Skip to main content

Voorleesverhaal libellewedstrijd

Page 1

vignet vignet

voorleesverhaal

Een lang, maar nu niet meer vergeten sprookje dat ook weleens ’De houthakker en de boom’ wordt genoemd.

K

arel was een jonge houthakker uit Houthalen. Hij was een boom van een kerel, van niets of niemand bang en ijzersterk. Hij was wat je noemt ’stoer’. Of beter: heel stoer. Hij woonde alleen in een houten hut aan de rand van het bos en was dol op houthakken. Met zijn bijl in de hand trok hij elke morgen het bos in. Hij begon bomen om te hakken en hield pas laat in de avond weer op. Hij hakte de hele dag door. De bossen waar hij kwam, veranderden snel in een kale woestenij. Elke avond maakte hij een gezellig houtvuurtje en roosterde een stuk vlees. Dan keek hij nog wat tv, het liefst naar een

waarts. Onderweg kwam hij Roodkapje tegen. ”Zeg Roodkapje,” vroeg Karel, ”waar ga jij heen, zo alleen?” ”Ik ga bij grootmoeder koekjes brengen, in het bos, in het bos”, antwoordde Roodkapje. ”Het spijt me,” zei Karel, ”dat zal niet gaan, want het bos is weg. Ik heb het omgehakt.” ”Niet waar”, zei Roodkapje. Ze wees naar een boom en inderdaad… ­midden in de vlakte stond nog een boom overeind. Een grote dikke robuuste eik. Karel keek er met grote ogen naar. Hoe had hij die boom over het hoofd kunnen zien? Hij begreep het niet.

Karel begreep niet goed wat er gebeurde. Zoiets had hij nog nooit gevoeld. Zijn hart klopte sneller. Zou hij... zou hij verliefd op een boom zijn? stoer sportprogramma. Hij kroop elke avond moe maar voldaan in bed. Op een mooie zonnige morgen trok Karel het bos in. De vogeltjes floten een vrolijk deuntje. Wisten die arme dieren veel dat binnen ­enkele uren hun nesten en boomholtes door Karels bijl tot houtsplinters verhakkeld ­zouden zijn. Karel was een boom aan het ­omhakken toen plotseling twee kabouters hun hoofd uit het mos staken. ”Hallo Karel”, riepen ze. Karel keek hen boos aan. ”Het spijt me, maar jullie mogen niet ­meespelen in dit verhaal. Ik geloof niet dat kabouters bestaan. Ik hou niet van verhalen met kabouters! Ik vind ze meestal erg saai.” De kabouters trokken teleurgesteld hun hoofd weer in. Karel hakte er verder lustig op los en keek op het einde van de dag tevreden rond. Weer een bos tegen de vlakte! Moe keerde hij huis-

96 libelle mama!

”Hé pssst!” riepen opeens twee stemmetjes. Het waren de kabouters weer. ”Hebben jullie mij daarnet niet begrepen? Wegwezen! Snel!” riep Karel boos tegen de kabouters. Ze trokken hun hoofd bang weer weg. ”Ga je die boom omhakken?” vroeg ­Roodkapje. ”Ja natuurlijk”, antwoordde Karel. ”Waarom?” vroeg Roodkapje. ”Houthakken is wat ik doe.” ”Maar is dat wel… goed?” ”Heeft niks met goed of slecht te maken!” zei Karel boos. ”Iedereen doet wat ie doet. De bakker bakt brood. De bouwvakker bouwt huizen. Roodkapje brengt koekjes naar haar grootmoeder ook al weet ze heel goed dat de boze wolf daar op haar wacht. De houthakker hakt bomen om!” ”O, maar ik ben niet bang voor de wilde dieren hoor, ’k ben niet bang, ’k ben niet bang.” ”Tuurlijk niet, jouw sprookje eindigt met lang en gelukkig, maar wie zegt dat dit sprookje

ook zo eindigt?” Roodkapje begreep niet wat hij bedoelde. Ze vond Karel soms een rare snuiter en ­vervolgde haar weg. Karel pakte zijn bijl. ”Die ene boom nog”, mompelde hij en hij wandelde naar de boom die overeind was blijven staan. ”Hela Karel”, riepen twee kabouters. Karel draaide zich boos om en riep: ”Ik zei toch dat ik geen kabouters in dit verhaal wil!” De twee kabouters kropen bang weg. Karel stapte op de boom af. Hij hief zijn bijl op, maar liet die toen langzaam zakken. Wat een mooie schors heeft deze boom, dacht hij. Hij zette enkele passen achteruit en keek bewonderend naar de eik. Het was een grote en trotse boom met prachtige ­takken en bladeren. Ze kronkelden in grillige bochten en hoeken omhoog, de lucht in. Sommige takken waren dik en robuust, ­andere dun en breekbaar. Karel begreep niet goed wat er gebeurde. Zoiets had hij nog nooit gevoeld. Zijn hart klopte sneller. Hij kreeg het warm vanbinnen. Zou hij… zou hij verliefd op de boom zijn? Nee, dat kon niet. Dat kon niet en het mocht

