Issuu on Google+

P.B. /P.P. 2/111 3000 Leuven mail  p802021. Afgiftekantoor 3000 Leuven mail

V.U. Koenraad De Meulder, Zirkstraat 36, B-2000 Antwerpen // coverfoto © Koenraad De Meulder

stemband #4 Driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem vzwjaargang 7, 10 2009 > 01 2010, NR 4

1 // stemband


// genre

inhoud 1 WIE IS VOCA? Profiel van een koorzanger 4 DUBBELINTERVIEW Kamiel Cooremans en Luc Anthonis 7 10 TIPS voor een dynamische koorwerking 8 ‘IS KOORZANG TE SAAI?’ Jos Decloedt 10 BINNEN BIJ... Sabine Haenebalcke 14 MEESTERS De koormuziek van Edgar Tinel 16 LITURGISCHE MUZIEK Prima le parole, poi la musica (2) 18 CD 19 CONCERT 21 COLUMN Vic Nees

Even dit… Confrontatie of dialoog In de kwaliteitskrant ‘La Libre’ verscheen op 4 augustus 2009 een merkwaardig artikel van Charlotte Messiaen met de titel ‘Le chant choral se meurt’. De auteur schiet op alles wat rond de koorwereld beweegt en zij is daarbij ongemeen scherp. De politiek zou niet geïnteresseerd zijn in koorwerking. Professionele muzikanten zouden zich niet meer willen engageren voor amateurzangers. Meer nog: amateurdirigenten zouden door hun incompetentie de zaak alleen maar erger maken. Haar woordgebruik is gewoonweg vijandig: “La plupart du temps, ce sont donc des chefs amateurs, sympathiques, dévoués et très incompétents qui dirigent les chœurs amateurs et le résultat est que souvent nos chœurs chantent faux, sans vocalité et sans style. Et ne s’en rendent même pas compte.” Voor onze Waalse collega-muzikanten en dirigenten moeten deze mokerslagen bijzonder hard aankomen. Met dergelijke bikkelharde stellingen kom je natuurlijk geen stap verder en demotiveer je bovendien iedereen die zich wil engageren voor het koorleven. Zonder een stevig netwerk van gemotiveerde musici, docenten, amateurdirigenten, bestuursleden en uiteraard ook zangers is een succesvolle en bloeiende koorwerking onmogelijk. De vaststelling dat er in Wallonië nog nauwelijks sprake is van een echte koorcultuur is wellicht zwaar overtrokken: “Aujourd’hui, il n’y a plus, dans toute la Communauté française, au niveau des groupes de jeunes ayant un bon niveau musical, que deux (ou trois ?) chœurs d’enfants, trois chœurs de jeunes filles, et quatre ou cinq chœurs mixtes.” Je hoeft de website van A Coeur Joie maar even te consulteren om vast te stellen dat dit beeld niet overeenkomt met de situatie in Wallonië. Is die Waalse werkelijkheid anders dan de Vlaamse? In onze analyse van de koorwereld en bij het formuleren van oplossingen ontdekken we heel wat parallellen tussen Wallonië en Vlaanderen. Ook in dit artikel wijst de auteur op het gevaar van de vergrijzing van de koorwereld. Zij merkt eveneens op dat er een diepe generatiekloof is gegroeid tussen koorwereld en de jongeren van vandaag. De oplossingen die de auteur ziet om het tij te doen keren, konden evengoed binnen de Vlaamse context geschreven zijn: herwaardering van de zangcultuur in het leerplicht onderwijs, muzikale vorming van leerkrachten, ruimte voor de werking van schoolkoren, aandacht voor koorcultuur in de media, enz. Dit nummer van Stemband is volledig gewijd aan deze problematiek. Koor&Stem pakt deze discussie aan in een open dialoog en vanuit een constructieve houding. ^ KOENRAAD DE MEULDER // Directeur Koor&Stem

2 // stemband


// PROFIEL VAN EEN KOORZANGER

Profiel van een koorzanger Wie is Voca? ‘Meten is weten’ hebben ze bij het Forum voor Amateurkunsten gedacht toen zij aan de UGent en de VUB opdracht gaven om een onderzoek uit te voeren naar de amateurkunstbeoefening in Vlaanderen. Het is immers niet voldoende om zomaar te stellen dat beoefening van amateurkunst de verzuring van onze samenleving tegengaat of de sociale cohesie bevordert, je moet dat ook kunnen hard maken met naakte cijfers. Met het rapport ‘Amateurkunsten in beeld gebracht’ beschikken de amateurkunsten over die cijfers. De resultaten van het bevolkingsonderzoek en het ledenonderzoek worden op   1 december a.s. bekend gemaakt op een studiedag in Brussel. De redactie van Stemband kreeg de kans om vooraf de resultaten van het bevolkingsonderzoek in te kijken en was natuurlijk vooral geïnteresseerd in de cijfers over de mensen die zingen of actief zijn in de koorwereld. In dit artikel brengen we de belangrijkste punten uit dat onderzoek onder de aandacht. De resultaten van het ledenonderzoek houden we voor een volgende bijdrage.

