__MAIN_TEXT__

Page 1


Jason Magazine is een tweemaandelijkse uitgave van de Stichting J ason, gericht op jongeren die zich interesseren voor internationale politiek. In elk nummer wordt aan de hand van een aantal artikelen getracht een evenwichtig en gevarieerd beeld te geven van een internationaal politiek vraagstuk. De redactie onthoudt zich hierbij van iedere politieke stellingname. Redactieleden kunnen echter wel op persoonlijke titel een artikel schrijven. Wie wil reageren op in Jason verschenen artikelen, of denkt zelf een bijdrage te kunnen leveren, wordt verzocht te schrijven naar: Redactie / secretariaat Jason, Laan van Meerdervoort 96 2517 AR Den Haag. Telefoon: 070-605658. Postgiro: 3561025. Bank: 456855548.

Overname van in Jason Magazine verschenen artikelen kan slech ts geschieden in overleg met de redactie. REDACTIE JASON-MAGAZINE Hoofdredacteur: Huib van Olden. Redactieleden: Marieke Adema. Hans Paul Andriessen. Aldrik Gierveld. Maartje Kraanen. Chiel de Leeuw. Sam Muller. Gert-Jan Stempher. Eric Thomas. DAGELIJKS BESTUUR Voorzitter: H. P. Th. Coebergh. Vice-voorzitter: C. K. Weiland. Secretaris: M. Cantarella. Penningmeester: G. Vogels. Public Alfairs: G. Frings. Algemene Zaken: S. Mad unic. Fundraiser: P. Krans. ALGEMEEN BESTUUR Mr. F.C.M. Caris. Mr. P .H. Goedhart. Drs. M.C.A.M Huisman. Drs. R Hillebrand . Drs. A.M. Knaapen. F .J . Marcus. RH. van der Meer. H.C. van Olden. E.C. H.M. van de Pas. Drs. A.M. van der Togt. Drs. J .C. de Vries. Drs. D. H. Zandee. RAAD VAN ADVIES Prof. dr. W. Dekker, voo rzitter. J .T.H.J . van den Berg. J .M. Bik. Prof. mr. J .F. Glas!ra van Loon. Drs. G.J.J.M. Hayen. C. C. va n den Heuvel. H.A.M. Hoefnagels. Mr. J .G.N. de Hoop Scheffer. RD. Praaning. Drs. W.K.N . Schmelzer. Prof. dr. A, van S!aden . Prof. dr. H. W. Tromp. Prof. dr. P .M.E. Volten. Drs. L. Wecke. ISSN 0165-8336

INHOUDSOPGAVE. VAN GEZANT AAN'T HOF TOT MODERNE DIPLOMAAT. Een historische overzicht van de ontwikkelingen in de diplomatie door Chiel de Leeuw. PAG. 2 HET "DIPLOMATIEKE RECHT" EN DE WEENSE CONVENTIE VAN 1961. Drs. F. von der Dunk, medewerker aan de Universiteit van Leiden, over de relatie tussen de diplomatie en het internationale recht. PAG. 6 EEN DIPLOMAAT ZIT NIET ALLEEN PREITIG AAN RAND VAN ZWEMBAD. De opleiding tot diplomaat is niet eenvoudig. Interviews door Chiel de Leeuwen Sam Muller. PAG. 13 DE NEDERLANDSE DIPLOMATIE TUSSEN TRADITIE EN AMBITIE. Aldrik Gierveld, redactie-lid van Jason Magazine, over theorie en praktijk van het Nederlandse buitenlandse beleid. PAG. 19 BIJ DE DIPLOMATIE GAAT HET OM DE MANIER WAAROP JE HET ZEGT. Interview met mr. L. J . Brinkhorst door Chiel de Leeuw. PAG. 25


1

De binnenkant van Buitenlandse Zaken Elk land heeft honderden diplomaten in dienst om zich in het buitenland te laten vertegenwoordigen. Staten hebben daar veel belang bij. De tijd dat buitenlandse politiek met alle beschikbare middelen werd gevoerd is gelukkig voorbij. Dialoog en wederzijds begrip zijn vereist in een wereld die steeds kleiner wordt en waar de afhankelijkheid tussen staten toeneemt. Internationale vraagstukken vragen om een eensgezinde aanpak en zo wordt diplomatie in de buitenlandse politiek belangrijker. Dit nummer van Jason Magazine is gewijd aan de mensen die achter de schermen van de internationale politiek werken. Diplomaten volgen dagelijks de politieke ontwikkelingen, trachten samenwerking te bevorderen, zijn belast met de verdeling van ontwikkelingshulp, proberen buitenlandse bedrijven naar het vaderland te lokken en helpen omgekeerd het nationale produkt elders te slijten. Een mooi beroep; afwisselend werk, men ziet de hele wereld en wordt goed betaald. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken mag zich dan ook elk half jaar verheugen op honderden sollicitatiebrieven van jonge academici, die meteen attachĂŠ-koffer vol Nederlandse belangen en idealen de wereld in willen. Jason sprak met het hoofd "selectie & werving" van het Ministerie, de onderwijsmentor op Clingendael en aspirant-diplomaten uit het "klasje". Het Nederlandse buitenlands beleid is het toekomstige werkterrein van deze diplomaten in spĂŠ en is van invloed op de organisatie van het Ministerie en onze vertegenwoordigingen in het buitenland. Verder ook een artikel over de doelstellingen en de tradities van de "Bezuidenhoutseweg". Maar hoe is het diplomatieke verkeer ontstaan en wat moet worden verstaan onder de diplomatieke status? En wat is de historische achtergrond en de juridische positie van de diplomatie? Tot slot een interview met een man uit de praktijk. In Brussel vertelde Laurens-Jan Brinkhorst over zijn ervaringen als EG-ambassadeur in Tokio. ALDRIK GIERVELD


2

Van gezant aan 't hof tot moderne diplomaat "God heeft de engelen geschapen om te dienen als gezanten tussen hemel en aarde". Deze uitspraak van een auteur uit de zestiende eeuw, genaamd Josephus, geeft aan dat diplomatie zeker geen zuiver hedendaags verschijnsel is. integendeeL diplomatie moet reeds daar zijn ontstaan, waar families of stanunen voor het eerst met elkaar in contact kwamen. Bijvoorbeeld waar regelingen voor het bet!indigen van een oorlog of de verdeling van jachtgebieden moesten worden gemaakt. De geschiedenis van de diplomatie begint dus in feite vrijwel direct met de start van wat we een menselijke beschaving zouden kunnen noemen. Het is natuurlijk onmogelijk om in zo'n kort bestek als dit artikel de complete ontwikkeling van de diplomatie in de loop van duizenden jaren te beschrijven. Ik zal dan ook moeten volstaan met een weergave van enkele kenmerkende fasen in deze ontwikkeling. Het begrip diplomatie roept vaak verwarring op omdat men er veel verschillende betekenissen aan kan hechten. Harold Nicolson noemt er in zijn standaardwerk "Diplomacy" maar liefst vijf: 1. Diplomatie als synoniem van buitenlandse politiek; 2. Diplomatie als verwijzing naar onderhandelingen; 3. Het proces van en de machinerie van onderhandelingen; 4. Diplomatie als een dienstonderdeel van het ministerie van buitenlandse zaken; 5. Diplomatie als een abstracte kwaliteit of gave, bijvoorbeeld wanneer men zegt: "Jij bent diplomatiek". 1). In dit artikel is het begrip diplomatie vooral opgevat als een complex van cont(r)acten tussen staten, die verlopen via een netwerk van gezanten (diplomaten) die de desbetreffende staten in het buitenland vertegenwoordigen op permanente danwel niet-permanente basis.

Ad hoc diplomatie Lange tijd, tot ruwweg de Renaissance, is diplomatie een ad hoc bezigheid geweest. Het was geen aparte profes-

sie, in de zin dat er mensen waren die zich er full-time mee bezig hielden. Hoge edelen of geestelijken werden naar een ander land gestuurd als er een geschil was bij te leggen, als een alliantie moest worden gesloten of wanneer er een belangrijke ceremonie ging plaatsvinden, zoals een kroning of een begrafenis. Zij hadden meestal slechts ĂŠĂŠn taak te vervu1len en als dat gebeurd was, konden zij weer huiswaarts keren. Het kwam zelden voor dat een gezant gedurende een langere periode in een buitenlandse hoofdstad vertoefde,laat staan dat hij zich er permanent vestigde. Mesopotamie en het oostelijk deel van het Middellandse zeegebied zijn enkele van de gebieden, waar de eerste staten zich naast elkaar begonnen te ontwikkelen. Deze staten bleken niet geĂŻsoleerd te kunnen bestaan. Zij kwamen onvermijdelijk met elkaar in aanraking, waardoor er belangenconflicten ontstonden. Hieruit kwam voor de staatshoofden de noodzaak voort met elkaar in contact te treden. Diplomatieke missies reisden over en weer en langzamerhand ontstonden er preciese regels voor ontvangst en behandeling van vertegenwoordigers van andere staten. Men besefte dat het ook voor het eigen land gunstig kon zijn om afgevaardigden (gezanten) enige vrijheid te geven. Ze meteen het hoofd inslaan zou alleen maar tegengeweld oproepen.

Chiel de Leeuw, redactielid van Jason Magazine, beschrijft in dit historische overzicht de ontwikkelingen in het vak van diplomaat.

Het gebouw van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag.


3

Buitenlandse zaken Het gebied rond de Nijl was in het tweede millenium voor Christus een middelpunt van commercil!le en andersoortige contacten. Deze brachten de oude Egyptenaren ertoe om een "departement van buitenlandse zaken" op te richten. Deze instelling, die zeker al wat overeenkomsten vertoonde met zijn hedendaagse tegenhangers, had als voornaamste taak verdragen met andere staten af te sluiten. Van enige van deze verdragen hebben wij in onze tijd kennis kunnen nemen, door middel van teruggevonden hil!rogliefen. Bekend is ons een verdrag tussen Ramses IT, farao van Egypte en Hattoesilis m, koning der Hittieten, een volk dat tussen 2000 en l200 voor Christus Anatolil! bevolkte. Het is een verdrag over de uitwijzing van

deserteurs uit het leger naar het land van origine, onder voorwaarde dat zij niet de doodstraf krijgen. 2). De Hittieten vertoonden al duidelijk kenmerken van een diplomatieke stijl. Zij duldden zonder moeite andere grootmachten naast zich en maakten geen aanspraak op de wereldheerschappij. Vijanden waren die staten, met wie zij geen verdrag hadden. Ook leken zij het noodzakelijk te vinden om hun oorlogen historisch en ethisch te rechtvaardigen. Een vazal die in opstand was gekomen werd, als hij verslagen was, vaak opnieuw geĂŻnstalleerd. Men ging er vanuit dat hij zijn lesje geleerd had. 3).

Griekse complexiteit De complexiteit van de commerciĂŤle en politieke relaties tussen de Griek-

se stadstaten in de vijfde en vierde eeuw voor Christus was in zulk een mate toegenomen, dat diplomatiek verkeer een zeer regelmatig verschijnsel was geworden. Er ontwikkelde zich een soort constant diplomatiek systeem. Gezanten genoten al enige vorm van immuniteit. Een gezant uit deze periode is echter niet te vergelijken met gezanten of diplomaten zoals wij die nu kennen. De belangrijkste kwaliteit van een Griekse gezant was zijn flinke stemvermogen. Hij moest namelijk als een orator de zaak van zijn stad verdedigen tegenover een gehoor van andere steden. Een verbond tussen twee of meerdere steden was een veel voorkomend verschijnsel. Een bekend voorbeeld hiervan is de Delisch-Attische Zeebond. Door Athene in het leven geroepen en gedomineerd voor de instandhouding van de eigen positie. De bijdrage van de Romeinen ligt niet zozeer in de diplomatieke praktijk als wel in het diplomatieke recht, dat tot in de achttiende eeuw zijn invloed deed gelden. De Romeinen vertrouwden bij hun pogingen andere naties te onderwerpen en een

"Pax Romana" te vormen voornamelijk op militaire middelen. Pas in een later stadium, toen zij geconfronteerd werden met de neergang van hun rijk, zochten zij meer en meer hun toevlucht tot de diplomatie. Overwonnen stammen werden tegen gunstige voorwaarden opgenomen in het rijk en konden als een geheel dienst nemen in het Romeinse leger. Het Byzantijnse rijk, de voortzetting van het Oostromeinse rijk, zag zich omgeven door een groot aantal vijanden. Gedurende lange periodes was men niet sterk genoeg om met zuiver militaire middelen deze vijanden het hoofd te bieden. Een verfijnd gebruik van diplomatie moest uitkomst bieden. Bij de Byzantijnen zien we dan ook een uitbreiding van de functies van diplomatie. Men had drie uitgangspunten: 1. Het verzwakken van de tegenstanders door onderlinge rivaliteit op te wekken;

2. Het verkrijgen van de vriendschap van de grensstammen; 3. Het bekeren van de heidenen tot het christelijk geloof.


4

Redenaarstalent was niet meer voldoende om dit alles te bewerkstelligen. Gezanten van Byzantium begonnen rapporten te schrijven over de interne situaties in de buurlanden. Men onderzocht de ambities en de zwakheden van de tegenstanders. De professionaliteit in de diplomatie nam toe.

Venetiaanse consuls Het diplomatieke systeem zoals we dat vandaag de dag kennen, vindt z'n oorsprong in het Italii! van de vijftiende eeuw. Vooral Venetil!, met zijn vele contacten in andere delen van de wereld, groeide uit tot een belangrijk diplomatiek centrum. In verscheidene havens in den vreemde verbleven min of meer permanent consuls van Venetii!, die daar de commercil!le belangen van hun stad behartigden. De Italiaanse Renaissance bracht naast zijn culturele rijkdom geen instituties of grote ideei!n die de maatschappij op het schiereiland bij elkaar hield. Een flink aantal staten van beperkte omvang acteerden op het toneel en probeerden allen de hoofdrol te krijgen. Dictators kwamen en gingen, allianties werden gesloten en weer verbroken. De Italiaanse politiek was een netwerk van samenzwering en bedrog. Machiavelli bijvoorbeeld stelde dat een goed heerser alleen handelde in zijn eigen belang. Morele scrupules zijn dan natuurlijk ver te zoeken. Politiek werd een wereldlijke zaak. De religieuze invloed verminderde sneL In zo'n systeem van intensieve concurrentie tussen verschillende staten is een goed gebruik van diplomatie onontbeerlijk. Meer delegaties waren langer onderweg. Langzamerhand gingen steeds meer gezanten zich permanent vestigen. Rond 1460 was dit een vrij algemeen verschijnsel geworden. Vanaf het begin van de zestiende eeuw werd het Italiaanse voorbeeld in toenemende mate in West-Europa nagevolgd.

Gezant aan 't hof Met de groei van de absolute dynastiei!n in de zeventiende en achttiende eeuw breidde het permanente diplomatieke systeem zich verder uit. Elk land dat meetelde had zijn vertegen woordigers aan de buitenlandse hoven. De invoering van permanente

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Javier PĂŠrez de CuĂŠllar.

vertegenwoordigen ging zeker niet zonder tegenstand en was meer een geleidelijk proces. Tegenstanders hadden het over de buitenlandse spionnen in de boezem van de eigen familie. 4). Gezanten werden ook door het eigen hof gewantrouwd. Zo bleef men voor belangrijke kwesties aparte missies zenden. Een gezant had een lage status, werd slecht betaald en beschikte meestal over een inadequate staf. De introductie van permanente vertegenwoordigingen bracht ook een vernieuwde diplomatieke stijl met zich mee. Onderlinge contacten tussen gezanten van verschillende landen die in eenzelfde hoofdstad gevestigd waren namen toe. Men wisselt informatie uit en er ontstaat zoiets als een "Esprits de Corps". Diplomatie werd daarmee definitief een beroep en kreeg tot taak: 1. Contacten te onderhouden met andere landen; 2. De reputatie van het eigen land op te bouwen; 3. Vertrouwen in het eigen land op te wekken.

Men ziet in dat met behulp van diplomaten dreigende conflicten in de kiem gesmoord kunnen worden. In de zeventiende eeuw verschijnen er zelfs handboeken voor diplomaten. Elk middel is volgens deze handboeken geoorloofd: valse beloftes, afpersing, alles: behalve oorlog. De schrijvers baseerden hun opvattingen ondermeer op de bijbeL Abraham zou, toen hij in een vreemd land vertoefde, bang zijn geweest dat de heerser van dat land verliefd zou worden op zijn vrouw Sara en daarom hem zou willen doden. Door te doen alsof Sara zijn zus was redde Abraham zijn eigen leven, maar ook dat van zijn volk.