libelle mama! 97


voorleesverhaal

”Ja Karel, ik ben het… Ik heet Ekina.” ”Ekina…?” fluisterde Karel. ”Bomen praten toch niet?” ”Toch wel”, antwoordde de eik. ”Als je maar goed luistert.” Karel voelde zijn hart sneller bonzen. ”Ik geloof dat ik verliefd op je ben”, zei hij tegen de boom. ”Wil je het met me aanmaken?” Maar Ekina weigerde. Ze wilde geen ­houthakker als lief. Ook al vond ze Karel knap en stoer, zolang hij houthakker was, ­wilde ze niet. ”Maar houthakken is wat ik doe.” ”Jammer”, zei Ekina.

niet. Dit kon hij niet voelen. Houthakkers worden niet verliefd op bomen. Ze hakken bomen om. Dat is wat houthakkers doen en daarmee uit! Hij hief zijn bijl weer op, klaar om het lemmet in de stam te planten, maar aarzelde weer. Hij bleef enkele minuten met de bijl boven het hoofd geheven staan.

Karel stoof op en riep boos: ”Oprotten! Stelletje idiote kabouters!” De kabouters stoven bang weg. ”Karel?” fluisterde toen iemand, heel zacht, niet luider dan het ruisen van de bladeren. Karel keek op. Hoorde hij dat goed? Het leek wel alsof de wind tegen hem sprak. ”Karel?” klonk het weer, niet luider

”Wil je het met me aanmaken?” vroeg Karel aan de mooie eik. Maar ook al vond Ekina hem knap en stoer, z­ olang hij houthakker was, wilde ze niet Toen liet hij de bijl weer zakken. Hij kon het niet. Hij kon deze boom niet omhakken. Iets hield hem tegen. Een gevoel. Iets dat sterker was dan hij ooit gekend had. Karel zuchtte. Hij liet zich tegen de boom neerzakken. ”Hé pssst… Karel…” hoorde hij toen.

98 libelle mama!

dan een zucht. Karel keek geschrokken rond. Probeerden die kabouters hem een poets te bakken? ”Ik ben het Karel…” Karel werd bleek. Het was de boom. De eik praatte tegen hem.

De houthakker keerde terug naar huis. Hij voelde zich verdrietig. Hij was helemaal de kluts kwijt en wist niet meer hoe het met zijn leven verder moest. Hij kwam soms dagenlang zijn huis niet uit. Dan zat hij daar maar in de sofa en keek tv. Of hij bleef tot laat in de dag in bed liggen. Hij voelde zich moe en futloos en had geen zin meer om bomen om te hakken. Ik ben waardeloos, dacht hij bij zichzelf. Een houthakker die geen bomen hakt is als een bakker die geen brood meer bakt. Wat heb je daaraan? Niets. Je gaat toch ook niet naar de bakker om geen brood te kopen? ”Hallo beste bakker, mag ik geen brood ­vandaag?” Waardeloos! Karel was zo hard in de war dat hij de was vergat binnen te halen als het regende. Hij vergat te zingen onder de douche. Hij ­vergat zijn pyjama aan te doen en kroop in zijn kleren in bed. Roodkapje had medelijden met hem. Ze probeerde hem samen met de Boze Wolf op te monteren door een liedje voor hem te zingen en een dansje voor hem te doen. Ze deden echt hun best, maar er kon geen lach af bij Karel. Zelfs geen glimlach. De Boze Wolf voelde zich beledigd. ”Ik weet wel dat ik vals zing,” zei hij, ”maar ik doe mijn best. Kan er zelfs geen klein applausje af?” Hij was echt boos, maar dat is de Boze Wolf natuurlijk altijd. Daarom heet hij ook de Boze Wolf. Mocht hij lief zijn, dan zou iedereen hem de Lieve Wolf noemen. Maar nee hoor.

