Issuu on Google+

Duidelijk beter Onderzoek aan de NHL Hogeschool nu en straks

Peter Joore Ed van Hinte


Duidelijk beter Onderzoek aan de NHL Hogeschool nu en straks

Peter Joore Ed van Hinte


Inhoud Voorwoord Duidelijk beter Alledaagse misdaad Waterpret Hogere ondernemologie Duurzaam zeegebruik Authentiek ingeblikt Drietaligheid Menswaardig Beter verzorgen Eenvoudige monitor Elkaar begrijpen Nieuwe reikwijdte Het ‘Nieuwe Leeuwarden’

5 11 38 48 58 68 78 88 98 106 118 128 138 149

3

Peter Joore Ed van Hinte Wouter Stol Siemen Veenstra Johan Mekkes Wierd Koops Hans Hummel Alex Riemersma Evelyn Finnema Margo Brouns Ate Dijkstra Jelle Drost Peter Joore Peter Joore


Voorwoord ‘Kennis is als een tuin. Als je hem niet onderhoudt, zal je er nooit van oogsten.’

Dit Afrikaanse spreekwoord geeft aan dat kennis gebruikt moet worden voordat zij iets oplevert. Net als bij het bewerken van een tuin blijf je bij het ontwikkelen van kennis altijd aan het werk. Je moet continu planten, wieden, mesten, snoeien, water geven. Op de ene plaats staat een boom die jaar na jaar veel vrucht oplevert, maar elders staat een struik die om onverklaarbare wijze maar niet aanslaat. Je maakt steeds nieuwe plannen om de tuin nog mooier te maken. Door nieuwe paden aan te leggen, nieuwe richtingen te exploreren, toch maar eens (net als de buren) zo’n nieuwe exotische plant uit te proberen. Je kunt het er maar druk mee hebben. Zo druk dat het bewonderen en genieten van de schoonheid van de tuin er soms bij inschiet. 5


Toen het College van Bestuur aan de gezamenlijke lectoren vroeg om een toekomstvisie op het onderzoek van de NHL Hogeschool te presenteren, was de verleiding groot om meteen aan de slag te gaan met een goed onderbouwd beleidsdocument waarin staat beschreven hoe we het onderzoek de komende jaren aan kunnen pakken. Toen we daar wat dieper over nadachten kwamen we tot de conclusie dat zo’n document wellicht zijn doel voorbij zou schieten. In de analogie van de tuin zou het zijn alsof we een ingrijpend inrichtingsplan zouden opstellen, zonder er rekening mee te houden dat er kort geleden al van alles is aangeplant. Natuurlijk is nog niet alles volgroeid. En natuurlijk hebben bepaalde struiken meer tijd nodig om tot volle wasdom te komen dan we in ons ongeduld soms willen toegeven. Maar de grote lijn ligt er. En als we niet uitkijken vertrappen we met onze zware tuinlaarzen de unieke planten en bloemen die net boven de grond komen.

wijs, gaat steeds beter. Vandaar de titel van dit boekje. Het is te beschouwen als een soort ‘zelfgeplukt boeket’, opgebouwd uit de verschillende ‘bloemen’ waar het onderzoek binnen de NHL uit is opgebouwd. Variërend van volgroeide lectoraten die al meer dan vier jaar bezig zijn tot lectoraten die slechts een paar weken geleden zijn ‘aangeplant’. En met resultaten van lectoraten die ondertussen al niet meer op de hogeschool aanwezig zijn, maar waarvan de vruchten zijn overgedragen aan een opvolger die het desbetreffende thema verder gaat uitbouwen.

Daarom hebben we besloten geen nieuw beleidsdocument op te stellen, maar bewust stil te staan bij de schoonheid en de successen die het onderzoek op de NHL de afgelopen jaren al heeft opgeleverd. Zo willen we onszelf en de lezer bewegen om te kijken naar de opbrengsten van de ‘kennistuin’ die tien jaar geleden nog niet eens bestond, maar waarvan de contouren nu steeds helderder in zicht komen. Het wordt steeds duidelijker waar onderzoek op de hogeschool voor staat. En de uitvoering van dat onderzoek, inclusief de relatie met het onder-

Daarbij dekken we zo ongeveer het hele maatschappelijke spectrum. Van techniek tot economie en management en van zorg en welzijn tot onderwijs en communicatie. En in die breedte ligt ook meteen de zoektocht van dit boekje. Want als ‘kleinste brede hogeschool’ van Nederland met een palet van meer dan 70 verschillende opleidingen is ook het bijbehorende onderzoek per definitie zeer gevarieerd. Zonder aan die unieke diversiteit af te doen, hebben we onszelf de vraag gesteld hoe we hier een samenhangend geheel van kunnen maken. Met aandacht voor de grote en succesvolle onderzoekslijnen, maar ook met ruimte voor de unieke en kleinschalige richtingen. En met de opdracht om, naast het koesteren van de unieke waarde van de verschillende lectoraten, tegelijkertijd duidelijk te maken wat de gemeenschappelijke visie is die het onderzoek bij de NHL verbindt. Ik denk dat we daar met deze opzet goed in zijn geslaagd.

6

7


Als je kennis ‘uit eigen huis’ op waarde wil beoordelen is het vaak nuttig om daar een gast bij te betrekken. Dat kan helpen om met een open blik naar de bereikte resultaten te kijken, ongehinderd door de oorspronkelijke doelstellingen en ideeën. Om daar vervolgens enthousiast de unieke waarde van te herontdekken, of om juist een kritische noot te kraken over een situatie die de bewoners zelf al niet eens meer opvalt. Bij dit boekje heeft auteur Ed van Hinte deze rol op een waardevolle wijze ingevuld en er samen met vormgever Renate Boere en illustrator Amy Wu voor gezorgd dat dit veelkleurige boekje daadwerkelijk tot stand is gekomen. De ‘onderzoekstuin’ van de NHL is nog niet af en zal dat waarschijnlijk ook nooit zijn. Deze momentopname is wel af. Ik nodig u, mede namens mijn collega lectoren, uit om te ontdekken hoe onze ‘eenheid in verscheidenheid’ er tot nu toe uit is komen te zien. En om na dat moment van reflectie samen met ons aan de slag te gaan om het onderzoek en het onderwijs op de NHL Hogeschool verder vorm te geven! Peter Joore lector open innovatie / coördinerend lector NHL Hogeschool

8


Onderzoek aan de NHL Hogeschool nu en straks Het komt goed op gang en het wordt allengs beter. Onderzoek, in het algemeen komt dat in het hoger onderwijs neer op duiden en verbeteren van wat er speelt in de praktijk (vandaar de titel), is niet langer een wat onwennige bezigheid voor de NHL Hogeschool in Leeuwarden. En toch was dit minder dan tien jaar geleden nog een pure onderwijsinstelling. Vanwege aanpassing aan het Europese onderwijsconcept werd destijds de Master-Bachelor-structuur ingevoerd in Nederland. Hieraan werd indirect het doel gekoppeld om ook in het HBO meer onderzoek te gaan verrichten, naast het verzorgen van gedegen onderwijs. Zo ontstonden de lectoraten. Een lector heeft, anders dan een professor met een theoretische leerstoel, tot taak vraagstukken uit de praktijk aan de orde te stellen en er met docenten in een zogeheten kenniskring onderzoeksprojecten van te maken. Daarom worden lectoren door sommigen ook wel als een soort praktijkprofessoren betiteld. In 2001 is de NHL met zulk onderzoek begonnen. Op haar eigen unieke wijze, net als de andere hogescholen in Nederland het ieder op hun eigen manier ook deden. Voor een grote complexe organisatie als de NHL is het opzetten van een nieuwe, in eerste instantie wezensvreemde, ac11


tiviteit, een boeiend maar ook weerbarstig en ingrijpend leerproces. Er ligt geen blauwdruk klaar hoe het moet gebeuren en er is geen voorbeeld waaraan men zich kan spiegelen. Wel is duidelijk dat onderzoek niet zomaar een leuke hobby is ‘voor erbij’. Er is een lange weg te gaan en die moet nog grotendeels worden aangelegd. Er worden lectoraten opgetuigd met een ambtstermijn van vier jaar, maar de consequenties daarvan zijn niet direct te overzien. Voor elke knoop die wordt doorgehakt komen er drie in de plaats.

Het woord ‘onderzoek’ is tot nu toe acht keer gevallen. Daarmee is nog niet duidelijk wat het precies inhoudt

bij een hogere beroepsopleiding. De belangrijkste reden dat de overheid steeds meer belang hecht aan het doen van onderzoek binnen het hoger beroepsonderwijs is het toenemend inzicht dat de dynamiek van kennisintensieve beroepen verandert. Dat hangt rechtstreeks samen met de snelgroeiende hoeveelheid en beschikbaarheid van informatie. Het best is dat natuurlijk zichtbaar bij beroepen op het gebied van ICT. Iemand die van het ontwikkelen van games zijn beroep heeft gemaakt moet blijven leren om een carrière lang iets te kunnen betekenen in dit vak. Zonder regelmatig ‘updaten’ is al je kennis binnen een paar jaar achterhaald. Maar ook meer in het algemeen geldt: waar vroeger iemand een hogere opleiding volgde om voor de rest van zijn loopbaan voldoende te zijn toegerust, moeten studenten nu ook leren hoe ze telkens nieuwe kennis kunnen blijven opdoen. Ze moeten in staat zijn om, afhankelijk van de praktijksituatie waarin ze belanden, zelf alle nieuwe kennis te ontwikkelen die nodig is om in te spelen op een zich continu ontwikkelende situatie. Meegroeien met verandering wordt een essentiële vaardigheid. Deze nieuw verlangde HBOcompetentie is de ene kant van de medaille. Op de andere kant van de medaille staat de hogeschool gemunt als nieuw type kennisinstituut dat zich onderscheidt van de al eeuwen bestaande universiteit en de grote wetenschappelijke instituten. Als het beeld ter wille van het contrast wordt versimpeld, dan is onderzoek op universiteiten vooral theoretisch van aard. Daarbij wordt

12

13

Desondanks krijgt het onderzoek bij de NHL steeds duidelijker een eigen gezicht. Onderzoek begint normaal te worden en dat tekent zich af in de praktijk van alledag. Er zijn tastbare resultaten en legio uitdagende plannen voor nieuwe projecten. Het prille stadium van papieren bedoelingen is voorbij. Er ontstaat een beeld van wat onderzoek voor het hoger beroepsonderwijs en meer specifiek voor de NHL Hogeschool inhoudt, hoe het werkt en in welke richting het zich zal ontwikkelen. Het is tijd om daarop scherp te stellen en een momentopname van maken van de stand van zaken, een mooie foto waar iedereen naar mag kijken. Die foto is dit boekje. De opzet is simpel. Het bestaat uit een tekst over het onderzoek en een reeks korte interviews met alle lectoren die tijdens het schrijven en vormgeven voor de NHL werkten.


fundamentele kennis ontwikkeld die als het meezit pas na jaren praktisch nut zal blijken te hebben. Als het tegenzit wordt hij alleen door wetenschappers onderling toegepast. Gegraaf in feiten, gemeet met soms waanzinnig kostbare apparatuur en het daaruit voortvloeiend denkwerk komen soms louter voort uit menselijke interesse en dienen dan geen ander doel dan zoveel mogelijk be-

grijpen van de kosmos en onze plaats daarin. Daarmee wil niet gezegd zijn dat onderzoek aan universiteiten wereldvreemd is en niets met de praktijk te maken heeft. Medisch onderzoek bijvoorbeeld is veelal bedoeld voor praktische toepassing. En er zijn bij universiteiten technische ontwerpdisciplines ondergebracht waarbinnen direct bruikbare gegevens worden verzameld. Toch ligt het accent dan altijd op de ontwikkeling van – het is een cliché maar vooruit – de helikopterview.

Het hoger beroepsonderwijs streeft ernaar om, als aanvulling op deze meer theoretisch getinte kennisontwikkeling, onderzoek te doen dat juist wel op korte termijn kan worden toegepast in de praktijk. ‘Praktijkgericht’ onderzoek dus. Zo heeft ook het onderzoek bij de NHL altijd betrekking op het vinden van antwoorden op concrete vragen die opkomen bij bedrijven en instellingen, kortom in de maatschappij. De onderzoekthema’s kunnen vakinhoudelijk zijn – hoe voorkom je de verspreiding van olie in zee? – of met de beroepsuitoefening zelf te maken hebben – wat zijn de kenmerken van een goede ondernemer in de ouderenzorg? –, maar ze draaien telkens om toepasbaarheid in de praktijk. Dat het onderzoek altijd bedoeld is voor gebruik in de ‘werkelijke’ wereld maakt dat de ontwikkelde kennis sterk afhangt van haar specifieke context. De opbouw van praktijkgerichte kennis berust daarom voor een belangrijk deel op het grondig documenteren en toegankelijk maken van ‘cases’, met alle ervaringen en gebeurtenissen die zich bij een specifieke ontwikkeling voordoen. Een voorbeeld is het grondig in kaart brengen van alle stappen die worden doorlopen bij het ontwikkelen van een elektrisch motorjacht op zonne-energie. Maar je kunt ook denken aan het vastleggen van de dagelijkse gang van zaken in een bepaald verzorgingshuis. Op basis van zulke casuïstiek kunnen vervolgens bredere verbanden inzichtelijk worden gemaakt, bijvoorbeeld tussen de behoefte aan hulp bij uit bed komen en wonen

14

15


in een bepaalde wijk, of tussen schuldproblemen onder jongeren door teveel telefoneren en opleidingsniveau. En instanties die zulke informatie nodig hebben kunnen haar ook direct inzetten. Het accent van praktijkgericht onderzoek ligt al met al op het vergaren en expliciet maken van ervaringskennis. Dat is heel belangrijk, want experts hebben de neiging juist op dat gebied gaten te laten vallen in het kennisweefsel: voor wie de problemen van zo’n jacht dat vaart op zonne-energie aan het oplossen is, heeft het documenteren van dit proces een lage prioriteit. En wie dag en nacht de problemen van ouderen of gehandicapten oplost heeft geen tijd over om hierover op een wat meer beschouwende manier na te denken. Juist in deze reflectie op de praktijk onderscheidt HBO-onderzoek zich van onderzoek op universiteiten. Natuurlijk zijn er bij deze vergelijking tussen universiteit en hoger beroepsonderwijs allerlei nuances aan te brengen en slagen om de arm te maken, maar het accentverschil is onmiskenbaar. Bij samenwerking tussen beide organisaties zal dat betekenen dat er vooral fundamentele kennis van universiteit naar hogeschool beweegt en dat de praktijkkennis dan weer de andere kant op gaat. Mits er niet te veel tijd verloren gaat aan getheoretiseer, want de hogeschool moet aan de slag.

16

In Leeuwarden in dit geval, maar met betekenis voor de rest van de wereld. Het lectoraat Maritiem, Marien Milieu en Veiligheidsmanagement van Wierd koops illustreert het scherpst hoe dat zit. De thematiek van dit onderzoeksterrein past typisch bij Noord Nederland. Daar is veel zee met navenant veel gebruikers, maar daar zijn ook de kwetsbare Wadden waaronder gas te vinden is. Tegelijk reikt het onderwerp veel verder. Rampen op zee, met giftige stoffen, kunnen overal ter wereld plaatsvinden en de kennis die we hierover in Nederland hebben is ook overal toepasbaar. Het grootste deel van het aardoppervlak is oceaan en daarop moeten we zuinig zijn. Ook het lectoraat van Siemen Veenstra, over het beheer van onze drinkwatervoorziening, is via sponsor Vitens sterk internationaal geörienteerd. Noord Nederland is nat en weet van water en elders in deze wereld is deze kennis ongelofelijk waardevol. Bij onderzoek naar de praktijk in zorg en welzijn van Jelle Drost, Evelyn Finnema en haar voorgangster Margo Brouns ligt het accent meer regionaal en nationaal, omdat de dagelijkse praktijk zich niet makkelijk naar hele andere omstandigheden laat vertalen. Systemen van gezondheidszorg zijn op complexe wijze ingebed in demografie, verdeling van kosten en opvattingen van verantwoordelijkheid die bovendien veranderen. Voor grote verschillen hoef je zelfs maar één grens over, naar Duitsland of België. Toch kan ook onderzoek op dit gebied verder reiken, zoals de eenvoudige screeningmethodiek 17


van Ate Dijkstra voor het vaststellen van zorgafhankelijkheid laat zien, want met een dergelijk principe van meten kun je overal terecht. Het hoeft niet eens over afhankelijkheid van zorg te gaan. Daarnaast speelt in de regio een thema dat universele trekken begint te vertonen: leegloop, de keerzijde van verstedelijking. Het afgelopen jaar woonden over de hele wereld voor het eerst meer mensen in de stad dan op het platteland. Die vorm van migratie zet door en er moeten antwoorden op worden ontwikkeld. Noord-Nederland levert geen blauwdruk voor

het platteland van bijvoorbeeld Zuidwest China, maar vruchtbare uitwisseling van inzichten met streken waar zich hetzelfde fenomeen voordoet is zeker denkbaar. Een in grote lijnen vergelijkbare mogelijkheid tot het uitdragen van nieuwe kennis kan zich ontwikkelen bij de lectoraten over ondernemerschap, open innovatie en het onderwijs. De thema’s daarvan spelen inhoudelijk in de noordelijke regio, maar raken op verschillende manieren allemaal aan communicatie, tussen ondernemende, 18

