Page 1

PLEIN 14 ATMOSFEREN

1

INLEIDING Architectuur is niet iets dat we alleen waarnemen en begrijpen, maar ook ervaren, en waar we zelfs onwillekeurig door worden beïnvloed. In deze onwillekeurige ervaring spelen atmosferen een belangrijke rol. In PLEIN 14 stond het begrip atmosfeer centraal, en hebben we geprobeerd om dit fenomeen vanuit een sterk empirische en fenomenologische benadering te onderzoeken. METHODE Omdat atmosferen moeilijk te definiëren zijn, en niet opzichzelfstaand beschouwd kunnen worden, is gekozen om het onderzoek uit te voeren als een descriptief meervoudig casestudyonderzoek. Aan de hand van voorbeelden uit literatuur, beeldende kunst, reclame, film, muziek en interieur architectuur hebben we de ervaring van atmosferen eerst begripsmatig ingekaderd. Hierbij hebben we een 91ste editie van OASE met de titel ‘Building Atmosphere’ voor de theoretische inbedding gebruikt, en in het verlengde daarvan de fenomenologie van Gernot Böhme en Hermann Schmitz. De atmosferen zoals die in de Volksuniversiteit werden aangetroffen dienden als cases. Door middel van de dialoog, en de precieze begripsbepaling en motivering die dit vereist, hebben we verschillende atmosferen zo intersubjectief mogelijk beschreven. Vervolgens is doormiddel van ontwerpend onderzoek, waarbij een bepaalde atmosfeer systematisch is beïnvloed en het effect van de invloed is beschreven, onderzocht in hoeverre en op welke wijze een atmosfeer gemanipuleerd en geconstrueerd kan worden. Gedurende PLEIN14 hebben we gemerkt dat atmosferen vaag en ongrijpbaar zijn, en moeilijk te beschrijven. In de meeste gevallen bleek het mogelijk om de atmosfeer vrijwel onmiddellijk te benoemen en vast te stellen wat het kristallisatiepunt was, en was het mogelijk om ze met een woord te typeren; muf, sereen, drukkend, zakelijk, ouderwets, gezellig of koel.


2

3

Een dergelijk woord gaf in de dialoog echter onmiddellijk aanleiding tot verdere nuancering waarbij onophoudelijk nieuwe betekenissen werden blootgelegd. Een enkele keer werd pas na langdurige en indringende bezinning duidelijk wat de atmosfeer was en waardoor ze werd opgeroepen. Een sluitende beschrijving van de ervaring van een atmosfeer werd echter niet bereikt. Door in te grijpen, in de atmosferen zoals die werden aangetroffen, werden deelgebieden van de betekenis ontgonnen. De aanleiding voor de interventie in een atmosfeer werd in alle gevallen gevonden in de atmosfeer zoals die terplekke werd aangetroffen. De interventies waren veelal bescheiden en hadden de ambitie om de aanwezige sfeer te verstevigen en te verrijken. De waarnemende mens stond altijd centraal. LICHAMELIJKE AANWEZIGHEID EN LIJFELIJKE COMMUNICATIE Voor de theoretische inbedding van het begrip atmosfeer, hebben we gebruik gemaakt van de 91ste editie van OASE met de titel ‘Building Atmosphere’. In dit boek ligt een sterke nadruk op het begrip lichamelijkheid, of lichamelijke aanwezigheid, omdat het, aldus de verschillende auteurs, voor de ervaring van atmosferen en voor de architectuur als zodanig, een zeer relevant begrip is. Terugblikkend bleek dit begrip – vaak alleen in de achtergrond – ook tijdens PLEIN14 voortdurend een rol te spelen. Het begrip van de lichamelijke aanwezigheid – of zoals het verderop genoemd wordt: lijfelijke communicatie – is hier daarom nog verder uiteengezet en toegespitst.