In de verschillende deelgebieden zijn vooral jonge amateurs (- 18 jaar) actief, wat het sterkst opvalt in de disciplines muziek en theater. In de meeste disciplines zijn vrouwen ruim in de meerderheid in vergelijking met de totale bevolking. Dat valt bijzonder op in de beeldende kunst, zang, dans en schrijven. Verder blijkt die amateurkunstenaar overwegend te behoren tot de hoogopgeleiden en zijn die actief in leidinggevende functies. Mensen met een lagere opleiding (lager secundair en secundair onderwijs) vinden hun weg naar de amateurkunsten moeilijk of niet. Ten slotte weten we ook nog dat mensen die actief zijn in deze sectoren veelal een culturele studieachtergrond hebben.

4 op 10 Vlamingen zijn amateurkunstenaars Het bevolkingsonderzoek omvatte een schriftelijke bevraging van een willekeurige steekproef uit het Rijksregister bij een representatief staal van de Vlaamse bevolking. De onderzoekers vroegen de medewerking van in het totaal 2.253 personen, waarbij ze uiteraard rekening hielden met een evenwichtige verdeling naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau. Uit het onderzoek blijkt dat 37% van de Vlamingen van 14 jaar en ouder minstens één creatieve hobby beoefent en dat meer dan één vierde daarvan dat doet op een regelmatige basis. Meer dan helft van de mensen die op het moment van het onderzoek niet cultureel actief waren, bleek in het verleden wel een culturele hobby beoefend te hebben. De amateurkunsten zitten met andere woorden heel diep   verweven in het sociaal en cultureel leven in Vlaanderen.   De sector amateurkunsten is een indrukwekend netwerk van mensen die zich creatief willen uiten.

regelmatige beoefenaar   van een creatieve hobby

27,4 %

occasionele beoefenaar   van een creatieve hobby

9,4 %

Vroeger een creatieve hobby   beoefend, nu niet meer

33,9 %

nooit een creatieve hobby   beoefend

29,2 %

Amateurkunsten in Vlaanderen 37 % van de Vlamingen van 14 jaar en ouder beoefent minstens één creatieve hobby. Slechts een minderheid van de Vlamingen (29,2 %) beoefende nooit een creatieve hobby.

Amateurkunstenaar versus zanger Nu we weten dat bijna 4 op 10 Vlamingen actief zijn in de   amateurkunsten, is het ook nuttig om wat meer informatie te hebben over het profiel van die amateurkunstenaar!  

14-17 j

64,3 %

18-34 j

39,9 %

35-54 j

23,2 %

55-65 j

20,8 %

65+ j

11,9 %

De beoefening van amateurkunst is duidelijk leeftijd- & gelachtsgebonden 32 % van de vrouwen beoefent op regelmatige basis een culturele hobby, terwijl dit voor de mannen slechts voor 23 % geldt.

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 1


// PROFIEL VAN EEN KOORZANGER

alleen

64,3 %

club, vereniging of band

39,9 %

hobby in het deeltijds   kunstonderwijs

23,2 %

opleiding of cursus buiten het deeltijds kunstonderwijs

20,8 %

samen met vrienden

11,9 %

merk op dat een groot deel van de amateurkunstenaars actief

Uit het onderzoek blijkt dat het profiel van de amateurkunstenaars in grote mate overeenkomst met dat van de zanger.   Toch zijn er kleine verschillen merkbaar. In de koorwereld (groep georganiseerde zangers) ligt het aandeel van jongeren beduidend lager dan in andere disciplines: 16 % zangers in de leeftijd van 18 tot 34 jaar in vergelijking met bijvoorbeeld 37,5 % voor de instrumentale wereld of 29,2 % voor de dansers 1. In vergelijking met andere disciplines ligt ook het aantal schoolgaanden in de koorwereld beduidend lager.   In de koorwereld is dan weer de leeftijdscategorie van 55 tot 64 jaar sterker vertegenwoordigd. Het valt op dat de verschillen opnieuw nivelleren voor de leeftijdscategorie van +65. Dat vrouwen veel meer aanwezig zijn in de koorwereld weet iedereen die op zoek is naar tenoren of bassen. Die oververtegenwoordiging is in verhouding tot andere disciplines niet echt groter. Dat het mannentekort zich in de koorwereld meer laat voelen dan in andere sectoren, heeft natuurlijk alles te maken met de noodzakelijk evenwichtige samenstelling van een gemengd koor. Een sopraan kan je bezwaarlijk de baspartij laten zingen.