onderwijzende en studerende mensen. Zelfs het op het eerste gezicht exclusief regionaal gedefinieerde spiksplinternieuwe lectoraat Fries en tweetaligheid herbergt een vat vol universeel toepasbare inzichten. De voorbeelden geven letterlijk en figuurlijk de globale positie aan van het onderzoek bij de NHL. Ze laten zien dat de noordelijke regio de bron is waaraan de school zich laaft en waarin onderzoekthema’s boven komen drijven. Het werkt als een soort ‘kennisfontein’ die zijn voeding betrekt in Noord-Nederland maar waarvan het sproeiwater veel verder reikt dan dat gebied. Er wordt intensief samengewerkt met bedrijven en organisaties in NoordNederland, omdat dat in een regio nu eenmaal praktische voordelen heeft, maar netwerken en kennis zijn uiteindelijk niet aan grenzen gebonden. En dat is misschien wel het meest opvallende en tegelijk belangrijkste kenmerk van de functie van lectoren, het stimuleren van de wisselwerking tussen de school en de grote interessante buitenwereld. Dan kan zo’n hogeschool niet zomaar alles doen wat op haar weg komt. Met een aanbod van meer dan 70 verschillende opleidingen, variërend van docent drama tot chemisch analist, is het niet mogelijk om aan elke studie een eigen onderzoeksgroep te koppelen. Bovendien ontwikkelen kennisgebieden zich niet autonoom, afgeschermd van andere disciplines. Juist op het gebied van 19


nieuwe kennis worden continu grenzen tussen vakgebieden overschreden, al gaat dat niet altijd zonder slag of stoot. Derhalve zijn praktische keuzes nodig om de beschikbare middelen voor onderzoek gericht in te kunnen zetten. Die betreffen dan telkens een gewogen samenspel tussen het definiëren van een onderzoeksthema, het selecteren van een nieuwe lector en het inzetten op een bepaald project. Bij elkaar geven de beslissingen die de afgelopen jaren zijn genomen geven geleidelijk invulling aan de abstracte termen die de NHL als speerpunt heeft gekozen. Nu rust de NHL van oudsher op verschillende pijlers waaronder een HTS, een zeevaartschool, een opleiding voor HEAO, een PABO, een lerarenopleiding en een HBO-V die in de jaren ’80 van de vorige eeuw fuseerden. Uit deze oorsprong komen ruwweg vier ‘smaken’ voort, respectievelijk: techniek, management, verzorging en onderwijs. En die zijn nog steeds goed te herkennen, tot zelfs in het karakter van de lectoraten. Het is alleen de vraag of deze op de traditie gebaseerde vierdeling de meest vruchtbare manier is om orde in de chaos te scheppen. Organisatorisch mag het dan misschien voor de hand liggen, voor de inhoudelijke richting van het onderzoek heeft dit model zijn beperkingen. Daarom heeft de NHL in haar strategisch plan 20082011 gezocht naar een overkoepelende, zoals gezegd abstracte, thematiek die zowel werkt voor de organisatie als geheel, als voor de selectie van het type onderzoek

waarop zij zich wil richten. Zij heeft hierbij leefbaarheid, of ‘livability’, gekozen als voorwerp van onderzoek. ‘Creative technology’ staat voor de middelen, in de ruimste zin, die worden ontwikkeld om leefbaarheid te helpen verbeteren. Dat proces heet innovatie. Hoewel deze termen zeker de inhoud van het onderzoek bij de NHL dekken, zijn ze nog zo breed dat ze behoefte hebben aan nadere invulling en ‘renuancering’ om de eigen identiteit van het onderzoek bij de NHL duidelijk te kunnen maken.

20

21

Het thema ‘innovatie’ is de essentie van elk onderzoekproject. De geschiedenis van de afbakening van dit begrip heeft een eigenaardig en zeer menselijk verloop. Oorspronkelijk is het namelijk een observatie achteraf. Een nieuwe technische vinding die de wereld veroverde en veranderde heette ‘een innovatie’. En dan ging het niet om een marginale verbetering. ‘De fiets’ was een innovatie, net als ‘de auto’ en ‘de telefoon’. Stuk voor stuk waren het positieve bijdragen aan de vervulling van het menselijk toekomstideaal. Dat was precies de reden dat de waarde van het woord veranderde van constatering in doel. Innoveren werd geleidelijk een plicht, eerst voor producenten van technische goederen, later voor zo’n beetje elke organisatie. Dat ging zo ver dat de betekenis van innoveren hier en daar afgleed naar veranderen: als nieuw maar anders was dan was het ook beter. Recent speelde zo een discussie rond maatregelen die Nederland zou moeten nemen om de stijging van de zeespie-


gel het hoofd te kunnen bieden. Eén van de opties was vanzelfsprekend het verhogen van de dijken. Dat is helemaal niet zo’n gek idee, alleen: sommige bestuurders vonden dat ‘niet innovatief genoeg’. Tegen verandering van de betekenis van een woord is geen kruid gewassen. Dat gebeurt nu eenmaal. Daarom is het goed om de toepassing van het begrip ‘innovatie’ in verschillende NHL-verbanden te bekijken. Bij het lectoraat van Wierd Koops zit innovatie dicht bij klassieke technologische vernieuwing, met het onbemande schip dat hij wil ontwikkelen. Bij het begrip zorginnovatie is de essentie van vernieuwing dat diensten worden verbeterd, met behulp van technische middelen die in een andere context helemaal niet nieuw hoeven te zijn en via trainingsmethoden die verzorgenden beter voor hun taak toerusten. Bij het lectoraat van Johan Mekkes ligt het accent op het ontwikkelen van inzicht over het functioneren van ondernemingen. Voor Peter Joore is het openen van deuren tussen verschillende sectoren heel belangrijk, omdat daardoor de kans op het ontdekken van mogelijkheden tot vernieuwing en verbetering toeneemt, zoals het toerusten van bestaande middelen uit het ene werkveld, om ze geschikt te maken voor een andere functie. Zo kom je uit op drie mogelijke typerende objecten van innovatie: het product, de dienst en de organisatie. Met alle schakeringen daar tussenin.

22

‘Livability’, de Engelse vertaling van het begrip ‘leefbaarheid’ betekent, net als innovatie, tamelijk veel. Het Nederlandse woord raakte begin jaren ’70 in zwang als politieke factor. In menig Nederlandse gemeente voegt een lokale partij het woord ‘leefbaar’ toe aan de naam van de woonplaats, om iets herkenbaars op het verkiezingsaffiche te kunnen zetten. Zo’n partij suggereert zonder nadere precisering ‘leefbaar’ te zullen maken wat ‘onleefbaar’ is. Dat geeft aan dat ‘leefbaarheid’ geen gewoon woord is. Het heeft een hybride betekenis. Want het omschrijft een individueel acceptabele conditie als algemeen welzijnsverlangen. Het zegt enerzijds iets objectief meetbaars over de economische situatie waarin iemand zich bevindt (inkomen, sociale zekerheid), maar weerspiegelt anderzijds een gevoelsmatig gemiddelde van individuele waarderingen van de kwaliteit van een bepaalde leefomgeving. Daarnaast is het begrip rekbaar, afhankelijk van wie het erover heeft. Een termietenheuvel zal volgens de bioloog leefbaar zijn voor termieten. Maar 23


in de ogen van de ecoloog kan zelfs de ganse planeet Aarde leefbaar zijn voor al wat leeft, waarmee het thema milieubelasting als parameter van leefbaarheid in beeld komt. Dat het intuïtief positieve woord ‘leefbaarheid’ zoveel verschillende dingen kan betekenen biedt aan de NHL een mooie kans om er een invulling aan te geven die overeenstemt met het praktische streven in de onderzoeksgebieden die zich vanuit haar voorgeschiedenis aandienen. Het vormt als het ware een brug naar de toekomst. En dan is het gebruik van de Engelse vertaling ‘livability’, mede gezien de internationalisering van het hoger onderwijs, zo gek nog niet. Het thema dekt een breed scala aan te onderzoeken vraagstukken, van intermenselijk verkeer tot en met alle ingrepen waarmee mensen zich tegen de ongemakken van de wereld willen wapenen, alles wat we maken, bouwen en inrichten. Alle lectoraten laten zich onder het thema scharen, want via op ieders thema toegesneden onderzoek zijn facetten van livability te duiden, en wel op zo’n manier dat er praktisch op kan worden gereageerd. Voor de drie lectoraten op het gebied van zorg en welzijn (Ate Dijkstra, Jelle Drost, en Evelyn Finnema) betekent onderzoek naar livability vooral het besef kweken, documenteren, doceren en innoveren met het uiteindelijk doel kwetsbare groepen een normaal menswaardig bestaan te verschaffen. 24

Veiligheid is een rijk geschakeerd onderdeel van livability en in verschillende gedaanten terug te vinden. Bij cybersafety van Wouter Stol gaat het om veiligheid in de openbaarheid van het wereldwijde web, terwijl bij de lectoraten van Siemen Veenstra (‘drinkwater voor iedereen’), en Wierd Koops (‘schone waddenzee’) biologische veiligheid van drinkwater, voedsel en het milieu een belangrijk onderdeel van hun thematiek vormt, die ook in meer algemeen opzicht uiteindelijk betrekking heeft op leefbaarheid. Het lectoraat van Johan Mekkes, gaat over ondernemerschap en daarmee over economische ontwikkeling in de regio: ook leefbaarheid. En dan is het niet moeilijk te bedenken dat ook de lectoraten met een accent op het gebied van educatie, werkplekleren van Hans Hummel en Fries en tweetaligheid van Alex Riemersma, rechtstreeks te maken hebben met welzijn van docenten en studenten in allerhande leersituaties. Jongeren die leren moeten zich op hun gemak voelen en zich kunnen concentreren. ‘Creatieve technologie’ is dan steeds het instrument om de beoogde leefbaarheid te realiseren. Want de derde bepalende term van NHL onderzoek valt te interpreteren als de ontwikkeling van de middelen waarmee problemen (op het gebied van leefbaarheid) op te lossen zijn. ‘Creatieve technologie’ kan dan inhouden dat je apparatuur ontwikkelt om problemen op het gebied van 25


livability te lijf te gaan. Dat wil niet meteen zeggen dat sprake is van een technocratisch maakbaarheidsideaal. De zaak ligt iets genuanceerder. Voor onderzoek naar leefbaarheid moet soms een technisch hulpmiddel worden ontwikkeld, terwijl het oplossen van een probleem ook een kwestie van organisatie kan zijn. Vandaar dat het woord technologie enige opheldering behoeft. Van oorsprong betekent het, letterlijk vertaald uit klassiek Grieks, vervaardigingsleer. Je kunt bijvoorbeeld spreken van de rubbertechnologie als de verzameling van kennis over het maken van allerhande rubberen producten. Alleen, zoals het vaak gaat met woorden, is ook hier de betekenis van ‘technologie’ verschoven van ‘manieren om iets te produceren’ naar ‘intelligent technisch ding’. Wijzend op welk digitaal product dan ook, spreekt men van ‘this interesting piece of technology.’ Daarmee staat het woord technologie nu steevast voor geavanceerde elektronica en dat is al bijna hetzelfde als nieuwe media. En daarom gaat het bij de NHL. De tweede opheldering betreft de manier waarop het woord creatief is ingezet, want technologieën of media kunnen zelf niet creatief zijn. Wel zal in het ontwerp ervan scheppend vermogen zijn geïnvesteerd, maar de bedoeling in dit verband is dat je nieuwe media op allerlei manieren onder uiteenlopende inhoudelijke condities creatief kunt inzetten en met veranderingen kunt laten meegroeien. Daarmee tekent creatieve technologie, of ‘creative technology’ zich af als ontwikkelingsthema, naast livability als

voorwerp van onderzoek. Nieuwe media hebben een geweldig potentieel om processen op het gebied van communicatie, onderzoek, organisatie, leerprocessen, verzorging en meer, intelligent te ondersteunen. Alle lectoraten van de NHL hebben op dit gebied interessante initiatieven ontplooid, van een systeem om verzorgenden hun cliënten beter te leren begrijpen, tot een spel over watermanagement, tot apparatuur om moleculen te detecteren. Samen vormen ze een aanzet tot een aanzienlijk

26

27

ontwikkelingsgebied dat alle functionele processen van communicatie, representatie, simulatie en besturing beslaat. De NHL kan aan de ontwikkeling van praktijkgerichte toepassing van nieuwe media een belangrijke bijdrage leveren.


Blijkbaar bestaat er samenhang tussen de lectoraten ondanks dat ze inhoudelijk sterk verschillen. Daaruit kun je afleiden dat ze dan ook op een bepaalde manier, of misschien wel meer manieren zijn te ordenen. Naast de ‘oude’ ordening volgens de oorspronkelijke organisatorische indeling techniek, management, zorg en educatie, staat de ‘nieuwe’ ordening met de ingrediënten innovatie, creatieve technologie en leefbaarheid waarvan elk lectoraat een specifiek recept kent. Vanuit de gedachte dat de lectoren allemaal gereedschap ontwikkelen voor dezelfde (digitale) werkplaats, waarvan niemand nu nog maar bij benadering kan aangeven hoe uitgebreid hij ooit zal zijn, is het een uitdaging om te zoeken naar nog meer gebieden van samenhang en synergie, waarin elk lectoraat zijn plaats inneemt, met de kanttekening dat een formele clustering nooit echt sluitend te maken is. Lectoren hebben nu eenmaal verschillende persoonlijkheden, met verschillende benaderingen in verschillende praktijksituaties. Met één rigide indelingsprincipe zullen er altijd lectoraten uit boten vallen. Daarom zijn er meer nodig. Samen geven ze het beeld reliëf. Laten we daarom een poging wagen.

maar de methoden zijn verwant. Het cybercrimeonderzoek van Wouter Stol is een vorm van sociologie. Je zou het met wat goede wil ook een soort screening kunnen noemen, maar dan van groepen mensen. Het is hoe dan ook een vergelijkbare vorm van onderzoek. Drie andere lectoren zien voor hun vak training als belangrijkste toepassing, Hans Hummel vanzelfsprekend, want hij is erin gespecialiseerd, maar Margo Brouns en Siemen Veenstra hebben op heel verschillende manieren ook media ingezet om mensen spelenderwijs een vak te leren. Het thema ‘serious games’ dient zich onontkoombaar aan. Tenslotte zijn er tot nu toe twee lectoren met een meer technische oriëntatie. Voor Wierd Koops is de inzet van digitale media bedoeld voor het element van besturing op afstand, dat ongemerkt al heel dichtbij games zit. Peter Joore heeft bij TNO gewerkt aan de ontwikkeling van verschillende sociotechnische toepassingen en kan de samenhang verder ruimte geven. Want het aardige is dat er langs deze weg bijna ongemerkt een verband tussen de lectoraten tot stand komt.

Een van de mogelijke ordeningsprincipes gaat uit van een soort instrumentele clustering. Zo zijn er drie lectoren die werken aan vormen van screening, het in kaart brengen van menselijke hoedanigheden: Ate Dijkstra, Jelle Drost en Johan Mekkes. Hun thematiek is heel verschillend,

Een tweede mogelijke ordening is die op basis van inhoudelijke samenhang. Ze lijkt voor de hand te liggen, maar biedt in de praktijk weinig houvast. Zo is bijvoorbeeld veiligheid een onderdeel van het werk van Wierd Koops, vanwege giframpen op zee, en ook Wouter Stol beweegt zich op dat terrein, maar dan omdat het over crimineel gedrag gaat. Het heeft wel allebei iets met veiligheid,

28

29


maar toch op heel verschillende manieren. Een ander inhoudelijk aspect is bijvoorbeeld de zorg. Met alle verschillen binnen het vakgebied, aangezien de nadruk bij Jelle Drost ligt bij licht verstandelijk beperkten, terwijl Evelyn Finnema zich in meer algemene zin richt op een menswaardig bestaan voor kwetsbare ouderen. Een inhoudelijke ordening rond het thema water zou ook kunnen. Maar Siemen Veenstra geeft al aan dat het bij zijn onderzoek om iets anders gaat dan zijn voorganger. Inhoudelijke clustering werkt dus zeker verhelderend, maar dan vooral omdat dit verschillen blootlegt tussen specialismen die op het eerste gezicht dicht bij elkaar liggen. Een derde mogelijke manier het onderzoek geordend zou kunnen worden betreft het niveau van universele toepasbaarheid waarop de lector werkt. De ene is specialist in vakinhoudelijke informatie, zoals Wierd Koops die van de hoed en de rand van giframpen op zee weet. Iemand uit de zorg heeft daar niets aan, al kan het weer wel zo zijn dat er analogieën te herkennen zijn. Dat is meer een kwestie van een ‘open mind’ dan van sturing. De andere specialist weet veel van algemene processen, zoals Hans Hummel die precies begrijpt hoe leren werkt, Johan Mekkes die alles kan vertellen over ondernemerschap en Alex Riemersma die thuis is in tweetaligheid, een terrein dat zich door internationalisering snel uitbreidt. Zo’n type lector heeft inhoudelijk een en ander 30

te melden aan zijn meer vakspecialistisch georiënteerde collega’s. Het levert ook een selectieoverweging op voor nieuwe lectoren in relatie tot de bestaande groep: is het een vakspecialist of hebben alle lectoraten er baat bij? Een meer filosofisch georiënteerd indelingsprincipe heeft betrekking op de evolutie van technologie, die steeds meer teweegbrengt en tegelijkertijd zelf geleidelijk naar de achtergrond verdwijnt. Je kunt het ook zien als techniek die steeds meer alleen maar een middel wordt. Bij leerprocessen of games is de techniek al bijna onzichtbaar geworden omdat ze alleen nog bestaat in processen op nanoschaal. Als NHL zou je in theorie op zulke gronden een beleidsrichting voor onderzoek kunnen overwegen: bijvoorbeeld alleen maar onderzoek op gebieden waar de techniek onzichtbaar geworden is. Het lijkt er op dat de beste manier om een compleet beeld te ontwikkelen is om niet al te geforceerd naast elkaar verschillende indelingsprincipes te hanteren. Tenslotte komt de samenhang uiteindelijk neer op het minst als zodanig uitgesproken en tegelijk meest opvallende kenmerk van onderzoek bij een hogere beroepsopleiding (het is geen aan de NHL voorbehouden kwestie): er zijn namelijk lectoraten met onderzoekprojecten en er is de hogeschool met haar onderwijsproces. Het is misschien vreemd het in dit verband te noemen, maar het lastige gevecht om projecten in het onderwijsprogramma 31


in te passen schept een band tussen de lectoren. In zekere zin weten ze zich buitenstaander en zijn het lotgenoten. Alleen al het verschil met onderwijs maakt in zekere zin een geheel van het onderzoek. In het verlengde hiervan zijn er in administratief opzicht en in termen van organisatie natuurlijk andere overeenkomsten tussen de lectoraten. Zeker aan het begin van zijn of haar termijn heeft een lector ondersteuning nodig van collega’s en de hogeschool om de weg te leren kennen. Een beginnend lector wil bijvoorbeeld antwoord op de vraag hoe docenten en studenten kunnen worden betrokken bij het onderzoek en zij of hij moet uitvinden waar er financiële middelen voor projecten te vinden zijn. Er zijn in theorie en in gradaties van speelsheid nog veel meer indelingsprincipes aan te geven, maar uiteindelijk kom je terug bij het pragmatisme van mensen die, veelal in deeltijd, in dezelfde instelling werken en elkaar niet dagelijks zien. Ze hebben verschillende persoonlijkheden en mentaliteiten. Dat betekent dat er spontaan samenwerkingsprojecten kunnen ontstaan tussen lectoren die zich inhoudelijk op verschillende terreinen begeven, maar toevallig wel een generalistische inslag hebben. Daarnaast kunnen ook indirect verbanden ontstaan, omdat de één iemand in zijn of haar netwerk heeft waar de ander naar op zoek is. Lectoren brengen de buitenwereld naar binnen voor studenten. Ze kunnen andere werelden introduceren bij docenten en collega lectoren. Dat schept nieuwe kansen, en inspiratie voor de toekomst.