1 2 3

OASE 91, pp. 94—100 OASE 91, p. 100 OASE 91, p. 28

In de tweede tekst van Böhme ‘Een treffen van sferen: Reflectie op het begrip sfeer bij Juhani Pallasmaa en Peter Zumthor’1, schrijft hij: “De prominentere plaats die het begrip sfeer bij Pallasmaa en Zumthor krijgt, is duidelijk een gevolg van het feit dat zij de lichamelijkheid van de mens als referentiepunt in de architectuur nemen”, en verderop: “De mens vormt als lichaam als het ware de klankbodem voor architectonische kwaliteit.”, en hij eindigt zijn tekst met de woorden: “architectuur is het creëren en vormgeven van ruimten van lichamelijke aanwezigheid.”2 Maar wat bedoelt Böhme precies met deze ‘lichamelijke aanwezigheid’? In de eerste tekst, ‘Sfeer als bewuste fysieke aanwezigheid in de ruimte’, beschrijft Böhme de lichamelijke aanwezigheid – soms spreekt hij ook van bewuste fysieke aanwezigheid – aan de hand van de dubbele connotatie van het woord ‘(be)vinden’, dat zowel een ruimtelijke connotatie heeft, in de zin van zich ergens bevinden, als een connotatie van iemands welbevinden of gemoedstoestand. “Tussen die twee bestaat een verband” aldus Böhme, “en in zekere zin vallen ze samen: aan mijn welbevinden voel ik in wat voor soort ruimte ik mij bevind.”3 Deze relatie tussen ruimte en gemoedstoestand hebben we ook tijdens PLEIN14 onderzocht. Op de eerste ochtend hebben we de ruimte die ons aanvankelijk in de Volksuniversiteit was toegewezen proberen te ervaren. Iedereen is gaan liggen, en heeft met gesloten ogen de ruimte op zich laten inwerken. Ik heb zelf de volgende waarnemingen opgetekend:


4

“Aan mijn welbevinden voel in wat voor soort ruimte ik mij bevind”

5

“Iedereen is stil. Ik sluit mijn ogen en luister naar de stilte. Vrijwel onmiddellijk openbaart zich een andere ruimtelijkheid. Ik hoor nog wat kleine geluiden; verderop in de zaal een kuchje, iemand die gaat verliggen. De ruimtelijke oriëntatie wordt al snel door de stilte overgenomen, lengte, breedte en hoogte verdwijnen, net als het blauw van de vloer. Er ontvouwd zich een ruimtelijkheid die steeds groter lijkt te worden en geen grens lijkt te hebben. De stilte is groot en diep. In deze onbegrensde uitgebreidheid kan ik nog wel richtingen onderscheiden. Ik hoor stalen buizen die tegen elkaar botsen. Het geluid klinkt alsof het uit de verte komt; ik hoor de hardheid van de buizen als een zacht geluid. Iedere keer als ik de buizen hoor botsen, spant zich steeds een ruimte met een bepaalde diepte op. Deze ruimte blijft even bestaan en lost weer op. De richting van het geluid is niet goed te duiden. Is het afkomstig van de bouwplaats bij het station? Plotseling ritst rechts naast mij iemand zijn jas open en is de ruimte weer klein, en gefocust. Verderop hoor ik het geluid van kopjes en schoteltjes het harde, schelle geluid van glanzend hotelporselein dat tegen elkaar klettert. Na een poosje is het weer stil.” Om te kunnen verhelderen wat het verband tussen gemoedstoestand en de ruimte is, en hoe, volgens Böhme, ik ‘aan mijn welbevinden voel in wat voor soort ruimte ik mij bevind’, is het noodzakelijk om dieper in te gaan op de theorie van Böhme ‘s voorganger; de Duitse fenomenoloog Hermann Schmitz. De relatie tussen ruimte en gemoedstoestand is door Schmitz als lijfelijke communicatie beschreven. Deze lijfelijke communicatie is een opvatting over waarnemen, die niet gebaseerd is op fysiologische processen als zien en horen, maar is gebaseerd op dat wat we gewaarworden, of zoals Schmitz het noemt: lijfelijk ervaren.

“Verderop hoor ik het geluid van kopjes en schoteltjes het harde, schelle geluid van glanzend hotelporselein dat tegen elkaar klettert.”