Waarom kiezen voor amateurkunst of zang? Waarom profileert iemand zich als amateurkunstenaar? Waarom wil iemand plots gaan zingen, dansen of tekenen? Mensen willen voornamelijk met amateurkunsten beginnen omdat ze in hun vrije tijd creatief bezig willen zijn. De introducerende rol van vrienden en de kans om nieuwe mensen te ontmoeten spelen bij die keuze natuurlijk ook in belangrijke mate mee. Wat opvalt is de rol van de school en de ouders. Ongeveer een kwart van de amateurkunstenaars werd door een van hen in die wereld geïntroduceerd. Sociale waarderingsmotieven zijn voor de starters in de amateurkunsten niet van doorslaggevend belang. Uit het onderzoek blijken er wel wat verschillen te bestaan tussen de disciplines onderling maar de beginmotieven voor zangers blijken overeen te stemmen met het algemene beeld.

Waarom actief blijven oefenen of zingen? Eens je voor amateurkunst gekozen hebt, moet je natuurlijk ook nog een drijfveer hebben die je motiveert om actief te blijven oefenen en werken in je discipline! Uit het onderzoek blijkt dat 90% van de amateurkunstenaars een discipline beoefenen om zich te ontspannen of om tot rust te komen. Nieuwe dingen leren en zichzelf ontplooien komen op de tweede plaats en sociale motieven (samen zijn, gezelligheid, ontmoetingskansen) op de derde plaats.

2 // stemband

In welk verband beoefent men amateurkunsten? is in meerdere organisatieverbanden.

Bij zangers blijft die rangorde bestaan hoewel de motivatie ‘ontspanning’ minder zwaar doorweegt in verhouding tot andere disciplines. Sociale motivatie daarentegen is bij zangers aanzienlijk sterker net zoals trouwens bij alle disciplines die in groep beoefend worden.

Wie introduceert wie? De meeste amateurkunstenaars worden in contact gebracht met hun discipline via vrienden of kennissen en ouders. Uit het onderzoek blijkt verder dat specifieke leerkrachten een belangrijke rol spelen in het leggen van contacten met de wereld van de amateurkunsten. Een vierde van de zangers geeft aan dat hij of zij in de koorwereld terecht gekomen is via bepaalde leerkrachten op school. De school als rekruteringsveld voor het koorleven is wat oudere zangers zeker bekend voorkomt. Of scholen vandaag nog diezelfde rol spelen in verband met de koorcultuur is heel twijfelachtig. De persoonlijke sfeer is uiteraard heel belangrijk bij het leggen van de eerste contacten in een bepaalde discipline maar er zijn natuurlijk ook andere kanalen die de contactname bevorderen. Uit het onderzoek blijkt dat zangers in de eerste plaats worden aangetrokken via concerten en evenementen rond zang. Blijkbaar is de ‘zing aan zing’-reclame de beste manier om nieuwe leden voor het koor te werven. Naast de school speelt ook het Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) daarbij een heel belangrijke rol. Meer van 35% van de zangers kwam met zang in contact via het DKO. Dit cijfer ligt onverwacht hoog maar blijft laag in verhouding tot amateurkunstenaars die actief zijn in de instrumentale wereld. Meer dan 52% van de muzikanten komt via het DKO in contact met de wereld van de amateurkunsten. Deze cijfers tonen nogmaals aan hoe belangrijk de actieve wisselwerking tussen amateurkunsten en het DKO is. Hopelijk wordt met deze realiteit rekening gehouden bij de geplande hervorming van het DKO. Als een opleiding in het DKO mensen kan leiden naar een actieve rol in de amateurkunsten, is de culturele, sociale en maatschappelijke meerwaarde van die opleiding voor iedereen duidelijk. Hoe de koorcultuur in de nieuwe structuur van het DKO een plaats moet krijgen, blijft tot op heden erg vaag. Het bevolkingsonderzoek toont echter duidelijk aan dat de wisselwerking tussen het DKO en de koorwereld nog meer zuurstof moet krijgen.