De vooruitzichten voor verrijking en groei van onderzoek zijn gunstig. In de eerste plaats staat de waarde van vaardigheid in het stellen van vragen en een reflectieve mentaliteit bepaald niet ter discussie. Onderwijs vaart wel bij onderzoek. En dat blijft niet bij de lectoraten die nu, soms al jaren en soms pas enkele weken, op gang zijn. Er is een aantal nieuwe op komst, onder meer in de sfeer van techniek. Het belangrijkste daarvan ligt rechtstreeks in het verlengde van het zich aftekenende gemeenschappelijk instrumentarium van de lectoraten. Het is de meest omvattende vorm van datgene wat bij de NHL onder creative technology wordt verstaan. Het gebied is eerder genoemd: serious games, de praktijkgerichte inzet van nieuwe media. Je kunt je afvragen of gangbare computerspelen er als ‘ironic games’ buiten moeten vallen, omdat met computerspellen talloze mensen hun brood verdienen, inclusief professionele spelers. De game-industrie levert van oudsher praktisch bruikbare metaforen die voor onderzoek inzetbaar zijn. Soms zijn spel en werkelijkheid zelfs nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden. Bij serious games heeft het spel van oorsprong meer te maken met simulatie. Daarnaast laat het zich gemakkelijk uitbreiden tot praktische toepassingen van media op alle mogelijke terreinen van onderzoek. En waarom zou energie als thema daar niet ook onder kunnen vallen. Onder het label duurzaamheid is onderzoek naar omzetting en opwekking van energie waarbij verbranding geen rol meer hoeft te spelen sterk

32

33


in opkomst. In dit tijdsgewricht zijn zonne-energie en windenergie in de media zelfs bijna synoniem met duurzaamheid. Daarbij zou je haast vergeten dat duurzame kwaliteit van leven ook met andere zaken te maken heeft, zoals gezondheid en voedselkwaliteit. Niettemin is er zoveel gaande in de praktijk van de ontwikkeling van het omzetten van energie uit gedaantes die van nature toch al beschikbaar zijn, zoals zonlicht en windkracht, dat de NHL daar een eigen bijdrage aan zou moeten leveren. Ook daar zijn twee lectoraten in de maak.

testament zeker te stellen. Er zijn er die docenten enthousiast weten te maken om het gestarte onderzoek voort te zetten. Dat is er ĂŠĂŠn. Lectoren kunnen ook onderwijsmodules opzetten om te zorgen dat jaar na jaar studenten voordeel blijven hebben van de ingebrachte kennis. De meeste ontwikkelen dan ook een minor, een korte multidisciplinaire cursus. Een andere manier is om grote projecten op touw te zetten, waar na het vertrek van de lector nog vele jaren werk aan zit. Publiceren werkt ook. En het mag zeker niet worden vergeten dat een lector contacten met bedrijven en instellingen inbrengt die blijvend kunnen zijn en voortdurend betrokkenheid zullen vragen. In de toekomst zal het onderzoek zich via deze erfenis duidelijker gaan aftekenen, mits het uitgebreid en intelligent in al zijn facetten wordt gedocumenteerd en toegankelijk gemaakt. De praktische aard van het onderzoek is nieuw en voor de komende jaren veelbelovend. Maar de toekomst van het onderzoek aan de NHL kan niet zonder een goed gedocumenteerde geschiedenis.

NHL-onderzoek bestaat nu en groeit gestaag. De derde generatie lectoren is aan het werk. Allemaal begrijpen ze dat het essentieel is dat hun meestal vierjarige aanstelling een blijvend effect moet hebben. Lectoren hanteren verschillende methoden om hun professionele 34

35


Lectoren en hun lectoraten


Alledaagse misdaad Lectoraat Cybersafety

38

39


Alledaagse misdaad Wouter Stol

Ze maken foto’s en zetten ze voor de gein op het net

‘Criminaliteit op Internet wordt steeds democratischer’, zegt Wouter Stol. Hij is NHL’s lector Cybersafety en doet, als enige in zijn tweede termijn, onderzoek naar de veiligheid van de virtuele wereld die we allemaal denken te kennen via dagelijks gesurf. Maar hij geeft het gang bare beeld een heel ander perspectief: ‘Zoiets als hacken is niet meer het werk van specialisten. Mijn zoontje van elf kan het ook. Iedereen heeft elke dag op de één of andere manier met cybercrime te maken, vaak ongemerkt. Wat er dan precies allemaal gebeurt en wat de trends zijn? Dat is echt nog steeds een volkomen braakliggend terrein. De overheid weet daardoor niet hoe ze ermee om moet gaan. In mijn onderzoek probeer ik er vat op te krijgen door voor het eerst een aantal facetten in zijn volle omvang in kaart te brengen en te volgen in de tijd.’ In de achtergrond van Wouter Stol gaat een zeldzame combinatie van interesses schuil. Hij is en socioloog, en tegelijk van oudsher thuis in ICT. Stol is politiechef geweest en nu programmaleider onderzoek bij de Politieacademie in Apeldoorn. Gedurende de eerste vier jaar bij de NHL heeft hij zich beziggehouden met algemeen onderzoek naar veiligheid, maar: ‘Al doende werden we een schreeuw om kennis gewaar over alles wat zich op 41


criminologisch gebied afspeelt in de praktijk van Internetgebruik. En dat houdt rechtstreeks verband met de samenhang tussen leefbaarheid en technologie, waarop de NHL zich wil richten. Het is een breed terrein met een grote behoefte aan nieuw feitenmateriaal. Er was bijvoorbeeld nog nooit slachtofferonderzoek gedaan. Dat was al een signaal. Dus de combinatie van veiligheid en ICT leende zich heel goed als aandachtspunt voor minstens nog vier jaar na de eerste termijn. We zijn nu aan de slag met een bevolkingsonderzoek, om eerst maar eens het veld helemaal in kaart te brengen.’

Als criminoloog moet je meedenken. Maar het onderzoek is er toch vooral op gericht erachter te komen hoe iets gaat en hoe vaak dat gebeurt. De tweede onderzoekslijn gaat over bedrijven. Daaraan werken we nog niet intensief. Het is een weerbarstig thema. Bedrijven staan zelf hun mannetje. Tegelijk hangen ze niet graag de vuile was buiten.’

Verrassing

Wouter Stol heeft drie hoofdlijnen gedefinieerd: ‘De eerste is ‘trends in cybercrime’. Het lastigste van dit thema is dat mensen vaak niet weten dat ze slachtoffer zijn, als iemand bijvoorbeeld stiekem hun computer gebruikt voor dingen die niet mogen. Daaraan zitten technische kanten, en juridische. Dat tweede aspect ijlt na. Wetten veranderen geleidelijk, na incidenten in nieuwe vormen van criminaliteit. Het leuke is dat het hele gebied ook nog eens aan mode onderhevig is. Dat vereist inlevingsvermogen.

De derde lijn van onderzoek betreft jeugd en veiligheid in de digitale wereld. Stol vervolgt: ‘Bij het inventariseren van computercriminaliteit onder jongeren – wat ze zoal op het web tegenkomen, en de streken die ze zelf uithalen – vinden we fenomenen die nu vrij bekend zijn, zoals dat kinderen elkaar pesten via mobieltjes en email en dat ze verslaafd zijn aan MSN, Facebook, of andere sociale netwerken, of aan games. Daarnaast – en dat is minder bekend – heb je ook bij de jeugd het gebied van cybercrime en sexualiteit. In hun naïviteit blijken jongeren zelf kinderporno te produceren. Ze maken foto’s en zetten ze voor de gein op het net. Jongeren kijken daar veel laconieker tegenaan dan volwassenen en halen er soms zelfs hun schouders over op. De ontvankelijkheid is bij elk kind anders. Leeftijdsverschillen spelen mee en of het om jongens gaat of om meisjes. Ook hier geldt: we weten dat dit soort dingen voorkomt, maar er is gewoon niet bekend hoe vaak.’

42

43

Mensen weten vaak niet dat ze slachtoffer zijn


‘De verrassing van het onderzoek is eigenlijk dat alledaags internetgebruik blijkbaar gepaard gaat met alledaags misbruik van het web. De crimineel die de voorpagina’s van kranten haalt door de gegevens van miljoenen credit cards te stelen, is een uitzondering. Er zijn natuurlijk van zulke specialisten, maar net als in het gewone leven gaat het bij cybercrime meestal om kleine vergrijpen en agressie tussen mensen die elkaar kennen, zoals een vrouw die de website van haar ex overhoop haalt. Burenruzie, echtscheiding: het lijkt bijna wel gewone criminaliteit.’

dit soort vergrijpen bestaat. In dit opzicht lopen politie en justitie erg achter. En dat weten ze ook. Het is natuurlijk een generatiekwestie. Veel mensen bij de politie zijn boven de veertig. Die moeten versneld een achterstand wegwerken. Daaraan kunnen wij met het onderzoek bij de NHL een bijdrage leveren.’

Bijblijven

‘Dat heeft ook consequenties voor behandeling door de overheid. Kijk, justitie gaat natuurlijk achter internationale bendes aan die mensen met email miljoenen uit de zak weten te typen. Tegelijk moet de alledaagsheid van de onveiligheid nog tot de praktijk doordringen. Elke agent en elke balie van elk wijkbureau moet weten dat

‘We hebben op de hogeschool nu een minor Cybersafety. Die loopt goed. Daarmee is nog niet gezegd dat het onderwerp in de NHL doorwerkt. Het moet als het ware in je personeel gaan zitten. Een leerbedrijf veranderen in een kennisinstelling is een kwestie van lange adem. Onderwijs, onderzoek en praktijk moeten elkaar voeden. Er zijn lectoren na hun termijn gestopt. Dat is jammer, want dan zakt de inhoud weer weg.’ ‘De confrontatie van onderwijs met de praktijk was er al, via stageplaatsen. De meerwaarde van lectoraten is dat je aan een onderzoekende houding bijdraagt. Je werkt aan een ander soort professional, iemand die op de hoogte wil blijven, kritisch blijft op de inhoud van zijn eigen vak en confrontaties durft aan te gaan. Dan lever je als opleiding echt een kenniswerker. Vroeger deed je een extra cursus; nu leer je op de hogeschool hoe je jezelf kunt blijven bijspijkeren. Dat is competentie: de mindset tot meedenken die de lectoraten samen moeten stimuleren.’

44

45

De verrassing is dat alledaags internetgebruik gepaard gaat met alledaags misbruik van het web


Voor Wouter Stol ligt bij eventuele samenwerking met collega’s de nadruk niet op de vakinhoud: ‘Er zijn natuurlijk informele contacten en er is overleg, maar dat gaat toch vooral over organisatorische zaken, de onderlinge afstemming van onderwijs en onderzoek, geldstromen. Er is wel inhoudelijk overleg met de Internet Academie en met externe partijen, zoals, politiekorpsen, ministeries, het bedrijfsleven en andere onderzoekers. Want cybersafety heeft met verschillende specialismen te maken: techniek, recht, veiligheidskunde, criminologie. Dat zijn onderwerpen die passen bij de vragen die ik krijg uit de praktijk. De richting van het onderzoek dat ik doe komt daaruit voort. Ik kan me voorstellen dat een andere lector met een vraag op criminologisch gebied bij me komt. Iedereen heeft per slot van rekening met cybercrime te maken. Als dat op mijn weg ligt kan ik antwoorden vinden, maar als zo’n vraag over een ander type misdrijf gaat, bijvoorbeeld corruptie, ben ik daar niet in thuis. Dan weet ik misschien iemand anders.’

46


Waterpret Lectoraat Water Services Management

48

49


Waterpret Siemen Veenstra

Vergrijzing bedreigt onze drinkwatervoorziening

‘Studenten wil ik helemaal dolenthousiast maken voor waterstudies’ zegt Siemen Veenstra. Hij is weliswaar lector watermanagement bij de NHL, maar dan nog lijkt zo’n vurige uitspraak over water een tikje overdreven. Niettemin komen de woorden voort uit een reëel gevoel van urgentie. Na het sporten even aan de kraan hangen en een douche nemen: 24 uur per dag voldoende schoon drinkwater is zo doodgewoon, dat niemand erbij stilstaat wat daar aan organisatie en inspanning achter zit: Hierdoor is er te weinig aanwas van goed specialistisch geschoold personeel. En in de toekomst is dat hard nodig, want de vergrijzing bedreigt onze drinkwatervoorziening. Wereldwijd is het probleem nog groter. Door bevolkingsgroei, industrialisatie, belangenconflicten en toenemende milieuproblematiek wordt het wereldwijd een harde strijd om iedere wereldburger voldoende schoon drinkwater te kunnen garanderen. De NHL heeft alle vakken in huis om aan het beslechten daarvan een nuttige bijdrage te kunnen leveren. Zelf werd Veenstra vroeg gegrepen door het thema ‘water’, al drong niet direct tot hem door dat het later zijn beroep zou worden. Hij zag in zijn tienerjaren een televisiespotje van Unicef over kinderen en drinkwater. ‘Daar 51


kreeg ik meteen een warm gevoel bij. Maar goed, ik ging eerst in Wageningen studeren, want ik wilde iets met milieutechnologie. Na mijn vervangende dienstplicht ging ik werken voor Unesco-IHE in Delft op het gebied van sanitatie en afvalwater. Dat heb ik vijftien jaar gedaan. Heel veel in het buitenland gewerkt. In die tijd geloofde ik nog dat je met boeken, praten en doceren de wereld kon veranderen. Dat idee verdween geleidelijk naar de

Gamen is heel erg leuk om te doen en tegelijk een krachtig leerinstrument

maar dat wil nog niet zeggen dat alle betrokkenen het zonder meer accepteren. Er is een groot verschil tussen gelijk hebben en gelijk krijgen. En uit de boeken weet je: alle verandering roept weerstand op. Ik heb te weinig zitvlees om te wachten op de onvermijdelijke totstandkoming van een publiek uitvoeringsorgaan in de waterketen, dat innovatie stimuleert en de groeiende schaarste aan waterdeskundigen helpt op te lossen.’

