__MAIN_TEXT__

Page 1

macro scoop

Marleen Chalmet Bart VanoprĂŠ Catherine Van Nevel Christina Wauters

macro scoop 2

Š

VA N

IN

2

Leer zoals je bent Ontdek het onlineleerplatform: diddit. Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9570-7 594489

73485_MACROSCOOP COVER 2_DEF.indd Alle pagina's

vanin.be

20/05/20 10:27


macro scoop

IN

2

Marleen Chalmet Bart VanoprĂŠ

Catherine Van Nevel

Š

VA N

Christina Wauters


Via www.diddit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij MacroScoop. Activeer je account aan de hand van de onderstaande code en accepteer de gebruiksvoorwaarden.

macro scoop

Let op: activeer deze licentie pas vanaf 1 september; de licentieperiode start vanaf activatie en is 365 dagen geldig.

!

VA N

IN

2

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het onlinelesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden leest u op www.diddit.be.

©

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2020

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk, 2020 ISBN 978-90-306-9570-7 D/2020/0078/104 Art. 594489/01 NUR 120

Coverontwerp: B.AD Ontwerp en opmaak binnenwerk: B.AD Tekeningen: Geert Verlinde


Inhoud Starten met MacroScoop diddit het onlineleerplatform bij MacroScoop

4 6

KRACHTEN 1 2 3 4

Krachtige grootheid Krachten en hun uitwerking Krachten als vectoren Soorten krachten

7 9 12 15 17

IN

KRACHTEN

MATERIE EN ENERGIE IN ORGANISMEN

VA N

Fotosynthese

1 Energie- en stofomzetting in een plant 2 Aanpassingen van de plant aan het fotosyntheseproces 3 Belang van de fotosynthese

25 27 37 39

VOORTPLANTING

Voortplanting bij planten

49 51 60

Voortplanting bij mens en dier

67 69 72 77 87 91

1 Seksuele voortplanting 2 Aseksuele voortplanting

©

1 Puberteit 2 De organen van het voortplantingsstelsel 3 De voortplanting van de mens verloopt in stadia 4 Vruchtbaarheid en anticonceptie 5 Seksualiteit in het dierenrijk

Aanpassing van organismen aan de omgeving

1 Micro-organismen 2 Een organisme voelt zich goed in zijn vel 3 Iedere biotoop heeft zijn eigen organismen

103 105 110 115

WOORDENLIJST

122

INHOUD   

3


STARTEN MET MACROSCOOP Welkom bij MacroScoop. We leggen graag even uit hoe je met dit leerwerkboek aan de slag gaat. 1

Op weg met MacroScoop Het leerwerkboek bestaat uit 5 thema’s. Elk thema is op dezelfde manier opgebouwd. Elk thema start met enkele foto’s die te maken hebben met dit thema. Je vindt ook een handig overzicht van de hoofdstukken.

KRACHTEN

Krachten

1

KRACHTIGE GROOTHEID

2 KRACHTEN EN HUN UITWERKING

1

3 KRACHTEN ALS VECTOREN 4 SOORTEN KRACHTEN

IN

We starten elk thema met een Wow!. Op deze Wow!-pagina is er de keuze tussen verschillende interessante items. Je maakt hier kennis met het onderwerp van het thema.

2 3

erin Siames Franse chirurgen slagen scheiden tweeling van elkaar te

Wat wil ik te weten komen over dit thema? succes een Frankrijke vandaag met Chirurgen hebben in Bissie en te scheiden. De meisjes Siames tweeling weten vast bij de buik aan elkaar Eyenga Merveille zaten

chirurgen, operatie waren zo'n twintig in Bij de vijf uur durende betrokken, meldt het ziekenhuis artsen en andere experts Lyon. Ze waren jaar geobren in Kameroen. De zusjes werden vorig deel van de met een gemeenschappelijk de vader door de buik veronden door vervolgens zijn verstoten naar lever. Hun moeder zou Ze vertrok met de kinderen en leden vanhaar familie. atie La Chaîne de hoofdstad Yaoundé. Liefdadigheidsorganis de medische later naar Frankrijk voor l'espoir haalde de meisjes ingreep. zijn. zou na de operatie stabiel "En De toestand van de tweeling veel vervolgzorg en revalidatie. gaan Later volgt sowieso nog eindelijk de wereld individueelkindjes dan kunnen ze na 1 jaar Wel heeft een van de ontdekken", stelt het ziekenhuis.ze later nog aan geopereerd. wordt een hartaandoeing. Daar

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

! a h A Seksuele voortplanting

De buitenste krans bladeren van een bloem zijn kelkbladeren. Ze beschermen de andere bloemdelen. De gekleurde bladeren zijn de kroonbladeren. Zij lokken de insecten. De mannelijke voortplantingsorganen zijn de meeldraden. Ze bestaan uit een helmdraad en helmknop met helmhokjes. Hierin rijpen de stuifmeelkorrels die de sperma- of zaadcellen bevatten. In het midden staat de stamper. Dit vrouwelijk voortplantingsorgaan bestaat uit de stempel, de stijl en het vruchtbeginsel met zaadbeginsels. In elk zaadbeginsel rijpt een eicel.

In de thema’s zie je verschillende manieren om een synthese te maken: mindmap, schema en samenvatting. In het boek staat steeds één manier. Bij het onlinelesmateriaal vind je nog andere manieren.

Voor er bevruchting kan plaatsvinden, is er altijd eerst bestuiving. Dat betekent dat rijpe stuifmeelkorrels van een meeldraad door bestuivers (zoals insecten of de wind) naar de stempel van de stamper van eenzelfde bloemsoort gebracht worden. Uit de stuifmeelkorrel op de stempel groeit een stuifmeelbuis richting zaadbeginsel. De bevruchting gebeurt wanneer de spermacel uit de stuifmeelkorrel versmelt met de eicel in het zaadbeginsel. Er ontstaat een bevruchte eicel die uitgroeit tot een embryo. Na de bevruchting groeit het vruchtbeginsel uit tot vrucht en groeien de zaadbeginsels uit tot zaad. Bij gunstige omstandigheden groeit een zaad uit tot kiemplant. Tijdens de kieming haalt het embryo zijn voeding uit de zaadlobben. Eerst groeit de wortel en dan de stengel. De geslachtelijke (seksuele) voortplanting kun je als een kringloop voorstellen.

2

Voortplanting bij mens en dier

Voor je verder gaat oefenen, bekijk je eerst de AHA. Hier vind je de synthese van het thema en een checklist.

Aha!

SAMENVATTING

1

VA N

70

Aseksuele voortplanting Uit delen van een moederplant kunnen nieuwe identieke dochterplanten ontstaan. In de natuur doet de plant dat zelf door middel van bollen, uitlopers, wortelstokken, knollen en broedknoppen. De mens helpt de natuur een handje door plantendelen te stekken of te scheuren. Bij enten wordt een stengel vastgezet op een afgeknipte sterke stengel zodat ze kunnen vergroeien.

AHA!

65

Checklist

Wat ken/kan ik?

helemaal begrepen

hier kan ik nog groeien

pg.

Ik kan uitleggen hoe producenten zorgen voor de nodige voedingsstoffen voor de consument. Ik kan experimenteel aantonen welke energierijke stoffen planten bevatten. Ik kan experimenteel aantonen dat de producenten de energierijke stoffen niet uit de bodem of de lucht halen. Ik kan uitleggen waarom een plant in massa toeneemt. Ik kan experimenteel vaststellen welke invloed licht heeft op het fotosyntheseproces. Ik kan experimenteel vaststellen welke invloed koolstofdioxide heeft op het fotosyntheseproces. Ik kan experimenteel vaststellen welke invloed groene plantendelen hebben op het fotosyntheseproces.

©

Ik kan de stofomzetting en de energieomzetting in een plant toelichten.

TEST JEZELF 1

Een tomatenplant staat in een pot op de vensterbank in de zon. Kruis het juiste antwoord aan. De plant neemt uit zijn omgeving enkel koolstofdioxide op. enkel mineralen op. enkel voedingsstoffen op. enkel water op. enkel zuurstofgas op. alle vijf de stoffen op.

2

Noteer de correcte termen op de afbeelding zodat het fotosyntheseproces duidelijk wordt.

De checklist is een opsomming van de doelen waaraan je in het thema hebt gewerkt. Je gaat bij jezelf na welke doelen je denkt bereikt te hebben, of waaraan je nog moet werken. Als je twijfelt, dan ga je terugkijken in het thema.

fotosynthese

48

4

3

Duid het correcte antwoord aan. Je weet dat een brandende kaars onder een glazen stolp dooft. Wanneer naast de kaars ook een plant onder de stolp staat en het geheel eerst belicht wordt voor de kaars wordt aangestoken, dan stel je vast dat de kaars langer blijft branden. Je kunt hieruit afleiden dat tijdens het fotosyntheseproces water wordt verbruikt. koolstofdioxide wordt verbruikt. glucose wordt geproduceerd. zuurstofgas wordt geproduceerd.

4

Wat heeft een plant allemaal nodig om aan fotosynthese te kunnen doen? bladeren stuifmeel bloemen wortels water koolstofdioxide zuurstofgas zaden energie stengel

FoToSynThESE

STARTEN MET MACROSCOOP

Je kunt in het onderdeel Test jezelf verder oefenen. Je leerkracht beslist of je de oefeningen op het einde van het thema maakt of doorheen de lessen. Op diddit vind je bovendien nog meer oefeningen terug.

Ik kan het fotosyntheseproces toelichten. Ik kan experimenteel vaststellen dat er bij het fotosyntheseproces zuurstofgas gevormd wordt. Ik kan uitleggen welke macroscopische en microscopische plantendelen een rol spelen in het fotosyntheseproces. Ik kan aan de hand van voorbeelden uitleggen hoe planten kunnen aangepast zijn aan het maximaal opvangen van licht. Ik kan toelichten welke rol fotosynthese speelt in het leven op aarde. Ik kan de relatie tussen fotosynthese en verbranding toelichten. Ik kan de begrippen heterotroof en autotroof uitleggen. Ik kan toelichten welke rol fotosynthese speelt in het klimaat. Ik kan uitleggen wat bio-energie is. Ik kan toelichten dat fossiele brandstoffen de koolstofcyclus uit balans brengen en biobrandstoffen niet. Ik kan de positieve evolutie van de biobrandstofproductie toelichten. Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

47


2 Handig voor onderweg In de loop van elk thema word je ondersteund door een aantal hulpmiddelen. We zetten doorheen het thema de belangrijkste zaken op een rijtje in deze rode kaders.

Micro-organismen zijn meestal eencellige organismen die je met de microscoop kunt waarnemen. Onder andere schimmels en bacteriën behoren tot die groep. De meeste micro-organismen zijn schadelijk voor de mens, maar er zijn ook soorten die een gunstige werking hebben. Micro-organismen worden gedood door ontsmettingsalcohol. Niet alle micro-organismen zijn dus gevaarlijk voor de mens. Test jezelf: oefeningen 1, 2 en 3

Hier en daar wordt er een ‘Tip’ ingeschakeld. Het zijn kleine items die je helpen om een opdracht goed uit te voeren of die je extra uitleg geven.

Tip Zorg ervoor dat het haakje gesloten is, zodat het blokje niet loskomt van de dynamometer terwijl je springt.

Interessant om weten

Een ‘Interessant om weten’ is een klein blokje informatie, dat je verder op weg helpt om de opdrachten goed te begrijpen.

IN

Als je in het dagelijks leven over gewicht spreekt, dan bedoel je eigenlijk massa. Een wetenschapper maakt hier een duidelijk onderscheid in. Massa is een maat die de hoeveelheid stof bepaalt waaruit een voorwerp of een organisme bestaat.

VA N

Jouw gewicht of de aantrekkingskracht van de aarde als je ondersteund wordt, kan wel veranderen. In de ruimte word je door niets aangetrokken en ben je dus gewichtloos; je hebt wel nog jouw massa.

Fig. 1.8

Wanneer je een onderzoek uitvoert, volg je telkens 7 stappen die worden aangeduid met de volgende iconen: Onderzoeksvraag Hypothese

Besluit

Werkwijze

Reflectie

Waarneming

Benodigdheden

©

De hypothese moet altijd geformuleerd worden in de vorm: ‘Als ..., dan ...’ Bv. Als je ontsmettingsalcohol toevoegt aan micro-organismen,

Woordenlijst

dan gaan die afsterven.

Bv. ... dan gaan die afsterven, zodat ze zich niet meer verder kunnen ontwikkelen.

Vaktaal en moeilijke woorden vallen extra op door de stippellijn. Achteraan het boek vind je deze woorden terug in de woordenlijst. De volgende iconen helpen je ook nog een eind op weg:

term

definitie

3

het plaats op een voorwerp of aangrijpings- organisme waar een kracht op punt inwerkt

1

de dynamometer

krachtmeter, een meettoestel om krachten te meten

2

het effect

uitwerking, gevolg van iets in dit thema: uitwerking van een kracht

1

het gewicht

de kracht die een ondersteund voorwerp uitoefent op zijn steunvlak

1

gewichtloos

Een voorwerp of organisme heeft geen gewicht omdat het niet ondersteund wordt, dus kan het ook geen kracht uitoefenen op zijn steunvlak.

1

ijken

of afstellen

3

de ingenieurs techniekers die wetenschappelijke kennis gebruiken om een technisch en wetenschappelijk probleem op te lossen

3

de keu

houten stok waarmee een biljartbal gestoten wordt

1

de krachtpatser

organisme dat een grote spierkracht kan ontwikkelen

1

de newtonmeter

dynamometer of krachtmeter

2

de transAtlantische vluchten

traject van een vliegtuig dat de Atlantische oceaan oversteekt

3

het vectormodel

een schets waarop krachten worden voorgesteld met pijlen

4

de wrijvingskracht

de weerstand die een voorwerp of organisme ondervindt tijdens het schuiven over een oppervlak

Alcohol heeft een ontsmettende werking. Als je een wonde oploopt, moet die in eerste instantie ontsmet worden. Daarvoor wordt vaak ontsmettingsalcohol gebruikt. In het volgende onderzoek ga je aantonen dat alcohol ziekteverwekkers doodt.

in je eigen woorden

Onderzoek 3 1

Onderzoeksvraag Formuleer de onderzoeksvraag.

2 Hypothese

Ze mag bovendien geen extra informatie of verklaring bevatten.

3

Thema Krachten hoofdstuk

124

Woordenlijst KrACHten

3 Benodigdheden voorwerpglaasje dekglaasje magere natuurlijke yoghurt zonder suiker tandenstoker pipet ontsmettingsalcohol Fig. 1.3

4 Werkwijze 1 Dompel de punt van de tandenstoker in de yoghurt en smeer de yoghurt in het midden van het voorwerpglaasje. 2 Voeg een druppel alcohol toe op de uitgesmeerde yoghurt en dek af met het dekglaasje. 3 Wacht een tweetal minuten. 4 Leg het preparaat onder de microscoop en bestudeer de yoghurt met de grootste vergroting. 5 Waarneming Wat zie je onder de microscoop?

6 Besluit Wat is er gebeurd met de micro-organismen?

Alcohol heeft een ontsmettende werking waardoor de micro-organismen beter ontwikkelen / gedood worden. Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.

7 Reflectie Waarom wordt een wonde ontsmet met ontsmettingsalcohol?

110

AAnpAssing vAn ORgAnismen AAn de Omgeving

Het beeldfragment dat hierbij hoort, vind je ook online terug. Als je dit icoon ziet, dan vind je op diddit een ontdekplaat terug. Als je dit icoon ziet, dan vind je extra materiaal terug op diddit. Starten met MACROSCOOP  

5


het onlineleerplatform bij MacroScoop

Leerstof kun je inoefenen op jouw niveau. Je kunt vrij oefenen en de leerkracht kan ook voor jou oefeningen klaarzetten.

Hier kan de leerkracht toetsen en taken voor jou klaarzetten.

VA N

Benieuwd hoe ver je al staat met oefenen en opdrachten? Hier vind je een helder overzicht van je resultaten.

IN

Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.

Š

Hier vind je het lesmateriaal per hoofdstuk (o.a. videobestanden, artikels). Ga hier ook aan de slag met de ontdekplaten!

6

DIDDIT

(FOTO: BELGA)


KRACHTEN

©

VA N

IN

Krachten

1 KRACHTIGE GROOTHEID 2 KRACHTEN EN HUN UITWERKING 3 KRACHTEN ALS VECTOREN 4 SOORTEN KRACHTEN


1

IN

2

Š

VA N

3

(FOTO: BELGA)

Credit: BRIDGEMAN

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

8

Krachten


1 KRACHTIGE GROOTHEID Is de olifant het sterkste dier op aarde? Krachten zijn overal aanwezig. Waar komt de kracht vandaan in de volgende situaties?

Fig. 1.1

Fig. 1.2





Fig. 1.3



b

IN

a

VA N

1

Fig. 1.4



Noteer een viertal voorbeelden waarbij je spierkracht gebruikt.

©



 

 2 Er zijn veel krachtpatsers in het dagelijks leven. a Bij welke toepassingen zijn grote krachten aanwezig? Kruis ze allemaal aan. Een raket lanceren Een spijker in de muur kloppen Een cruiseschip dat vaart Papier perforeren Een auto samenpersen Nagellak aanbrengen op een vingernagel

1 Krachtige grootheid  

9


b

Noteer zelf nog een paar toepassingen waarbij je een grote kracht nodig hebt.

  c

In de dierenwereld zijn er sterke en minder sterke soorten. Van de olifant wordt gezegd dat hij het sterkste dier ter wereld is. Een volwassen olifant kan immers tot 9 000 kg massa dragen. Een mestkever lijkt daarbij een nietig diertje, maar … mestkevers kunnen ongeveer 1 140 keer hun eigen lichaamsmassa tillen. Zoek nog een voorbeeld van een uitzonderlijk sterk dier dat voor zijn grootte een grote kracht kan ontwikkelen.

Fig. 1.5



d

Waarom kunnen deze kleine dieren zo’n grote kracht ontwikkelen in verhouding met hun grootte?





 3 Je kunt een kracht meten.

Kracht (F) is een grootheid die gedefinieerd werd door de Engelse natuurkundige Isaac Newton. Hij gaf daarom zijn naam aan de eenheid van kracht: newton (N). Een kracht kan dus gemeten worden. Daarvoor gebruik je een dynamometer, ook krachtmeter of newtonmeter genoemd.

VA N

IN



Hoe je een kracht meet, zoek je in onderzoek 1.

Onderzoek 1

Fig. 1.6

©

1 Onderzoeksvraag Stel de onderzoeksvraag op. 2 Hypothese 3 Benodigdheden dynamometer tot 10 N statief 4 Werkwijze 1 Trek heel lichtjes aan de dynamometer en lees de waarde af. 2 Trek met een flinke kracht aan de dynamometer en lees de waarde opnieuw af.

10

Krachten

Fig. 1.7


5 Waarneming

Hoe groot is de kracht bij stap 1? 

Hoe groot is de kracht bij stap 2? 

6 Besluit Hoe harder je aan de veer trekt, hoe groter / kleiner de kracht. De uitrekking van een veer is dus een maat voor de grootte van de kracht. Hierdoor is de dynamometer geschikt om krachten te meten.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



IN

7 Reflectie Aan de bovenzijde van de dynamometer bevindt zich een schroefje waaraan je kunt draaien. Je gebruikt dit om te ijken. Wat betekent ijken?

 

We hebben een reeks van meetresultaten genoteerd van een dynamometer met een bepaalde nauwkeurigheid: 1,001 N – 2,412 N – 3,100 N – 4,824 N

Wat is de kleinste kracht die de dynamometer kan meten? 

VA N

Interessant om weten

Als je in het dagelijks leven over gewicht spreekt, dan bedoel je eigenlijk massa. Een wetenschapper maakt hier een duidelijk onderscheid in.

©

Massa is een maat die de hoeveelheid stof bepaalt waaruit een voorwerp of een organisme bestaat. Jouw gewicht of de aantrekkingskracht van de aarde als je ondersteund wordt, kan wel veranderen. In de ruimte word je door niets aangetrokken en ben je dus gewichtloos; je hebt wel nog jouw massa.

Fig. 1.8

Een kracht (F) is een grootheid. De eenheid voor kracht is newton (N). Het meettoestel voor krachten is een dynamometer of krachtmeter. Een olifant is een heel sterk dier, maar eigenlijk is een kleine mestkever sterker. Test jezelf: oefeningen 1, 2 en 3

1 Krachtige grootheid  

11


2 KRACHTEN EN HUN UITWERKING Waarom is het dragen van een helm verplicht als je met een speed pedelec rijdt? 1

Krachten kunnen voorwerpen in beweging brengen. Met het volgende onderzoek kun je nagaan wat het effect is van een kracht die uitgeoefend wordt op een bal.

Onderzoek 2 1 Onderzoeksvraag Wat gebeurt er als je een kracht uitoefent op een bal? 2 Hypothese

IN

VA N

3 Benodigdheden tennisbal of pingpongbal chronometer/smartphone ingesteld als chronometer twee plooimeters (2 m)

4 Werkwijze 1 Ontplooi de twee plooimeters en leg ze evenwijdig naast elkaar zodat je een traject creĂŤert van 2 m waarin de bal kan rollen. 2 Duid een begin- en een eindstreep aan. 3 Leg de bal op de beginstreep en geef er een lichte tik tegen. Start tegelijkertijd de chronometer. 4 Stop de chronometer op het moment dat de bal aan de eindstreep komt. 5 Herhaal stappen 3 en 4, maar geef nu een hardere tik tegen de bal.