De motivatie: je ‘ex’. Nu we weten hoe de instroom bij zangers verloopt, is het wellicht nuttig even stil te staan bij de uitstroom van zangers. Waarom beslist iemand om te stoppen met zingen en iets anders of helemaal niets meer te doen. Een juiste inschatting van de motivatie van je ‘ex’, kan een verhelderende kijk geven op de toekomst.


// wie is voca?

Voca is een hoger opgeleide vrouw van 50 jaar die met zingen in contact kwam via de school en momenteel vooral uit sociale overwegingen zingt in een koor met overwegend vrouwelijke leeftijdsgenoten. De vaakst aangehaalde redenen om te stoppen met een creatieve activiteit zijn gebrek aan tijd, de combinatie van werk en gezin of die met andere activiteiten in de vrije tijd. Heel wat stoppers (25 % bij zangers) geven ook aan dat zij eigenlijk niet echt meer geïnteresseerd zijn in de discipline waarin zij actief waren. Speelt het argument van de shopcultuur hier mee? Willen mensen proeven van een aantal zaken zonder zich langdurig te binden? De cijfers wijzen daarop. Voor ex-zangers is de situatie niet echt anders hoewel er minder zangers opstappen wegens tijdsgebrek vergeleken met andere disciplines. Toch zijn er ook enkele opmerkelijke verschillen. Bijna 22% van de zangers geeft aan dat zij gestopt zijn omdat de uren of de dagen niet meer passen. Een koor heeft een vast repetitieschema dat moet aansluiten bij de planning van individuele personen. Nieuwe werkomstandigheden of wijzigingen in privé agenda kunnen langdurige engagementen op de helling zetten. Tot slot valt het op dat 16, 1 % van de ondervraagden aangeeft dat fysieke belemmeringen hen tot stoppen hebben gedwongen. Dat cijfer ligt beduidend hoger dan in andere disciplines maar wordt wellicht gedeeltelijk verklaard door het feit dat senioren bijzonder actief zijn in de koorwereld. Voor heel wat mensen wordt het ritme van een koor – de wekelijkse repetitie, het opluisteren van liturgische diensten, het zingen van concerten – uiteindelijk te veel, waardoor ze afhaken.

om actief te participeren in de koorwereld? Is het netwerk waarin Voca zich beweegt, er een waarin mannen zich willen engageren om mee te zingen? Introduceert de school van Voca vandaag nog steeds jongeren in de koorwereld of is die rol uitgespeeld? Wat wordt de rol van het koor als Voca en haar leeftijdsgenoten nog eens 10 jaar ouder zijn? Hebben Voca en haar koor een plan dat voorziet in de continuïteit van de werking? Kunnen de sociale overwegingen van Voca in onze hoogtechnologische maatschappij geherwaardeerd worden of krijgen artistieke overwegingen de bovenhand? Als je van al die vragen een lijst maakt, lijkt het wel of Voca aan een ongeneeslijke ziekte lijdt zonder dat erover mag worden gesproken. Toch is dat niet zo. Voca blijft zingen maar stelt zich terecht aan aantal belangrijke vragen. In haar bewustzijn groeit het besef dat er moet worden gezocht naar nieuwe invalshoeken om een goed antwoord te geven op al die vragen. De praktijkvoorbeelden uit dit nummer van StemBand tonen aan dat de koorwereld er heel intens mee begaan is. ^ // Koenraad De Meulder 1. De leeftijdscategorie van de -14 jarigen werd in het onderzoek niet onderzocht omdat die een andere wetenschappelijke benadering vergt. Bij de analyse van de resultaten moet daarmee rekening gehouden worden.

Wat leert Voca ons? De resultaten van het bevolkingsonderzoek zijn zeker niet wereldschokkend. Zij bevestigen grotendeels wat er vanuit de praktijk wordt waargenomen of aangevoeld. De amateurkunsten en dus ook de koorwereld krijgt met dit onderzoek echter wetenschappelijk gefundeerd cijfermateriaal dat aanzet tot reflexie en mogelijk later tot bijsturing van een aantal opvattingen en beleidsvisies.