Gamen

achtergrond en ik ontdekte dat in de praktijk de echte klus geklaard wordt. Ik ging aan de slag bij Vitens, het grootste Nederlandse drinkwaterbedrijf en richtte me daar op de samenhang in de waterketen. Het bleek dat daarin nog heel wat te verbeteren valt. Concreet: het zou haalbaar moeten zijn om, door het ongedaan maken van de organisatorische verbrokkeling, structureel per jaar een half miljard euro te besparen. Alleen, om dat echt voor elkaar te krijgen, dat is politiek met grote P. Er zijn allerlei organisatorische belangen die het publieke belang in de keten belemmeren. Je verhaal kan kloppen,

Nu werkt de lector watermanagement dus voor Vitens, dat is ontstaan uit drie Nederlandse waterleidingbedrijven, maar dat zich enkele jaren geleden als nieuw drinkwaterbedrijf ook ging profileren over de grens, in het bijzonder in minder vermogende landen, omdat daar de kennis op het gebied van techniek en beheer vaak ontbreekt. Sinds 2006 gebeurt dat onder de vlag Vitens Evides International, een bundeling van de twee grootste waterleidingbedrijven van Nederland. Siemen Veenstra: ‘We doen deze projecten vooral met externe financiering. Momenteel helpen we per klant in Nederland drie mensen in ontwikkelingslanden aan betrouwbaar drinkwater. Met maar één procent van onze omzet. We werken vooral in stedelijke gebieden en niet op het platteland want daar ligt onze kracht niet. Van handpompen weten we weinig. Via ons Ministerie Ontwikkelingssamenwerking

52

53


kwamen we al snel in Mozambique, een arm land, in opbouw na jaren van burgeroorlog. Via onze Ambassade aldaar kwamen we vervolgens ook in Jemen terecht. Zo opportunistisch ging dat. In Ghana concurreerden we voor het eerst tegen private ondernemingen uit Frankrijk en Engeland. Totaal onverwacht wonnen we dat: 5 jaar lang alle steden van Ghana aansturen. Nu werken we daarnaast ook in Mongolië, Vietnam, Suriname, en recentelijk Malawi, waarbij we als sturende kracht tussen gezondheidsorganisatie Simavi en het ingenieursbureau DHV inzitten. De doelstellingen zijn steevast bedrijfsmatig: schoner drinkwater, minder lekverliezen en efficiënter werken. Alle competenties die hiervoor nodig zijn vind je bij de NHL: bestuurskunde, bedrijfskunde en techniek.’ Veenstra vervolgt: ‘Enig cultuurrelativisme is bij dit werk soms op zijn plaats. Corruptie werkt in Nederland verlammend, maar elders kan het soms niet zonder.’ Dat kan dan wel tot spanningen leiden. De lector werkte met studenten bedrijfseconomie in Jemen. ‘Ze analyseerden de boeken en haalden alles wat niet klopte boven water. Heel basaal onderzoek. Maar uiteindelijk werd hierdoor de baas ontmaskerd. Zonder studenten was dit onderzoek nooit gebeurd, omdat er geen geld voor is. Tegelijk geeft het voorbeeld aan dat het echt geen spelletje is: we positioneren studenten dan ook vaak als research fellows. Er wordt serieuze inzet verwacht.’ Recentelijk heeft Veenstra aansluiting gezocht bij een populaire NHL studie: Game Design. Gamen is heel erg leuk

om te doen en tegelijk een krachtig leerinstrument: ‘Samen zijn we nu bezig het management van een waterbedrijf te simuleren in een computerspel. Ik weet zeker dat onze managers van Vitens er ook baat bij kunnen hebben. De studenten zijn laaiend enthousiast: ze zijn zelfs in de vakantie doorgegaan.’ De lector betreurt dat studenten nog niet echt gegrepen zijn door het idee van de inrichting van de duurzame stad van de toekomst. Vooral in ontwikkelingslanden heb je grote problemen: ‘Het kunnen ontwerpen en beheren van netwerken voor water, stroom, gas, riolering en telecom is een garantie voor een goede baan.’

54

55

Lange lijnen Siemen Veenstra heeft er plezier in studenten enthousiast te maken. Hetzelfde geldt voor docenten natuurlijk: ‘Een docent die weet waarover ie het heeft en zelfvertrouwen en plezier uitstraalt, maakt dat er wat gaat bloeien. En daar vallen studenten voor. De NHL moet docenten nadrukkelijker de ruimte geven zichzelf te ontwikkelen. Daarom ga ik docenten verleiden om zich meer te verdiepen in de praktijk, door ze uit te nodigen bij Vitens of op een van de projecten in het buitenland. Alleen via docenten kun je inhoudelijk enige continuïteit waarborgen bij de NHL, want het lectoraat op zich heeft maar een beperkte levensduur.’


‘Er zijn nu vier docenten die gegrepen door de thematiek. Met hen moet de NHL langere lijnen kunnen uitzetten en dan is die afgesproken termijn van vier jaar onhandig. De Kenniskring is mijn enige duurzame nalatenschap aan de NHL. Als je als lector iets wilt laten beklijven, investeer dan vooral in je kenniskring.’

Momenteel helpen we per klant in Nederland drie mensen in ontwikkelingslanden aan betrouwbaar drinkwater

Veenstra vindt dat de lectoren goed onderling contact hebben, soms om frustraties te delen en maar vooral om verbinding te zoeken: ‘Het is een gesprokkelde verzameling individuen met hoge verwachtingen. De onderwerpen van de lectoraten lopen sterk uiteen, maar niets staat in de weg om er uiteindelijk een samenhang tussen te laten ontstaan. Gelukkig dat we tenminste eens per kwartaal bij elkaar komen om te leren en te zoeken naar verbinding.’

Het karakter van het onderzoek zou volgens Veenstra ook moeten passen bij de praktijkoriëntatie van een hogeschool: ‘Dat is precies de reden waarom Vitens naar de NHL is gestapt. De studenten moeten in de eerste plaats een vak leren. Het gaat erom dat je na de opleiding iets goed kunt. Dat is al moeilijk genoeg. Soms merk ik dat basaal inzicht ontbreekt. De moderne leeromgeving is zo snel en vol met prikkels dat er wel eens een steekje valt. Dat kan later heel pijnlijk naar voren komen als mensen echte verantwoordelijkheid krijgen.’ 56

57


Hogere ondernemologie Lectoraat Ondernemerschap en Risicofinanciering

58

59


Hogere ondernemologie Johan Mekkes

Zakelijke omstandigheden zijn als het weer: op niet al te lange termijn zijn ze redelijk goed te overzien

Goed draaien. Dat is het woordenpaar bij uitstek om te zeggen wat het specialisme van Johan Mekkes behelst. Als weinig anderen kan hij doorzien in welke opzichten een ondernemer verstandig bezig is en in wat voor dingen zij of hij juist minder handig opereert. Hij kent de achtergronden van haver tot gort. Mensen met een eigen bedrijf, of plannen in die richting, kunnen daarvan leren. Maar inzicht in functioneren biedt ook voordeel aan veel anderen. Neem bestuurders. Of kijk naar andere lectoren. Zij zijn in zekere zin ook ondernemers. En laten we docenten en studenten niet vergeten. Mekkes is lector ‘Ondernemerschap en Risicofinanciering’. Dat thema is samen met de NHL en de NOM bedacht omdat in (Noord-)Nederland ondernemers met (snelle) groeiambitie relatief schaars zijn in vergelijking met andere landen: ‘Van de meeste starters valt geen groei te verwachten en er zijn ook betrekkelijk weinig bestaande ondernemingen die snel uitdijen. De vraag is waarin hem dat zit. Er zijn in ons land natuurlijk de bekende bottlenecks. Financiering is moeilijk rond te krijgen, of je kunt geen goede mensen vinden. Dat kennen we. Maar het kan ook een kwestie van psychologie zijn, bijvoorbeeld dat iemand geen stoute schoenen heeft om aan te trekken. Bij mijn promotieonderzoek heb ik een psycholo61


gisch-economisch model ontwikkeld. Dat gebruik ik nu als uitgangspunt voor het lectoraat.’ Johan Mekkes voltooide een executive MBA opleiding bij de Universiteit Twente en promoveerde aansluitend bij de faculteit Technologie & Management van die universiteit. Ondernemerschap is geen vanzelfsprekend onderwerp voor een dissertatie. ‘Wetenschappelijk zitten er’, zoals hij zelf zegt, ‘nogal wat haken en ogen aan.’ Niettemin lag daar zijn interesse, vanwege de tegenstrijdigheden die hij had ervaren bij zijn sturende functies in de elektronische en medische industrie en zijn werk als Investment

We zijn allemaal elke dag aan het ondernemen

ken verhelderend. Een ongepolijst voorbeeld: als er te weinig geld is om personeel te betalen (operational cash flow), kun je dat economisch proberen te beredeneren, maar het zou wel eens zo kunnen zijn dat de ondernemer zijn eigen kunnen overschat (perception of own relevant skills) en er eigenlijk iemand bij zou moeten halen. Dan moet je wel eerlijk zijn tegen jezelf. Dit soort inzicht reikt verder dan je op het eerste gezicht zou denken. ‘Want’, zegt de lector, ‘we zijn allemaal elke dag aan het ondernemen. De vraag is alleen in welke mate. Een zelfstandige zonder personeel neemt alleen risico voor zichzelf. Niet iedereen kan de onzekerheid hanteren van de grotere operationele verplichtingen die je hebt als er mensen van je afhankelijk zijn. Het economisch prestatiedeel van het model kan in een spreadsheetvorm worden weergegeven. Je kunt er verschillende scenario’s in uitzetten. Daardoor heeft het enige voorspellende kracht. Want zakelijke omstandigheden zijn als het weer. Op niet al te lange termijn zijn ze redelijk goed te overzien.

Manager. Hij stelde onderzoekvragen op over de samenhang tussen economische en psychologische factoren om het ondernemen te doorgronden. En dat bracht hem uiteindelijk op het genoemde schematische model. Het geeft een overzichtelijk beeld van de samenhang tussen de menselijke kwaliteiten van ondernemers en de zakelijke verschijnselen die in elke onderneming te vinden zijn. Het benoemen van die factoren en het verbeelden van hun onderlinge afhankelijkheid werken uitgespro-

Mekkes werkt bij de NV NOM Investerings- en Ontwikkelings-maatschappij voor Noord-Nederland. Het lectoraat personifieert de samenwerking van deze organisatie met de NHL. De lector legt uit hoe hij dat tot nu toe heeft ervaren: ‘Zo’n lectoraat wordt aan de hogeschool geplakt.

62

63

Muntjes


Ze zeggen: wat jij doet past bij ons. Dat is niet zoals het bij een docent gaat. Als lector ben je medewerker, maar tegelijk gast. Er zijn formele afspraken die bij elke lector anders zijn, over de verdeling van de (intellectuele) buit, zal ik maar zeggen. Contacten met het College van Bestuur zijn verder vrij informeel. Dan is er je kenniskring. Voor de docenten die daaraan deelnemen wordt tijd afgeboekt en dat bepaalt hun beschikbaarheid. Daarmee hebben docenten impliciet verschillende motivatiepetten op: Willen, Moeten en Kunnen. Binnen die mogelijkheden moet je leren manoeuvreren.’

Geef elke student met een stageplek gewoon zo’n vragenlijst mee

mingssituatie hun eigen visie ontwikkelen en de daaraan verbonden consequenties gestructureerd uitwerken en verdedigen. Er is natuurlijk niet één juiste visie, maar het gaat erom dat ze in de vingers krijgen waarover het gaat. Ook zijn er andersoortige onderwijsprojecten waarbij docenten hun studenten een onderzoeksopdracht geven. Studenten presenteren de resultaten bij de kenniskring en krijgen meteen feedback. Voor studenten is dat een extraatje: dan vallen er muntjes.’ Toegepast wetenschappelijk onderzoek wordt momenteel vanuit het lectoraat gedaan naar de groeiambitie van de toeristische sector in Noord-Nederland. En dan gaat het mij niet speciaal om die sector, maar om het ondernemen. Later kunnen we dan een andere sector doen en dan kun je gaan vergelijken.’

Doorgeven

Het hoofdonderzoeksthema van het lectoraat berust op vier deel onderzoekvragen betreffende continuïteit en groei van MKB ondernemingen. Daarnaast is Johan Mekkes met zijn kenniskring bezig met het ontwikkelen van onderwijs. ‘Eén wolk is dat we bezig zijn met het opzetten van een internationale minor. Studenten krijgen een concrete taakopdracht. Ze moeten op basis van een gegeven onderne-

‘Nog een andere wolk: Docenten doen samen met studenten een enquête bij verschillende bedrijven. Ze brengen daarbij verschillen en overeenkomsten in kaart. Een voorbeeld van een onderwerp is – om één van die vier basisonderzoeksvragen van het lectoraat bij de kop te pakken – hoe gaat de onderneming te werk bij de overgang van werken om te overleven naar werken om structureel te groeien. Bij zo’n project kun je docenten een klein budget geven, zodat ze met de studenten ook zelf kun-

64

65


nen ervaren wat voor keuzes je moet maken. ‘ Er heeft in de eerste helft van 2009 een dergelijk kleinschalig onderzoek plaatsgevonden. Onder begeleiding van psychologe Marleen Griep hebben vier studenten zes ondernemers geïnterviewd over de redenen van hun succes. Daaruit komt al het een en ander naar voren van persoonlijkheidskenmerken die succes bevorderen, zoals durf, deskundigheid en pragmatisme. Dat zijn nog geen schokkende inzichten, maar Mekkes borduurt hierop voort: ‘Het mooie van dit type onderzoek is dat je eindeloos gegevens kunt blijven verzamelen die het beeld steeds verder verfijnen en ook veranderingen in de tijd zichtbaar maken. Geef elke student met een stageplek gewoon zo’n vragenlijst mee. Als je dat structureel doet bouwt de NHL in jaren een zeer uitgebreide kennisbasis op. En dat werk is niet meer afhankelijk van één bepaalde lector. Het is een manier om te zorgen dat de hogeschool op het gebied van ondernemerschap expertise ontwikkelt. En blijft ontwikkelen.’ Inzicht in het eigen ondernemerschap heeft betrekking op de manier van werken. Daarmee ontstijgt het vakinhoudelijke thema’s en kunnen alle lectoraten er baat bij hebben. Het zaadje hoeft maar één keer te worden geplant. En hoe zorgt Johan Mekkes verder dat zijn werk na vier jaar beklijft? ‘Een kwestie van mijn opvolger inwerken.’

66


Duurzaam zeegebruik Lectoraat Maritiem, Marien Milieu en Veiligheidsmanagement

68

69


Duurzaam zeegebruik Wierd Koops

De tijd is rijp voor de ontwikkeling van een onbemand chemicaliënbestrijdingsvaartuig

In 1967 vond de eerste grote olieramp plaats. De supertanker Torey Canyon verging voor de kust van Cornwall. De reactie daarop, met een bombardement en een poging de ruwe olie weg te halen met giftige dispergeermiddelen was destijds inadequaat. Dat weten we nu. Bestrijding en preventie van calamiteiten op zee is een tamelijk jong vakgebied. Wierd Koops is één van de weinigen op deze wereld die in chemicaliënbestrijding op het water is gespecialiseerd. Hij werkte bij Rijkswaterstaat, Shell, de EU en TNO en bezet sinds kort vanuit het Maritiem Instituut Willem Barentsz op Terschelling, dat Noord Nederland bestrijkt, het lectoraat met de langste naam: Maritiem, Marien Milieu & Veiligheidsmanagement. ‘Het leuke van mijn vak’ stelt hij vast, is dat het een specialisme is en tegelijkertijd toch heel breed. Er komt zoveel bij kijken: vliegen, varen, remote sensing, chemie, onderzoek naar milieueffecten. Bij studenten komen de vragen vanzelf.’ Als landrot die bijna verdrinkt in de gadgets verwacht je dat niet, maar de zee is in beginsel nog steeds lastig, tenminste vanuit het oogpunt van rampenbestrijding. Koops legt uit: ‘Het belangrijkste probleem is dat je op zee gewoon heel weinig kunt doen boven windkracht vijf. Verder hebben we in Noord-Nederland de Waddenzee. 71


En die is te ondiep om effectief met schepen milieuschade te kunnen verhelpen. Buiten het feit dat die dwarse zee het werkterrein vormt heb je ook nog eens te maken met de moeilijkheid van de inschatting wat een bepaalde stof in het water teweegbrengt. Alles bij elkaar brengt dit wel met zich mee dat de factor techniek voor mijn lectoraat belangrijk is. De NHL is de enige opleiding met Petroleumen Gastechnologie, Scheepsbouw, Maritieme Techniek, maritiem officier en Ocean technology in haar programma. Er zijn meerdere raakvlakken met mijn lectoraat.’ De lector legt uit hoe dit in elkaar zit: ‘Het zit allemaal in die naam. Het woord ‘Maritiem’ betekent dat het gaat over de gebruikers van de zee, scheepvaart en offshore activiteiten. Daaronder vallen ook grote installaties, zoals windmolenparken. Dat veld van activiteiten op zee

Stel je hebt een lekkend schip: wat moet je daar dan mee? bezien we echt vanuit het perspectief van de gebruiker. ‘Marien’ slaat op de kwaliteit van de zee, als ecosysteem, maar ook als verzameling van allerhande abiotische aspecten zoals stromingen, golven en dergelijke. Binnen Milieu & Veiligheidsmanagement houden we ons op ver72

schillende manieren bezig met bestrijding en preventie van ongevallen. Op het gebied van de mentaliteit en het besef dat je de zee schoon moet houden is een geleidelijke verbetering te zien. Neem alleen al dat supertankers vroeger één tank hadden. Een lek en alles stroomde weg. Nu zijn ze in kleinere compartimenten verdeeld. Toch is er nog een lange weg te gaan. Het is leuk om met studenten te gaan varen en het daarna op school over de cultuur van het lozen van afval te praten.’

Bestrijdingsvaartuig Het type projecten dat Wierd Koops aanpakt is van nature uit de praktijk gegrepen. Commercieel is het niet. ‘Het grootste deel van het werk’, zo licht hij toe, ‘wordt dan ook gedaan met subsidie. Logisch, want maatschappelijk is het heel belangrijk. De kans dat er op zee iets mis gaat is niet groot, maar als er een ongeluk met giftige stoffen of olie gebeurt kan dat een geweldige impact hebben. Dan kom ik weer terug op de Waddenzee. Bestrijden van een ramp is daar heel moeilijk dus moet je het van preventie hebben en die kost bepaalde partijen geld. Dergelijke financiering is altijd een compromis. Je hebt gebruikers van de zee en je hebt het mariene milieu. Het lectoraat denkt, zoals ik al zei, vanuit de gebruiker. Maar die is natuurlijk ook gebaat bij duurzaamheid.’

73


Binnen zo’n ultrabreed specialisme kun je met de NHL de meest uiteenlopende onderwerpen aanpakken. Koops vervolgt: ‘Het vinden van onderzoekthema’s is nog wel het minste probleem. Het eerste project dat werd gehonoreerd ging over schepen in moeilijkheden. Stel je hebt een lekkend schip: wat moet je daar dan mee? Je kunt het dwingen naar open zee te varen terwijl het gevolg dan kan zijn dat het effect van de lekkage veel ernstiger uitpakt. Met 24 studenten heb ik dat verkend. Ze kregen

rendtsz en de NHL aan te kunnen. Ook andere kennisinstellingen zouden er een bijdrage aan moeten leveren.’

