Bedrijfsvoering Belastingdienst).
Ook indien ondernemingen die door een ondernemer, dan wel een aantal in een groep verbonden ondernemers, in stand worden gehouden, worden samengevoegd is sprake van een gemeenschappelijke ondernemingsraad. Deze gemeenschappelijke ondernemingsraad voor deze samengevoegde ondernemingen moet niet verward worden met de groepsondernemingsraad die ook wel als GOR wordt aangeduid (zie artikel 33 e.v.). Ook het tegenovergestelde is mogelijk: door splitsing van een onderneming in een aantal ondernemingen ontstaan kleinere ondernemingen (artikel 4).
Het is mogelijk dat na een fusie of overname de onderneming van de vervreemder blijft bestaan. Dat is het geval indien die onderneming blijft voldoen aan de definitie uit deze wet en dus een in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband is gebleven. De ondernemingsraad van de onderneming van de vervreemder blijft dan eveneens bestaan.
Als de onderneming ophoudt te bestaan (in de regel omdat deze geen zelfstandige eenheid meer is), houdt ook de daarin ingestelde ondernemingsraad op te bestaan.
Ondernemer (eerste lid onder d)
De ondernemer is de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de onderneming in stand houdt. Daarmee verschilt het begrip ondernemer wezenlijk van het begrip onderneming: de ondernemer is juist wel een juridische entiteit. De ondernemer is verplicht een ondernemingsraad in te stellen en op de ondernemer rusten ook de overige verplichtingen die de wet oplegt ten aanzien van de ondernemingsraad. Het is daarom ook de ondernemer die door de werknemers, de vakbonden of de ondernemingsraad moet worden aangesproken indien niet in overeenstemming met de wet wordt gehandeld.
Uit de begripsomschrijving volgt dat onderscheid gemaakt kan worden tussen natuurlijke personen, private rechtspersonen en publiekrechtelijke rechtspersonen. De onderneming wordt door een natuurlijke persoon in stand gehouden indien het een eenmanszaak, een maatschap of een vennootschap onder firma betreft. Private rechtspersonen zijn onder meer de naamloze of besloten vennootschap, de coöperatie, stichting, vereniging, onderlinge waarborgmaatschappij of een rechtspersoon naar buitenlands recht. Publiekrechtelijke rechtspersonen zijn de Staat der Nederlanden, de gemeenten, de provincies en de waterschappen, alsmede rechtspersonen die hun rechtspersoonlijkheid ontlenen aan een wet of een publiekrechtelijk voorschrift, zoals de SER en zelfstandige bestuursorganen (zbo’s).
De ondernemer is derhalve de rechtspersoon zelf en niet een orgaan
van die rechtspersoon. Het is de ondernemer die in een gerechtelijke procedure dient te worden betrokken en dus niet de bestuurder of de onderneming.
In de artikelen 3 en 33 komt het begrip ‘in een groep verbonden ondernemers’ aan de orde. Verwezen wordt naar de toelichting op die artikelen.
Medeondernemer
De Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam heeft het begrip ‘medeondernemer’ geïntroduceerd, welk begrip door de Hoge Raad is overgenomen. De medeondernemer is naast de ondernemer verantwoordelijk en aansprakelijk voor het genomen besluit. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen in concernverband. Ook bij de overheid speelt het begrip medeondernemer inmiddels een belangrijke rol. De Hoge Raad heeft in een baanbrekende uitspraak op 26 januari 2000 (JAR 2000, 30) het begrip medeondernemer wel enigszins beperkt door te overwegen dat uitsluitend sprake is van een medeondernemer indien de medeondernemer ten opzichte van de betreffende onderneming een positie inneemt die hem ‘stelselmatig een zodanige invloed op de besluitvorming binnen de onderneming verschaft, dat gezegd kan worden dat de onderneming mede door die ander in stand wordt gehouden’.
De Ondernemingskamer heeft in 2008 in de zaak Packard Bell beslist dat van medeondernemerschap geen sprake is bij een indirecte grootaandeelhouder (grootaandeelhouder van de ‘grootmoedervennootschap’). Deze heeft immers niet een zodanige invloed op de besluitvorming van de vennootschap, dat gezegd kan worden dat de onderneming van de vennootschap mede door de indirecte grootaandeelhouder in stand wordt gehouden (OK 9 januari 2008, ARO 2008, nr. 35). In 2016 werd echter wel medeondernemerschap aangenomen door de Ondernemingskamer bij een grootmoeder-kleindochter verhouding. In die situatie gaven de aandeelhouders van de grootmoedervennootschap opdracht aan derden om te adviseren over een mogelijke verkoop en overdracht van aandelen en derhalve een besluit tot overdracht van zeggenschap. De toekomstige aandeelhouder krijgt daarmee volledige zeggenschap over de kleindochter (OK 19 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4156, Seaway Heavy Lifting).
In een geval waarbij de enig aandeelhouder tevens bestuurder is van de dochter en de dochter financieel afhankelijk is van de aandeelhouder werd ook medeondernemerschap aangenomen. De aandeelhouder nam in die situatie namelijk ten opzichte van de dochter een positie in die haar stelselmatig een zodanige invloed op de besluitvorming binnen de onderneming van de dochter verschaft, dat gesteld kan worden dat de onderneming van de dochter mede door de moeder in stand wordt gehouden (OK 14 oktober 2010, JAR 2010, 309, VLM). Behalve van medeondernemerschap kan sprake zijn van toerekening, waarbij het besluit van een moederven-
Art. 1 I Algemene bepalingen
nootschap aan de ondernemer of bestuurder wordt toegerekend. Dit kan zowel bij adviesplichtige besluiten als bij instemmingsplichtige besluiten het geval zijn. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 18 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:6639, Esslilor.
Bestuurder (eerste lid onder e en derde lid)
De bestuurder oefent alleen dan wel tezamen met anderen de hoogste zeggenschap uit bij de leiding van de arbeid. De ondernemingsraad voert overleg met de bestuurder, die optreedt namens de ondernemer. Een onderneming kan een of meer bestuurders hebben. De leden van de directie of de leden van de raad van bestuur, zijn ieder voor zich bestuurder in de zin van de wet, met uitzondering van degene die geen zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid. Dat doet zich bijvoorbeeld voor indien een van de directieleden belast is met de buitenlandse vestigingen. Heeft de ondernemer meer dan één bestuurder, dan bepalen de bestuurders wie van hen het overleg met de ondernemingsraad voert.
Bij de overheid wordt de hoogste zeggenschap bij de leiding van de arbeid in de praktijk niet uitgeoefend door politieke ambtsdragers, maar door ambtenaren aan wie de zeggenschap is gedelegeerd. Ook al zou de politieke ambtsdrager feitelijk de hoogste zeggenschap bij de leiding van de arbeid hebben, dan wordt hij toch niet als bestuurder aangemerkt op grond van het bepaalde in artikel 46d. Bij een ministerie berust de hoogste zeggenschap bij de secretaris-generaal en, indien op het ministerie meer ondernemingsraden zijn ingesteld, bij het hoofd van de betreffende eenheid. Bij de gemeente berust de hoogste zeggenschap bij de gemeentesecretaris, bij de provincie bij de griffier, bij de waterschappen bij de directeur, enzovoort. Ook hier geldt dat indien de publiekrechtelijke rechtspersoon meer ondernemingsraden heeft ingesteld, het hoofd van de betreffende eenheid of dienst als bestuurder optreedt. Door invoering van de Wnra (Wet normalisering rechtspositie ambtenaren) per 1 januari 2020 zijn veel ambtenaren sinds die datum werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit heeft vooral gevolgen voor de individuele aanstelling. De instelling waar deze ambtenaren werkzaam zijn, is een onderneming in de zin van de wet gebleven en de ambtenaar die daar leiding aan geeft is een bestuurder in de zin van de wet gebleven. Niet alle overheidsinstanties vallen onder de Wnra, zo zijn bijvoorbeeld politieke ambtsdragers, rechters, het openbaar ministerie, de politie en defensie uitgezonderd.
De vraag wie de bestuurder is, is met name van belang voor de adviesbevoegdheid van de ondernemingsraad op grond van artikel 30 over benoeming of ontslag van een bestuurder. Zie de toelichting op dat artikel.
De wet sluit de bestuurder of de bestuurders van de onderneming uitdrukkelijk uit van in de onderneming werkzame personen. Zij tellen dus niet mee bij de vaststelling of is voldaan aan de instellingsgrens van arti-
kel 2. Bestuurders bezitten vanzelfsprekend ook niet het actief en passief kiesrecht (artikel 6, tweede en derde lid).
Bedrijfscommissie (eerste lid onder f)
Er waren tot 1 januari 2025 drie bedrijfscommissies. Twee voor de marktsector, te weten Markt I voor ondernemingen in commerciële sectoren en Markt II voor ondernemingen in zorg en welzijn en sociaal-culturele sectoren (cultuur, sport, onderwijs en gesubsidieerde arbeid) en een Bedrijfscommissie voor de Overheid. De Bedrijfscommissies Markt II en Markt II zijn samengevoegd tot een algemene bedrijfscommissie voor de marktsector. De Bedrijfscommissie voor de Overheid heeft twee kamers: een kamer voor de sectoren Rijk, politie en publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen en een kamer voor de zogeheten lagere publiekrechtelijke lichamen, zoals gemeenten, provincies en waterschappen. De bedrijfscommissies bestaan uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. Zie voor een verdere toelichting hoofdstuk VII, artikel 37 e.v.
In de onderneming werkzame personen (tweede en derde lid)
Het tweede lid van artikel 1 bevat de hoofdregel die luidt dat een persoon als in de onderneming werkzaam wordt aangemerkt, indien hij: a. een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling heeft met de ondernemer die de onderneming in stand houdt; en b. werkzaam is in die betreffende onderneming. Op grond van deze hoofdregel kunnen niet worden aangemerkt als in de onderneming werkzame personen, personen die wel een arbeidsovereenkomst hebben met de ondernemer, maar niet werkzaam zijn in deze onderneming (zoals personen die krachtens een regeling met de ondernemer geen werkzaamheden (meer) in de onderneming hoeven te verrichten).
Een persoon die gebruik maakt van een bijzondere uittredingsregeling, die inhoudt dat hij in dienst blijft van de ondernemer, maar geen werkzaamheden meer verricht, wordt dus aangemerkt als niet werkzaam in de onderneming. Als deze werknemer lid is van de ondernemingsraad brengt dat enkele feit niet met zich mee dat hij als werkzaam in de onderneming kan worden aangemerkt. In een bijzonder geval besliste de kantonrechter Amsterdam anders. Het betrof de voorzitter van de ondernemingsraad die voorafgaande aan zijn vervroegd uittreden zijn opgebouwde verlof (ruim een jaar) opnam. Net als bij ziekte was ook het opnemen van verlof volgens de kantonrechter geen reden om de werknemer niet langer te beschouwen als in de onderneming werkzaam.
Ook als in de onderneming werkzame personen worden aangemerkt personen die wel een arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling hebben met de ondernemer maar op detacheringbasis werkzaam
Art. 1 I Algemene bepalingen
zijn in een andere onderneming. Dit betreft bijvoorbeeld zowel uitzendkrachten als gedetacheerde werknemers.
Derde lid: uitzendkrachten en gedetacheerden
Op grond van artikel 7:690 BW wordt de uitzendovereenkomst als een arbeidsovereenkomst aangemerkt. Bij het uitzendbureau telt de uitzendkracht mee als in de onderneming werkzame persoon voor de instellingsgrens van een ondernemingsraad en heeft hij, indien de duur van zijn dienstverband voldoet aan de daarvoor in het reglement van de ondernemingsraad gestelde grenzen, het actief en passief kiesrecht. Daarnaast krijgt de uitzendkracht medezeggenschapsrechten in de onderneming waarin hij tewerk is gesteld. Dat was tot 1 januari 2022 het geval indien de uitzendkracht ten minste 24 maanden in die onderneming werkzaam is, hetgeen zich slechts in uitzonderingssituaties voordoet. Omdat de flexibilisering van de arbeidsmarkt steeds verder toeneemt, waaronder het aantal uitzendkrachten, en om hen toch te kunnen betrekken bij de medezeggenschap, is deze termijn verkort tot 15 maanden. Indien de uitzendkracht dus langer dan 15 maanden in één onderneming tewerk is gesteld, heeft hij medezeggenschapsrechten zowel bij het uitzendbureau als in de onderneming waarin hij tewerk is gesteld. In reglementen van ondernemingsraden kan deze termijn worden verkort. Het is de ondernemingsraad echter niet toegestaan uitzendkrachten volledig uit te sluiten van het actief en passief kiesrecht (Rechtbank Noord-Holland 28 oktober 2021,
ECLI:NL:RBNHO:2021:9545, Nautilus International). Zie ook de toelichting op artikel 6.
In het derde lid onder b van artikel 1 worden aan de gedetacheerde werknemers medezeggenschapsrechten toegekend bij hun werkgever (de uitlener). Hoewel zij voldoen aan het criterium dat zij in dienst zijn bij de uitlener, maar niet aan het criterium dat zij werkzaam zijn in de onderneming van de ondernemer waarbij zij in dienst zijn, worden gedetacheerde werknemers toch aangemerkt als in de onderneming van de uitlener werkzame personen.
Het verschil tussen uitzenden en detacheren door een detacheringsbedrijf is, nu ook de uitzendkracht verondersteld wordt te beschikken over een arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau, feitelijk verdwenen. Om die reden heeft ook de door een detacheringbedrijf gedetacheerde werknemer dezelfde medezeggenschapsrechten als een uitzendkracht. Ook de gedetacheerde werknemer krijgt met ingang van 1 januari 2022 dus na 15 maanden rechten bij de inlener, tenzij de werknemer is uitgeleend door een niet beroepsmatige detacheerder (collegiaal uitlenen). Die werknemer heeft alleen medezeggenschapsrechten bij zijn werkgever en niet tevens bij de inlener.
Op grond van lid 3 van artikel 31b dient de ondernemer ten minste één
keer per jaar schriftelijke gegevens te verstrekken over het aantal uitzendkrachten in de onderneming. Deze bepaling is een gevolg van Europees recht dat geïmplementeerd diende te worden in de Nederlandse wetgeving.
II De instelling van ondernemingsraden
Artikel 2
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, is in het belang van het goed functioneren van die onderneming in al haar doelstellingen verplicht om ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen een ondernemingsraad in te stellen en jegens deze raad de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet, na te leven.
2. Indien in een onderneming na de instelling van een ondernemingsraad niet langer in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, houdt de ondernemingsraad van rechtswege op te bestaan bij het eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad, tenzij de ondernemer toepassing geeft aan artikel 5a, tweede lid.
Toelichting
Instellen van een ondernemingsraad (eerste lid)
De ondernemer is tot het instellen van een ondernemingsraad verplicht indien in de door hem in stand gehouden onderneming in de regel ten minste 50 werknemers werkzaam zijn. De woorden 'in de regel' duiden op een zekere continuïteit, zodat gemiddeld ten minste 50 werknemers in de onderneming werkzaam moeten zijn. De arbeidsomvang en arbeidsduur van de arbeidsovereenkomst van werknemers is niet van belang. Ook werknemers met een arbeidsovereenkomst met geringe arbeidsomvang of arbeidsduur tellen mee. Ingeleende werknemers en uitzendkrachten tellen mee als zij 15 maanden in de onderneming werkzaam zijn. Tot 1 januari 2022 bedroeg deze termijn 24 maanden. Door de verkorting tot 15 maanden in combinatie met de termijn van 3 maanden vermeld in artikel 6, krijgen zij na 18 maanden zowel actief als passief kiesrecht. In ondernemingen met minder dan 50 werknemers is een zekere vorm van medezeggenschap toegekend aan alle werknemers tezamen (de personeelsvergadering, zie artikel 35b) of, indien ingesteld, aan de personeelsvertegenwoordiging (zie ook artikel 35b).
De ondernemer is verplicht een ondernemingsraad in te stellen “in het belang van het goed functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen”. Dat betekent dat de ondernemingsraad in het belang van de onderneming dient te worden ingesteld, maar niet dat de ondernemingsraad uitsluitend tot taak heeft het belang van de onderneming te behartigen. De
Art. 3 II De instelling van ondernemingsraden ondernemingsraad dient beide belangen te behartigen: zowel de belangen van de onderneming, als de belangen van de in de onderneming werkzame personen (zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2018:9257, AB Vakwerk, waar de Hoge Raad zich vervolgens ook over heeft uitgelaten, ECLI:NL:HR:2020:532, zie de toelichting op artikel 13).
De verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad geldt ook indien een beperkt deel van de werknemers deze wens heeft geuit. In een uitspraak van het Hof Den Haag is bepaald dat de vakbond belanghebbende kan zijn om instelling van een ondernemingsraad te vorderen indien enkele leden daarachter staan (Hof Den Haag 12 mei 2015, JAR 2015/148, Ista). En in een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant is geoordeeld dat het wettelijk recht om een nieuwe ondernemingsraad te kiezen van een zwaarte is die meebrengt dat dit recht tot in het uiterste moet worden gehandhaafd, gelet op het grote belang dat in de samenleving aan medezeggenschap wordt gehecht (ECLI:NL:RBOBR:2020:5215, OR ASML). En soms wordt een ondernemingsraad al erkend voordat er verkiezingen zijn geweest (Rechtbank Noord-Holland 7 februari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:1790, BurgGolf).
De ondernemingsraad is uitdrukkelijk niet bedoeld voor individuele belangenbehartiging.
De onderneming voldoet niet meer aan het instellingsvereiste (tweede lid) Als de onderneming niet langer voldoet aan het instellingsvereiste, vervalt de verplichting tot het in stand houden van een ondernemingsraad. Aan het einde van de lopende zittingsperiode komt dan automatisch een einde aan het bestaan van de ondernemingsraad.
Het instellingsvereiste volgt uit het eerste lid van artikel 2 (ten minste 50 werknemers werkzaam) of uit de toepasselijke cao. Wel kan de ondernemer op grond van artikel 5a, tweede lid, besluiten vrijwillig een ondernemingsraad in te stellen of in stand te houden. In dat geval kan de vrijwillig ingestelde ondernemingsraad alleen worden opgeheven als zich een belangrijke wijziging van de omstandigheden voordoet. Vrijwillige instandhouding van een ondernemingsraad kan ook geruisloos plaatsvinden. Daarvan is sprake indien de ondernemer na afloop van de zittingstermijn nog steeds een beroep doet op de groep voormalige leden als ware zij nog altijd de ondernemingsraad. Blijkt (achteraf) dat hiervan sprake is, dan blijven de in de wet vastgelegde rechten en plichten onverkort gelden voor de betrokken 'leden'.
Artikel 3
1. De ondernemer die twee of meer ondernemingen in stand houdt waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn, stelt voor alle of voor een aantal van die ondernemingen tezamen een gemeen-
schappelijke ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de betrokken ondernemingen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van in een groep verbonden ondernemers, die twee of meer ondernemingen in stand houden, waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn. De betrokken ondernemers wijzen een tot hun groep behorende ondernemer aan, die voor de toepassing van deze wet namens hen als ondernemer optreedt ten opzichte van de gemeenschappelijke ondernemingsraad.
3. De ondernemingen waarvoor een gemeenschappelijke ondernemingsraad is ingesteld, worden beschouwd als één onderneming in de zin van deze wet.
Toelichting
Samenvoeging van ondernemingen
Voor een goede toepassing van de wet kunnen twee of meer ondernemingen tot één onderneming worden samengevoegd waar vervolgens een zogeheten gemeenschappelijke ondernemingsraad wordt ingesteld. Dat is mogelijk indien één ondernemer of de in een groep verbonden ondernemers twee of meer ondernemingen in stand houdt of houden. Van in een groep verbonden ondernemers is sprake bij een concern, waarin de moedervennootschap de aandelen houdt van de dochtervennootschap(pen). Indien ondernemingen zijn samengevoegd worden deze in de zin van de wet beschouwd als één onderneming. Dat betekent dat er naast de gemeenschappelijke ondernemingsraad in beginsel geen aparte ondernemingsraden aanwezig zijn in deze ondernemingen.
Vereist is dat de samenvoeging van de ondernemingen bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet. Uit de rechtspraak volgt dat dit het geval is indien:
a. sprake is van dusdanige samenhang tussen de ondernemingen dat sprake is van een gemeenschappelijk financieel, strategisch en sociaal beleid (hetgeen onder meer kan blijken uit het feit dat de ondernemingen door dezelfde personen worden aangestuurd), zodat het instellen van afzonderlijke ondernemingsraden weinig zin heeft; b. door een samenvoeging kan worden bereikt dat ondernemingen die ieder voor zich niet voldoen aan de grens van 50 personen genoemd in artikel 2, eerste lid, tezamen wel aan deze grens voldoen zodat een ondernemingsraad moet worden ingesteld.
Indien is voldaan aan het vereiste dat de samenvoeging bevorderlijk is voor de goede toepassing van de wet, is de ondernemer verplicht een gemeenschappelijke ondernemingsraad in te stellen. Die verplichting ontstaat dus
Art. 3 II De instelling van ondernemingsraden
ook zonder dat daar om is verzocht door werknemers, vakorganisaties of ondernemingsraad. Als de ondernemer weigert een gemeenschappelijke ondernemingsraad in te stellen, kunnen belanghebbenden (ondernemingsraad, vakbonden of de werknemers zelf) in een procedure bij de kantonrechter instelling proberen af te dwingen. Anderzijds kunnen belanghebbenden in eenzelfde procedure bezwaar maken tegen de instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat het op de weg van de ondernemer ligt om aannemelijk te maken dat het instellen van een gemeenschappelijke ondernemingsraad bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet en dat de rechter bij de beoordeling hiervan terughoudendheid moet betrachten om zo te vermijden dat hij plaatsneemt op de stoel van de ondernemingsleiding. Dat is in lijn met de wetsgeschiedenis (Rechtbank Amsterdam 29 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:983, Rotatiedrukkerij Voorburgwal). Zie ook de uitspraak waar de ondernemingsraad van Albert Heijn e-Commerce de instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad voor e-Commerce en Albert Heijn probeerde tegen te houden. De ondernemer heeft in deze zaak echter voldoende aannemelijk gemaakt dat de gemeenschappelijke ondernemingsraad bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet en de medezeggenschap in de betrokken ondernemingen. Er is volgens het Hof sprake van een gezamenlijk financieel, strategisch en sociaal beleid en de instelling van de gemeenschappelijke ondernemingsraad heeft toegevoegde waarde. Daarnaast is de medezeggenschap bij het onderdeel e-Commerce volgende gewaarborgd door het instellen van een onderdeelcommissie (Rechtbank Noord-Holland 15 april 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3709, Albert Heijn e-Commerce en in hoger beroep Gerechtshof Amsterdam 20 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1370). Als sprake is van voldoende samenhang tussen de entiteiten op het hoofdkantoor en de dochteronderneming kan de dochteronderneming toetreden tot de gemeenschappelijke ondernemingsraad (Rechtbank Amsterdam, 24 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6762, Veon groep). De Rechtbank Den Haag heeft bevestigd dat het begrip 'belanghebbende' flexibel moet worden uitgelegd en dat dit begrip door de rechter moet worden ingevuld. Een werknemer die werkzaam was bij een bedrijfsonderdeel dat inmiddels zijn activiteiten had gestaakt werd nog als belanghebbende aangemerkt. Zijn verzoek tot het instellen van een gemeenschappelijke ondernemingsraad werd echter afgewezen nu zijn verzoek als misbruik van bevoegdheid werd aangemerkt, nu onder meer blijkt dat er geen enkele andere werknemer het verzoek steunt en er bovendien op voldoende wijze uitvoering wordt gegeven aan medezeggenschap (Rechtbank Den Haag, 21 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8374, Stokvisgroep).
Samenvoegen van ondernemingen waarin al een ondernemingsraad is ingesteld
Als de ondernemer van oordeel is dat het bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet om een gemeenschappelijke ondernemingsraad in te stellen, dan kan de ondernemer daartoe over gaan, ook tegen de zin van de reeds ingestelde ondernemingsraden. De ondernemingsraden kunnen de kantonrechter wel verzoeken het besluit van de ondernemer ongedaan te maken. Als dit gebeurt dan is er gedurende enige tijd onduidelijkheid over de medezeggenschapsstructuur.
Artikel 4
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn stelt voor een onderdeel van die onderneming een afzonderlijke ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de onderneming.
2. Het onderdeel waarvoor een afzonderlijke ondernemingsraad is ingesteld, wordt beschouwd als een onderneming in de zin van deze wet.
Toelichting
Splitsing
Het tegenovergestelde van samenvoeging zoals bedoeld in artikel 3, namelijk splitsing van ondernemingen, is geregeld in het eerste lid van artikel 4. Na splitsing worden onderdelen van de onderneming als afzonderlijke ondernemingen beschouwd (tweede lid). Zo kan een huisdrukkerij van een metaalbedrijf, hoewel niet voor derden werkend, als een afzonderlijke onderneming worden aangemerkt. Bij de overheid is niet altijd duidelijk of de ondernemer één onderneming in stand houdt of vele ondernemingen. Zo treden gemeentelijke diensten onder eigen naam naar buiten en leveren zij goederen of diensten aan derden. De gemeente sluit echter overeenkomsten met derden en voert een centraal beleid. Uitgangspunt is dan ook dat deze diensten zelf geen onderneming zijn in de zin van de wet. In de regel wordt bij gemeenten een ondernemingsraad ingesteld en bij de gemeentelijke diensten een onderdeelcommissie.
De ondernemingsraad van de afdeling Bedrijfsvoering van de Belastingdienst verzette zich tegen het besluit van de Minister van Financiën om één ondernemingsraad in te stellen voor diverse stafdiensten. Dit was een gevolg van het besluit om de topstructuur van de Belastingdienst te wijzigen en dientengevolge ook de medezeggenschapsstructuur. Het Gerechtshof heeft getoetst of de stafdiensten afzonderlijke ondernemingen zijn in de zin van de wet en of zij zich als zelfstandige eenheden in het maatschappelijk verkeer presenteren. Dit is volgens het Hof niet het geval. Wel kunnen de stafdiensten gezamenlijk worden beschouwd als een onder-
Art. 5 II De instelling van ondernemingsraden
deel van een onderneming omdat zij een groep in de onderneming werkzame personen vormen die ondersteunend werken ten behoeve van het primaire proces. Op grond van artikel 4 kan de ondernemer dan een ondernemingsraad instellen als dat bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet in de onderneming. De medezeggenschap wordt nu zo laag mogelijk geplaatst, namelijk op het niveau waar de bevoegdheden liggen. Zie Gerechtshof Den Haag, 1 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1021, Bedrijfsvoering Belastingdienst.
De ondernemer kan besluiten tot splitsing van de onderneming indien dit naar zijn oordeel bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet. Belanghebbenden kunnen bezwaar maken tegen de splitsing, of kunnen de kantonrechter verzoeken de splitsing ongedaan te maken. Is in de onderneming een ondernemingsraad ingesteld, dan hoeft aan die ondernemingsraad geen instemming te worden gevraagd over dit besluit. Dat neemt niet weg dat de ondernemingsraad de kantonrechter kan verzoeken de ondernemer te verbieden de onderneming te splitsen, dan wel de splitsing ongedaan te maken. Gebruikelijk is een gewenste wijziging in medezeggenschapsstructuur eerst gezamenlijk te bespreken.
De kantonrechter kan het verzoek van de ondernemingsraad de splitsing tegen te houden slechts toewijzen indien de splitsing niet bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet. De grens van 50 in artikel 4 is gekozen om eenheid te brengen in het aantal werknemers genoemd in de artikelen 2, 3 en 4. Dit kan leiden tot merkwaardige situaties bij splitsing. Wordt immers een onderneming met minder dan 100 werknemers gesplitst, dan ontstaat in ieder geval één onderneming met minder dan 50 werknemers, waarin derhalve geen ondernemingsraad meer hoeft te worden ingesteld. Aangenomen moet daarom worden dat de ondernemer bij splitsing in elk van de ondernemingen een ondernemingsraad dient in te stellen, zo nodig op grond van artikel 5a dat ziet op het vrijwillig instellen van een ondernemingsraad.
Artikel 5
1. De Raad kan, indien bijzondere omstandigheden een goede toepassing van deze wet in de betrokken onderneming in de weg staan, aan een ondernemer op diens verzoek ten aanzien van een door hem in stand gehouden onderneming schriftelijk voor ten hoogste vijf jaren ontheffing verlenen van de verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad. De Raad kan een dergelijke ontheffing uitsluitend verlenen indien voor wat betreft de informatie aan en de raadpleging van werknemers over de in het zesde lid genoemde onderwerpen door de ondernemer voorzieningen zijn getroffen om te waarborgen dat wordt voldaan aan het zevende en achtste lid.
2. De Raad stelt de verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel 9,
tweede lid, onder a, in de gelegenheid over het verzoek om ontheffing te worden gehoord.
3. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
4. Zolang op een verzoek om ontheffing niet onherroepelijk is beslist, geldt de in artikel 2, eerste lid, bedoelde verplichting niet.
5. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. informatie: het verstrekken van gegevens door de ondernemer aan de werknemers opdat zij kennis kunnen nemen van het onderwerp en het kunnen bestuderen;
b. raadpleging: de gedachtewisseling en de totstandbrenging van een dialoog tussen de werknemers en de ondernemer.
6. Informatie en raadpleging behelzen:
a. informatie over de recente en de waarschijnlijke ontwikkeling van de activiteiten en de economische situatie van de onderneming;
b. informatie en raadpleging over de situatie, de structuur en de waarschijnlijke ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen de onderneming, alsmede over eventuele geplande anticiperende maatregelen, met name in geval van bedreiging van de werkgelegenheid;
c. informatie en raadpleging over beslissingen die ingrijpende veranderingen van de arbeidsorganisatie of de arbeidsovereenkomsten kunnen meebrengen.
7. Het tijdstip en de wijze van informatieverstrekking alsmede de inhoud van de informatie moeten zodanig zijn dat de werknemers de informatie adequaat kunnen bestuderen, en zo nodig de raadpleging kunnen voorbereiden.
8. Raadpleging geschiedt:
a. op een tijdstip, met middelen en met een inhoud die passend zijn;
b. op het relevante niveau van directie en vertegenwoordiging, afhankelijk van het te bespreken onderwerp;
c. op basis van de door de ondernemer te verstrekken informatie en van het advies dat de werknemers kunnen uitbrengen;
d. op zodanige wijze dat de werknemers met de ondernemer kunnen samenkomen en een met redenen omkleed antwoord op hun advies kunnen krijgen;
e. met het doel een akkoord te bereiken over de in het zesde lid, onder c, bedoelde beslissingen, die onder de bevoegdheden van de ondernemer vallen.
Toelichting
Ontheffing instellen ondernemingsraad
De Sociaal-Economische Raad (SER) kan aan een ondernemer die op grond van artikel 2 verplicht is een ondernemingsraad in te stellen, ontheffing verlenen van die verplichting. Voorwaarde is dat zich bijzondere omstan-
Art. 5 II De instelling van ondernemingsraden digheden voordoen die de instelling van een ondernemingsraad in strijd met een goede toepassing van de wet doen zijn. Aan die voorwaarde wordt niet voldaan indien de werknemers wereldwijd verspreid werken en daarom de ondernemingsraadsvergaderingen niet kunnen bijwonen. Bovendien maakt de huidige tijd digitaal vergaderen een stuk eenvoudiger. Evenmin is aan die voorwaarde voldaan indien een vervangende vorm van overleg door middel van een personeelscommissie of andersoortig orgaan bestaat. Ontheffing is ook niet aan de orde bij een gebrek aan belangstelling van de medewerkers voor het instellen van een ondernemingsraad.
Ontheffing is wel eens verleend aan een onderneming waarin een sociocratisch organisatiemodel werd toegepast, omdat dit model de werknemers een mate van medezeggenschap geeft die niet onderdoet voor die welke de WOR wil verschaffen. De ontheffing kan slechts voor vijf jaar worden verleend.
De SER dient de vakorganisaties in de gelegenheid te stellen hun zienswijze over het verzoek tot ontheffing te geven (tweede lid).
Aan de ontheffing kunnen bovendien voorschriften worden verbonden. Zulke voorschriften kunnen en zullen over het algemeen betrekking hebben op een vervangende, meer aan de onderneming aangepaste, overlegstructuur (derde lid). De SER is niet meer verplicht haar besluit aan de bedrijfscommissie mee te delen.
Beroep tegen het besluit van de SER (vierde lid) Tegen het besluit van de SER om wel of geen ontheffing te verlenen kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar worden gemaakt en daarna beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) door belanghebbenden (te denken valt aan de vakorganisaties en in de onderneming werkzame personen). Is in de betreffende onderneming al een ondernemingsraad ingesteld, dan is ook de ondernemingsraad belanghebbende.
Op grond van artikel 46d onder d wordt bij de overheid de bevoegdheid van de SER uitgeoefend door de minister van Binnenlandse Zaken. Ook hierbij geldt dat voorwaarde voor het verlenen van een ontheffing slechts kan zijn dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die de instelling van een ondernemingsraad in strijd met een goede toepassing van de WOR doen zijn.
Tegen het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken tot het verlenen van de ontheffing is op grond van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht beroep mogelijk bij de bestuursrechter van de rechtbank. Voorafgaand aan dit beroep moet de ondernemer of een of meer belanghebbenden een bezwaarschrift bij de minister van Binnenlandse Zaken indienen. Beroep kan worden ingesteld door de ondernemer wanneer de
minister van Binnenlandse Zaken weigert een ontheffing te verlenen. Verleent de minister van Binnenlandse Zaken wel een ontheffing, dan kunnen belanghebbenden (vakorganisaties en in de onderneming werkzame personen) daartegen beroep instellen. Tegen de uitspraak van de rechtbank is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 5a
1. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing wanneer een ondernemer op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan verplicht is voor een door hem in stand gehouden onderneming een ondernemingsraad in te stellen. Wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan de ondernemer niet langer verplicht tot het instellen van de ondernemingsraad, houdt deze van rechtswege op te bestaan bij het eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad, tenzij de ondernemer toepassing geeft aan het tweede lid.
2. De ondernemer kan voor een door hem in stand gehouden onderneming, ten aanzien waarvan niet of niet langer een verplichting bestaat tot het instellen van een ondernemingsraad, besluiten vrijwillig een ondernemingsraad in te stellen of in stand te houden. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is van toepassing, zodra de ondernemer dat besluit schriftelijk heeft meegedeeld aan de bedrijfscommissie. De ondernemer kan deze ondernemingsraad op grond van een belangrijke wijziging van de omstandigheden opheffen bij het eindigen van de lopende zittingsperiode van die raad. De ondernemer deelt zijn besluit tot opheffing van de ondernemingsraad schriftelijk mee aan de bedrijfscommissie.
Toelichting
De ondernemer op wie op grond van artikel 2 niet de verplichting rust een ondernemingsraad in te stellen, kan daartoe verplicht worden op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) of een regeling van arbeidsvoorwaarden (eerste lid), dan wel daartoe vrijwillig overgaan (tweede lid).
Een cao of een regeling van arbeidsvoorwaarden bij de overheid kan bepalen dat de daaraan gebonden ondernemers verplicht zijn een ondernemingsraad in te stellen, ondanks dat er minder werknemers werken dan het aantal genoemd in artikel 2, namelijk 50 personen. Een ondernemer is aan de cao gebonden indien hij zelf partij is bij de cao, lid is van de werkgeversvereniging die partij is bij de cao, dan wel de cao algemeen verbindend is verklaard. Een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan is van toepassing op alle onderne-
Art. 5a II De instelling van ondernemingsraden mingen die door dat orgaan in stand worden gehouden. Nakoming van een in de cao of publiekrechtelijke regeling neergelegde verplichting kan door de vakverenigingen en de in de onderneming werkzame personen in een gerechtelijke procedure worden gevorderd.
De op grond van een cao of publiekrechtelijke regeling ingestelde ondernemingsraad houdt van rechtswege op te bestaan bij het eindigen van de zittingsperiode van de ondernemingsraad, indien op dat moment de cao of publiekrechtelijke regeling niet langer tot het instellen van een ondernemingsraad verplicht. Dat doet zich voor indien de cao of publiekrechtelijke regeling een dergelijke verplichting niet meer bevat of de ondernemer niet langer gebonden is aan die cao of publiekrechtelijke regeling, maar ook wanneer het aantal werknemers is gedaald onder de in de cao of publiekrechtelijke regeling genoemde grens. Indien op grond van de cao of publiekrechtelijke regeling geen verplichting meer bestaat tot het instellen van een ondernemingsraad, kan de ondernemer overeenkomstig het tweede lid van dit artikel besluiten vrijwillig de ondernemingsraad in stand te houden.
De ondernemer kan dus ook vrijwillig een ondernemingsraad instellen of zijn reeds ingestelde ondernemingsraad in stand houden. De ondernemer dient zijn besluit schriftelijk mee te delen aan de bedrijfscommissie. Die schriftelijke mededeling is een voorwaarde om het bij of krachtens de wet bepaalde van toepassing te doen zijn. Dit volgt ook uit de uitspraak van een kantonrechter, waarbij niet alleen vast stond dat deze mededeling niet aan de bedrijfscommissie door de ondernemer was gedaan, maar waarbij de ondernemingsraad ook uit alle mededelingen van de ondernemer had kunnen opmaken dat deze geen vrijwillige ondernemingsraad wenste (Rechtbank Limburg, 24 oktober 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:10160). De ondernemer kan de vrijwillig ingestelde ondernemingsraad ook weer opheffen. Daarvoor is niet de instemming van de ondernemingsraad vereist. Door de schriftelijke mededeling van het besluit tot opheffing aan de ondernemingsraad en de bedrijfscommissie eindigen voor de ondernemer zijn verplichtingen op grond van de wet. De wet bepaalt echter dat intrekking uitsluitend mogelijk is op grond van een belangrijke wijziging van omstandigheden. De ondernemingsraad, in de onderneming werkzame personen of een of meer betrokken vakorganisaties, kunnen daarom de kantonrechter verzoeken de opheffing ongedaan te maken omdat zich geen belangrijke wijziging van omstandigheden voordoet.
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Artikel 6
1. Een ondernemingsraad bestaat uit leden die door de in de onderneming werkzame personen rechtstreeks uit hun midden worden gekozen. Hun aantal bedraagt in een onderneming – met minder dan 50 personen 3 leden; – met 50 tot 100 personen 5 leden; – met 100 tot 200 personen 7 leden; – met 200 tot 400 personen 9 leden; – met 400 tot 600 personen 11 leden; – met 600 tot 1000 personen 13 leden; – met 1000 tot 2000 personen 15 leden; en zo vervolgens bij elk volgend duizendtal personen 2 leden meer, tot ten hoogste 25 leden.
De ondernemingsraad kan met toestemming van de ondernemer in zijn reglement zowel een afwijkend aantal leden vaststellen, als bepalen dat voor een of meer leden van de ondernemingsraad een plaatsvervanger wordt gekozen. Een plaatsvervangend ondernemingsraadslid heeft dezelfde rechten en verplichtingen als het lid dat hij vervangt.
2. Kiesgerechtigd zijn de personen die gedurende ten minste drie maanden in de onderneming werkzaam zijn geweest.
3. Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn de personen die gedurende ten minste drie maanden in de onderneming werkzaam zijn geweest.
4. De ondernemer en de ondernemingsraad kunnen, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de onderneming, gezamenlijk een of meer groepen van personen die anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst met de ondernemer dan wel krachtens publiekrechtelijke aanstelling regelmatig in de onderneming arbeid verrichten, aanmerken als in de onderneming werkzame personen, dan wel een of meer groepen van die personen niet langer aanmerken als in de onderneming werkzame personen. Komen de ondernemer en de ondernemingsraad niet tot overeenstemming, dan kan ieder van hen een beslissing van de kantonrechter vragen.
5. De ondernemingsraad kan in zijn reglement afwijken van hetgeen in het tweede en derde lid van dit artikel ten aanzien van de diensttijd is
Art. 6 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden bepaald indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de onderneming.
6. Tijdens een zittingsperiode van de ondernemingsraad kan geen wijziging worden gebracht in het aantal leden van de raad op grond van een vermeerdering of vermindering van het aantal in de onderneming werkzame personen.
Toelichting
Aantal leden en plaatsvervangers (eerste lid)
Het aantal leden van de ondernemingsraad is afhankelijk van het aantal in de onderneming werkzame personen. Het eerste lid van artikel 6 geeft uitsluitend een regeling voor de ondernemingsraad en niet tevens voor onderdeelcommissies, de groepsondernemingsraad of de centrale ondernemingsraad. Met toestemming van de ondernemer kan de ondernemingsraad in zijn reglement een afwijkend aantal leden vaststellen. De ondernemer kan weigeren hiervoor toestemming te verlenen. Weigert de ondernemer dan is daartegen geen beroep mogelijk. Een geschil hierover kan derhalve niet aan de kantonrechter worden voorgelegd. Het Hof Den Haag merkte in haar uitspraak van 12 mei 2015 (JAR 2015/148) wel op dat “het zo kan zijn dat de goede werking van de WOR vergt dat de ondernemer instemt met een kleiner aantal leden”. In deze zaak ging het erom dat de vakvereniging via de rechter de ondernemer trachtte te bewegen een ondernemingsraad in te stellen nu er in de regel ten minste 50 personen werkzaam waren in de onderneming. Het feit dat er niet veel animo onder de werknemers bestaat om een ondernemingsraad in te stellen betekent dus niet dat de ondernemer de instelling van een ondernemingsraad op grond daarvan kan tegenhouden.
Met name indien de aard van de onderneming met zich brengt dat een groot aantal ondernemingsraadsleden de vergaderingen niet kan bijwonen, is er reden plaatsvervangende leden te kiezen. Een plaatsvervangend lid heeft dezelfde rechten en verplichtingen als het lid dat hij vervangt. Ook hiervoor geldt dat de ondernemer moet instemmen met het verkiezen van plaatsvervangende leden en geen beroep tegen een weigering openstaat.
Wijziging van het aantal in de onderneming werkzame personen heeft gedurende de zittingsperiode van de ondernemingsraad geen invloed op het aantal ondernemingsraadsleden (zesde lid).
Actief en passief kiesrecht (tweede, derde en vijfde lid)
Per 1 januari 2022 zijn de termijnen voor het actief en passief kiesrecht sterk verkort, naar drie maanden. Om het actief kiesrecht – dat wil zeggen het recht om te mogen kiezen – te kunnen hebben hoeven de in de onderneming werkzame personen dus nog maar drie maanden werkzaam te
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
zijn in de onderneming. Voor het passief kiesrecht – dat wil zeggen het recht om gekozen te worden – geldt dezelfde termijn. Langdurige ziekte is geen reden te weigeren de werknemer op de kandidatenlijst te plaatsen (Kantonrechter Utrecht, 18 november 2005, JAR 2005, nr. 8). Uitzendkrachten en bedrijfsmatig gedetacheerde werknemers worden in de onderneming waarin zij tewerk zijn gesteld vanaf 1 januari 2022 na 15 maanden aangemerkt als in de onderneming werkzaam. Vanaf dat moment vangt de termijn van het tweede en het derde lid aan. Dit betekent dat zij na 18 maanden gebruik kunnen maken van het actief en passief kiesrecht. De ondernemingsraad kan in zijn reglement afwijken van de in het tweede en derde lid van artikel 6 genoemde duur van het dienstverband. Instemming van de ondernemer is daartoe niet vereist. Omdat een afwijking van de in de wet genoemde voorwaarden voor het actief en passief kiesrecht bevorderlijk moet zijn voor een goede toepassing van de wet, kan de ondernemer zich tot de kantonrechter wenden met het verzoek de ondernemingsraad te verplichten die afwijking ongedaan te maken en zijn reglement in overeenstemming te brengen met het bepaalde in de wet (vijfde lid).
De sterk verkorte termijnen van het actief en passief kiesrecht komen voort uit een onderzoek verricht door de Commissie voor de Bevordering van de Medezeggenschap (CBM). De CBM heeft vastgesteld dat flexibele arbeidskrachten minder betrokken zijn bij de medezeggenschap. Bovendien blijkt dit ook voor 'gewone' medewerkers te gelden omdat sprake is van een daling van de arbeidsduur van het dienstverband. Door de drempel om te kiezen en gekozen te worden flink te verlagen wordt verwacht dat er meer betrokkenheid en interesse voor de medezeggenschap zal ontstaan.
Niet op arbeidsovereenkomst werkzame personen (vierde lid)
In dit lid wordt de mogelijkheid geopend om ook personen die niet bij de betreffende ondernemer op basis van een arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling werkzaam zijn, en die ook niet vallen onder het derde lid van artikel 1, toch te betrekken bij het werk van de ondernemingsraad in de onderneming waar zij feitelijk werkzaam zijn. Gedacht kan worden aan vrijwilligers, specialisten en ingeleende werknemers. Ondernemer en ondernemingsraad dienen daarover tot overeenstemming te komen, bij ontbreken waarvan ondernemer of ondernemingsraad de kantonrechter een beslissing kan vragen.
Artikel 7
De ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een
Art. 8 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de ondernemingsraad in rechte.
Toelichting
Zelden bestaat over dit artikel een geschil, maar in een procedure bij de Hoge Raad is door de ondernemer het verweer gevoerd dat de ondernemingsraad niet-ontvankelijk diende te worden verklaard omdat de naam van de voorzitter niet vermeld stond op het inleidende processtuk. Het verweer van de ondernemer werd verworpen. Enerzijds omdat uit dit artikel niet voortvloeit dat er sprake is van een ontvankelijkheidsvereiste en anderzijds omdat de hoedanigheid van een procespartij dient te worden vastgesteld door uitleg van het processtuk waarmee de procedure is gestart. Daarbij dient betrokken te worden hoe in eerdere instanties de procespartij is omschreven. Nu dit voor de ondernemer duidelijk was is de ondernemer ook niet in zijn belangen geschaad (Hoge Raad 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:314, Gemeente Landgraaf).
Artikel 8
1. De ondernemingsraad maakt een reglement waarin de onderwerpen worden geregeld die bij of krachtens deze wet ter regeling aan de ondernemingsraad zijn opgedragen of overgelaten. Het reglement bevat geen bepalingen die in strijd zijn met de wet of die een goede toepassing van deze wet in de weg staan. Alvorens het reglement vast te stellen, stelt de ondernemingsraad de ondernemer in de gelegenheid zijn standpunt kenbaar te maken. De ondernemingsraad verstrekt onverwijld een exemplaar van het vastgestelde reglement aan de ondernemer.
2. De Raad kan ten aanzien van de inhoud van het reglement bij verordening nadere regelen stellen voor alle of een groep van ondernemingen. In het laatste geval wordt de betrokken bedrijfscommissie gehoord. Een verordening van de Raad behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Een goedgekeurde verordening wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
3. Indien de Raad een verordening als bedoeld in het tweede lid vaststelt, brengen de betrokken ondernemingsraden binnen een jaar na de bekendmaking van de goedgekeurde verordening in de Staatscourant, de bepalingen in hun reglement die in strijd zijn met deze verordening daarmee in overeenstemming.
Toelichting
In het reglement staan de procedures die de ondernemingsraad bij zijn functioneren in acht moet nemen. Wil de ondernemingsraad voorkomen dat hem kan worden verweten zich niet aan de formele regels te hebben gehouden, dan is het zaak het reglement strikt na te leven. Juist daarom is
Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
het ook noodzakelijk het reglement met grote zorg op te stellen en indien nodig te wijzigen.
De ondernemingsraad kan zijn reglement zelfstandig vaststellen. Goedkeuring door de ondernemer (of de bedrijfscommissie) is niet vereist. Wel dient de ondernemingsraad de ondernemer in de gelegenheid te stellen zijn standpunt over het conceptreglement kenbaar te maken en moet hij het definitieve reglement aan de ondernemer verstrekken. Vanaf 19 juli 2013 is het niet langer verplicht het reglement aan de bedrijfscommissie te verstrekken. Omdat de ondernemingsraad zijn reglement eenzijdig mag vaststellen, kunnen daarin geen verdere bevoegdheden (artikel 32) worden opgenomen. Indien ondernemer en ondernemingsraad overeenkomen dat aan de ondernemingsraad bevoegdheden toekomen die verder gaan dan de in de WOR genoemde bevoegdheden, zal die afspraak moeten worden vastgelegd in een tussen ondernemer en ondernemingsraad gesloten ondernemingsovereenkomst. De wettelijke bevoegdheden dient de ondernemingsraad niet in zijn reglement op te nemen. Bij wijziging van de wet geeft dat problemen. Daarnaast kan het reglement van de ondernemingsraad geen opsomming bevatten van de commissies die hij heeft ingesteld. Het instellen van commissies vindt plaats door een instellingsbesluit van de ondernemingsraad dat de instemming van de ondernemer behoeft.
Wel dient het reglement te bepalen hoeveel leden de ondernemingsraad heeft en of hij plaatsvervangende leden kent. Een afwijkend aantal ondernemingsraadsleden en ook het kiezen van plaatsvervangende leden is slechts mogelijk met instemming van de ondernemer (zie ook de toelichting bij artikel 6).
Voorts moet de ondernemingsraad in zijn reglement vaststellen hoe de kandidaatstelling voor de verkiezingen van de raad verloopt, hoe deze verkiezingen worden ingericht, de vaststelling van de uitslag daarvan en een regeling voor de vervulling van tussentijdse vacatures. Ten slotte dient het reglement de zittingstermijn van de leden te bepalen. De ondernemingsraad kan kiezen tussen een zittingsperiode van twee, drie of vier jaar (artikel 12, eerste en tweede lid). Teneinde de continuïteit van de ondernemingsraad en zijn kennis te waarborgen kan ook met een rooster van aftreden worden gewerkt, zie ook artikel 12 lid 2.
Een goede toepassing van de wet moet ook leiden tot een situatie waarbij de ene geleding van een ondernemingsraad niet de andere kan overvleugelen. Hier dient bij de vaststelling van verschillende geledingen en stemverhoudingen rekening mee te worden gehouden. Zie ook de toelichting bij artikel 35.
Als er een conflict ontstaat over de interpretatie van het reglement dient de zogenaamde cao-norm te worden toegepast (Kantonrechter Rotterdam, 6 november 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8649). Het betrof een
Art. 9 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
conflict over de toekenning van restzetels na de verkiezingen. Net als bij een cao is een reglement schriftelijk opgesteld en is het reglement naar haar aard bestemd om de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat deze derden invloed hebben gehad op de inhoud of formulering van de regeling en zonder dat de bedoeling van de regeling kenbaar is. De caonorm houdt in dat de regeling naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd. De tekst van het reglement kwam in deze zaak niet overeen met de bedoeling van de ondernemingsraad. Aan de tekst werd echter door de kantonrechter doorslaggevende betekenis toegekend nu hij de cao-norm diende te hanteren.
Iedere belanghebbende kan de kantonrechter verzoeken de ondernemingsraad te verplichten zijn reglement te wijzigen indien dit in strijd met de wet is of een goede toepassing van de wet in de weg staat.
Voor het bedrijfsleven kan de SER bij verordening nadere regels stellen voor alle of een groep van ondernemingen (tweede lid). Deze verordening moet door de Minister worden goedgekeurd. De SER heeft tot op heden niet een dergelijke verordening vastgesteld. Indien de SER een dergelijke verordening vaststelt, dienen de betrokken ondernemingsraden hun reglement met die verordening in overeenstemming te brengen (derde lid).
Voor de overheid is deze bevoegdheid toegekend aan de Minister van Binnenlandse Zaken. De Minister van Binnenlandse Zaken hoeft zijn verordening niet door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te laten goedkeuren.
Artikel 9
1. De verkiezing van leden van de ondernemingsraad geschiedt bij geheime schriftelijke stemming en aan de hand van een of meer kandidatenlijsten.