Congres van Wenen Het congres van Wenen in 1815 betekende het begin van een belangrijke nieuwe fase in de ontwikkeling van de diplomatie. De Napoleontische oorlogen waren voorbij en Frankrijk was verslagen. Europa verkeerde in wanorde. De vrede in Europa moest op een vernieuwd stabiel systeem gebouwd worden.


5

Met dit doel kwamen de grootmachten Pruissen, Rusland, Groot-Brittannië, Oostenrijk-Hongarije en ook Frankrijk in Wenen bijeen. Het diplomatieke verkeer had zich tot dusverre bijna uitsluitend op bilateraal niveau afgespeeld. De spelregels waren altijd bepaald door het gewoonterecht. Het was nu de eerste keer dat er multilaterale onderhandelingen op een dergelijke schaal plaatsvonden. Tevens was het de eerste keer dat men algemeen aanvaarde principes van diplomatiek recht begon vast te leggen. De kwestie welke diplomatieke vertegenwoordiger van welke staat bij officiële gebeurtenissen voorrang had boven de anderen, was altijd een belangrijke bron van onenigheid geweest. Het reglement van Wenen regelde deze kwestie. De diplomaat die het langst in het betreffende land geaccrediteerd was, kreeg voortaan voorrang boven de anderen. Er kwam dus een rangorde naar anciënniteit. Verder werd het "Corps Diplomatique" onderverdeeld in drie rangen of klassen; ambassadeur, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, minister-president en zaakgelastigde.

Directer contact In de negentiende eeuw voltrok zich een grote vooruitgang op velerlei gebieden. De westerse landen industrialiseerden. Door de invoering van de stoommachine werd de reistijd verkort en de telegraaf maakte veel directere contacten mogelijk. Het imperialisme betekende een actievere opstelling van veel staten op het internationale vlak. In deze situatie begon een grotere en diversere groep burgers een vooraanstaande rol in de samenlevingen te spelen. De contacten van diplomaten werden dan ook steeds uitgebreider. Niet alleen vorsten maar ook parlementariërs, journalisten en zakenmensen waren nu belangrijke bronnen van informatie geworden. Ieder land kreeg z'n eigen diplomatieke dienst, die weer de beschikking kreeg over meer middelen dan voorheen. Ook het prestige van de diplomaten nam toe. Het begin van de Eerste Wereldoorlog was in alle deelnemende landen door de massa's met gejuich begroet. Men geloofde in een korte oorlog die

Mr. M. van der Stoel was enige jaren geleden namens Nederland voorzitter van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

op ouderwetse wijze gevoerd zou worden en waarin nog plaats zou zijn voor zegepralen en heldendom. De realiteit betekende echter een vier jaar durende slachting. Oorlog was een gruwelijke zaak geworden, in zoverre het dat al niet was. De ontluisterde bevolking van de oorlogvoerende landen begon zich af te vragen hoe het zover had kunnen komen. Velen zagen in de geheime onderhandelingen en overeenkomsten van politici en hun diplomaten de oorzaak van alle kwaad. Internationale politiek was een besloten zaak en het volk was, zonder precies te weten waarvoor, naar de slachtbank gevoerd. Als gevolg hiervan ging het volk zich meer voor buitenlandse politiek interesseren. De volksvertegenwoordigingen werden nu ook intersiever bij het buitenlands beleid betrokken. Zij konden verdragen goed- of afkeuren. De buitenlandse politiek, en in haar kielzog de diplomatie, kreeg een meer "open" karakter.

Volkenbond Woodrow Wilson, de toenmalige president van de Verenigde Staten, had in januari 1918 bij de presentatie van zijn beroemde "Verrtien Punten" al gezegd: "Diplomacy should always proceed openly and in the public view". 5). Hij was ook degene die het idee introduceerde dat internationale verdragen getekend en wel doch verworpen konden worden door het eigen parlement. Typerend was het echter dat Wilson al tijdens de vredesonderhandelingen in Versailles in 1919 meer dan 150 vergaderingen met Lloyd George en Clemenceau achter gesloten deuren hield. Het parlement van de Verenigde Staten blokkeerde de toetreding van het land tot de Volkenbond, een an-

der geesteskind van Wilson. De Volkenbond was na de Eerste Wereldoorlog ontstaan en bedoeld als een internationaal forum waar de leden hun ergernissen konden ventileren. Door problemen in de Volkenbond op te lossen zouden veel oorlogen in de toekomst voorkomen kunnen worden. Artikel 18 van het-Volkenbondsverdrag bepaalde dat de leden verplicht waren internationale overeenkomsten aan te melden bij het secretariaat, waarna publicatie zou volgde. Artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties bevat een dergelijk voorschrift. Zowel de Volkenbond als de Verenigde Naties zijn voorbeelden van een permanent orgaan voor multilateraal overleg, een voorheen onbekend verschijnsel. In de tegenwoordige tijd zien we een snelle toename van het aantal rechtstreekse contacten tussen regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken. De rol van diplomaten in onderhandelingen is daardoor sterk in betekenis afgenomen. Hun taak beperkt zich daarom voornamelijk tot vier gebieden: 1. De bescherming van de levens en belangen van landgenoten in het buitenland. 2. Het in het buitenland symbolisch vertegenwoordigen van het eigen land. 3. Het verzamelen van gegevens over de politiek van en de toestand in het land van accreditering. 4. Het verschaffen van beleidsadviezen aan de eigen regering.

Noten 1. H. Nicolson , Diplomacy (led . Londe n) 8.

2. H. Butterfield, "Diplomacy" in: Studies in di plomatie history. R. Han on ed. (1970 Londe n) 363. 3. Nascimento e Silva, G . E. do, Diplomacy in inte rnational Law 17. 4. Butterfield, 363. 5. Do Nascimenlo, 25.


6

Het "diplomatieke recht" en de Weense Conventie van 1961 Het is inmiddels alweer drie jaar geleden, dat Zuid-Afrika Klaas de Jonge met de nodige tegenzin terugbracht naar de Nederlandse ambassade in Pretoria, waarvandaan hij tien dagen eerder op onrechtmatige wijze was weggesleept. Eens te meer werd daarbij duidelijk dat het internationale recht op slechts weinig terreinen zoveel gewicht in de schaal legt, als op het gebied van de diplomatieke betrekkingen.

Drs. F. von der Dunk, als medewerker verbonden aan de Universiteit van Leiden, gaat in deze bljdrage in op de relatie tussen de diplomatie en het internationale recht.

Want als zelfs Zuid-Afrika, toch niet direct de staat die zich het meest gelegen laat liggen aan internationale rechtsregels (men denke aan de rechtsregels m.b.t. racisme, zelfbeschikking en inmenging in de aangelegenheden van buurlanden) op dit punt het hoofd buigt voor wat de statengemeenschap als "Recht" ervaart, dan kan men werkelijk stellen dat internationaal recht angels heeft. Wie het schendt, steekt zich in een wespennest. Wie het niet schendt overigens ook, want het diplomatieke recht kent nu eenmaal nogal wat voetangels en klemmen. Hoe zit het met dat "diplomatieke recht"? Welke regels gelden er? Voor wie gelden ze? En hoe worden ze geĂŻnterpreteerd? Op dergelijke vragen zal het onderstaande een noodgedwongen gecomprimeerd en generaliserend antwoord proberen te geven.

plomatieke recht", dat juist betrekking heeft op de bescherming die de diplomaten zelf genieten bij de uitoefening van hun taken. EĂŠn van die taken is inderdaad het uitoefenen van diplomatieke bescherming namens hun land; allerlei andere taken zijn echter doorgaans veel belangrijker. Met name dienen hier te worden genoemd: het onderhouden van de contacten van de zogenaamde "zendende staat" met de zogenaamde "ontvangende staat"; het vertegenwoordigen en zelfs verdedigen van de belangen van de zendende staat in de ontvangende staat en het zich informeren en rapporteren over de situatie in de ontvangendestaat.

Twee begrippen Om te beginnen moeten "diplomatiek recht" en "recht op diplomatieke bescherming" niet door elkaar worden gehaald. Dit laatste begrip ziet op het recht van staten (en dus niet van de individuen in kwestie) om voor hun onderdanen in het buitenland op te komen, wanneer dezen door de autoriteiten van de betreffende staat onheus bejegend (lijken te) worden. Dat recht kan door diplomaten ter plaatse, maar ook door bijvoorbeeld ministers of staatshoofden worden uitgeoefend (als het maar om een officieel geautoriseerd staatsorgaangaat). Het is dus heel iets anders als het "di-

Klaas de Jonge in zijn schuilplaats in de Nederlandse ambassade in Pretoria.

Regels

Om de uitoefening van deze taken mogelijk te maken, is er door de eeuwen heen een stelsel gegroeid van regels ter bescherming van deze diplomaten. Zo kan een diplomaat de belangen van zijn land natuurlijk alleen goed verdedigen, als hij niet het risico loopt, onder een vals voorwendsel of niet, in de gevangenis van de ontvangende staat te belanden, alleen omdat deze staat het toevallig niet eens is met die verdediging. En dat risico bestaat ook juridisch gezien, aangezien een diplomaat zich nu eenmaal min of meer permanent op het grondgebied van een andere staat dan zijn eigen bevindt, en het een basisregel van internationaal recht is, dat uit de absolute soevereiniteit van een staat over zijn grondgebied ook de absolute zeggenschap t.a.v. wetgeving, rechtspraak en uit-


7

voering van vonnissen op dat grondgebied voortvloeit. Vanuit deze redenering is de meest essentiële regel van het diplomatieke recht tot stand gekomen: onder geen enkele voorwaarde mag een ontvangende staat diplomaten van een ander land vasthouden, arresteren of veroordelen. Zelfs als vrijwel onomstotelijk vaststaat dat het om halve moordenaars gaat - zoals bij de Libiërs, die vanuit het Volksbureau (Libisch voor ambassade) in Londen de Engelse politie-agente Yvonne Fletcher doodschoten - heeft de ontvangende staat zich te onthouden van aanhouding op welke manier dan ook. In het genoemde voorbeeld heeft de Engelse regering, ondanks de enorme woede die de publieke opinie en het parlement beheerste, de betrokken Libiërs vrijuit laten gaan. Behalve de juridische onrechtmatigheid van het arresteren van de "diplomaten" in kwestie - ook al zou zij slechts een reactie zijn op een eerdere onrechtmatigheid van Libische zijde, namelijk het misbruiken van de onschendbaarheid van ambassade en diplomaten - speelde natuurlijk ook een rol, dat de Engelse regering haar hart vasthield voor de Britse diplomaten in Libië. Libië zou immers op zijn beurt een onrechtmatige schending van de onschendbaarheid van Libische diplomaten kunnen vergelden met het "lastig vallen" van Engelse diplomaten. Voilà, een wederzijds wespennest.

Onschendbaarheid Alle andere rechtsregels die de diplomaat beschermen zijn - vaak hele belangrijke - aanvullingen op deze onschendbaarheid van de diplomaat en worden gemeenlijk "immuniteiten en privileges" genoemd. Veel van deze regels, en vooral de belangrijkste, zijn al uit vorige eeuwen afkomstig. Zo werd in 1707 de Russische ambassadeur bij de koningin van Engeland in Londen uit zijn koets gesleurd, omdat hij bepaalde schulden niet had voldaan. Dat was reden voor de Engelse regering om niet alleen excuses aan te bieden aan de Tsaar, maar ook om een jaar later de "Act of Anne" uit te vaardigen, waarin voorgoed werd vastgelegd dat de persoon van een ambassadeur onschendbaar was en niet voor enig

De gJïzeJing van de Amerikaanse ambassade in Teheran was een grove schending van alle internationale rechtsregels.

gerechtshof gedaagd mocht worden. Tot 1961 was het diplomatieke recht nooit vastgelegd in verdragen, wat de precisie van de betreffende regels niet ten goede kwam. Gerechtshoven, nationale en internationale, die met rechtszaken te maken hadden gekregen waar diplomaten een belangrijke rol in speelden, hadden tot dan toe die regels van "gewoonterecht" (d.i. "recht" wat gedurende een niet al te korte periode gevormd wordt op basis van een bepaalde "gewoonte" van staten om in bepaalde situaties min of meer identiek te reageren) dan ook vaak geheel verschillend geïnterpreteerd. Sinds 1961 is daarin verandering gekomen. Toen werd namelijk het jarenlange voorwerk van de International Law Commission, een VN-orgaan dat verdragsteksten voorbereidt, beloond en kwam in Wenen de "Conventie inzake Diplomatieke Relaties", kortweg Weense Conventie genoemd, tot stand. Veel, in ieder geval alle belangrijke regels van het diplomatieke verkeer, zijn hierin vastgelegd, zij het ook niet altijd even exact: voor eigen interpretatie is op een aantal punten zeker nog ruimte. Naast deze "codificatie" van het bestaande gewoonterecht heeft de LL.C. op een aantal andere punten een zekere stap voorwaarts gedaan en zodoende bijgedragen tot verdere ontwikkeling van het internationale recht.

Mondiaal bindend Omdat inmiddels maar liefst 152 staten, waaronder sinds een paar jaar ook Nederland, partij zijn bij deze Conventie, en omdat de belangrijkste

staten die geen partij zijn bij de Conventie in de categorie Singapore, Zimbabwe en Suriname gezocht moeten worden, kunnen we grosso modo de Weense Conventie zien als een mondiaal bindend verdrag, dat het gehele diplomatieke verkeer omvat. Deze opmerking dient in zoverre gekwalificeerd te worden, dat t.a.v. de consulaire betrekkingen - die vaak overlappen met diplomatieke betrekkingen - twee jaar later in Wenen een aparte conventie is gesloten (overigens grotendeels geënt op die van 1961). En dat voor de regeling van immuniteiten en privileges van vertegenwoordigers bij, en ambtenaren van, internationale organisaties - vaak als diplomaten functionerend - veelal ook aparte verdragen zijn gesloten. Ik wil hier met name de Conventie inzake Privileges en Immuniteiten van de Verenigde Naties van 1946, en het Protocol betreffende de V oorrechten en Immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 1965, noemen. Ook deze verdragen zijn goeddeels aangepaste versies van wat de Weense Conventie t.a.v. privileges en immuniteiten heeft vastgelegd. Vanwege de centrale plaats die de Weense Conventie in het huidige internationale recht op het gebied van diplomaten en diplomatieke betrekkingen inneemt, neem ik deze dan ook als uitgangspunt voor het onderzoek naar de concrete regels die er bestaan. De aangehaalde artikelen zijn dan ook alle afkomstig uit deze Conventie.

Diplomatieke relaties De Weense Conventie inzake Diplo-


8

Het Vredespaleis in Den Haag, de zetel van het Internationale Hof van Justitie.

matieke Relaties krijgt natuurlijk pas echte waarde tussen twee staten op het moment dat zij diplomatieke relaties aangaan. Art. 2 zegt dat dit op basis van wederzijdse toestemming moet gebeuren; dat is de basis van alle diplomatieke relaties. Op het eerste gezicht misschien een overbodige formule, maar gezien het feit dat men zich wederzijds in een wespennest steekt, is die toestemming essentieel. Bij nader inzien moeten er dan ook twee belangrijke opmerkingen aan vast worden geknoopt. Om te beginnen verwijst de formulering impliciet al vooruit naar de moeilijkheden die optreden bij internationale organisaties, waar geen sprake is van een gewone bilaterale relatie. Als we de Verenigde Naties als voorbeeld nemen, dan spelen er in New York een aantal feitelijk-trilaterale relaties. Dat zijn de relaties tussen de Verenigde Naties zelf, die onder andere vertegenwoordigers van bepaalde staten - of zelfs nietstaten; denk aan de problemen rond het PLO-kantoor! - al dan niet kunnen accepteren; het betreffende land wier vertegenwoordigers privileges en immuniteiten nodig hebben

om goed te kunnen functioneren en de Verenigde Staten, die als gaststaat van de VN de privileges en immuniteiten feitelijk moeten accepteren en res~teren - ook al is het betreffende land een vijand van de VS. Doordat het onderhouden van "gewone" diplomatieke betrekkingen echter een zaak is tussen twee landen onderling, vormt de "wederzijdse toestemming" van art. 2 een extra garantie voor het naleven van het verdrag; door de reciprociteit van de betrekkingen te benadrukken, maakt zij duidelijk dat schending van een regel door de ene staat met het grootste gemak kan worden beantwoord door eenzelfde schending van de kant van de andere staat - en dit laatste vaak ook juridisch is geoorloofd!

