Issuu on Google+

Smaakmakers NAJAAR 2009

Gratis

online roman-magazine


‘Smaakmakers’ is het online romanmagazine van Uitgeverij Mozaïek. In dit magazine kun je van elf romans het omslag bekijken, de flaptekst lezen én het eerste hoofdstuk. Wie weet smaakt het naar meer en gun je jezelf daarna het geluk van een uitstapje naar de boekhandel. We hebben voor dit najaar weer elf romans geselecteerd. Sommige passen goed in dit jaargetijde, zoals het nieuwe Schaduwvlucht van Mirjam van der Vegt en Sneeuw in Afrika van Frans Willem Verbaas. Grace O’Malley is het eerste deel van de Ierse trilogie van Ann Moore, nu voor het eerst in midprice-editie verschenen. En voor wie het aangrijpende 38 nachten van Janne IJmker nog niet kent: blader gauw naar pag. 134 voor een voorproefje. Het verhaal is waargebeurd… We wensen je veel leesplezier!


Inhoud Tobea Brink

De A van Anna

4

Mirjam van der Vegt

Schaduwvlucht

26

Michael Wallner

De woestijnloper

46

Frans Willem Verbaas

Sneeuw in Afrika

70

Louis Krüger

Agnes

92

Ann Moore

Grace O’Malley

112

Janne IJmker

38 nachten

134

Joke Verweerd

Pareloester

152

Noel Hynd

Koud vuur

174

Jerome Teel

De nieuwe rechter

196

Sofie van Gelder

Het meisje in mijn hoofd

220


Anna heeft een bijzonder tweelingbroertje: hij heeft een verstandelijke beperking. Ze is aan Adam verknocht, maar schaamt zich tegelijk voor zijn onaangepaste gedrag. Voortdurend moet ze rekening met hem houden. Het verlangen naar een plek voor zichzelf, waar ze gewoon Anna kan zijn, wordt steeds sterker. Dan veranderen de omstandigheden in het gezin tragisch, en moet Anna een ingrijpende keuze maken. De A van Anna schetst een ontroerend beeld van een meisje dat opgroeit in bijzondere omstandigheden. Een indringend verhaal over verbondenheid, liefde en zelfstandigheid. ‘Heel mooi! Een uitstekend geschreven boek.’ – Louis Krüger, auteur van de romans Wederkomst en Agnes ‘Een wonderschoon verhaal met beelden die ik nooit meer zal vergeten.’ – Joan Hambidge in Die Volksblad Tobea Brink woont in Stellenbosch, Zuid-Afrika. Eén van haar drie kinderen heeft het syndroom van Down. Ze schrijft leesmateriaal voor taalonderwijs; De A van Anna is haar eerste roman voor volwassenen.

ISBN: 978 90 239 9323 0 Uitvoering: paperback Blz: 128 pag. Prijs: ca. € 13,50


Hansman verroert zich niet. Hij ligt op de achterveranda. Uit zijn haar sijpelt bloed, dat regelrecht zijn oor inloopt. ‘Mamaaaaa!’ ‘Stil, Adam, ma slaapt.’ ‘Hansman! Hansman! Hansman! Wakker worden! Niet doodgaan! Hansman!’ Adam huilt. Zijn tranen druppen op Hansmans gezicht. Hij schudt hem zo wild heen en weer dat het straaltje bloed van richting verandert. ‘Wat is hier aan de hand? O nee! Hansman! Anna, wat is er gebeurd?’ ‘Adam heeft Hansman per ongeluk met een steen gegooid, ma.’ Ma vliegt overeind. Ze pakt de scherpe steen waarmee Adam Hansman geraakt heeft. Ze laat Hansman gewoon liggen en stuift op Adam af. Nog nooit heb ik haar zo gezien. Haar ogen vlammen. ‘Mamaaaa!’ kermt Adam en probeert zich achter mij te verschuilen. Ma maakt me bang. Ze lijkt wel wild. Ik duik voor haar weg. Adam staat alleen. Ma haalt uit met 7


de steen en slaat naar Adam. De steen hakt in zijn schouder. ‘Maaaa!’ Adam bulkt als een kalf dat wordt gebrandmerkt. Hij rent naar mij toe. Opnieuw heft ma haar hand op. ‘Niet doen, ma!’ Ze laat zich op haar hurken zakken. Met de steen nog in haar hand valt ze schuin over Hansman heen en begint schokkend te snikken. Hansman doet zijn ogen open en barst ook in tranen uit. Ik sta tussen Hansman en Adam, die nu bij het hondenhok zit. Hij heeft zijn armen stijf om zijn benen geslagen en wiegt heen en weer op de maat van het gekerm dat uit zijn keel komt. Snot en kwijl lopen langs zijn benen. Geelhond staat bij hem en likt het op. Ma en Hansman komen overeind. Hansman schaamt zich. Hij wil ervandoor. Ma bekijkt het gat in zijn hoofd. ‘Je had wel dood kunnen zijn,’ is alles wat ze zegt voor ze zich omdraait en naar Adam gaat. ‘Maaaa!’ kreunt Adam en kruipt weg achter zijn gekruiste armen. Ma slaat haar armen om Adams bekwijlde lichaam en begint met hem mee te wiegen. Ze wrijft haar wang over zijn spriethaar en met haar sterke, dikke vingers masseert ze de wond aan zijn schouder. Adam klauwt zijn ene hand om haar roksband. ‘Stil maar, stil maar. Stil maar, Adam. Ma heeft spijt. Stil maar, lieve Adam. Ma was geschrokken. 8


Jij kon er niets aan doen. Stil maar, Adam. Stil maar, stil maar.’ Langzamerhand komt Adam tot bedaren. Ik kijk om naar Hansman. Hij is al weg. Ik glip de hoek om bij de keukendeur en neem het paadje door de wei. Bij de perenboom gekomen hoor ik tussen de takken Hansman huilen. Geelhond rent rondjes om de boom en springt telkens tegen de stam op. Ik heb nu geen zin om me met Hansman te bemoeien. Ik wil me alweer omkeren, maar Hansman heeft me gezien. Hij begint nog harder te huilen. ‘Hansman, kom eens naar beneden!’ ‘Ga weg!’ schreeuwt hij woedend. ‘Jij zat hem te plagen, dat weet je best.’ ‘Hou je bek, stomme griet! Je lijkt zelf wel een mongool. Hij is lekker jouw tweelingbroer, niet de mijne!’ ‘Hansman…’ ‘Hou je kop!’ Hansman is helemaal over zijn toeren. Ik zou hem best kunnen troosten, maar ik heb er geen zin in. Ik hoef even niemand meer te zien. Het liefst zou ik weglopen, weg van Adam die te dom is en van Hansman die te klein is. Ik wil alleen nog maar Anna zijn. Niet langer Anna-Adam. ‘Kom, Geelhond!’ Ik loop flink door. Achter mij sterft Hansmans geschreeuw langzaam weg. Geelhond jaagt fazanten op en het populierenbos onttrekt ons aan het gezicht. Erdoorheen en dan schuin afslaan, over het 9


braakliggende land omhoog tot helemaal bovenaan. Daar, midden in het veld, ligt een begroeide steenhoop. In de lente bloeien daar bobbejaantjes tussen de pijlkruidkers en de augusstruikjes. Gladiooltjes ook. Aan de andere kant van het rotsheuveltje is een zachte, met gras beklede holte, precies groot genoeg voor mij. En voor Adam. Behalve vandaag. Vandaag ben ik hier alleen. Geelhond staat bij de steenhoop te blaffen. ‘Geelhond!’ Hij blaft gewoon door. ‘Geelhond!’ Ik sta weer op. Ik kan die hond wel wurgen, met zijn stomme geblaf! Was hij maar bij Adam gebleven om diens wonden te likken. Geelhond rent om het heuveltje heen. Hij steekt zijn snuit diep tussen de stenen, hij krabt een paar keer, blaft nog eens, rent de andere kant uit. Als hij weer langsloopt, grijp ik hem bij zijn halsband. ‘Kom hier!’ Ik sleep Geelhond achter me aan. Hij stribbelt uit alle macht tegen en kijkt telkens om; hij zet zich schrap tegen de halsband. Mijn voet blijft ergens achter haken en ik sla voorover. In mijn val trek ik Geelhond over me heen. Van schrik hapt hij nijdig naar me. Pas dan begin ik te huilen. Het begint niet zoetjesaan zoals een regenbuitje. Het lijkt meer op een dijkdoorbraak. In één klap is het verdriet overal. Het sleurt me mee naar ravijnen waar ik nog nooit eerder ben geweest, door 10


schrammende struiken en schurende rotskloven. Als een wilde ren ik tussen de rotsen in het rond. Mijn adem komt met horten en stoten. Ik krijg geen lucht meer. Ik schreeuw het uit van die zware steen die op mijn borst ligt en alles dichtdrukt, alles omlaag duwt. Geelhond likt mijn gezicht. Hij krabt met zijn poot aan mijn arm en likt net zo lang tot ik mijn ogen weer opendoe. ‘Hou op, Geelhond.’ Dan houdt hij op en gaat aan mijn voeten liggen. Ik aai over zijn rug. Bij Geelhonds staart zie ik een platte steen liggen, die van de kalkstenen wal is afgebroken. Ik kan er duidelijk een letter op onderscheiden: A.

p

Met de steen nog in mijn handen hoor ik Adam aankomen. Hij kan niet fluiten. Als hij mij zonder mijn naam wil roepen, maakt hij altijd een raar, hoog geluid achter in zijn keel: huuut, huuuut, huuuuut. Hij weet wel waar ik ben. ‘Anna-Adams plekje,’ noemt hij het. De ‘s’ komt er nog steeds een beetje raar uit, maar hij slist tenminste niet meer. Ma heeft het hem afgeleerd. Toen ik op een middag uit de bus stapte, stond hij bij het hek op me te wachten. ‘Sssssss,’ zei hij, terwijl de bus weer optrok. ‘Adam, het is je gelukt! Wat goed van je! Zeg het nog eens!’ 11


‘Zzzzzusssssje.’ Hij gooide zijn hoofd in de nek en lachte. Ma stond met Hansman op de veranda. ‘Fijn hè, Anna? Hij heeft de hele ochtend ge­oefend.’ ‘Zzzzzusssssje,’ zei Adam nog eens. ‘Moeder snijdt zeven scheve sneden brood,’ zei ik hem voor. ‘Dat kun je nu ook zeggen, Adam.’ ‘Ja!’ lachte hij en sloeg met zijn vuist op zijn bovenbeen. Huuut-huuut-huuuut. Huuut-huuut-huuuut. Adam loopt al tussen de populieren. Zo dadelijk komt hij uit het bos tevoorschijn. Geelhond is al naar hem onderweg. Bah! Ik zit op dit moment niet op Adam te wachten. Als Geelhond er niet was, had ik me nog kunnen verstoppen, maar daarvoor is het nu te laat. Die steen mag hij niet zien. Die is van mij, van mij alleen. Het is een Anna-steen. Vlug sluip ik achter de struiken langs en leg de steen tussen de andere. Daar zal niemand hem vinden. Ik loop de helling af naar het bos. Adam huuuthuuut nog steeds. ‘Ik ben hier, Adam!’ ‘Hallo!’ zegt hij met zijn bromstem. ‘Wat kom je hier doen?’ ‘Anna zoeken.’ ‘Waarom?’ 12


Hij haalt zijn schouders op, alsof hij wil zeggen: zomaar. Alsof het zo hoort. Alsof hij denkt dat ik dat ook vind. ‘Kom dan maar mee.’ Voor me uit loopt hij langs het paadje omhoog over het veld. Hij heeft moeite met de grote stenen die hier liggen. Er schemert een vlek door zijn hemd heen. Ma heeft jodium op de wond gedaan. Bij het prikkeldraad laat ik hem voorgaan. Dat is altijd weer een heel gedoe. Hij kan niet op één been staan en tegelijkertijd zijn andere been tussen de twee draden door zwaaien. Ik moet hem min of meer optillen; dan duwt hij beide benen er tegelijk onderdoor en schuift er vervolgens op zijn rug achteraan. Het prikkeldraad blijft altijd wel ergens haken. Ik heb zin om hem een flinke duw te geven. Waarom is hij toch altijd zo sloom? We kunnen nooit eens lekker opschieten. Als ik alleen was geweest, was ik nu al bij de bron. Zo’n sul ook! Na het prikkeldraad loop ik voorop. Als ik na een poosje omkijk, zie ik dat hij wel weet wat ik denk. Hij ziet eruit als iemand die op de grond wil gaan liggen om zich te laten schoppen. Ik heb ook inderdaad zin om hem een schop te geven, maar ik duw het gevoel weg. ‘Doet je schouder nog pijn?’ ‘Neu,’ zegt hij en hij schudt zijn hoofd. ‘Ma heeft er rood spul op gedaan.’ ‘Hier, geef me maar een hand.’ 13


Ik help hem de stenen trap op die naar de bron leidt, en dan langs de gladde helling omhoog tot we boven aan het pad gekomen zijn. ‘Nu kun je weer zelf lopen.’ ‘Nou, vooruit,’ zegt Adam, alsof hij me een gunst bewijst. ‘Laten we een wedstrijdje doen,’ zegt hij zodra we het huis weer kunnen zien. ‘Goed,’ zeg ik. Ik ren tot net voorbij de garage en dan laat ik me door hem inhalen. Dat heeft hij toch nooit in de gaten.

p

Ma leest voor: ‘Zo maakten de bloemen zaadjes en dat werden weer nieuwe bloemen. De vogels legden eieren en de dieren kregen jonkies. En op het laatst maakte God ook de mens. De eerste man die God maakte, heette Adam en zijn vrouw Eva. Ze woonden in een prachtige tuin.’ ‘Nee, Anna! An-na!’ Adam slaat met zijn vuisten op zijn kussen. ‘Nee, Adam, ze heette Eva. Dat staat in de bijbel. Dat mogen we niet zomaar veranderen.’ ‘AN-NA,’ schreeuwt Adam boos en hij begint te jammeren. Ma doet de kinderbijbel dicht. ‘Kom, we zullen maar gaan bidden.’ Adam bedaart. Met zijn korte, dikke vingers drukt hij zijn ogen dicht. Ik knijp de mijne stijf toe. Ma bidt. Ik lig elke avond bij Adam in bed, 14


maar alleen tot hij slaapt. Dan ga ik naar mijn eigen bed, want hij plast nog in zijn broek. ‘Amen.’ ‘Amen,’ herhaalt Adam, zoals elke avond. ‘Welterusten, kinderen,’ zegt ma. Eerst geeft ze mij een kus, dan Adam. Adam gaat om haar nek hangen en knelt haar tegen zich aan. De aderen in zijn nek zwellen op en hij knort diep en zwaar. Ma lacht, maar ik weet dat ze het niet altijd prettig vindt. Dat kan ik aan haar gezicht zien. ‘Dank je wel, Adam. Slaap lekker.’ Ze doet het licht uit en trekt de deur een eindje achter zich dicht. Niet helemaal; het ganglicht valt nog door de kier. Ze weet wel dat ik bang ben in het donker. Aan de andere kant van de gang is Hansmans kamertje. Hij slaapt allang. ‘Misschien was het wel de bloemenwei,’ fluister ik. ‘Ja. De tuin van Anna-Adam.’ Ik denk ook dat de vrouw Anna heette. Niet Eva. A van Anna. Die komt immers als eerste. A, B, C, D, E. Eva komt pas op de vijfde plaats. ‘Anna en Adam, Adam en Anna’. Dat klinkt goed. Eva niet. Eva is achterstevoren. ‘Anna-Adam, Anna-Adam, Anna-Adam,’ fluistert Adam telkens en telkens weer, terwijl hij aan de franje van de deken frunnikt. ‘Anna-Adam, AnnaAdam…’ Net zo lang tot hij slaapt. Ik stap over in mijn eigen bed. ‘An-nA,’ zeg ik zachtjes voor me uit. Dit is geen 15


achterstevoren naam. Hij is precies goed. Hij komt van beide kanten vooraan. Waarom dus Eva? Het klopt gewoon niet. Betta zou nog beter geweest zijn. Adam en Betta. Nee, dan komt de vrouw als tweede, dat is ook niet goed. Iemand heeft zich vergist. Misschien God wel. Misschien wist Hij het alfabet niet meer precies. Ze woonden in een prachtige tuin die God voor hen gemaakt had. Ja, dat móet de bloemenwei wel zijn. Uit de zaden zijn de guave en de walnotenboom gegroeid, en de witte aronskelken verderop in de wei. Venkel bloeit er ook. De dieren die jonkies kregen, zijn de krabbetjes en de kikkers en alle vinken in de rietkraag aan de overkant van de sloot. En er is ook een slang. Iedereen weet dat er een slang in de bloemenwei zit. Maar een appelboom is er niet. Misschien was het een limoenboom. Limoenen zijn niet goed voor je. Ze komen ook pas – A, B, C, D, E, F, G, H, I, J, K, L – pas op de twaalfde plaats. Appels komen het eerst. Anna en Adam en appels. De slang komt pas als negentiende. God komt als zevende. Dat is natuurlijk omdat Hij op de zevende dag gerust heeft. Maar Anna komt het eerst. Anna… de A van Anna… eers…

p

Ma neemt me even apart. ‘Anna, je hoeft Adam niet altijd te laten winnen, hoor. Het is echt lief van je, kind, maar jij moet als eerste over de streep komen.’ 16


‘Ach, ma, dat geeft toch niet.’ ‘Dat geeft wel. Jij hoeft niet voor Adam te zorgen, Anna. Dat zal ma wel doen.’ ‘Dat kan niet.’ ‘Wat bedoel je?’ ‘Ma kan niet tegen Adam hardlopen.’ ‘Dat is waar, Anna, maar het hoort niet dat jij altijd tweede bent. Jij hoort te winnen. Je bent veel sneller dan hij, dat weten we allemaal.’ ‘Adam weet het niet, ma.’ ‘Misschien…’ Elk jaar tussen Kerst en Oudjaar houden we hardloopwedstrijden, georganiseerd door dikke oom Abeltjie. Iedereen van het district is van de partij en doet mee. Volwassenen en kinderen. ‘En de winnaar van de wedstrijd voor kinderen onder de tien is… Adam Arends!’ Wij tweeën zijn de enigen die hebben gelopen. Ik heb Boela omgekocht, zodat hij niet meedeed. Tegen zijn moeder heeft hij gezegd dat zijn voet zeer doet. De andere kinderen zijn allemaal ouder of te jong om mee te doen. ‘Ik heb gewóóóóónnen!’ schreeuwt Adam en hij zet het op een stuntelig drafje om bij Janna Bosbok zijn prijs in ontvangst te nemen. Janna is een neef van ons, maar hij is al getrouwd en heeft ook al kinderen. Iedereen lacht en klapt voor Adam. Dat vindt hij prachtig. Hij knijpt zijn spleetoogjes half dicht en zwaait en blaast een kushandje weg. Nu klap17


pen de mensen pas goed. Naast mij lacht ma heel even. ‘Dat is mooi, Adam,’ zegt ze als hij zijn prijs laat zien. ‘Nu kun je fijn gaan leren.’ ‘Sjonge, Adam, dat is mooi, zeg,’ zegt Hansman. ‘Hmmmm,’ zeg ik als Adam het lichtgele etui onder mijn neus houdt. De prijzen worden altijd door ma uitgekozen. Ze wist dat ik een nieuw etui voor school wilde hebben. Ach, wat geeft het.

p

Ma is bezig citroencake te maken. Tegen de tafel geleund sta ik te kijken hoe ze alle ingrediënten heel precies afweegt. Eigenlijk wacht ik tot ze echt gaat bakken. Adam en Hansman spelen autootje op de weg. Telkens als er een echte auto aankomt, rent ma naar het raam, maar iedere keer gaan Adam en Hansman netjes aan de kant. ‘Hij wordt al groot,’ zegt ma. ‘Je kunt hem al een beetje los vertrouwen. Dat werd hoog tijd ook.’ ‘Ma, hebben ze alle cellen van Adam nagekeken?’ ‘Nee, dat kan niemand, kind. Ze bekijken er maar een paar. Ze tellen ook niet de cellen, Anna, alleen de chromosomen.’ ‘Dat weet ik.’ Al een week lang zit mijn hoofd vol met die chromosomen. Vorige week heeft ma me uitgelegd hoe dat in elkaar zit; en ze heeft me alles verteld 18


over het extra chromosoom dat Adam in zijn cellen heeft. ‘Maar stel nou dat ze een paar cellen hebben overgeslagen waar niets mis mee is.’ ‘Wat dan?’ vraagt ma. ‘Dat weet ik niet. Dan is hij niet helemaal zo.’ ‘Anna, we weten allemaal dat hij wél zo is. Het is toch duidelijk te zien? Aan zijn ogen en zijn mond en de plooi in zijn nek, aan die dikke handen met de korte vingers. En aan zijn tenen. En aan zijn verstand. Het maakt niet uit of ze tien cellen bekijken of een paar miljoen. Adam is anders. Punt.’ ‘Zijn piemeltje is ook kleiner dan dat van Hansman.’ ‘Nou zeg!’ lacht ma en veegt met haar meelbestoven hand over mijn wang. ‘Jij hebt je ogen ook niet in je zak!’ ‘Het ís zo!’ zeg ik, verlegen nu. Ma begint het meel te zeven. ‘Mannen zoals hij zijn meestal onvruchtbaar,’ zegt ze na een poosje. ‘Wat is dat?’ ‘Onvruchtbaar? Dat betekent dat ze geen kinderen kunnen krijgen.’ ‘Ik wil ook nooit kinderen krijgen.’ ‘Maar Anna, hoe kun je dat zeggen? Je zou zo’n goede moeder zijn! Waarom zeg je nou zoiets?’ Ma houdt helemaal op met zeven en roeren. Met de deegkom in haar handen staat ze naar me te kijken alsof ze dit nooit had verwacht. 19


‘Het is veel te veel werk.’ ‘Te veel wérk? Hoe kom je daar nou weer bij?’ ‘Kijk maar naar Adam. We moeten hem met alles helpen.’ ‘Maar het is helemaal niet gezegd dat jij ook zo’n kind als Adam krijgt, Anna. En tegenwoordig kun je een test laten doen. Dan weet je al voordat het kindje geboren wordt of alles goed is of niet.’ ‘En als dat niet zo is?’ ‘Boe!’ schreeuwt Adam bij de hordeur. ‘Adam! Je laat ons schrikken, joh! Ik had die kom wel kunnen laten vallen!’ Hij schreeuwt het uit van plezier om zijn geslaagde grap. ‘Ha-haa-haa, ik heb jullie gefopt!’ ‘Waar is Hansman?’ ‘Naar de stal.’ ‘Wilde jij niet mee?’ ‘Jawel, maar ik moet eerst poepen.’ ‘Adam!’ Ik vind het vreselijk als hij zo praat. Soms zegt hij het zelfs waar andere kinderen bij zijn. ‘Nee, Adam, lieverd, dat mag je niet zeggen. Zeg maar dat je even naar achteren gaat of dat je naar de wc moet.’ ‘Oké,’ zegt Adam. Maar morgen zegt hij het gewoon weer, dat weet ik nu al.

p 20


‘Vertel nog eens van die dag dat…’ zegt Hansman op een avond weer. Het is net alsof ma hier elke avond op zit te wachten. ‘Het was een mooie dag,’ begint ze, zoals altijd; ik kan het verhaal al bijna zelf vertellen. ‘Die ochtend was pa vroeg opgestaan om Hoesa af te lossen. Hoesa had de hele nacht doorgeploegd; de week daarvoor had het flink geregend. Dat jaar kwam de regen stipt om de twee weken, al vanaf maart. Iedereen in de wijde omtrek was aan het ploegen of zaaien. De boeren zaten voortdurend plannen te maken wat ze met de overvloedige oogst zouden doen. Pa wilde de tractor aan het eind van dat jaar helemaal afbetalen. Hij ging op pad met twee koeken en een fles zwarte koffie voor Hoesa. Het was nog donker en koud, maar de lucht was helder. Ze wilden de helling nog diezelfde dag af hebben. Het was vrijdag en pa wilde de akkers graag voor het weekend egaliseren.’ Ik schuif wat dieper onder de dekens. Adam trekt aan de franje. Hansman zit rechtop, met zijn rug tegen de muur. Hij kijkt strak naar ma, alsof hij dwars door haar woorden heen wil kijken. Alsof hij pa zal zien als hij maar goed oplet. ‘Ik hoorde de hele tijd het geronk van de tractor. Ik voelde me niet lekker. Jij was op komst, Hansman,’ zegt ma en ze legt haar arm om zijn pyjamaschoudertjes. Ze vertelt het verhaal altijd 21


aan Hansman, alsof het alleen van hen tweeën is. ‘Ik was ongeveer drie maanden zwanger en voortdurend misselijk. Anna en Adam waren na het ontbijt op de veranda gaan spelen en ik was even gaan liggen. Ik was in die tijd aldoor zo moe. Ik lag naar het dreunen van de tractor te luisteren. Eerst kwam hij steeds dichterbij, dan reed hij zwaar ronkend tegen de helling op, verdween achter de heuveltop, keerde beneden bij het water en kwam weer terug. Ik denk dat ik van het gedreun in slaap gevallen ben…’ Ma is even stil, tot Hansman zonder een woord te zeggen tegen haar elleboog duwt. ‘Het volgende wat ik weet, is dat ik wakker schrok van Mina’s gehuil. Ze kwam over de weg hierheen, en ik hoorde ook nog iets anders, een afgrijselijk geluid. Ik sprong overeind en luisterde. Eerst dacht ik nog dat het een van Mina’s kinderen was, maar toen zei ze dat het pa was. De tractor was op de kletsnatte helling in een slip geraakt en gekanteld, boven op pa. Mina was de was aan het ophangen toen ze hoorde dat de tractor begon te brullen en daarna plotseling stilviel. Ze wist meteen dat er iets mis was en ging Hoesa roepen. Hij lag na die hele nacht ploegen nog maar net in bed, maar ze maakte hem wakker en zei hem meteen te gaan kijken. Zelf liep ze ook mee. Toen ze er kwamen, zagen ze de tractor op zijn kant liggen, met pa onder het grote wiel. 22


Mijn hele leven stond in één klap stil. Ik kon niet eens meer met mijn ogen knipperen. Ik wilde Mina wel wegkijken. Ik wilde alles om mij heen wel wegkijken en doen alsof er niets gebeurd was. Alsof ik niets gehoord had. Mina stond aan mij te rukken en te trekken, maar ik stond daar maar. “Ach, mens toch, denk toch aan de baby,” kermde Mina en toen dacht ik weer aan jou, Hansman. En ik dacht ook: het leven moet doorgaan. Zomaar. De gedachte viel in mijn hart als een ijsblokje in een glas water. Pling! Het leven moet doorgaan. Ik ben naar binnen gegaan om Dawid Cronjé te bellen. Hij was onze naaste buurman. De familie Saayman was net naar een bruiloft in Bloemfontein. En daarna heb ik opa Arends op Bloekomkloof gebeld. Toen ik weer buitenkwam, had Mina zichzelf weer zo’n beetje in de hand. Ze was omgelopen naar de veranda waar Anna en Adam nog altijd aan het spelen waren. “Ga jij maar, miss Joey; ik blijf wel bij de kinderen,” zei ze over haar schouder. Ik ben dat hele eind langs de muur gelopen zonder ook maar iets te voelen. Er waren kieviten op de kleine akker en op een rotsblok zag ik een kameleon liggen. Ergens blaatte een moederschaap en haar lam gaf antwoord. Ik had geen gedachten, ik liep maar. Toen ik bij het prikkeldraad kwam, hoorde ik Hoesa al huilen. Ik keek op, de helling langs, en zag de gele tractor liggen tussen de keurig rechte voren van bruine aarde. Hoesa lag op de grond bij 23


het achterwiel, naast pa. Zijn gehuil weerkaatste tegen de rotsen. Het was net of de hele vallei meehuilde. Pa was morsdood, dat zag je zo. Hoesa ging opzij en ik ging naast pa zitten. Zijn gezicht zag er net zo uit als altijd. Er was niks kapot. Er kwam alleen een dun straaltje bloed uit zijn neus. Het grote wiel lag dwars over zijn borstkas. Zijn lijf was helemaal in de grond gedrukt. Alleen zijn ene arm stak nog wat omhoog tussen de kluiten. Ik zag dat zijn nagels vuil waren. Pa hield zijn nagels altijd keurig schoon, maar nu was er aarde onder gekomen. Toen heb ik zijn nagels een voor een schoongemaakt, met mijn haarspeld. Zo hebben opa en oom Gielie ons gevonden. Zij hebben me weer naar huis gebracht. Dawid Cronjé kwam met zijn eigen tractor en heeft pa eronder weggehaald.’ Hansman zit nog steeds met grote ogen te kijken. Ik voel de tranen komen, maar slik ze weg. Ik slik en slik en ik knipper heel snel met mijn ogen, net zo lang tot het gevoel weg is. Ma staat op, alsof het verhaal afgelopen is. Ze kijkt niet naar ons. Ze duwt het raam open en trekt de deken van Adam recht. Adam slaapt al. ‘Nu slapen,’ zegt ze zacht. ‘Welterusten.’ ‘Welterusten, ma.’

p

Ik ben bang voor Gielie. Hij is altijd nijdig, alsof hij het niet echt leuk vindt om boer te zijn op 24


Driefontein. Alsof we hem alleen maar in de weg zitten. Ik wou maar dat ma hem op een dag eens goed uitfoeterde, met de handen op de heupen, zoals ze ons doet als ze boos op ons is. Gielie is pa’s jongere broer. Nu werkt hij voor ma en die is de baas op Driefontein – ze kan dus net zo kwaad op hem worden als ze maar wil. ‘Ach, ik trek me gewoon niks van zijn buien aan,’ zegt ma, als ik klaag dat hij bij het middageten altijd zo sikkeneurig zit te kijken. ‘Wacht maar tot hij getrouwd is, dan zullen we eens zien wat er wordt van die nukkige zwager van mij! Hij is nog jong en zit vol grillen, en hij is kwaad op zichzelf omdat hij maar geen vrouw kan krijgen,’ voegt ze er een beetje vals aan toe en ze geeft Mina een knipoog. ‘Maar niet zeggen dat ik dat gezegd heb, hoor! Anders knijp ik jullie keeltjes dicht!’ Ze zet grote ogen op en komt met speels geklauwde vingers op ons af. ‘Nee, ma!’ lachen Hansman en ik en we rennen vlug naar Adam. ‘Denk erom, Adam, niks tegen Gielie zeggen, hoor!’ Mina lacht. ‘Adam praat heus zijn mond niet voorbij. Adam kent zijn manieren.’ Gielie heeft een eigen huisje op het erf. Wij komen daar bijna nooit, eigenlijk alleen wanneer de moerbeien rijp zijn. Dan klimmen we in de hoge boom naast het huisje en plukken bekers vol moerbeien waar Mina jam van maakt. Als Gielie er niet is, gluren we af en toe door zijn raam naar binnen. 25


Hannah, een jonge makelaar, wordt achtervolgd door herinneringen aan de verdrinking van een jong meisje, waarin zij een rol speelde. Maar ze kan niet terughalen wat er werkelijk is voorgevallen. Met drie andere vrouwen gaat Hannah een week naar een klooster voor bezinning. Ze vindt in het klooster niet de rust waarnaar ze op zoek is, maar wel de wijze jonge monnik Daniël, tot wie ze zich op onverklaarbare wijze aangetrokken voelt. Een nachtelijke gebeurtenis zorgt voor een omslag in haar leven en dat van Daniël. Ze vertrekt richting Afrika in de hoop alle schepen achter zich te verbranden. In de krottenwijken ontmoet ze de wijze oude moeder Moria, die haar de ogen opent voor haar verleden. Maar durft ze dat verleden ook onder ogen te zien? Een eigentijdse debuutroman over een jonge vrouw die, achtervolgd door een onopgelost raadsel uit haar verleden, wanhopig op zoek is naar rust. Mirjam van der Vegt (1977) is werkzaam als redacteur bij EO-Visie. Ze is getrouwd, heeft twee dochters en woont in Utrecht. Schaduwvlucht is haar debuutroman.

ISBN: 978 90 239 9273 8 Uitvoering: paperback Blz: 228 pag. Prijs: € 17,90


Schaduwvlucht_def.indd Sec1:16

27-08-2009 09:36:36


1 Klooster

H

gebouw doemde op tussen de bomen en de kale ronde omgang bood een verlaten aanblik. Automatisch ging ik iets langzamer fietsen, alsof ik de confrontatie met de eenzame muren zo lang mogelijk wilde uitstellen. Boven een lage wal glinsterden ramen in het zonlicht. Zouden we hier echt stoppen? Misschien vergiste ik me en waren de slierten mist die tussen de donkere stammen zwierven, geen voorbode van onheil. We konden er natuurlijk ook gewoon voorbijfietsen. De anderen leken nog niets in de gaten te hebben. Ann, Irne, Lois en ik; we kenden elkaar al tien jaar. Maar wat was kennen? Kende je elkaar goed als je ieder jaar met elkaar op vakantie ging? Ann minderde vaart en kwam naast me fietsen. Zij was verantwoordelijk voor de verrassende bestemming van dit jaar. Lois was zwanger, dus té avontuurlijk – zoals wild kamperen op zandverstuivingen midden in het bos – mocht het niet worden helaas. Ann had niets willen loslaten, maar ons gesommeerd een paar goede inspirerende boeken mee te nemen. Ze legde haar hand op mijn arm. ‘Tien jaar geleden begon het met bezinning,’ haar hand streek over mijn huid, ‘en daar leek het me nu weer tijd voor.’ Ze refereerde aan een fotoworkshop over ‘zin’, waar we elkaar tegen het lijf ET

17

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:17

27-08-2009 09:36:36


waren gelopen. Tussen mij en Ann was het een hernieuwde ontmoeting geweest; we kenden elkaar al uit onze kindertijd. Irne en Lois hadden zich tijdens de opdrachten die we moesten uitvoeren als vanzelf bij ons aangesloten. Mijn vermoeden klopte dus. We zouden er niet voorbijrijden. Ik duwde haar hand van mijn huid. Ze keek me fronsend aan. ‘Wat hijg je, ben je nu al moe?’ ‘Nee!’ Ik verzachtte mijn uitroep met een glimlach. ‘Als het is wat ik denk, is het heel bijzonder.’ Ze fietste tevreden naar voren. Natuurlijk vond iedereen dit leuk. We kenden elkaar tenslotte al tien jaar. Irne minderde vaart. ‘Ann, wat een verrassing! Blijven we hier ook slapen?’ We draaiden een smalle landweg op en stonden ineens voor de gietijzeren hekken. ‘We gaan hier toch niet echt naar binnen?’ Ze luisterden niet naar mij. Irne zette haar fiets tegen het hek en Ann en Lois volgden haar voorbeeld. Ze wachtten op mij, maar ik maakte nog geen aanstalten af te stappen. ‘Nou, wat gaan we hier doen?’ Irne rommelde al aan het hek. ‘Kom op, Hannah, laat je gewoon verrassen. Dat wilde jij toch zo graag?’ Ik reed naar het informatiebord iets verderop. Het was inderdaad een stilteklooster. De diensten waren op een vergeeld blaadje aangegeven. ‘Dagorde van het office’ stond erboven. Van 04.30 tot 20.30 uur waren er verschillende bijeenkomsten, en de winkel en de bierbrouwerij waren elke middag geopend. Naast het vergeelde blaadje hing 18

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:18

27-08-2009 09:36:36


een poster over het abdijleven. Elke zaterdag was er een informatiemiddag. ‘De stilte geeft antwoorden,’ luidde de promotietekst. Ik fietste de muur langs, de hoek om. Een uitgestrekt landschap ontvouwde zich, met in de verte glooiende heideheuvels. Je kon vanaf de weg zo de natuur inlopen. Langs de muur van het klooster stond een oude Peugeot, maar verder wees niets op enig menselijk leven. Iets verderop zag ik een oude schuur. Een aantal wijnvaten stond her en der verspreid onder het gammele afdak en een grijze kat lag loom in een hoek. Door een opening in de kloostermuur was een binnenplaats met een terras te zien. Er stonden lege bierglazen op de tafeltjes, maar verder was ook hier niemand te bekennen. Een gracht stopte mijn gang langs de kloostermuur.Vanaf hier kon je alleen nog maar het bos inrijden, dus ik kon beter teruggaan. ‘We blijven hier een midweek en de eerste dagen horen we volgens de orde niet met elkaar te praten,’ hoorde ik Ann tegen de anderen zeggen toen ik weer bij het hek aankwam. Ik twijfelde of ik zou tegensputteren, maar misschien was het zo erg nog niet. Drie dagen waren zo voorbij en als we stil moesten zijn, konden Ann en Lois ook niet de hele tijd over Anns kinderen of de toekomstige baby praten. De monniken leken onze komst te voorvoelen, want voordat Ann na het gietijzeren hek op de grote houten deur met ornamenten kon kloppen, zwaaide deze langzaam open. Een stille binnenplaats die ik vanbuiten nog niet gezien had, lag voor ons, met bloeiende mimosa aan alle kanten. Het was dat de gebochelde man zacht kuchte, anders had ik hem niet opgemerkt. Hij stond schuin achter de deur en hield 19

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:19

27-08-2009 09:36:36


zijn ogen neergeslagen. Met zijn hand op zijn hart sprak hij ons zacht toe: ‘Moge uw verblijf een tijd van vreugde zijn.’ Even sloeg hij zijn vriendelijke ogen op. ‘Ik wens u allen veel devotie.’ Hij wees naar een deur aan de andere kant van de tuin. ‘Welkom dames.’ Het kostte de volgende monnik zichtbaar meer moeite om de ogen neergeslagen te houden, terwijl hij ons het klooster binnenleidde. Zijn luide stem weerkaatste tegen het hoge plafond. ‘Hier hebt ge de sleutels van uw verblijf. Over een halfuur is er een dienst, en daarna staat het warme eten op tafel.’ Hij overhandigde ons een sleutelbos waarmee we onze kamer en een schuur voor de fietsen konden openen. Toen de anderen de trap naar de kamers op liepen, bleef ik staan in de hoge gang. Ann keek vragend achterom. Ik knikte haar toe, draaide me om en liep de gang in. Dat onrustige gevoel wilde ik kwijt. Langs de wanden hingen schilderijen met de abten uit vroegere tijden. Dom Emmanuel van Gassel, Augustinus Schaapen en Gabriël van de Moosdijk. Met ernstige ogen volgden ze mijn gang, strak en streng. Ik zou deze locatie zelf nooit uitgekozen hebben. Wat wilde Ann hiermee? Ik struikelde over een losliggend stuk marmer en toen ik opkeek, was er opeens een gevoel van verrassing. Midden tussen de strakke gezichten hing iemand die ik hier niet had verwacht. Columbanus Tewes. Zijn naam was met krullende letters aangebracht. Was het de vaardige hand van de schilder of het innerlijk van deze man dat dit doek deed stralen? Hij had een milde uitdrukking op zijn gezicht, zijn ogen waren vriendelijk en wat droefgeestig. Ik zocht een woord dat zijn blik kon beschrijven. Mededogen, dat was het. 20

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:20

27-08-2009 09:36:36


Ik ademde in en uit en het beklemmende gevoel in mijn borst werd langzaam minder. De sleutels rinkelden in mijn hand, nu kon ik naar boven. Met lichtere tred liep ik de gang weer door, de trap op. Ook daar was er weer een verrassing. De kamer was groot en ruim. Een bed aan weerszijden van de ruimte en een zwaar houten bureau in het midden. Toen ik de glas-in-loodramen openzette, stroomde de geur van de bloeiende binnentuin de kamer in, samen met het gezang van tientallen kleine vogeltjes. De lakens waren door en door wit, in kaarsrechte vouwen gesteven. De orde en netheid deden me denken aan de logeerpartijen bij mijn oma. Toen ik de lakens uitvouwde, hoorde ik ze knisperen en kraken, net zoals vroeger bij haar thuis. Met een snelle hand maakte ik mijn bed op. Eerst een onderlaken, dan een bovenlaken en daarbovenop een groene wollen deken. De kleine wastafel in de hoek blonk alsof hij net geboend was. Mijn tassen gingen keurig in de hoek van de kast, een aantal bloezen hing ik op een haakje. Voor onrust was hier geen plaats, ik had me niet druk hoeven maken. Toen ik een boek op de hoek van de tafel legde, dwarrelde er een geel blaadje op de grond. ‘Intreden in de stilte’ stond bovenaan in schuine letters. ‘Hoe je kunt komen tot de derde trede van stilte.’ Voordat ik verder kon lezen, klonk er vanbuiten opeens het gedragen geluid van een klok. Als ik opschoot, kon ik de eerste dienst nog meemaken.