Enthousiasme

per groepje een type schip om diverse ongevalscenario’s uit te werken. Het was een heel concreet onderzoek.’ Naast dit soort bescheiden verkenningen heeft Wierd Koops een ambitieus plan: ‘Het hangt van de subsidies af, maar het zou wel een heel mooi project zijn. Het gaat om de ontwikkeling van een onbemand chemicaliënbestrijdingsvaartuig. De tijd is er rijp voor en er zitten heel veel kanten aan die weer afzonderlijke projecten voor andere lectoraten zouden kunnen zijn. Zo’n project is overigens te omvangrijk om het alleen met Willem Ba-

Koops weet hoe het werkt: ‘De NHL is heel voorzichtig met de inzet van personeel en ademt de mentaliteit van onderwijs. Veel docenten worden enthousiast van dit project, vooral de jongere, maar die hogeschool is nu nog een beetje een log lichaam. Voor zo’n instelling is een half miljoen euro een groot risico, terwijl zo’n vaartuig om veel meer gaat dan dat. Er moeten vanuit de markt afwegingen worden gemaakt en partijen met voldoende belangstelling bij elkaar gezocht. Lectoren kunnen daarbij de richting aangeven. Ik heb een heel groot nationaal en internationaal netwerk en deed dit werk op persoonlijke titel. Dat gaat nu de NHL worden.’ ‘En dan komt het er bij een hogeschool op aan enthousiasme voor onderzoek te kweken bij studenten en docenten. Daar draait het om anders krijg je het niet op gang. Zomaar een onderzoek afkondigen werkt niet. Speerpunten moeten ook voldoende speelruimte bieden, zodat docenten zelf met ideeën kunnen komen. Dat gebeurt nu en Terschelling wordt daardoor ook steeds enthousiaster. Er ontstaat een wisselwerking. Je moet wel in een vroeg stadium weten wie het gaan doen. Nu is dat niet altijd zo en dan komt het moeizaam verder.’

74

75

Op zee kun je gewoon heel weinig doen boven windkracht vijf


‘Het kost natuurlijk ook tijd om je als lector in te werken. Zo’n NHL is zo groot en dan heb je betrekkelijk weinig contacttijd met de docenten in je kenniskring om projecten in gang te zetten. Want dat zijn toch de uitvoerders. In het begin deed ik veel zelf. Voor hogescholen heb je RAAK subsidies. Als nieuwe lector moet je zelf uitvinden hoe dat werkt. Het zou handig zijn als op dat administratieve gebied wat meer samenwerking ontstond, hierin zou Maritime Campus Netherlands ook een belangrijke rol kunnen spelen. Inhoudelijk zie ik ook mogelijkheden, afgezien van dat grote project. Op Terschelling heb ik een symposium georganiseerd voor docenten van middelbare scholen. Dat soort acties zou je samen kunnen ondernemen.’

76


Authentiek ingeblikt Lectoraat Werkplekleren en ICT

78

79


Authentiek ingeblikt Hans Hummel

Competentie betekent dat je weet hoe je met kennis om moet gaan, niet dat je geen kennis hoeft te hebben

Als er één lectoraat verband houdt met de meeste andere, dan is het wel ‘Werkplekleren en ICT’ van Hans Hummel. De inhoud van zijn onderzoek betreft namelijk leerscenario’s ondersteund door computers. Leerscenario’s kunnen vanzelfsprekend over allerlei onderwerpen gaan, zoals strafpleiten, watermanagement, bejaardenzorg, of scheepsbouw, om er maar een stel te noemen. Daarnaast kunnen zulke beschrijvingen van leermethoden ook nog eens op verschillende groepen lerenden zijn toegesneden. Dat is een kwestie van scenario’s en ontwerp. ‘Het belangrijkste is steeds’, zo zegt Hummel, dat je het leren effectief maakt door te denken vanuit het perspectief van de lerende. Er wordt al te vaak gedacht dat met computers alles vanzelf gaat, maar met de simpele inzet van elektronische leergadgets kom je er niet.’ Leren op afstand, ontwerpen van leerprocessen voor oefening in praktijksituaties, maar ook het omstreden competentiegericht leren: Hans Hummel is volledig thuis in de materie en heeft op het gebied van de ontwikkeling van onderwijs met ondersteuning van computerapparatuur een schat aan ervaring opgebouwd. Naast zijn recent aanvaarde lectoraat is hij namelijk op dit gebied al meer dan twintig jaar werkzaam bij de Open Universiteit in 81


Heerlen. ‘Sinds 1990’, zo zegt hij, ‘is de rode draad in mijn werk het ontwikkelen van kennis over leren van complexe vaardigheden. Dat betekent dat iemand te maken heeft met vraagstukken waarbij, net als in de praktijk, meerdere antwoorden mogelijk zijn en die zich in verschillende omstandigheden bij verschillende taken kunnen voordoen.’ De complexe taken waarop de competentiekundige doelt hebben dus niets te maken met twee plus vijf, de spelling van het woordje ‘alfabet’, of weten waar Dokkum ligt. De vaardigheden waarover hij het heeft omvatten het maken van intelligente afwegingen en het doelmatig handelen op basis daarvan, ook in situaties die de trainee in kwestie niet eerder heeft meegemaakt. Uiteindelijk kan iemand die thuis is in zijn vak, of dat het ontwikkelen van een systeem voor screening in de zorg is, of het leiden van een visbedrijf, verschillende omstandigheden aan. De essentie is telkens de vaardigheid om in analogieën te denken. En die competentie kun je trainen.

ik in eerste instantie dat ik daar niets van wist. Maar het bleek bij nadere gesprekken toch hetzelfde te zijn als waarmee ik me al bezighield. In dit gebied ligt steeds het gevaar van Babylonische spraakverwarring op de loer. Neem dat begrip ‘competentiegericht’. Het zou er bij leren om gaan kinderen alles zelf te laten uitzoeken, met minimale begeleiding van een docent. In samenhang daarmee bestaat veel kritiek op ‘het nieuwe leren’ – lees de krant er maar op na. Maar je zult mij nooit horen beweren dat iedereen alles zelfstandig kan leren zonder enige voorkennis. Competentie betekent dat je weet hoe je met kennis om moet gaan, niet dat je geen

Gamewereld Hummel legt uit: ‘Oefenen doe je met behulp van een zogenoemde authentieke ingeblikte taak. Dat betekent dat je levensechte uitdagende beroepssituaties in een scenario programmeert. Toen de NHL me als lector vroeg voor wat daar ‘werkplekleren en ICT’ werd genoemd zei

kennis hoeft te hebben. De computer is voor leren evenmin zaligmakend. Je kunt authentieke taken trainen met behulp van goede software, maar de reality check blijft altijd noodzakelijk.’ ‘Achter werkplekleren moet in mijn benadering altijd een leerscenario zitten, met verschillende perspectieven, ambiguïteit, samenwerking en suboptimaal functioneren. Die

82

83

Spelletjes worden steeds realistischer, terwijl dat niet bepalend is voor die betrokkenheid


denkstap wordt onvoldoende gemaakt. Het beeld achter zo’n scenario is dat van een ui: je schilt hem laag voor laag, tot je bij de kern komt. De gevorderde leerling zit dichter bij de kern dan de beginneling. Verder is het belangrijk dat de student zich betrokken voelt, of ondergedompeld, in de taak. ‘Immersiveness’ heet dat in de computerwereld. Bij het gamen bereik je die met een principe dat heel mooi ‘suspension of disbelief’ heet, uitstel van ongeloof. Daar gaat het om. Spelletjes worden nu steeds realistischer gemaakt, terwijl dat niet bepalend is voor die betrokkenheid. Vroeger speelden mensen urenlang ‘Pong’, een heel eenvoudig soort beeldschermtennis, volkomen abstract, met een bewegende stip en een bestuurbaar streepje om die stip te blokkeren. En als je in dat spel zat, stond je echt niet stil bij dat streepje: kijk: dat is uitstel van ongeloof. Spelprincipes zijn te gebruiken in leerscenario’s.’ Het is niet voor niets dat nu voor Serious Gaming, een breder begrip dan werkplekleren, omdat het ook op andere functies dan leren behelst, nu een nieuw lectoraat wordt opgezet.

naar het andere scenario van inhoudelijk verschillende taken kunt overhevelen. Bij design en architectuur zijn ze daar een stuk verder mee dan in de leertechnologie. Het is wel zo dat je op dit gebied per definitie samenwerkt met inhoudelijk verschillende opleidingen, van bovendien verschillende niveaus, ook van VMBO- en ROC- niveau, om voor concrete beroepssituaties authentieke taken te kunnen ontwikkelen. De multidisciplinaire benadering zit ingebakken.’

Denken steeds vanuit het perspectief van de lerende

Hans Hummel werkt aan principes voor de opbouw van leerscenario’s. Hij constateert: ‘In het onderwijs staat dat gebied van leertechnologie nog in de kinderschoenen, bijvoorbeeld het idee dat je modulen hebt, die je van het ene

‘In het onderzoek vind ik het interessant om een stap verder te gaan in die samenwerking door niet alleen te kijken naar verspreiding en circulatie van kennis, maar ook mogelijkheden te verkennen om in samenwerking, ook weer via scenario’s, kennis op te bouwen. Je krijgt dan kenniscreatie, doordat individuen informatie inbrengen met varianten van wat in het Engels ‘prosuming’ heet, en dat het tegenovergestelde is van consumeren. Je kunt het vergelijken met hoe Wikipedia werkt, waarbij gebruikers informatie inbrengen. Alleen is het meer toegespitst op bepaalde beroepen. Iemand kan dan bij-

84

85

Kenniscreatie


voorbeeld op Terschelling via een ingeblikte simulatie metaal leren bewerken, maar bovendien het geleerde in een praktijkgroep inbrengen volgens het bekende ‘twee weten meer dan één’. Dat soort mechanismen zou ik graag zien.’ De lector is nog niet helemaal gewend aan het werken bij een hogeschool: ‘Je merkt toch dat het van oorsprong een leerfabriek is, terwijl je voor onderzoek ook de tijd moet kunnen nemen om te reflecteren. Daarnaast is het onderwijs georganiseerd als proces, terwijl onderzoek meer neerkomt op een verzameling projecten. Die twee zijn niet makkelijk op elkaar af te stemmen. Alle lectoren komen dat tegen. Een verbetering in de houding ten opzichte van onderzoek, is noodzakelijk.’ Onderzoek moet meer dan voorheen de voedingsbodem voor onderwijs worden. Dat onderkent de NHL ook. De professional kan in de toekomst niet meer kan volstaan met wat hij ooit heeft geleerd. De wereld verandert en kennis is nooit helemaal af. In het echt zijn taken niet in te blikken. Het perspectief van de lerende wordt permanent.

86


Drietaligheid Lectoraat Fries en Meertaligheid

88

89


Drietaligheid Alex Riemersma

Je kunt wat je in je eigen taal leert gebruiken om je beheersing van een andere taal te verbeteren

‘Talen versterken elkaar. Als je meertalig bent is het niet ‘of – of’, maar ‘en – en’. Daardoor snap je taalverwerving makkelijker en voel je je ook vrijer in een derde taal, bijvoorbeeld Engels. Het goeie van Friesland is dat je gemakkelijk tweetalig wordt, als je hier wordt geboren. Je hebt hier geen mensen die alleen maar Fries spreken, er zijn geen monoglotten, zoals dat heet. Iedereen kan Nederlands lezen en schrijven, omdat het onderwijs hier traditioneel goed is. Het komt er nu op aan de aansluiting in meertaligheid met het voortgezet onderwijs te verbeteren, want dan blijft dat voordeel in taalvaardigheid behouden.’ Op dit inzicht berust in kort bestek het vakgebied van Alex Riemersma, de lector die zich als laatste bij het gezelschap heeft kunnen voegen. Het thema van zijn lectoraat is Fries en meertaligheid. ‘Fries hoort bij ons allemaal, en tegelijk wordt van niemand geëist dat hij zich perfect in het Fries kan uitdrukken. Eigenlijk is dat heel bijzonder, want het houdt traditie en draagvlak in balans. Bij onze zuiderburen is dat met Vlaams en Waals wel even anders.’ Riemersma, onderzoeker bij het Mercator kenniscentrum van de Fryske Akademy in Leeuwarden – waar de meeste medewerkers minstens viertalig zijn –, werd zich tij91


dens zijn jeugd in het zuiden van Nederland voor het eerst bewust van zijn Friese identiteit in gesprekken met anderen. Hij bezocht er het gymnasium van het seminarie in Venray. Daarna volgde hij een universitaire studie in Groningen met Nederlands als hoofdvak en daarnaast Fries. Hij deed alles in beide talen. Vervolgens promoveerde hij samen met Sikko de Jong aan de universiteit van Tilburg met ‘Taalpeiling yn Fryslân, een onderzoek naar de beheersing van het Fries en het Nederlands aan het einde van de basisschool‘. In het lectoraat wil hij een brug slaan tussen drietalig basisonderwijs, dat wil zeggen in het Nederlands, Fries en Engels, en het meertalig vervolgonderwijs en de lerarenopleidingen.

voor 1980, want vanaf dat jaar is het een vak in het lager onderwijs en is het daar ook toegestaan als voertaal. Dat laatste geldt ook voor het voortgezet onderwijs. Daar kan Fries bovendien een keuze-examenvak zijn.’ Fries is in elk geval vooral een mondelinge cultuurtaal. Schriftelijk staat het zwakker. In de openbare ruimte zul je het betrekkelijk weinig aantreffen, al heb je hier in Leeuwarden weer wel poëzieroutes.’

Taalbeheersing en taalgebruik

Afgezien van het voordeel dat tweetaligheid blijkbaar heeft, doet de vraag zich voor wat de status van het Fries eigenlijk is. Riemersma nuanceert: ‘Het hangt er vanaf naar welk facet je kijkt. In de Nederlandse regelgeving is het een erkende taal voor de provincie. Er is geen taalwet, maar er zijn wel regels en afspraken tussen het rijk en de provincie over onderwijs en openbaar bestuur, media en cultuur. En het Fries is voor de Raad van Europa een officiële minderheidstaal. De positie is iets sterker dan

Het doorgeven van de taal van generatie op generatie begint in het gezin. Het is niet vanzelfsprekend, dat in gemengdtalige gezinnen beide talen worden doorgegeven. Vanwege de voordelen van tweetaligheid is daarvoor beleid ontwikkeld. Riemersma: ‘Je kunt stimuleren dat kinderen in het Fries en het Nederlands worden opgevoed, volgens het principe one language - one person. Dat betekent gewoon dat pa altijd Fries met de kinderen praat en ma altijd Nederlands. Of andersom natuurlijk. De kinderen leren dan geleidelijk snappen dat het twee gescheiden talen zijn. Voor hen is het in het begin doodgewoon om binnen één zin van de ene naar de andere taal te shiften. Tegelijk wordt het moeilijk gevonden een tekst van Fries in Nederlands te vertalen.’ ‘Nou kunnen veel mensen zich buiten hun moedertaal wel een beetje redden in een andere taal. Dus om vast te

92

93

Meertaligheid is overal


stellen wat tweetaligheid precies is kun je bepaalde gradaties en normen aangeven. Je hebt te maken met de vier basisvaardigheden: luisteren, lezen, spreken en schrijven. Wij noemen iemand niet pas tweetalig als hij twee talen volledig beheerst op het niveau van de native; iemand kan ook receptief tweetalig zijn (verstaan en lezen).’

Je hebt te maken met de vier basisvaardigheden: luisteren, lezen, spreken en schrijven ‘De mate waarin je een taal beheerst, kun je in gradaties formaliseren met behulp van vaststelling wat je allemaal kunt: ik kan de televisie volgen, ik kan een brief schrijven, enzovoort. Het leuke is dat een leerling op die manier zelf kan reflecteren op wat hij kan en dat hij kan nadenken over het hoe en waarom van taalvaardigheid. Een leerling kan dat zelf gedocumenteerd bijhouden in een Taalportfolio. Kijk, dat is nou echt iets van deze tijd. Vroeger moest je braaf woordjes en grammatica instampen, zonder dat je besefte wat je aan het leren was. Nu leer je facetten expliciet maken en conceptualiseren. Daardoor kun je wat je in je eigen taal leert, gebruiken om je beheersing van een andere taal te verbeteren.’ 94

Tweetaligheid maakt het leren makkelijker. Riemersma werkt aan dat principe in een experimenteel project: ‘Het concept is een drietalige basisschool waar Nederlands, Fries en Engels als voertaal worden gebezigd. Dat zie je aan de opschriften en de bewegwijzering in de school. Dan staat er bijvoorbeeld ‘deur’, ‘doar’ en ook ‘door’. Er zijn ook native assistenten om te zorgen dat alle drie talen zo natuurlijk mogelijk worden gebezigd. De resultaten zijn goed, al zijn ze nog niet fantastisch. Je merkt wel dat zelfs een twaalfjarige zich vrijer voelt in het Engels. Nu gaat het erom een brug tussen basis- en voortgezet onderwijs te slaan. Dat betekent in de eerste plaats dat we de competenties in die schooltypen moeten documenteren en dat we toetsen in het Fries, Nederlands en Engels vergelijkbaar maken. Nu zijn dat nog gescheiden trajecten.’