Verplichtingen Nauw aan dit effect van art. 2 verwant is het feit dat in de Conventie naast een aantal "onthoudingsplichten" (onthouding van arrestatie van diplomaten, van onderzoek van diplomatieke bagage, van binnentreden in het ambassadegebouw, etc.) een aantal "inspanningsverplichtin-

gen" zijn neergelegd. Zoals de verplichting de zendende staat zoveel mogelijk behulpzaam te zijn bij het verkrijgen of bouwen van de ambassadegebouwen zelf (art. 21). Omdat het bij inspanningsverplichtingen moeilijk is te beoordelen of ze zijn geschonden (heeft men wel genoeg zijn best gedaan, of deed men maar alsof), kan art. 2 een extra aansporing betekenen zo'n verplichting toch serieus te nemen. Als zo'n ambassade er eenmaal is, dan is zij ook onschendbaar (art. 22, lid 1): deze onschendbaarheid is absoluut. Dat wil zeggen dat niemand van de ontvangende staat of van derde staten zonder toestemming van de zendende staat de ambassade mag betreden. Dat maakt het fenomeen "diplomatiek asiel", hoewel juridisch omstreden, feitelijk wel mogelijk. Bovenstaande regel heeft tot het hardnekkige en steeds weer terugkerende misverstand aanleiding gegeven, dat de grond waarop de ambassade staat grondgebied is van de zendende staat. Deze theorie van de zogenaamde "exterritorialiteit" is echter niet (meer) juist: het betreffende stuk grond blijft deel uitmaken van het grondgebied van de ontvangende staat, alleen wordt de rechtsmacht die zo'n soevereine staat normaliter over zijn eigen territoir heeft, door het bestaan van de diplomatieke relatie over dit kleine lapje grond opgeheven. Die opheffing is slechts tijdelijk: zodra de ambassade verhuist, geldt de rechtsmacht van de ontvangende staat weer onverkort.

Amerikaanse ambassade Dit onderscheid moge op het eerste gezicht voor niet-juristen louter theoretisch lijken, het maakt wel degelijk verschil. Zo blijven de wetten van de ontvangende staat namelijk gelden ook in de ambassade (een regel, nog eens neergelegd in art. 41), alleen hun afdwinging wordt onmogelijk, door de onschendbaarheid van gebouwen en personen. Klaas de Jonge viel daarom ook in de ambassade nog onder de Zuidafrikaanse strafwet; zou Nederland hem wel overgegeven hebben aan de Zuidafrikaanse autoriteiten, dan zou er sprake zijn geweest van "overlevering" en niet van "uitlevering", aangezien bij dit laatste de betrokken


9

f Tl ft

persoon buiten het grondgebied van de vervolgende staat vertoeft. Tevens krijgt bijvoorbeeld een kind, geboren in de Nederlandse ambassade in Londen, automatisch de Engelse nationaliteit, omdat de Engelse wet die nationaliteit automatisch verleent aan een ieder die op Engels grondgebied het levenslicht heeft gezien. Niet alleen heeft de ontvangende staat de plicht de onschendbaarheid van de ambassade zelf te respecteren, maar zelfs is zij gehouden de ambassade naar vermogen te beschermen tegen aantasting van die onschendbaarheid door derden. Zo werd de regering van Iran in de "Hostages Case" van 1980 door het Internationaal Gerechtshof in Den Haag alleen al schuldig bevonden aan de bezetting en gijzeling van Amerikaanse diplomaten in Teheran vanaf 4 november 1979, omdat zij ettelijke Amerika-vijandige demonstraties en daaraan gekoppelde herhaalde Amerikaanse verzoeken om meer bescherming van haar ambassade genegeerd had. Zodoende had Iran de zorgvuldigheidsverplichting ten aanzien van de veiligheid van de ambassade geschonden. Toen Khomeiny en andere regeringsautoriteiten zich vervolgens openlijk achter de revolutionaire studenten opstelden en de gijzeling steunden, werd Iran ook nog eens direct aansprakelijk voor schending van haar plichten zoals neergelegd in art. 22, lid 2 van de Weense Conventie.

Wachtkamer Het begrip "ambassade" (in de Weense Conventie: "the premises of the mission") wordt overigens ook al ruim uitgelegd: alle gebouwen en opstallen die nodig zijn voor het functioneren van de missie vallen daaronder. Zo bijvoorbeeld ook de wachtkamer. En het was uit de wachtkamer van de Nederlandse ambassade, dat Klaas de Jonge op 9 juli 1985 door Zuidafrikaanse veiligheidsagenten werd weggesleurd. Zuid-Afrika schond zodoende de onschendbaarheid van de ambassade; het moge duidelijk zijn dat de Nederlandse regering deze actie in genen dele goedkeurde. Hoe absoluut die onschendbaarheid is, bleek onlangs nog toen in de Amerikaanse ambassade in Moskou

De schietparuï vanuit de Libische ambassade in Londen, waarblï een Britse agente om het leven kwam.

brand uitbrak, en de Russische brandweerlieden lange minuten buiten wachtten, tot de Amerikaanse ambassadeur was gevonden om zijn toestemming te geven het pand te betreden en de brand te blussen. Zou de onschendbaarheid niet zo absoluut worden geïnterpreteerd, dan loopt een ambassade natuurlijk een kans dat de ontvangende staat een brand "regelt" om vervolgens de ambassade binnen te dringen en allerlei geheime archieven e.d. door te kijken. Overigens zijn die archieven nog apart onschendbaar verklaard; dus ook als ze zich niet in de ambassade bevinden, mogen ze zonder toestemming van de zendende staat niet worden ingezien (art. 24). Datzelfde geldt voor de diplomatieke post (art. 27, lid 2), mits het om offici/!le post gaat. Maar omdat privé-post van diplomaten via art. 30, lid 2 ook onschendbaar is, is dat laatste niet zo relevant.

Diplomatieke postzak De diplomatieke postzak is een geheel eigen probleem. Deze mag niet worden geopend (art. 27, lid 3), tenzij uiteraard met toestemming van de zendende staat. Aan de andere kant mag de zak (lid 4) alleen worden gebruikt voor diplomatieke documenten of artikelen voor officieel gebruik. Controle hierop was tot voor niet al te lange tijd alleen mogelijk door de diplomatieke zak te openen. En omdat dat nu eenmaal niet mocht, werd de zak in de praktijk steeds vaker gebruikt voor zaken die geheel niet voor officieel gebruik in de normale zin van het woord bestemd waren. Vrij onschuldig is nog het gebruik-

volgens geruchten - dat de Nederlandse ambassades per diplomatieke zak de verse haringen krijgen toegestuurd voor de recepties ter ere van Koninginnedag. Ernstiger wordt het als allerhande smokkelwaar ter verrijking van de diplomaten wordt meegevoerd en er schijnen zelfs hele drugscircuits van deze methode gebruik te maken. Tegen het smokkelen van wapens is nu in principe een "wapen" gevonden dat veel stof heeft doen opwaaien, maar naar de letter van de Conventie en het geldende recht niet onrechtmatig is: het doorlichten van diplomatieke zakken. Als de verdenkingen vervolgens gegrond blijken te zijn, kan men natuurlijk met veel meer recht en reden de zak in kwestie weigeren. Zo heeft de luchthavenpolitie van Schiphol in 1972 een Algerijn aangehouden die bij nader onderzoek in zijn diplomatieke zak een overdaad aan voor terroristen bestemd wapentuig bleek te bezitten. De man zelf mocht doorreizen, want ook een diplomaat op doorreis, mits hij zich niet onnodig lang ophoudt in het land van doorreis (voor vakantie of privébeslommeringen), geniet onschendbaarheid en immuniteit aldaar (art. 40). Die diplomatieke zak werd uiteraard in beslag genomen. En ook toen uit een diplomatieke zak in Rome, verzonden door de Egyptische ambassade, een gekreun en na opening vervolgens een half verdoofde !sra/!li/!r bleek te komen, liet de toenmalige Egyptische regering het maar achterwege om te protesteren tegen de opening van de zak.

Diplomatie vervoer Zo'n diplomatieke zak moet uiteraard ook als zodanig zijn geken-


10

merkt: het feit dat een aantal kratten op een Londens vliegveld in 1984 niet geheel conform de regels waren gemerkt,leidde tot de ontdekking dat in één krat een geheel verdoofde Nigeriaanse ex-minister, van een vorig regime, tezamen met één van zijn ontvoerders compleet met verdovingsspuiten, en in een andere krat nog twee ontvoerders bleken te zitten, klaar om naar Nigeria te worden gevlogen. Zelfs een volledig correcte identificatie hoeft nog niet automatisch tot aanvaarding door de douane-autoriteiten te leiden: een 9-tons Russische vrachtwagen, als "diplomatieke zak" gekenmerkt en bestemd voor de ambassade in Bern, werd bij de Zwitserse grens geweigerd toen de Russen weigerden (nadere) opening van zaken te geven. Tenslotte moeten op deze plaats nog de "means of transport", de auto's en busjes van de ambassade, genoemd worden. Volgens art. 22,lid 3 zijn deze ook absoluut immuun tegen elke vorm van aanhouding en opening. Als de Nederlandse ambassade in Pretoria maar de beschikking had gehad over een garage, die men had kunnen bereiken zonder de ambassade te verlaten, dan had men Klaas de Jonge in een ambassade-auto kunnen zetten en, begeleid door één of meer diplomaten, de grens over kunnen rijden naar een De Jonge gunstiger gezind land. In theorie althans, want Chileense politie-agenten bijvoorbeeld zagen geen bezwaar om niet al te lang geleden een paar Chileense studenten uit auto's van de Nederlandse ambassade in Santiago te sleuren - volledig in strijd met het internationale recht. De onschendbaarheid gaat op dit punt zo ver, dat verkeerd geparkeerde diplomatenauto's alleen mogen worden weggesleept als zij een ernstige belemmering of gevaarlijke situatie voor het verkeer opleveren.

Onaantastbaarheid De onaantastbaarheid van de diplomaat zelf is al ter sprake gekomen. In d e Weense Conventie wordt zij gesplitst in gedeeltelijk overlappende onderdelen. Art. 29 ziet op de persoonlijke onschendbaarheid van de diplomaat, waar analoog aan de beschermingsplicht t.a.v. ambassadegebouwen, een beschermingsplicht

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bijeen.

van de kant van de ontvangende staat aan vast is gekoppeld. Die plicht houdt, behalve het leveren van body-guards op aanvraag (voor rover natuurlijk redelijk), ook in dat een ontvangende staat al het mogelijke moet doen om een op zijn eigen territoir gekidnapte diplomaat heelhuids en vrij terug te krijgen op de am bassade. Over hoever "al het mogelijke" gaat, bestaat echter nog onzekerheid. In veel gevallen van "diplonapping", met name een Latijnsamerikaanse gewoonte, is dienaangaande geen eenduidigheid te ontdekken. De ene keer wordt gesteld dat de ontvangende staat dus ook aan alle eisen van de ontvoerders moet toegeven. Maar vele staten vinden dat te ver gaan. Als aan de andere kant de ontvangende staat geheel naar eigen goeddunken kan toegeven of niet toegeven aan de eisen, zou de beschermingsplicht wel heel weinig om het lijf hebben.

Een tussenpositie, waar wel enige overeenstemming over schijnt te ontstaan, is dat de ontvangende staat alleen zou moeten toegeven aan eisen die niet de rechtsorde van die staat zelf in de kern aantasten, zoals eisen omtrent losgeld of publicatie van bepaalde proclamaties. Het vrijlaten van bepaalde politieke gevangenen of een directe en volledige afscheiding van een deel van de staat, zouden daarentegen niet behoren tot eisen die door de ontvangende staat ingewilligd zouden moeten worden.

Niet voor de rechter Naast de persoonlijke onschendbaarheid van de diplomaat is in art. 31 apart neergelegd zijn immuniteit van jurisdictie van gerechtshoven van de ontvangende staat. Hier is een onderscheid aangebracht tussen immuniteit van strafrechtelijke rechtspraak, een immuniteit die absoluut is, en immuniteit van civielrechtelijke en administratieve rechtspraak, waar


11

drie categoriet!n uitzonderingen bestaan, alle betrekking hebbende op handelingen van de diplomaat-alsprivé-persoon. Met andere woorden: handelingen die niets met zijn functie of zijn zendende staat van doen hebben. Zo is een diplomaat die een eigen winkel heeft in de ontvangende staat (mits dat überhaupt al is toegestaan, want getuige art. 42 is dat verboden tenzij die ontvangende staat daar expliciet toestemming voor heeft gegeven), natuurlijk net als ieder ander gehouden zijn leveringscontracten e.d. na te komen. Afgezien van deze uitzonderingen echter, kan een diplomaat dus niet voor een gerechtshof worden gedaagd, of het nu gaat om een parkeerbon (waarvan er in Londen alleen al per jaar een slordige 10.000 worden uitgedeeld aan diplomaten of internationale afgevaardigden en ambtenaren met diplomatieke status) of een moord (vgl. weer het geval Yvonne Fletcher). Dit geldt ook,

indien de diplomaat alleen maar zou hoeven verschijnen om te getuigen.

Ontheffing Op dit alles is dan weer één ontsnappingsclausule van toepassing, in de Weense Conventie neergelegd in art. 32: de "waiver" oftewel "ontheffing" van immuniteit. Die ontheffing moet altijd expliciet zijn, en mag alleen door de ambassadeur (voor zijn ondergeschikten) dan wel de minister van buitenlandse zaken van de zendende staat (voor de ambassadeur) worden gegeven. De diplomaat in kwestie heeft daarover zelf niets te zeggen; als zijn regering de relaties met de andere staat niet wenst op te offeren, zal hij voor de rechtbank moeten verschijnen, of hij wil of niet. Volgt een veroordeling, dan is echter nog een aparte ontheffing noodzakelijk voor het ten uitvoer brengen van het vonnis, aangezien dat vonnis al heel snel de persoonlijke integriteit

van de diplomaat (art. 29; men denke bijvoorbeeld aan gevangenis- of lijfstraffen), dan wel van zijn bezittingen (art. 30, lid 2; bij boetes bijv.) aantast. Naast deze immuniteiten geniet de diplomaat ook nog een reeks van privileges die, anders dan de term suggereert, wel degelijk verplicht zijnal is het dan als minimurnstandaard. Zodoende geniet de diplomaat onder andere vrijheid van belastingheffing door de ontvangende staat (art. 34, met uitzonderingen voor indirecte belastingen, "belastingen" voor specifieke diensten en "belastingen" op die privé-handelingen die niets met zijn functie uitstaande hebben - zoals het houden van een winkel), vrijheid van publieke dienstverplichtingen in de ontvangende staat (art. 35, waaronder de dienstplicht of, in sommige Ange1saksische landen, de juryplicht valt), en vrijheid van alle in- en uitvoerrechten (art. 36), althans zolang het gaat om goederen die niet commercieel worden doorverkocht. Door al deze bepalingen is de diplomaat er redelijk van verzekerd ongestoord en ongehinderd door de staat waar hij is geaccrediteerd zijn taak te kunnen uitoefenen. Die uitoefening wordt verder gewaarborgd door zijn recht op vrije communicatie (art. 27, lid I, inclusief het recht op het doorsturen van gecodeerde boodschappen) en recht op bewegingsvrijheid (art. 26) in de ontvangende staat, met slechts een uitzondering voor zover het om nationale veiligheidszones gaat. De beperking die bijvoorbeeld de Sovjet-Unie oplegt aan sommige buitenlandse diplomaten is een onaanvaardbaar grote oprekking van deze uitzondering - die overigens sinds geruime tijd als represaille door verscheidene van de "gedupeerde" staten wederkerig wordt toegepast. De onaantastbaarheid van de privécorrespondentie tenslotte is reeds genoemd.