Lijfelijke ervaringen zijn volgens Schmitz in eerste instantie ervaringen als honger, onze ademhaling, vermoeidheid, wellust, trots of een verkrampte nek. Het zijn ervaringen van onze eigen toestand; van datgene wat we van onszelf en ook van datgene wat we als onszelf ervaren. Na analyse blijken deze lijfelijke ervaringen een ‘dynamiek van verengen en verwijden’ te hebben, en een ruimtelijke structuur die tot een aantal kenmerken en categorieën kan worden herleid. Volgens Schmitz is de ervaring dan ook fundamenteel ruimtelijk. Een van deze kenmerken is de onbegrensde uitgebreidheid; buikpijn en hoofdpijn presenteren zich als een diffuus stralend volume dat niet door een rand of vlak wordt begrensd. De ervaring van ineenkrimpen, bijvoorbeeld van kou of afschuw, kenmerkt zich juist door een ruimtelijk verengen dat naar een punt toe dringt. Ook als we onze ledematen gebruiken, ervaren we een bepaalde ruimtelijkheid. Wanneer we tijdens een gesprek onwillekeurig gebaren om onze argumenten kracht bij te zetten, ontsluiten we, aldus Schmitz, een onbegrensde ruimtelijke uitgebreidheid in uiteenlopende richtingen. Dit wordt vooral duidelijk wanneer ruimte ontbreekt waardoor dit onwillekeurige gebaren wordt belet, zoals bij een gesprek in een overvolle tram. Al we naar iets wijzen ervaren we juist een richting, die een puntachtig karakter heeft, vergelijkbaar met de puntachtige ervaring van een steek in de knie. Deze puntachtige richtingsruimte ervaren we ook als we onze blik focussen, bijvoorbeeld omdat we een naaigaren door het oog van de naald proberen te steken, terwijl we met onze blik juist een uitgebreidheid ervaren, wanneer we hem over een landschap laten dwalen, zonder dat hij door iets wat hij dit landschap iets aantreft, gericht wordt. Sommige lijfelijke ervaringen, zoals het inademen en de lijfelijke ervaring van trots, hebben een dynamische uitgebreidheid die we ervaren als aanzwellen.


6

7

De uitgebreidheid van dit aanzwellen wordt begrensd door een oplopende spanning, die zich openbaart als we bijvoorbeeld steeds dieper proberen in te ademen tot dat het niet meer verder kan. Dit antagonisme van aanzwellen en aanspannen ervaren we bijvoorbeeld ook vlak voordat we een zwaar voorwerp optillen. Tegengesteld aan dit antagonisme is de ervaring van de uitgebreidheid, waarin we als het ware worden opgenomen, vlak voordat we in slaap vallen of wanneer we in de zon liggen en soezen.

“Er ontvouwd zich een ruimtelijkheid die steeds groter lijkt te worden en geen grens lijkt te hebben.”

De verschillende vormen van ruimtelijkheid die Schmitz vanuit de analyse van de lijfelijke ervaring beschrijft, vertonen grote overeenkomst met de ruimtelijkheid van de ervaringen zoals we die hebben waargenomen terwijl we de ruimte in de volksuniversiteit met gesloten ogen op ons in lieten werken: “Er ontvouwd zich een ruimtelijkheid die steeds groter lijkt te worden en geen grens lijkt te hebben. De stilte is groot en diep. In deze uitgebreidheid kan ik nog wel richtingen onderscheiden. … Plotseling ritst rechts naast mij iemand zijn jas open en is de ruimte weer klein, en gefocust.” Deze ervaringen van ruimtelijkheid noemt Schmitz de lijfelijke ruimte; het zijn vormen van ruimtelijkheid waarvan de structuur overeenkomt met de ruimtelijke structuur van onze lijfelijke ervaring, of zoals Böhme het noemt: “van mijn bevindelijkheid … [en]… tussen die twee bestaat een verband” dat Schmitz aanduidt als lijfelijke communicatie. Zoals gezegd is deze lijfelijke communicatie is een opvatting over waarnemen, die niet gebaseerd is op fysiologische processen maar op wat we lijfelijk ervaren. Behalve onze eigen toestand ervaren we soms ook iets aan onszelf dat niet tot onszelf behoord. Een voorbeeld is de machtige invloed die ons in zijn greep krijgt zodra we struikelen of dreigen te vallen, omdat we bijvoorbeeld een afstapje over het hoofd hebben gezien.