Europa Alex Riemersma vervolgt: ‘Friesland levert een goed voorbeeld en wint geleidelijk aan overtuigingskracht. Je hebt hier natuurlijk toch al dat Engels een derde taal is, met het voordeel van ondertiteling in plaats van nasynchronisatie op de televisie. In Spanje met zijn Baskisch en Catalaans heb je dat niet.’ Het is niet het eerste waaraan je denkt bij het Fries, maar meertaligheid is overal. 65 procent van de wereld95


bevolking gebruikt meer talen voor de dagelijkse communicatie. En dat is een bron van kennisontwikkeling. Riemersma: ‘Ik zou graag over de grens kijken, deels met telecommunicatie deels live met het Erasmus-uitwisselingsprogramma. Het motiveert en levert inzichten voor reflectie. Je hebt behalve Catalonië bijvoorbeeld ook Zweedstaligen in Finland en Duitstaligen in Italië, maar ook heel veel sprekers van immigrantentalen. Heel interessant. Zo kun je bouwen aan een uitgebreid Europees netwerk van leerstoelen in meertaligheid. We hebben overal contacten. We kregen hier bijvoorbeeld een keer twee Turkse studenten en een Koerd. Voor hen was het een eyeopener dat je hier gewoon Fries kunt schrijven. Schrijven in het Koerdisch is heel lang verboden geweest.’ Voor zijn lectoraat aan de NHL ziet Riemersma dat zich kansen en wensen ontvouwen: ‘Ik ben naar de oratie van Hans Hummel over werkplekleren geweest. De leden van zijn kenniskring hadden allemaal een poster gemaakt. Het is een echte research community en dat wil ik ook. Er zouden verder aan de lerarenopleidingen docenten moeten zijn die hun vak (geschiedenis, economie) gedeeltelijk in het Engels of het Fries geven. Dan wordt de relatie van mijn lectoraat met het onderwijs veel tastbaarder.’

96


Menswaardig Lectoraat Wonen, Welzijn en Zorg op Hoge Leeftijd

98

99


Menswaardig Evelyn Finnema

Niet dat instrumentele, systematische professionele: gewoon van mens tot mens

‘Je kunt heel oud zijn en toch nog genieten van de kleine dingen van het leven, zoals de eerste lentezon en het eten van een ijsje met de kleinkinderen. Voor veel ouderen is verzorging maar een klein onderdeel van het dagelijks bestaan. Een prettige woonomgeving en het behoud van sociale contacten zijn minstens even belangrijk. Dat wordt vanuit de zorgwereld wel eens over het hoofd gezien. Voor de nieuwe zorgprofessional is dit dan ook één van de thema’s die aan de orde moet komen.’ Deze uitspraak karakteriseert Evelyn Finnema en de visie waarmee zij de tweede fase van het door de AS Talmastichting geïnitieerde NHL Hogeschool lectoraat ‘Wonen, welzijn en zorg op hoge leeftijd’ gaat leiden. Zij is daarmee de enige in Nederland met twee lectoraten op dit gebied, want bij de Hogeschool Rotterdam is ze samen met Marleen Goumans lector ‘Samenhang in de Ouderenzorg’. ‘Voor mij is die samenhang tussen twee werkkringen een cadeautje. Binnen twee organisaties in verschillende regio’s aan ongeveer dezelfde inhoud te kunnen werken levert veel op. Ik vind het echt een fantastische uitdaging om lector te zijn, want in deze baan is onderzoek, praktijk en onderwijs gecombineerd. Je kunt hierdoor zowel direct als indirect aan verbetering werken. Bovendien is de setting, de hogeschool, ideaal voor 101


het verbinden van onderwijs en werkveld. Studenten hebben binnen het lectoraat de kans om kennis te maken met het werken aan innovatieve oplossingen voor weerbarstige vraagstukken en brengen een frisse blik op onderwerpen mee. Zij zijn de toekomst.’

Het gaat mij altijd om menswaardige zorg Evelyn Finnema is begonnen als HBO verpleegkundige. Dat zij nu dit werk zou doen voorzag ze niet toen ze ruim twintig jaar geleden als stagiaire meemaakte hoe het er toen in de ouderenzorg aan toeging. Er lag toen vooral veel nadruk op verzorging en verpleging en er was weinig aandacht voor het welbevinden van ouderen. Na de HBO-V is zij gezondheidswetenschappen gaan studeren in Maastricht. ‘Ik maakte kennis met onderzoek en heb dat vervolgens na mijn opleiding op verschillende terreinen van de gezondheidszorg gedaan. Na onderzoek op het gebied van psychiatrie bij de Rijksuniversiteit Groningen kon ik terecht bij de Vrije Universiteit Amsterdam voor mijn promotieproject over belevingsgerichte zorg bij verpleeghuisbewoners met dementie. Het ging en gaat mij altijd om menswaardige zorg. Dat blijft de rode lijn.’ 102

Evelyn Finnema laat zich voor een deel in haar werk motiveren door het leven dat zij kwetsbare mensen, in dit geval ouderen, toewenst: ‘Over wat kwetsbaar of frailty precies betekent, zijn verschillende definities gangbaar, maar de focus is gericht op ouderen van vaak boven de 75, die meerdere problemen tegelijk hebben in verschillende domeinen: fysiek, sociaal en psychisch. Omdat de zorg nu is ingericht op specialismen en er veelal als gevolg van wetgeving, financiering en wijze van organiseren behoorlijke schotten staan tussen de care, cure en welzijnssector krijgt deze groep mensen niet de integrale zorg en ondersteuning die zij nodig heeft. Doordat het aantal ouderen en daarmee ook het aantal ouderen met een intensieve zorg- en ondersteuningsvraag de komende jaren groeit, neemt ook de complexiteit van zorg toe. Daarom pleit ik ook voor meer goed opgeleide Hbo’ers op het terrein van de ouderenzorg.’

Zorg op maat Het bieden van zorg op maat, die past bij de individuele behoeften en tegelijkertijd binnen de wettelijke, financiële en organisatorische kaders, is niet eenvoudig. Deze uitdaging wordt de komende jaren des te groter met het afnemen van de beroepsbevolking en daarmee de benodigde menskracht om goede zorg en ondersteuning aan de groeiende groep ouderen op zeer hoge leeftijd 103


te bieden. Finnema vervolgt: ‘Daarom vind ik de thema’s leefbaarheid en creatieve technologie van het onderzoek bij de NHL mooi passen bij de weerbarstige problematiek waar de ouderenzorg de komende jaren mee te maken heeft, want daarin komen alle aspecten samen: bouwkundige voorzieningen, sociale omstandigheden en kwaliteit van leven. Daarbij kun je onderzoek doen naar toepassingen van domotica – de techniek van een intelligent reagerende woonomgeving. Die wordt steeds minder exotisch. Het is heel interessant om te kijken hoe je die verweving op een vanzelfsprekende manier voor elkaar krijgt.

Ouderen boven de 75 hebben vaak problemen in meer domeinen Innovatie is inherent aan het lectoraat: out of the box denken en in de keuken kijken bij andere sectoren. Wat je doet is niet altijd helemaal nieuw, maar kan wel vernieuwend zijn door de toepassingsvormen en combinaties die je maakt.’ Hoe samenwerking met andere lectoren zich precies zal ontwikkelen is in het prille begin van een aanstelling nog niet te overzien. Finnema wil graag met andere lectoren 104

samenwerken om elkaar te versterken en tot innovatieve concepten te komen. Projecten met lectoren op het gebied van zorg en welzijn liggen voor de hand. Maar ook samenwerking met de andere lectoraten die een kennisdomein betreffen dat niet direct gerelateerd is aan ouderenzorg kan interessante mogelijkheden opleveren. Bovendien biedt het Healthy Ageing Network Noord-Nederland waar de NHL Hogeschool in participeert, vanuit het lectoraat tal van aanknopingspunten voor samenwerking met andere kennisinstellingen en bedrijven die zich richten op gezond ouder worden. Finnema concludeert: ‘In elk geval beschouw ik het als mijn missie om vanuit het lectoraat te werken aan het op de kaart zetten van de ouderenzorg binnen het HBO, zowel op het gebied van zorg als op het gebied van welzijn. Ik hoop dat ik in deze positie een bescheiden bijdrage kan leveren aan verbetering van de kwaliteit van de zorg en ondersteuning in de ouderenzorg. En wat betreft het enthousiasmeren van de toekomstige zorgprofessionals voor de ouderenzorg: Ik heb gemerkt dat studenten heel erg geïnteresseerd raken als ze ervaren dat ouderen gewoon mensen zijn, die ook jong zijn geweest. En dat je met iemand van diep in de 80 heel goed kunt praten over jouw en haar eerste verliefdheid. Niet dat instrumentele, systematische professionele. Gewoon van mens tot mens.’

105


Beter verzorgen Lectoraat Innovatie en Competentieontwikkeling in de Zorg

106

107


Beter verzorgen Margo Brouns

Mensen die werkzaam zijn in de zorg moeten goed begrijpen wat ze teweegbrengen bij de cliënt

De manier waarop mensen hulp en verzorging krijgen verandert al jaren gestaag. Mensenwerk wordt steeds duurder en dwingt daardoor een stevige verhoging van efficiëntie af: met minder inspanning meer bereiken. En dat is een kwestie van tijdbesteding, maar ook van kwaliteit. Tegelijk worden mensen mondiger en laten zich niet meer zo vanzelfsprekend als voorheen de aanpak van verzorgende beroepsbeoefenaars welgevallen. Bovendien vragen cliënten steeds meer om hulp aan huis. In de praktijk van de zorg ontstaan op die manier spanningen tussen vraag en aanbod die nieuwe oplossingen behoeven. ‘En dan is het prachtig’, observeert Margo Brouns, van 2005 tot 2009 lector Innovatie en Competentieontwikkeling in de Zorg, ‘dat bij zo’n enorme omslag in de dagelijkse praktijk van de zorg hogescholen zich met onderzoek kunnen richten op kennis die juist daar toepasbaar is, in die eindeloze reeks van professionele dilemma’s. Ze vullen daarmee perfect het gat op dat research aan de universiteiten open laat.’ Brouns vervulde het lectoraat, dat gedeeltelijk wordt betaald door de Stichting A.S. Talma. Ze weet wat universitair onderzoek is, want ze is na haar studie andragologie in Groningen in Amsterdam gepromoveerd als arbeids109


socioloog en heeft twintig jaar bij verschillende universiteiten in Nederland gewerkt. Daarna besloot ze een bedrijf te beginnen, B & S research and support geheten, waarmee ze bij verschillende Europese projecten betrokken was: ‘Voor grote organisaties heb ik onderzoek gedaan en advieswerk. Ik schrijf graag en het geeft mij veel voldoening om dingen in beweging te zetten.’ De voormalige lector is lid van het Zorg Innovatie Platform dat minister Klink van Volksgezondheid in 2008 in het leven riep. Daarover zegt Brouns: ‘In de zorg is innovatie geen gangbaar begrip, maar het is van groot belang om op alle fronten – organisatie, logistiek, motivatie, ethiek, besluitvaardigheid – verbeteringen aan te

En dat is uiteindelijk het doel waarvoor innovatie het meest geschikte middel is. En met vernieuwing sec ben je er niet. Afhankelijk van het onderwerp waarop je innoveert heb je ook nog eens draagvlak nodig bij cliënten of bewoners. Als je bijvoorbeeld als professionele buitenstaander een buurt probeert te helpen met een website over bepaalde gezondheidsklachten is de kans groot dat er geen hond belangstelling voor heeft. Doet iemand uit de buurt dat zelf dan komt juist wel iedereen kijken.’

Touch

brengen. Dat betekent dat je met verschillende disciplines samenwerkt uit verschillende sectoren: de zorginstellingen, het onderwijs en het bedrijfsleven.’ ‘Openheid over en weer leidt voor alle deelnemers tot verrassende inzichten. Toch is het is niet eenvoudig om met minder middelen de kwaliteit van het werk op peil te houden.

Margo Brouns zette zich bij de NHL over het hele spectrum van professionele verbetering in. Ze startte met de gemeente Leeuwarden een onderzoek naar de te verwachten veranderingen in de vraag naar verzorging en hulp in de komende jaren. Want je kunt wel nieuwe dingen bedenken, maar dan moet je toch weten of die zin hebben. Dat project heette ‘Take Care 2015’. De andere projecten richtten zich op de competentie van verzorgende professionals en op ethische overwegingen bij de beslissingen die ze moeten nemen, samengebracht onder de titel ‘van denken naar doen’. Brouns vervolgt: ‘Mensen die werkzaam zijn in de zorg moeten goed begrijpen wat ze teweegbrengen bij de cliënt, want die persoon ervaart zorg op een bepaalde manier, afhankelijk van voorgeschiedenis, verwachtingen,

110

111

In principe kun je alles met alles verbinden, mits je enig generalisme in huis hebt


culturele achtergrond, en persoonlijkheid. Aan het bewustzijn daarvan bij verzorgenden kun je werken, door uitwisseling van kennis en ervaring te stimuleren en daarbij cliënten of bewoners te betrekken.’ ‘Hiervoor kun je nieuwe middelen ontwikkelen. We hebben geprobeerd daarmee een begin te maken door de mogelijkheden van ICT te verkennen.’ Bij de ondersteuning van de praktijk in de zorg wordt daarvan volgens Margo Brouns nog veel te weinig gebruik gemaakt, zeker gezien de speelse mogelijkheden tot interactie: ‘Als je kijkt naar wat er allemaal kan verdient ICT veel meer aandacht. Maar er is nog nauwelijks gekeken naar wat je zou moeten doen om haar toegankelijk te maken voor beroepsbeoefenaars die toch vooral gewend zijn mensen te helpen. Samen met verzorgenden zou je speciale toepassingen moeten ontwikkelen, die aansluiten bij hun leefwereld en die ze ook echt gebruiken. In het kader van het lectoraat hebben we daarvoor initiatief genomen en verzorgenden en cliënten partijen met het project mee laten doen.’ ‘Van denken naar doen’ ging om de ontwikkeling van een computerprogramma. Op het scherm was in het begin de afbeelding van een huiskamer te zien, met daarin een boekenkast met onder meer een ‘levensboek’. Dit laat zich gebruiken om het leven van een cliënt met behulp van tekst, foto en film invoelbaar te maken. Verleners van zorg kunnen er onderling en met de cliënt over praten. Dat geldt ook voor themaboeken, waarmee verschillende

alledaagse en daarom misschien juist wel veronachtzaamde onderwerpen aan de orde kunnen worden gesteld, zoals iemands favoriete koffiekopje. Ik noem maar wat. Het bleek te werken als webapplicatie op een PC, maar in een verzorgingshuis zijn doorgaans weinig computers. Wij hebben daarom gekozen voor tafel met een multi-touchscreen als hardware. Het is zo’n tafel die als beeldscherm werkt en die je met meer gebruikers tegelijk kunt bespelen. Voor de communicatie en interactie is dit veel beter dan een PC.’

112

113

Verschuiving De onderzoeksinspanning is Margo Brouns niet meegevallen: ‘De een is er beter op ingesteld dan de ander. Studenten van Communication & Multimedia Design, waren actief en hadden er geen moeite mee om projectmatig te werken (en bijvoorbeeld in de vakantie door te werken). Daardoor heeft het project ook echt iets opgeleverd in de sfeer van serious games. Aanstaande verpleegkundigen wilden in de eerste plaats verzorgen en niet iedereen blijkt een onderzoekende geest te hebben. Voor het ontwikkelen van een onderzoekende en analytische geest heeft de NHL nog een lange weg te gaan.’ ‘Je merkt dat je als lector op een hogeschool niet de invloed hebt van een hoogleraar aan een universiteit. Het is een continue uitdaging om voldoende middelen te krij-


gen en een duidelijke eigen positie in de hogeschool te verwerven. Dat is bij zo’n nieuwe functie zeker niet vanzelfsprekend. Aan de andere kant is het een levende organisatie. Er is progressie op sommige plekken. Er is een gat in de kennismarkt en het HBO past daarin. Ik zie echt een positieve verschuiving. Meer studenten en docenten komen in aanraking met onderzoek en praten er gewoon over. En ze raken gewend aan het verschijnsel lector. Het promotiebeleid is ook een stap in de goede richting. Het lastige van HBO is dat de ruimte voor vergissingen beperkt is. Risico’s worden gemeden. Ik denk dat ik eigenlijk veel te hard wilde.’

Er is een gat in de kennismarkt en het HBO past daarin ‘Samenwerken was dan nog het minste probleem. Ik vind dat je gewoon zelf de link moet maken tussen disciplines. Daarvoor is een lector niet eens per se nodig. Samenwerken is erg leuk en dat is bij een universiteit misschien nog wel moeilijker. Het moet natuurlijk ook gewoon klikken. Veiligheid en zorg bijvoorbeeld, met het patiëntendossier, is als onderzoeksterrein nooit van de grond gekomen omdat de chemie ontbrak. In principe kun je volgens mij alles met alles verbinden, mits je enig generalisme in huis hebt. De vraag is of je dat ook wilt.’ 114


Eenvoudige monitor Lectoraat Zorg en Welzijn in de Digitale Wereld

116

117


Eenvoudige monitor Ate Dijsktra

Voor het screenen op behoefte aan hulp en zorg moet je heel simpele ICT-toepassingen kunnen ontwikkelen

‘Nee, het gaat niet over reizen, dure auto’s en het Zwitserlevengevoel, maar over het gewone dagelijkse leven van opstaan, plassen, aankleden, eten, enzovoort. Met de Care Dependency Scale, meet je in hoeverre mensen hulp nodig hebben bij het vervullen van de eenvoudigste basisbehoeften.’ Deze zogenoemde CDS heeft Ate Dijkstra ontwikkeld in het kader van zijn promotieonderzoek op het onderwerp zorgafhankelijkheid. Het bijzondere eraan is de praktische eenvoud. Er is geen sprake van onbegrijpelijke diagnoses of bureaucratische etiketten. Alles draait om een serie nuchtere vaststellingen van het type: kan iemand zelf uit een stoel opstaan, of zonder hulp sokken en schoenen aantrekken en zo niet: in welke mate is er dan hulp nodig. Als instrument snakt de CDS naar verdere ontwikkeling. Informatietechnologie gekoppeld aan op individuele behoefte afgestemde zorgverlening kan de schaal op verschillende manieren in de praktijk toepasbaar maken. ‘Dat wordt de uitdaging voor de komende jaren!’ aldus de lector ‘Zorg en welzijn in de digitale wereld’. De loopbaan van Ate Dijkstra verliep niet alledaags. Op zijn achttiende werd hij computerprogrammeur om, na zeven jaar code schrijven, over te stappen naar het toch iets andere beroep van B-Verpleegkundige. Sinds 1979 119


werkt hij in de ouderenzorg. Na verschillende onderwijsen managementfuncties is hij nu directiesecretaris en beleidsadviseur bij Noorderbreedte. Ondertussen studeerde hij pedagogiek en dat leidde uiteindelijk tot zijn promotie in 1998 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarna ging zijn werk in de richting die hem uiteindelijk lector zou maken: ‘De laatste tien jaar is samen met collega’s uit verschillende Europese landen naar de psychometrie van

behoefte aan hulp en zorg in principe heel simpele ICTtoepassingen moeten kunnen ontwikkelen. Waarmee ik zelf in zekere zin weer terug ben bij mijn vroegere stiel als programmeur.’

