Page 1

Gebruikershandleiding N

1

• DSP analoge modellering synthesizer en vocoder van hoge kwaliteit • 128 programma’s, van klassiek analoog tot moderne dance geluiden • Geluiden zijn op muzikaal genre gegroepeerd, waardoor gemakkelijk toegankelijk • Snel en eenvoudig te bewerken, dankzij vijf ‘Performance Edit’ knoppen • Lichtgewicht, compact en op batterijen werkend voor gebruik met computers en op het podium • Bevat een microfoon, zodat u direct plezier kunt hebben van de ingebouwde vocoder


ii


Voorzorgsmaatregelen

Data behandeling

Plaatsing Wanneer het apparaat op de volgende locaties wordt gebruikt, kunnen storingen ontstaan: • In direct zonlicht • Locaties, waar een extreme temperatuur of vochtigheid heerst • Overmatig stoffige of vieze locaties • Locaties, waar zich overmatige trillingen voordoen • In de buurt van magnetische velden

Stroomvoorziening Sluit het netsnoer op een stopcontact met een juist voltage aan. Sluit het niet aan op een stopcontact met een ander voltage dan waar uw apparaat voor bedoeld is.

Storingen met andere elektrische apparaten Dichtbij geplaatste radio’s en televisietoestellen kunnen storingen in de ontvangst ondervinden. Gebruik dit apparaat op gepaste afstand van radio’s en televisies.

CE merk voor Europese Geharmoniseerde Normen Het CE merk, dat tot en met 31 december 1996 aan onze op stroom werkende producten bevestigd is, betekent dat deze in overeenstemming met EMC Richtlijn (89/336/EEC) en CE merk Richtlijn (93/68/EEC) zijn. Het CE merk dat na 1 januari 1997 bevestigd is, betekent dat deze apparaten in overeenstemming met EMC Richtlijn (89/336/EEC), CE merk Richtlijn (93/68/EEC), en Laag Voltage Richtlijn (72/23/EEC) zijn. Tevens betekent het CE merk dat aan de op batterijen werkende apparaten van ons bedrijf is bevestigd, dat deze apparaten conform de EMC Richtlijn (89/336/EEC) en CE merk Richtlijn (93/68/EEC) zijn.

Door onverwachte storingen kan tot verlies van de geheugeninhoud leiden. Zorg daarom, dat u belangrijke data op een extern apparaat opslaat. Korg is niet verantwoordelijk voor verlies of schade, opgelopen door dataverlies.

Drukafspraken in deze handleiding Knoppen en toetsen vetgedrukt Knoppen en toetsen op het paneel van de microKORG worden vet gedrukt.

Parameters " " Parameters staan tussen "aanhalingstekens."

Symbolen

,

,

Met deze symbolen worden respectievelijk waarschuwingen, advies, en aan MIDI gerelateerde uitleg aangegeven.

Behandeling Om schade aan schakelaars of regelaars te voorkomen, behandelt u deze voorzichtig.

Onderhoud Als de buitenkant vies wordt, neem deze dan met een schone, droge doek af. Gebruik geen vloeibare schoonmaakmiddelen, zoals benzeen of verdunners, vermengde schoonmaakmiddelen of brandbare poetsmiddelen.

Bewaar deze handleiding Nadat u deze handleiding heeft gelezen, bewaart u deze om er later aan te kunnen refereren.

Dingen, die er niet horen, uit uw apparatuur houden Zet niets dat vloeistof bevat in de buurt van dit apparaat. Als er vloeistof in het apparaat terechtkomt, kan het stukgaan of brand of elektrische schok veroorzaken. Let op dat er geen metalen objecten in het apparaat terechtkomen. Mocht er wel iets in het apparaat vallen, haalt u de stekker uit het stopcontact. Neem dan contact op met uw Korg handelaar of met de winkel, waar u de apparatuur kocht.

Aan MIDI gerelateerde uitleg CC# wordt gebruikt als afkorting van Control Change nummer. Bij aan MIDI gerelateerde uitleg staan de nummers tussen vierkante haakjes [ ] in hexadecimale notatie.

Beeldscherm indicaties De numerieke waardes van verscheidene parameters, die u in deze handleiding tegenkomt, dienen slechts ter illustratie. Deze hoeven niet noodzakelijk overeen te komen met hetgeen er werkelijk in het beeldscherm van uw microKORG verschijnt.

Knop posities en parameters De knop posities en parameterwaardes die in deze handleiding staan (p.16 en verder) zijn slechts benaderingen. Er kunnen kleine verschillen tussen knop posities en parameterwaardes zijn.

*

Bedrijfsnamen, productnamen en namen van formaten enz. zijn de handelsmerken of geregistreerde handelsmerken van hun respectievelijke eigenaars.

iii


Dank u voor het aanschaffen van de synthesizer/ vocoder. Om van probleemloos en plezierig gebruik van dit apparaat te verzekerd te zijn, leest u deze handleiding zorgvuldig door, en gebruikt u het product op de juiste wijze.

Voorzorgsmaatregelen ......................................................................1 Data behandeling............................................................................iii

Inhoud Snelle start ......................................................7 Hier wordt uitgelegd hoe u met het gebruik van de microKORG begint (de demo’s beluisteren, programma’s selecteren, de arpeggiator en uitvoeringsfuncties gebruiken) en basisbewerkingen uitvoert.

Drukafspraken in de handleiding ........................................................iii

Demosongs ....................................................................................7 De demosongs beluisteren......................................................................................7

Introduction ....................................................1

Synth programma’s ..........................................................................8 1. Een programma selecteren en spelen ..............................................................8 2. Het geluid wijzigen............................................................................................8

Hier worden de eigenschappen van de microKORG, en de namen en functies van elk onderdeel uitgelegd.

Hoofdkenmerken..............................................................................1 Voor en achterpaneel ........................................................................2 Voorpaneel........................................................................................................2 Achterpaneel ....................................................................................................4

Vocoderprogramma’s ......................................................................10 1. Een vocoderprogramma spelen ......................................................................10 2. Het geluid wijzigen..........................................................................................10 Arpeggiator ..................................................................................11 De arpeggiator gebruiken......................................................................................11

Bewerking......................................................12 Voorbereidingen................................................5 Hier wordt uitgelegd hoe externe geluidsapparaten en de bijgeleverde microfoon worden aangesloten, en hoe de stroom wordt aangesloten.

Aansluitingen..................................................................................5 Aansluitingen vanuit de geluidsuitgangen ..............................................................5 Aansluitingen naar de geluidsingangen ..................................................................5 Aansluitingen naar MIDI apparatuur/computers ....................................................5 De bijgeleverde microfoon aansluiten ....................................................................5 De stroom aanzetten ........................................................................6 1. Stroomvoorziening ..........................................................................................6 2. De stroom aanzetten ........................................................................................6 3. De stroom uitzetten ..........................................................................................6

iv

Hier vindt u alles dat u moet weten voor het bewerken van geluiden op de microKORG.

Basisbewerking..............................................................................12 Basis bewerkingsprocedure ..................................................................................12 Ieder timbre bewerken ..........................................................................................14

Een synth programma bewerken ..........................15 Hier worden de functies van de synth programma parameters uitgelegd, die met edit control knoppen 1-5 voor de corresponderende instelling van de EDIT SELECT 1/2 knoppen worden aangepast.

De structuur van een synth programma ................................................15 Overzicht ..............................................................................................................15


Inhoud 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 12.

VOICE — SYNTH/VOCODER ..................................................................................16 PITCH — SYNTH/VOCODER ..................................................................................17 OSC1 (Oscillator 1) — SYNTH/VOCODER ..............................................................18 OSC2 (Oscillator 2) — SYNTH..............................................................................22 MIXER — SYNTH ................................................................................................23 FILTER — SYNTH ................................................................................................24 FILTER EG — SYNTH ............................................................................................26 AMP — SYNTH ....................................................................................................27 AMP EG — SYNTH/VOCODER ................................................................................28 LFO 1, 11. LFO 2 — SYNTH/VOCODER ..................................................................29 PATCH 1, 13. PATCH 2, 14. PATCH 3, 15. PATCH 4 — SYNTH ............................30

De effecten en EQ bewerken................................39 Hier worden de functies van de effect en EQ parameters uitgelegd, die met edit control knoppen 1-5 voor de corresponderende instelling van de EDIT SELECT 1/2 knoppen worden aangepast.

De effectstructuur van de microKORG ..................................................39 Overzicht ..............................................................................................................39 16. MOD FX — SYNTH/VOCODER ................................................................................40 17. DELAY — SYNTH/VOCODER ..................................................................................41 18. EQ — SYNTH/VOCODER ........................................................................................42

De arpeggiator bewerken ..................................43 Een vocoder programma bewerken........................31 Hier worden de functies van de vocoderprogramma parameters uitgelegd, die met edit control knoppen 1-5 voor de corresponderende instelling van de EDIT SELECT 1/2 knoppen worden aangepast.

De structuur van een vocoder programma..............................................31 Overzicht ..............................................................................................................31 1. VOICE — SYNTH/VOCODER......................................................................................32 2. PITCH — SYNTH/VOCODER......................................................................................32 3. OSC1 — SYNTH/VOCODER ......................................................................................32 4. AUDIO IN 1 — VOCODER ........................................................................................33 5. MIXER — VOCODER ..............................................................................................34 6. FILTER — VOCODER ..............................................................................................35 7. FC MOD — VOCODER ............................................................................................36 8. AMP — VOCODER ..................................................................................................37 9. AMP EG — SYNTH/VOCODER ..................................................................................37 10. LFO 1, 11. LFO 2 — SYNTH/VOCODER ..................................................................37 12. CH LEVEL A, 13. CH LEVEL B — VOCODER ........................................................38 14. CH PAN A, 15. CH PAN B — VOCODER ................................................................38

Hier worden de functies van de arpeggiator parameters uitgelegd, die met edit control knoppen 1-5 voor de corresponderende instelling van de EDIT SELECT 1/2 knoppen worden aangepast.

De structuur van de arpeggiator ..........................................................43 Overzicht ..............................................................................................................43 19. ARPEG. A — SYNTH/VOCODER ..............................................................................44 20. ARPEG. B — SYNTH/VOCODER ..............................................................................45

Globale instellingen (GLOBAL) ............................46 Hier worden de functies van de Global parameters uitgelegd, die met edit control knoppen 1-5 voor de corresponderende instelling van de EDIT SELECT 1/2 knoppen worden aangepast.

GLOBAL structuur ..........................................................................46 Overzicht ........................................................................................................46 21. GLOBAL ..............................................................................................................47

v


Inhoud De microKORG met andere MIDI apparaten gebruiken (MIDI).. 48 Hier wordt uitgelegd, hoe aansluitingen met andere MIDI apparaten gemaakt kunnen worden. Ook wordt de functie van de MIDI parameters uitgelegd, die met edit control knoppen 1-5 voor de corresponderende instelling van de EDIT SELECT 1/2 knoppen worden aangepast.

De fabrieksinstellingen herstellen..............................................................................63 Schrijfbeveiligingsinstelling ......................................................................................63 Overige SHIFT toets functies ....................................................................................64

MIDI op de microKORG ....................................................................48 Overzicht ..............................................................................................................48 MIDI apparaten/computers aansluiten ..................................................................48 Aan MIDI gerelateerde instellingen na aansluiting ................................................49

Appendix ......................................................65

22. MIDI ....................................................................................................................51 Berichten, die door de microKORG verzonden en ontvangen worden..............52

LFO 1/2 en delaytijd synchronisatie ..........................................................................65 Probleemoplossing ..................................................................................................66 Specificaties en opties ..............................................................................................67 Index ........................................................................................................................68

Data opslaan ..................................................58 Legt uit, hoe u een programma of door u bewerkte Globale instellingen kunt opslaan.

Uw bewerkte instellingen opslaan ......................................................58 Een programma opslaan ......................................................................................58 GLOBAL, MIDI en SHIFT functie instellingen opslaan ..........................................58

SHIFT functies ................................................59 Uitleg over functies die de SHIFT toets gebruiken, zoals het initialiseren van een programma en het herstellen van de fabrieksinstellingen.

Timbres kopiĂŤren en uitwisselen - SYNTH................................................................59 Een programma initialiseren ....................................................................................59 CH LEVEL en CH PAN - VOCODER initialiseren ........................................................60 MIDI Filter ................................................................................................................60 Control changes toewijzen ........................................................................................61

vi

Data dump ................................................................................................................62

Hier vindt u een controlelijst voor probleemoplossing en andere informatie, zoals de specificaties van de microKORG.


Hoofdkenmerken

1. Analoge modellerende synthesizer

3. 128 ingebouwde programma’s

Het analoge modelleringsysteem van de microKORG maakt gebruik van DSP technologie voor simulatie van een analoge synthesizer. Te beginnen met een verscheidenheid aan verschillende oscillator algoritmes (zoals de zaagtand en vierkante golven, bekend bij gebruikers van analoge synthesizers), kunt u de diverse regelaars op het voorpaneel gebruiken om ieder geluid te bewerken of uw eigen geluiden te creëren. Alle geluidsparameters zijn in “secties” ondergebracht. Als u de passende sectie selecteert en aan de juiste knop draait, kunt u de geluiden snel, gemakkelijk en intuïtief bewerken. Tevens kan het geluid in realtime worden aangepast, terwijl u het uitvoert.

De microKORG bevat 128 ingebouwde programma’s. Vanuit de fabriek bevatten de TRANCE-S.E./HIT banken 112 synth programma’s en de VOCODER bank 16 vocoderprogramma’s.

Aantal timbres:

maximaal 2 (indien layer wordt gebruikt)

5.Virtuele Patch functie

Maximale polyfonie:

4 stemmen

Modulators en regelaars zoals filter EG, amp EG, LFO1/2, keyboard tracking en wiel kunnen virtueel op parameters zoals pitch, cutoff en amp worden toegepast (zonder gebruik van werkelijke patch kabels). Dit geeft u nog meer creatieve flexibiliteit.

Structuur:

2 oscillatoren + noise generator: zaagtand golfvorm, vierkante golfvorm, driehoek golfvorm, sinus golfvorm, Vox golfvorm, DWGS x 64, Noise, Audio In (acht types) PWM functie, OSC Sync functie, Ring Mod. functie, OSC Sync + Ring Mod. functie, Multimode filters: -24 dB/oct LPF, -12 dB/oct LPF, -12 dB/oct BPF, -12 dB/oct HPF (vier types), Filter EQ, Amp EG, LFO1, LFO2 (LFO: zes golfvormen, kunnen aan de arpeggiator of de externe MIDI klok worden gesynchroniseerd).

2. Vocoder U kunt een microfoon op één van de AUDIO IN 1 jacks van de microKORG aansluiten, en deze als een vocoder gebruiken - een apparaat dat het karakter spectrum van een stem (of ander geluidssignaal) aan het geluid van een oscillator voorschrijft, waardoor de indruk dat de oscillator lijkt te spreken wordt geproduceerd. De vocoder bestaat uit acht kanalen (zestien filters, in paren gebruikt). Naast het simuleren van de geluiden van klassieke vocoder apparaten kunt u de filter frequentie veranderen, en het niveau en de pan van elke band aanpassen om originele vocoder geluiden te creëren. Maximale polyfonie: Structuur:

4 stemmen

Kenmerken Introductie

Introductie

4. De golfvorm van een externe ingangsbron verwerken De golfvorm van een externe ingangsbron kan via de AUDIO IN 1 en 2 jacks ingevoerd en op dezelfde manier verwerkt worden als de interne golfvormen.

6. Effecten om het geluid helemaal af te maken Voor nog meer mogelijkheden biedt de microKORG drie type modulatie effecten, drie type delay en een equalizer. Het delay effect kan met de arpeggiator of een externe MIDI klok gesynchroniseerd worden, waardoor talloze toepassingen tijdens live optredens mogelijk zijn.

7. Step Arpeggiator Met de arpeggiator van de microKORG kunt u een arpeggio produceren, simpelweg door een akkoord ingedrukt te houden. U kunt kiezen uit zes arpeggio types, de tijdsduur en tussenruimtes van de arpeggio noten aanpassen. Ook kunt u voor maximaal acht stappen aangeven of een noot aan of uit is, waardoor u een brede reeks gemodificeerde ritmes en andere effecten kunt creëren.

8-kanaals vocoder, aanpasbare level/pan voor elk kanaal, Formant Shift functie, 1 oscillator + noise generator (acht types), Filter EG, Amp EG, LFO1, LFO2 (LFO: zes golfvormen, kunnen aan de arpeggiator of de externe MIDI klok worden gesynchroniseerd).

1


Voor- en achterpaneel Voorpaneel Onderdelen op het voorpaneel, die met de Vocoder te maken hebben, zijn groen gedrukt.

VOLUME knop Past het volume van de uitvoer via de OUTPUT jacks (L/MONO, R) en de koptelefoon jack aan.

AUDIO IN 1/2 LEDs Deze zullen oplichten als een signaal op de AUDIO IN jacks wordt ingevoerd. Ze zullen oplichten wanneer een invoeroverbelasting optreedt.

ARPEGGIATOR ON/OFF toets Schakelt de arpeggiator aan/uit. (Als deze aanstaat, zal de LED van de toets verlicht zijn).

Beeldscherm Geeft het huidige programmanummer, de waarde van de geselecteerde parameter of diverse andere berichten aan. WRITE toets Hiermee wordt een bewerkt programma of globale instelling opgeslagen . (➝p.58)

ARPEGGIATOR TEMPO LED Knippert op het tempo van de arpeggiator uitvoering. Als MIDI CLOCK op External staat en MIDI Clock data via de MIDI IN aansluiting wordt ontvangen, knippert deze LED op dat tempo.

SHIFT toets Als u deze toets ingedrukt houdt en een andere toets indrukt, krijgt u toegang tot verscheidene utility functies (➝p.59), Deze toets, indien verlicht, functioneert tevens als een EDIT toets, waarmee de huidige status verlaten kan worden.

OCTAVE SHIFT UP, DOWN toetsen Verschuift de toonhoogte van het toetsenbord in stappen van een octaaf, over een reeks van +/- 3. PITCH wiel Regelt de toonhoogte. MOD wiel Regelt de modulatiediepte.

2

BANK SELECT draaiknop Selecteert de programmabank.

BANK SIDE toets Schakelt tussen de twee kanten van elke programmabank. (De indicator is uit als kant A is geselecteerd, en verlicht als kant B is geselecteerd). Deze indicator knippert, wanneer de microKORG een MIDI program change ontvangt, of wanneer de BANK SELECT draaiknop niet meer met de werkelijke bank overeenkomt.

PROGRAM NUMBER 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 toetsen Selecteer programmanummers (de LED van de geselecteerde toets zal oplichten). U kunt deze toetsen ook gebruiken om de acht stappen van de arpeggiator aan of uit te zetten, om variëteit in een arpeggio uitvoering aan te brengen. (➝ p.11). Daarnaast kunt u de SHIFT toets ingedrukt houden en één van deze toetsen indrukken voor toegang tot verscheidene utility functies. (SHIFT functie).


TIMBRE SELECT/FORMANT HOLD toets Als een Synth programma dat Layer gebruikt is geselecteerd, kunt u met deze toets kiezen welk timbre zal klinken of bewerkt wordt of kunt u beide timbres gelijktijdig bewerken (Sync). Als een Vocoderprogramma is geselecteerd, schakelt deze toets Formant Hold aan, waarmee u de klank die op dat moment door de vocoder wordt geproduceerd vast kunt houden, zonder dat u in de microfoon blijft spreken. TIMBRE SELECT 1 LED, TIMBRE SELECT 2 LED Als een Synth programma dat Layer gebruikt is geselecteerd, zullen de LEDs oplichten om aan te geven welk timbre bewerkt zal worden. Wanneer een timbre op solo staat, zal zijn LED knipperen. Als een Vocoderprogramma is geselecteerd, zal de 1 LED oplichten als de formants ingedrukt worden gehouden.

ORIGINAL VALUE LED Deze zal oplichten als de waarde van de parameter, die op dat moment wordt bewerkt met de waarde die in het programma is opgeslagen, overeenkomt. (➝ p.13). (Deze LED functioneert niet voor Performance Edit).

Kenmerken Introductie

Voor- en achterpaneel EDIT CONTROLS 1, 2, 3, 4, 5 knoppen Deze knoppen bewerken de Performance Edit parameters of de parameters van de sectie, die door de EDIT SELECT 1 en 2 knoppen is geselecteerd . (➝p.8, 9, 10)

Vocoder parameters Dit zijn de parameters van een Vocoderprogramma. Synth parameters Dit zijn de parameters van een Synth programma.

EDIT SELECT 1 draaiknop, EDIT SELECT 2 draaiknop Deze draaiknoppen selecteren welke sectie bewerkt wordt (➝p.12) SYNTH/VOCODER 1 LED, SYNTH/VOCODER 2 LED Deze geven aan of het geselecteerde programma een Synth of een Vocoderprogramma is. Indien beide SYNTH/ VOCODER 1 en 2 LEDs verlicht zijn, is de Performance Edit functie ingeschakeld. Als slechts één LED verlicht is, zal de EDIT SELECT knop die met het verlichte LED correspondeert het object van uw bewerking zijn. Als het object dat bewerkt wordt niet is voltooid (finalize), zal de LED knipperen.

3


Voor- en achterpaneel Achterpaneel AUDIO IN 2 Een Synth programma kan een geluidssignaal van een hier aangesloten extern apparaat als de oscillator 1 golfvorm gebruiken. Een Vocoderprogramma gebruikt dit ingangssignaal voor bewerking voor de vocoder. VOLUME 2 knop Past het ingangsniveau van de LINE jack aan.

4

LINE jack Sluit hier een synthesizer of geluidsapparaat aan.

AUDIO IN 1 Een Synth programma kan een geluidssignaal van een hier aangesloten synthesizer of een extern apparaat als de oscillator 1 golfvorm gebruiken. Een Vocoderprogramma kan een geluidssignaal van een hier aangesloten microfoon als modulator gebruiken. CONDENSER jack MIC/LINE schakelaar Sluit hier een condensator microfoon aan. Wanneer een microfoon op de DYNAMIC DYNAMIC jack of CONDENSER jack is aangesloten, zet u Op deze jack kunt u een dynamische deze schakelaar op de MIC positie. Als een microfoon, een synthesizer of externe sequencer of geluidsapparaat is geluidsapparaat aansluiten. aangesloten, zet u deze schakelaar op de Als zowel de DYNAMIC jack als de LINE positie. CONDENSER jack zijn aangesloten, krijgt VOLUME 1 knop het signaal van de CONDENSER jack Regelt het ingangsniveau van de voorrang. DYNAMIC of CONDENSER jack.

Power schakelaar Schakelt de stroom aan/uit /off. (➝p.6)

MIDI Gebruik deze aansluitingen om de microKORG op een extern MIDI apparaat aan te sluiten, zodat MIDI data uitgewisseld kan worden.

Adapterjack Sluit het bijgeleverde netsnoer op deze jack aan. Nadat u het netsnoer op de microKORG heeft aangesloten, steekt u het andere eind van de kabel in een stopcontact.

MIDI THRU aansluiting Ontvangen MIDI data wordt via deze aansluiting opnieuw verzonden. Gebruik dit als u meerdere MIDI apparaten op dezelfde data stroom wilt aansluiten.

MIDI OUT aansluiting Via deze aansluiting wordt MIDI data verzonden.

MIDI IN aansluiting Via deze aansluiting wordt MIDI data ontvangen.

OUTPUT L/MONO, R jacks Verbind deze met uw actieve luidsprekers, stereoversterker, mengpaneel of multi-track recorder. Als u de microKORG in mono wilt gebruiken, maakt u aansluitingen op de L/MONO jack. HEADPHONES jacks Sluit hier een koptelefoon aan.

Microfoonhouder U kunt de bijgeleverde microfoon aan deze houder bevestigen (➝p.5).


In het onderstaand diagram worden de basis aansluitingen voor de microKORG getoond. Vervang zonodig de onderdelen met de apparatuur, die u zelf heeft.

Bijgeleverde microfoon

Aansluitingen naar MIDI apparatuur/ computers Het toetsenbord en de regelaars enz. van de microKORG kunnen voor de besturing van een externe MIDI toongenerator worden gebruikt. Omgekeerd kan een ander MIDI toetsenbord of sequencer de toongenerator van de microKORG besturen om geluid te produceren (→ p.48).

Stroom Aansluit Voorbereidingen

Aansluitingen

Voorbereidingen

De bijgeleverde microfoon aansluiten Koptelefoon

MIDI OUT

MIDI IN

Bij de microKORG wordt een microfoon voor gebruik met de vocoder geleverd. Hier ziet u hoe de bijgeleverde microfoon aan de microKORG wordt bevestigd.

EM-1

Behandel de hals van de microfoon voorzichtig, en buig deze niet meer naar voren en naar achteren dan noodzakelijk. Hierdoor kunnen storingen optreden, zoals breuken in de interne bedrading.

Netsnoer (inclusief) Sluit aan op een stopcontact TAP

1

2

3

4

5

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

MIDI toetsenbord, geluidsmodule, ritme machine, enz. Actieve monitors, etc.

Zet de stroom van alle apparaten uit voordat u aansluitingen maakt. Als u dit niet doet, kan uw luidsprekersysteem beschadigen of storingen gaan vertonen.

Aansluitingen vanaf de geluidsuitgangen Sluit de OUTPUT L/MONO en R jacks van de microKORG op de ingangsjacks van uw mengpaneel of actieve monitorsysteem aan. Om volledig van het potentieel van de microKORG gebruik te kunnen maken, adviseren wij u om stereo uitvoer te gebruiken. Als u mono aansluitingen maakt, gebruikt u de L/MONO jack.

1 Pak de voet van de microfoon vast, breng het uitsteeksel van de microfoon op gelijke hoogte met de spleet in de microfoonhouder, en druk de microfoon in de houder. Gebruik geen overmatige kracht. Om de microfoon te verwijderen, pakt u deze bij de voet vast. Dan kunt u de microfoon er uit trekken.

2 Draai de AUDIO IN VOLUME 1 knop op het achterpaneel naar de MIN positie, en zet de MIC/LINE schakelaar op de MIC positie.

3 Sluit de plug van de microfoon op de AUDIO IN 1 Neck

CONDENSER jack aan. Protrusion

Mic base

Aansluitingen naar de geluidsingangen Indien u de microKORG als een vocoder wilt gebruiken, sluit u een microfoon of andere geluidsbron op de AUDIO IN 1 aan, en gebruikt u die geluidsbron als de modulator (→ p.10). Als u een externe sequencer, ritme machine of geluidsbron als de vervoerder van de vocoder wilt gebruiken, sluit u het betreffende apparaat op de AUDIO IN 1 en 2 jacks aan (→ p.21).

Slit

5


De stroom aanzetten 1.De stroomvoorziening Voordat u de stroom aanzet, controleert u of de power schakelaar is uitgeschakeld.

Het netsnoer aansluiten Steek de plug van het bijgeleverde netsnoer stevig in de jack. Steek het andere eind van het snoer daarna in het stopcontact. Gebruik nooit een ander netsnoer dan het bijgeleverde.

Batterijen aanbrengen/verwisselen De microKORG kan ook op batterijen werken.

2.De stroom aanzetten Voordat u de stroom van de microKORG aanzet, moet u het niveau van uw monitorsysteem of ander aangesloten uitvoerapparaat verlagen.

1 Draai de microKORG’s VOLUME knop geheel naar links. 2 Druk op de power schakelaar om de stroom aan te zetten. Het programmanummer zal in het scherm worden getoond.

3 Draai de microKORG’s VOLUME knop tot op een geschikt niveau naar rechts. 4 Pas het volume van uw externe uitvoerapparaat aan.

1, 3

2

Batterijen zijn niet bijgeleverd. Deze moet u apart aanschaffen.

1 Zorg dat de power schakelaar op de microKORG is uitgeschakeld. Dan opent u het batterijdeksel aan de onderkant van de kast.

2 Breng zes AA alkaline batterijen aan. Let op de juiste polariteit van de batterijen.

3 Sluit het batterijdeksel.

Batterij bijna leeg weergave “

Als de batterijen bijna leeg zijn, zal “ “ in het scherm worden aangegeven, en de ”.” uiterst rechts zal gaan knipperen. Als u de microKORG blijft gebruiken, zal de Protect (beveiligings) instelling automatisch worden aangezet, en kunt u programma of globale instellingen niet meer bewerken. We adviseren u om de batterijen zo snel mogelijk te vervangen of op het netsnoer over te schakelen. Als dit gebeurt, terwijl u bewerkingen uitvoert, en u de instellingen wilt opslaan, sluit u het netsnoer aan en voert u de Write operatie uit. U kunt de “

“ weergave opheffen door de SHIFT toets in te drukken.

Batterijen, die niet meer bruikbaar zijn, moeten snel worden verwijderd uit de microKORG. Wanneer dit soort batterijen in het apparaat blijft zitten, kunnen storingen optreden. U moet de batterijen ook verwijderen, als u de microKORG gedurende een langere periode niet zult gebruiken.