Fig. 2.1

5 Waarneming

Wat gebeurt er als je een tik geeft tegen de bal? 

Š

Hoeveel tijd heeft de bal nodig om de eindstreep te bereiken als je er een zachte tik tegen

geeft? 

Hoelang duurt het als je er een harde tik tegen geeft? 

6 Besluit Als je een kracht uitoefent op een bal, komt die in beweging. Een zachte tik komt overeen met een kleine / grote kracht en een harde tik komt overeen met een kleine / grote kracht. De bal beweegt sneller als er een kleine / grote kracht op uitgeoefend wordt. Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.

12

Krachten




7 Reflectie Als je de bal wilt opvangen aan de eindstreep, dan moet je ook een kracht uitoefenen. Hierbij moet je een grotere / kleinere kracht gebruiken als de bal met een harde tik in beweging gebracht is. Een kracht kan dus een voorwerp in beweging brengen of doen stoppen. Algemeen zeggen we dat een kracht de bewegingstoestand van een voorwerp kan veranderen.

2 Met de wind in de rug gaat het vooruit!

Storm Ciara heeft heel wat schade aangericht, maar bij trans-Atlantische vluchten had hij een positief effect. Normaal vliegt een lijnvliegtuig aan een snelheid van 900 km/h. Met de storm in de rug vloog het vliegtuig aan een snelheid van 1 300 km/h; de aankomsttijd was anderhalf uur vroeger dan gepland. Via het onlinelesmateriaal maak je kennis met de grootheid snelheid.

IN

Fig. 2.2

VA N

3 Krachten kunnen nog meer. Dat kun je nagaan met het volgende onderzoek, waarbij we een kracht uitoefenen op een spons.

Onderzoek 3

1 Onderzoeksvraag Wat gebeurt er met de vorm van een spons als je er een kracht op uitoefent? 2 Hypothese

©

3 Benodigdheden spons 4 Werkwijze 1 Knijp voorzichtig in de spons. 2 Knijp de spons stevig samen.

Fig. 2.3

5 Waarneming

Wat gebeurt er als je zacht in de spons knijpt? 

Hoe is dat als je de spons stevig samen duwt? 

6 Besluit Als je een kracht uitoefent op een voorwerp (bv. een spons), kan dat vervormen. Hoe groter de kracht op het voorwerp, hoe meer / minder dat voorwerp vervormd wordt. Die vormverandering wordt ook het effect van een kracht genoemd.

2 Krachten en hun uitwerking  

13


Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



7 Reflectie Hoe komt het dat je een spons zo gemakkelijk kunt vervormen?





4 Bij sommige voorwerpen wordt ervoor gezorgd dat ze slechts minimaal kunnen vervormen. a

Een fietshelm is nog niet verplicht voor een gewone fiets, maar is zeker geen overbodige luxe. Wat is het nut van een fietshelm?





IN



VA N

b Waarom moet een fietshelm altijd vervangen worden na een val? Kruis het juiste antwoord aan. Na een val is de helm niet helemaal rond meer en past hij niet goed. De krassen aan de buitenkant kun je niet meer herstellen. Het materiaal is samengedrukt waardoor de veerkracht van de helm verdwijnt. Na een val zijn er kleine scheurtjes in het materiaal waardoor de helm niet meer veilig is.

Interessant om weten

Š

In een auto zitten er tal van veiligheidsvoorzieningen, waaronder airbags. Als de sensoren van een airbag een ongeval registreren, grijpt er een bijna explosieve chemische reactie plaats. Daarbij blaast de airbag zich op in 0,03 s. Die luchtzak vangt daarna de schok op, zodat de bestuurder minder zware kwetsuren oploopt. De eerste airbags bevonden zich in het stuur. Tegenwoordig zijn er ook airbags geĂŻnstalleerd voor de passagiers zowel vooraan als achteraan. In de toekomst wil men zelfs motorrijders Fig. 2.4 Credit: WENN uitrusten met airbags in hun motorpak. Als ze vallen tijdens een ongeval, blazen de airbags zich op en wordt de motorrijder omringd met luchtzakken tijdens zijn val. Dat zou het aantal zware verwondingen kunnen verminderen. Via het onlinelesmateriaal kun je nog meer te weten komen over de werking van een airbag.

Krachten hebben een bepaald effect: - Krachten kunnen de bewegingstoestand van een voorwerp of organisme veranderen. - Krachten kunnen voorwerpen of organismen vervormen. Met een speed pedelec kun je heel snel fietsen. Daardoor kun je ook zwaar vallen. Het dragen van een fietshelm is dus zeker geen overbodige luxe. Test jezelf: oefeningen 4, 5 en 6

14

Krachten


3 KRACHTEN ALS VECTOREN Niet alleen Cupido gebruikt een pijl 1

Een goede biljartspeler speelt met de krachten op de bal.

Als je wilt biljarten, kun je het best iets van fysica kennen. Als je een bal immers in een bepaalde richting wilt sturen, moet je de kracht op de bal op de juiste plaats laten aangrijpen. Je onderzoekt het effect op een bal als je hem met een keu aanstoot. Fig. 3.1

Onderzoek 4

Welk 

als je met de keu de bal raakt?

VA N

2 Hypothese 

IN

1 Onderzoeksvraag De onderstaande onderzoeksvraag is nog niet klaar. Vul ze aan zodat je het onderzoek kunt uitvoeren.

3 Benodigdheden een ronde stok (bijvoorbeeld een borstelsteel) van ongeveer 1,25 m (of een keu) biljartbal (of een bal van dezelfde grootte)

©

4 Werkwijze 1 Leg de bal aan een kant van de tafel. 2 Neem de borstelsteel vast zoals een keu en tik met een kleine kracht in het midden tegen de bal. 3 Tik nu in het midden aan de linkerkant van de bal met dezelfde kracht als de vorige stoot. 4 Tik in het midden aan de rechterkant van de bal met dezelfde kracht. 5 Tik ten slotte in het midden aan de rechterkant van de bal met een veel grotere kracht. 5 Waarneming

Hoe beweegt de bal bij stap 2? 

Hoe beweegt de bal bij stap 3? 

Hoe beweegt de bal bij stap 4? 

Wat is er veranderd bij stap 5? 

6 Besluit Door de bal op een bepaalde plaats aan te stoten, krijgt de bal een effect. Daardoor beweegt de bal in een bepaalde richting. Waarvan is het effect op de bal afhankelijk?





3 Krachten als vectoren  

15


Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



7 Reflectie Wat zou er gebeuren als je de bal aan de onderzijde zou aanstoten met de stok? Probeer dat maar eens uit.





2 Gebruik al je kennis om een biljartbal met de perfecte kracht aan te stoten.

a

Teken de kracht voor de situatie waarbij je de bal raakt met een kracht van 3 N, in het midden van de bal (1 cm = 1 N).

g in ht ric tte

zin

Fig. 3.2

©

VA N

Op een vector kun je de eigenschappen van een kracht aanduiden. • aangrijpingspunt (hier begint de pijl); • richting (rechte waarop de pijl is getekend of in ons voorbeeld de richting van de keu); • grootte (de lengte van de pijl); • zin (pijlpunt of in ons voorbeeld rechts naar boven). (aangrijpingspunt)

gr oo

Uit onderzoek 4 kun je afleiden dat een kracht bepaalde eigenschappen heeft. Zo heeft een kracht een bepaalde grootte, hij begint op een welbepaalde plaats, hij beweegt volgens een bepaalde richting en de kracht ‘wijst’ ergens naar toe (vooruit/achteruit – links/rechts). Als je zo’n kracht op een bal zichtbaar wilt maken, moet je de kracht voorstellen. Je maakt dan gebruik van een vectormodel.

IN

Een kracht heeft een aantal eigenschappen die je kunt voorstellen met een vectormodel: − aangrijpingspunt (hier begint de pijl); − richting (rechte waarop de pijl is getekend); − grootte (de lengte van de pijl); − zin (pijlpunt). Ingenieurs gebruiken het vectormodel om te verwerken in hun schetsen van constructies. Cupido schiet pijlen af, terwijl ingenieurs ze tekenen. Test jezelf: oefeningen 7, 8 en 9

16

Krachten


4 SOORTEN KRACHTEN In het ISS is er GEEN zwaartekracht 1

Er wordt heel wat geduwd en getrokken op een dag!

Fig. 4.1

IN

Je kunt hierbij denken aan een gevechtssport, maar je kunt het ook ruimer bekijken. In de afbeeldingen hieronder zijn er tal van situaties getoond waarbij een duw- of trekkracht uitgeoefend wordt. Schrap het foutieve antwoord.

Fig. 4.2

Fig. 4.4

duwkracht / trekkracht

VA N

duwkracht / trekkracht

Fig. 4.3

Fig. 4.5

duwkracht / trekkracht

duwkracht / trekkracht

duwkracht / trekkracht

Fig. 4.6

duwkracht / trekkracht

2 De aarde houdt je met de voetjes op de grond.

©

Dat komt omdat de zwaartekracht op je werkt, waardoor je aangetrokken wordt naar de aarde. In het volgende onderzoek bepaal je de grootte van de zwaartekracht. Onderzoek 5

1 Onderzoeksvraag  2 Hypothese  3 Benodigdheden dynamometer massa van 100 g (0,1 kg) massa van 500 g (0,5 kg)

4 Soorten krachten  

17


4 Werkwijze 1 Hang de massa van 100 g aan de dynamometer en lees de grootte van de kracht af. 2 Hang de massa van 500 g aan de dynamometer en lees de grootte van de kracht af. 3 Herhaal stap 1 en lees de grootte van de kracht af, terwijl je van een stoel springt. 4 Herhaal stap 2 en lees de grootte van de kracht af, terwijl je van een stoel springt.

Tip Zorg ervoor dat het haakje gesloten is, zodat het blokje niet loskomt van de dynamometer terwijl je springt. Fig. 4.7

IN

5 Waarneming Hoe groot is de kracht bij stap 1 (voor het springen)? 

Hoe groot is de kracht bij stap 2 (voor het springen)? 

Hoe groot is de kracht bij stap 3 (tijdens het springen)? 

Hoe groot is de kracht bij stap 4 (tijdens het springen)? 

VA N

6 Besluit Voorwerpen worden aangetrokken door de aarde met een bepaalde kracht:



De grootte van de zwaartekracht bepaal je ook met een dynamometer.

Als een voorwerp ondersteund of opgehangen is, heeft het wel / geen gewicht. Als een voorwerp valt, heeft het wel / geen gewicht.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



©

7 Reflectie Het is helemaal niet eenvoudig om te vertellen wat één newton exact betekent. Maar het volgende voorbeeld maakt het wel duidelijk. Als je op je uitgestrekte hand een massa van 100 g legt, voel je een kracht van 1 N. Als je bijvoorbeeld een glas limonade met een massa van 350 g opheft, hoe groot is dan de kracht die je daarbij uitoefent?

18

Krachten




3 Sommige krachten werken tegen.

Je hebt weleens meegemaakt dat de verharde weg waarop je fietst, overgaat naar een weg die bestaat uit los zand. Plots merk je dat het veel lastiger is om te fietsen. Of je hebt je misschien al afgevraagd waarom je zo snel glijdt van een waterglijbaan. Deze ervaringen uit het dagelijks leven kun je verklaren met het onderstaande onderzoek.

Onderzoek 6 1 Onderzoeksvraag Welke onderzoeksvraag kun je stellen voor dit onderzoek? Kies ze uit de volgende mogelijkheden. Welke invloed heeft de ondergrond op een horizontale beweging? Welke invloed heeft de kracht op een horizontale beweging? Welke invloed heeft snelheid op een horizontale beweging? Welke invloed heeft de lucht op de horizontale beweging?

2 Hypothese 

VA N

3 Benodigdheden tafel biljartbal (of een bal van dezelfde grootte) grote badhanddoek ronde stok (zie onderzoek 4) twee plooimeters

IN

vertrek

vertrek

biljartbal

stilstand tafel

stilstand badhanddoek

Fig. 4.8

©

4 Werkwijze 1 Ontplooi de twee plooimeters en leg ze evenwijdig naast elkaar zodat je een traject creëert waarin de bal kan rollen. 2 Leg de bal aan het begin van het traject en stoot hem aan met de stok. 3 Lees de afstand die de bal heeft afgelegd af op een plooimeter. 4 Leg de badhanddoek onder hetzelfde traject op de tafel. 5 Herhaal stappen 2 en 3. 5 Waarneming

Hoe ver rolt de bal op de tafel? 

Hoe ver rolt de bal op de badhanddoek? 

6 Besluit Wat is het verschil tussen de tafel en de badhanddoek als ondergrond?



De beweging van de bal op de handdoek wordt tegengewerkt door de ondergrond. De kracht die deze beweging tegenwerkt, noem je wrijvingskracht.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



4 Soorten krachten  

19


Interessant om weten

VA N

IN

De wrijvingskracht is een vriend en een vijand binnen de autosport. Langs de ene kant worden racewagens zo gebouwd dat ze weinig wrijving ondervinden tijdens het rijden zodat ze hogere snelheden bereiken. De topsnelheid die ooit bereikt werd met een racewagen is 378 km/h door Valtteri Bottas. Langs de andere kant is wrijving ook nodig om te kunnen vertrekken en bochten te nemen. Zonder wrijving zou een wagen niet kunnen vertrekken of hij zou uit de bocht vliegen. Ook tijdens het remmen heb je de wrijvingskracht nodig.

Fig. 4.9

©

In het dagelijks leven kom je met heel wat krachten in aanraking. − Zwaartekracht is de kracht waarmee de aarde je aantrekt. − Trek- en duwkrachten hebben heel veel toepassingen. − Wrijvingskrachten remmen de beweging af.

Als je in het internationaal ruimtestation vertoeft, draai je met een grote snelheid (27 700 km/h) om de aarde. De zwaartekracht van de aarde heeft weinig invloed op je waardoor je gewichtloos kunt bewegen. Test jezelf: oefeningen 10, 11 en 12

20

Krachten


! a h A ! a h A

Schema

SOORTEN • Zwaartekracht • Trekkracht • Duwkracht • Wrijvingskracht • ...

©

VA N

METEN • Dynamometer • Grootheid kracht (F) • Hoofdeenheid (N)

IN

KRACHTEN

VOORSTELLING: VECTORMODEL • aangrijpingspunt (hier begint de pijl); • richting (rechte waarop de pijl is getekend); • grootte (de lengte van de pijl); • zin (pijlpunt)

aangrijpingspunt

EFFECT • Verandering van bewegingstoestand: Snelheid, versnellen, vertragen, stoppen • Vervorming

AHA!

21


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

pg. 10

Ik kan een dynamometer correct gebruiken.

10

Ik kan het verband zien tussen het uitoefenen van een kracht op een voorwerp en de snelheidsverandering ervan.

12

Ik kan de grootheid snelheid gebruiken in toepassingen.

13

Ik kan het verband zien tussen het uitoefenen van een kracht op een voorwerp en de vervorming ervan.

13

Ik kan een kracht toelichten met behulp van een vectormodel.

16

Ik kan voorbeelden van zwaartekracht illustreren.

18

IN

Ik kan de eenheid van kracht gebruiken in metingen.

Ik kan met voorbeelden trek- en duwkrachten onderscheiden.

17

Ik kan met voorbeelden het effect van wrijvingskracht concretiseren.

19

Š

VA N

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

22

hier kan ik nog groeien

Krachten


TEST JEZELF 1

Geef twee voorbeelden waarbij het meten van krachten heel belangrijk is.





2 Krachten worden gemeten met een dynamometer. Hieronder vind je een reeks van meetresultaten van verschillende dynamometers die dezelfde meting uitgevoerd hebben:

2,4 N – 2,41 N – 2,412 N – 2 N. Welke meting is het meest nauwkeurig? 

3 In 2004 stootte de gewichtheffer H. Reza Zadeh 263,5 kg. Hij vestigde daarmee een nieuw wereldrecord, dat tot nu toe standhoudt. Hoeveel kracht oefende hij daarbij uit?

IN

 4 Waarom is er een grote kracht nodig om autowrakken samen te persen?

 

 

VA N

5 Tijdens het wegslaan van een tennisbal treedt er zowel een snelheidsverandering als een vervorming op als gevolg van de kracht op de bal. Is deze uitspraak correct? Leg uit.

6 Als je een beetje tandpasta op je tandenborstel duwt, is er een verandering in de bewegingstoestand en een vormverandering. Leg uit.

 

©

7 Als je op de grond staat, werkt de zwaartekracht op je. Wat is de richting en de zin van die kracht? loodrecht naar boven naar boven naar onderen loodrecht naar onderen 8 Als de spuitkoppen van een printer naar rechts en naar links bewegen tijdens het afdrukken, wat wordt er dan voortdurend gewijzigd in de kracht? aangrijpingspunt grootte richting zin

Test jezelf  

23


9 Je stoot met een keu horizontaal tegen een biljartbal. Je oefent daarbij een kracht uit van 5 N. Teken die kracht en duid het aangrijpingspunt, de richting, de zin en de grootte aan. (0,5 cm = 1 N)

b

IN

10 Hoe groot is jouw gewicht tijdens een vrije val bij een parachutesprong? a Kruis het juiste antwoord aan. hetzelfde als op de grond een beetje minder geen gewicht het dubbele van op de grond Leg uit.





VA N

11 Waarom gebruiken wielrenners een speciale helm tijdens het tijdrijden?

Š

12 Welke krachten spelen een belangrijke rol tijdens het gewichtheffen? Kruis ze allemaal aan. zwaartekracht trekkracht duwkracht magnetische kracht elektrostatische kracht wrijvingskracht

24

Krachten


MATERIE EN ENERGIE IN ORGANISMEN

©

VA N

IN

Fotosynthese

1 ENERGIE- EN STOFOMZETTING IN EEN PLANT 2 AANPASSINGEN VAN DE PLANT AAN HET FOTOSYNTHESEPROCES 3 BELANG VAN DE FOTOSYNTHESE


2

Š

VA N

3

IN

1

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

26

Fotosynthese


1 ENERGIE- EN STOFOMZETTING IN EEN PLANT De plant is een suikerfabriek 1

Vorig jaar heb je bij de biotoopstudie geleerd om een voedselkringloop op te stellen. Dat is een model van de verschillende voedselniveaus in de biotoop. a

Som de verschillende voedselniveaus op.

 Stel met deze schakels een algemene voedselkringloop op.

mineraal c

Je weet dat in deze kringloop de regel ‘eten of gegeten worden’ geldt. Wat is de functie van de eerste schakel van de voedselkringloop?





VA N

IN

b

2 Met het volgende experiment kun je aantonen dat er energierijke stoffen voorkomen in producenten. Onderzoek 1

©

1 Onderzoeksvraag Welke energierijke stoffen kun je aantonen in een plant? 2 Hypothese



3 Benodigdheden jong blad van een groene plant appel twee petrischalen rasp mes koffielepel diastix-teststrip lugoloplossing

Veiligheidsinstructie werken met lugoloplossing H 312, H 332, H 400 P 273, P 280

1 Energie- en stofomzetting in een plant  

27


4 Werkwijze 1 Leg het blad van de plant in een petrischaal en kneus het blad met de bolle zijde van de koffielepel. 2 Hou een diastix-teststrip gedurende enkele seconden in de fijngemaakte bladmassa. 3 Rasp een stukje appel in de andere petrischaal. 4 Hou een diastix-teststrip gedurende enkele seconden in de geraspte appel. 5 Breng achtereenvolgens enkele druppels lugoloplossing aan op het fijngemaakte blad en op de geraspte appel. 5 Waarneming Wat gebeurt er bij stap 2?

Wat zie je bij stap 4?

Wat gebeurt er bij stap 5?

IN

Fig. 1.1

6 Besluit Als de diastix-teststrip verkleurt, welke stof wordt er dan aangetoond?



Waarop wijst de kleurverandering bij de lugoloplossing?



Welke energierijke stoffen kun je dus aantonen in een plant?



Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



VA N

©

7 Reflectie Als een appel overrijp wordt, dan zeggen we in de volksmond dat hij ‘melig’ wordt. Wat zal er dan gebeuren als je lugoloplossing toevoegt?



In het eerste jaar heb je geleerd wat het verband is tussen een zetmeelmolecule en een glucosemolecule. Maak dat verband duidelijk aan de hand van een deeltjesmodel.

28

Fotosynthese

Glucose, zetmeel en vetten zijn energiearme / energierijke stoffen.


3 Een plant haalt die energierijke stoffen niet zomaar uit de bodem of uit de lucht. Glucose en zetmeel komen niet voor in de lucht. Dat merk je meteen, want je bewaart de diastix-teststrips en de lugoloplossing blootgesteld aan de lucht en er is geen verkleuring merkbaar.

Ontwerp nu zelf een onderzoek waarmee je kunt aantonen dat een plant geen glucose uit de bodem kan halen.