2. Een kandidatenlijst kan worden ingediend door:
a. een vereniging van werknemers, die in de onderneming werkzame kiesgerechtigde personen onder haar leden telt, krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam is en voorts ten minste twee jaar in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid, mits zij met haar leden in de onderneming over de samenstelling van de kandidatenlijst overleg heeft gepleegd. Ten aanzien van een vereniging die krachtens haar statuten geacht kan worden een voortzetting te zijn van een of meer andere verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, wordt de duur van de volledige rechtsbevoegdheid van die vereniging of verenigingen voor de vaststelling van de tijdsduur van twee jaar mede in aanmerking genomen;
b. iedere in de onderneming werkzame kiesgerechtigde persoon of
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
groep van personen, niet zijnde lid van een vereniging als bedoeld onder a welke een kandidatenlijst heeft ingediend.
3. De ondernemingsraad kan in zijn reglement bepalen, dat voor bepaalde groepen van in de onderneming werkzame personen, dan wel voor bepaalde onderdelen van de onderneming afzonderlijke kandidatenlijsten worden ingediend, teneinde als grondslag te dienen voor de verkiezing door de betrokken personen of onderdelen van een tevens in het reglement te bepalen aantal leden van de ondernemingsraad. Indien de ondernemingsraad van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, gelden de in het tweede lid ten aanzien van het indienen van kandidatenlijsten gestelde eisen voor iedere aangewezen groep of ieder aangewezen onderdeel afzonderlijk.
4. De ondernemingsraad treft, indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de onderneming, voorzieningen in zijn reglement opdat de verschillende groepen van de in de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk in de ondernemingsraad vertegenwoordigd kunnen zijn.
Toelichting
Verkiezingen (eerste lid)
Artikel 9 regelt de gang van zaken bij de verkiezing van de ondernemingsraad. De verkiezingen dienen schriftelijk en bij geheime stemming plaats te vinden. De wet gaat uit van verkiezingen middels kandidatenlijsten. Het is vanzelfsprekend ook mogelijk dat een individuele werknemer zich kandidaat stelt voor de ondernemingsraad. Deze kandidaat vormt dan op zichzelf een kandidatenlijst.
Behalve op grond van het lijstenstelsel, kan de ondernemingsraad ook gekozen worden op grond van het personenstelsel. Zie daarover het commentaar op artikel 10.
Kandidaatstelling (tweede, derde en vierde lid)
Aan de verkiezing dient uiteraard een kandidaatstelling vooraf te gaan. Kandidatenlijsten kunnen worden ingediend door vakverenigingen (a) en in de onderneming werkzame personen (b). Daarbij wordt aan de vakorganisaties een zekere voorrang toegekend. Een vakorganisatie kan een kandidatenlijst indienen, ook indien hij slechts enkele leden onder de kiesgerechtigde werknemers heeft. Leden van de vakorganisatie die een kandidatenlijst hebben ingediend, mogen geen andere kandidatenlijst ondersteunen middels het plaatsen van een handtekening. In de praktijk houdt dit in dat eerst de vakorganisaties gelegenheid krijgen tot kandidaatstelling en daarna – eventueel – andere kandidatenlijsten kunnen worden ingediend. Dat is nodig om te kunnen vaststellen welke vakorganisatie(s) niet aan de kandidaatstelling heeft/hebben deelgeno-
Art. 9 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
men, zodat de leden van die vakorganisatie een kandidatenlijst als bedoeld onder (b) kunnen ondersteunen.
Een kandidatenlijst als bedoeld onder (b) kan worden ingediend door iedere werknemer. Iedere werknemer is daardoor in de gelegenheid zichzelf verkiesbaar te stellen voor de ondernemingsraad zonder hiervoor afhankelijk te zijn van een vakbond of 30 handtekeningen, zoals in het verleden wel werd vereist. Dat voor de vakbondsmedewerkers wel het voordrachtsprincipe is blijven gelden, betekent dat er voor verkiesbare werknemers verschillende eisen gelden. Eerder is door de SER en de Commissie Bevordering Medezeggenschap (CBM) geadviseerd de wet aan te passen zodat deze verschillende voorwaarden worden opgeheven. Tot op heden is hier geen aanzet voor gegeven. Verder heeft de CBM opgemerkt dat voor alle kandidaat ondernemingsraadleden geldt dat het belangrijk is dat zij draagvlak hebben onder hun achterban. De ondernemingsraad is immers het vertegenwoordigend orgaan van de in de onderneming werkzame personen. De wijze waarop draagvlak uiteindelijk gerealiseerd wordt, kan volgens de CBM het beste op decentraal niveau vorm en inhoud worden gegeven. Het is aan de ondernemer en de ondernemingsraad om in onderling overleg daarover afspraken te maken die kunnen worden opgenomen in het OR-reglement. Voor het organiseren van draagvlak valt te denken aan bijvoorbeeld een op schrift uitgesproken steun van collega's of schriftelijke voordracht door andere collega's.
De ondernemingsraad kan voor groepen van werknemers of onderdelen van de onderneming aparte kandidatenlijsten voorschrijven (derde lid). De ondernemingsraad is vrij in het indelen van de kiesgroepen. Wel dient de ondernemingsraad ervoor te zorgen dat elke werknemer eenzelfde invloed kan uitoefenen op de samenstelling van de ondernemingsraad. Dat betekent dat het aantal werknemers per kiesgroep in beginsel gelijk dient te zijn aan de kiesdeler, dan wel een veelvoud daarvan. Zijn in de onderneming bijvoorbeeld 180 personen werkzaam en zou dus een ondernemingsraad met zeven leden kunnen worden ingesteld, dan dient elke kiesgroep ongeveer 26 werknemers of een veelvoud daarvan te omvatten. In de praktijk is dit niet altijd goed uitvoerbaar. Er kan onder omstandigheden ook voldaan zijn aan de eis van evenredige verdeling als de vertegenwoordiging getalsmatig niet evenredig is, bijvoorbeeld indien er vacatures bestaan in een van de kiesgroepen (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 december 2019, ECLLI:NL:GHAR:2019:10921 Kalorama}.
Zijn er kiesgroepen ingesteld, dan kunnen alleen de tot de betreffende groep behorende werknemers aan de kandidaatstelling en de verkiezing in die kiesgroep deelnemen. De in het tweede lid vermelde voorwaarden voor het indienen van kandidatenlijsten gelden dan voor elke groep afzonderlijk.
Het vierde lid heeft tot strekking te bevorderen dat in de onderne-
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
mingsraad de verschillende groepen van de in de onderneming werkzame personen vertegenwoordigd kunnen zijn. Het is denkbaar dat een goede toepassing van de wet in de betrokken onderneming het best gediend wordt door het instellen van een of meer kiesgroepen op grond van het derde lid. Is dat niet gewenst, of niet mogelijk, dan dient er zoveel mogelijk naar gestreefd te worden dat alle groepen van werknemers op kandidatenlijsten zijn vertegenwoordigd. De verkiezingen zijn echter vrij, zodat geen garantie bestaat dat ook alle groepen in de ondernemingsraad vertegenwoordigd worden. Kiesgroepen leiden, zo blijkt uit de praktijk, tot meer tussentijdse vacatures in de ondernemingsraad.
Het Hof Den Haag heeft in een kwestie waarbij de ondernemer en de ondernemingsraad het niet eens konden worden over de kiesgroepen het volgende geoordeeld. Een grote groep medewerkers die meer dan de helft van het totale personeelsbestand omvat heeft bepaalde gemeenschappelijke kenmerken en andere belangen waarmee deze groep zich onderscheidt van de andere medewerkers en daardoor heeft zij een redelijk belang bij een afzonderlijke kiesgroep. Over de zetelverdeling kon het Hof geen oordeel geven in verband met het dynamische karakter van de onderneming. Het Hof draagt de ondernemingsraad op om voorafgaand aan de volgende verkiezingen te bezien of de zetelverdeling recht doet aan het uitgangspunt van een evenredige verdeling tussen de diverse kiesgroepen (Hof Den Haag, 24 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1777).
Artikel 10
De ondernemingsraad stelt in zijn reglement nadere regelen betreffende de kandidaatstelling, de inrichting van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag daarvan, alsmede betreffende de vervulling van tussentijdse vacatures in de ondernemingsraad.
Toelichting
Het reglement van de ondernemingsraad moet de kandidaatstelling, de inrichting van de verkiezingen, de vaststelling van de uitslag daarvan en de wijze waarop tussentijdse vacatures in de ondernemingsraad zullen worden vervuld, nader regelen.
De kandidaatstelling wordt in het reglement geregeld door voorschriften voor:
– de vaststelling van de lijst van kiesgerechtigde en verkiesbare werknemers. In de praktijk verstrekt de ondernemer aan de ondernemingsraad een lijst van alle werknemers met daarop vermeld de datum van indiensttreding. Aan de hand daarvan wordt de lijst met kiesgerechtigde en verkiesbare werknemers door de ondernemingsraad vastgesteld;
Art. 10 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
– de termijnen waarbinnen de verschillende kandidatenlijsten moeten worden ingediend. De termijn voor de werknemersvakorganisaties zal korter zijn dan die voor de werknemers om een lijst als bedoeld in het tweede lid onder b van artikel 9 in te dienen;
– het onderzoek naar de geldigheid van de ingediende kandidatenlijsten. De ondernemingsraad dient onder meer na te gaan of de vakorganisaties met hun leden over de samenstelling van de kandidatenlijst overleg hebben gepleegd;
– de vaststelling en de wijze van bekendmaking van de definitieve kandidatenlijsten;
– de termijn waarbinnen en de wijze waarop door werknemers bezwaar kan worden gemaakt tegen de vaststelling van de lijst met kiesgerechtigde en verkiesbare werknemers en de bekendmaking van de definitieve kandidatenlijsten;
– de inrichting van de verkiezingen: dit wordt geregeld door voorschriften op te nemen over de wijze waarop de werknemers hun stem kunnen uitbrengen. Bijvoorbeeld: is ook stemming per post mogelijk; middels volmacht en hoeveel stemmen mag iedere kiezer dan uitbrengen; welke stemmen zijn geldig en welke ongeldig, enzovoort.
In het reglement moet ook het kiesstelsel worden vermeld. Bij het integrale stelsel kiezen alle werknemers gezamenlijk de gehele ondernemingsraad; bij het kiesgroepenstelsel kunnen de tot een kiesgroep behorende werknemers slechts stemmen op de voor die kiesgroep gestelde kandidaten en dienen de kandidaten ook tot die kiesgroep te behoren. Behalve dat het reglement het kiesstelsel dient te vermelden, moet het reglement ook bepalen volgens welk systeem de verkiezingen zelf zullen plaatsvinden. De twee meest voorkomende zijn het personenstelsel en het lijstenstelsel. Het lijstenstelsel houdt in dat een aantal kandidaten op dezelfde kandidatenlijst staat en bij de verkiezingen door elke werknemer slechts één stem mag worden uitgebracht. In het personenstelsel bevat elke kandidatenlijst slechts één kandidaat, en brengt iedere kiezer evenveel stemmen uit als er zetels te bezetten zijn in de ondernemingsraad, of zoveel stemmen als er zetels voor zijn kiesgroep te bezetten zijn.
Het reglement dient ook te vermelden op welke wijze de uitslag moet worden vastgesteld. Wanneer het lijstenstelsel wordt gehanteerd is dat eenvoudig. Voor de vaststelling van de uitslag wordt eerst de kiesdeler berekend door het aantal geldig uitgebrachte stemmen te delen door het aantal te bezetten zetels in de ondernemingsraad of, bij toepassing van een kiesgroepenstelsel, door het aantal door de kiesgroep te bezetten zetels in de ondernemingsraad. Aan iedere lijst worden dan zoveel zetels toegerekend als het aantal malen dat de kiesdeler door die lijst is behaald. De overblijvende zetels (restzetels) kunnen worden verdeeld door middel
Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
van het systeem van de grootste overschotten, of middels het systeem van de grootste gemiddelden. De ondernemingsraad mag in zijn reglement niet bepalen dat restzetels slechts mogen worden toegekend aan lijsten die ten minste eenmaal de kiesdeler hebben behaald. Bij toepassing van het personenstelsel is het vaststellen van de uitslag aanzienlijk eenvoudiger. De kandidaat die de meeste stemmen heeft behaald is verkozen, en zo verder totdat alle zetels zijn toegewezen.
Het reglement moet een voorziening voor tussentijdse vacatures bevatten. In het personenstelsel wordt die persoon benoemd die bij de verkiezingen van de niet-gekozen kandidaten de meeste stemmen heeft behaald. In het lijstenstelsel wordt de vacature bezet door de op die lijst staande niet-gekozen kandidaat die daarvoor volgens het bestaande systeem als eerste in aanmerking komt. Indien op deze wijze de tussentijdse vacature niet kan worden vervuld, is er een tussentijdse verkiezing nodig. Het doet zich in het personenstelsel voor indien alle kandidaten gekozen zijn en in het lijstenstelsel indien alle kandidaten van die lijst gekozen zijn. Om praktische redenen kan in het reglement worden bepaald dat er geen tussentijdse verkiezingen zullen worden gehouden indien binnen een bepaalde termijn (bijvoorbeeld zes maanden) algemene ondernemingsraadsverkiezingen plaatsvinden.
De ondernemingsraad moet zijn reglement naleven. Het gevolg van het niet naleven van het reglement kan zijn dat de ondernemingsraad niet op de juiste wijze is samengesteld wat ten nadele kan komen van de legitieme vertegenwoordiging. De kantonrechter kan in dat geval de uitslag van de verkiezingen ongeldig verklaren (Kantonrechter Utrecht, 27 juli 2012, LJN BX6054) of de nieuwe ondernemingsraad veroordelen tot het organiseren van nieuwe verkiezingen (Rechtbank Rotterdam, 3 juli 2014, JAR 2014/186).
Het Gerechtshof in Amsterdam heeft in hoger beroep geoordeeld dat de ondernemingsraad van de Gemeente Amsterdam, stadsdeel Zuid, zodanig in strijd handelt met het eigen OR-reglement en met het beginsel dat de ondernemingsraad een afspiegeling dient te zijn van alle medewerkers, dat de Gemeente niet kan worden gehouden medewerking te verlenen aan de wijze waarop de OR vacatures wenst in te vullen. De Gemeente hoeft de door de ondernemingsraad benoemde leden dan ook niet te faciliteren (ECLI:NL:GHAMS:2016:649).
Artikel 11
1. De ondernemingsraad draagt er zorg voor dat de uitslag van de verkiezingen bekend wordt gemaakt aan de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen, alsmede aan degenen die kandidatenlijsten hebben ingediend.
2. Hij draagt er zorg voor, dat de namen en de functies in de onderne-
Art. 12 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
ming van de leden van de ondernemingsraad blijvend worden vermeld op een plaats die vrij toegankelijk is voor alle in de onderneming werkzame personen, op zodanige wijze dat daarvan gemakkelijk kennis kan worden genomen.
Artikel 12
1. De leden van de ondernemingsraad treden om de drie jaren tegelijk af. Zij zijn terstond herkiesbaar.
2. De ondernemingsraad kan, in afwijking van het eerste lid, in zijn reglement bepalen dat de leden om de twee jaren of om de vier jaren tegelijk aftreden, dan wel om de twee jaren voor de helft aftreden. De ondernemingsraad kan voorts beperkingen vaststellen ten aanzien van de herkiesbaarheid.
3. Wanneer een lid van de ondernemingsraad ophoudt in de onderneming werkzaam te zijn, eindigt van rechtswege zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad.
4. De leden van de ondernemingsraad kunnen te allen tijde als zodanig ontslag nemen. Zij geven daarvan schriftelijk kennis aan de voorzitter en aan de ondernemer.
5. Hij die optreedt ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij komt had moeten aftreden.
Toelichting
Zittingsduur (eerste en tweede lid)
De ondernemingsraad kan in zijn reglement afwijken van de zittingsduur van drie jaar, genoemd in het eerste lid. Daarbij kan de ondernemingsraad kiezen tussen een zittingsduur van twee jaar, of een van vier jaar. Alleen bij een zittingstermijn van vier jaar kan de ondernemingsraad tevens een rooster van aftreden vaststellen, zodanig dat iedere twee jaar de helft van de ondernemingsraadsleden aftreedt. Een wijziging van de zittingsduur heeft geen invloed op de zittingsperiode van de leden van de ondernemingsraad, die op het tijdstip van de reglementswijziging reeds in de ondernemingsraad zitting hebben.
De ondernemingsraad kan tevens in zijn reglement beperkingen opnemen voor de verkiesbaarheid van de ondernemingsraadsleden. Uitgangspunt van de wet is dat de leden van de ondernemingsraad herkiesbaar zijn. De beperking kan er bijvoorbeeld uit bestaan dat een werknemer slechts twee of drie aaneengesloten zittingsperioden deel mag uitmaken van de ondernemingsraad.
In een procedure bij het Hof Den Haag stond onder meer de vraag centraal of de ondernemingsraad de zittingsduur mocht wijzigen zonder instemming van de ondernemer. Het Hof oordeelt dat het bepalen van de
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
zittingsduur bij uitstek in het domein van de ondernemingsraad valt en dat het beperken van herkiesbaarheid beoordeeld moet worden aan de hand van de situatie binnen de onderneming en of dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR (Hof Den Haag, 24 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1777).
Einde lidmaatschap ondernemingsraad (derde, vierde en vijfde lid)
Het spreekt vanzelf dat het lidmaatschap van de ondernemingsraad van rechtswege eindigt op het moment waarop het lid niet langer in de onderneming werkzaam is. Daarvan is geen sprake indien het ondernemingsraadslid langdurig afwezig is wegens arbeidsongeschiktheid. Niet eerder dan nadat de arbeidsovereenkomst met de arbeidsongeschikte werknemer is geëindigd, het ondernemingsraadslid als zodanig ontslag neemt dan wel de zittingsperiode van de ondernemingsraad is verstreken, eindigt het lidmaatschap van de ondernemingsraad.
De leden van de ondernemingsraad kunnen te allen tijde vrijwillig ontslag nemen. Het lid moet dat meedelen aan de voorzitter van de ondernemingsraad en de ondernemer.
Degene die als opvolger voor het afgetreden lid wordt aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop dat lid volgens het reglement had moeten aftreden.
Artikel 13
1. Op verzoek van de ondernemer of van de ondernemingsraad kan de kantonrechter voor een door hem te bepalen termijn een lid van de ondernemingsraad uitsluiten van alle of bepaalde werkzaamheden van de ondernemingsraad. Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan, door de ondernemer op grond van het feit dat het betrokken ondernemingsraadslid het overleg van de ondernemingsraad met de ondernemer ernstig belemmert, en door de ondernemingsraad op grond van het feit dat de betrokkene de werkzaamheden van de ondernemingsraad ernstig belemmert.
2. Alvorens een verzoek in te dienen, stelt de verzoeker de betrokkene in de gelegenheid over het verzoek te worden gehoord. De ondernemer en de ondernemingsraad stellen elkaar in kennis van een overeenkomstig het eerste lid ingediend verzoek.
Toelichting
Uitsluiten van een ondernemingsraadslid
De leden van de ondernemingsraad dienen gezamenlijk een beleid vast te stellen en tot besluiten te komen. Vervolgens overlegt de ondernemingsraad met de bestuurder van de onderneming. Daarvoor is het noodzakelijk dat de leden zich aan de onderlinge afspraken houden, met name aan de vergaderdiscipline. Het kan voorkomen dat een van de leden daar regelma-
Art. 13 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden tig en langdurig tegen zondigt. In extreme gevallen kan daardoor het functioneren van de ondernemingsraad en/of de overlegvergadering volkomen worden gefrustreerd. Een ernstige belemmering van de werkzaamheden van de ondernemingsraad kan ook blijken uit een ernstige verstoring van de samenwerking binnen de ondernemingsraad (Rechtbank Oost-Brabant, 29 januari 2015, JAR 2015/44). Voor dit soort uitzonderlijke gevallen bevat de wet de mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken het betreffende lid voor een bepaalde termijn van de werkzaamheden van de ondernemingsraad of van de overlegvergadering uit te sluiten.
De ondernemingsraad of de ondernemer dient eerst het betrokken ondernemingsraadslid in de gelegenheid te stellen over het verzoek te worden gehoord (tweede lid). Vervolgens kan de ondernemingsraad of de ondernemer zich tot de kantonrechter wenden. De ondernemer en de ondernemingsraad dienen elkaar in kennis te stellen van het door een van hen ingediende verzoek.
De ondernemer kan vanzelfsprekend alleen verzoeken het ondernemingsraadslid uit te sluiten van deelname aan de overlegvergadering. Het is immers uitsluitend in die vergadering dat de ondernemer kan constateren dat het ondernemingsraadslid de werkzaamheden van de ondernemingsraad ernstig belemmert. De ondernemingsraad kan de kantonrechter verzoeken het ondernemingsraadslid van alle of bepaalde werkzaamheden van de ondernemingsraad uit te sluiten. In het verzoek zal dan ook moeten worden aangegeven van welke werkzaamheden het betrokken ondernemingsraadslid naar de mening van de verzoeker dient te worden uitgesloten.
Uit de beperkte rechtspraak volgt dat zeer terughoudend met het uitsluiten van ondernemingsraadleden wordt omgegaan, zowel door de bedrijfscommissie, die slechts een op vrijwilligheid gestoelde bemiddelende rol heeft, als door de kantonrechter en dat veel waarde wordt gehecht aan de gevolgde formaliteiten, zoals het in de gelegenheid stellen het standpunt kenbaar te maken. Zie naast de hiervoor genoemde uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, ook de Kantonrechter Amersfoort 31 juli 2006, JAR 2006/212. Ook uit een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgt dat uitsluiting als een ultimum remedium moet worden gezien en dat proportionaliteit in acht moet worden genomen bij het bepalen van de duur en de omvang van de sanctie. Het Hof oordeelde dat het ondernemingsraadslid eerst gewaarschuwd dient te worden dat uitsluiting kan volgen, waaronder een ondubbelzinnige laatste waarschuwing. Het verplicht horen van de werknemer zoals vermeld in artikel 13 lid 2 kan volgens het Hof niet als deze waarschuwing worden beschouwd. Dit oordeel over het geven van waarschuwingen is echter door de Hoge Raad onjuist geacht. De Hoge Raad heeft in deze zaak geoordeeld dat uit de wet en uit de parlementaire geschiedenis niet blijkt dat de eis van waarschuwing en van een laatste waarschuwing kan worden gesteld. Het is volgens de Hoge Raad slechts een van de gezichtspunten die een rol kunnen spelen bij de vraag of de uitslui-
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
14
ting van het ondernemingsraadslid moet worden toegestaan. In de uitspraak van het Hof wordt ook benadrukt dat een ondernemingsraadslid niet alleen de taak heeft om voor de belangen van werknemers op te komen, maar ook voor het belang van de onderneming in zijn geheel en alle daarin werkzame personen. (Gerechtshof ECLI:NL:GHARL:2018:9257 en in cassatie Hoge Raad 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:532, AB Vakwerk).
Artikel 14
1. De ondernemingsraad regelt in zijn reglement zijn werkwijze.
2. Het reglement bevat in ieder geval voorschriften omtrent:
a. de gevallen waarin de ondernemingsraad ten behoeve van de uitoefening van zijn taak bijeenkomt;
b. de wijze van bijeenroeping van de ondernemingsraad;
c. het aantal leden dat aanwezig moet zijn om een vergadering te kunnen houden;
d. de uitoefening van het stemrecht in de vergaderingen;
e. de voorziening in het secretariaat;
f. het opmaken en het bekendmaken aan de ondernemer, de leden van de ondernemingsraad en aan de andere in de onderneming werkzame personen van de agenda van de vergaderingen van de ondernemingsraad;
g. het tijdstip waarop de ondernemer, de leden van de ondernemingsraad en de andere in de onderneming werkzame personen uiterlijk in kennis dienen te worden gesteld van de agenda, welk tijdstip niet later kan worden gesteld dan 7 dagen vóór de vergadering, behoudens in spoedeisende gevallen;
h. het opmaken en het bekendmaken aan de ondernemer, de leden van de ondernemingsraad en aan de andere in de onderneming werkzame personen van de verslagen van de vergaderingen van de ondernemingsraad en van het jaarverslag van de ondernemingsraad.
Toelichting
Reglement ondernemingsraad
Dat de ondernemingsraad zijn eigen werkwijze kan regelen, heeft het voordeel dat die werkwijze kan worden aangepast aan de situatie binnen de onderneming. De in het reglement vastgelegde werkwijze geeft bindende regels voor de huishoudelijke gang van zaken van de ondernemingsraad. Bepalingen omtrent de bevoegdheden van de ondernemingsraad horen in het reglement niet thuis. Ook de door de ondernemingsraad ingestelde commissies horen niet in het reglement thuis. Commissies van de ondernemingsraad worden door middel van een instellingsbesluit door de ondernemingsraad ingesteld.
Art. 15 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
In de praktijk hebben ondernemingsraden er behoefte aan alle op het werk van de ondernemingsraad betrekking hebbende regelingen in een zogenaamd regelingenboek op te nemen. Een dergelijke regelingenboek kan dan omvatten:
– het reglement van de ondernemingsraad;
– de instellingsbesluiten van de commissies van de ondernemingsraad;
– het reglement van de overlegvergadering;
– een eventueel door de ondernemer genomen besluit tot uitbreiding van de bevoegdheden van de ondernemingsraad; – de met de ondernemer gemaakte afspraken over het aantal dagen vorming en scholing, het aantal uren voor onderling beraad, het budget van de ondernemingsraad en de overige met de ondernemer gemaakte afspraken.
Het tweede lid noemt de onderwerpen die in elk geval in het reglement geregeld moeten worden. Daarnaast kunnen ook andere onderwerpen worden geregeld. De SER heeft een voorbeeldreglement voor ondernemingsraden opgesteld.
Van de in het tweede lid van artikel 14 genoemde onderwerpen, heeft het bekendmaken van de verslagen van de vergaderingen van de ondernemingsraad tot conflicten geleid. De kantonrechter Haarlem heeft beslist dat de ondernemingsraad mag volstaan met de bekendmaking van een samenvatting van de notulen van de ondernemingsraadsvergadering. Wordt van de overlegvergadering ook een uitgebreid verslag gemaakt, dan dient dit verslag wel door alle werknemers te kunnen worden ingezien.
Artikel 15
1. De ondernemingsraad kan de commissies instellen die hij voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De ondernemingsraad legt zijn voornemen om een commissie in te stellen schriftelijk voor aan de ondernemer, met vermelding van de taak, samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de door hem in te stellen commissie. Bij bezwaar van de ondernemer kan de ondernemingsraad een beslissing van de kantonrechter vragen.
2. De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid vaste commissies instellen voor de behandeling van door hem aangewezen onderwerpen. In een vaste commissie kunnen naast een of meer leden van de ondernemingsraad ook andere in de onderneming werkzame personen zitting hebben. De ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit van een vaste commissie zijn rechten en bevoegdheden ten aanzien van de door hem aangewezen onderwerpen, met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen, geheel of gedeeltelijk aan de betrokken commissie overdragen, indien de meerderheid van het aantal leden van de commissie uit leden van de ondernemingsraad bestaat.
3. De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid voor onderdelen van de onderneming onderdeelcommissies instellen voor de behandeling van de aangelegenheden van die onderdelen. De ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit van een onderdeelcommissie aan deze commissie de bevoegdheid toekennen tot het plegen van overleg met degene die de leiding heeft van het betrokken onderdeel. In dat geval gaan de rechten en bevoegdheden van de ondernemingsraad ten aanzien van de aangelegenheden van het onderdeel, met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen, over naar de onderdeelcommissie, tenzij de ondernemingsraad besluit een bepaalde aangelegenheid zelf te behandelen. In een onderdeelcommissie kunnen naast een of meer leden van de ondernemingsraad uitsluitend in het betrokken onderdeel werkzame personen zitting hebben.
4. De ondernemingsraad kan met inachtneming van het eerste lid voorbereidingscommissies instellen ter voorbereiding van door de ondernemingsraad te behandelen onderwerpen. Een voorbereidingscommissie kan geen rechten of bevoegdheden van de ondernemingsraad uitoefenen. Een voorbereidingscommissie kan slechts voor een bepaalde, door de ondernemingsraad in het instellingsbesluit te vermelden, tijd worden ingesteld. In een voorbereidingscommissie kunnen naast een of meer leden van de ondernemingsraad ook andere in de onderneming werkzame personen zitting hebben.
5. Ten aanzien van de leden van door de ondernemingsraad ingestelde commissies, die geen lid zijn van de ondernemingsraad, is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
Algemeen
De wet onderscheidt drie soorten commissies. Het betreft hier vaste commissies (artikel 15, tweede lid), onderdeelcommissies (artikel 15, derde lid) en voorbereidingscommissies (artikel 15, vierde lid). Dit onderscheid is nodig omdat de wijze waarop de commissies kunnen worden samengesteld verschillend is. Ook hebben leden van voorbereidingscommissies geen recht op vorming en scholing (artikel 18) en verschilt de ontslagbescherming van de leden eveneens (artikel 7:670 BW). Niet alle werknemers die actief zijn in de medezeggenschap hebben ontslagbescherming. Bovendien is de ontslagbescherming gewijzigd met de Wet Werk en Zekerheid die per 1 juli 2015 is ingevoerd. Ondernemingsraadleden mogen nog steeds niet worden ontslagen wegens hun medezeggenschapsactiviteiten. Maar als er geen verband bestaat met het medezeggenschapswerk dan kunnen de werknemers voortaan op dezelfde wijze worden ontslagen als gewone werknemers. De omweg via de toestemming van de kantonrechter hoeft niet meer te worden gevolgd.
Art. 15 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Voor alle commissies geldt dat zij recht hebben op de faciliteiten genoemd in de wet. Dat betreft het gebruik van voorzieningen (telefoon, email, post, enzovoort), het recht om in werktijd te vergaderen (artikel 17) en het recht om in werktijd onderling beraad te houden (artikel 18). De kosten van de commissies komen ten laste van de ondernemer. Ook commissies kunnen deskundigen uitnodigen.
Het instellen van commissies (eerste lid)
De ondernemingsraad is bevoegd die commissies in te stellen die hij voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. Daartoe is een schriftelijk instellingsbesluit nodig dat aan de ondernemer ter goedkeuring moet worden voorgelegd. In dat besluit moeten de taak, samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de in te stellen commissie vermeld staan. Bij een voorbereidingscommissie dient tevens te worden vermeld voor welke tijdsduur de commissie wordt ingesteld.
De instelling van commissies is derhalve een kwestie van overleg tussen ondernemingsraad en ondernemer, waarbij het initiatief aan de kant van de ondernemingsraad ligt. Heeft de ondernemer uiteindelijk bezwaar tegen de instelling van een commissie, bijvoorbeeld omdat hij van oordeel is dat de door de ondernemingsraad aangevoerde voordelen niet opwegen tegen de extra lasten, dan kan de ondernemingsraad de kantonrechter verzoeken hierover een uitspraak te doen. De kantonrechter zal moeten beslissen of de ondernemingsraad de voorgestelde commissie voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. In de norm ‘redelijkerwijs’ ligt besloten een afweging van de belangen van de ondernemingsraad (specialisatie, taakverlichting, spreiding van de medezeggenschapsrechten) en van de belangen van de ondernemer (extra faciliteiten, uitbreiding ontslagbescherming, kosten).
Vaste commissies (tweede lid)
De ondernemingsraad kan een vaste commissie instellen voor de behandeling van de door hem aangewezen onderwerpen, zoals de behandeling van aangelegenheden van bepaalde groepen van personen of bepaalde onderwerpen (financieel-economisch, sociaal, arbeidsomstandigheden, enzovoort). De vaste commissie heeft tot doel werkzaamheden van de ondernemingsraad, voor zover deze het werkterrein van de commissie betreffen, geheel of gedeeltelijk over te nemen teneinde de ondernemingsraad te ontlasten. Aan de vaste commissie kan om die reden door de ondernemingsraad naast het overlegrecht, ook het advies- en instemmingsrecht worden toegekend. Dit laatste kan niet als de vaste commissie voor de meerderheid niet uit ondernemingsraadleden bestaat. Het recht om te procederen kan de ondernemingsraad nooit aan een vaste commissie overdragen.
15 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Met ingang van 1 januari 2022 is de verplichting uit de wet geschrapt dat een vaste commissie voor de meerderheid uit ondernemingsraadleden moet bestaan. Het doel van deze wijziging is dat de leden van de ondernemingsraad minder worden belast. Een gevolg is ook dat andere medewerkers eenvoudiger bij de medezeggenschap betrokken kunnen worden. Zoals gezegd, blijven, indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, het adviesrecht en het instemmingsrecht bij de ondernemingsraad liggen.
Onderdeelcommissies (derde lid)
Voor onderdelen van de onderneming kunnen onderdeelcommissies worden ingesteld. Een onderdeel is ieder afzonderlijk organisatorisch verband dat niet als een zelfstandige eenheid naar buiten optreedt. Voorbeelden zijn de drukkerij van een uitgeverij, de verkoopafdeling van een productiebedrijf, of een aparte (apart gelegen) productie-eenheid. Bij een gemeente kan gedacht worden aan de brandweer of een aparte dienst of directie. Voorwaarde voor het kunnen instellen van een onderdeelcommissie is dat het betreffende onderdeel van voldoende omvang is.
In een onderdeelcommissie kunnen naast een of meer leden van de ondernemingsraad, uitsluitend in het betrokken onderdeel werkzame personen zitting hebben. Van de onderdeelcommissie dient ten minste een lid van de ondernemingsraad deel uit te maken.
De ondernemingsraad kan in het instellingsbesluit aan de onderdeelcommissie de bevoegdheid toekennen tot het plegen van overleg met degene die de leiding heeft van het betrokken onderdeel. Bij toekenning van het overlegrecht wordt tevens het advies- en instemmingsrecht aan de onderdeelcommissie overgedragen (artikel 23c). Ook hier geldt dat aan de onderdeelcommissie niet het recht kan worden gegeven tot het voeren van een procedure. Als een ondernemingsraad is omgezet in een onderdeelcommissie nadat een gemeenschappelijke ondernemingsraad is ingesteld, is de omgezette ondernemingsraad niet langer bevoegd te procederen (Rechtbank Noord-Holland 10 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:6778, Albert Heijn e-Commerce).
Voorbereidingscommissie (vierde lid)
Ten slotte kunnen er nog commissies worden ingesteld ter voorbereiding van bepaalde onderwerpen. Gedacht kan worden aan een commissie om een bepaald advies te helpen voorbereiden of om kandidaten voor de Raad van Commissarissen te zoeken. Het betreft hier commissies 'ad hoc', die van nature een tijdelijk bestaan hebben. In een voorbereidingscommissie moet ten minste één lid van de ondernemingsraad zitting hebben. De overige leden kunnen door de ondernemingsraad worden aangewezen, of door de in de onderneming werkzame personen worden gekozen. Aan de voorbereidingscommissie kan de ondernemingsraad geen
Art. 16 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden rechten en bevoegdheden overdragen. Een voorbereidingscommissie kan dus geen formeel overleg voeren met de bestuurder, geen advies uitbrengen en geen instemming geven of weigeren.
Uitsluiten van werkzaamheden van de commissie (vijfde lid)
Voor alle commissies geldt dat de leden, evenals de leden van de ondernemingsraad (artikel 13) door de kantonrechter kunnen worden uitgesloten van de werkzaamheden van de commissie. Is een ondernemingsraadslid uitgesloten van deelname aan de werkzaamheden van de ondernemingsraad, dan geldt dat vanzelfsprekend ook voor zijn werkzaamheden in de door de ondernemingsraad ingestelde commissie.
Artikel 16
1. De ondernemingsraad kan een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een vergadering van die raad, met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp. Hij kan een zodanige uitnodiging ook doen aan een of meer bestuurders van de onderneming, dan wel aan een of meer personen als bedoeld in artikel 24, tweede lid.
2. De leden van de ondernemingsraad kunnen in de vergadering aan de in het eerste lid bedoelde personen inlichtingen en adviezen vragen.
3. Een deskundige kan eveneens worden uitgenodigd een schriftelijk advies uit te brengen.
4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de commissies van de ondernemingsraad.
Toelichting
De ondernemingsraad kan deskundigen uitnodigen om een ondernemingsraadsvergadering bij te wonen (lid 1) of een schriftelijk advies uit te brengen (lid 3). De ondernemingsraad is vrij in de keuze van de door hem uit te nodigen deskundige. Dat kan bijvoorbeeld een vakbondsbestuurder zijn, een organisatiedeskundige, een financieel deskundige of een advocaat. Brengt het uitnodigen van een deskundige kosten met zich mee, dan geldt het bepaalde in artikel 22. Zie daarvoor de toelichting op dat artikel. De ondernemingsraad kan ook een of meer bestuurders van de onderneming dan wel personen genoemd in artikel 24 tweede lid WOR uitnodigen. Wordt de bestuurder uitgenodigd, bijvoorbeeld voor het geven van een nadere toelichting, dan wordt de ondernemingsraadsvergadering daarmee geen overlegvergadering. De in artikel 24 tweede lid genoemde personen zijn – kort samengevat – bij een concern de leden van de raad van bestuur van de moedervennootschap, bij een naamloze of besloten vennootschap de commissarissen en bij een stichting of vereniging de bestuursleden.
Aan de deskundige dienen tijdig de agenda van de betrokken vergade-
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
ring en de relevante stukken te worden verstrekt. Is de deskundige van mening dat hij meer informatie nodig heeft, dan moet hij deze vragen aan de ondernemingsraad. Bezit de ondernemingsraad die informatie niet, dan zal deze zich op zijn beurt tot de ondernemer moeten wenden op grond van artikel 31, eerste lid WOR.
Ook de commissies van de ondernemingsraad kunnen deskundigen uitnodigen (vierde lid). De daarvoor geldende bepalingen zijn gelijk aan die welke gelden voor de ondernemingsraad.
Artikel 17
1. De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad en de commissies van die raad, en, indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, de secretaris van die raad het gebruik toe te staan van de voorzieningen waarover hij als zodanig kan beschikken en die de ondernemingsraad, de commissies en de secretaris van die raad voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig hebben. De ondernemer stelt de ondernemingsraad en de commissies van die raad in staat de in de onderneming werkzame personen te raadplegen en stelt deze personen in de gelegenheid hieraan hun medewerking te verlenen, een en ander voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van de raad en de commissies.
2. De ondernemingsraad en de commissies van die raad vergaderen zoveel mogelijk tijdens de normale arbeidstijd.
3. De leden van de ondernemingsraad en de leden van de commissies van die raad behouden voor de tijd gedurende welke zij ten gevolge van het bijwonen van een vergadering van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad niet de bedongen arbeid hebben verricht, hun aanspraak op loon dan wel bezoldiging.
Toelichting
Algemeen
De ondernemingsraad kan zijn taak slechts naar behoren uitvoeren indien hij over faciliteiten beschikt. De faciliteiten worden beschreven in de artikelen 17, 18 en 22 WOR.
Voorzieningen en het raadplegen van in de onderneming werkzame personen (eerste lid)
De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad en zijn commissies en de (ambtelijk) secretaris van de raad het gebruik toe te staan van de voorzieningen die zij voor het verrichten van hun werkzaamheden nodig hebben. Hieronder valt bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van vergaderruimte, mailfaciliteiten, een pagina op Intranet, alsmede het gebruik van computers, telefoon, kopieerapparatuur enzovoort. Ook de aan de onder-
Art. 17 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
nemingsraad ter beschikking gestelde ambtelijk secretaris kan een voorziening zijn als bedoeld in het eerste lid van artikel 17. Is aan de ondernemingsraad een ambtelijk secretaris ter beschikking gesteld, dan heeft ook deze secretaris recht op het gebruik van deze voorzieningen en die voorzieningen die de secretaris voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.
Aan de verplichting voor de ondernemer de voorzieningen aan de ondernemingsraad ter beschikking te stellen zijn twee voorwaarden verbonden. Allereerst dat de ondernemer feitelijk over de voorzieningen beschikt. De wet verplicht hem dus niet een voorziening ten behoeve van de ondernemingsraad aan te schaffen. Beschikt de ondernemer niet over een voorziening die de ondernemingsraad redelijkerwijs nodig heeft, dan vertaalt dit zich in de verplichting voor de ondernemer de kosten voor die voor de ondernemingsraad aangeschafte voorziening te betalen (artikel 22 WOR). Vervolgens dient de ondernemingsraad de voorziening redelijkerwijs nodig te hebben voor de vervulling van zijn taak. De ondernemer en de ondernemingsraad kunnen afspraken maken over de aan de ondernemingsraad ter beschikking te stellen voorzieningen, vastgelegd in een zogeheten ondernemingsovereenkomst.
De ondernemingsraad en zijn commissies vertegenwoordigen de werknemers in het overleg met de ondernemer. Dat betekent niet dat zij slechts doorgeefluik zijn van de opvattingen van de werknemers – de ondernemingsraad heeft een eigen taak en verantwoordelijkheid. Anderzijds betekent het ook niet dat voor de standpuntbepaling van de ondernemingsraad de opvatting van de werknemers geen belangrijke rol behoort te spelen. Om die reden bepaalt de wet dat de ondernemer verplicht is raadpleging van het personeel door de ondernemingsraad (of een van zijn commissies) mogelijk te maken. Die verplichting bestaat alleen dan, indien de raadpleging redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van de raad en zijn commissies, derhalve uitsluitend bij belangrijke aangelegenheden. Onder omstandigheden betekent dit een recht op vrijaf voor (groepen) werknemers om in werktijd geraadpleegd te worden. Bij minder verstrekkende besluiten dient de ondernemingsraad een lichtere vorm van raadpleging te gebruiken, zoals schriftelijke enquête of bijeenkomst in eigen tijd van de werknemers. De kantonrechter Amsterdam oordeelde over het besluit van de ondernemingsraad om een enquête onder de achterban leidend te laten zijn voor het weigeren van instemming op de voet van artikel 27. De achterbanraadpleging was weinig representatief en de ondernemingsraad had daar zonder nadere motivering niet de consequentie aan mogen verbinden om instemming te onthouden. De ondernemingsraad had de belangen van de onderneming mee moeten wegen en dient dus meer te doen dan het enkel houden van een enquête onder personeel en vervolgens uit te gaan van die uitslag
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
(Rechtbank Amsterdam, 10 oktober 2023 ECLI:NL:RBAMS:2023:6243, AMC).
Vergaderingen (tweede lid)
De vergaderingen van de ondernemingsraad en van zijn commissies worden zoveel mogelijk in werktijd gehouden. De ondernemingsraad kan bepalen dat zijn vergaderingen openbaar zijn. De werknemers die deze vergaderingen wensen bij te wonen, kunnen geen aanspraak maken op loonbetaling over die uren. De wet stelt geen maximum aan het aantal vergaderingen en ook niet aan het aantal uren waarop wordt vergaderd. Uit de term 'zoveel mogelijk' blijkt dat in uitzonderingssituaties ook de ondernemingsraadsvergaderingen buiten de normale werktijd kunnen plaatsvinden. Tenzij anders met de ondernemer overeengekomen, bestaat voor de leden van de ondernemingsraad dan geen aanspraak op loon of overwerkvergoeding. Dat is op grond van een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU anders voor parttimers. Een parttimer die buiten de overeengekomen werktijd vergadert dan wel scholing volgt heeft over die extra uren (met als maximum de volle werktijd) recht op loon.
Ondernemingen die ploegendienst kennen, treffen haast altijd een regeling die het de leden van de ondernemingsraad mogelijk maakt de ondernemingsraad- en overlegvergaderingen in werktijd bij te wonen, bijvoorbeeld door het ruilen van diensten.
Loon over vergaderuren (derde lid)
Ondernemingsraadswerk is werk, maar valt niet aan te merken als de bedongen arbeid. Teneinde het recht op loon over de tijd die de ondernemingsraadsleden besteden aan ondernemingsraadswerk te garanderen, bepaalt het derde lid van artikel 17 dat de ondernemingsraadsleden als zij in werktijd ondernemingsraadswerk verrichten, recht hebben op loon. Uit de parlementaire behandeling volgt dat het recht op loon uitsluitend bestaat voor werknemers werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst of publieke aanstelling.
Indien toepassing is gegeven aan het derde of vierde lid van artikel 6 en derhalve personen in de ondernemingsraad zijn gekozen die geen arbeidsovereenkomst met de ondernemer hebben, bestaat formeel geen recht op loon over de uren die zij aan het ondernemingsraadswerk besteden. Bij toepassing van het vierde lid van artikel 6 dient daarvoor dan ook een voorziening te worden getroffen.
De kantonrechter heeft in een zaak waarin een werkneemster verzocht om vermindering van arbeidsuren ten gevolge waarvan zij enkel nog ORwerk zou uitvoeren, geoordeeld dat dit verzoek dient te worden gehonoreerd omdat het OR-werk dat zij verricht tot de bedongen arbeid behoort (ECLI:RBMNE:2018:755). Het is de vraag of andere rechters hetzelfde zouden oordelen.
Art. 18 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Artikel 18
1. De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad en de leden van de commissies van die raad, gedurende een door de ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk vast te stellen aantal uren per jaar, in werktijd en met behoud van loon dan wel bezoldiging de gelegenheid te bieden voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming van de arbeidsomstandigheden in de onderneming.
2. De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad en de leden van een vaste commissie of onderdeelcommissie, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, gedurende een door de ondernemer en de ondernemingsraad gezamenlijk vast te stellen aantal dagen per jaar, in werktijd en met behoud van loon dan wel bezoldiging de gelegenheid te bieden de scholing en vorming van voldoende kwaliteit te ontvangen welke zij in verband met de vervulling van hun taak nodig oordelen.
3. De ondernemer en de ondernemingsraad stellen het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, en het aantal dagen, bedoeld in het tweede lid, vast op een zodanig aantal als de betrokken leden van de ondernemingsraad en van de commissies van die raad voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hebben. Daarbij wordt in acht genomen dat het aantal uren niet lager vastgesteld kan worden dan zestig per jaar en het aantal dagen:
a. voor leden van een in het tweede lid bedoelde commissie die niet tevens lid zijn van de ondernemingsraad, niet lager vastgesteld kan worden dan drie per jaar;
b. voor leden van de ondernemingsraad die niet tevens lid zijn van een in het tweede lid bedoelde commissie, niet lager vastgesteld kan worden dan vijf per jaar; en
c. voor leden van de ondernemingsraad die tevens lid zijn van een commissie, niet lager vastgesteld kan worden dan acht per jaar.
4. De ondernemingsraad, alsmede ieder lid van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan hetgeen is bepaald in het eerste, het tweede en het derde lid.
Toelichting
Onderling beraad (eerste lid)
De ondernemer is verplicht de leden van de ondernemingsraad en zijn commissies de gelegenheid te bieden voor onderling beraad en overleg met andere personen gedurende een door de ondernemer en ondernemingsraad gezamenlijk vast te stellen aantal uren per jaar – in werktijd en
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
met behoud van loon. Het raadplegen van andere personen kan zowel betrekking hebben op personen in de onderneming als daarbuiten. De toevoeging dat de ondernemer de leden van de ondernemingsraad ook in de gelegenheid moet stellen kennis te nemen van de arbeidsomstandigheden, houdt in dat het maken van een rondgang door het bedrijf en het begeleiden van de Inspectie SZW, vanaf 1 januari 2022 aangeduid als de Nederlandse Arbeidsinspectie, onder meer behoort tot het raadplegen van andere personen.
Worden ondernemer en ondernemingsraad het onderling niet eens over het aantal uren voor onderling beraad, dan beslist de kantonrechter. Zie verder het commentaar op het derde lid.
Vorming en scholing (tweede lid)
Naast de leden van de ondernemingsraad hebben ook de leden van de vaste commissies en onderdeelcommissies van de ondernemingsraad een zelfstandig recht op vorming en scholing. Dat recht komt de leden van die commissies toe, ongeacht de vraag of zij tevens lid zijn van de ondernemingsraad.
Het aantal dagen vorming en scholing dient tussen ondernemer en ondernemingsraad te worden overeengekomen. Ook hier geldt dat indien geen overeenstemming kan worden bereikt de kantonrechter beslist. Zie verder het commentaar op het derde lid.
Ter bewaking van de kwaliteit van opleidingen voor de leden van de ondernemingsraad, heeft de SER de Stichting Certificering Opleiding Ondernemingsraden (SCOOR-RMZO) opgericht. De SCOOR-RMZO heeft ook als taak het informeren van ondernemingsraden en opleidingsinstituten op het gebied van medezeggenschap over het belang van kwalitatief goede scholing.
Vaststelling van het aantal dagen vorming en scholing en uren voor onderling beraad (derde lid)
Ondernemer en ondernemingsraad dienen afspraken te maken over het aantal dagen vorming en scholing en uren onderling beraad voor de leden van de ondernemingsraad en de leden van de vaste commissies en onderdeelcommissies van die raad. Indien ondernemer en ondernemingsraad geen overeenstemming bereiken, kan door elk der partijen het oordeel van de kantonrechter worden gevraagd. De kantonrechter kan het aantal uren voor onderling beraad, zowel voor de leden van de ondernemingsraad als voor de leden van zijn commissies, niet vaststellen op minder dan 60 uur per jaar. Dat geldt niet alleen voor leden van vaste en onderdeelcommissies, maar ook voor de leden van voorbereidingscommissies als bedoeld in het vierde lid van artikel 15.
De kantonrechter kan het aantal dagen vorming en scholing voor leden
Art. 19 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
van de ondernemingsraad niet op minder dan vijf per jaar stellen en voor leden van vaste en onderdeelcommissies niet op minder dan drie per jaar. Uit het bepaalde in het derde lid onder c volgt dat het hier zelfstandige rechten betreft, zodat het aantal dagen vorming en scholing voor een lid van de ondernemingsraad die tevens lid is van een vaste of onderdeelcommissie, niet lager kan worden vastgesteld dan op acht dagen per jaar.
Procedures op grond van artikel 18 (vierde lid)
Bij de toepassing van artikel 18 zijn twee verschillende procedures mogelijk. Beide op grond van artikel 36, tweede lid, met als basis het bepaalde in het vierde lid van artikel 18. In de eerste plaats een procedure wanneer de ondernemer en de ondernemingsraad het niet eens kunnen worden over het aantal uren voor onderling beraad en het aantal dagen voor vorming en scholing. Aan de rechter wordt in dat geval door de ondernemingsraad verzocht dit aantal vast te stellen met inachtneming van het bepaalde in het derde lid van artikel 18. Ook kan het tot een procedure komen wanneer de ondernemer de leden van de ondernemingsraad en/of de leden van de commissies van die raad niet of onvoldoende de gelegenheid biedt gedurende het vastgestelde aantal uren – in werktijd en met behoud van loon – onderling beraad of overleg met anderen te voeren, dan wel gedurende het overeengekomen aantal dagen de door hen nodig geachte vorming en scholing te ontvangen.
Artikel 19 (Vervallen)
Artikel 20
1. De leden van de ondernemingsraad en de leden van de commissies van die raad, alsmede de overeenkomstig artikel 16 geraadpleegde deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken- en bedrijfsgeheimen die zij in hun hoedanigheid vernemen, alsmede van alle aangelegenheden ten aanzien waarvan de ondernemer dan wel de ondernemingsraad of de betrokken commissie hun geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijk karakter moeten begrijpen. Het voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk vóór de behandeling van de betrokken aangelegenheid meegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mee, welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degenen die met het secretariaat van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad zijn belast.
3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover hen die ingevolge een rechterlijke opdracht zijn belast met een onderzoek naar de gang van zaken in de onderneming.
4. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt voorts niet tegenover hen die door een lid van de ondernemingsraad of door een lid van een commissie van die raad wordt benaderd voor overleg, mits de ondernemer, onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard, dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde persoon het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
5. Een weigering de in het vorige lid bedoelde toestemming te verlenen, wordt door de ondernemer, onderscheidenlijk door degene die geheimhouding heeft opgelegd, met redenen omkleed.
6. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de ondernemingsraad of van de betrokken commissie, noch door beëindiging van de werkzaamheden van de betrokkene in de onderneming.