6

3. De stroom uitzetten Nadat u alle essentiële data (zoals een door u bewerkt programma) heeft opgeslagen, zet u de stroom uit. Dit gebeurt volgens de omgekeerde volgorde van de procedure, waarmee u de stroom aanzet. Zet de stroom nooit uit terwijl data wordt opgeslagen (dat wil zeggen: terwijl Write wordt uitgevoerd). Als dit wel gebeurt kan de interne data beschadigd raken.


Demosongs

Snelle start De demosongs beluisteren De microKORG bevat verscheidene demosongs. Hier wordt uitgelegd hoe de demosongs en de geluiden van de microKORG beluisterd kunnen worden.

1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op de ARPEGGIATOR ON/OFF toets. De demo zal afgespeeld worden. De LED’s van de SHIFT, OCTAVE SHIFT DOWN, UP en PROGRAM NUMBER toetsen zullen oplichten.

2 Om tijdens het afspelen van demosong te veranderen, drukt u op de OCTAVE SHIFT UP of DOWN toets. U kunt ook de PROGRAM NUMBER 1-8 toetsen gebruiken om een demosong te selecteren.

3 Als u de SHIFT toets indrukt, zal het afspelen van de demo stoppen. De LED’s van de SHIFT, OCTAVE SHIFT DOWN en UP toetsen zullen uitgaan, en de microKORG zal naar de normale speelmode terugkeren.

1

2

1, 3

2

7


Synth programma’s 1.Een programma selecteren en afspelen

2.Het geluid wijzigen

De microKORG bevat 128 programma’s Die u direct kunt selecteren en afspelen. Programma’s zijn ondergebracht in Banken. Iedere bank bevat twee “Sides /kanten”, en elke kant bevat acht programma’s. Om verschillende programma’s te selecteren gebruikt u de PROGRAM SELECT knop en de PROGRAM NUMBER toetsen op het voorpaneel. Bij wijze van voorbeeld ziet u hier hoe programma “b.26” wordt geselecteerd:

Op de microKORG kunt u het geluid wijzigen om uw uitvoering meer expressie te geven. Dit gebeurt met de edit control knoppen 1-5, door het verplaatsen van de PITCH of MOD wielen of door de manier waarop u het toetsenbord bespeelt. Probeer deze verschillende methodes uit om het geselecteerde programma te wijzigen.

1 Druk op de BANK SIDE toets om “b” als de programmakant te selecteren. De BANK SIDE toets zal oplichten wanneer kant B is geselecteerd, en zal donker zijn als kant A is geselecteerd.

2 Draai aan de PROGRAM SELECT knop zodat deze op de TECHNO/HOUSE positie staat. In het scherm zal “2” als de programmabank worden aangegeven.

3 Druk op toets 6 om het programmanummer te selecteren. Merk op dat de SYNTH/VOCODER LED voor de SYNTH positie verlicht is. Het programma zal veranderen op het moment dat u van kant (Side), bank of nummer verandert.

4 Bespeel het toetsenbord om het geluid te beluisteren. 5 U kunt de OCTAVE SHIFT UP of DOWN toetsen gebruiken om de toonhoogtereeks van het toetsenbord te verschuiven (→ p.9).

2

5 8

1

3

Programmakant SYNTH/VOCODER LED Programmabank Programmanummer

De Performance Edit functie gebruiken om het geluid te wijzigen Indien zowel de bovenste als de onderste SYNTH/VOCODER LED’s verlicht zijn, is de Performance Edit functie actief. In deze status worden de edit control knoppen 1-5 automatisch aan de hieronder genoemde parameters toegewezen. Draai aan deze knoppen om het geluid in realtime te besturen. Bij gebruik van Performance Edit wordt het programmanummer in het scherm getoond. Performance Edit wordt opgeheven als u aan de EDIT SELECT 1 of EDIT SELECT 2 knoppen draait om een andere sectie te selecteren of als u de SHIFT toets ingedrukt houdt en op de BANK SIDE toets drukt. Om de Performance Edit functie in te schakelen drukt u op de PROGRAM NUMBER toets, die verlicht is. Wanneer Performance Edit actief is, kan het signaal op de volgende manieren bewerkt worden. Knop 1: CUTOFF Regelt de cutoff frequentie van het filter. Dit heeft effect op de helderheid van het geluid. Gewoonlijk wordt het geluid donkerder als de knop naar links wordt gedraaid, en helderder als de knop naar rechts wordt gedraaid. SYNTH/VOCODER LED TIMBRE SELECT

EDIT SELECT 2 PROGRAMMANUMMER toetsen 1–8

Edit control knoppen 1–5


Synth programma’s Knop 2: RESONANCE Regelt de resonantie van het filter. Hierdoor krijgt het geluid een onderscheidend karakter.

De PITCH en MOD wielen voor besturing gebruiken

In het geval van een LPF (Low Pass Filter)

Cutoff

Lage resonantiewaarde

Cutoff

Cutoff

Cutoff

Hoge resonantiewaarde

KKnop 3: EG ATTACK (FILTER EG + AMP EG ATTACK) Past de attacktijd van het filter EG en amp EG aan. Dit is van invloed op de hoeveelheid tijd vanaf note-on (als u een toets indrukt) totdat het attackniveau is bereikt. Met het draaien aan deze knop wordt de snelheid waarmee het filter EG en amp EG zullen stijgen aangepast. Normaalgesproken wordt de attacktijd korter als u de knop naar links draait, en langer als de knop naar rechts wordt gedraaid. Knop 4: EG RELEASE (FILTER EG + AMP EG RELEASE) Past de releasetijd van het filter EG en [3]: Attack Time [4]: Release Time Cutoff + a: Decay Time b: Sustain Level amp EG aan. Dit heeft effect op de hoeLevel Note off Note on veelheid tijd vanaf note-off (als u een toets loslaat) totdat het geluid verAttack Level dwijnt. Met deze knop wordt de b 0 Time releasetijd van het filter EG en amp EG aangepast. De releasetijd wordt korter [3] a [4] als de knop naar links, en langer als deze naar rechts wordt gedraaid. Knop 5: TEMPO Past het tempo van de arpeggiator, LFO en DELAY (als “TEMPO SYNC” op ON staat) aan. Als de knop naar links wordt gedraaid, wordt het tempo langzamer en naar rechts sneller. De ARPEGGIATOR TEMPO LED zal op het aangegeven tempo knipperen. Als u een Layer programma heeft geselecteerd dat twee timbres gebruikt, kunt u kiezen op welk timbre uw bewerkingen van invloed zullen zijn. Druk op de TIMBRE SELECT toets om van timbre te veranderen (→ p.14). In de EDIT mode worden de parameters die aan elke knop zijn toegewezen ook bewerkt via de parameters van de sectie die door de EDIT SELECT 1 en EDIT SELECT 2 knoppen is geselecteerd. Voor details over iedere functie raadpleegt u p.24 voor CUTOFF en RESONANTIE, p.26 en 28 voor EG ATTACK en EG RELEASE of p.44 voor TEMPO. Een geluid dat met gebruik van Performance Edit is gewijzigd, kan indien gewenst in het geheugen worden opgeslagen (→ p.58).

PITCH wiel: Het effect wordt toegepast als u het wiel van u af of naar u toe beweegt. Als het wiel in het midden staat is er geen effect. Normaalgesproken wordt dit wiel als de pitch bender gebruikt, zodat de toonhoogte zal stijgen als u het wiel van u af drukt, en zal dalen als u het wiel naar u toe beweegt.

0 0

MOD wiel: Het effect wordt toegepast als u het wiel van u af beweegt, en zal niet worden toegepast als u het wiel naar u toe beweegt. Dit wiel kunt u gebruiken om de vibrato diepte te regelen (→ p.17) of om de klank bij te stellen door regeling van de cutoff frequentie (→ p.30). Aangezien de PITCH en MOD wielen als virtuele patch bronnen gebruikt kunnen worden, kunt u deze gebruiken om een verscheidenheid aan andere effecten, buiten de hierboven beschreven, te produceren (→ p.30).

De OCTAVE SHIFT UP en DOWN toetsen voor besturing gebruiken U kunt deze toetsen gebruiken om de toonhoogtes, die aan het toetsenbord zijn toegewezen, met eenheden van een octaaf te verschuiven, over een bereik van +/- 3 octaven (→ p.8, 52).

Het toetsenbord voor besturing gebruiken

Toetshandeling Toetsenbord reeks C6–C9 C5–C8 C4–C7 C3–C6 C2–C5 C1–C4 C0–C3

Druk DOWN toets in

Toets LED Toetshandeling UP rood verlicht Druk UP UP oranje verlicht toets in UP groen verlicht donker DOWN groen verlicht DOWN oranje verlicht DOWN rood verlicht

Keyboard Tracking: Keyboard Tracking gebruikt de positie van de noot op het toetsenbord om het geluid te beïnvloeden. Normaalgesproken wordt dit gebruikt om het geluid helderder te maken als u omhoog speelt of om verschillen in volume tussen hoge en lage noten te creëren. Velocity: De sterkte waarmee u op het toetsenbord speelt, kan het geluid beïnvloeden. Gewoonlijk is uw speelsterkte van invloed op de klank en het volume.

Aangezien velocity en keyboard tracking als een virtuele patch bron gebruikt kunnen worden, kunt u deze gebruiken om een verscheidenheid aan effecten, buiten die hierboven zijn beschreven, te creëren (→ p.30). 9


Vocoderprogramma’s 6 Terwijl u in de microfoon spreekt of zingt, en het toetsenbord gebruikt om voco-

1. Een Vocoderprogramma afspelen Hier ziet u hoe de bijgeleverde microfoon wordt aangesloten, en een vocoderprogramma wordt afgespeeld. Een vocoder past het spectrale karakter van een extern ingevoerde stem (de “modulator”) op een oscillator of ander geluid (de “vervoerder”) toe, en voert het resultaat daarvan uit. Waar een vocoder meestal voor wordt gebruikt, is het spreken of zingen in een microfoon en het spelen van akkoorden op een toetsenbord, om op die manier de indruk te creëren dat een instrument spreekt of zingt. Een andere mogelijkheid is het creëren van vele interessante effecten, door het invoeren van andere geluidssignalen dan een menselijke stem (zoals ritmegeluiden).

1 Op het achterpaneel draait u de AUDIO IN 1 VOLUME 1 knop op de MIN positie, en zet u de MIC/LINE schakelaar op de MIC positie.

2 Sluit de bijgeleverde microfoon op de AUDIO IN 1 CONDENSER jack aan. Als u een andere microfoon gebruikt, sluit deze dan op de juiste jack aan.

3 Selecteer een vocoderprogramma. Met gebruik van de op pagina 8 beschreven procedure selecteert u programma “A.84” voor dit voorbeeld. In de fabrieksinstelling bevat de VOCODER bank vocoderprogramma’s. Merk op dat de VOCODER SYNTH/VOCODER LED verlicht is.

4 Spreek of zing in de microfoon, en draai de VOLUME 1 knop richting MAX. De AUDIO IN 1 LED mag niet rood oplichten.

dergeluiden te spelen, kunt u de huidige klank van de vocoder “bevriezen” door de FORMANT HOLD toets in te drukken. Hierdoor kunt u het huidige vocodergeluid blijven spelen, terwijl u niets in de microfoon spreekt of zingt. Deze klank zal onthouden worden, wanneer u Write gebruikt om het vocoderprogramma in het geheugen op te slaan. Meerdere programma’s uit de VOCODER bank zullen klinken, als u simpelweg op het toetsenbord speelt. Deze programma’s werden opgeslagen terwijl FORMANT HOLD aanstond.

2. Het geluid wijzigen Het geluid van een vocoderprogramma kan op dezelfde manier als bij een synth programma worden gewijzigd: met edit controls knoppen 1-5, door het bewegen van de PITCH en MOD wielen en door de manier waarop u het toetsenbord bespeelt. Probeer verschillende veranderingen voor het geselecteerde programma uit, zoals beschreven op de voorgaande pagina’s. De volgende Performance Edit operaties werken anders dan bij een synth programma: Knop 1: CUTOFF, Knop 2: RESONANCE: Deze besturen de vervoerder (carrier), door aanpassing van de band pass filter cutoff frequentie van de vervoerder. Zie pagina 35. Knop 3: EG ATTACK, Knop 4: EG RELEASE: Alleen de amp EG kan bestuurd worden. Daarnaast kunt u met een vocoderprogramma niet van timbre veranderen.

4

Als de AMP “DIRECT LEVEL” waarde wordt verhoogd, zal het invoergeluid rechtstreeks worden uitgestuurd. Verhoog dit niveau dus als u het invoergeluid wilt beluisteren, terwijl u aanpassingen maakt (→ p.37).

5 Terwijl u in de microfoon spreekt of zingt, bespeelt u het toetsenbord. Spreek andere woorden in de microfoon en verander de akkoorden die u speelt, en beluister het vocoder effect. Indien u het effect niet kunt horen, kunt u het AMP “LEVEL” (knop 1) (→ p.37) of MIXER “OSC 1 LEVEL” (knop 1) (→ p.34) bijstellen. 10

3

6

SYNTH/VOCODER LED

Edit control knop


Arpeggiator 5 Draai aan de edit control 1-5 knoppen om de arpeggiator parameters aan te pas-

De arpeggiator gebruiken De arpeggiator is een functie die de noten van een door u gespeeld akkoord automatisch tot een arpeggio maakt. Dat wil zeggen: de noten één voor één laat klinken. De arpeggiator van de microKORG biedt zes types arpeggiopatronen. U kunt de tijdsduur (gatetijd) van de noten aanpassen. Tevens voorziet de microKORG in een “step arpeggiator”, waarmee u de aan/uit status van elke noot binnen het akkoord voor wel acht stappen kunt aangeven. Hiermee kunt u een nog bredere reeks arpeggiopatronen creëren.

sen, waardoor de manier waarop de arpeggiator klinkt wordt veranderd. Als u bij stap 4 bijvoorbeeld ARPEG.A heeft geselecteerd, zullen de parameters die in het linker diagram (hieronder) worden getoond als de knop functies worden geselecteerd. Als u aan knop 1 draait zal het tempo van het arpeggio veranderen, en als u aan knop 3 draait zal de tijdsduur van de arpeggionoten veranderen. Door het draaien aan knop 4 verandert het arpeggiopatroon, en dus de volgorde waarin de noten klinken (→ p.44). (Voor details over elke parameter raadpleegt u de bijbehorende pagina). Raadpleeg pagina 13 voor een opmerking over gevallen, waarbij de waarde niet verandert.

De step arpeggiator gebruiken om het arpeggio af te wisselen Als u het bovenstaande akkoord op het toetsenbord speelt, zullen de noten klinken zoals rechts wordt getoond (TYPE: UP).

1 Selecteer een programma (→ p.8). U kunt de arpeggiator met een synth- of een vocoderprogramma gebruiken, maar laten we voor dit voorbeeld synth programma b.58 selecteren.

2 Druk op de ARPEGGIATOR ON/OFF toets, zodat de LED van de toets oplicht. 3 Houd een akkoord ingedrukt op het toetsenbord en de arpeggiator zal in werking treden.

4 Draai de EDIT SELECT 2 knop naar de ARPEG.A of ARPEG.B positie.

4, 6

{De inschriften bij de overige illustraties op deze pagina zijn niet te lezen}

6

GRAM NUMBER 1-5 toetsen zich als arpeggiator step toetsen gedragen, en zullen voor het aantal geldige stappen verlicht zijn (de “aan” status). Wanneer u een step toets indrukt om de LED van de toets te laten knipperen (de “uit” status), zal de noot van de corresponderende stap in een rust, en het resulterende arpeggio veranderen (zie onderstaand diagram). Met de Step Arpeggiator functie kunt u iedere stap van het arpeggio op deze manier aan of uitschakelen om het klinkende arpeggio te modificeren. Om het aantal geldige stappen binnen het arpeggio te veranderen, stelt u de EDIT SELECT 2 knop op UP ARPEG.B in, en draait u TYPE: LAST STEP: 8 aan knop 4 (→ p.45).

Het arpeggio modificeren

2, 7

6 Als de EDIT SELECT 2 knop op ARPEG.A of ARPEG.B staat, zullen de PRO-

5

7 Als u op de ARPEGGIATOR ON/OFF toets drukt (de LED van de toets gaat uit), zal de arpeggiator stoppen met spelen.

11


Basisbewerking

Bewerking Basis bewerkingsprocedure Alle bewerkbare parameters zijn in “secties” onderverdeeld. Elke sectie bevat maximaal vijf parameters, die met gebruik van de edit control knoppen 1-5 bestuurd kunnen worden. De twee knoppen EDIT SELECT 1 en EDIT SELECT 2 worden voor het selecteren van een sectie gebruikt. Let op de zes tekstkolommen onder de vijf knoppen. De eerste kolom stelt de naam van elke sectie vast en de volgende vijf kolommen tonen de parameter die aan de knoppen daarboven zijn toegewezen. De tekst aan de linkerkant toont de parameter die voor een synth programma wordt gebruikt. De (groene) tekst aan de rechterkant toont de beschikbare parameters voor een vocoderprogramma. Op de microKORG zijn er twee basismanieren voor het creëren van een geluid. •

Selecteer het programma dat het dichtst in de buurt komt van het geluid dat u wilt creëren, en bewerk dat programma om het te veranderen.

Start met een geïnitialiseerd programma (”blanke lei”), en creëer het geluid helemaal vanaf het begin.

In zijn algemeenheid is de procedure als volgt:

1 Selecteer het programma, waarmee u wilt beginnen (→ p.8). Als u vanaf het begin wilt beginnen, voert u de Initialize operatie uit (→ p.59).

Als u bijvoorbeeld een synth programma bewerkt, en de EDIT SELECT 1 knop op FILTER instelt, zal de parameter die onder het diagram onder aan deze pagina wordt getoond als functie van de vijf edit control knoppen geselecteerd worden. (De linker parameter van elk paar is de synth programma parameter en de rechter - in groen - is de vocoder programma parameter). Als u aan knop 2 draait zal de cutoff frequentiewaarde veranderen, wat de klank beïnvloedt. Als u aan knop 3 draait zal de resonantiewaarde veranderen, wat de klank een onderscheidend karakter zal geven (→ p.24). Ga uw gang en probeer de AMP EG parameters “ATTACK” en “DECAY” (→ p.28), de PITCH parameter “PORTAMENTO” (→ p.17) of de MOD FX (→ p.40) of DELAY (→ p.41) parameters te bewerken, en beluister het resultaat. (Voor details over elke parameter raadpleegt u de betreffende pagina).

4 Als u nauwkeurige aanpassingen aan een waarde wilt maken, houdt u de SHIFT toets ingedrukt en drukt u op de OCTAVE SHIFT UP of DOWN toets (UP, DOWN en SHIFT toetsen zullen oplichten). Nu kunt u de UP en DOWN octaaf toetsen gebruiken om door de waardes van de geselecteerde parameter te lopen. Om deze functie op te heffen drukt u op de verlichte SHIFT toets. Als u de UP en DOWN toetsen gelijktijdig indrukt, zal de betreffende parameter naar de waarde terugkeren die deze had op het moment dat u die selecteerde.

2 Draai aan de EDIT SELECT 1 of EDIT SELECT 2 knop om de sectie te selecteren die de parameter bevat. (De SYNTH/VOCODER LED zal oplichten). Bedenk hoe het huidige programma verschilt van het geluid dat u in gedachten heeft, en selecteer de parameter die u wilt bewerken. Als u het geluid vanaf het begin creëert, moet u erop letten dat de EDIT SELECT 1 en EDIT SELECT 2 knoppen toegang tot de parametersecties geven, in een logische volgorde voor de creatie van het geluid. U kunt opeenvolgend aan deze knoppen draaien om door deze parametersecties te lopen.

BANK SIDE (KANT)

Als u de SHIFT toets ingedrukt houdt en op de BANK SIDE toets drukt, kunt u tussen EDIT SELECT 1 en EDIT SELECT 2 afwisselen.

3 Draai aan edit control knop 1, 2, 3, 4 of 5 om de parameters te bewerken. 12

4

4

2

SYNTH/VOCODER LED ORIGINELE WAARDE

3


Basisbewerking Als u een ander programma selecteert of de stroom uitzet voordat u opslaat, zullen uw bewerkingen verloren gaan. Indien de parameterwaarde niet verandert als u aan knoppen 1-5 draait Wanneer u EDIT SELECT 1 of EDIT SELECT 2 gebruikt om een sectie te selecteren, en aan knoppen 1-5 draait om de parameterwaardes te bewerken, blijft de waarde in het scherm soms knipperen, en dan verandert de parameterwaarde niet. Dit gebeurt als er een verschil is tussen de werkelijke waarde van de parameter die bewerkt wordt (de waarde die knippert in het scherm), en de positie van de knop. Als de werkelijke waarde significant anders is dan die van de positie van de knop, en de waarde direct veranderde toen u aan de knop draaide, zou het geluid plotseling, en op een onnatuurlijke wijze veranderen. Om te voorkomen dat dit gebeurt, zullen de knop en de parameter slechts tegelijkertijd veranderen als de knop positie met de werkelijke waarde van de bewerkte parameter correspondeert (de waarde in het scherm stopt met knipperen). Bijvoorbeeld, stel dat u aan knop 1 draait om een parameter te bewerken, zodat de knop op de positie staat die hier links wordt getoond. Vervolgens gebruikt u de EDIT SELECT 1 knop om naar een andere parametersectie over te schakelen, en wilt u de aan knop 1 toegewezen parameter bewerken. De werkelijke waarde van deze parameter staat op de positie bij het driehoekje in het diagram links. (De werkelijke waarde zal knipperen als u de knop enigszins draait). De parameterwaarde zal niet veranderen totdat u de knop helemaal op die positie heeft gezet. Wanneer de knop de positie van de werkelijke waarde bereikt, zullen de knop en parameterwaarde tegelijkertijd veranderen, zodat u de waarde kunt bewerken. (Als de knop de werkelijke waarde bereikt, zal de waarde in het scherm stoppen met knipperen).

aan het bewerken bent, zullen alle parameters naar de waardes van het preset programma of het eerder opgeslagen programma terugkeren. Op dezelfde manier als tijdens het bewerken van een programma, kunt u instellingen voor de volledige microKORG of aan MIDI gerelateerde instellingen maken, door het selecteren van de gewenste parametersectie, en het draaien aan knoppen 1-5 om de instellingen te maken (→ p.47, 51). Veranderingen die u op deze instellingen aanbrengt, zullen eveneens verloren gaan als u de stroom uitzet. Om uw veranderingen te behouden, moet u dus de Write operatie uitvoeren. Hoe de pagina’s van elke sectie worden gelezen (→ p.16-) Dit geeft de positie van de EDIT SELECT 1/2 knop aan. De EDIT SELECT 1/2 knop selecteert de sectie die bewerkt zal worden. In dit voorbeeld is de FILTER sectie geselecteerd. Dit zijn de edit control knoppen 1-5. De markeringen die rond elke knop zijn gedrukt, zijn de waardes die geselecteerd zullen worden, als u aan deze knop draait. Deze posities zijn slechts bij benadering.

BEWERKING

5 Herhaal indien nodig stappen 2-4 om het gewenste geluid te creëren. 6 Sla het programma in het geheugen op (→ p.58).

Dit is de naam van de sectie. Als u de EDIT SELECT 1 of 2 knop op de FILTER positie heeft ingesteld, en u een uitleg van de parameters Deze sectie is op synth wilt zien, raadpleegt u deze programma’s van pagina. toepassing. Hier vindt u een samenvatting van deze sectie. 6. FILTER

— SYNTH

The filter removes unwanted frequency regions of the sound produced by the oscillator. It determines the tone by allowing only the desired portion of the sound to pass. "TYPE" (knob 1) selects the type of filter (i.e., the way in which it will cut the frequency). "CUTOFF" (knob 2) sets the frequency at which the cut will occur. Normally, turning this knob toward the right will brighten the sound, and turning it toward the left will darken the sound. "RESONANCE" (knob 3) emphasizes the frequency region near the cutoff frequency, adding a distinctive character to the sound. Other parameters in this section let you specify the depth of the modulation applied by the filter EG, and the way in which keyboard tracking will affect the cutoff frequency.

In dit gebied worden de parameters vermeld, die door edit control knoppen 1-5 zijn bewerkt, indien de bovenstaande sectie is geselecteerd. De reeks waardes van elke parameter wordt tussen vierkante haakjes [ ] weergegeven. Uitleg over iedere parameter en zijn waardes vindt u onderaan.

TYPE

[-24dB LPF, -12dB LPF, -12dB BPF, -12dB HPF]

Selects the type of filter

24dB LPF ( ): The -24 dB LPF (-24 dB/octave Low Pass Filter) is the most common type of filter; it passes the frequencies that are below the cutoff frequency, and cuts the frequencies that are above (➝Figure 6-1). Lowering the cutoff frequency will make the tone darker and more mellow. -12dB LPF ( ): The -12 dB LPF (-12 dB/octave Low Pass Filter) has a more gentle slope than the -24 dB LPF, producing a more natural-sounding effect. (➝"-24 dB LPF")(➝Figure 6-1)

CUTOFF [0...127] RESONANCE [0...127] Sets the cutoff frequency. Sets the resonance of the filter. Increasing this value will raise the This will emphasize the overtones cutoff frequency. near the cutoff frequency specified by "Cutoff," adding a distinctive "CUTOFF" can be varied by character to the sound. Increasing time-variant change produced Figure 6-4 the effect. this value will increase by Filter EG, by keyboard play(➝Figure 6-4) ing dynamics (velocity), and by note location (keyboard tracking). If the "CUTOFF" value is lowered, the volume may be extremely low, or you may hear no sound at all. The effect of resonance

LPF

Figure 6-1 LPF (Low Pass Filter)

HPF

-12dB/oct -24dB/oct

FILTER EG INT [-63...63] This specifies how time-variant modulation from the Filter EG will be applied to the cutoff frequency (➝Figure 6-5). The cutoff frequency will change over time according to the Filter EG settings, modifying the tone. For example, you can use Since movement of the "CUTOFF" this to create a sound that graduknob will affect the overtones that ally begins to brighten when you are boosted by resonance, it is best press the key, and then gradually to adjust "CUTOFF" and "RESO- becomes darker. NANCE" in conjunction with each This INT (Intensity) parameter specifies the depth (sensitivity) to other. which the Filter EG will affect the cutoff frequency. With a setting of 0, the Filter EG will not affect the cutoff frequency. Increasingly positive (+) settings will allow the Filter EG to have a correspondingly greater effect on the cutoff frequency. (➝Figure 6-6) Increasingly negative (-) settings will allow a correspondingly greater effect in the opposite direction. (➝Figure 6-7)

BPF Frequency

Cutoff

Low resonance value

FILTER KEY TRACK [-63...63] This specifies how keyboard tracking (the keyboard location that you play) will affect the cutoff frequency. For example if the sound played by the C4 key has the desired tone but higher notes no longer have resonance or are too mellow-sounding, you can adjust keyboard tracking to make compensations so that the cutoff frequency will rise for higher notes. With positive (+) settings, the cutoff frequency will rise as you play upward from the C4 note, and fall as you play downward. With negative (-) settings, the cutoff frequency will fall as you play upward from the C4 note, and rise as you play downward. With a setting of +48, the change in cutoff frequency will be proportionate to the change in pitch. With a setting of 0, keyboard tracking will not affect the cutoff frequency.

High resonance value

24

Naar de originele parameterwaardes van een programma terugkeren De edit control ORIGINAL VALUE LED zal oplichten om de parameterwaardes van een preset programma of een programma dat u heeft opgeslagen aan te geven. Als u de parameters op hun originele waardes wilt terugzetten, draait u aan knoppen 1-5 zodat de ORIGINAL VALUE LED verlicht is. Wanneer u een ander programma selecteert of hetzelfde programma opnieuw selecteert terwijl u 13


Basisbewerking Slechts één timbre beluisteren (Solo)

Elk timbre bewerken Synth programma’s kunnen maximaal twee timbres hebben. Een timbre bestaat uit de parameters van EDIT SELECT 1 VOICE (behalve “SYNTH/VOCODER” en “SINGLE/LAYER”) tot en met LFO2 secties, en de parameters van EDIT SELECT 2 PATCH 1-4 secties. De VOICE sectie parameters “SYNTH/VOCODER” en “SINGLE/LAYER” zijn op het gehele programma van toepassing.

Beide timbres gebruiken (Layer) ❍ Zet de EDIT SELECT 1 knop op VOICE, en draai aan knop 2 om LAYER ( te selecteren.

)

Het te bewerken timbre selecteren

Bij een programma, dat beide timbres gebruikt, kunt u de Solo functie inschakelen om slechts één timbre te beluisteren. Dit is gemakkelijk als u maar één timbre wilt horen terwijl u bewerkt.

1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op de TIMBRE SELECT toets. De TIMBRE SELECT LED van het timbre, dat voor bewerking is geselecteerd, zal gaan knipperen, en alleen dat timbre zal klinken.

2 Als u alleen het andere timbre wilt horen, houdt u de SHIFT toets nogmaals ingedrukt, en drukt u op de TIMBRE SELECT toets. De TIMBRE SELECT LED van het andere timbre zal gaan knipperen, en alleen dat timbre zal klinken. Het timbre, dat voor bewerking is geselecteerd, zal nu ook veranderen.