“Behalve onze eigen toestand ervaren we soms ook iets aan onszelf dat niet tot onszelf behoord.”

Ook de wind, zodra deze het lopen bemoeilijkt, ervaren we als een invloed die niet tot ons zelf behoort. Net als onze eigen lijfelijke toestand, nemen we deze ‘vreemde’ invloeden waar, zonder de tussenkomst van onze zintuigen. Deze vorm van waarnemen noemt Schmitz lijfelijke communicatie. Het opmerkelijke van deze lijfelijke communicatie is dat we een vreemde invloed - iets dat niet tot onszelf behoort - toch aan ons zelf ervaren. We vallen echter ook niet met deze invloed samen, anders zouden we hem niet als ‘vreemd’ ervaren. Alleen de distantie ontbreekt. De gewaarwording van onze eigen lijfelijke gemoedstoestand enerzijds, en de vreemde invloeden anderzijds staan in een weifelende relatie tot elkaar; ze vallen niet samen maar zijn ook niet van elkaar verschillend. Ook in het optische veld is er sprake van lijfelijke communicatie. De blik van iemand anders die onze eigen blik doorkruist, is daar een voorbeeld van. Schmitz noemt het voorbeeld van een toeschouwer die in het circus gefascineerd raakt door een koorddanser, en zich als het ware in de koorddanser verplaatst. De toeschouwer neemt de bewegingen van de acrobaat - ook al imiteert hij ze niet – als het ware over, in de zin dat hij ze niet meer als bewegingen van een ander kan onderscheiden. De afstand tussen toeschouwer en acrobaat ontbreekt. Dit is het ‘verband’ en het ‘samenvallen’ waar Böhme over spreekt. Zodra de invloed die we ervaren afkomstig zijn uit onze gebouwde omgeving, dan ‘voel ik aan mijn welbevinden in wat voor soort ruimte ik mij bevind’. Dit samenvallen, dat voor lijfelijke communicatie kenmerkend is, komt tot stand door zogenaamde bewegingssuggesties en synesthetische karakters. Het zijn media in de lijfelijke communicatie en ze zorgen voor de overdracht tussen mijn lijfelijke ervaring en de invloeden die niet tot mijzelf behoren.


8

“De gewaarwording van onze eigen lijfelijke gemoedstoestand enerzijds, en de vreemde invloeden anderzijds staan in een weifelende relatie tot elkaar; ze vallen niet samen maar zijn ook niet van elkaar verschillend.”

9

Voorbeelden van bewegingssuggesties zijn het dalen of stijgen van een lijn of melodie, het aanzwellen van een klank, of het vertragen van een ritme. Het aanzwellen van een klank, net als de aanzwellende vormen van de barok, ervaren we via lijfelijke communicatie omdat we dit aanzwellen ook vanuit onze eigen lijfelijke ervaring al kennen. Dit aanzwellen, is dus niet iets wat we metaforisch ergens aan toe dichten, maar wat we in de uitbreiding van ons zelf daadwerkelijk om ons heen ervaren. Op vergelijkbare wijze stralen de eigen lijfelijke ervaringen uit in alle zintuiggebieden en scheppen daardoor een saamhorigheid en gelijkenis tussen deze gebieden. Daaruit ontstaan de, in de ervaarbare lijfelijkheid gebaseerde, synesthetische karakters. De zachtheid die we in een gemoedelijke behaaglijkheid ervaren is dezelfde zachtheid van een geluid of klank, van een schaduw of van een geur van een ochtend in de lente, of van de beweging van de sneeuw. Het feit dat niet prikkels van zintuigen de intermediair vormen tussen de waarnemer en dat wat wordt waargenomen, maar bewegingssuggesties en de synesthetische karakters, maakt het concept van de lijfelijke communicatie zeer geschikt om de wijze waarop we atmosferen ervaren, te analyseren. In de bewegingssuggesties en de synesthetische karakters zijn de omstandigheden van wat we ervaren al ingebed, terwijl bij het concept van waarnemen via zintuiglijke prikkels, deze omstandigheden gereduceerd zijn naar fysische grootheden, als kleur, frequentie en intensiteit.Omdat de bewegingssuggesties en de synesthetische karakters media zijn in de lijfelijke communicatie, kunnen ze ook ingezet als we atmosferen willen maken. Zowel Schmitz als Böhme verwijzen naar Christian Hirschfeld die in zijn boek Theorie der Gartenkunst een groot aantal tuinen beschrijft. In Deel 1, hoofdstuk 2 ‘Von den verschiedenen Charakteren der Landschaft und ihren Wirkungen’ beschrijft Hirschfeld hoe een melancholische sfeer in een tuinachtige omgeving gemaakt kan worden:

4

Hirschfeld, C. (1779-1785). Theorie der Gartenkunst. Leipzig. Deel 1 pp. 211-212 ( http://digi.ub.uniheidelberg.de/diglit/ hirschfeld1779 )

“Een zacht melancholische omgeving wordt gevormd door het versperren van alle uitzicht; door moerasachtige laagtes; door dicht struikgewas, kreupelhout en bosjes, vaak alleen al door groepen van hoge, dicht bebladerde, en kort op elkaar gedrongen bomen, waar in de toppen een hol geruis hangende is; door stilstaand of gedempt murmelend waterloopje, waarvan de aanblik verdekt is; door het gebladerte van een donker en zwartachtig groen, door diep omlaag hangende bladeren en op de meeste plaatsen schaduw; door de afwezigheid van alles dat leven en effectiviteit kan aankondigen. In een dergelijke omgeving valt het spaarzame licht alleen door, om de invloed van het donker te beschermen tegen het verdrietige en het angstaanjagende. De stilte en de eenzaamheid zijn hier thuis…”4 Deze beschrijving is een opeenstapeling van bewegingssuggesties en de synesthetische karakters die associatief kunnen bijdragen aan een ontwerpproces waarbij een melancholische atmosfeer wordt geambieerd. ENKELE ATMOSFEREN EN INTERVENTIES Op vergelijkbare wijze hebben we tijdens PLEIN14 geprobeerd om kennis van atmosferen te genereren door zoveel mogelijk aspecten te beschrijven. Dit vergroten van kennis gebeurde doormiddel van ontwerpend onderzoek. Binnen een atmosfeer werd de invloed van een interventie systematisch onderzocht door steeds een variabele te veranderen, en het effect van deze verandering zo precies mogelijk benoemen. De intersubjectiviteit werd methodisch vergroot, en de kans op introspectie zoveel mogelijk verkleind, door de bevindingen te bediscussiëren en regelmatig aan derden te presenteren. - In een kantoorruimte van de Volksuniversiteit is de kantoorachtige atmosfeer van de ruimte beschreven als muf, kaal, blauw, dof, afstandelijk, kunstmatig, neutraal en kort.


10

11

Met behulp van de luxaflex werd het licht van de januarizon dat op een houten tafel voor het raam stond gereguleerd. De gelige kleur van de zon en van het hout, kleurde de ruimte en bleek in staat om lokaal het kantoorachtige om te buigen in een gezellige en huiselijke sfeer die beschreven werd als warm, vervuld, huiselijk, vertrouwd en mild. Later in de week is deze huiselijke atmosfeer door het openen van het raam en het binnenlaten van de zondagsstilte nog versterkt.