7. De ondernemingsraad, alsmede ieder lid van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad, alsmede een overeenkomstig artikel 16 geraadpleegde deskundige en ieder die met het secretariaat van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad is belast, kan de kantonrechter verzoeken de opgelegde geheimhouding op te heffen op de grond dat de ondernemer bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het opleggen van geheimhouding had kunnen besluiten.
Toelichting
Geheimhouding
Artikel 20 bevat een uitputtende regeling van de geheimhoudingsplicht. Tussen ondernemer en ondernemingsraad hoeven daarover derhalve geen nadere afspraken te worden gemaakt. Wel kan de ondernemingsraad in zijn reglement een nadere regeling opnemen voor de door hem aan een van zijn commissies op te leggen geheimhoudingsplicht, bijvoorbeeld ten aanzien van de tijdsduur.
Geheimhouding moet in acht worden genomen door de leden van de ondernemingsraad en de leden van zijn commissies, de door de ondernemingsraad of zijn commissies te raadplegen deskundigen (eerste lid) en degene die met het secretariaat van de ondernemingsraad of van de commissies van die raad is belast (tweede lid). De geheimhouding hoeft niet in acht te worden genomen tegenover degene die door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam is belast met het onderzoek naar
Art. 20 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
het beleid van de ondernemer in verband met een enquêteprocedure (derde lid).
Voorts hoeft de geheimhouding ten opzichte van een derde niet in acht te worden genomen indien degene die de geheimhouding heeft opgelegd (ondernemer of ondernemingsraad) toestemming heeft gegeven voor overleg met de betrokken derde. De wet schrijft dan voor dat die derde schriftelijk moet verklaren dat hij ten aanzien van de betrokken aangelegenheid geheimhouding zal betrachten (vierde lid).
Het spreekt voor zich dat ook geen geheimhouding in acht genomen hoeft te worden tegenover personen die zijn geïnformeerd door degene die de geheimhouding heeft opgelegd, zoals vakbondsvertegenwoordigers bij een voorgenomen fusie of reorganisatie.
De geheimhoudingsverplichting vervalt niet op het moment waarop het lidmaatschap van de ondernemingsraad of van een commissie eindigt.
De geheimhoudingsverplichting betreft allereerst alle zaken en bedrijfsgeheimen waarvan de leden van de ondernemingsraad of zijn commissies hadden moeten begrijpen dat zij geheim gehouden moeten worden. Vervolgens geldt de geheimhoudingsplicht indien de ondernemer of de ondernemingsraad die uitdrukkelijk oplegt. Daarbij dient te worden meegedeeld welke gegevens onder de geheimhouding vallen, hoe lang de geheimhouding duurt en ten opzichte van wie die geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.
Degenen die geheimhouding in acht moeten nemen, kunnen de kantonrechter verzoeken de geheimhouding op te heffen. Dat kan de kantonrechter slechts indien de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het opleggen van geheimhouding had kunnen besluiten. De kantonrechter oordeelde dat het belang van de ondernemer om bedrijfsgevoelige informatie geheim te houden in het kader van een aanbestedingstraject zwaarder woog dan het belang van de ondernemingsraad om zijn achterban of de vakbonden te raadplegen. Daarbij werd meegewogen dat de opgelegde geheimhouding niet zover ging dat achterbanoverleg helemaal niet kon plaatsvinden (Rechtbank OostBrabant 17 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2448, Hermes).
De ondernemingsraad of zijn commissie kan ook weigeren informatie te ontvangen waarover hij geheimhouding in acht moet nemen. Geheimhouding kan de ondernemingsraad of zijn commissie immers belemmeren zijn taak naar behoren uit te voeren, omdat hij geen overleg kan plegen met zijn achterban.
De kantonrechter Utrecht wees een verzoek van een werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een ondernemingsraadslid af, nu de werkgever niet kon bewijzen dat de werknemer zijn geheimhoudingsplicht had geschonden (Kantonrechter Utrecht, 20 juli 2016).
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Artikel 21
Art. 21
De ondernemer draagt er zorg voor, dat de in de onderneming werkzame personen die staan of gestaan hebben op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9, alsmede de leden en de gewezen leden van de ondernemingsraad en van de commissies van die raad niet uit hoofde van hun kandidaatstelling of van hun lidmaatschap van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad worden benadeeld in hun positie in de onderneming. Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd is de eerste volzin op die secretaris van overeenkomstige toepassing. Op degene die het initiatief neemt of heeft genomen tot het instellen van een ondernemingsraad is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing. De ondernemingsraad, alsmede iedere in de onderneming werkzame persoon als in de eerste tot en met derde volzin bedoeld, kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan hetgeen in de eerste tot en met derde volzin is bepaald. Ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de onderneming werkzaam zijn, treedt een andere kamer van de rechtbank in de plaats van de kantonrechter.
Toelichting
Algemeen
De wet wil de werknemers die betrokken zijn bij het werk van ondernemingsraad beschermen tegen benadeling en ontslag door de werkgever. Benadeling is geregeld in deze wet, het ontslag van werknemers betrokken bij het ondernemingsraadswerk in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Benadeling
De benadeling waartegen dit artikel beschermt heeft betrekking op de positie van de werknemer in de onderneming. Daartoe behoren onder meer: benadeling in promotiekansen, verslechtering van de werkomstandigheden, gedwongen overplaatsing, het onthouden van faciliteiten zoals onbetaald verlof, negatieve beoordelingen, enzovoort.
De wettelijke bescherming tegen benadeling strekt zich uit tot alle werknemers die betrokken zijn of zijn geweest bij het ondernemingsraadswerk. Niet alleen de leden van de ondernemingsraad en zijn commissies kunnen een beroep doen op artikel 21 WOR, dit geldt ook voor de ambtelijk secretaris, degenen die kandidaat zijn (geweest) voor de ondernemingsraad en de gewezen leden van de ondernemingsraad. De bescherming tegen benadeling bevat geen beperking in tijd.
Van benadeling in de zin van artikel 21 is slechts sprake indien die benadeling verband houdt met het feit dat de benadeelde kandidaat, lid of gewezen lid is van de ondernemingsraad of zijn commissies. Vastgesteld dient derhalve te worden of de betrokken werknemer benadeeld wordt,
Art. 21 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
vervolgens of het gaat om een benadeling in zijn positie in de onderneming en ten slotte of die benadeling verband houdt met het ondernemingsraadswerk. De ondernemingsraad of de benadeelde werknemer kan zich tot de kantonrechter wenden met het verzoek te bepalen dat de ondernemer zich onthoudt van verdere benadeling en de reeds genomen besluiten die de benadeling tot gevolg hebben, ongedaan dient te maken. Indien een werknemer zich tot de kantonrechter wendt wegens benadeling, kan de ondernemingsraad zich in die procedure voegen. Er wordt weinig over geprocedeerd. Recent heeft de kantonrechter Rotterdam een oordeel over benadeling gegeven. Omdat de cao een standaard karakter heeft brengt het niet verstrekken van een eenmalige uitkering aan volledig vrijgestelde OR-leden benadeling met zich mee (Rechtbank Rotterdam 8 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11805, APM Terminals Maasvlakte). Enigszins vergelijkbaar is de uitspraak van de kantonrechter waarin de ondernemingsraad ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek de ondernemer te verplichten de juiste systematiek van het personeelsreglement te volgen zodat geen benadeling – maar ook geen bevoordeling – van leden van de ondernemingsraad zal plaatsvinden (Rechtbank ZeelandWest-Brabant 20 januari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:375, PI Middelburg).
De ambtelijk secretaris neemt een bijzondere positie in. Enerzijds is hij functioneel ondergeschikt aan het dagelijks bestuur van de ondernemingsraad, anderzijds is hij in dienst van en derhalve ondergeschikt aan de ondernemer. Teneinde te voorkomen dat de ambtelijk secretaris, doordat hij de opdrachten van het dagelijks bestuur van de ondernemingsraad uitvoert, in zijn positie in de onderneming wordt benadeeld, is de ondernemer in artikel 21 opgedragen er zorg voor te dragen dat de ambtelijk secretaris niet in zijn positie in de onderneming wordt benadeeld. Deze zorgplicht kan anders uitwerken naar gelang de omstandigheden van het geval. Zo ligt het in de rede dat daaraan andere eisen worden gesteld als de werknemer al bij de ondernemer in dienst was voordat hij ambtelijk secretaris werd (zorgplicht voor terugkeer), alsmede in geval de secretaris parttime werkt voor de ondernemingsraad en parttime een gewone functie heeft (geen benadeling in gewone functie). De ondernemer en de ambtelijk secretaris dienen daarover afspraken te maken. Op grond van de wettekst kan de ambtelijk secretaris de kantonrechter verzoeken de ondernemer te verplichten zijn zorgplicht na te komen. Op grond van artikel 7:670 Burgerlijk Wetboek heeft de ambtelijk secretaris dezelfde ontslagbescherming als de leden van de ondernemingsraad en van de vaste en onderdeelcommissies van die raad.
Ontslagbescherming
Sinds 1 juli 2015 is het ontslagrecht door de invoering van de Wet Werk en
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Art. 22
Zekerheid gewijzigd. Ook de bepalingen omtrent de ontslagbescherming van ondernemingsraadleden zijn toen gewijzigd. Enerzijds zijn de mogelijkheden om over te gaan tot ontslag uitgebreid, anderzijds zijn ze beperkt. Het opzegverbod is van toepassing gebleven, maar geldt voortaan ook voor kandidaat ondernemingsraadleden en voor oud-leden van de ondernemingsraad voor een periode van twee jaar. Tegelijkertijd geldt het opzegverbod voor geen enkele categorie meer indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Indien deze ontslaggrond van toepassing is kan de werkgever een ontslagvergunning aanvragen aan het UWV en de arbeidsovereenkomst met de ondernemingsraadleden opzeggen, gelijk aan andere werknemers. De werkgever heeft voortaan geen keuze meer met betrekking tot de ontslagroute. In geval van reorganisaties zal hij een ontslagvergunning moeten aanvragen bij het UWV en bijvoorbeeld in het geval van een verstoorde relatie of disfunctioneren zal hij ontbinding moeten verzoeken aan de kantonrechter. In die laatste procedure geldt volgens de ontslagregels het zogenaamde ‘tijdens’ verbod. Dat betekent dat tijdens de duur van het opzegverbod niet kan worden ontbonden. Echter, de kantonrechter kan het verzoek tot ontbinding toch toewijzen indien hij oordeelt dat er geen verband bestaat tussen de grond voor ontbinding en het opzegverbod.
Op zowel het ontslagverbod als de ontslagbescherming bestaat een aantal uitzonderingen:
a. wanneer de betrokkene schriftelijk met de beëindiging instemt (beeindiging met wederzijds goedvinden of opzegging met instemming);
b. wanneer de beëindiging geschiedt wegens een dringende reden die onverwijld aan de werknemer wordt meegedeeld of opzegging tijdens de proeftijd (ontslag op staande voet en proeftijdontslag);
c. wanneer de beëindiging geschiedt vanwege de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van het onderdeel van de onderneming waarin de betrokkene werkzaam is.
In een uitspraak van de Hoge Raad kwam de vraag aan de orde of een werknemer nog een beroep kan doen op de ontslagbeschermingsbepalingen terwijl de ondernemingsraad inmiddels niet meer aan de wettelijke vereisten voldeed. De Hoge Raad bepaalde dat dit inderdaad het geval kan zijn (Hoge Raad, 8 april 2016, JAR 2016, 114).
Artikel 22
1. De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad en de commissies van die raad komen ten laste van de ondernemer.
2. Met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid komen de kosten van het overeenkomstig artikel 16 en artikel 23a, zesde lid, raadplegen van
Art. 22 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
een deskundige door de ondernemingsraad of een commissie van die raad, alsmede de kosten van het voeren van rechtsgedingen door de ondernemingsraad slechts ten laste van de ondernemer, indien hij van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. De eerste volzin is niet van toepassing wanneer uitvoering is gegeven aan het vierde lid.
3. Met inachtneming van het eerste lid komen de kosten van scholing en vorming, bedoeld in artikel 18, tweede lid, ten laste van de ondernemer. De Raad kan voor verschillende kosten verbonden aan scholing en vorming richtbedragen vaststellen.
4. De ondernemer kan in overeenstemming met de ondernemingsraad de kosten die de ondernemingsraad en de commissies van die raad in enig jaar zullen maken, voor zover deze geen verband houden met het bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste lid vaststellen op een bepaald bedrag, dat de ondernemingsraad naar eigen inzicht kan besteden. Kosten waardoor het hier bedoelde bedrag zou worden overschreden, komen slechts ten laste van de ondernemer voor zover hij in het dragen daarvan toestemt.
Toelichting
Algemeen (eerste lid)
Een ondernemingsraad kost geld. De faciliteiten die de ondernemer aan de ondernemingsraad moet verstrekken, kunnen allemaal in geld worden uitgedrukt. Ook faciliteiten in tijd kosten de ondernemer immers geld, omdat het betrokken ondernemingsraadslid zijn normale arbeid dan niet verricht. De kosten van de ondernemingsraad komen ten laste van de ondernemer.
In een aantal artikelen wordt dit met betrekking tot de daarin geregelde faciliteiten uitdrukkelijk vermeld. Het betreft hier artikel 17 (kosten voor het gebruik van voorzieningen), artikel 18 (loonkosten van de ondernemingsraadsleden voor de tijd dat zij vergaderen, scholing en vorming ontvangen, zich onderling beraden, personen raadplegen of andere werkzaamheden verrichten in verband met ondernemingsraadswerk) en het eveneens in artikel 18 bepaalde dat de kosten verband houdend met vorming en scholing van de leden van de ondernemingsraad voor rekening van de ondernemer komen.
Artikel 22 betreft de overige door de ondernemingsraad te maken kosten. Indien die kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad, dient de ondernemer die kosten te betalen. In de wet zijn derhalve de kosten onderworpen aan een normstelling: de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van de ondernemingsraad en zijn commissies. De ondernemingsraad moet de ondernemer vooraf in kennis stellen van de te maken kosten. Verschillen ondernemer en ondernemingsraad van mening over
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Art. 22
de vraag of bepaalde kosten redelijkerwijze noodzakelijk zijn, dan beslist de kantonrechter.
Tussen artikel 17 en artikel 22 bestaat een samenhang. Artikel 17 bepaalt dat de ondernemer aan de ondernemingsraad het gebruik dient toe te staan van voorzieningen waarover hij als zodanig kan beschikken en die de ondernemingsraad en de commissies redelijkerwijs nodig hebben voor de vervulling van hun taak. Beschikt de ondernemer niet over een bepaalde voorziening die de ondernemingsraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft, dan vertaalt zich dit in de verplichting van de ondernemer op grond van artikel 22 de kosten voor die voorziening te dragen (Hoge Raad 27 juni 1986, NJ 1987, 505). Zowel de kosten van de ondernemingsraad voor deskundigen als de kosten voor het voeren van rechtsgedingen (griffierecht, advocaatkosten) dient de ondernemer te vergoeden. Weigert de ondernemer dit, dan kan de ondernemingsraad hem daartoe door de rechter laten veroordelen. Het zijn echter kosten die de ondernemer in de verhouding ondernemer – ondernemingsraad moet vergoeden, zodat de deskundige en de advocaat geen vorderingsrecht hebben tegen de ondernemer. In uitzonderlijke gevallen heeft de advocaat een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de ondernemer. Bijvoorbeeld in het geval de ondernemingsraad niet meer bestaat, of de ondernemer tegen de kostenraming van de advocaat geen bezwaar heeft gemaakt. Door het Gerechtshof in Leeuwarden is bepaald dat de advocaatkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen nadat de ondernemingsraad waarvoor werd opgetreden was opgehouden te bestaan doordat er geen sprake was van overgang van onderneming. De partij waarvan de kosten werden gevorderd is in dit geval niet aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 22 (Hof Leeuwarden, 25 augustus 2009, JAR 2009, nr. 234). Als de ondernemer en de ondernemingsraad inmiddels zijn opgeheven en de advocaatkosten zijn nog niet betaald, kan de advocaat op grond van onrechtmatige daad de ondernemer aanspreken, mits de kosten redelijkerwijs noodzakelijk waren voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad (Gerechtshof Amsterdam, 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1037, Kennemerland).
Kosten voor deskundigen (tweede lid)
Artikel 16 bepaalt dat de ondernemingsraad deskundigen kan uitnodigen tot het bijwonen van de vergadering van de raad of een deskundige kan verzoeken een advies uit te brengen. De kosten daarvoor komen volgens artikel 22 lid 2 alleen dan ten laste van de ondernemer indien deze vooraf in kennis is gesteld van de te maken kosten. Om discussies en/of gerechtelijke procedures te voorkomen, is het verstandig deze kosten zo concreet mogelijk uiteen te zetten, zodat voor beide partijen duidelijk is om welke kosten het gaat (Kantonrechter Rotterdam 12 februari 2014, JAR 2014/97).
Weigert de ondernemer de kosten te dragen, of maakt hij bezwaar tegen
Art. 22 III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
de hoogte daarvan, dan kan de ondernemingsraad de kantonrechter verzoeken de ondernemer te veroordelen de kosten te dragen. Bezwaar tegen de persoon van de deskundige kan door de ondernemer in de procedure niet worden aangevoerd. Bij bezwaar van de ondernemer kan de kantonrechter, indien hij van mening is dat het raadplegen van een deskundige of het voeren van een rechtsgeding noodzakelijk is voor het vervullen van de taak van de ondernemingsraad, de hoogte van de kosten zelf vaststellen, of de ondernemer veroordelen tot betaling aan de advocaat van een bedrag zoals begroot door de Nederlandse Orde van Advocaten. Brengt het raadplegen van deskundigen geen kosten met zich mee of betaalt de ondernemingsraad dit uit zijn eigen budget, dan kan de ondernemingsraad de deskundige aantrekken zonder de ondernemer tevoren daarvan formeel in kennis te stellen. Een vordering in verband met gemaakte kosten van een deskundige tegen de ondernemer buiten artikel 36 om is in 2015 afgewezen (Hof Den Haag, 3 februari 2015, ECLI 2015:79, ABAB/VLM).
De ondernemingsraad kan niet als een orgaan of dienst van de Staat worden beschouwd waardoor Europese aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op uitgaven van de ondernemingsraad op grond van dit artikel (Kantonrechter Den Haag, 21 juni 2012, LJN BX3087).
Kosten van procedures van de ondernemingsraad (tweede lid)
Ook voor deze kosten geldt dat zij in beginsel ten laste van de ondernemer komen, indien de ondernemer vooraf in kennis is gesteld van de te maken kosten.
Indien de ondernemer weigert de kosten te dragen van de procedure gericht tegen een besluit als genoemd in artikel 25, moet de ondernemingsraad zich tot de kantonrechter wenden om de ondernemer te laten veroordelen tot het betalen van die kosten. Omdat echter beroep moet worden ingesteld bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam binnen één maand nadat de ondernemer zijn besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad heeft medegedeeld en binnen die termijn de kantonrechter nog geen uitspraak heeft gedaan, zou het beroepsrecht van de ondernemingsraad door de ondernemer kunnen worden gefrustreerd. In een dergelijk geval kan de ondernemingsraad echter op basis van gefinancierde rechtsbijstand procederen. Indien later uit de uitspraak van de kantonrechter blijkt dat de ondernemer de kosten voor de procedure voor zijn rekening had moeten nemen, dient de ondernemer alsnog de kosten van de advocaat te vergoeden.
De Hoge Raad heeft in de zaak Lunet Zorg/De Biezenrijt c.s. (HR 30 juni 2017, AR-Updates.nl 2017-0827) de ondernemer veroordeeld de volledige advocaatkosten te vergoeden nu deze niet onredelijk waren en van tevoren een inschatting was gegeven van de kosten. Weliswaar vielen de kosten hoger uit dan ingeschat, maar de wijze waarop de kosten waren gemaakt was niet onredelijk. De zaak betrof een principiële procedure
III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
tussen cliëntenraden en een zorginstelling waarbij de cliëntenraden in stand wensten te blijven ondanks wijzigingen in de zeggenschapsstructuur van de zorginstelling. De Hoge Raad oordeelde dat voorkomen dient te worden dat een gebrek aan financiële middelen een cliëntenraad zou verhinderen zich tot de rechter te wenden. Daarmee valt niet te verenigen dat een cliëntenraad in een procedure tegen de zorgaanbieder gebonden is aan de voorlopige kostenopgave van de werkelijk gemaakte kosten die pas later bekend worden. Het feit dat de cliëntenraden tijdens de procedure zijn opgehouden te bestaan maakt dit niet anders. De procedure is weliswaar gevoerd op basis van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) maar gelijke toepassing op grond van de onderhavige wet op de ondernemingsraden is aannemelijk.
Kosten van de scholing en vorming (derde lid) Lid 3 is toegevoegd in juli 2013. Er is toen een financieringsmethodiek voor scholing ingevoerd waardoor de voormalige WOR-heffing kon worden afgeschaft. In dat kader is artikel 46a komen te vervallen. Door deze wijziging vervalt niet alleen de verplichting voor de ondernemer tot betaling van de heffing, maar ook de bevoegdheid van de SER tot jaarlijkse vaststelling van het heffingspercentage en inning daarvan door de Belastingdienst. De SER heeft in zijn advies gesteld dat het van belang is dat deze systeemwijziging niet af doet aan het gebruik van scholing door ondernemingsraden. Daarom is expliciet vastgelegd dat voor de ondernemer een betalingsplicht bestaat voor de tussen hem en de ondernemingsraad afgesproken scholing. De ondernemingsraad beschikt immers formeel niet over een eigen budget. Deze opzet van de betalingsplicht houdt tevens in dat een budget voor scholingskosten niet langer is uitgesloten, zie lid 4. Of er daadwerkelijk een budget komt hangt ervan af of de ondernemer dit wenst af te spreken met de ondernemingsraad; de ondernemingsraad kan een budget niet afdwingen. De SER stelt jaarlijks een richtbedrag vast voor scholing van ondernemingsraadleden.
Budget (vierde lid)
Het vierde lid van artikel 22 opent de mogelijkheid de ondernemingsraad over een budget te laten beschikken. Het budget kan niet tevens de kosten betreffen verband houdend met het bepaalde in artikel 17 (voorzieningen). Het vaststellen van een budget voor scholingskosten is niet langer uitgezonderd. Er bestaat dus een mogelijkheid dat de ondernemer in overleg met de ondernemingsraad, een budget vaststelt dat de ondernemingsraad naar eigen inzicht kan besteden.. Voorts is het budget bedoeld voor de noodzakelijke kosten van de ondernemingsraad als genoemd in artikel 22, eerste lid, kosten verband houdend met het uitnodigen van deskundigen (artikel 22, tweede lid) en kosten in verband met het voeren van rechtsgedingen (artikel 22, tweede lid).
Art. 22a III Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden
Een budget waarin ook de kosten voor het raadplegen van deskundigen en het voeren van rechtsgedingen zijn betrokken, komt in de praktijk zelden voor. De ondernemingsraad weet immers niet op voorhand of hij zich door een deskundige wil laten bijstaan en of hij de ondernemer in rechte wil betrekken. Is dat wel het geval, dan is een aan de ondernemingsraad toegekend budget in haast alle gevallen onvoldoende. Veelal wordt dan ook, indien een budget aan de ondernemingsraad wordt toegekend, met de ondernemer afgesproken dat in geval een deskundige wordt geraadpleegd of een procedure wordt gevoerd, aan de ondernemingsraad een aanvullend budget wordt toegekend.
Artikel 22a
In rechtsgedingen tussen de ondernemer en de ondernemingsraad kan de ondernemingsraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
Toelichting
De rechter kan de ondernemingsraad niet in de kosten van de procedure veroordelen. Dat betekent dat de ondernemingsraad, ook al verliest hij de procedure, niet in de griffierechten en in de kosten van de advocaat van de ondernemer kan worden veroordeeld. Leden van de ondernemingsraad die afzonderlijk als procespartij optreden kunnen wel in de proceskosten worden veroordeeld. In een geval waarin de leden van de ondernemingsraad onbevoegd een scholingsovereenkomst namens de OR hadden getekend, ontvingen zij terecht een waarschuwing in hun personeelsdossier. De voorzieningenrechter zag in dit geval wel aanleiding de proceskosten te compenseren en de ondernemingsraadsleden dus niet te veroordelen tot betaling hiervan (Voorzieningenrechter kantonrechter Almelo 16 augustus 2010, JAR 2010, nr. 234).
IV Het overleg met de ondernemingsraad
Artikel 23
1. De ondernemer en de ondernemingsraad komen met elkaar bijeen binnen twee weken nadat hetzij de ondernemingsraad, hetzij de ondernemer daarom onder opgave van redenen heeft verzocht.
2. In de in het eerste lid bedoelde overlegvergaderingen worden de aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan de orde gesteld, ten aanzien waarvan hetzij de ondernemer, hetzij de ondernemingsraad overleg wenselijk acht of waarover ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde overleg tussen de ondernemer en de ondernemingsraad moet plaatsvinden. In ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn, worden ten minste eenmaal per jaar in de overlegvergadering in ieder geval besproken de hoogte en de inhoud van de in artikel 31d, eerste en tweede lid, bedoelde arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken, en de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen ten opzichte van het voorgaande jaar per verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen. De ondernemingsraad is bevoegd omtrent de bedoelde aangelegenheden voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. Onder de aangelegenheden, de onderneming betreffende, is niet begrepen het beleid ten aanzien van, alsmede de uitvoering van een bij of krachtens een wettelijk voorschrift aan de ondernemer opgedragen publiekrechtelijke taak, behoudens voor zover deze uitvoering de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen betreft.
3. De ondernemingsraad is ook buiten de overlegvergadering bevoegd aan de ondernemer voorstellen te doen omtrent de in het tweede lid bedoelde aangelegenheden. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk en voorzien van een toelichting aan de ondernemer voorgelegd. De ondernemer beslist over het voorstel niet dan nadat daarover ten minste eenmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Na het overleg deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed aan de ondernemingsraad mee, of en in hoeverre hij overeenkomstig het voorstel zal besluiten.
4. Het overleg wordt voor de ondernemer gevoerd door de bestuurder van de onderneming. Wanneer een onderneming meer dan een bestuurder heeft, bepalen dezen tezamen wie van hen overleg pleegt met de ondernemingsraad.
5. De in het vorige lid bedoelde bestuurder kan zich in geval van verhindering of ten aanzien van een bepaald onderwerp laten vervangen door
Art. 23 IV Het overleg met de ondernemingsraad
een medebestuurder. Heeft de onderneming geen meerhoofdig bestuur, dan kan de bestuurder zich bij verhindering doen vervangen door een persoon als bedoeld in artikel 24, tweede lid, of door een in de onderneming werkzame persoon die beschikt over bevoegdheden om namens de ondernemer overleg te voeren met de ondernemingsraad.
6. De bestuurder of degene die hem vervangt kan zich bij het overleg laten bijstaan door een of meer medebestuurders, personen als bedoeld in artikel 24, tweede lid, of in de onderneming werkzame personen.
7. Ten aanzien van de overlegvergadering, bedoeld in het tweede lid, tweede zin, is artikel 24, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
Algemeen
Artikel 23 geeft een regeling voor de overlegvergaderingen. De ondernemer en de ondernemingsraad doen er goed aan daarnaast een reglement voor de overlegvergaderingen vast te stellen, waarin het bepaalde in de artikelen 23, 23a en 23b nader wordt uitgewerkt.
Bijeenroepen van de vergadering (eerste lid)
Een overlegvergadering dient te worden gehouden binnen twee weken nadat de ondernemer of de ondernemingsraad daarom verzoekt. In de praktijk stellen de ondernemer en de ondernemingsraad voor het hele jaar het vergaderschema vast en is het eerste lid van artikel 23 uitsluitend van belang voor extra vergaderingen.
De ondernemingsraad en de ondernemer kunnen samen het aantal overlegvergaderingen vaststellen, welke vaststelling ook minder dan zes overlegvergaderingen per jaar kan inhouden. Dat neemt niet weg dat ondernemer en ondernemingsraad bevoegd zijn om naast de afgesproken vergaderingen extra overlegvergaderingen bijeen te roepen.
Onderwerpen in de overlegvergadering (tweede lid)
In de overlegvergadering kunnen alle aangelegenheden de onderneming betreffende aan de orde worden gesteld, behalve aangelegenheden die het beleid en de uitvoering betreffen van een aan de ondernemer opgedragen publiekrechtelijke taak. Zie artikel 46d onder b. Die uitzondering is van belang voor de ondernemingsraden bij de overheid en bij zelfstandige bestuursorganen die een publiekrechtelijke taak uitvoeren, zoals het UWV, de Nederlandsche Bank (DNB) of het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). De uitzondering geldt niet voor zover het de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen betreft. De ondernemingsraad dient derhalve over de personele gevolgen van het besluit advies te worden gevraagd. Wel is het zo dat ook dit recht van de ondernemings-
raad steeds verder beperkt wordt door de rechter. Zie de toelichting op artikel 46d. Ten slotte volgt uit de strekking van de wet dat geen individuele gevallen aan de orde kunnen worden gesteld.
Het tweede lid bevat de verplichting van de ondernemer om met de ondernemingsraad in gesprek te gaan over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen binnen de onderneming. Er dient inzicht te worden verschaft in de verschillen ten opzichte van het voorgaande jaar waarbij de diverse groepen van in de onderneming werkzame personen in kaart dienen te worden gebracht. Daar valt het bestuur van de onderneming ook onder. In artikel 31d (de zogeheten Wet Harrewijn) was al de verplichting opgenomen om ten minste eenmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk informatie te verstrekken over de arbeidsvoorwaardelijke regelingen binnen de onderneming. Deze verplichting is uitgebreid tot een verplichte overlegvergadering over dit onderwerp, waarbij het bestuur verantwoording aflegt over deze ontwikkeling. In de praktijk is gebleken dat ondernemingsraden het lastig vinden dit onderwerp zelf ter sprake te brengen. Dit probleem is opgelost door er een keer per jaar een verplicht onderwerp van te maken voor de overlegvergadering.
Het initiatiefrecht (tweede en derde lid)
In het tweede lid wordt bepaald dat de ondernemingsraad in de overlegvergaderingen bevoegd is voorstellen te doen. Het derde lid kent aan de ondernemingsraad die bevoegdheid ook toe buiten de overlegvergaderingen. Het recht van de ondernemingsraad voorstellen te doen wordt het initiatiefrecht van de ondernemingsraad genoemd. De wet maakt een onderscheid tussen initiatiefvoorstellen ingediend tijdens en buiten de overlegvergadering. Tijdens de overlegvergadering wordt het initiatiefvoorstel mondeling ingediend en in die of de volgende vergadering mondeling besproken en kan de bestuurder volstaan met een mondelinge beslissing. Buiten de overlegvergadering om ingediende initiatiefvoorstellen moeten schriftelijk worden ingediend en worden voorzien van een toelichting. Aan de ondernemer wordt ten aanzien van deze buiten de vergadering ingediende initiatiefvoorstellen een aantal eisen gesteld: – over het voorstel moet ten minste eenmaal in een overlegvergadering worden overlegd; – de ondernemer dient zo spoedig mogelijk en met redenen omkleed aan de ondernemingsraad mee te delen of en in hoeverre hij conform het voorstel zal besluiten. Komt de ondernemer deze verplichting niet na, dan kan de ondernemingsraad de kantonrechter verzoeken de ondernemer te verplichten schriftelijk en met redenen omkleed op het door de ondernemingsraad ingediende initiatiefvoorstel te reageren.
23 IV Het overleg met de ondernemingsraad
Het initiatiefrecht wordt door de ondernemingsraad veelal gebruikt om de ondernemer te verplichten inzicht te verschaffen in het beleid, met name met betrekking tot een aantal in artikel 27 genoemde onderwerpen, zoals arbeidsomstandigheden, werkdruk, het aanstellingsbeleid.
Tegen het geheel of gedeeltelijk afwijzende besluit van de ondernemer betreffende een mondeling of schriftelijk initiatief van de ondernemingsraad, staat geen beroep open.
Er wordt daardoor weinig geprocedeerd over het initiatiefrecht. Door de kantonrechter Gelderland is het initiatiefrecht wel beoordeeld in relatie tot het recht op informatie. De ondernemingsraad kan bepalen over welke onderwerpen hij informatie wil ontvangen en welke onderwerpen hij wil agenderen voor de overlegvergadering, waarbij hij dus gebruik maakt van zijn initiatiefrecht. Dit recht op informatie wordt begrensd in die zin dat het moet gaan om informatie die de ondernemingsraad redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van zijn taak. Waar het gaat om informatie ten behoeve van het advies- of instemmingsrecht bepaalt de ondernemingsraad in beginsel welke informatie hij nodig heeft. Wat betreft het initiatiefrecht zal de ondernemingsraad echter concreet moeten aangeven over welke aangelegenheden hij informatie wil hebben en motiveren waarom hij die redelijkerwijs nodig heeft. Hoe gedetailleerder de gevraagde informatie is, hoe meer onderbouwing verwacht mag worden (Rechtbank Gelderland 3 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4112, Stichting Pluryn).
Vertegenwoordiging ondernemer (vierde, vijfde en zesde lid)
Het overleg met de ondernemingsraad wordt namens de ondernemer door de bestuurder gevoerd (zie voor het begrip bestuurder het eerste lid van artikel 1 onder e). Zijn er meerdere bestuurders, dan bepalen zij onderling (dus zonder dat de ondernemingsraad daar invloed op heeft) wie van hen het overleg met de ondernemingsraad voert. De ondernemer kan zich bij verhindering laten vervangen door een medebestuurder, dat wil zeggen een ander lid van de directie of de raad van bestuur.
Heeft de onderneming een meerhoofdig bestuur, dan kan vervanging uitsluitend plaatsvinden door een andere bestuurder. Indien de onderneming slechts één bestuurder heeft, kan deze zich bij verhindering laten vervangen door: – een commissaris van de besloten of naamloze vennootschap; – een bestuurslid van de vereniging of stichting; – een lid van het bestuur van de moedervennootschap; – een in de onderneming werkzame persoon, indien deze althans beschikt over de bevoegdheden om namens de ondernemer overleg te voeren met de ondernemingsraad.
Art. 23a
De bestuurder kan zich bij het overleg laten bijstaan door: – een of meerdere medebestuurders; – een of meerdere commissarissen van de besloten of naamloze vennootschap; – een of meerdere leden van het bestuur van de moedervennootschap; – een of meerdere leden van het bestuur van de vereniging of stichting; – een in de onderneming werkzame persoon (bijvoorbeeld het hoofd P&O of de HR manager).
Indien degene die de bestuurder bijstaat tijdens de overlegvergadering het woord voert, doet hij dat namens de ondernemer.
Artikel 23a
1. Een overlegvergadering kan slechts worden gehouden, indien ten aanzien van de ondernemingsraad wordt voldaan aan de bepalingen die ingevolge het reglement van de ondernemingsraad gelden voor het houden van een vergadering van die raad. Alle leden van de ondernemingsraad kunnen in de vergadering het woord voeren.
2. De overlegvergadering wordt, tenzij de ondernemer en de ondernemingsraad tezamen een andere regeling treffen, beurtelings geleid door de bestuurder of degene die hem ingevolge artikel 23, vijfde lid, vervangt en de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter van de ondernemingsraad.
3. De secretaris van de ondernemingsraad treedt op als secretaris van de overlegvergadering, tenzij de ondernemer en de ondernemingsraad tezamen een andere persoon als secretaris aanwijzen.
4. De agenda van de overlegvergadering bevat de onderwerpen die door de ondernemer of door de ondernemingsraad bij de secretaris voor het overleg zijn aangemeld. Het verslag van de overlegvergadering behoeft de goedkeuring van de ondernemer en de ondernemingsraad.
5. De ondernemer en de ondernemingsraad maken gezamenlijk afspraken over de gang van zaken bij de overlegvergadering en over de wijze en het tijdstip waarop de agenda en het verslag van de overlegvergadering aan de in de onderneming werkzame personen bekend worden gemaakt.
6. Ten aanzien van de overlegvergadering zijn de artikelen 17 en 22 van overeenkomstige toepassing. Zowel de ondernemingsraad als de ondernemer kan een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een overlegvergadering, indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp redelijkerwijze nodig is. Zij stellen elkaar hiervan tijdig vooraf in kennis.
Toelichting
Algemeen (eerste lid)
In de overlegvergadering ontmoeten de ondernemer en ondernemingsraad elkaar. Het is echter geen orgaan dat als zodanig besluiten neemt. Wel volgt uit artikel 23b dat zowel de ondernemer als de ondernemingsraad tijdens de overlegvergadering besluiten kunnen nemen. Wanneer dit gebeurt, betekent dit voor de ondernemingsraad in feite dat hij (bij voorkeur tijdens een schorsing) een ondernemingsraadsvergadering houdt. Het is dan ook logisch dat de bepalingen in het reglement van de ondernemingsraad voor het houden van een ondernemingsraadsvergadering ook gelden voor een overlegvergadering. Alle leden van de ondernemingsraad mogen in de overlegvergadering het woord voeren.
Voorzitter vergadering (tweede lid)
In het tweede lid van artikel 23a wordt vastgelegd dat de bestuurder en de voorzitter van de ondernemingsraad of hun plaatsvervangers beurtelings de overlegvergaderingen leiden. In onderling overleg kan echter ook een andere regeling worden getroffen. Voor de hand liggend is dat degene die om de vergadering heeft verzocht, haar ook voorzit. Ook een verdeling aan de hand van de aard en het karakter van de te behandelen onderwerpen is denkbaar. Ten slotte kan ook worden afgesproken dat de vergadering door een zogeheten technisch voorzitter wordt geleid.
Secretaris van de overlegvergadering (derde lid)
De secretaris van de ondernemingsraad fungeert tevens als secretaris van de overlegvergadering. In onderling overleg kan echter een andere afspraak worden gemaakt. Is aan de ondernemingsraad een ambtelijk secretaris ter beschikking gesteld, dan ligt het voor de hand deze ambtelijk secretaris aan te wijzen als secretaris van de overlegvergadering. Onder omstandigheden zou een functionaris van de personeelsafdeling, die zowel het vertrouwen van de ondernemer als van de ondernemingsraad geniet, als secretaris kunnen fungeren. Een dergelijke afspraak vervalt aan het einde van de zittingsperiode van de ondernemingsraad.
Agenda en verslag overlegvergadering (vierde lid)
De agenda van de overlegvergadering dient de onderwerpen te bevatten die door de ondernemer of de ondernemingsraad bij de secretaris van het overleg zijn aangemeld. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat het verslag van de overlegvergadering de goedkeuring behoeft van de ondernemer en de ondernemingsraad. Het verslag is bij latere geschillen tussen ondernemer en ondernemingsraad van groot belang. Het wordt in de meeste gevallen dan ook pas in de volgende overlegvergadering goedgekeurd.
Het overleg met de ondernemingsraad
Gang van zaken overlegvergadering (vijfde lid)
Art. 23b
De werkwijze van de ondernemingsraad wordt ingevolge artikel 14 door hemzelf in een reglement geregeld. Omdat aan een overlegvergadering twee 'partijen' deelnemen – ondernemer en ondernemingsraad – dienen zij gezamenlijk afspraken te maken over de gang van zaken. Uit het bepaalde in het vijfde lid van artikel 23a volgt dat in ieder geval afspraken moeten worden gemaakt over het bekendmaken aan de in de onderneming werkzame personen van de agenda en (een samenvatting/besluitenlijst van) het verslag van de overlegvergadering.
Daarnaast is het raadzaam dat ondernemer en ondernemingsraad afspraken maken over de wijze van bijeenroepen van de overlegvergadering en de gang van zaken tijdens de overlegvergadering. Als dit niet gebeurt kan naleving daarvan worden gevraagd door belanghebbenden op grond van artikel 36 WOR. Een belanghebbende kan een werknemer zijn. Zie Rechtbank Amsterdam 1 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2891, Funda.
Deskundigen bij overlegvergadering (zesde lid)
De ondernemer en ondernemingsraad kunnen deskundigen uitnodigen voor het bijwonen van de overlegvergadering. De ander kan daartegen bezwaar maken, bijvoorbeeld omdat hij het overleg niet wil belasten met de aanwezigheid van een bepaalde deskundige of van mening is dat de andere partij die deskundige maar in eigen kring moet raadplegen. Hierover kan desnoods worden geprocedeerd bij de kantonrechter. De kantonrechter zal het bezwaar tegen het uitnodigen van deskundigen toetsen aan de vraag of de aanwezigheid van die deskundigen redelijkerwijs nodig is voor de behandeling van een bepaald onderwerp in de overlegvergadering. Daarnaast kan de ondernemer op grond van artikel 22, eerste lid, bezwaar maken tegen het betalen van de kosten van een door de ondernemingsraad uit te nodigen deskundige. Zie daarvoor de toelichting op artikel 22.
Artikel 23b
1. Tijdens een overlegvergadering kunnen zowel door de ondernemer als door de ondernemingsraad besluiten worden genomen.
2. Een overlegvergadering wordt door de voorzitter geschorst, wanneer de ondernemer of de ondernemingsraad ten aanzien van een bepaald onderwerp afzonderlijk beraad wenselijk acht.
Toelichting
Op grond van het eerste lid van dit artikel kan de ondernemingsraad zijn advies of zijn instemming geven tijdens de overlegvergadering en kan de bestuurder zijn definitieve besluit onmiddellijk meedelen. Het is wenselijk dat de ondernemingsraad zijn besluit over het uit te brengen advies
Art. 23c IV Het overleg met de ondernemingsraad
dan wel de te geven of te weigeren instemming buiten aanwezigheid van de ondernemer neemt. De ondernemingsraad kan dan verzoeken de overlegvergadering te schorsen (tweede lid).
Indien het besluit van de ondernemingsraad betrekking heeft op een verzoek tot het geven van instemming dient de ondernemingsraad op grond van het tweede lid van artikel 27 zijn beslissing schriftelijk mee te delen. Heeft de ondernemingsraad derhalve tijdens de overlegvergadering mondeling meegedeeld met het voorgenomen besluit te kunnen instemmen of zijn instemming te weigeren, dan dient hij die instemming of weigering alsnog schriftelijk te bevestigen. Hoewel de wet geen schriftelijk advies op grond van artikel 25 WOR voorschrijft, verdient het aanbeveling een mondeling gegeven advies eveneens schriftelijk te bevestigen, zeker indien de ondernemingsraad overweegt beroep tegen het besluit in te stellen bij de Ondernemingskamer.
In dit verband is ten slotte nog van belang dat de ondernemer zijn besluit over een adviesplichtig onderwerp op grond van het vijfde lid van artikel 25 schriftelijk aan de ondernemingsraad dient mee te delen en dat, indien het besluit niet overeenstemt met het advies, de uitvoering dient te worden opgeschort tot een maand nadat het besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad is meegedeeld. Het verslag van de overlegvergadering wordt overigens niet aangemerkt als de wettelijk verplichte schriftelijke in kennis stelling van de ondernemingsraad door de ondernemer.
Artikel 23c
Indien de ondernemingsraad aan een onderdeelcommissie de bevoegdheid heeft toegekend tot het plegen van overleg met degene die de leiding heeft van het betrokken onderdeel, zijn ten aanzien van dat overleg de artikelen 17, 22, 23 en 23a, tweede, vierde en zesde lid, 23b, 24, eerste lid, 25, 27, 28, 31a, eerste, zesde en zevende lid, 31b en 31c van overeenkomstige toepassing. In dit overleg kunnen geen aangelegenheden worden behandeld die in het overleg met de ondernemingsraad worden behandeld.
Toelichting
De ondernemingsraad kan aan een onderdeelcommissie de bevoegdheid geven om overleg te voeren met degene die de leiding heeft over het betrokken onderdeel (artikel 15, derde lid). In dat geval geldt dat aan de onderdeelcommissie voorzieningen ter beschikking moeten worden gesteld en die onderdeelcommissie in werktijd met behoud van salaris kan vergaderen (artikel 17), de kosten voor de onderdeelcommissie voor rekening van de ondernemer komen (artikel 22) en de overlegbepalingen van artikel 23, 23a, 23b en 24 gelden.
Bovendien heeft de onderdeelcommissie aan wie de bevoegdheid is
Art. 24 IV Het overleg met de ondernemingsraad
toegekend tot het plegen van overleg, ook de bevoegdheid tot het geven van advies (artikel 25) en het verlenen of weigeren van instemming (artikel 27), de stimulerende bevoegdheid ten aanzien van onderwerpen genoemd in artikel 28 en het recht op informatie (artikel 31a, 31b en 31c).
Aan de onderdeelcommissie kan niet het adviesrecht worden toegekend met betrekking tot de benoeming of het ontslag van degene die de leiding heeft van het onderdeel (artikel 30), noch heeft de onderdeelcommissie de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen (artikel 15, derde lid). Procedures dienen te worden gevoerd door de ondernemingsraad die de onderdeelcommissie heeft ingesteld.
Artikel 24
1. In de overlegvergadering wordt ten minste tweemaal per jaar de algemene gang van zaken van de onderneming besproken. De ondernemer doet in dit kader mededeling over besluiten die hij in voorbereiding heeft met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 25 en 27. Daarbij worden afspraken gemaakt wanneer en op welke wijze de ondernemingsraad in de besluitvorming wordt betrokken.
2. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij zijn bij de in het eerste lid bedoelde besprekingen de commissarissen van de vennootschap, de coöperatie of de onderlinge waarborgmaatschappij, als die er zijn, dan wel een of meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwezig. Wordt ten minste de helft van de aandelen van de vennootschap middellijk of onmiddellijk voor eigen rekening gehouden door een andere vennootschap, dan rust de hiervoor bedoelde verplichting op de bestuurders van de laatstbedoelde vennootschap, dan wel op een of meer door hen aangewezen vertegenwoordigers. Wordt de onderneming in stand gehouden door een vereniging of een stichting, dan zijn de bestuursleden van die vereniging of die stichting, dan wel een of meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwezig. De ondernemingsraad kan in een bepaald geval besluiten dat aan dit lid geen toepassing behoeft te worden gegeven. 3. Het in het vorige lid bepaalde geldt niet ten aanzien van een onderneming die in stand wordt gehouden door een ondernemer die ten minste vijf ondernemingen in stand houdt waarvoor een ondernemingsraad is ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn, dan wel door een ondernemer die deel uitmaakt van in een groep verbonden ondernemers die tezamen ten minste vijf ondernemingsraden hebben ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn.
Toelichting
In ten minste twee overlegvergaderingen per jaar moet de algemene gang
Art. 24 IV Het overleg met de ondernemingsraad van zaken in de onderneming worden besproken. Artikel 31a bepaalt welke informatie mede ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken aan de ondernemingsraad moet worden verstrekt. Bij de bespreking van de algemene gang van zaken dient de ondernemer ook mededeling te doen van besluiten genoemd in de artikelen 25 en 27 die hij in voorbereiding heeft, maar die nog niet het stadium van voorgenomen besluit hebben bereikt. Daardoor wordt de ondernemingsraad in een vroegtijdig stadium op de hoogte gesteld van besluiten waarover aan hem advies of instemming zal worden gevraagd. Het voorschrift dat dan afspraken moeten worden gemaakt tussen ondernemer en ondernemingsraad wanneer en op welke wijze de ondernemingsraad in de besluitvorming wordt betrokken, dient ertoe de ondernemingsraad in een zo vroegtijdig mogelijk stadium bij de besluitvorming te betrekken.
In diverse uitspraken is de laatste jaren aandacht besteed aan artikel 24. Indien de ondernemer advies vraagt over een aangelegenheid waarover hij in strijd met het eerste lid van artikel 24 geen mededeling heeft gedaan bij de bespreking van de algemene gang van zaken, is het advies om die reden nog niet te laat aan de ondernemingsraad gevraagd en het besluit daarmee nog niet onredelijk. Dat is slechts het geval indien het advies niet meer van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit (OK 8 februari 2007, JAR 2007, 67, Philips Lighting Middelburg). Indien de ondernemingsraad niet tijdig is geïnformeerd maar uiteindelijk in het adviestraject alle ruimte is gegeven om nog wezenlijke invloed uit te oefenen, dan wordt het besluit van de ondernemer door de Ondernemingskamer in stand gelaten (OK 6 oktober 2006, JAR 2006/303, Philips Lighting Weert). Als de ondernemer echter noch in het voortraject, noch in het adviestraject de wezenlijke invloed van de ondernemingsraad waarborgt, kan de Ondernemingskamer wel besluiten dat de ondernemer in redelijkheid niet tot zijn besluit kon komen (OK 17 november 2016, JAR 2017/29, OR Nalco). Dit betrof een besluit binnen concernverband. In de kwestie van Uniface (OK 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4123) heeft de Ondernemingskamer beslist dat de ondernemer onvoldoende informatie tijdens de overlegvergadering in de zin van artikel 24 WOR aan de ondernemingsraad heeft verstrekt over het besluit tot verkoop aan een derde. Daar waar de ondernemer aan de ondernemingsraad meedeelde dat slechts verkennende gesprekken plaatsvonden met partijen over een mogelijke verkoop van de onderneming, bleek het verkooptraject al in volle gang te zijn waardoor de ondernemingsraad geen wezenlijke invloed meer kon uitoefenen. De Ondernemingskamer oordeelde dat de ondernemer verantwoordelijk is voor het correct vormgeven van het medezeggenschapstraject. Het is niet zozeer relevant dat de informatie tijdens een overlegvergadering wordt verstrekt, als het maar in de voorfase wordt verstrekt. In de zaak Standard
Aero komt de Ondernemingskamer tot een gelijkluidend oordeel met betrekking tot het verstrekken van informatie. Door de gebrekkige informatievoorziening is het onder meer niet duidelijk wanneer besluitvorming heeft plaatsgevonden en heeft de ondernemingsraad geen wezenlijke invloed op de besluitvorming kunnen uitoefenen (OK 20 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2652, OR Standard Aero). In de zaak XS4ALL oordeelt de Ondernemingskamer juist dat ondanks enkele gebreken in het besluitvormingsproces de OR wezenlijke invloed heeft kunnen uitoefenen (OK 23 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4585, OR XS4ALL). Dat is ook telkens de kernvraag. Indien de ondernemer het besluit goed motiveert, voldoende informatie verstrekt, op aangedragen alternatieven ingaat, de gevolgen voor de medewerkers goed in kaart brengt alsmede de maatregelen om die op te vangen, e.d., dan zal het besluit normaal gesproken redelijk worden geacht door de Ondernemingskamer. Deze uitspraak omvat de marginale toets die de Hoge Raad heeft bevestigd in de Holland Casino beschikking (zie de toelichting bij artikel 26).
Aanwezigheid commissarissen, bestuursleden, enzovoort (tweede lid)
Bij de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming dienen aanwezig te zijn, indien de ondernemer een vennootschap is: – de commissarissen dan wel een of meer vertegenwoordigers uit hun midden;
– indien sprake is van een dochtervennootschap, de leden van de raad van bestuur van de moedervennootschap of een of meer door hen aangewezen vertegenwoordigers. Die vertegenwoordigers behoeven niet deel uit te maken van de raad van bestuur. Het is vanzelfsprekend wel de bedoeling dat een functionaris wordt aangewezen die in de hiërarchie van het concern boven het bestuur van de dochtervennootschap is geplaatst.
Is de ondernemer een stichting of vereniging:
– de bestuursleden van die vereniging of stichting dan wel een of meer vertegenwoordigers uit hun midden.
Bovengenoemde verplichting geldt niet indien de ondernemer vijf of meer ondernemingen in stand houdt waarvoor een ondernemingsraad is ingesteld, dan wel door de in een groep verbonden ondernemers waarvan hij deel uitmaakt tezamen vijf of meer ondernemingsraden zijn ingesteld (derde lid).
Het bovenstaande geldt ook voor de overlegvergadering waarin een adviesplichtig voorgenomen besluit op de agenda is geplaatst, zie artikel 25 lid 4.
Voor de overheid gelden deze bepalingen niet. Zij kent immers geen commissarissen of bestuursleden, zodat bij de overlegvergaderingen
Art. 24 IV Het overleg met de ondernemingsraad
naast de bestuurder geen andere (hogere) functionaris aanwezig hoeft te zijn.