3 Om de Solo functie te annuleren drukt u op de TIMBRE SELECT toets. De Solo status kan niet onthouden worden.

Als u een programma bewerkt, dat beide timbres gebruikt, kunt u zo het te bewerken timbre selecteren:

De instellingen van de timbres uitwisselen en kopiëren (SHIFT functie)

❍ Druk op de EDIT SELECT TIMBRE SELECT toets om het timbre dat u wilt bewerken te selecteren. (De corresponderende TIMBRE SELECT LED zal oplichten). Uw bewerking is van invloed op het geselecteerde timbre. U kunt ook beide timbres gelijktijdig bewerken (Edit Sync).

U kunt de instellingen van de twee timbres uitwisselen of de timbre instellingen van een ander programma kopiëren (→ p.59).

1 Druk op de TIMBRE SELECT toets en houd deze minimaal twee seconden ingedrukt. Beide TIMBRE SELECT LED’s zullen oplichten, en de bewerking van de twee timbres wordt gesynchroniseerd. De waarde van timbre 1 zal in het scherm worden weergegeven. De waarde van timbre 1 zal ook worden gebruikt als de waarde, waarop de bewerking begint.

2 Om edit sync op te heffen, drukt u op de TIMBRE SELECT toets. Edit sync wordt geannuleerd, en timbre 1 wordt het object van de bewerking. Zelfs terwijl de bewerking gesynchroniseerd is, kunt u de Solo functie gebruiken. De status van de edit sync functie wordt niet opgeslagen.

14

SHIFT

TIMBRE SELECT


Een synth programma bewerken

De structuur van een synth programma Zoals in figuur 0-1 wordt getoond, bestaat een synth programma uit timbres 1/2, effecten en de arpeggiator.

Overzicht De drie attributen van geluid: toonhoogte, klank en volume Geluid heeft drie basis attributen: toonhoogte, klank en volume. Om deze attributen te besturen, biedt de microKORG analoge modellerende synthesizer “oscillator”, “filter” en “amp (amplifier)” secties, net als op de analoge synthesizers van vroeger. De “oscillator” instellingen laten de toonhoogte variëren, de “filter” instellingen wijzigen. De klank en de ‘amp” instellingen wijzigen het volume.

De microKORG’s “oscillator”, “filter” en “amp” Op de microKORG besturen de OSC1, OSC2 en PITCH secties de “oscillator”. De PITCH sectie specificeert de toonhoogte van de golfvorm die de basis van het geluid vormt, en de OSC1 en OSC2 secties selecteren de golfvormen. De hier opgewekte golfvormen worden door de MIXER sectie gemengd. De microKORG FILTER sectie wijzigt de klank. Dan wijzigt de AMP sectie het volume, en stuurt het uiteindelijke geluid uit. Deze drie secties bepalen het basisgeluid van het programma.

EG, LFO, keyboard tracking, virtual patch, controllers Naast de hierboven beschreven secties biedt de microKORG manieren, waarop het geluid volgens tijd, toetsenreeks of verscheidene types uitvoeringsexpressie afgewisseld kan worden. Deze worden door modulators en regelaars (controllers) bestuurd, zoals EG (envelope generator), LFO (Low Frequency Oscillator), keyboard tracking, Virtual Patch en de PITCH en MOD wielen. U kunt deze modulators en regelaars gebruiken om veranderingen in het basisgeluid van het programma aan te brengen. Figuur 0-1 (rechts) toont de structuur van een synthesizergeluid op de microKORG. Kijk naar TIMBRE 1, en zie hoe het signaal in de volgorde OSC→FILTER→AMP verloopt. Merk ook op hoe modulators als EG en LFO deze blokken kunnen beïnvloeden.

TIMBRE 1/2 Elk timbre bestaat uit OSC, FILTER, AMP, EG, LFO en Virtual Patch blokken. U kunt ingewikkelder programma’s creëren, als u twee timbres samen in een programma gebruikt, met gebruik van de Layer optie.

EFFECTEN De uitvoer van timbres 1/2 wordt naar het modulatie effect (MOD FX) → delay effect (DELAY) → equalizer (EQ) gestuurd. Voor het modulatie effect kunt u uit drie effecttypes kiezen, zoals chorus. Voor de delay kunt u uit drie types delay kiezen, zoals stereo delay. De EQ is een tweebands equalizer.

ARPEGGIATOR U kunt de arpeggiator op een timbre toepassen. Als het programma twee timbres gebruikt, kunt u de arpeggiator op beide of één van de timbres toepassen. Dit is een step arpeggiator met zes arpeggiotypes. Figuur 0-1 SYNTHESIZER BLOKDIAGRAM (in geval vam Layer)

Free Assign

KBD Track Velocity Mod. wheel Pitch bend

15


1.

VOICE — SYNTH/VOCODER

Deze instellingen bepalen het basiskarakter van het programma, en hoe het zal klinken. “SYNTH/VOCODER” (knop 1) specificeert of een programma een synth of een vocoderprogramma zal zijn. Als u wilt dat dit een synth programma is, selecteert u Synthesizer ( ). “SINGLE/LAYER” (knop 2) geeft aan of beide timbres gebruikt zullen worden (Layer) in het geval van een Synth programma. Overige parameters binnen deze sectie specificeren of het programma mono, stereo of unisono zal klinken, en hoe de noten getriggerd zullen worden. Als u gelijktijdig meer toetsen dan het gespecificeerde aantal stemmen indrukt, zal de laatst ingedrukte toets prioriteit krijgen.

SYNTH/VOCODER [Synthesizer, Vocoder] Schakelt het op dat moment geselecteerde programma tussen een Synthesizer programma en een Vocoderprogramma. Synthesizer ( ): Het programma zal een synth programma zijn. U kunt de twee oscillatoren gebruiken om het geluid te creëren. Vocoder ( ): Het programma zal een vocoder programma zijn. U kunt geluidsinvoer van een aangesloten microfoon gebruiken om “sprekende” instrumenteffecten te produceren.

SINGLE/LAYER [Single, Layer] Specificeert hoeveel timbres het programma zal gebruiken. Dit kan niet voor een vocoderprogramma geselecteerd worden. Single ( ): Slechts één timbre gebruiken. Figuur 1-1 Timbre1

Layer ( ): Twee timbres zullen gebruikt worden. Als u op het toetsenbord speelt, zullen beide timbres gelijktijdig klinken. U kunt elk timbre indiAfhankelijk van wat er hier vidueel bewerken. geselecteerd is, Synthesizer of Figuur 1-2Timbre2 Vocoder, zullen de parameters Timbre1 voor bewerking variëren.

16

De maximale polyfonie is vier stemmen (vier noten). In het geval van een Layer programma worden deze vier stemmen tussen timbres 1 en 2 verdeeld.

VOICE ASSIGN [Mono, Poly, Unison] Specificeert hoe het timbre klinkt. Mono ( ): Het timbre zal mono klinken. Het programma zal slechts één noot per keer spelen. Poly ( ): Het programma zal polyfoon klinken, waardoor u akkoorden kunt spelen. De maximale polyfonie is vier stemmen. Unison ( ): Alle vier de stemmen zullen samen op dezelfde toonhoogte klinken. Gebruik “UNISON DETUNE” om het verschil in toonhoogte in stappen van een cent te specificeren. “VOICE ASSIGN” en polyfonie voor een Layer programma Timbre 1 Timbre 2 VOICE ASSIGN Mono Poly Polyphony 1 voice 3 voices VOICE ASSIGN Poly Poly Polyphony 2 voices 2 voices VOICE ASSIGN Unison Mono Polyphony 2 voices 1 voices

TRIGGER MODE [Single, Multi] Specificeert of de EG en LFO als u de volgende toets speelt opnieuw getriggerd zullen worden, terwijl de vorige toets nog steeds ingedrukt is. U kunt dit bewerken indien “VOICE ASSIGN” Mono of Unison is. Single ( ): De EG en LFO zullen niet opnieuw getriggerd worden door de tweede of volgende toets. Gebruik deze instelling als u legato wilt spelen. Multi ( ): Elke keer als u een toets indrukt, zullen de EG en LFO opnieuw worden getriggerd. Note on

EG

Single Trigger EG

Multi Trigger

Figuur 1-3

Note on

UNISON DETUNE [0...99] Specificeert de hoeveelheid ontstemming (in stappen van een cent) tussen de noten die in de Unison mode klinken. U kunt dit bewerken als “VOICE ASSIGN” op Unison is ingesteld. De ontstemmingsmethode is afhankelijk van het aantal unisono stemmen. Figuur 1-4

2 voice

99 0

4 voice

Unison Detune

99 0

Unison Detune


2.

PITCH — SYNTH/VOCODER

Deze instellingen specificeren de toonhoogte van de oscillator. Gebruik “TRANSPOSE” (knop 1) en “TUNE” (knop 2) om de gewenste toonhoogte in te stellen. Deze instellingen worden gedeeld door oscillators 1 en 2. In deze sectie kunt u tevens de portamento tijd instellen, en aangeven op welke manier de PITCH en MOD wielen invloed op de toonhoogte hebben.

TRANSPOSE [-24...24] TUNE [-50...50] Past de toonhoogte van de oscillator Regelt de toonhoogte van de oscillain stappen van een halve toon (100 tor in stappen van een cent. cent) aan. De reeks is twee octaven omhoog of omlaag. Veranderingen die met de OCTAVE SHIFT knoppen op het voorpaneel worden aangebracht, verschuiven de aan het toetsenbord toegewezen toonhoogtes (of toetsen) feitelijk in stappen van een octaaf, en zijn niet van invloed op de toonhoogte van de op dat moment klinkende oscillator. Dit soort instellingen worden ook niet met de Write operatie opgeslagen. Als u de toonhoogte van de oscillator wilt veranderen, moet u deze “TRANSPOSE” instelling gebruiken om de toonhoogte te specificeren.

PORTAMENTO [0...127] Specificeert de snelheid van het portamento effect (een vloeiende verandering in toonhoogte van één noot naar de volgende noot van een andere toonhoogte). Op 0 ingesteld, is er geen portamento effect. Door toename van deze waarde zal de toonhoogteverandering gedurende een langere tijd plaatsvinden.

BEND RANGE [-12...12] Specificeert de hoeveelheid toonhoogteverandering in halve tonen die plaatsvindt, als het pitch wiel wordt bediend. Deze waarde geeft de hoeveelheid verandering aan die optreedt, als u het pitch wiel geheel van u af beweegt.

VIBRATO INT [-63...63] Specificeert de diepte van vibrato die wordt toegepast als u het MOD (modulatie) wiel helemaal van u af beweegt. De LFO2 moduleert de toonhoogte van de oscillator, waarbij deze verhoogd en verlaagd wordt om vibrato te creëren.

Als “VOICE ASSIGN” op Mono of Unison is ingesteld, en “Trigger” op Single staat, zal portamento niet op de eerst klinkende noot van toepassing zijn.

17


3.

OSC1 (Oscillator 1) — SYNTH/VOCODER

De oscillator genereert de golfvorm, die de basis van het geluid vormt. Het timbre heeft twee oscillatoren. De instellingen in deze sectie zijn voor oscillator 1. De “WAVE” (knop 1) selecteert de basis golfvorm voor oscillator 1, en “CONTROL 1” (knop 2) en “CONTROL 2” (knop 3) wijzigen de golfvorm. Als u bijvoorbeeld “WAVE” op Saw (SAW) instelt, zal door aanpassing van de “CONTROL 1” waarde het geluid gewijzigd worden, waardoor de golfvorm verandert zoals in figuur 1-3 wordt getoond. Wanneer “CONTROL 2” wordt aangepast, zal LFO1 modulatie op de golfvorm, die door “CONTROL 1” wordt gespecificeerd, worden toegepast, waarmee een aanvullende verandering wordt geproduceerd.

WAVE [Saw, Square, Triangle, Sine, Vox, DWGS, Noise, Audio In] Selecteert de golfvorm voor oscillator 1. Saw Wave ( ): Dit is een zaagtand golf. Deze golfvorm is gevormd zoals de tanden van een zaag, en bevat een rijk boventonen spectrum. U kunt dit gebruiken voor het creëren van talloze instrumentale geluiden zoals strings en blazersgeluiden of typisch analoge synth geluiden als synth bass of synth brass.

18

Square Wave ( ): Dit is een vierkante golf. Deze heeft een rechthoekige vorm, en is strikt genomen alleen vierkant als de bovenkant en onderkant van de golfvorm dezelfde breedte hebben (een “puls breedte” van 50%). Als de puls breedte anders is dan 50%, wordt dit ook een puls golf genoemd. Een vierkante golf wordt gebruikt voor houtblazergeluiden zoals klarinet, en voor houten percussiegeluiden. Een puls golf wordt voor getokkelde snaarinstrumentgeluiden en geluiden van rietinstrumenten gebruikt.

CONTROL 1 [0...127/– – –] Aanpassing van een parameter die specifiek voor de geselecteerde golfvorm is. CONTROL 1 heeft geen effect als “WAVE” op DWGS is ingesteld. CONTROL 1 [0...127]: Door aanpassing van deze waarde wordt de golfvorm gewijzigd. Op 0 ingesteld wordt een conventionele zaagtand geproduceerd, en met een waarde van 127 wordt een zaagtand golf op een octaaf hoger geproduceerd. (→ Figuur 3-1). CONTROL 1 [0...127]: Past de puls breedte aan. Ingesteld op 0 wordt een puls breedte van 50% geproduceerd (vierkante golf), en op 127 wordt een puls breedte van 0% geproduceerd (er is dan geen geluid). Het geluid wordt “harder” als u deze parameter in de richting van 0% bijstelt. (→ Figuur 3-2).

CONTROL 2 [0...127/1...64] Aanpassing van een parameter die specifiek voor de geselecteerde golfvorm is. CONTROL 2 [0...127]: Figuur 3-1 LFO1 wordt gebruikt om modulatie op de door “CONTROL 1” gespecifi0 ceerde golfvorm toe te passen. De “CONTROL 2” instelling specificeert de diepte van de modulatie die door LFO1 wordt geproduceerd. Wanneer bijvoorbeeld LFO1 “WAVE” op Triangle (tr ) wordt ingesteld, en de LFO snelheid wordt aangepast, kan een ontstemmingsFiguur 3-2 achtig effect gecreëerd worden. CONTROL 2 [0...127]: LFO1 wordt gebruikt om PWM (pulsbreedte modulatie)*3-1 op de door “CONTROL 1” gespecificeerde pulsbreedte toe te passen. De “CONTROL 2” instelling specificeert de diepte van de modulatie, die door LFO1 wordt geproduceerd. Wanneer u LFO1 “WAVE” bijvoorbeeld op Triangle (tr ) instelt en de LFO snelheid aanpast, kunt u diepte aan het geluid geven.

0

63

63

127

127

*3-1: PWM Pulsbreedte modulatie verwijst naar het gebruik van een apart signaal om de pulsbreedte binnen een bepaald tijdsbestek af te wisselen. Op de microKORG kunt u PWM gebruiken om de klank via LFO1 te modificeren of via Virtual Patch van modulatiebronnen LFO2, Filter EG of Amp EG.


3. WAVE

OSC1 (Oscillator 1) — SYNTH/VOCODER

CONTROL 1

CONTROL 1 [0...127]: Door aanpassing van deze waarde kunt u de golfvorm modificeren. Met een instelling van 0 wordt een driehoekgolf geproduceerd, en een instelling van 127 produceert een golfvorm met een toonhoogte die een octaaf en een kwint hoger is. (→ Sine Wave ( ): Dit is een sinusgolf. Deze golfvorm Figuur 3-3) bevat alleen de grondtoon, en hele[0...127]: maal geen boventonen. Deze kan CONTROL 1 voor creatie van claves of basdrum- Dit regelt de diepte van kruis geluiden worden gebruikt. In som- modulatie bij een synth programmige synth programma’s wordt ma. Bij een vocoderprogramma wijoscillator 2 gebruikt voor de uitvoe- zigt dit de golfvorm. ring van kruis modulatie *3-2 (→ figuur 3-4), waarmee een ingewikkelder boventoonstructuur wordt gecreëerd. Kruis modulatie door een sinusgolf kan niet op een vocoderprogramma worden toegepast. Triangle Wave ( ): Dit is een driehoeksgolf. Deze heeft zwakkere boventonen en een sterkere grondtoon dan een zaagtand of vierkante golf. Geschikt voor warme basgeluiden.

CONTROL 2 CONTROL 2 [0...127]: Figuur 3-3 LFO1 wordt gebruikt om golfvorm modulatie op de door “CONTROL 0 1” gespecificeerde golfvorm toe te passen. De “CONTROL 2” instelling specificeert de diepte van de modulatie die door LFO1 wordt geproduceerd. CONTROL 2 [0...127]: Bij een synth programma past dit de diepte van de toegevoegde modulatie aan, die door LFO1 wordt toegepast, op de kruis modulatie gespecificeerd door “CONTROL 1”. Bij een vocoderprogramma past dit de diepte van de door LFO1 toegepaste modulatie aan, op de golfvorm, die u bij “CONTROL 1” selecteerde.

63

127

X-mod Depth + X-mod Depth Mod OSC2

OSC1 OSC1 Output

Aangezien een sinusgolf geen boventonen bevat, zal het filter zijn klank niet wijzigen.

CONTROL 1 [0...127]: ): Dit simuleert een golfvorm, die lijkt Door aanpassing van deze waarde op die van menselijke vocale wordt de golfvorm gemodificeerd. akkoorden. Zelfs als de oscillator (→ Figuur 3-5) toonhoogte wordt veranderd, blijft het frequentiespectrum behouden, waardoor dit effectief is wanneer het voor vocale types geluiden of als een vocoder oscillator wordt gebruikt. Selecteer HPF of BPF als het filter, en pas “Cutoff” aan, om een vocaal type geluid te creëren. Vox Wave (

CONTROL 2 [0...127]: Figuur 3-5 LFO1 wordt gebruikt om modulatie op de door “CONTROL 1” gespeci0 ficeerde golfvorm toe te passen. CONTROL 2 stelt de diepte van de modulatie in, die door LFO1 wordt toegepast.

63

127

*3-2: Cross Modulation (Kruis modulatie) Dit is een type oscillator modulatie die beschikbaar was op de analoge synthesizers van vroeger. Gewoonlijk wordt een laag frequentiesignaal (zoals van een LFO) gebruikt als de modulatiebron voor een oscillator, maar met Cross Modulation kunt u een andere oscillator als de modulatiebron gebruiken, waardoor geluiden met een gecompliceerde boventoonstructuur worden gecreëerd, die anders niet geproduceerd kunnen worden. Op de microKORG kunt u oscillator 2 gebruiken om kruismodulatie toe te passen, als voor oscillator 1 een sinusgolfvorm is geselecteerd. Verhoog het niveau van “CONTROL 1” geleidelijk, en merk op hoe het geluid verandert. Dit kan vervormde geluiden produceren of geluiden met een metaalachtig karakter. Als u de OSC2 “SEMITONE” of “TUNE” parameters bijstelt, kunt u nog meer effectvariaties maken. Door gelijktijdige toepassing van sync modulatie en kruis modulatie kunt u interessante resultaten behalen.

19


3.

OSC1 (Oscillator 1) — SYNTH/VOCODER

WAVE

CONTROL 1

DWGS ( ) (Digital Waveform Generator System):

CONTROL 1

Dit is golfvormdata die door harmonische toegevoegde synthese is gecreëerd. Kies hiervoor als u geluiden met een onderscheidend “digitaal-synth” karakter wilt creëren, zoals een synth bas, elektrische piano, bel of hoorn. U kunt kiezen uit 64 golfvorm types.

CONTROL 2 [– – –]: –––

CONTROL 1 [0...127]: Dit stelt de cutoff frequentie van de NOISE ( ): LPF in. Aanpassing hiervan heeft Dit genereert witte ruis. Binnen de invloed op de ruis golfvorm. oscillator bevindt zich een LPF (Low Pass Filter), dat de ruis ver- Figuur 3-6 Resonance werkt. (→ Figuur 3-6). U kunt dit LPF voor creatie van percussiegeluiden Noise Genarator of geluidseffecten zoals surf gebruiCutoff ken. Dit kan ook in samenwerking met een ander timbre worden gebruikt, om het “adem” component van een blaasinstrumentgeluid te simuleren.

20

CONTROL 2 [1...64]: Selecteert de DWGS golfvorm. (→ Tabel 3-1). DWGS golfvormdata werd voor het eerst op de Korg DW-6000 gebruikt (die in 1984 op de markt kwam), en is zich sinds die tijd blijven ontwikkelen. CONTROL 2 [0...127]: Dit bestuurt de resonantie van de LPF. Als u dit zoveel verhoogt dat een herkenbare toonhoogte geproduceerd wordt, zal de cutoff frequentie verplaatsen volgens de locatie, waar u op het toetsenbord speelt, en de verandering is hoorbaar als een toonhoogte. Indien u wilt, dat de oscillatie die door resonantie wordt geproduceerd met de referentietoonhoogte overeenkomt, zet u “CONTROL 1” op 24.

Tabel 3-1 DWGS Lijst No. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23

Name SynSine1 SynSine2 SynSine3 SynSine4 SynSine5 SynSine6 SynSine7 SynBass1 SynBass2 SynBass3 SynBass4 SynBass5 SynBass6 SynBass7 SynWave1 SynWave2 SynWave3 SynWave4 SynWave5 SynWave6 SynWave7 SynWave8 SynWave9

No. 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46

Name 5thWave1 5thWave2 5thWave3 Digi1 Digi2 Digi3 Digi4 Digi5 Digi6 Digi7 Digi8 Endless* E.Piano1 E.Piano2 E.Piano3 E.Piano4 Organ1 Organ2 Organ3 Organ4 Organ5 Organ6 Organ7

No. 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64

Name Clav1 Clav2 Guitar1 Guitar2 Guitar3 Bass1 Bass2 Bass3 Bass4 Bass5 Bell1 Bell2 Bell3 Bell4 Voice1 Voice2 Voice3 Voice4

*: De “35 Endless” golfvorm simuleert een eindeloze ladder, waarin noten op een octaaf van elkaar dezelfde toonhoogte hebben. U kunt een stijgende of dalende ladder spelen, waarbij het idee wordt geschept dat een ladder van dezelfde toonhoogte eindeloos blijft doorgaan.


3. WAVE Audio In (

):

De golfvorm van een geluidssignaal invoer van de AUDIO IN 1 of 2 jacks zal gebruikt worden, in plaats van een oscillator. Hiermee kunt u filtering op een drumfrase toepassen of een vocaal of gitaargeluid met oscillator 2 samenvoegen.

OSC1 (Oscillator 1) — SYNTH/VOCODER

CONTROL 1

CONTROL 2

CONTROL 1 [0...127]: Dit regelt de volumebalans tussen AUDIO IN 1 en AUDIO IN 2. Met een instelling van 127 wordt alleen AUDIO IN 1 uitgestuurd. Op 0 ingesteld wordt alleen AUDIO IN 2 uitgestuurd.

CONTROL 2 [0...127]: LFO wordt gebruikt voor toepassing van modulatie op de volumebalans tussen AUDIO IN 1 en AUDIO IN 2, die u bij “CONTROL 1” instelt. De “CONTROL 2” instelling stelt de diepte van deze door LFO1 geproduceerde modulatie in. Hiermee kunt u effecten creëren, waarbij de AUDIO IN 1 en 2 ingangen worden afgewisseld.

De parameters van de PITCH sectie hebben geen effect op de golfvorm die via de AUDIO IN 1 of 2 jacks wordt ingevoerd.

Een extern invoer geluidssignaal verwerken U kunt het filter, amp, EG en LFO enz. gebruiken om het signaal van een externe synthesizer, ritmemachine of geluidsapparaat op dezelfde manier te verwerken als een oscillator golfvorm. Voordat u een extern apparaat aansluit, zet u de stroom van de microKORG en van alle externe uitgangsapparaten en versterkers uit.

1 2 3

Zet de AUDIO IN 2 VOLUME 2 knop op het achterpaneel op de MIN positie.

4

Selecteer een programma om mee te beginnen, en initialiseer dit.

Sluit de uitgangsjack van uw externe apparaat op de AUDIO IN 2 LINE jack aan. Nadat de aansluitingen zijn gemaakt, zet u eerst de stroom van uw externe apparaat aan, dan van de microKORG en als laatste van uw actieve monitorsysteem.

Bij dit voorbeeld kunt u de MIDI OUT van de microKORG op de MIDI IN van een externe MIDI apparaat aansluiten, en de MIDI kanalen zo instellen dat deze overeenkomen, zodat uw geluidsmodule of externe MIDI apparaat geluid zullen produceren als u het toetsenbord van de microKORG bespeelt (→p.49). U kunt het toetsenbord van de microKORG gebruiken om de geluiden van uw externe apparaat te spelen, en de EDIT SELECT 1/2 knoppen en edit control knoppen 1-5 gebruiken om het geluid te wijzigen. U kunt een externe invoer als de vervoerder (carrier) van de vocoder gebruiken (→p.34).

Voor dit voorbeeld selecteert u een willekeurig synth programma, en initialiseer dit volgens de beschrijving op pagina 59.

5

Zet de EDIT SELECT 1 knop op de OSC 1 positie, en draai aan knop 1 (”WAVE”) om “Rud“ (Audio IN) te selecteren.

6

Voer een geluidssignaal in van uw externe apparaat, en draai de VOLUME 2 knop zover mogelijk richting MAX, zonder dat de AUDIO IN 2 LED rood oplicht.

7 8

MIDI OUT

MIDI IN

Terwijl u een geluidssignaal invoert, speelt u op het toetsenbord. Zoals beschreven in “basis bewerkingsprocedure” (→ p.12) bewerkt u het FILTER, AMP, EG, LFO en de effecten om het geluid te wijzigen. De aan PITCH gerelateerde parameters hebben geen effect op het geluid van de AUDIO IN jacks.

LINE OUT

EM-1

TAP

1

2

3

4

5

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

Geluidsmodule, ritmemachine of geluidsapparaat

21


4. OSC2 (Oscillator 2) — SYNTH Hier kunt u instellingen voor oscillator 2 maken. U kunt een verscheidenheid aan geluiden creëren door twee oscillatoren samen te gebruiken. Zo kunt u bijvoorbeeld “SEMITONE” (knop 3) en “TUNE” (knop 4) aanpassen, zodat één oscillator zich gedraagt alsof deze onderdeel van de boventoonstructuur van de andere oscillator is, de toonhoogtes van de twee oscillatoren op een harmonisch interval instellen of beide oscillatoren op dezelfde toonhoogte instellen, maar één van hen lichtelijk ontstemmen om een ontstemmingseffect (Detune) te creëren. Voor het creëren van bijzonder complexe boventoonstructuren, kunt u ook Ring Modulatie en Oscillator Sync gebruiken. (Dit wordt met de “OSC MOD” (knop 2) ingesteld).

WAVE [Saw, Square, Triangle] Selecteert de golfvorm voor oscillator 2. Saw Wave ( ): Een zaagtand golf. (➝p.18) Square Wave ( ): Een vierkante golf. (➝p.18) Triangle Wave ( ): Een driehoeksgolf. (➝p.19) Als u het geluid van oscillator 2 niet kunt horen, verhoogt u de MIXER “OSC2 LEVEL” (knop 2). Als u alleen het geluid van oscillator 2 wilt horen, verlaagt u de MIXER “OSC 1 LEVEL” (knop 1).

22

OSC MOD [OFF, Ring, Sync, RingSync] Selecteert het type oscillator modulatie dat in samenwerking met oscillator 1 geproduceerd zal worden. OFF ( ): Het geluid wordt uitgestuurd zonder toepassing van oscillator modulatie. U kunt “SEMITONE” en “TUNE” aanpassen om harmonie, ontstemming of harmonische component effecten te produceren. Ring ( ): Ring modulatie *4-1 zal worden toegepast. (→Figuur 4-1). Door aanpassing van “SEMITONE” en “TUNE” kunt u metaalachtige geluiden creëren met weinig toonhoogtegevoel. Dit is bruikbaar voor geluidseffecten. Sync ( ): Oscillator sync *4-2 zal toegepast worden. Dit is bruikbaar voor het creëren van synth lead geluiden. (➝Figuur 4-2) RingSync ( ): Hiermee wordt Ring en Sync modulatie gelijktijdig toegepast. (➝Figuur 4-3)

SEMITONE [-24...24] Specificeert de detuning (toonhoogteverschil) gerelateerd aan oscillator 1, in stappen van een halve toon over een bereik van 2 octaven hoger of lager. Als u het geluid van oscillator 2 als een component in de boventoonstructuur van oscillator 1 wilt gebruiken, probeert u dit één octaaf of een kwint hoger dan oscillator 1 in te stellen. Als u oscillator 2 in harmonie wilt gebruiken, kunt u intervallen als een terts, kwart of kwint proberen. Figuur 4-1 OSC2 Wave

OSC2 Output

OSC1 Wave

OSC1 Output

Figuur 4-2 OSC2 Wave

OSC2 Output

Sync OSC1 Wave

OSC1 Output

Figuur 4-3 OSC2 Wave

OSC2 Output

Sync OSC1 Wave

OSC1 Output

TUNE [-63...63] Specificeert de hoeveelheid ontstemming voor OSC2 relatief aan OSC1. Een instelling van +/- 63 produceert een toonhoogteverschil van +/- 2 octaven, en +/- 48 produceert een toonhoogteverschil van +/- 1 octaaf. Een waarde in de buurt van de 0 zal nauwkeurigere aanpassingen op de toonhoogte maken. Als “OSC MOD” op Sync is ingesteld, zullen aanpassingen in “Semitone” of “Tune” de toonhoogte van de boventonen veranderen. De toonhoogte van de grondtoon zal niet veranderen.