21

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:21

27-08-2009 09:36:36


2

I

zag hem voor het eerst tijdens de sext; de korte dienst voor het middageten. Door een labyrint van kloostergangetjes liepen we op onze tenen naar de huiskapel. Achter elke deur bevond zich wel iets bijzonders. Een nis met een Mariabeeld, of een verstilde gang met aan de zijkant kleine biechtkapelletjes. Uiteindelijk zag ik het bordje met ‘huiskapel’ staan. Een oude monnik kwam vanachter een pilaar vandaan en opende een zware eikenhouten deur. Toen zag ik de jonge monnik. Hij stond naast een tafel met boekjes en bijbels. ‘Moeten we deze mee naar binnen nemen?’ Anns stem klonk luid in de ruime gang. Hij zond haar een waarschuwende blik en wees naar de folders die we deze dienst zouden gebruiken. Ik vroeg me af waarom hij meer opviel dan de rest. Waren het zijn donkere indringende ogen? Qua uiterlijk verschilde hij eigenlijk niet veel van de andere monniken. Een kaalgeschoren hoofd, een witte pij met daaroverheen een zwarte schort met een puntmuts eraan. Om zijn middel een bruinleren riem en aan zijn voeten gebreide wollen sokken met eenvoudige sandalen. Hij was jonger dan de rest, veel jonger. Hij keek me niet aan toen hij het liederenboek overhandigde. ‘Wat doe jij hier?’ wilde ik hem vragen, maar toen K

22

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:22

27-08-2009 09:36:36


ik me zijn blik richting Ann herinnerde, liep ik snel naar binnen. De kapel was zo gebouwd dat je op lange banken evenwijdig aan de muren zat en elkaar aankeek. Voorin een ruwhouten kruis, met een beeld van Jezus met een klein lapje stof om zijn middel. Het binnenste gedeelte was gebouwd als een langwerpige orkestbak, waar de oudste monniken hun plekje zochten. In de gauwigheid telde ik er zo’n vijftien. Drie van hen moesten al zeker tegen de negentig lopen. Schuifelend duwden ze hun rollator over de geboende houten vloer. De jonge monnik kwam als laatste binnen. Hij droeg een witte kaars, die hij voorin op een kandelaar zette. Nadat hij de kaars aangestoken had, ging hij schuin in de hoek zitten, waar zich een eenvoudige piano bevond. Misschien was zijn stem de reden dat hij me zo opviel. Loepzuiver klonk die opeens door de ijle lucht. ‘Alleluia, alleluia…’ De andere monniken stonden op en bogen zich naar het kruis. Oud en krakerig vielen de stemmen hem bij: ‘Alleluia, God zij geloofd.’ Ik gaf het al gauw op om mee te zingen. Het was onmogelijk om niet uit de toon te vallen. De melodie ging van hoog naar laag, in een wonderlijke cadans. Bij het ene lied stonden ze en bij het andere gingen ze weer zitten. Ik keek naar hun gezichten. Zouden ze dit elke dag met evenveel passie doen? Of waren het mannen als mijn vader? Mijn vader die ’s ochtends de vreemdelingen van ver nog verwenste en ’s middags in de kerk zong over hoe hij die vreemdeling zou opnemen in zijn tent. Toen ik hem als 23

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:23

27-08-2009 09:36:36


kind eens had gevraagd wat dat betekende – opnemen in je tent – had hij het weggewuifd. ‘Dat begrijp jij nog niet.’ Ik had aangedrongen, maar hij verschool zich toen achter zijn krant. ‘Dat kun je beter aan de dominee vragen. Niet alle dingen gelden meer voor deze tijd.’ Wat zouden de monniken eigenlijk van onze vrouwelijke aanwezigheid vinden? Zouden ze niet door ons afgeleid worden? Ik haalde een sjaal uit mijn tas en trok hem over mijn blote schouders. De jonge monnik keek niet op. Beschaamd boog ik mijn hoofd. Dit was een heilig moment dat door iedereen oprecht werd beleefd. Daar mocht ik niet aan twijfelen. Even later zaten we in een U-vorm aan een lange tafel in de eetzaal. Er was gedekt voor meer personen, maar toen er niemand anders kwam opdagen, las een monnik een eenvoudig gebed. Nadat hij een cd met gregoriaanse muziek had opgezet, vertrok hij met gebogen hoofd. ‘Eten in stilte’ stond er op de bordjes op tafel. Om de tijd te doden bestudeerde ik de waterige soep. Een paar plukjes peterselie dreven met wat aardappelpartjes in het opgewarmde water. Gelukkig stond er peper en zout op tafel. Lois zat naast me, haar bruinverbrande gezicht in een ernstige plooi. Ze bladerde in de bijbel die voor haar op tafel lag. Ik was hem vergeten. Hij lag nog thuis, onder in mijn nachtkasje. Irne wiebelde heen en weer op haar stoel en probeerde de aandacht van Ann te vangen. Maar die was bezig met het schikken van de potjes peper en zout op tafel. Was het haar manier om de stilte te ontlopen? Ik vond het prettiger dan verwacht; niets te horen dan het gekletter van messen en vorken. Irne zat eindelijk stil en keek peinzend 24

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:24

27-08-2009 09:36:36


naar buiten, haar koperkleurige haar gevangen door de zon. Ze leek een heilige zoals ze daar zat met haar handen gevouwen onder haar kin. Het was een surrealistisch tafereel, zo met z’n vieren op een rij.Verbazingwekkend. Als iemand me tien jaar geleden een foto van dit moment had laten zien, had ik het niet geloofd. Wat deed ik daar tussen die vrouwen? Het was allemaal begonnen met Ann. Hoe anders zou mijn leven gelopen zijn als ik haar niet gekend had. Opeens was mijn trek verdwenen. De zon wilde niet echt doorbreken. De lucht was dichtgetrokken, en af en toe viel er een spatje uit de dichtbewolkte hemel. Naar buiten gaan leek me geen optie, maar alleen op mijn kamer zitten ook niet. Daarom dwaalde ik door de verlaten gangen, op zoek naar een piano. Op zoek naar klanken die konden vertalen wat ik voelde. Ik negeerde het bordje verboden toegang in de smalle gang naast de eetzaal. Mijn hakken maakten lawaai op de stenen vloer en ik sloop op mijn tenen verder. De gang eindigde in een statige zaal met geweven iconen op wandtapijten aan de muur. Zware donkere eiken meubels maakten de ruimte streng en gewichtig. Opeens schoot het beeld van de jonge monnik door mijn hoofd. Ik zag hem hier al zitten samen met de rest. Geen bezittingen, geen luxe. Nooit meer intiem zijn met een mens, in de hoop de ultieme intimiteit bij God te vinden. Wat bezielde zo iemand? Het moest wel iets diep vanbinnen zijn. Een deur achter in de kamer gaf toegang tot een grote eetzaal. In het midden van de ruimte stond een lange houten tafel met wel honderd stoelen. De lichtere houtsoort gaf de ruimte een vriendelijke aanblik. 25

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:25

27-08-2009 09:36:36


Ik ontdekte hem pas toen hij opstond, zo stil had hij gezeten. Zijn stem klonk net zo zuiver als tijdens het zingen. ‘Ben je verdwaald?’ Er was geen vluchtweg. ‘Ik denk het,’ mompelde ik. De glimlach bereikte zijn ogen, dus lachte ik voorzichtig terug. ‘Waar ben ik hier?’ vroeg ik, alsof ik niet heel bewust het labyrint van gangen was ingegaan. Hij had een witte mantel aan over zijn donkere tuniek. De mantel waaierde uit toen hij zijn armen spreidde. ‘In deze zaal leggen de monniken hun geloften van eenvoud en kuisheid af. Verder wordt hij gebruikt voor recepties en ontmoetingen.’ Ik wees naar zijn witte kleed. ‘U draagt nu iets anders dan net.’ ‘Mijn gebedsmantel. Spreek mij maar aan bij mijn naam.’ Hij stak zijn hand uit. ‘Broeder Daniël.’ Zijn stem had een donker timbre, waardoor ik me direct op mijn gemak voelde. ‘Wat bezielt mensen om hier te gaan wonen!’ Ik schrok zelf van de verontwaardigde klank in mijn stem. ‘Je hart begrijpt het niet, maar je mond gebruikt de juiste woorden,’ antwoordde hij met een glimlach. ‘Bezieling is de juiste term. De mannen hier weten zich geroepen door God.’ ‘Geroepen waartoe?’ Het bleef voor mij een raadsel. Hij draaide zich peinzend naar de hoge smalle ramen. ‘De uitdrukking ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ gaat hier in het klooster niet op. Ieder heeft zijn eigen unieke roeping. Maar ten diepste zoeken we natuurlijk allemaal naar God.’ Toen draaide hij zich abrupt om en keek me recht aan. 26

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:26

27-08-2009 09:36:36


‘God zoeken is een oefening in door Hem gevonden willen worden.’ ‘Nou, dan mag ik nog wel even oefenen!’ De opmerking ontglipte me voordat ik er erg in had. Was het een lach die ik in zijn ogen zag? ‘Nu je toch verdwaald bent, kan ik je nog wel iets verder het doolhof in leiden.’ Zijn stem klonk in ieder geval geamuseerd. Met kalme stappen liep hij naar een deurtje in de hoek en gebaarde dat ik hem moest volgen. Achter het lage deurtje bevond zich een trap met drie treden die naar beneden leidde. Hij zei me bovenaan stil te staan. ‘Ken je het verhaal van de drie treden?’ Ik diepte het gele blaadje uit mijn kamer uit mijn achterzak. ‘Staat dat hierin?’ Hij knikte. ‘Je weet er dus van?’ ‘Ik heb het nog niet gelezen.’ ‘Mooi, dan zal ik het nu aan de hand van deze trap uitleggen.’ Zelf daalde hij al naar beneden en keek me verwachtingsvol aan. ‘Hoe voel je je nu je op die eerste trede staat?’ Ik keek van mijn voeten naar de prachtige kloostertuin die voor mij lag. Er stonden hier nog meer bloeiende planten dan op de binnenplaats.‘Ik zie een prachtige tuin waar ik graag even in zou wandelen.’ Hij knikte goedkeurend, maar gebaarde me te stoppen toen ik naar beneden wilde stappen. ‘Een goede waarneming, maar wacht nog even. Werkelijke stilte vind je niet zomaar. Op de eerste trede van de stilte ben je aangenaam verrast te kunnen herademen. De rust doet weldadig aan omdat je nog overzicht hebt.’ Hij reikte me zijn hand en ik stapte op de tweede trede. Hij vervolgde: ‘Als je een 27

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:27

27-08-2009 09:36:36


volgende stap zet, de tweede trede, wordt die stilte soms onaangenaam verstoord door je innerlijke onvrede en angsten. Tussen de uiterlijke en innerlijke stilte kun je struikelen over jezelf. Velen vluchten weg, bang om nog dieper af te dalen. Besef dat deze treden van stilte niet omhoog voeren, maar naar beneden. Dieper je hart in.’ ‘Aha.’ Ik hoopte dat hij de cynische ondertoon niet hoorde. Toen ik aanstalten maakte nog een stap naar beneden te doen, hield hij me opnieuw tegen. ‘Je kunt de tweede trede niet overslaan, zoals sommigen denken. Je moet dwars door alles heen om op de derde trede te komen.’ Ik had lang genoeg geluisterd, maar hij hield mijn hand nog steeds vast. Het was lang geleden dat iemand dat had gedaan. Het was dat hij een monnik was, anders had ik mijn hand losgetrokken. Hijzelf leek geen last te hebben van deze gedachten, want hij trok me naar de laatste trede en bracht zijn hoofd dichter naar het mijne. ‘Wat voel je nu?’ Hij durfde wel, zo dichtbij. Was hij zijn eigen mannelijkheid soms vergeten? Zijn hand voelde koel en stevig aan en in zijn ogen lag een glimlach. Ik zag de stoppels van zijn baard en rook een vleug bekende zeep. Die geur verwarde me. Wat bedoelde hij met de vraag hoe ik me voelde? Het was heel lang geleden dat ik zo dicht bij een man had gestaan, en het voelde vertrouwd. Toen hij mijn hand losliet, keek ik de tuin rond om maar niet naar hem te hoeven kijken. Er was genoeg te zien. Overal kleine goed onderhouden perkjes met verschillende soorten bloemen. In de hoek stond een kleine kas met een aantal tomatenplanten ervoor. De lucht was verzadigd met heerlijke geuren en het gonsde van bijen. Ik moest me de gevoelens van net verbeeld hebben. Het was deze omgeving die vertrouwd aandeed. 28

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:28

27-08-2009 09:36:36


Daniël verwachtte kennelijk geen antwoord op zijn vraag. Hij volgde mijn blik door de tuin en verklaarde: ‘Pas op de derde trede zul je een diepe innerlijke stilte ervaren. Daar weet je je bemind en geliefd door God.’ Ik hoorde zijn woorden, maar snapte ze niet. ‘Wat jammer dat deze tuin zo onzichtbaar is. Jullie houden dit goed verborgen voor de buitenwereld.’ Het leek me tijd voor een luchtiger onderwerp. Hij klonk ernstig. ‘Je moet je verborgen binnentuin goed onderhouden.’ Met zijn vingertoppen raakte hij een stekje dat net begon uit te lopen. ‘Deze planten kweken we hier. Als ze tot volle bloei gekomen zijn, verhuizen we ze naar de binnenplaats waar gasten van hun geur kunnen genieten.’ Hij trok een bosje onkruid uit de diepzwarte aarde en knakte de wortels met zijn handen. ‘Dit is de tuin van broeder Lucas. Hij was kweker, totdat hij zijn vrouw en kind in het kraambed verloor. Toen hij een evangelist ontmoette, kwam hij tot geloof. Hij besefte dat hij meer wilde dan alleen maar bloemen verkopen. Tien jaar geleden trad hij in en hij noemt dit zijn lofhof aan God.’ In mijn binnenste ging het opeens hevig tekeer. Broeder Daniël vervolgde: ‘Hij schildert de bloemen uit zijn lofhof, in de kleine boekwinkel kun je kaarten van hem kopen.’ ‘Moet er eerst iemand doodgaan, voordat God zich laat vinden?’ vroeg ik scherp. Hij stond stil en sloeg zijn ogen neer. Zag hij iets van de boosheid in mijn ogen? Ik verwachtte al geen antwoord meer, toen zijn stem zacht klonk. ‘Broeder Lucas ziet zijn vrouw als een bloem die door God geplukt is. Aangezien Hij de eigenaar van de tuin van het leven is, heeft Hij het recht dat te doen.’ 29

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:29

27-08-2009 09:36:36


‘Wat een onzin!’ flapte ik er uit. Hij schrok niet van mijn uitbarsting. ‘Het klooster is ook voor opstandige mensen. Volg mij maar.’ Het grind knarste onder onze voeten toen we over het smalle paadje naar achteren liepen. Aan het einde bevond zich een hoge heg met daarin een poortje. Hij lachte om mijn verbazing. ‘Er zijn hier nog veel meer verborgen plekken.’ Na een stevige duw ging het kleine hardhouten deurtje open. De sfeer was direct anders. Het veld voor me had de grootte van een klein weiland. Op een heuveltje vooraan stond een witte kapel met een Mariabeeld in een nis. Een kleine klok hing aan een ijzeren ring en werd door de wind zacht heen en weer geslingerd. Ik schatte dat er zo’n honderd witte kruisen stonden, keurig in gelid. Dichterbij gekomen las ik de namen. Broeder Clemens 1907-1988. Broeder Ignoris 1935-1970. Daniël liep naar een graf waar de aarde nog omgewoeld lag. Een paar gele narcissen staken fel af tegen de zwarte ondergrond. Daniël boog zijn knieën en raakte de vochtige aarde aan. ‘Hier is broeder Igor vorige week begraven.’ Hij glimlachte: ‘Hij is eindelijk gelanceerd naar zijn bestemming.’ Hij zag mijn verbijsterde gezicht. ‘Dat zijn Igors eigen woorden. Op twintigjarige leeftijd werd hij afgekeurd voor de luchtmacht, zijn grootste wens ooit. Hij droomde ervan vanaf een vliegdekschip gelanceerd te worden en zijn steentje bij te dragen aan de vrede op aarde. In de weken daarna was hij opstandig en boos op God. Op een dag liep hij vloekend en tierend door het bos, toen hij gevangen werd door een lichtstraal tussen de bomen. “Igor, ik wil je bij mijn luchtmobiele brigade,” sprak 30

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:30

27-08-2009 09:36:36


God tot hem. In de verte zag hij de torens van het klooster boven de bomen uitsteken. Toen begreep hij dat God het geestelijk bedoelde en dat hij geroepen was om monnik te worden. Hij hield van deze begraafplaats.’ Broeder Daniël stond weer op en liet zijn blik over de rijen kruisen glijden. ‘Na een lange opleiding worden mensen hier gelanceerd naar hun laatste verblijfplaats, was zijn opvatting. Dat maakte deze plek voor hem zo bijzonder.’ Het geklingel van de klok kreeg opeens een andere betekenis. Alsof hij het sein gaf voor opstijgen. Als de hemel zich nu zou openen en er een ruimteschip zou verschijnen, zou ik niet verbaasd zijn. Maar het moment ging voorbij. Welke Godservaring zou Daniël zelf gehad hebben? Dat moest wel iets heel bijzonders geweest zijn, want hij kwam redelijk verstandig over. Ik geloofde niet dat hij hier al lang was, daar was zijn rug te recht voor. De oude monniken liepen met hun hoofd gebogen en hun rug in een kromming. We liepen langs de kruisen naar achteren, waar de geur van versgebakken brood plotseling met een windvlaag mee de tuin inwaaide. ‘De bakkerij,’ wees broeder Daniël. ‘Het brood dat nu gebakken wordt, eet je vanavond.’ Hij vervolgde: ‘Er zijn hier ook monniken zonder zo’n ingrijpen van Godswege. Broeder Augus was de vierde uit een gezin van tien. De vierde wordt monnik of priester, zo is het bij hen generaties lang gegaan. Dat hij werd geboren als de vierde, zag hij als zijn roeping. Heel eenvoudig.’ Hij draaide zich om en wees naar de gebouwen die achter ons stonden. ‘Dit is het oude gedeelte. We woonden hier ooit met zijn honderden, er zijn er nu nog vijftien over.’ Zijn vinger ging richting het gedeelte dat nog voor ons 31

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:31

27-08-2009 09:36:37


lag: ‘Ons verblijf is gemoderniseerd. Vroeger sliepen we op grote kamers zij aan zij. Tegenwoordig hebben we onze eigen kamer.’ Hij praatte alsof hij hier al eeuwen woonde. ‘En jij, wat is jouw roeping?’ Hij draaide zich van mij weg. ‘Als je die kant oploopt, kom je vanzelf weer terug in het gastenverblijf; ik wens je nog een goede tijd.’ Terwijl ik beschaamd bleef staan, liep hij langzaam bij mij vandaan. Vlak voor de hoge heg draaide hij zich om. Zijn stem klonk ijl door de lucht. ‘Ik heb geen roeping. Ze noemen mij de roeper.’

32

Schaduwvlucht_def.indd Sec1:32

27-08-2009 09:36:37


Schaduwvlucht_def.indd Sec1:16

27-08-2009 09:36:36


Voor Tonia, veertien jaar, is overleven een dagelijkse opgave. Door de opwarming van de aarde is een groot deel van de wereld in een woestijn veranderd. Het watertekort is een enorm probleem. En thuis kan Tonia niet meer blijven. Als ze hoort van een rondtrekkende groep mensen die in de droge hitte prima kan overleven, besluit ze zich bij deze Toearegs aan te sluiten. Voor ze het weet wordt Tonia meegesleurd in een ongekend spannende reeks avonturen. De Toearegs blijken een geheime missie te hebben waarin zij een sleutelrol toebedeeld krijgt. Er is echter een gevaarlijke tegenspeler: Finsøkker, de machtigste man van het noorden. Hij zal alles in het werk stellen om de Toearegs tot staan te brengen en de wereld aan zijn voeten te krijgen. Als hij er achter komt dat Tonia de kwetsbare schakel vormt, komt ze persoonlijk in gevaar. Michael Wallner (1958) is acteur, theater- en operaregisseur. Hij publiceerde inmiddels verschillende romans, waaronder de succesvolle April in Parijs en Tussen de getijden. ‘April in Parijs heeft alle kwaliteiten van een thriller, maar het is in een fraaie, ingehouden stijl geschreven. Het laat zich lezen als een spannend filmscenario en het is bovendien een prachtige, zij het onmogelijke liefdesgeschiedenis.’ – Maarten Asscher, Vrij Nederland

ISBN: 978 90 239 9325 4 Uitvoering: paperback Blz: 368 pag. Prijs: ca. € 19,90


De woestijnloper_DEF.indd Sec1:6

02-09-2009 21:43:43


De macht van de woestijn

1 Met ingehouden adem lag Tonia onder het dak. Vlak voor haar kwam de schorpioen overeind; hij richtte zijn stekel dreigend op haar gezicht. Tonia verwenste zichzelf omdat ze niet naar haar vader had geluisterd en met de anderen beneden was gaan slapen. ’s Nachts had ze zo’n last van de hitte, dat ze het niet had kunnen laten naar boven te gaan, naar de ovale opening in het dak waar nog een zuchtje koelte langs streek. Zo’n gat in het dak was niets ongewoons, veel huizen hadden er een. Waarom ook niet? Het regende toch niet meer; al een eeuwigheid had het niet meer geregend. De schorpioen was lichtbruin en bijna doorzichtig; zijn pootjes trilden op de grond terwijl hij zijn stekel hoog boven zijn kop heen en weer liet wiebelen. De Saharaschorpioen was het gevaarlijkst, baby’s gingen er aan dood als ze gestoken werden. Tonia kende een jongen in haar dorp die na twee schorpioenenbeten verlamd was. Ze kon haar adem niet langer inhouden; het bloed klopte in haar slapen. Plotseling vloog een sprinkhaan door de opening naar binnen en kwam naast de schorpioen terecht. 7

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:7

02-09-2009 21:43:43


Met een bliksemsnelle wending draaide die zich om, greep het insect met zijn scharen en scheurde zijn kop eraf. Zonder pardon verdeelde hij de sprinkhaan in kleine porties die hij met behulp van zijn schaarpoten in zijn bek schoof. Voorzichtig liet Tonia haar adem ontsnappen; ze steunde op haar elleboog en keek nieuwsgierig hoe hij zijn maaltijd verorberde. ‘Morgen ben ik jarig,’ fluisterde ze. ‘Eigenlijk vandaag al.’ Ze keek naar de horizon, de lichte streep daar werd breder. Tonia glimlachte. ‘Ik word veertien. En jij, hoe oud ben jij eigenlijk?’ Opeens leek het de schorpioen niet meer te smaken. Zenuwachtig keek hij om zich heen. Nu voelde ook Tonia wat hem onrustig maakte: het huis trilde. Ze kende deze nachten waarin alles in beroering kwam omdat de storm tegen de muren beukte. Hij rukte aan de deuren en de luiken en het fijne zand drong door alle kieren naar binnen. Haar kleine broertjes kregen dan stofmaskers op zodat ze beter adem konden halen. Wanneer er zo’n zandstorm naderde, klom Simion, haar vader, onder het dak en deed het luik dicht; toch stoof er zo veel zand naar binnen dat er tussen de bedden een heuveltje ontstond. Je kon allang niet meer door het slaapkamerraam kijken; er was een berg zand tegenaan gewaaid. Het duin kwam al tot boven de dakgoot en drukte zwaar op het dak. Met elke storm werd de heuvel hoger. Tonia had haar ouders er wel eens over horen praten dat ze misschien binnenkort het huis moesten verlaten; eigenlijk was het al bijna te laat. Tweehonderd jaar lang hadden de oude muren het volgehouden. Vroeger was het het huis van een wijnbouwer 8

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:8

02-09-2009 21:43:43


geweest, Tonia’s voorouders hadden er wijn gemaakt. Nu waren de meeste huizen om hen heen verlaten; van een paar stak alleen de schoorsteen nog boven het geelbruine zand uit. Haar ouders hadden niet kunnen voorzien dat het vannacht zou gaan stormen want het weerstation had geen waarschuwing afgegeven. ‘Wat is er?’ Ze kwam met haar vinger vlak bij de schorpioen. ‘Waarom ga je niet verder met eten?’ Voordat ze het in de gaten had, schoot de stekel naar voren en prikte de scherpe punt in Tonia’s huid. Ze voelde een brandende pijn en trok haastig haar vinger terug. Een druppeltje bloed kwam eruit, de wond zwol op en begon vreselijk zeer te doen. Na de steek zat de schorpioen even stil; toen liep hij weg en verdween in het donker. Tonia stopte de vinger in haar mond en wilde het gif eruit zuigen. De pijn maakte dat ze even het trillen van het huis vergat. Op dat moment werd ze door de eerste schok verrast. De muren golfden met een dof gekreun alsof er iets met uiterste inspanning probeerde stand te houden. Daarnet was alles nog in diepe rust, nu opeens was er een enorm hard geluid, het gekraak van honderd planken die tegelijk bezweken. Beneden schrokken de anderen wakker. Vader sprong zijn bed uit, zei tegen de kleintjes dat ze stil moesten zijn en luisterde. Het kreunen had plaatsgemaakt voor gerommel, alsof er diep in de grond gegraven werd. Vloertegels barstten onder hun voeten, de bedden gleden weg, de kledingkast kiepte om zodat de deuren openzwaaiden en de hele inhoud op de grond viel. ‘Naar buiten jullie!’ riep Simion. Hij tilde de huilende kleintjes op, stopte hen in de armen 9

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:9

02-09-2009 21:43:43


van zijn vrouw en duwde hen naar de deur. Zij wilde het huis niet uit zonder iets van haar spullen mee te nemen en griste mee wat ze kon grijpen, totdat Simion in dodelijke bezorgdheid riep: ‘Laura! Ren zo ver weg van het huis als je kunt!’ Het wakker worden en begrijpen, de angst en de vlucht van zijn vrouw – het duurde allemaal maar een paar seconden. Hij pakte de zaklamp en liet de lichtstraal op de muren schijnen. Griezelig, dat je helemaal niet zag wat er gebeurde! Solide stonden de muren overeind met de gebarricadeerde ramen ertussen. Toen richtte Simion zijn lamp op de dakbalken. Daar zat zijn oudste dochter, met een vinger in haar mond, ze staarde omhoog naar de zware balken, waartussen het dakbeschot steeds verder doorboog, alsof er een reus binnen in een poppenhuis probeerde te kijken. ‘Tonia!’ brulde haar vader. ‘Kom naar beneden! Onmiddellijk!’ Ze schudde de verstarring van zich af die haar sinds de beet van de schorpioen bevangen had en kroop naar de rand waar de ladder tegenaan stond. ‘Waar wacht je op?!’ Simion schoof het gammele ding dichterbij, klom twee treden omhoog en stak zijn hand naar Tonia uit. Ze wilde ruggelings de trap afgaan maar juist op dat moment begaf een van de dakbalken het. Hij brak zonder enige waarschuwing! Het langste stuk viel naast Tonia op de rand van het trapgat; ze werd aan de kant geslingerd, klampte zich vast aan een andere dakspant en zag hoe de balk verder gleed, de vermolmde ladder verpletterde en naar beneden viel. Simion probeerde hem te ontwijken, maar de balk trof haar vader tegen zijn borst. Hij wankelde, leunde tegen een van de 10

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:10

02-09-2009 21:43:43


bedden, probeerde in elkaar gedoken adem te halen en keek omhoog naar zijn dochter die nog tussen de dakbalken zat, met overal rondom uitsteeksels van het versplinterde hout; de vloer onder haar barstte op verschillende plaatsen open. ‘Spring!’ wilde hij roepen, maar er kwam alleen een gekreun. Zijn adem ging zwaar, spreken kon hij niet. ‘Spring, Tonia, spring!’ fluisterde Simion. De vallende balk had zijn aandacht afgeleid van de muur. Daar gebeurde iets – in plaats van het kreunen hoorde hij gekraak. Toen Simion zijn hoofd omdraaide, was het voor hem te laat. De wand begaf het. De muur brokkelde niet af, hij bezweek niet langzaam zodat je nog weg had kunnen komen, maar gaf zich in één klap over aan het hardnekkige geweld van het zand. De wand dook onder het dak vandaan, maakte zich er als het ware los van en helde zo langzaam voorover dat je zou denken dat Simion makkelijk weg had kunnen komen. Maar hij stond daar, keek in starre verbazing omhoog naar de vallende muur en tegelijk naar het meisje dat nog steeds tussen de dakbalken zat. Tonia moest aanzien dat haar vader onder de enorme stenen wand verdween. Er klonk geen hard geluid, maar een doffe dreun toen de muur de grond ramde. Er was geen tijd om te verwerken hoe die muur in stukken barstte omdat op hetzelfde moment het zand eroverheen schoof, dat geelbruine monster, waartegen het huis jarenlang standgehouden had. Het zand bedekte onverschillig en definitief alles wat daarnet nog een kamer, huisraad, een slaapplek geweest was. Terwijl Tonia naar beneden staarde, begon de dakconstructie met het meisje erin te kantelen. Maar voordat het dak instortte, schoof de zandmassa ertussen. Het was alsof het duin in zijn onstuitbare voortgang Tonia voor 11

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:11

02-09-2009 21:43:43


een val wilde bewaren. Krakend groeven de dakspanten en de steunbalken zich in het zand. Alles was voorbij. Er heerste een nachtelijke stilte, zo vredig alsof deze vernietigende gebeurtenis niet had plaatsgevonden. De halve maan bescheen de onheilsplek. Op de heuvel aan de overkant zat Tonia’s moeder met de kleintjes in haar armen. Ze staarde naar de resten van haar huis, waaruit haar dochter, het smalle, zwartharige meisje, naar buiten klom. Tonia liep wankelend op haar moeder af, bleef in het mulle zand steken en zakte in elkaar.

2 Het duurde nog tot halverwege de volgende dag voordat ze Simions lichaam geborgen hadden. Iedereen die sterk genoeg was, hielp mee. Tegen de middag werd het werk onderbroken omdat elke beweging in de gloeiende zon onmogelijk was. Ze groeven een soort sleuf in het duin. Eerst stuitten ze op de resten van de muur, waar de bedden en de stoelen onder geplet waren. Er kwamen bijzondere dingen tevoorschijn: een ceintuur van de klederdrachtvereniging, Simions hoed met een geknakte veer, het portret van hun overgrootvader. De foto met de oude man voor zijn groene wijnhelling vormde een grotesk contrast met het zand om hen heen dat alle leven verstikte. De foto herinnerde de helpers aan een tijd die de oudsten van hen nog hadden meegemaakt, maar die nooit meer werkelijkheid kon worden. Honderd jaar geleden hadden ze het land rondom het dorp de bijnaam ‘Gods wijngaard’ gegeven. De berghellingen waren begroeid met wijnstokken en de wijnboeren wed12

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:12

02-09-2009 21:43:43


ijverden met elkaar welke berg de beste opbrengst leverde. De wijn was licht en fluwelig, of zoet na de eerste vorst. In de vruchtbare streek van Zuid-Tirol, aan de voet van de Dolomieten, gedijde alles wat je in de grond stopte. Fruit was er in een weelderige overvloed, de groente was smakelijk, er werden koeien, geiten en schapen gehouden, de boter was kruidig en de kaas beroemd. Overal in de natuur zag je de prachtigste kleuren, maar tegelijk maande de kale bergwereld die zich achter de heuvels verhief hen tot bescheidenheid. Ze woonden in het paradijs, maar waren daar eenvoudig onder gebleven en zeer verbonden met de aarde. Die gouden tijd had geduurd totdat de catastrofe kwam. Tegen het eind van de eenentwintigste eeuw was het klimaat op aarde zo schrikbarend veranderd dat de mensen niet langer in staat waren de gevolgen te keren. Op de opgewarmde planeet smolten de polen, de zeespiegel steeg dramatisch, tientallen steden waren in de zee ten onder gegaan. Een nog grotere ramp was echter een ander natuurverschijnsel: de woestijn breidde zich onverbiddelijk uit. Overal in de wereld werd ze een soort monster dat over de landen kroop en alle leven onder zich begroef. Nu bedekte de woestijn twee derde van het vasteland op aarde. In Europa was ze van Spanje, Griekenland en Zuid-ItaliĂŤ naar het noorden opgerukt, ze had de Apennijnen overwonnen en was pas aan de zuidkant van de Alpen tot stilstand gekomen. Dit jonge gebergte, met diepe kloven en scherpe rotsen, omhooggeduwd door het over elkaar schuiven van de continentale platen, markeerde de grens van de woestijn; het leek wel alsof ze daar definitief gestopt was.

* 13

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:13

02-09-2009 21:43:43


Ze vonden Simions lichaam vlak naast het ledikant. Wat niet door de muren geplet was, was met een dikke zandkorst bedekt, zodat Tonia’s moeder en de vrouwen die haar hielpen urenlang bezig waren om hem zover schoon te maken dat hij opgebaard kon worden. De ceremonie, waarbij familieleden en vrienden van de overledene afscheid konden nemen, moest vanwege de hitte tot een uur beperkt worden, zo luidde de wet. Pater Anselmo, de priester van het dorp, zocht de jonge weduwe op. ‘We moeten het hebben over de Heilige Terugwinning,’ zei hij. Laura zat onder een baldakijn dat de buren hadden gebouwd om de opgebaarde en zijn familie tegen de zon te beschermen. ‘Maar er is immers niets van hem over,’ antwoordde ze in tranen. ‘Ziet u niet wat de woestijn me heeft overgelaten? Dat was mijn man, mijn Simion, en nu willen jullie ook nog het water aan hem onttrekken!’ Snikkend zonk ze tegen de borst van de priester. Die streelde haar rug en keek verstolen op zijn horloge. Het uur van het opbaringsritueel was al overschreden, de tijd aan de dehydratatiemachine moest correct aangehouden worden. ‘Hij is aan de wateren ontstegen en tot de wateren zal hij wederkeren,’ gebruikte Anselmo de woorden uit zijn preek, om Laura te bemoedigen. ‘Maar waarom vandaag al?’ jammerde ze. ‘Laat me hem nog een dag houden, een uur. Ik wil naar zijn gezicht kijken en de herinnering aan onze goede tijd vasthouden!’ Tonia schoot de pater te hulp; ze wist haar moeder in zoverre tot rust te brengen dat ze toestemming gaf om Si14

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:14

02-09-2009 21:43:43


mions lichaam weg te brengen. Het werd op een vrachtwagen geschoven; zwarte linten en een houten kruis moesten de indruk van een lijkwagen wekken. Aan de arm van de priester volgde Laura de over het zandspoor hotsende auto. Tonia zette haar broertjes in de zandslee, deed het touw om haar borst en begon te trekken. Voor de honderdste keer werd ze gekweld door dezelfde gedachten: had ik maar niet op zolder geslapen en was ik maar tegelijk met de anderen naar buiten gerend, dan had papa nog kunnen vluchten! Als ik meteen naar beneden gesprongen was dan waren we allebei, papa en ik, op tijd bij de deur geweest en dan zou hij nu nog leven! Het is mijn schuld dat hij het instortende huis niet meer uit kon komen – helemaal mijn schuld! Met neergeslagen ogen en opeengeklemde lippen trok ze de slee door het zand. Ze voelde zich ellendig. Het liefst had ze zelf daar op die baar gelegen in plaats van haar vader. Haar verdriet was zo groot dat ze het kloppen van haar verbonden hand amper voelde. Door de schorpioenenbeet was de vinger paars geworden en zo opgezwollen dat ze hem nauwelijks kon bewegen. In de zon begon de tweeling te jengelen; gelukkig was het niet ver meer. Daar, achter die oude huizen, doemde het plompe betonnen gebouw op. Terwijl de kleine stoet er steeds dichterbij kwam, bedacht Tonia opeens dat ze vandaag jarig was. Vader had heel geheimzinnig gedaan over zijn cadeau, maar wat het ook geweest was, het lag bedolven onder het puin. Zonder dat ze het merkte, kwamen de tranen. Huilend kwam Tonia bij het dehydratatiestation aan. Een van de dragers die Simion uit de vrachtwagen tilden, draaide zich om naar Anselmo: ‘Moet hij gelijk in de 15

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:15

02-09-2009 21:43:43


pers?’ vroeg de man. ‘Of krijgen we eerst nog wat vroom geleuter?’ De priester wierp hem een strenge blik toe. ‘We gaan het veranderingsproces meteen voltrekken.’ Op de schouders van de mannen verdween het lichaam in de ruimte waar de dehydratatiemachine stond. Toen ze binnenkwamen, was Laura aan het eind van haar krachten. Anselmo ondersteunde haar, Tonia schoot naar voren om te helpen; samen brachten ze de wanhopige vrouw naar de ontvangstruimte. Tonia zag het gebouw voor het eerst vanbinnen. Toen haar grootvader jaren geleden gedehydrateerd werd, mocht zij nog niet mee. In de eerste jaren van de grote droogte was deze vorm van waterwinning als mensonterend afgewezen. Maar al gauw had de kerk ingezien dat ze haar ethische principes moest aanpassen aan de nieuwe levensomstandigheden, en daarom had ze de nuchtere technische procedure in haar liturgie opgenomen. Sinds er een priester bij de vloeistofonttrekking aanwezig was, vond niemand er meer iets aanstootgevends aan. Ze hadden hun best gedaan om de hal vanbinnen een plechtig aanzien te geven; zwarte doeken met scharlakenrode borduursels waren tegen de betonnen wanden gedrapeerd en boven de dehydratatiekelder hing een crucifix. Maar hoewel er zelfs orgelmuziek klonk, was het toch niet gelukt om de ruimte op een kerk te laten lijken; het bleef een kille procedure. Tonia zat naast haar moeder en luisterde naar de priester die sprak over het water als bron van alle leven, over de kringloop waarin de mens was opgenomen. ‘Water tot water,’ prevelde hij de gebruikelijke formule. Tonia en Laura 16

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:16

02-09-2009 21:43:43


herhaalden het. De dehydrator liep naar het schakelpaneel en op een teken van Anselmo haalde hij een hefboom over. Simions lichaam werd langzaam in de kelder neergelaten en verdween in de chemische oplossing. Alle verdere processen voltrokken zich buiten het zicht van de aanwezigen. Het lichaam van een volwassen man leverde vijftien liter gedestilleerd water op, dat van een vrouw iets minder. Het dehydrateren duurde een halfuur, daarna was er geen druppel vocht meer in de overledene achtergebleven. Wat er dan nog van hem over was, werd verbrand. Een paar minuten nadat de dehydrator de machine uitgezet had, bracht de assistente de urn binnen. Anders dan vroeger had die de vorm van een jerrycan, waarin de familie het gewonnen vocht meekreeg. In plaats van haar moeder nam Tonia de jerrycan in ontvangst; ze bedankte Anselmo en leidde de anderen zwijgend naar buiten. De pater was opgelucht. Vaak reageerden familieleden heel impulsief. Hij had plechtigheden meegemaakt waarbij de vrienden en familieleden de geliefde dode samen opgedronken hadden; alleenstaande weduwen wisten soms niet waar ze met al dat vocht heen moesten en schonken het water aan de gemeenschap. Peinzend keek Anselmo in de kelder – de plechtigheid was voorbij. Maar wat er nu kwam voor Laura en haar familie, zou nog moeilijker te verwerken zijn.

3 De regels voor het leven in de woestijn waren vast omschreven: een alleenstaande vrouw kon onder deze moei17

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:17

02-09-2009 21:43:44


lijke omstandigheden overleven, ook een vrouw waarvan de kinderen al halfvolwassen waren. Maar een vrouw zonder man met twee zuigelingen – dat was onder de gegeven omstandigheden ongeoorloofd. Ze mocht de gemeenschap niet tot last worden en daarom was het haar plicht zo snel mogelijk een nieuwe relatie aan te gaan. Tonia wist wat dat betekende: haar moeder zou met doctor Drexel trouwen. Doctor Drexel droeg een kaftan, een wijde lange mantel, om zijn omvang te verhullen. Hij had elke dag een andere zonnebril op en dronk alleen speciaal geprepareerd water uit een reageerbuisachtig glas omdat hij bang was vergiftigd te worden. Als hij met zijn auto ergens in het dorp stopte, gedroeg Drexel zich alsof hij de heerser was over de hele omgeving. Een paar jaar geleden had hij het ‘intelligente plexiglas’ uitgevonden, een zegen voor de streek, en hij was er fabelachtig rijk mee geworden. Nergens in de omgeving waren nog akkers te vinden. Zonder de graantransporten uit de vruchtbare bouwlanden van Siberië zou leven in Noord-Italië niet meer mogelijk zijn. Drexel, een voormalig bionatuurkundige, had uitgevonden dat bepaalde groentesoorten met heel weinig water toekonden als je ze maar beschermde tegen de dodelijke hitte van de zon. Hij vond een doorzichtige kunststof uit die bij sterke lichtinval automatisch donkerder werd en de tere kiemplantjes beschermde. ’s Nachts, als de lucht afkoelde, werden condensvloeistof en opgeslagen warmte toegediend. Zo lukte het Drexel om bonen, suikermaïs en zelfs tomaten te kweken. Rondom het dorp glinsterden zijn plexi-plantages in de zon. Ze werden door pantservoertuigen bewaakt. Hij vroeg astronomische prijzen; elke poging om hem ertoe te bewegen de vruchten voor iedereen betaalbaar te maken 18

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:18

02-09-2009 21:43:44


was mislukt. Doctor Drexel bezat een groot huis, reed in een witte limousine door het dorp – en hij hield ervan alleenstaande vrouwen te ‘helpen’. Tonia vond hem een akelige man. Ze herinnerde zich die ene dag dat zij en haar moeder bij de wateruitdeling hadden gestaan. De verdeling vond ’s morgens om vijf uur plaats omdat dan het water nog niet verdampte. Slaapdronken hadden Tonia en haar moeder met hun jerrycan in de rij gestaan toen opeens naast hen de witte auto stopte; Drexel deed het raampje naar beneden. ‘In ons klimaat zijn mooie vrouwen een zeldzaamheid geworden,’ had hij met zijn nare, temerige stem gezegd. Hij dronk een slokje water en bood Laura het rietje van zijn glas aan. ‘Ik ben getrouwd,’ antwoordde zij en deed een stap bij hem vandaan. ‘Zeg maar tegen je man dat ik een mooie vrouw principieel niets weiger. Als jullie iets nodig hebben…’ Hij stak een glanzende appel uit het autoraampje. Laura draaide zich zwijgend om. Maar ze had niet met de brutaliteit van haar dochter gerekend. Voordat Drexel de appel kon terugtrekken greep Tonia hem en riep: ‘Dank u wel. Daar zal papa blij mee zijn!’ Ze was al verdwenen tussen de mensen. Drexel wilde de dievegge achternagaan, maar op dat moment reed de brandweerauto met de watertank het plein op en versperde de limousine de weg. Sindsdien hield de doctor Tonia’s familie in de gaten. Twee dagen na de dood van Simion werd Tonia’s vrees bewaarheid: de witte wagen stopte naast het baldakijn, Drexel stapte uit en kwam Laura een bezoek brengen. ‘De hitte is niet zo best voor die kleintjes,’ begon hij zijn 19

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:19

02-09-2009 21:43:44


aanzoek en hij wees met een bekommerde blik naar de baby’s. Laura kende de wetten van de woestijn; ze was verstandig genoeg om het lichamelijk welzijn van haar kinderen boven haar eigen verdriet te stellen. In deze uitsluitend op overleven gerichte wereld had een vrouw als Laura geen recht op een vrije beslissing. De onderhandelingen duurden maar een paar minuten. Toen Drexel weer weg was, riep Laura haar oudste bij zich. ‘Hij wil voor mij en voor de kleintjes zorgen’, fluisterde ze zonder Tonia aan te kijken. ‘Maar drie kinderen vindt hij te veel. Hij zegt dat jij al bijna volwassen bent en wel voor jezelf kunt zorgen.’ Tranen van schaamte rolden over Laura’s wangen, ze bedekte haar gezicht met haar hoofddoek. ‘Daar heeft hij gelijk in!’ Tonia richtte zich koppig op. ‘Maak u geen zorgen om mij, ik ga wel werk zoeken.’ Laura moest nog harder huilen. ‘Er is geen werk, er is geen water en er is niks te eten! Waar moet je dan naartoe?’ Haar lichaam schokte zo van het huilen dat de tweeling wakker werd en ook begon te huilen. ‘Het is zo onrechtvaardig!’ Ze schudde haar hoofd en gaf de kleintjes de borst.