Familie diplomaten Er zouden dan nog grofweg twee manieren resten voor de ontvangende staat om, mocht de diplomaat in kwestie haar onwelgevallige dingen doen, hem onder druk te zetten en te chanteren. De eerste is zijn privé-woning voortdurend aan huiszoekingen of ruitengooiers e.d. te onderwerpen.


12

Deze mogelijkheid is in de Weense Conventie echter ondervangen door art. 30, lid 1, dat aan privĂŠ-woningen van diplomaten dezelfde onschendbaarheid en rechten op bescherming verleent als aan ambassades. Zelfs vakantiehuisjes in het ontvangende land genieten die bescherming, alleen is deze beperkt tot die momenten, dat de diplomaat er zelf is. De andere mogelijkheid is de familieeden van de diplomaat voortdurend lastig te vallen; maar dit gat wordt (in principe) gedicht door art. 37, lid 1. Dat zegt dat de familieleden van diplomaten grosso modo dezelfde immuniteiten en privileges hebben als de diplomaten zelf. De problemen omtrent wie nu precies familielid is en wie niet, zal ik hier onbesproken laten. Dat is een wespennest apart - net als dat geldt voor de verschillen tussen diplomaten en lager personeel, waar art. 37, leden 2, 3 en 4, een eerste aanzet probeert te geven. Tenslotte bevat de Weense Conventie nog bepalingen over wanneer immuniteiten precies beginnen en ophouden, voor de speciale problemen m .b.t. diplomaten e.a. die onderdaan zijn van de ontvangende staat, en voor allerlei min of meer procedurele, formele en etiquette-zaken.

Persona non grata Tot nu toe is vrijwel uitsluitend sprake geweest van de rechten waarop diplomaten aanspraak kunnen maken - en van een paar plichten, ten aanzien waarvan de ontvangende staat echter de normale middelen ontbreken op te treden tegen schendingen. De vraag rijst dan ook of er helemaal niets is wat een staat kan doen tegen diplomaten in overtreding van bijvoorbeeld het gebod de wetten van de ontvangende staat te respecteren (vgl. art. 41, lid 1). In de eerste plaats bestaat er in bepaalde omstandigheden de mogelijkheid represaillemaatregelen te nemen en de rechten van de schendende staat in dezelfde mate te schenden als waarin deze zelf met zijn schending is begonnen. Verder heeft de ontvangende staat te allen tijde het r echt (neergelegd in art. 9), een bepaalde diplomaat (of meerdere) zonder verdere motivering "persona non grata" te verklaren. De persoon in kwestie moet dan op korte termijn

Het VN-hoofdkwartier in New Vork.

(hij krijgt nog wel de tijd om zijn spulletjes te pakken en zijn belangrijkste zaakjes af te wikkelen) het land te verlaten, anders is de ontvangende staat gerechtigd hem te beschouwen als een normale vreemdeling, ontdaan van onschendbaarheid en immuniteiten. En tenslotte is er natuurlijk als zwaarste stap het verbreken van diplomatieke betrekkingen, meestal als ernstige waarschuwing voorafgegaan door het "terugroepen van de ambassadeur voor overleg". Hierbij moet overigens niet worden vergeten dat in de praktijk klachten van een ontvangende staat, mits terecht, vaak al voldoende zijn om de zendende staat te bewegen tot reprimandes, terugtrekkingen of bestraffingen, of eventueel zelfs tot het geven van een ontheffing van immuniteit.

Wespennest Het moge duidelijk zijn dat staten zich bij het aangaan van diplomatieke betrekkingen in een wespennest van verplichtingen begeven. Verplichtingen die niet altijd in concreto zijn te overzien en bovendien vaak aan verschillende interpretaties onderhevig zijn. Het grootste geluk, vanuit een internationaal-juridisch standpunt gezien, is daarbij nog dat die verplichtingen wederzijds zijn, waardoor er een zekere balans is, die in de meeste gevallen stabiel genoeg is om naleving van het "diplomatieke recht" te garanderen.

Dat staten zich uiteindelijk tegenover elkaar bereid verklaren zich in een diplomatieke relatie te storten, is enerzijds natuurlijk te danken aan de voordelen die men wederzijds van het aangaan van diplomatieke betrekkingen verwacht, maar anderzijds toch ook wel degelijk aan het feit dat het tenminste om een wederzijds wespennest gaat. De mooiste illustratie daarvan is dat zelfs de gezworen aartsvijanden Iran en Iraq tenminste tot 1986 diplomatieke betrekkingen met elkaar hebben onderhouden (zij het op het niveau van "zaakgelastigde"), en zich dus i.i.g. aan deze internationaalrechtelijke regels hielden, hoewel zij elkaar met alle mogelijke middelen bestreden. Aanbevolen literatuur: Denza, E., Diplomatic Law: commentary on the Vienna Convention on diplomatic relations, Londen, 1976. Gore Booth, Lord (ed.), Satow's guide to diplomatic practice, be ed., Londen etc., 1979. Hardy, M., Modern diplomatic law, Manchester, 1968. Sen, B., A diplomat's handbook of internationallaw and practice, 2e ed., Den Haag etc., 1979. Wilson, C. E., Diplomatic privileges and immunities, Tuscon, 1967. De Conventie van Wenen inzake Diplomatieke Relaties van 18 april 1961 tenslotte is te vinden in Tractatenblad, Jaargang 1962, nr. 101.


13

Een diplomaat zit niet alleen prettig aan rand van zwembad Wie ooit in zijn omgeving laat vallen dat hij of zij best wel diplomaat zou willen worden, kan rekenen op uiteenlopende reacties. De een heeft weinig op met het diplomatenvolk van BuitenlandseZaken. Een ander heeft verhalen gehoord over de buitengewoon zware opleiding. Anderen weten te vertellen dat je alleen met ,,kruiwagens" toegang krijgt tot het diplomatieke corps. En weer anderen zijn enthousiast, omdat de baan hun leuk lijkt, het leven van een diplomaat afwisselend is en een carrière in de Buitenlandse Dienst garant staat voor een veelvuldig verblijf buiten de landsgrenzen.

De opleiding tot diplom aat is niet eenvoudig. ehiel de L eeuw en Sam Muller, redacteuren van J8son Magazine, spraken m et enkele betrokkenen.

Jason Magazine laat al deze indianenverhalen voor wat zij zijn en ging zelf op onderzoek. Onder meer door middel van een gesprek met twee leerlingen van het "Klasje" van Buitenlandse Zaken en een gesprek met mevrouw Wolters, waarnemend hoofd van het Bureau Recrutering en Opleiding van de directie personele zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zij heeft veel te maken met de werving, selectie en opleiding van toekomstige overplaatsbare ambtenaren van BZ. Mevrouw Wolters: "BZ is eigenlijk een groot kantoor met vestigingen in het buitenland waar hard gewerkt wordt. Er wordt bepaald niet alleen prettig aan de rand van het zwembad gezeten" Jason: Wat is de wak van het bureau Recrutering en Opleiding van BZ?

Wolters: "Onze taak valt uiteen in drie onderdelen, waarvan de werving het externe element is, terwijl de selectie en opleiding de interne elementen vormen. De werving geschiedt, althans voor wat betreft de academici, door middel van contacten met de universiteiten en de door ons georganiseerde voorlichtingsdagen. Doel van de werving in het algemeen is mensen enthousiast te maken voor een loopbaan bij BZ. De selectie beslaat vele fasen en valt onder de verantwoordelijkheid van de Adviescommissie Aanstellingen, waarvan het hoofd van het bureau Recrutering en Opleiding de secreta-

De Nederlandse ambassade in Islamabad (Pakistan).

ris is. Na de selectie volgt voor de kandidaten die het toelatingsonderzoek met succes hebben doorlopen een tien maanden durende bedrijfsopleiding. De algehele coĂśrdinatie en begeleiding van deze opleiding berust bij het bureau Recrutering en Opleiding".

Selectieprocedure Kunt u aangeven waaruit die selectieprocedure precies beswat?

Wolters: "Twee maal per jaar, in het

voor- en najaar, worden geĂŻnteresseerde academici met behulp van advertenties in de grote dagbJ,aden opgeroepen sollicitatieformulieren bij ons aan te vragen. Voor mensen met een HBO-opleiding gebeurt dit een maal per jaar. Per keer komen ongeveer zeshonderd van deze standaardsollicitatieformulieren binnen, welke vergezeld dienen te gaan van diploma's en bewijsstukken van universitaire examens. Gemiddeld worden dan de beste honderd kandidaten uitgenodigd voor een gesprek. Ons bureau werkt in deze fase eigen-


14

lijk als een "eerste zeef", want in deze gesprekken bekijken wij of de sollicitant voldoende in huis heeft, voldoende geschikt is om deel te nemen aan het toelatingsonderzoek. Dit gesprek neemt ongeveer een uur in beslag en heeft onder meer tot doel de motivatie van de sollicitant naar voren te laten komen. Een ander belangrijk onderdeel van het gesprek is de kennis van het vakgebied, de buitenlandse betrekkingen. Weet de sollicitant iets af van bijvoorbeeld politieke betrekkingen, economie, geschiedenis, cultuur en de bij BZ zeer belangrijke ontwikkelingssamenwerking. In het kort: het gaat om algemene kennis, toegespitst op het werkgebied van BZ. Om even op die ontwikkelingssamenwerking terug te komen, velen beseffen niet voldoende hoe belangrijk dit element in het werk van BZ is. De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking maakt gebruik van het ambtenarenapparaat van BZ. Dat heeft automatisch tot gevolg dat wij zeer nauw betrokken zijn bij de gang van zaken op dat terrein en er dus gedegen kennis van moeten zijn. Tot slot worden de talen, Frans en Engels, getest".

Het gesprek heeft dus een beetje de sfeer van een mondeling tentamen? Wolters: "Nee, zo zou ik het niet willen karakteriseren. Wij roeren een aantal onderwerpen aan en de sollicitant moet in staat zijn daar met ons een gesprek over te voeren. Hij of zij moet laten blijken een eigen mening te kunnen vormen en bij tegengas van onze zijde die mening staande te kunnen houden. Het is duidelijk geen quiz, maar een gesprek, waarin gekeken wordt hoe iemand denkt, formuleert en zich presenteert".

en aan mensen met veld ervaring in de ontwikkelingssamenwerking. Maar alhoewel wij academici met een bepaalde opleiding prefereren, kan men hier in beginsel met een veelheid van achtergronden terecht. En dat gebeurt ook. Maar wij hebben nu eenmaal een groot aantal sollicitanten. Dus is de keus groot. Gerichtheid op buitenlandse betrekkingen en een bepaalde mate van kennis van het vakgebied worden daarom verwacht".

een economisch getint onderwerp. Voor dit laatste heeft men drie uur de tijd, waarbij de onderwerpen zodanig algemeen zijn, dat eenieder die regelmatig goed de krant leest er zeker iets over kan zeggen. Die intelligentietest is overigens geen absoluut gegeven, maar een meetpunt. Na deze fase van het toelatingsonderzoek buigt de Adviescommissie Aanstellingen zich over de resultaten en zij beslist wie doorgaat naar de mondelinge ronde".

KuntueenprofieJschetsgeven van de ideale sollicitant?

Hoeveel mensen komen hiervoor in aanmerking?

Wolters: "Zoals u waarschijnlijk al verwacht had, is deze vraag moeilijk te beantwoorden. Gezien de grote verscheidenheid aan functies die door de overplaatsbare ambtenaar van BZ vervuld dienen te worden, zoeken wij ook heel verschillende mensen. Het werk van de overplaatsbare ambtenaar - dat wordt men na het voltooien van de bedrijfsopleiding - bevat twee belangrijke componenten. Allereerst moet men op het departement in Nederland het beleid kunnen helpen vormen. Analytisch vermogen is hiervoor onontbeerlijk. Ten tweede moet men in het buitenland, op de ambassades, dit beleid kunnen helpen uitvoeren. Dat vraagt weer praktisch-operationele vaardigheden. Deze beide eigenschappen zijn van groot belang voor het goed vervullen van de opgedragen taken, maar staan niet los van zaken als algemene kennis, talenbeheersing, het in staat zijn te leven in constant veranderende werk- en woonomgevingen en daar ook plezier in te scheppen. De sollicitant moet dus beschikken over een behoorlijk aanpassings- en incasseringsvermogen, en goede sociale vaardigheden".

Wolters: "Ongeveer de helft. Ook nu moeten enkele onderdelen doorlopen worden. Allereerst wordt door de RPD een nieuwe psychologische tests afgenomen. Die verschilt van de vorige, doordat meer wordt gekeken naar de algemene geschiktheid van de kandidaat. Gelet wordt op de stabiliteit, produktiviteit en het vermogen tot samenwerking. Onderdeel hier van is ook het "assesmentcentre" bij de Rijks Psychologische Dienst. De sollicitant krijgt 's ochtends een gecompliceerde casus voorgelegd, waarover hij schriftelijk advies moet uitbrengen. Enkele uren later dient hij dat advies, ten overstaan van twee psychologen van de RPD en twee medewerkers van dit bureau in een gesimuleerde vergaderingssi tuatie te verdedigen. Doel van deze casus is na te gaan hoe de persoon met een dergelijk probleem omgaat. Besluitvaardigheid en produktiviteit zijn hierbij essentieel".

Er is keus genoeg Goed de kranten volgen In de advertenties wordt de voorkeur gegeven aan bepaalde studierichtingen. Levert het veel problemen op indien iemand niet binnen een van deze groepen valt? Wolters: "Wij hebben onder meer behoefte aan economen en internationaal gerichte juristen, aan sinologen, arabisten en slavisten. Daarnaast ook aan agrarisch -sociologen

Maar met dat eerste oriĂŤnterende gesprek is de sollicitant er nog niet? Wolters: "Nee, inderdaad niet. Na het gesprek gaan ongeveer veertig sollicitanten door naar de tweede, schriftelijke fase. Allereerst dient een intelligentietest te worden gemaakt, gevolgd door het schrijven van twee korte opstellen over een politiek en

En daarna ziet de sollicitant hetlicht aan het eind van de tunnel? Wolters: "Misschien. Er komen nu nog twee gesprekken, elk van een uur, met twee leden van de Adviescommissie Aanstellingen. Die benaderen qua sfeer het eerste gesprek. Wel vinden er dan nieuwe, uitgebreidere talentesten plaats. Frans, Engels en een derde taal". De laatste dag

Wat vormt het einde van het toelatingsonderzoek? Wolters: "Uiteindelijk is er een laatste dag, bestaande uit twee onderde-


15

willen dit aantal graag nog uitbreiden. In de volgende opleiding zitten dertien mannen en vijf vrouwen. Alhoewel dat beeld bij sommigen nog overheerst, ligt de tijd dat de Dienst Buitenlandse Zaken puur een mannenmaatschappij was al ver achter ons",

Titels en kruiwagens Zijn de krui wagens en adelijke titels uit de tijd? Wolters: "Uit de tijd".

De oprJïlaan van de Nederlandse ambassade in Washington ,

len. Ten eerste een groepsdiscussie en daarna een gesprek van een kwartier met de voltallige Adviescommissie Aanstellingen. Om met de groepsdiscussie te beginnen: de kandidaten worden onderverdeeld in groepen van zes à zeven mensen en dienen dan aan de hand van een onderwerp met elkaar te discussieren. De Adviescommissie zit erbij en neemt waar. Bij het gesprek met de voltallige Commissie kunnen vragen gesteld worden over de meest uiteenlopende onderwerpen, waardoor dit onderdeel nogal intimiderend kan overkomen. De sollicitanten zien dit dan ook als "het zweetkwartiertje". Hierna wordt aansluitend de beslissing genomen over het al dan niet aannemen van de sollicitant. In deze mondelinge ronde komen ook de referenties aan bod. Wij vragen referenties aan mensen, universitaire doc;enten of werkgevers: mensen die de sollicitant in de praktijk hebben meegemaakt. Aan goede referenties wordt veel waarde gehecht".

Kan men ook worden afgewezen vanwege "een verleden "? Met andere woorden, vindt er een antecedentenonderzoek plaats? Wolters: "Niet in deze fase van het toelatingsonderzoek. Dat gebeurt pas als besloten wordt iemand ter opleiding aan te stellen".

Hebt u ondanks die honderden aanmeldingen nog problemen op het Ullengebied, gelet op het algemene feit dat de Wenkennis achteruit gaat?