*4-1: Ring Modulation: Deze modulatie genereert een som en verschil van de oscillator 1 en 2 golfvormen. U kunt bijvoorbeeld een vierkante golf voor de oscillator selecteren, “TRANSPOSE” op 0 instellen, “SEMITONE” op 24 zetten en “TUNE” aanpassen om een helder bel-achtig geluid te maken. U kunt ook interessante effecten creëren met gebruik van Virtual Patch, om OSC 2 TUNE vanaf LFO of EG te moduleren. *4-2: Oscillator Sync: Deze modulatie forceert synchronisatie van de fase van oscillator 2 naar de fase van oscillator 1. Selecteer bijvoorbeeld zaagtand golf voor oscillator 1 en verhoog het “OSC 2 LEVEL”. Dan bewerkt u “SEMITONE” en “TUNE” om de toonhoogte te veranderen, en luistert u naar het resultaat. Het effect is merkbaarder, als de oscillator 2 toonhoogte verhoogd is tot boven de toonhoogte van oscillator 1. U kunt ook interessante effecten met gebruik van Virtual Patch creëren.


5.

MIXER — SYNTH

Deze parameters regelen de volumebalans van de oscillator 1 en 2 en de noise generator. “OSC 1 LEVEL” (knop 1) stelt het uitgangsniveau van oscillator 1 in, “OSC 2 LEVEL” (knop 2) stelt het uitgangsniveau van oscillator 2 in, en “NOISE LEVEL” (knop 3) stelt het uitgangsniveau van de noise generator in. Deze instellingen zullen het ingangsniveau naar het filter zijn.

OSC 1 LEVEL [0...127] OSC 2 LEVEL [0...127] NOISE LEVEL [0...127] Stelt het uitgangsniveau van oscilla- Stelt het uitgangsniveau van oscilla- Stelt het uitgangsniveau van de tor 1 in. tor 2 in. noise generator in. De noise generator genereert witte ruis. Dit staat los van de witte ruis, die als een golfvorm voor oscillator 1 geselecteerd kan worden. Dit heeft geen filter of resonantie (als de oscillator 1 noise generator), maar u kunt de FILTER sectie gebruiken om dezelfde resultaten te creëren als de noise golfvorm van oscillator 1. Noise wordt gebruikt om percussie-instrument geluiden te creëren of geluidseffecten, zoals surf.

23


6.

FILTER — SYNTH

Het filter bestuurt het klankkarakter van het geluid dat door de oscillator wordt geproduceerd. Het bepaalt de klank doordat het alleen het gewenste portie van het geluid laat doorgaan. De “TYPE” (knop 1) selecteert het type filter (dat wil zeggen: de manier waarop het de frequentie zal afkappen). “CUTOFF” (knop 2) stelt de frequentie waarop de afkapping zal plaatsvinden in. Normaalgesproken wordt het geluid helderder als deze knop naar rechts wordt gedraaid, en donkerder als deze naar links wordt gedraaid. “RESONANCE” (knop 3) benadrukt de frequentie regio bij de cutoff frequentie, en voegt een onderscheidend karakter aan het geluid toe. Met de overige parameters binnen deze sectie, kunt u de diepte van de modulatie die door het filter EG wordt toegepast specificeren, en de manier waarop keyboard tracking de cutoff frequentie zal beïnvloeden.

TYPE

[-24dB LPF, -12dB LPF, -12dB BPF, -12dB HPF] Selecteert het type filter. -24dB LPF ( ): Het -24dB LPF (-24dB/octave Low Pass Filter) is het meest bekende filtertype; het laat de frequenties onder de cutoff frequentie passeren, en kapt de frequenties daarboven af (→ figuur 6-1). Door verlaging van de cutoff frequentie wordt de klank donkerder en warmer. -12dB LPF ( ): Het -12dB LPF (-12dB/octave Low Pass Filter) heeft een zachtere slope dan het -24 dB LPF, waarmee een natuurlijker klinkend effect wordt geproduceerd. (→” -24 dB LPF”(→ Figuur 6-1).

CUTOFF [0...127] Stelt de cutoff frequentie in. Door toename van deze waarde zal de cutoff frequentie hoger worden. “CUTOFF” kan door tijdsvariërende verandering, geproduceerd door Filter EG, door de speeldynamiek op het toetsenbord (velocity) en door noot locatie (keyboard tracking) worden afgewisseld. Als de “CUTOFF” waarde te laag wordt ingesteld, kan het volume extreem laag zijn of is er helemaal geen geluid te horen.

RESONANCE [0...127] Stelt de resonantie van het filter in. Dit benadrukt de boventonen in de buurt van de door “CUTOFF” gespecificeerde cutoff frequentie, waardoor het geluid een onderscheidend karakter krijgt. Met het toenemen van deze waarde neemt het effect ook toe. (→ Figuur 6-4) Aangezien beweging van de “CUTOFF” knop effect heeft op de boventonen die door resonantie omhoog worden gedrukt, kunt u “CUTOFF” en “RESONANCE” het beste overeenkomstig aanpassen. Figuur 6-4

LPF

Figuur 6-1

LPF (Low Pass Filter)

HPF

-12dB/oct -24dB/oct

BPF

Frequency

Cutoff

24

Laag resonantiewaarde

Hoog resonantiewaarde

FILTER EG INT [-63...63] Dit specificeert hoe tijdsvariërende modulatie van het Filter EG op de cutoff frequentie zal worden toegepast. (→ Figuur 6-5). De cutoff frequentie zal volgens de Filter EG instellingen binnen een bepaald tijdsbestek veranderen, waarbij de klank gewijzigd wordt. U kunt dit bijvoorbeeld gebruiken om een geluid te creëren dat geleidelijk helder wordt als u de toets indrukt, en dan weer geleidelijk donkerder wordt. Deze INT (Intensity) parameter specificeert de diepte (gevoeligheid) waarmee het Filter EG de cutoff frequentie beïnvloedt. Met een instelling van 0 zal het Filter EG geen invloed op de cutoff frequentie hebben. Toenemende positieve (+) instellingen zullen het Filter EG toestaan om een corresponderend groter effect op de cutoff frequentie te hebben. (→ Figuur 6-6). Negatieve (-) instellingen staan een corresponderend groter effect in de tegengestelde richting toe. (→ Figuur 6-7).

FILTER KEY TRACK [-63...63] Dit geeft aan hoe keyboard tracking (de keyboard locatie, waarop u speelt) de cutoff frequentie beïnvloedt. Als het geluid dat door de C4 toets wordt gespeeld bijvoorbeeld de gewenste klank heeft, maar hoge tonen geen resonantie meer hebben of warm klinken, kunt u de keyboard tracking ter compensatie bijstellen, zodat de cutoff frequentie bij hogere noten zal stijgen. Met positieve (+) instellingen zal de cutoff frequentie stijgen, als u vanaf de C4 noot omhoog speelt, en dalen als u naar beneden speelt. Met negatieve (-) instellingen zal de cutoff frequentie dalen, als u vanaf de C4 noot omhoog speelt, en stijgen als u naar beneden speelt. Met een instelling van +48 wordt de verandering in cutoff frequentie geproportioneerd naar de verandering in toonhoogte. Op 0 ingesteld heeft keyboard tracking geen invloed op de cutoff frequentie.


FILTER — SYNTH

TYPE -12dB BPF ( ): -12dB/oct BPF (Band Pass Filter) maakt dat een frequentieband in de regio van de cutoff frequentie kan passeren, en kapt de resterende fre- Figuur 6-2 quenties af. Het wordt gebruikt als BPF (Band Pass Filter) u slechts een specifiek gedeelte van de frequentiereeks wilt benadrukken. (→ Figuur 6-2). Gebruik dit als u alleen een specifieke regio van het geluid wilt benadrukken. U kunt Cutoff dit bijvoorbeeld toepassen om een bandbreedte gelimiteerd geluid te creëren, dat lijkt op het geluid van een kleine radio of telefoon.

FILTER KEY TRACK Keyboard Track werkt volgens de toonhoogte, die door pitch bend en transpositie wordt bestuurd. Het wordt niet beïnvloed door toonhoogteveranderingen die door vibrato of Virtual Patch worden geproduceerd.

Frequency

-12dB HPF ( ): -12dB/oct HPF (High Pass Filter) laat frequenties boven de cutoff frequentie passeren, en kapt de lagere Figuur 6-3 frequenties af. Gebruik dit als u het HPF (High Pass Filter) geluid dunner wilt maken. Wanneer de cutoff frequentie echter extreem wordt verhoogd, zal het volume aanzienlijk afnemen. (→ Figuur 6-3). U kunt het HPF bijFrequency voorbeeld gebruiken om het lage Cutoff frequentiegebied van een geluid, dat samen met andere lage frequenFilter oscillatie tie instrumenten zal worden Als u de resonantie tot op een hoge waarde verhoogt, zal dit oscilleren (een gespeeld, opzettelijk dunner te geluid produceren) op de frequentie die door de cutoff frequentie is gespecifimaken, om het geluid onderscheiceerd. U kunt filter oscillatie (”zelf-oscillatie”) als een geluidsbron gebruiken. dend van dat van de andere instruWanneer het filter oscilleert, zal de “CUTOFF” parameter, die normaalgespromenten te maken. ken de klank bijstelt, de toonhoogte van de oscillatie besturen. Dit kan op verschillende manieren worden gebruikt. Fluiten is een typisch voorbeeld, en kan geproduceerd worden door het bijstellen van de ADSR parameters van het filter EG. Ook kunt u proberen om “FILTER EG INT” op een negatieve waarde in te stellen. Een andere mogelijkheid is het MOD wiel of LFO 1/2 als een bron in Virtual Patch te selecteren, en gebruiken om “CUTOFF” te besturen als een bestemming.

Figuur 6-5 Note off

Note on Sustain Level

Cutoff

6.

Attack Time

Figuur 6-6 Cutoff

Decay Time

Int=+32 Note on Note off

Release Time Time

Int=+63 Note on Note off

Cutoff frequency specified by “Cutoff”

Int=0 Time

Figuur 6-7 Cutoff frequency specified by “Cutoff”

Cutoff

Int=–32

Int=–63 Int=0

Note off Note on

Note on

Note off Time

25


7.

FILTER EG — SYNTH

Hier kunt u instellingen voor het filter EG maken, dat tijdsvariërende veranderingen op de klank toepast (→ figuur 7-1). Maak deze instellingen om de “vorm” van de EG te specificeren, en gebruik de FILTER parameter “FILTER EG INT” om de hoeveelheid effect dat de EG zal hebben aan te geven (→ p.24). Door het maken van FILTER EG instellingen kunt u de klank laten veranderen naar mate de tijd verstrijkt. Creëer de gewenste tonale curve door aanpassing van de ADSR parameters; ATTACK (knop 1), DECAY (knop 2), SUSTAIN (knop 3), RELEASE (knop 4). Informatie over de werking van een EG (Envelope Generator) vindt u bij AMP EG (→ p.28). U kunt het FILTER EG als en Virtual Patch bron gebruiken om een andere parameter dan de filter cutoff frequentie te moduleren. (→ p.30).

ATTACK [0...127] Specificeert de tijd vanaf note-on (als de toets wordt ingedrukt) totdat het attackniveau (maximum waarde van de envelope) is bereikt.

DECAY [0...127] Specificeert de tijd vanaf het moment dat het attackniveau is bereikt, totdat het sustain niveau (SUSTAIN) is bereikt.

RELEASE [0...127] Specificeert de tijd vanaf note-off (als de toets wordt losgelaten), totdat het niveau 0 bereikt.

EG RESET [OFF, ON] Specificeert of de EG al dan niet opnieuw wordt ingesteld voor de tweede en daaropvolgende note-on. Als een nieuwe noot wordt gespeeld, voordat de vorige noot zijn release status heeft beëindigd, kan de envelope vanaf nul beginnen. OFF ( ): De noot zal vanaf het huidige EG niveau starten. ON ( ): De tweede note-on zal vanaf niveau 0 beginnen. Note on

Cutoff

Figuur 7-1 Note off

Note on

Attack Level

[3] Time

0

[1] [2] [1]: Attack Time [2]: Decay Time

26

SUSTAIN [0...127] Specificeert de cutoff frequentie, die behouden blijft nadat de decaytijd is verstreken, totdat u de toets loslaat.

[4] [3]: Sustain Level [4]: Release Time

Filter EG en Amplifier EG Wanneer het Filter EG de cutoff frequentie verandert, zal de klank veranderen. Echter, afhankelijk van de volume veranderingen die door de Amplifier EG worden geproduceerd, kan dit op verschillende manieren gehoord worden. Bijvoorbeeld door verandering van de snelheid waarop de klank en het volume beginnen (attack) of wegsterven, kunt u het karakter van de klankverandering aanzienlijk laten verschillen. het is een goed idee om de veranderingen van zowel het Filter EG (klank) als de Amplifier EG (volume) aan te passen als u doorgaat met bewerken.

Note off

Note on (Retrigger)

OFF

ON

De “EG RESET” parameter is alleen beschikbaar als “VOICE ASSIGN” op Poly staat of als “VOICE ASSIGN” op Mono of Unison staat en “TRIGGER” op Multi is ingesteld.


8.

AMP (Amplifier) — SYNTH

Deze parameters specificeren het volume. Het geluid dat is gecreëerd als het de oscillator en filter is gepasseerd, wordt door de amp versterkt. “LEVEL” (knop 1) past het volume aan. “KBD TRACK” (knop 4) regelt de manier waarop keyboard tracking het volume beïnvloedt, en “DISTORTION” (knop 3) specificeert of het geluid zal vervormen. U kunt “PANPOT” (knop 2) gebruiken om de pan (stereo positie van het geluid) in te stellen.

LEVEL [0...127] Regelt het volume van het timbre. Als de “SINGLE/LAYER” op Layer is ingesteld, zal deze instelling de volumebalans tussen timbre 1 en timbre 2 bijstellen.

PANPOT [L63...Center...R63] Past de locatie van het geluid in het stereobeeld aan. L63 ( ) is uiterst links, Center ( ) is midden en R63 ( ) is uiterst rechts.

DISTORTION [OFF, ON] Specificeert of vervorming al dan niet op de uitvoer van het timbre wordt toegepast. De mate van vervorming wordt bijgesteld door het uitgangsniveau van elke oscillator in de MIXER. OFF ( ): Distortion staat uit. ON ( ): Distortion staat aan.

KBD TRACK [-63...63] Specificeert hoe keyboard tracking het volume beïnvloedt. Met positieve (+) instellingen zal het volume toenemen als u boven de C4 noot op het toetsenbord speelt, en afnemen als u onder C4 speelt. Met negatieve (-) instellingen zal het volume afnemen als u boven de C4 noot op het toetsenbord speelt, en toenemen als u onder C4 speelt. Keyboard Track werkt volgens de toonhoogte, die door pitch bend en transpose wordt bestuurd. Het wordt niet beïnvloed door toonhoogte veranderingen, die door vibrato of Virtual Patch wordt geproduceerd.

27


9.

AMP EG — SYNTH/VOCODER

Hier kunt u instellingen voor de AMP EG maken, welke tijdsvariërende verandering op het volume toepast (→ figuur 9-1). Door het maken van AMP EG instellingen kunt u het volume laten veranderen naarmate de tijd verstrijkt. Creëer de gewenste volume curve door aanpassing van de ADSR parameters; ATTACK (knop 1), DECAY (knop 2), SUSTAIN (knop 3), RELEASE (knop 4). U kunt AMP EG als een Virtual Patch bron gebruiken, om andere parameters dan volume te moduleren. (→ p.30).

ATTACK [0...127] Specificeert de tijd vanaf note-on (als de toets wordt ingedrukt) totdat het attackniveau (maximum waarde van de envelope) is bereikt.

DECAY [0...127] Specificeert de tijd vanaf het moment dat het attackniveau is bereikt, totdat het sustain niveau (SUSTAIN) is bereikt.

SUSTAIN [0...127] Specificeert het volume dat behouden blijft nadat de decaytijd is verstreken, zo lang u de toets blijft indrukken.

RELEASE [0...127] Specificeert de tijd vanaf note-off (als de toets wordt losgelaten) totdat het niveau 0 bereikt.

EG (Envelope Generator) Figuur 9-1 Level Elk geluid heeft zijn eigen onderscheidende volume curve. Als u bijvoorbeeld een noot op de piano speelt, begint de noot op het maximale volume en neemt Note off Note on geleidelijk af. Wanneer u uw vinger van de toets haalt, verdwijnt het geluid snel. Volume curven zijn een belangrijk aspect van de manier, waarop wij het geluid van een specifiek instrument identificeren. Deze verandering treedt Attack Level [3] ook in de klank en de toonhoogte op, en in het volume. Op een synthesizer 0 wordt deze verandering door een EG geproduceerd. De microKORG heeft speciale EG’s voor het filter en de amp. Aangezien deze EG’s echter als Virtu[1] [2] [4] al Patch bronnen gebruikt kunnen worden, bent u vrij om deze te gebruiken voor afwisseling van de toonhoogte of talloze andere aspecten van het geluid. [1]: Attack Time [3]: Sustain Level [2]: Decay Time [4]: Release Time Hieronder worden enkele voorbeeldinstellingen getoond.

Time

EG RESET [OFF, ON] Specificeert of de EG al dan niet opnieuw wordt ingesteld voor de tweede en daaropvolgende note-on. Als een nieuwe noot wordt gespeeld voordat de vorige noot zijn release status heeft beëindigd, kan de envelope vanaf nul opnieuw beginnen of verder gaan vanaf de huidige waarde. OFF ( ): De noot zal vanaf het huidige EG niveau starten. ON ( ): De tweede note-on zal vanaf niveau 0 beginnen. Note on

OFF Piano Level Note on

28

Strings

Level

Level

Note off

Note on

Time

0

Attack: 0 Decay: 100 – 127

Organ

Sustain: 0 Release: 5–25

Note off

Time

0

Attack: 0 Decay: —

Sustain: 127 Release: 0

ON Note on

Note off

Time

0

Attack: 40 Decay: 50

Sustain: 75 Release: 50

Note off

Note on (Retrigger)


10. LFO 1, 11. LFO 2 — SYNTH/VOCODER Het timbre heeft twee LFO’s (Low Frequency Oscillator). De cyclische verandering die door een LFO wordt geproduceerd, kan verscheidene aspecten van het geluid moduleren, zoals toonhoogte, klank of volume. Gebruik “WAVE” (knop 1) om de LFO golfvorm te selecteren, knop 2 om de key sync methode te selecteren, “TEMPO SYNC” (knop 3) om de LFO cyclus aan het tempo te synchroniseren, en “FREQUENCY”/”SYNC NOTE” (knop 4) om de frequentie aan te geven. LFO1 en LFO2 kunnen als Virtual Patch bronnen worden gebruikt om modulatie op een verscheidenheid aan parameters toe te passen (→ p.30).

WAVE (LFO1) [Saw, Square1, KEY SYNC [OFF, Timbre, Voice] Triangle, Sample&Hold] Specificeert hoe de LFO op een stem WAVE (LFO2) [Saw, Square2, wordt toegepast als note-on optreedt. OFF ( ): Sine, Sample&Hold] De LFO fase wordt niet opnieuw Selecteert de LFO golfvorm. ingesteld als note-on optreedt. (→ Figuur 10-2) Figuur 10-1 Timbre ( ): Saw ( ): De LFO fase wordt op de eerste Square1 ( ): note-on opnieuw ingesteld, die plaatsvindt vanuit een status waarSquare2 ( ): bij geen toetsen zijn ingedrukt. VerTriangle ( ): volgens zal modulatie op dezelfde Sine ( ): LFO fase toegepast blijven worden, verandert zelfs bij daarna volgende note-on’s. Sample&Hold ( ): Amplitude onregelmatig (sample&hold) (→ Figuur 10-3). Voice ( ): De LFO fase zal op elke note-on opnieuw worden ingesteld, en modulatie van verschillende fases wordt op iedere stem toegepast. (→ Figuur 10-4). LFO (Low Frequency Oscillator)

TEMPO SYNC [OFF, ON] Specificeert of de LFO cyclus al dan niet aan het tempo of de MIDI Clock wordt gesynchroniseerd. OFF ( ): De LFO zal niet gesynchroniseerd worden. Deze zal op de door de “FREQUENCY” parameter gespecificeerde frequentie werken. ON ( ): De LFO zal met het ARPEG.A “TEMPO” of met MIDI Clock berichten van een extern apparaat worden gesynchroniseerd. Als “TEMPO SYNC” op ON staat, heeft het selecteren van LFO2 Frequency ( ) als “DEST” in PATCH 1-4 geen effect.

De LFO (Low Frequency Oscillator) is een oscillator die een relatief langzame (lage frequentie) oscillatie produceert, en wordt gebruikt om cyclische modulatie op verscheidene aspecten van het geluid toe te passen. Typische manieren voor gebruik van een LFO zijn vibrato (gebruik LFO om de toonhoogte te verlagen en verhogen), wah (gebruik LFO om de cutoff frequentie te verhogen

FREQUENCY [0...127] Specificeert de frequentie van de Figuur 10-2 Note on LFO. Toename van deze waarde resulteert in een snellere frequentie. Deze parameter zal worden weergegeven, en kan ingesteld worden Figuur 10-3 Note on als “TEMPO SYNC” op OFF staat. SYNC NOTE [1.1...1.32] Specificeert de proportie van de LFO Note all off cyclus, overeenkomstig het tempo dat door ARPEG.A “TEMPO” is Figuur 10-4 gespecificeerd. (→ p.65). Deze parameter zal worden weergegeven, 1VOICE en kan ingesteld worden als “TEMPO SYNC” op ON staat. 2VOICE 1/1( ): vier tellen zal één cyclus zijn. 1/2( ):vier tellen zullen twee cycli zijn. 1/4( ):één tel zal één cyclus zijn. 1/8( ):één tel zal twee cycli zijn.

Note on

Note on

Note on

en verlagen) en tremolo (gebruik LFO om het volume te verhogen en verlagen). U kunt LFO als een Virtual Patch bron selecteren, selecteer de gewenste parameter als de bestemming, en pas modulatie toe om verscheidene effecten te produceren. De microKORG voorziet in parameters speciaal voor toepassing van modulatie van de LFO; voor LFO1 kunt u OSC1 “CONTROL 2” gebruiken, en voor LFO2 kunt u PITCH “VIBRATO INT” gebruiken.

29


12. PATCH 1, 13. PATCH 2, 14. PATCH 3, 15. PATCH 4

— SYNTH

De microKORG biedt vier Virtual Patch routes waarmee u complexere geluiden kunt creëren. Voor elke patch kunt u een modulatie “SOURCE” (knop 1) en modulatie bestemming “DEST”(knop 2) selecteren, en de modulatie intensiteit “MOD INT” (knop 3) specificeren. Door gebruik van verschillende patchings kunt u een grotere variëteit aan veranderingen in het geluid creëren. Als u de modulatiebron “SOURCE” (knop 1) op LFO2 ( ) instelt, de modulatie bestemming “DEST” (knop 2) op CutOff ( ) zet, en “MOD INT” (knop 3) gebruikt om de diepte van het effect aan te passen, zal LFO2 een cyclische verandering in klank creëren (een wah effect).

SOURCE [FILTER EG, AMP EG, LFO 1, LFO 2, Velocity, KBD Track, Pitch Bend, MOD.Wheel] Selecteert een modulatiebron. Als u bijvoorbeeld Filter EG ( )selecteert, zal het Filter EG de modulatiebron zijn. FILTER EG ( ): FILTER EG AMP EG ( ): AMP EG LFO 1 ( ): LFO 1 LFO 2 ( ): LFO 2 Velocity ( ): Velocity (speelsterkte op het toetsenbord) KBD Track ( ): Keyboard Tracking (positie op het toetsenbord) Keyboard Track werkt volgens de toonhoogte, die door pitch bend en transpositie wordt bestuurd. Het wordt niet beïnvloed door toonhoogte veranderingen die door vibrato of Virtual Patch worden geproduceerd.

Pitch Bend (

30

MOD.Wheel (

): PITCH wiel ): MOD wiel

DEST [Pitch, OSC2 Tune, OSC1 Control 1, Noise Level, CutOff, Amp, Pan, LFO2 Frequency] Selecteert de parameter (bestemming) die door de modulatie zal worden bestuurd. Als u bijvoorbeeld Pitch ( ) selecteert, zal modulatie op de algehele toonhoogte van het timbre worden toegepast. Pitch ( ): Pitch: algehele toonhoogte van het timbre. OSC2 Tune ( ): OSC2 "TUNE" OSC1 Control 1 ( ): OSC1 "CONTROL 1" Noise Level ( ): MIXER "NOISE LEVEL" CutOff ( ): FILTER "CUTOFF" Amp ( ): AMP "LEVEL" Pan ( ): AMP "PAN" LFO2 Frequency ( ): LFO2 "FREQUENCY"

Als LFO “TEMPO SYNC” op ON staat, heeft het selecteren van LFO2 Frequency geen effect.

MOD INT [-63...63] Specificeert de diepte van het effect, dat door de modulatiebron wordt geproduceerd. Met een instelling van 0 is er geen modulatie.

Virtual Patch Op modulaire analoge synthesizers werd de invoer of uitvoer van elke module (oscillator, filter, amp, EG, LFO en andere regelaars) verbonden (”patched”) door een gewenst “patch cord”. Op de Korg MS-20 (die in 1978 op de markt kwam) was dit type patching in beperkte mate mogelijk. Op de microKORG kunt u deze functie “virtueel” uitvoeren, zodat u bronnen als EG of LFO aan de meest belangrijke parameters (bestemming) kunt toewijzen.

Instellingsvoorbeeld voor “SOURCE” en “DEST” SOURCE [1]

DEST [2]

Filter EG/Amp EG

Pitch

The Filter EG or Amp EG will vary the pitch of the entire timbre over time.

Filter EG/Amp EG

Pan

The Filter EG or Amp EG will vary the pan over time. By setting two patches to "MOD INT" settings with the opposite (+/-) value you can create more complex panning.

LFO 1/LFO 2

Pitch

Vibrato will be applied at the LFO1 or LFO2 frequency.

LFO 1/LFO 2

CutOff

Wah will be applied at the LFO1 or LFO2 frequency .

LFO 1/LFO 2

Amp

Tremolo will be applied at the LFO1 or LFO2 frequency.

LFO 1/LFO 2

Pan

Auto pan will be applied at the LFO1 or LFO2 frequency.

Velocity

Amp

Velocity (keyboard playing strength) will affect the volume.

Keyboad Track

Pan

Keyboard position will gradually change the pan; lower notes at the left, and higher notes at the right.

Pitch Bend

Pan

PITCH wheel operations or pitch bend change will move the sound between left and right.

Modulation Wheel

CutOff

MOD wheel operations or CC#1 will vary the cutoff frequency.

Modulation Wheel

LFO2 Frequency MOD wheel operations or CC#1 will vary the LFO2 speed.


Een vocoderprogramma bewerken Overzicht Een vocoder is een apparaat dat het karakter (de frequentie respons van elke band) van een “modulator” signaal (meestal een menselijke stem via een microfoon) analyseert, en een filter met de geanalyseerde karakteristieken op het “carrier” signaal toepast (meestal een golfvorm, geproduceerd door een oscillator), waarbij de betreffende golfvorm een vocaal karakter krijgt opgelegd, en het lijkt alsof het instrument spreekt. De microKORG bevat een acht-kanaals vocoder (zestien filters in paren). Naast de simulatie van de klassieke vocodergeluiden van vroeger kunt u het karakter van het geluid wijzigen of het niveau van elke frequentieband bewerken, om echte originele vocodergeluiden te creëren. Zoals in figuur v0-1 wordt getoond, bestaat een vocoderprogramma uit een carrier (het signaal dat gewijzigd wordt), en modulator (het signaal dat de carrier moduleert), en vocoder sectie, effecten en een arpeggiator.

Carrier Het carrier signaal dat door het vocoder effect wordt verwerkt, kan de microKORG’s interne golfvorm zijn, die door OSC1 en NOISE is geselecteerd of een golfvorm die via de AUDIO IN 2 (LINE jack) wordt ingevoerd. Bruikbare keuzes voor de carrier golfvorm zijn zaagtand golven die een rijke schare aan boventonen bevatten, en de VOX WAVE met een karakter dat op dat van menselijke vocale akkoorden lijkt. De volumes van OSC1/NOISE/AUDIO 2 IN worden door de MIXER bijgesteld, en het gecombineerde signaal wordt naar de Vocoder sectie gestuurd.