4 Tonia klom over het duin. Onder haar voeten lag het oude kerkhof dat ook niet was ontkomen aan de greep van de woestijn. Er was geen grafsteen meer te zien, er stond alleen nog een ijzeren crucifix overeind; het zand kwam tot 20

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:20

02-09-2009 21:43:44


aan de heupen van de gekruisigde. Tonia verheugde zich op de koelte van de kerk en liep er haastig naartoe. De gebrandschilderde ramen, het warme, donkere hout – waar kwamen al die prachtige kleuren vandaan? De kerk was een kostbare schat uit een lang vervlogen tijd. Tegenwoordig had het leven overal de kleur van de woestijn; alles verbleekte in de zon, werd grauw en viel ten slotte tot stof uiteen. Hierbinnen, beschermd door de dikke muren en beschut door het kruisgewelf, leek de tijd te hebben stilgestaan. Pater Anselmo lag op de stenen vloer met zijn armen onder zijn hoofd te slapen. Tonia ging in een van de banken zitten, kwam een beetje tot rust in de weldadig koele, hoge ruimte en dacht aan haar vader. Simion had haar altijd als zijn grote dochter behandeld, ook toen Tonia nog maar een klein meisje was. Haar dierbaarste herinneringen betroffen de nachten bij het haardvuur, wanneer hij haar verhalen vertelde. Simion had zelf de jaren van de grote klimaatwisseling niet meegemaakt, het meeste wist hij van zijn vader. Veel ervan kon Tonia zich amper voorstellen, vooral al dat groen niet, waar Simion het zo vaak over had. Hoe zou het eruitgezien hebben toen hun dal en de heuvels eromheen volledig begroeid geweest waren met weiden en bossen, struiken en vruchtbomen? En toen de bergen overdekt waren met wijngaarden? Simion had haar uitgelegd dat de wijn gemaakt werd van druiven die aan de wijnstokken groeiden en had haar foto’s laten zien van mannen met rode wangen, die een rode vloeistof in hun glas lieten ronddraaien. Vader vertelde van regenbuien die maanden konden duren en die maakten dat de druiven verrotten, dat hele 21

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:21

02-09-2009 21:43:44


oogsten bedierven. Maar dat was nog niets in vergelijking met wat er in andere streken gebeurde. Na twee jaar waarin het onafgebroken geregend had stonden grote delen van Italië onder water. De Povlakte was één gigantisch meer geworden en Venetië, die legendarische stad, was in korte tijd in de zee verdronken. Daarna kwam de droogte. Elk jaar steeg de temperatuur een paar graden en in het zuiden verdorde alles. Door hevige stormen was in die jaren de woestijn eerst van Afrika naar Sicilië overgesprongen en vanaf toen was ze niet meer tegen te houden. Op zoek naar eten waren de mensen steeds verder naar het noorden gevlucht, maar daar had men al die mensen slechts een paar jaar kunnen opvangen. Toen de stroom vluchtelingen niet ophield en de levensmiddelen schaars werden, begon de oorlog. Tonia schoot rechtop – was ze ingedommeld? Tranen liepen over haar wangen en haar maag kromp samen. Snel veegde ze met haar mouw over haar gezicht en daarna maakte ze de pater wakker. ‘Ik kan hier niet blijven,’ begon ze na een korte begroeting. ‘Doctor Drexel wil mama en de tweeling in huis nemen, maar ik moet weg.’ Anselmo stond op en schudde de slaap van zich af. Hier was hij al bang voor geweest! Het was mede de schuld van de kerk. Sinds de kerk had toegestaan dat een man meer vrouwen nam, was er veel verwarring ontstaan. ‘Kom mee,’ zei hij en hij nam Tonia mee naar de overdekte binnenhof waar zijn bejaarde huishoudster de tegelvloer veegde. Ze deed dat zo langzaam dat Tonia bang was dat de wind alles al lang weer bedekt had als de oude vrouw klaar was. 22

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:22

02-09-2009 21:43:44


‘Kan ik niet bij u in de kerk werk krijgen?’ vroeg ze. ‘En Emerentia dan?’ De pater nam een halfvolle fles water en schonk iedereen een slok in. ‘Moet ik haar dan op straat zetten?’ ‘Zij is al oud,’ zei Tonia zachtjes. ‘Ik wil voor niets werken en ik eet ook niet veel.’ ‘Ik ben misschien wel oud, maar mijn oren zijn nog goed,’ reageerde de huishoudster. ‘Zolang ik deze bezem nog kan vasthouden komt er niemand anders in de pastorie!’ ‘Natuurlijk niet, Emerentia,’ suste de pater haar. ‘Weten jullie al wat jullie met Simions water gaan doen?’ vroeg hij Tonia. ‘Mama wil er een avocadoboom mee planten.’ ‘Dat is een goed idee,’ knikte Anselmo. ‘Dan leeft de herinnering aan je vader voort.’ Hij zweeg, zijn vinger tekende een cirkel in het stof op het tafelblad. ‘Het grootste probleem,’ zei hij op een andere toon, ‘is dat jij een meisje bent.’ Zoiets onzinnigs had ze nog nooit gehoord. ‘Wat is er mis aan een meisje?’ Hij bekeek haar aandachtiger: heldere zwarte ogen met krachtige wenkbrauwen, volle lippen en lang, donker haar had ze. ‘Het punt is dat men denkt dat jongens meer kunnen.’ Ze wilde tegenspreken, maar hij hief zijn hand op. ‘Als je een jongen was, wist ik wel wat ik met je aan moest.’ Tonia stond zo plotseling op dat het krukje tegen de wand viel. ‘Wat is er dan zo geweldig aan jongens – of aan mannen?’ vroeg ze woedend. ‘Ze zitten de hele dag maar wat in het zand, doen kaartspelletjes of zitten te dobbelen. En dan vinden ze dat de vrouwen thuis moeten blijven en 23

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:23

02-09-2009 21:43:44


op de kinderen passen! Jongens en mannen mogen alles, ze mogen zelfs meer vrouwen hebben! Maar waarom is dat allemaal zo?!’ ‘Dat is de wet van de woestijn. In deze vijandige wereld geldt: wat nodig is, is juist.’ De priester bestudeerde het boze meisje, dat eigenlijk nog een kind was, maar toch al bijna een vrouw. ‘Toen de grote droogte kwam, hadden we geen keus: net als in oeroude tijden moesten de moeders thuisblijven om het overleven van de familie te waarborgen. De sterkeren zijn er om de zwakkeren te beschermen en mannen zijn nu eenmaal de sterkeren.’ Hij tilde zijn benen op, zodat Emerentia onder zijn voeten kon vegen. ‘We zijn nog niet lang woestijnbewoners, we moeten nog heel veel leren. En daarom’ – zijn gezicht stond wat vrolijker – ‘daarom is er een bijzondere gast bij mij op bezoek.’ Tonia keek om. Behalve de oude vrouw die met gebogen rug verder veegde, was er niemand te zien. ‘Het moet nog geheim blijven.’ Anselmo wees naar een dichte deur. ‘Mijn gast ligt uit te rusten van zijn vermoeiende reis. Over een paar dagen moet hij verder naar Bolzano. Maar van tevoren wil ik hem aan het hele dorp voorstellen en dan kun jij hem ook leren kennen.’ Op de achtergrond mopperde Emerentia: ‘Woestijngespuis. Dat ik dat nog moet meemaken...’ ‘Hou je mond. Dat wil ik niet horen!’ zei de priester. Voordat Tonia kon vragen wat dat dan voor vreemdeling was, bracht Anselmo haar naar de uitgang. ‘Nu moet je gaan; ik moet even rustig met mijn gast praten. Doe Laura mijn groeten. We vinden vast wel een oplossing.’ Toen Tonia zijn gezicht zag, begreep ze dat hij er zelf niet in geloofde. 24

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:24

02-09-2009 21:43:44


Ze verliet de kerk, maar ze ging niet naar huis – er was geen thuis meer voor haar. Naast het verweerde kruis op het kerkhof liet ze zich in het zand vallen en wachtte tot het donker werd. Haar sjaal trok ze van haar schouders en ze wikkelde hem om haar hoofd en haar gezicht; de wind werd scherper. Toen de zon onderging, was de wind tot een storm aangewakkerd. Tonia kroop achter het kruis en probeerde een kijkspleetje open te houden in haar sjaal. De zon was alleen nog maar een vage cirkel in een nevel van stof. Ten slotte ging hij onder en werd het donker. In de pastorie gingen twee lampen aan. Tonia ging op haar knieën zitten en moeizaam kroop ze tegen de woedende storm in naar het huis. Naast de tuinpoort slingerde de verdorde stam van een klimroos omhoog; het oude hout vormde lussen en kronkels. Tonia zette haar voet in de kromming van zo’n stam en klom naar boven. Met snelle bewegingen bereikte ze de rand van de muur, maakte haar sjaal los en omwikkelde haar handen ermee: er zaten glasscherven boven op de borstwering om de bewoners tegen dieven te beschermen. De binnenhof was leeg; in Anselmo’s kamer was het donker, maar uit het raam van de geheimzinnige bezoeker scheen licht naar buiten. Tonia zwaaide haar benen over de muur en sprong. Afwachtend hurkte ze op de met zand bestoven tegels – Emerentia’s inspanningen hadden niet veel nut gehad. Nieuwsgierig ging Tonia dichter naar het verlichte raam toe. Daar zat Anselmo met een landkaart op zijn knieën; hij luisterde en iemand anders sprak. Tonia hoorde een stem die zacht was als die van een vrouw, maar toch diep en mannelijk. De man sprak hun 25

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:25

02-09-2009 21:43:44


taal goed, maar was duidelijk niet van hier. Hij sprak langzaam, met nadrukkelijke medeklinkers, en slikte sommige lettergrepen in. Tonia wilde net om een hoekje van het raam kijken toen de vreemdeling naar het midden van de kamer liep. Nog nooit had ze zo’n lange man gezien; zijn magere gestalte was in een lange blauwe mantel gehuld en op zijn hoofd droeg hij een tulband. Zijn gezicht was zwart. Iedereen had in de woestijn langzamerhand een donkere huidskleur gekregen, maar nog niet eerder had Tonia iemand gezien die echt zwart was. Zijn gezicht was net zo bijzonder als zijn stem: energiek en tegelijk meisjesachtig. Hij had lange wimpers en toen hij zijn hoofd omdraaide, ontdekte Tonia dat er twee dikke vlechten onder zijn hoofdbedekking uit kwamen. Kalm stond hij voor Anselmo en met rustige gebaren onderstreepte hij zijn woorden. ‘Bij het aanbreken van de dag moet ik verder,’ verstond Tonia. ‘Maar de mensen willen je zien,’ protesteerde de priester. ‘Ik wil morgen in Bolzano zijn,’ schudde de bezoeker zijn hoofd. ‘Je wilt naar Bolzano – in één dag?’ vroeg Anselmo verrast. ‘Zelfs als het niet stormt, kom je amper zo ver.’ ‘Ik zal daar zijn.’ De vreemdeling glimlachte. Tonia schrok want het leek of er bliksemschichten uit zijn mond kwamen. Nog nooit had ze zo’n gebit gezien. De mensen in haar dorp hadden gele, rottende tanden door gebrek aan vitaminen. Maar deze man had een blinkend wit gebit en er ontbrak niet één tand. ‘Men heeft ons gezegd dat jullie hierheen zouden komen om ons iets te leren.’ 26

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:26

02-09-2009 21:43:44


Je kon horen dat Anselmo teleurgesteld was. ‘Ik weet het,’ knikte de zwarte man. ‘Het Rode Kruis heeft ons naar het noorden gevlogen en de kerk heeft ons ondergebracht. Maar we zijn met te weinig mensen om in ieder dorp les te geven. Daarom leiden we in de stad jonge mannen op. Die moeten dan naar de dorpen gaan om onze kennis door te geven.’ ‘Ik had…’ Anselmo schudde een beetje geërgerd zijn hoofd. ‘Ik had al drie jongens uitgezocht, sterke, dappere kerels,’ probeerde hij de vreemdeling tot andere gedachten te brengen. ‘Zij hebben hun ouders in de zandstorm verloren en zouden graag met je meegaan.’ De bezoeker legde zijn hand op de schouder van de priester. ‘Dank u wel,’ zei hij, ‘maar wij Toearegs zoeken zelf onze leerlingen uit.’ Toeareg – dat woord gaf Tonia een schok, het leek een toverwoord. Vanaf dat ze klein was, had ze die geheimzinnige naam steeds weer gehoord. De Toearegs woonden in het zuiden, in de weidsheid van Afrika. Ze waren nomaden en trokken hun hele leven lang rond. Zij waren de enigen die de woestijn de baas waren. Fluisterend herhaalde Tonia dat woord: ‘Toeareg.’ Nu begreep ze wat Anselmo bedoeld had toen hij zei: ‘Als je een jongen was, dan wist ik wel wat ik met je aan moest.’ De Toearegs zochten leerlingen om hun bij te brengen hoe je de woestijn kon overwinnen! Wanhopig leunde Tonia met haar hoofd tegen de muur; die weg was voor haar afgesloten – omdat ze een meisje was!

27

De woestijnloper_DEF.indd Sec1:27

02-09-2009 21:43:44


Thomas Masmeijer, een succesvol antiquaar, reist met zijn vrouw Lizette naar Mali om vakantie te houden. Na aankomst in de hoofdstad Bamako hoort Thomas van zijn zoon, die op de winkel past, dat er is ingebroken in zijn antiquariaat. Een serie uiterst kostbare boeken is verdwenen. Thomas zet alles op alles om via telefoon en internet de toedracht van de inbraak te achterhalen. Tijdens een verblijf in de mysterieuze stad Djenné ontdekt Thomas dat er achter de diefstal een verhaal zit dat zijn leven én zijn huwelijk onder grote spanning zet. Thomas vindt steun in de gesprekken die hij voert met een filosofisch ingestelde Malinese tandarts. Maar dan komen er opnieuw verontrustende berichten… Sneeuw in Afrika schetst een indringend beeld van een Afrikaans land waarvan de bevolking door ontwikkelingshulp en globalisering in hoog tempo wordt losgeweekt van de eigen identiteit en tradities. Maar ook de Europeanen in deze roman weten nauwelijks raad met zichzelf en met elkaar. Een intrigerende roman over liefde, identiteit en de smalle grens tussen hoop en wanhoop. Frans Willem Verbaas (1962) is predikant en schrijver. Hij publiceerde inmiddels twee veelgeprezen romans: Sneeuw in Afrika en Engelenwoede. ‘Een sterk geschreven debuutroman met thrillerachtige elementen.’ – Nederlandse Bibliotheekdienst

ISBN: 978 90 239 9297 4 Uitvoering: paperback Blz: 352 pag. Prijs: € 10,00


Zelf nog met bloed besmeurd, moet een fotograaf het lijk van zijn vrouw identificeren. Terwijl hij in het mortuarium zit probeert hij zijn relatie met haar in kaart te brengen. In flarden komen zijn herinneringen boven – vanaf het moment dat hij Agnes voor zijn lens kreeg tijdens de oprichting van de Boerenpartij in Pretoria, tot het moment dat zij onder bizarre omstandigheden stierf. Gaandeweg wordt het beeld voor de lezer scherper. Agnes, een mooie maar ongrijpbare vrouw, raakt steeds meer in de ban van de Boerenpartij die zich inzet voor een blanke Volksstaat. Ondertussen gaat de fotograaf met zijn camera de townships in, en is daar getuige van schokkende gewelddadigheden. Steeds sneller veranderen de verhoudingen in Zuid-Afrika, en steeds groter groeit de afstand tussen de twee geliefden. In de stormachtige liefdesverhouding tussen twee zeer verschillende mensen wordt pijnlijk duidelijk hoe ingrijpend de gevolgen van apartheid zijn. Louis Krüger studeerde theologie en Afrikaans-Nederlands aan de universiteit van Stellenbosch. Hij heeft acht Afrikaanse romans op zijn naam staan, waarvan Wederkomst in vertaling verscheen bij uitgeverij Mozaïek. ‘Krüger is een van de beste romanschrijvers in het Afrikaans.’ – Hans Ester in het Algemeen Dagblad ‘Een indrukwekkend verhaal. […] Krüger kan prachtig observerend schrijven, sober en helder…’ – Nederlands Dagblad

ISBN: 978 90 239 9239 4 Uitvoering: paperback Blz: 240 pag. Prijs: € 17,50


1

Haar gezicht uitdrukkingsloos. Geen enkel letsel, alleen een droog korstje bloed aan haar mondhoek. Verder geen aanwijzing van wat er gebeurd is. Toch ruik ik de dood. De koude reuk van zaagsel uit een slagerij. Misschien het bloed aan mijn overhemd. Ze ligt op haar rug. Op een langwerpige tafel, een soort brancard. Een groen laken over haar heen. Of een dun zeil, het lijkt ruw. Alleen haar hoofd zichtbaar. Alles weggewassen. Gereinigd. Ze is leeggebloed, zoals wanneer ze dagenlang gevloeid had. Gisteravond was er overal bloed – op de stoep, tegen de muur, overal. Haar gezicht bleek. Een potloodtekening: kleurloze, schaduwloze vlakken en lijnen. Het haar en de wenkbrauwen donker, bijna zwart. Het is of ze jonger geworden is. De bleekheid van haar huid verscherpt de gelaatstrekken: een rechte, fijne neus, duidelijk omlijnde lippen, boogvormige wenkbrauwen, een ovale kin. De jukbeenderen duidelijk zichtbaar onder de huid. Zo zag ze eruit toen ik haar leerde kennen: jong en onschuldig. Het is of ze slaapt. Ik heb vaak foto’s van dode mensen gemaakt, maar nooit van iemand die slaapt. Slapen is voor mij een griezelige voorafschaduwing van de dood. Een slapende is een levende dode. Vaak heb ik zo naar haar gekeken terwijl ze sliep, maar ook als ze wakker was. Ze wist niet dat ik naar 7


haar keek. In al die jaren was ze in zichzelf gekeerd. Het was een poging om haar te peilen – ik wilde weten wat ze in haar dromen en gedachten ervoer. Kijken of er iets van haar innerlijk op haar gezicht af te lezen was. Altijd weer op zoek naar die onpeilbare uitdrukking van de eerste foto die ik van haar gemaakt had. Bevestiging van Avedons stelling dat de mens op een foto een grotere realiteit bezit dan in de werkelijkheid. Op die ene foto heb ik haar beter leren kennen dan in al de jaren erna. De eerste waarneming is altijd het zuiverst. Nooit meer zie je zoals de eerste keer. Iedere foto is uniek, daarin ligt de essentie. Het wezenlijke van het zichtbare is onzichtbaar. Daarom was mijn poging om Agnes te leren kennen tevergeefs. Als ik haar na de vergadering nooit weer had gezien, had ik haar op de foto en in mijn gedachten onaangetast en zuiver kunnen bewaren. Nog één keer zie ik haar gezicht opnieuw, zoals in dat ene korte moment toen ze onverwacht voor mijn lens verscheen, maar nu gefixeerd, als foto. Opnieuw word ik kind en kijk betoverd toe terwijl er uit het grijze niets een beeld verschijnt: eerst de omtrek, en bijna gelijktijdig de ogen. In het onzekere, rode licht van de doka, omspoeld door de kleurloze chemicaliën die haar gelaatstrekken moeten oproepen, nemen haar ogen vorm aan en kijkt ze me aan, met dezelfde onpeilbare uitdrukking als door de lens. Maar nu in een andere dimensie – is een foto op zichzelf niet al een afschaduwing van de dood? En nu: haar gezicht uitdrukkingsloos, onthecht van de tijd. Agnes. Zelfs haar naam brengt niet de bekendheid van vroeger terug.

8


Achter me, bij de ingang, de twee politiemannen. Ze wachten, ik denk dat ze haast hebben. Ik voel hun aanwezigheid. Links van me hun vage weerkaatsing in de glazen wand die me van Agnes scheidt. Ik weet niet of de derde man er ook is, misschien is hij weer naar buiten gegaan. Ik had verwacht dat ze me naar het politiebureau zouden meenemen voor ondervraging over gisteravond. Maar ze brachten me hier. Ze willen dat ik haar identificeer. Ik moet zeggen: Het is Agnes, zo helpe me God. Maar ze ziet er anders uit. Vreemd. Hoe kan ik zweren, als ze een vreemde voor me is? Waarom moet ik zweren dat het Agnes is en dat ik haar ken? Ze is geen deel meer van mijn leven. Ik kan evengoed tegen hen zeggen: Het is Agnes niet, ik ken deze vrouw niet. Zelfs al ga ik dicht bij haar staan, haar gezicht zal steeds vreemd zijn. Het is moeilijk om te zweren op een zaak waarover je geen duidelijkheid hebt. Daarom ben ik niet naar de politie gegaan, ik was te verward. Alles is te ingewikkeld. Toch had ik haar even goed kunnen identificeren zonder dat ik haar zie. Als ze in de afgelopen maanden op een dag bij mijn flat waren gekomen en me hadden gevraagd om mee te gaan voor een identificatie, had ik onmiddellijk gezegd: Het is Agnes, ik weet het. Zo helpe mij God. Ik vertrouw hen niet. Ik denk dat ze een verbintenis hebben met Boshoff en de anderen – de Partij heeft vele contacten bij de politie. Ze zien me als verdachte, niet als slachtoffer. Toch was hun komst in zekere zin mijn redding. Anders zat ik nog steeds bij de tafel. Tegen deze tijd volslagen gek. Ik kon niet meer denken, alles duizelde in mijn hoofd. Maar toen ze kwamen, was het me op9


eens weer duidelijk. Ik weet nu hoe het gegaan is. Ik kwam terug uit Kaapstad, ik ging alleen maar kijken of Agnes bij Boshoff en de anderen was. Alleen een laatste keer kijken. Ik had geen andere plannen, ik zweer het hun. Ik wilde alleen weten of ze er was, daarna zou het finaal afgelopen zijn. Maar ze hebben me betrapt. In het licht. Ik heb tegen hen gepraat, toen liep ik weg. Ik denk dat Agnes een eind met me mee is gelopen. Ik hoorde de schoten, ik zag het bloed tegen de muur en op de stoep. En vanmorgen kwamen ze me ophalen. Het werkt tegen me dat ik niet zelf naar de politie ben gegaan. Maar zelfs al verdenken ze me, het maakt me niets uit. Ik zal met hen meewerken. Ze moeten me alleen de tijd geven om na te denken, ik zal hun alles uitleggen. Of misschien willen ze alleen dat ik haar identificeer, verder niets. De donkere politieman heeft een melancholische uitdrukking, heb ik gezien. Alsof hij nadenkt over iets wat hem dwarszit maar dat hij niet kan veranderen. De blonde is ontspannen, maar doelgericht; hij heeft de leiding. Hij was het die me vroeg mee te komen. En hij reed. Ik zal hun alles vertellen, ik heb niets te verbergen. Maar ik wil bij het begin beginnen: bij de eerste keer dat ik Agnes zag. Door de lens van mijn fototoestel, die keer op de oprichtingsvergadering van de Partij. Vijf jaar geleden. Bij het Voortrekkersmonument. Zo is het begonnen. Ik had geen zin in de opdracht. Het scheelde weinig of ik had haar niet aanvaard. Toch deed ik het, omdat het niet zoveel voorstelde – op zijn hoogst een uur of twee had ik nodig om de Fransen een visuele indruk te geven van de stichting van de Boerennatiepartij. 10


Die zaterdagmorgen zat ik al vroeg op de weg. De vorige dag drie boerderijen aan de noordelijke grens bezocht voor een serie die ik voor Sipa maakte over de boeren langs de Limpopo. Ik wilde niet terug naar Pretoria. Ik had meer dan een week lang in het veld gewerkt; het leven in de wildernis had me aangegrepen – een rustige, eenvoudige vorm van bestaan die ik in jaren niet meer had meegemaakt. Ik had geen zin om terug te gaan, toch genoot ik van de rit door het binnenland. De vorige nacht waren er zware onweersbuien; witte mistdampen hingen over de asfaltweg. Voorbij Bandelierkop, kort nadat ik de Steenbokskeerkring had overgestoken, brak de zon door de donkerpaarse wolken heen. Ik rook de grond en het natte gras; het veld was groen, de maïs stond schouderhoog en de grazende runderen langs de weg waren vet. Het geliefde land waar de strijd woedt, dacht ik telkens bij mezelf, maar opeens kon het me weinig schelen. Ik maakte er geen deel meer van uit, zo voelde ik het; ik was losgeraakt van dat alles, ik was deel geworden van de immense ruimte om me heen, verbonden met de rijke aarde en de zwangere wolken, met de koesterende zon en de bedwelmende geuren van boom en gras en grond. Rond tien uur arriveerde ik in Pretoria. Bij het Voortrekkersmonument was ik net op tijd om de laatste etappe van de optocht van ossenwagens, begeleid door een commando Stormjaers, mee te maken. Het eerste gedeelte van de vergadering vond onder de bomen plaats, niet ver van het Monument. De zon stond al hoog. Er waaide een lichte, verfrissende bries, en in de schaduw was het zelfs koel. We werden om11


ringd door ossenwagens, en leden van het Stormjaerscommando liepen met geweren en walkietalkies rond om voor onze veiligheid te zorgen. Een jonge, bebaarde dominee in een zwart pak ging voor in schriftlezing en gebed, daarna werd het Transvaalse volkslied gezongen, gevolgd door toespraken van een aantal stichtingsleden. Allemaal rituelen om het hoogtepunt van de dag voor te bereiden: het afleggen van een gelofte aan God dat ze een tweede stenen kerk voor Hem zullen bouwen en de Geloftedag trouw zullen handhaven als Hij hun de Boerenstaat schenken zal. Tegen de middag werd de vergadering verdaagd voor een pauze. In een grote legertent met opgerolde zijflappen werden koffie, pannenkoeken en taart verkocht. Ik had al genoeg beeldmateriaal, toch bleef ik tussen de mensen rondslenteren, luisterde naar de gesprekken, bestudeerde de gezichten. Voortdurend maakte ik foto’s. Telkens een nieuw rolletje in mijn fototoestel. Ik ben verslaafd aan gezichten. Al zolang ik me kan herinneren dwaalde ik op straat, in winkels en bij massabijeenkomsten rond en keek naar gezichten, met een gevoel alsof ik op zoek was naar iets of iemand. Maar die dag had ik moeite de goede beelden te vinden. De mensen waren zich bewust van het zwarte oog. Telkens als ik mijn fototoestel richtte, keken ze in mijn richting; de vrouwen streken zelfbewust door hun haar en de mannen paradeerden in hun uniformen, verschoven een bandelier of lieten de hand rusten op de kolf van een revolver die onder een dik middel uitstak. Ik deed een 300mm-lens op het fototoestel en stelde de diafragmaopening in op vier – voor gezichten wil ik een haarscherp beeld met een minimum aan 12


diepte, de achtergrond wazig. On and under the skin noemde Van Morris dat vroeger. In mijn eerste jaren bij de krant mocht ik vaak met hem samenwerken; het grootste en belangrijkste gedeelte van het vak heb ik van hem geleerd. Voor Morris telden zweetporiën als de voornaamste toegangswegen tot de menselijke ziel. Ik keek door de lensopening en testte de sluitertijd. De laatste wolken waren verdwenen en de zon was verblindend scherp. In dat felle licht een sluitertijd van duizend. Toen opeens stond ze voor de lens – een jonge vrouw met donker, roodbruin haar. Ik schrok. De ogen waren intiem dichtbij, recht op me gericht. Maar ze keek me niet echt aan. Het was of ze door me heen keek, naar een punt in het duister achter de sluiter, een grenzeloze ruimte in, naar iets dat haar boeide en haar tegelijk met angst of woede vervulde. Zonder het te beseffen drukte ik op het knopje – ik hoorde de sluiter. Langzaam liet ik het fototoestel zakken. Ze stond ongeveer acht meter van me af, met haar armen geleund op een paal op schouderhoogte. Ze had niet in de gaten dat ik de foto maakte. Het gedrang was te groot; mensen liepen ons voorbij. Toeval: precies in de seconde of twee waarin mijn fototoestel op haar gericht was, was de ruimte tussen ons open. Het was later op de foto te zien: rechts in beeld is er een wazige vlek, waarschijnlijk een arm of schouder van iemand die zich een moment daarna tussen ons in zou bewegen. Ook de compositie is boeiend: ze is zelf perfect in beeld, met op de achtergrond drie vage figuren: twee mannen en een vrouw, archetypen. 13


Soms denk ik: we hebben elkaar in de kleine, zwarte ruimte binnen in mijn fototoestel ontmoet. Ik had haar niet eerder gezien die dag, ik weet het zeker. Het beeld ontbreekt in mijn gedachten. Als ik haar eerder op de dag terloops had opgemerkt, had ik haar waarschijnlijk voor een tiener aangezien. Maar door de lens was haar gezicht duidelijk gedefinieerd, er was een zekere rijpheid in haar uiterlijk. Wat me het meeste opviel, waren haar egale wenkbrauwen, haar helderblauwe, doordringende ogen en de nadrukkelijke lijn van haar lippen. Haar ogen boeiden me, meer dan iets anders. Van het begin af aan. Vooral de blik waarmee ze in mijn richting keek. De enige soortgelijke uitdrukking die ik ooit had gezien, was bij een wat oudere vrouw die seconden later van de elfde verdieping van een flatgebouw was gesprongen. Ze keek agressief naar ons, een groepje hongerige fotografen, toen de diepte in. Een paar fototoestellen flitsten. Met een ruk van haar hoofd keek ze opnieuw op: in haar ogen was nog de uitdrukking waarmee ze haar dood voor ogen had: zwart en verwilderd. Er zijn keren dat ik op de foto onzekerheid in Agnes’ ogen lees, een moment van weifeling voor ze een besluit neemt. Het is alsof ze vragend kijkt. Dan weer merk ik de onrust. Maar ook woede en onbegrip. De woede is het duidelijkst van haar mond af te lezen. Of is het een interpretatie van later? En in contrast hiermee, het gehele beeld: haar jeugd, het haar dat aan de zijkant met spelden vastzit en achter loshangt, een haarlok op haar voorhoofd, zonder duidelijke stijl, in een nonchalante natuurlijkheid. 14


Voor de sentimentele kijker is ze het beeld van onschuld. Soms kijk ik sentimenteel. De uitdrukking die ik op die eerste foto heb vastgelegd, kan ik op honderd manieren beschrijven, maar telkens kom ik weer op één woord uit: onpeilbaar. Ook de waarheid kan een cliché zijn.

15


Alles van voren af aan. Gisteren wilde ik er een eind aan maken. Ik wilde me definitief van Agnes losmaken. Daarom ging ik naar de boerderij: ik wilde haar alleen nog een keer met eigen ogen bij hen zien, dan zou ik weten dat het voorbij was. Ik zou het aanvaarden, heb ik mezelf beloofd. Zoals de vele andere keren. Maar er zou een punt komen dat het definitief is, dat er geen weg terug is. Nu hebben ze haar teruggebracht in mijn leven, nu ze voor altijd onbereikbaar is. Altijd was er afstand tussen ons. Ik kon dat gevoel nooit van me afschudden. Misschien was ik er zelf de oorzaak van. Je gaat op in je beroep, verweet ze me. Voor niets anders heb je aandacht. Misschien had ze gelijk. Ik probeerde mezelf te veranderen. Maar het hoort bij mijn beroep. Ik ben beroepswaarnemer – ik kijk afstandelijk. Maar als ik een ander beroep had, had ik Agnes nooit leren kennen. Die dag op de vergadering drentelde ik achter haar aan omdat ze me boeide. Professionele nieuwsgierigheid – ik was het stadium voorbij dat ik op meisjes verliefd raak en achter hen aan ga. Of misschien heb ik haar wél gevolgd: voortdurend hield ik haar in de gaten; als ze even uit mijn 16


gezichtsveld verdween, zocht ik haar meteen weer op. Voor het hoogtepunt van de dag gingen we naar het Monument waar de gelofte afgelegd zou worden. Een paradeterrein was voor de gelegenheid in het open veld aangelegd. Ik zocht een plaats dicht in haar buurt. Ze stond schuin voor me, af en toe kon ik haar gezicht zien als ze haar hoofd draaide. Terwijl de Transvaalse vierkleur gehesen en de grondwet van de toekomstige Boerennatie Republiek voorgelezen werd, verloor ik haar uit het oog, want telkens moest ik van positie veranderen. De ceremonie leverde een aantal goede beelden op: een vlag weigert zich te ontvouwen en de vlaghijser, een boerenknaap van dertien of veertien jaar, plukt verbouwereerd aan de touwen, met een vader die afkeurend toekijkt; een jochie valt tegen de borst van zijn moeder in slaap onder het zingen van En hoor jy die magtige dreuning; Lourens Boshoff, de oprichter en geestelijk vader van de Partij, raakt de draad van zijn betoog kwijt en kijkt vragend naar het papier in zijn hand. Terwijl Die Stem gezongen werd, zocht mijn blik haar weer op, maar ze was verdwenen. Pas veel later, onderweg naar de parkeerplaatsen, zag ik haar weer. Ik zat vast in het gedrang voor de uitgang; ze stond ongeveer dertig meter van me af, maar ik slaagde er niet in dichter bij haar te komen. Moeizaam bewoog ik naar de buitenkant van de stroom mensen, om haar van de zijkant te kunnen zien. Ze liep met haar ogen naar de grond gericht, alsof ze in gedachten verzonken was. Een paar momenten lang bleef ze staan om met een echtpaar van middelbare leeftijd te praten dat zich tegen de stroom in bewoog. 17


Uit wat ik kon horen, wisselden ze alleen gemeenplaatsen uit: ze vroegen naar elkaars welstand en zeiden iets over de hitte. Ze noemde hen oom en tante. Ze namen afscheid en liepen verder. De korte onderbreking gaf me de gelegenheid om tot bijna recht tegenover haar te komen. Eerder op de dag had ik de indruk dat ze ouder was dan ze leek; nu had ik opeens het gevoel dat ik me had misrekend: ze was nog maar een meisje, misschien zat ze zelfs nog op school. De spelden waren uit haar haren verdwenen, het haar had ze in een paardenstaart achter haar hoofd vastgebonden. Ze was tenger, met smalle schouders. Opeens verliet ze de stroom mensen en nam een korte weg naar het parkeerterrein. Ze stapte in een lichtblauwe Volkswagen en reed weg. Ze is dus ouder dan achttien, besloot ik. Achter het stuur leek ze dat ook. Tegen de tijd dat ik mijn eigen auto bereikte, was ze al van het terrein verdwenen. Pas een aantal kilometer verder, toen ik er al van overtuigd was dat ik haar kwijt was, haalde ik haar aan het begin van de Kerkstraat in. Ik reed achter haar aan naar een flat in Sunnyside. Op de hoek van twee straten, vanwaar ik zicht had op de ingang van het flatgebouw, parkeerde ik mijn auto. Even later verscheen ze op de galerij van de vierde verdieping. Ik telde de deuren: ze ging de derde van links binnen.

18


Ik weet dat ik in de eerste dagen na onze vluchtige ontmoeting vaak over haar heb gefantaseerd. De foto overtuigde me ervan dat ze ten minste twintig moest zijn. Toch waren er momenten dat ik haar leeftijd op zestien of zeventien schatte. Zelden was ik een gezicht tegengekomen dat zo precies op de grens tussen jong meisje en vrouw ligt. Soms, terwijl ik aandachtig naar de foto keek, veranderde ze voor mijn ogen van meisje in vrouw, of van vrouw in meisje. Er is een man in haar leven, besloot ik. Bij de bijeenkomst was ze op een opvallende wijze alleen – alsof er iemand ontbrak die eigenlijk bij haar had moeten zijn. Misschien was ze getrouwd en was het een vroeg huwelijk dat haar die duidelijke trekken van volwassenheid gaf. Haar man was tijdelijk weg, opgeroepen voor een commandokamp, of hij was naar de een of andere conferentie. Of misschien was ze ongetrouwd. Ze was verloofd, haar verloofde was leraar ergens in Noordwest-Kaapland. In het weekend ging ze naar hem toe, of hij kwam haar bezoeken. Die zaterdag bij de vergadering was hij verondersteld te komen; ze zouden elkaar daar treffen, maar er was iets voorgevallen waardoor hij niet kwam opdagen. Nieuwsgierigheid dwong me tot een ongewone stap: ik deed de foto in een bruine envelop en reed naar haar flat. 19


In de hal van het flatgebouw aarzelde ik. Opeens wilde ik rechtsomkeert maken en weglopen. Terwijl ik wikte en woog, keek ik naar de rij namen van de flatbewoners; ik probeerde erachter te komen welke van haar was. In de spiegeling van het glas voor de naamborden zag ik iemand binnenkomen. Ik draaide me om. Zij was het. Ze kwam naar me toe lopen en ging een paar stappen van me af voor de brievenbussen staan. Ze haalde een sleutel tevoorschijn en opende haar brievenbus. Bij haar verschijning in de hal ervoer ik dezelfde lichte schok als toen ze voor mijn lensopening was opgedoken. Ze merkte dat ik haar in de gaten hield en keek op. ‘Je zit op de vierde?’ vroeg ik. Ze knikte. ‘Ik probeerde net erachter te komen welke brievenbus van jou was, ik wilde dit voor je erin doen...’ Ik haalde de foto uit de envelop en hield die voor haar neus. Ik denk dat dat een van de redenen was waarom ik haar had benaderd: ik was benieuwd naar haar reactie op haar eigen beeld. Ze keek naar de foto als naar die van een vreemde. Zelfs zonder de zweem van verlegen gretigheid waarmee mensen meestal een afbeelding van zichzelf bekijken. ‘Ik heb hem op de vergadering gemaakt.’ ‘Die van zaterdag?’ Ik knikte. De strategie die ik in gedachten had, was doorzichtig: ik wilde haar vragen om de foto voorlopig te houden; later zou ik terugkomen om te informeren of ze een vergroting wilde. Maar opeens vond ik het allemaal heel overtuigend; ik heb immers al vaker een foto aan mensen gegeven zonder dat ze erom vroegen. 20


‘Als je dat wilt, kan ik een vergroting voor je maken.’ Het was ’s middags tegen vijf uur – ik vermoedde dat ze van haar werk kwam. Ze zag er anders uit dan op de foto, volwassener. Waarschijnlijk omdat ze make-up op had en haar haar netjes verzorgd was. Haar huid was gaaf, met fijne, donzige haartjes, gebleekt door de zon. Van dichtbij had haar haar een dieprode glans – ze waste het met henna, zou ik later ontdekken – en ze was iets kleiner dan ik dacht. ‘Doe geen moeite...’ In haar stem bespeurde ik wantrouwen, van het soort waarmee we onszelf tegen ongewenste vreemdelingen beschermen. ‘Ik zal erover nadenken, als je dat wilt.’ Nog altijd verbaas ik me erover dat ze die dag de foto niet gewoon heeft teruggegeven, me haar rug heeft toegekeerd en is weggelopen. Het was omdat ik al iets van haar bezat, heb ik later besloten. Een deel van haar. Alsof ze, zoals de primitieve mens, geloofde dat de foto een deel van haar wezen had gevangen, en dat ze daarin opgeborgen zat. Opnieuw keek ze vluchtig naar de foto, toen nam ze afscheid en liep naar de lift. Het duurde lang voor de lift kwam. Ze was niet op haar gemak, ze wist dat ik haar nakeek. Onze beelden werden in de glazen deur weerspiegeld. Voordat ze instapte, keek ze naar me en glimlachte. Opeens had ik het gevoel dat haar minnaar in de flat op haar wachtte. Of haar man. Agnes. Ik weet niet precies meer wanneer ik haar gevraagd heb hoe ze heette. 21


Als ik haar zelf had kunnen scheppen, zoals een romanfiguur, had ik haar een andere naam gegeven. (In een boek dat ik jaren geleden las, beweert George Steiner dat ieder kunstwerk in wezen een kritische handeling is, die ontstaat uit de overtuiging dat een betere wereld mogelijk is dan de beperkte waar we ons in bevinden. De oorsprong van de liefde ligt, behalve in God, waarschijnlijk ook in de overtuiging dat de mensheid beter kan zijn dan zij is.) Agnes was ook de naam van een collega bij Evening Times. Een vrouw vol ambitie. Ze had genoeg ambitie om de vrouw van een wereldberoemd operazanger te zijn. Of de vrouw van een staatspresident of een befaamd regisseur. Dat haar man redacteur bij een regionale krant was, was iets dat ze hem niet kon vergeven. Om de een of andere duistere reden was Agnes, de vrouw van de redacteur, verliefd op me. Ik fungeerde als een van de instrumenten waarmee ze haar man kon vernederen: op feestjes hield ze me vaak in een hoek aan, zonder me enige kans op ontsnapping te bieden, terwijl haar man verwezen van het ene groepje naar het andere dwaalde. Wellicht zag ze in mij een wereldberoemd fotograaf in wording. Ze was in elk geval mijn eerste, onuitwisbare beeld van de gefrustreerde, verbitterde vrouw. Daarom was dit na onze kennismaking het eerste aangaande Agnes dat ik heimelijk wilde veranderen: haar naam. Het is een van mijn neuroses: het bestaande veranderen. Om te herscheppen. Mogelijk is herinnering een dimensie van het hiernamaals. Met dezelfde intensiteit, dezelfde kleurrijkheid. En dezelfde onherroepelijkheid. Ik had haar nooit moeten volgen, die dag op de bij22


eenkomst. Onze wegen hadden meteen moeten scheiden. Zelfs de foto had ik niet moeten hebben. Op een dag, soms pas jaren later, zou haar beeld onverwacht weer in mijn gedachten verschijnen. Ik zou me opnieuw herinneren hoe ze me die dag had geboeid; misschien zou ik verlangen om haar weer te zien, en zou ik mezelf verwijten dat ik haar niet gevolgd had.