Onderzoek 2 1 Onderzoeksvraag  





VA N

3 Benodigdheden diastix-teststrip erlenmeyer (100 ml) maatbeker 50 ml tuinaarde gedestilleerd water trechter filtreerpapier lepel

IN

2 Hypothese

4 Werkwijze 1 

2 

3 

©

4 

5 

5 Waarneming

Wat gebeurt er als je de diastix-teststrip in het bodemwater dompelt?

 6 Besluit



Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



1 Energie- en stofomzetting in een plant  

29


4 De plant maakt de energierijke stoffen zelf aan.

a

Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over fotosynthese.

b

Noteer de hypothese van de Nederlandse alchemist.





c

Wat was het resultaat van het wilgenexperiment?

  

Dat kom je te weten via de volgende onderzoeken. Onderzoek 3

IN

5 Wat heeft een plant nodig om energierijke stoffen aan te maken?

VA N

1 Onderzoeksvraag Welke invloed heeft licht op de aanmaak van zetmeel? 2 Hypothese 

Š

3 Benodigdheden groene plant stukje karton van 10 cm op 2 cm twee paperclips maatbeker met 250 ml water norvanol (gedenatureerde alcohol) petrischaal brede proefbuis plantenlamp elektrische kookplaat ovenhandschoen pincet lugoloplossing thermometer

Veiligheidsinstructie werken met norvanol H 225 P 210

Veiligheidsinstructie werken met lugoloplossing H 312, H 332, H 400 P 273, P 280

4 Werkwijze Uit te voeren in de vorige les 1 Bevestig het stukje karton met de paperclips op een blad van de plant (zie figuur 1.2). 2 Belicht de plant doorlopend met de plantenlamp.

Fig. 1.2

30

Fotosynthese


Uit te voeren tijdens de les 3 Haal het afgedekte blad van de plant af en verwijder het karton. 4 Breng het water aan de kook. 5 Leg het blad gedurende 15 seconden in het kokende water. Gebruik hiervoor het pincet. 6 Haal het blad uit het kokende water en leg het in de petrischaal. 7 Laat de temperatuur van het water dalen tot ± 80 °C. 8 Vul de brede proefbuis voor ¾ met norvanol. 9 Breng het blad met het pincet in de brede proefbuis en plaats ze in het warme water. 10 Haal het blad uit de proefbuis (met het pincet) en dompel het gedurende 10 seconden in het warme water om de norvanol weg te spoelen. Leg het daarna in de petrischaal. 11 Druppel lugoloplossing over het volledige blad en laat inwerken.

Wat zie je bij stap 6? 

Wat gebeurt er bij stap 9? 

Wat zie je bij stap 11? 



6 Besluit

Welke invloed heeft licht op de aanmaak van zetmeel?



VA N

IN

5 Waarneming

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar. 

7 Reflectie Als er te weinig licht is, wordt er minder zetmeel gevormd. Hoe lossen de tuinbouwers het probleem van te weinig zonlicht op tijdens de winter?

Fig. 1.3

©

Onderzoek 4

1 Onderzoeksvraag Welke invloed heeft koolstofdioxide op de aanmaak van zetmeel? 2 Hypothese  3 Benodigdheden groene plant plastieken zak met koolstofdioxide-absorberende korrels

1 Energie- en stofomzetting in een plant  

31


maatbeker met 250 ml water norvanol (gedenatureerde alcohol) petrischaal brede proefbuis plantenlamp elektrische kookplaat ovenhandschoen pincet lugoloplossing thermometer

Veiligheidsinstructie werken met norvanol H 225 P 210

Veiligheidsinstructie werken met lugoloplossing H 312, H 332, H 400 P 273, P 280

VA N

IN

4 Werkwijze Uit te voeren in de vorige les 1 Bevestig de plastieken zak met korrels rond een blad van de plant (zie figuur 1.4). 2 Belicht de plant doorlopend met de plantenlamp. Uit te voeren tijdens de les 3 Haal het blad met de plastieken zak van de plant af en verwijder de plastieken zak. Fig. 1.4 4 Maak een ander, niet-behandeld blad los van de plant. 5 Ontkleur de beide bladeren door de werkwijze van onderzoek 3 te volgen (stappen 4 tot en met 10). 6 Druppel lugoloplossing over de beide bladeren en laat inwerken. 5 Waarneming

Wat zie je bij stap 6?



6 Besluit

Welke invloed heeft koolstofdioxide op de aanmaak van zetmeel?

Š



Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar. 

7 Reflectie In het eerste jaar (bij de biotoopstudie) leerde je dat de aarde het tropisch regenwoud echt nodig heeft. Kun je dat verduidelijken aan de hand van de resultaten van dit onderzoek?

  

32

Fotosynthese


6 Dat zetmeel alleen gevormd wordt in de groene plantendelen kun je aantonen met het volgende onderzoek. Onderzoek 5 1 Onderzoeksvraag Welke invloed hebben groene plantendelen op de aanmaak van zetmeel? 2 Hypothese 

IN

Veiligheidsinstructie werken met norvanol H 225 P 210

Veiligheidsinstructie werken met lugoloplossing H 312, H 332, H 400 P 273, P 280

VA N

3 Benodigdheden een wit-groen gevlekt blad van een siernetel maatbeker met 250 ml water norvanol (gedenatureerde alcohol) petrischaal brede proefbuis plantenlamp elektrische kookplaat ovenhandschoen pincet lugoloplossing thermometer

4 Werkwijze Uit te voeren in de vorige les 1 Belicht de plant doorlopend met de plantenlamp. Uit te voeren tijdens de les 2 Ontkleur het blad zoals je gedaan hebt bij onderzoek 3 (stappen 4 tot en met 10). 3 Druppel lugoloplossing over het volledige blad en laat inwerken.

Fig. 1.5

©

5 Waarneming

Wat zie je bij stap 3? 

6 Besluit

Welke invloed hebben groene plantendelen op de aanmaak van zetmeel?

 Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.  7 Reflectie In het eerste jaar (bij het thema ‘Organisatieniveaus’) leerde je in welke deeltjes van de plantencel glucose aangemaakt wordt. Welke deeltjes zijn dat?

Fig. 1.6

1 Energie- en stofomzetting in een plant  

33


7 Uit alle verzamelde informatie uit de bovenstaande onderzoeken kun je besluiten dat er in de plant een stofomzetting en een energieomzetting plaatsvinden. Bij de stofomzetting maakt de plant energierijke glucose aan met opgenomen water uit de bodem en opgenomen koolstofdioxide uit de lucht. Bekijk de deeltjesmodellen van die stoffen: de zwarte bollen stellen de koolstofatomen voor, de rode bollen de zuurstofatomen en de witte bollen de waterstofatomen. Vul de tabel verder aan.

IN

a

Fig. 1.7

koolstofdioxide

molecule glucose

atomen koolstof

atomen koolstof

atomen waterstof

atomen waterstof

atomen zuurstof

atomen zuurstof

b

Je merkt dat er bij de vorming van de glucosemolecule een aantal atomen overblijven. Welke zijn dat

en hoeveel zijn er? 

c

Hoeveel moleculen zuurstofgas kunnen daarmee gevormd worden? (Tip: 1 molecule zuurstofgas telt 2 atomen zuurstof.)



moleculen water

glucose

d

Noteer de volledige stofomzetting:

  e

Š

moleculen koolstofdioxide

VA N

water

Er gebeurt ook een energieomzetting. Noteer die omzetting.

  f De stofomzetting en de energieomzetting vormen samen het fotosyntheseproces. Noteer de ontbrekende woorden bij de pijlen op het model van de fotosynthese. Bij de onderzoeken werd telkens zetmeel aangetoond omdat de aangemaakte glucose heel snel omgezet wordt in zetmeel.

34

Fotosynthese

Fig. 1.8


8 De tekening op de vorige pagina (fig. 1.8) toont dat er zuurstofgas ontstaat bij de fotosynthese. Met het volgende onderzoek kun je dat ook aantonen. Onderzoek 6 1 Onderzoeksvraag Hoe kun je aantonen dat er zuurstofgas vrijkomt bij de vorming van glucose? 2 Hypothese

3 Benodigdheden verse waterpestplantjes maatbeker van 1 liter gevuld met water proefbuis glazen trechter, iets korter dan de maatbeker plantenlamp houtspaander lucifer

IN



VA N

4 Werkwijze Uit te voeren in de vorige les 1 Vul de trechter met waterpestplantjes. 2 Plaats de trechter omgekeerd in de maatbeker, gevuld met water. Let erop dat de trechter volledig onder water staat. 3 Vul de proefbuis met water en sluit ze af met je duim. 4 Plaats de proefbuis over de hals van de trechter. Let erop dat er geen luchtbel in de proefbuis komt. 5 Belicht de waterpestplantjes doorlopend met de plantenlamp.

zuurstofgas

thermometer

©

proefbuis water

lamp

waterpest

trechter

Fig. 1.9

1 Energie- en stofomzetting in een plant  

35


Uit te voeren tijdens de les 6 Na een week is er een merkbare verandering. Noteer die bij de waarnemingen. 7 Steek de houtspaander aan met de lucifer. Doof de vlam, maar let erop dat de punt blijft gloeien. 8 Haal de proefbuis van de trechter en blijf ze ondersteboven houden. 9 Breng de gloeiende houtspaander diep in de proefbuis. 5 Waarneming Wat zie je bij stap 6?



Waaruit ontsnappen die gasbelletjes?



Wat gebeurt er bij stap 9?

6 Besluit

IN



Er is duidelijk een gas gevormd. Welk gas kan de gloeiende houtspaander doen ontvlammen?



Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



VA N

7 Reflectie Wie maakt gebruik van het geproduceerde zuurstofgas?

 

Kun je verduidelijken aan de hand van de resultaten van dit onderzoek waarom onze aarde het tropisch regenwoud echt nodig heeft?

Š



Tijdens het fotosyntheseproces zet de plant koolstofdioxide uit de lucht en water uit de grond om in glucose en zuurstofgas. water + koolstofdioxide

licht bladgroenkorrels

glucose + zuurstofgas

Voor deze stofomzetting heeft de plant energie nodig. Stralingsenergie van de zon wordt omgezet in chemische energie onder de vorm van glucose en zetmeel. De stof- en energieomzetting gebeurt in de bladgroenkorrels van de plantencel. Een groene plant maakt dus inderdaad voortdurend glucose aan. Test jezelf: oefeningen 1, 2, 3, 4 en 5

36

Fotosynthese


2 AANPASSINGEN VAN DE PLANT AAN HET FOTOSYNTHESEPROCES De plant heeft groene vingers 1

Een plant neemt water en koolstofdioxide op uit de omgeving. a

Welke stoffen neemt de plant op uit de bodem?

 Bekijk de afbeelding van de plant. Omcirkel het orgaan dat voor deze opname zorgt.

c

Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over de groei van wortels. Hoe komt het water van de wortel naar het blad?

IN

b

 

d

Op afbeelding 2.2 van kiemplantjes van rijst, zie je op de wortels fijne, pluizige deeltjes. Het zijn de kleinste deeltjes van de wortel. Hoe heten deze deeltjes?



VA N

Fig. 2.1

e Schrap de foutieve antwoorden. De vele wortelharen zorgen voor een oppervlaktevergroting / oppervlakteverkleining. Dat betekent dat het contact tussen de wortels en de bodem vergroot / verkleint. De opname van water en mineralen wordt hierdoor belemmerd / bevorderd.

Het teveel aan opgenomen water verdampt. De verdamping gebeurt via kleine openingen in het blad. Dat zijn de huidmondjes.

©

f

Fig. 2.2

Welk gas neem het blad op via die openingen?  Welke gassen verlaten het blad? 

koolstofdioxide

open huidmondje water

zuurstofgas gesloten huidmondje Fig. 2.3

Fig. 2.4

2 Aanpassingen van de plant aan het fotosyntheseproces  

37


2 Voor de fotosynthese heeft de plant stralingsenergie nodig. Om het licht zo goed mogelijk op te vangen, groeien planten bijvoorbeeld naar het licht en richten ze hun bladeren. Noteer bij elke afbeelding de aanpassing van de plant om zo veel mogelijk licht op te vangen. Je hebt de keuze uit: bladstand – groen blijvende plant – klimmende stengel – voorjaarsbloeier – wortelrozet

Fig. 2.5

Fig. 2.6





Fig. 2.7



Fig. 2.8

Fig. 2.9





Het zonlicht wordt in de bladgroenkorrels van een plantencel opgevangen en omgezet in energie voor de plant. Bladgroenkorrels zorgen ook voor de groene kleur van een plant. Duid een bladgroenkorrel aan op de figuur hiernaast.

©

b

VA N

IN

a

De plant haalt het water, nodig voor het fotosyntheseproces, met de wortelharen uit de bodem. Via de huidmondjes in het blad kan de plant koolstofdioxide opnemen. Het tijdens het fotosyntheseproces vrijgekomen zuurstofgas en het overtollige water verlaten het blad via diezelfde huidmondjes. Voor de stofomzetting gebruikt de plant stralingsenergie. De bladgroenkorrels vangen dit licht op en zetten het water en de koolstofdioxide om in glucose en bruikbare energie voor de plant. Wortelharen, bladgroenkorrels en huidmondjes zijn de groene vingers van de plant. Test jezelf: oefeningen 6, 7 en 8

38

Fotosynthese

Fig. 2.10


3 BELANG VAN DE FOTOSYNTHESE Voor de aarde is er niets aan de hand Zonder fotosynthese is er amper leven op aarde.



plantencel

VA N

a Het schema hiernaast (figuur 3.1) maakt duidelijk welke rol fotosynthese speelt in het leven op aarde. Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit: kinetische energie celademhaling chemische energie elektrische energie zuurstofgas fotosynthese water en koolstofdioxide stralingsenergie thermische energie koolstofdioxide



IN

1

plantencel

en en

dierlijke cel



b

©



en en

Fig. 3.1



Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over het verband tussen fotosynthese en celademhaling. Lees daarna de volgende stellingen en bepaal of ze juist of fout zijn. Geef daarbij een woordje uitleg. − Ook al eet je vlees, dat vlees komt van een dier dat zich met planten heeft gevoed.

    − De stoffen die ontstaan bij de fotosynthese heb je nodig bij verbranding en omgekeerd, de stoffen die ontstaan bij verbranding heb je nodig voor de fotosynthese.

   3 Belang van de fotosynthese  

39


2 De eerste levende wezens op aarde waren heel anders. a De eerste organismen leefden in water en haalden hun energie uit scheikundige reacties. Waar haalden zij hun voedingsstoffen?

 b

3,5 miljard jaar geleden ontwikkelden er zich blauwwieren. Ze veranderden de samenstelling van de atmosfeer door de productie van zuurstofgas. Blauwwieren zijn de eerste autotrofe organismen. Wat zijn dat?

Fig. 3.2

 

c

De andere organismen die toen op aarde leefden, stierven bijna uit omdat zuurstofgas voor hen giftig was. Pas 1,7 miljard jaar geleden ontstaan organismen die wel zuurstofgas verdragen of zelfs nodig hebben. De mens is één van die organismen.

d

De aanwezigheid van zuurstofgas en van autotrofe organismen maakten een andere levensvorm mogelijk: de heterotrofe organismen. Wat zijn dat?

IN



Vorig schooljaar hebben jullie autotrofe en heterotrofe organismen leren kennen. Noteer bij elke afbeelding het juiste organisme.

©

VA N

e



autotroof autotroof



heterotroof heterotroof

Fig. 3.3

Interessant om weten Eencellige wieren in het plankton van de oceanen zijn verantwoordelijk voor meer dan 70 % van de zuurstofgasproductie op aarde. Ze bevatten bladgroenkorrels die door de fotosynthese zuurstofgas afgeven aan het het oceaanwater. Skeletjes van afgestorven plankton worden vaak in tandpasta’s verwerkt. Fig. 3.4

40

Fotosynthese


3 De fotosynthese speelt een rol in het klimaat.

a Bekijk de twee filmpjes van het natuurlijk broeikaseffect en het versterkt broeikaseffect. Je vindt ze via het onlinelesmateriaal.

b Wat is het verschil tussen het natuurlijk en het versterkt broeikaseffect?





 Fig. 3.5

 c

Welk gas is grotendeels verantwoordelijk voor het versterkte broeikaseffect?

 Noteer twee huidige processen waardoor dit gas in de atmosfeer toeneemt.

IN

d

 e

Leg uit hoe de fotosynthese het versterkt broeikaseffect kan verminderen.



VA N



4 Wetenschappers proberen te doen wat planten vanzelf kunnen: stralingsenergie opslaan in brandstoffen. a Bekijk de grafiek die je informatie geeft over het wereldwijde energieverbruik. Hoeveel % bio-energie wordt er wereldwijd verbruikt?

Soorten energiebronnen met de percentages waarin zij nu voorkomen. (wereldwijd) zon en wind 0,8%



b

bio 2%

Wat is bio-energie?

water 3%

©

  

c

Fossiel 90%

kern 4%

Wat zijn biobrandstoffen?

   

d

Deze cirkel stelt het energieverbruik voor van alle ca. 8 miljard mensen op aarde

Wat is het grote verschil tussen biobrandstoffen en fossiele brandstoffen?

Fig. 3.6

  

3 Belang van de fotosynthese  

41


e De afbeelding hieronder toont dat de koolstofcyclus uit balans geraakt bij het verbranden van fossiele brandstoffen. Bij het verbranden van biobrandstoffen gebeurt dat niet. Hoe kun je dat verklaren?

   

Brandstof

Suikers

Olieraffinaderij

CO2

Verbranding

IN

Verbranding

Planten Biomassa

VA N

Geologische processen 10-100 miljoen jaar Aardolie

Fotosynthese

CO2

Planten Biomassa

Bioraffinaderij

Fotosynthese

Bio-ethanol Biotechnologie Fig. 3.7

f Ook de productie van bio-energie is omstreden. Kun je dat uitleggen aan de hand van de onderstaande afbeelding?



©



250 liter plantaardige olie

=

80 liter bio-ethanol

OF

genoeg voedsel voor één persoon voor een volledig jaar

Fig. 3.8

42

Fotosynthese


g

Bekijk de afbeelding in verband met de grondstoffen voor het produceren van bio-energie. Waarin verschilt de tweede generatie biobrandstof van de eerste generatie? EERSTE EN TWEEDE GENERATIE BIOBRANDSTOFFEN eerste generatie

Fig. 3.14

Fig. 3.15

biomassa

component

Fig. 3.13

stro hout

suikers

olieolie methylesters

cellulose suikers

koolstof en organisch waterstof- materiaal gas

bio-ethanol biodiesel

cellulose ethanol

diesel

IN

methaan

pure biogas plantaardige olie (PPO)

natte bio-massa (gft, hout, slib)

biocrude

VA N





De derde generatie biobrandstoffen wordt vooral door eencellige wieren geproduceerd. Die hebben het grote voordeel dat ze geen vruchtbare grond nodig hebben om gekweekt te worden. Zelfs in de woestijn kunnen ze zich ontwikkelen.

©

h

Fig. 3.12

koolzaad zonnebloem biomassa soja koolzaad zonnebloem soja



Fig. 3.11

suikerriet mais suikerbiet tarwe gerst

grondstof

Fig. 3.10

brandstof

Fig. 3.9

tweede generatie

Fig. 3.16 Credit: Arrfoto / Alamy

Het natuurlijk broeikaseffect maakt leven op aarde mogelijk. De mens verstoort het natuurlijk broeikaseffect onder andere door de productie van broeikasgassen en door het kappen van bossen. Massaal aanplanten van bomen en gebruiken van bio-energie zijn enkele van de maatregelen die de mens neemt om dat evenwicht te herstellen. Voor de aarde is er inderdaad niks aan de hand. Het is de mens die het natuurlijk evenwicht verstoort en er de gevolgen zal van dragen. Test jezelf: oefeningen 9 en 10

3 Belang van de fotosynthese  

43


! a h A ! a h A

Mindmap

opnemen water uit de bodem

met de wortelharen

stralingsenergie water + koolstofdioxide bladgroenkorrels

wortel

glucose + zuurstofgas

vervoer van water

stengel

via de huidmondjes

via de huidmondjes

energie-omzetting

vervoer van water

verdampen van overtollig water

stralingsenergie ² chemische energie

opnemen koolstofdioxide uit de lucht

in de bladgroenkorrels

blad

energie- en stofomzetting

FOTOSYNTHESE

vrijkomen zuurstofgas

©

via de huidmondjes

VA N

via de nerven

IN

aanpassingen

met de bladgroenkorrels

opvangen stralingsenergie

door massaal bomen aan te planten door onder andere bio-energie te gebruiken

44

Fotosynthese

stofomzetting

belang herstellen van het natuurlijk broeikaseffect

water + koolstofdioxide ² glucose en zuurstofgas


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

hier kan ik nog groeien

pg. 27

Ik kan experimenteel aantonen welke energierijke stoffen planten bevatten.

27, 28

Ik kan experimenteel aantonen dat de producenten de energierijke stoffen niet uit de bodem of de lucht halen.

29

Ik kan uitleggen waarom een plant in massa toeneemt.

30

Ik kan experimenteel vaststellen welke invloed licht heeft op het fotosyntheseproces.

30, 31

Ik kan experimenteel vaststellen welke invloed koolstofdioxide heeft op het fotosyntheseproces.

31, 32

Ik kan experimenteel vaststellen welke invloed groene plantendelen hebben op het fotosyntheseproces.