De structuur van een vocoderprogramma ring) van iedere frequentieband. Vervolgens wordt het signaal van de interne toongenerator of de AUDIO IN 2 jack (carrier) op de andere set van 16 band-pass filters (SYNTHESIS FILTER) ingevoerd. Dit wordt door de envelopes die door de ENVELOPE FOLLOWER zijn gedetecteerd verwerkt, voor modulatie van de carrier met de kenmerken van de stem, waardoor de indruk wordt gewekt dat het instrument of geluid spreekt (vocoder effect). Het is ook mogelijk om de “FORMANT SHIFT” of “CUTOFF” parameters te gebruiken, om elke frequentie van het carrier band-pass filter te veranderen. Dit maakt dat de frequentie respons curve wordt verhoogd of verlaagd, terwijl het karakter van de modulator bewaard blijft, en zal de klank ingrijpend beïnvloeden.

Effecten De uitvoer van de vocoder sectie wordt naar het modulatie effect gestuurd (MOD FX) → delay effect (DELAY) → equalizer (EQ). Voor het modulatie effect kunt u kiezen uit drie effecten, waaronder chorus. Voor delay kunt u uit drie types delay kiezen, inclusief stereo delay. De equalizer is een 2-bands equalizer.

Arpeggiator De arpeggiator kan voor het spelen van een vocoderprogramma worden gebruikt. Dit is een step arpeggiator met zes arpeggio types. Figuur v0-1 VOCODER BLOKDIAGRAM

Modulator Het signaal dat op de AUDIO IN 1 (CONDENSER jack of DYNAMIC jack) wordt ingevoerd is de modulator. Over het algemeen wordt een stem op de modulator ingevoerd, maar u kunt unieke effecten creëren door invoering van ritmegeluiden of andere golfvormen.

Vocoder sectie (Vocoder sec.) Dit bestaat uit twee sets 16 band-pass filters (ANALYSIS FILTER en SYNTHESIS FILTER) en de ENVELOPE FOLLOWER. Het geluidssignaal van de AUDIO IN 1 jack (modulator) wordt op zestien bandpass filters (ANALYSIS FILTER) ingevoerd, en de ENVELOPE FOLLOWER detecteert de volume envelope (tijdsvariërende verande-

{tekst is onleesbaar} 31


1. VOICE — SYNTH/VOCODER De “1. VOICE” parameters zijn hetzelfde als bij een synth programma dat een “SINGLE/LAYER” instelling van Single heeft (→ p.16). Om dit programma als een vocoderprogramma te gebruiken, zet u “SYNTH/VOCODER (knop 1) op Vocoder ( ).

2. PITCH — SYNTH/VOCODER De “2. PITCH” parameters zijn hetzelfde als bij een synth programma (→ p.17). Zij specificeren de toonhoogte van de carrier.

3. OSC1

— SYNTH/VOCODER

Hier kunt u de golfvorm van de carrier selecteren. De “3. OSC1” parameters zijn hetzelfde als voor een synth programma (→ p.18). Als u een andere golfvorm bij “WAVE” (knop 1) selecteert, kunt u de diepte van het effect veranderen. Normaalgesproken zult u OSC1 “WAVE” op een driehoeksgolf instellen, die een rijke serie boventonen heeft of op VOX WAVE dat een golfvorm simuleert die lijkt op dat wat door menselijke vocale akkoorden wordt geproduceerd. Als alternatief kunt u DWGS ( ) selecteren, en “CONTROL 2” gebruiken om golfvorm 26 (5e Wave3: een kwint interval) te selecteren en een akkoord spelen om rijke geluiden te verkrijgen.

Bewerkingsvoorbeeld voor een vocoderprogramma

32

1

Pas het geluid van de microfoon invoer aan. Zet de EDIT SELECT 1 knop op AUDIO IN 1. Draai aan knop 2 (”THRESHOLD”). Als u de knop naar rechts draait zal het geluid vlotter worden afgekapt. Stel dit bij, zodat de ruis niet opvalt wanneer u niet in de microfoon spreekt. Dan stelt u knop 1 (”GATE SENSE”) bij, zodat het vocodergeluid dat wordt uitgestuurd niet op een onnatuurlijke manier wordt afgekapt. Als knop 4 (”HPF GATE”) naar rechts wordt gedraaid zullen de consonanten (de “s” klanken) van de invoer stem benadrukt worden (→ p.33).

2

Maak filter instellingen. Zet de EDIT SELECT 1 knop op FILTER. Draai aan knop 4 (”EF SENSE”) om de gevoeligheid van de Envelope Follower aan te passen. Als u de knop naar rechts draait, zal

de vocoder uitvoer vloeiender omhoog gaan, en de release langer worden. Door draaien aan knop 2 (”CUTOFF”) of knop 1 (”FORMANT SHIFT”) zal de cutoff frequentie van het band pass filter voor de carrier worden afgewisseld, waardoor het karakter van de vocoder uitvoer verandert (→ p.35). Zet de EDIT SELECT 2 knop op CH LEVEL A of CH LEVEL B. Draai aan knoppen 1-4 van CH LEVEL A of CH LEVEL B, om de uitgangsniveaus van het bandpass filter voor alle acht kanalen van de carrier bij te stellen. Zet de EDIT SELECT 2 knop op CH PAN A of CH PAN B. Draai aan knoppen 1-4 van CH PAN A of CH PAN B, om de uitgangspan van het bandpass filter voor alle acht kanalen van de carrier bij te stellen.


4. AUDIO IN 1 — VOCODER Met deze parameters wordt de invoer van AUDIO IN 1 (de modulator) bijgesteld. pas de “THRESHOLD” (knop 2) aan, zodat de ruis niet hoorbaar is wanneer u niet spreekt, en stel “GATE SENSE” (knop 1) bij, zodat het vocodergeluid niet onnatuurlijk wordt afgekapt. Gebruik “HPF LEVEL” (knop 3) om de consonanten van de invoer stem (zoals “s” klanken) te benadrukken.

GATE SENSE [0...127] Specificeert de snelheid van de gate, die volgens de “THRESHOLD” instelling zal werken. Lagere waardes voor deze instelling zullen de gate sneller laten werken, waardoor het vocodergeluid sneller wegsterft. Met hogere waardes werkt de gate geleidelijker, waardoor het vocodergeluid een langere wegsterftijd zal hebben. Als de “THRESHOLD” waarde hoog is, zal dit effect sneller worden toegepast. Als de threshold waarde 0 is, is er geen effect.

THRESHOLD [0...127] Specificeert het niveau waarop het geluidssignaal van de AUDIO IN 1 jack tot zwijgen zal worden gebracht. Het hoger instellen van deze waarde zal het geluidssignaal tot zwijgen brengen. Hiermee kunt u ruis, die hoorbaar is wanneer er geen ingangssignaal aanwezig is, elimineren. Als dit overmatig hoog wordt ingesteld, zal het geluidssignaal ook worden afgekapt, en zal het vocoder effect moeilijk toe te passen zijn.

HPF LEVEL [0...127] Past de hoeveelheid van het hoge frequentie gedeelte van de geluidssignaal invoer van de AUDIO IN 1 jack aan, dat met de uitvoer van de vocoder gemengd zal worden. Als deze waarde hoger wordt, zal het gedeelte dat met de consonanten van spreken of zingen correspondeert benadrukt worden.

HPF GATE [Disable, Enable] Specificeert of het hoge frequentiegedeelte van het signaal van AUDIO IN 1, dat met de vocoder uitvoer wordt gemengd, alleen tijdens de duur van key-on (note-on) wordt doorgegeven of altijd kan passeren. Disable ( ): Het hoge frequentiegedeelte van het signaal zal altijd worden doorgegeven. Dit is effectief als u op een gitaar enz. speelt, die via een effect eenheid op AUDIO IN 2 is aangesloten. Enable ( ): Het hoge frequentiegedeelte van het signaal zal alleen tijdens de duur van key-on (note-on) worden doorgegeven. Gebruik deze instelling als u het vocoder effect op een interne geluidsbron toepast of als u een synthesizer enz. op AUDIO IN 2 heeft aangesloten (het signaal wordt doorgegeven wanneer een MIDI note-on wordt ontvangen).

33


5.

MIXER — VOCODER

Hiermee wordt het uitgangsniveau van de carrier ingesteld. Het niveau dat u hier aangeeft, zal het ingangsniveau naar het band-pass filter (Synthesis Filter) van de carrier zijn.

OSC 1 LEVEL [0...127] INST LEVEL [0...127] NOISE LEVEL [0...127] Specificeert het uitgangsniveau van Specificeert het uitgangsniveau van Specificeert het uitgangsniveau van Oscillator 1 (carrier). het signaal dat via AUDIO IN 2 de noise generator. wordt ingevoerd. Specificeert het uitgangsniveau van de noise generator. Een externe invoer als de vervoerder (carrier) van de vocoder gebruiken Hier ziet u hoe een signaal invoer van de AUDIO IN 2 LINE jack als de vocoder carrier (het signaal dat gemoduleerd wordt) gebruikt kan worden.

1

Zoals beschreven bij de aansluitingen voor “1. Een vocoderprogramma spelen” en “Een extern ingangssignaal verwerken” (→ p.10, 21), sluit u de bijgeleverde microfoon op de AUDIO IN 1 CONDENSER jack aan, en de uitgangsjack van uw externe apparaat op de AUDIO IN 2 LINE jack. Met de VOLUME 1 en VOLUME 2 knoppen past u de niveaus aan, zodat de geluidssignalen naar AUDIO IN 1 en 2 worden gestuurd.

2

Als u de MIXER “INST LEVEL” (knop 2) waarde verhoogt, zal het ingangssignaal van AUDIO IN 2 op het band pass filter (synthese filter) van de carrier worden ingevoerd.

3

Wanneer u het MIXER “OSC 1 LEVEL” (knop 1) verhoogt en op het toetsenbord speelt, zal de OSC1 golfvorm op het band pass filter van de carrier worden ingevoerd.

4

Als u de AUDIO IN 1 “HPF GATE” (knop 4) op Disable (dis) instelt, zal het hoge frequentie gedeelte van het ingangssignaal van de AUDIO IN 1 jack altijd worden uitgestuurd.

Bijgeleverde microfoon

MIDI OUT

MIDI IN

EM-1

TAP

1

2

3

4

5

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

MIDI toetsenbord, geluidsmodule, ritme machine enz.

34


6.

FILTER — VOCODER

Met gebruik van “FORMANT SHIFT” (knop 1) en “CUTOFF” (knop 2) om de cutoff frequentie van elk band pass filter van de carrier (het “synthese filter”) te verschuiven, kunt u de frequentie respons verhogen of verlagen, terwijl het karakter van de modulator behouden blijft, en dus het karakter van de uitvoer van de vocoder afwisselen. Deze knoppen doen allebei hetzelfde, en hebben hetzelfde bereik. FORMANT SHIFT is geïndexeerd om van filter tot filter te verschuiven, en CUTOFF is doorlopend variabel. Daarnaast kunt u “E.F. SENSE” (knop 4) gebruiken om de gevoeligheid van de Envelope Follower voor de modulator aan te passen om de vloeiendheid van de attack en de lengte van de release voor de uitvoer van de vocoder af te wisselen.

FORMANT SHIFT [0, 1, 2, -1, -2] Verschuift de cutoff frequentie van elk band pass filter van de carrier, in eenheden.

CUTOFF [-63...63] Dit verschuift doorlopend de cutoff frequentie van elk band pass filter van de carrier.

“FORMANT SHIFT” en “CUTOFF Met elke parameter kunt u het karakter laten variëren binnen een bereik van twee stappen omhoog of omlaag (wanneer samen gebruikt in totaal vier stappen omhoog of omlaag). Wanneer deze parameters allebei op 0 staan, zal het karakter met de cutoff frequenties van de modulator band pass filters (het analyse filter) overeenkomen.

BPF 7

BPF 8

BPF 9 Frequentie

-63

0 +63 Cutoff (range in which BPF 8 will change)

Formant Shift:+2

BPF 7

BPF 8

BPF 9 Frequency

-63

+63 0 Cutoff (reeks waarbinnen BPF 8 zal veranderen)

RESONANCE [0...127] Specificeert de hoeveelheid resonantie voor elk band pass filter van de carrier. Als deze waarde wordt verhoogd, worden de regio’s in de buurt van de cutoff frequentie benadrukt.

E.F.SENSE [0...126, Hold] Specificeert de gevoeligheid van de Envelope Follower voor de modulator. Met lagere instellingen van deze waarde kunnen de attacks van het ingangssignaal sneller gedetecteerd worden. Als u dit op Hold ( ) instelt, zal het karakter van het signaal dat op dat moment wordt ingevoerd worden vastgehouden. Daaropvolgend zal het geluid dat karakter vasthouden, ongeacht of er een invoer is. De signaalinformatie, die in de Hold status behouden blijft, kan in het programma worden opgeslagen door de Write operatie voor het programma uit te voeren. Als u dit op Hold zet, terwijl er geen ingangssignaal aanwezig is, zal er geen uitvoer zijn, zelfs als een geluidssignaal voortdurend wordt ingevoerd. Deze waarde wordt automatisch op Hold gezet als u de FORMANT HOLD toets indrukt. Hogere waardes zullen meer van de natuurlijke decay van het geluid vasthouden.

Tabel 6-1 Frequency [Hz] 39 50 65 80 125 185 270 350 430 530 630 780 950 1150 1380 1680 2070 2780 3800 5000 6400 8100 10510 12600

Band (CH) Formant shift 0 Formant shift +2 Formant shift -2

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

(CH1) (CH2) (CH3) (CH4) (CH5) (CH6) (CH7) (CH8)

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

(CH1) (CH2) (CH3) (CH4) (CH5) (CH6)

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

(CH1) (CH2) (CH3) (CH4) (CH5) (CH6) (CH7) (CH8)

(CH7) (CH8)

Hoewel het bewerkbare band pass filter van de microKORG acht kanalen heeft, bevat het intern zestien band pass filters. Deze zestien filters zijn in paren samengebracht (een paar voor elk kanaal). Tabel 61 toont de manier waarop de frequenties, die door “FORMANT SHIFT” en “CUTOFF” zijn aangepast, met de frequenties van de zestien filters corresponderen.

35


7.

FC MOD — VOCODER

Deze parameters selecteren de modulatiebron die de cutoff frequentie van het band-pass filter (het synthese filter) zal afwisselen, en specificeren de diepte van de modulatie. Als u de modulatiebron “SOURCE” (knop 1) bijvoorbeeld op AMP EG (A.EG) instelt, en “INTENSITY” (knop 2) gebruikt om de diepte van het effect aan te passen, zal de AMP EG klankveranderingen produceren.

SOURCE [AMP EG, LFO 1, LFO 2, Velocity, KBD Track, Pitch Bend, MOD.Wheel] Selecteert de modulatiebron, die op het carrier band pass filter “CUTOFF” wordt toegepast. Als u bijvoorbeeld AMP EG ( ) selecteert, zal de AMP EG de modulatiebron zijn. AMP EG (

): AMP EG

LFO 1 (

): LFO 1

LFO 2 (

): LFO 2

Velocity ( ): Velocity (speelsterkte op het toetsenbord) KBD Track ( ): Keyboard Tracking (positie op het toetsenbord) Pitch Bend ( PITCH wiel MOD.Wheel ( MOD wiel

36

): ):

INTENSITY [-63...63] Specificeert de diepte van de modulatie die op het band-pass filter “CUTOFF” van de carrier wordt toegepast.


8.

AMP — VOCODER

Deze parameters passen het volume aan. “LEVEL” (knop 1) specificeert het volume van de interne geluidsbron (OSC 1, NOISE) voor de carrier. “KBD TRACK” (knop 4) geeft aan hoe keyboard tracking het volume beïnvloedt, en “DISTORTION” (knop 3) specificeert of het geluid zal vervormen. De “DIRECT LEVEL” (knop 2) specificeert het uitgangsvolume niveau van het geluid dat via AUDIO IN 1 wordt ingevoerd.

LEVEL [0...127] Specificeert het volumeniveau van de interne toongenerator (OSC 1, NOISE) voor de carrier.

DIRECT LEVEL [0...127] Specificeert het volumeniveau van het geluid dat rechtstreeks via AUDIO IN 1 wordt uitgestuurd.

9.

AMP EG

DISTORTION [OFF, ON] Specificeert of vervorming op de OSC 1, NOISE en het AUDIO IN 2 signaal zal worden toegepast. OFF ( ): Distortion staat uit. ON ( ): Distortion staat aan.

KBD TRACK [-63...63] Specificeert hoe keyboard tracking het volume zal beïnvloeden. Met positieve (+) instellingen zal het volume toenemen als u boven de C4 noot op het toetsenbord speelt, en afnemen als u onder de C4 noot speelt. Met negatieve (-) instellingen zal het volume afnemen als u boven de C4 noot op het toetsenbord speelt, en toenemen als u onder C4 speelt.

Keyboard Track werkt volgens de toonhoogte die door pitch bend en de “TRANSPOSE” instelling wordt bestuurd. Het wordt niet beïnvloed door toonhoogteveranderingen, die door vibrato of Virtual Patch worden geproduceerd.

— SYNTH/VOCODER

De “9. AMP EG” parameters zijn hetzelfde als bij een synth programma (→ p.28). Deze specificeren de vorm van de AMP EG, die tijdsvariërende veranderingen in het volume van de interne carrier geluidsbron (OSC 1, NOISE) creëert. Virtual Patches zijn niet beschikbaar, wanneer vocoderprogramma’s worden gebruikt.

10. LFO 1, 11. LFO 2

— SYNTH/VOCODER

De “10. LFO1” en “11. LFO2” parameters zijn hetzelfde als bij een synth programma (→ p.29). Cyclische verandering, die door de LFO wordt geproduceerd, kan modulatie op de interne carrier geluidsbron (OSC 1, NOISE) toepassen. Virtual Patches zijn niet beschikbaar, wanneer vocoderprogramma’s worden gebruikt.

37


12. CH LEVEL A, 13. CH LEVEL B — VOCODER Met deze parameters wordt het niveau van alle acht band-pass filters kanalen (SYNTHESIS FILTER) van de carrier ingesteld (→ p.35). Hiermee kunt u het uitgangsniveau van de interne carrier geluidsbron (OSC 1, NOISE) aanpassen. Indien gewenst kunt u het niveau van alle band-pass filter kanalen met één enkele stap initialiseren (127). (→ p.60).

CH 1 LEVEL

[0...127]

CH 2 LEVEL

[0...127]

CH 3 LEVEL

[0...127]

CH 4 LEVEL

[0...127]

CH 5 LEVEL

[0...127]

CH 6 LEVEL

[0...127]

CH 7 LEVEL

[0...127]

CH 8 LEVEL

[0...127]

Deze parameters stellen het uitgangsniveau van de acht band-pass filter kanalen van de carrier in.

14. CH PAN A, 15. CH PAN B — VOCODER Deze parameters stellen de pan voor elk van de acht band-pass filter kanalen (SYNTHESIS FILTER) van de carrier in (→ p.35). Hiermee kunt u de stereopositie van de interne carrier geluidsbron (OSC 1, NOISE) aanpassen. Indien gewenst kunt u het niveau van alle band-pass filter kanalen met één enkele stap initialiseren (127). (→ p.60).

CH 1 PAN

[L63...Center...R63]

CH 2 PAN

[L63...Center...R63]

CH 3 PAN

[L63...Center...R63]

CH 4 PAN

[L63...Center...R63]

CH 5 PAN [L63...Center...R63] CH 6 PAN [L63...Center...R63] CH 7 PAN [L63...Center...R63] CH 8 PAN [L63...Center...R63] Deze parameters stellen de pan voor elk van de acht band-pass filter kanalen van de carrier in. L63 ( ) is uiterst links, Center ( ) is midden en R63 ( ) is uiterst rechts. 38


EDe effecten en Eq bewerken

De effectstructuur van de microKORG

Overzicht De uitvoer van de amp sectie van een synth programma of vocoderprogramma wordt naar het modulatie effect gestuurd (MOD FX) → delay effect (DELAY FX) → equalizer (EQ). (→ p.15 figuur 0-1, p.31 figuur v0-1). U kunt het modulatie type effect en het delay effect bewerken om het gewenste geluid op dezelfde manier te creëren als bij het bewerken van filter of amp parameters. U kunt effecten gebruiken om het geluid op verschillende manieren te wijzigen. Dan kunt u de twee-bands EQ gebruiken om de laatste aanpassingen op de klank te maken, voordat het geluid naar de L/R uitgangen wordt gestuurd. Om effecten over te slaan zet u de FX diepte (of EQ gain) waarde op nul.

Modulatie-type effect (MOD FX) Kies één van de drie effecten: Chorus/Flanger, Ensemble of Phaser.

Delay effect (DELAY FX) Kies één van de drie effecten: Stereo Delay, Cross Delay of L/R Delay.

Equalizer (EQ) Dit is een twee-bands EQ.

39


16. MOD FX — SYNTH/VOCODER Het modulatie effect past verscheidene types cyclische verandering op het originele geluid toe. U kunt het gebruiken om het geluid meer diepte te geven of om de indruk te wekken dat meerdere geluidsbronnen tegelijkertijd te horen zijn. Ook kunt u LFO modulatie gebruiken om cyclische veranderingen te simuleren die door een speler op een instrument worden geproduceerd, zoals het ademen op een blaasinstrument of de snaren van een snaarinstrument. “TYPE” (knop 1) selecteert het type modulatie effect, “EFFECT DEPTH” (knop 3) stelt de diepte en de hoeveelheid feedback voor het modulatie effect in. “LFO SPEED” (knop 2) stelt de snelheid van de modulatie in.

TYPE

[Flanger/Chorus, LFO SPEED [0...127] Ensemble, Phaser] Specificeert de snelheid van het modulatie effect LFO. Selecteert het effect type. Flanger/Chorus ( ): Dit effect moduleert de delaytijd van het ingangssignaal om het geluid diepte en warmte te geven. Als de “EFFECT DEPTH” waarde wordt verhoogd, zal een flanger effect geproduceerd worden. Ensemble ( ): Dit effect gebruikt meerdere chorus eenheden om driedimensionale diepte en ruimtelijkheid aan het geluid toe te voegen. Phaser ( ): Dit effect moduleert de fase van het geluid onafgebroken, waardoor beweging binnen het geluid wordt gecreëerd, een zwepende en heen en weer gaande gewaarwording.

40

EFFECT DEPTH [0...127] Specificeert de modulatiediepte en hoeveelheid feedback. Als deze waarde wordt verhoogd wordt het modulatie effect dieper, en neemt de hoeveelheid feedback ook toe. Als u dit effect niet wilt toepassen, zet u dit op 0. Als deze parameter extreem hoog wordt ingesteld, kan de uitvoer gaan vervormen.


17. DELAY — SYNTH/VOCODER Het delay effect simuleert de delays (vertragingen) die optreden wanneer geluid zich door de lucht verplaatst. “TYPE” (knop 1) selecteert het type delay effect. “DELAY DEPTH” (knop 4) stelt de delay diepte en de hoeveelheid feedback in. “TEMPO SYNC” (knop 2) geeft aan of de delaytijd aan het tempo, dat door de arpeggiator of een externe MIDI klok is gespecificeerd, gesynchroniseerd wordt.

TYPE

[Stereo Delay, Cross Delay, L/R Delay] Selecteert het delay type. Stereo Delay ( ): Dit is een stereo delay (→ figuur 171). Cross Delay ( ): Dit is een stereo delay, waarbij de linker en rechter kanalen van plaats wisselen. In een Layer programma is het effectief om de pan van de twee timbres respectievelijk op rechts en links in te stellen (→ figuur 17-2). L/R Delay ( ): Dit is een delay waarbij het delaygeluid afwisselend naar rechts en naar links wordt uitgestuurd (→ figuur 17-3). Figuur 17-1

TEMPO SYNC [OFF, ON] Geeft aan of de delaytijd aan het tempo gesynchroniseerd zal worden. OFF ( ): Delay uit (niet gesynchroniseerd). De delay werkt volgens de “DELAY TIME” waarde die u aangeeft. ON ( ): Delay aan (gesynchroniseerd). De delay zal aan de ARPEG.A “TEMPO” instelling of aan MIDI Clock data van een extern apparaat worden gesynchroniseerd.

Figuur 17-2

Figuur 17-3

Stereo Delay

Cross Delay

L/R Delay

FEEDBACK

DELAY DEPTH [0...127] Specificeert de delay diepte en hoeDeze parameter is alleen beschik- veelheid feedback. Als deze waarde baar als “TEMPO SYNC” op OFF wordt verhoogd zal de delay harder worden, en de hoeveelheid feedstaat. back ook toenemen. Als u geen delay wilt toepassen, zet u dit op 0. SYNC NOTE [1.32...1.1] Specificeert de ratio van de delaytijd, relatief aan de ARPEG.A “TEMPO” waarde (→ p.65).

Door extreem hoge instellingen van deze parameter kan de uitvoer gaan vervormen.

Deze parameter is alleen beschikbaar als “TEMPO SYNC” op ON staat.

DELAY

DELAY

[0...127]

FEEDBACK

FEEDBACK

DELAY

FEEDBACK

DELAY TIME Stelt de delaytijd in.

DELAY

DELAY DELAY

FEEDBACK FEEDBACK

41


18. EQ — SYNTH/VOCODER Dit is een 2-bands equalizer. Gebruik EQ FREQ (knoppen 1 en 3) om de aan te passen frequentie te specificeren, en knoppen 2 en 4 om de gain (volume) van elke frequentieband bij te stellen. Het extreem verhogen van de equalizer gain kan vervorming van de uitvoer veroorzaken.

LOW EQ FREQ. [40Hz...1.00kHz] LOW EQ GAIN [-12...12] HI EQ FREQ. [1.00kHz...18.0kHz] HI EQ GAIN [-12...12] Stelt de frequentie van de lage reeks Stelt de mate van omhoog drukken Stelt de frequentie van de hoge Stelt de mate van omhoog drukken equalizer in. of afkappen voor de hoge reeks reeks equalizer in. of afkappen voor de equalizer in. equalizer in.

42


De arpeggiator bewerken

De structuur van de arpeggiator

Overzicht De microKORG’s arpeggiator biedt zes arpeggio types. U kunt de tijdsduur (gate tijd) en tussenruimte van de noten die door de arpeggiator worden gespeeld aanpassen. De arpeggiator instellingen worden met de ARPEG.A en ARPEG. B parameters bijgesteld. Elk van de acht stappen die door de ARPEG.A en ARPEG. B instellingen wordt geproduceerd, kan met gebruik van de “step arpeggiator” aan en uit worden gezet, voor nog meer uitvoeringsmogelijkheden. (→ Zie pagina 11 voor informatie over het gebruik van de step arpeggiator).

De timbres, die door de arpeggiator gespeeld zullen worden, selecteren Bij een synth programma, dat twee timbres gebruikt (Layer), kunt u het timbre dat de arpeggiator zal laten klinken selecteren. Dit wordt door ARPEG.B “TARGET TIMBRE” (knop 5) aangegeven. U kunt beide timbres, of alleen timbre 1 of 2 als arpeggio laten spelen.

De waarde van LFO 1/2 of de delaytijd van het delay effect aan het arpeggiator tempo synchroniseren Door synchronisatie van de LFO 1/2 waarde aan het tempo van de arpeggiator kunt u modulatie toepassen, die aan het tempo is gesynchroniseerd. Ook kunt u aangeven dat de tijdsparameter van het delay effect een ratio van het tempo is, zodat de delaytijd juist blijft, zelfs als u het tempo van het arpeggio verandert. Dit is vooral handig bij live uitvoeringen (→ p.65). Aangezien de arpeggiator van de microKORG aan een externe MIDI sequencer gesynchroniseerd kan worden, kunt u de LFO 1/2 waarde of de delaytijd vanaf een externe MIDI sequencer besturen (→ p.50).

43


19. ARPEG. A — SYNTH/VOCODER Hier kunt u verscheidene aan arpeggio gerelateerde instellingen maken. “TYPE” (knop 4) selecteert het arpeggio type. “TEMPO” stelt het tempo van de arpeggiator in, en “RESOLUTION” (knop 2) specificeert de tussenruimte tussen de noten, met betrekking tot het tempo. “GATE”(knop 3) stelt de tijdsduur van de arpeggio noten in, en “RANGE” (knop 5) specificeert de toonhoogtereeks (één tot vier octaven, in stappen van een octaaf) waarbinnen het arpeggio gespeeld zal worden. Voor het creëren van een arpeggio programma kunt u zoveel toetsen ingedrukt houden, als u wilt.

TEMPO [20...300] Specificeert het tempo van het arpeggio. Door verhoging van deze waarde zal het arpeggio tempo sneller worden. Als MIDI “CLOCK” op External is ingesteld of op Auto is gezet als er een externe invoer is, zal deze instelling genegeerd worden, en de arpeggiator aan de externe MIDI Clock gesynchroniseerd worden.

44

RESOLUTION [1/24...1/4] Specificeert de resolutie (het spreiden van de noten), met betrekking tot het tempo dat bij “TEMPO” is aangegeven (→ p.65). 1/24 ( ): Het arpeggio zal volgens zestiende triolen van het aangegeven tempo worden gespeeld. 1/16 ( ): Het arpeggio zal volgens zestiende noten van het aangegeven tempo worden gespeeld. 1/12 ( ): Het arpeggio zal volgens achtste triolen van het aangegeven tempo worden gespeeld. 1/8 ( ): Het arpeggio zal volgens achtste noten van het aangegeven tempo worden gespeeld. 1/6 ( ): Het arpeggio zal volgens kwarten triolen van het aangegeven tempo worden gespeeld. 1/4 ( ): Het arpeggio zal volgens kwart noten van het aangegeven tempo worden gespeeld.