De ondernemingsraad kan besluiten dat de commissarissen, c.q. de leden van de raad van bestuur, c.q. de bestuursleden de overlegvergadering niet hoeven bij te wonen. Heeft de ondernemingsraad niet een zodanig besluit genomen en aan de ondernemer meegedeeld, dan dient derhalve toepassing te worden gegeven aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 24. De ondernemingsraad hoeft dus niet te vragen om de aanwezigheid van de betreffende functionarissen.
In de praktijk zijn de commissarissen, bestuursleden enzovoort met grote regelmaat niet aanwezig tijdens de tweejaarlijkse bespreking van de algemene gang van zaken. De ondernemingsraad zal, indien hij dat noodzakelijk acht, de ondernemer moeten wijzen op de verplichtingen als genoemd in artikel 24.
IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
Artikel 25
1. De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit tot:
a. overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een onderdeel daarvan;
b. het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de zeggenschap over, een andere onderneming, alsmede het aangaan van, het aanbrengen van een belangrijke wijziging in of het verbreken van een duurzame samenwerking met een andere onderneming, waaronder begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve van een dergelijke onderneming;
c. beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van een belangrijk onderdeel daarvan;
d. belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming;
e. belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming, dan wel in de verdeling van bevoegdheden binnen de onderneming;
f. wijziging van de plaats waar de onderneming haar werkzaamheden uitoefent;
g. het groepsgewijze werven of inlenen van arbeidskrachten;
h. het doen van een belangrijke investering ten behoeve van de onderneming;
i. het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van de onderneming;
j. het verstrekken van een belangrijk krediet en het stellen van zekerheid voor belangrijke schulden van een andere ondernemer, tenzij dit geschiedt in de normale uitoefening van werkzaamheden in de onderneming;
k. invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening;
l. het treffen van een belangrijke maatregel in verband met de zorg van de onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het treffen of wijzigen van een beleidsmatige, organisatorische en administratieve voorziening in verband met het milieu;
m. vaststelling van een regeling met betrekking tot het zelf dragen van
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
n. het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming betreffende een der hiervoor bedoelde aangelegenheden.
Het onder b bepaalde, alsmede het onder n bepaalde, voor zover dit betrekking heeft op een aangelegenheid als bedoeld onder b, is niet van toepassing wanneer de andere onderneming in het buitenland gevestigd is of wordt, en redelijkerwijs niet te verwachten is dat het voorgenomen besluit zal leiden tot een besluit als bedoeld onder c-f ten aanzien van een onderneming die door de ondernemer in Nederland in stand wordt gehouden.
2. De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor. Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3. Bij het vragen van advies wordt aan de ondernemingsraad een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen.
4. De ondernemingsraad brengt met betrekking tot een voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid geen advies uit dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Ten aanzien van de bespreking van het voorgenomen besluit in de overlegvergadering is artikel 24, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Indien na het advies van de ondernemingsraad een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt genomen, wordt de ondernemingsraad door de ondernemer zo spoedig mogelijk van het besluit schriftelijk in kennis gesteld. Indien het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan de ondernemingsraad tevens meegedeeld waarom van dat advies is afgeweken. Voor zover de ondernemingsraad daarover nog niet heeft geadviseerd, wordt voorts het advies van de ondernemingsraad ingewonnen over de uitvoering van het besluit.
6. Tenzij het besluit van de ondernemer overeenstemt met het advies van de ondernemingsraad, is de ondernemer verplicht de uitvoering van zijn besluit op te schorten tot een maand na de dag waarop de ondernemingsraad van het besluit in kennis is gesteld. De verplichting vervalt wanneer de ondernemingsraad zulks te kennen geeft.
Toelichting
Algemeen
Artikel 25 regelt het adviesrecht van de ondernemingsraad bij ingrijpende
bevoegdheden van de ondernemingsraad
maatregelen op bedrijfseconomisch, financieel en organisatorisch gebied. De ondernemer dient, indien zijn voorgenomen besluit een of meer van de aangelegenheden betreft genoemd in het eerste lid van artikel 25, advies aan de ondernemingsraad te vragen. Het is niet van belang wie namens de ondernemer het besluit neemt. Ook een besluit van de raad van commissarissen of de algemene vergadering van aandeelhouders is adviesplichtig, indien het althans een aangelegenheid genoemd in artikel 25 betreft. Zie voor een nadere toelichting op het begrip ondernemer en medeondernemer ook artikel 1 eerste lid onder d.
Het eerste lid van artikel 25 bevat een limitatieve opsomming van de besluiten die tot het adviesrecht van de ondernemingsraad behoren. Ondanks eerdere voorstellen daartoe heeft de wetgever er tot op heden niet voor gekozen om in artikel 25 eerste lid een `kapstokbepaling' op te nemen, inhoudende dat aan de ondernemingsraad het adviesrecht toekomt ten aanzien van alle belangrijke besluiten van financiële, organisatorische en economische aard.
Indien niet duidelijk is of de ondernemer een besluit heeft genomen, komt dit voor rekening van de ondernemer. De ondernemingsraad wordt dan in ieder geval ontvankelijk verklaard in zijn verzoek op grond van artikel 26. Indien getwijfeld wordt over de status van de besluitvorming ligt het dus op de weg van de ondernemer duidelijkheid te verschaffen om een procedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam te voorkomen (OK 17 december 2014, JAR 2015/51, Medisch Diagnostisch Centrum Amstelland).
De ondernemingsraad dient in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen. Daartoe is de ondernemingsraad niet verplicht. Tenzij de ondernemingsraad te kennen heeft gegeven geen advies te zullen uitbrengen, dient aan de ondernemingsraad een redelijke termijn te worden gegund waarbij hij wezenlijke invloed kan uitoefenen op het te nemen besluit. Als de ondernemer zich definitief op het standpunt stelt dat hij geen advies zal vragen aan de ondernemingsraad dan mag de ondernemingsraad meteen beroep instellen bij de Ondernemingskamer op de grond dat ten onrechte geen advies is gevraagd en hoeft hij niet te wachten op het genomen besluit (de Linge-leer, OK 1 mei 1980, ECLI:NL:GHAMS:1980:AB7579). De ondernemingsraad hoeft dan niet de procedure op grond van artikel 36 te voeren. Bij de vraag of sprake is van een redelijke termijn moeten alle omstandigheden van het geval te worden betrokken. In de zaak Stichting Netherlands Escience Center werden meegewogen onder meer de complexiteit van het voorgenomen besluit, liquiditeitsproblemen van de ondernemer, de royale uitvraag naar informatie door de ondernemingsraad en het uitvoerige achterbanoverleg. De termijn van twee maanden die aanvankelijk was gesteld was niet onrede-
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
lijk maar omdat het adviestraject vervolgens moeizaam op gang kwam door toedoen van de ondernemer oordeelt de Ondernemingskamer dat de adviestermijn niet redelijk was en daarmee het besluit onredelijk. De ondernemer is primair verantwoordelijk voor het goede verloop van het medezeggenschapstraject en daar horen heldere afspraken bij over de termijn waarop advies dient te worden gegeven, waarom die termijn van belang is en wat de gevolgen zullen zijn als de termijn niet in acht wordt genomen door de ondernemingsraad (Ondernemingskamer 26 juni 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1794, Netherlands Escience Center).
Voor ondernemingsraden bij de overheid geldt dat aan hen geen adviesrecht toekomt indien het besluit het politiek primaat betreft. Slechts over de personele gevolgen komt aan die ondernemingsraden het adviesrecht toe, waarbij ook dat recht de laatste jaren steeds verder wordt ingeperkt door de rechter. Verwezen wordt naar het commentaar op artikel 46d.
De term ‘belangrijk’ in artikel 25
Over een groot aantal in artikel 25 genoemde besluiten hoeft de ondernemer alleen dan advies te vragen, indien het besluit belangrijk is. In de wet ontbreekt een nadere aanduiding van het begrip 'belangrijk'. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat onder 'belangrijk' wordt verstaan besluiten die 'niet alledaags' zijn te beschouwen voor de onderneming (zie bijvoorbeeld OK 1 oktober 2013, JAR 2013/273, ECLI:NL:GHAMS:2013:3789, Stichting Cordaid – waarin de Ondernemingskamer 'alledaags' omschrijft als 'business as usual'). Het is verder aan de rechter en met name de Ondernemingskamer overgelaten het begrip 'belangrijk' nadere inhoud te geven. In de rechtspraak van de Ondernemingskamer kan de volgende lijn worden ontdekt.
Indien de ondernemer advies aan de ondernemingsraad heeft gevraagd, blijkt daaruit dat partijen het betreffende onderwerp aanmerken als belangrijk in de zin van de WOR. In de procedure bij de Ondernemingskamer kan de ondernemer dan niet alsnog het standpunt innemen dat het besluit op zichzelf niet als belangrijk is aan te merken. De Ondernemingskamer overweegt in een dergelijk geval dat de artikelen 25 en 26 van toepassing zijn “ongeacht het antwoord op de vraag of het voorgenomen besluit betrekking heeft op een aangelegenheid die in aanmerking kan komen voor de kwalificatie 'belangrijk'.” Als eenmaal advies is gevraagd is het onderwerp daarmee in feite adviesplichtig geworden (zie ook OK 1 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2766, Thomas Cook Nederland).
De Ondernemingskamer beoordeelt of het besluit gevolgen heeft voor het aantal arbeidsplaatsen, de arbeidsomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden. Is dat niet het geval, dan is het besluit in beginsel niet belangrijk. In beginsel, omdat bij bijvoorbeeld investeringen de gevolgen voor de
bevoegdheden van de ondernemingsraad
werknemers geen of slechts een ondergeschikte rol spelen. Heeft het besluit wel gevolgen voor het aantal arbeidsplaatsen, de arbeidsomstandigheden of de arbeidsvoorwaarden, dan is bepalend hoe diep die gevolgen ingrijpen en hoeveel werknemers daardoor worden getroffen. Het aantal 'getroffen' werknemers in verhouding tot het totale personeelsbestand speelt daarbij eveneens een rol. Uit de rechtspraak volgt echter dat, ook indien een besluit slechts een gering aantal werknemers treft, dit belangrijk kan zijn. Bovendien blijkt van belang te zijn of het organogram wijzigt, dat wil zeggen dat afdelingen verdwijnen of juist worden toegevoegd en de leiding anders wordt gestructureerd, dan wel dat alleen het aantal werknemers in alle of een deel van de afdelingen vermindert.
De ondernemer en de ondernemingsraad kunnen afspraken maken over een nadere invulling van het begrip belangrijk. Zo kan bijvoorbeeld worden afgesproken dat een investering uitsluitend belangrijk is indien deze boven een bepaald bedrag uitstijgt. Een dergelijke afspraak, neergelegd in een ondernemingsovereenkomst of convenant, bindt beide partijen.
Een voorgenomen besluit tot het houden van een pilot of proef is adviesplichtig, indien het als een belangrijke pilot kan worden beschouwd. Of dit het geval is hangt onder meer weer af van de gevolgen en de duur van de pilot (zie onder meer OK 13 mei 2009, JAR 2009/162, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4798, UWV).
Indien partijen van mening verschillen of een voorgenomen besluit belangrijk is kan een ondernemer advies vragen 'voor zover vereist' of 'voorwaardelijk' en daarmee erkent de ondernemer niet dat het een adviesplichtig besluit betreft. Het is de ondernemer in dat geval echter niet toegestaan het besluit al te gaan uitvoeren tijdens dit voorwaardelijke adviestraject omdat dat de ondernemingsraad vanzelfsprekend belemmert om wezenlijke invloed uit te oefenen.
Als een besluit past binnen de normale bedrijfsvoering van de ondernemer, dan zal het besluit minder snel belangrijk zijn en dus niet adviesplichtig in de zin van artikel 25. Zo was het besluit van een productiebedrijf om gebruik te maken van een specifieke distributeur niet adviesplichtig omdat de keuze voor deze distributeur paste binnen de normale bedrijfsvoering en dat is in beginsel voorbehouden aan de ondernemer (OK 7 juni 2022, ECLI:GHAMS:2022:183, Lantor).
De in het eerste lid van artikel 25 genoemde besluiten
Overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een onderdeel daarvan (onder a)
Hier ontbreekt het begrip 'belangrijk'. Dat betekent dat in alle gevallen waarin de zeggenschap over de onderneming of een onderdeel daarvan
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
wordt overgedragen, advies aan de ondernemingsraad gevraagd moet worden. De overdracht van de zeggenschap kan plaatsvinden door een zogenaamde activa/passivatransactie (overname), door een fusie met een andere naamloze of besloten vennootschap volgens de regeling van titel 6 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (juridische fusie) of door de overdracht van de meerderheid van de aandelen of overdracht van aandelen waardoor de zeggenschap overgaat naar een andere ondernemer (aandelenoverdracht).
Voor het begrip 'onderdeel' wordt verwezen naar het commentaar op artikel 15 derde lid.
Dat een besluit tot overdracht van aandelen adviesplichtig kan zijn en in dit geval was, omdat met die overdracht de zeggenschap over de onderneming wordt overgedragen, is nogmaals bevestigd in een uitspraak van de Ondernemingskamer (OK 24 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:553, Brink's Nederland). Ondanks dat de dagelijkse gang van zaken door de overdracht niet zou worden beïnvloed en het bestuur zijn bevoegdheden behield, was het een adviesplichtig besluit. Het besluit was in deze zaak bovendien genomen door de moedermaatschappij, die het als enig aandeelhoudster in haar macht had om de aandelen van Brink's Nederland B.V. over te dragen. Het besluit van de moeder kan in deze situatie worden toegerekend aan de dochter Brink's Nederland B.V., waardoor Brink's Nederland B.V. als ondernemer in de procedure kan worden aangemerkt.
Heeft de ondernemingsraad rechten ingeval van faillissement? Deze vraag kwam aan de orde in de DA-zaak (Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:982). In deze beschikking is vastgesteld dat de curator tijdens het faillissement de bevoegdheden van de ondernemer uitoefent en dat hij als zodanig op een lijn te stellen is met de ondernemer in de zin van de wet. Daaraan heeft de Hoge Raad echter toegevoegd dat als een besluit van de curator ziet op liquidatie van de onderneming, er geen adviesrecht is. Hij heeft hierbij als voorbeelden genoemd: (besluiten tot) verkoop van goederen op de voet van art. 176 Fw en op (besluiten tot) ontslag van werknemers op de voet van art. 40 Faillissementswet. Indien daarentegen, aldus de Hoge Raad, de verkoop van activa plaatsvindt in het kader van een voortzetting of doorstart van (delen van) de onderneming door dezelfde of een andere entiteit, waarbij het vooruitzicht bestaat van behoud van arbeidsplaatsen, is een daarop gericht besluit adviesplichtig op grond van art. 25 lid 1 (bijvoorbeeld onderdeel a of c). Nadien heeft de Hoge Raad in zijn verwijzingsarrest in de Heiploeg-zaak (Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:954) geoordeeld dat in het Nederlandse faillissementsrecht “als uitgangspunt heeft te gelden (..) dat de Nederlandse faillissementsprocedure een procedure is die de liquidatie van het
bevoegdheden van de ondernemingsraad
vermogen van de schuldenaar beoogt.” Het is niet duidelijk of hiermee het uitgangspunt uit de DA-zaak is verlaten. Vooralsnog lijkt ervan uit te mogen worden gegaan dat een voorgenomen besluit tot een doorstart door de curator adviesplichtig is.
Besluit tot het vestigen van, het overnemen of afstoten van de zeggenschap over een onderneming of het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking (onder b)
Gaat het in het eerste lid onder a om de overdracht van de eigen onderneming, in dit onderdeel treedt de ondernemer op als koper of verkoper van een andere onderneming. Daarnaast bevat het eerste lid onder b nog een aantal besluiten die enigszins vergelijkbaar zijn met het kopen of verkopen van een andere onderneming. De volgende besluiten staan vermeld in sub b:
– het overnemen of afstoten van de zeggenschap over een andere onderneming (dat wil zeggen: het kopen of verkopen van een andere onderneming);
– het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking met een andere onderneming;
– het aangaan, verbreken of wijzigen van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve van een andere onderneming.
Het besluit van een moedervennootschap tot verkoop van de aandelen van een dochtervennootschap is op twee gronden adviesplichtig. Allereerst omdat de moedervennootschap de zeggenschap over een andere onderneming (de dochtervennootschap) afstoot (sub b) en vervolgens ook omdat voor de dochtervennootschap geldt dat zeggenschap over de onderneming wordt overgedragen (sub a). In de praktijk zou dat betekenen dat zowel de centrale ondernemingsraad van de moedervennootschap, als de ondernemingsraad van de dochtervennootschap bevoegd zijn. Dat is in strijd met de regel dat niet twee ondernemingsraden adviesrecht bezitten ten aanzien van dezelfde aangelegenheid. Daarom wordt verdedigd dat de ondernemingsraad van de dochtervennootschap bevoegd is – die heeft immers het meest met de gevolgen te maken –, tenzij de verkoop van de dochtervennootschap deel uitmaakt van een meeromvattend besluit dat de meerderheid van de ondernemingen rechtstreeks raakt. In dat geval komt het adviesrecht aan de centrale ondernemingsraad toe.
Om te kunnen spreken van een duurzame samenwerking moet er wel enige gezamenlijke activiteit zijn. Bij het uitbesteden van werkzaamheden is daar in de regel geen sprake van. Als twee zustervennootschappen na een juridische herstructurering een dienstverleningsovereenkomst aangaan is daar wel sprake van, zo oordeelde de Ondernemingskamer. De overeenkomst regelt in deze situatie de voorwaarden waarop Abeos Uitzend als opdracht-
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
nemer ondersteunende (staf)diensten verleent aan Abeos Agri als opdrachtgever. (OK 28 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2871, Abeos Agri).
Indien een intentieverklaring wordt afgesloten waarbij een vergaande vorm van samenwerking wordt afgesproken die eventueel zal uitmonden in een fusie, betreft dit ook een adviesplichtig besluit op grond van sub b: het aangaan van een duurzame samenwerking. Zie OK 20 januari 2011, ROR 2011/12, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3004, Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie. In de Lantor-beschikking oordeelde de Ondernemingskamer dat de keuze om voor de verkoop van haar producten al dan niet gebruik te maken van een specifieke distributeur in de kern een commerciële beslissing is die past in de normale bedrijfsvoering en dat die keuze is voorbehouden aan de ondernemer. Daarbij is van belang dat in het verleden regelmatig van distributeur werd gewisseld en dat daarbij nimmer advies aan de ondernemingsraad is gevraagd. Er is daarom in deze situatie geen sprake van een belangrijke wijziging of het verbreken van een duurzame samenwerking met een andere onderneming (OK 7 juni 2022, ECLI:GHAMS:2022:183, Lantor).
Op het bepaalde in het eerste lid onder b is de buitenlandclausule van toepassing, zie de tekst na sub n. Indien de andere onderneming in het buitenland is gevestigd hoeft uitsluitend advies te worden gevraagd aan de ondernemingsraad van de in Nederland gevestigde onderneming indien redelijkerwijs te verwachten is dat het besluit zal leiden tot gevolgen voor de in Nederland gevestigde onderneming als genoemd onder c tot en met f van het eerste lid van artikel 25. Indien de ondernemer regelmatig besluiten neemt met betrekking tot vestigingen in het buitenland dan worden vaak in een ondernemingsovereenkomst aanvullende afspraken gemaakt met betrekking tot de rol van de ondernemingsraad in deze kwesties.
Beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of een belangrijk onderdeel daarvan (onder c)
Dit betreft de situatie waarin de onderneming, of een belangrijk onderdeel daarvan, wordt gesloten. De ondernemingsraad zal zich in deze situatie met name bezig dienen te houden met de gevolgen van gedwongen ontslag voor de werknemers. De gevolgen zullen vooral arbeidsrechtelijk van aard zijn. Er zal door de ondernemingsraad aandacht moeten worden besteed aan de opzegverboden, de ontslagregels volgend uit de Uitvoeringsregels van het UWV, compensatiemaatregelen voor ontslag, enzovoort. Sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid in juli 2015 is het niet meer mogelijk om zieke werknemers te ontslaan indien een reorganisatie wordt doorgevoerd wegens bedrijfseconomische redenen. Dit opzegverbod geldt niet als er sprake is van algehele bedrijfssluiting zoals
bevoegdheden van de ondernemingsraad
hier bedoeld. Ook zal er in die situatie vaak sprake zijn van collectief ontslag waardoor de Wet melding collectief ontslag van toepassing zal zijn.
Belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming (onder d)
Wat betreft het begrip 'belangrijk' wordt verwezen naar het voorgaande. Onder 'inkrimping' wordt verstaan afslanking van de onderneming, dat wil zeggen dat dezelfde producten of diensten worden geproduceerd, maar in geringere omvang. Uitbreiding van de werkzaamheden is de tegenpool van de inkrimping.
Onder 'wijziging van de werkzaamheden' valt onder meer het gaan maken van andere producten, het hanteren van andere productiemethoden, automatisering, enzovoort. Veelal zal een wijziging van de werkzaamheden gepaard gaan met inkrimping of uitbreiding. In dat geval dient de ondernemer bij de beweegredenen voor het besluit zowel te vermelden waarom hij de werkzaamheden gaat wijzigen, als waarom hij gaat uitbreiden c.q. inkrimpen. In de zaak Top Craft heeft de Ondernemingskamer vastgesteld dat het stopzetten van de productie van caravans een belangrijk besluit tot inkrimping van de werkzaamheden betreft. De caravanafdeling neemt binnen de onderneming een specifieke en aparte plaats in, onder meer daarin tot uitdrukking komend dat zij een afzonderlijke bedrijfseenheid vormt en dat voor de verkoop ervan een afzonderlijke vennootschap in het leven is geroepen. Daarmee was het een adviesplichtig besluit, ook al betrof het slechts twee werknemers (OK 29 september 2003, JAR 2003/261, ECLI:NL:GHAMS:2003:AN9981, OR Top Craft).
Dat het besluit van KLM om het cabinepersoneel met één lid te verminderen geen belangrijke inkrimping van de werkzaamheden is en ook geen belangrijke wijziging in de verdeling van bevoegdheden (sub e) blijkt uit de zaak OK 26 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:172, KLM. Dat het een verhoging van de werkdruk met zich meebrengt op bepaalde vluchten is onvoldoende relevant. Bovendien is er geen sprake van verlies aan arbeidsplaatsen ten gevolge van dit besluit.
Het inkrimpen van de personeelsformatie met 16 uur per week door de pensioenexpert te ontslaan en voortaan gebruik te maken van expertise bij de vakcentrale is geen belangrijke inkrimping nu het besluit slechts één medewerker betreft binnen een onderneming van 53 werknemers (OK 4 oktober 2017, CLI:NL:GHAMS:2017:4004, FNV Horecabond). Daartegenover staan diverse uitspraken waarin het ontslag van één werknemer wel degelijk adviesplichtig kan zijn. Zie de toelichting onder sub e, OK 29 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:922, Insight Enterprises. In de zaak ECLI:NL:GHAMS:2012:BX4168, OR WML, was wel advies gevraagd, maar gaf de ondernemingsraad een negatief advies over de voorgenomen sluiting van de afdeling ADC met als gevolg het ontslag van de enige mede-
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad werker op die afdeling werkte. De Ondernemingskamer oordeelde dat de afdeling niet mocht worden gesloten.
Belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming dan wel in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming (onder e)
Belangrijke wijzigingen in de organisatie worden veelal aangeduid met het begrip herstructurering en ook wel reorganisatie. Hiervan is in de regel sprake indien het organogram wordt gewijzigd, het aantal afdelingen wordt vermeerderd of verminderd, een managementlaag wordt weggehaald of tussengevoegd, het aantal werknemers in één of meerdere afdelingen aanzienlijk wordt verminderd, een belangrijk deel van de bestaande functies wordt gewijzigd, enzovoort. Veel uitspraken van de Ondernemingskamer hebben betrekking op dit onderdeel van artikel 25.
Ook als sprake is van het laten vervallen van één functie kan sprake zijn van een belangrijke wijziging van de organisatie. Zo oordeelde de Ondernemingskamer dat het besluit om de functie van Senior Solution Sales Manager te laten vervallen adviesplichtig was, omdat deze functie een belangrijk strategisch karakter heeft en deze persoon ook mede-WOR-bestuurder was en aanspreekpunt van de ondernemingsraad. Bovendien heeft het verval van deze functie belangrijke wijzigingen van de taken en verantwoordelijkheden binnen de sales afdeling tot gevolg, mede doordat een managementlaag wordt geschrapt (OK 29 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:922 Insight Enterprises).
In dit onderdeel wordt aan de ondernemingsraad ook het adviesrecht gegeven indien het besluit een belangrijke wijziging betreft in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming. Bijvoorbeeld de wijziging van het aantal directiefuncties (OK 5 juli 2005, JAR 2005/217, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU3089, RIAGG), wijzigingen in belangrijke portefeuilles, of wijziging van het aantal bestuursleden (OK 7 december 2005, JAR 2006/29, ECLI:NL:GHAMS:2005:AV0814, Stichting MEE Zeeland). Wijziging in de bevoegdheden, zeker als dit betrekking heeft op het hogere kader, worden in de regel als belangrijk beschouwd en zijn daarmee vaak adviesplichtig (zie bijvoorbeeld OK 21 maart 2016, ECLI 2016:1105, Reinier Haga Groep). Regelmatig gaat een wijziging van bevoegdheden ook gepaard met het benoemen of ontslaan van bestuurders in de zin van artikel 30 WOR. Het (voorgenomen) besluit kan dan zowel op grond van artikel 25 als op grond van artikel 30 WOR adviesplichtig zijn.
Van een wijziging in de verdeling van bevoegdheden in de zin van artikel 25 lid 1 sub e WOR kan ook sprake zijn indien een raad van commissarissen wordt ingesteld of de samenstelling daarvan wordt gewijzigd of uitgebreid nadat de structuurregeling uit boek 2 Burgerlijk Wetboek
bevoegdheden van de ondernemingsraad wordt ingevoerd. Door invoering van de structuurregeling gaan verschillende bevoegdheden over van de bestuurder of van de aandeelhouder naar de raad van commissarissen. Bovendien kan dit gepaard gaan met een uitgebreidere wijziging in de verdeling van bevoegdheden die in de statuten van de onderneming wordt opgenomen. Een vrijwillige toepassing van de structuurregeling wordt al langer als een adviesplichtig besluit beschouwd door de Ondernemingskamer. In 2016 heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat de keuze voor een bepaalde samenstelling van de raad van commissarissen in verband met de keuze voor het verzwakte regime van de structuurregeling eveneens adviesplichtig kan zijn. In deze zaak bleek dat het versterkte voordrachtsrecht van de ondernemingsraad om een lid van de raad van commissarissen voor te dragen ernstig beperkt werd doordat de ondernemer bepaald had dat alle leden van de raad van commissarissen afkomstig dienden te zijn van het concern (OK 1 juli 2016, ECLI:GHAMS:2016:2766, Thomas Cook). Een dergelijke eis wordt onaanvaardbaar geacht. In de Limgroup zaak oordeelde de Ondernemingskamer dat niet vereist is dat te allen tijde alle commissarissen onafhankelijk zijn. Ook indien een minderheid van de commissarissen afhankelijk is kan volgens de Ondernemingskamer sprake zijn van een voldoende evenwichtige samenstelling (Limgroup, OK 31 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3902). Vanzelfsprekend zal wel sprake moeten zijn van een besluit van de ondernemer op dit vlak, als de ondernemingsraad zich daartegen wil verzetten. In de zaak O-I Manufacturing was geen sprake van een besluit over de herkomst van de commissarissen, zodat het verzoek van de ondernemingsraad werd afgewezen (OK 15 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4198, O-I Manufacturing). Het besluit tot wijziging van de governance structuur en meer in het bijzonder het instellen van een raad van commissarissen is gelet op het voorgaande altijd adviesplichtig. Als dit besluit is genomen op een hoger niveau (de ledenvergadering in dit geval) wordt het besluit voor de toepassing van de wet toegerekend aan de ondernemer waar de ondernemingsraad is ingesteld (OK 25 september 2023, ECLI:NL:GHAMS;2023:2493, Abeos Agri Holding).
Wijziging van de plaats waar de onderneming haar werkzaamheden uitoefent (onder f)
Onder 'plaats waar de onderneming haar werkzaamheden uitoefent' wordt niet alleen verstaan een andere gemeente, doch tevens de verhuizing naar een ander deel van dezelfde gemeente. Het begrip 'belangrijk' ontbreekt in dit onderdeel van het eerste lid van artikel 25, zodat de verhuizing in alle gevallen is onderworpen aan het adviesrecht van de ondernemingsraad. Het gaat in dit onderdeel om de verhuizing van de onderneming, dus de 'arbeidsgemeenschap'. Wordt alleen de zetel van de rechtspersoon gewijzigd en niet tevens een onderdeel (bijvoorbeeld de ondersteunende afde-
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad lingen) van de onderneming, dan valt deze wijziging niet onder het adviesrecht van de ondernemingsraad.
Het groepsgewijs werven of inlenen van arbeidskrachten (onder g) Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat onder het groepsgewijs werven van arbeidskrachten onder meer wordt verstaan het in dienst nemen van groepen buitenlandse werknemers. Feitelijk gaat dit onderwerp over het groepsgewijs inlenen van arbeidskrachten, zowel via een uitzendbureau als collegiaal. Het dient vanzelfsprekend te gaan om het inlenen van (grote) aantallen arbeidskrachten en dus niet om tijdelijke individuele vervanging. Dit artikel ziet ook op het afsluiten van overeenkomsten, zoals raamovereenkomsten met geselecteerde uitzendbureaus. Door de Ondernemingskamer werd nog geoordeeld dat wanneer een besluit tot het aangaan van raamovereenkomsten met grotendeels dezelfde uitzendbureaus en met grotendeels dezelfde inhoud niet adviesplichtig is omdat er dan geen sprake is van afwijking van het gebruikelijke aantrekkingsbeleid. De Hoge Raad heeft hier een streep doorgezet en geoordeeld dat over elk besluit in de zin van dit artikel advies moet worden gevraagd (ECLI:NL:HR:2023:1514, Albert Heijn e-commerce).
Een belangrijke investering ten behoeve van de onderneming (onder h) Voorbeelden hiervan zijn de investering in nieuwe machines, investering in automatisering of nieuwe productiemethoden, het aankopen van gebouwen of grond, etc. Voorwaarde om onder dit artikel te vallen is wel dat deze investeringen als belangrijk moeten kunnen worden aangemerkt. Dat wordt in de eerste plaats bepaald door de hoogte van de investering in verhouding tot het totaal in de onderneming te investeren bedrag per jaar. Daarnaast is van belang waarin wordt geïnvesteerd. Investeringen in machines of technologie met gevolgen voor de werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden zijn vanzelfsprekend eerder belangrijk dan investeringen in grond of gebouwen.
Het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van de eigen onderneming (onder i)
Dit besluit heeft op zich geen gevolgen voor de werknemers, doch kan een zodanige rente en aflossingsverplichting met zich brengen dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar komt. Om die reden is aan de ondernemingsraad het adviesrecht over het aantrekken van een belangrijk krediet toegekend.
Het verstrekken van een belangrijk krediet en het stellen van zekerheid voor belangrijke schulden van een andere ondernemer (onder j)
Bij de invoering van dit artikel had de ondernemingsraad uitsluitend een adviesrecht indien de ondernemer een belangrijk krediet ten behoeve van
bevoegdheden van de ondernemingsraad
de onderneming aantrekt. De gedachte van de wetgever was dat de ondernemer daardoor in financiële problemen zou kunnen raken, zodat de ondernemingsraad daarover een oordeel zou moeten kunnen geven. Daarbij was er niet aan gedacht dat ook het verstrekken van een belangrijk krediet of het stellen van een zekerheid ten behoeve van een andere ondernemer de continuïteit van de eigen onderneming in gevaar zou kunnen brengen. Het RSV-debacle heeft duidelijk gemaakt dat ook het verstrekken van krediet een groot risico inhoudt. Alle dochterondernemingen dienden immers garant te staan voor de schulden van de moedervennootschap RSV, met als gevolg dat de ondergang van RSV ook de ondergang van de op zich rendabele dochtervennootschappen betekende. Het is om die reden dat in het eerste lid van artikel 25 onder j ook het verstrekken van een belangrijk krediet of het stellen van zekerheid voor schulden van een andere ondernemer onder het adviesrecht van de ondernemingsraad zijn gebracht.
Invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening (onder k)
Invoering van nieuwe technologieën heeft vaak verstrekkende bedrijfsmatige personele gevolgen voor de onderneming en de in de onderneming werkzame personen. Betrokkenheid van werknemers is voorts een wezenlijke voorwaarde voor het welslagen van technologische vernieuwingen. Om die reden is in de wet vastgelegd dat belangrijke besluiten betreffende technologische voorzieningen zijn onderworpen aan het adviesrecht van de ondernemingsraad.
Het treffen van een belangrijke maatregel in verband met de zorg van de onderneming voor het milieu (onder l)
Reeds lang staat vast dat werknemers een belangrijke rol spelen bij het tot stand komen en het in stand houden van adequate milieuzorg. Het ligt daarom voor de hand dat werknemers en hun vertegenwoordigers worden betrokken bij het opzetten en onderhouden van een milieuzorgsysteem en bijdragen kunnen leveren aan de milieuprestaties van bedrijven. De ondernemingsraden dienen op dit gebied meer dan een stimulerende taak te hebben. Ook bij initiatieven van de ondernemer op het gebied van milieuzorg van de onderneming dient betrokkenheid van de ondernemingsraad verzekerd te zijn. Daarom is aan de ondernemingsraad het adviesrecht toegekend met betrekking tot belangrijke maatregelen in verband met de zorg van de onderneming voor het milieu.
De vaststelling van een regeling met betrekking tot het zelf dragen van het risico van loonbetaling tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid (onder m)
De WIA en de Ziektewet bieden de werkgever de mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden, het risico van loonbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid zelf te dragen (het zogeheten eigen risicodragerschap). De
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad werkgever dient zijn voornemen tot het dragen van het loonbetalingsrisico ter advisering aan de ondernemingsraad voor te leggen.
Het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming betreffende een hiervoor bedoelde aangelegenheid (onder n)
Aan de ondernemingsraad dient advies te worden gevraagd over de opdracht die aan een deskundige van buiten de onderneming wordt verstrekt, indien die opdracht leidt of kan leiden tot een besluit als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met m. Van belang is met name welke opdracht aan de deskundige wordt verstrekt, maar ook de persoon of het ingeschakelde bureau is relevant. De verstrekte opdracht en degene die de opdracht gaat uitvoeren bepalen immers in belangrijke mate de uitkomst van het onderzoek en het besluit dat daarna naar alle waarschijnlijkheid wordt genomen. Over die opdracht en de aan te trekken deskundige dient de ondernemingsraad om advies te worden gevraagd. De deskundige komt van buiten de onderneming indien hij niet in dienst is van de ondernemer die de onderneming in stand houdt. Dat betekent dat een deskundige in dienst van het concern, maar niet van de onderneming zelf, een deskundige is van buiten de onderneming. In de zaak Uniface (OK 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4123) is geoordeeld dat een belangrijke slag in de medezeggenschap is gemist door de ondernemingsraad niet om advies te vragen over het inschakelen van diverse deskundigen in het kader van een verkoopproces (zie verder de toelichting op artikel 24).
Tijdstip van de adviesaanvraag (tweede lid)
De wet bepaalt dat het advies schriftelijk moet worden gevraagd. De wet stelt bovendien dat het advies op een zodanig tijdstip moet worden gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Blijkt uit de adviesaanvraag dat het besluit waarover advies gevraagd wordt een onvermijdbaar tweede adviesplichtig besluit tot gevolg heeft, dan moet voor dat tweede besluit gelijktijdig met het eerste besluit advies gevraagd worden (OK 15 mei 2014, JAR 2014/159, ECLI:NL:GHAMS:2014:1979, OR Sappi). En kan de ondernemer bijvoorbeeld kiezen tussen een aantal mogelijkheden, dan moet hij de ondernemingsraad raadplegen voordat hij heeft gekozen. De ondernemer dient de ondernemingsraad ook te raadplegen voordat hij zijn voorgenomen besluit aan een derde ter goedkeuring voorlegt, zoals de subsidiegever of de raad van bestuur van de moedervennootschap. De omstandigheid dat een ondernemer afhankelijk is van een derde laat zijn verplichtingen ingevolge de wet onverlet. De ondernemer of bestuurder kan zich dus niet verschuilen achter besluitvorming door een derde of de moeder. Zelfs nadat al bepaalde uitvoeringshandelingen hebben plaatsgevonden kan een advies van de ondernemingsraad nog van wezenlijke invloed zijn, zoals volgt
bevoegdheden van de ondernemingsraad
uit de zaak Micro Focus. Beëindigingsgesprekken met werknemers vonden al plaats voordat de ondernemingsraad advies uitbracht maar het advies had nog voldoende invloed (Gerechtshof Amsterdam 20 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1299 Micro Focus).
Ten aanzien van een aantal onderwerpen genoemd in artikel 25 is de ondernemer verplicht ook met de vakorganisaties overleg te plegen. Dat geldt bij een fusie op grond van de Fusiegedragsregels en bij een collectief ontslag op grond van de Wet melding collectief ontslag. Op grond van artikel 24 eerste lid behoort de ondernemer afspraken te maken met de ondernemingsraad hoe de ondernemingsraad betrokken zal worden over besluiten die hij in voorbereiding heeft met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 25 en 27. Deze afspraken, al dan niet neergelegd in ondernemingsovereenkomsten, bieden de ondernemingsraad de mogelijkheid in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken te worden bij de besluitvorming over de onderwerpen vermeld in de artikelen 25 of 27, dus nog voordat van een voorgenomen besluit sprake is, en dus ook voordat de vakorganisaties moeten worden geïnformeerd en geconsulteerd. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de betrokkenheid van de ondernemingsraad ten aanzien van de toekomstige medezeggenschapsstructuur bij een fusie of overname.
Het bepaalde in artikel 24 eerste lid betekent niet dat de adviesaanvraag van de ondernemer die een dergelijke mededeling niet heeft gedaan om die reden ontijdig is en het besluit daarom onredelijk (OK 8 februari 2007, JAR 2007/67, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA0764, OR Philips Lighting B.V.). Zie ook de toelichting bij artikel 24 WOR over het niet correct of niet tijdig informeren van de ondernemingsraad over voorgenomen adviesplichtige besluiten.
Het verstrekken van de beweegredenen voor en de gevolgen van het besluit (derde lid)
De ondernemer dient in de adviesaanvraag te vermelden:
–
De inhoud van het voorgenomen besluit. Het voorgenomen besluit moet de ondernemingsraad volstrekt duidelijk zijn. Bijvoorbeeld bij een organisatiewijziging dient daarom aan de ondernemingsraad niet alleen het bestaande, maar ook het toekomstige organogram te worden verstrekt.
–
–
De beweegredenen die tot het voorgenomen besluit hebben geleid. Dat betekent dat niet kan worden volstaan met de mededeling dat de huidige situatie niet aan de te stellen eisen voldoet, maar dat zal moeten worden beargumenteerd waarom is gekozen voor de voorgenomen maatregelen.
De gevolgen die te verwachten zijn voor het personeel. De ondernemer
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
dient in de adviesaanvraag aan te geven welke functies zullen verdwijnen, welke functies inhoudelijk zullen wijzigen, hoeveel personeelsleden als gevolg daarvan boventallig zullen raken, dan wel een andere functie zullen moeten gaan vervullen, enzovoort. Het gaat hier om absolute getallen en niet om personen. Vaste rechtspraak is dat een ondernemer een adequaat overzicht moet geven van de gevolgen en zich niet mag beperken tot vaagheden. Een verwijzing naar een mondelinge toelichting tijdens bijvoorbeeld een informatiesessie volstaat niet (OK 8 september 2014, JAR 2014/258, ECLI:NL:GHAMS:2014:3890, OR Honeywell). De ondernemer dient bij zijn besluit de gevolgen van het besluit voor de medezeggenschap te betrekken en te voorkomen dat er een vacuüm in de medezeggenschap ontstaat (OK 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3262, COR TNT). Het vaststellen van een transitieprotocol waarin de personele gevolgen zijn vastgelegd, zonder advies van de ondernemingsraad, is prematuur (OK 18 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1616, APM Terminals Maasvlakte).
– Ten slotte dient de ondernemer mee te delen welke maatregelen hij zal gaan treffen in verband met de gevolgen voor de werknemers. Gedacht kan worden aan een sociaal plan, een afvloeiingsregeling of iets dergelijks. Uit de rechtspraak van de Ondernemingskamer volgt dat niet alleen de vakorganisaties, doch ook de ondernemingsraad een sociaal plan met de ondernemer kan overeenkomen. Voorts volgt uit de rechtspraak dat ook uit een concept van een sociaal plan kan blijken dat de ondernemer voldoende rekening houdt met de belangen van de werknemers en het besluit daarom niet onredelijk is omdat 'slechts' tot een concept sociaal plan is besloten (OK 30 december 2008, JAR 2009/71, ECLI:NL:GHAMS:2008:BH1683, OR Albemarle Catalysts Company). Is de inhoud van het concept sociaal plan onvoldoende, dan kan dat vanzelfsprekend een reden voor de Ondernemingskamer zijn om het besluit onredelijk te vinden. Uit de rechtspraak van de Ondernemingskamer volgt eveneens dat de ondernemingsraad adviesrecht heeft op het sociaal plan. Ook een wijziging van een bestaand sociaal plan dient derhalve ter advisering aan de ondernemingsraad te worden voorgelegd. Zie verder de toelichting op het vijfde lid van artikel 25 over het sociaal plan.
Gang van zaken rond de adviesaanvraag (vierde lid)
De Wet op de ondernemingsraden geeft een aantal voorschriften met betrekking tot de gang van zaken rond de adviesaanvraag. Allereerst dient de adviesaanvraag schriftelijk aan de ondernemingsraad te worden voorgelegd. Vervolgens bepaalt de wet dat de ondernemingsraad niet eerder advies uitbrengt dan nadat over het betrokken onderwerp ten minste eenmaal overleg is gevoerd in een overlegvergadering. De ondernemingsraad kan bovendien te allen tijde nadere informatie aan de ondernemer vragen.
bevoegdheden van de ondernemingsraad
Doet hij dat niet, dan kan hij niet later in zijn advies (en zeker niet in de procedure bij de Ondernemingskamer) de ondernemer verwijten geen nadere informatie te hebben gegeven. Tot het geven van die informatie is de ondernemer op grond van artikel 31 verplicht. Betreft het voor de oordeelsvorming van de ondernemingsraad essentiële informatie, dan kan de weigering van de ondernemer die informatie te geven leiden tot een onredelijk besluit. Het is vaste rechtspraak dat de ondernemingsraad bepaalt welke informatie hij nodig heeft in advies- en instemmingstrajecten.
De ondernemer kan de ondernemingsraad geheimhouding opleggen (zie artikel 20). Het opleggen van geheimhouding ten aanzien van een concept sociaal plan is naar het oordeel van de Ondernemingskamer echter onaanvaardbaar (OK 12 maart 2007, JAR 2007/108, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4003, Bolsius).
De wet bevat geen voorschriften waaraan het advies van de ondernemingsraad moet voldoen. Wel dient te worden bedacht dat de ondernemer zijn besluit kan nemen zonder advies van de ondernemingsraad, indien de ondernemingsraad niet binnen een redelijke termijn zijn advies uitbrengt. De duur van die redelijke termijn is afhankelijk van de aard en ingewikkeldheid van het voorgenomen besluit. De ondernemer kan de ondernemingsraad niet verplichten binnen een bepaalde termijn advies uit te brengen. Indien ondernemer en ondernemingsraad een datum hebben afgesproken waarvoor het advies moet zijn uitgebracht, is de ondernemingsraad daaraan wel gebonden. Echter, als de ondernemingsraad zijn advies nog niet heeft uitgebracht en de ondernemer vervolgens direct het besluit neemt, zonder bij de ondernemingsraad te informeren naar de reden waarom het advies nog niet is verstrekt, wordt dit de ondernemer aangerekend. De zorgplicht om helder en adequaat te communiceren rust eerst en vooral op de ondernemer (OK 26 november 2010, JAR 2011/11, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO5270, OR APM Terminals Rotterdam).
Op grond van vaste rechtspraak van de Ondernemingskamer kan de ondernemingsraad in een procedure geen beroep doen op argumenten die hij niet in zijn advies heeft genoemd. Dat betekent dat de ondernemingsraad grote zorg dient te besteden aan zijn advies, met name als het een negatief advies is of een advies onder voorwaarden die belangrijk zijn voor de ondernemingsraad. In het advies wordt aandacht besteed hoe het adviestraject is doorlopen, hoe het recht op informatie wel of niet is nageleefd door de ondernemer, of alternatieven zijn besproken en hoe en vooral op welke gronden hij tot een negatief advies is gekomen. Dit alles is vooral relevant als de ondernemingsraad de mogelijkheid open wil houden om succesvol beroep in te stellen bij de Ondernemingskamer (zie bijvoorbeeld: OK 2 april 2014, JAR 2014/121, ECLI:NL:GHAMS:2014:1049, Centrum voor Baan en Beroep). Bezwaren die de ondernemingsraad pas in de procedure bij de Ondernemingskamer naar voren brengt en die
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
niet uit het advies blijken worden buiten beschouwing gelaten door de Ondernemingskamer. Daarop bestaat een uitzondering als de bezwaren voortvloeien uit feiten en omstandigheden die de ondernemingsraad bij het uitbrengen van zijn advies niet kende of behoefde te kennen, of als wezenlijke gebreken kleven aan de adviesaanvraag (HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:725, Holland Casino). De ondernemingsraad die pas bij de Ondernemingskamer stelt dat niet alleen de ondernemer, maar ook de moedermaatschappij als medeondernemer advies had dienen te vragen is te laat (OK 4 augustus 2015, JAR 2015/223, ECLI:NL:GHAMS:2015:3216, OR Martinair).
Het besluit van de ondernemer (vijfde lid)
Nadat de ondernemingsraad zijn advies heeft uitgebracht neemt de ondernemer een definitief besluit. Heeft de ondernemer meerdere adviesaanvragen aan de ondernemingsraad voorgelegd, dan dient hij de adviezen over alle aanvragen af te wachten. Het besluit dient schriftelijk aan de ondernemingsraad te worden meegedeeld. In het besluit dient de ondernemer in te gaan op alle in het advies genoemde argumenten. De ondernemer kan niet volstaan met een verwijzing naar zijn adviesaanvraag of hetgeen hij in de overlegvergadering naar voren heeft gebracht. De ondernemer dient het besluit goed te motiveren en daarbij ook op bijvoorbeeld door de ondernemingsraad aangedragen alternatieven in te gaan (OK 21 april 2010, JAR 2010/120, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2019, Stichting Centrum Maliebaan en OK 18 juli 2012, JAR 2012/240, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX4168, OR WML). Indien de ondernemer zijn besluit motiveert onder verwijzing naar redelijke en onderbouwde prognoses voor de toekomst, dan wordt daar meer waarde aan gehecht dan aan een redelijke en onderbouwde opvatting van de ondernemingsraad over de toekomstige scenario's. De Ondernemingskamer toetst in dat geval marginaal (OK 18 maart 2011, JAR 2011/129, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP9683, Stichting Kalorama). Ook uit de zaak Honeywell volgt dat de ondernemer gemotiveerd moet reageren op aangedragen alternatieven. Zie OK 8 september 2014, JAR 2014/258, ECLI:NL:GHAMS:2014:3890, Honeywell. Het definitieve besluit moet dus ook overeenkomen met het besluit dat in de adviesaanvraag is voorgelegd aan de ondernemingsraad. Is dit niet het geval, dan kan de ondernemer niet in redelijkheid tot het besluit gekomen zijn (OK 5 december 2013, JAR 2014/50, ECLI:NL:GHAMS:2013:4948, Global Business Services IBM). De ondernemer die een principiële keuze maakt en daarom alle argumenten van de ondernemingsraad tegen deze keuze terzijde schuift gaat ten onrechte niet op die argumenten en alternatieven van de ondernemingsraad in. De ondernemer dient in zijn besluit inhoudelijk op de argumenten en alternatieven van de ondernemingsraad in te gaan en deze af te wegen tegen zijn eigen argumenten, ook als dat de principiële keuze betreft om geen onderzoek meer te doen met dierproeven.
bevoegdheden van de ondernemingsraad
Er is dan sprake van een motiveringsgebrek. Zie Ondernemingskamer 14 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3423, KNAW).
De ondernemer dient in het besluit onder meer te vermelden welke maatregelen hij gaat treffen in verband met de gevolgen van het besluit voor de werknemers. In de meeste gevallen wordt daartoe een sociaal plan met de vakbonden overeengekomen. In de rechtspraak is een aantal hiermee verband houdende vragen aan de orde geweest. Allereerst de vraag of ook met de ondernemingsraad een sociaal plan kan worden overeengekomen. Die vraag is in de rechtspraak (terecht) bevestigend beantwoord. Vervolgens de vraag of het besluit onredelijk is indien (nadat de ondernemer had toegezegd met de vakbonden een sociaal plan te zullen sluiten) er geen sociaal plan met de vakbonden is overeengekomen. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de omstandigheden. Wil de ondernemer niet tegemoetkomen aan de gerechtvaardigde eisen van de vakbonden en besluit hij, zonder overeenstemming met de vakbonden te hebben bereikt, zijn eigen voorstel door te voeren, dan zal een bezwaar daartegen van de ondernemingsraad door de Ondernemingskamer waarschijnlijk worden gehonoreerd. In het geval echter dat de vakbonden weigeren in overleg te treden (veelal omdat de ondernemingsraad nog geen oordeel over het voorgenomen besluit heeft gegeven) is dat niet aan de ondernemer te verwijten, en dus is het besluit niet onredelijk om reden van het niet bereiken van overeenstemming met de vakbonden (OK 29 december 2004, JAR 2005/27, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR8777, Gastec Holding N.V.). Wel kan de ondernemingsraad inhoudelijke bezwaren aanvoeren tegen de door de ondernemer voorgestelde regeling. Onderbouwt de ondernemingsraad die bezwaren niet dan zal de Ondernemingskamer daaraan voorbijgaan (OK 18 juli 2005, JAR 2005/218, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU3028, Philips Semiconductors). Biedt de ondernemer geen regeling aan terwijl er wel (ingrijpende) gevolgen voor de werknemers uit het besluit voortvloeien, dan is het besluit onredelijk (OK 16 juli 2004, JAR 2004/222, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR2590, Doornbos B&N). Ook in de beschikking van de Ondernemingskamer van 21 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4318, Gemeente Maastricht) is beslist dat de ondernemingsraad advies moet kunnen uitbrengen voorafgaand aan de vaststelling van een sociaal plan, ongeacht de vraag of dat sociaal plan overeen is gekomen met de vakorganisaties. Door de ondernemingsraad niet in die gelegenheid te stellen heeft hij geen wezenlijke invloed kunnen uitoefenen op de besluitvorming.
De ondernemingsraad kan de ondernemer echter niet dwingen een sociaal plan af te sluiten als de personele gevolgen ook op andere wijze kunnen worden vastgelegd (OK 12 januari 2016 JAR 2016/127, ECLI:NL:GHAMS:2016:380, Inventum).
De ondernemer mag de besluitvorming faseren. Echter, de ondernemingsraad mag tegelijkertijd wel verlangen dat er dan al voldoende inzicht
Art. 25 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad wordt gegeven in de opvang van de personele gevolgen (OK 21 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1679, Canon). Bovendien dient afstemming met de ondernemingsraad plaats te vinden over de fasering (OR NCRV, OK 19 april 2013, JAR 2013/155, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9689). Indien de ondernemer kiest voor fasering van zijn besluitvorming, dan mag dat geen afbreuk doen aan de effectiviteit van de medezeggenschap. Dit betekent dat de eisen uit artikel 25 en met name lid 2 en lid 3 in elke fase moeten worden nagekomen. Zie OK 22 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3176, Stichting Ons Welzijn.