33

Ik kan de stofomzetting en de energieomzetting in een plant toelichten.

34

Ik kan het fotosyntheseproces toelichten.

34

VA N

IN

Ik kan uitleggen hoe producenten zorgen voor de nodige voedingsstoffen voor de consument.

35, 36

Ik kan uitleggen welke macroscopische en microscopische plantendelen een rol spelen in het fotosyntheseproces.

37, 38

Ik kan aan de hand van voorbeelden uitleggen hoe planten kunnen aangepast zijn aan het maximaal opvangen van licht.

38

Ik kan toelichten welke rol fotosynthese speelt in het leven op aarde.

39

Ik kan de relatie tussen fotosynthese en verbranding toelichten.

39

Ik kan de begrippen heterotroof en autotroof uitleggen.

40

Ik kan toelichten welke rol fotosynthese speelt in het klimaat.

41

Ik kan uitleggen wat bio-energie is.

41

Ik kan toelichten dat fossiele brandstoffen de koolstofcyclus uit balans brengen en biobrandstoffen niet.

42

Š

Ik kan experimenteel vaststellen dat er bij het fotosyntheseproces zuurstofgas gevormd wordt.

Ik kan de positieve evolutie van de biobrandstofproductie toelichten.

42, 43

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

45


TEST JEZELF 1

Een tomatenplant staat in een pot op de vensterbank in de zon. Kruis het juiste antwoord aan. De plant neemt uit zijn omgeving enkel koolstofdioxide op. enkel mineralen op. enkel voedingsstoffen op. enkel water op. enkel zuurstofgas op. alle vijf de stoffen op.

2 Noteer de correcte termen op de afbeelding zodat het fotosyntheseproces duidelijk wordt.

IN

fotosynthese





VA N





Š

3 Duid het correcte antwoord aan. Je weet dat een brandende kaars onder een glazen stolp dooft. Wanneer naast de kaars ook een plant onder de stolp staat en het geheel eerst belicht wordt voor de kaars wordt aangestoken, dan stel je vast dat de kaars langer blijft branden. Je kunt hieruit afleiden dat tijdens het fotosyntheseproces water wordt verbruikt. koolstofdioxide wordt verbruikt. glucose wordt geproduceerd. zuurstofgas wordt geproduceerd. 4 Wat heeft een plant allemaal nodig om aan fotosynthese te kunnen doen? bladeren stuifmeel bloemen wortels water koolstofdioxide zuurstofgas zaden energie stengel 46

Fotosynthese


5 In welke plantendelen kan er fotosynthese plaatsvinden? Kruis het juiste antwoord aan. in de wortels alleen in de bladeren in de hele plant, zowel onder de grond als boven de grond in alle groene delen van de plant 6 In welk deeltje van de plantencel gebeurt de fotosynthese?

 7 Welke macroscopische en microscopische plantendelen spelen een rol in het fotosyntheseproces?

 

VA N

IN

8 Je laat een zaadje in een fles met aarde ontkiemen. Als de eerste blaadjes gevormd zijn, sluit je de fles af met een dop. Tijdens metingen stel je vast dat de plant bij schemerlicht meer glucose verbrandt dan produceert. Van welk gas neemt de hoeveelheid in de fles af? koolstofdioxide stikstof waterdamp zuurstofgas 9 Is de stelling juist of fout? Verklaar je antwoord. Een mens kan niet overleven zonder het fotosyntheseproces.

  

10 Een plant maakt van glucose verschillende energierijke stoffen. Om de drie grote groepen van deze stoffen te onthouden, kun je het drieletterwoord KEV als geheugensteuntje gebruiken. Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit: boter – brood – eiwitten – koolhydraten – vetten – vlees K staat voor zoals in .

E staat voor zoals in .

V staat voor zoals in .

©

Test jezelf  

47


© VA N IN


VOORTPLANTING

©

VA N

IN

Voortplanting bij planten

1 SEKSUELE VOORTPLANTING 2 ASEKSUELE VOORTPLANTING


2

Š

VA N

3

IN

1

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

50

Voortplanting bij planten


1 SEKSUELE VOORTPLANTING Man en vrouw onder één dak 1

Volgroeide bloemen beschikken meestal over alle organen die nodig zijn voor de geslachtelijke of seksuele voortplanting. a

In het volgende onderzoek ga je op zoek naar de delen van een bloem.

Onderzoek 1

Tip

2 Hypothese

VA N

3 Benodigdheden bloem van koolzaad pincet loep kleefband schaar

Bloeiende koolzaadplanten zijn wel het hele jaar door te vinden. Ook andere soorten kunnen in dit onderzoek gebruikt worden. In bloemenwinkels is in elk seizoen wel iets te vinden. Gebruik geen bloemen met een ingewikkelde structuur (chrysant, dahlia, iris ...) of soorten die geen kelk en kroon bezitten (tulp, sneeuwklokje ...).

IN

1 Onderzoeksvraag Uit welke delen bestaan koolzaadbloemen?

©

4 Werkwijze 1 Haal met een pincet de buitenste kring bladeren (kelkbladeren) van de bloem af. 2 Kleef ze met kleefband in de tabel bij de waarnemingen en noteer ook het aantal. 3 Haal de binnenste kring bladeren (de kroonbladeren) van de bloem af. 4 Kleef ze in de tabel en noteer het aantal. 5 De mannelijke voortplantingsorganen (de meeldraden) zijn nu zichtbaar. Je ziet dat er korte en lange meeldraden zijn. 6 Kleef de meeldraden in de tabel en noteer het aantal. 7 Maak het overblijvende gedeelte (de stamper) los van de bloem en kleef hem in de tabel. 8 Snij met een mesje het verdikte deel van de stamper door. 5 Waarneming bloemdeel

aantal

kelkblad



kroonblad



meeldraad



stamper



losgemaakte bloemdelen

1 Seksuele voortplanting  

51


6 Besluit Uit welke delen bestaat de bloem van koolzaad? Van buiten naar binnen:









Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



7 Reflectie Bekijk ook de bloemen van andere plantensoorten.

b

IN

Lokaliseer op de afbeelding de vier grote bloemdelen en benoem ze.

Š

Wat valt er op? Vink alle correcte antwoorden aan. Alle bloemen ‌ zien er hetzelfde uit. hebben groene kelkbladeren. verschillen van elkaar. bezitten allemaal hetzelfde aantal meeldraden. hebben een stamper. hebben gekleurde kroonbladeren. van eenzelfde soort plant zijn op dezelfde manier gebouwd. hebben voortplantingsorganen.

VA N

Fig. 1.1

52

Voortplanting bij planten


c

Omschrijf de functie van elk bloemdeel. Noteer daarvoor de juiste cijfer-lettercombinaties. bloemdeel

combinatie

functie

1

stamper



A

beschermt de voortplantingsorganen en lokt insecten

2

meeldraad



B

beschermt de binnenste bloemdelen voor de bloei

3

kroonblad



C

mannelijk voortplantingsorgaan

4

kelkblad



D

vrouwelijk voortplantingsorgaan

2 De meeldraad is het mannelijk voortplantingsorgaan van de bloemplant. a Bekijk een meeldraad (onderzoek 1) met een loep. Maak hiernaast een schets en duid de helmdraad en de helmknop aan. De helmknop is opgebouwd uit helmhokjes.

b

IN

Bekijk de afbeeldingen van een gesloten en een open helmknop. Welk verschil merk je op?

©

VA N



Fig. 1.2

Fig. 1.3

c

Doorstreep het foutieve antwoord: de stuifmeelkorrels die in de helmknop ontwikkelen, bevatten zaadcellen / eicellen.

d

Omschrijf in je eigen woorden de functie van de meeldraad.



1 Seksuele voortplanting  

53


3 De stamper is het vrouwelijk voortplantingsorgaan van de bloemplant.

Bekijk de stamper (onderzoek 1) met een loep. Bovenaan zie je de stempel, het dunnere deel is de stijl en onderaan kun je het vruchtbeginsel zien.

a

Duid de drie delen aan op de figuur hiernaast.

b

Bekijk het vruchtbeginsel. Wat zit daarin?



c

Omschrijf in je eigen woorden de functie van de stamper.

 

Fig. 1.4

IN

De buitenste krans bladeren van een bloem zijn kelkbladeren. Ze beschermen de andere bloemdelen. De gekleurde bladeren zijn de kroonbladeren. Zij lokken de insecten.

VA N

De mannelijke voortplantingsorganen zijn de meeldraden. Ze bestaan uit een helmdraad en een helmknop met helmhokjes. Hierin rijpen de stuifmeelkorrels die de sperma- of zaadcellen bevatten. In het midden staat de stamper. Dit vrouwelijk voortplantingsorgaan bestaat uit de stempel, de stijl en het vruchtbeginsel met zaadbeginsels. In elk zaadbeginsel rijpt een eicel. De meeste bloemen bezitten dus zowel mannelijke als vrouwelijke voortplantingsorganen. Test jezelf: oefening 1

Kunnen bloemen zonder bijtjes?

1 Via bestuiving komen spermacel en eicel samen.

Noteer onder de afbeeldingen op welke manieren stuifmeel kan overgebracht worden.

Š

a

b

Fig. 1.5

Fig. 1.6

Fig. 1.7

Fig. 1.8









Op welk deel van de stamper komt het stuifmeel terecht?

 c

Bekijk de afbeelding op de volgende pagina (fig. 1.9). Omschrijf in je eigen woorden wat bestuiving is.



54



Voortplanting bij planten


d

Bekijk de afbeelding hiernaast (fig. 1.10). Wat is er fout met deze ‘bestuiving’?













2 Na de bestuiving volgt de bevruchting.

Fig. 1.10

IN

Bekijk de afbeeldingen en lees de info. Nummer de afbeeldingen in de juiste volgorde zodat duidelijk wordt wat bevruchting is.

De vrucht groeit verder. Van de andere bloemdelen blijft enkel nog een restant aan de top van de vrucht over.

VA N

Fig. 1.11

Een hommel brengt stuifmeelkorrels van een mannelijke courgettebloem op de stempel van een vrouwelijke courgettebloem.

Fig. 1.12

©

a

Fig. 1.9

De mannelijke bloemen hebben geen nut meer en verwelken. Ook de gele bloemblaadjes van de vrouwelijke bloemen verwelken.

Fig. 1.13

Uit de stuifmeelkorrel op de stempel groeit een stuifmeelbuis naar de eicel in het zaadbeginsel. Fig. 1.14

De spermacel uit de stuifmeelkorrel versmelt met één eicel in het zaadbeginsel. Hierbij versmelt het erfelijk materiaal. Dat is de bevruchting. De bevruchte eicellen groeien hierna uit tot embryo’s. Fig. 1.15

1 Seksuele voortplanting  

55


b

Welke bloemdelen worden opvallend groter? 

3 Na de bevruchting is het nog niet gedaan. Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over de groei van een courgetteplant.

a

b

Wat gebeurt er met het zaadbeginsel?  Wat gebeurt er met het vruchtbeginsel? 

4 Zaden komen vrij uit rijpe vruchten. a

Waarom is het noodzakelijk dat vruchten en zaden zich verspreiden?

  Bekijk de afbeeldingen en noteer op welke manier de vruchten en zaden verspreid worden.

Fig. 1.16



VA N

IN

b

Fig. 1.17

Fig. 1.18





5 Bij gunstige omstandigheden groeien er nieuwe planten uit zaden. a

Je onderzoekt onder welke omstandigheden zaden het beste kunnen kiemen.

Š

Onderzoek 2

1 Onderzoeksvraag Onder welke omstandigheden kiemen zaden van bonen? 2 Hypothese  3 Benodigdheden droge zaden van bonen geweekte zaden van bonen negen petrischalen droge watten vochtige watten water

56

Voortplanting bij planten

Tip Zaden van bonen zijn te koop in tuincentra of in gespecialiseerde winkels voor zaaigoed.


4 Werkwijze 1 Neem drie petrischalen en leg in elke petrischaal 15 geweekte bonen. Zet elke petrischaal in een ruimte met een verschillende temperatuur. 2 Leg in twee andere petrischalen telkens 15 geweekte bonen. Zet de ene schaal in het licht en de andere in het donker. 3 Leg 15 droge bonen in een petrischaal met droge watten. 4 Leg 15 droge bonen in een petrischaal met vochtige watten en dek ze af met het deksel. 5 Vul een petrischaal voor de helft met gedemineraliseerd water. Leg er 15 droge bonen in. Dek de petrischaal af. 6 Leg 15 droge bonen in een petrischaal op vochtige watten. Laat de petrischaal open. 7 Laat alle bonen kiemen gedurende een zevental dagen. 5 Waarneming Welke bonen kiemen het best?



IN

6 Besluit

Schrap de foutieve antwoorden. Bonen kiemen het best: − bij hoge / gemiddelde / lage temperatuur − in een goed verlichte / donkere ruimte − als ze droog zijn / veel water kunnen opnemen − in een zuurstofrijke / koolstofdioxiderijke omgeving

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



VA N

7 Reflectie De invloed van het licht verschilt van plant tot plant.

Tijdens het kiemen nemen de zaden geen voedsel uit hun omgeving op en ze kunnen ook nog niet aan fotosynthese doen. Waarom kunnen ze niet aan fotosynthese doen?

©



Waar halen de zaden dan hun voedsel?



Hoe kun je dat waarnemen?



1 Seksuele voortplanting  

57


b

c

Bekijk via het onlinelesmateriaal nogmaals het filmpje over de groei van een courgetteplant. Nummer de afbeeldingen hieronder zodat de kieming chronologisch weergegeven wordt.

Fig. 1.19

Fig. 1.20

Fig. 1.21

Fig. 1.22

Fig. 1.23











Josh hield gedurende 8 dagen een dagboek bij van de kieming van bonenzaden. In de tabel zie je de dagelijkse meetresultaten voor de wortel en de stengel.

Maak met deze gegevens een grafiek en kleef hem hieronder. Teken de groeicurve van de wortel in het blauw. Teken de groeicurve van de stengel in het groen.

58

dag

lengte wortel (mm)

lengte stengel (mm)

1

2

0

2

5

0

3

6

2

4

7

3

5

10

6

6

14

8

7

20

14

8

25

20

VA N

Doorstreep de foutieve antwoorden. De wortel / stengel groeit eerst uit. De wortel groeit sneller / trager / even snel als de stengel. De wortel / stengel blijft een voorsprong houden op de wortel / stengel.

Š

IN

Voortplanting bij planten


6 Je kunt de geslachtelijke voortplanting als een kringloop voorstellen. Maak met de opgesomde stappen van de geslachtelijke voortplanting een kringloop in chronologische volgorde. Start met bloemknop. - bestuiving - bevruchting - bloem - bloemknop - groei van nieuwe plant - groei stuifmeelbuis uit stuifmeelkorrel - rijpe vrucht wordt verspreid



bloemknop



- - - - - -

rijping meeldraad rijping stamper stuifmeelbuis dringt in zaadbeginsel vruchtbeginsel groeit uit tot vrucht zaadbeginsel groeit uit tot zaad zaden kiemen







 

IN







SEKSUELE VOORTPLANTING





  

VA N

 



 









Voor er bevruchting kan plaatsvinden, is er altijd eerst bestuiving. Dat betekent dat rijpe stuifmeelkorrels van een meeldraad door bestuivers (zoals insecten of de wind) naar de stempel van de stamper van eenzelfde bloemsoort gebracht worden.

©

Uit de stuifmeelkorrel op de stempel groeit een stuifmeelbuis richting zaadbeginsel. De bevruchting gebeurt wanneer de spermacel uit de stuifmeelkorrel versmelt met de eicel in het zaadbeginsel. Er ontstaat een bevruchte eicel die uitgroeit tot een embryo. Na de bevruchting groeit het vruchtbeginsel uit tot vrucht en groeien de zaadbeginsels uit tot zaad. Bij gunstige omstandigheden groeit een zaad uit tot kiemplant. Tijdens de kieming haalt het embryo zijn voeding uit de zaadlobben. Eerst groeit de wortel en dan de stengel. De geslachtelijke (seksuele) voortplanting kun je als een kringloop voorstellen. Er hoeven niet altijd bijtjes te zijn om bloemen te bestuiven. Ook de mens kan zorgen voor bestuiving wanneer er te weinig natuurlijke bestuivers aanwezig zijn. Test jezelf: oefeningen 2 en 3 1 Seksuele voortplanting  

59


2 ASEKSUELE VOORTPLANTING Planten delen en vermenigvuldigen 1

De voortplanting bij planten gebeurt meestal op geslachtelijke manier door middel van zaden. Maar het kan ook anders.

Fig. 2.1

VA N

IN

a Bekijk de afbeeldingen. Duid onder de afbeelding de manier aan waarop planten nakomelingen vormen. Je hebt de keuze uit: A Door middel van een bol. Je herkent ze aan de rokken (verdikte bladeren die rond elkaar gevouwen zijn). De bollen vormen klisters, kleine nieuwe bollen die tot planten uitgroeien. B Uitlopers zijn bovengrondse, horizontale stengels waarop dochterplanten ontwikkelen uit de knoppen. C Knollen zijn opgezwollen ondergrondse stengels of wortels. Hun knoppen kunnen uitgroeien tot nieuwe planten. D Wortelstokken zijn ondergrondse, horizontale stengels waarop dochterplanten ontwikkelen uit knoppen. E Broedknoppen zijn knoppen die ontwikkelen op het blad en die spontaan loskomen. Elke broedknop kan uitgroeien tot een kleine plantje.

Fig. 2.2

Fig. 2.3





Fig. 2.4

Fig. 2.5

Fig. 2.6







©



Tip Je kunt eventueel zelf voorbeelden van ongeslachtelijke voortplanting kweken op een vensterbank in de klas. Enkele voorbeelden: Klisters van een lookbol planten. Bladeren met ‘kindje’ van een kindje-op-moeders-schoot op vochtige teelaarde leggen. Uitlopers met dochterplanten van aardbei opkweken.

60

Voortplanting bij planten


b

Bekijk de afbeelding van het kindje-op-moeders-schoot. Op welk plantendeel ontstaan de nieuwe plantjes?



c Doorstreep het foutieve antwoord. Bij de natuurlijke ongeslachtelijke vermenigvuldiging: - ontstaat de nieuwe plant uit één organisme / twee organismen. - is de nakomeling identiek aan de ouder / heeft de nakomeling eigenschappen van beide ouders. - kan er wel een / geen plant met andere kenmerken ontstaan.

Fig. 2.7

2 De voortplantingswijze waarbij een deel van een plant uitgroeit tot een nieuwe plant wordt ook kunstmatig toegepast door de mens. Ga via het onlinelesmateriaal naar het artikel over het stekken van planten. Wat is stekken?

 b

Op welke verschillende manieren kan dat gebeuren?



Via het onlinelesmateriaal kun je het filmpje over het enten van tomaten bekijken. In het filmpje wordt letterlijk gesproken over tomatenplanten die op nieuwe benen staan. Wat wordt hiermee bedoeld?

   d

Op de afbeelding hiernaast zie je een andere techniek. Over welke techniek gaat het hier?



VA N

c

IN

a

Leg de techniek uit.

©



Fig. 2.8

3 Het is niet zo dat in de natuur de voortplanting bij een plant alleen geslachtelijk (seksueel) of ongeslachtelijk (aseksueel) gebeurt. Beide vormen kunnen voorkomen. a

Stel: een plant is goed aangepast aan lage temperaturen. Door de klimaatopwarming verhoogt de omgevingstemperatuur. Leg uit welke voortplantingsvorm voordeel geeft.

     

2 Aseksuele voortplanting  

61


b

Stel: een plant is goed bestand tegen een bepaalde ziekte. Welke voortplantingsvorm heeft het grootste voordeel?

     4 Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over plantenveredeling. a

Wat is plantenveredeling?

 b

 Wat is het doel van veredeling?

IN



VA N

Uit delen van een moederplant kunnen nieuwe identieke dochterplanten ontstaan. In de natuur doet de plant dat zelf door middel van bollen, uitlopers, wortelstokken, knollen en broedknoppen. De mens helpt de natuur een handje door plantendelen te stekken of te scheuren. Bij enten wordt een stengel vastgezet op een afgeknipte sterke stengel, zodat ze kunnen vergroeien. Planten kunnen dus inderdaad delen en vermenigvuldigen.

Š

Test jezelf: oefening 4

62

Voortplanting bij planten


! a h A ! a h A

SAMENVATTING

1

Seksuele voortplanting

De buitenste krans bladeren van een bloem zijn kelkbladeren. Ze beschermen de andere bloemdelen. De gekleurde bladeren zijn de kroonbladeren. Zij lokken de insecten.

IN

De mannelijke voortplantingsorganen zijn de meeldraden. Ze bestaan uit een helmdraad en helmknop met helmhokjes. Hierin rijpen de stuifmeelkorrels die de sperma- of zaadcellen bevatten. In het midden staat de stamper. Dit vrouwelijk voortplantingsorgaan bestaat uit de stempel, de stijl en het vruchtbeginsel met zaadbeginsels. In elk zaadbeginsel rijpt een eicel. Voor er bevruchting kan plaatsvinden, is er altijd eerst bestuiving. Dat betekent dat rijpe stuifmeelkorrels van een meeldraad door bestuivers (zoals insecten of de wind) naar de stempel van de stamper van eenzelfde bloemsoort gebracht worden.