“Door dicht struikgewas, kreupelhout en bosjes, vaak alleen al door groepen van hoge, dicht bebladerde, en kort op elkaar gedrongen bomen, waar in de toppen een hol geruis hangende is; door stilstaand of gedempt murmelend waterloopje, waarvan de aanblik verdekt is”

- De ruimtelijk gelaagde atmosfeer van de zuid-façade van het ... gebouw was eveneens onderwerp van onderzoek. De ruimtelijke gelaagdheid van de façade die deels ook binnen in de scheidingswanden is doorgezet genereerd een ruimtelijk continuüm tussen interieur en exterieur. Deze atmosfeer is onderzocht en versterkt door met behulp van spiegels beelden van buiten in het interieur door verschillende lagen van glazen scheidingen te projecteren, en te mengen met beelden en schaduwen van binnen en buiten. Op het moment dat de zon door de wolken prikte, ontvouwde zich een ruimtelijke atmosfeer die zich steeds verder uitbreidde, en in een opzwellend helder licht, het buiten zich steeds verder in het binnen ontplooide. - In een van de ruimtes van de Volksuniversiteit werd de atmosfeer die werd opgeroepen door het zijdelings binnenvallende licht tijdens de schemer onderzocht. Het licht viel de ruimte aan de linker en aan de rechterzijde van achter twee zijmuren de ruimte binnen over de achterwand. Om de invloed van het afnemende licht op de ruimtelijkheid goed te kunnen bestuderen werd de ruimte volledig leeg gemaakt. De opening tussen de zijmuren werd met doorschijnend doek afgedekt. Tijdens de schemering veranderde de atmosfeer continue waarbij het visuele veld verengde doordat de ruimtelijke definitie vervaagt en zich geleidelijk aan ons lijkt te onttrekken. Tevens ontplooien zich in de akoestische ruimte richtingen en afstanden af.

De geluiden hebben geen zichtbare gedefinieerde oorsprong en lijken daardoor deels meer aanwezig en scherper. De ruimtelijkheid van de stilte neemt de overhand. Plotseling was achter het doek een heldere lach te horen. Hoezeer deze atmosfeer daadwerkelijk present was wordt onverbiddelijk duidelijk wanneer de TL verlichting wordt aangezet. - Van een kleine overloop tussen twee ruimtes, werd dat deel, dat uit functioneel oogpunt niet noodzakelijk was, aan het oog onttrokken. Alleen het ‘ingesleten’ pad tussen de twee deuren bleef zichtbaar. De beide deuren stonden open en gaven een beperkte hoeveelheid licht in de overloop. Alle wanden en randen van de begrenzing van de overloop werden door zwart doek aan het zicht onttrokken. Optisch werd de ruimte bijna onpeilbaar, akoestisch hield de overloop echter dezelfde maat en werd zelfs als kleiner ervaren. Conclusie Het begrip van de lichamelijke aanwezigheid – of lijfelijke communicatie – bleek tijdens het onderzoek een vruchtbaar concept. De reductie, die normaliter met de vertaling van de waarneming naar zintuigen gepaard gaat, kon op deze manier worden voorkomen, en waardoor het mogelijk werd om de atmosferen op een manier te duiden, waarbij hun inbedding in de context bewaard bleef. In de beschrijvingen van de atmosferen werden sporadisch bewegingssuggesties en regelmatig synesthetische karakters genoemd en ontstond er een koppeling met de lijfelijke ruimte en de lijfelijke ervaring zoals die door Böhme en Schmitz uiteen gezet is. Het belang van de lichamelijke aanwezigheid en lijfelijke communicatie werd vooral dienstbaar gemaakt in het nemen van de tijd om te ervaren, en deze ervaring in het gesprek met de ander zo precies mogelijk te duiden.


12

PLEIN 14 – ATMOSFEREN Dit was een eindregistratie van de workshop ‘plein 14 – atmosferen’. Een 5-daagse retraite, onderdeel van het lesprogramma van ArtEZ Academie van Bouwkunst. DEZE TEKST IS GESCHREVEN DOOR: Ralph Brodrück GRAFISCHE VORMGEVING: Marjolein Visser Simone Pieterse

Plein 14 Atmosferen  

Plein 14 is een jaarlijks project van de ArtEZ Academie van bouwkunst. In 2014 was het thema atmosfeer. Meer over het project op: www.artez...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you