Niet alleen de gevolgen voor medewerkers die mee overgaan naar een nieuwe onderneming dienen in kaart te worden gebracht, ook de gevolgen voor de achterblijvers dienen duidelijk te zijn (OK 16 juli 2004, JAR 2004/222, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR2590, Doornbos).
Opschortingstermijn (zesde lid)
Indien het besluit van de ondernemer niet overeenstemt met het advies van de ondernemingsraad mag de ondernemer zijn besluit niet uitvoeren binnen een maand nadat hij de ondernemingsraad schriftelijk van zijn besluit op de hoogte heeft gebracht. Het niet in acht nemen van deze opschortingstermijn is niet strafbaar, maar dat betekent niet dat de ondernemer daartoe niet langer verplicht is. De ondernemingsraad kan in rechte nakoming van die verplichting vorderen. Na deze maand kan de ondernemer zijn besluit uitvoeren, ook indien de ondernemingsraad beroep heeft ingesteld bij de Ondernemingskamer. De ondernemingsraad kan echter aan de voorzieningenrechter van de rechtbank of bij voorlopige voorziening aan de Ondernemingskamer een verbod vragen tot het uitvoeren van het besluit. In de praktijk wordt uitvoering van het besluit door de bestuurder vaak aangehouden totdat de Ondernemingskamer uitspraak heeft gedaan.
Uitvoeringsadvies (vijfde lid)
Soms wordt door de ondernemer eerst een besluit op hoofdlijnen genomen en wordt dit besluit verder uitgewerkt in nadere besluiten. Die nadere besluiten kunnen uitsluitend worden beschouwd als uitvoeringsbesluiten in de zin van het vijfde lid van artikel 25, indien de ondernemer geen keuzemogelijkheden heeft binnen de grenzen van het reeds genomen besluit op hoofdlijnen. Bestaan die keuzemogelijkheden wel, dan is er geen sprake van een uitvoeringsbesluit, maar opnieuw van een besluit in de zin van het eerste lid van artikel 25. De Ondernemingskamer heeft beslist dat in een dergelijk geval zowel over het besluit op hoofdlijnen (principebesluit) als over de uitwerkingsbesluiten advies dient te worden gevraagd op grond van het eerste lid van artikel 25 WOR (OK 13 november 1980, NJ 1981/588, OR Stichting Pensioenfonds).
bevoegdheden van de ondernemingsraad
Niet over alle uitwerkingsbesluiten van het besluit op hoofdlijnen hoeft advies te worden gevraagd. Dat is uitsluitend het geval indien het uitwerkingsbesluit als zodanig behoort tot de in artikel 25 genoemde besluiten. Indien de ondernemingsraad in zijn advies over het besluit op hoofdlijnen als voorwaarde heeft gesteld dat over alle uitwerkingsbesluiten advies moet worden gevraagd, handelt de ondernemer, indien hij daaraan niet wenst te voldoen, niet kennelijk onredelijk (OK 8 december 1983, niet gepubliceerd). Een besluit op hoofdlijnen mag niet worden verward met een beleidsvoornemen. Een beleidsvoornemen is geen besluit en daarover behoeft dus geen advies te worden gevraagd. Het standpunt van de ondernemer dat een businessplan, waarin een fundament is gelegd voor de toekomst van de ondernemer door daarin bepaalde keuzes op te nemen, slechts een beleidsvoornemen is wordt niet gevolgd door de Ondernemingskamer. Ten onrechte heeft de ondernemer het businessplan niet ter advisering aan de ondernemingsraad voorgelegd (OK 30 mei 2012, JAR 2012/181, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW7420, Stichting Het Brabants Orkest). Het beleidsvoornemen dient ook niet verward te worden met intentieverklaringen. Indien een intentieverklaring echter dermate gedetailleerd is dat in feite kan worden gesproken van een concreet voornemen, bijvoorbeeld tot duurzame samenwerking, dan kan er sprake zijn van een adviesplichtig besluit (OK 20 januari 2011, JAR 2011/69, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3004, Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie).
Artikel 26
1. De ondernemingsraad kan bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit van de ondernemer als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, hetzij wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de ondernemingsraad, hetzij wanneer feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, die, waren zij aan de ondernemingsraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht.
2. Het beroep wordt ingeleid door indiening van een verzoek, binnen een maand nadat de ondernemingsraad van het in het eerste lid bedoelde besluit in kennis is gesteld.
3. De ondernemer wordt van het ingestelde beroep in kennis gesteld.
4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld ter zake dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.
5. De Ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve, deskundigen, alsmede in de onderneming werkzame personen horen. Indien de Ondernemingskamer het beroep gegrond bevindt, verklaart zij dat de ondernemer bij afweging
Art. 26 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het betrokken besluit had kunnen komen. Zij kan voorts, indien de ondernemingsraad daarom heeft verzocht, een of meer van de volgende voorzieningen treffen:
a. het opleggen van de verplichting aan de ondernemer om het besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te wijzen gevolgen van dat besluit ongedaan te maken.
b. het opleggen van een verbod aan de ondernemer om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of van onderdelen daarvan.
Een voorziening van de Ondernemingskamer kan door derden verworven rechten niet aantasten.
6. Het is verboden een verplichting of een verbod als bedoeld in het vorige lid niet na te komen, onderscheidenlijk te overtreden.
7. De Ondernemingskamer kan haar beslissing op een verzoek tot het treffen van voorzieningen voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien beide partijen daar om verzoeken, dan wel indien de ondernemer op zich neemt het besluit waartegen beroep is ingesteld, in te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het besluit ongedaan te maken.
8. Nadat het verzoekschrift is ingediend kan de Ondernemingskamer, zo nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen treffen. Het vijfde lid, vierde en vijfde volzin, en het zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
9. Van een beschikking van de Ondernemingskamer staat uitsluitend beroep in cassatie open.
Toelichting
Op grond van artikel 26 kan de ondernemingsraad bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen het besluit van de ondernemer indien:
a. de ondernemer ten onrechte geen advies aan de ondernemingsraad heeft gevraagd;
b. de ondernemer op een zodanig laat tijdstip advies aan de ondernemingsraad heeft gevraagd, dat het advies geen invloed meer heeft op het besluit;
c. het besluit van de ondernemer niet in overeenstemming is met het advies van de ondernemingsraad;
d. het advies van de ondernemingsraad wel is gevolgd, maar er later feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die, had de ondernemingsraad ze gekend, tot een ander advies hadden geleid.
De ondernemingsraad kan uitsluitend beroep instellen tegen besluiten van de ondernemer en derhalve niet tevens tegen de weigering van de ondernemer een besluit te nemen.
De meeste procedures hebben betrekking op het gestelde onder c, de minste op het gestelde onder d. Indien de ondernemingsraad niet
bevoegdheden van de ondernemingsraad
kan aantonen dat feiten die bekend zijn geworden aanleiding zouden hebben gegeven tot het uitbrengen van een ander advies, zal de ondernemingsraad niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep of zal zijn beroep worden afgewezen (OK 29 maart 2012, JAR 2012/180, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6582, Polymer Vision). Ook indien nieuwe feiten en omstandigheden zich pas hebben voorgedaan nadat het reorganisatiebesluit naar aanleiding van een positief advies van de ondernemingsraad is genomen, wordt de ondernemingsraad niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek (OK 4 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:632, Mitsubishi).
Vaste rechtspraak is dat als de ondernemer zich op het standpunt stelt dat geen advies zal worden gevraagd, een redelijke toepassing van artikel 26 met zich meebrengt dat de ondernemingsraad niet hoeft te wachten op het genomen besluit met het instellen van beroep (OK 1 mei 1980, ECLI:NL:GHAMS:1980:AB7579, Linge Ziekenhuis).
In de rechtspraak is een aantal malen de vraag aan de orde geweest of als gevolg van het verstrijken van de zittingsperiode een niet rechtsgeldige ondernemingsraad kan optreden als procespartij. Die vraag is bevestigend beantwoord, in die gevallen waarin de ondernemer normaal overleg met de niet rechtsgeldige ondernemingsraad heeft gevoerd. Ten slotte dient te worden vermeld dat de centrale ondernemingsraad en de onderliggende ondernemingsraad niet beiden bevoegd kunnen zijn tot het instellen van beroep bij de Ondernemingskamer. Ofwel het besluit is van gemeenschappelijk belang en dan is de centrale ondernemingsraad bevoegd, ofwel het adviesrecht en daarmee het beroepsrecht komt aan de ondernemingsraad toe. De centrale ondernemingsraad is ook bevoegd wanneer aan de onderliggende ondernemingsraden geen advies- en instemmingsrecht toekomt. Zie hierover ook de toelichting op artikel 35. Daarnaast kan de centrale ondernemingsraad procesbevoegdheid toekomen indien hij heeft opgetreden als contractspartij (Kantonrechter Amsterdam, 23 mei 2011, JAR 2001, 215).
Het instellen van beroep (tweede, derde en vierde lid)
De ondernemingsraad dient binnen een maand nadat hem het besluit schriftelijk is kenbaar gemaakt door middel van een verzoek beroep in te stellen bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer hanteert de ontvangsttheorie, dat wil zeggen dat de ondernemingsraad geacht wordt in kennis te zijn gesteld op de datum waarop hij het besluit van de ondernemer heeft ontvangen. Het verzoek bij de Ondernemingskamer dient door een advocaat te worden ingediend.
De ondernemer dient te voorkomen dat er onduidelijkheid bestaat ten aanzien van het tijdstip waarop het besluit is genomen. De ondernemer kan zich vervolgens niet op het standpunt stellen dat de ondernemingsraad te laat tot het instellen van beroep is overgegaan. Vergelijk OK
Art. 26 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad 27 november 2014, JAR 2015/50, ECLI:NL:GHAMS:2014:4902, KNAW en OK 17 december 2014, JAR 2015/51, ECLI:NL:GHAMS:2014:5431, MDCA. In de zaak van de OR TNT Nederland heeft de Ondernemingskamer ten overvloede geoordeeld dat een redelijke wetstoepassing met zich meebrengt dat de beroepstermijn pas gaat lopen wanneer aan de ondernemingsraad is meegedeeld waarom van het advies is afgeweken. Een andere uitleg zou afbreuk doen aan de positie van de ondernemingsraad omdat hij bij zijn afweging of wel of niet beroep wordt ingesteld op de hoogte moet zijn van de motivering van het besluit (OK 15 augustus 2017, ECLI:GHAMS:2017:3262, TNT Nederland).
In het verzoekschrift kunnen geen argumenten worden genoemd die niet reeds eerder in het advies van de ondernemingsraad zijn verwoord. Bovendien dienen in het verzoekschrift de bezwaren tegen het besluit nader te worden uiteengezet en kan de ondernemingsraad derhalve niet volstaan met een beroep op nader aan te voeren gronden of met de algemene stelling dat het besluit kennelijk onredelijk is, welke stelling later bij de mondelinge behandeling wordt toegelicht. Zie ook de toelichting op artikel 25 lid 4, gang van zaken bij de adviesaanvraag.
De ondernemingsraad kan zowel formele als inhoudelijke bezwaren tegen het besluit aanvoeren. De formele bezwaren zijn:
a. de ondernemer heeft ten onrechte geen advies aan de ondernemingsraad gevraagd;
b. de ondernemer heeft ten onrechte het advies, of (bij meerdere adviesaanvragen) de adviezen, van de ondernemingsraad niet afgewacht;
c. de ondernemer heeft zijn voorgenomen besluit niet, onjuist of onvoldoende gemotiveerd en/of de gevolgen voor de werknemers en de wijze waarop die gevolgen zullen worden opgevangen niet of onvoldoende uiteengezet. De ondernemingsraad dient dan wel naar die ontbrekende gegevens te hebben gevraagd en in zijn advies naar het ontbreken van die gegevens te hebben verwezen (zie de toelichting op het vijfde lid van artikel 25);
d. in het besluit is niet of volstrekt onvoldoende aangegeven waarom is afgeweken van het advies.
Bovengenoemde bezwaren leiden alleen tot een kennelijk onredelijk besluit indien bij de besluitvorming wezenlijk tekort is gedaan aan de in de WOR gewaarborgde belangen van de ondernemingsraad. Dat is blijkens de rechtspraak van de Ondernemingskamer het geval indien zich het gestelde onder a of b voordoet; dat laatste vanzelfsprekend uitsluitend indien de redelijke termijn waarbinnen de ondernemingsraad advies mag uitbrengen nog niet is verstreken. Wat betreft de bezwaren genoemd onder c en d leidt dit uitsluitend tot een kennelijk onredelijk besluit indien de besluitvorming ernstige gebreken vertoont en de ondernemingsraad daardoor
Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
zijn taak niet naar behoren heeft kunnen uitvoeren. Een voorbeeld hiervan is het besluit van de Gemeente Rotterdam, waarin de Gemeente niet dan wel in zeer vage bewoordingen heeft gemotiveerd dat en waarom bepaalde functies de kwalificatie 'verdwijnfuncties' hebben gekregen (OK 28 februari 2007, JAR 2007/107, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4005, OR Bestuursdienst Gemeente Rotterdam). De redelijkheidstoets kan ook betrekking hebben op de gekozen financieringsconstructie. In OK 17 december 2014, JAR 2015/51, ECLI:NL:GHAMS:2014:5431, OR MDCA, oordeelde de Ondernemingskamer dat de wijze waarop de financiering van de aandelenoverdracht vorm heeft gekregen, de redelijkheidstoets niet kan doorstaan, nu er sprake was van belangenverstrengeling. Gaat het om een besluit dat feitelijk wordt ingegeven door een besluit van de moedervennootschap, dan moet de ondernemer bij de dochter nog steeds een zelfstandige belangenafweging maken. Hierbij kan niet worden volstaan met een verwijzing naar het concernbelang en/of de (statutaire) verplichting te handelen overeenkomstig het beleid van de moedervennootschap (zie bijvoorbeeld: OK 9 juli 2013, JAR 2013/223, ECLI:NL:GHAMS:2013:2336, WINL). Toezeggingen van de ondernemer spelen hierin een belangrijke rol. Daaraan kan de ondernemingsraad rechtens verwachtingen ontlenen (OK 16 juni 1994, JAR 1994/151, ECLI:NL:GHAMS:1994:AD2117, Delta Lloyd). Formuleert een ondernemer in de adviesaanvraag bijvoorbeeld bepaalde voorwaarden die moeten zijn vervuld voorafgaand aan een definitief besluit, dan kan de ondernemer in principe niet tot een definitief besluit komen voordat de gestelde voorwaarden zijn vervuld. Doet de ondernemer dat wel, dan is het besluit in beginsel onredelijk (OK 27 februari 2014, JAR 2014/82, ECLI:NL:GHAMS:2014:556, Fundis). De ondernemer is echter niet onder alle omstandigheden gehouden zijn toezegging na te komen. Omstandigheden, die ten tijde van de toezegging aan de ondernemer nog niet bekend konden zijn, kunnen ertoe leiden dat de ondernemer in redelijkheid niet meer aan zijn toezegging is gebonden.
Marginale toets
Bij inhoudelijke bezwaren is de beroepsgrond dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet tot zijn besluit had kunnen komen. Het gaat hier om een zogenoemde marginale toets, welke beoogt te bereiken dat de ondernemer alle relevante belangen tegen elkaar afweegt. Aan de ondernemer komt een zekere beleidsvrijheid toe. In OK 21 april 2010, JAR 2010/120, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2019, OR Centrum Maliebaan, heeft de Ondernemingskamer nog benadrukt dat die beleidsvrijheid beperkt is. De beleidsvrijheid vindt in ieder geval zijn grens daar waar de ondernemer kennelijk geen of onvoldoende rekening houdt met de door de ondernemingsraad aangevoerde argumenten of met de belangen van de ondernemingsraad als vertegenwoordiger van de werknemers. Ook de Hoge Raad heeft zich inmiddels uitgesproken over de marginale
Art. 26 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
toets en lijkt daarbij juist meer beleidsvrijheid aan de ondernemer toe te kennen: “De ondernemer is gehouden om bij zijn besluitvormingsproces alle kenbare bij de onderneming betrokken gerechtvaardigde belangen te betrekken. Het betreft hier een door de Ondernemingskamer te verrichten marginale toetsing van de besluitvorming van de ondernemer. De Ondernemingskamer gaat slechts na of de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Zij laat daarbij aan de ondernemer beleidsvrijheid.” (Hoge Raad 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:725, Holland Casino). Deze beschikking van de Hoge Raad is sindsdien al diverse keren teruggekomen in rechtspraak van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer oordeelt bijvoorbeeld dat de ondernemer de keuze mag maken hoe hij de organisatie anders gaat inrichten. Dat is een fundamentele keuze die een bepaalde visie op de organisatie weerspiegelt. Deze valt op zichzelf binnen de beleidsvrijheid van de ondernemer (OK 21 november 2019, JAR 2019/17 OR Secretariaat Gezondheidsraad). De NS heeft voldoende gemotiveerd waarom zij tot afschaffing van de boa-bevoegdheid van de hoofdconducteurs heeft kunnen komen. Het adviestraject is goed doorlopen en het besluit kan de marginale toets doorstaan (OK 7 juli 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1997, NS).
De behandeling van het verzoek (vijfde lid)
In de praktijk wordt de mondelinge behandeling bij de Ondernemingskamer vastgesteld ongeveer zes weken na de datum waarop het verzoekschrift is ingediend. De ondernemer wordt door de Ondernemingskamer in de gelegenheid gesteld om ongeveer veertien dagen voor de zittingsdatum een schriftelijk verweerschrift in te dienen. De mondelinge behandeling is openbaar, zodat de leden van de ondernemingsraad en belangstellenden de zitting kunnen bijwonen.
Door de Ondernemingskamer op te leggen sancties en overige bepalingen (vijfde, zesde, zevende, achtste en negende lid)
Indien de Ondernemingskamer van oordeel is dat de ondernemer in redelijkheid niet tot zijn besluit had kunnen komen, kan hij de ondernemer de verplichting opleggen het besluit geheel of ten dele in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken, alsmede het verbod opleggen om handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit. Tijdens een procedure bij de Ondernemingskamer kan de ondernemer alsnog tegemoetkomen aan bezwaren die de ondernemingsraad in zijn advies had geformuleerd, waardoor de kans aanwezig is dat de Ondernemingskamer geen andere (verderstrekkende) verzoeken van de ondernemingsraad inwilligt dan te verklaren dat in redelijkheid niet tot het besluit gekomen had kunnen worden (OK 12 mei 2014, JAR 2014/171, ECLI:NL:GHAMS:2014:1978, Akzo Nobel). De consequentie is dan dat de ondernemer wel gevolg kan geven aan het besluit.
bevoegdheden van de ondernemingsraad
Door derden verworven rechten kunnen door de beslissing van de Ondernemingskamer niet worden aangetast. De vraag of daarbij onderscheid dient te worden gemaakt tussen de derde die niet wist of had kunnen weten dat de ondernemer onrechtmatig handelde en de derde die daarvan op de hoogte was of had kunnen zijn, wordt in de literatuur verschillend beantwoord. In het oordeel van de Ondernemingskamer in de zaak van de OR Volksbond Streetcornerwork wordt hier wel op ingegaan. De ondernemingsraad verzette zich met succes tegen de inrichting van een nieuwe topstructuur nu deze afweek van gemaakte afspraken met de ondernemingsraad. De Ondernemingskamer stelt dat het strikt genomen niet aan haar ter beoordeling is of en in hoeverre de bestuursleden zich met recht kunnen beroepen op de bescherming van lid 5. Wel merkt de Ondernemingskamer op dat de bestuursleden bij de besluitvorming over de inrichting van de topstructuur en hun eigen benoemingen in dat kader betrokken zijn geweest en bovendien voorafgaand aan die benoemingen op de hoogte waren van het door de ondernemingsraad ingestelde beroep. Onder die omstandigheden ligt het niet voor de hand dat zij zich met succes kunnen beroepen op de bescherming van artikel 26 lid 5 WOR (ECLI:NL:GHAMS:2019:806, OR Volksbond Streetcornerwork). Ook het sluiten van beëindigingsovereenkomsten kan niet ongedaan gemaakt worden door een beschikking van de Ondernemingskamer nu dit rechten van derden betreffen (Gerechtshof Amsterdam 20 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1299, Micro Focus).
De Ondernemingskamer kan de beslissing op een verzoek tot het treffen van voorzieningen aanhouden indien beide partijen daarom verzoeken.
Bovendien kan de Ondernemingskamer een voorlopige voorziening treffen in spoedeisende gevallen. Deze bevoegdheid van de Ondernemingskamer laat de mogelijkheid onverlet de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding een uitspraak te vragen.
Van de beschikking van de Ondernemingskamer kan uitsluitend cassatie bij de Hoge Raad worden ingesteld. De termijn bedraagt drie maanden.
Artikel 27
1. De ondernemer behoeft de instemming van de ondernemingsraad voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van:
a. regelingen op grond van een pensioenovereenkomst, een winstdelingsregeling of een spaarregeling;
b. een arbeids- en rusttijdenregeling of een vakantieregeling;
c. een belonings- of een functiewaarderingssysteem;
d. een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het re-integratiebeleid;
Art. 27 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
e. een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslag- of bevorderingsbeleid;
f. een regeling op het gebied van de personeelsopleiding;
g. een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling;
h. een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk werk;
i. een regeling op het gebied van het werkoverleg;
j. een regeling op het gebied van de behandeling van klachten;
k. een regeling omtrent het verwerken van, alsmede de bescherming van de persoonsgegevens van de in de onderneming werkzame personen;
l. een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen;
m. een procedure voor het omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand, als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet bescherming klokkenluiders; een en ander voor zover betrekking hebbende op alle of een groep van de in de onderneming werkzame personen.
2. De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor. Hij verstrekt daarbij een overzicht van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben. De ondernemingsraad beslist niet dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Na het overleg deelt de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed zijn beslissing aan de ondernemer mee. Na de beslissing van de ondernemingsraad deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de ondernemingsraad mee welk besluit hij heeft genomen en met ingang van welke datum hij dat besluit zal uitvoeren.
3. De in het eerste lid bedoelde instemming is niet vereist, voor zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan. Instemming is eveneens niet vereist voor zover ter zake van een aangelegenheid als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, sprake is van verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet.
4. Heeft de ondernemer voor het voorgenomen besluit geen instemming van de ondernemingsraad verkregen, dan kan hij de kantonrechter toestemming vragen om het besluit te nemen. De kantonrechter geeft slechts toestemming, indien de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen besluit van de on-
bevoegdheden van de ondernemingsraad
dernemer gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.
5. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, genomen zonder de instemming van de ondernemingsraad of de toestemming van de kantonrechter, is nietig, indien de ondernemingsraad tegenover de ondernemer schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. De ondernemingsraad kan slechts een beroep op de nietigheid doen binnen een maand nadat hetzij de ondernemer hem zijn besluit overeenkomstig de laatste volzin van het tweede lid heeft meegedeeld, hetzij – bij gebreke van deze mededeling –de ondernemingsraad is gebleken dat de ondernemer uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit.
6. De ondernemingsraad kan de kantonrechter verzoeken de ondernemer te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van een nietig besluit als bedoeld in het vijfde lid. De ondernemer kan de kantonrechter verzoeken te verklaren dat de ondernemingsraad ten onrechte een beroep heeft gedaan op de nietigheid als bedoeld in het vijfde lid.
7. Onder regelingen op grond van een pensioenovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden mede verstaan regelingen opgenomen in een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of een uitvoeringsreglement als bedoeld in onderdeel b van de definitie van uitvoeringsreglement in artikel 1 van de Pensioenwet, die van invloed zijn op de pensioenovereenkomst waaronder in ieder geval worden begrepen: regelingen over de wijze waarop de verschuldigde premie wordt vastgesteld, de maatstaven voor en de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt en de keuze voor onderbrenging bij een bepaalde pensioenuitvoerder, pensioeninstelling uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland als bedoel in artikel 23, eerste lid, van de Pensioenwet.
Toelichting
Algemeen
Artikel 27 eerste lid bevat een limitatieve opsomming van de besluiten waarover aan de ondernemingsraad instemming moet worden gevraagd. Instemmingsrecht betekent dat de ondernemer zijn besluit niet mag uitvoeren zolang de ondernemingsraad geen instemming, of de kantonrechter vervangende goedkeuring aan een voorgenomen besluit heeft gegeven. Wel moet vanzelfsprekend sprake zijn van een besluit in de zin van artikel 27 (Rechtbank Den Haag 20 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14064, OR Dienst Geestelijke Verzorging van de DJI).
Regelingen of systemen
In het eerste lid van artikel 27 genoemde onderwerpen betreffen regelin-
Art. 27 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad gen of systemen. Van een regeling of systeem is sprake indien deze geldt voor een groep in de onderneming werkzame personen en een min of meer permanent, dat wil zeggen duurzaam of structureel, karakter draagt. Het aantal werknemers dat tot die groep behoort is daarbij niet van belang. Een groep in de zin van dit artikel kan ook uit enkele werknemers of zelfs slechts één werknemer bestaan. Een regeling of een systeem is niet incidenteel indien hij voor een langere periode wordt vastgesteld. Van een incidentele regeling, bijvoorbeeld op het gebied van het opleidingsbeleid, is sprake indien deze geldt voor een bepaalde maatregel, zoals een reorganisatie. Dan voldoet de regeling niet aan de criteria en is het niet instemmingsplichtig. Een e-mail van de CEO over het opnemen van compensatiedagen is eveneens een besluit voor eenmalige toepassing en daarmee geen besluit met structureel karakter (Rechtbank Noord-Holland, 20 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10667, OR Ardent Maritime Netherlands). De ondernemingsraad die geen instemming verleent om een groep binnen de onderneming te beschermen – de belangen van uitzendkrachten – terwijl inhoudelijk geen bezwaar tegen het besluit bestaat, maakt oneigenlijk gebruik van het instemmingsrecht (Kantonrechter Amsterdam 20 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:892, OR KLM).
(Primaire) arbeidsvoorwaarden
De in het eerste lid van artikel 27 genoemde onderwerpen betreffen niet de arbeidsvoorwaarden. Uitgangspunt van de wet is dat het overleg over arbeidsvoorwaarden is voorbehouden aan de vakorganisaties en bij gebreke daarvan de individuele werknemer. Zo betreft het instemmingsrecht van de ondernemingsraad met betrekking tot een vakantieregeling niet het aantal vakantiedagen, maar wel de regeling betreffende de vaststelling van de vakantie van de werknemers. Dat geldt ook voor het beloningssysteem. Niet de hoogte van de beloning, doch de systematiek aan de hand waarvan de beloning wordt vastgesteld, is onderworpen aan het instemmingsrecht van de ondernemingsraad. Ook secundaire arbeidsvoorwaarden zijn niet aan het instemmingsrecht onderworpen. Wel heeft de ondernemingsraad instemmingsrecht op de pensioenregeling en de bonusregeling, maar bijvoorbeeld niet op de hoogte van de bonus.
De vraag of het (voorgenomen) besluit van de ondernemer slechts de hoogte van de beloning of de arbeidsduur (primaire arbeidsvoorwaarden en dus niet instemmingsplichtig) betreft of (ook) een wijziging van het systeem of regeling (wel instemmingsplichtig) is soms moeilijk vast te stellen. Het laten vervallen van ADV en leeftijdsafhankelijke dagen en het ter compensatie daarvan verhogen van de salarisschalen was volgens de rechter niet instemmingsplichtig, omdat het besluit primaire arbeidsvoorwaarden betrof en niet een systeemwijziging. Dat gold ook voor het wijzigen van de variabele beloning, omdat het systeem (onderlinge rangorde) gelijk bleef en 'slechts' het bedrag van de bonus wijzigde als gevolg
Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
van de wijziging van het percentage van de target waarboven een bonus werd betaald. Dat leidt volgens de rechter niet tot een systeemwijziging. Bovendien betrof het hier een primaire arbeidsvoorwaarde, aldus het gerechtshof. (Zie Hof 's-Gravenhage 1 december 2008, JAR 2009/6, KPN). Dat over dit laatste punt ook anders kan worden gedacht blijkt uit een uitspraak van de kantonrechter van de Rechtbank Limburg, waarbij vervangende toestemming werd verleend voor de wijziging van de winstdelingsregeling, waarbij de uitkering van 5% die al jaren werd vastgesteld niet als een primaire arbeidsvoorwaarde werd gezien. Het besluit geen loonstappen toe te kennen werd door de kantonrechter in Rotterdam niet gezien als een besluit dat betrekking heeft op primaire arbeidsvoorwaarden. Het betreft volgens de rechter in feite een besluit over het tempo waarmee medewerkers die nog niet het einde van de loonschaal hebben bereikt kunnen groeien in hun salaris en dus had instemming moeten worden gevraagd (Rechtbank Rotterdam 11 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3275, CLdN Ports).
In de praktijk worden in ondernemingen tal van arbeidsvoorwaarden vastgelegd in bedrijfsreglementen, personeelsgidsen, personeelshandboeken en dergelijke. Indien hierover vervolgens instemming wordt gevraagd aan de ondernemingsraad, dan is het daarbij een instemmingsplichtig onderwerp geworden. Het is werkgevers aan te raden enkel over de onderwerpen die vermeld staan in artikel 27 lid 1 instemming te vragen en de andere onderwerpen, zoals de arbeidsvoorwaarden, expliciet uit te sluiten van de verzochte instemming. Voorts maken werkgevers vaak het voorbehoud dat zij deze arbeidsvoorwaarden of regelingen eenzijdig mogen wijzigen, dus zonder instemming van de werknemer. Uit verschillende uitspraken van de Hoge Raad volgt echter dat het slechts in geval van zwaarwegende omstandigheden mogelijk is om eenzijdig arbeidsvoorwaarden te wijzigen. Indien er een eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen is het kort gezegd eenvoudiger om eenzijdig wijzigingen door te voeren, maar ook dan dient een zwaarwegend belang te worden aangetoond. Indien de werkgever wel instemming aan de ondernemingsraad heeft gevraagd en deze ook heeft gekregen, dan bindt deze instemming de individuele werknemer niet. Wel zal instemming van de ondernemingsraad in de regel gevolgen hebben voor de redelijkheidstoets van het besluit van de werkgever.
Onderwerpen genoemd in het eerste lid van artikel 27 WOR
Regelingen op grond van een pensioenovereenkomst, een winstdelingsregeling of een spaarregeling (onder a)
Sinds 1 oktober 2016 is het instemmingsrecht van de ondernemingsraad aangaande pensioen ingrijpend gewijzigd. Eerst hing de invulling van de bevoegdheid van de ondernemingsraad op het terrein van pensioenen
Art. 27 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad samen met de pensioenuitvoerder. Er was alleen sprake van instemmingrecht indien de pensioenregeling werd uitgevoerd door een verzekeringsmaatschappij (of een pensioenpremie-instelling). Nu heeft de ondernemingsraad instemmingsrecht over elk voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling met betrekking tot een pensioenovereenkomst, ongeacht waar deze pensioenovereenkomst is ondergebracht en dus ongeacht de pensioenuitvoerder. Ongewijzigd blijft dat de ondernemingsraad geen instemmingsrecht heeft indien de pensioenregeling in een cao is geregeld of indien de pensioenregeling wordt uitgevoerd door een bedrijfstakpensioenfonds. Dit volgt uit lid 3 laatste zin.
Lid 1 sub a terzake de pensioenovereenkomst hangt nauw samen met het gewijzigde lid 7 van artikel 27. Daarin is opgenomen dat het instemmingsrecht met betrekking tot de pensioenovereenkomst ook andere regelingen vervat. Dit betreffen regelingen over de wijze waarop de premie wordt vastgesteld en de maatstaven voor en de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt. Voorts heeft de ondernemingsraad instemmingsrecht ingeval de ondernemer de pensioenregeling wenst onder te brengen bij een pensioeninstelling buiten Nederland. Dit stond voorheen in de Pensioenwet.
Daarnaast is in 2016 artikel 31f toegevoegd aan de wet. Hierin is een schriftelijke informatieplicht van de ondernemer opgenomen in geval van een voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsreglement. Uit de term informatieplicht volgt dat dit niet direct een instemmingsrecht van de ondernemingsraad betreft. Uit de toelichting op de wet lijkt te volgen dat de ondernemingsraad in beginsel geen instemmingsrecht heeft over wijzigingen in de inhoud van de uitvoeringsovereenkomst tussen de ondernemer en de pensioenuitvoerder. Betreft een wijziging echter een aspect uit de uitvoeringsovereenkomst, dat de arbeidsvoorwaarde pensioen duidelijk raakt (zoals het schrappen van een bijstortverplichting van de werkgever of het afbouwen van een indexatiedepot bij de verzekeraar), dan zou dat wel onder het instemmingsrecht van de ondernemingsraad vallen. Het is nog niet duidelijk hoe de wetgever deze uitleg precies heeft bedoeld, zodat de verwachting bestaat dat hier procedures over zullen volgen. Tot op heden komt die verwachting niet uit.
Als een pensioenleeftijd is overeengekomen in de pensioenovereenkomst kan deze enkel met instemming van de ondernemingsraad worden gewijzigd.
Het besluit van het pensioenfonds om de uitvoeringsovereenkomst met de ondernemer op te zeggen is niet instemmingsplichtig. Een pensioenfonds is namelijk niet gelijk te stellen aan de ondernemer in de zin van artikel 27 lid 1. Een besluit van een pensioenfonds is ook niet toe te reke-
Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
nen aan de ondernemer. Zie Rechtbank Noord-Holland, 26 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9536, Fluor.
Een besluit dat vaststelling, wijziging of intrekking betreft van een winstdelingsregeling of van een spaarregeling, is altijd aan de instemming van de ondernemingsraad onderworpen. Hier doet het er dus niet toe of het spaargeld op grond van een overeenkomst is ondergebracht bij een buitenstaander, of in een ondernemingsspaarfonds.
Een arbeids- en rusttijdenregeling of vakantieregeling (onder b)
Een arbeids- en rusttijdenregeling betreft het reguliere patroon van de begin- en eindtijden en de pauzetijden en niet het aantal uren dat moet worden gewerkt. De implementatie van arbeidstijdverkorting lijkt zozeer op een werktijdenregeling (tegenwoordig in de wet aangeduid als arbeidstijdenregeling) dat ook daarover instemming aan de ondernemingsraad dient te worden gevraagd (HR 26 juni 1987, NJ 1988/93, ECLI:NL:HR:1987:AC9934, Amsterdam-Rotterdam Bank NV). Voor zover de (inmiddels weer afgeschafte) levensloopregeling de ondernemer keuzevrijheid geeft, dient over de te maken keuze instemming aan de ondernemingsraad te worden gevraagd. In de praktijk gaan de meeste instemmingsaanvragen over roosterindelingen, ploegendiensten, begin- en eindtijden en pauzes. Zoals bijvoorbeeld de vervangende toestemming van de kantonrechter die oordeelde dat de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te verlenen om de werkroosters van de buschauffeurs te wijzigen niet direct onredelijk was, maar dat een inhoudelijke afweging van de belangen toch ertoe leidde dat de ondernemer de nieuwe roosters mocht invoeren (Rechtbank Midden-Nederland, 21 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3538, OR QBuzz).
Van een vakantieregeling is sprake indien daarin de wijze waarop de werknemers hun vakantie kunnen vaststellen is geregeld, dan wel een bedrijfsvakantie of een verplichte collectieve snipperdag wordt vastgesteld. Ook hier geldt weer dat het vaststellen van het aantal vakantiedagen niet instemmingsplichtig is nu dit een primaire arbeidsvoorwaarde betreft. Uitgangspunt van de wetgever is de vrije vakantiekeuze van de werknemer, zodat een collectieve bedrijfsvakantie daarop een uitzondering vormt. Het vaststellen van een verplichte snipperdag is instemmingsplichtig, evenals het laten vervallen van een collectieve vrije dag. De laatste situatie betrof de zaak AMC, waarbij de ondernemingsraad geen instemming wilde geven, maar de kantonrechter wel vervangende toestemming gaf na een belangenafweging (Rechtbank Amsterdam 10 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6243, AMC). In het geval de cao aan de ondernemer de bevoegdheid toekent een maximaal in de cao genoemd aantal verplichte snipperdagen vast te stellen, behoudt de ondernemingsraad in de regel zijn instemmingsrecht. De ondernemer is immers in die situatie niet verplicht van die bevoegdheid gebruik te
Art. 27 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad maken, terwijl bovendien noch het aantal verplichte snipperdagen, noch welke dagen kunnen worden aangewezen, in de cao vastligt. In dat geval bevat de cao geen inhoudelijke regeling. Zie ook verderop in de tekst: 'Het instemmingsrecht en de cao of regeling van arbeidsvoorwaarden bij de overheid'. Het besluit van de ondernemer om in plaats van Goede Vrijdag als vrije dag aan te wijzen, voortaan 7,2 vrij besteedbare uren aan medewerkers te geven is eveneens instemmingsplichtig. De ondernemingsraad weigerde instemming, waarna de kantonrechter vervangende toestemming gaf nu de belangen van de ondernemer zwaarder wogen dan de belangen van de medewerkers. Het enkele beroep op een niet representatieve achterbanraadpleging bracht onvoldoende argumenten voor de ondernemingsraad met zich mee om instemming te onthouden (Rechtbank Amsterdam, 10 oktober 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:6243, AMC).
Een belonings- of functiewaarderingssysteem (onder c)
Niet de wijziging van de hoogte van de beloning is onderworpen aan het instemmingsrecht, maar de wijze waarop de hoogte wordt vastgesteld. Giften, fooien, reiskostenvergoedingen, maaltijdvergoedingen, leasereglementen en dergelijke zijn in de regel geen beloning, zodat ook een wijziging van de daarover bestaande regeling niet is onderworpen aan het instemmingsrecht van de ondernemingsraad. Het besluit om de betaling van de reiskostenvergoeding aan werknemers op te schorten vanwege thuiswerken valt niet onder het instemmingsrecht. De reiskostenvergoeding is een zuivere kostenvergoeding die niet in artikel 27 WOR wordt genoemd en logischerwijs vervalt bij langere afwezigheid, aldus Rechtbank Den Haag, 22 januari 2021, ECLI:RBDHA:2021:5312, CB&I Oil & Gas. Vanzelfsprekend geldt er wel een instemmingsrecht voor de ondernemingsraad als dit in een toepasselijke cao zo is bepaald.
Een beloningssysteem is een systeem op basis waarvan beloningen worden berekend en aan bepaalde functiegroepen worden toegerekend. Het beloningssysteem ziet op de onderlinge rangorde van de beloningen, bijvoorbeeld door indeling in loongroepen of salarisschalen. Van een wijziging van het beloningssysteem is bijvoorbeeld sprake indien een wijziging wordt aangebracht in de verhouding tussen vaste en variabele inkomsten, het aantal schalen, dan wel het aantal schaaltreden per schaal. Ook een optie- of bonusregeling, indien geldend voor alle of een groep in de onderneming werkzame personen, is in de regel aan te merken als een beloningsregeling. Een individuele bonusregeling valt vanzelfsprekend niet onder het instemmingsrecht. Het besluit van de Amerikaanse aandeelhouder tot wijziging van de aandelenregeling is volgens het Hof geen instemmingsplichtig besluit in de zin van dit artikel. Het opwerpen van een drempel waardoor alleen de best presterende werknemers aanspraak maken op variabele beloning betekent volgens het Hof niet dat de onderlinge rangorde wijzigt omdat nog steeds dezelfde groep werknemers aan-
Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
spraak kan maken op de regeling. Daarbij verwijst het Hof naar de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2002 (Holland Casino) waarin is geoordeeld dat de opsomming van de besluiten in artikel 27 limitatief is en dat slechts sprake is van een in dat artikel bedoelde regeling als die tot doel heeft een regeling te treffen op een van de in artikel 27 genoemde gebieden. Het komt aan op het doel van de regeling en er is geen instemmingsrecht als een regeling slechts gevolgen heeft voor een van de onderwerpen. In de zaak PPD heeft het besluit van de Amerikaanse aandeelhouder niet tot doel een wijziging aan te brengen in de rangorde van functies in verhouding tot de beloning. Zie Hof Den Haag 9 september 2025, ECLI:NL:GHADHA:2025:1894, PPD Netherlands. In deze zaak werd het besluit van de Amerikaanse aandeelhouder wel toegerekend aan de Nederlandse ondernemer.
Onder het kopje ‘(primaire) arbeidsvoorwaarden’ is reeds vermeld dat uitsluitend sprake is van een wijziging van het beloningssysteem indien de systematiek of methodiek wijzigt aan de hand waarvan de beloning wordt berekend. Een wijziging van de hoogte van de beloning is een primaire arbeidsvoorwaarde en daarom niet aan het instemmingsrecht van de ondernemingsraad onderworpen. Het besluit om individuele salarisaanpassingen structureel niet meer in januari maar in maart door te voeren houdt geen wijziging van het beloningssysteem in (Rechtbank OostBrabant 21 september 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4553, VDL). Het besluit daarentegen om geen salarisstap toe te kennen is wel instemmingsplichtig omdat het gevolgen heeft voor de onderlinge rangorde van de salarissen en bovendien een trendbreuk vormt met het verleden (Rechtbank Rotterdam 11 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3275, CLdN Ports).
Een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden of het ziekteverzuim (onder d)
Arbeidsomstandigheden (arbo) is een speerpunt van ondernemingsraden. Het is een stimulerende taak (artikel 28 WOR) en op grond van dit artikel op sommige deelgebieden instemmingsplichtig. In de Arbeidsomstandighedenwet zijn ook bevoegdheden van de ondernemingsraad opgenomen, waaronder met ingang van 1 juli 2017 het instemmingsrecht ten aanzien van het benoemen van de persoon van de preventiemedewerker en zijn positie in de onderneming.
Indien de Arbeidsinspectie een aanwijzing heeft gegeven of een eis heeft gesteld, vervalt het instemmingsrecht van de ondernemingsraad. Bestaan binnen die aanwijzing of eis echter keuzemogelijkheden, dan dient de door de ondernemer te maken keuze ter instemming te worden voorgelegd aan de ondernemingsraad. Artikel 36, vierde lid bepaalt dan ook dat een verzoek aan de kantonrechter niet ontvankelijk is indien met betrekking tot dezelfde aangelegenheid de Arbeidsinspectie een eis heeft gesteld. Daarom is bijvoorbeeld het besluit van een ondernemer werkne-
Art. 27 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
mers te verplichten een helm te dragen een instemmingsplichtig besluit, indien de Arbeidsinspectie geen eis terzake heeft gesteld.
Het eerste lid onder d bepaalt tevens dat aan de ondernemingsraad het instemmingsrecht toekomt indien de ondernemer een regeling treft met betrekking tot het ziekteverzuim en het re-integratiebeleid. Hieronder valt onder meer het sluiten van een nieuw contract met een arbodienst.
Sinds enkele jaren worden ook vaker besluiten genomen over de mogelijkheid tot thuiswerken. Een regeling omtrent thuiswerken valt onder een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, nu die anders zijn als iemand thuiswerkt in vergelijking tot het werken op kantoor. Een besluit tot het intrekken van het thuiswerkbeleid is daarmee ook instemmingsplichtig (Rechtbank Oost-Brabant 15 september 2025, ECLI:RBOBR:2025:5758, Caterpillar). Ook in de kwestie Asus heeft de ondernemingsraad instemmingsrecht op een wijziging van de thuiswerkregeling omdat dit een regeling op het gebied van arbeidsomstandigheden betreft. Het enkele feit dat de ondernemingsraad geen instemming heeft gegeven ten aanzien van het invoeren van de regeling brengt niet met zich mee dat afstand is gedaan van het instemmingsrecht (Rechtbank Amsterdam 3 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3782, Asus).
Een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslag- of bevorderingsbeleid (onder e)
Tot het aanstellingsbeleid behoren de bestaande sollicitatieprocedure, het beleid de voorkeur te geven aan interne sollicitanten, de uitvoering van de in vele cao's neergelegde verplichting vooral jongeren, vrouwen, allochtonen of tot achterstandsgroepen behorende werknemers in dienst te nemen, enzovoort. Ook hier moet het weer gaan om een algemene regeling.
Het ontslagbeleid omvat met name het beleid dat de ondernemer voert bij de keuze van de wijze waarop het ontslag plaatsvindt en de selectie van werknemers die dienen af te vloeien.
Het bevorderingsbeleid ten slotte kan zijn vastgelegd in richtlijnen voor interne promoties. De invoering van de Wnra per 1 januari 2020 heeft gevolgen voor het aanstellings- en ontslagbeleid bij publieke instanties. Instemming zal voortaan aan de ondernemingsraad moeten worden gevraagd bij wijzigingen van deze regelingen.
Een regeling op het gebied van de personeelsopleiding (onder f)
Dit onderdeel gaat niet alleen over opleidingen die de ondernemer intern geeft, doch ook over externe opleidingen. In de meeste ondernemingen wordt onderscheid gemaakt tussen opleidingen die voor de uitvoering van de functie noodzakelijk zijn, opleidingen die een bijdrage kunnen leveren aan de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend en opleidingen
bevoegdheden van de ondernemingsraad
die meer liggen in de privésfeer van de werknemer. Afhankelijk van de aard van de opleidingen worden de kosten daarvoor vergoed en wordt vrije tijd ter beschikking gesteld. Vaak maakt een studiekostenregeling onderdeel uit van een regeling op het gebied van de personeelsopleiding.
Een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling (onder g)
Indien de wijze waarop en door wie de werknemers systematisch worden beoordeeld in een regeling is vastgelegd, is sprake van een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling. Functioneringsgesprekken zijn geen onderdeel van de personeelsbeoordeling. In functioneringsgesprekken worden immers afspraken gemaakt over het functioneren van de werknemer. Het inzetten van een mystery guest bij een vervoersonderneming is – in hoger beroep – instemmingsplichtig geacht omdat de mystery guest aantekeningen maakt over het rijgedrag van de buschauffeur en dit in het personeelsdossier wordt opgenomen, waardoor sprake is van wijziging van de bestaande personeelsbeoordeling (Hof Den Bosch 17 november 2016, ECLI:GHSHE:2016:5163, Hermes).
Een regeling op het gebied van het bedrijfsmaatschappelijk werk (onder h) Het bedrijfsmaatschappelijk werk is met name voor de sociale verhoudingen van belang. De wijze waarop het bedrijfsmaatschappelijk werk zijn taak zal gaan en kunnen uitvoeren is daarom onderworpen aan het instemmingsrecht van de ondernemingsraad.
Een regeling op het gebied van het werkoverleg (onder i)
De onderwerpen die in het werkoverleg ter sprake kunnen worden gebracht, de wijze waarop de mening van het werkoverleg ter kennis wordt gebracht van de hogere leidinggevenden en dus de mate waarin het werkoverleg invloed kan uitoefenen op de gang van zaken, zijn onderworpen aan het instemmingsrecht van de ondernemingsraad.
Een regeling op het gebied van de behandeling van klachten (onder j)
Het klachtrecht is de laatste jaren in het nieuws geweest in verband met opgestelde klokkenluidersregelingen. Inmiddels is de wet gewijzigd en valt het opstellen van een klokkenluidersregeling ook onder het instemmingsrecht van de ondernemingsraad, zie hierna onder sub m.
Een regeling omtrent het verwerken van, alsmede de bescherming van de personeelsgegevens van de in de onderneming werkzame personen (onder k) Het privacyaspect doet zich voor bij registratie van en omgang met gegevens, zoals in verband met (medische) keuringen, ziekteverzuim enzovoort. De betrokkenheid van de ondernemingsraad bij het vaststellen van procedures hieromtrent is wenselijk ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer. Steeds vaker worden gegevens van werk-
Art. 27 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
nemers digitaal verwerkt, bijvoorbeeld door personeelsdossiers digitaal in te richten ten behoeve van de afdeling personeelszaken. Naast het instemmingsrecht van de ondernemingsraad dient de ondernemer zich te houden aan de privacywetgeving. Tot 25 mei 2018 was dit vastgelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Deze wet is vervangen door Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In een zaak die nog onder de Wbp viel heeft de kantonrechter geoordeeld dat daar waar de ondernemer op grond van de Wbp beleidsvrijheid toekomt en een besluit neemt over de wijze waarop daarvan in zijn onderneming gebruik zal worden gemaakt, aan de ondernemingsraad instemmingsrecht toekomt. Dit is ook het geval indien de persoonsgegevens niet tot de persoon van werknemers te herleiden zijn. Zie kantonrechter Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2017:7888, OR Apple Retail Netherlands. Verwacht kan worden dat deze uitspraak onder de AVG niet anders zal luiden.
Een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen (onder l)
Het betreft hier personeelsvolg- of informatiesystemen, zoals aanwezigheidsregistratie, gebruik van de telefoon, outputregistratie, camerabeelden en dergelijke. De inhoud van deze regelingen en de wijze waarop zij worden toegepast hebben voor werknemers belangrijke gevolgen. De meeste uitspraken die over dit artikel zijn gewezen hebben betrekking op het opstellen van internet- en emailprotocollen. Het inzetten van een mystery guest door een vervoersmaatschappij is niet instemmingsplichtig omdat de inzet van een persoon geen 'voorziening' is in de zin van sub l, wel betrof de inzet van deze mystery guest een wijziging van de beoordelingsregeling (zie de toelichting onder sub g).
Een procedure voor het omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand als bedoeld in de Wet bescherming klokkenluiders (onder m) Op 1 juli 2016 is de Wet Huis voor klokkenluiders in werking getreden, welke wet met ingang van februari 2023 is gewijzigd in de Wet bescherming klokkenluiders. Deze wet en de wijziging daarvan is een gevolg van Europese rechtspraak over de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van werknemers die misstanden aan de kaak durven te stellen, de zogeheten klokkenluiders. Op grond van deze wet dienen werkgevers waar ten minste 50 werknemers werkzaam zijn een protocol (procedure) op te stellen terzake het omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand in de onderneming, ook wel de klokkenluidersregeling genoemd. Uitgangspunt is dat het vermoeden van een misstand gebaseerd is op redelijke gronden en dat het maatschappelijk belang in het geding is bij de schending van een wettelijk voorschrift, of dat er sprake is van een gevaar voor de volksgezondheid, een gevaar voor de veiligheid, e.d.
bevoegdheden van de ondernemingsraad
In de procedure die de ondernemer dient op te stellen dient in ieder geval te worden opgenomen hoe de melding dient te worden gedaan, wanneer sprake is van een vermoeden van een misstand, bij wie de melding kan worden gedaan, dat de melding vertrouwelijk wordt behandeld en dat de klokkenluider een adviseur kan inschakelen. De klokkenluider en betrokkenen daarbij hebben rechtsbescherming in die zin dat zij niet benadeeld mogen worden door het melden van een misstand.
De ondernemingsraad heeft instemmingsrecht op elk voorgenomen besluit tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van een procedure zoals hiervoor omschreven. En sinds de wijziging van de wet heeft de personeelsvertegenwoordiging eveneens instemmingsrecht op de klokkenluidersregeling.
De wijze waarop instemming wordt gevraagd (tweede lid)
De ondernemer dient zijn voorgenomen besluit gemotiveerd en schriftelijk aan de ondernemingsraad ter instemming voor te leggen, onder vermelding van de te verwachten gevolgen voor de werknemers. Ten minste eenmaal dient over het voorgenomen besluit overleg te worden gevoerd in een overlegvergadering. De ondernemingsraad deelt zijn beslissing met redenen omkleed schriftelijk aan de ondernemer mee. De ondernemingsraad kan derhalve niet volstaan met de mededeling dat hij weigert instemming te geven. Ook het besluit van de ondernemer dient in principe schriftelijk aan de ondernemingsraad te worden meegedeeld. Zolang de ondernemingsraad geen instemming heeft gegeven kan de ondernemer zijn besluit niet nemen. Hier geldt niet 'wie zwijgt stemt toe'. De ondernemer kan, indien de ondernemingsraad geen instemming geeft, de kantonrechter vervangende goedkeuring vragen. Zie hieronder 'nietigheid en vervangende goedkeuring'.
