Skip to main content

Magna Charta

Page 112

zonder de normschending zou hebben voldaan, doet hier niet aan af, nu de regel een omkering van de bewijslijst op grond van de uitzondering van art. 150 Rv inhoudt, en dan uit artt. 149 juncto 150 Rv volgt dat de laedens naar wettelijke maatstaven de door hem gestelde feiten die het conditio sine qua non-verband zouden hebben onderbroken moet bewijzen; in ieder geval geldt dit bij verkeersongevallen en -overtredingen als de onderhavige. Uit de overweging dat 'bepaald niet [kan] worden uitgesloten' dat het ongeval zich ook zou hebben voorgedaan als X. niet onder invloed was geweest, blijkt dat het Hof ten onrechte een te lichte maatstaf heeft aangelegd, namelijk dat voor tegenbewijs volstaat dat het mogelijk is dat causaal verband ontbreekt. 1.3.2 Voorzover voor het te leveren tegenbewijs een lichtere toets geldt, te weten dat de laedens het ontbreken van causaal verband aannemelijk heeft gemaakt, heeft het Hof deze regel onjuist toegepast, althans deze toepassing niet naar behoren gemotiveerd, nu het Hof slechts vermeldt dat niet duidelijk is wie op de verkeerde helft van het fietspad heeft gereden, en dat als dit Aydin was geweest en daardoor de botsing is veroorzaakt, niet zonder meer gezegd kan worden dat het onderhavige risico zich zou hebben verwezenlijkt. Voor het aannemelijk maken dat het conditio sine qua non-verband is doorbroken volstaat het niet om slechts een hypothetische causaliteitsketen te schetsen waarvan geenszins is aangetoond dat deze zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, met name niet nu van de hypothetische oorzaak (het op de verkeerde helft rijden) niet is vastgesteld dat deze niet aan X. is toe te rekenen, en bovendien het op de verkeerde helft rijden weliswaar een noodzakelijke voorwaarde is voor een frontale botsing als de onderhavige, maar daaruit op zichzelf niet volgt dat het ongeval ook zou zijn gebeurd als X. zich aan de wettelijk toegestane maximumsnelheid had gehouden en niet onder invloed had gereden. 1.3.3 Althans is 's Hofs oordeel, dat het benodigde tegenbewijs is geleverd, onvoldoende gemotiveerd — afgemeten aan de onder 1.3.1 geformuleerde maatstaf, althans aan de onder 1.3.2 geformuleerde maatstaf —, nu het Hof van oordeel is dat het ongeval veroorzaakt is doordat één der partijen onvoldoende rechts hield, en niet is vastgesteld dat Aydin onvoldoende rechts hield. Op zijn hoogst zou kunnen worden vastgesteld dat een noodzakelijke voorwaarde van het ongeval daarin is gelegen dat één der partijen onvoldoende rechts hield — en die oorzaak dus in conditio sine qua non-verband staat met het ongeval —, maar is niet bewezen dat deze oorzaak niet aan X. toerekenbaar is. Voorts kan deze oorzaak er niet aan af doen dat ook andere oorzaken in conditio sine qua non-verband (kunnen) staan met het ongeval, hetzij doordat zij de oorzaak zijn van het op de verkeerde weghelft rijden, hetzij doordat bij het ontbreken van de desbetreffende normschendingen het ongeval zich ondanks het op de verkeerde weghelft rijden niet zou hebben voorgedaan (zoals een gebrekkig reactievermogen als gevolg van overmatig alcoholgebruik). 2

Voorzover het Hof in rov. 4.12 overweegt dat niet is komen vast te staan dat X. de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 km/h heeft overschreden, is dat onbegrijpelijk nu X. uitdrukkelijk heeft verklaard (getuigenverhoor van 28 november 2001) dat hij zo'n 35 km/h heeft gereden en hij niet heeft gesteld dat die verklaring onjuist was.

112


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Magna Charta by Academie voor de Rechtspraktijk - Issuu