Uit de stuifmeelkorrel op de stempel groeit een stuifmeelbuis richting zaadbeginsel. De bevruchting gebeurt wanneer de spermacel uit de stuifmeelkorrel versmelt met de eicel in het zaadbeginsel. Er ontstaat een bevruchte eicel die uitgroeit tot een embryo.

Na de bevruchting groeit het vruchtbeginsel uit tot vrucht en groeien de zaadbeginsels uit tot zaad.

Bij gunstige omstandigheden groeit een zaad uit tot kiemplant. Tijdens de kieming haalt het embryo zijn voeding uit de zaadlobben. Eerst groeit de wortel en dan de stengel.

De geslachtelijke (seksuele) voortplanting kun je als een kringloop voorstellen.

VA N

Š

2 Aseksuele voortplanting

Uit delen van een moederplant kunnen nieuwe identieke dochterplanten ontstaan. In de natuur doet de plant dat zelf door middel van bollen, uitlopers, wortelstokken, knollen en broedknoppen. De mens helpt de natuur een handje door plantendelen te stekken of te scheuren. Bij enten wordt een stengel vastgezet op een afgeknipte sterke stengel zodat ze kunnen vergroeien.

AHA!

63


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik? Ik kan een synoniem geven voor seksuele en aseksuele voortplanting.

pg. 51, 60 51

Ik kan op een afbeelding de bloemdelen benoemen.

52

Ik ken de functie van elk bloemdeel.

53

Ik kan het vrouwelijk en het mannelijk voortplantingsorgaan van een bloem noemen.

53, 54

Ik kan op een afbeelding het mannelijk en vrouwelijk voortplantingsorgaan lokaliseren, herkennen en benoemen.

53, 54

Ik kan aan de hand van een onderzoek een meeldraad en een stamper omschrijven.

53, 54

Ik kan uitleggen wat bestuiving is.

54

IN

Ik kan aan de hand van een onderzoek de delen van een volgroeide bloem beschrijven en benoemen.

VA N

Ik kan aan de hand van afbeeldingen toelichten op welke manier stuifmeelkorrels zich kunnen verspreiden.

54 55

Ik kan verwoorden wat er na de bevruchting gebeurt.

56

Ik kan toelichten hoe vruchten en zaden ontstaan.

56

Ik kan aan de hand van afbeeldingen uitleggen hoe zaden en vruchten zich kunnen verspreiden.

56

Ik kan de stappen van de geslachtelijke voortplanting duiden.

59

Ik kan aan de hand van voorbeelden uitleggen wat ongeslachtelijke vermenigvuldiging is.

60

Ik kan het verschil tussen seksuele en aseksuele voortplanting duiden.

61

Š

Ik kan uitleggen wat bevruchting is.

Ik kan uitleggen wat kunstmatige aseksuele voortplanting is en wat daarvan de voor- en nadelen zijn.

61, 62

Ik kan het doel van plantenveredeling toelichten.

61, 62

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

64

hier kan ik nog groeien

Voortplanting bij planten


TEST JEZELF 1

Bekijk de afbeelding van de bloem.

Kleur de voortplantingsorganen groen. Plaats op de afbeelding: − een x op de plaats waar de eicellen rijpen; − een y op de plaats waar de zaadcellen ontwikkelen.

2 Welk proces wordt voorgesteld op de volgende afbeelding?

pollen

pollen

stempel

zaad

©

stuifmeelkorrels

VA N

pollen

IN

3 Welk proces wordt voorgesteld op de volgende afbeelding? 

Ging hier een geslachtelijke of een ongeslachtelijke vermenigvuldiging aan vooraf? Leg uit.

 

Test jezelf  

65


4 Zijn de afbeeldingen voorbeelden van geslachtelijke of ongeslachtelijke voortplanting? Kruis de correcte antwoorden aan in de tabel hieronder. ongeslachtelijke vermenigvuldiging

geslachtelijke voortplanting

natuurlijk

kunstmatig

Š

VA N

IN

plant

5 Welke techniek herken je in de onderstaande voorbeelden van ongeslachtelijke voortplanting?



66

Voortplanting bij planten




VOORTPLANTING

©

VA N

IN

Voortplanting bij mens en dier

1 PUBERTEIT 2 DE ORGANEN VAN HET VOORTPLANTINGSSTELSEL 3 DE VOORTPLANTING VAN DE MENS VERLOOPT IN STADIA 4 VRUCHTBAARHEID EN ANTICONCEPTIE 5 SEKSUALITEIT IN HET DIERENRIJK


2 gen erin Siamese Franse chirurgen sla scheiden tweeling van elkaar te

VA N

3

IN

1

©

t succes een Frankrijk vandaag me Chirurgen hebben in isjes Bissie en me De en. eid sch te en Siamese tweeling wet vast. aar elk aan k bui de en bij Eyenga Merveille zat ntig chirurgen, operatie waren zo'n twi Bij de vijf uur durende ziekenhuis in het ldt me , betrokken artsen en andere experts Lyon. en. Ze waren jaar geboren in Kamero De zusjes werden vorig schappelijk deel van de een gem een t me den door de buik verbon en door de vader vervolgens zijn verstot lever. Hun moeder zou kinderen naar de t me trok ver Ze . ilie en leden van haar fam La Chaîne de dadigheidsorganisatie hoofdstad Yaoundé. Lief r de medische voo ijk nkr Fra r naa r s late l'espoir haalde de meisje ingreep. e stabiel zijn. eling zou na de operati De toestand van de twe zorg en revalidatie. "En volg ver l vee nog ieso Later volgt sow ividueel gaan eindelijk de wereld ind dan kunnen ze na 1 jaar ft een van de kindjes hee l We uis. enh ziek ontdekken", stelt het geopereerd. r wordt ze later nog aan een hartaandoening. Daa

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

68

Voortplanting bij mens en dier

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         


1 PUBERTEIT Je wordt niet als puber geboren! Ga naar het onlinelesmateriaal en bekijk het filmpje over de puberteit.

a

Wanneer kunnen de eerste zichtbare veranderingen bij het meisje beginnen?

 c

Fig. 1.1

Bij wie begint de puberteit het eerst?

 b

VA N

IN

1

Welke zijn de eerste veranderingen die ze meemaakt?

d

©



Welk orgaan is hiervoor verantwoordelijk en waar in het lichaam is het gelegen?

 e

Wanneer beginnen de eerste veranderingen bij de jongen?

 f

Noem een drietal zichtbare veranderingen die optreden rond 12-13 jaar bij een meisje en bij een jongen.

Meisje:  g

Jongen:  Wat gebeurt er meestal op de leeftijd van ongeveer 14 jaar?

 h

Rond welke leeftijd is de puberteit ongeveer afgerond?



1 Puberteit  

69


2 De veranderingen die je in het filmpje ziet, zijn de secundaire geslachtskenmerken. Die komen pas tijdens de puberteit tot ontwikkeling. Dat gebeurt niet bij iedereen op hetzelfde moment. Maar het is niet omdat het bij jou sneller of trager verloopt, dat er iets abnormaals aan de hand is. a

Wat is de puberteit?

 b

Plaats bij de pijltjes op de afbeelding de omschrijving van de secundaire geslachtskenmerken.

IN

VA N

c

Š

Fig. 1.2

Lang voor je puberteit weet je wel of je biologisch een jongen of een meisje bent. Die uitwendig waarneembare kenmerken zijn al van bij de geboorte duidelijk aanwezig. Ze worden daarom primaire geslachtskenmerken genoemd.

Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over primaire geslachtskenmerken. Welke zijn de primaire geslachtskenmerken bij een jongen?



Welke zijn de primaire geslachtskenmerken bij een meisje?



70

Voortplanting bij mens en dier


3 Tijdens de puberteit zijn er niet alleen lichamelijke veranderingen merkbaar. Bekijk de cartoons en noteer kort welke veranderingen op sociaal en emotioneel vlak geïllustreerd worden.

Fig. 1.3

Fig. 1.5



IN



 

 

VA N



Fig. 1.6

Fig. 1.7

Interessant om weten

Tijdens de puberteit zijn jongeren echt op zoek naar zichzelf. Dat kan als gevolg hebben dat jongeren hun geaardheid ontdekken of dat ze zich anders voelen dan anderen. De ontdekking van jezelf is iets waar je je niet over hoeft te schamen. Het maakt deel uit van het proces om volwassen te worden.

©

Fig. 1.4

Meer hierover kun je vinden bij het onlinelesmateriaal.

Fig. 1.8

Al van bij de geboorte zijn een aantal biologische kenmerken aanwezig die maken dat je vrouw of man bent. Het zijn de primaire geslachtskenmerken. Tijdens de puberteit ontwikkelen tal van nieuwe kenmerken. Die secundaire geslachtskenmerken komen tot uiting in lichamelijke veranderingen en in wijzigingen van het gedrag op sociaal-emotioneel vlak. Je wordt dus niet als puber geboren. De puberteit is een overgangsfase waar elke jongvolwassene door moet om de overgang van kind naar volwassene te volbrengen. Test jezelf: oefeningen 1 en 2

1 Puberteit  

71


2 DE ORGANEN VAN HET VOORTPLANTINGSSTELSEL Ook inwendig verschilt een jongen van een meisje 1

Een aantal primaire geslachtskenmerken zijn uitwendig waarneembaar van bij de geboorte. Ook aan de binnenkant van het lichaam liggen er organen die typisch mannelijk of vrouwelijk zijn. Ga via het onlinelesmateriaal naar de ontdekplaat die de verschillen tussen mannen en vrouwen duidelijk maakt. Bestudeer die ontdekplaat grondig zodat je daarna de opdrachten bij de volgende alinea's vlot kunt oplossen.

Plaats de correcte naam van het orgaan van het mannelijk voortplantingsstelsel bij het juiste nummer in de tabel onder de figuur. Je hebt de keuze uit: balzak – bijbal – eikel – penis – prostaatklier – teelbal – urineblaas – urinebuis – voorhuid – zaadblaasje – zaadleider – zwellichamen

VA N

a

IN

2 Het mannelijk voortplantingsstelsel lijkt aan de buitenkant vrij eenvoudig, maar is inwendig behoorlijk complex.

7 5 6 8 4 2 1

©

10

11

10

3 9 12

Fig. 2.1 zij- en vooraanzicht van het mannelijk voortplantingsstelsel

b

1



5



9



2



6



10



3



7



11



4



8



12



Noem de uitwendige delen.



72

Voortplanting bij mens en dier


c

Welk orgaan uit het rijtje behoort niet tot het voortplantingsstelsel? Tot welk stelsel behoort het dan?

 d

Welke orgaan past bij de volgende functies?

− Hierdoor hebben de teelballen een temperatuur die lager is dan 37 °C: 

− Dit orgaantje is erg gevoelig, onder andere voor seksuele prikkels: 

− Deze holtes kunnen zich met bloed vullen, waardoor de penis in erectie komt: 

− Hier rijpen de zaadcellen: 

− Dit stukje huid beschermt de eikel: 

− Dit buisje vervoert de zaadcellen naar de urinebuis in de penis: 

− Het vocht uit deze klier zorgt ervoor dat de zaadcellen kunnen bewegen en tijdelijk buiten het lichaam kunnen overleven. Op latere leeftijd kan dit orgaan bij vele mannen getroffen worden door kanker: 

IN

− Dit orgaan voegt extra vocht toe aan het sperma: 

− In dit orgaan worden de zaadcellen en de mannelijke hormonen aangemaakt: 

Interessant om weten

VA N

Volgens gegevens van Sensoa (2014) worden er in ons land jaarlijks ongeveer 25 000 jongens besneden. Bij een besnijdenis wordt de voorhuid gedeeltelijk of volledig weggenomen. De ingreep kan om medische, religieuze of culturele redenen uitgevoerd worden. Wereldwijd neemt het aantal besnijdenissen jaarlijks toe.

e

In oefening d wordt zowel over zaadcellen als over sperma gesproken. Wat is het verschil tussen beide ?

f

©



Fig. 2.2



 

Benoem de onderdelen van de zaadcel in de figuur hiernaast.

Fig. 2.3

Interessant om weten In de hals van de zaadcel liggen erg veel mitochondriën. Ze leveren de nodige energie opdat de zaadcel zou kunnen bewegen. Bij menselijke zaadcellen meet de kop 0,005 op 0,003 mm; de lengte van het zweepstaartje is 0,05 mm. Bij het onlinelesmateriaal vind je een microscopische opname van zwemmend sperma.

Fig. 2.4

2 De organen van het voortplantingsstelsel  

73


3 Bij vrouwen liggen de meeste organen van het voortplantingsstelsel inwendig. Uitwendig valt er niet zoveel waar te nemen. a

Welke delen herken je uitwendig? Benoem ze zo nauwkeurig mogelijk.

IN

Fig. 2.5

b

Welke organen bevinden zich inwendig? Benoem de genummerde organen.

VA N

3 2 1

4

9

Š

Fig. 2.6

3

6

2

1

5 8

7

9 Fig. 2.7

74

Voortplanting bij mens en dier

1



2



3



4



5



6



7



8



9




c Net zoals bij de man hebben ook alle organen bij de vrouw een typische functie. Maak de juiste cijfer-lettercombinaties.

functie

combinatie

orgaan

gevoelig orgaantje aan de buitenkant



A

baarmoeder

2

hol, peervormig gespierd orgaan



B

vagina

3

dit orgaan vervoert de eicel naar de baarmoeder



C

eierstok

4

in dit orgaan worden rijpe eicellen opgevangen



D

slijmprop

5

opening onderaan de baarmoeder



E

schaamlippen

6

twee paar van dit orgaan beschermen de vagina



F

clitoris

7

binnenste, vochtige laag van de baarmoeder



G

eileider

8

verbinding met de buitenwereld



H

baarmoederhals

9

structuur die de baarmoederhals afsluit



I

eileidertrechter

10

hierin worden de eicellen en de vrouwelijke hormonen aangemaakt



J

baarmoederslijmvlies

IN

1

VA N

Interessant om weten

De eicellen zitten al in de eierstokken van bij de geboorte. Vanaf de puberteit beginnen ongeveer elke maand één of enkele eicellen te rijpen en wordt een meisje vruchtbaar. De eicel is de grootste cel in het menselijk lichaam, maar meet amper 0,2 mm!

Voortplantingsorganen zijn vatbaar voor kanker. Baarmoederhalskanker is de oorzaak van 1 op de 110 vastgestelde kankers. Deze kanker wordt veroorzaakt door een virus en ontstaat doordat er in de baarmoederhals cellen op een abnormale manier beginnen te delen en een gezwel vormen. Baarmoederhalskanker voorkomen kan onder andere door een HPV-vaccinatie. Dit vaccin wordt toegediend in het eerste jaar van het middelbaar onderwijs bij zowel jongens als meisjes. Ook jongens kunnen de besmetting immers doorgeven. Het vaccin beschermt tegen bepaalde types van het virus, maar heeft enkel zin als er nog geen enkele seksuele activiteit is (dus voor de eerste geslachtsgemeenschap). Het vaccin biedt geen garantie op het niet krijgen van baarmoederhalskanker. De vaccinatie is tot nu toe niet verplicht.

Fig. 2.8

©

Fig. 2.9

Bron: allesoverkanker.be (gegevens 2017)

Fig. 2.10

2 De organen van het voortplantingsstelsel  

75


Het mannelijk voortplantingsstelsel verschilt aanzienlijk van het vrouwelijk voortplantingsstelsel. De organen van het voortplantingsstelsel bevinden zich zowel inwendig als uitwendig. Ze hebben elk hun typische functie. Jongens en meisjes zijn dus niet alleen verschillend aan de buitenkant, ook inwendig zijn de organen verschillend en werken ze op een heel andere manier.

Š

VA N

IN

Test jezelf: oefeningen 3, 4 en 5

76

Voortplanting bij mens en dier


3 DE VOORTPLANTING VAN DE MENS VERLOOPT IN STADIA Zwanger worden kan ook voor de eerste menstruatie 1

Wanneer een jongen en een meisje samen naar bed gaan, bestaat er kans op een zwangerschap. Een zwangerschap is het resultaat van een bevruchting. Wat is dat juist?



2 Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over bevruchting. Wanneer een jongen klaarkomt, is er een zaadlozing of ejaculatie. Wat betekent dat?

 b

Hoeveel zaadcellen komen er tijdens de zaadlozing vrij?

 c

IN

a

Welke weg moeten de zaadcellen afleggen?

 d

VA N

 In welk orgaan vindt de bevruchting plaats?



Fig. 3.1

3 Vooraleer er bevruchting kan plaatsvinden, moet er bij het meisje of de vrouw een eicel klaar zitten. Dat gebeurt op een welbepaald tijdstip in de menstruatiecyclus. Bekijk via het onlinelesmateriaal de twee filmpjes over de menstruatiecyclus. a

Wat zijn eicellen?

b

©



In welk orgaan worden ze aangemaakt?

 c

Wat betekent ‘ovulatie’ of ‘eisprong’?

 d

Wat is een eileider?

 e

Wat gebeurt er met een eicel wanneer ze niet bevrucht wordt?

 

3 De voortplanting van de mens verloopt in stadia  

77


Menstruatiecyclus

4 De menstruatiecyclus wordt opgedeeld in vier fasen. Ga via de website van Sensoa (allesoverseks.be) op zoek naar de antwoorden op de onderstaande vragen.

ie

Me ns tr u at

a

Waarom spreekt men van een cyclus?

   en ag re d Vruchtba

 Vul de tabel over de menstruatiecyclus aan. De menstruatiecyclus duurt gemiddeld 28 dagen. Begin bij de menstruatie als eerste fase.

fase 1

omschrijving

Het 

2

 of ovulatie

De eicel rijpt in  Het baarmoederslijmvlies wordt

.



.

Die grijpt plaats op 

.

Het gebeurt in 

.

Het baarmoederslijmvlies blijft  intact na de eisprong. Het baarmoederslijmvlies komt terug los op

rijping van de eicel en de follikel

4

ovulatie

kleur

dagen



dagen Opgelet: fase 2 overlapt deels fase 1.





dagen



.

geel lichaam

eicel

baarmoederslijmvlies wordt afgebroken

3

. Daarna begint de 

Š

klaarmaken voor eventuele innesteling Het baarmoederslijmvlies wordt dikker (zie figuur 3.3).

2

.

VA N



1

brokkelt af.

Deze fase begint 

4

duur

Begint op dag 1 van de cyclus.



3

Fig. 3.2

IN

b

baarmoederslijmvlies krijgt meer bloedvaten

baarmoederslijmvlies wordt afgebroken

baarmoederslijmvlies wordt dikker

5

6

7

8

9

10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 eicel

1

2

3

4

dagen

eicel

bloedvaten sluiten Fig. 3.3

78

Voortplanting bij mens en dier


c

Een cyclus bedraagt meestal 28 dagen. Ook 25 tot 35 dagen is perfect normaal. Pas als er echt geen regelmaat in zit, kun je het best je dokter raadplegen. Wat kunnen de oorzaken zijn van een onregelmatige cyclus?

 d

Waarom kunnen meisjes buikpijn hebben tijdens de menstruatie?

  e

Hoelang kunnen zaadcellen overleven?

 f

Hoelang kan een eicel overleven?

 Welke dagen zijn meisjes het meest vruchtbaar (zie figuur 3.2)?

 5 Sommige meisjes en vrouwen voelen aan dat ze ongesteld gaan worden. Hoe heet dit verschijnsel?

 b

VA N

a

IN

g

Fig. 3.4

Geef een vijftal symptomen die hierbij optreden.



6 Figuur 3.5 toont hoe de ovulatie gebeurt.

follikel follikel

©

follikel

ovulatie

geel lichaam Fig. 3.5

a b

Op welke manier wordt de eicel in de eierstok beschermd?  Wat is dat en waarom is het nuttig? 

 c

Wat gebeurt er met de follikel na de eisprong? 

3 De voortplanting van de mens verloopt in stadia  

79


7 De vruchtbaarheid bij een vrouw eindigt met de menopauze. Bij de meeste vrouwen begint die op de leeftijd van 45 tot 55 jaar. Wat is de menopauze? 



Interessant om weten

VA N

IN

Er bestaan verschillende manieren om menstruatiebloed zo hygiĂŤnisch mogelijk op te vangen. Je kunt bijvoorbeeld maandverband of tampons gebruiken. Steeds meer wordt ook een menstruatiecup gebruikt. Dat is een klein bekertje uit kunststof, dat tijdens de menstruatie in de vagina geplaatst wordt om het bloed op te vangen. Een goed gebruik is uiteraard heel belangrijk.

Fig. 3.6

Bij een zaadlozing komen er heel veel zaadcellen vrij. Wanneer een zaadcel en een eicel met elkaar versmelten, spreek je van bevruchting. Deze bevruchting moet plaatsvinden in de eileider.