Niet pluis

de CDS gekeken. Het onderzoek breidt zich nu uit over de wereld: Japan, Egypte, Indonesië. De CDS meting is onderdeel geworden van de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen in Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Nieuw Zeeland. De toetssteen waarom het gaat, de CDS, berust op eerder wetenschappelijk vastgestelde hiërarchieën van basisbehoeften, zoals die van Maslow. Door dat universele uitgangspunt is de schaal niet aan cultuur gebonden. Zelfs de leeftijd heeft geen invloed op metingen. Het is een goed instrument. De basis is OK. Dat impliceert dat je voor het screenen op

Dijkstra vervolgt: ‘Ik kon eind 2008 een deel van de uren van het Talma-lectoraat van Margo Brouns als associate lector overnemen. Er kwam een minor ‘Zorg in de digitale wereld’. Die gaat in 2010 van start, samen met het gelijknamige nieuwe lectoraat. Het Talma-lectoraat bood mij een mooie kans om in het kader van het Transitieprogramma in de Langdurende Zorg ‘Omkeer 2.0’ met TNO een op de CDS gebaseerde webtoepassing te ontwikkelen. Deze Zelfstandigheidstoets is nu in de lucht. Hij is bedoeld voor burgers in een bepaalde wijk die ouder worden en op zeker moment gaan voelen dat er iets in hun leven niet pluis is. Iemand kan iets niet meer of kan zich bepaalde zaken niet herinneren. Het kan ook zijn dat hun omgeving zich zorgen begint te maken. Dan komt de vraag op: waar sta ik nu en waar kan ik terecht? Je wilt weten wat er met je aan de hand is. De website is dan een soort spiegel. Het idee is dat zo iemand op de site aangeeft wat er speelt in het alledaagse leven. En als zij of hij dat niet zelf kan, of dan iemand anders het doet, familie bijvoorbeeld. Er zijn gezondheidsproblemen

120

121

Door het universele uitgangspunt is het instrument niet aan cultuur gebonden


en die hebben gevolgen voor het dagelijks leven. Die gevolgen meet je met de CDS. Desgewenst geeft de site advies voor ondersteuning die kan worden ingeschakeld.

In de zorg is mobiliteit de moeder van alle dingen Een andere op de CDS gebaseerde webtoepassing die genoemd moet worden is die van het elektronisch zorgleefplan. Zorgprofessionals (verzorgenden en verpleegkundigen) werkzaam binnen de sector van Verzorgings- en Verpleeghuizen (V&V-sector) worstelen sinds de introductie van de zorgzwaartebekostiging met de vraag hoe zij met elke cliënt op basis van haar of zijn zorgzwaartepakket afspraken moeten maken over precies de juiste hoeveelheid en soort zorg die past bij de situatie en de wensen. De voor dit probleem ontwikkelende webapplicatie is een voorbeeld van technologie die het werkproces ondersteunt. Samen met Lable – een MKB-bedrijf dat is ontstaan uit een leerbedrijf van de NHL afdeling Communicatie en Multimedia Design – is een webapplicatie ontwikkeld als onderdeel van een gedigitaliseerd zorgproces. Bij opname en vertaalt de zorgprofessional met de cliënt, of diens vertegenwoordiger, het zorgzwaar122

tepakket in een zorgleefplan en houdt het daarna bij op afgesproken evaluatiemomenten. Lable hanteert bij de bouw van webapplicaties de filosofie van co-creatie: innoveren samen met eindgebruikers in het bedenken en uitwerken van ideeën. Op deze wijze is samen met zorgprofessionals een webapplicatie gebouwd waarmee zij met één webpagina kunnen volstaan zonder te scrollen of door te klikken naar een ander scherm. In de vertaalslag speelt de Care Dependency Scale een centrale rol. In gedigitaliseerde vorm creëert hij voor zorgprofessionals de mogelijkheid zowel de zorgvraag als de mate waarin de cliënt daarbij afhankelijk is van anderen zichtbaar te maken. Daaruit komt een menu van activiteiten voort waaruit de cliënt kan kiezen om zo het leven te kunnen blijven leven zoals hij of zij dat gewend was.

Wii Net zo nuchter als Ate Dijkstra de behoefte aan zorg beziet, schat hij de mogelijkheden van samenwerking binnen de NHL Hogeschool in: ‘Aan maritiem denk ik bijvoorbeeld niet direct. Maar op het niveau van informatietechnologie valt wel één en ander te bedenken waar meer lectoraten elkaar in kunnen vinden. Komen we bij werkplekleren en serious gaming dan zie ik zeker kansen. En vergeet niet afdelingen als Communicatie & Multimedia Design, Bedrijfskundige informatica en Enginee123


ring’. Dijkstra blijkt een onvermoede kant op te denken: ‘In de zorg is mobiliteit de moeder van alle dingen. En daarmee bedoel ik motorische vaardigheid. Je zou applicaties kunnen ontwikkelen om fijne motoriek te oefenen. Wat met de Wii kan (de spelconsole van Nintendo waarmee je kunt tennissen, bowlen en luchtgitaar spelen) is nog vrij grof. Ik denk meer in de orde van een overhemdknoopje dichtdoen, alledaagse handelingen die net zo verfijnd zijn als bepaalde chirurgische ingrepen, of musiceren. Daarnaast zijn allerlei andere dingen nodig waaraan mensen behoefte kunnen hebben. Ik zie bijvoorbeeld dat hondje Aibo van Sony voor me. Daarmee wordt geëxperimenteerd in ouderenzorg. Er is nog een wereld aan nieuwe mogelijkheden te ontwikkelen. Overal duikt de computer op. Daarmee kan veel meer dan typen en googelen. Lectoren kunnen daarop inspelen met onderzoekprojecten.’

karakter. Bij een universiteit wordt kennis niet ontsloten naar directe toepassing in de praktijk.’ Een lectoraat brengt mensen bij elkaar. Een lectoraat is niet alleen de lector, maar ook de kenniskringleden, docenten en studenten. ‘Studenten heb ik leren kennen als een stel jonge honden, als leergierige en enthousiaste mensen die vaak met verrassende oplossingen komen’. Het lectoraat is uiteindelijk persoonsgebonden. ‘Je hebt die termijn van vier jaar, dus de vraag is telkens: genereert het genoeg kennis die duurzaam kan worden ontwikkeld? Dat is waar je op hoopt: dat jouw creativiteit iets toevoegt en dat men dan zegt: daar kan ik wat mee.’

‘Kijk dat is nu het mooie van een lectoraat, dat je tijd kunt besteden aan de verdere ontwikkeling van deze voorbeelden van webapplicaties, zoals het integreren van digitale zorgpaden.’ aldus Dijkstra. ‘Dat kun je innovatie noemen, zo’n term waarmee mensen graag aan de haal gaan, maar het komt in dit geval gewoon neer op een slimme manier kennis bruikbaar maken voor de praktijk. Dat is de kracht van hogescholen: toegepast onderzoek, anders dan een algemeen theoretisch onderwerp als psychometrie. Want dat heeft toch een meer universitair 124

125


Elkaar begrijpen Lectoraat Maatschappelijke Participatie door (Jonge) Mensen met een Licht Verstandelijke Beperking

126

127


Elkaar begrijpen Jelle Drost

Een hulpverlener is ook een persoonlijkheid

Sommige delen van het maatschappelijk weefsel zijn chronisch ontstoken door buitengewoon complexe voortsudderende problemen. Vaak spelen deze zich af in en rond gezinnen waarvan jonge mensen met een lichte verstandelijke beperking deel uitmaken. Het moeilijke van de aanpak zit hem misschien wel in die toevoeging ‘licht’. Dat zou je niet verwachten. Jelle Drost, die het lectoraat ‘Maatschappelijke participatie door (jonge) mensen met een licht verstandelijke beperking’ bekleedt, maakt duidelijk waarom dat zo is: ‘Je kunt niet in een oogopslag

Je moet echt bevlogen zijn zien dat iemand een lichte beperking heeft. Het valt als zodanig simpelweg niet op. Maar de gevolgen kunnen ernstig zijn: oplopende schulden, criminaliteit. Deze consequenties worden dan vervolgens vaak gevoed door onbegrip en een verkeerde opstelling van instanties die hierdoor zelf onderdeel gaan uitmaken van de problematiek van sociale ontwrichting. De organisatie die toegerust zou moeten zijn voor het oplossen van zulke per129


soonlijke en maatschappelijke problemen, is zo versnipperd in instanties met verschillende benaderingen, dat de kosten daarvan vaak bij lange na niet opwegen tegen de resultaten. Daar bestaan pijnlijke voorbeelden van. Mijn lectoraat bij de NHL samen met orthopedagogisch behandelcentrum Tjallinga Hiem is het eerste dat zich met dit onderwerp bezighoudt. We willen onderzoek doen om het systeem anders in te kunnen richten.’ Jelle Drost is van oorsprong sociaal pedagoog, maar eigenlijk was hij daarvoor eerst nog een tijd onderwijzer. Pedagogiek beviel hem meer dan lesgeven en hij stapte geleidelijk over van de school naar werken in justitiële jeugdinrichtingen. Hij vond dat zelf heel boeiend en het raakte hem diep, maar hij zag ook dat het voor sommige collega’s heel moeilijk is: ‘Het verloop is groot. Jeugdwerkers raken overspannen, want die kinderen zuigen je echt helemaal leeg. Als jongeren met problemen in zo’n instelling belanden vormen ze meteen al een uitgestoten club. Die jeugdinrichtingen zijn natuurlijk een noodzakelijk kwaad, maar hier in Nederland is het systeem echt onvoorstelbaar hard in vergelijking met landen om ons heen. Kinderen van pas twaalf jaar kunnen hier achter slot en grendel belanden. En dat willen ze nu ook nog eens naar tien jaar verlagen. Wat we hier niet allemaal uithalen met kinderen, ook met kinderen van uitgeprocedeerde asielzoekers. Maar je wilt toch wat proberen te veranderen 130

en dan moet je wel tegen frustraties kunnen. Sommige nieuwelingen in dit vak zijn binnen een week weg. Je moet echt bevlogen zijn. Tegelijk kijkt de buitenwereld voortdurend mee. Rekening houden met de media is niet makkelijk. In de pers wordt alles uitvergroot doordat ze vijf jaar ellende in een paar kolommen proppen. Aan de andere kant moet ik toegeven: publiciteit kan ook helpen om misstanden aan te pakken.’ Na de jaren van ervaring bij jeugdinrichtingen bekleedt Jelle Drost nu verschillende functies bij de Rijksuniversiteit Groningen. Maar hij blijft een bevlogen praktijkman.

Checkpoints ‘Bij de instellingen waar ik werkte waren de kinderen allemaal licht verstandelijk beperkt’, vervolgt Drost, ‘Al denk je als je het voor het eerst meemaakt, die lui zijn gewoon dwars. Wat er echt speelt wordt niet begrepen. Daar kwam ik steeds meer achter. Ze willen er gewoon bij horen maar door gebrek aan vaardigheid gaat dat vaak mis. Dan komt bijvoorbeeld zo’n jongen in een jeugdbende terecht en krijgt hij te horen: breek jij even in, dan passen wij wel op. En dat doet ie dan, gewoon om ergens bij te horen, maar zonder de gevolgen te kunnen overzien. Vervolgens wordt hij gepakt en krijgt het etiket ‘crimineel’, zonder echt te snappen wat er is gebeurd. Of 131


iemand bestelt een TV bij de Wehkamp via Internet – dat gaat heus wel – maar daarna denkt hij: Betalen? Ach, dat komt wel een keertje. Dan stokt de afbetaling, gewoon

doordat hij er niet aan denkt, en dan ontstaan schuldproblemen, waarover instanties waken die helemaal geen zicht hebben op wat er speelt.’ ‘Het zet zich ook door in de gezinnen eromheen. Dan kom je uit bij wat nu het ‘Multi Probleem Gezin’ wordt genoemd: de huidige term voor alle gezinnen met problemen waarmee niemand raad weet. Daar zit een lange maatschappelijke geschiedenis aan vast, met heropvoedingsexperimenten in Veenhuizen, zogenoemde ‘asocialen’ in de jaren ’50, tot en met de documentaire ‘De onrendabelen’ van Marcel van Dam vorig jaar. In mijn openbare les heb ik er meer over verteld. Dan is mijn vraag: wat is er eigenlijk precies aan de hand? Vaak blijkt veel te herleiden tot een kind met een lichte verstandelijke beperking. En niet

iedereen kan van nature goed kinderen opvoeden, laat staan een kind dat niet goed kan denken. Dan gaan dingen vanzelf mis. En daar moet je iets aan proberen te doen, in de vorm van huisvesting, werk, verzorging.’ ‘En dan is er heel veel versnippering. Ik ken het voorbeeld van een moeder en zoon met maar liefst 17 hulverleners eromheen. De moeder had er een dagtaak aan om er zo handig mogelijk van te profiteren. Uiteindelijk bleek dat met drie hulpverleners kon worden volstaan. En het kan erger. Soms lopen rond één probleemsituatie maar liefst 20 organisaties elkaar in de weg. Dat komt doordat identificatie van die beperking zo moeilijk is, terwijl voor elke consequentie wel een gespecialiseerde instantie bestaat. Speerpunt van mijn onderzoek is dan ook het ontwikkelen van een instrument dat het probleem eerder helpt signaleren.’ Bij de NHL zijn verschillende opleidingen die aan het onderzoek naar zo’n instrument bij kunnen dragen. Pedagogiek spreekt vanzelf. Voor kennis en leren is er de PABO, en HBO-V is er voor de medische kant. Drost: ‘ Want die is er ook. Denk maar aan de Tokkies: borderline en obesitas. Er komt heel veel bij kijken en het is vooral heel belangrijk dat studenten overzicht ontwikkelen. Versnippering komt door het ontbreken van hulpverleners die verder kijken dan één aspect. Studenten kunnen meedraaien in een onderzoek om zo’n instrument te maken. Dat hoeft niet meer te zijn dan een lijst met pakweg 20 checkpoints. Deze moet voortkomen uit clustering van de belangrijk-

132

133

Soms lopen rond één probleemsituatie 20 organisaties elkaar in de weg


ste punten uit de enorme vragenlijsten die je nu hebt. Het moet één simpele screening worden waarmee zorgverleners van verschillende disciplines overweg kunnen.’

Maatwerk Zo’n eenvoudig hulpmiddel kan het bepalen van noodzakelijke maatregelen vereenvoudigen, maar daarmee is de oplossing nog niet compleet. Jelle Drost legt uit: ‘Je kunt de zorg ook meer aan het individu toevertrouwen. Nu heb je meestal dat mensen keer op keer hetzelfde verhaal moeten vertellen aan een reeks verschillende hulpverleners. Maar je moet met je zorg zo’n gezin trouw blijven. Er wordt op dit moment geen rekening mee gehouden dat een hulpverlener ook een persoonlijkheid is en dat mensen aan elkaar moeten wennen. Wie er precies over de vloer komt is dan misschien wel belangrijker dan de kennis die zij of hij heeft. De één wordt in een gezin makkelijker geaccepteerd dan de ander. En dat heeft niets met de werkprocedure te maken. Er zijn er die het jaren heel goed doen. Die mensen gaan we interviewen. Dat is de tweede hoofdlijn in het onderzoek: wat zijn de kenmerken van goede hulpverleners en hoe herkennen gezinnen zo iemand?’ ‘Voor zulk toegepast onderzoek moet wel het niveau van de hogeschool omhoog. Het leuke is dat vanwege de diversiteit van vakken op de NHL er docenten in mijn ken134

niskring zitten met verstand van onderwerpen als huisvesting of veiligheid, waar ik zelf niets van weet. Zelf ben ik meer thuis in toegepast dan in fundamenteel onderzoek. Gelukkig heb ik een gepromoveerde docent in mijn kenniskring die me kan helpen. Om te zorgen dat de kennis blijft als mijn lectoraat afloopt wil ik over vier jaar een internationaal congres organiseren en een studieboek publiceren over de stand van zaken. Mijn werk is dan nog niet klaar. Het soort gezinnen waarover ik het heb heeft maatwerk nodig. Ik kan daaraan bijdragen.’

135


Nieuwe reikwijdte Lectoraat Open Innovatie

136

137


Nieuwe reikwijdte Peter Joore

Je kunt van alles ontwerpen en maken, maar wat voeg je eigenlijk toe?

Van innovatie is het meest typerende kenmerk dat daarbij grenzen worden overschreden. In elkaars specialisme rondneuzen op zoek naar inspirerende overeenkomsten, of een blik binnen de onderneming van een branchevreemde collega vergroot de kans op nieuwe ideeën en op onverwachte samenwerking. Het proces dat volgens dergelijke principes verloopt heet ‘Open Innovatie’ en het verdient het nader te worden verkend en uitgediept. De algemene term die Peter Joore, lector Open Innovatie, gebruikt voor de onderwerpen waarop hij zich bij de NHL wil richten is ‘socio-technische systemen’. In zo’n begrip zit de grensoverschrijding ingebakken. De samenstelling van het woord illustreert meteen ook dat het niet eenvoudig is die gewenste openheid te stimuleren. Verbeteraars uit verschillende werkvelden begrijpen maar al te goed dat ze elkaar nodig hebben, alleen, ze hebben andere voorkeuren, andere prioriteiten en ze spreken niet dezelfde taal. ‘Mensen uit het maatschappelijke werkveld zoeken oplossingen zelden in techniek en technici denken vaak al te utopisch, in producten die functioneren onder ideale omstandigheden. Daarom’, zegt Joore, ‘voel ik me op deze plek toch een soort missionaris.’