Het instemmingsrecht en de cao of regeling van arbeidsvoorwaarden bij de overheid (derde lid)
Indien de betrokken aangelegenheid reeds inhoudelijk bij cao of regeling van arbeidsvoorwaarden bij de overheid is geregeld, hoeft de ondernemer geen instemming aan de ondernemingsraad te vragen. De wet spreekt over 'inhoudelijk geregeld', hetgeen betekent dat de cao of regeling van arbeidsvoorwaarden bij de overheid, geen keuzevrijheid overlaat. Mag de ondernemer op grond van de cao of regeling van arbeidsvoorwaarden kiezen uit een aantal mogelijkheden, dan dient hij over die keuzes instemming aan de ondernemingsraad te vragen. Zie de toelichting op het eerste lid onder b. Zoals bij de toelichting op het bepaalde in het eerste lid onder d is geschreven, hoeft de ondernemer ook geen instemming te vragen aan de ondernemingsraad indien de Arbeidsinspectie over het betreffende onderwerp een aanwijzing heeft gegeven of een eis heeft gesteld. Het is de
Art. 27 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad ondernemer niet toegestaan te trachten via de ondernemingsraad afspraken te maken over een onderwerp vermeld in de cao, ook niet indien het overleg met de vakbonden daarover stagneert (Kantonrechter Amsterdam 30 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7912, KLM).
Nietigheid en vervangende goedkeuring (vierde en vijfde lid) Het besluit genomen zonder de instemming van de ondernemingsraad is nietig. De ondernemingsraad dient echter binnen een maand nadat ofwel de ondernemer zijn besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad heeft meegedeeld, ofwel de ondernemingsraad is gebleken dat de ondernemer uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit, de nietigheid in te roepen. Gelijk aan het adviesrecht vangt de termijn aan op de dag waarop de ondernemingsraad het besluit meegedeeld heeft gekregen, waarbij bij het starten van de beroepstermijn bij het adviesrecht echter niet de eis van de schriftelijkheid geldt (zie artikel 26 lid 2). Eveneens anders dan bij het adviesrecht vangt de termijn bij het instemmingsrecht aan op het moment waarop de ondernemingsraad is gebleken dat de ondernemer uitvoering of toepassing geeft aan een kennelijk genomen besluit. De ondernemingsraad en niet de individuele ondernemingsraadleden moet zijn gebleken dat uitvoering wordt gegeven aan het besluit. Behalve in het geval alle werknemers, derhalve ook alle leden van de ondernemingsraad, door de ondernemer zijn geïnformeerd over het besluit – dan wordt ook de ondernemingsraad geacht kennis te hebben genomen van het besluit – is de ondernemingsraad als orgaan niet eerder op de hoogte van het besluit dan nadat dit in een ondernemingsraadsvergadering is besproken. De ondernemingsraad moet attent zijn en zodra hij heeft bemerkt dat er uitvoering aan het besluit wordt gegeven, de nietigheid inroepen. Door de kantonrechter is geoordeeld dat de ondernemingsraad te laat de nietigheid heeft ingeroepen nu hij nauw betrokken is geweest bij de besluitvorming en aanwezig is geweest bij vergaderingen en besprekingen en het de ondernemingsraad daardoor volstrekt duidelijk was wanneer het besluit was genomen. De kantonrechter ging in deze situatie derhalve voorbij aan het wettelijke schriftelijkheidsvereiste (Rechtbank Noord-Nederland 16 september 2015, JAR 2015/250, ECLI:NL:RBNNE:2015:4401, Caparis).
Ook de centrale ondernemingsraad was te laat met het inroepen van de nietigheid van het besluit tot intrekking van de reorganisatieregeling. Het was al enkele jaren bekend dat de ondernemer niet meer de kantonrechtersformule maar de wettelijke transitievergoeding toepaste bij vertrekregelingen (Rechtbank Noord-Holland, 18 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:11625, Honeywell).
De ondernemer kan zich tot de kantonrechter wenden met het verzoek hem vervangende goedkeuring te geven. Die goedkeuring komt in de
Art. 27
Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad plaats van de instemming van de ondernemingsraad. De door de kantonrechter te hanteren norm staat in artikel 27 lid 4 en is enerzijds de (on)redelijkheid van de ondernemingsraad zijn instemming te onthouden en anderzijds het zwaarwegende belang van de ondernemer vervangende goedkeuring te verkrijgen. Uit de wetsgeschiedenis die in recente rechtspraak wordt bevestigd volgt dat er twee stappen moeten worden gezet bij de beoordeling van de vraag of vervangende toestemming moet worden gegeven. De eerste stap is de redelijkheidstoets, die aankomt op een belangenafweging. Uit de Stena Line-beschikking (HR 4 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:159, JAR 2014/54) blijkt dat de rechter het toetsingskader strikt moet toepassen en alle argumenten van de ondernemer en de ondernemingsraad inhoudelijk tegen elkaar moet afwegen als onderdeel van de redelijkheidstoets. Daarbij dient de rechter terughoudendheid te betrachten bij zijn beoordeling van de (on)redelijkheid van de wijze waarop de ondernemingsraad van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt (Zie ook Kantonrechter Midden-Nederland 21 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3538, QBuzz). Zie ook Rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5162, Witte Kruis, waarin de kantonrechter oordeelde dat bij de redelijkheidstoets niet past dat de kantonrechter het besluit in volle omvang toetst en oordeelt of hij het besluit redelijk vindt. Het gaat om een afweging van de argumenten die beide partijen, de ondernemer en de ondernemingsraad, naar voren hebben gebracht. De tweede stap is de toets met betrekking tot de zwaarwegende bedrijfsredenen. Daar komt de rechter pas aan toe als de belangen van beide partijen even zwaar wegen. Uitgangspunt is derhalve, dat als de argumenten van de ondernemer enerzijds en de ondernemingsraad anderzijds, even zwaar wegen de kantonrechter geen instemming geeft, tenzij de ondernemer vervolgens aantoont dat er sprake is van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen, die de vervangende toestemming noodzakelijk maken. Deze laatste toets wordt dus niet door de kantonrechter gedaan als bij de belangenafweging al blijkt dat de argumenten van de ondernemingsraad zwaarder wegen dan die van de ondernemer.
Een beroep op vervangende toestemming kan prematuur worden geacht, als het besluit voorafgaande aan dat verzoek nog niet ter instemming aan de ondernemingsraad is voorgelegd, bijvoorbeeld omdat de ondernemer van mening is dat het besluit niet instemmingsplichtig is (Kantonrechter Rechtbank Midden-Nederland zp Utrecht, 6 maart 2015, JAR 2015/82).
Procedures na een beroep op de nietigheid (zesde lid)
De ondernemingsraad die een beroep op nietigheid heeft gedaan kan de kantonrechter verzoeken de ondernemer te verplichten zich te onthouden van handelingen ter uitvoering van het nietige besluit. De kantonrechter
Art. 28 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
dient in deze procedure uitsluitend na te gaan of het gaat om een besluit als bedoeld in het eerste lid van artikel 27 en de ondernemingsraad tijdig de nietigheid heeft ingeroepen. Worden beide vragen bevestigend beantwoord, dan dient hij het verzoek van de ondernemingsraad toe te wijzen, ook al zou het besluit van de ondernemer volstrekt redelijk zijn. De inhoudelijke beoordeling van het besluit komt uitsluitend aan de orde in de procedure waarin de ondernemer vervangende goedkeuring vraagt.
De ondernemer die van oordeel is dat zijn besluit niet een onderwerp betreft zoals genoemd in het eerste lid van artikel 27 WOR kan de kantonrechter verzoeken vast te stellen dat de ondernemingsraad ten onrechte een beroep op de nietigheid heeft gedaan. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof. Deze procedure komt in de praktijk niet vaak voor.
De uitvoeringsovereenkomst of een uitvoeringsreglement (zevende lid)
Het huidige lid 7 geeft een nadere uitwerking van sub a betreffende de pensioenovereenkomst. Onder die regelingen worden ook verstaan regelingen die zijn opgenomen in een uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsreglement. Expliciet is opgenomen dat voorbeelden hiervan onder meer zijn regelingen over de wijze waarop de premie wordt vastgesteld, voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt en de keuze voor het onderbrengen van pensioenovereenkomsten bij een pensioenuitvoerder gevestigd in het buitenland. Uit de woorden 'in ieder geval' valt op te maken dat dit geen limitatieve opsomming betreft en dat derhalve nog meer besluiten terzake de pensioenovereenkomst onder het instemmingsrecht kunnen vallen.
De ondernemingsraad heeft geen instemmingsrecht over pensioenregelingen die door verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen worden uitgevoerd. Dit vloeit voort uit artikel 27 lid 3.
Artikel 28
1. De ondernemingsraad bevordert zoveel als in zijn vermogen ligt de naleving van de voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van de arbeidsvoorwaarden, alsmede van de voorschriften op het gebied van de arbeidsomstandigheden en arbeids- en rusttijden van de in de onderneming werkzame personen.
2. De ondernemingsraad bevordert voorts naar vermogen het werkoverleg, alsmede het overdragen van bevoegdheden in de onderneming, zodat de in de onderneming werkzame personen zoveel mogelijk worden betrokken bij de regeling van de arbeid in het onderdeel van de onderneming waarin zij werkzaam zijn.
3. De ondernemingsraad waakt in het algemeen tegen discriminatie in de onderneming en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van
bevoegdheden van de ondernemingsraad
mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en minderheden in de onderneming.
4. De ondernemingsraad bevordert naar vermogen de zorg van de onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het treffen of wijzigen van beleidsmatige, organisatorische en administratieve voorzieningen in verband met het milieu.
Toelichting
Aan de ondernemingsraad wordt een stimulerende taak toegekend met betrekking tot de naleving van de in de onderneming geldende voorschriften op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden (lid 1), de bevordering van het werkoverleg en het overdragen van bevoegdheden zodat betrokkenheid ontstaat bij de regeling van de arbeid (lid 2), het tegengaan van discriminatie en het bevorderen van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, en de inschakeling van gehandicapte werknemers en allochtonen in de onderneming (lid 3), alsmede betreffende de zorg voor het milieu in de onderneming (lid 4). De ondernemingsraad heeft echter geen rechtsmiddelen om tegen de ondernemer op te treden indien deze desalniettemin anders handelt. Behalve wanneer de in het eerste lid genoemde voorschriften zijn neergelegd in een regeling die op grond van artikel 25 of 27 tot het advies- of instemmingsrecht van de ondernemingsraad behoren, zoals voorschriften op het gebied van de zorg voor het milieu (adviesplichtig) of van de arbeidsomstandigheden (instemmingsplichtig). De ondernemingsraad kan dan immers de rechter verzoeken de ondernemer te verplichten advies te vragen of tegen het besluit beroep instellen bij de Ondernemingskamer (adviesplichtig onderwerp) of de nietigheid inroepen van het kennelijk genomen besluit af te wijken van de bestaande regeling en de kantonrechter verzoeken de ondernemer zulks te verbieden. Dat laatste geldt evenzeer indien de ondernemer een bestaande regeling op het gebied van het werkoverleg niet nakomt, of in strijd met een vastgelegd aanstellingsbeleid gehandicapte werknemers en allochtonen niet inschakelt in de onderneming. Betreft het echter een onderwerp dat niet valt onder artikel 27 of 25, dan kan de ondernemingsraad zijn stimulerende taak in beginsel enkel uitoefenen door gebruik te maken van zijn initiatiefrecht (artikel 23). Neemt de ondernemer het initiatief niet over, dan kan de ondernemingsraad daartegen in rechte niet optreden. In de zaak OR/Uniport (Rechtbank Rotterdam 26 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1674) heeft de voorzieningenrechter in Rotterdam echter wel procesbevoegdheid van de ondernemingsraad aangenomen. De ondernemingsraad vorderde vrijstelling van werk voor medewerkers nu de werkgever stopt met activiteiten. De rechter wijst de vordering toe met verwijzing naar goed werkgeverschap. Dit lijkt een
Art. 29 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad unieke uitspraak te zijn waarvan het de vraag is of die in stand zou blijven in hoger beroep.
Artikel 29
De ondernemingsraad heeft het recht, al dan niet uit zijn midden, een door de ondernemer te bepalen aantal, maar ten minste de helft, te benoemen van de bestuursleden van door de ondernemer ten behoeve van in de onderneming werkzame personen opgerichte instellingen, behoudens voor zover bij of krachtens de wet op andere wijze in het bestuur van een instelling is voorzien.
Toelichting
In alle gevallen waarin de ondernemer ten behoeve van de in de onderneming werkzame personen een instelling opricht, geldt het bepaalde in artikel 29. Derhalve ook voor een stichting waarin als gevolg van een reorganisatie boventallig geworden werknemers worden gedetacheerd en die het overeengekomen sociaal plan uitvoert. De ondernemer beslist in zo'n geval over het aantal bestuursleden, met dien verstande dat hij de ondernemingsraad in de gelegenheid moet stellen ten minste de helft daarvan aan te wijzen. Uit het bepaalde in de wet dat de door de ondernemingsraad aangewezen bestuursleden 'al dan niet uit zijn midden' kunnen worden benoemd, volgt dat ook personeelsleden die geen lid zijn van de ondernemingsraad kunnen worden aangewezen om in het bestuur van een dergelijke instelling zitting te nemen.
De zinsnede “behoudens voor zover bij of krachtens de wet op andere wijze in het bestuur van een instelling is voorzien” heeft bijvoorbeeld betrekking op een ondernemingspensioenfonds. De Pensioenwet kent bepalingen over de verschillende bestuursmodellen voor pensioenfondsen, waar de ondernemingsraad een rol in heeft.
Artikel 30
1. De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurder van de onderneming.
2. Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
3. De ondernemer stelt de ondernemingsraad in kennis van de beweegredenen voor het besluit en verstrekt voorts in het geval van een benoeming gegevens waaruit de ondernemingsraad zich een oordeel kan vormen over de betrokkene, in verband met diens toekomstige functie in de onderneming. Artikel 25, vierde lid en vijfde lid, eerste en tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
bevoegdheden van de ondernemingsraad
Toelichting
Op grond van dit artikel heeft de ondernemingsraad het recht advies uit te brengen over de benoeming of het ontslag van een bestuurder. Uit de definitie van het begrip 'bestuurder' in artikel 1, eerste lid onder e, volgt dat het adviesrecht van artikel 30 uitsluitend betrekking heeft op degene (n) die de hoogste zeggenschap in de onderneming uitoefen(t)(en). In de praktijk is dat de directie of de raad van bestuur of bijvoorbeeld de gemeentesecretaris bij een gemeente. Is in een vestiging een ondernemingsraad ingesteld, dan is bijvoorbeeld de locatiemanager of vestigingsmanager bestuurder in de zin van de wet. Het adviesrecht van artikel 30 geldt niet voor adjunct-directeuren, bedrijfsleiders, afdelingshoofden, enzovoort voor zover zij niet de hoogste zeggenschap in de onderneming uitoefenen. Alleen de ondernemingsraad is in dit kader bevoegd. Aan bijvoorbeeld de onderdeelcommissie komt geen adviesrecht toe over de benoeming of het ontslag van de 'bestuurder' van de onderdeelcommissie. Het begrip 'bestuurder' in artikel 30 is ruimer dan het begrip 'bestuurder' in artikel 23, vijfde lid. Bestuurder in de zin van artikel 30 zijn alle leden van de directie, terwijl een van hen wordt aangewezen als bestuurder in de zin van artikel 23, vijfde lid.
Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit, en de ondernemer dient de ondernemingsraad te informeren over de beweegredenen voor zijn besluit tot benoeming of ontslag. Betreft het een benoeming, dan moet de ondernemer ook de nodige gegevens verstrekken op grond waarvan de ondernemingsraad zich een oordeel kan vormen over de aanvaardbaarheid van de betrokkene voor diens toekomstige functie. Over het besluit dient ten minste eenmaal overleg te worden gevoerd in een overlegvergadering.
Indien het advies van de ondernemingsraad niet door de ondernemer wordt gevolgd, kan geen beroep worden ingesteld bij de Ondernemingskamer. Artikel 26 is niet van toepassing. Indien echter verzuimd is advies te vragen, dan kan de ondernemingsraad wel naleving van de wet vragen aan de kantonrechter op grond van de algemene geschillenregeling zoals vermeld in artikel 36. Ook hangt het benoemen of ontslaan van bestuurders vaak samen met een belangrijke wijziging in de verdeling van de bevoegdheden van de bestuurders. In dat geval behoort ook op grond van artikel 25 lid 1 sub e advies te worden gevraagd. Vanzelfsprekend is artikel 26 dan wel van toepassing en kan wel beroep worden ingesteld bij de Ondernemingskamer.
In de praktijk wordt aan de ondernemingsraad zelden advies gevraagd over het ontslag van de bestuurder, omdat de arbeidsovereenkomst vaak
Art. 30 IVA Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad
met wederzijds goedvinden wordt beëindigd. Van een ontslag in de zin van de wet is dan in principe geen sprake. In de zaak Eneco (OK 18 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2488) heeft de Ondernemingskamer echter beslist dat – in die zaak – het maken van afspraken over een vertrekregeling een zo grote gelijkenis met een voorgenomen besluit tot ontslag vertoont, dat het daarmee op één lijn moet worden gesteld. Er was sprake van een situatie waarbij de bestuurder niet langer het vertrouwen had van de raad van commissarissen en dat daarom het vertrek van de bestuurder onontkoombaar was. Dat voortaan altijd advies moet worden gevraagd bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst is niet aannemelijk. In de zaak Afvalzorg heeft de ondernemingsraad getracht twee commissarissen te laten ontslaan wegens een onzorgvuldig medezeggenschapstraject nadat de bestuurder was ontslagen ondanks een negatief advies van de ondernemingsraad. Slechts in uitzonderlijke situaties kunnen commissarissen worden ontslagen en bovendien bleek het traject met de ondernemingsraad wel goed te zijn doorlopen (OK 4 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2235, Afvalzorg).
Ook het adviesrecht bij de benoeming van een bestuurder heeft in de praktijk weinig betekenis. Dit geldt met name ingeval van een benoeming van een bestuurder van een vennootschap die tot een concern behoort. Het is in dat geval de concerndirectie die de betreffende bestuurder benoemt. Het betreft echter ook dan nog steeds een adviesplichtig besluit. Bij het vragen van advies zal de ondernemingsraad in de regel naast het verkrijgen van het curriculum vitae van de beoogde bestuurder ook een gesprek met hem of haar willen voeren.
IVB Het verstrekken van gegevens aan de onder-
Artikel 31
1. De ondernemer is verplicht desgevraagd aan de ondernemingsraad en aan de commissies van die raad tijdig alle inlichtingen en gegevens te verstrekken die deze voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze nodig hebben. De inlichtingen en gegevens worden desgevraagd schriftelijk verstrekt.
2. De ondernemer is verplicht aan de ondernemingsraad bij het begin van iedere zittingsperiode schriftelijk gegevens te verstrekken omtrent:
a. de rechtsvorm van de ondernemer, waarbij indien de ondernemer een niet-publiekrechtelijke rechtspersoon is, mede de statuten van die rechtspersoon moeten worden verstrekt;
b. indien de ondernemer een natuurlijke persoon, een maatschap of een niet rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap is: de naam en de woonplaats van onderscheidenlijk die persoon, de maten of de beherende vennoten;
c. indien de ondernemer een rechtspersoon is: de naam en de woonplaats van de commissarissen of de bestuursleden;
d. indien de ondernemer deel uitmaakt van een aantal in een groep verbonden ondernemers: de ondernemers die deel uitmaken van die groep, de zeggenschapsverhoudingen waardoor zij onderling zijn verbonden, alsmede de naam en de woonplaats van degenen die ten gevolge van de bedoelde verhoudingen feitelijke zeggenschap over de ondernemer kunnen uitoefenen;
e. de ondernemers of de instellingen met wie de ondernemer, anders dan uit hoofde van zeggenschapsverhoudingen als bedoeld onder d, duurzame betrekkingen onderhoudt die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het voortbestaan van de onderneming, alsmede de naam en de woonplaats van degenen die ten gevolge van zodanige betrekkingen feitelijke zeggenschap over de ondernemer kunnen uitoefenen;
f. de organisatie van de onderneming, de naam en de woonplaats van de bestuurders en van de belangrijkste overige leidinggevende personen, alsmede de wijze waarop de bevoegdheden tussen de bedoelde personen zijn verdeeld.
3. Het tweede lid, onderdeel d, strekt zich ook uit tot de ondernemer die deel uitmaakt van een internationale groep van ondernemingen. Het
Art. 31 IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad tweede lid, onderdeel e, strekt zich ook uit tot de ondernemer die anders dan uit hoofde van zeggenschapsverhoudingen als bedoeld in de vorige zin, duurzame betrekkingen met buitenlandse ondernemers of instellingen onderhoudt.
4. De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van wijzigingen die zich in de in het tweede lid bedoelde gegevens hebben voorgedaan.
Toelichting
Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de ondernemer op verzoek van de ondernemingsraad of van een van zijn commissies tijdig alle inlichtingen en gegevens dient te verstrekken die de ondernemingsraad of de commissie voor de vervulling van zijn of haar taak redelijkerwijs nodig heeft. Het tweede lid van artikel 31 somt de gegevens op die de ondernemer ongevraagd bij het begin van iedere zittingsperiode van de ondernemingsraad dient te verstrekken.
De door de ondernemingsraad gevraagde informatie (eerste lid)
De ondernemer dient de informatie tijdig te verstrekken, dat wil zeggen op een zodanig tijdstip dat de ondernemingsraad van die informatie gebruik kan maken bij het vervullen van zijn taak. Derhalve zo spoedig mogelijk. De ondernemingsraad of een van zijn commissies moet die informatie redelijkerwijs nodig hebben voor de vervulling van zijn taak. De basis voor het recht op informatie is het initiatiefrecht van artikel 23, het adviesrecht van de artikelen 25 en 30 en het instemmingsrecht van artikel 27. De ondernemingsraad kan immers naar aanleiding van een adviesaanvraag of een instemmingaanvraag aanvullende informatie vragen op grond van artikel 31, eerste lid (zie beschikking van de minister van Sociale Zaken van 22 oktober 1980, Rechtspraak Medezeggenschap 1971-1981, nr. 68). Indien de ondernemingsraad om informatie verzoekt, dient hij aan te geven waarvoor hij die informatie nodig heeft. Onvoldoende is enkel te stellen dat die informatie nodig is voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad. Indien de ondernemingsraad daar om vraagt dient door de ondernemer inzicht te worden verstrekt in verschillende scenario's. De informatie die aan de ondernemingsraad wordt verstrekt dient voldoende concreet te zijn (OK 12 juli 2012, JAR 2012, 239, Veilig Verkeer Nederland). De ondernemingsraad heeft geen recht op interne stukken, gewisseld tussen de directie en de raad van commissarissen, of stafafdelingen en de directie (beschikking van de Raad van State van 18 februari 1982, Rechtspraak medezeggenschap 1981-1982, nr. 74). Uitgangspunt volgend uit de rechtspraak is echter dat de ondernemingsraad in beginsel bepaalt welke informatie hij nodig heeft en dat de ondernemer derhalve in principe alle informatie moet verstrekken die verzocht wordt. Zoals
Art. 31a IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
toegelicht bij artikel 23 lid 3 geldt volgens de kantonrechter een zwaardere motiveringsplicht indien informatie op grond van het initiatiefrecht wordt verzocht De ondernemingsraad moet dan concreet aangeven over welke aangelegenheden hij informatie wil hebben en motiveren waarom hij die redelijkerwijs nodig heeft. Hoe gedetailleerder de gevraagde informatie is, hoe meer onderbouwing verwacht mag worden (Rechtbank Gelderland 3 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4112, Stichting Pluryn).
De informatie dient aan de ondernemingsraad desgevraagd schriftelijk te worden verstrekt. Voor de personeelsvertegenwoordiging geldt op grond van artikel 35c zesde lid dat de ondernemer die informatie ook mondeling mag verstrekken.
Verplicht te verstrekken informatie (tweede, derde en vierde lid)
In het tweede lid van artikel 31 wordt een aantal gegevens genoemd die de ondernemer ongevraagd aan de ondernemingsraad dient te verstrekken. Van belang hierbij is met name het bepaalde onder f. Aan de ondernemingsraad dient het organogram te worden verstrekt, omdat uitsluitend hieruit de organisatie van de onderneming blijkt. Teneinde een wijziging van een reorganisatie te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk dat de ondernemingsraad ook over het oorspronkelijke organogram beschikt. In het in 2013 ingevoerde derde lid wordt bepaald dat de ondernemer ook gegevens dient te verstrekken over de zeggenschapsverhoudingen binnen de internationale groep waarvan de onderneming deel uit maakt dan wel over de buitenlandse ondernemingen of instellingen waarmee hij duurzame betrekkingen heeft en die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het bestaan van de onderneming. Het derde lid heeft derhalve als doel de ondernemingsraad volledig te informeren over de zeggenschapsverhoudingen in internationale concernverhoudingen zodat de ondernemingsraad waar mogelijk invloed kan uitoefenen op besluitvorming binnen internationale concerns voor zover het de onderneming(en) in Nederland raakt.
Tot slot wordt in lid 4 bepaald dat de ondernemer wijzigingen in de verplicht te verstrekken informatie zo spoedig mogelijk aan de ondernemingsraad dient te verstrekken (vierde lid).
Artikel 31a
1. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste tweemaal per jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk algemene gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming in het verstreken tijdvak, in het bijzonder met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 25.
2. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een stichting of vereniging als bedoeld in artikel 360, derde lid, van boek 2 van het Burger-
Art. 31a IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
lijk Wetboek, een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij, een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, verstrekt de ondernemer zo spoedig mogelijk na de vaststelling van zijn jaarrekening een exemplaar van de jaarrekening en het bestuursverslag in de Nederlandse taal en de daarbij te voegen overige gegevens, als bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, ter bespreking aan de ondernemingsraad. De mededeling die een rechtspersoon ingevolge artikel 362, zesde lid, laatste volzin van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, moet verstrekken geschiedt gelijktijdig met die aan de algemene vergadering.
3. Indien de financiële gegevens van een ondernemer die deel uitmaakt van in een groep verbonden ondernemers zijn opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel 405 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, verstrekt de ondernemer ter bespreking aan de ondernemingsraad deze geconsolideerde jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van dat boek, van de rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening heeft opgesteld. Indien de financiële gegevens van zulk een ondernemer niet in een geconsolideerde jaarrekening zijn opgenomen, verstrekt de ondernemer in plaats hiervan ter bespreking aan de ondernemingsraad schriftelijke gegevens waaruit de ondernemingsraad zich een inzicht kan vormen in het gezamenlijke resultaat van de ondernemingen van die groep ondernemers.
4. Indien de jaarrekening van de ondernemer betrekking heeft op meer dan één onderneming, verstrekt de ondernemer aan de ondernemingsraad tevens schriftelijke gegevens waaruit deze zich een inzicht kan vormen in de mate waarin de onderneming waarvoor hij is ingesteld tot het gezamenlijke resultaat van die ondernemingen heeft bijgedragen. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing, indien een geconsolideerde jaarrekening, als bedoeld in het derde lid, wordt verstrekt.
5. Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een ondernemer op wie het tweede lid van dit artikel niet van toepassing is, verstrekt de ondernemer bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vervangende schriftelijke gegevens ter bespreking aan de ondernemingsraad. Het derde en vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De ondernemer doet, mede ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste tweemaal per jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk mededeling omtrent zijn verwachtingen ten aanzien van de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming in het komende tijdvak, in het bijzonder met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in artikel 25, alsmede met betrekking tot alle investeringen in binnenland en buitenland.
7. Indien de ondernemer met betrekking tot de onderneming een meerjarenplan, dan wel een raming of een begroting van inkomsten of uitgaven
Art. 31a IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
pleegt op te stellen, wordt dat plan, onderscheidenlijk die raming of die begroting, dan wel een samenvatting daarvan, met een toelichting aan de ondernemingsraad verstrekt en in de bespreking betrokken. Het derde en vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. 8. Als een accountantsverklaring een negatieve verklaring omvat als bedoeld in artikel 393 lid 5, onderdeel h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt deze accountantsverklaring onverwijld door de accountant aan de ondernemingsraad gezonden.
Toelichting
Algemeen
Dit artikel gaat over de financieel-economische informatie. Ten minste tweemaal per jaar dient de ondernemer gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming aan de ondernemingsraad te verstrekken. Zie ook artikel 24, eerste lid. Die informatie kan zowel mondeling als schriftelijk worden gegeven.
Jaarrekening (tweede lid)
Titel 9 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bevat voorschriften voor de jaarrekening van een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij, een naamloze of een besloten vennootschap en een commerciële stichting of vereniging. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling daarvan dient de ondernemer een exemplaar van de jaarrekening, het bestuursverslag en de daarbij te voegen overige gegevens in de Nederlandse taal aan de ondernemingsraad te verstrekken. De jaarrekening dient te zijn opgesteld volgens de voorschriften van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De inhoud van de jaarrekening is afhankelijk van de grootte van de rechtspersoon. De wet onderscheidt tegenwoordig vier bedrijfsklassen, te weten micro, kleine, middelgrote en grote rechtspersonen. In welke bedrijfsklasse een onderneming wordt ingedeeld hangt af van de criteria waar aan wordt voldaan. De criteria zijn de activa, de netto-omzet en het gemiddeld aantal werknemers. Een onderneming valt in een bepaalde bedrijfsklasse als de jaarrekening twee jaar achter elkaar aan minimaal twee van de criteria van een bepaalde bedrijfsklasse voldoet. Wat betreft het gemiddeld aantal werknemers is een onderneming micro indien het minder dan 10 werknemers heeft, klein indien het minder dan 50 werknemers heeft, middelgroot bij minder dan 250 werknemers en groot bij 250 werknemers of meer. Hoe kleiner de bedrijfsklasse waar de onderneming wordt ingedeeld, hoe minder eisen aan de jaarrekening worden gesteld.
De wet maakt onderscheid tussen inrichtings- en publicatievoorschriften. De jaarrekening die wordt verstrekt aan de ondernemingsraad en de aandeelhouders dient te zijn opgesteld volgens de inrichtingsvoorschriften.
Art. 31a IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
De gepubliceerde jaarrekening moet voldoen aan de publicatievoorschriften.
Groepsmaatschappijen (derde en vierde lid)
Indien de ondernemer deel uitmaakt van in een groep verbonden ondernemers geldt voor hem dat hij geen afzonderlijke jaarrekening hoeft op te stellen. De resultaten van de onderneming maken deel uit van de groepsjaarrekening of geconsolideerde jaarrekening. Aan de ondernemingsraad van een onderneming behorend tot in een groep verbonden ondernemers dient de groepsjaarrekening met het groepsbestuursverslag en de daarbij te voegen overige gegevens te worden verstrekt. De ondernemer is bovendien verplicht aan de ondernemingsraad zodanige financiële gegevens te verstrekken dat deze de resultaten van de eigen onderneming kan beoordelen.
Financiële gegevens van ondernemers op wie niet de wettelijke regels omtrent de jaarrekening van toepassing zijn (vijfde lid)
Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een natuurlijke persoon, maatschap, vennootschap onder firma, (niet-commerciële) stichting of vereniging geldt het bepaalde in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet. Er bestaan daarom geen wettelijke voorschriften voor de wijze waarop de jaarrekening van deze ondernemers dient te worden opgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur is een uitvoeringsbesluit vastgesteld, onder de naam Besluit verstrekking financiële informatie aan ondernemingsraden 1985, dat van tijd tot tijd wordt aangepast. Dit uitvoeringsbesluit bevat voorschriften over de gegevens die aan de ondernemingsraad dienen te worden verstrekt.
Bespreking van de toekomst (zesde lid)
Tweemaal per jaar dient de ondernemer de ondernemingsraad te informeren over zijn verwachtingen ten aanzien van de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming, in het bijzonder met betrekking tot voorgenomen besluiten als genoemd in artikel 25 WOR en investeringen in het binnen- en buitenland. In het eerste lid van artikel 24 WOR is bepaald dat tussen ondernemer en ondernemingsraad afspraken moeten worden gemaakt wanneer en op welke wijze de ondernemingsraad wordt betrokken in de besluitvorming van aangelegenheden van de artikelen 25 en 27. Blijft de ondernemer weigerachtig, dan kan de ondernemingsraad op grond van artikel 36 WOR nakoming vorderen van de in het zesde lid van artikel 31a en artikel 24 WOR neergelegde verplichting.
Meerjarenplan (zevende lid)
Indien de ondernemer een meerjarenplan dan wel een raming of een begroting van inkomsten of uitgaven opstelt, dient hij dat aan de onderne-
Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
Art. 31b
mingsraad te verstrekken en met de ondernemingsraad te bespreken. Blijkens de rechtspraak kan de ondernemer ook volstaan met een samenvatting van het meerjarenplan of de begroting. Opgemerkt wordt dat de ondernemer niet verplicht is een meerjarenplan of begroting op te stellen. Doet hij dat echter wel, dan dient hij deze aan de ondernemingsraad te verstrekken en kan de ondernemingsraad bij de kantonrechter nakoming van die verplichting verzoeken op grond van artikel 36 WOR.
Negatieve accountantsverklaring (achtste lid)
Dit artikellid is ingevoerd per 1 januari 2023 en verplicht de accountant – en dus niet de ondernemer – om de accountantsverklaring aan de ondernemingsraad te sturen wanneer deze een negatieve verklaring bevat over de toekomstverwachtingen van de onderneming. Dit artikel geeft een extra waarborg aan de ondernemingsraad en daarmee aan de werknemers, om zo tijdig mogelijk inzicht te krijgen in de financiële positie van de onderneming. De achterliggende gedachte is dat de ondernemer vervolgens eerder met de ondernemingsraad zal overleggen over een moeilijke financiële situatie zodat zoveel mogelijk kan worden getracht faillissement te voorkomen.
Artikel 31b
1. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste eenmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk algemene gegevens inzake de aantallen en de verschillende groepen van de in de onderneming werkzame personen, alsmede inzake het door hem in het afgelopen jaar ten aanzien van die personen gevoerde sociale beleid, in het bijzonder met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 27, 28 en 29. Deze gegevens worden kwantitatief zodanig gespecificeerd dat daaruit blijkt welke uitwerking de verschillende onderdelen van het sociale beleid hebben gehad voor afzonderlijke bedrijfsonderdelen en functiegroepen.
2. De ondernemer doet daarbij tevens mondeling of schriftelijk mededeling van zijn verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van de personeelsbezetting in het komende jaar, alsmede van het door hem in dat jaar te voeren sociale beleid, in het bijzonder met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 27, 28 en 29.
3. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, tevens ten minste eenmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk algemene gegevens inzake de op grond van een uitzendovereenkomst in de onderneming werkzame personen en doet daarbij tevens mondeling of schriftelijk mededeling ten aanzien van de te verwachten ontwikkelingen wat betreft het aantal op basis van een uitzendovereenkomst werkzame personen in het komende jaar.
Art. 31c IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
Toelichting
Het gaat hier, zoals uit de verwijzing naar de artikelen 27, 28 en 29 blijkt, om het verstrekken van informatie over sociale aangelegenheden, dus om een sociaal jaarverslag. Het is in veel ondernemingen gebruikelijk naast het financieel jaarverslag ook een sociaal jaarverslag uit te brengen. Artikel 31b verplicht de ondernemer tot een schriftelijk sociaal jaarverslag in beperkte vorm. Het sociaal jaarverslag dient mede ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming in een overlegvergadering. Ten aanzien van de inrichting van het sociaal jaarverslag worden enkele eisen gesteld. De uitwerking van het gevoerde sociaal beleid moet worden gespecificeerd voor afzonderlijke bedrijfsonderdelen (bijvoorbeeld fabriek, kantoor, verkoopafdeling enzovoort) en functiegroepen (bijvoorbeeld uitvoerende werknemers, ondersteunende werknemers, enzovoort). De ondernemer dient de betreffende gegevens schriftelijk aan de ondernemingsraad te verstrekken. Aan de personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in artikel 35c, mogen deze gegevens ook mondeling worden verstrekt.
Sociaal beleid in de toekomst (tweede lid)
De ondernemer dient een prognose te verstrekken voor het komende jaar, dat wil zeggen dat hij dient aan te geven wat ten aanzien van de personeelsbezetting en het sociaal beleid mag worden verwacht. Deze informatie kan zowel aan de ondernemingsraad als personeelsvertegenwoordiging mondeling worden verstrekt. Dat dient dan plaats te vinden in een overlegvergadering, waarvan verslag wordt gemaakt, zodat de ondernemingsraad middels dat verslag over schriftelijke gegevens kan beschikken. In dit verband wordt verwezen naar het eerste lid van artikel 24.
Uitzendkrachten (derde lid)
Lid 3 is toegevoegd in april 2012 ten gevolge van wijzigingen die zijn doorgevoerd in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI). Deze wijzigingen zijn het gevolg van een Europese Richtlijn betreffende uitzendarbeid die met name tot doel heeft te bewerkstellingen dat elke werknemer over gezonde, veilige en waardige arbeidsomstandigheden beschikt. Door implementatie van de richtlijn kan bescherming van uitzendkrachten beter worden gegarandeerd en kan de kwaliteit van het uitzendwerk verbeteren.
Artikel 31c
De ondernemer doet aan de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk mededeling van zijn voornemen tot het verstrekken van een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming, met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 27.
Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
Toelichting
Art. 31d
De ondernemer hoeft aan de ondernemingsraad geen advies of instemming te vragen over het verstrekken van een adviesopdracht aan een deskundige indien die opdracht een aangelegenheid betreft genoemd in artikel 27. De wetgever acht dit niet noodzakelijk, omdat aan de ondernemingsraad immers over het te nemen besluit instemming moet worden gevraagd. Wel dient de ondernemer zijn voornemen zo spoedig mogelijk aan de ondernemingsraad mee te delen. De wet is hier dus wezenlijk anders dan bij hij het inschakelen van een deskundige met betrekking tot een adviesplichtig onderwerp. Daar dient de ondernemingsraad wel advies over te worden gevraagd zoals volgt uit het eerste lid onder n van artikel 25.
Artikel 31d
1. De ondernemer verstrekt, mede ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste eenmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijk informatie over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen.
2. De ondernemer verstrekt daarbij tevens schriftelijke informatie over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met het bestuur dat de rechtspersoon vertegenwoordigt en het totaal van de vergoedingen, dat wordt verstrekt aan het toezichthoudend orgaan, bedoeld in artikel 24, tweede lid.
3. Ten aanzien van het eerste en tweede lid wordt inzichtelijk gemaakt met welk percentage deze arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het voorgaande jaar.
4. Indien een groep, als bedoeld in het eerste lid, het bestuur of het toezichthoudend orgaan, bedoeld in het tweede lid, uit minder dan vijf personen bestaat, is het mogelijk om voor de toepassing van deze leden twee of meer functies samen te voegen, zodat een groep van ten minste vijf personen ontstaat.
5. De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van belangrijke wijzigingen die in deze regelingen en afspraken worden aangebracht.
6. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn.
Toelichting
Algemeen
De artikelen 31d en 31e (de zogeheten Wet Harrewijn, genoemd naar de initiatiefnemers van de wet de toenmalige Kamerleden Harrewijn en Rosenmöller) zijn alweer lang geleden, op 1 september 2006 in werking ge-
Art. 31d IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad treden. De strekking van deze artikelen is de ondernemingsraad het recht te geven op informatie over de beloningsverhoudingen binnen de onderneming. De wet kwam voort uit ongenoegen in de maatschappij over de almaar stijgende beloningen in de top van ondernemingen. Omdat in de praktijk is gebleken dat het een lastig onderwerp blijft om ter sprake te brengen door de ondernemingsraad en veel bestuurders de informatie niet uit zichzelf verstrekken, is artikel 23 lid 2 ten aanzien van de onderwerpen die tijdens de overlegvergadering besproken kunnen worden, uitgebreid. Thans rust er een verplichting op de ondernemer om eenmaal per jaar de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen binnen de onderneming, zoals vermeld in artikel 31d, op de agenda te plaatsen en hierover verantwoording af te leggen.
Informatie over het inkomen van groepen (lid 1)
De ondernemer dient ten minste eenmaal per jaar aan de ondernemingsraad schriftelijke informatie te verstrekken over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de onderneming werkzame personen. Voor het begrip 'groep' is aangesloten bij dit begrip in artikel 27. De informatie dient te bevatten het loon, de secundaire arbeidsvoorwaarden en bijzondere beloningen. Bij dat laatste valt te denken aan bonusregelingen, prestatietoeslagen, winstdelingsregelingen, vertrekregelingen, enzovoort.
Informatie over de beloning van bestuurders en toezichthouders (lid 2)
De ondernemer dient op grond van het tweede lid van artikel 31d ook de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken met het bestuur en het toezichthoudend orgaan van de ondernemer aan de ondernemingsraad mee te delen. De verplichting geldt voor het totaal van de bestuurders respectievelijk van alle toezichthouders tezamen. De toezichthouders zijn degenen genoemd in artikel 24, tweede lid.
Hoogte van de beloning ten opzichte van andere groepen en voorgaande jaren (lid 3)
De ondernemer dient inzicht te geven in de verhouding van de hoogte van de beloning van de in de onderneming werkzame groepen van werknemers, het bestuur en het toezichthoudend orgaan en van de wijzigingen ten opzichte van het vorige jaar. Hij dient dit in percentages uit te drukken. Hiermee kan vooral het verloop van de beloningsverhogingen door de ondernemingsraad worden gemonitord.
Het begrip 'groep' (lid 4)
Het begrip 'groep' genoemd in het eerste lid van artikel 31d, is ontleend aan dit begrip in artikel 27. Het bestuur en het toezichthoudend orgaan zijn twee groepen op zich, die geen nadere omschrijving behoeven. Het
Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
Art. 31e
vierde lid van artikel 31d bepaalt dat de ondernemer kan beslissen dat een groep uit ten minste vijf personen dient te bestaan. In een dergelijk geval kunnen groepen van werknemers worden samengevoegd tot één groep, of kunnen de leden van het bestuur worden samengevoegd met het toezichthoudend orgaan of met de hoogste managementlaag. Hierdoor wordt voorkomen dat op individueel niveau beloningsgegevens dienen te worden verstrekt.
Meedelen van wijzigingen (lid 5)
Het spreekt voor zich dat de ondernemer belangrijke wijzigingen in regelingen of afspraken, zo spoedig mogelijk aan de ondernemingsraad dient mee te delen.
Alleen grotere ondernemingen (lid 6)
Artikel 31d is uitsluitend van toepassing op ondernemingen met ten minste 100 werknemers. Dat is op zich merkwaardig, omdat de instellingsgrens voor ondernemingsraden op 50 werknemers ligt. De grens van 100 werknemers komt verder niet in de wet voor.
Artikel 31e
Artikel 23, tweede lid, tweede zin en artikel 31d zijn niet van toepassing op:
a. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan een van de bestuurders of commissarissen een natuurlijk persoon is die een direct of indirect belang heeft in de rechtspersoon overeenkomstig artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of b. de rechtspersoon waarop de artikelen 396 of 397 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.
Toelichting
Dit artikel beoogt bedrijven uit te zonderen waar de bestuurder tevens grootaandeelhouder is. Er worden echter in dit artikel veel meer ondernemingen uitgezonderd.
Onder a betreft het besloten vennootschappen waarvan de bestuurders of commissarissen een belang hebben in de vennootschap overeenkomstig artikel 4.6 van de Wet op de inkomstenbelasting. Dat zijn bestuurders en commissarissen die een aanmerkelijk belang hebben, dat wil zeggen een belang van ten minste 5 procent van de aandelen.
Onder b wordt daaraan toegevoegd kleine en middelgrote ondernemingen, dat wil zeggen ondernemingen die - ten tijde van het drukken van deze versie - voldoen aan ten minste twee van de volgende vereisten:
Art. 31f IVB Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad
Kleine ondernemingen:
– waarde activa: niet meer dan 7,5 miljoen; – netto-omzet: niet meer dan 15 miljoen; – aantal werknemers: minder dan 50.
Middelgrote ondernemingen:
– waarde activa: niet meer dan 25 miljoen; – netto-omzet: niet meer dan 50 miljoen; – aantal werknemers: minder dan 250.
Artikel 31f
De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk schriftelijk te informeren over elke voorgenomen vaststelling, wijziging of intrekking van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of een uitvoeringsreglement als bedoeld in onderdeel b van de definitie van uitvoeringsreglement in artikel 1 van de Pensioenwet.
Toelichting
Artikel 31f is gelijktijdig met de wijziging van artikel 27 eerste lid onder a doorgevoerd: het instemmingsrecht betreffende regelingen op grond van de pensioenovereenkomst. Er geldt thans een schriftelijke informatieplicht bij het voornemen van de ondernemer om ook een uitvoeringsovereenkomst vast te stellen, te wijzigen of in te trekken. Het instemmingsrecht uit artikel 27 ziet derhalve op de arbeidsvoorwaarde pensioen en wijzigingen die daarin worden doorgevoerd. De informatieplicht uit artikel 31f ziet op de uitvoering van het pensioen.
Verdere bevoegdheden van de ondernemings-
raad
Artikel 32
1. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan kunnen aan de ondernemingsraad of aan de ondernemingsraden van de bij die overeenkomst of die regeling betrokken onderneming of ondernemingen verdere bevoegdheden dan in deze wet genoemd worden toegekend.
2. Bij schriftelijke overeenkomst tussen de ondernemer en de ondernemingsraad kunnen aan de ondernemingsraad meer bevoegdheden dan de in deze wet genoemde worden toegekend en kunnen aanvullende voorschriften over de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden gegeven. De ondernemer zendt een afschrift van de overeenkomst aan de bedrijfscommissie.
3. Indien aan de ondernemingsraad op grond van dit artikel een adviesrecht of instemmingsrecht is toegekend, is het advies of de instemming van de ondernemingsraad niet vereist, voor zover de aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.
4. Indien in de overeenkomst aan de ondernemingsraad een recht op advies of instemming wordt gegeven over andere voorgenomen besluiten dan genoemd in de artikelen 25 onderscheidenlijk 27, zijn de artikelen 26 onderscheidenlijk 27, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
Algemeen
In de wet is ruimte gegeven aan een reeds langer bestaande praktijk dat ondernemer en ondernemingsraad nadere afspraken maken, neergelegd in een ondernemingsovereenkomst, ook wel aangeduid als convenant. Naleving van de aldus uitgebreide bevoegdheden kan door de ondernemingsraad op grond van het eerste lid van artikel 36 worden afgedwongen, terwijl, op grond van het vierde lid van artikel 32, de in artikelen 26 en 27 genoemde procedures van toepassing zijn als aan de ondernemingsraad een extra advies- of instemmingsrecht is gegeven.
Art. 32 IVC Verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad
Bij cao of publiekrechtelijke regeling toegekende bevoegdheden (eerste lid)
De ondernemer die door de betreffende cao is gebonden, is verplicht de in die cao vastgelegde extra bevoegdheden aan de ondernemingsraad toe te kennen. Een besluit van de ondernemer is daarvoor niet nodig. De cao verplicht de ondernemer daartoe rechtstreeks. De ondernemer is door de cao gebonden indien hij lid is van een werkgeversvereniging die partij is bij de cao, zelf een eigen ondernemings-cao heeft gesloten, dan wel de cao voor de bedrijfstak waartoe de ondernemer behoort, algemeen verbindend is verklaard. Een publiekrechtelijke regeling is van toepassing op alle ondernemingen die door het publiekrechtelijke orgaan in stand worden gehouden.
Bij ondernemingsovereenkomst toegekende bevoegdheden (tweede lid)
Dit artikel heeft aan de afspraken tussen ondernemer en (centrale of groeps)ondernemingsraad een wettelijke basis gegeven. Artikel 32 bepaalt dat die afspraken aan de ondernemingsraad verdere bevoegdheden kunnen toekennen. De tussen ondernemer en ondernemingsraad te maken afspraken dienen te worden vastgelegd ofwel in een schriftelijk door beide partijen ondertekend document, ofwel in goedgekeurde notulen van een overlegvergadering. De looptijd van de afspraken is onbepaald, tenzij anders is overeengekomen. Dat betekent dat de afspraken blijven gelden ook na de verkiezing van een nieuwe ondernemingsraad. Zowel de ondernemer als de nieuwe ondernemingsraad zijn aan de afspraken gebonden. Een GGZ instelling had met de ondernemingsraad in een convenant afgesproken dat niet zal worden overgegaan tot samenwerking als niet positief zou worden geadviseerd door de ondernemingsraad. Hoewel het convenant reeds acht jaar eerder werd gesloten is de GGZ instelling daar aan gebonden (OK 31 januari 2005, JAR 2005, 80).
Verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad Uitdrukkelijk volgt uit het tweede lid van artikel 32 dat de tussen ondernemer en ondernemingsraad gemaakte afspraken niet kunnen inhouden dat aan de ondernemingsraad bepaalde in de wet geregelde bevoegdheden niet toekomen. De ondernemingsovereenkomst kan dus uitsluitend zogeheten bovenwettelijke bevoegdheden aan de ondernemingsraad toekennen, en zijn wettelijke bevoegdheden niet beperken. De geschillenregeling zoals vermeld in artikel 36 is uitdrukkelijk niet bedoeld om nakoming van contractuele afspraken of toezeggingen te vorderen (Hof Amsterdam 5 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023;2202, Das Rechtsbijstand). Dit betekent dat nakoming van de afspraken in een convenant bij de burgerlijke rechter moet worden gevorderd. Dit geldt niet voor bovenwettelijk advies- of instemmingsrecht, waar de wet wel van toepassing op is (artikel 25 resp. 27). Indien aan de ondernemingsraad adviesrecht is toegekend ook over onderwerpen niet genoemd in het eerste
Verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad
Art. 32
lid van artikel 25 WOR, kan de ondernemingsraad tegen het besluit van de ondernemer omtrent een dergelijke aangelegenheid beroep instellen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam. Ook kan de ondernemingsraad zich tot de kantonrechter wenden indien de ondernemer zonder instemming van de ondernemingsraad een besluit neemt aangaande een aangelegenheid die op grond van de tussen ondernemer en ondernemingsraad gemaakte afspraak aan het instemmingsrecht van de ondernemingsraad is onderworpen. De wet bepaalt dat de ondernemer een afschrift van de overeenkomst aan de bedrijfscommissie dient te zenden. Dit is echter geen voorwaarde voor de rechtsgeldigheid van de ondernemingsovereenkomst en gebeurt in de praktijk zelden. Zie ook de kantonrechter Amsterdam die oordeelt dat het niet verstrekken van een afschrift aan de Bedrijfscommissie er niet aan in de weg staat dat sprake is van een geldige overeenkomst in de zin van artikel 32 WOR (Rechtbank Amsterdam 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6500, Waternet).
Een ondernemingsovereenkomst of convenant voor onbepaalde tijd kan door de ondernemer alleen eenzijdig worden opgezegd na overleg met de ondernemingsraad en als de ondernemingsraad zich onredelijk opstelt ten opzichte van redelijke voorstellen van de ondernemer (Gerechtshof Den Haag 3 november 2006, JAR 2007, 32).
Inhoudelijk bij cao of publiekrechtelijke regeling geregeld Indien aan de ondernemingsraad een verdere advies- of instemmingbevoegdheid is toegekend, hoeft de ondernemer geen advies of instemming te vragen over aangelegenheden – hoewel vallend onder de verdere bevoegdheden – indien die reeds inhoudelijk bij cao of publiekrechtelijke regeling zijn geregeld. Voor het instemmingsrecht komt dat overeen met het bepaalde in het derde lid van artikel 27. Een dergelijke bepaling ontbreekt in artikel 25. Dat betekent dus dat onderscheid gemaakt moet worden tussen adviesrecht op grond van artikel 25 en op grond van artikel 32 WOR. Het eerstgenoemde vervalt niet en het laatstgenoemde wel indien de betreffende aangelegenheid is geregeld bij cao of publiekrechtelijke regeling.
