Skip to main content

Prof mr verstijlen, cursusdocumentatie 20 12 2013

Page 181

4.8. De curator had, nu hij de bewaarnemingsovereenkomst niet wenste voort te zetten, derhalve in beginsel de verplichting de in bewaring gegeven goederen weer tot zich te nemen. Dat dit in het onderhavige geval onmogelijk was, is onvoldoende gebleken; nader onderzoek daarnaar strookt niet met het karakter van het kort geding. Een andere opvatting zou onaanvaardbare gevolgen hebben. Het hof overweegt hiertoe het volgende. 4.9. Zou de curator de bewaringsovereenkomst wel hebben voortgezet, dan zou die overeenkomst leiden tot een boedelschuld ten behoeve van de bewaarnemer. Het aan de curator opgedragen beheer van de boedel – en dus de verantwoordelijkheid daarvoor – strekt zich immers uit tot de gehele boedel, en de curator dient derhalve voor de gehele boedel zorg te dragen; opslag van tot de boedel behorende goederen valt onder deze zorg. Wanneer evenwel de curator de bewaringsovereenkomst op de voet van art. 37 Faillissementswet zou beÍindigen, maar niet tot wederinontvangstneming zou hoeven over te gaan, dan zou dat tot consequentie hebben dat de bewaarnemer feitelijk kosten van de verdere opslag van de eerder in bewaring gegeven, zoals door de curator erkend tot de boedel behorende, goederen voor zijn rekening moet blijven nemen zonder dat dit hem een aanspraak jegens de boedel geeft. Immers, vergoeding van deze kosten, die eerst na de ontbinding van de bewaargevingsovereenkomst ontstaan, kan niet als ongedaanmakingsverplichting in de zin van art. 6:271 BW worden beschouwd, terwijl deze ook niet kan worden gebaseerd op bewaargeving; de overeenkomst tot bewaring is immers door de curator opgezegd. Dat het in het onderhavige geval om goederen gaat met een negatieve waarde kan er niet toe leiden dat genoemde verplichting van de curator vervalt. Ook deze goederen maken nu eenmaal deel uit van de failliete boedel, zodat de curator zich ook de zorg ten aanzien van deze goederen moet aantrekken. Waar het voorgaande geldt voor een rechtstreekse overeenkomst tussen de failliet als bewaargever en een derde als bewaarnemer, valt niet in te zien dat dit niet tevens geldt voor het onderhavige geval waarin de bewaarnemer de goederen niet zelf, maar bij derden opslaat. 4.10. De grieven I en II kunnen derhalve niet tot vernietiging van het vonnis van de president leiden. 4.11. Grief IV betreft de overweging van de president inzake de mogelijkheid van de cura- tor aan de vordering tot inontvangstneming te voldoen. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4.8. is overwogen faalt ook deze grief, omdat het oordeel van de president daarmee in overeenstemming is. 4.12. Naast de andere grieven heeft grief V geen zelfstandige betekenis, zodat ook deze grief faalt. 4.13. Nu alle grieven falen moet het vonnis, gewezen tussen Peterson en Vrachtunie enerzijds en de curator anderzijds, worden bekrachtigd. Als in het ongelijk gestelde partij zal de curator in de kosten van het geding tussen hem en Peterson en Vrachtunie worden verwezen.

177


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Prof mr verstijlen, cursusdocumentatie 20 12 2013 by Academie voor de Rechtspraktijk - Issuu