23


Grace, de sprankelende dochter uit het Ierse landarbeidersgezin O’Malley, wordt op een dorpsfeest opgemerkt door de Engelse landheer Donelly. Hij neemt de vijftienjarige Grace ten huwelijk, hoewel Graces vader ‘slechts’ een van zijn pachters is. Afgezonderd van haar thuis en haar geliefden doet Grace haar best zich te handhaven in het ogenschijnlijk chique milieu en probeert ze aan de verwachtingen van haar echtgenoot te voldoen. De kloof tussen haarzelf en haar ‘eigen mensen’ wordt steeds pijnlijker wanneer keer op keer de aardappeloogsten mislukken en er grote hongersnood uitbreekt onder de Ierse boeren. Ook in Graces eigen familie vallen slachtoffers. De sfeer wordt steeds grimmiger. De boeren protesteren tegen de onredelijke heffingen, maar hun verzet tegen Donelly wordt hardhandig neergeslagen. Wanneer Grace besluit om de arbeiders uit eigen voorraad te eten te geven, krijgt ze zijn woede in volle hevigheid over zich heen. Dan neemt Grace een moedig besluit dat haar leven voorgoed zal veranderen. Het indrukwekkende verhaal van Grace O’Malley vertelt tegelijkertijd de lotgevallen van de Ierse arbeidersbevolking rond 1850, die een grote hongersnood meemaakte waaraan meer dan een miljoen Ieren stierven. Met deze schrijnende geschiedenis weet Moore het hart van de lezer te raken. Tegelijk laat ze zien hoe onvoorstelbaar groot de kracht van hoop, geloof en liefde is. “...historische fictie op haar best.” Publishers Weekly

ISBN: 978 90 239 9087 1 Uitvoering: paperback Blz: 500 pag. Prijs: € 12,50


Een

In de bossen aan de overzijde van de rivier de Lee was het flakkerende licht van een kampvuur te zien. Het was vroeg in het voorjaar en de ketellappers waren aangekomen. Als ze een dag later gekomen waren, zouden ze het verschrikkelijke ongeluk niet hebben meegemaakt. Dan zouden ze ook het leven van de jongen Sean, die verderop in de kloof woonde, niet hebben gered; de jongen wiens moeder hun altijd een half brood en een goed woord meegaf wanneer ze bij haar aanklopten. Het einde van de winter en het begin van de lente vallen samen in het Oosten; de rivieren zijn dan bevroren en een doodse ijslaag ligt onzichtbaar op de omgevallen bomen en de stenen bruggen. De ketellappers weten dat wel; ieder jaar als ze de rivier oversteken, kijken ze goed uit en lopen ze heel voorzichtig. Maar een jongen zal daar niet direct aan denken. Vooral niet als die jongen een beetje overmoedig is geworden door de frisse avondlucht. En als hij dan ook nog een dartel muildier moet besturen voor zijn knappe moeder die naast hem zit te zingen en die lacht als hij een beetje te hard rijdt – zo’n jongen denkt er niet meteen aan dat er wel eens ijs op de brug zou kunnen liggen. De ketellappers zaten ineengedoken op de grond, maar ze kwamen nu overeind omdat ze plotseling de dreiging van een naderend onheil voelden. En enkele ogenblikken later sloeg het snel rijdende wagentje om, waardoor de jongen tegen de brug werd gedrukt en zijn moeder over de leuning werd geslingerd. De mannen stonden Ú


verderop aan de rivier, niet in staat om te helpen. Zelfs wanneer één van hen had kunnen zwemmen, had hij de vrouw toch niet kunnen bereiken, zo woest was de stroming in de rivier. Een eindeloos lange minuut worstelde ze om boven te blijven, toen verdween ze in het water. De mannen renden naar de jongen en trokken de zware kar van hem af. Hun gezichten stonden grimmig toen ze zagen hoe erg zijn verwondingen waren: een been waar het bot doorheen stak, een arm en een schouder zwaar gekneusd. Hij ademde nog wel, maar hij was bewusteloos. Ze waren er dankbaar voor. Eén van de mannen hielp het muildier met een snelle messteek uit zijn lijden. De anderen droegen de jongen voorzichtig naar een wagen en daarna vertrokken ze in de richting van Macroom, want ze wisten nu dat hij een zoon was van Patrick en Kathleen O’Malley. Het werd donker en er viel een ijskoude regen, maar ze reden verder, steeds het paard aansporend, langs de gladde, modderige wegen. Twee van hen hielden de jongen stevig vast achter in de wagen. Toen ze eindelijk aankwamen bij de landweg, waar hij woonde, zagen ze licht achter de ramen van de hutten en rook die uit de schoorstenen omhoog steeg. Binnen wachtten de mensen op de terugkeer van moeder en zoon. Zonder een woord tegen elkaar te zeggen klommen de ketellappers naar beneden, tilden het lichaam van de gewonde jongen uit de wagen en droegen het naar de hut. Ze schopten met hun blote voeten tegen de deur en schreeuwden luid om boven het lawaai van de storm en de regen uit te komen. Het eerste dat ze zagen, was het verblufte gezicht van de vader van de jongen, tot wie het maar langzaamaan doordrong dat de jongen nog leefde. Hij wierp een blik op de kar, zoekend naar zijn vrouw. De ketellappers schudden hun hoofd en gaven hem het lichaam van zijn zoon in handen. Zijn ogen stonden onzeker, maar na een ogenblik nam hij zijn zoon op, droeg hem voorzichtig naar binnen in de hut en legde hem op een met heide gevulde matras. Ryan O’Malley, de oudste zoon, gooide haastig wat meer turf op het smeulende vuur en ging daarna granna’s tas met spullen halen. Toen gran de gezichten van de ketellappers gezien had en de manier waarop ze hun hoofd schudden, vroeg ze niet naar haar dochter. In plaats daarvan ging ze aan het werk om de jongen te helpen. Ze suste zijn gekreun, terwijl ze ú


zijn zware, natte kleren met een schaar openknipte en voorzichtig over zijn vreselijk verminkte arm en been omlaag trok. De kleine Gracelin, de oogappel van haar moeder en lieveling van haar broer Sean, kroop zo dicht in de buurt als het maar kon zonder tot last te zijn. Granna gooide een doorweekte jasmouw van zich af. Grace pakte hem op en drukte hem tegen zich aan zodat op haar dunne nachtjapon een natte plek verscheen. Het gerucht ging als een lopend vuurtje de landweg langs en de deur ging steeds open en dicht, zodat de regen naar binnen werd geblazen. Alle buren kwamen kijken of ze iets konden doen. Hoe meer er binnenkwamen, des te dieper werden de ketellappers die Sean hadden gered, in de hoek gedrukt. De mannen wachtten, slecht op hun gemak, dicht bij elkaar, met neergeslagen ogen en met hun gehavende hoeden stevig in de vuist. ‘Pak vaders fles van de plank en geef hun die,’ zei granna; ze ging onverstoorbaar door met hechten van de wond boven Seans oog. ‘Als de fles leeg is, ga dan thee zetten. Er is wel brood in huis.’ ‘Ja, gran.’ Grace stond langzaam op. Haar benen waren stijf geworden. ‘Ik help je wel.’ Ryan stond al naast haar en hielp haar overeind. Samen gingen ze tussen de vele mensen door om voor het drinken te zorgen. Ze keken niemand aan behalve de ketellappers, die dichter bij de wereld van de geesten leefden en de dingen beter doorgrondden. ‘Hij haalt het wel,’ zei één van hen zachtjes tegen Grace toen ze zijn kopje volschonk. Hij knikte naar de hoek achter de plek waar Sean lag. ‘Je mama wachtte op hem daar in het donker, maar nu is ze weer weg.’ Grace tuurde lang en scherp naar de hoek, totdat deze zich oploste en ze er doorheen kon kijken naar de andere wereld. Ze kwam in beweging alsof ze daar zelf ook heen wilde gaan, maar de ketellapper legde zijn hand op haar hoofd en hield haar tegen. Zachtjes draaide hij haar om, weg van het visioen, en keek haar in de ogen. Hij schudde langzaam met zijn hoofd, in het besef dat een kind dat nog niet zo lang op deze wereld was, zich misschien de ù


weg terug nog wel zou herinneren. Hij prees haar gelukkig in zijn vreemde tongval en Grace luisterde naar wat hij zei, terwijl ze hem strak aankeek. Toen ze elkaar begrepen hadden, ging hij vlug de deur uit met zijn kameraden, zonder verder een woord te zeggen. Na een hele tijd kwam de man die geen echte dokter was maar wel botten kon zetten. Goedkeurend bekeek hij granna’s werk en ging dan zelf aan de gang, nadat hij eerst een glas whisky in de keel van de jongen gegoten had. Er klonk een kreet en nog één toen hij aan het been trok zodat het bot in de dij met een knappend geluid weer op zijn plaats kwam. Onder de knie was het been verbrijzeld, maar tegen de tijd dat de man het begon recht te trekken, was de jongen weer buiten bewustzijn. De bottendokter was oud en wel gewend aan kreten van pijn, maar het gegil van het kleine meisje raakte hem tot in zijn ziel. Hij was dan ook dankbaar dat de vrouwen haar in hun armen namen en haar heen en weer wiegden totdat de slaap zich over haar ontfermde. Veel later, in de grijze uren vóórdat de dag aanbrak, toen ze op haar matras lag dicht bij granna, deed Grace haar ogen open en luisterde naar de stilte die op de storm gevolgd was. Toen besefte ze pas dat haar broer nog leefde, maar dat haar moeder was gestorven – heel zeker gestorven. Een verschrikkelijke pijn klemde zijn greep om haar borstkas, waardoor ze bijna niet meer kon ademen. Haar bloed begon te razen in haar oren, maar daar doorheen hoorde ze de stem van haar moeder zingen en het klonk alsof het geluid vanaf de heuvel achter hun hut kwam. Het was of de zuurstof uit de kamer week – haar hart klopte als een razende maar haar longen leken wel dichtgedrukt. Om haar heen was het kolkende water van de rivier de Lee, begerig om de dochter van een engel op te slokken. Het zingen werd al luider en kwam steeds dichterbij. Toen kwam haar moeders stem boven die van de anderen uit en riep: ‘Vooruit, Gracelin! Ademen!’ Graces ogen gingen plotseling open en ze snakte naar adem, maar ze kon haar longen niet snel genoeg volzuigen. Ze worstelde en sloeg om zich heen. Toen werd granna wakker, pakte haar op en hield haar zo dicht tegen zich aan dat ze elkaars hartenklop konden voelen. De ene diepe ademhaling volgde op de andere. Langzamerhand ging de paniekaanval over en bij ieder teugje lucht werd het ú


brandende gevoel in haar borstkas minder. De zingende stemmen werden zwakker en ijler en tenslotte verdwenen ze, samen met die van haar moeder. Toen Grace uiteindelijk rustig werd en haar ogen weer dichtvielen, legde granna haar voorzichtig neer onder haar deken. Daar lag ze geduldig te wachten op de wind die haar zou opnemen en wegdragen. Het enige dat haar vasthield, was granna’s arm die stevig om haar middel was geslagen. En zo kwam het dat ze bij het wakker worden ontdekte dat ze nog steeds op de wereld was. Er kwamen veel mensen naar de wake voor Kathleen O’Malley, hoewel ze haar vanwege de toestand van haar lichaam niet meer konden zien. Het was zo opgezwollen door het water van de rivier dat het ondraaglijk was ernaar te kijken. Er waren veel mensen in de omgeving die van de jonge vrouw hadden gehouden. Ze kon zo mooi zingen, lachte je altijd vriendelijk toe en ze keek je aan met een open blik in haar ogen. De mensen kwamen om haar oude moeder te troosten en haar knappe man Patrick en hun drie kinderen, de twee zoons en het dochtertje. Degenen die haar het beste gekend hadden – Katty O’Dugan en Julia Ryan die verderop aan de landweg woonden, Mary McDonagh van boven op de heuvel – begonnen te weeklagen zodra ze de kist zagen. De klaagzang steeg op van hun lippen en ze wiegden en zwaaiden heen en weer, terwijl ze in hun handen klapten en harop jammerden over de lieve jonge vrouw die van hen weggenomen was. Iedere keer als de deur openging, kwam er weer iemand binnen die ook begon te weeklagen. Het duurde vele uren voordat het geklaag minder werd en alle aanwezigen waren voorzien van een beker met Patricks eerste-klas Uisage batha*– het levenswater – en de mannen van een verse pijp tabak. De kamer was warm en overvol en de mannen gingen al snel de deur uit naar de binnenplaats. Hoofdschuddend, om hun droefheid te laten blijken, begonnen ze met hun zachte, krassende stemmen allerlei verhalen te vertellen. De vrouwen liepen in en uit met etenswaren en zij vertelden hun eigen verhalen van moeders en kinderen die gestorven waren. Ze bleven die dag en nacht en de *

Oudiers woord voor whisky.


volgende dag, totdat de lijkkist begraven werd op het hoogste punt van de heuvel en de O’Malleys hun deur sloten om onder elkaar te treuren over hun verlies. Grace kon het niet opbrengen om naar Sean te kijken, die zo wit en bewegingloos in zijn bed lag. Ze kon ook haar vader niet troosten; hij zat eenzaam in een hoek en huilde voortdurend. Ze kon de diepe lijnen in het gezicht van granna niet wegvegen en evenmin de boosheid op Ryans gezicht doen afnemen. En ze kon er niet goed tegen dat ze telkens wanneer ze naar haar moeders stoel keek, hoopte haar te zien zitten; dat ze bijna haar lach hoorde, of het slot van een liedje dat nog in de lucht hing. Dus ging ze maar de deur uit – zij met haar zes en een half jaar – en klom de heuvel achter het huis op. Daar liep ze rond tussen de madeliefjes op het veld. Als ze moe werd, ging ze er tussenin liggen en stelde zich de hemel voor, waar ze haar ogen zou mogen dichtdoen en haar hoofd voor altijd laten rusten tegen haar moeders borst waarnaar ze zo erg verlangde. Sean werd overgebracht naar het kamertje dat Patrick en Kathleen met elkaar gedeeld hadden. Daar lag hij vele dagen lang, gekweld door pijn en koorts. Hij kreunde maar en riep naar zijn moeder dat ze moest volhouden, volhouden hoor, hij kwam eraan! ‘Blijf overeind, mama!’ riep hij steeds weer, totdat eindelijk het ijlen overging en hij zijn ogen opendeed. Toen hij op een dag wat soep had binnengekregen en korte tijd rechtop kon zitten, kwamen ze allemaal om zijn bed staan en wachtten op het moment dat hij iets zou zeggen. Hakkelend vertelde hij hun dat de stenen brug over de gezwollen rivier de Lee erg glibberig was geweest door bevroren regenwater. Dat het muildier zijn evenwicht had verloren en daardoor het wagentje had omgegooid, zodat de helft van Seans lichaam eronder kwam vast te zitten tegen de rand van de brug. Hij had zijn moeder gezien in de ziedende stroom, vechtend om boven water te blijven, terwijl haar zware rokken en laarzen haar naar beneden trokken. Ze had naar hem geroepen, ze had tegen het ijskoude water geworsteld zo lang ze maar kon en daarna had ze nog éénmaal geroepen voordat ze in de golven verdween. Verder wist hij niets meer, tot ú10


aan het moment dat hij die dag wakker geworden was door de zachte stem van gran die hem verteld had dat zijn moeder was omgekomen, zei hij terwijl de tranen langs zijn magere wangen liepen. Patrick kromp steeds verder in elkaar, terwijl hij luisterde naar wat zijn zoon vertelde. Hij streelde de hand van de jongen en met een zucht ging hij de kamer uit. De man van wie Grace altijd zoveel had gehouden, was eenvoudigweg mét haar in de golven verdwenen. Hij zong geen liedjes meer, vertelde niet langer verhalen over hun voorouders en het leek erop dat hij geen enkel glimlachje meer had overgehouden. Grace kon alleen maar dicht bij hem komen wanneer ze op zijn knie kroop, zijn lichaamswarmte voelde, en de geur inademde van tabak en aarde. Wanneer ze haar hoofd tegen hem aan drukte, was ze er zeker van dat zelfs zijn hartslag zwakker was en treuriger dan toen haar moeder nog leefde. Ze legde zijn hand op haar hoofd in de hoop dat hij haar over het haar zou strelen zoals hij altijd had gedaan. Maar de hand viel weer terug op zijn knie, zó ver weg was hij met zijn gedachten. Na een tijdje zei hij dan: ‘Stil nou maar kind, ga maar ergens anders spelen.’ Deze oude man kende ze niet; haar vader was altijd actief geweest en vol plannen, net als de grote stamhoofden uit het westen, die indertijd per schip uit Connaught waren vertrokken. De grootste onder hen, Granuaile, de dochter van Owen, was later de beroemde Piratenkoningin geworden, die gevreesd was onder de Engelsen en vereerd werd door haar volk. Patrick had Grace naar haar genoemd omdat, naar hij zei, op het moment van haar geboorte het licht van de zee in haar ogen weerspiegeld werd. Haar vader was een directe afstammeling van de O’Malleys uit het noorden, die een grote plantage hadden bezeten. Ze waren echter alles kwijtgeraakt nadat Jacobus II bij de Boyne was verslagen en er een streng strafrecht werd ingesteld. Hierdoor werden de voorname oude katholieke Ierse families uit elkaar gerukt, zei haar vader. De families werden gedwongen hun landerijen te verdelen, totdat er niets meer van overbleef. De katholieke Ieren hadden geen mogelijkheden tot onderwijs of invloed in de politiek meer overgehouden. Banen in overheidsdienst werden hun ontzegd, evenals het recht om hun geloof openlijk te belijden. Zijn voorvaderen waren Oak Boys en 11 ù


Ribbon Men geweest, die bij elkaar kwamen in de nevelige moerassen, waar ze wraakplannen uitbroedden. Maar wat ze hadden verloren, hadden ze nooit teruggekregen. En iedere keer wanneer Patrick deze verhalen aan zijn kinderen vertelde, was de bitterheid daarover in zijn stem te horen. Wat Grace niet kon weten, was dat Patrick zich vanwege zijn afkomst nog steeds edelman voelde; hij had zich erg geschaamd voor zijn haveloze, verslagen ouders, die doelloos rondzwierven van het ene graafschap naar het andere. Ze woonden daar in eenvoudige, gehuurde kamers, terwijl ze grote moeite hadden om rond te komen. Toen ze plotseling overleden als gevolg van tyfus, bleven er zeven weeskinderen achter. Drie daarvan stierven al spoedig en de rest werd hier en daar ondergebracht door de plaatselijke priester. Er was geen gezin dat Patrick kon opnemen en hij bracht drie jaar door in de werkinrichting voor armen in Dublin. Toen hij tien jaar oud was, liep hij weg. ’s Zomers woonde hij in droge greppels en ’s winters in verlaten hutten. Hij stal eten uit varkensschuren en droeg oude lappen aan zijn voeten. Na een afschuwelijke winter, waarin hij bijna van honger was omgekomen, ging hij terug naar de Broeders, die hem onder contract als knecht wilden aannemen en hem onderdak gaven. Overdag deed hij boerenwerk, zoals het scheren van hun schapen en het spinnen van wol. Verder hield hij hun huis schoon en maakte kaarsen. ’s Nachts bleef hij vaak op om te bidden voor hun doden. Wanneer hij in slaap viel of om meer eten vroeg, werd hij geslagen omdat men dat een teken van luiheid en ondankbaarheid vond. Hij moest zware penitenties doen voor boze gedachten en gebrek aan ijver. Het hongerlijden, de vermoeidheid en het eindeloze werk hadden zijn geest en lichaam aangevreten. Tenslotte bestond zijn enige kracht nog uit een brandende woede, die hij in stilte aanwakkerde. Vastbesloten om zijn eigen baas te worden, zelfs wanneer dit zou betekenen dat hij bij de varkens moest slapen en dezelfde slobber eten als zij, liep hij opnieuw weg. Hij was geen kind meer in die tijd, maar een jonge man, hoewel hij klein en mager was. Hij zag geel van de honger en de littekens op zijn rug maakten anderen wantrouwend. Hij ging nooit meer naar een kerk en hij hield zijn opvatting over God voor zichzelf. ú12


Kathleen daarentegen koesterde een diepe liefde voor God en ze had de behoefte om Hem te vereren samen met anderen die dezelfde gedachten hadden als zij. Ze was protestant – achterkleindochter van een Schot van de kant van haar overleden vader. En hoewel ze bijna alleen was te midden van vele rooms-katholieke landgenoten, zag ze niet in waarom godsdienst verdeeldheid tussen hen zou moeten brengen. Patrick had haar toegestaan de kerk aan het meer te bezoeken, onder voorwaarde dat ze niet van hem zou vragen met haar mee te gaan. Granna hield er niet van om zo ver van huis te gaan op één dag. Ryan leek te veel op zijn vader om enig godsdienstig gevoel een plaats te geven in zijn leven en Gracelin was nog te jong. Maar Sean was altijd blij geweest als er een mogelijkheid kwam om weer een lange rit over het platteland te maken. Hij vertelde zijn moeder dan over zijn dromen, en ook hoe prachtig hij Ierland vond en hoe wonderlijk God was. Vroeg op de zondagmorgen, al vóór zonsopgang, spanden ze het muildier voor het ruwe houten wagentje en vertrokken met een eetketeltje vol warme pap en wat brood van de vorige dag bij zich. Ze volgden de slingerende loop van de Lee door Inchigeelagh, voorbij het kabbelende water van Loch Allua en staken de rivier over bij Ballingeary. Dan zetten ze koers naar de Shehybergen, totdat ze kwamen bij het stenen kapelletje aan de oever van het Gougenabarra-meer, de oorsprong van de rivier de Lee. Het was een vermoeiende reis en gewoonlijk kwamen ze niet voor zonsondergang weer thuis, behalve wanneer het een lange zomerdag was. Daarom gingen ze niet vaker dan driemaal in elk jaargetijde – en dat was al veel, vond Patrick. In de maanden na Kathleens dood zat Patrick iedere avond op een krukje voor de hut. Hij rookte zijn stenen pijp en dacht aan zijn vrouw. Zij had haar levenswijze opgegeven voor hem en wat had hij háár gegeven behalve de kinderen en de gelegenheid om zo nu en dan een dag om naar de kerk te gaan? Toen ze trouwden, had hij bijna geen stuiver; hij had alleen maar dromen en plannen. Het familiebezit, de bakkerij in Cork, die Grace samen met haar moeder had gedreven, had ze opgegeven en een deel van het geld had ze gebruikt om land in Macroom te pachten, en om zaad, een ploegpaard en gereedschappen te kopen. Hij had 13 ù


beloofd het allemaal aan haar terug te betalen zodra de boerderij winst zou gaan opleveren. Hij dacht er nooit aan dat ze nu haar leven leidde als de vrouw van een altijd zwoegende boer, terwijl ze ook de succesvolle eigenares van een zaak had kunnen zijn. Het schuldgevoel daarover lag als een steen op zijn hart, samen met een verdriet waaraan nooit een eind zou komen. Nu hij de last van de toekomst van hun kinderen alleen moest dragen, besefte hij hoe zwaar dit was en hij betreurde dat hij zo sterk op haar had geleund. Hij was veel te afhankelijk van haar geweest – voor raad en bemoediging, voor troost en liefde. Hij besefte dat hij, met zijn doffe ogen en zwaarmoedige geest, weer was veranderd in de verbitterde man die hij was geweest totdat hij op een dag het geluk had gehad om Kathleen Dougherty tegen te komen. Hij treurde omdat hij haar niet alleen verloren had, maar ook zichzelf. Wanneer Patrick ’s avonds buiten op de heuvel was bij de schapen, al piekerend en pijprokend, probeerde granna de sfeer in huis wat opgewekter te maken door de kinderen verhalen over hun moeder te vertellen. ‘Ze was een echte Ierse schoonheid.’ Zó begon ze altijd haar verhaal in de Ierse tongval; met vochtige ogen, vanwege al de herinneringen. ‘Ze had een roomkleurige huid, een flinke blos op haar wangen; haar haren waren zo donker als het maar kon en ze krulden van plezier. En dan haar ogen, aah, haar ogen – die waren blauwgrijs als een woeste zee. Jij, Grace,’ zei ze dan, terwijl ze teder glimlachte naar het kleine meisje dat aan haar voeten zat, ‘jij hebt dezelfde ogen als je moeder.’ Op dit punt aangekomen, slaakte ze altijd een zucht. En dan ging ze verder: ‘En ze was altijd aan het zingen, dat deed ze zelfs als klein meisje al. En leuke dingen vertelde ze over de mensen in de buurt. Ze was zo vrijmoedig en ze zat vol leven! Toen je vader haar zag werd hij op slag verliefd.’ ‘Vertel daar eens iets over?’ Sean was altijd de eerste die dat vroeg. ‘Het was op een vastenavond. De jongens deden allemaal mee aan wedstrijden en de meisjes wachtten of er ook een jongen was die met hen uit wilde.’ Ze lachte, hield dan haar hand voor haar mond en keek naar de deur. ‘Jullie vader had net werk gekregen ú14


op de molen en hij kwam bij ons in de winkel om uienbrood te kopen en een kop van je moeders beroemde mede*.’ Granna ging rechtop zitten en met een donkere stem praten, terwijl ze haar hoofd bewoog om Patricks jeugdige verwaandheid na te doen. ‘“Ik heb overal in Ierland gegeten, juffrouw,” zegt hij tegen haar. “Maar uw brood is het lekkerste dat ik ooit geproefd heb.” “Mijn moeder bakt het altijd,” zei ze tegen hem, met de handen op haar heupen, maar ze bloosde zó dat het mijlen ver te zien was. Ze was verlegen, die dochter van ons, maar dat viel nooit op omdat ze zo vurig was. Hij ging zo dicht bij haar staan als hij durfde en zei, terwijl hij haar vrijmoedig in de ogen keek: “Dan zal zijzelf bij ons in moeten komen wonen zodra we getrouwd zijn!” Hij maakte haar aan het lachen en dat gaf de doorslag. Je moeder wist altijd goed wat ze wilde.’ Gran zuchtte, maar toch was ze wel trots. ‘Na Pasen zijn ze getrouwd en toen gingen ze in het graafschap Cork op zoek naar een klein stuk grond om te pachten. In die omgeving wilde je vader zich vestigen. Ik zelf had het idee om een kleine bakkerswinkel te openen aan het plein in Macroom, maar hier in huis hadden ze me nodig, dus ik kwam weer thuis. Er was tenslotte niemand voor wie ik daar zou moeten blijven. Op mijn woord, hun liefde voor elkaar was zonneklaar, dat is zeker. Je moeder hoefde er niet lang over te denken om het leven in de stad op te geven en boerin te worden. Sterk en onafhankelijk was ze, met een hartstocht om alles uit het leven te halen wat er in zit en dat ook om zich heen te laten merken.’ De kinderen luisterden, want hun verlangen naar verhalen over hun moeder was even groot als granna’s drang om te vertellen over de dochter van wie ze zoveel had gehouden. Zij en Kathleen hadden zoveel mogelijk godsdienstige tradities ingevoerd en Patrick had meestal wel een oogje dichtgedaan – misschien omdat ze protestant waren. Soms bleef hij zelfs in de keuken om te luisteren naar verhalen over de wonderen van Christus, terwijl zij bezig waren om zoete pannenkoeken te bakken voor vastenavond, een laatste traktatie vóórdat de vastentijd begon. De meeste van hun buren gebruikten niet meer dan een enkele maaltijd per *

Alcoholische drank, bereid uit gefermenteerde honing en water.

15 ù


dag gedurende de veertig dagen voor Pasen, maar Patrick vond dat maar onzin en stond erop dat zijn gezin twee goede maaltijden per dag kreeg. Wanneer hij naar zijn werk op het land gegaan was, veegde Kathleen het meel van haar handen af aan haar schort en sprak ernstig met de kinderen over het lijden van de Here Jezus vóórdat Hij stierf. Ze zei dat het belangrijk was om dat te herdenken door jezelf iets te ontzeggen. Granna scheen te denken dat ze door de dood van Kathleen voldoende hadden geleden voor de rest van hun leven, want ze vroeg voortaan geen persoonlijke offers meer in de vastentijd. Toen het eerste jaar van rouw voorbij was, begon granna steeds vrijer te praten over Kathleen en hield ze zich openlijk aan bepaalde tradities waarvan ze wist dat die belangrijk waren geweest voor haar dochter. Haar enige gehoor bestond uit Sean en Grace, omdat Ryan nu oud genoeg was om samen te werken met zijn vader. Patrick kon er nog steeds niet tegen wanneer er gezongen werd, dus ook dat deden ze dan maar wanneer hij er niet bij was. Granna leerde hun de woorden van ‘John O’Dwyer of the Glens’, de melodie bij ‘Tho’ the Last Glimpse of Erin’, en hun moeders lievelingslied, het aloude ‘Derry Aire’. Er werd niet over kerkgang gesproken. Zelfs Sean vroeg er niet naar, hoewel hij de kerkdiensten en de gezangen wel miste, en ook het geluid van het meer dat daar tegen de oever kabbelde. ‘Jullie pa is boos op God,’ legde granna hun uit. ‘Zonder jullie mama heeft het leven voor hem geen zin meer; hij kan het God niet vergeven dat Hij haar weggenomen heeft. Maar is hij niet nog steeds de goede vader die hij altijd geweest is en moeten we hem nu niet troosten? Jullie mama zou graag willen dat je dat deed. Laat het maar aan de Here God over om zijn hart te vermurwen.’ Naarmate de tijd verstreek, werden de lijnen in Patricks gezicht echter steeds dieper, en in zijn haar dat eens kastanjebruin was geweest, kwamen witte plekken. Hij stond het dichtst bij Ryan, die nu iedere dag met hem samenwerkte en die leerde om de boerderij te besturen, maar hij bleef op een afstand van zijn jongere zoon en dochter.

ú16


Grace ontwikkelde zich van klein kind tot een nog mooier meisje dan haar moeder was geweest, hoewel ze dat zelf niet kon weten. Ze was het gezicht van haar moeder Kathleen al lang vergeten en dat deed haar hart pijn. De nacht bracht haar echter nu en dan troost. Soms werd ze wakker door het geluid van een zacht neuriën. Dan stond er een figuur in de hoek van de kamer, bezig met het vlechten van de lange haren die neerhingen tot haar middel. Haar gezicht was opzij gekeerd zodat haar gelaatstrekken net verborgen bleven. Een wonderlijk vredig gevoel kwam dan over Grace, maar wanneer ze haar hand uitstak of probeerde granna wakker te maken, keerde de figuur zich om en verdween. ‘God is niet vergeten welk verlies je geleden hebt,’ fluisterde granna dan tegen het huilende meisje en streelde haar over het haar. ‘Ik draag haar gezicht nog altijd in mijn hart, maar jij herinnert je dat niet.’ ’s Morgens vroeg Grace opnieuw waarom niemand anders behalve zijzelf zoiets zag. ‘Ja, je bent toch altijd al gezegend geweest met visioenen van engelen en zo. Je zag toch tekenen uit een andere wereld, al sinds de tijd toen je nog bij je moeder op schoot zat? Je waarschuwde ons altijd al dat we niet in de hoeken moesten komen uit vrees dat we anders wel eens een engel op de tenen zouden kunnen trappen.’ Ze lachte en keek op van het werk waarmee ze bezig was. ‘Twijfel er niet aan, kind. Ik zou haar zielsgraag nog eens willen zien.’ Sean liet zich horen vanaf zijn plaatsje bij het vuur, waar hij het grootste deel van de tijd zat. ‘Ik droom ervan dat ik haar kan redden, weet je, haar uit het water van de rivier kan trekken. En iedere keer als het lente wordt en het water begint te stijgen, heb ik dezelfde droom.’ Granna keek naar hem. ‘Dat weet ik wel,’ zei ze. ‘Soms hoor ik je ’s nachts rondwoelen in je bed, wanneer ik de achterdeur uit ga.’ ‘Waarom is ze toch van ons weggenomen?’ De pijn was nog steeds duidelijk in zijn stem te horen, hoewel ze over dit punt al vele malen hadden gesproken. Granna schudde haar hoofd. ‘Het was haar tijd. Meer valt er niet over te zeggen.’ Ze was even stil. ‘Ik zal jullie eens een verhaal 17 ù


vertellen. Lang geleden hadden de Ieren het voorrecht dat ze wisten wanneer hun tijd zou komen en ze waren allemaal tevreden wanneer ze tot aan die tijd volledig van hun leven konden genieten. Maar toen kwam er een man die wist dat hij na de oogsttijd zou sterven, dus bouwde hij maar een provisorische omheining voor de schapen en zijn dak repareerde hij nauwelijks. De buren begonnen erover te praten en dat deden ze zo luid dat een engel bij de man op bezoek ging. Waarom hebt u uw schapen niet veilig onder dak gebracht en uw hut niet goed onderhouden? vroeg hij. Ik zie niet in waarom ik dat zou moeten doen, als ik toch na de oogsttijd ga sterven, zei de man. Laat degene die na mij komt het werk maar doen. De engel zag wel dat dit niet goed was en hij sprak erover tot God. Die nam de kennis over hun dood van de mensen weg, opdat ze hun leven niet meer zouden opgeven vóórdat hun tijd gekomen was.’ Grace luisterde naar het oude verhaal en nam de woorden in zich op, maar Sean schudde zijn hoofd. ‘Sommige mensen zien het leven niet meer zitten en hopen dat ze spoedig dood zullen gaan,’ zei hij. ‘Zoals pa.’ ‘Ja, dat is verkeerd,’ gaf granna toe. ‘Maar jullie pa wil niet echt sterven. Hij wil weten hoe hij met zijn leven verder moet, want dat ziet hij zelf helemaal niet meer.’ ‘Dan is hij niet de enige die het niet meer ziet zitten,’ zei Sean bitter, terwijl hij naar zijn verminkte arm en been keek. Granna legde met een klap haar schilmes neer. ‘Jij weet heel goed dat je de weg van de Here God niet in twijfel mag trekken, Sean O’Malley. Je denkt dat God jou gestraft heeft door je invalide te maken, maar dan kijk je alleen maar naar wat je niet hebt, in plaats van naar wat je wel hebt. Als je sterke ledematen zou hebben en een flink lichaam, dan zou je nu buiten op het land zijn met je pa en je broer, of je zou aan het werk zijn in de linnenweverij, of in de havens van Cork City. Dat is allemaal zwaar werk, dag in dag uit – en je zou geen tijd meer hebben voor de boeken waar je zoveel van houdt.’ Sean keek op en ze zag de pijn in zijn ogen. ‘Ik weet dat het niet makkelijk geweest is, lieve jongen. Als je veertien bent en geen van de andere jongens trekt meer met je op… Morgan McDonald is een uitzondering, dat prijs ik in hem. Voor ú18


jou geen dansavondjes, je kunt bijna niet meedoen aan het leven buiten dit huis en het grootste deel van de winter ben je ziek. Maar je hebt een sterke geest, jongen.’ Ze keek hem met stralende ogen aan. ‘Jij hebt net zo’n snelle manier van denken als je moeder en net zo’n sterke wil als je vader. Lezen en schrijven vormen jouw toegang tot de wereld en je zou nooit zo veel hebben geleerd of zo hard gestudeerd wanneer je lichamelijke arbeid had moeten doen.’ Grace ging wat dichter bij haar broer zitten en sloeg haar armen om zijn hals. ‘Jij hebt me toch lezen en schrijven geleerd?’ vroeg ze zachtjes. ‘Dat had ik nooit gekund als jij het me niet had geleerd. Ik vind het erg dat je invalide bent, Sean... maar ik dank de Here God ervoor dat we je nog mochten houden.’ Sean kneep eens in haar stevige armen en glimlachte zwakjes. ‘Och, let maar niet op mij. Ik ben nog steeds een domkop, ondanks al mijn boeken. Wat zeggen de ouden ook al weer?’ Hij dacht een ogenblik na. ‘Het meer wordt niet gehinderd door de zwaan; het strijdros niet door de teugel; het schaap niet door de wol en de mens niet door de ziel die in hem zit. Ik denk dat ik me het best daaraan kan vasthouden.’ Granna en Grace glimlachten maar eens. Ze begrepen geen woord van wat hij zei, maar ze waren opgelucht dat de neerslachtigheid waarvan hij zo vaak last had deze keer zo gemakkelijk weer overging. ‘Komt Morgan niet weer eens hier binnenkort?’ vroeg gran. ‘Je had het over een meer en ik kreeg direct zin in zalm. Jullie beiden zijn al meer dan twee weken lang niet meer gaan vissen.’ ‘Mevrouw O’Dugan zegt dat zijn moeder een baby heeft gekregen, weer een meisje,’ zei Grace. ‘En zijn pa is weer naar zee gegaan.’ ‘Dus die schooier heeft de jongen achtergelaten om voor hen allemaal te zorgen.’ Granna klakte met haar tong. ‘Morgan heeft maar een hard leven. Een dagje uit vissen zou jullie allebei goeddoen.’ Maar Morgan kwam niet en ze gingen weer aan hun werk; ze naaiden maar door, totdat hun ogen er moe en droog van werden. Sean had zich de reputatie verworven dat hij een vaste hand had 19 ù


om met de naald te werken. Hij had maatwerk aangenomen van de spinnerij en enkele opdrachten tot het maken van kleding voor mensen uit de hogere stand. Granna had hem dat geleerd, zodat hij zijn vingers soepel kon houden en tegelijk zijn gedachten afgeleid werden. Hij had nu genoeg werk onder handen om wat geld binnen te brengen. Grace was er ook mee begonnen, zodat ze haar broer gezelschap kon houden. Al snel had ze laten zien dat ze de gave had om ontwerpen te maken. Ze borduurde zakdoeken, kragen, schorten en jaskragen en ook maakte ze prachtige merklappen. Mensen die het geld er voor hadden, deden vaak een beroep op haar voor het naaien van een babyuitzet. Daarbij werd ze geholpen door Sean, die in korte tijd tientallen luiers kon maken. Hoewel hij in een lastige houding moest zitten, was hij erg handig in het naaien van nachtkleding, hoeden, dekens, jasjes en japonnen. Grace werkte het daarna af met borduurwerk en linten. Zo’n order kon behoorlijk wat geld inbrengen, maar het was geen werk waarop je vast kon rekenen. Granna en Kathleen hadden indertijd hun bakkers-vaardigheden bijgehouden en ze hadden brood en bolletjes verkocht op de markt in Macroom; maar zelfs met de hulp van Grace was dit nu te zwaar voor granna. Ze moest zich erbij neerleggen dat Patrick hen niet met de wagen wilde laten weggaan en al helemaal niet dat hele eind naar Macroom. Ze woonden in een landelijke omgeving. Net als de meeste gezinnen in de buurt moesten ze ieder jaar weer worstelen om rond te komen en geld voor extraatjes hadden ze nooit. In die streek waren de hutten schaars gemeubileerd en de mensen gingen heel eenvoudig gekleed. Verderop in de streek en hogerop in de bergen bestond de behuizing meestal uit niet meer dan een hut van leem zonder ramen. Er waren een paar krukken of grote blokken steen om op te zitten. Een pot om aardappels in te koken hing boven het vuur. In de hoek lag stro, waarop het hele gezin zich ’s avonds te slapen legde, samen met de dieren. Aardappelen en water waren de voornaamste bestanddelen voor de voeding, aangevuld met alles wat het land maar opleverde: noten, bessen, klein wild, kruiden en bittere groente. De mensen in de bergen droegen hun kleren totdat ze totaal versleten waren en ze waren al blij wanneer ze samen één deken hadden om onder te slapen. ú20


Het leven zag er voor mensen zoals de O’Malleys beter uit, omdat zij dichter bij de hoofdweg naar de stad woonden. Zij hadden kleine stenen hutten met een strodak. Over de daken liepen met stenen verzwaarde touwen die moesten verhinderen dat het stro weg zou waaien. De hutten hadden ramen, onderdeuren en klinkerpaadjes. Het erf was netjes aangeveegd, de weilanden hadden afrasteringen met paaltjes en er waren bredere landwegen voor het verkeer. In de hutten stonden enkele meubels; er waren kopjes en borden voor alle gezinsleden, opgevulde matten en dekens en voor ieder een extra stel kleren. De meeste mannen teelden aardappelen op hun gepachte grond. Ook deden ze vaak betaald werk op grotere landgoederen of gingen voor een deel van het jaar van huis om te werken in de spinnerijen of om naar zee te gaan. Niemand leidde een rijk, gemakkelijk leven. Omdat Kathleen zuinig was, bezaten de O’Malleys meer dan de meeste anderen. De varkens hadden buiten een eigen schuur zodat ze de huiskamer in de hut niet bevuilden. Aan de wanden van hun hut hingen wat schilderijtjes. Verder waren er een paar glanzende kannen en een stel borden en wat aardewerk. Ze hadden eetgerei en hun moeder had erop gestaan dat ze dat ook gebruikten en niet hun eten met hun handen naar binnen werkten, zoals de gewoonte was. Ze hadden goede pannen en scherpe messen, die werden onderhouden door de ketellappers die zo nu en dan langskwamen. Er lag zelfs een handgeknoopt kleed op de stenen vloer. Behalve de zijplaten aan de haard en de krukjes waren er meubels die Kathleen en granna hadden meegebracht uit hun bakkerij: een tafel met twee banken, een kast, twee stoelen en een schommelstoel. Rondom aan de muren werden geschilderde banken gemaakt en de kamer werd versierd met gedroogde bloemen en kransen. De O’Malleys sliepen op echte matrassen: grote stukken flanel, die aan elkaar waren genaaid en met stro opgevuld. Verder hadden ze dekens om zich ’s nachts warm te houden. Kathleen had de achterdocht van de buren opgewekt door tweemaal per jaar de muren met witkalk te bewerken en de bezem na gebruik in een emmer met ontsmettingsmiddel te zetten. Maar veel van de koortsen die rondgingen in de omgeving, troffen de O’Malleys niet en granna zei dat ze dit te danken hadden aan hun moeder, die altijd 21 ù


vooruitdacht. Granna vond die moderne ideeĂŤn van Kathleen en de vrijmoedigheid waarmee ze die uitvoerde even vreemd als de anderen. Ze zei met stelligheid dat het meisje als baby door ketellappers was verwisseld met de baby van een koningin. Maar haar ogen tintelden er vrolijk bij en er was trots te horen in haar stem. Grace wist dat het geld dat haar moeder had gespaard, al lang op was en dat ze nu met veel moeite de pachtsom aan de landeigenaar konden betalen. Op dit punt stonden ze gelijk met iedereen. Alle mensen mopperden over de landeigenaars. Iedereen keek naar de lucht, snoof veelbetekenend aan een handvol aarde, probeerde de komende aardappeloogst te voorspellen, beweerde daar zeer kundig in te zijn. Zo was hun leven. Zo gingen de jaargetijden voorbij, gemarkeerd door feestdagen en kleinere feesten die door iedereen werden gevierd. Maar Patrick deed daar niet aan mee; die werkte door alsof alle dagen hetzelfde waren. Hij praatte alleen maar met Ryan en dan ging het over de toestand op de boerderij en hoe ze de pachtsom, die het laatste jaar verdubbeld was, moesten opbrengen. De zo hoog mogelijk opgedreven pachtsom was een voortdurende zorg. En de betaaldag, de dag waarop de rentmeesters kwamen om het geld te innen, was altijd een dreiging. Ryan had inmiddels zijn vaders harde houding overgenomen. Sean en Grace beschouwden hem als een oude man; als je een liedje wilde zingen op een bijzondere dag of een potje wilde dammen op een winteravond, hoefde je op Ryan niet meer te rekenen. Het was net of er twee gezinnen in het huis woonden, waarvan het ene zich beperkte tot de strijd om het bestaan en het andere even vastbesloten was om te genieten van iedere dag. Kerstmis was geen feest van overvloed, maar met dat begrip was Grace onbekend; ze was blij met het haarlint dat ze van Sean kreeg, de lappenpop die granna had gemaakt van restjes stof, de verstrooide kus en de harde pepermunt van haar vader en de schoenveters van Ryan. Zij had voor hen ook kleine cadeaus: vishaken, een paar wollen sokken, een geborduurde boekenlegger, een met was afgesloten pot met ingemaakte zomervruchten. Dit was de enige dag waarop haar vader zich een beetje kon ontspannen, hoewel hij nog altijd aan het werk ging wanneer zij begonnen te zingen. Ăş22


Op St. Stephans dag vond granna dat Grace haar gezicht moest zwartmaken, net als de andere kinderen van het dorp, en dat ze moest meedoen aan het ophangen van linten aan de hulststruiken. In februari kwam St. Brigids dag, die door granna maar een beetje heimelijk werd gevierd. Ze was niet katholiek, maar had wel een grote sympathie voor Brigid. ‘Een echte Ierse vrouw,’ zei ze dan. ‘Ze past veel beter bij ons dan St. Patrick, die oude slangenbezweerder.’ Maria Lichtmis, het feest van het Licht, werd gevolgd door Vastenavond en daarna volgde de vastentijd. Dan verschenen er hongerige kinderen van verderop bij de O’Malleys aan de onderdeur. Ze wisten wel dat granna of Grace hun een stukje theekoek of gemberbrood zou geven. Op Aswoensdag smeerden de katholieke mensen vuile as op hun voorhoofd; Grace bleef dan altijd binnen, omdat het verschil tussen die mensen en haarzelf op die dag al te duidelijk was. En ze wilde voorkomen dat de buren medelijdende blikken in haar richting wierpen of dat de priesters hun voorhoofd fronsten als ze haar zagen. Goede Vrijdag was een sombere, vreemde dag. Granna wilde op die dag alleen werk doen dat noodzakelijk was. De rest van de dag zat ze in het donker en vertelde hun rustig het verhaal van Christus’ verschrikkelijke dood aan het kruis. Op eerste Paasdag, de dag van zijn opstanding, was er een feestelijke viering van het vernieuwde leven. Het feestmaal bestond uit geroosterd lamsvlees voor iedereen die dit in huis had. Op de eerste mei was er Beltaine, een oud Keltisch feest. Dit was het lievelingsfeest van Grace. In heel Ierland werden vreugdevuren aangestoken op de heuvelhellingen. De koeien werden tussen de vuren door gedreven, om zo de veepest kwijt te raken. Op de avond voor St. John, midden in de zomer, waren er eveneens vreugdevuren, maar dan midden in de stad. Grace en Sean gingen dan mee met de hooiwagen die langs hun huis kwam, bij deze gelegenheid was zelfs Ryan van de partij. Ze reden naar Macroom om naar het dansen te kijken. Ryan deed soms mee met de andere jongemannen, die door de vlammen sprongen om te laten zien hoe dapper en sterk ze wel waren. Lug’s dag, op de eerste augustus, was de dag waarnaar werd uitgezien, omdat op die dag de eerste nieuwe aardappels werden gestoken. Op de tafels verscheen dan het Ierse gerecht colcannon: gestampte aardappelen en kool. 23 ù


Elsjen Roelofs wordt verdacht van het vergiftigen van haar man, Jan Alberts. In maart 1767 komt zij in het gevang van Assen terecht, waar ze op haar berechting moet wachten tot het kind dat zij verwacht geboren is. In de eenzaamheid van de gevangenis wordt een meisje geboren. Het wordt meteen bij Elsjen weggenomen. Daarna rest haar niets meer dan de kale muren van het gevang en het nachtelijk bezoek van Janna, de enige vrouw die zich over haar ontfermt. Aanvankelijk wil Elsjen niets van haar weten, maar gaandeweg begint ze haar te vertrouwen. Elsjen vraagt om papier en inkt en begint aan een verslag van haar leven. Voor haar kleine meisje, voor later. Dan weet tenminste nog iemand wie zij is geweest. En zo, al schrijvende, kijkt Elsjen terug op haar leven. Hoe kon het gebeuren dat ze uitgroeide tot wie ze nu is? De vraag of Elsjen schuldig is of niet wordt steeds moeilijker te beantwoorden. Wie is deze vrouw die haar man ombracht? Achtendertig nachten is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Janne IJmker (1962) won diverse prijzen. Achtendertig nachten is al jaren een bestseller. De grote verdienste van Janne IJmker is dat ze ons meevoert in de krochten van de tijd, naar een duistere wereld van ‘landschrijvers’ en ‘galgenvelden’, van veepest en ongelukkige, in bedompte bedsteden geconsumeerde boerenhuwelijken. (…) Een wordingsgeschiedenis vol melancholie en tegenslag, in een andere tijd, die door de auteur verrassend dichtbij wordt gebracht. – Paul Gellings in de Stentor

ISBN: 978 90 239 9328 5 Uitvoering: paperback Blz: 312 pag. Prijs: € 12,50


IJmker binnenwerk 6e druk.indd 2

01-09-09 16:12


Proloog

Doldersum, nacht van woensdag 11 op donderdag 12 maart 1767 De pijn verhevigde en daarmee de misselijkheid. Met zijn handen op zijn maag staarde Jan naar het donkere plafond van de bedstee. Van tijd tot tijd leek zijn keel op te zetten en kreeg hij het gevoel dat hij moest braken. Voorzichtig draaide hij zich op zijn zij en trok zijn knieën op. Een verlammende scheut doortrok zijn hele lijf. Hij kreunde zacht. Hij voelde zich opeens klam van het zweet. Naast hem bewoog Elsjen. Ze lag, zoals gewoonlijk, met de rug naar hem gekeerd. Ze sliep. Of ze deed alsof ze sliep. Hij sloeg het dek terug. De beweging bracht zijn maaginhoud naar boven. Het weeë gevoel in zijn keel zwol aan. Hij slikte een paar keer. Hij moest eruit. Hij klapte de deurtjes open en hees zich moeizaam aan het beddenkoord omhoog. De pijn doortrok vanuit zijn maag alle ledematen en een zure golf drong in zijn hals. Hij slikte heftig, deed zijn hand voor zijn mond en sloeg zijn benen over het bedbeschot. Buiten de bedstee wankelde hij naar de houten emmer die hij daar bij het naar bed gaan had neergezet. Hij knikte door zijn knieën. Hij voelde hoe de grove theunis*, die hij de avond tevoren gegeten had, door zijn keel gestoten werd. * Achter in de roman is een woordenlijst opgenomen

9

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 9

01-09-09 16:12


Hijgend hing hij boven de emmer. De venijnige lucht die eruit opsteeg deed hem nogmaals kotsen. Hij kon zich niet herinneren ooit in zijn leven zo te hebben gebraakt, alsof zelfs zijn maag eruit moest. Even voelde Jan de opluchting verlost te zijn van zijn hinderlijke maaginhoud. Hij stond op om terug te keren in de bedstee. Hij greep naar zijn buik, zijn hart. De pijn keerde zo heftig weer, dat hij een kleine schreeuw niet kon onderdrukken. Hijgend stond hij daar, met een hand steun zoekend op het bedbeschot. Hij hoorde hoe het kind in de andere bedstee bewoog in zijn slaap. Vaag onderscheidde hij het witte nachtmutsje van Elsjen. Wachtte, tot ze zich om zou draaien om te vragen wat er met hem aan de hand was. God, laat haar iets zeggen, dacht hij, maar ze draaide zich niet om, hield zich slapend. Alsof een bijl in zijn lijf hakte, zo voelde hij zich, elke beweging deed pijn. Hij kon amper overeind komen. Hij greep de emmer en wankelde langs de bedstee van zijn schoonmoeder. Hij hoorde geen enkele beweging, alleen het diepe snurken van de oude vrouw. Hij opende moeizaam de deur van de kamer naar het achterhuis. De warme geur van koeienlijven schonk hem even troost. Achter de deur bleef hij staan en probeerde diep adem te halen. Hopend dat er iemand achter hem aan zou komen. Hij hoorde hoe Elsjen de deurtjes van de bedstee sloot. Hij trok de deur dicht en liep schoorvoetend langs de bedstee van zijn zwager. Als een oude, kromgebogen, benevelde kerel wankelde hij over de donkere deel in de richting van de baanderdeur. Voor hij het goed en wel in de gaten had, lag hij alweer op zijn knieĂŤn boven de emmer. Er kwam minder dan de eerste keer maar de pijn 10

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 10

01-09-09 16:12


verminderde niet. Een nieuwe aanval van pijnscheuten verhinderde hem om op te staan. Hij liet zich naast de emmer vallen. Kronkelend lag hij op de aangestampte aarde. Het gevoel van verlatenheid werd groot en angst voegde zich daarbij. ‘God, ik ga dood, waar moet ik naartoe,’ hoorde hij een stem. Het drong tot hem door dat hij hardop praatte. Hij richtte zich op en kroop op handen en knieën naar de baanderdeur. Hij trok zich op aan de klink en schoof de balk, die de deur afsloot, weg. Elke beweging leek een bijlslag, maar in zijn hoofd was nog maar één gedachte: moeder. Terwijl dat woord steeds meer vorm aannam kwam ook het besef dat hij te ver over de brink zou moeten gaan om daar te komen. Een tweede mogelijkheid kwam in hem op: Hendrik­ jen, hij moest bij Hendrikjen en Luit zien te komen. Buiten deed de lichte vrieslucht hem goed. Zo snel hij kon, struikelde hij over de brink in de richting van het huis van zijn zuster. Hij ontweek de dobbe, hoewel hij de neiging voelde om zich voorover te buigen naar het water en al slurpend zijn brandende maag te blussen. Hij was bang dat hij dan niet meer overeind zou kunnen komen. In zijn hoofd weerklonk één zin: God, laat mij Hendrikjen bereiken, voor het te laat is. Af en toe hield hij stil, klampte zich vast aan een boom om op adem te komen. Bij één boom legde hij even zijn klamme hoofd tegen de bast. De boom leek warm in de koude lucht. Hij voelde zich, vreemd genoeg, getroost. De pijn matigde. Hij wilde daar wel blijven staan, de boom omarmend, omarmd door de boom. Omarmd door de boom, dacht hij, ik lijk wel gek. Zijn ledematen leken te zwellen, de boom werd groot, toen 11

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 11

01-09-09 16:12


weer klein. Zijn hoofd bonsde, zijn maag voelde aan als een opgeblazen varkensblaas op punt van barsten. Verder moest hij. Vlak voor het huis van zijn zus sloegen de pijn en misselijkheid weer toe. Kromgebogen wankelde hij naar het raam van de kamer waar hij zijn zuster en zwager in de bedstee wist. Met een plof viel hij tegen de luiken aan. Zijn arm maaide door de lucht en voor hij in elkaar zakte kon zijn vuist nog net een luide klop geven. Gek, hij werd gek van de pijn. Het was alsof duizend naalden in zijn vlees prikten. Voorover moest hij, het leek of zijn maag steun zocht. Beneveld door de allesbeheersende aanval zag hij in de schemering een boomstronk. Hij lag er met zijn maag bovenop toen een stem tot hem naderde. Tegelijk rook hij een lucht alsof er een rottend kadaver naast hem lag. Toen het tot hem doordrong dat hij een bekende stem hoorde, kwam ook het besef dat die lucht van hemzelf afkomstig was. Zijn broek voelde klam, warm en nat aan zijn achterste. ‘Jan, wat is er met je aan de hand?’ Hij zag in het zwakke schijnsel van een nachtpit het gezicht van zijn zwager. ‘Oh, wat heeft je volk mij aangedaan,’ kreunde Jan. Hij gaf nogmaals onbedaarlijk over. Gal en zuur. Toen zakte hij weg in een verlossende, donkere duizeling.