Wolters: "Ja, dat probleem speelt in toenemende mate. Aan Engels en Frans wordt veel belang gehecht. Daarnaast vragen wij de kennis van een derde taal. Het is zelf zo dat iemand die slechts één moderne taal in zijn of haar eindexamenpakket heeft gehad en die kennis nooit heeft uitgebreid, moeilijk tot de opleiding kan worden toegelaten. Een dergelijke achterstand is in tien maanden vrijwel niet meer is in te halen. Daarvoor ontbreekt tijdens de opleiding, waarin zeer veel verschillende onderwerpen aan bod komen, gewoon de tijd. Het Frans levert de meeste problemen op. Toekomstige sollicitanten wordt dan ook aangeraden, indien zij niet over voldoende talenkennis beschikken, om reeds in een vroeg stadium van hun studie aandacht te besteden aan uitbreiding van hun talenkennis".

Vindt er gedurende de selectie positieve discriminatie plaats, bij vrouwen bijvoorbeeld? En wat zijn de mogelijke beweegredenen daarvoor? Wolters: "BZ is bezig een positief actieplan op te stellen, waarmee wij nog meer vrouwen willen stimuleren bij ons te solliciteren. Wij denken dat de baan van overplaatsbaar beleidsmedewerker zeer goed door vrouwen vervuld kan worden. Wij streven ernaar om minimaal het gemiddelde van de academisch gevormde vrouwen dat zich op de arbeidsmarkt aanmeldt (ongeveer 32.8%) ook in onze opleiding te krijgen. Dat halen we meestal wel ongeveer, maar wij

Is deze sollicitatie en het daaropvolgende toelatingsonderzoek de enige manier om bij BZ te komen? Wolters: "Voor academici eigenlijk wel, tenzij wij een absolute specialist nodig hebben. Die wordt nog wel eens direkt aangetrokken, maar dan meestal op contractbasis".

Watzijn de vooruitzichten voor iemmand die door het toelatingsonderzoek heen komt? Wolters: "Eerst dus de bedrijfsopleiding, die tien maanden in beslag neemt. De opleiding bevat, dat is hierboven gebleken, een druk talenprogramma, waarin men onderwezen wordt in drie talen, Frans, Engels en een derde taal, meestal Duits, Spaans of Russisch. Daarnaast is er een aantal cursussen, te beginnen met de Leergang Buitenlandse Betrekkingen van Clingendael. Dan volgen een aantal cursussen toegespitst op de arbeidsterreinen van dit ministerie: ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten, economie, consulaire zaken en pers en culturele zaken. Ook lopen de cursisten een maand stage op een ambassade of op het departement in Den Haag en krijgen ze trainingen in sociale en communicatieve vaardigheden. Het geheel wordt afgesloten met een examen",

Wat is het algemene karakter van de opleiding? Hoe wordt deze opgezet, hoe diep gaat men op de onderwerpenin? Wolters: "De opleiding is heel breed van opzet en vele onderwerpen komen aan bod. De opzet is niet acade-


16

misch van aard, maar op de praktijk gericht. De bedoeling is primair om de kandidaten voor te bereiden op hun eerste functies in binnen- en buitenland. Na de opleiding moeten ze een zodanige basis hebben, dat zij zich gemakkelijk en snel in.'I!eel soorten functies kunnen inwerken".

In welke vorm wordt het onderwij; gegeven? En hoe is de begeleiding? Wolters: "De vorm van onderwij; verschilt per onderdeel, maar meestal wordt de klassikale vorm aangehouden. Het talenonderwij; is in kleine groepjes. Tevens zijn er studiebezoeken zoals bezoeken aan bedrijven en aan culturele instellingen. De opleiding wordt gedeeltelijk verzorgd door ambtenaren van dit ministerie en gedeeltelijk ook door docenten van buiten. De cursus economische zaken wordt verzorgd door het Ministerie van Economische Zaken. De begeleiding van de cursisten geschiedt door ons bureau. Wij houden tijdens de opleiding voortdurend contact met de cursisten en kunnen zo hun vorderingen volgen. Ook na afloop van de opleiding blijven wij ze op hun eerste plaatsing volgen".

Leergang op Clingendael Een van de onderdelen die de studenten tijdens hun bedrijfsopleiding bij Buitenlandse Zaken volgen is de "Leergang Buitenlandse Betrekkingen" (LBB) aan het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen, "Clingendael". De leergang maakt sinds 1983 deel uit van de activiteiten die op het instituut Clingendael ontplooit worden, en zal dit jaar voor de achtendertigste keer van start gaan. Om een beter beeld te krijgen van dit deel van de bedrijfsopleiding voor aspirantambtenaren van BZ interviewden wij drs. Gans, mentor van de LBB.

Jason: Waarin bestaat de relatie tussen Clingendael en Buitenlandse Zaken? Gans: "In de eerste plaats maakt BZ gebruik van de LBB voor de opleiding van zijn klasje. Daarnaast verrichtten wij hier onderzoek op het terrein van de buitenlandse betrekkingen, waar Buitenlandse Zaken ook profijt van heeft. Om deze rede-

Minister van Buitenlandse Zaken. H van den Broek.

nen geeft het ministerie een groot deel van de subsidie waarop wij draaien. Maar ook de ministeries van Defensie en Onderwij; en Wetenschappen ondersteunen ons, vanwege de cursussen en seminars die wij voor hen organiseren".

Wat is het doel van de Leergang Internationale Betrekkingen? Gans: "De Leergang is een post-doctorale opleiding en beoogt mensen inzicht te verschaffen in internationale betrekkingen als zodanig en in het bijzonder de positie die Nederland in die internationale betrekkingen inneemt. Aan het einde van de leergang moeten de cursisten in staat zijn om internationale ontwikkelingen zelfstandig te analyseren en daar conclusies uit te trekken en die positie kunnen verdedigen in woord en geschrift op een intelligente en onderbouwde manier. Dus wat wij in feite doen is het aanreiken van bouwstenen om te komen tot zo'n internationale analyse. Het is echter van belang er op te wijzen dat de LBB niet alleen gevolgd wordt door mensen die bij BZ de bedrijfsopleiding doorlopen. Er zijn ook cursisten van de overige ministeries, of mensen die studeren met een beurs van het Nuffic. Wat zij gemeen hebben is dat zij een hele brede belangstelling hebben en graag een "allrounder" willen worden".

Gastdooenten

Hoe wordt het onderwij;pakket samengesteld en wat is de rol van de docenten hierin? Gans: "Een cursusprogrammacom-

missie, onder leiding van prof. Van Staden, komt tweemaal per jaar bijeen en geeft advies omtrent het onderwij;. De commissie bestaat verder uit mensen van de Defensiestaf, het hoofd Buitenlandse Dienst en het hoofd van het bureau Werving en Selectie van BZ, een aantal docenten en iemand van het Nuffic. De commissie evalueert alle cursussen die door het instituut gegeven worden, waarna de verkregen informatie eventueel aanleiding geeft tot wijzigingen binnen het cursusprogramma. Bestaande cursussen worden zo bijgeschaafd en nieuwe elementen kunnen worden toegevoegd. De cursisten zijn over het algemeen zeer positief over hetgeen zij hier aangeboden krijgen".

Door wie wordt het onderwij; verzorgd? Gans: "Wij hebben hier een uitmuntende staf die zich met onderzoek bezighoudt en daarnaast ook les geeft. Wij maken echter ook veel gebruik van gastdocenten uit de universitaire wereld en uit het bedrijfsleven. Het gaat om mensen die op een of andere andere manier met internationale betrekkingen te maken hebben. Dus ook een advocaat die regelmatig voor het Europese Hof van Justitie pleit of een voormalig vice-voorzitter van de raad van bestuur van Philips, die veel kan vertellen over de internationale technologische samenwerking. Deze experts hoeven niet alleen uit Nederland te komen. Zo komen er docenten voor de LBB uit Bonn, Belgil! en het Verenigd Koninkrijk" .

Internationale betrekkingen worden be誰nvloed door een groot aantal factoren. Waar legt de cursus het accent op? Alleen op de internationale politieke betrekkingen tussen landen, of ook op meer economische, sociale en culturele achtergronden? Gans: "Wij werken met een soort blokkensysteem. De cursus is opgedeeld in vier blokken: internationale samenwerking; internationale economie; internationale veiligheid en als laatste landen en regio's. In deze blokken bekijken wij de materie zowel vanuit een academische invalshoek als vanuit de praktijk. Bijvoor-


17

beeld bij behandeling van de Europese integratie vragen wij mensen van BZ (Directoraat-Generaal Europese Samenwerking) om hier een college te komen houden over de beleidspraktijk. Over hoe het Nederlandse beleid ten aanzien van de Europese integratie tot stand komt, wat daarbij het spanningsveld is en welke binnen- en buitenlandse factoren daarbij een rol spelen. In zo'n blok komen alle relevante factoren aan de orde, zowel van politieke als van economische aard. In het blok landen en regio's komen de voor Nederland belangrijke landen aan de orde en de regio's waarin conflicten zich voor-

doen",

De oude, inmiddels verlaten behuizing van BZ

Bouwstenen Is het niet welhaast onmogelijk om in een tijdsbestek van slech ts drie maanden, de duur van de leergang, een complex onderwerp als internationale betrekkingen goed te behandelen? Gans: "Ja, dat is zeker waar. Je kunt moeilijk verwachten gedurende deze tijd alle onderwerpen helemaal uit te diepen. Maar je kunt de cursisten wel stenen aanreiken waarmee zij zelf hun gebouw moeten neerzetten. In plaats van stringente keuzes voor een enkel gebied, prefereren wij een goed overzicht aan te bieden".

Om terug te komen op de deelnemers van het Klasje, zijn er speciale opdrachten en aandacht voor hen? Gans: "Nee. De opdrachten van de leergang zijn voor iedereen hetzelfde. De mensen uit het Klasje krijgen natuurlijk wel extra cursussen gedurende de rest van de bedrijfsopleiding, die de anderen niet automatisch krijgen. Er is verder tijdens de leergang nauwelijks verschil in niveau tussen de deelnemers die BZ stuurt en de andere cursisten. Een verschil zit wellicht in de manier waarop de mensen de leergang volgen. Over het algemeen hebben de mensen van BZ een hoge mate van sociale vaardigheden. Hun presentatie is wat anders in discussies, tegenover docenten en de onderwijsstof. Als je echter de gemiddelde eindcijfers bekijkt, dan liggen die van de deelnemers van BZ niet veel hoger".

Hoe worden de deelnemers aan het einde van de leergang beoordeeld? Gans: "Het belangrijkste element daarin is het rollenspel. De voorbereiding begint al in de tweede week van de leergang, zodat men de gehele periode aan dit actuele onderwerp kan werken. In het rollenspel vertegenwoordigen de cursisten ieder een bepaald land en zij dienen een diplomatieke nota over het onderwerp te schrijven en deze tijdens het echte spel mondeling toe te lichten. Hiervoor is nodig dat zij onderzoek verrichten en de aldus verkregen informatie verwerken in hun nota en optreden tijdens het spel. Omdat het hier een "real time simulation" betreft moet de meest actuele informatie worden meegenomen. Het rollenspel staat onder leiding van een man uit de praktijk. De voorzitter en de onderwijsstaf van Clingendael beoordelen uiteindelijk de schriftelijke en mondelinge bijdragen van de deelnemers".

Diplomaten in spe Twee diplomaten in spe die aan de bedrijfsopleiding deelnemen zijn Rob Zaagman uit Utrecht, 31 jaar en drs. in het internationaal recht en tevens bezig zijn studie oost-europese geschiedenis af te ronden en Ernst Noorman uit Amsterdam 28 jaar, drs. in de economie.

Jason: In hoeverre zijn de studiekeuze, de vakkenpakketten en activiteiten die niet direkt met de studie te

maken hebben, van invloed geweest opjullie toekomstplannen? Hebben zij in een rechte lijn naarjullie huidige bezigheden geleid? Rob Zaagman: "Een rechte lijn? Nee, ik had wel erg vroeg het idee dat de buitenlandse betrekkingen mij trokken en dat gevoel werd sterker naarmate mijn studie vorderde. Mijn stage bij BZ heeft ook zijn invloed gehad. Maar dat mijn vakkenpakket be誰nvloed is? Nee, ik heb primair mijn interesses gevolgd". Ernst Noorman: "Hetzelfde geldt min of meer voor mij. Mijn interesses zijn altijd al internationaal gericht geweest en ik wist dat ik daarin werkzaam wilde zijn. Daar komt bij dat ontwikkelingssamenwerking in sterke mate mijn interesse heeft. Alhoewel BZ aanvankelijk slechts een van de mogelijkheden was, kom je met deze uitgangspunten toch vrij snel bij BZ terecht".

Hebben de zogenaamde nevenactiviteiten nog enige invloed op jullie selectie gehad? Ernst Noorman: "Ik denk het wel. Die nevenactiviteiten, of die zich nu binnen of buiten het traditionele studentenleven afspelen, zijn iets waar toch sterk naar gekeken wordt. Als je de mensen ziet die met ons de opleiding volgen, dan blijkt dat zij toch meer dan gemiddeld actief zijn geweest. Ik ben zelf actief geweest in de universiteitspolitiek, enkele commissietjes, een uitgeverij en heb ver-


18

der geruime tijd als kok gewerkt. Het hoeft allemaal niet zo traditioneel te zijn als men wel gelooft. Je hoeft dus ook niet lid van een studentenvereniging te zijn geweest. Rob was het weer weL Ik niet".

Indianenverhalen De selectie staat bekend om de lengte en de zwaarte. Hoe hebben jullie de toelatingsprocedure ervaren? Rob Zaagman: "Voordat ik aan de procedure begon had ik de bekende indianenverhalen gehoord. Ik besefte wel dat die overdreven waren, waar wist erg goed dat het niet gemakkelijk zou zijn. Dat klopt. Het was zwaar. Zeker in de zin, dat het je tijd sterk belast. Verder wordt het steeds spannender naarmate je verder komt, het wordt steeds meer werkelijkheid. Het eerste gesprek is mij erg goed bevallen. Het was een echt kennismakingsgesprek, waarin naast de nevenactiviteiten en de actu~le zaken ook de onderwerpen die mij interesseren aan bod kwamen. De indianenverhalen, als zou het hier een parlementaire enquĂŞte betreffen, kloppen dus niet".

Het nieuwe onderkomen van EZ in Den Haag.

En de schriftelijke fase: noemenswaardige problemen?

afvallen en dat kan dan toch beterje buurman zijn danjijzelf.

Ernst Noorman: "Bij dat schriftelijke deel heerst meer de sfeer van tijdslimieten en de stopwatch die tikt. Die essays zijn goed te doen, als je de kranten maar goed hebt bijgehouden. Het is natuurlijk wel zaak dat de manier van presenteren en de opzet, tezamen met de feitelijke gegevens die er in behoren te komen, een bepaald niveau hebben. Er worden cijfers voor gegeven. De mondelinge fase gaf voor mij meer aanleiding tot wat spanningen, niet in de laatste plaats omdat, zoals Rob al zei, het einddoel steeds meer in beeld

Toekomstige collega's

kwam". Rob Zaagman: "Voor die groepsdiscussie waren de meesten van de groep toch behoorlijk zenuwachtig. Maar het gaat er om hoe je zaken zelf ervaart, ik was meer gespannen voor de talentest".

Wordt de sfeer op den duur niet onprettiger? Je weet dat iemand moet

Ernst Noorman: " Vanaf de eerste dag dat wij naar de Rijks Psychologische Dienst moesten, heb ik alleen maar een prettige sfeer meegemaakt. Dat viel me toen al op. Het had iets van "we zitten toch allemaal in hetzelfde schuitje". Later hoorde ik dat anderen terdege beseften dat je er met potentieel toekomstige collega's zit en dat klopt natuurlijk ook".

Waarom zijn jullie door de selectie heengekomen? Ernst Noorman: "Omdat wij onze kwaliteiten in gepaste bescheidenheid hebben getoond .. . Nee, serieus, een aantal punten hebben, denk ik, voor mij gepleit. Ik had mijn studie mee en aangetoond al lange tijd interesse op het vlak van de buitenlandse betrekkingen te hebben. Wat echter in het algemeen in elke sollicitatieprocedure van belang is, is dat men-

sen je aardig (kunnen) vinden". Rob Zaagman: "Het viel mij op dat bijna iedereen een nogal groot blok internationale economische betrekkingen in zijn studie had ingepast. Gezien het feit dat BZ ook het Ministerie van Economische Zaken vertegenwoordigt en er dus veel economische verhandelingen geschreven dienen te worden, telt dat sterk mee. Ik ben het eens met wat Ernst over de acceptabele persoonlijkheid zei, dat minder grijpbare criterium telt zwaar mee. Het evalueren gebeurt trouwens niet alleen van de kant van BZ, ik heb hen ook beoordeeld. Het werkt twee kanten op".