Š

Een vruchtbaar meisje heeft een menstruatiecyclus van gemiddeld 28 dagen. Deze 28 dagen kunnen in vier fasen worden opgedeeld. De menstruatiecyclus begint steeds met de menstruatie. Tijdens deze fase komt het baarmoederslijmvlies los en komt er bloed via de vagina naar buiten. Deze fase duurt gemiddeld 5 dagen. Meteen na de menstruatie maakt het lichaam zich terug klaar voor een eventuele bevruchting. In de eierstok zit een eicel in een omhulsel, de follikel. De follikel barst open en laat de eicel vrij. Dat proces is de ovulatie of eisprong. Na de ovulatie groeit het baarmoederslijmvlies verder aan om eventueel een bevruchte eicel op te vangen. Is er geen bevruchting, dan wordt het slijmvlies opnieuw afgestoten en herbegint de hele cyclus. Zelfs wanneer een meisje nog nooit ongesteld is geweest, kan ze toch al vruchtbaar zijn. Je weet namelijk nooit met zekerheid of het meisje een maand later niet voor de eerste keer haar menstruatie zal doormaken. Een meisje kan dus zwanger worden voor de allereerste menstruatie! Test jezelf: oefeningen 6 en 7

80

Voortplanting bij mens en dier


Hoe kunnen twee cellen tot een volledige baby ontwikkelen? 1

Je weet al dat een grote hoeveelheid zaadcellen opzwemt naar een eicel. Er is echter maar één zaadcel die ‘wint’ en de eicel bevrucht.

Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over de bevruchting. Vul de ontbrekende stappen in de onderstaande opeenvolging aan.









V.

De eicel wordt met behulp van trilharen door de eileider richting baarmoeder bewogen.

VI.

Eén zaadcel kan de eicel bevruchten; de kop van de zaadcel dringt binnen in de eicel

VII.

IN

 De rand van de eicel verhardt zodat de eicel ontoegankelijk is voor andere zaadcellen.

VIII.

, dat noem je de 

IX.

De bevruchte eicel reist verder in de richting van de 

X.

De bevruchte eicel nestelt zich in het baarmoederslijmvlies en begint zich te delen.

XI.

De eicel wordt een zakje (de vruchtzak) met daarin een 

XII.

Als het embryo groeit wordt het een 

©

VA N

Fig. 3.7

. .

. , je ziet het hart heel duidelijk kloppen.

Fig. 3.8

2 De embryonale ontwikkeling van een eicel naar een foetus gebeurt ook stapsgewijs. Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over de ontwikkeling van een ongeboren foetus. a

Wat is het verschil tussen een embryo en een foetus? Zoek de informatie op het internet.

    

Fig. 3.9

3 De voortplanting van de mens verloopt in stadia  

81


b

Waarom is er een grote hoeveelheid vruchtwater aanwezig?

  

c

Waarvoor dient de navelstreng?

 

Fig. 3.10

VA N

IN

Groei van week tot week

d e

Fig. 3.12

Wanneer voelt een moeder haar kindje voor het eerst bewegen?



f

Vanaf wanneer is een foetus klaar om geboren te worden?



g

Hoelang duurt een volledige zwangerschap?



82

Fig. 3.13

Vanaf welke week in de zwangerschap is er echte gelijkenis met een mens?



Š

Fig. 3.11

Voortplanting bij mens en dier


3 De ongeboren foetus kan nog niet ademen zoals jij dat doet. Bekijk het filmpje via het onlinelesmateriaal. a

Waarom kan een embryo/foetus nog niet ademen?

 b

Op welke manier krijgt de foetus de nodige zuurstof?

 

Fig. 3.14

Fig. 3.15

©

VA N

Het is erg belangrijk om de zwangerschap zorgvuldig te laten opvolgen. Daarbij wordt regelmatig een echografie genomen. Er gebeuren ook nog tal van andere testen om de gezondheid van moeder en kind te controleren. Ga via het onlinelesmateriaal naar de website van Kind en Gezin. Zoek daar informatie over de volgende onderwerpen en de antwoorden op de volgende vragen.

IN

4 De gynaecoloog of huisarts volgt de zwangerschap op. De arts wordt bijgestaan door vroedvrouwen en/of doula’s. Dat zijn vrouwen of mannen die verpleegkundige taken en ondersteunende zorg voor de moeder en de baby voor hun rekening nemen.

Fig. 3.16

a

Op welke manier kun je vaststellen of een vrouw zwanger is?



b

Welke onderzoeken worden er uitgevoerd tijdens de opvolging van de zwangerschap?

   

3 De voortplanting van de mens verloopt in stadia  

83


c

Waarvoor kan navelstrengbloed nog gebruikt worden?

  

d

Wat wordt er bedoeld met zwangerschapsdiabetes en welke risico's houdt dat in?







Interessant om weten

VA N

Je spreekt van een ééneiige tweeling wanneer er één eicel bevrucht is. Die eicel heeft zich dan gesplitst in twee embryo's. In 80 % van de gevallen heeft elk embryo zijn eigen placenta en vruchtzak. In het andere geval wordt de placenta gedeeld. De kinderen hebben altijd hetzelfde geslacht en lijken uiteraard heel erg op elkaar.

IN

Een tweeling ontstaat al heel snel na de bevruchting.

Fig. 3.17

Er kan ook sprake zijn van een twee-eiige tweeling. In dit geval zijn er twee eicellen tegelijk gerijpt en bevrucht. De kinderen lijken na de geboorte op elkaar zoals een gewone broer of zus en hebben niet automatisch hetzelfde geslacht.

Zodra een zaadlozing gebeurd is, zwemmen de zaadcellen tot in de eileider. Daarin kan één zaadcel een eicel bevruchten.

©

De kop van de zaadcel dringt in de eicel en de staart van de zaadcel breekt af. De eicel wordt meteen ondoordringbaar voor andere zaadcellen. De versmelting van eicel en zaadcel is de bevruchting. Meteen na de bevruchting begint de bevruchte eicel zich te delen. Ze daalt verder af naar de baarmoeder, waar ze zich innestelt in het baarmoederslijmvlies. Daar groeit de bevruchte eicel uit tot een embryo en later tot een foetus. Het embryo krijgt voedsel en zuurstof via de navelstreng aangeleverd. Dit orgaan is verbonden met de placenta of de moederkoek. De opvolging van de zwangerschap gebeurt door een gespecialiseerd team van dokters en vroedvrouwen. De zwangere vrouw gaat regelmatig op controle om zowel zichzelf als de foetus goed te laten opvolgen. Uit twee kleine maar bijzondere cellen kan dus, na bevruchting, een baby ontwikkelen. Test jezelf: oefening 8

84

Voortplanting bij mens en dier


Van eerste wee tot geboorte 1

Een normale zwangerschap duurt ongeveer 9 maanden. Daarna bevalt de moeder.

Bestudeer via het onlinelesmateriaal de ontdekplaat over de geboorte. Vul tijdens je ontdekkingstocht de opdrachten aan.

a

Voor de echte bevalling of geboorte moet de foetus indalen. Wat wordt hiermee bedoeld?



b

Er zijn drie fasen bij een geboorte. Welke zijn dat?

 c Noteer de fasen in de tabel hieronder op de correcte plaats en vink de correcte kenmerken van de fasen aan.

IN

Fase  breken van de vruchtvliezen weeën openen van de baarmoederhals persweeën om de baby naar buiten te duwen doorknippen van de navelstreng naweeën om placenta, navelstreng en vruchtvliezen uit te stoten

Fig. 3.19

VA N

Fig. 3.18

©

Fig. 3.20

Fase  breken van de vruchtvliezen weeën openen van de baarmoederhals persweeën om de baby naar buiten te duwen doorknippen van de navelstreng naweeën om placenta, navelstreng en vruchtvliezen uit te stoten Fase  breken van de vruchtvliezen weeën openen van de baarmoederhals persweeën om de baby naar buiten te duwen doorknippen van de navelstreng naweeën om placenta, navelstreng en vruchtvliezen uit te stoten

3 De voortplanting van de mens verloopt in stadia  

85


d

Wat zijn weeën?

 

e

Waarom wordt de nageboorte grondig gecontroleerd?

 

f

Na de geboorte komt de melkproductie in de borsten op gang. Hoe noem je die vorm van voeding?



Een normale zwangerschap duurt ongeveer negen maanden. Daarna kan de baby geboren worden.

IN

De bevalling zelf kan opgedeeld worden in drie fasen. − Tijdens de ontsluitingsfase wordt de baarmoederhals opengeduwd door de weeën. De vruchtvliezen breken daarbij. − De tweede fase is de uitdrijvingsfase. De moeder duwt de foetus naar buiten tijdens de persweeën. De navelstreng wordt doorgeknipt en de baby moet zelfstandig ademen. − Korte tijd daarna wordt de nageboorte (placenta, navelstreng en vruchtvliezen) naar buiten gedreven.

VA N

Nadat de moeder een eerste wee gevoeld heeft, is het nog een lange weg vooraleer ze haar kindje voor het eerst in de armen kan sluiten.

©

Test jezelf: oefeningen 9 en 10

86

Voortplanting bij mens en dier


4 VRUCHTBAARHEID EN ANTICONCEPTIE Jezelf beschermen kan op veel manieren 1

Zodra je overweegt om seks te hebben, is het belangrijk dat je goed geïnformeerd bent over voorbehoedsmiddelen of anticonceptiemiddelen. a

Wat zijn voorbehoedsmiddelen?

 Een aantal conceptiemiddelen beschermen ook tegen ziektes die via seksueel contact verspreid worden, de zogenaamde soa’s.

Wat betekent die afkorting? 

c

Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over voorbehoedsmiddelen.

− Welke voorbehoedsmiddelen komen aan bod?

 − Welke keuze is uiteindelijk de beste?



VA N

IN

b

2 Bij het onlinelesmateriaal vind je een ontdekplaat over anticonceptiemiddelen. a

Welke zijn de twee grote soorten voorbehoedsmiddelen?



Plaats de correcte naam van het voorbehoedsmiddel op de juiste plaats in de tabel.

Fig. 4.1

©

b

Fig. 4.2

Fig. 4.3

Fig. 4.4







Fig. 4.5

Fig. 4.6

Fig. 4.7





 4 Vruchtbaarheid en anticonceptie  

87


c

Wat betekent sterilisatie? 

d

Hoe gebeurt dat bij de man en bij de vrouw?

 

e

De afbeelding hiernaast toont de barrièremethode. Wat wordt hiermee bedoeld en welke voorbehoedsmiddelen behoren daartoe?

   

Fig. 4.8

IN

3 Sommige voorbehoedsmiddelen beschermen ook tegen soa’s. Ook hierover vind je een ontdekplaat via het onlinelesmateriaal. Bestudeer ze aandachtig zodat je daarna kunt antwoorden op de vragen over twee soa’s die je gekozen hebt uit de ontdekplaat. soa 1: 

soa 2: 







Hoe kan de soa opgespoord worden?









Hoe verloopt de behandeling?

















VA N



Welke zijn de symptomen?

©

Hoe kan de soa voorkomen worden?

Het is belangrijk om een goede keuze te maken voor een voorbehoedsmiddel of anticonceptiemiddel. Er zijn twee grote groepen van anticonceptiemiddelen: de hormonale en de niet-hormonale methoden. − De hormonale anticonceptiemiddelen scheiden in het lichaam van de vrouw een dosis hormonen af zodat er geen eicel kan rijpen of bevruchting kan plaatsvinden. De pil, de prikpil, het hormoonstaafje en de hormoonpleister zijn enkele voorbeelden. − De niet-hormonale methodes zorgen ervoor dat er geen bevruchting kan plaatsgrijpen. Dat kan op een natuurlijke manier, zoals door periodieke onthouding en coitus interruptus. De barrièremethodes zorgen ervoor dat zaadcellen een eicel niet kunnen bereiken. Voorbeelden hiervan zijn het vrouwen- en mannencondoom en het pessarium. De meest definitieve barrièremethode is sterilisatie.

88

Voortplanting bij mens en dier


Het condoom (zowel voor mannen als vrouwen) is het enige anticonceptiemiddel dat naast bescherming tegen bevruchting ook bescherming biedt tegen soa's. Dat zijn seksueel overdraagbare aandoeningen die doorgegeven worden via seksueel contact. Jezelf beschermen doe je dus niet altijd tegen een ongeplande zwangerschap, maar ook tegen seksueel overdraagbare aandoeningen. Test jezelf: oefeningen 11 en 12

Toeval of niet? Er is een grote kans dat je op je ouders lijkt! 1

Broers en zussen, ouders en kinderen lijken vaak opvallend op elkaar.

Fig. 4.9

 

VA N

IN

Beschrijf enkele gelijkenissen op de onderstaande foto’s.

Fig. 4.10

Fig. 4.11









2 Kinderen lijken op hun ouders. Dat komt omdat ze bepaalde uiterlijke kenmerken erven van hun ouders. Erfelijke informatie zit namelijk opgeslagen in de celkern van de eicel en de zaadcel. a

Hoe heten de ‘onderdelen’ van de celkern waarop de erfelijke informatie terug te vinden is?

b

©



Hoeveel komen er voor bij de mens? 

Interessant om weten

Chromosomen zijn opgebouwd uit DNA; genen zijn stukken chromosomen die eigenschappen bepalen. Chromosomen en genen worden doorgegeven op het moment dat een eicel met een zaadcel versmelt. De helft van de chromosomen is afkomstig van de vrouw en de andere helft van de man. Het is dus helemaal normaal dat een kind zowel op zijn vader als op zijn moeder lijkt.

cel gen chromosoom celkern DNA Fig. 4.12

4 Vruchtbaarheid en anticonceptie  

89


3 Er zijn nog heel wat andere zaken die je kunt erven van je biologische ouders. Zoek op het internet een vijftal voorbeelden.



4 Ook ziektes kunnen erfelijk zijn. a

Zoek op internet hoe dat kan.









 Kunnen erfelijke ziektes ook op een andere manier ontstaan?







IN

b

a

VA N

5 Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over Down the road. Welke erfelijke aandoening wordt hier besproken?

 b

Wat is er speciaal aan het erfelijk materiaal?

 c

Geef een viertal typische kenmerken van deze aandoening.

   

Š



In elke menselijke cel bevindt zich een celkern met daarin chromosomen, opgebouwd uit DNA. Op elk chromosoom bevindt zich een aaneenschakeling van genen. Het DNA is voor een groot deel verantwoordelijk voor hoe je eruitziet en op welke manier je lijkt op je biologische moeder en vader. Dat zijn erfelijke eigenschappen. Het is dus geen toeval dat je op je ouders of op andere leden van je familie lijkt. Het zit als het ware opgeslagen in jouw eigen genetische lichaamscode. Test jezelf: oefening 13

90

Voortplanting bij mens en dier

Fig. 4.13


5 SEKSUALITEIT IN HET DIERENRIJK Doen dieren het zoals mensen? 1

De mens is een voorbeeld van een zoogdier. a

Welke kenmerken heeft een zoogdier? Vul de tabel aan met informatie die je vindt op het internet. kenmerk

hoe is het bij zoogdieren?

aanwezigheid van een skelet  ademhaling



lichaamstemperatuur



lichaamsbedekking



b

IN

(behalve de zeezoogdieren zoals walvissen en dolfijnen) Bijna alle zoogdieren doen aan geslachtelijke voortplanting. Wat betekent dat?

 

c

De betekenis van het begrip zoogdier houdt ook nog iets anders in. Wat is dat?



VA N

Fig. 5.1

2 Zoogdieren zijn niet de enige klasse van dieren die op aarde voorkomen. Het dierenrijk wordt onderverdeeld in vijf klassen, elk met hun typische eigenschappen en kenmerken.

Bij welke klasse kun je de volgende dieren rangschikken? koekoek – vleermuis – pinguïn – walvis – olifant – groene kikker – koolmees – vroedmeesterpad – levendbarende hagedis – salamander – adder – schildpad – hondshaai – rog – fazant – stekelbaars – forel – egel – vogelbekdier – kangoeroe – koala – krokodil – zalm – zeepaardje

©

a

− zoogdieren



− vogels

 − reptielen 

− amfibieën



− vissen



5 Seksualiteit in het dierenrijk  

91


3 Hoe gebeurt de voortplanting bij de verschillende klassen?

Fig. 5.2

a b c d

IN

Kies één van de vijf klassen uit het dierenrijk. Zoek de nodige informatie om op de vragen te antwoorden. Hier en daar staat er extra informatie in een ‘Tip’ genoteerd. Combineer al die informatie in een mindmap. Voor welke klasse heb je gekozen? Noteer nog vijf andere organismen die tot die klasse behoren. Leeft het grootste deel op het land of in het water? Welke zijn de uitzonderingen? Doet de klasse aan inwendige of uitwendige bevruchting?

Tip

VA N

Fig. 5.3

Je spreekt van uitwendige bevruchting als het wijfje eieren afzet en het mannetje daarover zijn zaadcellen uitstort. Zaadcellen en eicellen versmelten buiten het lichaam van het wijfje. Je spreekt van inwendige bevruchting als tijdens de paring zaadcellen in het lichaam van het wijfje worden gebracht.

e

Ontwikkelen de jongen zich inwendig of uitwendig? Zijn er uitzonderingen?

Tip

©

De jongen van dieren met een uitwendige bevruchting ontwikkelen zich uitwendig. Dat is buiten het moederlichaam. Bij dieren met een inwendige bevruchting kunnen de jongen zich in het lichaam van de moeder ontwikkelen. Dat is inwendige ontwikkeling. De eicellen kunnen na de bevruchting ook het lichaam van de moeder verlaten en zich buiten het lichaam van de moeder ontwikkelen. Dat is uitwendige ontwikkeling.

f

Wordt er aan broedzorg gedaan? Zijn er uitzonderingen?

Tip Met ‘broedzorg’ bedoelen we dat een van de ouders of allebei de ouders na de geboorte de zorg voor het jong op zich nemen.

92

Voortplanting bij mens en dier


4 We vatten de informatie uit de afzonderlijke mindmappen samen in een overzichtelijke tabel. klasse

inwendige of uitwendige ontwikkeling

zoogdieren















































































































































































































































































































     

©



broedzorg

reptielen





eieren of levendbarend

vogels

IN

inwendige of uitwendige bevruchting

vissen

VA N

land/water

amfibieën

5 Seksualiteit in het dierenrijk  

93


a

Fig. 5.4

Wat doet bijvoorbeeld de pauw?

  b

VA N

IN

5 Sommige dieren beschikken over speciale gedragingen om de aandacht van een mogelijke partner te trekken.

Hoe verleidt een dolfijn een mogelijke partner?

c

Š

 Ook varkens hebben een typische strategie. Welke is die?



6 Wil je graag nog meer te weten komen over de voortplanting in het dierenrijk? Bij het onlinelesmateriaal vind je nog meer boeiend materiaal. De mens behoort tot de klasse van de zoogdieren. Andere klassen zijn: de reptielen, de vogels, de vissen en de amfibieĂŤn. Er zijn dus vijf klassen in het dierenrijk. Elke klasse heeft zijn eigen kenmerken en eigenschappen en zijn eigen manier van voortplanting. Ook op het vlak van voortplanting bestaan er grote verschillen. Het gaat er dus zeker en vast niet overal op dezelfde manier aan toe bij de voortplanting!

94

Voortplanting bij mens en dier


! a h A ! a h A

Schema

VOORTPLANTING

MENS

primaire en secundaire geslachtskenmerken

primaire geslachtskenmerken zijn aanwezig van bij de geboorte secundaire geslachtskenmerken komen tot uiting tijdens de puberteit

voortplantingsorganen/voortplantingscellen

kan alleen wanneer er een eicel klaarzit menstruatiecyclus 4 fasen

zwangerschap

bij de man uitwendig balzak penis

inwendig teelbal bijbal zaadleider zaadblaasje prostaatklier eikel met voorhuid urinebuis zaadcel

VA N

bevruchting = versmelten zaadcel + eicel

IN

veranderingen zijn zowel lichamelijk als emotioneel

menstruatie rijping eicel eisprong/ovulatie klaarmaken voor eventuele innesteling

Š

embryo n foetus: navelstreng + placenta grote rol bevalling

3 fasen

ontsluiting uitdrijving nageboorte

bescherming tegen zwangerschap en soa's door anticonceptie

bij de vrouw uitwendig vagina/schede schaamlippen clitoris inwendig eierstok eileidertrechter baarmoeder eicel cellen geven erfelijke informatie via DNA

hormonaal: bijvoorbeeld pil; ring; prikpil niet-hormonaal: bijvoorbeeld condoom DIER

5 klassen

reptielen vogels vissen amfibieĂŤn zoogdieren (mens is zoogdier)

elke klasse heeft zijn eigen kenmerken

AHA!

95


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

pg. 69, 70

Ik kan de sociale en emotionele veranderingen tijdens de puberteit beschrijven.

71

Ik kan veranderingen linken aan het juiste geslacht.

69

Ik kan de verschillen tussen primaire en secundaire geslachtskenmerken verwoorden.

69, 70

Ik kan de primaire geslachtskenmerken voor jongens en meisjes opsommen.

70

Ik kan de organen van het mannelijk voortplantingsstelsel aanduiden en benoemen.

72

Ik kan de organen van het vrouwelijk voortplantingsstelsel aanduiden en benoemen.

74

Ik kan bij de verschillende organen de juiste functie omschrijven.

73, 75

Ik kan de menstruatiecyclus en zijn fasen herkennen en benoemen.

78, 79

Ik kan het begrip eisprong of ovulatie uitleggen.

77

Ik kan een zaadcel tekenen.

73

Ik kan de begrippen menstruatie en zaadlozing uitleggen.