De ondernemingsraad kan nakoming van de hem verleende verdere bevoegdheden vorderen op grond van het tweede lid van artikel 36, met dien verstande dat de bepalingen van artikel 25, tweede tot en met zesde lid, artikel 26 en artikel 27, vierde tot en met zesde lid van toepassing zijn indien advies- en instemmingsrechten zijn toegekend. De geschillenregeling uit artikel 36 leent zich zoals hiervoor gesteld niet voor het beslechten van geschillen op tegenspraak, zoals nakoming van afspraken.
Bovenwettelijke bevoegdheden en beroepsprocedures
In het vierde lid van artikel 32 is de uitspraak van de Hoge Raad opgenomen over een lang bestaande onduidelijkheid in de wet. Onduidelijk was
139
Art. 32a IVC Verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad namelijk of de beroepsprocedures uit de WOR ook gelden ten aanzien van aan de ondernemingsraad toegekende verdere bevoegdheden. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord. Dat betekent dat de ondernemingsraad zich bij een geschil over een aan hem buiten artikel 25 toegekend adviesrecht tot de Ondernemingskamer kan wenden en over een buiten artikel 27 toegekend instemmingsrecht tot de kantonrechter. Daarnaast blijft het in veel gevallen mogelijk om op grond van artikel 36 de kantonrechter om een oordeel te vragen (zie toelichting bij artikel 36).
Artikel 32a (Vervallen)
Artikel 32b (Vervallen)
Artikel 32c (Vervallen)
V De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden
Artikel 33
1. De ondernemer die twee of meer ondernemingsraden heeft ingesteld stelt tevens voor de door hem in stand gehouden ondernemingen een centrale ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet ten aanzien van deze ondernemingen.
2. De ondernemer die meer dan twee ondernemingsraden heeft ingesteld stelt voor een aantal van de door hem in stand gehouden ondernemingen een groepsondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet ten aanzien van deze ondernemingen.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van in een groep verbonden ondernemers, die tezamen twee of meer ondernemingsraden hebben ingesteld. De betrokken ondernemers wijzen een tot hun groep behorende ondernemer aan, die voor de toepassing van deze wet namens hen als ondernemer optreedt ten opzichte van de centrale ondernemingsraad of de groepsondernemingsraad.
Toelichting
Algemeen
De wet maakt het mogelijk dat een groeps- of centrale ondernemingsraad wordt ingesteld in het geval de ondernemer of de in een groep verbonden ondernemers twee of meer ondernemingsraden hebben ingesteld.
De instelling van een centrale ondernemingsraad (eerste lid) en groepsondernemingsraad (tweede lid)
De wet bepaalt dat de ondernemer die twee of meer ondernemingsraden heeft ingesteld verplicht is een centrale ondernemingsraad respectievelijk een groepsondernemingsraad in te stellen indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR ten aanzien van deze ondernemingen. Hiervan is volgens de Kantonrechter Amsterdam sprake als de bepaling van het algemene beleid in handen is van dezelfde personen en de ondernemingen zich extern gezamenlijk presenteren (Kantonrechter Amsterdam, 10 oktober 2014, JAR 2014/267). De Kantonrechter Den Bosch acht hierbij van belang dat er voldoende gemeenschappelijke onderwerpen zijn, waardoor medezeggenschap via de centrale ondernemingsraad effectiever is dan via apart opererende ondernemingsraden. In hoger beroep
Art. 33 V De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden heeft het Gerechtshof Den Bosch hier echter anders over geoordeeld. Het Hof oordeelde dat het instellen van een centrale ondernemingsraad niet bevorderlijk was voor een goede toepassing van de wet, nu het bestaande systeem – een groepsondernemingsraad voor de vijf gemeentelijke ondernemingsraden en één ondernemingsraad voor de sociale werkvoorziening – effectief was gebleken. Het Hof hechtte hierbij tevens waarde aan het uitgangspunt dat medezeggenschap zo dicht mogelijk bij het werkmilieu moet worden uitgeoefend (Gerechtshof Den Bosch, 16 juli 2015, JAR 2015/276).
De bepalingen ten aanzien van de instelling van een centrale of groepsondernemingsraad lijken op de regeling ten aanzien van de instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad (artikel 3) en van een afzonderlijke ondernemingsraad in een onderdeel van de onderneming (artikel 4). Ook voor het instellen van een groepsondernemingsraad of centrale ondernemingsraad is niet de instemming van de betreffende ondernemingsraden vereist. De ondernemer kan daartoe eenzijdig besluiten indien dit naar zijn oordeel bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR. De ondernemingsraden dienen zich, indien zij het met dit oordeel niet eens zijn, tot de kantonrechter te wenden op grond van artikel 36 met het verzoek de ondernemer te verbieden een centrale ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad in te stellen. De ondernemingsraad van de Belastingdienst verzette zich tegen een nieuwe medezeggenschapsstructuur die door de bestuurder was aangepast aan de nieuwe zeggenschapsstructuur. De bestuurder stelde een gemeenschappelijke ondernemingsraad in voor diverse stafafdelingen en mocht deze structuur handhaven omdat dit bevorderlijk was voor een goede toepassing van de wet (Hof Den Haag, 1 juni 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1021, Bedrijfsvoering Belastingdienst en zie ook toelichting artikel 1 lid 1 sub c). Ondanks dat de wet uitgaat van een eenzijdige beslissing door de ondernemer vindt in de praktijk hier meestal overleg met de medezeggenschap over plaats.
Bepalingen voor een concern (derde lid)
Onder de kop 'algemeen' is reeds geschreven dat een groeps- of centrale ondernemingsraad ook kan worden ingesteld in een concern of, zoals de wet dat noemt, in een groep verbonden ondernemers. Tot in een groep verbonden ondernemers worden die ondernemers gerekend waarvan de aandelen in meerderheid door één vennootschap worden gehouden.
Aparte aandacht verdient de joint venture. Een joint venture wordt uitsluitend tot de in een groep verbonden ondernemers gerekend indien meer dan de helft van de aandelen van de joint venture worden gehouden door één vennootschap en die vennootschap bovendien overwegende zeggenschap heeft op het beleid van de joint venture (HR 14 maart 2008, JAR 2008, 112).
Artikel 34
1. Een centrale ondernemingsraad bestaat uit leden, gekozen door de betrokken ondernemingsraden uit de leden van elk van die raden. Voor ieder lid kan een plaatsvervanger worden gekozen, die dezelfde rechten en verplichtingen heeft als het lid dat hij vervangt.
2. Indien een of meer groepsondernemingsraden zijn ingesteld, kan de centrale ondernemingsraad in zijn reglement bepalen, dat die raad, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, geheel of ten dele zal bestaan uit leden, gekozen door de betrokken groepsondernemingsraden uit de leden van die raden. Voor ieder aldus gekozen lid kan een plaatsvervanger worden gekozen, die dezelfde rechten en verplichtingen heeft als het lid dat hij vervangt.
3. Het aantal leden dat uit elke ondernemingsraad of groepsondernemingsraad kan worden gekozen, wordt vastgesteld in het reglement van de centrale ondernemingsraad. Het reglement bevat voorts voorzieningen dat de verschillende groepen van de in de betrokken ondernemingen werkzame personen zoveel mogelijk in de centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn. De betrokken ondernemingsraden of groepsondernemingsraden worden over de vaststelling van de betrokken bepalingen van het reglement gehoord.
4. Een centrale ondernemingsraad kan in zijn reglement bepalen dat van die raad, behalve de in het derde lid bedoelde leden, ook deel kunnen uitmaken vertegenwoordigers van ondernemingen die door de in artikel 33 bedoelde ondernemer of ondernemers in stand worden gehouden, maar ten aanzien waarvan geen verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad geldt. De centrale ondernemingsraad regelt in zijn reglement het aantal en de wijze van verkiezing van de bedoelde vertegenwoordigers.
5. Wanneer een lid van een centrale ondernemingsraad of zijn plaatsvervanger ophoudt lid te zijn van de ondernemingsraad of van de groepsondernemingsraad die hem heeft gekozen, eindigt van rechtswege zijn lidmaatschap van de centrale ondernemingsraad. Hetzelfde geldt wanneer een vertegenwoordiger van een onderneming als bedoeld in het vierde lid ophoudt in de betrokken onderneming werkzaam te zijn. De uitsluiting, bedoeld in artikel 13, van een ondernemingsraadlid of van een groepsondernemingsraadlid, die tevens lid is van een centrale ondernemingsraad, heeft tot gevolg dat de betrokkene ook van deelname aan de werkzaamheden van de centrale ondernemingsraad is uitgesloten.
6. Ten aanzien van de centrale ondernemingsraad zijn de artikelen 7, 8, 10-14, 15, eerste, tweede, vierde en vijfde lid en 16-22 van overeenkomstige toepassing.
7. Ten aanzien van een groepsondernemingsraad zijn de voorgaande leden, met uitzondering van het tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 34 V De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden
Toelichting
Samenstelling centrale ondernemingsraad of groepsondernemingsraad (eerste, tweede, derde en vierde lid)
De centrale ondernemingsraad kan op drie wijzen worden samengesteld. De hoofdregel is dat de leden van de centrale ondernemingsraad worden gekozen door en uit de leden van de ondernemingsraden waarvoor de centrale ondernemingsraad is ingesteld. Indien er een of meer groepsondernemingsraden zijn ingesteld, kan het reglement van de centrale ondernemingsraad ook bepalen dat die raad – in afwijking van de hoofdregel – geheel of gedeeltelijk wordt gekozen door de betrokken groepsondernemingsraden uit de leden van die raden. Ten slotte kan het reglement ook bepalen dat personeelsleden die niet door middel van een ondernemingsraad of groepsondernemingsraad in de centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn, zelfstandig een of meerdere leden van de centrale ondernemingsraad mogen kiezen.
De centrale ondernemingsraad is dus niet verplicht in zijn reglement voorzieningen te treffen die het de werknemers van ondernemingen waarin geen ondernemingsraad is ingesteld mogelijk maakt leden in de centrale ondernemingsraad te kiezen.
De groepsondernemingsraad wordt gekozen door en uit de leden van de ondernemingsraden die tot de groep behoren. Ook hier geldt dat het reglement van de groepsondernemingsraad kan bepalen dat ook werknemers werkzaam in ondernemingen waarin geen ondernemingsraad is ingesteld, vertegenwoordigers kunnen kiezen in de groepsondernemingsraad (zevende lid).
Plaatsvervangende leden (eerste lid)
Voor ieder lid van de centrale of groepsondernemingsraad kan een plaatsvervanger worden gekozen. De betrokken centrale ondernemingsraad of groepsondernemingsraad bepaalt zelf in zijn reglement of er al dan niet plaatsvervangende leden gekozen worden. Deze bepaling behoeft niet de instemming van de ondernemer.
Aantal leden van de groeps- of centrale ondernemingsraad (derde en zevende lid)
De centrale ondernemingsraad is vrij in het bepalen van het aantal van zijn leden. Hij is dus niet gebonden aan het maximum van artikel 6, eerste lid. Dit geldt ook voor de groepsondernemingsraad. Blijkens de rechtspraak dient echter wel te worden aangesloten bij de aantallen genoemd in artikel 6.
Vertegenwoordiging van verschillende personeelsgroepen (derde lid)
Het reglement van de centrale of groepsondernemingsraad dient niet al-
V De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden
leen te bepalen hoeveel leden door elk van de ondernemingsraden en/of groepsondernemingsraden gekozen mogen worden, maar moet ook een voorziening bevatten ten aanzien van de representatie van verschillende groepen van de in de onderneming werkzame personen. Dit systeem is gelijk aan dat voor de gewone ondernemingsraden. Zie ook artikel 9, vierde lid. Hoewel evenredige vertegenwoordiging niet dwingend is voorgeschreven, oordeelde de Rechtbank Oost-Brabant op 1 september 2014 (JAR 2014/252) dat dit gelet op de bedoeling en strekking van de wet wel het uitgangpunt is. Zie ook GOR Rijk, OK 12 januari 2016, JAR 2016/37.
Einde lidmaatschap (vijfde lid)
Wanneer een lid van de centrale of groepsondernemingsraad ophoudt lid te zijn van de ondernemingsraad of de groepsondernemingsraad waaruit hij is gekozen, verliest hij automatisch ook zijn lidmaatschap van de centrale ondernemingsraad of van de groepsondernemingsraad. Dit geldt ook voor plaatsvervangende leden alsmede voor de vertegenwoordigers van een onderneming zonder ondernemingsraad, wanneer hij niet langer in die onderneming werkzaam is.
Werkwijze groeps- of centrale ondernemingsraad (zesde lid)
Voor de centrale en groepsondernemingsraad gelden dezelfde bepalingen omtrent de samenstelling en de werkwijze als voor de ondernemingsraad. Daarop bestaan drie uitzonderingen:
– artikel 6 met betrekking tot het aantal leden; – artikel 9 met betrekking tot de kandidaatstelling;
– artikel 15, derde lid met betrekking tot het instellen van onderdeelcommissies.
Zoals gezegd bevat de wet geen voorschriften omtrent het aantal leden van de centrale of groepsondernemingsraad. De regeling met betrekking tot de kandidaatstelling van artikel 9 is vanzelfsprekend niet van toepassing, omdat de centrale en groepsondernemingsraad gekozen worden uit de leden van de onderliggende ondernemingsraden. Een onderdeelcommissie ten slotte kan door een centrale of groepsondernemingsraad niet worden ingesteld. Ook niet in ondernemingen waarin geen ondernemingsraad is ingesteld.
Artikel 35
1. Ten aanzien van de centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden zijn de artikelen 22a tot en met 32, met uitzondering van de artikelen 23c en 24, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat door die raden uitsluitend aangelegenheden worden behandeld die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid van de ondernemingen waarvoor zij zijn ingesteld en onge-
Art. 35 V De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden
acht of ten aanzien van die aangelegenheden bevoegdheden toekomen aan de afzonderlijke ondernemingsraden.
2. Indien bevoegdheden ten aanzien van aangelegenheden als bedoeld in het eerste lid toekomen aan afzonderlijke ondernemingsraden, gaan deze over naar de centrale ondernemingsraad, onderscheidenlijk de groepsondernemingsraad, met dien verstande dat een groepsondernemingsraad geen aangelegenheden behandelt die door de centrale ondernemingsraad worden behandeld.
Toelichting
Bevoegdheden centrale en groepsondernemingsraad (eerste lid)
Ten aanzien van de centrale en groepsondernemingsraad is een aantal artikelen 'van overeenkomstige toepassing' verklaard. Het betreft hier: – artikel 22a, omtrent het niet kunnen veroordelen van de ondernemingsraad in de proceskosten;
– de bepalingen van hoofdstuk IV omtrent het overleg met de ondernemer, met uitzondering van de artikelen 23c en 24 derde lid. Artikel 23c betreft het overleg met een onderdeelcommissie, die door een centrale of groepsondernemingsraad niet kan worden ingesteld; artikel 24 derde lid betreft de uitzondering voor ondernemers die meer dan vijf ondernemingen in stand houden om de raad van commissarissen, de bestuursleden of de raad van bestuur van de moedervennootschap aanwezig te laten zijn bij de overlegvergadering;
– de bepalingen van hoofdstuk IVA, betreffende het advies-, beroeps-, instemmingsrecht en de stimulerende taken van de ondernemingsraad;
– het bepaalde in hoofdstuk IVB omtrent het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad;
– en ten slotte het bepaalde in hoofdstuk IVC betreffende de verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad.
De centrale of groepsondernemingsraad kan uitsluitend onderwerpen behandelen die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of de meerderheid van de ondernemingen waarvoor hij is ingesteld. Van gemeenschappelijk belang zijn die onderwerpen die het gehele concern raken, ook in het geval de gevolgen met name één van de ondernemingen treffen. Waar de gevolgen merkbaar zijn, is dan ook niet doorslaggevend. Er moet met name worden gekeken naar de beweegredenen die ten grondslag liggen aan het besluit en of die van gemeenschappelijk belang zijn voor het merendeel van de ondernemingen. Een voorbeeld is de sluiting van een fabriek door een ondernemer die vijf soortgelijke fabrieken in stand houdt. Omdat de productie van de te sluiten fabriek verdeeld wordt over de andere vier fabrieken, is de aangelegenheid van gemeenschappelijk belang
V De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden
Art. 35
voor alle ondernemingen. Daarom komt het adviesrecht aan de centrale ondernemingsraad toe en niet aan de ondernemingsraad van de te sluiten fabriek. In een zaak beoordeeld door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam op 18 juni 2015 (JAR 2015/204) kwam een vergelijkbare casus aan de orde.
De kantonrechter Den Haag heeft geoordeeld dat het bij het instellen van een centrale ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad of zoals in die kwestie een departementale ondernemingsraad niet past dat de ene geleding de andere volledig kan overvleugelen. Dit zal normaal gesproken alleen aan de orde zijn bij tegenstrijdige belangen maar juist dan is het belangrijk dat de belangen van de minderheid op zekere wijze tegen de belangen van de meerderheid worden beschermd (Rechtbank Den Haag 10 december 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13387).
Rechten voor de bevoegde (centrale of groeps-) ondernemingsraad (tweede lid)
De bevoegdheden van de ondernemingsraden gaan, indien het een aangelegenheid betreft van gemeenschappelijk belang, over op de centrale ondernemingsraad of de groepsondernemingsraad. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat aan de centrale en groepsondernemingsraad zelfstandige bevoegdheden toekomen, bevoegdheden dus die de onderliggende ondernemingsraden niet bezitten en derhalve niet kunnen overgaan naar de centrale of groepsondernemingsraad. Daarbij kan worden gedacht aan besluiten van de moedervennootschap, die niet zelf een onderneming in stand houdt en derhalve ook zelf geen ondernemingsraad heeft, met betrekking tot het concernbeleid, de benoeming van bestuurders van het concern, enzovoort. Hierbij dient de kanttekening te worden geplaatst dat indien in het concern de centrale ondernemingsraad verbonden is aan de Nederlandse organisatie, ook de huidige wet aan die centrale ondernemingsraad geen bevoegdheden toekent met betrekking tot besluiten van de holding buiten de Nederlandse medezeggenschapsstructuur.
Omdat artikel 32 van overeenkomstige toepassing is verklaard voor centrale en groepsondernemingsraden, kunnen aan die raden ook bovenwettelijke bevoegdheden worden toegekend. De bevoegdheid met betrekking tot het adviesrecht of het instemmingsrecht ligt óf bij de ondernemingsraad, óf bij de centrale of groepsondernemingsraad. In beginsel nooit bij beiden. Uitzondering daarop bestaat indien de ondernemer een uitdrukkelijke toezegging heeft gedaan aan een ondernemingsraad. Houdt deze toezegging het advies- of instemmingsrecht in, dan kan zich de situatie voordoen dat zowel de centrale of groepsondernemingsraad bevoegd is, als de onderliggende ondernemingsraad. Een dergelijk geval heeft zich voorgedaan bij de overname van EHLB. In dat geval was zowel de centrale onder-
Art. 35 V De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden nemingsraad van Amfas, als de ondernemingsraad van EHLB bevoegd, dat laatste omdat aan die ondernemingsraad uitdrukkelijk de toezegging was gedaan dat bij overname van de onderneming aan de ondernemingsraad advies zou worden gevraagd (OK 21 februari 1985, NJ 1987/993). Zie in dat kader ook OK 18 juni 2015, JAR 2015/204. De Ondernemingskamer oordeelt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin ten aanzien van het onderdeel van een voorgenomen besluit dat strekt tot sluiting van een onderneming, ondanks de aanwezigheid van een centrale ondernemingsraad, ook afzonderlijk advies dient te worden gevraagd aan de ondernemingsraad van die onderneming. Het lijkt erop dat 'dergelijke omstandigheden' zich alleen voordoen indien er toezeggingen zijn gedaan aan de ondernemingsraad of daarover een afspraak is gemaakt.
Procedures (tweede lid)
Indien de bevoegdheden zijn overgegaan is de centrale of groepsondernemingsraad en niet de onderliggende ondernemingsraad bevoegd de naleving van de wet te vorderen (artikel 36) of het besluit van de ondernemer aan te vechten in geval van een adviestraject (artikel 26).
VA De medezeggenschap in kleine ondernemingen
Artikel 35a (Vervallen)
Artikel 35b
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 10 personen maar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is ingesteld, is verplicht de in deze onderneming werkzame personen ten minste tweemaal per kalenderjaar in de gelegenheid te stellen gezamenlijk met hem bijeen te komen. Hij is voorts verplicht met de in de onderneming werkzame personen bijeen te komen, wanneer ten minste een vierde van hen daartoe een met redenen omkleed verzoek doet.
2. In de in het eerste lid bedoelde vergaderingen worden de aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan de orde gesteld ten aanzien waarvan de ondernemer of in de onderneming werkzame personen overleg wenselijk achten. Iedere in de onderneming werkzame persoon is bevoegd omtrent deze aangelegenheden voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken.
3. Indien de ondernemer de onderneming niet zelf bestuurt, wordt het overleg voor hem gevoerd door de bestuurder van de onderneming. De ondernemer en de bestuurder kunnen zich bij verhindering laten vervangen door een in de onderneming werkzame persoon die bevoegd is om namens de ondernemer overleg met de werknemers te voeren.
4. In de in het eerste lid bedoelde vergaderingen wordt ten minste eenmaal per jaar de algemene gang van zaken van de onderneming besproken. De ondernemer verstrekt daartoe mondeling of schriftelijk algemene gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming in het afgelopen jaar, alsmede omtrent zijn verwachtingen dienaangaande in het komende jaar. Voor zover de ondernemer verplicht is zijn jaarrekening en bestuursverslag ter inzage van een ieder neer te leggen, worden in de Nederlandse taal gestelde exemplaren van deze jaarstukken ter bespreking aan de in de onderneming werkzame personen verstrekt. De ondernemer verstrekt voorts mondeling of schriftelijk algemene gegevens inzake het door hem ten aanzien van de in de onderneming werkzame personen gevoerde en te voeren sociale beleid.
5. De in de onderneming werkzame personen worden door de ondernemer, in een vergadering als bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit dat
Art. 35b
VA De medezeggenschap in kleine ondernemingen
kan leiden tot verlies van de arbeidsplaats of tot een belangrijke verandering van de arbeid, de arbeidsvoorwaarden of de arbeidsomstandigheden van ten minste een vierde van de in de onderneming werkzame personen. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. De in de eerste volzin bedoelde verplichting geldt niet, indien en voor zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk geregeld is in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.
6. De ondernemer is verplicht desgevraagd aan de in de onderneming werkzame personen alle inlichtingen en gegevens te verstrekken inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen die zij redelijkerwijze nodig hebben ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde vergaderingen. De inlichtingen of gegevens worden schriftelijk verstrekt, indien de ondernemer deze schriftelijk beschikbaar heeft.
7. De ondernemer is verplicht de in de onderneming werkzame personen zo spoedig mogelijk te informeren over elke voorgenomen vaststelling, wijziging of intrekking van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of een uitvoeringsreglement als bedoeld in onderdeel b van de definitie van uitvoeringsreglement in artikel 1 van de Pensioenwet. De informatie wordt schriftelijk verstrekt, indien de ondernemer de informatie schriftelijk beschikbaar heeft.
8. De in de voorgaande leden bedoelde verplichtingen gelden niet ten aanzien van personen die nog geen 6 maanden in de onderneming werkzaam zijn. Zij vervallen wanneer de ondernemer met toepassing van artikel 5a een ondernemingsraad heeft ingesteld, maar treden weer in werking wanneer de ondernemingsraad op grond van artikel 5a, eerste lid, ophoudt te bestaan of overeenkomstig het tweede lid van dat artikel is opgeheven.
Toelichting
Algemeen
Ook voor ondernemingen met minder dan 50 werknemers is in de wet een medezeggenschapsregeling opgenomen. Deze wijkt op belangrijke punten af van de regeling voor ondernemingen die verplicht zijn een ondernemingsraad in te stellen. Het belangrijkste verschil is dat in deze ondernemingen geen vertegenwoordigend, maar rechtstreeks overleg plaatsvindt. Daarnaast of daardoor zijn de bevoegdheden veel kleiner, geeft de wet geen procedureregels voor het overleg met de ondernemer en hebben de aan het overleg deelnemende werknemers geen extra rechtsbescherming tegen benadeling of ontslag. De gehele medezeggenschapsregeling voor ondernemingen met tussen de 10 en 50 werknemers is opgenomen in de artikelen 35b en 36a. In ondernemingen met minder
dan 50 werknemers kan een personeelsvertegenwoordiging worden ingesteld. Zie daarvoor de artikelen 35c en 35d.
Het overleg (eerste en derde lid)
De ondernemer is verplicht ten minste tweemaal per jaar met de in de onderneming werkzame personen bijeen te komen. Dat zijn de werknemers werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst die ten minste zes maanden in dienst zijn. Tweemaal vergaderen per jaar is het minimum. De ondernemer kan meer vergaderingen uitschrijven en een vierde van de in de onderneming werkzame personen kan gemotiveerd de ondernemer verzoeken een extra vergadering te beleggen. Namens de ondernemer wordt het overleg door de bestuurder gevoerd die zich bij verhindering mag laten vervangen door een werknemer die bevoegd is overleg te voeren, dat wil zeggen bevoegd is toezeggingen te doen en het standpunt van de ondernemer te wijzigen.
Onderwerpen van overleg (tweede lid)
Alle aangelegenheden die de onderneming betreffen kunnen onderwerpen van overleg zijn. Iedere werknemer die ten minste zes maanden in dienst is kan voorstellen doen en standpunten kenbaar maken. Zoals ook geldt bij ondernemingsraden, is het overleg bedoeld om de werknemers invloed te laten uitoefenen op het beleid van de ondernemer en niet om individuele kwesties aan de orde te stellen.
Informatie (vierde lid)
Ten behoeve van de bespreking van de algemene gang van zaken in de onderneming is de ondernemer verplicht aan de werknemers algemene gegevens te verstrekken over de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming in het afgelopen jaar. Daarnaast dient de ondernemer zijn verwachtingen over deze aspecten voor het komend jaar mee te delen. De bespreking van de resultaten dient te worden gevoerd aan de hand van het financieel bestuursverslag.
Advies (vijfde lid)
Over een aantal voorgenomen besluiten is de ondernemer verplicht eerst advies aan de werknemers te vragen. Het betreft hier besluiten die kunnen leiden tot ontslag of verandering van de arbeidsomstandigheden of arbeidsvoorwaarden van ten minste een vierde van de werknemers. Opvallend is dat het vijfde lid van artikel 35b bepaalt dat geen advies hoeft te worden gevraagd indien het betreffende onderwerp in een cao is geregeld. Een dergelijke uitzondering ontbreekt immers in de bepalingen ten aanzien van ondernemingsraden.
De wet geeft niet aan welke procedure de ondernemer bij zijn adviesaanvraag dient te volgen. De wet lijkt er echter van uit te gaan dat het ad-
Art. 35c
VA De medezeggenschap in kleine ondernemingen
vies buiten de vergaderingen om wordt gevraagd en gegeven. Ten slotte dient nog te worden opgemerkt dat het niet opvolgen van het advies geen rechtsgevolgen heeft. Anders gezegd: de werknemers hebben geen beroepsrecht en de ondernemer geen opschortingsverplichting. Wel kan iedere werknemer nakoming vorderen van de verplichting tot het vragen van advies. Bovendien kan het niet vragen van advies wel gevolgen hebben bij de beoordeling door het UWV over het toekennen van ontslagvergunningen in reorganisaties.
Pensioen en arbeidsvoorwaarden (zesde en zevende lid)
Op 1 januari 2019 is het informatierecht van de personeelsvergadering uitgebreid. Informatie over het pensioen moet voortaan schriftelijk worden gegeven. Voor zover de ondernemer die informatie niet heeft kan hij het opvragen bij de pensioenuitvoerder.
Deelnemende werknemers (achtste lid)
Alle in de onderneming werkzame personen die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn kunnen aan het overleg met de ondernemer deelnemen, tenzij zij nog geen zes maanden in dienst zijn.
Instellen van een ondernemingsraad
De ondernemer kan, al dan niet ter uitvoering van een cao (of bij de overheid een regeling van arbeidsvoorwaarden), besluiten in zijn onderneming een ondernemingsraad in te stellen. Daartoe dient hij zijn besluit schriftelijk aan de bedrijfscommissie mee te delen. Zie artikel 5a. Op de ingestelde ondernemingsraad zijn alle artikelen betreffende de ondernemingsraad van toepassing.
Artikel 35c
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 10 personen maar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad is ingesteld, kan een personeelsvertegenwoordiging instellen, bestaande uit ten minste 3 personen die rechtstreeks gekozen zijn bij geheime schriftelijke stemming door en uit in de onderneming werkzame personen.
2. Op verzoek van de meerderheid van de in de onderneming werkzame personen stelt de ondernemer de in het eerste lid bedoelde personeelsvertegenwoordiging in.
3. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, is artikel 5a, tweede lid, derde en vierde volzin, van overeenkomstige toepassing. De artikelen 7, 13, 17, 18, eerste en tweede lid, 21, 22, eerste lid, tweede lid, voor zover het betreft de kosten van het voeren van rechtsgedingen, derde en vierde lid, 22a, 27, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een arbeids- en rusttijdenregeling, en onderdeel d, derde tot en met zesde lid, 31, eerste lid,
32, 35b, vierde en vijfde lid, behoudens de in dat lid bedoelde arbeidsomstandigheden, en zevende lid en 36 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De ondernemer legt een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een arbeids- en rusttijdenregeling, en onderdelen d en m, schriftelijk aan de personeelsvertegenwoordiging voor. Hij verstrekt daarbij een overzicht van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben. De personeelsvertegenwoordiging beslist niet dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal met de ondernemer overleg is gepleegd. Na het overleg deelt de personeelsvertegenwoordiging zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed zijn beslissing aan de ondernemer mee. Na de beslissing van de personeelsvertegenwoordiging deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de personeelsvertegenwoordiging mee welk besluit hij heeft genomen en met ingang van welke datum hij dat besluit zal uitvoeren.
5. De personeelsvertegenwoordiging kan met toestemming van de ondernemer commissies instellen of deskundigen uitnodigen. Ten aanzien van het uitnodigen van deskundigen is toestemming niet vereist, wanneer de deskundige geen kosten in rekening brengt of wanneer de kosten door de personeelsvertegenwoordiging bestreden worden uit een bedrag als bedoeld in artikel 22, derde lid. Heeft de ondernemer toestemming gegeven voor het raadplegen van een deskundige, dan komen de kosten daarvan te zijnen laste.
6. Inlichtingen en gegevens bestemd voor de personeelsvertegenwoordiging, die volgens artikel 31, eerste lid, schriftelijk moeten worden verstrekt, mogen door de ondernemer ook mondeling worden verstrekt. In afwijking hiervan wordt informatie met betrekking tot de arbeidsvoorwaarde pensioen altijd schriftelijk verstrekt, indien de ondernemer de informatie schriftelijk beschikbaar heeft.
7. De ondernemer is verplicht met de personeelsvertegenwoordiging in overleg te treden over de arbeidsvoorwaarde pensioen, indien de personeelsvertegenwoordiging daartoe een met redenen omkleed verzoek doet.
Toelichting
Algemeen
De instellingsgrens voor ondernemingsraden is gesteld op 50 werknemers, ongeacht de omvang van hun dienstverband. In ondernemingen met ten minste 10 maar minder dan 50 werknemers geldt het bepaalde in artikel 35b WOR.
Artikel 35c maakt het mogelijk in een onderneming waarin ten minste 10, maar minder dan 50 personen werkzaam zijn, een personeelsverte-
Art. 35c
VA De medezeggenschap in kleine ondernemingen
genwoordiging te laten kiezen, waaraan de hierna te bespreken bevoegdheden worden toegekend.
Artikel 35d bepaalt dat ook in ondernemingen waarin minder dan 10 personen werkzaam zijn een personeelsvertegenwoordiging kan worden gekozen, in welk geval aan die personeelsvertegenwoordiging beperkte bevoegdheden worden toegekend.
Vrijwillige of verplichte instelling van een personeelsvertegenwoordiging (eerste en tweede lid)
Het eerste lid van artikel 35c bepaalt dat de ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 10 personen maar minder dan 50 personen werkzaam zijn (verder te noemen 10-50-ondernemingen) een personeelsvertegenwoordiging kan instellen. De wet sluit dit vanzelfsprekend uit indien in de betreffende onderneming een ondernemingsraad is ingesteld. De ondernemer is bevoegd een personeelsvertegenwoordiging in te stellen, doch wordt daartoe verplicht indien de meerderheid van de in de onderneming werkzame personen daarom verzoekt. De personeelsvertegenwoordiging wordt bij geheime, schriftelijke stemming gekozen door alle in de onderneming werkzame personen. Artikel 35c bepaalt niet op welke wijze die verkiezingen moeten plaatsvinden. Artikel 9 is niet van overeenkomstige toepassing. Dat betekent onder meer dat aan de vakorganisaties niet hoeft te worden verzocht een kandidatenlijst in te dienen.
Van toepassing verklaarde artikelen (derde lid)
Een aantal artikelen is van overeenkomstige toepassing op de personeelsvertegenwoordiging. Het betreft hier:
– artikel 5a tweede lid, derde en vierde volzin. De ondernemer kan een door hem op grond van artikel 5a ingestelde ondernemingsraad opheffen bij het einde van de lopende zittingsperiode van de raad, indien zich een belangrijke wijziging van de omstandigheden voordoet. Het besluit tot opheffing dient de ondernemer schriftelijk aan de bedrijfscommissie mee te delen;
– artikel 7. De personeelsvertegenwoordiging kiest een voorzitter die de personeelsvertegenwoordiging in rechte vertegenwoordigt;
– artikel 13. Het door de kantonrechter op verzoek van de ondernemer of de personeelsvertegenwoordiging voor een door hem te bepalen termijn uitsluiten van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van alle of bepaalde werkzaamheden van die personeelsvertegenwoordiging;
– artikel 17. Het recht op het gebruik van voorzieningen en het raadplegen van in de onderneming werkzame personen; het vergaderen in arbeidstijd en het behoud van loon over die tijd;
– artikel 18 eerste en tweede lid. Het recht op uren onderling beraad en
VA De medezeggenschap in kleine ondernemingen
vorming en scholing, waarbij echter niet het minimum van 60 uur per jaar respectievelijk vijf of drie dagen per jaar geldt;
artikel 21. Benadeling van de leden van de personeelsvertegenwoordiging;
– artikel 22 eerste en tweede lid. Noodzakelijk te maken kosten en kosten van het voeren van rechtsgedingen, indien de ondernemer tevoren daarvan in kennis is gesteld. Uitdrukkelijk zijn kosten van het raadplegen van een deskundige buiten toepassing verklaard. Aan de personeelsvertegenwoordiging kan een budget worden toegekend;
– artikel 22a. De personeelsvertegenwoordiging kan niet in de proceskosten worden veroordeeld;
– artikel 27 eerste lid onder b voor zover het betreft een arbeids- en rusttijdenregeling en onderdelen d en m, alsmede derde tot en met zesde lid. Het instemmingsrecht van de personeelsvertegenwoordiging is dus beperkt tot een arbeids- en rusttijdenregeling, een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim en het reintegratiebeleid en een klokkenluidersregeling. Het instemmingsrecht van de personeelsvertegenwoordiging ten aanzien van die regelingen is volledig, dat wil zeggen dat zonder zijn instemming invoering of wijziging nietig is en ondernemer of personeelsvertegenwoordiging zich tot de rechter kunnen wenden. Zie ook het vierde lid van dit artikel;
– artikel 31 eerste lid. Informatie die door de ondernemer op verzoek van de personeelsvertegenwoordiging dient te worden verstrekt, zij het dat die informatie op grond van het vijfde lid van artikel 35c mondeling mag worden verstrekt;
– artikel 32. Aan de personeelsvertegenwoordiging kunnen verdere bevoegdheden worden toegekend die worden vastgelegd in een ondernemingsovereenkomst of convenant;
– artikel 35b vierde en vijfde lid. Het eenmaal per jaar bespreken van de algemene gang van zaken en de jaarstukken en het adviesrecht over voorgenomen besluiten die kunnen leiden tot verlies van de arbeidsplaats of tot een belangrijke verandering van de arbeid of arbeidsomstandigheden van ten minste een vierde van de in de onderneming werkzame personen;
– artikel 36. Verzoek aan de kantonrechter tot nakoming van de verplichtingen van de ondernemer op grond van de algemene geschillenregeling.
Bevoegdheden (vierde, vijfde en zesde lid)
De aan de personeelsvertegenwoordiging toegekende bevoegdheden zijn het instemmingsrecht met betrekking tot arbeids- en rusttijden, arbeidsomstandigheden, ziekteverzuim en re-integratiebeleid en de klokkenluidersregeling. Daarnaast wordt aan de personeelsvertegenwoordiging het
Art. 35c
VA De medezeggenschap in kleine ondernemingen
adviesrecht toegekend dat op grond van artikel 35b, vierde en vijfde lid aan de personeelsvergadering toekomt. Dit adviesrecht ziet onder meer op het voorgenomen besluit tot het verlies van arbeidsplaatsen van een kwart van de werkzame personen. Hieruit volgt dat, indien een personeelsvertegenwoordiging is ingesteld, de ondernemer niet verplicht is overeenkomstig artikel 35b bijeen te komen met al zijn werknemers.
De ondernemer dient wel de kosten van het voeren van rechtsgedingen, doch niet de kosten van door de personeelsvertegenwoordiging ingeschakelde deskundigen te betalen. De personeelsvertegenwoordiging kan, indien de ondernemer weigert de kosten van de procedure te betalen, de kantonrechter verzoeken de ondernemer daartoe te veroordelen.
Gang van zaken bij een instemmingverzoek (vierde lid)
In het vierde lid van artikel 35c wordt dezelfde procedure voorgeschreven als in het tweede lid van artikel 27. De ondernemer dient het voorgenomen besluit schriftelijk aan de personeelsvertegenwoordiging voor te leggen; hij dient daarbij een overzicht te verstrekken van de beweegredenen voor het besluit en de gevolgen die het besluit naar verwachting voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben. Tot slot dient hij niet eerder te beslissen dan nadat hij overleg heeft gevoerd met de personeelsvertegenwoordiging over het voorgenomen besluit en hij zijn besluit schriftelijk heeft meegedeeld, daarbij aangevend met ingang van welke datum hij het besluit zal uitvoeren.
Commissies en deskundigen (vijfde lid)
Zoals ook geldt voor ondernemingsraden, kan de personeelsvertegenwoordiging uitsluitend commissies instellen met instemming van de ondernemer. Omdat artikel 15 van de wet niet van overeenkomstige toepassing is verklaard, kan de personeelsvertegenwoordiging bij bezwaar van de ondernemer zich niet tot de kantonrechter wenden. De personeelsvertegenwoordiging kan daarnaast, zonder dat daartoe toestemming van de ondernemer is vereist, deskundigen uitnodigen indien deze geen kosten in rekening brengen, dan wel de kosten kunnen worden besteed uit het budget van de personeelsvertegenwoordiging. Geeft de ondernemer toestemming tot het raadplegen van een deskundige, dan komen de kosten daarmee voor rekening van de ondernemer. Tegen de weigering van de ondernemer toestemming te geven staat geen beroep open.
Mondeling geven van inlichtingen met uitzondering van pensioen (zesde lid) De ondernemer kan de personeelsvertegenwoordiging, anders dan in artikel 31, eerste lid is bepaald, ook mondeling informatie verstrekken. Een uitzondering is opgenomen met betrekking tot het pensioen. Die informatie moet schriftelijk worden verstrekt en indien de personeelsvertegenwoordiging dit wenst moet dit ook worden besproken.
Artikel 35d
1. De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad is ingesteld, kan een personeelsvertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, instellen.
2. De artikelen 5a, tweede lid, derde en vierde volzin, 7, 13, 17, 18 eerste en tweede lid, 21, 22 eerste lid, tweede lid, voor zover het betreft de kosten van het voeren van rechtsgedingen, en derde lid, 22a, 27, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een arbeids- en rusttijdenregeling, onderdeel d, derde tot en met zesde lid, 31 eerste lid, 32 en 36 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 35c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, en het vijfde en zesde lid zijn van toepassing.
Toelichting
De ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel minder dan 10 personen werkzaam zijn (zogeheten 10– ondernemingen) kan een personeelsvertegenwoordiging instellen. Anders dan bij een 10-50 onderneming kan de ondernemer daartoe niet worden verplicht. Wel geldt dat de personeelsvertegenwoordiging uit ten minste drie personen moet bestaan die rechtstreeks bij geheime schriftelijke stemming zijn gekozen.
Bevoegdheden (tweede lid)
Voor een personeelsvertegenwoordiging van een 10– onderneming zijn niet alle artikelen van toepassing verklaard die in artikel 35c van toepassing zijn op een personeelsvertegenwoordiging van een 10-50 onderneming. Zowel artikel 27 eerste lid onderdeel a als b zijn van toepassing op deze personeelsvertegenwoordiging. Daarmee zijn de bevoegdheden op grond van artikel 27 voor de personeelsvertegenwoordiging van een 10–onderneming gelijk aan die van een 10+ onderneming. Artikel 35b, vierde en vijfde lid is daarentegen niet van toepassing verklaard, zodat met de personeelsvertegenwoordiging niet ten minste eenmaal per jaar de algemene gang van zaken hoeft te worden besproken en de ondernemer niet verplicht is zijn jaarrekening ter inzage te leggen en vooral dat de ondernemer niet verplicht is advies te vragen over een voorgenomen besluit dat kan leiden tot verlies van de arbeidsplaats of tot een belangrijke verandering van de arbeid, de arbeidsvoorwaarden of de arbeidsomstandigheden van ten minste een vierde van de in de onderneming werkzame personen.
VI De algemene geschillenregeling
Artikel 36
1. Iedere belanghebbende kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer of de ondernemingsraad gevolg dient te geven aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald omtrent het instellen of in stand houden van een ondernemingsraad, het vaststellen van een voorlopig of een definitief reglement van de ondernemingsraad, de kandidaatstelling voor en de verkiezing van de leden van de ondernemingsraad, alsmede omtrent het bekend maken van agenda's en verslagen van vergaderingen, een en ander voor zover dit van de ondernemer of de ondernemingsraad afhangt.
2. De ondernemingsraad en de ondernemer kunnen de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer, onderscheidenlijk de ondernemingsraad gevolg dient te geven aan hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald, een en ander voor zover dit van de ondernemer onderscheidenlijk de ondernemingsraad afhangt.
3. Een verzoekschrift aan de kantonrechter met betrekking tot de naleving van artikel 25 ten aanzien van een besluit als in dat artikel bedoeld, wordt niet ontvankelijk verklaard, indien blijkt dat de ondernemingsraad voor of na de indiening van het verzoekschrift tegen dat besluit beroep heeft ingesteld bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam.
4. Een verzoek aan de kantonrechter op grond van artikel 27, vierde en zesde lid is niet ontvankelijk indien met betrekking tot dezelfde aangelegenheid een eis is gesteld als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet.
5. De kantonrechter kan in zijn uitspraak aan de ondernemer, onderscheidenlijk de ondernemingsraad de verplichting opleggen om bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Het is de ondernemer verboden een zodanige verplichting niet na te komen. Wanneer de ondernemingsraad een zodanige verplichting niet nakomt, kan de kantonrechter de ondernemingsraad ontbinden, onder oplegging van de verplichting aan die raad tot het doen verkiezen van een nieuwe ondernemingsraad. Blijft de ondernemingsraad in gebreke, dan kan de kantonrechter de ondernemer machtigen een nieuwe ondernemingsraad te doen verkiezen.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de naleving van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald met betrekking tot een centrale ondernemingsraad en een groepsondernemingsraad.
Art. 36 VI De algemene geschillenregeling
Toelichting
Algemeen
Hoofdstuk 6 van de wet is getiteld 'De algemene geschillenregeling' en bevat de artikelen 36 en 36a. De kantonrechter is in dat kader de bevoegde rechter. Naast deze algemene geschillenregeling wordt in een aantal artikelen expliciet verwezen naar de mogelijkheid de kantonrechter een oordeel te vragen, zoals artikel 27 betreffende het instemmingsrecht. Geschillen betreffende het adviesrecht dienen op grond van artikel 26 van de wet aan de Ondernemingskamer te worden voorgelegd, maar zouden op grond van artikel 36 ook aan de kantonrechter kunnen worden voorgelegd. In de praktijk komt dat echter zelden voor. De kantonrechter te Almelo heeft in 2019 een oordeel gegeven over de artikelen 25 jo. 26 jo. 46d inzake het politiek primaat. Meestal wordt een dergelijk oordeel aan de Ondernemingskamer overgelaten (Rechtbank Overijssel 29 januari 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:338, SOWECO). Een andere bevoegde instantie is de SER. De SER is bijvoorbeeld bevoegd tot het verlenen van vrijstelling tot het instellen van een ondernemingsraad (artikel 4). Tot slot dienen geschillen over het nakomen van contractuele afspraken te worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. De geschillenregeling uit artikel 36 leent zich daar niet voor (Gerechtshof Amsterdam, 5 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2202, Das Rechtsbijstand).
Sinds 2013 is de rol van de bedrijfscommissie gewijzigd: de verplichte bemiddeling op straffe van niet-ontvankelijkheid van de verzoeker is afgeschaft. Vanaf juli 2013 zijn daarom de oude leden 3 en 4 van dit artikel komen te vervallen. In deze leden was bepaald dat de bedrijfscommissie eerst om bemiddeling gevraagd moest worden voordat een procedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt kon worden. De bedrijfscommissies kunnen echter nog wel bemiddelen indien partijen dit beiden wensen. De bedrijfscommissies blijven namelijk beschikbaar als laagdrempelige instantie en kunnen een belangrijke rol vervullen bij geschilbeslechting. De bedrijfscommissies profileren zich inmiddels ook steeds meer als bemiddelende instantie. Ook kan gekozen worden voor een andere wijze van bemiddeling, bijvoorbeeld mediation door een externe onafhankelijke en onpartijdige mediator. Vanaf 1 januari 2025 zijn er nog slechts twee bedrijfscommissies, een voor de markt en een voor de overheid.
Geschillen over het instellen van de ondernemingsraad, het vaststellen van het reglement, het houden van verkiezingen, het bekendmaken van de agenda en de verslagen van de vergadering (eerste lid)
Iedere belanghebbende kan de kantonrechter verzoeken de ondernemer of de ondernemingsraad te verplichten hetgeen in de wet is bepaald omtrent deze onderwerpen na te leven. Belanghebbenden zijn: iedere in de onder-
neming werkzame persoon, de vakorganisaties als bedoeld in het tweede lid onder a van artikel 9, de ondernemingsraad en de ondernemer. De vraag of een vakorganisatie “belanghebbende” is komt uitvoerig ter sprake in de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 mei 2015, JAR 2015/112. Conform de wetsgeschiedenis kiest het Hof hier voor een ruime uitleg van het begrip belanghebbende en beantwoordt de vraag in het geval van de vakorganisatie bevestigend. Een werknemer kan ook belanghebbende zijn, bijvoorbeeld indien agenda's en verslagen van overlegvergaderingen niet openbaar worden gemaakt terwijl de werknemer deze wenst in te zien (Rechtbank Amsterdam 1 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2891, Funda).
Indien de ondernemingsraad een spoedeisend belang heeft bij een snelle behandeling van de procedure, dan kan hij in uitzonderingsgevallen – in plaats van een verzoekschriftprocedure – een kort geding aanhangig maken bij de kantonrechter of de voorzieningenrechter van de rechtbank. Hoewel het dan altijd zal gaan om een voorlopig oordeel, creëert een schorsing van het besluit door de kantonrechter tijd om er alsnog onderling uit te komen of een verzoekschriftprocedure te starten (Kantonrechter Limburg 30 juni 2014, JAR 2014/203).
Geschillen tussen ondernemer en ondernemingsraad (tweede lid) Het tweede lid van artikel 36 betreft geschillen tussen ondernemer en ondernemingsraad over de in de wet neergelegde verplichtingen, anders dan die genoemd in het eerste lid van het artikel. Uitsluitend de ondernemer of de ondernemingsraad kunnen verzoeker in deze procedure zijn. Het betreft hier in de eerste plaats verplichtingen tot naleving van de wet, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie (artikel 31) en het betalen van noodzakelijke kosten (artikel 22). En daarnaast onderwerpen waarvoor de wet voorschrijft dat ondernemer en ondernemingsraad afspraken dienen te maken zodat het verzoek derhalve inhoudt dat de verweerder wordt veroordeeld tot het maken van die afspraken. Die onderwerpen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het aantal dagen vorming en scholing, het aantal uren voor onderling beraad (artikel 18) en het betrekken van niet op arbeidsovereenkomst in de onderneming werkzame personen bij het ondernemingsraadswerk (artikel 6).
Samenloop artikel 26 en artikel 36 (derde lid)
In het geval de ondernemer naar het oordeel van de ondernemingsraad ten onrechte geen advies heeft gevraagd, kan de ondernemingsraad zich zowel tot de Ondernemingskamer wenden op grond van artikel 26, als tot de kantonrechter op grond van artikel 36. Het derde lid van artikel 36 bepaalt dat indien de ondernemingsraad reeds beroep heeft ingesteld bij de Ondernemingskamer, het verzoek aan de kantonrechter niet ontvankelijk is. De ondernemingsraad dient derhalve te kiezen. Omdat de Ondernemingskamer in een groot aantal uitspraken heeft beslist dat indien aan de
Art. 36 VI De algemene geschillenregeling
ondernemingsraad ten onrechte geen advies is gevraagd reeds daarom het besluit van de ondernemer kennelijk onredelijk is en daaraan derhalve geen uitvoering mag worden gegeven en het bovendien dient te worden ingetrokken, heeft een procedure bij de Ondernemingskamer de voorkeur boven die bij de kantonrechter. Bovendien beschikt de Ondernemingskamer in de regel over meer expertise met betrekking tot dit onderwerp dan de kantonrechter.
Geen beroep indien een eis is gesteld als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet (vierde lid)
Een besluit van de ondernemer ten aanzien van regelingen op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid is instemmingsplichtig, tenzij ter zake door de Nederlandse Arbeidsinspectie een eis is gesteld als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet. Alleen indien een eis is gesteld vervalt het instemmingsrecht van de ondernemingsraad en is hij dus niet ontvankelijk in zijn verzoek aan de kantonrechter. Ook als een aanwijzing is gegeven of een eis is gesteld komt aan de ondernemingsraad nog het instemmingsrecht toe indien de werkgever in die eis beleidsvrijheid is gelaten. Over zijn keuze binnen die beleidsvrijheid dient de ondernemer de instemming van de ondernemingsraad te vragen.
Sancties van de kantonrechter (vijfde lid)
De kantonrechter kan de ondernemer of ondernemingsraad de verplichting opleggen bepaalde handelingen te verrichten of juist na te laten. Partijen kunnen de kantonrechter ook vragen een dwangsom vast te stellen die verschuldigd wordt indien de door de kantonrechter opgelegde verplichting niet wordt nageleefd. De ondernemingsraad kan echter niet worden veroordeeld tot het betalen van een dwangsom, omdat hij geen eigen vermogen heeft waarop die dwangsom kan worden verhaald. De sanctie die de kantonrechter in dat geval kan toepassen is het ontbinden van de ondernemingsraad onder het opleggen van de verplichting aan de ondernemingsraad nieuwe verkiezingen te organiseren.
Groepsondernemingsraad en centrale ondernemingsraad (zesde lid)
Alle voor de ondernemingsraad geldende regels genoemd in artikel 36 gelden ook voor de centrale en groepsondernemingsraad. Toepassing van het zesde lid van artikel 36 betekent dat de kantonrechter ook een centrale of groepsondernemingsraad kan ontbinden. In dat geval blijven de onderliggende ondernemingsraden buiten het conflict en kunnen zij normaal blijven functioneren. Wel dienen de onderliggende ondernemingsraden mee te werken aan de verkiezing van een nieuwe centrale of groepsondernemingsraad.
Hoger beroep en cassatie
Tegen de beslissing van de kantonrechter kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof. Dat geldt voor alle geschillen waarvoor de kantonrechter de eerste instantie is. Daarna kan cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.