Als laatste, de opleiding? Beiden: "Vrij zwaar. Het neemt erg veel tijd in beslag, waarbij met name de talen genoemd kunnen worden. Voor de rest geldt hetzelfde als bij andere studies, sommige onderdelen zijn heel interessant, andere minder. Maar het geheel bevalt zeer goed".


19

De Nederlandse diplomatie tussen traditie en ambitie Diplomaten zijn handelsreizigers. Zij verkopen hun land in den vreemde. Maar hoe wil een land naar de buitenwereld toe verkocht worden? Deze vraag is van belang, omdat uit de doelstellingen van het buitenlands beleid de aard en omvang van de vertegenwoordiging in het buitenland voortvloeit. Over de organisatie en het doel van het Nederlandse buitenlands beleid Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in een prachtige volzin de volgende algemene doelstelling van zijn beleid geformuleerd. "Het bevorderen van het welzijn van het Koninkrijk in zijn betrekkingen tot het buitenland en het beschermen van het Koninkrijk tegen aantasting van buitenaf, alsmede het bevorderen van een rechtvaardige wereld meer specifiek vrede en veiligheid, menselijk welzijn en menselijke waardigheid". 1) In soortgelijke stukken van het departement vindt men dezelfde sleutelbegrippen terug. In de Memorie van Toelichting bij de begroting over 1988 schrijft minister Van den Broek, dat met deze doelstellingen; vrede en veiligheid, welvaart en gerechtigheid in de wereld, zowel onze idealen als de Nederlandse belangen worden afgedekt. 2) De enige uitleg die op deze stelling volgt is de constatering, dat gerechtigheid een duurzame basis legt voor vrede en samenwerking en dat deze uitgangspunten passen in het streven naar de uiteindelijke totstandkoming van een wereldorde. Een mooi ideaal, maar ook een adequate formulering van Nederlandse belangen? Behalve op deze vraag, wil dit artikel ingaan op de organisatie en het diplomatieke personeel die dit beleid moeten dragen en de ruimte die zij hebben voor een eigen Nederlands buitenlands beleid.

Veel verwacht Van onze diplomaten wordt veel verwacht: "Vereist zijn voldoende stabiliteit en aanpassingsvermogen, actie-

Aldrik Gierveld, redactie-lid van Jason Magazine, analyseert theorie en praktijk van het Nederlandse buitenlandse beleid.

Minister voor Ontwikkelingssamenwerking Bukman, die een groot beroep doet op het ambtenarenapparaat van BZ.

gerichtheid, naast vermogen tot analyse en beschouwing, vermogen zich snel nieuwe kennis en vaardigheden eigen te maken, beschikken over sociale vaardigheden, goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands en andere talen, voldoende kennis van een aantal verschillende vakgebieden en een zodanige gezondheid dat inzet in beginsel overal ter wereld mogelijk is. In het bijzonder is nodig een grote kennis van een affiniteit met Nederland en de Nederlandse samenleving". 3) En zo gaat de nota nog even verder.

Buitenlandse Zaken biedt zijn personeel 'een loopbaan met wereldwijde perspectieven', een veeleisend beroep dat veelzijdig personeel vraagt. Het Ministerie heeft bijna 3800 medewerkers. Van dit totaal werken er bijna 1700 op het departement in Den Haag en 2100 op de 132 posten in den vreemde. Zij besteden hun tijd, volgens de ambtelijke taak van de nota, aan de volgende activiteiten; • het onderhouden van contacten en het bevorderen van samenwerking met andere staten en internationale organisaties;


20

• het bevorderen van economische en sociale groei en het uitvoeren van ontwikkelingsprogramma's; • het behartigen en beschermen van Nederlandse belangen en van belangen van Nederlanders in het buitenland; • het verzamelen van informatie over andere landen en internationale ontwikkelingen; • het verstrekken van informatie over Nederland en het geven van toelichting op het Nederlandse standpunt. 4) In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld het uitwerken van afspraken met autoriteiten in Paramaribo na het bezoek van minister Bukrnan, rapportage over het toenemende nationaliteitenprobleem in de SovjetUnie, antwoord geven op vragen uit de Tweede Kamer, ondersteuning van Nederlandse exporteurs op een internationale beurs in Sydney, het opzetten van een vaccinatieprogram ma in Opper-Egypte, het bemiddelen voor een beurs voor een student uit Togo, die naar Wageningen wil.

Veel vakgebieden Gezien de tientallen uiteenlopende werkzaamheden op vele vakgebieden, dient men zowel op de directoraten in Den Haag als op de posten in het buitenland van alle markten thuis te zijn. Van het Haagse ministerie wordt vooral een coördinerende taak ten aanzien van de totstandkomingvan het beleid verwacht, terwijl de posten zich vooral richten op de uitvoering van het buitenlands beleid. Na 1945 zijn de vertegenwoordigingen in het buitenland sterk toegenomen en gegroeid door een scala van factoren. De toename van het aantal onafhankelijke landen, het ontstaan van internationale organisaties (VN, NAVO, EG, etc.), de groei van het aantal overheidstaken en de intensivering van het internationale samenwerken (bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking) zijn de voornaamste oorzaken. Van de 132 posten met uitgezonden personeel hebben 86 de status van ambassade, de overige posten zijn zelfstandige Permanente Vertegenwoordigingen (bijvoorbeeld bij de NAVO in Brussel), delegaties en beroepsconsulaire posten. Per post werken gemiddeld zestien mensen, van

wie ongeveer de helft uitgezonden is en de andere helft lokaal is aangetrokken. De totale kosten van de vertegenwoordigingen in het buitenland bedroegen in 1987 f 342.590.000,-. Daarvan werden de personeelskosten op f 271.110.000,- begroot (uitgezonden personeel:f 224.610.000,-; lokaal f 46.500.000,-).5) Veel geld, zeker, maar daarvoor worden sjeiks in Abu Dhabi, het MITI in Tokio, de clerus in het Vaticaan, de Oeso in Parijs, de SED in Oost-Berlijn en vele anderen op de hoogte gesteld van Neerlands streven naar vrede, samenwerking en gerechtigheid. Dat mag toch iets waard zijn?

,,zacht" werkterrein Terug naar Den Haag waar men, zoals reeds gezegd, het voortouw neemt bij het formuleren van het beleid. De toenemende complexiteit van de internationale betrekkingen heeft zijn weerslag gehad op de taken en organisatie van het departement. Van oudsher hield Buitenlandse Zaken zich in hoofdzaak bezig met bilaterale politieke kwesties, vooral met betrekking tot veiligheidsvraagstukken. Gaandeweg begon het besef te dagen dat veiligheidsvraagstukken niet de enige 'issues' zijn, die op de internationale politieke agenda staan. Behalve de Oost-West-betrekking vroeg ook de Noord-Zuid-verhouding om een Haagse visie. En daarom zijn er naast de zogenaamde 'harde' politieke beleidsector moderne aandachtsvelden bijgekomen, zoals het mensenrechtenbeleid en ontwikkelingssamenwerking; de 'zachte' werkterreinen van BZ. Het spreekt vanzelf dat elke vorm van beleid (ongeacht of dit van de overheid of van een onderneming afkomstig is) één samenhangend geheel moet vormen. Het groeiend aantal werkzaamheden op meerdere terreinen bemoeilijkt de onderlinge afstemming, coördinatie en prioriteitsstelling binnen het buitenlands beleid. De departementale organisatie van BZ is hierop niet goed ingesteld. De directoraten die belast zijn met de traditionele politieke zaken, zoals Atlantisch Veiligheid en Europese Samenwerking, richten zich op het onderhouden van goede betrekkingen met andere regeringen, terwijl

de sector Internationale Samenwerking vooral het doel heeft het lot en de levensomstandigheden van andere volkeren te verbeteren. Dat dit conflicten op kan roepen moge duidelijk zijn. VanStaden concludeert: "In elk geval dient men te beseffen dat het opkomen voor de zaak van de mensenrechten en het koppelen van de ontwikkelingshulp aan bepaalde voorwaarden (bijvoorbeeld dat deze hulp ten goede komt aan de armste groepen onder de bevolking) op gespannen voet staan met de traditionele norm van nietinmenging in de interne verhoudingen van andere staten". 6)

Meerdere kapiteins Maar niet alleen de departementale organisatie van BZ kan de coördinatie in de wielen rijden, ook de ministeril!le postenverdeling geeft aanleiding tot het beeld van drie kapiteins op een schip. Naast de Minister van Buitenlandse Zaken, die weliswaar de eerste verantwoordelijkheid draagt, zijn ook de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en die van Defensie direct betrokken bij het buitenlands beleid, hetgeen met zich mee kan brengen dat ieder op zijn eigen winkel past en niemand het geheel coördineert. Voorts zijn de minister-president en de ministers van Landbouw, Financil!n, Verkeer, Milieu en Economische Zaken, steeds meer, en met name in Europees verband, betrokken bij het buitenlands beleid. De oorzaak van dit fenomeen ligt voor de hand: steeds meer traditioneel binnenlandse beleidsterreinen krijgen internationale trekken en vragen om een internationale aanpak. Het is een paradoxale ontwikkeling dat ondanks de toegenomen bevoegdheden (bijvoorbeeld op het gebied van de Europese integratie) van de Minister van Buitenlandse Zaken en de groei van zijn departement, de greep van deze bewindsman op het geheel van de buitenlandse betrekkingen is verzwakt en het primaat van BZ in het buitenlands beleid meer en meer wordt aangetast. 7) Op deelterreinen van het buitenlands beleid moet BZ in toenemende mate met de wensen van de vakministers rekening houden. Indien de beleidscoördinatie door het Ministerie niet voldoende in de hand wordt


21

De ontwikkelingssamenwerking wordt voor de Nederlandse ambtenaren in de Buitenlandse Dienst steeds belangrijker.

gehouden, kan dit ertoe leiden dat in het buitenlands beleid meerdere lijnen door elkaar gaan lopen. Om deze reden stelt VanStaden voor om het ministerschap voor Ontwikkelingssamenwerking om te zetten in een aan de Minister van Buitenlandse Zaken ondergeschikte staatssecretaris, de departementale structuur te wijzigen in drie nieuwe directoraten (Bilaterale Betrekkingen, Westelijke Samenwerking en Mondiale Samenwerking) en de coördinerende taak van de secretaris-generaal te versterken. 8)

Integratie Deze plannen heeft men bij BZ niet overgenomen. Wel is men overgegaan tot de integratie van het personeel van de Buitenlandse Dienst en van het Departement tot één Dienst Buitenlandse Zaken. Door de uitwisseling van het 'binnen-' en 'buitenpersoneel' hoopt men het verschil in werkwijze en de soms gebrekkige communicatie tussen de posten en het ministerie te verminderen. Maar wat wil het Koninkrijk der N ederlanden eigenlijk met het buitenland? En wat heeft het te willen? Op de wereldkaart is ons land nauwelijks terug te vinden. Nederland beslaat met zijn 41.000 vierkante kilometer slechts 1/3628 deel van het totale aardoppervlak. Luns pareerde deze constatering eens met de opmerking dat voor een land dat zoveel buitenland om zich heen heeft, het juist van veel belang is zich goede rekenschap te geven van zijn buitenlands beleid. 'De grootte' van een land wordt overi-

gens vooral bepaald door politieke stabiliteit, hoogte van het nationaal inkomen, militaire kracht en niet zozeer door een paar duizend kilometer woestijn meer of minder. Neemt men deze parameters in beschouwing, dan is Nederland één der sterkste staten ter wereld en moet het zich, als was het alleen maar vanwege zijn exportpositie, verkopen in het buitenland. Een samenhangend en consistent buitenlands beleid is nodig om de Nederlandse belangen te behartigen en onze stem in de wereld hoorbaar te maken. Hoewel het er op lijkt dat de plaats van Nederland in de wereld niet door Nederland maar door de wereld wordt bepaald, is het van belang de eigen speelruimte zo goed mogelijk te benutten. 9)

schappelijke processen leiden er toe dat staten voortdurend onder druk staan. Neemt men de externe machtsprocessen onder de loep waar staten aan blootgesteld zijn, dan valt een toenemende interdependentie tussen staten op. Men kan eigenlijk niet een staat op zich zelf analyseren: er is immers samenhang in de ontwikkeling tussen staten. "Een staat in enkelvoud heeft nooit bestaan, staten vormen zich in onderlinge strijd: we moeten ons altijd staten in meervoud bedenken". 10) Door het groeiende netwerk van afhankelijkheidsrelaties in de huidige wereld, zal het gedrag van staten nog meer dan voorheen op elkaar zijn afgesteld. De interne politieke situatie beïnvloedt de politieke lijn van een land eveneens. Ouderwetse theorieên van internationale betrekkingen, zoals de bekende dominotheorie ("Als de Sandinisten in Nicaragua blijven valt heel Midden-Amerika in handen van het communisme"), gaan veelal voorbij aan de interne machtsprocessen. Staten worden hierin gezien als gesloten eenheden ('black box'); de machtsconstellatie in een staat zelf neemt men niet in beschouwing. Interne ontwikkelingen zijn echter vaak van grote betekenis voor de internationale positie van een staat. Met name in staten met een democratisch politiek stelsel ligt het voor de hand, dat de binnenlandse druk een niet te verwaarlozen factor is bij de totstandkoming van het buitenlands beleid.

Staten onder druk Internationale betrekkingen zijn vooral het domein van staten. De staat is de centrale factor in de internationale gemeenschap. Binnen de rijksgrenzen is de staat de hoogste organisatievorm van het bestuur en in het verkeer met andere landen opereert de staat als voornaamste vertegenwoordiger van zijn land. Het staatsgezag op een bepaald territorium moet zich in twee opzichten kunnen handhaven. Naar de bevolking toe moet het zich rechtvaardigen op basis van de door de 'natie' ontwikkelde concepties van legitiem beleid. Naar buiten toe moet de staat zijn eigen macht effectief gebruiken om de macht van andere staten buiten haar grenzen te houden. Interne en externe politieke maat-

Onveranders beleid Na dit theoretische uitstapje zal nu eerst in worden gegaan op een aantal constanten die het Nederlandse buitenlands beleid beïnvloeden. Ons land voert volgens de meeste deskundigen een buitenlands beleid dat gekenmerkt wordt door een grote mate van continuïteit. Sommigen zijn zelfs van mening dat er al sinds de Republiek sprake is van een onveranderd beleid. De verklaring hiervoor wordt gezocht in tradities, die vooral door interne factoren worden bepaald. Voorhoeve bijvoorbeeld onderscheidt drie tradities, die in alle perioden van onze vierhonderdjarige diplomatieke geschiedenis terug te vinden zijn. 11) De maritiem-commercii!le traditie


22

Vanuit dit enorme gebouw wordt vorm gegeven aan het Nederlandse buitenlandse beleid.

wordt verklaard uit de interactie tussen geopolitieke en economische factoren en onze volksaard. Een traditie die begont in de veertiende eeuw, toen de Hollanders de stapelhandel tussen Middellandse Zee en Oostzee in handen kregen en die in de twintigste eeuw bijvoorbeeld blijkt uit de houding tegenover de Europese integratie, waar economische coĂśperatie veel meer prioriteit krijgt dan politieke samenwerking. De neutraal-afzijdige traditie kan voor een deel worden verklaard uit de maritiem-commerci!!le traditie; de handel loopt averij op door oorlogen, zeker als je land direct betrokken is bij het conflict. Deze traditie groeide naar mate de macht van de Republiek verder afbrokkelde. Na 1815 werd zij bevorderd door de onuitgesproken bescherming van het Verenigd Koninkrijk. De internationaal idealistische traditie is voortgekomen uit het door de godsdienstige stromingen bevorderde moralisme, de afkeer van machtspolitiek, het zwak ontwikkelde nationaliteitsgevoel, het handelpacifisme en het vertrouwen in verdragen die rust en orde in de internationale betrekkingen zouden brengen. De hier weergegeven volgorde geeft volgens Voorhoeve tevens de irnpor-

tantie van de tradities aan, hoewel hij meteen erkent dat ze met elkaar samenhangen en elkaar versterken. Wels daarentegen meent dat vooral de neutraal-afzijdige traditie het richtsnoer voor het Nederlandse buitenlands beleid was. 12)

Amerikaanse dominantie Scheffer heeft in een onlangs verschenen boekje en met min of meer dezelfde termen de constanten van het Nederlandse buitenlands beleid beschreven en geprobeerd aan te geven hoezeer deze tradities ook na 1945 het beleid karakteriseren. De Tweede Wereldoorlog heeft de internationale verhoudingen weliswaar totaal veranderd en geleid tot een herori!!ntering op onze positie in de wereld, maar de denkkaders die de Nederlandse 'foreign policy elite' daarbij heeft gebruikt, bleven gekenmerkt door dezelfde uitgangspunten. Anti-continentalisme, economisch pacifirne, internationale rechtsordening en morele codering zijn volgens Scheffer de essenti!!le bestanddelen geweest waarmee de twee hoofdlijnen van het Nederlandse buitenlands beleid kunnen worden aangegeven; ". .. enerzijds de ori!!ntatie op hegemoniale naties buiten het Europese continent en ander-

zijds het streven naar een depolitisering van het verkeer tussen de Europese naties". 13) De ori!!ntatie op de Engelse en, na 1945, de Amerikaanse dominantie komt vooral voort uit het idee dat de nationale belangen het beste gewaarborgd zijn door buitencontinentale macht die Nederland een zo groot mogelijke eigen bewegingsruimte verschaft. Aan het proces van Europese integratie heeft Nederland dan ook altijd een 'atlantische clausulering' gekoppeld; de prioriteit ligt bij het zekerstellen van de veiligheidspolitieke relatie met de VS. Voorhoeve (en Scheffer in mindere mate) willen met hun analyse van de Nederlandse tradities in het denken over buitenlands¡beleids duidelijk maken, dat dit beleid voor een belangrijk deel verklaard kan worden met behulp van binnenlandse factoren. Natuurlijk zijn de geografische positie, godsdienst, nationaliteitsgevoel, economische structuur en historische ervaringen van eminente betekenis voor de visie van een land op het te voeren buitenlands beleid. Deze grootheden veranderen niet van jaar tot jaar en daarom lijkt het een logische stap hierin een verklaring te vinden voor de grote continuïteit van ons buitenlands beleid.