77

Ik kan de fasen van de geboorte herkennen en beschrijven.

85, 86

Ik kan de begrippen: indaling, abortus, miskraam en keizersnede omschrijven.

85

Ik kan het verschil tussen een embryo en een foetus verklaren.

81

Ik kan het nut van de navelstreng en het vruchtwater verklaren.

82

Ik kan het verloop van de voortplanting bij de mens uitleggen.

81

Ik kan manieren herkennen om aan anticonceptie te doen.

87, 88

Ik kan anticonceptiemiddelen in eigen woorden omschrijven.

87, 88

Ik kan voorbeelden van soa’s opsommen.

88

Ik kan verwoorden dat het condoom het beste beschermmiddel is tegen de verspreiding van soa’s.

88

Ik kan het letterwoord ‘soa’ voluit schrijven.

87

Ik kan voorbeelden geven van erfelijke kenmerken.

89

Ik kan de rol van DNA in het lichaam omschrijven.

89

Ik kan voorbeelden geven bij de verschillende dierklassen.

91

Ik kan verschillende manieren van voortplanting bij dieren bespreken.

91-94

©

VA N

IN

Ik kan de lichamelijke veranderingen tijdens de puberteit beschrijven.

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

96

hier kan ik nog groeien

Voortplanting bij mens en dier


TEST JEZELF 1

Zijn de onderstaande kenmerken voorbeelden van primaire of secundaire kenmerken? Plaats een kruisje op de juiste plaats in de tabel. Kruis ook aan of het kenmerk geldt voor een jongen of voor een meisje. primair geslachtskenmerk

kenmerk

secundair geslachtskenmerk

jongen

meisje

Je krijgt een zwaardere stem. Er verschijnt lichaamsbeharing. Puistjes Penis en balzak zijn zichtbaar.

IN

Menstruatie De kleding die mama koopt, wil je niet meer dragen. Je krijgt een uitgesproken eigen mening.

Geef nog drie andere voorbeelden van kenmerken die duidelijk te maken hebben met de puberteit.



VA N

2 Zijn de uitspraken over de volgende grafieken juist of fout? Verbeter als ze fout zijn.

100 80 60 40

%

100 80 60 40 20

©

20 0

%

6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 borstontwikkeling begin schaamhaarontwikkeling eerste menstruatie

leeftijd in jaren

0

6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

uitspraak

begin schaamhaarontwikkeling eerste zaadlozing

juist

fout

leeftijd in jaren

correctie

Meer dan de helft van de dertienjarige meisjes is al ongesteld. De eerste zaadlozing treedt bij meer dan de helft van de jongens op op de leeftijd van veertien jaar. Enkel meisjes krijgen schaamhaar. Jongens komen vlugger in de puberteit dan meisjes. Op 11 jaar hebben alle meisjes borstontwikkeling.

Test jezelf  

97


3 Lokaliseer de volgende organen op de figuur hieronder: urineblaas – teelbal – urinebuis – zaadleider – prostaatklier

IN

VA N

Kleur op de figuur van het vrouwelijk voortplantingsstelsel: − de baarmoeder in het geel − de baarmoederhals in het groen − de vagina in het oranje − de linker eierstok in het rood − de rechter eileidertrechter in het blauw

©

4

5 Waar of niet waar? Verbeter indien nodig.

De penis is een spier, hierdoor kan hij in erectie komen.



Besnijdenis kan zowel bij jongens als meisjes gebeuren.



De zaadcellen worden geproduceerd in de bijbal.



Sperma en urine verlaten allebei het lichaam via de urineleider.



98

Voortplanting bij mens en dier


− − −

ma

di

wo

do

vr

za

zo

44

29

30

31

1

2

3

4

45

5

6

7

8

9

10

46

12

13

14

15

16

47

19

20

21

22

23

48

26

27

28

29

30

ma

di

wo

do

vr

za

zo

48

26

27

28

29

30

1

2

11

49

3

4

5

6

7

8

9

17

18

50

10

11

12

13

14

15

16

24

25

51

17

18

19

20

21

22

23

52

24

25

26

27

28

29

30

1

31

Kleur de menstruatieperiodes in het rood. Kleur de ovulatieperiodes in het geel. Kleur de vruchtbare periodes in het groen.

VA N

7 Dit schema stelt een menstruatiecyclus voor, gevolgd door een bevruchting. Plaats de letters op de juiste plaats in het schema. Kies uit: A embryo in de baarmoeder B menstruatie C embryo in de eileider D eicel rijpt E ovulatie

Op welke dagen kan de bevruchting gebeurd zijn?



Op welke dagen kan geslachtsgemeenschap tot bevruchting geleid hebben?



©

8 Noteer de naam bij de pijltjes op de afbeelding. Zie je een embryo of een foetus? Waarom?





DECEMBER

IN

NOVEMBER

WEEK

WEEK

6 Een meisje heeft haar menstruatie op zondag 18 november. Ze heeft een regelmatige cyclus van 30 dagen. Bekijk de kalender.

Test jezelf  

99


9 Welke fase van de bevalling herken je in de volgende afbeeldingen? Leg ook telkens uit wat er gebeurt.

1

2

5

6

3

4





7

VA N



IN



8

10 Rangschik de gebeurtenissen chronologisch.

gebeurtenis

De vliezen scheuren, het water breekt. De vrouw krijgt naweeën.

De baby ademt voor het eerst met zijn longen. Persweeën

©

Het hoofdje komt naar buiten. De eerste weeën beginnen. De navelstreng wordt doorgeknipt. De foetus daalt in. De voetjes van de foetus komen naar buiten. De nageboorte komt naar buiten. In de borstklieren wordt melk geproduceerd.

100

Voortplanting bij mens en dier

chronologische volgorde


11 Bestudeer het onderstaande cirkeldiagram over de besmetting met hiv in 2018.

VA N

IN

Wie kreeg hiv in 2018?

49 % mannen die seks hebben met mannen 47 % heteroseksuele vrouwen en mannen 1,8 % intraveneus druggebruik 1,5 % voor, tijdens of na de geboorte 0,7 % onbekend Bron: Sciensano, België

a In 2018 werden in België 882 nieuwe diagnoses vastgesteld. Hoeveel daarvan waren homoseksuele mannen?

©

 b

In 2017 werden er 2 % meer besmettingen vastgesteld. Hoeveel mensen kregen toen hiv?

  c

Hiv is een voorbeeld van een soa. Waarvoor staat de afkorting 'soa'?

 d

Welk voorbehoedsmiddel biedt hiertegen bescherming?



Test jezelf  

101


12 Zoek alle verborgen woorden in verband met anticonceptie en soa’s in de onderstaande woordzoeker. J

M

K

W

C

M

F

U

B

B

O

Q

X

R

W

Y

E

A

V

U

B

G

X

R

I

O

N

R

I

W

D

T

U

B

S

I

L

I

T

V

P

E

V

H

E

B

S

E

J

W

H

J

I

D

K

R

E

N

N

T

F

O

Z

Y

N

O

C

R

N

P

T

Y

K

A

O

D

P

S

I

R

I

B

O

M

O

E

W

J

I

M

L

S

R

G

L

I

Q

M

U

X

O

E

N

Z

T

Y

T

A

E

S

R

C

R

E

P

O

L

C

D

C

D

G

V

G

A

L

R

E

O

A

N

L

I

N

M

V

P

I

O

N

X

P

P

H

E

P

N

S

T

P

L

A

A

D

I

G

O

V

R

L

E

C

I

F

O

O

F

N

G

A

A

H

L

K

M

I

N

G

H

A

R

F

G

T

I

O

D

L

H

H

E

B

K

K

S

D

X

C

R

N

R

S

V

O

K

P

C

W

D

P

Q

M

W

P

O

T

A

U

J

D

Q

M

I

R

S

D

I

I

A

P

M

D

E

D

B

P

O

I

J

R

S

K

N

L

T

J

O

R

M

R

C

G

J

B

U

A

D

O

Y

C

S

H

L

B

S

W

H

X

F

B

D

L

C

W

G

H

F

E

T

O

D

K

B

G

N

G

V

A

M

B

P

T

S

C

H

U

R

F

T

Y

E

D

M

M

Q

Q

T

S

T

E

R

I

L

I

S

A

T

I

E

N

Y

J

I

VA N

aids barrière chlamydia condoom

IN

I

gonorroe hepatitis hormonaal hormoonpleister

noodpil pessarium pil prikpil

schaamluizen schurft sterilisatie

©

13 Waar of niet waar? Verbeter indien niet waar.

a Jongens lijken altijd op hun vader omdat ze meer erfelijk materiaal krijgen via de zaadcel dan via de eicel.

 b

Bij de geslachtsgemeenschap brengt de man zijn zaadcellen in het lichaam van de vrouw. Hierdoor erft de vrouw eigenschappen van de man.

 c

Je bloedgroep en je oogkleur zijn erfelijk bepaald.

 d Je kunt op je opa lijken omdat via de eicel van je moeder ook materiaal van je grootvader wordt doorgegeven.

 e

Je kunt alleen maar ziek worden doordat het in je genen zit.

 102

Voortplanting bij mens en dier


VOORTPLANTING

©

VA N

IN

Aanpassing van organismen aan de omgeving

1 MICRO-ORGANISMEN 2 EEN ORGANISME VOELT ZICH GOED IN ZIJN VEL 3 IEDERE BIOTOOP HEEFT ZIJN EIGEN ORGANISMEN


2

Š

VA N

3

IN

1

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

104

Aanpassing van organismen aan de omgeving


1 MICRO-ORGANISMEN Zijn alle micro-organismen gevaarlijk voor de mens? 1

Micro-organismen zitten overal! Micro-organismen kun je niet met het blote oog waarnemen. Je hebt er een microscoop voor nodig. Meestal zijn micro-organismen eencellige organismen, bijvoorbeeld bacteriën. Vaak bevinden er zich sporen van micro-organismen (bijvoorbeeld schimmels) in de lucht. Als de omstandigheden gunstig zijn, vermenigvuldigen die zich heel snel. Voedingsmiddelen komen in contact met lucht. In onderzoek 1 ga je op zoek naar wat je kunt doen om voedselbederf te voorkomen.

IN

Onderzoek 1 1 Onderzoeksvraag Stel een goede onderzoeksvraag op met de volgende begrippen: invloed – afgesloten omgeving – micro-organismen – groei 

VA N

2 Hypothese 3 Benodigdheden twee nieuwe diepvrieszakjes ongesneden brood mes ontsmettingsalcohol elastiekjes

Fig. 1.1

©

4 Werkwijze 1 Ontsmet het mes en de tafel met ontsmettingsalcohol. 2 Snij twee sneden brood af (van het midden van het brood). 3 Stop één snede brood meteen in een plastiek zak en sluit hem af met een elastiekje. 4 Laat de andere snede brood gedurende het lesuur open aan de lucht liggen. 5 Stop de snede brood dan in het andere plastiek zakje en sluit het af met een elastiekje. 6 Laat het brood gedurende een viertal dagen in een warme omgeving liggen. 5 Waarneming Wat zie je na een viertal dagen op het brood dat aan de lucht werd blootgesteld?



Wat zie je op het brood dat meteen afgedekt werd?



6 Besluit

Zitten er micro-organismen in de lucht? 

Een afgesloten omgeving werkt de groei van organismen tegen / in de hand.

1 Micro-organismen  

105


Wat kun je doen om de ontwikkeling van micro-organismen te voorkomen?



 

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



7 Reflectie Zou je dit brood nog kunnen eten?



Waarom moeten voedingsmiddelen in de koelkast ook afgedekt worden?

 Waarom ontwikkelen de micro-organismen trager in de koelkast?

IN



Het is ook belangrijk dat voedingsmiddelen droog bewaard worden, want in een vochtige omgeving kunnen micro-organismen zich beter ontwikkelen.

VA N

2 Yoghurt is een kweekvijver van micro-organismen.

Je hebt daarnet geleerd dat schimmels micro-organismen zijn. Ook bacteriën behoren tot die groep. Meestal associëren we micro-organismen met ongezond voor de mens. Toch zijn er ook micro-organismen die niet schadelijk zijn voor de mens.

Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over Yakult.

a

Hoe wordt bijvoorbeeld yoghurt gemaakt?



Wat zit er in zo’n ferment?

 c

©

b

Dat die micro-organismen een belangrijke functie kunnen uitoefenen, ga je aantonen met het volgende onderzoek.

Onderzoek 2 1 Onderzoeksvraag Welke onderzoeksvraag kun je stellen voor dit onderzoek? Je kunt kiezen uit: Bevat yoghurt micro-organismen? Waarom is natuurlijke yoghurt zo zuur? Waarom is yoghurt wit? Bevat yoghurt andere stoffen dan melk? Fig. 1.2

106

Aanpassing van organismen aan de omgeving


2 Hypothese  3 Benodigdheden voorwerpglaasje dekglaasje magere natuurlijke yoghurt zonder suiker tandenstoker pipet koffielepel

Fig. 1.3

IN

4 Werkwijze 1 Neem een koffielepel yoghurt en proef ervan. 2 Dompel de punt van de tandenstoker in de yoghurt en smeer de yoghurt in het midden van het voorwerpglaasje. 3 Druppel een waterdruppel op de yoghurt en dek af met het dekglaasje. 4 Leg het preparaat onder de microscoop en bestudeer de yoghurt met de grootste vergroting.

VA N

5 Waarneming Welke smaak heeft yoghurt? Schrap de foutieve antwoorden. zoet / zuur / zout / umami / bitter

Wat zie je onder de microscoop?



6 Besluit

Yoghurt krijgt zijn zure smaak door het toevoegen van levende 

Dat zijn die niet schadelijk zijn voor de mens.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



bacteriën.

©

7 Reflectie Waarom is yoghurt lang houdbaar in de koelkast?

 

Welk verband is er tussen yoghurt en darmflora?

 

Tip Wil je zelf eens yoghurt maken? Dat kan heel eenvoudig, zelfs zonder yoghurtmachine. Op het internet vind je heel wat recepten.

1 Micro-organismen  

107


3 Alcohol heeft een ontsmettende werking.

Als je een wonde oploopt, moet die in eerste instantie ontsmet worden. Daarvoor wordt vaak ontsmettingsalcohol gebruikt. In het volgende onderzoek ga je aantonen dat alcohol ziekteverwekkers doodt.

Onderzoek 3 1 Onderzoeksvraag Formuleer de onderzoeksvraag.  2 Hypothese

VA N

3 Benodigdheden voorwerpglaasje dekglaasje magere natuurlijke yoghurt zonder suiker tandenstoker pipet ontsmettingsalcohol

IN



Fig. 1.4

4 Werkwijze 1 Dompel de punt van de tandenstoker in de yoghurt en smeer de yoghurt in het midden van het voorwerpglaasje. 2 Voeg een druppel alcohol toe op de uitgesmeerde yoghurt en dek af met het dekglaasje. 3 Wacht een tweetal minuten. 4 Leg het preparaat onder de microscoop en bestudeer de yoghurt met de grootste vergroting. 5 Waarneming Wat zie je onder de microscoop?



Š

6 Besluit

Wat is er gebeurd met de micro-organismen?



Alcohol heeft een ontsmettende werking waardoor de micro-organismen beter ontwikkelen / gedood worden.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



7 Reflectie Waarom wordt een wonde ontsmet met ontsmettingsalcohol?

 

108

Aanpassing van organismen aan de omgeving


Interessant om weten Schimmels kunnen ook bepaalde smaken creëren. Zo hebben schimmelkazen hun specifieke smaak te danken aan een penseelschimmel. Op bedorven voedsel vind je steeds schimmels. In het geval van de schimmelkaas is dat gecontroleerd bederven. We noemen dat schimmelfermentatie.

IN

Fig. 1.5

Micro-organismen zijn meestal eencellige organismen die je met de microscoop kunt waarnemen. Onder andere schimmels en bacteriën behoren tot die groep.

VA N

De meeste micro-organismen zijn schadelijk voor de mens, maar er zijn ook soorten die een gunstige werking hebben. Micro-organismen worden gedood door ontsmettingsalcohol. Niet alle micro-organismen zijn dus gevaarlijk voor de mens.

©

Test jezelf: oefeningen 1, 2 en 3

1 Micro-organismen  

109


2 EEN ORGANISME VOELT ZICH GOED IN ZIJN VEL Waarom vervellen reptielen wel en vissen niet? 1

Gewervelde dieren hebben hun eigen specifieke kenmerken. Gewervelde dieren zijn aangepast om te leven in hun biotoop door bijvoorbeeld hun huidbedekking. Die is trouwens kenmerkend voor de grote groepen (klassen) die in de gewervelden voorkomen. Duid de huidbedekking en de klasse aan voor de voorbeelden die hieronder in de tabel staan. organisme

huidbedekking schubben veren haren naakt

vogels vissen reptielen amfibieën zoogdieren

schubben veren haren naakt

vogels vissen reptielen amfibieën zoogdieren

schubben veren haren naakt

vogels vissen reptielen amfibieën zoogdieren

schubben veren haren naakt

vogels vissen reptielen amfibieën zoogdieren

schubben veren haren naakt

vogels vissen reptielen amfibieën zoogdieren

©

Fig. 2.2 groene kikker

VA N

Fig 2.1 hagedis

IN

klasse

Fig. 2.3 bruine beer

Fig. 2.4 regenboogforel

Fig. 2.5 fazanthaan

110

Aanpassing van organismen aan de omgeving


2 Het lijkt erop dat vissen en reptielen dezelfde huidbedekking hebben. Vissen en reptielen zijn allebei bedekt met schubben, maar toch zijn er verschillen. Vissen zijn aangepast om te leven in het water. Sommige vissen kunnen oud worden. Zo kan een karper tot 43 jaar oud worden. Op de onderstaande foto’s zie je een afbeelding van een jonge en van een oude karper. Duid in de tabel aan wat van toepassing is.

jong oud

IN

a

grote schubben kleine schubben

grote schubben kleine schubben

Fig. 2.6

b

Fig. 2.7

jong oud

VA N

Als je de schubben (figuur 2.8) van een vis onder een microscoop bekijkt, dan zie je lijnen. Elk jaar komt er een lijn bij. Wat kun je hieruit besluiten? Vink de juiste antwoorden aan.

©

Vissen behouden hun schubben. Er groeien steeds meer schubben. De schubben groeien met de vis mee. Vissen krijgen ieder jaar nieuwe schubben. De schubben veranderen van kleur. Er zijn steeds minder schubben met het ouder worden.

Fig. 2.8

c Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over reptielen. Waarom vervellen reptielen?







  Fig. 2.9

2 Een organisme voelt zich goed in zijn vel  

111


3 Het lichaam van een zeehond is aangepast aan een leven in koud water.

Waarom is dat? 





Fig. 2.10

Fig. 2.11

4 Egels, stekelvarkens en zee-egels laten zich niet doen. a

Wat hebben egels, stekelvarkens en zee-egels gemeen als je naar de huidbedekking kijkt?



b

Fig. 2.13

Fig. 2.14

Š

Fig. 2.12

VA N

IN

De gewone zeehond komt voor aan de noordelijke kusten van de Atlantische oceaan. Bij ons kun je hem spotten aan de IJzermonding. Jonge zeehonden worden met een witte vacht geboren. Bij volwassen dieren is de beharing veel dunner.

Wat is de functie van deze aanpassing? Kruis het correcte antwoord aan.

Ze vallen de vijand aan. Tussen de stekels bevindt zich een luchtlaag die de warmte vasthoudt. Tussen de stekels bevinden zich receptoren die de vijand kunnen waarnemen. Ze kunnen zich verdedigen tegen vijanden.

5 Kleuren van organismen kunnen misleidend zijn. Sommige organismen passen mimicry of nabootsing toe. Bekijk de afbeelding.

112

a

De zweefvlieg op de foto lijkt erg goed op een ander dier. Op welk dier?



b

Waarom passen sommige dieren nabootsing toe?



Aanpassing van organismen aan de omgeving

Fig. 2.15


Interessant om weten Dat dieren zich nog steeds aanpassen aan hun leefomgeving wordt duidelijk bij het volgende voorbeeld. De grote modderkruiper is teruggekeerd naar het Demerbekken. Men heeft hem ontdekt in domein Herkenrode waar men inspanningen geleverd heeft om de Demervallei terug in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. De grote modderkruiper leeft graag in rivierbeddingen met heel veel modder. De vis lijkt een beetje op een paling en is heel gevoelig voor luchtdrukverschillen. Als er onweer in de lucht hangt, dan is de vis heel actief. Daarom werd hij vroeger in aquaria gehouden om het weer te voorspellen.

Fig. 2.16

IN

Elke klasse van de gewervelden (zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen) heeft een andere huidbedekking, aangepast aan de leefomgeving. De kleur van de huid kan ook dienst doen als schutkleur. Vissen en reptielen zijn bedekt met schubben. Bij vissen groeien de schubben mee met het lichaam, bij de reptielen niet zodat deze dieren dus moeten vervellen. Reptielen vervellen dus omdat ze letterlijk uit hun huidbedekking groeien.

VA N

Test jezelf: oefeningen 4, 5 en 6

Zijn de dino’s echt uitgestorven?

De grote verschillen tussen de klassen van de gewervelden zijn het resultaat van evolutie. Fossielen geven informatie over het verleden.