12

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 12

01-09-09 16:12


Het verhoor

Doldersum, dinsdag 17 maart 1767 Het was warm in het vertrek. De kastelein had al heel vroeg de haard hoog opgestookt in de boerengelagkamer. Achter de grote tafel, voor deze gelegenheid dwars in het midden van de kamer gezet, zat landschrijver Kymmell. Hij pakte uit zijn leren aktentas zijn schrijfgerei en onderdrukte de neiging om met de ganzenveer onder zijn pruik de opkomende jeuk te bestrijden. Naast hem zat de schulte van Diever en omstreken. Hij zag hoe de man toekeek terwijl hij alles netjes rangschikte op de tafel, zijn armen over elkaar, rustend op zijn dikke buik. De kastelein zette hun ieder een kop koffie en een stuk roggebrood met spek voor. Daarna trok hij zich achter in het huis terug. ‘Laat de eerste getuige maar voorkomen,’ zei de landschrijver, kauwend op zijn roggebrood. De schulte stond op en liep naar de deur waarvoor de kerspelsoldaat de wacht hield. Hij overlegde even en keerde terug naar zijn plaats. Even later stapte er een man de gelagkamer binnen. De landschrijver wees hem de stoel die voor de tafel stond en sprak zijn deelneming uit. ‘Naam?’ ‘Luit Roelofs.’ 13

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 13

01-09-09 16:12


‘Oud?’ ‘Zesendertig jaar.’ De ganzenveer kraste over het ruwe papier. ‘Relatie?’ ‘Zwager van de overledene, broer van Elsjen Roelofs, de vrouw van de overledene.’ De man bewoog ongemakkelijk, zijn schouders zakten wat in, zag Kymmell. ‘Wat is er in de nacht van elf op twaalf maart gebeurd?’ De boer tegenover hem draaide zijn pet in zijn handen, zocht naar woorden. Geen woord teveel zou hij krijgen, wist de landschrijver. Door jarenlange ondervragingen kende hij de boerenaard van deze mensen als geen ander. ‘Mijn vrouw Hendrikjen en ik lagen nog niet zo lang te bed toen we een doffe dreun en een harde tik op de vensters hoorden. Omdat mijn vrouw de kleine nog voedt, brandde het nachtpitje en ik kon dus met een beetje licht gaan kijken wat er aan de hand was. Voor ons huis zag ik Jan Albers, mijn zwager, op een stobbe liggen. Hij kermde en kreunde en stonk een uur in de wind. Ik vroeg wat er was. Hij keek me aan. “Wat heeft jouw volk mij toch aangedaan,” zei hij.’ Kymmell gebaarde dat hij rustig aan moest doen. Met grote haast schreef hij alles op. ‘Ga maar verder,’ zei hij nadat hij zijn kom leeggedronken had. ‘Daarna moest hij ontzettend overgeven maar er kwam niet veel uit en het leek of hij wegzakte. Hendrikjen bleef bij hem toen ik in haast Elsjen ging roepen, maar die kwam niet. Ze zei dat Jan maar wat zeurde en kwam haar bedstee niet eens uit. Toen ben ik naar mijn schoonmoeder gegaan. Om haar gauw uit bed te krijgen riep ik dat Hendrikjen op punt van bevallen stond. Zij kwam, 14

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 14

01-09-09 16:12


overzag de toestand en haalde gelijk onze buur de kastelein erbij.’ De man stopte even, ging weer verder toen hij zag dat de landschrijver alles genoteerd had. ‘Met hem heb ik Jan Albers naar binnen gebracht en voor de haard gelegd. Bij het vuur dat we ontstaken kwam Jan weer een beetje bij, maar hij bleef maar kokhalzen en klaagde over de kou terwijl het vuur inmiddels hoog oplaaide. Hij vertelde dat hij het idee had dat hij de avond ervoor iets verkeerds gegeten had. Dat er in zijn kom met brij wit spul zat en dat het niet te eten was, maar dat hij desondanks bijna alles opgegeten had, omdat hij niet opnieuw gezeur wilde met Elsjen. En op een gegeven moment begon hij ook bloed te spugen. Mijn schoonmoeder stuurde toen mijn zwager die nog bij haar in huis woont, naar de dominee in Vledder om raad. Toen hij op zijn paard weg was hebben we Jan geprobeerd te verschonen. Het leek iets beter te gaan dus brachten we hem te bed.’ Een klop op de deur naar de deel deed de mannen opkijken. De kastelein kwam binnen. ‘Wilt u nog iets te verteren hebben?’ vroeg hij. ‘Nou, zo meteen maar,’ zei de landschrijver. ‘Kom er eerst maar even bij, ik heb aan jou ook de nodige vragen te stellen.’ De kastelein deed zijn voorschoot af, pakte een stoel en zette zich naast Luit Roelofs. ‘Naam?’ ‘Hendrik Claassen.’ ‘Leeftijd?’ ‘Vijftig jaar.’ ‘Relatie?’ ‘Buur.’ ‘Ik begrijp dat jij in de nacht van elf op twaalf maart 15

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 15

01-09-09 16:12


ook aardig in touw bent geweest?’ ‘Ja meneer Kymmell, net voor middernacht werd ik geroepen door Trijne, de moeder van Jan Albers. Ik vond Jan Albers met zijn zwager en zus voor hun deur en bracht samen met Luit de zieke naar binnen. Hendrikjen rakelde het vuur op omdat Jan Albers steeds klaagde dat hij het zo koud had. Hij had in zijn broek gescheten en Luit Roelofs en ik probeerden hem te verschonen. Hij stonk als een zwijn. Af en toe zakte hij weg. Hij zei dat hij iets in het eten had gehad. Het smaakte bitter als gal. Toen alles een beetje beter ging ben ik weer naar bed gegaan, maar halverwege de nacht werd ik opnieuw geroepen. Jan Albers lag in de kamer met zijn buik over twee stoelen. Hij zag opgezwollen en grauw en hing erbij als een vod. Hij had op advies van de dominee olie en wijnedik gekregen, maar dat kwam er met dezelfde gang weer uit. Ik wist niet wat ik moest doen. Eigenlijk stonden we er maar wat bij. Tegen de ochtend heb ik mijn knecht gestuurd om Elsjen te halen. Ze zei dat ze komen zou, maar dat deed ze niet.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Later heb ik Hendrikjen nog gestuurd,’ zei Luit Roelofs. ‘Elsjen was toen al de koeien aan het water geven. Hendrikjen zei dat als Elsjen haar man nog levend wilde zien, ze moest komen. Ook toen kwam ze niet. Kort nadat Hendrikjen terug was stierf Jan Albers.’ De landschrijver zag druppels zweet op de bovenlip van de jonge boer glinsteren. Zijn pen kraste door, schreef de laatste woorden. Toen keek hij de kastelein aan. ‘Kun je de laatste woorden van Luit Roelofs bevestigen?’ Hendrik Claassen knikte. ‘Verklaart u dit beiden onder ede?’ De landschrijver haalde een bijbel uit zijn tas en legde het boek op tafel. 16

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 16

01-09-09 16:12


Eerst legde Luit Roelofs zijn hand erop. ‘Ja, zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ Toen de kastelein: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ ‘Dan mag u nu wel een pul bier voor de heer Van Riemsdijk en mij halen.’ De kastelein liep naar zijn schort en bond hem voor. ‘Nog één vraag.’ De landschrijver keek de kastelein scherp aan. ‘Wat is uw indruk van Elsjen?’ ‘Tja,’ de kastelein zocht naar woorden en keek even schichtig naar Luit Roelofs, die opgestaan was en zijn stoel aanschoof, ‘ik denk dat ze een goed verstand heeft. Ze is zeer werkzaam en altijd oppassend in haar huis.’ Toen draaide hij zich om en liep naar het tonnetje eigengebrouwen bier. De landschrijver veegde zijn vet geworden kin af en spoelde met een slok bier de laatste resten van de duivenpasteien weg. Toen de schulte, die ook met smaak gegeten had, hem een pruim aanbood sloeg de landschrijver die niet af. Voldaan leunde hij achterover om toe te zien hoe de kastelein de tafel afruimde, terwijl hij de verhoren van die morgen nog eens overdacht. Toen de schulte de kerspelsoldaat de opdracht gaf de volgende getuigen te laten komen, peuterde de landschrijver nog snel een achtergebleven krent uit zijn holle kies en spuugde deze samen met een straal tabak in de richting van de haard. Het vuur siste heel even. Er kwamen twee mannen binnen, gekleed in stadse kleren. De landschrijver gaf hun een hand en iedereen zette zich neer terwijl Kymmell de ganzenveer in de inkt doopte. ‘Naam?’ 17

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 17

01-09-09 16:12


‘Doctor P.C. Grasso.’ ‘Naam?’ ‘Chirurgijn J. Bontjes.’ ‘Wat zijn uw bevindingen?’ ‘Het lijk was behoorlijk opgezet en de nagels waren blauw. Dat op zich duidt al op venijn. Wij hebben de dode opengesneden ter hoogte van maag en buik en troffen daar een zwarte vloeistof aan en een witachtig poeder. Wij hebben een beetje aan de tong genomen en bevonden het zeer heet en brandend.’ Het gezicht van de doctor vertrok alsof hij nogmaals proefde. ‘Ja, het is niet verwonderlijk dat de arme kerel het ontzettend benauwd heeft gehad. Dat hij zulke verschrikkelijke pijnen heeft uitgestaan en zo gauw is gestorven. Hij is duidelijk vergiftigd.’ De chirurgijn knikte nadrukkelijk. ‘Dat verklaart u beiden onder ede?’ ‘Ja, zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ ‘Ja, zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ Kymmell leidde hen naar de deur. ‘Kunt u uw bevindingen op papier zetten en naar mij versturen? Ja? Dank u wel! Goede reis terug.’ De landschrijver wendde zich tot de schulte. ‘U kunt tegen de familie zeggen dat zij nu vrij zijn om het lichaam naar het huis van de moeder van de overledene over te brengen.’ De schulte verliet de gelagkamer en kwam een poosje later met de volgende getuige binnen. ‘Heb je nog iets vernomen van de gevluchte dader?’ vroeg de landschrijver aan de schulte. De jeuk onder zijn pruik werd zo hevig dat hij het niet laten kon er even steels onder te krabben. Het werd verdraaid warm in de gelagkamer. ‘Nee, maar ik heb er inmiddels wel een paar jongens 18

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 18

01-09-09 16:12


op uit gestuurd om haar te gaan zoeken,’ antwoordde de schulte, terwijl hij naar buiten keek. ‘Ik heb gezien dat Elsjen de grove theunis klaarmaakte, de brij die ze zouden eten. Ik heb niets bijzonders gezien. Ik heb niet gezien dat ze iets in de brij heeft gedaan. Ik heb nog wel gezien dat ze de kommen uitdeelde. Ze gaf er ook één aan Jan Albers. Maar ik heb niets van enig ongemak gemerkt. Ik ben weggegaan toen ze wilden beginnen met eten.’ Een jongen van zestien jaar deed verslag. Zijn gladde wangen en blonde vlashaar gaven hem een jonger voorkomen dan de leeftijd die hij had opgegeven. ‘Wat deed je daar in huis?’ ‘Ik speelde wat met het kind.’ ‘Nee, jochie, ik bedoel met wat voor reden was je daar?’ ‘Nou, ik moest een mestvork lenen, de onze was gebroken en…’ ‘Ja, ja,’ onderbrak de landschrijver hem. Zo’n jongen die een beetje speelt met een kind, zou die nietsvermoedend zien dat Elsjen gif in het eten roerde? De landschrijver snoof toen hij de woorden opschreef. De moeder van de jongen volgde. ‘Wat weet u van de zaak?’ De vrouw vertelde alleen dingen die ze gehoord had. De landschrijver noteerde het wel, maar brak het al snel af. Dit leverde geen nieuwe dingen op. ‘Je bevestigt dus eigenlijk het verhaal van Luit Roelofs; heb je daar nog iets aan toe te voegen?’ ‘Nou, het heeft er misschien niet direct mee te maken, hoewel…’ ‘Zegt het maar, ik bepaal wel of het er iets toe doet.’ Dit gewauwel verveelde hem. De landschrijver voelde de dorst naar meer bier in zich opkomen en hij gebaarde, 19

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 19

01-09-09 16:12


terwijl de vrouw haar verhaal begon, naar de kastelein die net binnenkwam. De kastelein knikte en Kymmell zag dat hij het gebaar begreep, want hij liep met twee pullen naar het vat. ‘Daarnet, toen ik hiernaartoe wilde komen, werd het gekiste lijk van Jan Albers over de brink overgebracht naar het huis van zijn moeder Trijne. Op dat moment kwam Wemele, de moeder van Elsjen, naar buiten. We wonen naast elkaar, ziet u. Wemele mag helemaal niet bij Luit Roelofs en Hendrikjen binnenkomen en ook niet bij Trijne. Ze wilde duidelijk de kist zien.’ De vrouw draaide met haar handen onder haar schort. ‘Nee, dit doet er inderdaad niet toe.’ De landschrijver voelde zijn ongeduld. Gretig pakte hij de pul bier die de kastelein had neergezet en dronk een paar teugen. Hij zag de schulte hetzelfde doen. De warmte in het vertrek maakte dorstig. ‘Maar misschien wilt u horen wat Wemele over haar dochter zei?’ ‘Ga door.’ Dit kon wel eens zin hebben, dacht de landschrijver terwijl hij het schuim van zijn bovenlip afveegde. ‘Nou, ik zie Wemele dus naar de kist kijken en dan zegt ze ineens: “O, ik ben er toch zo verlegen mee.” Ik zeg: “Mens, waarom dan als Elsjen geen schuld treft?” En toen zei ze dat ze Elsjen zo gewaarschuwd had om niets geks doen. En ik heb ook nog van iemand gehoord dat Elsjen de rest van de brij aan de zeug gegeven had. Dan zou die toch ook dood gegaan moeten zijn. Ik weet niet wat ik ervan denken moet, mijnheer.’ ‘Vrouw, laat het denken maar aan mij over. Wil je dit onder ede verklaren?’ 20

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 20

01-09-09 16:12


‘Ja, zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ Er volgden verklaringen van een paar buurvrouwen die stelden dat Elsjen gezegd zou hebben dat Jan Albers buiten haar om begonnen was en nu ook maar buiten haar om moest eindigen. Ook zou Elsjen geroepen hebben dat ze in der eeuwigheid niet met Jan Albers mee zou gaan naar een nieuwe plaats. Een buur en oom van Jan Albers vertelde hoe hij al steeds zijn neef gewaarschuwd had voor dit huwelijk en dat hij ervoor gezorgd had dat Elsjen huwelijkscatechese had ontvangen, maar dat dit niets had geholpen. Een andere buurman verklaarde hoe opgewekt Jan een poos geleden nog was geweest toen ze samen op een zondag naar de kerk reden en hoe Jan Albers had verklaard dat alles goed ging komen met hem en Elsjen. Maar iemand anders zei dat Jan had verteld toen hij afgelopen maandag een mand en een aarden pot kwam kopen, dat hij er zo zat van was. Er moest ook heibel zijn geweest over van alles en nog wat. Slaande ruzie over een strik, werd er gezegd, en ook dat Elsjen de was van Jan niet meer wilde doen. Maar vooral gezeur over het huren van een nieuwe plaats. ‘Goed, de volgende.’ De schulte liep weg en Kymmell spuugde vermoeid zijn uitgekauwde pruim in de richting van de haard. Deze kwakte vlak voor het vuur op de grond. Jammer dat hij gemist had, het gesis dat zo’n natte kwak opleverde vond hij altijd een grappig geluidje. Hij overdacht deze middag. Wat hij nodig zou hebben was een verklaring van Elsjen zelf. Hij hoopte dat ze gevonden zou worden. Er kwamen een man en een vrouw binnen. De vrouw was zwanger en had roodbehuilde ogen. De man liep duidelijk verlegen met de situatie naast haar. Hij schoof 21

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 21

01-09-09 16:12


haar stoel aan en legde toen toch heel even zijn hand op haar schouder. De landschrijver verbaasde zich over dat gebaar. Meestal waren ze niet zo scheutig met hun liefdebetoon in de boerengemeenschappen. ‘Naam?’ ‘Leffert Scheper.’ ‘Leeftijd?’ ‘Drieëndertig jaar.’ ‘Relatie?’ De man aarzelde even, zei toen: ‘Vriend van de overledene én zijn vrouw. Ik wil u vertellen dat er onenigheid was in dat huis en dat ik laatst een gesprek tussen Luit Roelofs en zijn broer Barteld heb opgevangen. Ik kwam met mijn kudde de es opgelopen toen de broers elkaar met de kiepkarren passeerden. Die van Luit vol mest, die van Barteld net leeg. Luit had gezegd dat het beter was dat Barteld eropaf trok en Barteld antwoordde dat hij erop zou passen. Toen ik later aan Barteld vroeg wat ze bedoelden, is Barteld zonder iets te zeggen doorgereden. Het ging al een tijd niet goed tussen Elsjen en Jan. Dat is alles wat ik erover te zeggen heb.’ De landschrijver keek naar de vrouw die zonder geluid maar bleef huilen. Jankende vrouwen maakten hem altijd week. Hij rechtte zijn rug. ‘Naam?’ ‘Hillegijn Albers, getrouwd met Leffert Scheper.’ ‘Leeftijd?’ ‘Dertig jaar.’ ‘Wat heb je te vertellen?’ ‘We werden gewaarschuwd door de broer van Jan ­Albers. Maar toen was het al vroeg in de morgen. Mijn man is een goede vriend van Jan, de avond ervoor dronken we nog samen koffie. Ik ga ook veel met Elsjen om 22

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 22

01-09-09 16:12


en nu hebben we meegemaakt dat Jan Albers stierf. Maar Elsjen…’ Er rolden tranen over haar wangen. Ze slikte een aantal keer heftig. De landschrijver keek weg. ‘Ik wil alleen nog wel zeggen dat Elsjen best een lief kind was…’ Om haar te plezieren schreef de landschrijver deze laatste opmerking met krassende pen op het papier. Hij schold zichzelf van binnen uit om zijn eigen zwakheid, hij was toe aan een borrel. Daarna keek hij de vrouw aan. ‘Dat was het?’ Hillegijn knikte. ‘Wilt u dit onder ede verklaren?’ ‘Ja, zo waarlijk helpe mij God almachtig.’ Hillegijn en Leffert stonden op en liepen naar de deur, die door de kerspelsoldaat werd geopend. ‘Mijnheer Kymmel en Mijnheer Van Riemsdijk, daarnet meldden twee jongens dat ze Elsjen gevonden hebben, niet zo ver van de es, verstopt tussen wat struiken.’ Kymmell knikte naar de schulte. ‘Haal haar op. Zeg dat het allemaal nogal mee zal vallen. En neem Hillegijn mee. Dat zal Elsjen vertrouwen geven op de goede afloop.’ Hij wenkte de kastelein die net weer binnenkwam.

23

IJmker binnenwerk 6e druk.indd 23

01-09-09 16:12


Wessel en Anne, beiden arts, hebben één dochter, Fleur. Het meisje is lichamelijk en verstandelijk gehandicapt. De teleurstelling dat er ondanks al hun liefde en inzet geen echte band met Fleur ontstaat, drijft Wessel en Anne uit elkaar. Dan moet Wessel voor een medisch congres een reis maken naar Kiev. Daar wordt hij geconfronteerd met een oude schuld: een eerdere pijnlijke gebeurtenis die wel toegedekt maar niet genezen is. Wessel wordt gedwongen zijn huidige levenshouding en zijn keuzes onder de loep te nemen. Tijdens Wessels afwezigheid maakt Anne een periode door van onzekerheid en bange vermoedens. Haar wereld wankelt. Meer dan ooit dringt de kwetsbaarheid van het bestaan zich aan haar op. Vinden Wessel en Anne een aanknopingspunt voor vertrouwen en nieuwe liefde, of is er te veel gebeurd? Pareloester is een ontroerende psychologische roman over verantwoordelijkheid, trouw en levensvragen. Een zoektocht naar een zinvolle plaats onder de zon. Joke Verweerd vierde dit jaar haar vijfentwintigjarig jubileum als auteur. Al haar romans haalden de christelijke bestsellerlijstjes: De wintertuin, De rugzak, Permissie, Paradiso, Snoeitijd en Op de huid. Snoeitijd won in 2005 de Publieksprijs Christelijk Boek. Enkele van haar romans werden in het buitenland vertaald.

ISBN: 978 90 239 9206 6 Uitvoering: paperback Blz: 360 pag. Prijs: € 19,50


Hoofdstuk 1

Nu wil het niet meer uit zijn gedachten. Hij kan niet blijven uitstellen. Wessel trekt de onderste lade open, waar de envelop met de in het oog springende poststempels ligt. Langer dan twee weken inmiddels. Els, zijn secretaresse, heeft keurig de briefopener gebruikt en er een geel memootje met een vraagteken op geplakt. Wat had het voor zin zichzelf zo lang te treiteren? Hij had de inhoud toch even vluchtig kunnen doornemen? Die andere optie, ‘ongelezen door papiervernietiger’, is niets voor hem. Met een fors gebaar trekt hij de map uit de bruine envelop. Breeduit waaieren de papieren over zijn bureau. De sprekerslijst zeilt naar de grond. Het gebaar waarmee hij zijn stoel naar achteren duwt is ook al onbeheerst en ineens ligt hij op handen en knieën. Zijn ogen vliegen over het papier. De namen zijn vetgedrukt, hij heeft zijn leesbril niet nodig. Haar naam springt eruit, alsof die in kapitalen geschreven is. Zoya Pasnova zal spreken namens het ministerie van Gezondheid, zij is woordvoerder van het coördinatieteam medische hulpgoederen. Het staat er. Fel steekt er iets in zijn 7


borst, alsof daar iets knel zit. Hij krabbelt overeind; wat zit hij hier stom. Er moet niemand binnenkomen nu. Hij kan toch wel doorgaan met ademhalen? Man, doe gewoon! Ze zullen opkijken als hij gaat. Het is algemeen bekend dat Wessel van der Horst meerdaagse congressen liever aan anderen overlaat. Maar de bruine envelop draagt het poststempel van Kiev. Een plaatsnaam om hardop te zeggen, al blijft het een vreemd woord voor een Nederlandse tong. Een keer eerder is hij er geweest, in 1990. Ook dat was een internationaal medisch congres. Schildklierkanker bij kinderen was toen ineens een hot item in zijn vakgebied geweest, terwijl het v贸贸r die tijd nergens ter wereld bij kinderen was geconstateerd. De ramp in Tsjernobyl was de oorzaak en de medische wereld brak zich het hoofd over de medicatie. Nu hoor je er bijna niet meer over, maar dat wil niet zeggen dat het in Oekra茂ne en Wit-Rusland geen probleem meer is. En hoeveel kinderlevens heeft het inmiddels gekost? Onlangs was de ramp in Tsjernobyl twintig jaar geleden en ineens is de aandacht weer aangewakkerd. Er komen rapporten en verslagen op tafel en op veel punten spreken ze elkaar tegen. Voor het grote publiek is dat allemaal niet interessant meer, maar hij heeft wel behoefte aan een betrouwbaar feitenverslag. Wat was dat voor onzin om deze envelop zo lang dicht te laten? Dit gaat hem aan, hier heeft hij zich sinds 1990 mee bemoeid. Hoeveel energie heeft hij gestoken in de hulpgoederentransporten? Als er iemand recht heeft om op herhaling te mogen dan is hij het. Hij bladert door het bijgevoegde programmaboekje. Er zal gefocust worden op 8


de internationale samenwerking rond de ramp; resultaten en prognoses zullen worden gepresenteerd. Dat bevalt hem, maar het verbaast hem ook. Hij wil wel helderheid over de besteding van sponsorgelden, maar voor Oekraïense begrippen is die openheid ongekend. Het Saint Luke’s Hospital wil zeker laten zien dat de tijden veranderd zijn. Hij waagt het te betwijfelen of dat breed gezien zo is, want de politieke situatie kan moeilijk stabiel worden genoemd. Het is echter niet de politiek die zijn interesse heeft en als hij eerlijk is, zijn het ook niet de cijfers en de rapporten. De reden dat hij er heen wil, is die ene naam op de sprekerslijst. Zoya Pasnova. Wessel staat op en loopt door de tussendeur naar Els. Ze slaat haar hand voor haar mond als hij de uitnodiging op haar bureau legt. ‘Ligt die er nog! Helemaal niet meer aan gedacht. Het wordt erg kort dag om er iemand heen te sturen. Vind je het van belang? Wie?’ Alsof zij degene was die de uitnodiging in zijn lade verborg. Hij heeft het getroffen met Els. Ze zeurt nooit, niet als hij in zichzelf gekeerd is, niet als hij zich vol werkdrift vastbijt in een project of een klus, waardoor hij te veel van zichzelf en van haar vraagt. Sinds hij bij Anne weg is, heeft Els iets zorgzaams ten opzichte van hem. Ze maakt wat fruit schoon als hij verkouden is, of ze roept dat hij zijn colbert naar de stomerij moet brengen. Ze is zoals een secretaresse zijn moet. Ze weten doorgaans wat ze aan elkaar hebben, maar nu snapt ze het even niet. Want hij gaat naar Kiev! Ze kijkt hem verbaasd aan. 9


‘Ik heb gezien dat de sponsoren van Childrens Trust in de gelegenheid worden gesteld een kort praatje te houden. Ik voel me wel verplicht eigenlijk; per slot van rekening hebben we van hieruit de sponsoring opgezet. Het Academisch Medisch Centrum zal er allicht ook iemand heen sturen en van de universiteit verwacht ik ook wel een paar mensen.’ Els’ mond valt open, maar ze herstelt zich. ‘Dan mag ik je wel snel aanmelden en een vliegticket regelen. Heb je een visum nodig voor Oekraïne? Wanneer wil je vliegen?’ Wessel vist zijn agenda uit zijn zak. Er staan heel wat afspraken. Had hij nu maar eerder een besluit genomen… Het is lastig dat ze daar opnieuw achterheen moet. ‘Verzetten of moet ik je afmelden?’ vraagt ze. Hij omcirkelt drie data en schuift de agenda binnen haar bereik. ‘Hier moet ik bij zijn, dus als je die vergaderingen een paar weken later zou kunnen plannen? De rest laat ik maar waaien. Zonder mij gaat het leven ook wel door.’ Hij kijkt mee over haar schouder als de werkplanner voor de komende maand op het scherm verschijnt. ‘Dinsdag is de eerste congresdag. Dan vlieg ik zeker maandag, in de middag of zo?’ ‘Ik ga zo kijken of er een rechtstreekse vlucht is. Zal ik je lunch hier laten komen?’ vraagt ze, met een blik op de klok. ‘Doe maar,’ geeft hij toe. Hij loopt terug naar zijn bureau, schuift de map in zijn koffer en buigt zich over de volgende, waar de datum van vandaag op staat. Zijn ogen gaan over de agendapunten voor de middagvergadering, maar het wil niet tot hem doordringen. Hij duwt zich af tegen de rand van zijn 10


bureau en draait zijn stoel naar het raam waarlangs de regen strepen trekt. Het geluid van een sirene komt dichterbij. Het zwaailicht van een ambulance op weg naar de eerstehulppoli weerkaatst op het natte asfalt. Ze staat op de sprekerslijst, ze leeft nog. Het was onzinnig te denken dat ze dood zou zijn. Kiev, 1990. De kolossale gangen van het Saint Luke’s American-Ukrainian Hospital. Het geklepper van houten klompschoenen voor hem. Haar smalle rug in de vormloze verpleegstersjurk. Ze schopte in het voorbijgaan een gore dweil aan de kant en keek even achterom, alsof ze zich ervan vergewissen wilde dat hij het niet gezien had. Zoya Pasnova. Een halve pas achter hem gaf Pavel Vladimir uitleg. Vanuit een ooghoek zag hij Pavels handgebaren die het gebrekkige Engels moesten verduidelijken. Hij had helemaal geen uitleg nodig, het verhaal van dit ziekenhuis vertelde zichzelf. Die smerige dweil, de kranen die aldoor open stonden omdat het water bij overheidsinstellingen toch niet in rekening werd gebracht, de kale houten banken langs de bruine wand, waarop de patiÍnten zaten. Moeders met kinderen, oude mensen, plattelandsmensen in een voor hem vreemde combinatie van truien en vesten over elkaar heen. Misschien waren ze voor het eerst in de stad. Sommigen sliepen, anderen hingen tegen de muur met een afwezige blik in hun ogen, alsof ze hier al dagen zaten. Ze wachtten op de dokter, maar het was de vraag of ze die vandaag zouden zien. Of ze hem zouden kunnen spreken was vraag twee en daarna kwamen pas de vragen of er behandeling kon plaatsvinden en of er een bed beschikbaar was. En wie 11


dat allemaal betalen zou, was vraag honderd. Pavel probeerde hem te overtuigen van het feit dat er dringend hulp nodig was, maar de omgeving vertelde genoeg, hij had echt geen uitleg meer nodig. Het was hem opgevallen hoe de mensen opkeken als Zoya langskwam. Met hoop in hun ogen: misschien dat de zuster even, door een klein gebaar, duidelijk zou maken of de dokter er was of nog kwam en wanneer dan. Zoya liep door, ze schopte alleen die dweil aan de kant. De delegatie uit Nederland mocht zien hoe dringend hier geld nodig was, hoe schrijnend de armoe van dit aftandse gebouw, maar de heren mochten niet struikelen over een gore dweil. Haar geur. Zeep, geen parfum. Een vage persoonlijke geur, die, wonderlijk genoeg, in zijn neus is blijven hangen vanaf het moment dat hij haar hand in de zijne voelde. ‘Mijn naam is Zoya Pasnova. Ik zal u rondleiden en mochten er vragen zijn op medisch terrein dan zal ik die beantwoorden. Vragen over de organisatie zal de heer Vladimir voor zijn rekening nemen. Zal ik u voorgaan?’ Ze sprak verbazend goed Engels; daar moest ze naast haar medische opleiding ook een studie voor gevolgd hebben. En bij vragen over het management had ze rapper een antwoord voorhanden gehad dan Pavel, zijn financieel directeurschap ten spijt. Dure leren schoenen droeg Pavel – toevallig viel Wessels oog erop. Voor hen uit klepperden de klompschoenen van Zoya. Haar handdruk was stevig maar kort geweest. Hoe lang hoort een handdruk eigenlijk te duren? Nooit over nagedacht, maar die keer, die eerste ontmoeting waarbij ze per se een goede indruk had willen achterlaten, had het 12


best iets langer mogen duren. Haar geur deed hem aan vroeger denken, wanneer hij de deuren van de linnenkast opende in de slaapkamer van zijn ouders. De geur van buiten, van in de zon gedroogd wasgoed en van ouderwetse zeep. Gek dat hij die beelden nog zo haarscherp op zijn netvlies heeft. Hij eet een broodje zonder er iets van te proeven. Voor de halve liter karnemelk neemt hij niet de moeite een beker vuil te maken. Hij klokt het zo uit het pak naar binnen. Els vraagt of ze een telefoongesprek mag doorgeven. ‘Wie is het?’ vraagt hij, met een blik op de klok. ‘Jurgen de Vries over de vergadering van vanmiddag, en Anne heeft ook al gebeld. Je neemt je mobiel niet op; heb je hem uitstaan?’ Hij heeft Annes naam gezien op de display, maar hij heeft niet opgenomen. Nu Els haar naam noemt, geeft hij toe. ‘Die zal ik zo terugbellen. Geef eerst De Vries maar.’ Jurgen de Vries meldt dat hij niet op tijd kan zijn voor de vergadering van de Raad van Bestuur. Of Wessel als vicevoorzitter nog invloed heeft op de volgorde van de agendapunten? ‘Jawel,’ zegt Wessel, ‘je wilt meepraten over de beleidslijn allochtonen, zeker?’ ‘Klopt, ik ben bang dat we met ons allen weer een protocol gaan opzetten dat in de praktijk niet werkt. We kunnen nu wel vastleggen dat we hier naar Nederlandse maatstaven handelen en dat de patiënt geen inbreng heeft als het gaat over een mannelijke of een vrouwelijke arts, maar met strakke regels werk je de praktijk tegen. We moeten onze 13


cliëntgerichtheid niet uit het oog verliezen. Ik weet dat er vanmiddag een paar lui zullen gaan drammen over handen geven tussen mannen en vrouwen en over boerka’s. Ik snap hen wel en ik ga zelfs een eind mee in hun redenatie, maar dat is een ander terrein. Dat gaat over de rest van de samenleving. Dat is niet de wereld waarover wij vanmiddag praten. Onze invalshoek is de zieke mens, de persoon die hulp behoeft. Ik wil die twee werelden gescheiden houden.’ ‘In de medische wereld gelden andere regels, bedoel je?’ ‘Wij zijn niet van de regels, al moeten er natuurlijk wel regels zijn. Bij ons moet een ander belang vooropstaan.’ Wessel krast een poppetje op het papier. Een mannetje met zijn duim omhoog. ‘Ik ben blij dat ik weet waar jij staat, Jurgen! Als er meer zo over denken, dan komen we er wel uit. Zorg maar dat je toch een beetje bijtijds bent. Bedankt.’ Jurgen de Vries wil ophangen met een ‘tot vanmiddag’, maar in een impuls vraagt Wessel of hij interesse heeft in het congres in Kiev. ‘Weet ik daarvan?’ vraagt Jurgen zich hardop af. ‘Wanneer is dat dan en waar gaat het over?’ Het geritsel verraadt dat hij zijn agenda doorbladert. ‘Je zult vast ook een uitnodiging hebben gekregen, jij was er immers bij in 1990. Het Saint Luke’s in Kiev wil verslag uitbrengen, ruim twintig jaar na dato. Een congres, alle grote academische ziekenhuizen in West-Europa zijn uitgenodigd. De datum…’ Wessel pakt de map erbij hoewel dat niet nodig is. ‘Het is de derde week van mei. Ik denk er over om te gaan.’ ‘Zo, daar kijk ik van op. Wie gaan er nog meer? Organiseert het Saint Luke’s het zelf of wordt het opgezet 14


door de sponsoren? O, vóór de sponsoren. Ach, waarom niet? Ik moet zien of het in te plannen is. Je hoort nog. Ajuus!’ Jurgen is ook al verbaasd blijkbaar. Hij moet Anne bellen en vragen wat er is, maar Zoya zit in zijn hoofd. Hij pakt de sprekerslijst er nog eens bij om opnieuw te lezen dat haar naam daar staat. Er is niets misgegaan! Hij herinnert zich die dag als een dag waarop alles misging. Op een onmogelijk vroeg tijdstip begon hij aan de vliegreis naar Zürich en vandaar met forse vertraging naar Kiev. Toen het urenlange wachten op Boryspil, het vliegveld van Kiev. De beloofde ophaaldienst had langer wachten niet nodig gevonden: men had hem afgeschreven. Hij had balorig zelf een taxi gezocht, maar geen adres in zijn papieren kunnen vinden. De taxichauffeur had ook nogal moeite gehad om het juiste ziekenhuis te vinden; tweemaal stond hij op de verkeerde stoep. Toen hij aan het einde van de middag eindelijk het Saint Luke’s Hospital binnenstapte, was hij net op tijd geweest voor de rondleiding. De rest van de groep had een ontvangst en een buffetmaaltijd achter de rug, maar dat kon hem op dat moment weinig schelen. Hij was opgelucht toen hij een paar collega’s herkende. Zij hadden met een andere maatschappij gevlogen en nergens last van gehad. Het aanbod van Zoya om een broodje of soep voor hem uit de keuken van het ziekenhuis te laten komen, had hij afgeslagen. Niet nog meer gedoe rond zijn persoon! Heel even hadden ze elkaar aangekeken; onderzoekende ogen had ze. Haar trekken waren Slavisch en dat werd nog duidelijker toen ze glimlachte. Ze had het idiote kartonnen verpleegsterskapje opnieuw vastgestoken met 15


een speldje dat ze bij het herschikken van haar haar even tussen haar lippen klemde. ‘You have to eat something, it was an inconvenient trip,’ had ze gezegd, maar op zijn weigering was ze doorgegaan met de rondleiding. Zo hij al trek mocht hebben gehad, dan was dat snel over geweest! Het ziekenhuis was oud en doordat het hier gebruikelijk was dat de patiënten door hun familieleden werden verzorgd en gevoed, hing er een nare lucht van kool en bietensoep. Ook het niet al te schone beddengoed viel hem op. Rommelig en bedompt waren de zalen. Een kind braakte in een roestige bak. Daar stopte de rondleiding even. Zoya boog zich over het kind en masseerde het smalle nekje tot het braken stopte. Hij zag dat ze de tijd nam om de zweetdruppels van het witte gezichtje te vegen. Met grauw wc-papier, maar toch. Pavel had de groep ijlings verder geloodst. Via een diaprojector uit het jaar nul hadden ze beelden gezien van het opnamebeleid en het intakegesprek, en ze hoorden een uitleg over de verdeling van de verantwoordelijkheid. De medische kant was voor rekening van het ziekenhuis, de zorg moest van de familie komen. Terwijl hij zijn vraag in simpeler Engels herhaalde, hoe dat probleem opgelost werd in de gezinnen, voegde Zoya zich weer bij de groep. Er hing een verwassen handdoek uit de zak van haar blauwe verpleegstersjurk. Ze wreef haar rode handen er aan droog. ‘Daar moet de familie een oplossing voor vinden,’ zei ze rap. ‘Het hoeft niet per se de moeder te zijn die meekomt. We vinden het ook goed als een ouder zusje of een tante de patiënt verzorgt. Als er maar iemand is.’ ‘Slapen die mensen dan ook hier?’ 16