23

en de 'achtste' zijn onnoemlijk groot.

Dezelfde weg

OORZI fTER

I\N DE RAAD De Nederlandse ministers, zoals op deze foto minister Braks, worden in onder meer Brussel terzijde gestaan door de Nederlandse permanente vertegenwoordiging.

De idee dat de Nederlandse buitenlandse politiek een resultante is van de genoemde tradities, gaat echter te ver omdat onvoldoende duidelijk wordt wat het belang van en de onderlinge verhouding tussen deze tradities is. De nadruk op tradities vertroebelt ook het beeld, omdat zo de schijn van continuïteit wordt oproepen, die in de geschiedenis vaak ver te zoeken is. Maar de 'constantentheorie' is vooral inadequaat omdat de internationale invloed op het Nederlands beleid sterk onderbelicht blijft.

Invloed buitenwereld De politici en belangengroepen die denken dat het buitenlands beleid een afgeleide is van datgene wat dagelijks op het Haagse Binnenbof gebeurt, verontachtzamen de invloed van de buitenwereld nog meer. Ons mensenrechtenbeleid ten aanzien van Zuid-Afrika, of de plaatsing van de kruisraketten hebben de hoop doen ontstaan dat Nederland via zijn buitenlands beleid als gidsland de wereld kan verbeteren. Maar voor een klein land als Nederland zijn de marges van de buitenlandse politiek erg smal. Grote verwachtingen van een beleid dat gestalte moet krijgen in een in-

ternationale context die weinig ruimte voor een eigen lijn toelaat, is veelal bij voorbaat kansloos en zal even zo vaak leiden tot teleurstellingen. "De slechts langzaam veranderende internationale configuratie van machts- en afhankelijkheidsverhoudingen discipineert op straffe van falen en verlies van politieke positie het gedrag van politici in hoge mate en leidt tot feitelijke continuïteit van het buitenlands beleid". 14) Nederland is een goed georganiseerd en welvarend land, maar zijn politieke, militaire en economische macht zijn te gering om zelfstandig een doorslaggevende invloed in de internationale verhoudingen te kunnen laten gelden. Nederland is de achtste exporteur van de wereld, Amsterdam is (nog) een belangrijk financieel centrum, Rotterdam is één der grootste havensteden; mooie gegevens voor voorlichtingsfolders over Nederland. Minister Ruding wil graag dat de 'Groep van Zeven' wordt uitgebreid tot de 'Groep van Tien'. zodat wij ook in het economisch topoverleg van de grootste industriestaten mee kunnen doen. Maar realisten weten dat onze machtsbasis daarvoor te klein is. De absolute verschillen tussen de 'eerste'

Nederland is voor zijn veiligheid en welvaart afhankelijk van een goede samenwerking met de landen van de Europese Gemeenschap en het Atlantisch bondgenootschap. De machtsbasis van ons land wordt dan ook voor een belangrijk deel gevormd door ons lidmaatschap van de EG en de NAVO. Om deze reden is de stelling gerechtvaardigd dat het Nederlands grootste belang is binnen deze organisaties een centrale rol te blijven spelen. Om dit te kunnen doen is het noodzakelijk niet te ver af te wijken van de politieke 'main stream', waar, en dat ligt eveneens voor de hand, de grootste landen de grootste invloed op hebben. De mogelijkheden om internationaal een eigen beleid te voeren worden hierdoor verder beperkt. Ingaan op de binnenlandse druk om als gidsland de wereld in te trekken is alleen verantwoord, indien de Europese en Atlantische partners dezelfde weg inslaan. De sanctie die op een 'Alleingang' staat is het verlies van geloofwaardigheid en invloed. De structurele verschuivingen in de economische en militaire machtsverdeling die de wereld sinds 1945 heeft gekend, zullen de internationale betrekkingen in komende decennia danig veranderen. De tanende macht van de VS, de sukkelende SovjetUnie, China; de ontwakende reus in het Verre Oosten, Japans economische opmars en de toenemnde integratie van Europa geven de wereld een ander aanzien. Een andere factor is de toenemende afhankelijkheid van elkaar. De thema's die de politiek beheersen krijgen steeds meer een internationaal karakter. Samenwerking tussen staten is voor de oplossing van tal van problemen noodzakelijk. De wereld begint op een 'global village' te lijken.

Europees beleid Nederland zal meer dan ooit tevoren rekening moeten gaan houden met deze internationale ontwikkelingen. En meer dan ooit zal het buitenlands beleid aansluiting moeten vinden bij de grotere verbanden waar wij deel van uitmaken; concreet de Europese Gemeenschap en de NAVO. Tradities en ideeen die eeuwen lang de lei-


24

Wapenbeheersing is een van de belangrijke onderwerpen in de buitenlandse politiek. Amerikaans-Russische ontmoetingen worden op de voet gevolgd.

draad zijn geweest voor onze kijk op de wereld, kunnen in de toekomst maar een beperkte waarde hebben. We zullen niet meer moeten streven naar een Nederlands buitenlands beleid, maar naar een Europees (en Atlantisch) buitenlands beleid. Met name voor binnenlands politiek gebruik kan het aantrekkelijk zijn fraaie idealen te etaleren en op de trom van de met traditie dorspekte, eigen identiteit te slaan. Maar op de langere termijn is een dergelijke politiek schadelijk voor onze belangen als geen aansluiting volgt door onze Europese en Atlantische bondgenoten. De Nederlandse positie wordt vooral afhankelijk van de plaats die Europa in de wereld gaat innemen. Nederland heeft zich in het verleden terughoudend en afwachtend opgesteld totdat andere staten het initiatief hadden gegrepen en wij aarzelend volgden. Gebrek aan visie zowel in het denken over het veiligheidsbeleid als over de rol van Europa was wellicht een constante die het Nederlandse buitenlands beleid het meest kenmerkte. 15) Wij zijn, om met

Scheffer te spreken, 'een tevreden natie met een wederkerend geloof in de Europese status quo'. Nederland zou werk moeten maken van vernieuwing van de internationale samenwerking en vooral in Europees verband. Kleine landen kunnen daar groot in zijn, mits ze aanvoelen waar de consensus in deze organisaties naar toe beweegt. Belgiil bijvoorbeeld, heeft dit vaak bewezen. Spaak, HarmeI en Davignon hebben plannen en initiatieven ontwikkeld die de EG en de NAVO in een nieuwe fase brachten. Nederland was, als het er op aankwam, altijd een loyale partner en een trouwe bondgenoot. Het binnenlandse politieke gekrakeel heeft de continuïteit in die lijn nooit in gevaar gebracht. Maar we hebben in het verleden te weinig oog gehad voor de veranderende internationale verhoudingen. Indien wij deze dynamiek beter in het beleid verdisconteren, zal ook de ruimte voor een eigen inbreng zich vergroten. Voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken en haar diplomaten ligt hier de grote uitdaging van de komende jaren.

Noten.

1. Ministerie van Buitenlandse Zaken, 'Notitie omvang en organisatie van de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland', 's-Gravenhage 1987, blz. 3.

2. Ministerie van Buitenlandse Zaken, 'Rijksbegroting voor het jaar 1988', 's-Gravenhage 1987, blz. 4. 3. Ministerie van Buitenlandse Zaken, 'Notitie omvang .. .. buitenland ', blz. 12.

4. Ministerie van Buitenlandse Zaken, 'Notitie omvang ... . buitenland ', blz. 3 en 4. 5. Ministerie van Buitenlandse Zaken, 'Notitie omvang ... . buitenland ', blz. 14 en 17. 6. A. van Staden, 'Consistentie en beleidscoördinatie' in ; 'Lijn in de buitenlandse eolitiek van Nederland'. Instituut Clingendael, s-G ravenhage

1984. blz. 85. 7. A. van Staden, 'Consistentie en beleidscoördinatie' , blz. 79. 8. A. van Staden, 'Consistentie en beleidscoördinat ie', blz. 87. Zie ook P .R. Baehr, 'De zorg voor mensenrechten in het Nederlandse buitenlandse beleid ' in 'Dezer jaren' (Heldringbundel), Baarn 1982, blz. 113 en 114. 9. Vergelijk met H. A. Schaper, 'De gesch iedenis als wapenkamer' in; 'Lijn in de buitenlandse politièk van Nederland ', Instituut Clingendael, 'sG ravenhage 1984, blz. 29. 10. G. van Benthem van den Bergh , 'De staat van geweld'. Amsterdam 1980, blz. 97. 11. J. J . C. Voorhoeve, 'Peace, profits and principies', 's-Gravenhage 1979, blz. 42 tl m 54. 12. C. B. Wels, 'AJoofness and Neutrality', Utrecht

1982, blz. 15. 13. P. Scheffer, 'Een tevreden natie', Amsterdam 1988, blz. 27. 14. K. Koch , 'Continuïteit en binnenlandse druk' in; 'Lijn in de buitenlandse politiek van Nederland', Instituut Clingendael, 's-Gravenhage 1984, blz. 69 en 70. 15. H. A. Schaper, 'De gesch iedenis als wapenkamer', blz. 44. .


25

Bij de diplomatie gaat het om de manier waarop je het zegt Mr. L. J. Brinkhorst, ex-staatssecretaris van Buitenlandse

Zaken en tegenwoordig DirecteU1"'Generaal van de Europese Commissie voor Milieuzaken, Conswnentenbelangen en nucleaire veiligheid te Brussel, was in de jaren 1982-1986 ambassadeur van de EG in Japan. Jason sprak met hem over het nut en de toekomst van internationale organisaties en diplomatie.

gingen beeft ondernomen het bedrijfsleven uit de verschillende lidst:Jten te koppelen, onder andere door het instellen van de EBC (European Business Council). Was dit samenbrengen van het Europese bedrijfsleven een hoofdt:Jak van de EG-delegatie in Tokyo?

Jason: Bij een één-st:Jat vertegenwoordigende diplomatieke post ligt veelal het accent op de politieke en sociaal-culturele belangenbehartiging. Zijn de structuren en werkwijzen van een externe EG-delegatie hiermee vergelijkbaar? Brinkhorst: "Ik denk dat je bij het werken onderscheid moet maken tussen het beïnvloeden van processen - dat is vooral een zaak van de EG - en het volgen van een vaste structuur, zoals dat door nationale ambassades gebeurt. De lidstaten apart kunnen betrekkelijk weinig invloed uitoefenen op de bredere processen die vandaag de dag in de wereld plaatsvinden. Te denken valt hierbij aan het schulden vraagstuk, de internationale handelsbetrekkingen en bijvoorbeeld ook de monetaire problematiek. Omgekeerd is de EG, misschien juist dank zij het niet bezitten van vaste structuren, wèl in staat processen te beïnvloeden". Kunt u een voorbeeld noemen van een door de EG-delegatie in Japan befnvloed proces? Brinkhorst: "In de jaren dat ik in Tokyo zat heeft mijn delegatie zich vooral toegespitst op de economische handelspolitiek en monetaire vraagstuken en op de wetenschappelijke samenwerking. Op elk van deze gebieden hadden wij een inhoudelijk sterkere inbreng dan veel van de nationale ambassades. De Nederlandse ambassade bijvoorbeeld had in tegenstelling tot ons geen financit!le attaché. In het tweede financit!le land

Een van de bekendste Nederlandse diplomaten is ongetwijfeld mr. L. J. Brinkhorst. Chiel de Leeuw sprak namens Jason Magazine met de voormalig staatssecretaris, EG-ambassadeur en thans hoge EG-ambtenaar.

Mr. L. Brinkhorst.

van de wereld konden wij als EG daardoor zeer nuttig zijn. Aan de andere kant hebben wij, hoe spijtig ik dat persoonlijk ook vind, weinig aan buitenlandse politiek gedaan. Traditionele ambassades rapporteren veel over politieke ontwikkelingen. Maar de EG is op dat punt vooral toegespitst op de economische problematiek. Daar liggen immers ook de grootste problemen met Japan! Politiek hebben wij nauwelijks problemen met Japan. Het is een democratie en heeft zitting in veel internationale verbanden, waarvan ook wij deel uitmaken. Het grote probleem is de onevenwichtigheid van de economische en industrit!le structuur in Japan enerzijds en Europa anderzijds".

Bedrijfsleven Dit uw boek:"Een Europeaan in Japan " blijkt dat uw delegatie veel po-

Brinkhorst: "Wij hadden in feite drie hoofdtaken. Ten eerste natuurlijk het vertegenwoordigen van de Gemeenschap in Japan. Daarin past het onderhandelen over de werderzijdse toelating van produkten. Ten tweede het overleg met de lidstaten, het informeren en het betrekken van deze bij het EG-beleid. Ten derde het organiseren van de maatschappelijke contacten teneinde de Gemeenschap te versterken. Daarbij hoort ook wat u zojuist noemde: het samenwerken met de Kamers van Koophandel. In Tokyo hebben wij een soort Europese Kamer van Koophandel opgericht: de EBC, om betere onderhandelingen te kunnen voeren met de Japanners". Erkenden de Japanners de EG-delegatie ook feitelijk als een diplomatieke afvaardiging? Brinkhorst: "De EG-delegatie in Tokyo heeft een officit!le diplomatieke status en is dus beslist niet een één of ander inlichtingenbureau! De houding van Japan ten aanzien van de EG-delegatie hangt veel eerder af van wat de delegatie kan vertegenwoordigen. De prestaties van de EGambassades bepalen uiteindelijk hoe men in de wereld tegenover onze de-


26

zijn Japanners het tegenovergestelde van Nederlanders: wij willen moraliseren en uitdragen hoe het er bij ons aan toegaat. Japanners zouden wat meer naar Europeanen moeten luisteren en omgekeerd".

Japanse behoefte Zou Europa gebruik moeten maken van de handelsconflicten tussen de VSenJapan?