Hij brieste boos dat hij Karel een onvriendelijke kerel vond en at toen alle koekjes van Roodkapje op. De Boze Wolf schrokte erop los en Karel maakt zich kwaad. Hij vond dat de Boze Wolf zijn manieren moest houden. Hij kruimelde op de grond alsof hij thuis was. ”Dat is heel erg onbeleefd”, zei Karel. De Boze Wolf vond dat niet leuk. Hij heet immers niet de Ongemanierde Wolf. Daarom pakte hij de stofzuiger en zoog de kamer van Karel helemaal schoon. Hij stofte zelfs de kasten en lapte alle ramen. Zomaar. Om te bewijzen dat hij goede manieren had. Maar in plaats van hem te bedanken, klaagde Karel dat hij het niet goed deed. Er stonden nog strepen op de ramen en er lag nog stof op sommige kasten. Zo boos was de Boze Wolf nog nooit geweest. De twee begonnen bijna te vechten, maar Karel zei dat hij niet van verhalen hield waarin gevochten werd. ”Ook geen kussengevechten?” vroeg de Boze Wolf boos. Karel dacht even na. ”Dat kan misschien leuk zijn”, zei hij toen. Roodkapje stemde daarmee in. ”Ik ben dol op verhalen met kussengevechten”, kirde ze vrolijk. Toen begonnen Karel en de Boze Wolf aan een kussengevecht dat uren duurde. Ze kregen er maar niet genoeg van. Ze sloegen en mepten wild in het rond met de hoofdkussens van Karel. Af en toe kreeg Roodkapje ook een flinke tik. Ze gierden het uit van de pret. Het was zo leuk dat de Boze Wolf vergat dat hij boos was. Hij werd er zowaar vrolijk van, maar dat maakte hem onmiddellijk weer boos en opstandig. Hij wilde niet de Vrolijke Wolf zijn, gooide daarom zijn kussen boos neer en vertrok boos. ”Voel je je al wat beter?” vroeg Roodkapje toen aan Karel. ”Nee”, antwoordde Karel eerlijk. Toen wist Roodkapje het ook niet meer en keerde ze terug naar grootmoeder. De volgende morgen werd op de voordeur van Karel geklopt. Hij deed open, maar er was niemand te zien. Ik heb me vergist, dacht hij en hij wilde de deur weer sluiten, maar hoor-

de toen: ”Psssst!” Karel keek rond, maar zag niemand. ”PSSSST” hoorde hij toen een flink pak l­uider. Karel zag nog altijd niemand. ”Kijk omlaag, sukkel!” hoorde hij roepen. Hij keek omlaag. Daar stonden de twee kabouters. Hij had ze stomweg niet gezien. ”Wat moeten jullie?” riep hij boos. ”Ik had toch gezegd dat…” Maar de ene kabouter onderbrak hem en riep kwaad: ”Nu moet jij eens luisteren, p­ ummel!” Karel schrok zo hard dat hij niet wist wat te zeggen. ”Als jij zo dol bent op die boom, kap dan met het houthakken en zoek een andere job!” ging de kabouter moedig voort. ”Houthakken is maar een job! Liefde is veel b­ elangrijker!” ”Hoe… hoe weet je dat?” stamelde de houthakker. ”Houthakken is mijn leven. Ik heb nooit iets anders gedaan.” ”Kabouters weten alles over de liefde! En daarom is een v­ erhaal zonder kabouters een verhaal zonder liefde. Heb je dat gesnopen, kluns met ­spierballen?!” Karel had het begrepen.

Wie is Dirk Nielandt? Originaliteit en creativiteit zitten hem in het bloed. Dirk Nielandt schreef eerder al scenario’s voor reeksen als ’Aspe’, ’Witse’ en ’Code 37’ en voor kinderprogramma’s als ’Uki’, ’Sesamstraat’, ’Spring’ en de eerste Eftelingfilm. Daarnaast bracht hij

Hij verliet zijn huis en was vastbesloten. Hij wandelde naar de eik. Ze stond er nog altijd, statig en trots. Hij omhelsde de boom en fluisterde: ”Ik zal nooit van mijn hele leven nog een boom omhakken!” ”Wat ga je dan doen?” vroeg Ekina. ”Ik word boswachter! Ik bescherm voortaan de dieren, de bomen en de struiken!” ”O Karel…” zuchtte Ekina. ”Dan wil ik met je trouwen!”

maar liefst 52 kinderboeken uit.

Er volgde een groot feest. Iedereen was ­uitgenodigd. De kabouters, Roodkapje, Klein Duimpje, de Boze Wolf en grootmoeder, ze waren er allemaal. Ook de dieren uit het bos, de planten en struiken, de dennenbomen en berken, de beuken en eiken. Iedereen kwam feestvieren. Er was uitstekende muziek. Er werd veel gedanst, ook al vonden velen dat Karel het nogal houterig deed. En het ­eindigde met lang en gelukkig.

Lise Braekers is een gepassioneerde

Lang en gelukkig.

Het groeiboek ’Fred en de wolk’ werd dit jaar bekroond door de Kinderen Jeugdjury (Uitg. Davidsfonds/ Infodok, € 19,95). www.dirknielandt.be

Wie is LISE BRAEKERS? illustratrice & grafisch vormgeefster. Ze houdt van verschillende stijlen en technieken, en gaat steeds op zoek naar een authentiek geheel met een speels kantje. Samen met haar vriend vormt ze het creatieve duo ’Jacques & Lise’ – www.jacquesandlise.com

libelle mama! 99


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Voorleesverhaal libellewedstrijd by Barbara Klas - Issuu