‘Daar hebben we maar heel beperkte mogelijkheden voor. Alleen in de terminale gevallen mogen ze gebruikmaken van de banken op de gangen. Rond het ziekenhuis in deze buurt zijn veel mensen die een kamer verhuren; dat wordt weer gezien als een bron van inkomsten.’ Hij had zichzelf bezworen niet overal verbaasd over te zijn. ’s Lands wijs, ’s lands eer – al kon hij het weinig eervol vinden. Er was een discussie gestart over de medicatie; men probeerde te vergelijken, maar er was zo weinig te vergelijken. Het kwam erop neer dat er wel medicijnen waren tegen schildklierkanker, maar dat de vereiste dosis verwoestend zou zijn voor de organen van een kind. Een lagere dosis zou de ziekte hoogstens tijdelijk stilleggen. De manier waarop Zoya dat zei, het even samenknijpen van haar lippen en de haast onmerkbare beweging van haar schouders – hij heeft de beelden nog op zijn netvlies. Was dat het moment geweest waarop hij geraakt werd? Hij herkende het. Zij moesten dezelfde drijfveer hebben: de wil om mensen beter te maken, om oplossingen te vinden, om te genezen. Hij herkende de onmacht als het probleem te groot bleek, de mens te kwetsbaar. Vol was zijn hoofd geweest van een onbekende vermoeidheid. Dat kon niet van de reis zijn; van reizen en wachten op een vliegveld werd je anders moe. Maar het was helemaal absurd om te denken dat het van haar ogen zou kunnen komen, of van dat schouderophalen. De rondleiding was beëindigd en de volgende dag zou de groep opnieuw worden opgepikt, dan voor een rit naar een klein dorp met een onuitspreekbare naam. Daar was een sanatorium-in-aanbouw voor patiënten die nog moesten 17


aansterken, want meteen na een ziekenhuisopname terug naar huis was geen optie; dat betekende altijd rechtstreeks terug naar de besmette omgeving van Tsjernobyl. Hij had amper tijd gehad om kennis te maken met de rest van het gezelschap en de Hollandse collega’s bleken in een ander hotel te bivakkeren. Er kwam ook geen voorstel om met elkaar nog de stad in te gaan om iets te eten. Hij had maar weer een taxi genomen en was op zijn ongezellige hotelkamer beland. Aan de balie had hij aan een knappe Oekraïense gevraagd of hij een broodje kon krijgen en iets te drinken. Alleen dat laatste lukte, voor een maaltijd werd hij naar de restaurants verderop verwezen. Daar kon hij in zijn eentje de moed niet voor opbrengen. Met een wee gevoel in zijn maag was hij in bed gekropen, zich verwensend omdat hij het broodje in het Saint Luke’s had afgeslagen. Droom je anders als je honger hebt? Hij kon zich niet heugen ooit eerder zo’n heftige droom te hebben gehad. Hoe kon hij nu zo van haar dromen? Ze hadden in steenkolenengels wat vakjargon uitgewisseld. Hij had toen Anne om van te dromen. Anne, op wie hij verliefd was, die ervoor zorgde dat hij gretig bleef. Hij had al een paar keer op het punt gestaan haar te vragen, maar er gebeurde dan altijd iets waardoor hij het niet deed. Ze was onvoorspelbaar; haar manier van uitdagen, toegeven en zich weer terugtrekken leek soms een spelletje. Anne was altijd al goed in strategieën. Ze hadden al jaren iets met elkaar. Ze was het mooiste meisje dat hij op de universiteit was tegengekomen. Heel wat jongens hadden bij haar een blauwtje gelopen. Tussen hen bleef het goed omdat hij genoegen leek te nemen met vriendschap. Ze tartte zijn zelfbeheersing, maar hij wist waar de grens lag. Met pushen 18


en dwingen bereikte je bij Anne het tegenovergestelde. Op het meest onverwachts kwam ze zelf. Hij had dat toen ongelooflijk spannend gevonden, zich voorgehouden dat het leven met Anne nooit een sleur zou worden. Wessel drukt het karnemelkpak in elkaar. Natuurlijk lukt dat weer niet zonder spetters op zijn bureau. Hij moet Anne bellen, ze zal zich al tekortgedaan voelen! Hij had gelijk gekregen: een sleur was het nooit geworden, maar dat juist de dingen die haar eerst zo begeerlijk maakten, later als een wig tussen hen in kwamen te staan, dat blijft onacceptabel. Sinds hij weer een eigen appartement heeft, lukt het hem beter daarmee om te gaan. Er zijn geen dagelijkse confrontaties meer. Hij zit niet op een officiële scheiding te wachten. Meer afstand hoeft echt niet. Hij moet zuinig zijn op wat er over is en die oude geschiedenis uit zijn hoofd zetten. Naar Kiev gaat hij omdat dat congres van belang is voor de medische wereld. Als wetenschappers onder elkaar zullen ze zich buigen over de stand van zaken en de gevolgen van ‘Tsjernobyl’ op lange termijn. Ze zullen zien of de juiste keuzes gemaakt zijn en ook kijken wat er bereikt is met de forse bedragen die door de westerse wereld beschikbaar zijn gesteld. Ze moeten nu heel wat verder zijn dan in 1990. Hij heeft zich er persoonlijk voor ingezet – hoeveel tijd en energie heeft hem dat gekost? Hoeveel lobbyen en bedelen? Anne weet daar alles van, ze zal het heel normaal vinden dat hij gaat. De stem van Anne klinkt in zijn oor. Wessel gaat wat meer rechtop zitten: ‘Met mij, je had gebeld.’ 19


‘Je zit toch niet altijd in vergadering? Zet je mobiel toch aan!’ ‘Wat is er zo dringend dan?’ Hij houdt zich in. Hij zal niet terugbijten, want ze mag niet denken dat hij geen tijd voor haar heeft. ‘Fleur wil niet lopen omdat ze ingegroeide teennagels heeft. Daar ben ik zojuist achter gekomen.’ Het is een omschakeling die hem voor dit moment te snel gaat. ‘O! En?’ zegt hij, haar de ruimte latend voor meer uitleg. ‘Wessel! Hoe vaak hebben we nu al geconstateerd dat de zorg tekortschiet in De Wooldhoeve? Ingegroeide teennagels heb je niet van de ene op de andere dag. En toch blijven ze maar roepen dat Fleur tegendraads en moeilijk is. Dat ze lui is en dwars. Ze heeft gewoon pijn! Daarom wil ze niet meer lopen. Wie weet hoe lang ze daar al last van heeft. De zoveelste blunder daar. Ze moet daar weg, Wes. Desnoods gaat ze naar een particulier adres. Ik ben het zo zat! We moeten er toch op kunnen vertrouwen dat er goed naar haar gekeken wordt?’ Annes stem schiet hoog uit. Hij hoort het al: hij moet nu niet over aangepaste schoenen of pedicure beginnen, dan zit Anne helemaal boven op de kast. ‘Hoe laat ben je klaar?’ vraagt hij dus maar. ‘Zullen we samen een hapje eten vanavond? Dan kunnen we in alle rust even praten.’ ‘Heb je daar zomaar tijd voor?’ Hij slikt even; vraagt dan: ‘Zal ik je om kwart over zes oppikken?’ Ze geeft zich gewonnen. ‘Haast je niet, ik heb zeker tot half zeven werk hier. Het is om beroerd van te worden. 20


Maar het zou me wel goed uitkomen, want ik heb de auto vanmorgen weggebracht voor de apk-keuring en die kan ik morgen pas weer ophalen.’ ‘Ik zie je vanavond.’ Wessel luistert tot ze de telefoon neergelegd heeft. Hij ziet haar zitten achter haar bureau, een stapel dossiers voor zich. Ze maakt erg lange dagen tegenwoordig en nog blijft ze hem verwijten dat hij wordt opgeslokt door zijn werk en projecten. Dat was vroeger vast wel zo, maar nu zou ze haar eigen grenzen beter moeten bewaken. Hij maakt zich bezorgd om haar, maar hij uit dat zelden. Ze kan haar wenkbrauwen zo kritisch optrekken als ze vindt dat hij haar betuttelt. Een simpele opmerking dat ze er moe uitziet kan bij Anne ontzettend slecht vallen. Ze hebben nu allebei hun vrijheid. Er is nog maar één gezamenlijk project – als je een kind een project kunt noemen. Fleur. Zal Fleur hem missen als hij naar Kiev gaat? Om de andere dag is hij bij haar, altijd in de middagpauze. Hij zorgt dat ze warm eten binnenkrijgt en als het even kan, neemt hij haar in de rolstoel mee naar buiten. Het personeel rekent er gewoon op. Anne neemt de andere dagen voor haar rekening; zo heeft Fleur dagelijks bezoek. Als hij in het postbakje op Els’ bureau kijkt, vraagt ze of hij het aanbevolen hotel oké vindt of liever in het centrum zit. Hij kijkt even mee op het scherm. ‘Predslava, Gorkogo 100, dat is zowat naast het ziekenhuis. Ik heb de omgeving even gegoogled.’ Hij knikt dat het goed is. Hij weet niet meer hoe het hotel heette waar hij in 1990 met een lege maag naar bed ging, maar herinnert zich nog wel dat het een eind uit de buurt was. De naam van het metrostation weet hij nog wel, want 21


daar stapte Zoya ook uit. Pecherska. Als je bovengronds kwam, stond je in een overdekte markt aan de Pecherskaya. Dat die namen na al die jaren nog in zijn geheugen zitten! Els moppert terwijl ze op het scherm tuurt. ‘Het is wel heel idioot dat alle infosites over Kiev een link hebben naar een datingservice voor Oost-Europese vrouwen. Staan de vrouwen daar in bosjes te trappelen soms? Heel irritant.’ Els klikt iets aan met de muis en tikt verder. Wessel trekt de sjaal uit de mouw van zijn jack. Hij gaat even naar buiten voor de vergadering begint. Als hij langs de rookruimte loopt, overvalt hem onverwacht een sterk verlangen naar een sigaret. In 1990 rookte hij nog. Wat heeft dat ermee te maken? Buiten is het droog nu, maar kouder dan gisteren. Hoeveel graden zou het in Kiev zijn? Wessel komt laat de vergaderzaal binnen. Edward Löwe, hoofd van het managementteam, schuift gedienstig een stoel naast zich naar achteren. Wessel baalt, hij had moeten zorgen op tijd te zijn. Hij mag Edward niet, dat is vanaf hun eerste ontmoeting al zo, maar een aangeboden stoel weigeren is wel erg bot. Een paar jaar geleden maakte Edward nogal werk van Anne. Een verhouding heeft het niet opgeleverd, maar helemaal over is het nog steeds niet. Ze gaan nog steeds met elkaar uit en wie is hij om Anne een vriendschap te verbieden? Ze zou het niet pikken. Edward heeft tegenover hem zijn houding van every inch a gentleman gehandhaafd, maar Wessel ontloopt hem waar hij kan. Hij groet en mompelt een verontschuldiging voor het feit dat hij zo laat is. De voorzitter accepteert die en gaat 22


door met de opening van de vergadering. Terwijl de besluitenlijst van de vorige keer wordt nagelopen, is Wessel zich hinderlijk bewust van de man naast zich. Strak in het pak, een zelfverzekerde losheid in zijn bewegingen. Anne noemt dat, appreciërend, aangeboren nonchalance, maar hij ziet er arrogantie in. En die penetrante mannengeur die om hem heen hangt, maakt hem misselijk. Wessel schudt zijn hoofd als Edward hem wil laten meekijken op zijn agenda. Alsjeblieft zeg, niet nog dichterbij! Hij niest driemaal. ‘Morgen schoon weer!’ zegt Edward. Dat Belgische dialect wil hij maar niet afleren en ook dat vinden veel vrouwen weer charmant. Het agendapunt waar het om draait, de beleidslijn eisen allochtonen, wordt op Wessels verzoek uitgesteld tot na de pauze. Men zal het niet in een oeverloze discussie laten ontaarden, want rond zessen wil iedereen naar huis. Wessel kan weinig aandacht mobiliseren. Er zit sinds vanmorgen een ongedurigheid in hem die nog het meest lijkt op verzet. Maar hij kan er de vinger niet op leggen. Verzet – waartegen dan? Hij heeft zijn plan getrokken nu, dat zou rust moeten geven. Zoya’s naam staat op de sprekerslijst. Hij zal haar met eigen ogen zien, met eigen oren horen en dan zal het oude dilemma ineenschrompelen als een leeglopende luchtballon. Hij heeft zich al die jaren voor niets druk gemaakt. Hij schuift zijn stoel wat naar voren en realiseert zich dat ze nog niet verder zijn gekomen dan het vaststellen van de besluitenlijst van de vorige vergadering. Dat Edwards geleuter door de voorzitter nog serieus genomen wordt! Moet er nu heus zo lang gezeurd worden over 23


frequentie en delegatie? En over de maximaal toegestane tijd die het lezen van vergaderstukken mag vergen? Rondkijkend ziet hij niemand op het puntje van zijn stoel zitten; hij zal het dus zelf moeten doen. ‘Als we zo doorgaan, komen we aan het beleid ten aanzien van allochtonen helemaal niet toe vandaag. We zitten nu al weer een halfuur te praten over de rompslomp rond vergaderprotocollen. Het lijkt mij logisch dat grote beslissingen meer aandacht krijgen en dus meer tijd vergen. Dat mag je van mij ook terugzien in de vergadering en de voorbereiding daarop. Maar laten we geen eindeloze discussie houden over de protocollen, waarmee we alles willen structureren.’ Een instemmend gemompel wordt door de voorzitter weg gehamerd. ‘Maar dit is ook beleid, dames en heren!’ Het klinkt als een waarschuwing en opnieuw krijgt Edward het woord. Hij tovert een schema uit zijn tas; jawel, hij heeft voor iedereen een kopie. Wessel zucht, maar houdt zijn mond, hij gaat de voorzitter niet nog meer tegen de haren in strijken. Tijdens de theepauze komt Jurgen de Vries binnen. Er hangt zoals altijd een bepaalde vitaliteit om hem heen en dat komt de vergadering ten goede. De bespreking over het allochtonenvraagstuk levert een forse discussie op. Jurgens optiek krijgt behoorlijk wat tegenstand. Bij de inventarisatie van incidenten wordt een verslag voorgelezen van een gynaecoloog die in kleurrijke taal een handgemeen beschrijft, waaraan hij een blauw oog overhield. ‘Die man moet romans gaan schrijven,’ probeert Jurgen de oplaaiende discussie terug te brengen naar de te vormen 24


beleidslijn. ‘Bij poliklinische opnames kunnen we natuurlijk niet voorkomen dat we met ongemakkelijke situaties te maken krijgen. Maar bij de gewone intakegesprekken kan er uit voorzorg toch naar eventuele bezwaren worden gevraagd.’ ‘Als je die mogelijkheid zelf noemt, hebben we natuurlijk binnen de kortste keren een hele verzameling allochtonen die bezwaar maken tegen een man aan het bed van hun vrouw.’ ‘Wat mij niet zint in deze kwestie is het feit dat de allochtone mannen het woord doen. Volgens mij willen de vrouwen alleen maar geholpen worden; het maakt hun niet uit door wie.’ De voorzitter van de Raad van Bestuur kijkt op zijn horloge en wisselt een blik van verstandhouding met Wessel. Wessel knikt: hier komen ze niet uit vandaag. Hij stelt voor een commissie te benoemen die na onderzoek, gesprekken en overleg met andere ziekenhuizen met een voorstel moet komen. De voorzitter gaat akkoord en verzoekt Wessel het voortouw tot oprichting van zo’n commissie te nemen. Wessel krijgt een vette knipoog van Jurgen. Zo, één commissielid heeft hij al. Gek, dat hij daarvan zo opknapt. ‘Zullen we nog iets te drinken laten aanrukken?’ vraagt de voorzitter na de afronding van de vergadering. De klok wijst kwart over vijf, dat is nog lang geen half zeven. Jurgen schuift hem een flesje bier toe, maar Wessel pakt een spa. Hij weet dat Anne het op prijs stelt als hij bij het eten een glas wijn drinkt en dan moet hij daar nu wel vast rekening mee houden. Hij kent zijn grenzen. 25


Alexandra LaDuca, intelligent rechercheur en uitstekend scherpschutter, lijkt iedere zaak die de FBI haar geeft aan te kunnen. Maar dan wordt ze gevraagd om de Secret Service te ondersteunen tijdens een bezoek van de president aan de Oekraïne. Het is haar taak een gevaarlijke en tegelijk charmante topcrimineel in de gaten te houden. De opdracht blijkt veel omvangrijker en vele malen gevaarlijker dan ze dacht. Ze doet ontdekkingen niet alleen de veiligheid van de president, maar ook haar eigen leven op het spel zetten. Als de maffia lucht krijgt van haar rol begint het web van gevaar zich om haar te sluiten. Een adembenemende thriller die je ongenadig in zijn greep houdt. Noel Hynd is een gevestigd auteur die vele thrillers op zijn naam heeft staan. ‘Een solide en betrouwbaar schrijver met genoeg literaire flair om het niveau van de Ludlums and Clancys te overstijgen.’ - Booklist

ISBN: 978 90 239 9290 5 Uitvoering: paperback Blz: 396 pag. Prijs: € 19,90


Een N N N

Daniël nam laat op de avond graag een glas cognac en een sigaar. Daarom vertrok hij elke avond om tien uur, vooral op bitter koude avonden als deze, te voet naar het drukke restaurant op de hoek. Het was vrijdag 2 januari, de tweede dag van het nieuwe jaar. Hij zou niet lang meer in Parijs blijven, dus kon hij maar beter van elke avond genieten. Hij wist zelf niet eens welke avond zijn laatste zou zijn. Zijn kleine appartement lag aan de Rue du Bourg Tibourg in de wijk Le Marais, niet ver van het Hôtel de Ville, wat geen hotel was, maar het majestueuze stadhuis van Parijs. Deze buurt, het derde en vierde arrondissement op de rechteroever in Parijs, was in de zevende eeuw de exclusiefste buurt van de stad. Twee generaties geleden was hij vervallen tot een armzalige achterbuurt en een van de moeilijkste delen voor de Parijse politie, als die al de moeite nam zich in die wijk te begeven. Nu was dat allemaal weer veranderd. Tijdens de ambtsperiode van president François Mitterand – een socialist die door critici de ‘laatste Franse koning’ werd genoemd – in de jaren zeventig was de buurt opgeknapt en gerestaureerd. Nu, in het begin van de eenentwintigste eeuw, was het een gezellige wijk geworden en vanwege de galerieën, musea, moderne winkels en restaurants was het een favoriete verblijfplaats van de vele toeristen. Bovendien had de wijk een eigen sfeer; er waren verschillende kleine winkels voor de oudere Joodse inwoners van het gebied, de overlevenden van de Holocaust, en hun nakomelingen. Daniëls favoriete café, L’étincelle – Frans voor ‘de vonk’ – stond aan het plein tussen de Rue du Bourg Tibourg en de Rue de Rivoli. Dit was niet de toeristische Rue de Rivoli met de winkelgalerijen 9


aan de ene kant van de Tuilerieën en langs het Louvre, maar het verlengde daarvan, dat uiteindelijk overging in de Rue de SaintAntoine en rond de Place de la Bastille liep. Hier waren niet veel toeristen. Daniël sjokte langs het Zuid-Amerikaanse café op de hoek met de langzame aarzelende gang van een oude man. Het was een ongewoon kille nacht, zelfs voor Parijs in januari. Hij trok zijn jas dicht en stapte langs een paar stukken ijs op de grond. Zijn adem kwam als een stoomwolkje uit zijn mond. Het was zes graden onder nul, maar het voelde nog kouder aan. De afgelopen twee weken had hij zich niet geschoren en zijn grijze baard beschermde zijn gezicht tegen de kou. Hij zag eruit als een oude rabbi. Dat was ironisch, maar niet toevallig. Onder de baard zat een priesterboord. Onder de dikke jas zat een zilveren kruis met het lichaam van Christus: het onmiskenbare teken van rooms-katholieken. Na een paar stappen was Daniël in het restaurant. De Vonk was een toepasselijke naam. Het was een gezellig café met vriendelijk personeel. Een van de serveersters zag hem binnenkomen. Irène. Het was een aantrekkelijk meisje van begin twintig, bijdehand, knap en vriendelijk. Net als de rest van het personeel liep ze haastig door het café in een bruin t-shirt met het logo van het restaurant en een strakke spijkerbroek. Als hij jonger was geweest, mijmerde hij terwijl hij haar nakeek… en als hij geen priester was geworden… Geen priester. Hij lachte in zichzelf. Ze had interessante exotische gelaatstrekken. Daniël kon veel van gezichten aflezen. Hij vermoedde dat ze half Frans en half Algerijns was. Irène deed hem denken aan een Frans-Algerijnse zangeres van wie hij fan was en die Nadiya heette, en aan de Amerikaanse zangeres Norah Jones. ‘Bon soir, mon Père,’ zei ze. ‘Bon soir, Irène,’ antwoordde hij. Hij was hier zo vaak geweest dat hij inmiddels de namen van het personeel kende. Hij trok zijn wollen jas en handschoenen uit en deed zijn sjaal af. Het rook lekker in het restaurant. Daniël genoot van deze weken in Parijs, en dan het meest van dit moment van de dag, waarop hij op een drukke plek zat, genoot van de energie van de jonge mensen om zich heen en rustig kon nadenken. ‘Ga maar zitten waar u wilt,’ zei ze. 10


Hij knikte en keek om zich heen. Hij zag de Amerikaanse vrouw alleen aan een tafel zitten. Het geluk lachte hem toe: hij zou deze avond niet alleen doorbrengen. De vorige avond had ze zich aan hem voorgesteld als Rosa. Ze was lerares in het een of ander, of dat beweerde ze in elk geval te zijn. Ze had verteld dat ze single was en openstond voor niet-bedreigend gezelschap als de dag ten einde kwam. Haar achternaam had ze niet genoemd en hij had er ook niet naar gevraagd. Ze had de afgelopen twee avonden met hem gesproken over filosofie en theologie en leek geen bijbedoelingen te hebben, iets wat Daniël altijd verdacht vond. Ze zou het vast niet erg vinden als hij haar weer gezelschap zou houden. Hij wist in elk geval zeker dat hij de avond graag weer met haar zou doorbrengen. Het was tegenwoordig niet gemakkelijk om een vrouw te vinden die geen bezwaar had tegen sigaren, zeker als die werden gerookt door een priester. Ze zat vlak bij de deur en glimlachte toen ze hem zag. Hij liep naar haar tafeltje en vroeg: ‘Mag ik erbij komen zitten?’ Ze spraken in het Engels. Zij plat Amerikaans en hij met een Oost-Europees accent. Toen ze hem daarnaar had gevraagd, had hij gezegd dat hij uit Hongarije kwam. ‘Ik ben geboren in Boedapest,’ had hij verteld. ‘Daar hebben mijn ouders tot 1956 gewoond. Toen de Russische tanks het land binnenkwamen, zijn ze naar Engeland gevlucht en van daar naar Canada gereisd.’ ‘Waar heb je je priesteropleiding gevolgd?’ had ze gevraagd. ‘In Montreal. Daar heb ik Frans leren spreken.’ Zij had op haar beurt verteld dat ze in Kansas was opgegroeid, maar nu in New York woonde. Hij kende New York goed en ze vertelden elkaar over hun ervaringen. Zoals altijd vouwde Daniël zijn jas op en legde die netjes op de lege stoel aan hun tafel. Toen ging hij zitten. Irène bracht hem een cognac, liet een schattige glimlach zien en haastte zich toen naar de andere tafels. ‘Heb je echt geen last van de rook van mijn sigaar?’ vroeg Daniël zijn tafelgenoot. ‘Helemaal niet.’ Het gesprek kwam gemakkelijk op gang en hij merkte dat haar blik steeds weer van haar Coca-Cola met citroen naar zijn handen ging. 11


Ook deze avond klonk er muziek en die was zo hard dat ze hun stem moesten verheffen om elkaar te kunnen verstaan. Het was een gezellige herrie. Er werd in verschillende talen gesproken en dan was er nog het geluid van klinkende glazen en bestek op de borden. L’étincelle was een vrolijke tent. Toen ze een paar minuten hadden zitten praten, zwaaide ze naar een man die het café binnenkwam en om zich heen keek. ‘Hé, dat is een vriend van me,’ zei ze. ‘Hij komt erbij zitten.’ Dat vond Daniël geen goed idee. Hij kon niet zeggen waarom, maar op de een of andere manier wist hij dat het geen goed idee was. Daar had hij een zesde zintuig voor. Hij keek de vreemdeling aan met een blik die een gat in een betonnen muur zou kunnen boren. Voor Daniël kon protesteren ging de nieuwkomer op de stoel het dichtst bij de deur zitten. Hij had nog niets gezegd, maar Daniël had al gezien dat het een Amerikaan was. Hij zag eruit als een zakenman. Dat wees nog sterker op problemen. Er volgde een ongemakkelijke stilte. De man keek Daniël ernstig aan. Rosa stelde hen niet aan elkaar voor en dat maakte nog duidelijker dat er problemen zouden komen. Dat waren al drie aanwijzingen die op moeilijkheden wezen, dus… ‘Wat is er?’ vroeg Daniël, om zich heen kijkend en hopend dat hij het bij het verkeerde eind had. ‘U bent niet oud, vader Daniël,’ zei ze. ‘Jullie zijn geen vrienden,’ antwoordde hij. ‘En u bent geen priester,’ zei de man. ‘U bent niet eens roomskatholiek.’ Daniël stak zijn hand snel onder zijn jas, op zoek naar het pistool dat hij voor dit soort momenten bij zich droeg, maar Rosa greep zijn hand stevig vast en gaf hem niet de mogelijkheid zichzelf te verdedigen. Op hetzelfde moment leunde de nieuwkomer over de tafel met een klein pistool met een korte loop. Hij drukte het tegen Daniëls borst en haalde de trekker over. Er klonk een harde knal, maar dat was nauwelijks te horen boven het lawaai van het restaurant uit. Slechts enkele gasten keken om zich heen. Daniël keek eerst geschrokken en toen woedend. Toen verdween dat alles door een vreselijke pijn. De kogel had zijn borst12


been doorboord. De schutter maakte gebruik van de verwarring en schoot nog eens. Er klonk nog een knal. Dit schot was zo snel en precies dat het direct door Daniëls hart ging. De vrouw ondersteunde zijn lichaam zodat hij niet op de grond viel. Ze gaf hem een duwtje zodat hij in plaats daarvan voorover op de tafel viel alsof hij dronken was. De schutter stopte het wapen in zijn zak en stond op, evenals Rosa. Ze verborgen hun gezichten achter hun handen en liepen snel naar de deur. Pas toen ze buiten waren, hoorden ze dat achter hen het vrolijke gepraat overging in geschrokken geschreeuw. Een paar seconden later kwam Irène naar de tafel om te zien wat er was gebeurd. Ze zag het cognacglas in scherven onder Daniëls levenloze hoofd liggen. Ze zag zijn starende ogen en het bloed dat zich op de tafel met de cognac mengde. Ze sloeg haar handen voor haar gezicht en begon te schreeuwen. De manager, een jonge man die Gerard heette, kwam direct aanlopen, maar toen waren Daniëls twee tafelgenoten nergens meer te zien. Ze waren verdwenen in de koude, donkere nacht.

13


Twee N N N

Dezelfde kou had het oosten van de Verenigde Staten in zijn greep. Het was een paar minuten over negen ’s morgens en Alexandra LaDuca zat aan haar bureau in Washington. Het kantoor waar ze werkte, bevond zich in het hoofdgebouw van het Amerikaanse Ministerie van Financiën op de hoek van Pennsylvania Avenue en Fifteenth Street. Ze bestudeerde het frauduleuze document van een burger die een klacht had ingediend bij het Ministerie van Financiën. Alex had al duizenden vergelijkbare pogingen gezien en ze had treurige verhalen gehoord van mensen die op dezelfde manier waren bedrogen. Ze was niet onder de indruk van deze vorm van fraude. Nee, wat haar dwarszat, was dat iemand zo corrupt kon zijn dat hij zijn brood kon verdienen door bedrog… en dat de slachtoffers naïef genoeg waren om erin te trappen. Het briefhoofd luidde: Afdeling Internationale Overschrijvingen Central Credit Bank Nigeria Tinubu Square, Victoria Island Lagos, Nigeria

Dat was de eerste leugen. Alex wist dat deze afdeling, en zelfs deze hele bank, niet bestond. Je zou je zelfs kunnen afvragen of Lagos bestond, behalve in nachtmerries. Maar Alex wist dat Lagos wel degelijk bestond omdat ze daar vorig jaar een paar weken was geweest om een dergelijke fraudezaak te onderzoeken. Het enige succesvolle aan de hele operatie was dat ze het had overleefd. 14


De brief ging verder: Onmiddellijke Uitbetaling Fonds #. Mav / Nnpc / Fgn / Min / 009 / Erfenis / US$16,3m. Geachte heer, mevrouw, In de dossiers van dit fonds van de Federale Overheid van Nigeria is uw naam ontdekt op de lijst van begunstigden die hun betaling nog niet hebben ontvangen. We willen u er graag van op de hoogte brengen dat de betaling op dit moment wordt verwerkt. We zullen het genoemde bedrag direct overmaken zodra u op deze brief heeft gereageerd. Het bedrag dat u van ons tegoed heeft, is $16.300.000. Bevestig alstublieft de volgende gegevens: Uw volledige naam. Telefoon, fax en mobiele telefoonnummer.

Ja, natuurlijk! Die zestien miljoen dollar was even echt als een eenhoorn met een briefje van drie dollar op zijn hoorn! Ze kookte van woede. Ze had genoeg van dit soort dingen gezien voor de rest van haar leven. Alex LaDuca was 29 jaar oud en werkte als hoofdinspecteur van een klein bureau binnen het Amerikaanse Ministerie van Financiën: het Netwerk tegen Financiële Criminaliteit, dat ook wel ‘FinCen’ werd genoemd. Het bureau hield zich bezig met binnenlandse en buitenlandse misdaden waarvan Amerikaanse burgers en bedrijven het slachtoffer waren. Eigenlijk was ze een agent van de fbi, maar ze was uitgeleend aan FinCen om de internationale financiële criminaliteit te bestrijden. Haar baas was Mike Gamburian, een kleine, gedrongen man uit Boston. Op zijn kantoor was een muurschildering aangebracht van het prachtige Fenway Park in oktober 2004, een moment waarop de Red Sox iets hadden gewonnen. De werknemers die uit New York kwamen, zeiden altijd lachend dat de schildering een ‘vijandige werkomgeving’ had gecreëerd. Afgezien daarvan was Gamburian een sympathieke man en een goede baas. Alex was een van de knapste inspecteurs van FinCen, en een van de taaiste. Ze was ook de jongste die zichzelf ‘hoofdinspecteur’ mocht noemen. Ze had genoeg werk: sinds het ontstaan van het internet waren er geen grenzen meer aan de fraude en was die hightech geworden. Financiële fraude was een snelgroeiende business. 15


De onbeschaamde zwendelaar ging verder: Zodra deze informatie is ontvangen, zal het bedrag door de centrale bank van Nigeria worden betaald door middel van een cheque of overschrijving op de door u genoemde bankrekening. U kunt mij bereiken op mijn persoonlijke e-mailadres.

Ja, ja, dacht Alex hoofdschuddend. En belt u vooral niet op, want een telefoongesprek kan getraceerd worden. Ze las verder en zag dat het bericht als volgt was ondertekend: Met vriendelijke groet, Dr. Samuel Ifraim Directeur, Central Credit Bank Nigeria (ccbn)

Ja, hoor. Vast wel. Het was een valse naam en een vals doctoraat. Dat ‘cc’ kon net zo goed staan voor ‘criminelen en charlatans’. Dit bedrog stond in FinCen bekend als een 419, genoemd naar een deel van het Nigeriaanse Wetboek van Strafrecht dat vaak ongestraft werd overtreden. Jaarlijks circuleerden er miljoenen van dit soort frauduleuze berichten over de hele aarde en de meeste kwamen uit het westen van Afrika. Het kwam allemaal op hetzelfde neer. Er stond in de brief dat wegens omstandigheden – de uitvoering van een testament, een winnend e-mailadres in een internetloterij of zoiets onwaarschijnlijks – de bank hulp nodig had om het geld naar de Amerikaanse bankrekening van de gelukkige ontvanger te krijgen. Als de ontvanger van het bericht hen hielp, zou hij of zij een percentage van het bedrag krijgen. Als hij of zij contact opnam, zou de bedrieger een paar duizend dollar vragen voor de verschillende kosten die gemaakt moesten worden voordat de gelukkige winnaar een deel van het geld zou kunnen krijgen. Natuurlijk kwam het geld van het slachtoffer wel bij de fraudeur aan, maar – wat een verrassing! – werd het fortuin nooit overgemaakt. Deze vorm van bedrog was even wijdverspreid als schandalig. In 2002 had het Ministerie van Justitie het gerechtelijke bevel gekregen alle post die uit Nigeria via jfk-airport naar New York 16


vervoerd werd, open te maken. Ongeveer driekwart had bestaan uit dit soort aanbiedingen. Het grootste deel was zelfs voorzien van vervalste postzegels. Bovendien had Alex zelf een jaar geleden die vreselijke reis naar Lagos gemaakt. De missie in opdracht van het Ministerie van Financiën had als doel te bewijzen dat veel van deze zwendelarij in samenwerking met de Nigeriaanse overheid was uitgevoerd. Dat was bij de gastheren in Lagos in het verkeerde keelgat geschoten. Terwijl de Amerikanen met de vertegenwoordigers van de overheid vergaderden, waren hun hotelkamers doorzocht en leeggehaald. Hun kleding was meegenomen, hun koffers vernield en er waren doodsbedreigingen op de muren gekalkt. Van de vijf auto’s die de afgevaardigden van het Ministerie van Financiën gebruikten, waren er tijdens de vergadering drie gestolen en een was verwoest met een kettingzaag. De vijfde was opgeblazen, waarbij hun Nigeriaanse chauffeur om het leven was gekomen. Dat was dan het internationale veldwerk! De meeste leden van de delegatie waren opgelucht toen ze heelhuids in Amerika waren aangekomen. Alex borg het papierwerk op. De 419’s zouden blijven bestaan zolang er mensen waren die er in trapten. Het gevecht tegen deze zwendel zou doorgaan, maar als de bron niet werd aangepakt – als een buitenlandse overheid de daders misschien wel hielp – zou er nooit een eind komen aan deze strijd. Dat betekende echter niet dat ze er niets tegen zou doen. Alex stond niet boven persoonlijke wraak op criminelen die het verdienden om uitgeschakeld te worden. Ze had een prima langetermijngeheugen voor dit soort zaken en kon zo vasthoudend zijn als een terriër als ze haar tanden eenmaal in een zaak had gezet. Op dit moment had ze echter dringender zaken aan haar hoofd. Er was die nare zaak over wijnimport uit Frankrijk, waar geen belasting over was betaald. Er was een verbijsterende zaak over kunst die door de nazi’s was gestolen van een rijke Joodse verzamelaar die tijdens de Holocaust om het leven was gekomen; een Zwitserse bank ontkende zijn aansprakelijkheid ondanks het feit dat de gestolen Pissarro al dertig jaar in het kantoor van een bankdirecteur in New York hing. Bovendien was er nog die hele stapel niet-419-internetfraude die te maken leek te hebben met een online casino in Costa Rica. 17


Als de mensen even vindingrijk de honger in de wereld zouden bestrijden als ze elkaar bedrogen, zou de wereld er heel anders uitzien‌ En dan zou zíj een andere baan kunnen nemen, een baan waarbij ze vooraan stond in de wereldwijde strijd tegen verdrukking, onwetendheid, ziekte, honger en armoede, een baan die aansloot bij haar principes. Soms dacht ze dat ze beter geneeskunde had kunnen studeren, iets wat ze gemakkelijk had gekund. Ze zou vast een heel goede arts zijn geworden. De mensheid had haar vindingrijkheid echter op een heel andere manier gebruikt en Alex was geen arts geworden. Daarom deed ze wat ze kon. Ze kwam graag op voor slachtoffers en er waren verschillende teams voor haar aan het werk in het veld. De dag was nog maar net begonnen en het was tijd om te zien welke zaken tot arrestaties of vervolging konden leiden. Alex was klaar om weer een dag te strijden tegen de internationale fraude.

18


Drie N N N

Het team uit Washington dat de elektronische surveillance verzorgde, was een perfecte combinatie van vier elementen: snelheid, efficiëntie, intelligentie en de afwezigheid van vragen. Vandaag was er ook nog een gelukkige toevalligheid. Carlos was de technische man en degene die op wacht zou staan. Hij arriveerde in een uniform met het logo van een van de lokale kabelbedrijven. Janet was zijn collega, maar zij arriveerde apart van hem in een dikke jas, een kort spijkerrokje en een wollen legging. Ze zag er net zo uit als andere knappe jonge vrouwen van in de twintig. Hun doel van deze ochtend was een appartement in een woonwijk op de hoek van Calvert Avenue en Twenty-fourth Street, tegenover het grote art-decohotel Shoreham, dat nu het Omni Shoreham heette, en een paar blokken verwijderd lag van het Woodley Park Metrostation. Er was niets speciaals aan deze afluisteroperatie. Het was een routineklus en het slachtoffer was naar kantoor. Dinsdag was altijd de geschiktste dag voor dit soort werk. Op het hoofdkwartier lagen dossiers over honderden gebouwen en hotels in Washington, volledig legaal, onder de geheime bepalingen in de wet op Binnenlandse Veiligheid van 2005. Dit was dus een fluitje van een cent zolang er maar niemand langskwam die echt voor een kabelbedrijf werkte. Gelukkig gebeurde dat niet. Carlos arriveerde als eerste, om tien uur ’s morgens. Hij had de juiste papieren – routineonderhoud aan het kabelsysteem – en kreeg een pasje van de beheerder. Hij ging aan het werk in de kelder waar hij de kabels, de telefoonlijnen en de elektriciteitsleidingen controleerde. Hij zag de voorzieningen van het appartement op de vijfde verdieping. Dit was een makkie! 19


Bij het vorige bezoek had Carlos een loper, die op alle appartementen paste, gestolen. De bazen van het netwerk hadden hem geprezen om zijn goede werk en een kopie gemaakt. Carlos had het origineel teruggebracht voor iemand erachter was gekomen dat hij weg was geweest. Carlos’ specialiteit was het afstellen van radiosignalen zodat ze door de elektrische bedrading van het gebouw liepen. Dan kon een ontvanger in een auto die twee blokken verderop stond, ingesteld worden op een specifiek appartement en kon de show beginnen. Carlos luisterde niet zelf. Dat werd gedaan door de hogergeplaatste personen. Carlos ging snel van het elektrische netwerk naar de kabelkast van de telefoons in Calvert Arms Apartments. Hij kon aan de elektronische sporen zien dat de meeste mensen, en ook zijn doelwit, draadloze telefoons gebruikten. Daarom plaatste Carlos een chip op de verbinding van het appartement op de vijfde verdieping. Klaar is Kees. Hij klikte zijn mobiele telefoon open en belde Janet. ‘Ik ben bijna klaar,’ zei hij. ‘Heb je tien minuten?’ Twee blokken verder zat Janet in een auto vrolijk Naruto: Ultimate Ninja 2 op haar psp te spelen. ‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘Ik zie je aan de andere kant.’ Het was een aangenaam toeval dat Janets oom in het gebouw werkte. Hij was een te hoog opgeleide maar sympathieke oude sul die bijna dertig jaar als beleidsmaker voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken had gewerkt. Hij had op talloze ambassades in Europa en Latijns-Amerika gewerkt, en op het bureau in Foggy Bottom in Amerika, waar hij ook werkte aan Europese en LatijnsAmerikaanse zaken. Janet kwam vaak onaangekondigd langs, soms om dvd’s of boodschappen te brengen. Haar oom had daar geen bezwaar tegen en vond het zelfs wel gezellig. Janet handelde snel. Dat was van groot belang in haar werk. Zeven minuten na Carlos’ telefoontje was ze in de lobby met een kleine tas met daarin twee dvd’s voor haar oom. Ze stormde langs de portier met een brede glimlach en een stuk kauwgom in haar mond. Daarna rende ze naar de vijfde verdieping en vond ze Carlos in de meterkast naast de lift, waar hij de kabels nakeek. ‘Klaar?’ vroeg ze. ‘Ja, kom op,’ zei hij. 20


Hij gaf haar een paar minizenders. Ze trok haar jas uit en smeet die naast Carlos in de kast. De zendertjes waren even groot als de dop van een bierflesje. Het waren wonderbaarlijke zelfklevende apparaatjes die door de Amerikaanse overheid voor vijf dollar per stuk uit Singapore waren geïmporteerd. Ze konden de gesprekken in het appartement volgen en tegelijk de gegevens van het perfect geconfigureerde – en schijnbaar beveiligde – draadloze computernetwerk stelen. Bovendien konden ze de radiogolven van een computerscherm opvangen. De levensduur van deze zendertjes was een jaar. Ze gaven een ultrahoge toon af die slechts enkele mensen konden horen, maar verder waren ze prima. Tenzij ze door iemand opgemerkt werden. Tenzij de hond door het lint ging. Naast het werk dat Carlos in de kelder had gedaan, wilde hij deze apparaatjes gebruiken voor dit slachtoffer. Dat was het vang­net voor het geval een van de andere systemen niet bleek te werken. Carlos en Janet gingen aan het werk. Ze trokken plastic handschoenen aan. Carlos zette de lift stil en ging op wacht staan. Janet gebruikte de loper om het appartement binnen te komen. Niemand thuis. Geen huisdieren. Geen alarm. De perfecte situatie voor een inbreker. Snel beoordeelde ze de situatie. Het was het appartement van een vrouw. Normale keuken en eetkamer. Een woonkamer vol boekenkasten. Dit slachtoffer las blijkbaar veel en misschien was dat wel een van de redenen waarom ze zou worden afgeluisterd. Mensen die veel lazen, waren altijd verdacht. Er stonden boeken in verschillende talen en er hing een Russische poster met een foto van Gorbatsjov of Jeltsin erop. Janet kon maar niet onthouden wie wie was. De ene had een vreemd kaal hoofd dat eruitzag alsof er een aardbei op was platgedrukt. De andere had te veel wit haar, als een ijsbeer. De ene stond boven op een tank om een staatsgreep te voorkomen en de andere maakte reclame voor de Pizza Hut. Wat maakte het uit wie wie was? Al had er een poster van Lenin gehangen met de tekst ‘Arbeiders aller landen, shoppen maar!’ Bij de stereo-installatie, onder de Russische poster, lag een stapel cd’s, waarvan veel buitenlandse. Hoe revolutionair kun je zijn?! 21


In de woonkamer stond een salontafel. Janet stak haar hand onder de onderste plank, vijftien centimeter boven de grond. Ze plakte een van de zendertjes onder aan de plank. Dat was één. Toen ging ze naar de slaapkamer en keek snel rond. Ze zag een paar foto’s van de bewoonster op het strand, in de armen van een man. Wow! Ze zag er goed uit in haar Speedobikini en de man was een gespierde bink. Zij zag eruit als een makelaar en hij als een strandwachter. Ze leken niet verdacht, maar dat gold voor de meeste onruststokers. Doorwerken nu. Deze twee moeten iets gedaan hebben, anders zouden ze niet op de lijst staan. In de slaapkamer ging Janet op haar knieën zitten. De tweede zender paste perfect onder het hoofdeinde van het bed. Janet grijnsde toen ze hem daar plaatste: zenders in de slaapkamer konden bijzonder interessante geluidsfragmenten opleveren. Ze sprong weer overeind. Nu moest ze de zenders testen. Ze maakte via haar mobiele telefoon verbinding met de zenders en activeerde ze. Ze werkten feilloos. Mooi. Opschieten. Zesendertig seconden later stapte ze het appartement uit en de hal in. Er waren nog geen drie minuten verstreken. Ze stak haar duimen in de lucht naar Carlos, die nog steeds op wacht stond. Er werd niet gesproken. Carlos liep terug naar de liften en zette ze weer in werking. Janet ging het appartement van haar oom binnen en legde de dvd’s daar neer. Ze zou er die avond wel meer van horen aangezien ze, bij toeval, had afgesproken te komen eten en bijles geschiedenis van hem te krijgen. Ze haalde haar jas uit de meterkast. Vijf minuten later liep ze weer door de lobby naar de uitgang. De portier knipoogde naar haar. Ze glimlachte en knipoogde terug. Ze liet niet merken dat ze van hem walgde. Die man was drie keer zo oud als zij! Een rijke oudere man was nog íets, maar een portier? Echt niet! Ondertussen had Carlos het gebouw via de dienstingang verlaten en even later zaten ze samen in de auto. Tot nu toe hadden ze een goede dag. Er was nog één andere klus die ze die dag moesten klaren. Aangezien ze door de belastingbetalers werden betaald, waren ze een uitstekend voorbeeld van overheidsefficiëntie.