GATE [0...100] Specificeert de tijdsduur (gate tijd) van de arpeggio noten, aangegeven als percentage (%). Op 0 ingesteld zal elke noot extreem kort zijn. Op 100 ingesteld blijft elke noot tot de volgende stap spelen.

TYPE [Up, Down, Alternate 1, Alternate 2, Random, Trigger] Selecteert het arpeggio type (→ figuur 19-1). Up ( ): Noten worden achtereenvolgend van lage tot hoge toonhoogtes gespeeld. Down ( ): Noten worden achtereenvolgend van hoge tot lage toonhoogtes gespeeld. Alternate 1 ( ): Up en Down worden afgewisseld. (De hoogste en laagste noten zullen éénmaal klinken). Alternate 2 ( ): Up en Down worden afgewisseld. (De hoogste en laagste noten zullen tweemaal klinken). Random ( ): Noten worden in willekeurige volgorde gespeeld. Trigger ( ): De noten, die ingedrukt zijn, worden gelijktijdig gespeeld volgens de timing van het tempo en “RESOLUTION”. De “RANGE” instelling wordt genegeerd.

RANGE [1...4] Specificeert de reeks octaven waarbinnen het arpeggio gespeeld wordt. Figuur 19-1 Up Down

Alternate 1

Alternate 2

Random

Trigger

Als u meer noten ingedrukt houdt (➚) (➘) dan door de maximale polyfonie van het timbre wordt toegestaan, zullen de laagste toonhoogtes die u ingedrukt heeft gespeeld worden tot aan de maximale polyfonie.


20. ARPEG. B — SYNTH/VOCODER Hier kunt u aanvullende instellingen wat betreft arpeggio maken. “LAST STEP” (knop 4) stelt het aantal stappen in het arpeggio in. “LATCH” (knop 1) specificeert hoe de arpeggiator zal werken als u het toetsenbord loslaat, “SWING” (knop 2) past het gevoel van swing aan, en “KEY SYNC” (knop 3) geeft aan hoe de arpeggiator aan het toetsenbord wordt gesynchroniseerd. Daarnaast specificeert “TARGET TIMBRE” (knop 5) welke timbres van een Layer synth programma door de arpeggiator ten gehore worden gebracht.

LATCH [OFF, ON] Specificeert hoe de arpeggiator zal werken, als u uw hand van het toetsenbord haalt. OFF ( ): De arpeggiator zal stoppen met spelen, als u uw hand van het toetsenbord haalt. ON ( ): De arpeggiator zal blijven spelen, ook als u uw hand van het toetsenbord haalt.

SWING [-100...100] Specificeert het percentage (%) waarmee even genummerde noten van het arpeggio, volgens de timing van de eerste noot, verschoven zullen worden. (→ Figuur 20-1).

KEY SYNC [OFF, ON] Specificeert of de arpeggiator aan het toetsenbord gesynchroniseerd zal worden. Als dit op ON staat, zal de arpeggiator altijd vanaf het begin van het arpeggiopatroon starten als u op het toetsenbord speelt. Wanneer u samen met andere instrumenten speelt, kunt u deze functie gebruiken om er zeker van te zijn dat het arpeggiopatroon met het begin van de maat overeenkomt. OFF ( ): Sync uit (niet gesynchroniseerd). ON ( ): Sync aan (gesynchroniseerd).

LAST STEP [1...8] TARGET TIMBRE Specificeert het aantal geldige stap[Both, Timbre 1, Timbre 2] pen (maximale aantal stappen) van Selecteert het timbre dat de arpegde step arpeggiator. giator zal laten klinken. Dit kan alleen voor een Layer programma worden ingesteld. Both ( ): De arpeggiator zal beide timbres laten klinken. Timbre 1 ( ): De arpeggiator zal alleen timbre 1 laten klinken. Timbre 2 ( ): De arpeggiator zal alleen timbre 2 laten klinken.

Figuur 20-1 When Resolution =1/8 1

Swing

2

–50

3

4

–25

5

6

+25

7

8

9

+50

45


Algemene instellingen (GLOBAL) Overzicht In de Global sectie kunt u algemene instellingen voor de microKORG maken. Bijvoorbeeld, hoewel het mogelijk is om de toonhoogte van ieder synth of vocoderprogramma individueel aan te passen, kunt u de GLOBAL pitch instellingen (”MASTER TUNE” en “MASTER TRANSPOSE”) gebruiken om de toonhoogte van alle programma’s aan te passen. Als u de microKORG samen met andere instrumenten bespeelt, gebruikt u “MASTER TUNE” om de toonhoogte overeen te laten komen. Om de toonhoogte van de song die u speelt te transponeren, kunt u “MASTER TRANSPOSE” gebruiken. In gevallen waarbij u meerdere programma’s in één song gebruikt, is het handig om simpelweg de GLOBAL instelling aan te passen, in plaats van de toonhoogte van elk individueel programma te moeten aanpassen. De manier, waarop uw speeldynamiek op de velocity van invloed is, kunt u hier ook aanpassen. Als u wilt, dat uw speeldynamiek invloed heeft op parameters als volume, zet u “VELOCITY CURVE” op Curve ( ). Een andere mogelijkheid is het specificeren van een constante velocity, zodat volume enz. niet door uw speeldynamiek wordt beïnvloed. Daarnaast kunt u met GLOBAL instellingen de MIDI IN/OUT routing binnen de microKORG specificeren of aangeven of de signaalinvoer van AUDIO IN zonder modificatie naar de uitgang zal worden gestuurd.

46

GLOBAL structuur


21. GLOBAL Hier kunt u algemene instellingen voor de microKORG maken. Met “MASTER TUNE” (knop 1) en “MASTER TRANSPOSE” (knop 2) wordt de toonhoogte aangepast. “VELOCITY CURVE” (knop 3) specificeert de velocity, “POSITION” (knop 4) specificeert de MIDI IN/OUT routing, en “AUDIO IN THRU” (knop 5) geeft aan of het ingangssignaal van de AUDIO IN rechtstreeks zal worden uitgestuurd.

MASTER TUNE [30.0...50.0] Past de algemene toonhoogte in stappen van 0.1 Hz over een bereik van 430.00 tot 450.00 Hz aan, uitgaande van A4 als de referentie toonhoogte. (Het hoogste cijfer “4” wordt niet getoond). Gebruik dit als u de toonhoogte van de microKORG op die van andere instrumenten wilt afstemmen.

MASTER TRANSPOSE [-12...12] Past de algemene toonhoogte in stappen van een halve toon (100 cent) over een bereik van één octaaf omhoog of omlaag aan. Gebruik dit als u wilt transponeren, zodat de song die u speelt beter past bij wat u voor ogen heeft.

Figuur 21-1

Figuur 21-2

VELOCITY CURVE [Curve, 1...127] Selecteert hoe velocity (speeldynamiek op het toetsenbord) het volume en de klank zal beïnvloeden. Gebruik de instelling, die op uw situatie van toepassing is. Curve ( ): De normale curve (→ figuur 21-1). 1...127: De vaststaande velocity, die u hier aangeeft, zal uitgestuurd worden, ongeacht de sterkte, waarmee u op het toetsenbord speelt. MIDI IN

MAX (127)

Timbre 2 Keyboad

Velocity

GLOBAL: Master Transpose FRONT PANEL: Octave GLOBAL: Velocity Curve

Arpeggiator

MIDI OUT

(64) Curve (CrV)

MIN (1) ppp (1)

Timbre 1

Strength (MIDI Velocity)

fff (127)

Figuur 21-3 Keyboad

MIDI IN

GLOBAL: Master Transpose GLOBAL: Velocity Curve

FRONT PANEL: Octave

MIDI OUT

Timbre 2 Timbre 1

Arpeggiator

POSITION [Post KBD, Pre TG] Specificeert de interne MIDI IN/OUT routing binnen de microKORG. Deze instelling is van invloed op de manier waarop MIDI data wordt verzonden en ontvangen, en hoe de arpeggiator data behandeld wordt. Post KBD ( ): In deze positie wordt binnenkomende MIDI data naar de timbres gestuurd, zonder dat deze door de global of voorpaneel regelaars wordt beïnvloed, en zal de arpeggiator niet triggeren. Door het toetsenbord geproduceerde data wordt volgens de interne instellingen geconverteerd, door de arpeggiator gestuurd (arpeggiator noten worden als MIDI data verzonden), en dan naar de MIDI OUT aansluiting gestuurd. (→ Figuur 21-2). Pre TG ( ): Binnenkomende MIDI data wordt door de globale instellingen beïnvloed, en zal zich gedragen als trigger noten voor de arpeggiator. Door het toetsenbord geproduceerde

AUDIO IN THRU [OFF, ON] Specificeert of de signaalinvoer van AUDIO IN rechtstreeks uitgestuurd zal worden. OFF ( ): Het signaal wordt niet uitgestuurd. ON ( ): Het signaal wordt uitgestuurd. Deze instelling wordt niet onthouden door de Write operatie. Als de stroom wordt aangezet, zal dit altijd op OFF staan. Terwijl u bewerkt, zal ORIGINAL VALUE altijd verlicht blijven.

data wordt naar de MIDI OUT aansluiting verzonden, zonder (➚) (➘) dat deze door een andere instelling wordt beïnvloed, behalve door de OCTAVE SHIFT (arpeggiator noten worden NIET via MIDI verzonden). (→ Figuur 21-3).

47


De microKORG met andere MIDI apparaten gebruiken Overzicht Hier kunt u aan MIDI gerelateerde instellingen voor de microKORG maken. MIDI staat voor Musical Instrument Digital Interface, en is een wereldwijde standaard voor uitwisseling van verscheidene soorten muzikale data tussen elektronische muziekinstrumenten en computers. Indien MIDI kabels worden gebruikt voor aansluiting van twee of meer MIDI apparaten, kan de uitvoeringsdata tussen de apparaten worden uitgewisseld, zelfs als deze door verschillende fabrikanten gemaakt zijn. Op de microKORG kunt u control change nummers toewijzen aan de belangrijkste parameters, die het geluid be誰nvloeden, en deze parameters vanaf een externe MIDI sequencer besturen terwijl u de toongenerator speelt. U kunt de toegewezen knoppen 1-5 of toetsen bedienen om deze control changes te verzenden om op die manier een extern MIDI apparaat te besturen. U kunt de arpeggiator van de microKORG, de LFO waarde of de delaytijd van het delay effect aan de MIDI Clock van een externe MIDI sequencer synchroniseren.

MIDI apparaten/computers aansluiten

MIDI op de microKORG De toongenerator van de microKORG vanaf een extern MIDI apparaat besturen Als u de toongenerator van de microKORG vanaf een extern MIDI toetsenbord of sequencer wilt bespelen of besturen, gebruikt u een MIDI kabel om de MIDI OUT aansluiting van het externe MIDI apparaat met de MIDI IN aansluiting van de microKORG te verbinden. microKORG

MIDI IN

MIDI OUT

MIDI keyboard

Twee of meerdere externe MIDI toongenerators vanaf de microKORG bestuurt U kunt de MIDI THRU aansluiting gebruiken om meerdere MIDI apparaten gelijktijdig te besturen. (Dit type verbinding kan voor maximaal drie aangesloten apparaten gebruikt worden. Als u meer MIDI apparaten wilt aansluiten, adviseren wij u om een MIDI patch bay te gebruiken, zoals in het twee diagram hieronder wordt getoond). microKORG

MIDI OUT

MIDI IN

MIDI IN

MIDI THRU

EM-1

Een externe MIDI toongenerator vanaf de microKORG besturen Als u het toetsenbord, de regelaars en arpeggiator van de microKORG wilt gebruiken om een externe MIDI toongenerator te spelen, gebruikt u een MIDI kabel om de MIDI OUT van de microKORG met de MIDI IN aansluiting van de externe MIDI toongenerator te verbinden.

TAP

1

MIDI OUT

3

4

5

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

MIDI tone generator

Om meerdere MIDI apparaten te besturen kunt u ook een MIDI patch bay gebruiken.

microKORG microKORG

2

MIDI keyboard

MIDI OUT

MIDI IN

MIDI IN

MIDI OUT

MIDI IN EM-1

MIDI patch bay

MIDI OUT

TAP

1

2

3

4

5

7

8

9

10

11

12

13

14

15

MIDI IN

16

EM-1

MIDI tone generator

MIDI tone generator

TAP

1

48

2

3

4

5

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

MIDI keyboard


MIDI op de microKORG Een externe MIDI sequencer of computer aansluiten U kunt op het toetsenbord van de microKORG spelen, en uw uitvoering op een externe MIDI sequencer/computer (aangesloten via een MIDI interface) opnemen, waarna u de opgenomen uitvoering kunt afspelen, om de toongenerator van de microKORG te laten klinken (met andere woorden: de microKORG als invoer toetsenbord en MIDI toongenerator gebruiken). Om dit te kunnen doen, sluit u de MIDI OUT en MIDI IN aansluitingen van de microKORG en uw externe sequencer/computer op elkaar aan. Sommige USB-MIDI interface apparaten kunnen de MIDI exclusive berichten van de microKORG niet verzenden/ontvangen. computer MIDI interface

MIDI OUT

MIDI IN

MIDI OUT

Wanneer een externe MIDI toongenerator vanaf de microKORG wordt bestuurd, zult u “POSITION” op Post KBD ( ) instellen. De hierboven genoemde instellingen zullen de MIDI data die wordt verzonden beïnvloeden. De ontvangen data wordt als “MASTER TRANSPOSE”: 0, “VELOCITY CURVE: Curve ( ) en “Octave Shift”: 0 verwerkt. Indien de microKORG’s toongenerator vanaf een extern MIDI apparaat wordt bestuurd, zet u “POSITION” normaalgesproken op Pre TG ( ). De hierboven genoemde instellingen beïnvloeden de ontvangen MIDI data (met uitzondering van “OCTAVE SHIFT”, die als 0 verwerkt zal worden). De verzonden data zal als “MASTER TRANSPOSE”: 0 en “VELOCITY CURVE: Curve ( ) worden verwerkt.

MIDI IN

SHIFT functie “MIDI FILTER” instellingen U kunt aangeven of Program Change, pitch bend, Control Change en System Exclusive berichten verzonden of ontvangen zullen worden (→ p.60). microKORG

SHIFT functie “CONTROL CHANGE” instellingen

MIDI kanaal instelling Om data met een aangesloten extern MIDI apparaat uit te kunnen wisselen, moet u het MIDI kanaal van de microKORG instellen, zodat dit met het MIDI kanaal van het externe MIDI apparaat overeenkomt.

1 Stel het MIDI kanaal van de microKORG in. Zet de EDIT SELECT 2 draaiknop op MIDI, en gebruik knop 1 (”MIDI CH”) om het MIDI kanaal in te stellen (→ p.51).

2 Stel het MIDI kanaal van het externe MIDI apparaat in. (→ Voor informatie over het instellen van het MIDI kanaal van het externe MIDI apparaat raadpleegt u de handleiding van het apparaat).

GLOBAL “POSITION” instelling Met de GLOBAL “POSITION” van de microKORG kunt u aangeven hoe MIDI IN/OUT intern doorgestuurd zal worden. Dit is van invloed op de manier waarop de MIDI data door de “MASTER TRANSPOSE”. “VELOCITY CURVE”, “OCTAVE SHIFT” en arpeggiator instellingen wordt beïnvloed (→ p.47).

MIDI “LOCAL” instelling wanneer een externe MIDI sequencer of computer wordt aangesloten Als noten dubbel klinken, wanneer de microKORG op een externe MIDI sequencer of computer is aangesloten, zet u de Local instelling uit (MIDI “LOCAL” OFF). (→ p.51). Als de microKORG op een externe MIDI sequencer of computer is aangesloten, en de Echo Back instelling van de externe MIDI sequencer of computer wordt aangezet, terwijl de Local Control instelling van de microKORG ook aanstaat, wordt de uitvoeringsdata die gegenereerd wordt als u het toetsenbord van de microKORG bespeelt, naar de externe MIDI sequencer gestuurd, en zal tevens teruggestuurd worden om de toongenerator van de microKORG nogmaals te laten klinken. Om te voorkomen, dat iedere noot twee maal klinkt, één keer rechtstreeks vanaf het toetsenbord en één keer van de teruggestuurde noot, moet u de Local Control instelling van de microKORG uitzetten.

Berichten

Aan MIDI gerelateerde instellingen

U kunt control change nummers aan de belangrijkste parameters die het geluid beïnvloeden toewijzen, en met een extern MIDI apparaat dezelfde operaties uitvoeren die ook met de knoppen en toetsen van de microKORG zouden worden uitgevoerd. Omgekeerd kunt u de knoppen en toetsen van de microKORG bedienen om een extern MIDI apparaat te besturen (→ p.61).

49


MIDI op de microKORG De MIDI uitvoer van de microKORG’s arpeggiator op een externe MIDI sequencer of computer opnemen Verbind de MIDI OUT van de microKORG met de MIDI IN aansluiting van uw externe MIDI sequencer/computer, en verbind de MIDI IN van de microKORG met de MIDI OUT aansluiting van uw externe MIDI sequencer/computer (→ p.49). Vervolgens zet u de Local Control van de microKORG uit (MIDI “LOCAL” OFF), en de Echo Back instelling van uw externe MIDI sequencer/computer aan. De nootdata van de arpeggiator op een externe MIDI sequencer/computer opnemen Zet de GLOBAL “POSITION” van de microKORG op Post KBD ( ). Zet de arpeggiator aan, bespeel het toetsenbord en neem de nootdata op uw externe MIDI sequencer/computer op. Als de GLOBAL “POSITION” op Post KBD is ingesteld, zal de MIDI nootdata die door de arpeggiator wordt geproduceerd, via de microKORG worden uitgestuurd, en opgenomen worden (→ p.47). Zet de microKORG’s arpeggiator tijdens het afspelen uit. Alleen de arpeggio triggerende noten op een externe MIDI sequencer/computer opnemen, en de arpeggiator van de microKORG laten spelen tijdens het afspelen Zet de GLOBAL “POSITION” van de microKORG op Pre TG ( ). Zet de arpeggiator aan, bespeel het toetsenbord en neem de nootdata op uw externe MIDI sequencer/computer op. Als de GLOBAL “POSITION” op Pre TG ( ). is ingesteld, zullen alleen de noten, die u werkelijk op het toetsenbord speelt, als MIDI data worden verzonden, en de door de arpeggiator gegenereerde MIDI nootdata zal niet worden verzonden. Echter, de MIDI nootdata die vanaf de externe MIDI sequencer/computer (waarvan de Echo Back instelling is aangezet) wordt teruggestuurd, zal de microKORG’s arpeggiator triggeren, waardoor een arpeggio wordt geproduceerd (→ p.47). Zet de arpeggiator van de microKORG tijdens het afspelen aan. De arpeggiator synchroniseren De MIDI “CLOCK” instelling specificeert of de arpeggiator van de microKORG de meester (het besturende apparaat) of de slaaf (het bestuurde apparaat) zal zijn. Voor informatie over synchronisatie instellingen van uw externe MIDI apparaat raadpleegt u de handleiding van uw apparaat.

50

De microKORG als meester en het externe MIDI apparaat als slaaf gebruiken Sluit de MIDI OUT van de microKORG op de MIDI IN aansluiting van het externe MIDI apparaat aan (→ p.48). Als u MIDI “CLOCK” op Internal ( ) zet, zal de microKORG de meester zijn, en MIDI timing klok berichten verzenden. Maak instellingen op uw externe MIDI apparaat, zodat externe MIDI klok data ontvangen kan worden. Het externe MIDI apparaat (sequencer, ritmemachine, enz.) zal werken volgens het tempo dat door de ARPEG.A “TEMPO” instelling is aangegeven. Het externe MIDI apparaat als de meester en de microKORG als de slaaf gebruiken Sluit de MIDI IN van de microKORG op de MIDI OUT aansluiting van het externe MIDI apparaat aan (→ p.48). Als u MIDI “CLOCK” op External ( ) zet, zal de microKORG de slaaf zijn. De arpeggiator van de microKORG zal werken volgens het tempo van het externe MIDI apparaat (sequencer, ritmemachine, enz.). Als u MIDI “CLOCK” op Auto (( ) instelt, zal de microKORG automatisch met gebruik van de External instelling functioneren, wanneer MIDI Clock van een extern MIDI apparaat, dat op de MIDI IN is aangesloten, wordt ontvangen. Anders zal de microKORG met gebruik van de Internal instelling werken.


22. MIDI

MIDI CH [1...16] Specificeert het MIDI kanaal. Als u program changes of system exclusive berichten via MIDI wilt verzenden, stelt u het globale MIDI kanaal zo in, dat het met het MIDI kanaal van het aangesloten MIDI apparaat overeenkomt.

LOCAL [OFF, ON] Schakelt de Local instelling aan en uit. OFF ( ): Met deze instelling zullen regelaars als het toetsenbord en modulatie wiel intern van de toongenerator sectie worden losgekoppeld. Deze instelling voorkomt dat noten dubbel klinken, wanneer een sequencer is aangesloten en de uitvoeringsdata vanaf de sequencer wordt teruggestuurd. (Bij Echo Back (terugsturen) wordt de uitvoeringsdata, die wordt verzonden door het bespelen van de microKORG, vanaf de sequencer naar de microKORG teruggestuurd). ON ( ): Selecteer deze instelling als u alleen de microKORG gebruikt.

CLOCK [Internal, External, Auto] Specificeert hoe de microKORG met een aangesloten extern MIDI apparaat (sequencer, ritmemachine, enz.) gesynchroniseerd zal worden. Als de LFO 1/2 of DELAY “TEMPO SYNC” op ON staat, zullen de LFO waarde en de delaytijd ook gesynchroniseerd worden, op dezelfde (➘) manier als de arpeggiator. Auto ( ): De microKORG zal automatisch Internal ( ): met gebruik van de External instelDe arpeggiator wordt door de inter- ling functioneren, als MIDI klok ne klok vastgesteld (gespecificeerd berichten van een op de MIDI IN door “TEMPO”). Selecteer deze aangesloten extern MIDI apparaat instelling als u de microKORG worden ontvangen. Normaal werkt alleen gebruikt of als u de micro- de microKORG met gebruik van de KORG als de meester (besturende Internal instelling. apparaat) gebruikt, zodat een Bij het maken van instellingen extern MIDI apparaat aan de MIDI voor synchronisatie van externe klok berichten van de microKORG MIDI apparaten raadpleegt u de gesynchroniseerd zal worden. gebruikershandleidingen van de External ( ): apparaten die u gebruikt. De arpeggiator van de microKORG zal aan de MIDI klok berichten, ontvangen van een ander, op de MIDI IN aangesloten MIDI apparaat, gesynchroniseerd worden. (➚)

Berichten

Hier kunt u aan MIDI gerelateerde instellingen voor de microKORG maken.

51


Berichten die door de microKORG verzonden en ontvangen worden ❏ MIDI kanalen

MIDI gebruikt zestien kanalen (1-16). MIDI berichten kunnen verzonden en ontvangen worden indien het kanaal van het ontvangende apparaat met het kanaal van het verzendend apparaat overeenkomt. MIDI berichten als note-on/off en pitch bend worden op het MIDI kanaal, dat door de MIDI “MIDI CH” instelling is gespecificeerd, verzonden en ontvangen.

❏Pitch bend

Note-on [9n, kk, vv], Note-off [8n, kk, vv] (n: kanaal; kk: nootnummer, vv: velocity) Als u op het toetsenbord van de microKORG speelt, worden note-on/off berichten verzonden. De note-off velocity wordt vaststaand op 64 verzonden, maar wordt niet ontvangen. Wanneer de GLOBAL “POSITION” Post KBD ( ) is, zullen de note-on/off berichten door de arpeggiator worden ontvangen als deze in werking is.

Pitch bend change [En, bb, mm] (n: kanaal; bb: laagste cijfers van de waarde; mm: hoogste getallen van de waarde). Wanneer pitch bend berichten worden ontvangen, zal een pitch bend volgens de PITCH “BEND RANGE” waarde optreden. Pitch bend kan ook in een Virtual Patch voor een synth programma worden gebruikt of als een FC MOD modulatiebron voor een vocoderprogramma. In dit geval zal het bericht zich als een modulatiebron gedragen, waarbij mm=64, en bb=00 zal 0 (midden waarde) voor de reeks van -127 - + 127 zijn. (Dit bericht wordt op het timbre kanaal ontvangen). Als u het PITCH wiel op de microKORG beweegt, worden pitch bend berichten op het MIDI kanaal (”MIDI CH”) verzonden. Wanneer u wilt dat pitch bend veranderingen verzonden en ontvangen worden, zet u de SHIFT functie “MIDI FILTER” op PITCH BEND Enable ( ). Indien dit op Disable ( ) staat, zullen pitch bend change berichten niet verzonden of ontvangen worden.

❏ Program change

❏Control Changes

❏ Note-on/off

Program change [Cn, pp] (n: kanaal, pp: programmanummer] Wanneer u van programma verandert, wordt een program change bericht met een programmanummer voor het corresponderende programma 1-128 (A.11-b.88) verzonden. (→ Geluidsnamen lijst). Als u wilt dat program changes verzonden en ontvangen worden, zet u de SHIFT functie “MIDI FILTER” op PROGRAM CHANGE Enable ( ). Als dit op Disable ( ) staat, zullen program changes niet verzonden of ontvangen worden. De microKORG verzendt en ontvangt bank select berichten ([Bn, 00, mm], [Bn, 20, bb] niet.

Octave Shift instellingen en nootnummers

C-1 (0)

C0 (12)

C1 (24)

Control changes [Bn, cc, vv] (n: kanaal, cc: control change nr., vv: waarde). Als u knoppen 1-5 gebruikt voor het bewerken van bepaalde parameters of als u bepaalde toetsen of het MOD wiel bedient, zal de toegewezen control change worden verzonden. Omgekeerd, wanneer control change nummers die met de instellingen van knoppen 1-5 corresponderen worden ontvangen, zal de corresponderende regelaar of parameter worden bestuurd. Als u wilt dat control changes verzonden en ontvangen worden, zet u de ). Indien dit op DisSHIFT functie “MIDI FILTER” op CONTROL CHANGE Enable ( able ( ) staat, zullen control change berichten niet verzonden of ontvangen worden.

Middelste C op een piano is C4 (MIDI noot nummer 60

C2 (36)

C3 (48)

C4 (60)

C5 (72)

C6 (84)

C7 (96)

-1 octaaf

C9 (120)

G9 (127)

+3 octaven

-2 octaven

+2 octaven

-3 octaven

+1 octaaf Octave Shift niet gebruikt

52

C8 (108)

C#8 C9 (116) (120)


Berichten die door de microKORG verzonden en ontvangen worden

• Volume (CC#07) [Bn, 07, vv] Als u control change (CC#07 - volume) aan AMP “LEVEL” toewijst, kunnen volume berichten worden ontvangen, voor regeling van het volume. • Panpot (CC#10) [Bn, 0A, vv] Als u control change (CC#10 - pan) aan AMP “PANPOT” toewijst, kunnen pan berichten worden ontvangen, voor regeling van de stereopositie van het geluid. Control changes aan knoppen en toetsen toewijzen U kunt de SHIFT functie “CONTROL CHANGE” gebruiken om een control change binnen de reeks CC#00-CC#95 aan de hoofd parameters, die met paneelknoppen en toetsen corresponderen, toe te wijzen. Als u de toegewezen knop of toets bedient, zal de corresponderende control change worden verzonden. Als de Performance Edit functie is ingeschakeld, wordt de control change voor de corresponderende parameter verzonden. Indien control changes van een extern apparaat worden ontvangen, zal de microKORG zich volgens de waarde van de control change gedragen, net als wanneer de corresponderende knop of toets zou worden bediend (→ p.56 “Control change toewijzingen voor de knoppen en toetsen van de microKORG). Als u de TIMBRE SELECT toets op het voorpaneel gebruikt om van timbre te veranderen, zal een bericht (Timbre Select) worden verzonden, dat aangeeft welk timbre geselecteerd is. Wanneer de microKORG een Timbre Select bericht ontvangt, zal deze volgens de waarde van het bericht van timbre veranderen. (0: Timbre 1, 1: Timbre 1&2 (Sync), 2-127: Timbre 2). Met de SHIFT functie “CONTROL CHANGE” TimbSelect kunt u ook een control change aan Timbre Select toewijzen. Sync control De eerst gespeelde note-on zal een LFO synchroniseren, waarvan “KEY SYNC” = Timbre ( ). Om echter de handmatig gespeelde note-on/off’s te kunnen onderscheiden van diegenen, die automatisch door de arpeggiator worden herhaald, zal de arpeggiator van de microKORG op het moment van note-on een Sync Control bericht verzenden (indien GLOBAL “POSITION” op Post KBD ( ) staat). Voor dit Sync Control bericht wordt een control change bericht gebruikt, zoals gespecificeerd door Shift functie “Control Change”. Door gebruik van Sync Control om synchronisatie op een LFO toe te passen, kunt u maken dat elke arpeggio noot de willekeurige LFO met één stap vooruit laat gaan. Alle noten van een bepaald kanaal tot zwijgen brengen

• All note off (CC#123) [Bn, 7B, 00] (waarde is 00) Wanneer een All Note Off bericht wordt ontvangen, zullen alle klinkende noten van het betreffende kanaal uitgezet worden. Er kan enig geluid blijven klinken. Dit is te wijten aan de envelope instellingen. • All sound off (CC#120) [Bn, 78, 00] (waarde is 00) Als een All Sound Off bericht wordt ontvangen, zullen alle noten die op dat moment op het betreffende kanaal klinken tot zwijgen worden gebracht. Terwijl met All Note Off de decay van een noot door kan blijven gaan, wordt met All Sound Off het geluid direct geheel tot zwijgen gebracht. Echter, dit bericht is bedoeld om bij noodgevallen te gebruiken, en niet tijdens een uitvoering. Alle regelaars van een bepaald kanaal opnieuw instellen (reset) • Reset all controllers (CC#121) [Bn, 79, 00] (waarde is 00) Wanneer een Reset All Controllers bericht wordt ontvangen, zullen alle controllerwaardes die op dat moment op dat kanaal in werking zijn opnieuw worden ingesteld. Sommige parameters, die met gebruik van Virtual Patch zijn toegewezen, worden niet opnieuw ingesteld.