139


Die uitspraak is minder figuurlijk dan je van een lector Open Innovatie zou verwachten. Voordat hij bij de Technische Universiteit Delft Industrieel Ontwerpen ging studeren voelde Peter Joore zich aangetrokken tot vakken

Het gaat om een complex samenspel van technologie en diensten als psychologie en theologie. Maar hij koos voor wat hem toch het meeste aansprak: ‘Een stevige technische basis, gecombineerd met het creatieve scheppingsproces dat bij het ontwikkelen van nieuwe producten komt kijken, die combinatie sprak me aan.’ In de loop der jaren is de waaromvraag daarnaast weer steeds nadrukkelijker in beeld gekomen. Bij mij speelt de reden waarom wij op deze aarde zijn op de achtergrond toch steeds mee en dat raakt ook aan technologische ontwikkeling. Je kunt van alles ontwerpen en maken, maar in mijn opvatting zijn dan vragen essentieel als: Wat voeg je nou toe? Wordt de wereld hier beter van? Wie heeft hier iets aan? Juist bij het toepassen van baanbrekende nieuwe technologie speelt deze vraag een nadrukkelijke rol. Er is nog geen gebaande weg en de techniek moet haar bete140

kenis als het ware nog ‘ontdekken’, omdat niemand nog weet hoe ze hoort te worden toegepast. Daarbij wordt ik vooral geïnspireerd door de collectieve meerwaarde die innovatie kan opleveren, en minder door gadgets en dat soort dingen.’ Voor Joore naar Leeuwarden kwam werkte hij als senior onderzoeker en business consultant bij TNO in Eindhoven en daar kon hij met deze inzet uit de voeten: ‘TNO werkt in brede clusters, bijvoorbeeld gezondheid en beweging. Daar is bijvoorbeeld MakeMeMove ontwikkeld. Het is een speelvloer voor kinderen op straat, met oplichtende tegels die ook als grote toetsen functioneren. Het werkt als een computergame. Je kunt een spel bedienen door telkens op andere tegels te springen en je kunt er verschillende spelletjes in programmeren. MakeMeMove zet kinderen ludiek aan tot bewegen en daarmee kun je weer iets doen tegen overgewicht.’

Overbrugging Het is een duidelijk voorbeeld van de manier waarop techniek zich laat toepassen om menselijk gedrag ten goede te keren en daarmee van Joores sociale interpretatie van het begrip Open Innovatie. Van oorsprong ging het bij Open Innovatie om kennisuitwisseling tussen grote multinationals. De over en weer toegankelijke hou141


ding werd ingegeven door de trend dat technologische ontwikkelingen tegenwoordig zo snel gaan dat geen enkel bedrijf, zelfs geen multinational, alles in eigen huis kan uitvoeren. Bovendien bleek dat de eigen organisatie vaak niet de beste plek was om baanbrekende nieuwe ideeën succesvol toe te passen, maar dat veel beter daarbuiten tot hun recht konden komen. Een benadering die bovendien veel meer geld bleek te kunnen opleveren. Productontwikkeling ontsnapte kortom uit de gesloten bedrijfscultuur en kreeg vorm in netwerken. De lector Open Innovatie kijkt nog verder en zoekt nadrukkelijk naar een match tussen de techniek die je in huis hebt en een maatschappelijke vraag. En de manier waarop je die tot leven wekt. Peter Joore beschrijft nog een voorbeeld van TNO: ‘De maatschappij krijgt steeds meer te maken met vergrijzing. Dat impliceert dat er meer demente ouderen zullen zijn en zij raken soms aan het dwalen. Vanuit het gezichtspunt van zorg kan het een enorm probleem zijn als iemand zoek raakt, maar met de technologie van nu kun je een verdwaalde oudere gemakkelijk volgen, via GPS. En daar heb je dan een socio-technisch systeem. Iedereen die betrokken is bij de ontwikkeling is er enthousiast over, maar daarmee ben je er nog niet. Het gaat namelijk niet om de introductie van één nieuw product maar om een complex samenspel van technologie en diensten. Wie reageert er als een persoon gaat dwalen? Is dat de verzorgende, de mantelzorger, de arts, of de politie? En hoe zit het

met de verantwoordelijkheid als het toch mis gaat, bijvoorbeeld als het systeem een verkeerde locatie heeft aangegeven? Je kan dan moeilijk de GPS-satelliet de schuld geven. Het risico is dat de techniek wellicht een schijnveiligheid creëert, waardoor het gevaar juist toeneemt. Bovendien is onduidelijk wie er voor de kosten van het systeem opdraait. Zorgverzekeraars zijn niet zo happig op het vergoeden van nieuwe technologie, zeker niet als het om preventieve maatregelen gaat. In abstracte zin gaat het er om dat je kijkt welke bruggen je moet slaan. Wie moet er met wie aan tafel om te zorgen dat het hele socio-technische systeem, techniek en mens samen, straks succesvol functioneert.

142

143

Het creatieve proces Daarmee is de NHL nog niet tot het samenspel doorgedrongen. Peter Joore vervolgt: ‘Er zijn inderdaad meer partijen die bij Open Innovatie betrokken zijn. Dat is het nieuwe aan dit lectoraat. Want behalve met bedrijven heb je ook te maken met maatschappelijke organisaties, zoals zorginstellingen, de overheid met al haar verschillende taken, zoals kustbescherming, veiligheid, en kennisinstellingen, waarvan de NHL er in vlot tempo ook eentje aan het worden is. Die horen allemaal bij dat netwerk waarin innovatie plaatsvindt.’ ‘Zoiets groots centraal aansturen is geen optie, maar er bestaat wel een soort


gemeenschappelijke visie op grond waarvan al doende beslissingen worden genomen. De kunst is om die te identificeren en tot innovatiedoel te maken. Daarna komen vragen aan bod over wie welk initiatief neemt en wat dat dan inhoudt. Wie onderneemt wat. We hebben elkaar allemaal nodig, want we worden er allemaal beter van. Hoewel ik eerlijkheidshalve moet bekennen dat ik het toch ook wel leuk vind als een nieuw product goed verkoopt.’

De kunst is om de juiste visie te identificeren en tot innovatiedoel te maken

door de grenzen van onze eigen organisatie heen te breken. De verbindende schakel is vooral de manier waarop we dergelijke innovatieprojecten kunnen aanpakken. Het systematisch werken volgens de stappen van het innovatieproces, dat is waar ik me hard voor wil maken. Of het nu gaat om het ontwikkelen van een nieuwe boot op zonne-energie met het kenniscentrum Jachtbouw, of om een website waarmee middelbare scholieren met leeftijdgenoten aan de andere kant van de wereld kunnen ‘chatten’, zoals bij het My-SchoolsNetwork. Er gebeuren hier al zoveel geweldige dingen. De uitdaging is hoe we dit aan elkaar kunnen verbinden zodat wijzelf en onze omgeving hier nog veel meer van kunnen profiteren.

En dan komen we uit bij de kern van mijn bijdrage aan deze hogeschool en dat is dat wervelende proces van oplossingen bedenken en proberen, van abstract systeemniveau tot technisch detail, net zo lang tot het allemaal werkt. In het begrijpen van dat creatieve proces ben ik goed. Daarbij heeft de NHL op zoveel gebieden kennis in huis, van techniek tot zorg en welzijn en van economie en management tot pedagogiek. Intern is de uitdaging om samen te werken minstens zo groot als buitenshuis. Toch lukt het steeds beter om 144

145


Nu op weg naar 2020


Het ‘Nieuwe Leeuwarden’ Het begon in een tuin. Aan het begin van dit boekje hebben we onderzoek vergeleken met een tuin. De uitvoering is daar gepresenteerd als plant-, snoei- en oogstproces waarbij we zaadjes van kennis in de grond stoppen, laten opgroeien om tenslotte te kunnen genieten van de vruchten die zij voortbrengt. De menselijke geschiedenis begon ook in een tuin, ook wel de ‘hof van Eden’ genoemd. Er stonden daar heerlijke fruitbomen en er waren slechts twee bewoners die hier van konden genieten (nee, van burenruzies hadden ze toen nog geen last). In het midden van de tuin stond de boom van de kennis van goed en kwaad. Nadat de mens daarvan gegeten had werd duidelijk dat deze kennis erg gevaarlijk kan zijn. Kennis is macht, maar zij gaat gepaard met de onmacht om de consequenties ervan – destructie, vervuiling – op hun juiste waarde in te schatten en vervolgens te voorkomen. Als we om ons heen kijken zien we elke dag de resultaten van wat we weten. Sommige mensen kijken daarom nostalgisch terug naar de ideale situatie in het Paradijs, en zoeken een weg om daar weer terug te komen. Maar die is er niet. Wij hebben nu eenmaal van de vrucht van de kennisboom gegeten en kunnen niet meer ‘ontleren’ wat we weten, hoe graag we dat soms ook zouden willen. De snelbus rijdt en we kunnen hem niet meer tegenhouden. Nieuwe kennis is de brandstof die dit mensenvoertuig, zeker de laatste honderd jaar, 149


steeds meer aan snelheid laat winnen. Zijn we onderweg naar de afgrond? Dat is niet noodzakelijk. De bus heeft geen rem, maar wij zitten wel zelf aan het stuur van onze ontwikkeling en dat werkt nog, dus dat is goed nieuws. Het ‘Nieuwe Jeruzalem’. Dit boekje is opgebouwd uit elf interviews van Ed van Hinte, waaronder een interview met mijzelf. Daarin werd al duidelijk dat ik een zekere affiniteit met het geloof heb, maar sta me toe om daar nog iets dieper op in te gaan. De NHL heeft tenslotte ook een opleiding Godsdienst en Pastoraal Werk in huis, dus dat moet kunnen. Het punt dat ik wil maken is dit: De geschiedenis begon weliswaar ooit met een tuin, maar zij eindigt met een stad. In het laatste hoofdstuk van het Bijbelboek Openbaringen staat dit beschreven onder de titel ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. In het midden ligt het Nieuwe Jeruzalem, een stad van ‘zuiver goud, en zo doorzichtig als glas’ (de NHL was blijkbaar niet de eerste die van transparante muren hield), gebouwd op een fundament van twaalf soorten edelstenen: diamant, lazuursteen, robijn, smaragd, sardonyx, sardius, topaas, beryl, chrysoliet, chrysopraas, saffier en amethist. Het is goed toeven in de stad, omdat er daar geen dood, geen verdriet, geen rouw en geen pijn meer zal zijn. Die dingen horen bij de oude wereld die voorbij is. Iedereen wordt uitgenodigd om te komen, zijn kleren schoon te wassen en gratis te drinken van het water dat leven geeft.

150

Het ‘Nieuwe Leeuwarden’. Nu de vergelijking met het hier en nu en met het onderzoek van de NHL. Zoals u heeft kunnen zien is er bij elk interview ook een tekening gemaakt die laat zien waar het desbetreffende lectoraat voor staat. Bij mijn eigen verhaal staat een tekening van een kleine wereldbol, die de aarde verbeeldt waarop we nu wonen. Daarboven staat nog een soort wereldbol, maar nu met een glazen stolp er overheen. Raketjes vliegen heen en weer tussen de aarde en de nieuwe 151


wereld. Deze is opgebouwd uit kleine bolletjes, waartussen zich verbindende trappetjes bevinden. Als we goed kijken zien we dat elk van deze bolletjes één van de andere lectoraten representeert. Het geheel is tenslotte gebouwd op een stevige basis, de NHL Hogeschool. Dat is het rotsachtige fundament onder de glazen koepel. Wat is nu de analogie met het Nieuwe Jeruzalem? De diamanten waar die stad op is gebouwd zijn te vergelijken met de waardevolle kennis die de hogeschool in huis heeft. En op dit fundament kunnen we verder bouwen. Belangrijk aandachtspunt is hierbij het verbinden. Die ideale wereld, het ‘Nieuwe Leeuwarden’ zullen we het maar noemen, is te bereiken door samenwerking. Daarbij weet iedereen weliswaar veel van een bepaald specialistisch gebied, maar wordt deze kennis niet in afgeslotenheid toegepast. Dat werkt namelijk niet meer in een tijd waar ‘enkelvoudige problemen’ tot het verleden behoren en nagenoeg altijd sectoroverschrijdend van aard zijn. Daarom moet kennis ook sectoroverschrijdend worden toegepast om deze vraagstukken het hoofd te kunnen bieden. Dat zien we ook terug in onze lectoraten. Siemen Veenstra die werkt aan een interactieve watermanagement game, Wouter Stol die de ontwikkelingen op het internet en openbare veiligheid verbindt, Ate Dijkstra die de relatie tussen zorg en welzijn en de digitale wereld legt en ga zo maar door. Kortom, er moeten verbindingen worden gelegd om samen te bouwen aan de wereld van morgen.

Ontbrekende kennis. Een volgend punt betreft het getal twaalf, dat een symbolische waarde in zich heeft. Het nieuwe Jeruzalem is gebouwd op twaalf fundamenten, een getal dat aangeeft aan dat de boel compleet is. Het is af. Maar in dit boekje staan slechts elf lectoraten beschreven. Misschien hadden het er eigenlijk twaalf moeten zijn, maar dat is door toevallige omstandigheden niet het geval. Juist dat levert wel een mooie symboliek op. Er mist namelijk nog wat aan het geheel. Het is niet af. We zijn nog niet klaar. En die constatering is correct. Het werk van de NHL lectoraten is nog niet af. Het aantal dat je nodig hebt voor een sterke uitgangspositie is nog niet compleet. Er is nog heel veel werk aan de winkel. In de vorm van nieuwe lectoraten opzetten, nieuwe onderzoeksplannen ontwikkelen, nieuwe samenwerkingsverbanden aangaan. Want we leven nog niet in de stad met gouden muren, maar in het Nederland van hier en nu met de missie om daar ons steentje bij te dragen aan de lokale en regionale ontwikkeling van de maatschappij. En dat willen we als NHL dan ook doen. Door het ontwikkelen van nieuwe kennis willen we helpen bij het bouwen van de nieuwe stad, het ‘Nieuwe Leeuwarden’, het ‘Nieuwe Friesland’ en het ‘Nieuwe Nederland’. Wat daarvoor nodig is weten we op dit moment nog niet precies. We hebben elkaar nodig om de juiste vragen te stellen en te werken aan de juiste antwoorden. In de vorm van nieuwe kennis, die wij graag samen met elkaar en met anderen willen opbouwen.

152

153


De kennisfontein. In het inleidende hoofdstuk werd al de vergelijking gemaakt met de NHL als ‘kennisfontein’. Geworteld in het noorden van Nederland, maar met een reikwijdte die veel verder gaat dan dat. We willen onze kennis graag als water verspreiden over de wereld, met hopelijk vruchtbare nieuwe ontwikkelingen als gevolg. Water kan groei opleveren, inzicht geven, helpen om voorspoed te bereiken, dingen schoon te wassen, je kunt het drinken. Het is kortom een echt multifunctioneel goedje. En het kost nagenoeg niets. De bij de NHL Hogeschool 154

aanwezige kennis is in veel gevallen ook gratis of in ieder geval voor een bescheiden vergoeding te verkrijgen (over eventuele ‘Intellectual Property Rights’ hebben we het later wel). Wat u daarvoor moet doen is naar ons toe komen met uw vragen, problemen en uitdagingen. Wij hebben in dit boekje geprobeerd een beeld te schetsen van de huidige activiteiten van de lectoraten van de NHL. En de hogeschool doet natuurlijk nog heel veel meer dan dat. Nu is de beurt aan u om te vertellen wat er verder nog nodig is aan nieuwe kennis, bijvoorbeeld om jongeren blijvend aan onze regio te binden of in te spelen op teruglopende bevolkingsaantallen op het platteland. Het kan ook kennis zijn om economische activiteit en nieuwe werkgelegenheid te scheppen door het tot stand brengen van technologische en organisatorische innovatie. Kortom, het is kennis om onze omgeving ‘leefbaar’ te maken en te houden en waarvan we weten dat de basis altijd ligt in samenwerking. Om te beginnen tussen lectoraten onderling en tussen afdelingen en instituten op de hogeschool zelf (ja, ook wij hebben nog steeds onze interne muurtjes en scheidslijnen). Maar daarbuiten gaat het om samenwerking met overheid, met bedrijfsleven, met maatschappelijke organisaties en met andere kennis- en onderwijsinstellingen. Om straks weer een boekje te kunnen schrijven over wat er tussen 2010 en 2020 is bereikt. Wordt vervolgd. Peter Joore 155


Colofon Dit boek is een initiatief van de gezamenlijke lectoraten van de NHL Hogeschool en is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van Peter Joore, lector Open Innovatie en coÜrdinerend lector. Tekst en redactie: Ed van Hinte Eindredactie: Peter Joore Ontwerp: Studio Renate Boere, Renate Boere en Amy Wu Drukwerk: Ando bv Handboekbinderij: Bronsgeest-HABI ISBN: 9789081534420 Met dank aan Margo Brouns, Ate Dijkstra, Jelle Drost, Evelyn Finnema, Hans Hummel, Wierd Koops, Johan Mekkes, Alex Riemersma, Wouter Stol, Siemen Veenstra en het college van bestuur Š 2010 Ed van Hinte, Studio Renate Boere NHL Hogeschool, Leeuwarden www.nhl.nl



Duidelijk Beter