22


Vier N N N

De ongewoon koude winteravond was gevallen over de stad Washington. In haar kantoor zette Alex haar hoofdcomputer uit. Ze bekeek haar e-mail op de tweede computer, die waar de geheime bestanden op stonden, en zag dat er een paar minuten geleden een bericht was binnengekomen. Ze herkende de afzender niet en trok een grimas. ‘Ik kom hier vandaag niet meer weg, geloof ik,’ mompelde ze in zichzelf. Ze opende het bericht en hoopte maar dat het iets was wat ze snel kon afhandelen. Ze had het kunnen weten: geheim bericht. Dit is een geheim bericht van de overheid van de Verenigde Staten en is alleen bedoeld voor de geadresseerde. Als u dit bericht ten onrechte ontvangt, verwijder deze e-mail met bijlagen alstublieft zonder het te lezen of te openen.

‘Ja, natuurlijk,’ mompelde ze nu iets harder. De afgelopen tijd was het haar gewoonte geworden tegen de computer te praten, of te schelden als ze niet blij was met wat ze op het scherm las. Dat was meestal het geval aan het eind van een lange dag. Praten veranderde echter niets aan het bericht. Ze werd verzocht de volgende ochtend naar een speciale vergadering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te komen. Ze moest in het hoofdgebouw aan C-Street zijn, op twintig minuten loopafstand van het Ministerie van Financiën, langs Pennsylvania Avenue en dan door Twenty-first Street. Kamer 6776 B. Er stonden verder geen gegevens in, alleen dat ze er om acht uur ’s morgens moest zijn. 23


Ze staarde even naar de tekst. Was dit een officiële e-mail of een grap die iemand na werktijd uithaalde? Het Ministerie van Buitenlandse Zaken? FinCen was in 2007 gereorganiseerd en maakte deel uit van het Ministerie van Financiën, dat samenwerkte met andere Amerikaanse inlichtingendiensten: de fbi, de Nationale Inlichtingendienst, de cia en de onlangs gereorganiseerde Immigratie- en Naturalisatiedienst. Via deze connecties had Alex een man leren kennen die Robert Timmons heette. Hij was een agent van de Amerikaanse geheime dienst en werkte in het presidentiële beveiligingsteam op het Witte Huis. Ze was met hem verloofd en ze zouden in juli trouwen. Aan haar linkerhand droeg Alex de diamant die Robert haar had gegeven. Het presidentiële beveiligingsteam werd tegenwoordig ‘Einsteindienst’ genoemd. Alle presidenten hadden van de beveiligingsmensen van de geheime dienst bijnamen gekregen. Clinton werd ‘Elvis’ genoemd. Clintons voorganger, Bush, was letterlijk vertaald: ‘Struik’. De huidige president, die afgelopen november was gekozen, heette ‘Einstein’. Dat was niet omdat de president zo slim was, maar omdat hij dácht dat hij slim was. En omdat hij zich vaak onzorgvuldig kleedde. Er speelde een glimlachje om haar lippen terwijl ze over de e-mail nadacht. Misschien… Ze pakte de telefoon en belde Robert op het Witte Huis. Timmons was een van de lijfwachten van de nieuwe president, maar ook de verbindingsofficier tussen de Amerikaanse geheime dienst en buitenlandse beveiligingsdiensten. Het was niet onmogelijk dat hij haar een persoonlijk bericht had gestuurd in de vorm van een officieel document. Hij klonk zakelijk toen hij opnam. ‘Hoi,’ zei ze. ‘Spreek ik met Black Dog?’ Toen hij haar stem herkende, ging hij zachter praten. ‘Hoi,’ antwoordde hij. ‘Zo word ik inderdaad wel eens genoemd.’ ‘Weet je iets over die vergadering waar ik morgenochtend naartoe moet?’ Het was even stil en toen zei hij: ‘Daar weet ik alles van.’ ‘Waarom weet jij het wel en ik niet?’ vroeg ze. ‘Of is dit misschien een trucje van je om ervoor te zorgen dat ik je opbel en we samen uit eten kunnen gaan?’ ‘Ik ga graag met je uit eten,’ zei hij, ‘maar dat bericht over het 24


Ministerie van Buitenlandse Zaken is echt waar.’ Het was weer even stil. ‘Denk aan de Oranje Revolutie.’ Het duurde slechts een paar seconden voor ze het wist. ‘Oekraïne? De voormalige Sovjetrepubliek?’ ‘Precies. De president bezoekt over een maand Kiev. Ik hoop dat je paspoort nog geldig is.’ ‘Mijn paspoort is geldig, maar ik sta niet te trappelen. Kun je mijn naam niet van de lijst halen?’ ‘Dat had ik kunnen doen.’ ‘Nadat ik bijna doodgeschoten ben in Lagos, is de sportschool de enige plek waar ik nog naartoe wil. En wel nu meteen.’ Ze keek op haar horloge en zag dat het bijna zeven uur was. Het was weer even stil. ‘Zullen we daarna naar een Grieks restaurant gaan?’ ‘Waarom niet,’ gaf ze toe. ‘Misschien kan ik me op een spies werpen. Of ik spiets jou eraan omdat je mijn naam niet van de lijst af hebt gehaald.’ ‘Prima,’ antwoordde hij. ‘Dan zie ik je om tien uur in het Athenian.’ ‘Neem bloemen mee,’ zei ze. ‘Ik ben heel erg boos op je.’ ‘Ik zou me niet durven vertonen zonder,’ zei hij. Alexandra en Robert hadden elkaar vier jaar geleden in Washington ontmoet. Hun werkgevers hadden besloten dat ze hun talenstudies moesten vervolgen. Daarom hadden ze zich allebei ingeschreven voor een cursus over Spaanse literatuur aan de universiteit van Georgetown. Ze lazen bizarre maar fascinerende Zuid-Amerikaanse boeken in het Spaans, wat ze beiden vloeiend spraken. De hoofdpersonen spraken direct tegen engelen, demonen en soms zelfs tegen God. Ze kregen vleugels en vlogen weg. Ze droegen magische ringen, raakten bevriend met wilde dieren en reisden door verschillende universums. Alex en Robert konden het meteen goed met elkaar vinden en wat hen bond, waren hun bijbaantjes op de boerderij – Alex had als tiener op een veeboerderij gewerkt en toen Robert op de middelbare school zat, had hij op een melkveehouderij gewerkt, waar hij het vee voerde, met hooi sjouwde, mest schepte en af en toe een dood kalf begroef. Een paar weken nadat de cursus afgelopen was, had de geheime dienst Robert naar Seattle gestuurd en vervolgens 25


naar San Fransisco, terwijl Alex voor fbi-bureaus in Philadelphia en New York werkte. Drie jaar lang zagen ze elkaar niet. Later, in 2006, toen Robert in het Witte Huis werkte en zij voor het Ministerie van Financiën, had hij haar opgezocht. Hij was een geheim agent, maar hij was ook de man met een golden retriever, Terminator, die hij zijn ‘kind uit een eerdere relatie’ noemde. Hij was Alex’ schaakpartner, een kerel die thuis een petje van de Detroit Tigers droeg als hij naar sport keek en vaak tegelijk een nieuw boek las. Hij was een golfer met handicap vier en een amateurgitarist. Hij was de enige van Alex’ kennissen die het voorstukje van Led Zep’s ‘Black Dog’ kon spelen. Daarom hadden zijn klasgenoten op de opleiding van de geheime dienst in Turco in Georgia hem die stoere bijnaam gegeven. Black Dog. Veel van zijn collega’s noemden hem nog steeds zo. Het was ook vaak zijn codenaam als hij op missie was. Alex vond het wel grappig. Robert was juist zo’n alledaagse man, daarom was de bijnaam perfect door zijn imperfectie. Ingewijden in Washington wisten dat de mensen van de geheime dienst bijzonder arrogant waren. Ze waren snel op hun tenen getrapt en trokken graag de aandacht. Ze waren moeilijk in de omgang omdat hun werk altijd voor alles ging, zelfs voor persoonlijke relaties. ‘Mensen vragen me vaak hoe het is om een relatie te hebben met een geheim agent,’ zei Alex vaak tegen anderen. ‘Dan zeg ik altijd: “Ik heb geen relatie met een geheim agent, maar met Robert Timmons.”’ De mensen van de geheime dienst zouden de beste schutters uit de hele overheid zijn. Volgens de verhalen konden ze van vijftien meter afstand een sigaret uit de snavel van een meesje schieten, terwijl hun gevederde vriend onbeschadigd door bleef fluiten. Die vogel had die stinkstok natuurlijk niet eens moeten opsteken. Alex was op de schietbaan beter dan Robert, iets wat hij schoorvoetend toegaf en bewonderde. Ze hadden een buitengewoon goede relatie. Hij was alles voor haar en andersom. Hij was ook degene die altijd voor haar klaarstond en haar accepteerde zoals ze was, en dat had ze in haar hele leven nog nooit meegemaakt. Hij was ook de man met wie ze naar 26


de kerk ging als hij op zondagochtend niet hoefde te werken en dat was heel speciaal voor haar. Ze pasten perfect bij elkaar. Hij had een schaakbord in haar appartement neergezet. Hij hield van de stukken die figuren uit de Burgeroorlog verbeeldden en ze waren altijd wel met een spel bezig. Soms deden ze als hij langskwam allebei twee zetten, of vier, of zes, in een spel dat dagen duurde. Hij liet graag lieve of grappige briefjes voor haar achter tussen handdoeken, onder een schaakstuk, in het medicijnkastje, in de vriezer, op een raam… overal. Dan, als hij weg was, stuurde hij e-mails waarin een hint stond over de plaats waar de briefjes te vinden waren. ‘Kijk in de doos van de cornflakes,’ stond in de ene. ‘Misschien moet je achter de televisie kijken,’ stond in de andere. Hij kon niet reizen zonder haar te bellen. Als het kon – en ze vonden altijd wel een mogelijkheid – gaf hij haar altijd een afscheidszoen voordat hij de stad verliet voor een missie. Ze hadden allebei een zwak voor countrymuziek, tot groot afgrijzen van de meeste mensen in het oosten. Het was echte blanke soulmuziek van mensen wier naam nog steeds goed klonk als je hun voor- en achternaam omdraaide: Travis Randy, Tritt Travis, Black Clint, Paisley Brad, Gill Vince. Zelfs Chicks Dixie. Robert noemde het ‘Waffle-Housemuziek’, maar hij gaf toe dat hij het ook leuk vond, vooral de vroege Cash Johnny. Waffle-Housemuziek. Robert kon haar altijd aan het lachen maken, maar ze hadden ook serieuze gesprekken gevoerd, voor en nadat ze hadden besloten te gaan trouwen. Robert had ook eens met haar gesproken over jong sterven. ‘Als ik vroeg moet sterven, is “in de vuurlijn” geen slechte manier,’ had hij gezegd. Hij had haar gezegd dat ze moest openstaan voor een nieuwe man als hem iets zou overkomen nadat ze getrouwd waren. Het was natuurlijk slechts theorie. Geen van beiden had ooit serieus gedacht dat hun iets zou overkomen. Dat soort vreselijke dingen gebeurde alleen bij anderen.

27


Wanneer één van de liberale leden van het Amerikaanse hooggerechtshof plotseling overlijdt, ziet zittend president Wallace dit als een kans om zijn stempel te drukken op de komende generaties. Hij kandideert een uitgesproken conservatieve rechter. De senaat is in alle staten en maakt zich op voor een gevecht met het Witte Huis. Advocaat Eli Faulkner uit Tennessee neemt de verdediging op zich van een arts die verdacht wordt van moord. Alles wijst erop dat de arts schuldig is, maar Faulkner heeft zijn twijfels. Washington Post-verslaggever Holland Fletcher wordt getipt over een complot in Washington DC. Sommige senaatsleden schuwen geen geweld om hun doel te bereiken. Wanneer deze drie verhaallijnen bij elkaar komen, staan de Verenigde Staten op de rand van een nationale crisis. Eén vraag staat centraal: hoe houdt president Wallace de zaak in de hand? Deze met vaart geschreven thriller houdt de lezer van het begin tot het einde in zijn greep. Jerome Teel wordt wel de christelijke John Grisham genoemd. Als jurist weet hij als geen ander hoe de Amerikaanse rechtspraak in elkaar steekt. Zijn kennis van de Amerikaanse politiek is indrukwekkend.

ISBN: 978 90 239 9308 7 Uitvoering: paperback Blz: 332 pag. Prijs: € 18,90


1 N N N

Brentwood, een voorstad van Nashville, Tennessee ‘Ik heb er niet op aangestuurd,’ zei Jessica Caldwell. ‘Dit is wel het laatste wat ik op dit moment kan gebruiken.’ Jessica zei het door de draadloze telefoon die naast een messing lamp, de wekker, twee onuitgelezen boeken en de afstandsbediening van het platte televisiescherm in haar slaapkamer op het nachtkastje had gelegen. Ze had aarzelend opgenomen nadat ze het nummer had herkend. Ze had tegen dit gesprek opgezien als tegen een berg, maar ze kon er niet langer omheen. Het ging niet over koetjes of kalfjes en het was meteen na het eerste woord omgeslagen in ruzie – wat ze wel had verwacht. ‘Maar het is gebeurd en we moeten er iets mee,’ zei Jessica. Ze zat midden op bed, in de slaapkamer op de bovenste verdieping van haar woning in Brentwood, haar benen en voeten nog onder de dekens en voor de rest gehuld in een T-shirt van de Vanderbilt University. Het licht van de halve maan glipte tussen de kieren van de luxaflex door. Het enige andere licht kwam van haar digitale wekker. Het was kwart voor twaalf ’s avonds, maandag, de tweede week in mei. Jessica was laat thuisgekomen na een etentje, had zich omgekleed en nog een poosje televisie gekeken voordat ze in bed was gekropen. Het had even geduurd voordat ze tot rust was gekomen. Ze sliep nog maar net toen de telefoon ging. ‘Ik héb opgepast,’ pareerde ze het verwijt aan de andere kant van de lijn. ‘Ik gebruik al jaren de pil.’ Ze was zowel geïrriteerd als bang. Niemand had ooit zo’n toon 9


tegen haar aangeslagen. Ze verschoof haar benen en sloeg ze onder de dekens over elkaar, haar hoofd op haar linkerhand steunend, de telefoon in haar rechterhand. Ze sloot kort haar ogen. ‘Ik zei toch dat ik er niet op uit was. Bovendien is het niet alleen míjn schuld. Je hebt er twee voor nodig, voor het geval je dat niet meer wist.’ Jessica haalde een hand door haar halflange, kastanjebruine haar en deed het achter haar oren. Er welden tranen op in haar bruine ogen, maar ze weigerde ze de vrije loop te laten. Die voldoening gunde ze hem niet. Ze had al nooit van de man aan de andere kant van de lijn gehouden, maar in de loop van het gesprek begonnen haar gevoelens gevaarlijk dicht aan haat te grenzen. Nee, concludeerde ze. Haat is nog te min. Ik walg van hem. ‘Ik wil dit net zo min als jij,’ zei ze. ‘Ik heb pas een baan en…’ Hij onderbrak haar met geschreeuw en gevloek. Dat had hij tijdens hun relatie nog nooit gedaan. Hij was altijd vriendelijk en galant geweest. Het was meer dan ze aankon. Zeker meer dan ze verwachtte. Bij zijn volgende opmerking schoot het hart haar in de keel. Ze slikte en antwoordde vastberaden. ‘Geen denken aan. Dat is verkeerd. En het is nog altijd mijn lijf. Ik doe wat ik wil.’ De stortvloed van grove woorden verergerde. Het maakte haar alleen maar kwader. Jessica verwenste de dag waarop ze hem had ontmoet. Was hij maar dood! ‘Wát?’ schreeuwde ze door de telefoon, terwijl ze hard op het dekbed stompte. ‘Aan je vrouw verteld? Ben je gek? Natuurlijk niet! Waarom zou ik?’ Jessica kon zich langer bedwingen. Haar weerstand brak en de tranen stroomden over haar wangen. De man aan de andere kant van de lijn bleef schreeuwen. Ze hadden tot nu toe een bevredigende relatie gehad. Het was geen liefde, wist Jessica, maar ze verkeerden graag in elkaars gezelschap. Totdat het ene tot het andere had geleid en dit was gebeurd. Hij had gekregen waar hij op uit geweest was – haar. Maar het was genoeg geweest. Jessica bezwoer dat hun intieme relatie hiermee voorbij was. Na deze tirade kon ze onmogelijk met hem doorgaan. Toch zou er altijd een bepaalde verbondenheid tussen hen blijven. Dat was onvermijdelijk. Het gesprek moest evenals de relatie worden beëindigd. Ze werd misselijk van hem. Even hield Jessica de telefoon van zich 10


af, in een opwelling de verbinding te verbreken. Met haar andere hand veegde ze de tranen van haar wangen. ‘Geen idee hoe je vrouw erachter is gekomen,’ schreeuwde ze ten slotte, na de scheldpartij opnieuw minutenlang geïncasseerd te hebben, ‘maar ik heb het helemaal gehad. Ik hang op.’ Hij bleef tieren tot ze de telefoon liet zakken en de verbinding met een druk op een toets verbrak. Voordat ze het toestel met een klap op het nachtkastje deponeerde, schakelde ze het helemaal uit. Woedend rukte ze ook het snoer van het basisstation uit de wandcontactdoos. Gerustgesteld omdat ze niet meer gebeld kon worden, begroef Jessica haar gezicht in het kussen en huilde. Het Witte Huis, Washington President Richard Wallace liet de twee in het zwart geklede geheim agenten in de hal achter en betrad de presidentiële vertrekken van het Witte Huis. Het was de enige plek ter wereld waar hij nog enige privacy had. Een zeldzaam goed, sinds zijn benoeming achttien maanden geleden. Hij was een knappe man. Vijfenvijftig jaar oud. Bruin maar al grijzend haar. Vastberaden kaaklijn. Sterk. Hij trainde bijna elke dag in de fitnessruimte van het Witte Huis. Terwijl hij zijn colbert uittrok en zijn stropdas wat losser deed, baande president Wallace zich in het donker een weg naar de ruime slaapkamer die hij met zijn vrouw Lauren deelde. Het was dinsdagnacht één uur en hij was al sinds maandagochtend half vijf op. Hij knipte een lamp aan, in de zitkamer die aan hun slaapvertrek grensde – meer licht zou Lauren kunnen wekken – en drapeerde zijn colbert over een stoelleuning. Iemand van de huishouding zou het morgenvroeg wel vinden, laten stomen en terughangen in de kast voordat hij het weer nodig had. Hij rekte zich uit en geeuwde voordat hij op de bank plofte. Hij probeerde zo stil mogelijk te doen voor Lauren. Hij zette zelfs de televisie niet aan. Hij liet zijn hoofd achterover zakken en sloot zijn ogen. Ondanks zijn inspanningen haar niet te wekken, deed Lauren de tussendeur open en vroeg zacht in de deuropening: ‘Kom je ook?’ ‘Over een paar minuten.’ Hij gluurde tussen zijn oogleden door. ‘Even tot rust komen. Ik wilde je niet wakker maken.’ 11


Lauren kwam verder de kamer in. Ze droeg een blauwe, zijden pyjama en trok een bijpassende kamerjas aan terwijl ze op haar man toeliep. Lauren, een aantrekkelijke en slanke brunette met een uiterst elegant voorkomen, zelfs om één uur ’s nachts, was even oud als president Wallace. ‘Ik sliep nog niet zo lang,’ zei Lauren. ‘Moet ik iets voor je pakken?’ ‘Nee, dank je. Het was een lange dag. De ene crisis na de andere.’ Hij krabde op zijn hoofd en ging rechtop zitten. ‘Ik heb vanavond het gezin van rechter Robinson gebeld. Zij denken dat ze de ochtend niet haalt.’ Lauren ging op de bank zitten, draaide zich naar haar echtgenoot toe en trok haar benen onder zich op. Ze zette haar rechter elleboog op de rugleuning. Hij pakte haar linkerhand. ‘Vreselijk.’ Er verscheen een zorgelijke blik in haar warme, bruine ogen. ‘Een prettige vrouw vond ik haar, de paar keer dat ik haar heb gesproken.’ ‘Vind ik ook,’ zei hij treurig. ‘Ik ben het niet altijd met haar eens, maar ze verstaat haar vak.’ ‘Heb je al een vervanger op het oog?’ Wallace geeuwde. ‘Porter McIntosh en het Federaal Hooggerechtshof zijn al enkele weken bezig met een inventarisatie. Waarschijnlijk heb ik komende week al een gesprek met de belangrijkste kandidaten. Het Federaal Hooggerechtshof begint de eerste week van oktober weer. Dat is al over vijf maanden. Veel tijd voor een benoeming hebben we niet.’ ‘Het is een belangrijk besluit.’ Dat was een understatement. Een universiteit of een huis uitzoeken was een belangrijk besluit. Dit was een ongelofelijk verstrekkend besluit. ‘Het is misschien wel een van de ingrijpendste besluiten, zo niet hét ingrijpendste, uit mijn presidentiële loopbaan. Ik ben ervan overtuigd dat dit een van de redenen is waarom God mij op deze plek heeft gesteld.’ ‘Wordt het moeilijk, denk je, om de kandidaat van je voorkeur benoemd te krijgen?’ Wallace liet haar hand los en vouwde zijn armen achter zijn hoofd. Hij ging verzitten. Zijn schouders deden zeer. De vermoeidheid had hem eindelijk ingehaald en hij kon zijn ogen nauwelijks open houden. Hij wendde zijn hoofd naar Lauren. 12


‘Het zal een van de venijnigste en onbeschaamdste politieke procedures worden die ik me kan indenken,’ zei hij. ‘De liberale lobby’s en linkse senatoren zullen zich meedogenloos storten op iedereen die ik naar voren schuif. Het zal niet de schoonheidsprijs verdienen. Maar de benoeming is het vechten waard.’ Hij liet zich terugzakken in de bank en sloot zijn ogen. De schouderpijn nam iets af. ‘Kom nou naar bed,’ drong Lauren aan. ‘Je ziet er doodmoe uit.’ ‘Over een paar minuten,’ mompelde hij. ‘Ga maar vast.’ Hij deed zijn ogen open omdat ze niets terugzei. Haar bezorgde blik beantwoordde hij met een geruststellende glimlach. Lauren glimlachte terug en kuste hem op zijn wang. Ze kneep liefdevol in zijn hand en stond op. ‘Blijf niet te lang op. Er staat je morgen opnieuw een lange dag te wachten.’ ‘Oké,’ beloofde hij. Lauren verdween in hun slaapkamer en sloot de deur. President Wallace bleef alleen achter. Hij ging op de rand van de bank zitten, boog zijn hoofd, sloot zijn ogen en fluisterde: ‘Heer, ik weet dat U alles in de hand hebt. Ik bid voor rechter Robinson en haar gezin. Genees haar, als het uw wil is. Troost haar, alstublieft. Maar als zij overlijdt, troost haar gezin dan. Ook bid ik om wijsheid en leiding bij de beslissing die voor me ligt. Geef niet alleen mij kracht en inzicht, maar ook degene die U me aanwijst als kandidaat voor het Federaal Hooggerechtshof. Help mij uw wil te verstaan. Amen.’ Hij stond op en wreef in zijn ogen. Geruisloos betrad hij de slaapkamer. Eindelijk tijd om te gaan slapen. Hij had het hard nodig. Het Omni Office Center, Nashville, Tennessee ‘Ik ben Elijah Faulkner en ik heb vanmiddag een afspraak met Merrick Armstrong,’ meldde Eli de receptioniste terwijl hij vanuit de lift, die pal voor de balie uitkwam, het kantoor van Chandler & Spivey Advocaten in liep. De receptioniste werd van bezoekers gescheiden door een middelhoge, overdadig bewerkte marmeren muur met een bovenblad van onyx. Haar domein was een van de sjieke ontvangstplekken van Chandler & Spivey, de firma die de 13


tiende, elfde en twaalfde verdieping van het Omni Office Center in het hart van Nashville besloeg. De receptioniste glimlachte vriendelijk. ‘U wordt verwacht. Als u naar de Walker B. Chandler vergaderkamer zou willen gaan’ – ze wees naar een deur aan de andere kant van de hal – ‘komt meneer Armstrong zo bij u.’ Eli ging de kamer binnen en zette zijn diplomatenkoffer op het hoofdeinde van de lange mahoniehouten tafel vlak bij het schilderij van Walker B. Chandler, een van de grondleggers van Chandler & Spivey. Hij deed de knoopjes van zijn grijsgestreepte colbert los en liep naar de rij ramen met uitzicht op het Centennial Park en de replica van het Parthenon. Zijn gestalte van bijna één meter vijfennegentig en zijn golvende zwarte haar weerspiegelden in het glas. Het buitentafereel herkende Eli van de ontelbare keren dat zijn werk als advocaat hem al naar Nashville had gebracht, om het gevecht aan te gaan met een van de advocaten van Chandler & Spivey. Hoewel Eli wist dat het nog fris was, bewees het park dat de lente het groen stukje bij beetje uit zijn winterslaap haalde. Het was dinsdag, de tweede week van mei, en de kille aprilregens hadden zich neergelegd bij de stijgende temperatuur. De bomen rond het park puilden uit van de knoppen en groene loten schoten overal uit de eerder zo sombere grond. Hij grinnikte bij de ironie. Na jaren van virtuele dood door toedoen van Merricks cliënt, zou zijn eigen cliënt zijn leven vandaag wellicht ook terugkrijgen. ‘Meneer Faulkner,’ onderbrak een jonge vrouwenstem zijn gedachten. Eli draaide zich om in de richting van het geluid en zag een slanke, aantrekkelijke jonge vrouw in de deuropening staan. Ze was naar schatting midden twintig, had lang blond haar en nog langere benen onder het rokje dat tot boven haar knieën reikte. Ze was er duidelijk van overtuigd dat ze beter zou uitkomen op de cover van Vogue dan op een advocatenkantoor. Toch was ze daar, bij Chandler & Spivey, in de hoop ooit ontdekt te worden. ‘Wilt u koffie of iets fris, in afwachting van meneer Armstrong?’ informeerde ze met een warme glimlach. ‘Koffie. Lekker,’ zei hij vaderlijk. Terwijl het model-in-spé wegsnelde, nam Eli plaats aan het eind van de vergadertafel, haalde zijn dossiers uit de diplomatenkoffer en legde ze voor zich. Flirtend kwam de jonge vrouw hem de koffie brengen. 14


Kort daarop arriveerde zijn cliënt George Thornton. Hij was enkele jaren ouder dan Eli, gedrongen en te zwaar. Hij had een forse neus, een lange kin en borstelige wenkbrauwen in dezelfde peper-en-zoutkleur als zijn haar. Eli had George Thornton al vanaf het begin gemogen. Hij had in hem onmiddellijk de eigenschappen herkend die hij in een man bewonderde: een harde werker, eerlijk en vastberaden. Dezelfde kwaliteiten die Eli in zijn eigen leven en carrière probeerde na te streven. En er was nog iets wat Eli in George aantrok: George was een echte familieman. Naarmate George en hij goede vrienden waren geworden, de afgelopen jaren, had hij die trouw duidelijk gezien. Hoe dieper hun vriendschap werd, des te vastbeslotener was Eli geworden om het onrecht ongedaan te maken dat George en zijn gezin was aangedaan. George ging rechts naast Eli zitten. ‘Waar zal het op uitdraaien, Eli?’ ‘Op wat ik je heb gezegd toen ik de zaak aannam,’ antwoordde Eli, met een blik in Georges donkere ogen. ‘Ik ben advocaat, geen tovenaar. Ik kan alles niet met een knip van mijn vingers terugdraaien. Maar we hebben jouw zaak goed opgebouwd en Armstrong is slim genoeg om te beseffen dat een jury overstag zou kunnen gaan en zijn cliënt dan met een negatieve uitspraak en hoge claims opzadelt.’ ‘Ik wil dat Rory Driscoll financieel bloedt voor alles wat hij mij en mijn gezin de afgelopen drie jaar heeft aangedaan. Wij hebben ons leven lang in Jackson gewoond. Ik heb Thornton Sportswear van de grond af aan opgebouwd en Driscoll heeft het me afhandig gemaakt. Sinds mijn vrouw en ik het faillissement moesten aanvragen, kijkt de hele stad op ons neer.’ George haalde diep adem. Elia zag de woede weer in hem opkomen. Hoewel hij het de man niet kwalijk kon nemen, moest George tijdens de vergadering wel rustig blijven. ‘Hij moet bloeden,’ herhaalde George tussen zijn tanden door. ‘Ik sta achter je. Maar je moet wel realistisch blijven. Ik heb gehoord dat Driscoll financiële problemen heeft en misschien binnenkort zelfs aan de grond zit. Als ze minimaal een miljoen bieden, zou ik het maar serieus overwegen.’ ‘Een miljoen dollar?’ 15


Eli zag de teleurstelling op het gezicht van zijn cliënt. Het klonk ook in zijn stem door. ‘Ik neem geen genoegen met een miljoen,’ antwoordde George. ‘Dat staat in geen verhouding tot alles wat wij hebben moeten doormaken.’ ‘Ik heb begrepen dat er niet veel over is, George. Armstrong heeft Driscoll vermoedelijk al zo’n vijfhonderdduizend dollar in rekening gebracht. De enige reden waarom ze nu over een schikking willen praten, is dat Driscoll vervolging door het Openbaar Ministerie wil voorkomen – anders blijven de rekeningen van Armstrong zich opstapelen. Ons probleem is dat het bewijzen van een overtreding van de ricco act maar één kant van de zaak is. Geld van Driscoll lospeuteren is een andere. Als Driscoll wordt vastgezet, krijg ik geen cent meer voor je los.’ Eli keek George nadrukkelijk aan om te zorgen dat hij de ernst van de situatie begreep. ‘Zoals ik al zei: als ze met een miljoen komen, kunnen we het maar beter met beide handen aanpakken.’ Op dat moment kwamen Merrick Armstrong en Rory Driscoll de vergaderkamer in. Merrick, die ouder was, liep voorop bij hun gewichtige binnenkomst. Hij droeg een onberispelijk wit overhemd met een gestreepte vlinderstrik. Hij was iets te zwaar, wat het duidelijkst opviel bij zijn wangen. Afgezien van wat grijzend zwart haar boven zijn oren was hij kaal. Rory droeg een maatkostuum dat, zo vermoedde Eli, was betaald met geld dat hij George Thornton had afgetroggeld. Zijn zwarte haar, in een keurige scheiding, zat plat tegen zijn hoofdhuid. Alles aan Rory’s voorkomen, vooral zijn branieachtige manier van lopen, irriteerde Eli. De man was net zo glad als zijn kapsel. In de loop van de procedure had Eli ontdekt dat George Thornton niet de eerste was die door Rory was opgelicht. Alleen was Rory ditmaal gesnapt. Slachtoffers zoals George Thornton helpen hun recht te krijgen van zwendelaars zoals Rory Driscoll, was een van de redenen waarom Eli van zijn vak hield. ‘Eli, meneer Thornton,’ zei Merrick koel, terwijl hij bij het hoofdeind van de tafel tegenover Eli plaatsnam. Hij gaf geen van beiden een hand. Eli en George knikten in de richting van hun tegenstander. Rory zei niets. ‘Ik neem aan dat u weet waarom ik u heb uitgenodigd,’ vervolgde Merrick. ‘Meneer Driscoll en ik zijn bereid een eventuele schikking te bespreken.’ 16


Eli en Merrick marchandeerden het overgrote deel van de middag met elkaar. Biedingen, tegenbiedingen en hoog spel maakten deel uit van de onderhandelingen. Twee uur na het begin van de vergadering kwam Merrick met de woorden waar Eli op had gewacht. ‘We kunnen een miljoen opbrengen,’ zei Merrick met een onbewogen maar vastberaden gezicht. ‘En dat is ons laatste bod.’ Eli leunde achterover in zijn stoel, wreef bedachtzaam over zijn kin en zuchtte. ‘Ik moet met mijn cliënt overleggen.’ George en hij verontschuldigden zich en verlieten de kamer. Eenmaal buiten gehoorafstand van Merrick en Rory wendde Eli zich met gedempte stem vol overtuiging tot George. ‘Ik raad je aan het te accepteren, George. Volgens mijn bronnen heeft Rory geen geld meer en staat hij voor een faillissement. In dat laatste geval is er geen enkele hoop meer op welk bedrag dan ook.’ ‘Ik weet het.’ George oogde terneergeslagen. ‘Het gaat me eigenlijk nog meer om Rory te straffen dan om het geld. Ik kan je niet vertellen hoe vaak ik in gedachten al zijn strot heb dichtgeknepen.’ ‘Een miljoen is geen onaardige straf.’ Eli fronste zijn wenkbrauwen om de woorden kracht bij te zetten. ‘Ik wed dat hij de dag waarop jullie elkaar hebben ontmoet net zo verafschuwt als jij. Dankzij jou onderzoeken de federale autoriteiten ook andere bedrijven van Driscoll. En neem van mij aan dat niemand de fbi graag op zijn huid heeft. We pakken dat miljoen en daarmee af.’ Eli voelde dat George niet overtuigd was en boog zich dichter naar hem toe. ‘Ik ken Merrick Armstrong, George. Hij mag dan niet de beste advocaat in de staat zijn, maar zijn naam staat niet vanwege zijn mooie blauwe ogen als derde in het briefhoofd van Chandler & Spivey. Als we dit aanbod laten schieten, gooit hij het op een akkoordje met het Openbaar Ministerie waarna Driscoll z’n faillissement aanvraagt. Dan sta jij in de kou.’ ‘Oké,’ gaf George met tegenzin toe. ‘Maar ik wil het geld vóór ons vertrek elektronisch op jouw derdengeldenrekening gestort zien. Ik wil niet het risico lopen dat hij zich bedenkt.’ Met deze consensus betraden Eli en George opnieuw de vergaderruimte en verklaarden dat zij akkoord gingen. Tegen vier uur kreeg Eli bericht dat zijn bank het geld had ontvangen. George en hij ondertekenden de benodigde documenten die Merrick had laten opstellen, waarna ze vertrokken. 17


George bedankte Eli en leek opgelucht dat het hele drama eindelijk voorbij was. Hoewel Eli een niet onaanzienlijke vergoeding voor zijn werk kreeg – eenderde van de totale som – betekende Georges waardering evenveel voor hem, zo niet meer.

18


2 N N N

Onderweg naar Jackson, Tennessee Eli stuurde zijn donkergrijze bmw 760 li de parkeergarage achter het Omni Office Center uit en voegde zich in westelijke richting bij de verkeersstroom op West End Avenue. Aangezien enkele auto’s, vrachtwagens en bussen zijn rijstrook verstopten, loodste hij de wagen zigzaggend door het verkeer. Zijn bmw reageerde moeiteloos. Al gauw bereikte hij het I-440 knooppunt bij Nashville en draaide westwaarts de I-40 op, richting zijn kantoor en huis in Jackson, Tennessee. Aangezien hij de avondspits iets voor was, hoopte hij tussen zes uur en half zeven thuis te zijn. Terwijl hij reed, deed Eli zijn stropdas wat losser. Zijn colbert lag al op de achterbank. Hij probeerde zich wat te ontspannen en zong, weliswaar vals, mee met een paar oude songs op een radiozender die muziek uit de jaren tachtig draaide. Na enkele onbetaalbare minuten ging zijn mobiel. Volgens de nummerherkenning was het zijn kantoor en hij activeerde de handsfree carkit. ‘Eli.’ ‘Met Barbara.’ Barbara Lewis was al vijf jaar Eli’s secretaresse. Ze was midden vijftig en een betrouwbare, harde werker. Ze was ’s morgens altijd op tijd en bleef zonodig overwerken, iets wat Eli met een goed salaris honoreerde om te voorkomen dat zij naar een andere baan uitkeek. ‘Is de zaak van meneer Thornton geschikt?’ vroeg ze. Eli had haar die morgen op weg naar Nashville ingelicht over 19


het mogelijke compromis. De uitkomst zou haar dan ook niet verbazen. ‘Het geld staat al op onze derdengeldenrekening. Ik ben op de terugweg naar Jackson.’ ‘Dat is goed nieuws. Ik hoopte het al. Meneer Thornton zal wel opgelucht zijn.’ ‘Het kostte wat overredingskracht,’ zei Eli, ‘maar uiteindelijk besefte hij dat dit het maximaal haalbare was. Op kantoor nog iets?’ ‘Niets wat niet tot morgen kan wachten.’ ‘Wat staat er voor ’s ochtends in mijn agenda?’ ‘Niets. Ik heb alleen voor morgenmiddag een afspraak gemaakt met mevrouw Hawkins met betrekking tot haar zaak. De ochtend is vrij.’ ‘Prima,’ antwoordde Eli. ‘Dan begin ik wat later.’ Hij nam graag vrij na een succesvolle dag. ‘Dat vermoedde ik al. Prettige avond.’ Het huis van de familie Faulkner, Jackson, Tennessee Eli verbrak de verbinding en reed verder naar Jackson. Om kwart over zes draaide hij zijn wagen de dubbele garage in en parkeerde hem naast de rode Jaguar XJ7 Cabrio van zijn vrouw. Hun statige huis in koloniale stijl bevond zich in een besloten wijk in het noorden van de stad. Eli zette de bmw in de parkeerstand en trok zijn colbert van de achterbank. De garage was brandschoon, zoals altijd, en de contouren van de beide auto’s weerspiegelden op de glimmende betonnen vloer. Terwijl hij naar binnen liep, werd hij verwelkomd door de geur van pasta, Alfredosaus en knoflookbrood. ‘Hoe was je dag?’ informeerde Sara toen Eli de keuken in kwam. ‘Uitstekend. Eindelijk de zaak-Thornton geregeld.’ Eli legde zijn colbert op de rugleuning van een van de keukenstoelen en liep naar haar toe. Ze ging op haar tenen staan om hem een kus te geven. Ze omarmden elkaar. ‘Blij dat je thuis bent,’ zei ze liefdevol. ‘Mijn idee. Het was een lange dag.’ 20


Ze beantwoordde zijn warme glimlach op dezelfde manier. Eli vond het altijd heerlijk haar dicht tegen zich aan te houden. ‘Je bent nog even mooi als de eerste keer dat ik je zag.’ Hij schoof Sara’s blonde haar uit haar gezicht en keek in haar blauwe ogen. ‘Leve het cliché.’ ‘Nee, ik meen het.’ Hij hield haar nog wat langer vast, tot ze hem nog een kus gaf. ‘Je kunt me maar beter loslaten.’ Ze duwde tegen zijn armen die hij om haar middel had geslagen. ‘Anders brandt het eten weer aan.’ Na een laatste vluchtige kus liet Eli haar met tegenzin los. Sara roerde in de kokende pasta, Eli begon de tafel te dekken. ‘George Thornton,’ zei Sara. Aan haar toon te horen zocht ze naar de samenhang. ‘Is dat niet die man van die sportkleding?’ ‘Helemaal.’ ‘Volgens mij heb je er lang aan gewerkt.’ ‘Drie jaar. Ik ben blij dat de zaak is afgerond. En George al helemaal. Hij heeft het geld hard nodig, met twee studerende kinderen… Maar genoeg over George Thornton. Wat heb jij vandaag gedaan?’ ‘Ik ben eerst tot tien uur naar fitness geweest,’ antwoordde Sara. ‘Tussen de middag heb ik met Anne in de country-club geluncht. Na nog wat boodschappen ben ik de rest van de middag thuis geweest.’ ‘Hoe is het met Anne en Tommy?’ ‘Goed. Anne klaagde over het drukke voorjaar dat ze krijgen omdat zowel Jack als Harry in het jeugdteam gaat honkballen. Bovendien coacht Tommy twee teams.’ Eli pakte een karaf uit de koelkast en schonk twee glazen zoete ijsthee in. ‘Hij liever dan ik,’ stelde hij eerlijk, terwijl hij de glazen op hun plek zette. Anne en Tommy Ferguson waren karakteristieke overbezorgde ouders. Ze stortten zich volledig op alles wat hun kinderen deden. Honkbal. Pianoles. Schooltoernooien. Waar Jack en Harry ook aan meededen, Anne en Tommy waren er te vinden. ‘Anne zegt dat ze het leuk vindt.’ Sara haalde haar schouders op. ‘Ze wil voor geen goud een wedstrijd missen.’ Sara haalde de pasta van het fornuis en goot de pan af, in de 21


gootsteen. ‘Haal jij het brood uit de oven? Dat is het laatste. Alleen de sla nog.’ Eli trok ovenwanten aan en deed de klep open. De hitte sloeg hem in het gezicht. Hij zette de schaal met brood op het aanrecht. ‘Wanneer krijgen wij kinderen, Eli?’ Hij stond met zijn rug naar Sara toe. Haar stem klonk timide, alsof ze bang was erover te beginnen. Hij begreep haar terughoudendheid. Hij was in het verleden niet al te happig geweest wanneer het onderwerp ter sprake kwam. ‘Ik ben er helemaal aan toe,’ zei Sara. ‘Verjaardagsfeestjes, sportwedstrijden – alle leuke dingen die Anne en Tommy ook met hun kinderen doen.’ De kwestie was een permanent twistpunt. Zij wilde graag kinderen, hij was er niet klaar voor. De ene keer ging het er heftiger aan toe dan de andere keer. Sara herinnerde hem er herhaaldelijk aan dat ze inmiddels dertien jaar getrouwd waren en dat zij er niet jonger op werd. Hij wierp tegen dat hij midden in zijn carrière zat. Bovendien hield hij ervan om op elk moment gewoon overal heen te kunnen. Kinderen zouden hen alleen maar in hun vrijheid beknotten, voerde hij telkens aan. ‘Niet weer, Sara.’ Eli draaide zich om en maakte een afwerend gebaar. ‘Het was een zware dag en ik ben moe.’ Sara draaide hem bruusk de rug toe en stortte zich op de gemengde sla. ‘Waarom heb jij er toch zo’n hekel aan?!’ ‘Ik vind kinderen niet erg,’ kaatste hij terug. ‘Ik vind ze zelfs leuk. Ik ben er alleen op dit moment niet aan toe om ze zelf te hebben.’ Sara draaide zich om en keek hem doordringend aan. ‘Als je het mij vraagt, ben jij er nooit klaar voor.’ Het sarcasme droop ervan af. ‘De kinderen van onze vrienden zitten al op de basisschool. Sommigen zelfs al op de middelbare school.’ Eli wist hoe graag Sara kinderen wilde. Het werd steeds moeilijker haar aan te kijken en ‘nee’ te blijven zeggen. En toch deed hij het. Telkens weer. In elk ander opzicht hadden ze een volmaakt huwelijk. Ze waren trouwe kerkgangers. Ze hadden geen geldzorgen. Maar op dit ene punt bleven ze verdeeld – kinderen en het moment waarop. Andere kleine verschillen werden moeiteloos opgelost. Alleen dit bleef slepen. Sara bracht het niet vaak ter sprake. Ze leek er niet elke dag 22


mee bezig. Maar Eli wist hoe belangrijk het voor haar was. En toch kapte hij het gesprek alsmaar af, wel degelijk in het besef dat zijn weigering haar pijn deed. ‘Ik wil het er nu niet over hebben,’ zei hij stellig. ‘Ik heb honger. Eerst eten, dan hebben we het er later nog wel over.’ Ontmoedigd wendde Sara zich van hem af en zette de pasta, de saus en de sla op tafel. Eli had net de ovendeur dichtgeklapt toen een tafereel op het platte televisiescherm, op de eetbar in de keuken, zijn aandacht trok. Het geluid stond zacht, maar hij herkende de afbeelding van Vrouwe Justitia boven de rechterschouder van de vrouwelijke nieuwslezer. ‘Federaal Hooggerechtshof’ stond eronder. Eli greep de afstandsbediening en zette het geluid harder. ‘We hebben vanavond treurig nieuws,’ verklaarde de presentatrice. ‘Na een strijd van drie maanden tegen alvleesklierkanker, is rechter Martha Doyle Robinson van het Federaal Hooggerechtshof overleden. Rechter Robinson, acht jaar geleden benoemd door president Mitchell, werd beschouwd als een van de meest liberale rechters van het Federaal Hooggerechtshof ooit.’ Eli zette het geluid zachter en mompelde: ‘Dat gebeurt niet vaak.’ ‘Wat zeg je?’ vroeg Sara. ‘Rechter Robinson is vandaag overleden aan kanker,’ zei hij koel. Hij matigde zijn toon. Sara was nog steeds geprikkeld en hij wilde haar niet verder irriteren. ‘En ik zei dat er niet vaak nieuwe rechters aan het Federaal Hooggerechtshof worden benoemd.’ Eli ging aan het hoofd van de tafel zitten, Sara links van hem. De pasta smaakte goed, de thee was verfrissend, maar ze wisselden geen woord. Na het eten schoot Eli een spijkerbroek en een T-shirt aan. Hij plofte in zijn luie leren stoel in de zitkamer en zapte heen en weer tussen twee honkbalwedstrijden. De Marlins tegen de Cubs, en de Twins tegen de Orioles. Niet bijster interessant. Zijn lievelingsploeg, de Atlanta Braves, speelde vanavond niet. Hij schakelde over naar Fox News en bekeek een korte reportage over rechter Robinson. Sara negeerde Eli de hele avond en ging vroeg naar bed. Toen ook hij er eindelijk in kroop, na het late journaal, sliep ze al. Zij lag met haar rug naar hem toe, maar hij ontwaarde, door het sluike, halflange haar heen, nog voldoende van haar gezicht om een rode 23


zweem rond haar ogen te zien. Hij besefte dat Sara zich in slaap had gehuild. Hij sloot zijn ogen, zuchtte en werd overmand door schuldgevoel. Ben ik te egoïstisch? Ze hadden al zo vaak onenigheid gehad over Sara’s kinderwens. Alleen had hij haar nog nooit zo overstuur gezien. Hij boog zich over haar heen en kuste haar teder op de wang. ‘Ik hou van je,’ fluisterde hij. ‘Het komt allemaal goed.’ De Avenue of the Americas, New York City Woensdag, bijna tien uur ’s morgens. Stella Hannover stapte in de lift en drukte op de knop voor de zevenentwintigste verdieping van het veertig verdiepingen tellende gebouw. De drie anderen in de lift keken haar geen enkele keer aan en dat was prima. Ze was niet in de stemming voor plichtplegingen. Ze tikte ongeduldig met de neus van haar schoen op de vloer terwijl de lift eerst op vijf andere verdiepingen stilhield om mensen in en uit te laten. Toen ze eindelijk haar bestemming bereikte, stormde ze al naar buiten voordat de deuren helemaal open waren. Het was tijd om de strategie af te ronden. Ze had altijd geweten dat het er een keer van zou komen. De rechters van het Federaal Hooggerechtshof werden ouder, waardoor onvermijdelijk lege plekken zouden ontstaan. Ze had alleen nooit gerekend op de zetel van rechter Martha Doyle Robinson. Robinson was een van de jongere leden van het hof en een van Stella’s favoriete juristen. Stella had gehoopt dat er geen vacatures zouden ontstaan tijdens de regering-Wallace. Zelfs op dit moment begreep ze nog steeds niet waarom hij achttien maanden eerder was gekozen. Ze verachtte Richard Wallace. Hij vertegenwoordigde alles waar zij zich tegen verzette. Sinds zijn overwinning had Stella dan ook dag en nacht gewerkt aan het voorkomen van zijn herverkiezing. Maar het lot, en alvleesklierkanker, had president Wallace een mogelijkheid aangereikt de samenstelling van het Federaal Hooggerechtshof te veranderen en Stella was vastbesloten hem daarbij koste wat kost te dwarsbomen. Het overlijden van een van de andere vier conservatieve rechters zou niet zo’n punt zijn geweest. 24