❏ Parameters, die via NRPN verzonden en ontvangen worden

Andere voorpaneel knoppen en toetsen dan de hierboven genoemde regelaars zijn toegewezen NRPN (Non Registered Parameter No.). NRPN berichten kunnen door ieder(e) fabrikant van muziekinstrumenten of model vrijelijk worden gebruikt. NRPN bewerking wordt met gebruik van de volgende methode uitgevoerd:

1

Gebruik NRPN MSB (CC#99) [Bn, 63, mm] en NRPN LSB (CC#98) [Bn, 62, rr] (n: kanaal, mm, rr: parameternummer hoogste en laagste bytes) om de parameter te selecteren.

2

Gebruik data entry MSB (CC#6) [Bn, 06, mm] (n: kanaal, mm: parameterwaarde) om de waarde aan te geven. De microKORG gebruikt alleen data entry MSB.

De arpeggiator besturen Wanneer arpeggiator instellingen door de voorpaneel knoppen of toetsen worden gemodificeerd, worden de volgende NRPN berichten verzonden. Als deze NRPN berichten worden ontvangen, zullen de corresponderende arpeggiator instellingen dienovereenkomstig veranderen. Deze berichten worden op het MIDI kanaal (”MIDI CH”) verzonden en ontvangen. Voor de overeenkomst tussen de waardes van het bericht, en de waardes van de microKORG parameter raadpleegt u de tabel. • • • • •

ON/OFF: RANGE: LATCH: TYPE: GATE:

[Bn, 63, 00, Bn, 62, 02, Bn, 06, mm] [Bn, 63, 00, Bn, 62, 03, Bn, 06, mm] [Bn, 63, 00, Bn, 62, 04, Bn, 06, mm] [Bn, 63, 00, Bn, 62, 07, Bn, 06, mm] [Bn, 63, 00, Bn, 62, 0A, Bn, 06, mm] (n: kanaal, mm: parameterwaarde)

Berichten

• Modulatiediepte (CC#01) [Bn, 01, vv] Wanneer een modulatiediepte bericht wordt ontvangen, zal de LFO2 vibrato diepte volgens de waarde die voor PITCH “VIBRATO INT” is gespecificeerd veranderen. Als het ontvangen bericht de maximale waarde heeft (127), zal vibrato over de volledige reeks, gespecificeerd bij “VIBRATO INT”, worden toegepast. Indien de waarde van het ontvangen bericht 0 is, zal er geen vibrato worden toegepast. Als u het MOD wiel van de microKORG beweegt, worden modulatiediepte berichten op het MIDI kanaal (”MIDI CH”) verzonden.

53


Berichten die door de microKORG verzonden en ontvangen worden MSB (Hex) LSB (Hex)

Value (transmitted)

Value (received)

ON/OFF 00(00) 02(02) 0: OFF, 127: ON

0...63: OFF, 64...127: ON

RANGE

00(00) 03(03) 0: 1 Octave, 1: 2 Octave, 2: 3 Octave, 3: 4 Octave

0: 1 Octave, 1: 2 Octave, 2: 3 Octave, 3...127: 4 Octave

LATCH

00(00) 04(04) 0: OFF, 127: ON

0...63: OFF, 64...127: ON

TYPE

00(00) 07(07) 0: Up, 26: Down, 51: Alt1, 77: Alt2, 102: Random, 127: Trigger 0...21: Up, 22...42: Down, 43...63: Alt1, 64...85: Alt2, 86...106: Random, 107...127: Trigger

GATE

00(00) 10(0A) Refer to separate table (GATE values)

Refer to separate table (GATE values)

GATE values Value (transmitted, received) 0, 1 2 3 4, 5 6 7 8 9, 10 11 12 13 14, 15 16 17 18, 19 20 21 22 23, 24 25 26

Gate Time [%] 000 001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020

Value (transmitted, received) 27 28, 29 30 31 32 33, 34 35 36 37, 38 39 40 41 42, 43 44 45 46 47, 48 49 50 51 52, 53

Gate Time [%] 021 022 023 024 025 026 027 028 029 030 031 032 033 034 035 036 037 038 039 040 041

Value (transmitted, received) 54 55 56, 57 58 59 60 61, 62 63 64 65 66, 67 68 69 70 71, 72 73 74 75, 76 77 78 79

Gate Time [%] 042 043 044 045 046 047 048 049 050 051 052 053 054 055 056 057 058 059 060 061 062

Value (transmitted, received) 80, 81 82 83 84 85, 86 87 88 89 90, 91 92 93 94, 95 96 97 98 99, 100 101 102 103 104, 105 106

Gate Time [%] 063 064 065 066 067 068 069 070 071 072 073 074 075 076 077 078 079 080 081 082 083

Value (transmitted, received) 107 108 109, 110 111 112 113, 114 115 116 117 118, 119 120 121 122 123, 124 125 126 127

Gate Time [%] 084 085 086 087 088 089 090 091 092 093 094 095 096 097 098 099 100

Controlling the VIRTUAL PATCH 1–4 DESTINATION • PATCH1 DESTINATION: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 08, Bn, 06, mm ] • PATCH2 DESTINATION: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 09, Bn, 06, mm] • PATCH3 DESTINATION: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 0A, Bn, 06, mm] • PATCH4 DESTINATION: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 0B, Bn, 06, mm] (n: kanaal, mm: parameterwaarde) Controlling the FC MOD source of a vocoder program FILTER • FC MOD SOURCE: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 00, Bn, 06, mm] (n: kanaal, mm: parameterwaarde) Synth Parameter

Vocoder Parameter

MSB (Hex) LSB (Hex)

PATCH 1 SOURCE

FC MOD SOURCE

04(04) 00(00)

PATCH 2 SOURCE

04(04) 01(01)

PATCH 3 SOURCE

04(04) 02(02)

PATCH 4 SOURCE

04(04) 03(03)

PATCH 1 DESTINATION

04(04) 08(08)

PATCH 2 DESTINATION

04(04) 09(09)

0: PITCH, 18: OSC2 PITCH 36: OSC1 CTRL1, 54: NOISE LEVEL 72: CUTOFF, 90: AMP, 108: PAN 04(04) 10(0A) 126: LFO2 FREQ 04(04) 11(0B)

PATCH 3 DESTINATION PATCH 4 DESTINATION

Overige regelaars Paneelknoppen en toetsen, behalve de arpeggiator, verzenden en ontvangen de volgende NRPN berichten. Deze berichten worden op het MIDI kanaal (”MIDI CH”) verzonden en ontvangen. Voor de overeenkomst tussen de waardes van het bericht en de waardes van de microKORG parameter, raadpleegt u de tabel. Controlling the VIRTUAL PATCH 1–4 SOURCE • PATCH 1 SOURCE: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 00, Bn, 06, mm] • PATCH 2 SOURCE: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 01, Bn, 06, mm] • PATCH 3 SOURCE: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 02, Bn, 06, mm] • PATCH 4 SOURCE: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 03, Bn, 06, mm] (n: kanaal, mm: parameterwaarde) 54

Value (received) 0...15: F.EG, 16...31: A.EG(FC MOD SOURCE will be transmitted 0...31: A.EG), 32...47: LFO1, 48...63: LFO2, 64...79: VELOCITY, 80...95: KBD TRACK, 96...111: [MOD], 112...127: [PITCH] 0...15: PITCH, 16...31: OSC2 PITCH 32...47: OSC1 CTRL1 48...63: NOISE LEVEL, 64...79: CUTOFF 80...95:AMP, 96...111: PAN 112...127: LFO2 FREQ

CH Param besturen De CH PARAM (CH LEVEL en CH PAN) van het synthese filter kan bestuurd worden:• Channel Level 1...16ch: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 10...1F, Bn, 06, mm] (n: kanaal, mm: parameterwaarde) Vocoder Parameter MSB (Hex) LSB (Hex)

Als u bijvoorbeeld de arpeggiator vanaf een externe MIDI sequencer aan en uit wilt zetten, maakt u de volgende instellingen: Off: CC#99: 0, CC#98: 2, CC#6: 0...63 On: CC#99: 0, CC#98: 2, CC#6: 64...127

Value (transmitted) 0: F.EG(will not be tranmitted FC MOD SOURCE), 18: A.EG, 36: LFO1, 54: LFO2 72: VELOCITY, 90: KBD TRACK 108: [MOD], 126: [PITCH]

CH [01] LEVEL

04(04)

16(10)

CH [02] LEVEL

04(04)

18(12)

CH [03] LEVEL

04(04)

20(14)

CH [04] LEVEL

04(04)

22(16)

CH [05] LEVEL

04(04)

24(18)

CH [06] LEVEL

04(04)

26(1A)

CH [07] LEVEL

04(04)

28(1C)

CH [08] LEVEL

04(04)

30(1E)

Value (transmitted)

CH LEVEL: 0...127

Value (received)

CH LEVEL: 0...127

• Channel Pan 1...16ch: [Bn, 63, 04, Bn, 62, 20...2F, Bn, 06, mm] (n: kanaal, mm: parameterwaarde) Vocoder Parameter MSB (Hex) LSB (Hex)

Value (transmitted)

CH [01] PAN

04(04)

32(20)

CH [02] PAN

04(04)

34(22)

CH [03] PAN

04(04)

36(24)

CH [04] PAN

04(04)

CH [05] PAN

04(04)

CH PAN: 38(26) 0/1: L63, 2: L62...63: L01 40(28) 64: CNT, 65: R01...127: R63

CH [06] PAN

04(04)

42(2A)

CH [07] PAN

04(04)

44(2C)

CH [08] PAN

04(04)

46(2E)

Value (received)

CH PAN: 0/1: L63, 2: L62...63: L01 64: CNT, 65: R01...127: R63


Berichten die door de microKORG verzonden en ontvangen worden •

Met 1PROG wordt alleen de data van het geselecteerde programma gedumpt. Als de microKORG zo’n data dump ontvangt, zullen de instellingen van het huidige programma worden herschreven dor de data die werd ontvangen. In dit geval zal de data niet worden opgeslagen, tenzij u de Write operatie uitvoert. Met PROG wordt de data van alle in het geheugen opgeslagen programma’s gedumpt. GLOBAL dumpt de globale data (GLOBAL, MIDI en een aantal SHIFT functie instellingen → p.58). Met ALL worden alle programma’s en de globale data gedumpt.

❏ System exclusive berichten MicroKORG formaat F0: exclusieve status 42: Korg ID 3n: [n=0 - F] MIDI kanaal 58: microKORG model ID (hetzelfde als MS2000/MS2000R) ff: functie ID (type bericht) — F7: eind van exclusive Universeel system exclusive Onder de system exclusive berichten valt een speciale categorie berichten, waarvan het doel officieel is gedefinieerd. Dit worden universele system exclusive berichten genoemd. Van deze universele system exclusive berichten ondersteunt de microKORG Master Volume en Master Fine Tuning. Master Volume [F0, 7F, nn, 04, 01, vv, mm, F7] (vv: laagste byte van waarde, mm: hoogste byte van waarde, [mm, vv=7F, 7F] is Max, [mm, vv=00, 00] is 0). Wanneer een Master Volume bericht wordt ontvangen, zal de microKORG zijn algemene volume bijstellen. Als GLOBAL “AUDIO IN THRU” op ON staat, zal het ingangssignaal van AUDIO IN 1/2 niet door Master Volume worden beïnvloed.

Master Fine Tuning [F0, 7F, nn, 04, 03, vv, mm, F7] (Een waarde van 8192 [mm, vv=40] is midden (0 cent, A4=440.0Hz), 4096 [mm, vv=20, 00] os -50 cent, en 12288 [mm, vv=60, 00] is +50 cent). Wanneer Master Tuning wordt ontvangen, wordt de waarde, die voor de microKORG’s GLOBAL “POSITION” is gespecificeerd, genegeerd, en de algemene toonhoogte zal door de ontvangen data gespecificeerd worden. Geluidsinstellingen enz. verzenden (Data Dump) Programma data en globale data kan als MIDI exclusive data worden verzonden. De handeling, waarbij MIDI exclusive data naar een ander MIDI apparaat wordt verzonden, wordt een data dump genoemd. Door uitvoering van een data dump kunt u verscheidene data types op een extern MIDI apparaat opslaan of de geluiden of instellingen van een tweede microKORG herschrijven. Data dumps kunnen op de microKORG als volgt worden uitgevoerd:

Gebruik de SHIFT functie “MIDI DATA DUMP” om de data, die u wilt verzenden, te selecteren (1PROG, PROG, GLOBAL, ALL), en dump de data.

Als een dump verzoek van een extern apparaat wordt ontvangen, zal de microKORG de gevraagde data dump verzenden.

Om de microKORG een data dump te laten ontvangen, draait u de SHIFT functie “WRITE ), en zet u de MIDI FILTER instelling “SYSTEM EXCLUSIVE” PROTECT” op OFF ( op Enable ( ). Als dit op Disable (( ) staat, kunnen data dumps niet worden ontvangen. De “MIDI Implementatie”, waarin details over het MIDI exclusive formaat worden vermeld, kunt u via een Korg handelaar verkrijgen. De microKORG houdt data compatibiliteit alleen in stand voor parameters, die met de MS2000/MS2000R worden gedeeld. Deze data kan via een data dump worden uitgewisseld. Voor details over de compatibele parameters raadpleegt u de “MIDI Implementatie”.

❏ Realtime berichten De arpeggiator starten/stoppen Wanneer de arpeggiator van de microKORG met een extern MIDI apparaat is gesynchroniseerd, zal de arpeggiator door de systeem realtime berichten Start en Stop bestuurd worden. Start [FA] Als een Start [FA] bericht wordt ontvangen, zal de arpeggiator op de toonhoogte van de noot die het eerst werd gespeeld beginnen. Stop [FC] Wanneer een Stop [FC] bericht wordt ontvangen, zal de arpeggiator stoppen. (De arpeggiator wordt niet uitgezet, maar zal opnieuw beginnen als aanvullende noten worden gespeeld).

Berichten

Als u deze parameters tussen twee microKORG’s verzendt, zet u beide apparaten op dezelfde programma-instellingen.

55


Berichten die door de microKORG verzonden en ontvangen worden Control change toewijzingen voor de knoppen en toetsen op het voorpaneel Control changes kunnen aan alle knoppen en toetsen op het voorpaneel van de microKORG worden toegewezen. Hierdoor kunnen de veranderingen in het geluid, die door de knop en/of toets operaties teweeg worden gebracht, als uitvoeringsdata verzonden worden. Details over het toewijzen van control changes aan de knoppen en toetsen van de microKORG vindt u op pagina 61. Andere parameters worden aan synth parameters en vocoder parameters toegewezen. Als u twee microKORG’s gebruikt, en deze parameters ontvangt, moet u de verzendende en ontvangende programma’s op dezelfde instellingen zetten.

Synth Parameter PITCH

OSC 1

OSC 2 Audio in 1

MIXER

FILTER

F.EG

AMP

A.EG

LFO 1 LFO 2 PATCH 1 PATCH 2 PATCH 3 PATCH 4 MOD FX DELAY (MIDI)

56

Portamento

Vocoder Parameter Portamento

Initial CC#05

Wave

Wave

CC#77

Control1 Control2 Wave OSC Mod

Control1 Control2 ––––––––––– –––––––––––

CC#14 CC#15 CC#78 CC#82

Semitone

HPF Level

CC#18

Tune

Threshold

CC#19

OSC 1 Level OSC 2 Level Noise Level

OSC 1 Level Inst Level Noise Level

CC#20 CC#21 CC#22

Type

Formant Shift

CC#83

Cutoff

Cutoff

CC#74

Resonance Filter EG Int

Resonance Mod Int

CC#71 CC#79

Value (transmitted) 0...127 0:Saw, 18: Square, 36: Tri, 54: Sin, 72: Vox Wave 90: DWGS, 108: Noise, 126: Audio In 0...127 0...127 * OSC 1 Wave=DWGS; see p.57 0: Saw, 64: Squ, 127: Tri 0: OFF, 43: Ring, 85: Sync, 127: RingSync Synth; see p.57 Vocoder; 0... 127 Synth; 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 Vocoder; 0... 127

KBD Track

E.F.Sense

CC#85

Attack Decay Sustain Release Level

––––––––––– ––––––––––– ––––––––––– ––––––––––– Level

CC#23 CC#24 CC#25 CC#26 CC#07

Panpot

Direct Level

CC#10

Distortion Attack Decay Sustain Release Wave Frequency Wave Frequency Intensity Intensity Intensity Intensity LFO Speed Depth Delay Time Depth

Distortion Attack Decay Sustain Release Wave Frequency Wave Frequency ––––––––––– ––––––––––– ––––––––––– ––––––––––– LFO Speed Depth Delay Time Depth

CC#92 CC#73 CC#75 CC#70 CC#72 CC#87 CC#27 CC#88 CC#76 CC#28 CC#29 CC#30 CC#31 CC#12 CC#93 CC#13 CC#94

0...127 0...127 0...127 Synth; 0: –24LPF, 43: –12LPF, 85: –12BPF, 127: –12HPF Vocoder; 0: 0, 32: +1, 63: +2, 95: –1, 126: –2 Synth; 0...127 Vocoder; 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0...127 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 Synth; 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 Vocoder; 0...127 0...127 0...127 0...127 0...127 0...127 Synth; 0 / 1: L63, 2: L62...63: L01, 64: CNT, 65: R01...127: R63 Vocoder; 0...127 0: OFF, 127: ON 0...127 0...127 0...127 0...127 0: Saw, 43: Squ1, 85: Tri, 127: S/H 0...127, Tempo Sync=ON; see p.57 0: Saw, 43: Squ2, 85: Sin, 127: S/H 0...127, Tempo Sync=ON; see p.57 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0...127 0...127 0...127, Tempo Sync=ON; see p.57 0...127

Timbre Select Sync Ctrl

––––––––––– Sync Ctrl

CC#95 CC#90

0:Timbre1, 1:Timbre1&2(Sync), 127:Timbre2 0:OFF, 127:ON

Value (received) 0...127 0...15: Saw, 16...31: Square, 32...47: Tri, 48...63: Sin, 64...79: Vox Wave, 80...95: DWGS, 96...111: Noise, 112...127: Audio In 0...127 0...127 * OSC 1 Wave=DWGS; see p.57 0...42: Saw, 43...85: Squ, 86...127: Tri 0...31: OFF, 32...63: Ring, 64...95: Sync, 96...127: RingSync Synth; see p.57 Vocoder; 0... 127 Synth; 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 Vocoder; 0... 127 0...127 0...127 0...127 Synth; 0...31: –24LPF, 32...63: –12LPF, 64...95: –12BPF, 96...127: –12HPF Vocoder; 0...25: 0, 26...51: +1, 52...76: +2, 77..102: –1, 103...127: –2 Synth; 0...127 Vocoder; 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0...127 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 Synth; 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 Vocoder; 0...127 0...127 0...127 0...127 0...127 0...127 Synth; 0 / 1: L63, 2: L62...63: L01, 64: CNT, 65: R01...127: R63 Vocoder; 0...127 0...63: OFF, 64...127: ON 0...127 0...127 0...127 0...127 0...31: Saw, 32...63: Squ1, 64...95: Tri, 96...127: S/H 0...127, Tempo Sync=ON; see p.57 0...31: Saw, 32...63: Squ2, 64...95: Sin, 96...127: S/H 0...127, Tempo Sync=ON; see p.57 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0 / 1: –63, 2: –62...63: –1, 64: 0, 65: +1...127: +63 0...127 0...127 0...127, Tempo Sync=ON; see p.57 0...127 0:Timbre1, 1:Timbre1&2(Sync), 2...127:Timbre2 0...63:OFF, 64...127:ON


Berichten die door de microKORG verzonden en ontvangen worden Control 2 waardes als OSC 1 Wave = DWGS

OSC 2 Semitone waardes

Als de synth parameter OSC 1 “WAVE” op DWGS is ingesteld, zal de “CONTROL 2” (knop 3) de DWGS golfvorm selecteren. De waarde van de control change, die door bediening van de “CONTROL 2” (knop 3) wordt verzonden/ontvangen, correspondeert als volgt met de parameterwaarde:

De waarde van de control change, die door bediening van de OSC 2 “SEMITONE” (knop 3) van een synth programma wordt verzonden/ontvangen, correspondeert als volgt met de parameterwaarde:

DWGS Wave 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32

Value (transmitted, received) 64, 65 66, 67 68, 69 70, 71 72, 73 74, 75 76, 77 78, 79 80, 81 82, 83 84, 85 86, 87 88, 89 90, 91 92, 93 94, 95 96, 97 98, 99 100, 101 102, 103 104, 105 106, 107 108, 109 110, 111 112, 113 114, 115 116, 117 118, 119 120, 121 122, 123 124, 125 126, 127

DWGS Wave 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64

Value (transmitted, received) 0...2 3...5 6, 7 8...10 11...13 14, 15 16...18 19, 20 21...23 24...26 27, 28 29...31 32, 33 34...36 37...39 40, 41 42...44 45...47 48, 49 50...52 53, 54 55...57 58...60 61, 62 63...65

OSC 2 Semitone –24 –23 –22 –21 –20 –19 –18 –17 –16 –15 –14 –13 –12 –11 –10 –9 –8 –7 –6 –5 –4 –3 –2 –1 0

Value (transmitted, received) 66, 67 68...70 71...73 74, 75 76...78 79, 80 81...83 84...86 87, 88 89...91 92...94 95, 96 97...99 100, 101 102...104 105...107 108, 109 110...112 113, 114 115...117 118...120 121, 122 123...125 126, 127

OSC 2 Semitone +1 +2 +3 +4 +5 +6 +7 +8 +9 +10 +11 +12 +13 +14 +15 +16 +17 +18 +19 +20 +21 +22 +23 +24

“SYNC NOTE” waarde wanneer LFO 1/2 of DELAY “TEMPO SYNC” = ON Als “TEMPO SYNC” op ON staat, zal de parameter die door de LFO 1/2 “FREQUENCY” (knop 4) of de DELAY “DELAY TIME” knop 3) is ingesteld, in “SYNC NOTE” veranderen. In dit geval zal de waarde van het control change bericht met de parameterwaarde corresponderen, zoals hieronder wordt getoond: Value (transmitted, received) 0...8 9...17 18...25 26...34 35...42 43...51 52...59 60...68 69...76 77...85 86...93 94...102 103...110 111...119 120...127

LFO Sync Note DELAY Sync Note 1/1 1/32 3/4 1/24 2/3 1/16 1/2 1/12 3/8 3/32 1/3 1/8 1/4 1/6 3/16 3/16 1/6 1/4 1/8 1/3 3/32 3/8 1/12 1/2 1/16 2/3 1/24 3/4 1/32 1/1

Berichten

Value (transmitted, received) 0, 1 2, 3 4, 5 6, 7 8, 9 10, 11 12, 13 14, 15 16, 17 18, 19 20, 21 22, 23 24, 25 26, 27 28, 29 30, 31 32, 33 34, 35 36, 37 38, 39 40, 41 42, 43 44, 45 46, 47 48, 49 50, 51 52, 53 54, 55 56, 57 58, 59 60, 61 62, 63

57


Uw bewerkte instellingen opslaan

Data opslaan

Als u een programma heeft bewerkt, zullen uw bewerkte instellingen verloren gaan, nadat u de stroom uitzet of een ander programma selecteert voordat u opslaat (Write). Als u het bewerkte programma later wilt gebruiken, moet u het opslaan (Write). Veranderingen die u op de GLOBAL, MIDI of SHIFT functies (verderop in deze handleiding beschreven) aanbrengt, zullen eveneens verloren gaan als u de stroom uitzet, voordat u heeft opgeslagen. Om de gewijzigde instellingen opnieuw te kunnen gebruiken, moet u deze opslaan. Zet nooit de stroom uit, terwijl data wordt opgeslagen. Hierdoor kan data onbruikbaar worden.

Een programma opslaan Instellingen die opgeslagen zullen worden • • •

Alle parameters VOICE-ARPEG.B (FORMANT HOLD toets aan/uit) ARPEGGIATOR ON/OFF toets OCTAVE SHIFT UP, DOWN toetsen

Procedure

1 Druk op de WRITE toets. Het op dat moment geselecteerde programmanummer knippert in het scherm. De LED van de WRITE toets knippert ook, en de LED van de SHIFT toets is verlicht. Indien “ “ (protect) in het scherm knippert, is de schrijfbeveiliging instelling aangezet, en kan het betreffende programma dus niet worden opgeslagen. Druk op de SHIFT toets om naar de normale status terug te keren, en zet dan de schrijfbeveiliging uit. (→ p.63).

2 58

Wanneer “ “ (Global) in het scherm knippert als u de WRITE toets indrukt, is een GLOBAL of MIDI parameter geselecteerd om opgeslagen te worden. Druk op de SHIFT toets om naar de normale status terug te keren, en gebruik de EDIT SELECT 1 of EDIT SELECT 2 draaiknop om een andere positie dan GLOBAL of MIDI te selecteren. Selecteer het programmanummer, waar u de huidige programma-instellingen wilt opslaan.

GLOBAL, MIDI en SHIFT functie instellingen opslaan Gebruik de PROGRAM SELECT BANK SIDE toets, de PROGRAM SELECT draaiknop en de PROGRAM NUMBER toetsen om het programmanummer te selecteren waar u de huidige programma-instellingen wilt opslaan. Het nummer van de opslagbestemming zal in het scherm worden weergegeven. Als u besluit te annuleren zonder op te slaan, drukt u op de verlichte SHIFT toets.

Instellingen die opgeslagen zullen worden (Globale data)

Procedure

1 Druk op de WRITE toets. “ “ zal knipperen in het scherm, de LED van de WRITE toets zal knipperen en de LED van de SHIFT toets is verlicht. Als u besluit te annuleren zonder op te slaan, drukt u op de verlichte SHIFT toets.

de data op te slaan (de Write operatie uitvoeren). “ “ zal in het scherm worden weergegeven, en de data wordt opgeslagen. Daarna zal de microKORG naar de normale status terugkeren. Programmadata opslaan

2

1, 2

• Andere GLOBAL parameters dan AUDIO IN THRU • Alle MIDI parameters • SHIFT functies MIDI FILTER, CONTROL CHANGE, WRITE PROTECT

3 Druk nogmaals op de WRITE toets om

2

Globale data opslaan

2 1, 3

2

Indien een programmanummer zoals “ “ in het scherm knippert als u op de WRITE toets drukt, is een programma geselecteerd om opgeslagen te worden. Druk op de SHIFT toets om naar de normale status terug te keren, en zet de EDIT SELECT 2 draaiknop op de GLOBAL of MIDI positie. Druk nogmaals op de WRITE toets om de data op te slaan (de Write operatie uitvoeren).

“ “ zal in het scherm worden weergegeven, en de data wordt opgeslagen. Daarna zal de microKORG naar de normale status terugkeren.


Timbres kopiëren en uitwisselen –SYNTH / Een programma initialiseren

SHIFT functies

Door het ingedrukt houden van de SHIFT toets en het vervolgens indrukken van de juiste toets, kunt u verscheidene UItility functies uitvoeren. Terwijl een SHIFT functie wordt gebruikt, zullen de SYNTH en VOCODER LEDs allebei oplichten. Als u op dat moment op de SHIFT toets drukt, verlaat u deze functies, en keert u terug naar de normale werking.

1-1. COPY TIMBRE (

)

2-1. SWAP TIMBRE (

Een timbre kopiëren U heeft alleen toegang tot deze functie als een synth programma is geselecteerd. Timbre instellingen van een ander programma zullen naar het timbre van het op dat moment geselecteerde programma worden gekopieerd. In het geval van een Layer programma worden de instellingen van het op dat moment bewerkte timbre gekopieerd. U kunt deze functie niet uitvoeren als een vocoderprogramma als het kopieerbron programma (2) is geselecteerd. (” ”: Error). Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op toets 1. “ “ zal in het scherm worden weergegeven.