Mr. L. Brinkhorst, toen hij nog Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken was, in gesprek met de Fransman Cheysson.

legaties staat. Vooral in Japan geldt: hoe meer machtsmiddelen de EGdelegatie heeft, hoe serieuzer zij wordt genomen. In de toekomst zal ongetwijfeld het belang van de EGpost in Tokyo toenemen, daar 1992 steeds naderbij komt. Ook de individuele lidstaten waren, gelijk de Japanners, in het begin nogal sceptisch ten aanzien van onze delegatie. Na enkele jaren echter realiseerden ook zij, dat de lidstaten op zich op onder andere op het gebied van handel en industrie, minder tot stand kunnen brengen dan de EG".

de Europese markt, wil het voldoende ontwikkelen. Nee, het Europese bedrijfsleven moet een verstandige economische politiek ontwikkelen om zodoende delen van de Japanse markt te veroveren. Strategisch ben je in het nadeel, als je de Japanse markt over laat aan de Japanners zelf en slechts oog hebt voor de eigen

Verenigd Europa

Brinkhorst: "Dat is het resultaat van voorgenoemde. Wij zijn in Europa reuze Euro-cent:risch. Drie à vier eeuwen lang was Europa het centrum van de wereld. Op het gebied van technologie, zending, cultuur en kolonialisme voerde Europa tot voor kort de boventoon. Daar is nu verandering in gekomen. Zo denken wij nog steeds dat het moeilijker is voor ons Japans te leren, dan dat het voor Japanners is om Engels te leren. Maar in feite moeten Japanners zich meer inspanningen getroosten voor het leren van vreemde talen dan wij. Als parallel over de opmerking omtrent de Europese defensieve opstelling: wij weten veel minder van de Japanse samenleving dan de Japanners van de onze. Dat probleem moet ook van Japanse kant worden aangepakt. Japanners hebben de eigenschap veel te nemen en te informeren, maar weinig te geven. In feite

De Europese delegaties zijn het

machtigst wanneer zij één verenigigd Europa zouden vertegenwoordigen. Heeft het u veel moeite gek05t de Japanners ervan te overtuigen, dat een economische en maatschappelijke eenheid van Europa aanstaande is? Brinkhorst: "Dit is de kernzaak! Zodra Japan ziet dat de EG zich, gelijk de VS en China, met één gezicht presenteert, zal zij haar politiek daarop aanpassen en zal de EG veel serieuzer worden genomen. Als eenheid tenslotte is de EG dé handelspartner van de wereld, met een markt van 320.000.000 inwoners. Europa stelt zich nu nog te defensief op. Nimmer heeft een land een oorlog gewonnen op eigen terrein. Europa moet zich niet consequent blind staren op het weren van Japanse produkten van

markt",

Een veel gehoorde kritiek op het Europese bedrijfsleven is dat het zich te weinig zou inleven in niet-Europese samenlevingen?

Brinkhorst: "Wij hebben allen profijt van het huidige open internationale economische systeem. Amerika, Japan en Europa moeten samen een evenwichtige bijdrage leveren, waardoor de sociaal-economische orde niet in een spiraal naar beneden komt. In dat kader is de as EuropaJapan sterk onderontwikkeld, vergeleken met de as Amerika-Japan en Amerika-Europa. Het valt mij dan ook op dat Europa zich dikwijls te gemakkelijk achter Amerikaanse klachten verschuilt en die vaak als alibi voor het eigen handelen aanwendt. Daarmee wordt te weinig ingespeeld op de behoefte van de Japanners, die zelf graag een zekere diversificatie willen hebben en niet alleen met de Amerikanen wensen te onderhandelen. Belangrijk hierbij is wel of Europa zich openstelt voor Japan. Het is tenslotte een feit dat van de grote technologische-industriële projecten de keuze van Japan immer gaat tussen Amerika en Europa. Een Airbus of een Boeing; een Amerikaanse satelliet of een Europeseetc".

Om uiteindelijk eerste keus van de Japanners te zijn, is het voor Europa zaak zich goed te presenteren. Op wat voor wijze voerde u onderhandelingen met de Japanners? Brinkhorst: "Je kunt in Japan niet w opereren als in bijvoorbeeld de Bondsrepubliek of Frankrijk. Het is zo'n andere samenleving, dat een ieder er wel een cultuurschok oploopt. De cultuurschok is echter niet z6 groot, dat het onmogelijk wordt om tot onderhandelingen te komen. Het is daarbij zaak om goed de oren open te houden en naar de lichaams-taal te luisteren: hun reacties zijn veelal anders dan de onze".


27

Na Japan is de Europese Gemeenschap - op de foto de gebouwen in Straatsburg - het nieuwe werkterrein van mr. Brinkhorst.

Is het voor een diplomaat een vereiste zich goed in te leven in de maatschappij waarin hijgeaccrediteerd wordt? Brinkhorst: "Jazeker, want de essentii!le funktie van een diplomaat is om gehoor te krijgen voor zijn verlangens. Dat lukt alleen indien hij de ander kan overtuigen van hun belang met hem tot overeenstemming te komen. Dat betekent dus weer, dat je eerst moet luisteren naar wat hun belangen zijn, om te zien of jouw benaderingswijze daarin past. Indien je alleen met de vuist op tafel slaat, terwijlje niet eens machtsmiddelen hebt - Europa heeft geen machtsmiddelen -dan zijn de Japanners niet snel ge誰mponeerd. Dan vind je al snel een gesloten deur. Het is dus het

ABC van de diplomatie dat je luistert naar de tegenpartij".

Opleiding diplomaten Wordt daar naar uw oordeel in het " Klasje" voldoende rekening mee gehouden? Wat is in het algemeen uw oordeel over de scholing van diplomaten? Brinkhorst: "Ik heb jaren colleges gegeven in het Klasje en zal dus de laatste zijn die h~t Klasje negatief beoordeelt! In elk land krijgen diplomaten, alvorens zij in de Buitenlandse Dienst terecht komen, een degelijke training. Maar geen enkele training is beter dan de praktijk. Ik ken diplomaten die na dertig jaar optre-

den in de Buitenlandse Dienst catastrofaal handelen: ik ken er ook die na vijf jaar meer presteren dan hun voorganger, die er al een lange lOO~ baan op heeft zitten. Een behoorli' e vooropleiding is noodzakelijk. 00 het informeren en trachten te weten te komen wat de mensen van andere samenlevingen bezighoudt is uiterst belangrijk. Het verzamelen van gegevens is vooral van belang om te weten te komen wat de belangen zijn van anderen. In funktie daarvan kun je proberen de eigen belangen te verwezenlijken".

Hoe was de relatie van uwambassade met de Nederlandse? Brinkhorst: "Een ieder speelt een


28

eigen rol. Het bevorderen van het algemene raamwerk binnen de internationale betrekkingen behoorde specifiek toe aan mijn delegatie. Dit brengt met zich mee dat geregeld overleg met de lidstaten noodzakelijk was. Ik heb drie Nederlandse ambassadeurs meegemaakt en ik moet zeggen: met alle drie heb ik een meer dan goede relatie gehad".

Hoeveel externe EG-delegaties bestaan er momenteel? Brinkhorst: "Ongeveer negentig stuks, sinds begin dit jaar een samensmelting heeft plaatsgevonden van diplomatieke en ontwikkelingsposten. Dat heeft als gevolg gehad dat met name in Afrika en Zuid-Amerika de externe EG-delegaties zich vooral bezighouden met ontwikkelingsprojecten. De EG is dus vrijwel in de hele wereld vertegenwoordigd, in China is dit jaar een post geopend en volgend jaar volgen Korea en de Golfstaten. Er bestaat dus nu een echt Europees corps van diploma-

Mr. L. Brinkhorst.

ten",

een betere taakverdeling komen".

Hoe zijn de resultaten tot dusver? Is de externe EG-beleidsvorming

Brinkhorst: "Goed. Het meest recente succes is de erkenning van de EG door de COMECON en de daaruit volgende bilaterale. Ik voorspel dan ook een EG-post in het Oostblok, waarschijnlijk binnen vijf jaar. Gemeten aan deze voorbeelden kan je gerust stellen dat de diplomatieke rol van de Gemeenschap een succes is. In functie tot de interne markt zal het tot een steeds betere samenwerking komen binnen de Gemeenschap; met als gevolg dat het EG-beleid beter uit te dragen is wat de positie van de EG weer zal versterken. De toekomst zie ik dus optimistisch tegemoet. Er zal meer inhoud worden gegeven aan de externe EG-

posten". Met als gevolg dat vele nationale ambassades kunnen worden gesloten?Dit is toch ook financieel zeer aangenaam? Brinkhorst: "Zo ver zijn we nog niet. De nationale trots en de nationale belangen op korte termijn staan nog te veel in de weg. Op den duur is het echter wel onvermijdelijk dat we tot

ook onderhevig aan nationale belangen? Brinkhorst: "Gelukkig is het tot dusver zo, dat de buitenlandse politieke postenverdeling van de EG buiten de verdeling over de lidstaten is gebleven. Het is wel noodzakelijk dat er veel gewisseld wordt van nationaliteit per funktie. Gereserveerde domeinen moeten worden tegengegaan".

Olie in de machlne De Japanse samenleving is een compleet andere samenleving als de Europese. Heeft het u wel eens moeite gekost zich in te houden bij het horen of zien van enkele minder fraaie Japanse praktijken? Ik doel hierbij bijvoorbeeld op het a-sociale gedrag van de Japanners met betrekking tot de toelating van bootvluchtelingen en de wel zeer geringe bijdrage van Japan aan de ontwikkelingshulp. Brinkhorst: "De Fransen hebben hiervoor een prachtige uitdrukking: "C'est Ie ton qui fait la musique":

"Het hangt af van de manier waarop je iets zegt." Je kunt de meest scherpe dingen tegen mensen zeggen zonder hen openlijk te kwetsen. Het hangt af van het kader waarin je optreedt: in een offici!!le vergadering moet je nooit iemand meedogenloos de waarheid vertellen. Het hangt ook af van de wijze van presenteren en de manier waarop je de betrokkene hebt leren kennen. Vooral Japanners hebben een vreselijke hekel aan gezichtsverlies. Je moet altijd de juiste tijd en de juiste plaats vinden: elke boodschap heeft zijn eigen formule" .

Wat is algemeen het nut van de relatie diplomatie en internationale organisaties? Brinkhorst: "Het is de olie in de machine. De aard van de diplomatie is daarnaast enorm veranderd door de jaren heen.

Wat trekt u persoonlijk zozeer in de diplomatie? Brinkhorst: "Het is het boeiende geheel van enerzijds het eigen maken van een wildvreemde cultuur en anderzijds het uitdragen van de eigen cultuur, in mijn geval: de Europese".


WAT IS JASON Jason is in 1975 opgericht door een aantal jongeren om te voorzien in een duidelijke behoefte van jongeren aan evenwichtige informatie over internationale vraagstukken. Jason is niet gebonden aan enige politieke partij en heeft geen levensbeschouwelijke grondslag. J ason informeert op twee manieren. Ten eerste door de uitgifte van dit blad, dat eens per twee maanden verschijnt. In elk nummer staat een internationaal-politiek thema centraal. Recente thema's waren China, vluchtelingen, internationale wapenhandel en buitenlandse correspondenten in Nederland . Ten tweede informeert Jason door het organiseren van tal van activiteiten, zoals conferenties, debatten, lezingen, studiedagen, simulatiespelen, uitwisselingen en de buitenland-borrel. De activiteiten van Jason hebben veel belangstelling gekregen van jongeren, maar ook van de nationale en regionale pers. Voor wie een meer compleet overzicht wenst van de activiteiten van Jason ligt op het secretariaat van Jason informatie-materiaal gereed.

Voor nadere informatie kun je ook de volgende contactpersonen bellen: Amsterdam: Madeleine de Bree 020-837104. Delft: Steven Kroon, 015-126765. Den Helder: Allard Wagemaker. 02230-32519. Den Helder: Pieter Blank, 02230-31224. Eindhoven: Robert van den Heuvel , 040-833147. Groningen: Patricia Alma. 050-146348. Leiden: Henri-Paul Schreinemachers, 071-120236. Utrecht: Yvonne Abrahamsen, 030-430897. Utrecht: Petra van Hilst, 030-733327. Tilburg: Hakky Raymakers, 013-433200. Nijmegen: Bart Driessen, 080-241051. Nijenrode: Jan Hein Alfrink. 03462-65857.

r--------------------------------------------------------------------------88 /4 Ik abonneer mij hierbij op Jason Magazine en ontvang tegen betali ng van f 30.- zes nummers in de komende twaalf maanden.

Naam: Adres: Postcode/Woonplaats:............................... :.. ... .... .. ...... .... ............ ... . Telefoon: ........................................... ............................... .......... . (U wordt verzocht te wachten met betaling totdat u een acceptgirokaart wordt toegezonden)


INDEXJASON 1987

(interview)

87 /5. Berlijn: Voor eens en altijd verdeeld?

(interview)

Willem Me/ehing:

Interview: Dick Ko/ster: Ma.1rten Huyink: ehiel de Leeuw.

Berlijn van hoofdstad tot zone·stad: 1937-1987. "Cultuurexport geen smeerm iddel" , Duitse rol in Europa: rrontèn brug tussen Oost en West. Duits vraagstuk is primair een liberaliseringsprobleem. "De Muur is geen hindernis voor onze wil om één stad te zijn",

87 / 6. VAN ONZE CORRESPONDENT IN...

Interview H. v.d Broek: "Erg blij dat er een doorbraak is" . Interview Philip Freriks:"Enorme luxe om correspondent te zijn". Interview Peter Bock: "Nederland is eigenlijk mijn hobby". Interview Haye Thomas: "C root-Brittanniê is niet Europees". I fIIerview Sergei Melnikov: "Perestrojka? Benny Hili op Russische tv~" Interview J oop V.1n Os: "Ik snoepte het nieuws voor ieders neus weg". Interview SyJvain Ephimem'o: "Nederland is journalistieke goudmijn".

88/1. INF-AKKOORD: GESCHIEDENIS VAN DE TOEKOMST. Dr. Hylke Tromp:

INF -akkoord: triomf. nederlaag. misverstand of echt keerpunt? Interview Siccama: "INF-akkoord is ronduit slecht en brengt Europa in gevaar". Prof. Yuri Davydov: Hel INF-verdrag nu en in de toekomst. M. Faber en G. Berkhol'Het succes van de v redesbeweging en Reagan als een "super-Faber", Interview prof. LatllfJlers: "INF-akkoord is een resultaat van interne zwakte va n Amerika". Toch nog een toekomst voor de Europese Drs, R. Vierhout: Defensie Gemeenschap?

88/2. Milieu en de verdrukking. Ad Melkert: (interview)

"Elke menselijke activiteit aanslag op milieu".

Dhr. Berent:

"Milieuwetgeving EG mag wel strenger worden",

Mr. S. Lederer:

J . van Huizen: (interview)

Prof. Th.G. Drupsteen:

"Beter milieu-onderw ijs noodzaak voor Europa", "Groter"' milieu-bewustzijn gevolg acties Greenpeace" "Op het terrein van milieurecht nog veel te

doen" . Hans Schmit: (interview)

"Toekomstbeeld Nederland: si naasappelbomen in polder.

5.J.Tromp:

Milieuvervuiling heeft ingrijpende medische gevolgen.

Dr. A. Wiggers:

"Bed rijven hebben heden wel degelijk oog voor milieu".

(inlt1rvit!w)

M. Kraanen ell A. Krijger:

Reportage over Hoechst: bedrijven. overheid en milieu.

88/3. Noord-Ierland: Toekomst ronder toekomst? $am Mu/Jer:

Verlammend verleden houdt Noord-Ierland diep verdeeld.

Ale.... Krijger:

Noord -Ierland arme uithoek van Europese Gemeenschap.

Brian 8ennet: (interview)

"Zolang er geweld is. blijven de troepen in Noord-Ierland".

J . T.1yJor: (interview)

"Geweld van de IRA versterkt positie van de protestanten" .

Anton Seelen: (interview)

.. Britten moeten goedschiks of kwaadschiks weg uit Ierland ".

Frits Beutick: (interview)

"Jongeren naar Nederland halen om elkaar ec ht te leren kennen".

AI/an Reeve: (interview)

"Het is altijd geoorloofd om RUe-leden dood te schieten '.

._----------------------------------_._-------------------------------------, Kan ongefr. verzonden worden.

JASON ANTWOORDNUMMER 2187 2501 WBDENHAAG

Profile for Stichting Jason

Jason magazine (1988), jaargang 13 nummer 4  

Jason magazine (1988), jaargang 13 nummer 4  

Advertisement