Stella zou zich hebben neergelegd bij welke vervanger dan ook. Maar de zetel van rechter Robinson was een heel ander verhaal. Je hoefde geen universiteit te hebben om de voorkeur van rechter Robinson bij bepaalde processen of kwesties te voorspellen. Haar standpunten waren bekend: altijd extreem links. En rechter Robinson was een onwankelbaar voorstander van het enige thema dat voor Stella prioriteit nummer één was: het recht van de vrouw op abortus. Daarom bewonderde Stella haar zo. Stella schoof haar rode bril met bifocale glazen wat hoger op haar neus, vastbesloten om het op te nemen tegen wie haar ook maar iets in de weg zou leggen, vooral vandaag. De National Federation for Abortion Rights, de grootste organisatie die voor ‘Baas in eigen buik’ stond, had grote invloed. En Stella als voorzitter ook. Haar kantoor op de Avenue of the Americas was het hoofdkwartier voor de campagneoorlog tegen elke conservatieve kandidaat voor het Federaal Hooggerechtshof die president Wallace zou voordragen. Stella maakte, net als anders, haar autoritaire opwachting stipt om tien uur. Terwijl haar werknemers een goed heenkomen zochten, betrapte ze er nog twee in de kantine. Ze schreeuwde tegen de een, de ander blafte ze enkele instructies toe. Nadat ze het vertrek waren uitgevlucht, schonk Stella glimlachend een kop koffie in. Vervolgens liep ze naar haar eigen kantoor. Stella genoot van haar macht. Medewerkers en zelfs stafleden voldeden angstvallig aan haar eisen. Het bruiste en gonsde in het kantoor van de nfar net als op een campagnebureau tijdens de laatste dagen voor een verkiezing. Rechter Robinson was minder dan vierentwintig uur geleden overleden en Stella bracht haar kantoor nu al in stelling voor de strijd. Eenmaal op haar eigen werkplek plofte Stella op haar stoel, bekeek haar strategie nogmaals en begon te bellen met kantoren van senatoren en de media. Ze stond erop geïnterviewd te worden door cnn, nbc, cbs, abc en fox om haar gal te spuwen over president Wallace en de kandidaten die hij mogelijk kon voordragen. De directie en redactie van elke zender kozen eieren voor hun geld en gaven onmiddellijk toe aan haar eisen. Niemand durfde de forsgebouwde veertiger met het rode haar, berucht om haar meedogenloze tactieken, te trotseren. Hierna belde Stella de kranten voor prominente opiniestukken in de New York Times, de Washington Times, de Washington Post en de Los Angeles Times, om er maar een 25


paar te noemen. Tegen de middag waren al haar eisen ingewilligd en kon ze haar medialijst afvinken. ‘Valerie!’ riep Stella vanaf haar bureaustoel. Met de telefoon nog aan haar oor, keek ze haar secretaresse aan, over de rand van haar brillenglazen. ‘Ik wil een actuele lijst van alle rechters bij deelstaatrechtbanken, zowel in elke staat afzonderlijk als overkoepelend, die lid zijn van een rechtse organisatie. Daar zal Wallace het waarschijnlijk zoeken.’ Valerie Marcom, die al bijna vijf jaar bij Stella werkte, krabbelde wat op een schrijfblok. Ze had een onopvallend voorkomen, kort zandkleurig haar en een bril met een zwart montuur. Stella hield haar in dienst omdat Valerie alles zonder tegenspraak uitvoerde. Valerie knikte. ‘Ik zet er meteen een paar stagiaires op.’ Er liepen meer studenten van New Yorkse rechtenfaculteiten stage bij Stella dan zij kon gebruiken. Op dit moment werkten er, verspreid over alle kantoren van de nfar, meer dan twintig. Desalniettemin zette zij hen allemaal in. Hoe meer jonge liberale geesten zij kon opvoeden, hoe beter… zowel voor haar eigen toekomst als voor die van de nfar. ‘Een geweldig idee,’ antwoordde Stella. ‘En benader onze be­langrijkste sponsors. We hebben minstens vijfentwintig miljoen nodig voor onze campagne onder senatoren en de media.’ Ze zweeg even. ‘Regel mijn aanwezigheid bij de herdenkingsdienst, aanstaande vrijdag.’ ‘Weet u al wie hij gaat nomineren?’ vroeg Valerie. ‘Nog niet. Maar dat maakt niet uit. Ik accepteer geen enkele kandidaat.’ Washington DC Jessica Caldwell had twee jaar als juridisch medewerkster bij rechter Robinson gewerkt. Ze kon het overlijdensbericht van dinsdag maar moeilijk verwerken. Hoewel het niet onverwacht kwam, was het niet minder zwaar. Twee dagen voor de herdenkingsdienst lag rechter Robinson opgebaard op de lijkkoets van Lincoln, in de Grote Zaal van het gebouw van het Federaal Hooggerechtshof. Jessica arriveerde vrijdags net na tien uur ’s morgens vanuit Nashville op Reagan National Airport. Ze wenkte een taxi om haar naar de Washington 26


National Cathedral te brengen, waar ze vlak na het begin van de dienst aankwam. De afgelopen paar dagen had ze gedubd of ze wel zou gaan, met name door de herinneringen uit de twee jaar dat ze, gedurende haar werk bij het Federaal Hooggerechtshof, in Washington had gewoond. Sommige herinneringen waren prettig, andere ronduit vreselijk. Deze – de vreselijke, de dingen waar ze al misselijk van werd als ze er alleen maar aan dacht – hadden haar bijna doen wegblijven. Uiteindelijk vond ze echter dat ze rechter Robinson meer verschuldigd was dan alleen maar een gift aan het Amerikaanse Kankerfonds. Nadat haar zwartleren handtas was doorzocht en een metaal­ detector langs haar zwarte jurk en bijpassende schoenen was gehaald, betrad Jessica de kathedraal via een boogvormige doorgang; ze nam vrijwel achterin plaats. President Wallace en de First Lady zaten links vooraan op de eerste rij, naast de familie van Robinson. Senatoren, leden van het Congres, rechters van het Federaal Hooggerechtshof en andere hoogwaardigheidsbekleders uit Washington bezetten de eerste twintig banken van zowel het linker- als het rechtergedeelte. Geheim agenten – sommigen duidelijk zichtbaar, anderen opgegaan in de menigte of de schaduwen bij de muren – waren over de hele kerk verspreid. Jessica zat in een overvolle bank tussen twee andere vrouwen, net als zij volledig in het zwart. Jessica kende hen niet. Ze glimlachte beleefd maar knoopte, evenals de vrouwen, geen gesprek aan. Waarschijnlijk waren het gewoon stemmig geklede nieuwsgierigen, dacht ze. Ze sloeg haar enkels over elkaar, schoof haar voeten onder de bank en zette haar handtas ernaast. Ze hield een papieren zakdoekje in haar linkerhand. De organist speelde als intro Amazing Grace, wat Jessica vreemd vond. Ze had nooit gehoord dat rechter Robinson naar de kerk ging, laat staan dat deze ooit iets over God had gezegd. Toch sprak de priester lovende woorden over het leven van rechter Robinson. Daarna kreeg president Wallace het woord, gevolgd door iemand van de naaste familie. Jessica depte af en toe haar ogen tijdens de urenlange dienst. Ze had veel bewondering en respect gekoesterd voor de scherpzinnigheid en staat van dienst van rechter Robinson. Toen het kerkorgel het slotlied speelde, verliet Jessica het heiligdom en liep het bordes aan de voorzijde van de kerk af. Ze hield een taxi aan om haar 27


terug te brengen naar het Reagan National. Ze was lang genoeg in Washington geweest. Op het moment dat ze het achterportier opende, greep iemand haar van achteren bij de arm. ‘Ik moet je spreken,’ zei een stem. Jessica draaide haar hoofd met een ruk om en keek de onbekende aan. Langzaam liet ze zich in de taxi zakken. De man kwam aan de andere kant naast haar zitten en sloot het portier. ‘Rijden maar,’ zei de stem tegen de chauffeur.

28


Schaduwvlucht_def.indd Sec1:16

27-08-2009 09:36:36


Nette ziet het niet meer zitten. Ze voelt zich vreselijk eenzaam. Ze is pas vijftien, maar de tijd dat ze jong en zorgeloos was lijkt haar eeuwen geleden. Op school wordt ze geplaagd, haar vriendinnen raakt ze langzamerhand kwijt. Als ze merkt hoe gemakkelijk het is om af te vallen, besluit ze de touwtjes zelf weer in handen te nemen. Ze gaat sporten, steeds minder eten en stukje bij beetje neemt de anorexia het van haar over. Als ze nog maar 38 kilo weegt wordt ze opgenomen in het ziekenhuis, en daarna in een kliniek voor jongeren met eetstoornissen. Nette is woedend op haar ouders, woedend op de doktoren die haar dwingen aan te komen. Tot ze beseft dat de anorexia geen vriend is. Want welke vriend zou je de dood inpraten? Een aangrijpende en ontroerende jeugdroman voor meisjes vanaf 11 jaar Sofie van Gelder (1980) is docent Frans, godsdienst en geschiedenis aan het Sint-Pieterscollege in Leuven. Het meisje in mijn hoofd is haar debuutroman.

ISBN: 978 90 239 9312 4 Uitvoering: gebonden Blz: 176 pag. Prijs: ₏ 10,90


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 2


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 5

10 december 2008 IK. DIT BEN IK. NETTE. N-E-T-T-E. NETTE.

A

lles was grauw en somber. De velden zagen er kaal en troosteloos uit. Hier en daar lag wat sneeuw. De wind waaide krachtig en zong zijn droevig lied. Nette liep over de verharde weg. Ze droeg een dunne, katoenen broek en een T-shirtje en had sandalen aan haar voeten. Ze had het koud. Maar hoe lichter ze gekleed was, hoe meer calorieĂŤn haar lichaam zou verbranden om warm te blijven. Ze liep snel. Het was alsof iets of iemand haar op de hielen zat. Ze spelde haar naam op het ritme van haar eigen voetstappen. NETTE N-E-T-T-E NETTE Ze herhaalde het telkens opnieuw. Ze putte er kracht uit. De kracht die ze nodig had om te blijven lopen. Ze liep en liep en liep, zonder te weten waar ze naartoe ging. Bestemming onbekend. 5


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 6

Het enige wat ze wist, was dat ze moest blijven lopen. Een stemmetje in haar hoofd beval het haar. Als ze niet in beweging bleef, zou de zwarte draaikolk haar inhalen en haar naar beneden sleuren. Dus liep ze, urenlang. Ook al was ze moe en trilden haar benen. In de verte zag ze drie bomen. Ze stonden eenzaam langs de kant van de weg. Ik loop tot aan die bomen, dacht ze beslist, tot aan die bomen en dan mag ik even rusten. Even maar, anders zou het gebeuren. Dan zou de draaikolk komen. Zolang ze maar bleef lopen, dan bleef alles goed gaan… Ze keek opnieuw naar de bomen in de verte. Haar hoofd duizelde. Haar benen leken wel van elastiek. ‘Zwakkeling,’ fluisterde ze tegen zichzelf, ‘kan je nu helemaal niets meer?’ Ze ademde diep in, maar het draaierige gevoel in haar hoofd bleef aanhouden. Ze beet op haar onderlip tot ze bloed proefde. Verschrikt spuugde ze het beetje bloed op de grond. Kon je van bloed aankomen? Zaten er calorieën in bloed? Ze wist het niet. Maar je kon maar beter het zekere voor het onzekere nemen. Toen ze bij de bomen kwam, zag ze een bankje. Het duizelige gevoel in haar hoofd trok langzaam weg. Ze kon weer een beetje helder denken. Ze aarzelde. Ze wilde zo graag even op het bankje gaan zitten. ‘Laat me toch, even maar,’ fluisterde ze tegen het stemmetje in haar hoofd, ‘mijn benen doen zo’n pijn. Heb ik nog niet genoeg gelopen voor vandaag?’

6


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 7

Binnenin woedde de strijd. Het stemmetje in haar hoofd zei dat zitten slecht was. Van zitten werd je dik. En dat mocht niet. Maar ze was zo moe. Moe van het vele lopen, maar ook moe van die eeuwige strijd in haar hoofd. De strijd tussen haar en het stemmetje. Nette hief haar hoofd op en keek naar de grijze hemel. Een eenzame vogel zweefde door de lucht. Kon ik ook maar een vogel zijn, dacht ze triest. Dan zou ik voor altijd vrij en licht kunnen zijn. Dan zou ik wegvliegen, ver hiervandaan. Plotseling, zonder waarschuwing, begon het opnieuw te duizelen in haar hoofd. Ze wilde de leuning van het bankje vastgrijpen. Maar het was al te laat. Daar was de draaikolk, het donkere duistere gevoel dat haar steeds achtervolgde. Haar hart ging wild tekeer. Ze voelde de grond onder haar voeten wegglijden. Alles werd donker. De bomen en het bankje vervaagden tot lelijke schimmen rondom haar, afkomstig van een andere wereld. Nog even voelde ze een felle pijn, toen haar hoofd de straatstenen raakte.

7


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 8

Maart 2008

‘H

é, dikke! Waar loop jij zo snel naartoe?’ ‘Blubber, blubber, blub!’ Het gelach weerklonk luid over het schoolplein. Nette voelde dat alle ogen op haar gericht waren. Zonder omkijken glipte ze de school in en daar schoot ze direct de ruimte voor de meisjestoiletten in. Door een kier in de deur gluurde ze naar buiten. Ze stonden er nog. Nick en Jan, de twee stoerste jongens van de derde klas. Het was niet de eerste keer dat ze het op haar gemunt hadden. De afgelopen weken gebeurde het steeds vaker. Tijdens de les zaten ze naar haar te gluren. Vaak lachten ze stiekem of gaven ze briefjes door. Nette wist dat het over haar ging. Over hoe dik en dom ze haar wel niet vonden. Met de mouw van haar jas veegde ze langs haar ogen. Ze liet haar schooltas van haar rug glijden. Gelukkig was ze de enige hier! Ze had geen zin om iemand onder ogen te komen. Ze liep naar de wastafel en bekeek zichzelf in de spiegel. Haar haren vielen in doffe pieken langs haar gezicht. Zweetdruppeltjes parelden op haar voorhoofd. Haar anders zo bleke gezicht was nu rood en vlekkerig. ‘Domkop!’ zei ze zachtjes tegen zichzelf. ‘Moest je nu net beginnen te huilen? Dat was precies wat ze wilden!’ Nette wendde haar blik af. Ze walgde van haar eigen spiegelbeeld. Ze haatte haar piekerige haren en haar 8


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 9

bleke gezicht. Bovendien hadden de jongens gelijk! Wild veegde ze een sliert haar uit haar gezicht. ‘Je bent dik,’ zei ze tegen haar spiegelbeeld, ‘meer nog, je bent moddervet!’ Buiten ging de schoolbel. Op het schoolplein gingen de leerlingen in slordige rijen staan. Iedereen ging naar binnen achter de leerkracht voor het komende lesuur aan. In de toiletten hield Nette haar adem in. Ze bewoog zich niet. Zo kon ze zich onmogelijk aan de rest van de klas vertonen! Theunissen van biologie zou haar zeker om uitleg vragen. Ze zag de spottende blikken van de anderen al voor zich. En Nick en Jan... Wat zou er gebeuren als Theunissen ergens lucht van kreeg? Dan was ze zeker verloren voor de rest van het schooljaar. Nick en Jan zouden haar nooit meer met rust laten! Nee, ze kon niet naar de klas! Nette raapte haar schooltas op van de vloer. Er zat maar één ding op. Ze zou terug naar huis gaan! Zachtjes opende ze de deur van de meisjestoiletten. Het schoolplein was leeg. Zo snel als ze kon liep ze het plein over, het hek door. Nog één keer keek ze om. Niemand had haar gezien. Ze holde de hele weg naar huis. Toen ze thuis aankwam, stak ze voorzichtig de sleutel in het slot. Binnen was alles stil en verlaten. Pap zat allang op kantoor in Brussel en mam stond deze morgen voor de klas. Haar kleine zusje Martje zat op school. Alleen 9


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 10

haar kat Basiel kwam mauwend aanlopen, de staart omhoog om haar te begroeten. ‘Gek, lief beest,’ glimlachte Nette. Ze nam de kat in haar armen en drukte haar gezicht in de zachte vacht.Wat was dat fijn! Soms leek het wel alsof Basiel haar beter begreep dan wie ook. Als ze verdrietig was, was hij er meteen. Hij vlijde zich tegen haar aan met zijn warme lijfje. Als ze hem streelde, begon hij zachtjes te spinnen. Daar werd ze vanzelf weer vrolijk van. Nette liep naar boven, naar haar kamertje. In haar slaapkamer gooide ze haar schooltas in een hoek. Ze zette Basiel op de grond en liet zich op haar bed vallen. Na een tijdje kroop ze onder de dekens. Daar bleef ze liggen tot haar wekkerradio aangaf dat het vijf uur was. Die avond zat het hele gezin samen aan tafel. Mam, pap, Nette en Martje. Nette hield haar ogen op haar bord gericht. Ze zweeg. Alle aandacht ging naar Martje. ‘... en toen speelde juf Klara poppenkast voor ons. De prinses sliep honderd jaar. Daarna kwam er een prins. Die kuste haar wakker. Mam?’ ‘Ja, schatje?’ antwoordde mam geduldig. ‘Als ik straks ga slapen, dan vergeet je me daarna toch niet, hè? Je maakt me morgenvroeg toch nog wel wakker, hè?’ ‘Natuurlijk vergeet ik je niet, Martje. Ik maak je toch elke ochtend wakker?’ ‘Ja, maar de prinses...’ ‘Dat is maar een verhaaltje,’ glimlachte pap. ‘Eet nu 10


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 11

maar flink verder, voor alles koud wordt.’ Martje zweeg. Na het eten bleef Nette met mam in de keuken achter. Samen deden ze de vaat. ‘Hoe was het op school vandaag?’ vroeg mam. ‘Goed,’ antwoordde Nette. Ze deed haar best om mam niet aan te kijken. ‘Nette?’ Mam legde de afwasborstel neer en keek haar aan: ‘Waarom lieg je?’ ‘Wat? Wie zegt...?’ ‘De directeur heeft me vanmiddag opgebeld. Hij was erg ongerust omdat je niet op school was. Hij vroeg me of je ziek was.’ ‘Oh,’ zei Nette zachtjes. Ze staarde naar de vloer. ‘Waarom was je niet op school, Nette?’ ‘Ik voelde me niet zo lekker,’ antwoordde Nette met een klein stemmetje, ‘daarom ben ik maar naar huis gegaan.’ ‘Waarom heb je me niet opgebeld? Of je op school afgemeld? Door zomaar weg te gaan, maak je heel wat mensen ongerust, weet je.’ Nette haalde haar schouders op. Ze wist niet wat ze moest zeggen. ‘Is er iets mis, Nette? Heb je een probleem? Je weet dat pap en ik altijd voor je klaarstaan.’ Nette schudde haar hoofd. Ze kon de waarheid niet vertellen. Ze durfde het niet. Stel je voor dat Nick en Jan ontdekten dat ze geklikt had. Dan zou het alleen maar erger worden. Nee, het was veel beter om te zwijgen. ‘Nee hoor,’ hoorde ze zichzelf zeggen, ‘alles is in orde. 11


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 12

Ik ben alleen een beetje moe en gespannen. De afgelopen weken hadden we heel veel huiswerk.’ ‘Goed dan,’ zei mam. ‘Probeer vanavond wat te rusten en ga op tijd naar bed. Dan voel je je morgen al heel wat fitter.’ Nette knikte. Een tijdlang was het stil. De enige geluiden waren afkomstig van de lekkende kraan en het bestek dat werd opgepakt en neergelegd. Nette slikte. ‘Mam?’ ‘Hmm?’ ‘Vind jij mij dik?’ ‘Dik? Hoe kom je erbij, kind?’ ‘De jongens uit mijn klas...’ ‘Ach, de jongens... Wat weten die daar nu van? Die willen alleen maar plagen en stoer doen. Daar moet je niet naar luisteren.’ ‘Maar vind jij mij dik?’ herhaalde Nette haar vraag. ‘Dik? Nee, dat niet. Je bent alleen een beetje stevig. Maar zo was ik ook op jouw leeftijd. En kijk mij nu eens, zo slank als een rietje! Dat gebeurt bij jou ook nog wel. Je bent gewoon aan het puberen, meer niet.’ Nette keek haar moeder ongelovig aan. Ze kon zich niet voorstellen dat ze ooit het perfecte figuur van haar moeder zou krijgen. Dan zou ze minstens vijftien kilo moeten afvallen en dat leek haar in haar eigen geval onmogelijk. ‘Maar als je toch een paar kilootjes kwijt wilt, kan je altijd met pap wat gaan fietsen. Da’s trouwens goed voor de conditie. En elk koekje vervang je door een stukje fruit. Wat denk je daarvan?’ 12


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 13

Dat klonk niet slecht. Misschien moest ze dat maar proberen. ‘Misschien...’ zei ze tegen mam. ‘Natuurlijk,’ antwoordde mam met een lach, ‘een beetje beweging kan nooit kwaad!’ In de hal rinkelde de telefoon. Twee minuutjes later stak pap zijn hoofd om de hoek van de keukendeur. ‘Nette, telefoon voor je. Het is Gitte.’ ‘Met Nette.’ ‘Hoi, Nette. Met mij, Gitte. Ik belde even om... Nou ja, ik was wat bezorgd om je. Door vanmorgen... Je weet wel, met Jan en Nick. Was je daarom zo ineens weg?’ ‘Ja, inderdaad.’ Nette slikte. ‘Ik ben terug naar huis gegaan. Ik wou de klas niet onder ogen komen.’ ‘Ach, Nette, maak je niet druk om wat Nick en Jan gezegd hebben. Je kent ze toch. Het zijn twee onruststokers. Ze hebben over iedereen wel wat op te merken.’ ‘Voor jou is het gemakkelijk,’ antwoordde Nette bitter, ‘jou laten ze tenminste met rust. Je hebt er geen idee van hoe het voelt om voor de school voor schut gezet te worden.’ Aan de andere kant van de lijn bleef het stil. ‘Nou, in elk geval heb je vandaag niet veel gemist. We hebben geen huiswerk voor morgen. Alleen Rulens deed vervelend. Hij gaf ons een opdracht om voor te bereiden. Ik begrijp er niets van. Die vervelende wiskunde ook altijd.’ ‘Waarover gaat het?’ vroeg Nette. Ze was verrast dat Gitte zo snel van onderwerp veranderde. 13


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 14

‘Vergelijkingen.’ Gitte maakte een kokhalsgeluidje aan de andere kant van de lijn. ‘Zeg maar welke pagina,’ grinnikte Nette, ‘dan bekijk ik het wel even en leg ik het je morgen snel uit.’ ‘Super, Nette. Je bent een echte schat. De oefeningen staan op pagina 156.’ ‘Oké, komt in orde. Ik zie je morgen wel!’ ‘Doei!’ Toen Nette naar haar kamer liep, kwam ze voorbij de speelkamer. Martje zat met haar pyjama aan op de speelmat. Om haar heen lagen twee Barbies en heel wat jurkjes en miniatuurschoentjes. Martjes lange, blonde haar was nog nat van de douche en strak naar achteren gekamd. Ze rook naar bloemetjesshampoo. ‘Hoi, Mar,’ zei Nette terwijl ze de speelkamer inliep. ‘Wat ben je aan het doen?’ ‘Ik maak Barbie klaar voor het bal,’ antwoordde haar zusje met een ernstig gezichtje. ‘Wil je me helpen?’ Nette knielde naast haar zusje neer. ‘Wat dacht je van deze jurk?’ vroeg ze en ze hield een roze glitterjurk omhoog. Martje straalde. ‘Die is supermooi,’ knikte ze, ‘maar Barbie droeg hem al op een ander bal.’ Die Martje toch! Haar kleine zusje was een echt meisje. Nette herinnerde zich nog goed dat zij, toen zij vijf was, het liefst met auto’s en Lego speelde. Zij was een echte kwajongen geweest. Ze scheurde met haar kleine fietsje door de straten en stak speelkaarten tussen de spaken van de wielen om haar fiets als een brommer te laten klinken. Martje was in alles haar tegenpool. Ze hield van roze en van prinsessen. Ze kon 14


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 15

urenlang met Barbie spelen en verkleedde zich soms ook als een echte Barbie. Ook al was haar zusje zo anders, Nette kon het best met haar vinden. Ze vond het leuk om met Martje te spelen en voor haar te zorgen als mam er niet was. ‘Nette, wat denk je van die rode jurk en die rode schoentjes erbij?’ Martje duwde de pop onder haar neus. Nette schrok op uit haar gepeins. ‘Heel mooi, Mar. Ik denk dat Barbie de ster van het bal zal zijn.’ ‘Martje, tijd om naar bed te gaan, schat.’ Mam kwam de speelkamer binnen en stond daar met de armen over elkaar. ‘Ik kom je straks nog wel een verhaaltje voorlezen. Zeg maar dag tegen Nette.’ Martje stond op. Ze sloeg haar kleine armpjes om Nettes hals. ‘Slaap lekker, Nette!’ en ze gaf Nette een natte zoen op haar voorhoofd. ‘Slaap lekker, gekkie!’ Nette trok speels aan haar zusjes haren. ‘Mam, je weet het toch, hè, voor morgen,’ vroeg Martje toen ze de kamer uitgingen. ‘Wat dan, schatje?’ vroeg mam. ‘Nou,’ hoorde Nette haar zusje zeggen, ‘wat je me net beloofde! Dat je me zou wakker maken zoals de prins bij de prinses deed in het verhaal van juf Klara!’ ‘Tuurlijk, schat, ik vergeet niet je wakker te maken…’ Nette gooide de Barbies en de jurkjes in de speelgoedbox van Martje. Daarna stond ze op en ging naar haar slaapkamer. Zachtjes deed ze de deur van haar kamer achter zich 15


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 16

dicht. Ze leunde met haar rug tegen de deur en luisterde aandachtig. Toen ze haar moeder de trap hoorde aflopen, liep ze naar de spiegel. Het was een grote passpiegel, die ooit nog van haar grootvader was geweest. Nette kon zichzelf er goed in bekijken, van haar hoofd tot aan haar tenen. Snel trok ze haar kleren uit. Alleen haar slipje hield ze aan. Ze keek. Haar huid was melkwit. Hier en daar zag Nette een sproetje of een puistje, maar voor de rest had ze een erg gave huid. Dat was misschien het enige pluspuntje aan haar lichaam. Het laatste jaar was ze wat groter en steviger geworden. Haar buik was wat ronder geworden, net zoals haar billen en dijen. Ze had al lang haar eerste bh’tje ingeruild voor exemplaren met een grotere cup. Nette knipperde met haar ogen. Ze streek met haar hand over haar buik en haar dijen. Toen draaide ze zich een beetje om en bekeek haar billen. Ze kneep in het zachte vlees. Ze rilde. ‘Bah, wanneer ben ik zo dik geworden? Vorig jaar was mijn buik toch nog plat? En hoe ben ik aan die dikke kont gekomen?’ Ze had het niet zien aankomen, dat was zeker. Maar ze zou er iets aan doen, voor ze echt een enorm, vet varken werd. Ze kruiste haar armen strak over haar borsten, alsof ze ze zo naar binnen wilde duwen. ‘Dikke koe,’ zei ze tegen zichzelf, ‘het moet maar eens gedaan zijn met vreten.’ Ze draaide zich om. Zonder haar spiegelbeeld nog een blik waardig te keuren, kleedde ze zich weer aan. Ze liep naar haar bureau en haalde haar wiskundeboek en -schrift uit de la. Ze sloeg het boek open op 16


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 17

pagina 156 en las de opgave. Ze krabbelde wat aantekeningen op papier. Nette zuchtte.Wat was het moeilijk om haar aandacht bij die vervelende vergelijkingen te houden. Haar hoofd was de laatste tijd zo overvol, terwijl alles wat ze deed zo eindeloos leeg en zinloos leek. Ze schoof het wiskundeboek van zich af. Het was meer dan haar lichaam alleen. De laatste tijd was het gewoonweg alles geweest. Alles zat haar dwars! Het afgelopen jaar was ze ineens zo groot geworden. Groter worden, dat was veel moeilijker dan ze ooit had kunnen denken. Hoe groter je werd, hoe groter de wereld rondom je werd. Bovendien ging alles ook zo snel. Voor ze het wist, zou ze oud en versleten zijn. Ze had geen vat meer op de dingen om haar heen, laat staan op haar eigen lichaam. Dat begon meer en meer een eigen leven te leiden. Dat had ze daarnet zelf in de spiegel gezien. Die uitdijende buik en borsten. Zelfs al zou ze het op tijd gezien hebben, had ze het dan ook kunnen voorkomen? Of deed haar lichaam gewoon waar het zelf zin in had? Soms zou ze liever weer vijf jaar zijn, zoals Martje. Die maakte zich nergens zorgen om. Iedereen zorgde immers voor haar en beschermde haar. Nette zuchtte. Wat moest ze toch beginnen? Wie was ze eigenlijk? En wat was haar plaatsje in deze wereld? Nette klapte haar wiskundeboek dicht en ruimde alle rommel op. Daarna deed ze haar pyjama aan en stapte in bed. Een kwartier lang lag ze op haar rug in bed. 17


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 18

Ze kruiste haar armen over haar borstkas en staarde naar het plafond. Ze probeerde aan niets te denken. Dat was moeilijk. Te moeilijk, vond ze. Met een zucht knipte ze het licht uit. Maar het duurde die avond nog lang voor ze in slaap viel.

18


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 19

‘T

ake your books, page 206. Do you see the picture on that page?’ ‘Yes, sir!’ antwoordde de klas in koor. ‘Do you know what it is?’ ‘It’s the Big Ben, sir.’ ‘Very good, Niels.’ De leerkracht keek de klas rond. Toen zei hij met luide stem: ‘In the month of May, we are going on a schooltrip to London. There you will all see the Big Ben.’ Er ging een opgetogen gejuich op in de klas. De excursie naar Londen was het hoogtepunt van de derde klas. Nette zakte onderuit op haar stoel. Ze leek wel de enige die niet enthousiast was. Drie dagen in een vreemde stad met Jan en Nick..., dacht ze wanhopig. Dat kon niets goeds opleveren. Voorzichtig gluurde ze achterom naar de twee jongens. Wat zaten die er met chagrijnige gezichten bij! Ik vraag me af wat er met hen aan de hand is, dacht Nette verbaasd, normaal gesproken zijn ze al blij als de leerkracht van godsdienst voorstelt om de plaatselijke kerk te gaan bezichtigen. Voor die twee is alles beter dan een schoolgebouw. Na de les gingen de leerlingen druk pratend naar buiten. Nette voegde zich bij Gitte en Lia. ‘Super, drie dagen Londen,’ zei Lia opgewonden. 19


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 20

‘Dat wil zeggen: drie dagen saaie museumbezoeken en uitleg van Doorman,’ zuchtte Gitte. ‘Ik heb gehoord dat het juist heel leuk is,’ antwoordde Nette. ‘Er staat een bezoekje aan Madame Tussauds op het programma en we mogen een middagje zonder toezicht in Londen rondhangen.’ ‘Keigoed!’ riep Lia. ‘Dan kunnen we gaan shoppen in de leuke boetieks daar.’ Gittes ogen lichtten op. ‘Tja,’ zei ze, ‘een middagje shoppen maakt die saaie museumbezoeken wel goed, natuurlijk.’ ‘Zeg, hebben jullie het gehoord?’ vroeg Lia plotseling. ‘Wat dan?’ vroeg Nette verbaasd. ‘Over Nick en Jan. Ze mogen niet mee naar Londen.’ ‘Wat? Waarom niet?’ ‘Om dat brandje vorige week in de natuurkundelokalen. Blijkbaar waren zij de daders.’ ‘Tjonge, die twee durven nogal. Mijn moeder zegt dat het niet lang meer zal duren voor ze van school worden getrapt.’ ‘Als dat snel kon gebeuren, dan zou ik heel blij zijn,’ reageerde Nette hierop. ‘In elk geval ben ik heel blij dat ze niet mee mogen naar Londen. Dan kunnen ze daar in elk geval de sfeer niet verpesten. Vandaar dat ze daarnet zo chagrijnig keken, toen Doorman het nieuws vertelde.’ Ze waren bij de fietsenstalling gekomen en maakten hun tassen vast op de bagagedragers. ‘Wie heeft er zin om met mij mee te gaan naar huis? Ik ben alleen vanmiddag.’ Lia keek de twee andere meisjes aan. ‘Ik kan niet,’ zei Gitte, ‘ik moet naar de tandarts voor 20


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 21

mijn beugel.’ Ze trok een vies gezicht. ‘Nette?’ ‘Ik wil wel,’ antwoordde Nette, ‘maar ik moet wel eerst een berichtje sturen naar mijn moeder.’ Nette haalde haar mobiele telefoon tevoorschijn en tikte gauw een berichtje voor haar moeder. Daarna stapten de meisjes op hun fiets. Buiten het toegangshek ging Gitte naar links. ‘Dag, tot morgen!’ ‘Tot morgen!’ Nette en Lia zwaaiden naar Gitte. Vervolgens fietsten de meisjes naar Lia’s huis. Bij Lia thuis was het altijd een gezellige boel. Lia en haar vader waren echte sloddervossen. Lia’s moeder probeerde het huis een beetje netjes te houden, maar het was altijd alsof er een wervelwind door het huis geraasd had. Nette vond dit helemaal niet erg. Integendeel, ze genoot ervan. Haar moeder en vader waren echte freaks op het gebied van netheid. Er kon bij hen thuis nog geen sok rondslingeren of haar moeder begon al op te ruimen. Alles had zijn plaats en alles moest netjes op zijn plaats blijven. ‘Wil je wat eten?’ vroeg Lia toen ze hun schooltassen neergegooid hadden en naar de keuken liepen. Nette trok haar buik in. Eigenlijk moest ze dringend aan haar dieet beginnen. Maar dat was zo moeilijk! Haar maag rommelde. Uiteindelijk zei ze: ‘Graag, ik rammel van de honger.’ ‘Laat eens kijken... We hebben brood, kaas, melk en eieren. Ik kan snel een omelet bakken als je wilt. Hier, dan heb je alvast wat te drinken.’ Lia gaf haar een pak 21


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 22

appelsap. ‘De glazen staan daar, in de kast boven de vaatwasser.’ Nette trok de kast open, haalde er twee glazen uit en schonk in elk glas wat appelsap. Ondertussen haalde Lia een pan uit de kast, zette hem op het vuur en smolt er boter in. Een halfuurtje later zaten ze gezellig te smullen. ‘Wow, waar heb jij zo goed leren koken?’ vroeg Nette tussen twee happen door. Lia haalde haar schouders op. ‘Dat soort dingen leer je toch gewoon vanzelf. Bovendien moet ik wel. Mijn ouders zijn bijna nooit thuis. Mijn vader zit heel vaak voor zijn werk in het buitenland. En mijn moeder... Pfff!’ Lia rolde met haar ogen. ‘Wat is er met je moeder?’ vroeg Nette verbaasd. ‘Ze is er nooit,’ zei Lia een beetje gelaten. ‘Ze rent van de ene hobby naar de andere. Ze doet graag dingen voor zichzelf, zie je.’ Nette knikte. Toch begreep ze het niet zo goed. Haar moeder had ook hobby’s en maakte ook tijd voor zichzelf. Maar ze was er altijd wel als pap, Martje en zij haar nodig hadden. ‘Dus zit ik vaak in mijn eentje,’ vervolgde Lia. ‘Maar daar zal nu wel snel verandering in komen.’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Mijn ouders gaan scheiden. Mijn vader heeft een nieuwe vriendin.’ Even bleef het stil. ‘Wat jammer voor je,’ zei Nette toen. ‘Niet erg,’ wimpelde Lia af, ‘ik heb besloten om bij mijn vader te gaan wonen. Mijn moeder heeft nooit naar me omgekeken. Nu is het mijn beurt om haar 22


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 23

aan de kant te schuiven. Ik ga haar zeker het plezier niet gunnen om mij als een trofee binnen te halen.’ ‘Zou ze dat doen, denk je?’ ‘Ik ben er zeker van,’ antwoordde Lia verbitterd, terwijl ze met haar vork in een restje omelet prikte. ‘Ze zou alles doen om mijn vader een hak te zetten. Ook als ze mij daarvoor moet gebruiken. Maar ik ben niet van gisteren, hoor. Ik loop niet in haar val, zeker weten.’ Nette staarde naar het restje omelet waar Lia nog steeds in prikte. Ze zocht naar de juiste woorden om iets te zeggen. Maar ze kon niets bedenken. Ze was een beetje geschrokken van de hardheid in Lia’s stem toen ze over haar moeder sprak. Het leek wel alsof ze niet van haar moeder hield. Of niet meer, in elk geval. Ze kreeg een kant van haar vriendin te zien die ze helemaal niet kende. ‘Ga je mee naar boven?’ vroeg Lia plotseling. ‘Ik heb de nieuwe cd van Milow. Hij is super!’ Nette knikte. De meisjes zetten de vuile vaat in de vaatwasser en liepen naar boven. Toen Nette later die dag naar huis fietste, dacht ze terug aan wat Lia haar verteld had. Ze kon nauwelijks begrijpen dat Lia zo makkelijk een keuze kon maken tussen haar vader en haar moeder. Als mam en pap ooit zouden scheiden, voor wie moest zij dan kiezen? Wat ze ook deed, een van beiden zou teleurgesteld achterblijven en misschien wel denken dat Nette niet meer van hem of haar hield. Dat wilde Nette niet. Ze wilde haar ouders niet teleurstellen. De gedachte aan zo’n moeilijke keuze maakte 23


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 24

haar een beetje zenuwachtig en bang. Ineens dacht ze aan haar zusje Martje. Dat was waar! Zij was er ook nog! En zij mocht nog niet kiezen bij wie ze ging wonen. Dan zou ze zelf toch geen keuze kunnen maken waarbij ze haar kleine zusje in de steek zou laten? Nette liet de trappers van haar fiets nog sneller rondgaan. ‘Gek kind,’ zei ze hardop tegen zichzelf, ‘waar maak jij je nu weer druk om? Mam en pap gaan helemaal niet scheiden. Ze maken trouwens heel weinig ruzie.’ Hoofdschuddend en met een rotvaart fietste Nette de helling af. Ze zette haar fiets in de garage en ging naar binnen. Binnen was alles nog stil. In de keuken vond ze een briefje van haar moeder: ‘Wij zijn naar het speelpleintje in de buurt. Tot straks! Mam en

Martje’

Nette moest lachen. Martje had zelf in hanenpoten haar naam geschreven. Ze nam een glas water en liep de woonkamer in. Lia had haar de cd van Milow meegegeven. Ze legde hem in de cd-speler en draaide aan de volumeknop. Nette liet zich in een gemakkelijke fauteuil vallen en sloot de ogen. De stem van Milow klonk luid door de woonkamer:

24


opmk.Meisjeinmijnhoofd

25-06-2009

14:29

Pagina 25

You don’t know you don’t know you don’t know anything about me what do I know I know your name you don’t know you don’t know you don’t know anything about me Een traan rolde over Nettes wang. Daar was dat enge gevoel dat haar de laatste tijd achtervolgde weer! Niemand kende haar echt, wist wie ze echt was. Zelfs haar ouders en haar vriendinnen kenden de echte Nette niet. Die gedachte maakte haar heel triest. I gave up dreaming for a while I gave up dreaming for a while Ze was zo moe, zo ontzettend moe geleefd ook. Ook al was ze pas vijftien.Vroeger, toen ze kleiner was, had ze zoveel dromen gehad. Maar nu leken haar dromen zo zinloos. Waarvan kon je dromen als je de weg kwijt was? Zo stelde ze zich haar leven voor: vol richtingaanwijzers en wegen. Maar ze had geen kaart waarop de weg al uitgestippeld was. Waar moest ze dan naartoe? Wat was de beste keuze? Ze wist het niet. Er restte haar niets anders dan op het kruispunt van wegen stil te staan en te wachten. Maar waarop dan wel? I’ve noticed these are mysterious days I look at it and like a jigsaw puzzle and gaze with wide open mouth and burning eyes if only I could start to care my dreams and my Wednesdays ain’t going nowhere baby baby baby you don’t know 25


Smaakmakers Najaar 2009