Artikel 36a
Iedere in de onderneming werkzame persoon, met uitzondering van een persoon als bedoeld in artikel 35b, achtste lid, alsmede een vereniging van werknemers, die een of meer in de onderneming werkzame personen onder haar leden telt, die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam is en voorts ten minste twee jaar in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid, kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan artikel 35b.
Toelichting
Artikel 36a betreft de nakoming van het bepaalde in artikel 35b. In artikel 35b wordt aan de ondernemer die een onderneming in stand houdt met tussen de 10 en 50 werknemers de verplichting opgelegd met die werknemers overleg te voeren. Nakoming daarvan kan worden verzocht door iedere in de onderneming werkzame persoon en door vakorganisaties als bedoeld in het tweede lid onder a van artikel 9.
Artikel 37
1. Voor groepen van ondernemingen worden door de Raad, ter behandeling van aangelegenheden betreffende de ondernemingsraden, de centrale ondernemingsraden, de groepsondernemingsraden van deze ondernemingen, de personeelsvertegenwoordiging en de vergadering als bedoeld in artikel 35b, commissies ingesteld, bedrijfscommissies genaamd.
2. Een bedrijfscommissie bestaat uit een door de Raad na overleg met de in artikel 38 bedoelde organisaties van ondernemers en van werknemers te bepalen even aantal leden, ten minste zes bedragende, en een gelijk aantal plaatsvervangende leden.
Toelichting
Sinds 1 september 2010 waren er nog maar drie bedrijfscommissies: de Bedrijfscommissie Markt I voor ondernemingen in de commerciële sectoren, de Bedrijfscommissie Markt II voor ondernemingen in zorg en welzijn en sociaal-culturele sectoren en de Bedrijfscommissie voor de overheid. Vanaf 1 januari 2025 worden de Bedrijfscommissies Markt I en Markt II opgeheven en vervangen door een algemene bedrijfscommissie. Deze nieuwe bedrijfscommissie geldt voor alle sectoren, behalve voor de overheid. Daarvoor blijft de Bedrijfscommissie voor de overheid bestaan. Reden voor de samenvoeging is dat de geschillen die aan de verschillende bedrijfscommissies worden voorgelegd in de regel niet typerend zijn voor de sector waarvoor de bedrijfscommissie is ingesteld. De meeste geschillen zijn terug te voeren op de samenwerking tussen de bestuurder en de medezeggenschap.
De bedrijfscommissies zijn gevestigd bij de SER in Den Haag. De bedrijfscommissies hebben enkel nog een bemiddelende rol op vrijwillige basis.
Artikel 38
1. De leden en de plaatsvervangende leden van een bedrijfscommissie worden voor de helft benoemd door de door de Raad daartoe aangewezen representatieve organisatie of organisaties van ondernemers en voor de helft door de door de Raad daartoe aangewezen representatieve organisatie of organisaties van werknemers.
2. De Raad bepaalt het aantal leden en plaatsvervangende leden dat elke aangewezen organisatie kan benoemen.
Artikel 39
1. De Raad stelt bij verordening nadere regelen omtrent de samenstelling en de werkwijze van de bedrijfscommissies. Daarbij wordt aan deze commissies de bevoegdheid verleend commissies, al dan niet uit haar midden, in te stellen. De bedrijfscommissie kan de aldus ingestelde commissies machtigen haar bevoegdheden uit te oefenen.
2. De Raad stelt voorts regelen omtrent het voorzitterschap van de bedrijfscommissies. Daarbij wordt aan deze commissies de bevoegdheid toegekend, een voorzitter buiten de leden der commissie te kiezen, al dan niet met stemrecht.
Artikel 40
1. Iedere bedrijfscommissie brengt jaarlijks aan Onze Minister en aan de Raad verslag uit van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar.
2. Onze Minister kan regelen stellen ten aanzien van de verslaggeving.
Artikel 41
1. De kosten van een bedrijfscommissie worden, voor zover daarin niet op andere wijze wordt voorzien, door de in artikel 38 bedoelde organisaties van ondernemers en werknemers gedragen, naar evenredigheid van het aantal leden dat zij benoemen.
2. Wanneer een organisatie in gebreke blijft binnen de termijn, door de bedrijfscommissie gesteld, haar bijdrage in de kosten van de bedrijfscommissie te voldoen, kan de Raad de aanwijzing van die organisatie intrekken, onverminderd de aansprakelijkheid van de organisatie tot het betalen van haar aandeel in de reeds gemaakte kosten. Door de intrekking vervalt het lidmaatschap van de bedrijfscommissie van de door die organisatie benoemde leden en plaatsvervangende leden, te rekenen van het tijdstip waarop het besluit van de Raad bij de bedrijfscommissie inkomt.
Artikel 42
Ten aanzien van de voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden van de bedrijfscommissies, alsmede ten aanzien van de personen die met het secretariaat van een bedrijfscommissie zijn belast, is artikel 20, eerste en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 43 (Vervallen)
Artikel 44 (Vervallen)
Artikel 45 (Vervallen)
Artikel 46
1. Indien voor de behandeling van aangelegenheden betreffende een ondernemingsraad, een centrale ondernemingsraad, een groepsondernemingsraad, een personeelsvertegenwoordiging of een vergadering als bedoeld in artikel 35b meer dan één bedrijfscommissie bevoegd zou zijn, wijst de Raad de commissie aan die voor de behandeling van de betrokken aangelegenheden als de krachtens deze wet bevoegde commissie zal optreden.
2. Indien een ondernemer of een aantal in een groep verbonden ondernemers meerdere ondernemingen in stand houdt waarvoor meer dan één bedrijfscommissie bevoegd zou zijn, kan de Raad voor die ondernemingen een afzonderlijke bedrijfscommissie instellen dan wel de commissie aanwijzen die voor de behandeling van de aangelegenheden betreffende de ondernemingsraden, personeelsvertegenwoordigingen en vergaderingen als bedoeld in artikel 35b van deze ondernemingen als de krachtens deze wet bevoegde commissie optreedt.
VIIA Bijzondere taak Sociaal-Economische Raad
Artikel 46a
Onverminderd hetgeen hem is toebedeeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, heeft de Raad tot taak de medezeggenschap in ondernemingen te bevorderen.
Toelichting
Met dit artikel heeft de Sociaal Economische Raad (SER) een nieuwe taak gekregen: het bevorderen van de medezeggenschap (zie ook in dat kader het opschrift van hoofdstuk VIIA: de bijzondere taak van de SER).
Al in 2009 heeft het toenmalige kabinet uitgesproken dat het een goede zaak zou zijn als de SER een grotere rol zou krijgen wat betreft de bevordering en de kwaliteit van de medezeggenschap. In dit kader is de hiervoor reeds verschillende keren genoemde speciale SER-commissie, Commissie Bevordering Medezeggenschap (CBM), opgericht. Deze commissie is belast met de algemene taakopdracht ter bevordering van de medezeggenschap. Dit omvat zowel bevordering van de naleving van de wet als bevordering van de kwaliteit van de medezeggenschap. In de commissie kunnen ook externe deskundigen zitting krijgen. Daarnaast kunnen overheidswerkgevers uitgenodigd worden.
De SER acht het van belang dat de CBM aanbevelingen kan doen aan partijen op decentraal niveau met betrekking tot het gehele terrein van de medezeggenschap. Die aanbevelingen kunnen bijvoorbeeld het belang betreffen van goede scholing voor de kwaliteit van de medezeggenschap en het functioneren van de onderneming, maar kunnen zich ook tot andere onderwerpen uitstrekken. Door middel van aanbevelingen kunnen ondernemers, ondernemingsraden en cao-partijen worden opgeroepen de medezeggenschapsinspanningen voort te zetten dan wel te intensiveren. De aanbevelingen worden gedaan met handreikingen voor toepassing in de praktijk. Behalve het doen van aanbevelingen kan de SER desgevraagd of uit eigener beweging kabinet en parlement van advies dienen over medezeggenschap.
Het bevorderen van kwalitatief goede scholing en vorming van ondernemingsraadleden is een van de onderwerpen waar de CBM zich opricht.
Artikel 46b (Vervallen)
Artikel 46c (Vervallen)
VIIB Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden
bij de overheid
Artikel 46d
Ten aanzien van een onderneming, waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht en ten aanzien van een onderneming die overheidswerkgever is in de zin van de Ambtenarenwet 2017, gelden de volgende bijzondere bepalingen:
a. Voor de toepassing van deze wet wordt als bestuurder in de zin van deze wet niet aangemerkt
1. bij een ministerie: de minister of een staatssecretaris;
2. bij een provincie: de commissaris van de Koning, een lid van gedeputeerde staten of een lid van provinciale staten;
3. bij een gemeente: de burgemeester, een lid van het college van burgemeester en wethouders of een lid van de gemeenteraad;
4. bij een waterschap: de voorzitter, een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of een lid van het algemeen bestuur;
5. bij de Kamers der Staten-Generaal: de voorzitter van de Kamer of een lid;
6. bij de Raad van State: de vicepresident of een lid;
7. bij de Algemene Rekenkamer: de president of een lid van de Algemene Rekenkamer;
8. bij de Nationale ombudsman: de Nationale ombudsman of een substituut-ombudsman.
b. Voor de toepassing van artikel 23, tweede lid, zijn onder de aangelegenheden de onderneming betreffende niet begrepen de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken, behoudens voor zover het betreft de gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen;
c. Voor de toepassing van onderdeel b bij de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, zijn onder de aangelegenheden de onderneming betreffende tevens niet begrepen het beleid ten aanzien van en de uitvoering van de rechterlijke taken als bedoeld in artikel 23, tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, behoudens voor zover het de gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen.
d. De in de artikelen 5, 8, tweede en derde lid, 37, 38, 39 en 41, tweede lid,
Art. 46d VIIB Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid
van deze wet aan de Raad toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door de Minister van Binnenlandse Zaken;
e. Voor de toepassing van artikel 38, eerste lid, kunnen behalve een representatieve organisatie of organisaties van ondernemers ook een of meerdere ministers aangewezen worden;
f. De verordenende bevoegdheid van de Raad, met uitzondering van de bevoegdheid genoemd in artikel 46a, strekt zich niet uit tot ondernemingen waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht;
g. Indien op grond van het bepaalde in onderdeel d de Minister van Binnenlandse Zaken een bedrijfscommissie heeft ingesteld, dient deze onverminderd het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aan de Minister van Binnenlandse Zaken verslag uit te brengen. De Minister van Binnenlandse Zaken doet dit verslag toekomen aan de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid;
h. Voor het behandelen en beslissen van verzoekschriften als bedoeld in artikelen 27 en 36, ter zake van een rechtbank, is bevoegd de kantonrechter bij de volgende rechtbank:
1. terzake van de rechtbank Amsterdam: de rechtbank Noord-Holland;
2. terzake van de rechtbank Den Haag: de rechtbank Rotterdam;
3. terzake van de rechtbank Gelderland: de rechtbank Overijssel;
4. terzake van de rechtbank Limburg: de rechtbank Oost-Brabant;
5. terzake van de rechtbank Midden-Nederland: de rechtbank NoordNederland;
6. terzake van de rechtbank Noord-Holland: de rechtbank Amsterdam;
7. terzake van de rechtbank Noord-Nederland: de rechtbank MiddenNederland;
8. terzake van de rechtbank Oost-Brabant: de rechtbank ZeelandWest-Brabant;
9. terzake van de rechtbank Overijssel: de rechtbank Gelderland;
10. terzake van de rechtbank Rotterdam: de rechtbank Den Haag;
11. terzake van de rechtbank Zeeland-West-Brabant: de rechtbank Limburg.
i. een beroep als bedoeld in artikel 26, eerste lid, ter zake van het gerechtshof te Amsterdam, wordt ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.
Toelichting
Op 1 januari 2020 is de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (kortweg Wnra) in werking getreden. Sindsdien is de rechtspositie van de meeste ambtenaren gelijkgetrokken met werknemers die werkzaam zijn
Art. 46d VIIB Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid
op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Het gevolg hiervan is niet alleen een wijziging in de rechtspositie van deze ambtenaren maar ook een wijziging in het collectieve overleg. Door de inwerkingtreding van de Wnra is het cao-recht namelijk ook van toepassing geworden op deze groep overheidsinstellingen. Bovendien zou het kunnen dat ondernemingsraden in de toekomst een grotere rol gaan spelen bij het arbeidsvoorwaardelijk overleg bij deze ondernemingen. Dit is ook gebeurd in de marktsector en in verband met de lagere organisatiegraad van werknemers bij vakbonden kan dit hier ook gaan plaatsvinden. In veel cao's is namelijk een grotere rol voor ondernemingsraden weggelegd zodat maatwerkoplossingen kunnen worden afgesproken. Tot nu toe is het gelukt om diverse rechtspositieregelingen te vervangen door nieuwe cao's. Denk hierbij aan vervanging van het CAR/UWO en ARAR. Hierdoor is de rol van de vakbonden tot nu toe groot gebleken. Afgewacht moet worden of ondernemingsraden deze rol in de toekomst meer in gaan nemen bij de totstandkoming van nieuwe arbeidsvoorwaarden.
Onderdeel a
De bestuurder oefent alleen dan wel tezamen met anderen de hoogste zeggenschap uit bij de leiding van de arbeid. Bij een ministerie wordt de feitelijke leiding van de arbeid in de praktijk veelal niet door de minister uitgeoefend, maar door hem overgelaten aan bepaalde ambtenaren. Hetzelfde geldt ook voor de gemeenten, provincies, waterschappen, Kamers der Staten-Generaal, Algemene Rekenkamer en Nationale Ombudsman. Ook daar wordt de feitelijke leiding van de arbeid veelal overgelaten aan bepaalde ambtenaren en niet rechtstreeks uitgeoefend door een lid van het college van burgemeester en wethouders, de commissaris van de Koning of een lid van gedeputeerde staten, respectievelijk een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap.
Niet uitgesloten is echter dat in sommige gevallen toch discussie kan ontstaan over de vraag of de rechtstreekse feitelijke leiding bij de arbeid bij een van de genoemde politieke ambtsdragers berust, die dan als bestuurder in de zin van deze wet zou moeten worden beschouwd.
Om elke onduidelijkheid op dit punt uit te sluiten is in onderdeel a van artikel 46d uitdrukkelijk bepaald dat bij de overheid voor de toepassing van de WOR niet als bestuurder in de zin van de WOR zijn aan te merken: een minister of staatssecretaris, een burgemeester, een lid van het college van burgemeester en wethouders, een commissaris van de Koning, een lid van gedeputeerde staten, een dijkgraaf of een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, de voorzitter of een lid van de Kamers der Staten-Generaal, de vicepresident van de Raad van State of een lid en de Nationale Ombudsman of een substituut-ombudsman.
Het feit dat daartoe aangewezen ambtenaren en niet de minister worden aangemerkt als bestuurder in de zin van de WOR, laat vanzelfspre-
Art. 46d VIIB Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid
kend onverlet dat de minister op grond van artikel 44 van de Grondwet politiek verantwoordelijk is en blijft voor de leiding van het ministerie.
Het bovenstaande heeft tot gevolg dat de ondernemingsraad bij de overheid geen adviesbevoegdheid heeft (artikel 30 WOR) ten aanzien van de voorgenomen benoeming of ontslag van een van de genoemde politieke ambtsdragers.
Onderdeel b
Uitgangspunt is dat ondernemingsraden bij de overheid in principe dezelfde medezeggenschapsrechten hebben als die in de marktsector. In beginsel hebben ondernemingsraden bij de overheid dus ook ten aanzien van dezelfde onderwerpen advies- en instemmingsrecht. In artikel 46d onder b wordt echter het aantal onderwerpen beperkt waarover op grond van artikel 23 WOR tussen ondernemingsraad en ondernemer overleg moet worden gevoerd. In de overlegvergadering kan niet aan de orde worden gesteld de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken, behoudens voor zover het betreft de gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen. Hoe ruim of hoe eng dit zogeheten 'politiek primaat' zou moeten worden geïnterpreteerd, is aanleiding geweest tot veel discussie. Uit de letterlijke tekst van de wet zou volgen dat aan de ondernemingsraad over zeer veel besluiten geen advies hoeft te worden gevraagd, omdat die besluiten immers betrekking hebben op de wijze waarop de ondernemer zijn publiekrechtelijke taak uitoefent.
Aan die onzekerheid leek de Ondernemingskamer in zijn beschikking van 17 juli 1997 een einde te hebben gemaakt. De Ondernemingskamer overwoog dat aan overleg met en advies van de ondernemingsraad slechts (voorgenomen) besluitvorming is dan wel kan worden onttrokken, indien en voor zover deze betrekking heeft op belangenafweging en beslissingen waarbij keuzes van politieke – als tegengesteld aan pragmatische – aard ten aanzien van specifieke overheidstaken worden gemaakt. Hoewel ook naar het oordeel van de Ondernemingskamer beslissingen van politieke aard buiten het adviesrecht van de ondernemingsraad vallen, zijn de personele gevolgen daarvan zozeer met dat besluit verbonden, dat, indien zich ingrijpende personele gevolgen voordoen, die splitsing niet kan worden gemaakt en aan de ondernemingsraad dus ook over het politieke besluit het adviesrecht toekomt. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 26 januari 2000 (JAR 2000/30, Provincie Zuid-Holland) die opvatting echter niet gedeeld. De Hoge Raad heeft het politiek primaat die plaats gegeven die naar zijn oordeel de wetgever heeft bedoeld. Dat betekent dat niet tot het adviesrecht van de ondernemingsraad politiek genomen besluiten
VIIB Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid
Art. 46d
behoren, zoals de herindeling van gemeenten, waterschappen, het opheffen van de Dienst kijk- en luistergelden, enzovoort. Ondernemingsraden van respectievelijk de gemeenten, waterschappen en Dienst kijk- en luistergelden hebben, zo volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad, slechts adviesrecht ten aanzien van de personele gevolgen van die besluiten en niet tevens over die besluiten zelf.
Uit de hier besproken beschikking van de Hoge Raad lijkt te volgen dat het politiek primaat uitsluitend van toepassing is indien het besluit door een politiek orgaan en op democratische wijze is genomen. Die veronderstelling is, zo volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 1 maart 2002 (JAR 2002/116, Rijksrecherche), echter ook onjuist. De Hoge Raad overweegt daarin dat het politiek primaat niet alleen geldt voor besluiten die tot stand komen als onderdeel van het politiek proces in democratische organen met (mede) wetgevende bevoegdheden, maar ook voor de desbetreffende besluiten van andere democratisch gecontroleerde overheidsorganen. Ook in de beschikking van 8 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1139, Gemeente Amsterdam, zwembad stadsdeel Zuid) lijkt de Hoge Raad nog eens te bevestigen dat het begrip 'politiek primaat' ruim uitgelegd moet worden. De ruimte voor medezeggenschap binnen de overheid is dus nog altijd gering en wordt zelfs steeds beperkter zoals volgt uit de volgende rechtspraak.
Als – onverplicht – advies is gevraagd aan de ondernemingsraad kan geen beroep worden ingesteld bij de Ondernemingskamer als er sprake is van politiek primaat (OR Gemeente Diemen, OK 19 november 2015, JAR 2016/11 en dit is inmiddels door de Hoge Raad bevestigd in ECLI:NL:HR:2019:397, OR Gemeente Maastricht). In een uitspraak van de Ondernemingskamer van 25 april 2018 (ECLI:NL:GHMS:2018:1586) is bepaald dat de ondernemingsraad van de IND geen adviesrecht heeft over de keuze van locaties van het aantal opvangcentra nu dit een politieke keuze betreft van de regering die voortvloeit uit het regeerakkoord waarin is vastgelegd dat de ketenpartners op een beperkt aantal plaatsen onder één dak gaan werken. Ook een besluit waarin de politie een locatie van het zogeheten ZSM-beleid wilde wijzigen wordt onttrokken aan het adviesrecht van de ondernemingsraad op grond van het politiek primaat. Het besluit kan niet los worden gezien van de publiekrechtelijke taak van de politie om criminaliteit te bestrijden (OK 19 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1337 en bevestigd door de Hoge Raad op 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1235, OR Politie Noord-Brabant). De ruime uitleg van het politiek primaat is ook bevestigd door de Ondernemingskamer eind 2018, waarbij is geoordeeld dat als een besluit een politieke afweging vergt van de daaraan verbonden voor- en nadelen, er geen adviesrecht bestaat voor de ondernemingsraad. In die situatie werd door de directeur-generaal een beslissing genomen over een
175
Art. 46d VIIB Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid werklocatie, welk besluit het beleid en de uitvoering van de publiekrechtelijke taak van de Staat betreft om zorg te dragen voor de huisvesting van ministeries. Zie OK 8 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4104 en bevestigd door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1283). In vergelijkbare zin: Rechtbank Overijssel 29 januari 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:338, waar een oordeel werd gevraagd of de ondernemer advies had moeten vragen aan de ondernemingsraad over het inschakelen van externe deskundigen. Ook dit besluit viel onder het politiek primaat. Bijzonder is dat deze vraag aan de kantonrechter is gesteld op grond van artikel 36 WOR terwijl dit normaal gesproken op grond van artikel 25 jo. 26 WOR aan de Ondernemingskamer wordt voorgelegd. Recent heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat de reorganisatie van een team van de gemeente onderdeel is van de nieuwe inrichting van de ambtelijke organisatie en dit besluit onmiskenbaar een politieke afweging vergt van voor- en nadelen en daarmee onder het politiek primaat valt. Het besluit heeft weliswaar personele gevolgen maar omdat het besluit deze gevolgen nog niet regelt doet de uitzondering 'behoudens personele gevolgen' zich hier niet voor (Ondernemingskamer 9 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3666, Gemeente Achtkarspelen).
Gelet op de beperkte invloed van ondernemingsraden bij de overheid heeft de SER en de Commissie Bevordering Medezeggenschap (CBM) een advies uitgebracht aan de Minister over de reikwijdte van het politiek primaat. De SER/CBM adviseert de volgende stappen, die nader in de wet zouden kunnen worden uitgewerkt. De bestuurder zal (a) de ondernemingsraad tijdig informeren over ontwikkelingen binnen het domein van het politiek primaat, (b) zal met de ondernemingsraad hierover overleggen of aan de ondernemingsraad toelichten waarom een voorgenomen besluit onder het politiek primaat valt en (c) zal daarbij procesafspraken maken over wanneer in het besluitvormingstraject en op welke wijze de ondernemingsraad betrokken zal worden. Daarnaast is het de bedoeling dat de ondernemingsraad het recht krijgt zijn zienswijze op het voorgenomen besluit te geven aan de bestuurder. Of dit advies een vervolg krijgt moet worden afgewacht.
Onderdeel c
Bij de wijziging van de rechterlijke organisatie, waarbij tevens de WOR volledig van toepassing is bij alle rechterlijke colleges met uitzondering van de Hoge Raad, is het bepaalde onder c in artikel 46d WOR opgenomen. Daarin is het politiek primaat voor de rechterlijke macht neergelegd. Het beleid ten aanzien van de rechterlijke taken en de uitvoering daarvan, behoudens voor zover het de gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen, is geen onderwerp voor overleg met en advisering door de ondernemingsraad.
Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid
Art. 46d
Onderdeel d
De overheid is als werkgever niet in de SER vertegenwoordigd. Op dit punt wordt gebruik gemaakt van de voor de marktsector geldende regeling. Het ligt voor de hand dat de taken van de SER door de coördinerend bewindspersoon voor de arbeidsverhoudingen, te weten de Minister van Binnenlandse Zaken, uitgeoefend worden. Dit geldt echter niet voor de in artikel 46 aan de SER toekomende bevoegdheid om bij meerdere bevoegde bedrijfscommissies een keuze tussen deze te maken. Ook bij de bedrijfscommissies bij de overheid blijft de SER in dat opzicht bevoegd, teneinde een competentieconflict te voorkomen.
Onderdeel e
In de artikelen die worden opgesomd in onderdeel d wordt een aantal malen de termen 'organisaties van werkgevers' of 'organisaties van ondernemers' gebruikt en worden aan hen rechten en verplichtingen toegekend. Binnen de overheid bestaan alleen bij de provincies, gemeenten en waterschappen dergelijke organisaties. Onderdeel e bevat een voorziening voor met name de rijksoverheid.
Onderdeel f
Heeft de SER met betrekking tot de taken, genoemd in het eerste lid, een verordenende bevoegdheid, dan strekt deze zich niet uit tot de ondernemingsraden bij de overheid. Daarvoor in de plaats komt de bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken.
Onderdeel h
Indien de ondernemingsraad het verzoek indient is de kantonrechter bevoegd van de locatie waar de ondernemingsraad is gevestigd (waar de werkzaamheden plaatsvinden) of van de locatie waar de ondernemer (rechtspersoon) statutair is gevestigd. Voor ondernemingsraden van rechtbanken is in artikel 46d onder h een bijzondere regeling getroffen met betrekking tot de bevoegde kantonrechter. De wetgever heeft willen voorkomen dat een kantonrechter behorend bij dezelfde rechtbank bevoegd zou zijn te oordelen over een geschil tussen die rechtbank en zijn ondernemingsraad. Na een ingrijpende wijziging van de rechterlijke indeling is in dit onderdeel expliciet opgenomen welke rechtbank in die situatie bevoegd is.
Onderdeel i
Een door de ondernemingsraad van het Gerechtshof te Amsterdam aangespannen procedure op grond van artikel 26 wordt niet door de Ondernemingskamer van dat Gerechtshof, maar door het Gerechtshof te Den Haag behandeld en beslist. Ook voor deze bepaling geldt dat zij tot doel heeft te
Art. 46e VIIB Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid voorkomen dat rechters moeten beslissen over een aangelegenheid die hun eigen onderneming aangaat.
Artikel 46e
1. De in artikel 46d aan de Minister van Binnenlandse Zaken toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend na overleg met de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
2. In het in het eerste lid bedoelde overleg hebben de centrales van overheidspersoneel evenveel stemmen als de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers.
3. Voor een besluit als bedoeld in de artikelen 8, tweede en derde lid, 39 van deze Wet behoeft Onze Minister van Binnenlandse Zaken de instemming van twee derde van de deelnemers aan het in het eerste lid bedoelde overleg. Voor een besluit als bedoeld in de artikelen 5, 37, 38 en 41, tweede lid, van deze Wet behoeft Onze Minister van Binnenlandse Zaken de instemming van de meerderheid van de deelnemers aan het in het eerste lid bedoelde overleg.
Toelichting
Om de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken werkgevers(verenigingen) en de centrales van overheidspersoneel voor de medezeggenschap te benadrukken, dient uitgangspunt te zijn dat deze nauw bij de nadere uitvoeringsregelingen van de wet betrokken zijn. Daarom bepaalt het eerste lid dat de in artikel 46e aan de Minister van Binnenlandse Zaken toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend na overleg met de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel.
Om de betrokken werkgevers(verenigingen) en de centrales van overheidspersoneel evenveel invloed te geven op de besluitvorming over de uitoefening van de aan de Minister van Binnenlandse Zaken toegekende bevoegdheden, bepaalt het tweede lid dat zij in het overleg daarover evenveel stemmen hebben.
In het derde lid wordt onderscheid gemaakt tussen besluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken in algemeen verbindende voorschriften en besluiten die een beslissing in een concreet geval inhouden. Voor besluiten die algemeen verbindende voorschriften bevatten, zoals het vaststellen van nadere regels ten aanzien van de inhoud van ondernemingsraadreglementen voor de overheid (artikel 8, tweede en derde lid WOR) en over de samenstelling van bedrijfscommissies (artikel 39 WOR) is de instemming van twee derde van de deelnemers aan het overleg vereist. Voor
Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid
Art. 46e
besluiten die een beslissing in een concreet geval inhouden, zoals het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad (artikel 5 WOR) en het instellen van een bedrijfscommissie (artikel 37 WOR), is de instemming van de meerderheid van de deelnemers aan het overleg vereist. Deze wijze van besluitvorming over de uitoefening van de aan de minister van Binnenlandse Zaken toegekende bevoegdheden sluit overigens aan bij die van de SER, zoals neergelegd in de Wet op de bedrijfsorganisatie.
Artikel 47
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet.
Artikel 48
1. De ondernemer op wie de verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad rust, treft bij voorlopig reglement, voor zover nodig, de voorzieningen die tot de bevoegdheid van de ondernemingsraad behoren, totdat de ondernemingsraad zelf die bevoegdheid uitoefent. De vereniging of verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a, worden over het voorlopige reglement gehoord.
2. Ten aanzien van het voorlopige reglement is artikel 8, eerste lid, eerste en tweede volzin en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Het voorlopige reglement vervalt op het tijdstip waarop de ondernemingsraad het in artikel 8 bedoelde reglement heeft vastgesteld.
3. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ondernemer of de ondernemers die een centrale ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben ingesteld.
Toelichting
De ondernemer die verplicht is een ondernemingsraad in te stellen, maar er nog geen heeft, moet eerst een voorlopig reglement voor de ondernemingsraad opstellen. Het verdient sterke aanbeveling daarbij het voorbeeldreglement van de SER te volgen. Over het voorlopig reglement dient de ondernemer de vakorganisaties te horen. Op grond van het voorlopig reglement worden de eerste verkiezingen voor de ondernemingsraad gehouden. De in de onderneming werkzame personen en de vakorganisaties kunnen de kantonrechter verzoeken de ondernemer te verplichten een voorlopig reglement op te stellen. Indien de ondernemer een voorlopig reglement heeft opgesteld, dat naar het oordeel van de in de onderneming werkzame personen of de vakorganisaties in strijd is met de wet of een goede toepassing van de wet in de weg staat, kunnen zij, eveneens de kantonrechter verzoeken de ondernemer te verplichten zijn voorlopig reglement aan te passen.
Artikel 49
1. De ondernemer op wie de verplichting tot het instellen van een of
Art. 49a VIII Overgangs- en slotbepalingen
meer ondernemingsraden rust, alsmede de betrokken ondernemingsraden, verstrekken desgevraagd aan een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar inlichtingen omtrent het instellen en het functioneren van deze ondernemingsraden.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ondernemer of de ondernemers die een centrale ondernemingsraad of een groepsondernemingsraad hebben ingesteld, alsmede ten aanzien van die raden.
Artikel 49a (Vervallen)
Artikel 50
Voor de jaren 2006 en 2007 wordt in artikel 25, eerste lid, onderdeel m, voor 'artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b' gelezen: artikel 122d, tweede lid.
Artikel 51
De bedrijfscommissies, door de Raad ingesteld krachtens de Wet op de ondernemingsraden (Stb. 1950, K 174), worden geacht door de Raad te zijn ingesteld krachtens deze wet.
Artikel 52 (Vervallen)
Artikel 53
1. Deze wet is niet van toepassing op de in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde openbare academische ziekenhuizen, Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en Koninklijke Bibliotheek noch op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek. De wet stelt regels omtrent het besluit van het bestuur van een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of deze wet met uitzondering van Hoofdstuk VII B al dan niet van toepassing is op die instelling.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan op voordracht van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden bepaald dat de in de eerste volzin van het eerste lid opgenomen uitzondering niet geldt voor één of meer van de bedoelde instellingen. Daarbij kan tevens worden bepaald dat hoofdstuk VII B van deze wet niet van toepassing is.
3. Hoofdstuk VII B is niet van toepassing op openbare instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs.
4. [Red: Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk on-
derzoek en de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.]
Toelichting
Eerste lid
De onderwijssector valt niet in zijn geheel onder het bereik van de wet. Op instellingen voor het basis-, speciaal en voortgezet onderwijs zijn andere wetten van toepassing zoals de Wet medezeggenschap op scholen (WMS). In tegenstelling tot de Wet op de ondernemingsraden voorziet deze wet tevens in de medezeggenschap van ouders, leerkrachten en leerlingen. Sinds 1 maart 2011 is de WOR wel van toepassing op het beroepsonderwijs (vaak ondergebracht in regionale opleidingscentra, de roc's) en volwasseneneducatie. Naast een ondernemingsraad, bestaande uit personeel van de onderwijsinstelling, bestaat er dan in de regel een medezeggenschapsraad, bestaande uit personeel en ouders. Verder doet de Wet op de ondernemingsraden geen recht aan het eigen karakter van de universiteiten en hogescholen, aangezien de wet niet voorziet in de participatie in het bestuur en de medezeggenschap van studenten. Voor de andere instellingen van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, te weten de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het zogenoemde Convenant II met de centrales van overheids- en onderwijspersoneel de afspraak gemaakt dat hij de medezeggenschap bij die instellingen zal vergroten door te bevorderen dat bij die instellingen de bestaande medezeggenschapsorganen zullen worden vervangen door ondernemingsraden conform de WOR. Ingevolge de AMVB van 14 juli 1996, Stb. 1996, nr. 315, is de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing verklaard op:
a. de Open Universiteit;
b. de openbare academische ziekenhuizen;
c. de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en de Koninklijke Bibliotheek;
d. de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.
Het besluit van 14 juni 1996 is op 17 augustus 2005 ingetrokken, maar met terugwerkende kracht eind 2005 weer van toepassing verklaard. Dat betekent dat met een korte onderbreking de WOR van toepassing is gebleven op de Open Universiteit, de openbare ziekenhuizen, de Koninklijke Academie van Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek.
Art. 53a VIII Overgangs- en slotbepalingen
Tweede lid
Artikel 53, tweede lid, opent de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur deze instellingen op een later moment alsnog onder de wet te brengen. Bij die algemene maatregel van bestuur kunnen voor genoemde instellingen de bijzondere bepalingen van hoofdstuk VII B buiten beschouwing worden verklaard.
Deze mogelijkheid wordt wenselijk geacht in verband met het volgende. In de sector onderwijs en wetenschappen bestaat de unieke situatie dat bepaalde onderdelen die vergelijkbaar zijn met de in artikel 53, eerste lid, bedoelde groep reeds lang onder de werking van de wet vallen zonder dat daarvoor bijzondere bepalingen zijn vastgesteld. Uit oogpunt van uniformiteit van medezeggenschap tussen vergelijkbare sectoronderdelen ligt het dan niet voor de hand dat onderdelen die alsnog onder de wet worden gebracht, onder een afwijkend WOR-regime vallen.
Voorts speelt het primaat van de politiek bij de in artikel 53, eerste lid, bedoelde onderdelen niet een zelfde rol als bij de ministeries, provincies en gemeenten. De bedoelde onderdelen vervullen namelijk geen typische overheidstaken. Daarin behoeft dus geen belemmering te worden gezien voor het buiten toepassing verklaren van de bijzondere bepalingen van hoofdstuk VII B ten aanzien van de desbetreffende onderdelen.
Derde lid
In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek zijn enkele bepalingen betreffende medezeggenschap opgenomen. Om te voorkomen dat er een dubbel medezeggenschapsregime op de instellingen van toepassing zal zijn, dienen deze bepalingen bij wet te worden ingetrokken. Hierin voorziet het derde lid van artikel 53. Opgemerkt zij nog dat de bijzondere academische ziekenhuizen uitdrukkelijk niet onder de uitzondering van dit artikel begrepen zijn, zodat daarvoor de WOR blijft gelden.
Artikel 53a
Deze wet is niet van toepassing op het Ministerie van Defensie en de daaronder ressorterende diensten, bedrijven of instellingen.
Artikel 53b
Deze wet is niet van toepassing op de rechterlijke ambtenaren werkzaam bij de Hoge Raad.
Artikel 53c
Deze wet is niet van toepassing op: a. de leden van de Raad van State;
Overgangs- en slotbepalingen
b. de leden van de Algemene Rekenkamer; c. de Nationale Ombudsman en de substituut-ombudsmannen
Artikel 54
1. Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de ondernemingsraden.
2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 28 januari 1971 JULIANA
De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, B. Roolvink
De minister van Justitie, C.H.F. Polak
De staatssecretaris van Economische Zaken, L.J.M. van Son
Uitgegeven de achttiende februari 1971
De minister van Justitie, C.H.F. Polak
A
aandelen, overdracht van 84 aanstellingsregeling, instemmingsrecht OR 114 aantal OR-leden 32 aanwezigheidsregistratie, instemmingsrecht OR 116 academische ziekenhuizen, WOR 183 achterban 52 – raadplegen 52 actief kiesrecht 32 advies – geschillen 161 – kleine ondernemingen 151 adviesaanvraag - geldigheid 76 – procedure 94 – tijdstip 92 adviesopdracht verstrekken – adviesrecht OR 92, 133 adviesrecht 80 e.v. – bij overheid 174 – personeelsvertegenwoordiging 155 afstoten ander bedrijf, adviesrecht OR 85 aftreden OR-leden 43 agenda, overlegvergadering 73 algemene bepalingen 11 algemene gang van zaken 75 - informatieverstrekking 132 allochtonen, gelijke behandeling 121 ambtelijk secretaris, rechtspositie 60 ambtenaren, rechtspositie 172 arbeids- en rusttijdenregeling - instemmingsrecht OR 111 – kleine ondernemingen 155
Arbeidsinspectie, vergezelrecht 55 arbeidskrachten inlenen, adviesrecht OR 90 arbeidsomstandigheden - kennis nemen van 55 - kleine ondernemingen 155 arbeidsomstandighedenregeling, instemmingsrecht OR 113 Arbeidsomstandighedenwet, beroep 162 arbeidsovereenkomst overheid 173 arbeidstijdenregeling 111 arbeidsvoorwaarden – bij de overheid 117 – instemmingsrecht OR 108 – overleg kleine ondernemingen 152 - zie ook beloning, loon arbeidsvoorwaardenregeling, instellen OR 29
B
bedrijfscommissies 165 e.v. – algemene bepalingen 17 - kosten 166 – rol bij geschillen 160 - voor de overheid 165 bedrijfsmaatschappelijk werk, instemmingsrecht OR 115 bedrijfstakpensioenfonds, instemmingsrecht 120 beëindiging onderneming, adviesrecht OR 86 belangenbehartiging, individuele 22 belanghebbenden, verzoek kantonrechter 160 belangrijk, omschrijving begrip 82
belangrijke besluiten, adviesrecht OR 81 belonen, informatieplicht 134 beloning bestuurders, informatieplicht 134 beloningssysteem, instemmingsrecht OR 112 benadeling - bescherming tegen 59 – leden PVT 155 benoemen bestuursleden, adviesrecht OR 123 beoordelingssysteem, instemmingsrecht OR 115 beroep – besluit ondernemer 100 - instellen, OR 100 – ontheffing van instellen OR 28 beroepsprocedures, bovenwettelijke bevoegdheden 139 besluit ondernemer – adviesrecht OR voorgenomen - 92 – beroep tegen 100 – na advies OR 96 bestuurder – algemene bepalingen 16 – informatieplicht over beloning van 134 – overheid, adviesbevoegdheid OR 173 bestuursleden – adviesrecht OR 123 – overlegvergadering 77 – van instelling, aanwijzing OR bevoegdheden 122 – bijzondere 79 e.v. - binnen de onderneming, adviesrecht OR 88 – COR/GOR 146 – OR, verdere 137 e.v. – overdragen, stimuleren 121 – personeelsvertegenwoordiging 155 – personeelsvertegenwoordiging 10-min 157
bevordering medezeggenschap, taak SER 169
bevorderingsbeleid, instemmingsrecht OR 114 bijeenroepen overlegvergadering 68
bijzondere bevoegdheden OR 79 e.v. bovenwettelijke bevoegdheden OR 138 - en beroep 139 budget 65 C
CAO, keuzemogelijkheden 117 cao-geregelde zaken, bevoegdheden OR 138 cao-geregelde zaken, bevoegdheden OR 139 cassatie, geschillen 163 centrale ondernemingsraden (COR) 141 e.v. – bevoegdheden 146 – geschillen 162 – rechten 147 collectief ontslag, vakbond raadplegen 93 collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) – bevoegdheden OR 138 – instellen OR 29 commissarissen, overlegvergadering 77 commissies 47 – instellen 48 – personeelsvertegenwoordiging 156 – uitsluiting werkzaamheden van 50 concern, instelling GOR/COR 142 convenant – kleine ondernemingen 155 - verdere bevoegdheden OR 138 Convenant II 183 COR-lid, einde lidmaatschap 145
188
D definities 11 deskundigen – commissies 50 – kosten 63 – overlegvergadering 73 – personeelsvertegenwoordiging 156 detachering, algemene bepalingen 18 discriminatie, tegengaan 121 duurzame samenwerking 85
E eigenrisicodragen WIA, adviesrecht OR 91 einde lidmaatschap - COR/GOR-leden 145 - OR-leden 43
F faciliteiten OR 51 – kosten van 62 - zie ook voorzieningen faillissement, adviesrecht OR 84 financieel-economische informatie 129, 130 financiële gegevens verstrekken 129 functiewaarderingssysteem, instemmingsrecht OR 112 fusie, adviesrecht OR 86, 93
G gedetacheerde werknemers, algemene bepalingen 18 gegevens verstrekken 125 e.v. gehandicapten, gelijke behandeling 121 geheime stemming – OR-verkiezingen 37 – personeelsvertegenwoordiging kiezen 154 geheimhouding - sociaal plan 95 - verplichting tot 57
gelijke behandeling, stimuleren 121 gemeenschappelijk belang, COR/ GOR 146 gemeenschappelijke ondernemingsraad 13 – instellen 23 geschillen, bij overheid 165, 177 Geschillenregeling 159 e.v. GOR, zie groepsondernemingsraad
groep werknemers, het begrip 108 groep, definitie 134 groepen, beloning 134 groepsbelang 108 groepsgewijs werven/inlenen arbeidskrachten, adviesrecht OR 90 groepsmaatschappijen, jaarrekening 130 groepsondernemingsraad (GOR) 14, 141 e.v.
– bevoegdheden 146 – geschillen 162 - leden, einde lidmaatschap 145 – rechten 147 groepsverbonden ondernemers, instelling GOR/COR 141 grootaandeelhouders, bestuurder 135
H
Harrewijn, Wet 133 hoger beroep, geschillen 163 hoger onderwijs, WOR 183 Huis voor klokkenluiders, Wet 116
I in de onderneming werkzame personen – het begrip 17 – zie ook werknemers informatie verstrekken 125 e.v. informatieplicht 126 – internationale ondernemingen 127
– kleine ondernemingen 151 - pensioenovereenkomst 136 - te verstrekken gegevens 127 informatierecht 70, 126
- personeelsvertegenwoordiging 155 informatievraag 126 initiatiefrecht - overlegvergadering 69 - t.b.v. stimulerende taak 121 inkomens, informatieplicht 134 inkrimping onderneming, adviesrecht OR 87 instellen ondernemingsraad (OR) 21 e.v.
- geschillen 160 - personeelsvertegenwoordiging 154 instellingsvereiste 22 instemming, procedure 117 instemming ondernemer, reglement 33, 35 instemmingsrecht – bij overheid 174 - onderwerpen 107 - personeelsvertegenwoordiging 155 instemmingsverzoek 156 integrale stelsels, verkiezingen 40 internationale ondernemingen, informatieplicht 127 investeringen, adviesrecht OR 90
J jaarrekening, informatie verstrekken 129 jaarstukken, kleine ondernemingen 155 joint venture, instelling GOR/ COR 142 K kandidaatstelling - procedure 39 - verkiezingen 35, 39 kandidatenlijsten, verkiezingen 37
kantonrechter – geschillen 160 – sancties, geschillen 162 kennelijk onredelijk besluit 102 kiesgroepen, verkiezingen 38 kiesgroepenstelsel, verkiezingen 40 kiesrecht 32 klachtenregeling, instemmingsrecht OR 115 kleine ondernemingen, medezeggenschap in 149 e.v. klokkenluidersregeling 116 - personeelsvertegenwoordiging, en de WOR 155
Koninklijke Bibliotheek, WOR 183
Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, WOR 183 kosten – kleine ondernemingen 155 - OR-taak 62 - personeelsvertegenwoordiging 155 krediet aantrekken/verstrekken 90
L ledenaantal, GOR/COR 144 lijstenstelsel - tussentijdse verkiezingen 41 - verkiezingen 40 loon over vergaderuren 53
M marginale toets 103 mede-ondernemer, het begrip 14 medezeggenschap - bevordering taak SER 169 – kleine ondernemingen 149 e.v. medezeggenschapsrechten, uitzendkrachten 18 meerjarenplan, informatie verstrekken 130 melden, misstanden 116 milieuzorg – adviesrecht OR 91
190
– bevorderen 121
Minister van Binnenlandse zaken, bevoegdheden 178
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het begrip 12 misstanden melden 116 mondeling informeren, personeelsvertegenwoordiging 155
N naleving voorschriften, bevorderen van 121 Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, WOR 183
negatieve accountantsverklaring 131 niet op arbeidsovereenkomst werkzame personen 33 nietigheid besluit - instemmingsrecht OR 118 - procedure na 119 notulen, bekendmaking 46
O onderdeelcommissie 49 – overlegvergadering 74 onderling beraad 46, 54 ondernemer, het begrip 13 ondernemersvertegenwoordiging, overlegvergadering 70 onderneming, het begrip 12 ondernemingen, verbonden 23 Ondernemingskamer 160 – beroep instellen bij 100 ondernemingsovereenkomst, verdere bevoegdheden OR 138 ondernemingsraad (OR) – bij overheid 171 e.v. – bijzondere bevoegdheden 79 e.v. – geschillen met ondernemer 161 – instellen 21 e.v. – kleine ondernemingen, instellen 152 – samenstelling en werkwijze 31 e.v.
onderwerpen overlegvergadering 68 onderwijssector, reikwijdte WOR 183 ontheffing, instellen OR 27 ontheffingsbesluit SER, beroep tegen 28 ontslag bestuursleden, adviesrecht OR 123 ontslagbescherming 47 – ambtelijk secretaris 60 – OR-leden 61 – uitzonderingen 61 ontslagregeling, instemmingsrecht OR 114
Open Universiteit, toepassing WOR 183 opleidingsregeling, instemmingsrecht OR 114 opschortingstermijn, besluit ondernemer 98 opzegverbod, uitzonderingen 61 organogram, informatieplicht 127 overdracht van zeggenschap, adviesrecht OR 83 overheid – arbeidsvoorwaarden 117 – bijzondere bepalingen 171 e.v. overheidsCAO– instellen OR 29 overleg – kleine ondernemingen 150 – ondernemer en OR 67 e.v. – personeelsvertegenwoordiging 151 overleg kleine ondernemingen, naleving 163 overleg, COR/GOR 146 overlegvergadering 67 e.v. – besluiten tijdens 73 – frequentie van 75 - gang van zaken 73 – zie ook: vergadering P passief kiesrecht 32
pensioen
- informatieplicht 110 - instemmingsrecht 120 – overleg kleine ondernemingen 152 pensioenleeftijd, aanpassen 110 pensioenovereenkomst - informatieplicht 136 - instemmingsrecht 109 pensioenverzekering, instemmingsrecht OR 109 Pensioenwet, bestuurders 122 personeelsbeoordeling, instemmingsrecht OR 115 personeelsgegevens, instemmingsrecht OR 115 personeelsgroepen, vertegenwoordiging verschillende 144 personeelsinformatiesystemen, instemmingsrecht OR 116 personeelsopleiding, instemmingsrecht OR 114 personeelsvergadering 151 personeelsvertegenwoordiging (PVT) 153, 154
- en de WOR 154 personeelsvolgsystemen, instemmingsrecht OR 116 personenstelsel
- tussentijdse verkiezingen 41 - verkiezingen 40 plaatsvervangende leden – GOR/COR 144 - OR, aantal leden 32 politiek primaat, OR bij overheid 174 primaire arbeidsvoorwaarden, instemmingsrecht OR 108 privacy, instemmingsrecht OR 115 procedures 35 – kosten 64 – op grond van artikel 18 56 – uitslag verkiezingen 40 - verkiezingen 39 – werkwijze OR 34 – zie ook rechtsgeding
proceskosten 66 publiekrechtelijk geregelde zaken, bevoegdheden OR 139 publiekrechtelijke regeling, bevoegdheden OR 138 PVT, zie personeelsvertegenwoordiging
R raadplegen, achterban 52 rechten
- GOR/COR 147 - en procedures (PVT) 154 - uitzendkrachten 18 rechterlijke macht, politiek primaat 176 rechtsgedingen, kosten 66 rechtspositie, ambtenaren 172 redelijkerwijs, kosten 62 regelinag/systeem, instemmingsrecht OR 107 regelingenboek 46 reglement OR 45 - instellen OR 181 - instemming ondernemer 33, 35 – overheid 178 - tussentijdse vacatures 35, 39, 41
– vaststellen 35 reorganisatie, adviesrecht OR 88 rooster van aftreden 42 S samenstelling GOR/COR 144 samenvoeging van ondernemingen, instellen GOR 23 sancties – kantonrechter 162 – Ondernemingskamer 104 scholing OR-leden 55 - aantal dagen 55 – kosten 65 schorsing, overlegvergadering 74 secretaris OR 51 - overlegvergadering 72
SER - geschillen 160 - overheid en de 176 – taken medezeggenschap 169 sociaal beleid, informatie verstrekken 132 Sociaal Economische Raad (SER), het begrip 12 sociaal plan 94, 97 spaarregeling, instemmingsrecht OR 111 splitsing van ondernemingen, instellen OR 25 stimulerende taak OR 121
T technologische voorziening, adviesrecht OR 91 termijnen, kiesrecht 33 tien-min-ondernemingen, personeelsvertegenwoordiging instellen 157 toekomstbespreking, financiële informatie 130 toezichthouder, informatieplicht over beloning van 134 tussentijdse vacatures, reglement 35, 39, 41 tussentijdse verkiezingen, stelsels 41 U uitbreiding onderneming, adviesrecht OR 87 uitsluiten – commissieleden 50 – OR-leden 43 uitvoeringsadvies, besluit ondernemer 98 uitvoeringsovereenkomst - pensioen bestuurder 136 - pensioenen 120 uitvoeringsreglement, pensioenen 120
uitzendkrachten 132 – algemene bepalingen 18 uitzendovereenkomst 18 universiteiten, toepassing WOR 183
V
vakantieregeling, instemmingsrecht OR 111 vakorganisatie - belanghebbende 161 - kandidatenlijst indienen 37 vaste commissie 48 vergaderen, werktijd 53 vergadering 53 vergaderuren, loon 53 vergezelrecht 55 verhuizing onderneming, adviesrecht OR 89 verkiezingen 37 – personeelsvertegenwoordiging 154 - procedures 37 verkiezingsuitslag – bekendmaking van 41 – reglement OR 41 verslag, overlegvergadering 73 vervangende goedkeuring 118 vervanging ondernemer, overlegvergadering 70 verzoekschrift, beroep 102 vestigen zeggenschap, adviesrecht OR 85 voorbeeldreglement SER 46 voorbereidingscommissie 49 voorgenomen besluit – adviesrecht OR 92 - kleine ondernemingen 155 voorlopig reglement, instellen OR 181 voorwaardelijk advies 83 voorzieningen OR 51 – kosten van 62 - zie ook faciliteiten voorzitter – kiezen 33
– overlegvergadering 72 vorming OR-leden 55 - aantal dagen 55 – kosten 65 vrijwillig instellen - ondernemingsraad 39 - personeelsvertegenwoordiging 154
W WAADI 132 werkgeversvereniging, overheid 178 werknemers, het begrip 17 werkoverleg – bevorderen 121 – instemmingsrecht OR 115 werktijdenregeling, instemmingsrecht OR 111 werkwijze
- OR, procedures 35 - COR/GOR 145
Wet collectief ontslag 93
Wet medezeggenschap scholen 183
Wet Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek 184
Wet normalisering rechtspositie ambtenaren 172
Wet op het hoger onderwijs, medezeggenschap 184 wijzigingen in onderneming, adviesrecht OR 87 winstdelingsregeling, instemmingsrecht OR 111
Wnra 172
Z zeggenschap veranderen, adviesrecht OR 85 zeggenschapsverhoudingen, internationale ondernemingen 127 ziekenhuizen, WOR 183 ziekteverzuim, kleine ondernemingen 155
ziekteverzuimregeling, instemmingsrecht OR 113 zittingsduur OR-leden 42