1

1, 3

2 Draai aan knop 1 om het kopieerbron

3

programma te selecteren (A.11-B.88). Toets 1 zal gaan knipperen. Als u besluit deze operatie te annuleren, drukt u op de verlichte SHIFT toets. Druk de knipperende knop 1 in. Het timbre zal gekopieerd worden, en daarna zal de microKORG naar zijn normale status terugkeren. Indien u geen kopieerbron programma (2) heeft geselecteerd, zal de 1 toets verlicht blijven. Als u in deze staat op de 1 toets drukt om uit te voeren, zal “ ” in het scherm verschijnen, en het kopiëren niet worden uitgevoerd.

2

)

3-1. INIT PROGRAM (

Timbres uitwisselen U krijgt alleen toegang tot deze functie als een Layer synth programma is geselecteerd. Hiermee zullen de instellingen van timbres 1 en 2 binnen het op dat moment geselecteerde programma worden uitgewisseld. U kunt dit niet uitvoeren als een Single synth programma geselecteerd is. (” ”: Error zal in het scherm verschijnen). Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op toets 2. “ “ zal in het scherm worden weergegeven. 2 Druk op de knipperende toets 2. Het timbre zal uitgewisseld worden, waarna de microKORG naar zijn normale status terug zal keren. Als u besluit te annuleren, drukt u op de verlichte SHIFT toets.

Een programma initialiseren Deze functie initialiseert de instellingen van het op dat moment geselecteerde programma. Als u dit op een synth programma uitvoert, zal het als Single programma worden ingesteld. Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op toets 3. “ “ zal in het scherm worden weergegeven. 2 Druk op de knipperende toets 3. Het programma wordt geïnitialiseerd, en de microKORG zal daarna naar zijn normale status terugkeren. Als u besluit te annuleren, drukt u op de verlichte SHIFT toets.

1

1, 2

)

1

1, 2 59


CH LEVEL en CH PAN initialiseren 1-2. INIT LEVEL (

)

2-2. INIT PAN (

CH LEVEL A/B initialiseren U heeft toegang tot deze functie, wanneer een vocoderprogramma is geselecteerd. Hiermee worden de uitgangsniveaus van de acht band-pass filter kanalen voor de carrier (SYNTHESIS FILTER) gelijktijdig geinitialiseerd. Als u de niveaus initialiseert, worden alle uitgangsniveaus op 127 ingesteld. Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op toets 1. “ .“ zal in het scherm worden weergegeven. 2 Druk op de knipperende toets 1. De uitgangsniveaus worden geïnitialiseerd, waarna de microKORG naar zijn normale status zal terugkeren. Als u besluit te annuleren, drukt u op de verlichte SHIFT toets.

)

60

MIDI Filter 4-1. MIDI FILTER (

CH PAN A/B initialiseren U heeft toegang tot deze functie, wanneer een vocoderprogramma is geselecteerd. Hiermee wordt de pan van de acht bandpass filter kanalen voor de carrier (SYNTHESIS FILTER) gelijktijdig geïnitialiseerd. Als u de pan instellingen initialiseert, wordt elk filter kanaal op Center ingesteld. Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op toets 2. “ “ zal in het scherm worden weergegeven. 2 Druk op de knipperende toets 2. De pan instellingen worden geïnitialiseerd, waarna de microKORG naar zijn normale status zal terugkeren. Als u besluit te annuleren, drukt u op de verlichte SHIFT toets.

1

1, 2

–VOCODER

MIDI Filter Deze instellingen geven aan of de corresponderende types MIDI data ontvangen en verzonden zullen worden. Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op toets 4. “ “ zal in het scherm worden weergegeven. 2 Draai aan de geschikte 1-4 knop om de gewenste instellingen te maken. [1] knop: PROGRAM CHANGE Selecteert of program changes ontvangen en verzonden zullen worden. Disable ( ): Program changes zullen niet ontvangen of verzonden worden. Enable ( ): Program changes zullen ontvangen of verzonden worden. [2] knop: CONTROL CHANGE Selecteert of MIDI control changes verzonden en ontvangen zullen worden. Disable ( ): MIDI control changes worden niet verzonden en ontvangen.

1

1, 2

)

1

1, 3

Enable ( ): MIDI control changes worden verzonden en ontvangen. [3] knob: PITCH BEND Selecteert of pitch bend berichten verzonden en ontvangen zullen worden. Disable ( ): Pitch bend berichten zullen niet verzonden en ontvangen worden. Enable ( ): Pitch bend berichten zullen verzonden en ontvangen worden. [4] knob: SYSTEM EXCLUSIVE Selecteert of MIDI system exclusive berichten verzonden en ontvangen zullen worden. Disable ( ): MIDI system exclusive berichten zullen niet verzonden/ontvangen worden. Enable ( ): MIDI system exclusive berichten zullen verzonden/ontvangen worden.

3 Nadat u de instellingen heeft gemaakt, drukt u op de verlichte toets 4 of de SHIFT toets.

2


Control changes toewijzen 5-1. CONTROL CHANGE (

)

Control changes toewijzen U kunt control change nummers toewijzen aan de hoofdparameters, die bereikt worden met de EDIT SELECT 1 en 2 knoppen en knoppen 1-5. Als u een knop bedient die met één van de hieronder getoonde parameters correspondeert, zal de toegewezen control change worden verzonden. Als de microKORG een toegewezen control change ontvangt, zal de parameterwaarde, die met die knop correspondeert, worden aangepast. De basisinstellingen van deze parameters worden op pagina 56 getoond. Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt en druk op toets 5. “ “ zal in het scherm worden weergegeven. 2 Draai aan de EDIT SELECT 1 of EDIT

3

4

SELECT 2 knop om de sectie, die de parameter bevat, waarvan u de control change wilt specificeren, te selecteren. Draai aan iedere knop om het gewenste MIDI control change nummer (oFF, C.00..C.95) te selecteren. Indien het gespecificeerde nummer op dat moment aan een andere parameter is toegewezen, zal de laatste decimale punt ”.” in het scherm oplichten. Nadat u de instellingen heeft gemaakt, drukt u op toets 5 of de SHIFT toets. De microKORG zal naar zijn normale status terugkeren.

1

2

3

1, 4

Met de MIDI “MIDI CH” knoppen 1 en 2 wordt het control change nummer voor TIMBRE SELECT en SYNC CTRL geselecteerd. Parameters waaraan u een control change kunt toewijzen

(TIMBRE SELECT)

(SYNC CTRL)

(SYNC CTRL)

61


Data dump 6-1. MIDI DATA DUMP (

)

Data dump Data dump is een functie waarmee programma of globale data in de vorm van MIDI exclusieve data wordt verzonden, zodat deze op een aangesloten MIDI opslagapparaat of computer kan worden opgeslagen. Dit kan ook worden gebruikt om data naar een andere microKORG te verzenden. Raak de knoppen of het toetsenbord van de microKORG niet aan terwijl data wordt verzonden of ontvangen. Zet op dat moment ook nooit de stroom uit. Sommige USB-MIDI interface apparaten kunnen de MIDI exclusive berichten van de microKORG niet verzenden/ontvangen.

Overdrachtprocedure 1 Verbind de microKORG’s MIDI OUT met de MIDI IN aansluiting van een apparaat dat een MIDI data dump kan ontvangen, en stel beide apparaten op hetzelfde MIDI kanaal in. 2 Houd de SHIFT knop ingedrukt, en druk op toets 6. “ “ zal in het scherm worden weergegeven.

2

3 Draai aan knop 1 om het type data dump, dat verzonden zal worden, te selecteren. 1Program ( ): Data voor het op dat moment geselecteerde programma zal verzonden worden. Program ( ): Data voor alle programma’s zal verzonden worden. Global ( ): Globale data zal verzonden worden. (→p.58). All ( ): Alle programma’s en de globale data zullen verzonden worden. Toets 6 zal gaan knipperen. Als u besluit te annuleren, drukt u op de verlichte SHIFT toets.

4 Druk op de knipperende toets 6. De data dump wordt uitgevoerd, waarna de microKORG naar zijn normale status zal terugkeren. Als u geen data dump heeft geselecteerd om verzonden te worden, zal toets 6

3

verlicht blijven. Wanneer u probeert te verzenden door toets 6 in deze staat in te drukken, zal “---” in het scherm verschijnen, en zal de data dump niet uitgevoerd worden. De grootte van de gedumpte data en de tijd, die daarvoor is vereist, vindt u in tabel s6-1.

Ontvangstprocedure Gebruik de volgende procedure als u eerder opgeslagen data van een aangesloten MIDI opslagapparaat of computer in de microKORG wilt terugzetten of data van een andere microKORG wilt ontvangen.

1 Verbind de microKORG’s MIDI IN met de MIDI OUT aansluiting van het apparaat dat de MIDI data dump zal verzenden.

2 Stel het MIDI kanaal van het verzendende apparaat zo in, dat het met het MIDI kanaal van de microKORG overeenkomt. Als u eerder data naar een extern MIDI apparaat heeft verzonden, en dit op de microKORG wilt ontvangen, zet u het MIDI kanaal van de microKORG op hetzelfde kanaal dat u gebruikte bij de toenmalige verzending van de data.

3 Zet de SHIFT functie MIDI FILTER “SYSTEM EXCLUSIVE” op Enable. (→ p.60). Zet de “WRITE PROTECT” uit (OFF) (→ p. 63).

4 Verzend de data vanaf het MIDI

2, 4 62

opslagapparaat of ander apparaat. Voor de overdrachtsprocedure raadpleegt u de handleiding van het apparaat, dat u gebruikt.

tabel s6-1 Data to dump 1Program Program Global All

Data size (Bytes) 291 37,157 229 37,386

Time required (Seconds) Less than one second approximately 15 Less than one second approximately 15


De fabrieksinstellingen herstellen

Write protect instelling

7-1. PRELOAD (

8-1. WRITE PROTECT (

)

De fabrieksinstellingen herstellen Met deze operatie worden de programma’s en globale data instellingen van de microKORG in de fabrieksstatus teruggezet. De fabrieksinstellingen worden de “preload data” (voorgeladen data) genoemd. Als u de voorgeladen instellingen herstelt, wordt de data binnen de microKORG opnieuw op de fabrieksinstelling ingesteld. Voordat u de fabrieksinstellingen herstelt, moet u er zeker van zijn dat u de huidige data verloren wilt laten gaan. Raak de knoppen en het toetsenbord van de microKORG niet aan, terwijl de Preload operatie wordt uitgevoerd, en zet nooit de stroom uit. Preload kan niet worden uitgevoerd als de SHIFT functie “WRITE PROTECT” aanstaat. U moet “WRITE PROTECT” van tevoren uitzetten.

Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt, en druk op toets 7. “ “ zal in het scherm worden weergegeven. 2 Draai aan knop 1 om de data, die in de

1

1, 4

fabrieksinstelling zal worden teruggezet, te selecteren. 1Program ( ): Laad slechts data voor één programma. Program ( ): Laad data voor alle programma’s (128 programma’s). Global ( ): Laad globale data (→ p.58).

3

4

Om te stoppen drukt u op de SHIFT toets. Als u bij stap 2 1Program ( ) heeft geselecteerd, draait u aan knop 2 om het programma (A.11-b.88) te selecteren, dat in de fabrieksinstelling zal worden teruggezet. Druk op de knipperende toets 7. De Preload operatie wordt uigevoerd, en de microKORG zal naar zijn normale status terugkeren. Als u geen data om in de fabrieksinstelling terug te zetten heeft geselecteerd (stappen 2 of 3) zal toets 7 verlicht blijven. Als u probeert uit te voeren, door toets 7 in deze status in te drukken, zal “---” in het scherm verschijnen. De operatie wordt dan niet uitgevoerd.

2 3

)

Write protect instelling De microKORG voorziet in een schrijfbeveiliging instelling, waarmee opslaan in het geheugen onmogelijk wordt gemaakt. Hiermee voorkomt u, dat data per ongeluk wordt overschreven. Als u de door u bewerkte data wilt opslaan, moet u eerst de Write Protect uitzetten.

3 Nadat u de gewenste instelling heeft gemaakt, drukt u op toets 8 of op de SHIFT toets. De microKORG zal naar zijn normale status terugkeren.

Procedure 1 Houd de SHIFT toets ingedrukt, en druk op toets 8. “ “ zal in het scherm verschijnen. 2 Draai aan knop 1 om de schrijfbeveiliging aan of uit te zetten. OFF ( ): Data kan in het interne geheugen worden opgeslagen. ON ( ): De volgende opslagoperaties zijn niet mogelijk: • Een programma opslaan • De fabrieksdata laden • Een data dump ontvangen

1

2

1, 3 63


Overige SHIFT functies TIMBRE SOLO Timbre Solo functie • Houd de SHIFT toets ingedrukt, en druk op de TIMBRE SELECT toets. Indien een Layer synth programma is geselecteerd, zal slechts één timbre klinken (→ p.14). SWITCH EDIT SELECT Schakelen tussen EDIT SELECT 1/2 • Houd de SHIFT toets ingedrukt, en druk op de BANK SIDE toets. Het bewerkingsobject zal van EDIT SELECT 1 naar 2 of van 2 naar 1 schakelen (→ p.12).

INC/DEC PARAM VALUE De parameterwaarde laten toe- of afnemen RETURN PARAM VALUE (Compare) Terugkeren naar de waarde van het moment dat de parameter werd geselecteerd (Compare)

1 Tijdens het bewerken van een parameter (met andere woorden: als de parameterwaarde in het scherm wordt getoond), houdt u de SHIFT toets ingedrukt, en drukt u op de OCTAVE SHIFT UP of DOWN toets. Het corresponderende LED zal rood oplichten.

2 Als de UP toets in deze status wordt ingedrukt, zal de op dat moment geselecteerde parameterwaarde met één stap omhoog gaan. Als de DOWN toets wordt ingedrukt, zal deze waarde met één stap omlaag gaan. Wanneer u de UP en DOWN toetsen gelijktijdig indrukt, keert de waarde terug naar de instelling die deze had toen u de parameter selecteerde (de Compare functie).

4 Om deze functie te verlaten, drukt u op de SHIFT toets.

64

ENTER DEMO MODE Enter demo mode • Als u de SHIFT toets ingedrukt houdt en op de ARPEGGIATOR ON/OFF toets drukt, zal de microKORG naar de Demo mode gaan (→ p.7).


Appendix De LFO 1/2 waarde of de delaytijd van het delay effect aan het arpeggiator tempo synchroniseren U kunt de LFO 1/2 waarde of de delaytijd van het delay effect aan het arpeggiator tempo synchroniseren. (Indien “TEMPO SYNC = ON). Voorbeeld 1. LFO1 LFO1 “TEMPO SYNC” (knop 3): ON LFO1 “SYNC NOTE” (knop 4): 1/4 (1.4) In dit geval neemt één LFO cyclus dezelfde tijd als een kwart noot in beslag. Triangle

LFO 1/2 en delaytijd synchronisatie Hoe “SYNC NOTE” en “RESOLUTION” instellingen met nootwaardes corresponderen De volgende tabel toont hoe LFO of DELAY “SYNC NOTE” instellingen en ARPEG.A “RESOLUTION” instellingen met nootwaardes corresponderen. De parameters zullen volgens het tempo dat door ARPEG.A “TEMPO” is gespecificeerd functioneren, en de nootwaarde corresponderend met zijn instelling. Note Value

LFO, DELAY “SYNC NOTE”

ARPEGGIO “RESOLUTION”

1/32 1/24

1/24

1/16

1/16

1/12

1/12

3/32

Voorbeeld 2. Delay tijd DELAY “TYPE” (knop 1): Cross Delay DELAY “TEMPO SYNC (knop 2): ON DELAY “SYNC NOTE” (knop 3): 1/8 (1.8) In dit geval wordt de delaytijd op een tijdsinterval van een achtste noot ingesteld, en zal tussen de linker en rechter kanalen afwisselen.

1/8

1/8

1/6

1/6

3/16 1/4

1/4

1/3 3/8 1/2 2/3 3/4 1/1

Dry

Wet

Cross Delay

Lch

Wet Rch

65


Probleemoplossing Voordat u aan een storing denkt, controleert u eerst de volgende punten.

Stroom gaat niet aan ❏ Is het netsnoer in het stopcontact gestoken? → p.6 ❏ Is de POWER schakelaar aangezet (ingedrukt)? → p.6 ❏ Als u batterijen gebruikt, zijn er batterijen geïnstalleerd? Zijn de batterijen leeg? → p.6

Geen geluid ❏ ❏ ❏ ❏ ❏

Is uw actieve monitorsysteem of koptelefoon op de juiste jacks aangesloten? → p.5 Staat het aangesloten monitorsysteem aan, en is het volume verhoogd? Is de VOLUME knop ingesteld op een positie zodat er geluid wordt uitgestuurd? → p.6 Is de MIDI “LOCAL” instelling op ON ingesteld? → p.51 Is één van de aan volume gerelateerde parameters op een waarde van 0 ingesteld? → p.23, 27, 34, 37 ❏ Is FILTER “CUTOFF” op 0 ingesteld? → p.14 ❏ Heeft u de FORMANT HOLD toets aangezet (”E.F. SENSE” HOLD), terwijl er niets op de AUDIO IN werd ingevoerd? → p.10, 35

Kan geen geluid invoeren ❏ Is de ingangsbron op de AUDIO IN 1 CONDENSOR jack of DYNAMIC jack of op de AUDIO IN 2 LINE jack aangesloten? → p.10, 21, 34 ❏ Als u geluid via AUDIO IN 1 of AUDIO IN 2 invoert, is de VOLUME 1 of VOLUME 2 knop omhoog gedraaid? → p.10, 21, 34 ❏ Als u op AUDIO IN 1 invoert, is de MIC/LINE schakelaar correct ingesteld? → p.4 ❏ Als u een vocoderprogramma gebruikt, heeft u de modulator geluidsbron op de AUDIO IN 1 CONDENSER jack of DYNAMIC jack aangesloten? → p.10 ❏ Als u een apparaat op de AUDIO IN 1 CONDENSER jack, en ook op de DYNAMIC jack heeft aangesloten, krijgt de invoer van de CONDENSER jack prioriteit en kan er geen signaal via de DYNAMIC jack worden ingevoerd. → p.4

Kan niet bewerken ❏ Indien het scherm niet naar de parameter indicatie overschakelt als u aan de edit control knoppen 1-5 draait, kan Performance Edit actief zijn. → p.8, 12 ❏ Als u de edit control knoppen 1-5 niet voor bewerking van de parameterwaarde kunt gebruiken, heeft u er dan aan gedacht om de knop op een positie in te stellen, die met de weergegeven waarde overeenkomt? → p.13 ❏ Wanneer u timbre 2 van een synth programma niet kunt bewerken, is VOICE “SINGLE/LAYER” op LAYER ingesteld? → p.14, 16

66

❏ Wanneer u timbre 1 of 2 van een synth programma niet kunt bewerken, is de TIMBRE SELECT 1/2 LED van het timbre dat u wilt bewerken verlicht? → p.14 ❏ Indien de veranderingen, die u op een programma of de globale instellingen aanbracht, niet zijn onthouden, heeft u de stroom uitgezet, voordat de Write operatie werd uitgevoerd? In geval van een programma gaan uw bewerkingen verloren als u een ander programma selecteert. Om uw bewerkingen op te slaan, voert u de Write operatie uit, voordat u van programma verandert of de stroom uitzet. → p.58

Kan programma’s of globale instellingen niet opslaan ❏ Is Shift functie “MEMORY PROTECT uitgezet? → p.63 ❏ Als een bewerkt programma of bewerkte GLOBAL, MIDI of SHIFT instellingen niet zijn opgeslagen, terwijl u dacht dat dit wel het geval was, heeft u de EDIT SELECT 1 of 2 knop op één van de VOICE-ARPEG.B posities gezet toen u het programma probeerde op te slaan of op de GLOBAL of MIDI positie toen u globale data wilde opslaan? → p.58

Arpeggio’s beginnen niet ❏ ❏ ❏ ❏

Is de arpeggiator aangezet (ON/OFF toets verlicht)? → p.11 Is de MIDI Clock instelling juist? → p.51 Is de MIDI kabel correct aangesloten? → p.48 Komt het MIDI kanaal van de data die vanaf het externe MIDI apparaat wordt verzonden met het MIDI kanaal van de microKORG overeen? → p.49

Geen juiste respons op door een extern apparaat verzonden MIDI berichten ❏ Is de SHIFT functie “MIDI FILTER” voor dat type MIDI bericht op Enable ingesteld? → p.60

Transpose, velocity curve en arpeggiator data wordt niet correct herkend ❏ Is Global “POSITION” juist ingesteld? → p.47

Kan twee timbres op aparte MIDI kanalen niet besturen ❏ De microKORG gebruikt slechts één MIDI kanaal voor verzending en ontvangst. U kunt geen twee MIDI kanalen gebruiken om de twee timbres onafhankelijk van elkaar af te spelen.


Specificaties en opties Toongenerator systeem: Analoog modellerend synthese systeem • Synth programma’s: Aantal timbres: maximaal 2 (bij gebruik van Layer) Maximale polyfonie: 4 stemmen Structuur: 2 oscillatoren + noise generator: zaagtand golf, square golf, driehoeksgolf, sinus golf, Vox golf, DWGS x 64, Noise, Audio In (8 types) PWM functie, OSC Sync functie, Ring Mod. functie, OSC Sync + Ring Mod. functie Multimode filters: -24 dB/oct LPF, -12 dB/oct LPF, -12 dB/oct BPF, -12 dB/oct Hpf (4 types) Filter EG, Amp EG, LFO1, LFO2 (LFO: zes golfvormen, te synchroniseren met arpeggiator of externe MIDI klok) • Vocoder programma’s: Maximale polyfonie: 4 stemmen Structuur: 8-kanaals vocoder, instelbaar niveau en pan voor elk kanaal, Formant Shift functie, 1 oscillator + noise generator (8 types) Filer EG, Amp EG, LFO1, LFO2 (LFO: zes golfvormen, te synchroniseren met arpeggiator of externe MIDI klok) Toetsenbord: Effecten:

37 noten (mini toetsenbord, velocity gevoelig, geen aftertouch) Modulatie effect: flanger/chorus, phaser, ensemble (3 types), Delay: stereo, cross, L/R (3 types), Equalizer Arpeggiator: UP, DOWN, ALT1/2, Random, Trigger (6 types), Step Arpeggiator functie Programma’s: Totaal 128 programma’s (A/B kant x 8 banken x 8 programma’s)

Ingangen • AUDIO IN CONDENSER jack (met MIC/LINE schakelaar) Aansluiting +5V mini-phone jack AUDIO IN 1 (LINE) Ingangsimpedantie: 39 [kW] Maximaal ingangsniveau: -3.5 [dBu] (VOLUME 1: Max) AUDIO IN 1 (MIC) Ingangsimpedantie: 22 [kW] Maximaal ingangsniveau: -33 [dBu] (VOLUME 1: Max) • AUDIO IN 1 DYNAMIC jack (met MIC/LINE schakelaar) Aansluiting 1/4’’ phone jack (ongebalanceerd)

AUDIO IN 1 (LINE) Ingangsimpedantie: Maximaal ingangsniveau: Ingangsimpedantie: AUDIO IN 1 (MIC) Ingangsimpedantie: Maximaal ingangsniveau: Ingangsimpedantie: • AUDIO IN 2 (LINE) jack Aansluiting Ingangsimpedantie: Maximaal ingangsniveau: Ingangsimpedantie: Uitgangen • L/MONO, R jacks Uitgangsimpedantie: Maximaal uitgangsniveau: Laad impedantie: • Koptelefoon jack Uitgangsimpedantie: Maximaal uitgangsniveau: Laad impedantie:

39 [kW] -3.5 [dBu] (VOLUME 1: Max) 600 [Ω] 22 [kW] -33 [dBu] (VOLUME 1: Max) 600 [Ω] 1/4’’ phone jack (ongebalanceerd) 39 [kW] -3.5 [dBu] (VOLUME 2: Max) 600 [Ω]

1.1 [kW] (MONO: 550W) +0.0 [dBu] of meer 33 [Ω] 10 [Ω] 35 [mW] 33 [Ω]

MIDI: Beeldscherm: Stroomvoorziening:

IN, OUT, THRU aansluitingen 3-digit x 1 lijn achtsegment LED bij gebruik van netsnoer: DC9V, 6.5 W bij gebruik van batterijen: zes AA batterijen, 9V Batterij levensduur: ongeveer 4 uur of meer (bij gebruik van alkaline batterijen) Afmetingen: 524 x 232 x 70 mm (B x D x H) Gewicht: 2.2 Kg (zonder batterijen en bijgeleverde microfoon) Bijgeleverde onderdelen: condensator microfoon, netsnoer (DC9V)

*

Uiterlijk en specificaties van dit product kunnen zonder voorafgaande mededeling veranderen.

67


Index Symbolen

C

-12dB BPF -12dB HPF -12dB LPF -24dB LPF

Carrier 31 Compare 64 Computer 50 Consonant 33 Control change 52, 56 Control changes toewijzen 61 Cross Modulation 19 Cutoff 8, 20, 24, 35

25 25 24 24

A Aansluiting 5, 48 ADSR 26, 28 Amp 15, 27 AMP EG 28 Analoog modellering systeem 1 ANALYSE FILTER 31 Arpeggiator 11, 43, 50, 53 Arpeggio type 44 Attack tijd 9 Audio In 21

B Band-pass filter 31, 35 bAt 6 Batterij 6 Batterij laag 6 Bestemming 30 Bewerking 12 Bewerkingsvoorbeeld voor een vocoderprogramma 32

68

D Data dump 62 De parameterwaarde laten toeof afnemen 64 Delay effect 41 Demosong 7 Detuning 16, 22 Distortion 27, 37 Driehoeksgolf 19, 22 Drie geluidsattributen 15 DWGS 20

E Edit Sync 14 Een timbre bewerken 14 Een externe invoer als vervoerder van de vocoder gebruiken 34 Een timbre kopiĂŤren 59 Een geluid creĂŤren 12 Een extern geluidssignaal verwerken 21

Effect 39 EG 28 Envelope Follower 31, 35 Envelope Generator 28 EQ 42 Equalizer 42

F Filter 15, 24 Filter EG 26 Filter oscillatie 25 FORMANT HOLD toets 35

G Gain 42 GLOBAL 46 Globale data 58

I Initialiseren, een programma 59 Initialiseren, CH LEVEL A/B 60 Initialiseren, CH PAN A/B 60 Interne MIDI IN/OUT routing 47

K Keyboard tracking 9, 24, 27, 37

L Layer programma 16 Legato 16 LFO 29 LFO1 18 LFO2 17 Local Control 50 Local on/off 51

een programma 13 OSC1 18 OSC2 22 Oscillator 15, 18 Oscillator Sync 22

P

Mic 5, 10 MIDI 48 MIDI kanaal 49, 51, 52 MIDI Filter 60 MIDI sequencer 50 MOD wiel 9, 17 Modulatie 40 Modulator 31, 33 Mono 16

Pan 27, 38 Parameterwaarde verandert niet 13 Performance Edit 8, 10 Pitch 17, 47 Pitch bend 52 Pitch wiel 9, 17 Polyfoon 16 Portamento 17 Power on 6 Program change 52 Pulsbreedte modulatie 18 PWM 18

N

R

Netsnoer 6 Niveau 38 Noise 20, 23 Note-on/off 52 NRPN 53

Realtime berichten 55 Release tijd 9 Resonantie 9, 20, 24, 35 Fabrieksinstellingen herstellen 63 Retrigger 16 Ring Modulatie 22

M

O OCTAVE SHIFT UP en DOWN toetsen 9 Opslaan 58 Originele parameterwaardes van

S SHIFT functies 59


Index Sinus golf 19 Solo 14 Bron 30, 36 Step 45 Step arpeggiator 11 Schakelen tussen EDIT SELECT 1/2 64 Synchroniseren 29, 41, 45, 51, 65 Synth programma 8, 16 SYNTHESE FILTER 31 System Exclusive berichten 55

V

T

W

Tempo 9, 44 Timbre 15, 16 Timbre solo functie 64 Timbre(s) die door de arpeggiator ten gehore worden gebracht 45 Timbres uitwisselen 59 Transpose 47 Tremolo 29

Wah 29 Write Protect instelling 63

Velocity 9, 47 Vibrato 29 Vierkante golf 18, 22 Virtual Patch 30 Vocoder 31 Vocoderprogramma 10, 16 Volume 17, 37 Volumebalans 23 Vox golf 19

Z Zaagtand golf 18, 22

U Uitgang 47 Uitgangsniveau 23 Uitgangsniveau van de carrier 34 Unisono 16

69


Belangrijke opmerking voor gebruikers KORG producten worden volgens strikte specificaties en door ieder land vereiste voltages gefabriceerd. Indien u dit product via het internet, postorder en/of via telefonische verkoop heeft aangeschaft, moet u verifiĂŤren dat dit product bedoeld is om in uw land te gebruiken. WAARSCHUWING: gebruik van dit product in een ander land dan waarvoor bedoeld, kan gevaarlijk zijn, en kan de garantie van de fabriek of distributeur ongeldig maken. Bewaar uw kwitantie als bewijs van aankoop, anders kan uw product buiten de garantie van de fabrikant of distributeur vallen.

Gedistribueerd door: Voerman Amersfoort B.V. Postbus 321, NL 3800 AH Amersfoort Website: www.voerman.nl Š 2002 Voerman B.V.

microkorg  

handleiding

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you