©

Hieronder staan afbeeldingen van een fossiel dat Arachaeopteryx of oervogel genoemd wordt.

Fig. 2.17

Fig. 2.18

2 Een organisme voelt zich goed in zijn vel  

113


a

Welke kenmerken geven aan dat vogels afstammen van dergelijke organismen?



b De oervogel zou ook hoornachtige schubben als huidbedekking gehad hebben. Welke klasse van de gewervelde dieren heeft dat kenmerk ook? Zoogdieren Reptielen Vogels Amfibieën c

Bekijk de tijdlijn op figuur 2.19. Situeer de oervogel door het tijdvak te omcirkelen.

3000 miljoen jaar

250

542

200

145

488

66

444

56

34

d

De reptielen zijn ontstaan door evolutie vanuit de vogels: juist / fout

e

Geef hiervoor de verklaring.

VA N

 

416

360

IN

23

5,3

300

2,6

0,01 Fig. 2.19

Fossielen geven ons informatie over hoe organismen geëvolueerd zijn tot huidige organismen. Vogels zijn nauw verwant met de dinosauriërs (denk maar aan het uitzicht van een kip) en zijn dus eigenlijk dino’s die niet uitgestorven zijn.

©

Test jezelf: oefening 7

114

Aanpassing van organismen aan de omgeving


3 IEDERE BIOTOOP HEEFT ZIJN EIGEN ORGANISMEN Groeit er gras in alle biotopen? 1

Wilde konijnen komen voor in Vlaanderen en veel minder in Wallonië. Waar houden konijnen zich schuil om zich te beschermen tegen roofdieren?



b

Waarom komen er veel minder konijnen voor in Wallonië dan in Vlaanderen?













VA N

IN

a

klei

Losse bodems

zand

zandleem leem

Stenige bodems

50 km

Fig. 3.1

Fig. 3.2

2 Vossen, dassen en steenmarters duiken steeds vaker op in het Vlaamse landschap. Het zijn opportunisten. Duid in de tabel hieronder aan om welk dier het gaat. Noteer ook wat er bij hen op het menu staat.

©

a

Fig. 3.3

Fig. 3.4

Fig. 3.5





























 3 Iedere biotoop heeft zijn eigen organismen  

115


b

Waarom zijn deze organismen in opmars?





3 De kleine vos en de kievit daarentegen zie je steeds minder. Waarschijnlijk heb je deze organismen nog nooit gezien. Het zijn immers bedreigde diersoorten die het op dit moment heel moeilijk hebben om te overleven in Vlaanderen.

a

Noteer in de tabel hieronder door welke invloed van de mens het organisme moeilijk kan overleven. biotoop

invloed van de mens

  

IN

De kievit is een weidevogel die tussen maart en juli broedt in hooiweiden.

 

Fig. 3.6

Fig. 3.7

b

    

Waardoor is het voor deze dieren moeilijker om te overleven?



VA N

De kleine vos is een dagvlinder. De rups ervan is zeer kieskeurig en voedt zich enkel met brandnetels.



Š

4 Het gevaar van exoten.

De halsbandparkiet is een exoot die afkomstig is uit India en Centraal-Afrika. Hij kwam naar Europa als volièrevogel en verwilderde nadat hij ontsnapte of losgelaten werd. Hij vormt een bedreiging voor sommige inheemse vogels omdat hij hun nestholten gebruikt.

a

Waarom komen ze vaak voor in de stad?





b

Waarom kunnen die populaties leiden tot een echte plaag?





c

Waarom wordt er niets ondernomen om de invasie te stoppen?



116



Aanpassing van organismen aan de omgeving

Fig. 3.8


Interessant om weten

Fig. 3.9

VA N

IN

Ken je de uitspraak: ‘Survival of the fittest’? Ze is afkomstig van de Engelse bioloog Charles Darwin. Hij publiceerde die uitspraak in zijn wereldberoemde werk over evolutie (On the Origin of Species) en is daarmee de grondlegger van de evolutietheorie. Daarin maakt hij duidelijk dat organismen, die kenmerken vertonen om in een bepaalde biotoop te leven, er kunnen overleven. Ze kunnen zich er ook gemakkelijk voortplanten. Opportunisten zijn hier heel goed in. Ze kunnen zich immers gemakkelijk aanpassen aan nieuwe omstandigheden en hebben daardoor minder kans om uit te sterven. Ook de mens heeft een evolutie doorgemaakt en dat proces gaat nog steeds door.

Fig. 3.10

Organismen kunnen leven in biotopen waar de biotische en abiotische factoren gunstig zijn om te leven. Zo zal een organisme met bepaalde eigenschappen beter aangepast zijn om te overleven dan andere organismen. Opportunisten zijn daar een voorbeeld van. Exoten kunnen een bedreiging vormen voor inheemse soorten omdat ze soms beter zijn aangepast en weinig tot geen vijanden hebben.

©

Gras kan groeien in heel wat biotopen, maar bij ongunstige abiotische en biotische factoren is de plant niet voldoende aangepast om te overleven. Test jezelf: oefeningen 8 en 9

3 Iedere biotoop heeft zijn eigen organismen  

117


! a h A ! a h A

Mindmap

Opportunisten

Planten

Fermentatie

BacteriĂŤn

Ontsmetten

Exoten

VA N

IN

Micro-organismen

LEEFOMGEVING

Schimmels

Abiotisch Omgevingsfactoren Biotisch

Š

Haren Opportunisten

Dieren

Exoten

Huidbedekking

Veren Schubben Naakt Schrikkleur Kleuren

Schutkleur Communicatie

118

Aanpassing van organismen aan de omgeving


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

hier kan ik nog groeien

pg.

Ik kan verschillende soorten micro-organismen herkennen.

105, 106

Ik kan toelichten dat sommige micro-organismen nuttig zijn voor de mens.

106, 107

Ik begrijp dat sommige micro-organismen schadelijk zijn voor de mens.

106

Ik kan uitleggen dat de mens kan ingrijpen in de groei van microorganismen.

108 110, 111

Ik kan de functie van een bepaalde huidbedekking toelichten.

112

IN

Ik kan de huidbedekking van verschillende organismen herkennen.

112

Ik kan het verband leggen tussen een fossiel en de evolutie van een organisme dat nu leeft.

113, 114

Ik kan afleiden waarom exoten niet thuishoren in onze omgeving.

116

VA N

Uit het voorkomen van een organisme kan ik afleiden waarom dat organisme in een bepaalde omgeving beter kan overleven.

Š

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

119


TEST JEZELF Op welke foto’s zijn micro-organismen afgebeeld?  A

b

d

e

c

IN

1

a

Waarom is dat?

 

b

VA N

2 Als je op reis gaat, word je vaak aangeraden om geen leidingwater te drinken.

Wat moet je doen om toch van het water te drinken?



Š

3 Hoe komt er alcohol in bier? Men voegt koolstofdioxide toe. In bier zitten gisten die ervoor zorgen dat er alcohol gevormd wordt. Men voegt alcohol toe aan het bier. 4 Waarom is de kleur van de vacht van een sneeuwhaas anders in de zomer dan in de winter?



5 Welke organismen passen bij de opgesomde huidbedekkingen? Vink ze allemaal aan. huidbedekking organisme

120

naakt mens salamander pad zalm wolf kip kameleon forel

Aanpassing van organismen aan de omgeving

haren mens salamander pad zalm wolf kip kameleon forel

schubben mens salamander pad zalm wolf kip kameleon forel

veren mens salamander pad zalm wolf kip kameleon forel


6 Reptielen verdampen geen lichaamsvocht in een woestijn. Verklaar.

 

7 Hoe weten we dat er ooit dinosauriërs geleefd hebben in België?

 

8 Waarvoor moet de plantengroei afgebrand worden op plaatsen waar heide groeit? Bekijk daarvoor eerst het filmpje via het onlinelesmateriaal.

De aanwezige planten zuigen alle voedingsstoffen en water uit de grond. Heide heeft veel licht en voedselarme grond nodig om goed te kunnen groeien. Door de warmte van het vuur kan heide goed ontwikkelen. Door het vuur is er veel koolstofdioxide die de fotosynthese bij de heide stimuleert.

IN

9 De Amerikaanse brulkikker is ooit ingevoerd om de vijvers in de tuintjes op te vrolijken. De kikker kan maar liefst 18 cm lang worden. Hij eet onze inheemse amfibieën op. Hij moet dus uitgeroeid worden in onze streken omdat hij hier niet thuishoort. Welke specialisten zijn er nodig om deze exoot aan te pakken? Kruis ze allemaal aan. Bioloog Huisarts Dierenarts Beenhouwer Boswachter Bouwkundig ingenieur

VA N

©

Test jezelf  

121


WOORDENLIJST Thema Krachten

1

2

1

1

1

definitie

het plaats op een voorwerp of aangrijpings- organisme waar een kracht op punt inwerkt de dynamometer

krachtmeter, een meettoestel om krachten te meten

het effect

uitwerking, gevolg van iets in dit thema: uitwerking van een kracht

het gewicht

gewichtloos

ijken

in je eigen woorden

   

de kracht die een ondersteund voorwerp uitoefent op zijn steunvlak Een voorwerp of organisme heeft geen gewicht omdat het niet ondersteund wordt, dus kan het ook geen kracht uitoefenen op zijn steunvlak.

     

afregelen of afstellen

  

3

1

1

2

3

4

122

de ingenieurs techniekers die wetenschappelijke kennis gebruiken om een technisch en wetenschappelijk probleem op te lossen de keu

houten stok waarmee een biljartbal gestoten wordt

Š

3

   

de krachtpatser

organisme dat een grote spierkracht kan ontwikkelen

de newtonmeter

dynamometer of krachtmeter

de transAtlantische vluchten

traject van een vliegtuig dat de Atlantische oceaan oversteekt

het vectormodel

een schets waarop krachten worden voorgesteld met pijlen

de wrijvingskracht

de weerstand die een voorwerp of  organisme ondervindt tijdens het  schuiven over een oppervlak

Woordenlijst KRACHTEN

IN

3

term

VA N

hoofdstuk

       


Thema Fotosynthese hoofdstuk

term

definitie

in je eigen woorden

1

de alchemist

Iemand die de alchemie beoefent;  dat is de oude, primitieve vorm  van chemie gebaseerd op magie  en bijgeloof.

1

het atoom

kleine deeltjes waaruit een molecule is opgebouwd

 

3

2

autotroof

Een organisme dat zelf in zijn voedsel voorziet, meestal zijn het planten, bacteriën en schimmels.

de bladstand

de manier waarop de bladeren op de stengel ingeplant staan

  

1

1

3

de erlenmeyer gedenatureerde alcohol

Laboratoriumglaswerk; het is een kegelvormige fles met een cilindrische (buisvormige) hals. alcohol die ondrinkbaar gemaakt is; niet meer geschikt voor consumptie

   

VA N

1

IN



het gedestilleerd water

water dat door destillatie gezuiverd is

heterotroof

organismen die anderen nodig hebben om zich mee te voeden

   

1

1

1

de houtspaander kneuzen

een stukje hout

 

beschadigen van weefsel door ertegen te drukken

©

1

 

de maatbeker Laboratoriumglaswerk; het  is geschikt om een bepaalde hoeveelheid vloeistof af te meten.  melig

niet sappig en met weinig smaak

 

1

1

de/het molecule

kleinste deeltje waaruit een stof is  opgebouwd

norvanol

oplosmiddel op basis van ethanol en ether

  

FOTOSYNTHESE Woordenlijst  

123


1

de paperclip

een kleine metalen klem

 

3

het plankton

kleine tot zeer kleine plantaardige of dierlijke organismen die in  water leven en als voedsel dienen  van grotere in het water levende  organismen

1

de siernetel

een kamerplant met bladeren in verschillende patronen

 





een kring van bladeren vlak boven de grond































 

























































































 













124

©

 





 



Woordenlijst FOTOSYNTHESE  

IN



de wortelrozet

VA N

2


Thema Voortplanting bij planten

1

1

2

2

1

term

definitie

in je eigen woorden

de bestuiving een stuifmeelkorrel die op een rijpe stempel van eenzelfde bloemsoort valt



de bevruchting



het versmelten van de kern van een zaadcel met de kern van een eicel

de bol

een ondergronds plantendeel waarin voedingsstoffen zitten opgeslagen

de broedknop een vorm van ongeslachtelijke voortplanting waarbij een knop uitgroeit tot een volledige plant het embryo

een ontwikkelde bevruchte eicel



    

IN

hoofdstuk

 

1

enten

een vorm van kunstmatige ongeslachtelijke voortplanting waarbij een deel van een plant wordt vastgemaakt op een deel van een andere plant

 

VA N

2

de helmdraad het draadvormige deel van de meeldraad

  

1

de helmknop

het verdikte deel bovenaan de meeldraad

 

1

het kelkblad

buitenste bloemblad

 

2

kiemen

het uitgroeien van een embryo tot  een kiemplant

©

1

de klister

een okselknop van de bol

  

2

1

de knol

een verdikte ondergrondse bijwortel of stengel met reservevoedsel

het kroonblad vaak een groot opvallend gekleurd bloemblad

   

1

de meeldraad het mannelijk voortplantingsorgaan van een volgroeide bloem

 

VOORTPLANTING BIJ PLANTEN Woordenlijst  

125


1

1

de petrischaal

een lage, platte, ronde glazen of kunststofschaal met een eroverheen passend deksel

de/het pincet een fijne tang

   

2

1

de stamper

stekken

de stempel

het vrouwelijk voortplantingsorgaan van een volgroeide bloem een vorm van ongeslachtelijke voortplanting waarbij een deel van een plant uitgroeit tot een nieuwe plant het bovenste, kleverige deel van de stamper

      

1

de stijl

het middelste verdunde deel van de stamper

 

2

de stuifmeelkorrel de uitloper

het deeltje dat de zaadcel bevat

 

VA N

1

een bovengronds kruipende stengel

 

1

verspreiden

over een groot oppervlak uitbreiden

 

1

2

1





126

de voortplanting het vruchtbeginsel

het voortbrengen van nakomelingen

 

het onderste, verdikte deel van de  stamper

Š

1

IN

1

de wortelstok een horizontaal groeiende ondergrondse stengel met reservevoedsel

  

het zaadbeginsel

het deel in het vruchtbeginsel van  de stamper dat de eicel bevat



























Woordenlijst VOORTPLANTING BIJ PLANTEN 


Thema Voortplanting bij mens en dier

4

2

2

3

4

4

term

definitie

het anticonceptiemiddel

voorbehoedsmiddel

baarmoederhalskanker

kankervorm waarbij er een gezwel ontstaat in de baarmoederhals

in je eigen woorden

 

de besnijdenis

het verwijderen of insnijden van de voorhuid

de bevruchting

het versmelten van de eicel met de zaadcel

het chromosoom

een drager van het erfelijk deel (DNA) van een organisme

het DNA

het erfelijk deel van een organisme

     

IN

hoofdstuk

   

VA N



3

de doula

3

de echografie ook echoscopie genoemd medische beeldvorming die gebruikmaakt van geluidsgolven

3

3

3

2

de eisprong

de ejaculatie

De eicel komt vrij uit de follikel in de eierstok en verplaatst zich naar de eileider. zaadlozing

©

3

een ervaren vrouw die,  aanvullend op de medische zorg,  praktische en emotionele steun biedt bij de geboorte van een kind 

het embryo

de bevruchte eicel tot aan de negende week van de zwangerschap

de de groei van het embryo tot embryonale foetus ontwikkeling de erectie

het rechtop staan van de penis

           

3

de foetus

een minimensje vanaf de negende week van de zwangerschap

 

VOORTPLANTING BIJ MENS EN DIER Woordenlijst  

127


de follikel

Het blaasje dat de eicel en de omringende cellagen omvat voor de ovulatie. Het blaasje voorziet de eicel van voedsel.

 

1

de geaardheid

Zoals iemand van nature in elkaar  zit. Vaak seksuele geaardheid:  het geslacht tot hetwelk je je  aangetrokken voelt.

4

het gen (meervoud genen)

een onderdeel van een chromosoom dat bestaat uit stukjes DNA

de gynaecoloog

arts gespecialiseerd in het vrouwelijk lichaam

3

   

4

de hormonale een voorbehoedsmiddel dat  anticonceptie werkt doordat er hormonen in  het lichaam van de vrouw worden  gebracht

2

de HPVvaccinatie

inwendig

 

VA N

2

Vaccinatie die beschermt tegen een besmetting met het papillomavirus. Dit virus kan immers baarmoederhalskanker veroorzaken. aan de binnenkant waarneembaar

   

3

3

de menopauze

de menstruatie

de periode in het leven van de vrouw waarin de vrouw niet langer vruchtbaar is (meestal vanaf 45-55 jaar)

ongesteld zijn, maandstonden

©

3

de menstruatiecyclus

de terugkerende maandelijkse periode waarin een eicel rijpt en het vrouwelijk lichaam zich klaarmaakt voor een eventuele bevruchting

    

 

4

de nieteen voorbehoedsmiddel dat niet hormonale werkt door middel van hormonen  anticonceptie maar wel op natuurlijke manier of door het vormen van een grens 

3

de ovulatie

eisprong

 

128

IN

3

Woordenlijst VOORTPLANTING BIJ MENS EN DIER  


1

de primaire geslachtskenmerken

typische geslachtskenmerken die al van bij de geboorte aanwezig zijn zoals de penis, de balzak en de vagina

 

1

het proces

een reeks opeenvolgende stappen  om tot een (gewenst) resultaat te  komen

1

de puberteit

de overgangsfase van kind naar volwassene

 

1

4

de secundaire de geslachtskenmerken die geslachtspas op latere leeftijd (tijdens de kenmerken puberteit) tot uiting komen de soa

seksueel overdraagbare aandoening

  

1

uitwendig

aan de buitenkant waarneembaar

IN

  

3

3

3

de vaccinatie/ het vaccin de vroedvrouw

inenting van een vreemde stof in het lichaam om op die manier infectieziektes tegen te gaan

 

VA N

2

het vruchtwater

een deskundige verpleegster op het vlak van zwangerschap, bevalling en kraamperiode

het vocht waar het embryo (en later de foetus) in rondzwemt in de baarmoeder

de zaadlozing het vrijkomen van zaadcellen

     





































































©



VOORTPLANTING BIJ MENS EN DIER Woordenlijst  

129


Thema Aanpassing van organismen aan de omgeving hoofdstuk 3

1

term

definitie

de abiotische factoren

omgevingsfactoren die je kunt meten met meettoestellen

associëren

in verband brengen met

in je eigen woorden

   

1

3

1

2

2

3

de biotoop

de darmflora

de exoot

het ferment

de fossielen

omgevingsfactoren die te maken hebben met organismen die elkaar beïnvloeden en/of van elkaar afhankelijk kunnen zijn levensgemeenschap waarin bepaalde organismen samenleven

de mimicry

de opmars

      

micro-organismen die vooral leven in de dikke darm en helpen bij het afbreken van de voedingsvezels



Organisme dat niet thuishoort in een bepaalde biotoop. Dit organisme heeft daar vaak ook geen vijanden.





Ferment is een oude benaming voor enzym. Betekent: de stof die gisting veroorzaakt. resten van planten en dieren die bewaard gebleven zijn in gesteente



     

Gelijkenis met andere soorten van bepaalde dieren en planten. Dat gebeurt door aanpassing van vorm, kleur of gedrag.



groeien in aantal of belangrijkheid





 3

1

130

de opportunisten de/het pipet

IN

2

de biotische factoren

eencellige organismen die zich snel voortplanten en vaak in kolonies leven

VA N

3

de bacteriën

©

1

organismen die zich gemakkelijk kunnen aanpassen aan veranderende leefomgeving een voorwerp dat gebruikt wordt om een hoeveelheid vloeistof op te zuigen en te verplaatsen

Woordenlijst AANPASSING VAN ORGANISMEN AAN DE OMGEVING  

   


1

de schimmel- proces waarbij schimmels fermentatie gebruikt worden om bepaalde voedingsmiddelen te maken zoals yoghurt, kaas of bier

 

1

de schimmels eencellige organismen zoals  gisten en meercellige organismen  zoals paddenstoelen

2

de schutkleur kleur van de huidbedekking van een organisme waardoor het niet opvalt in zijn biotoop

1





de ziekteverwekkers

Micro-organismen die niet goed zijn voor de gezondheid van de mens; ze maken ons ziek.











































































































©







 



vogel die in een volière (grote kooi) gehouden wordt

 



de volièrevogel

 

cel die kan uitgroeien tot een micro-organisme zoals schimmels en bacteriën

IN

3

de sporen



  

VA N

1



AANPASSING VAN ORGANISMEN AAN DE OMGEVING Woordenlijst  

131


NOTITIES         

IN

   

                  

132

NOTITIES   

©



VA N




macro scoop

Marleen Chalmet Bart VanoprĂŠ Catherine Van Nevel Christina Wauters

macro scoop 2

Š

VA N

IN

2

Leer zoals je bent Ontdek het onlineleerplatform: diddit. Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9570-7 594489

73485_MACROSCOOP COVER 2_DEF.indd Alle pagina's

vanin.be

20/05/20 10:27

Profile for VAN IN

MacroScoop 2 - Leerwerkboek  

MacroScoop 2 - Leerwerkboek