© Marcel Van Coile

Op basis van dit onderzoek zouden we een profiel kunnen schetsen van een doorsnee-zanger zoals die er vandaag in Vlaanderen uitziet. Laat ons die zanger voor de gelegenheid even ‘Voca’ noemen, dan wordt het echt concreet: Voca is een hoger opgeleide vrouw van 50 jaar die met zingen in contact kwam via de school en momenteel vooral uit sociale overwegingen zingt in een koor met overwegend vrouwelijke leeftijdsgenoten. Elke doorsnede is natuurlijk een karikatuur maar ze legt meteen een aantal knelpunten bloot. Zo kunnen we ons de vraag stellen of Voca met haar profiel jonge mensen kan motiveren driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 3


// Kamiel Cooremans en Luc Anthonis

Bouwen aan een dynamisch koorleven Koor&Stem sprak met Kamiel Cooremans en Luc Anthonis

Uit de resultaten van een bevolkingsonderzoek naar amateurkunst in Vlaanderen en naar de participatie aan zang en het koorleven in het bijzonder distilleerde Koenraad De Meulder in dit nummer al het profiel van de gemiddelde Vlaamse koorzanger. Hij doopte die hoger opgeleide vrouw van rond de 50 die via de school in contact kwam met het zingen Voca. Zij zingt vooral uit sociale overwegingen in een koor met overwegend vrouwelijke leeftijdsgenoten. Vraag is hoe Voca er over een decennium uit zal zien? Tijdens een gesprek met twee ervaren koordirigenten, Kamiel Cooremans en Luc Anthonis, gingen we op zoek naar de juiste middelen om Voca dynamisch, jong en gezond te houden. Op wondermiddelen hoeft ze niet meteen te rekenen, maar de antwoorden op de vragen hoe een duurzame koorwerking uitgebouwd, het verjongingsproces gestimuleerd en valkuilen vermeden kunnen worden, zullen haar ongetwijfeld goed van pas komen. Kamiel Cooremans koos ervoor om samen ouder te worden met zijn koor Audite Nova. Uiteindelijk besloot hij om plaats te maken voor een jongere dirigent. Dat was volgens hem de beste manier om het koor de nodige zuurstof en meteen ook een nieuw leven te schenken. Kamiel Cooremans: “Toen ik begon, had ik een homogeen koor met zangers van ongeveer mijn leeftijd. Tijdens de eerste jaren zijn er wel leden bijgekomen maar de instroom is geleidelijk afgenomen. Ik heb gemerkt dat mijn zangers met mij ouder werden. Jonge mensen die er later bijkwamen hadden het, hoewel ze altijd hartelijk werden ontvangen door de koorleden, moeilijk met de generatiekloof en haakten af. Bovendien bleek een ietwat oudere dirigent ook minder aantrekkelijk voor jonge zangers. Het zou misschien beter gelukt zijn als er bijvoorbeeld een vijftal jongeren tegelijk zouden bijgekomen zijn. Het ideaal is dus volgens mij een koor waar verschillende generaties vertegenwoordigd zijn. Wij hebben nagelaten om daar naar te streven omdat we genoeg aanbod hadden binnen onze generatie.” Het resultaat van die aanpak zadelde Kamiel Cooremans op lange termijn met een dubbel gevoel op.

4 // stemband

Kamiel Cooremans: “Aanvankelijk zongen we in alle afdelingen van het Festival van Vlaanderen, maar met het ouder worden van de groep ging het artistieke niveau erop achteruit. Of misschien werden de andere koren beter? Vanuit een situatie waarin we een voortrekkersrol vervulden, kwamen we doorheen de jaren ook steeds vaker in een situatie terecht waar we ons gingen aanpassen aan nieuwe groepen en tendensen, zoals het Collegium Vocale van Philippe Herreweghe die een nieuwe wind lieten waaien. En het is niet evident om de koorleden, die precies bij hun koor waren gekomen omwille van mijn aanpak en ideeën en die geloofden dat we de waarheid in pacht hadden, telkens weer van nieuwe inzichten te overtuigen. Ondertussen verouderden ook de stemmen. Ik had tegen sommige mensen kunnen zeggen dat ze eruit moesten, maar het sociale aspect werd voor mij alsmaar belangrijker. Ik gaf dus mijn artistieke ambities geleidelijk aan prijs ten voordele van de sociale dimensie. Als we vroeger verjongd hadden, had ik mijn artistieke ambities wellicht beter kunnen inlossen en dan was ik misschien ook langer gebleven. Tegelijk maak ik nu de bedenking dat wanneer je verschillende generaties in

één koor samenbrengt, je ook compromissen moet sluiten op het vlak van repertoire en kwaliteit. Want ook dan hou je rekening met de oudere stemmen of met de jongeren die nog maar net een stemverandering hebben gehad, of nog niet zo vlot kunnen zichtlezen.” Bij de acht Ekerse C-koren, die in totaal meer dan driehonderdvijftig zingende leden tellen, wordt een doordachte structuur gehanteerd waarin per leeftijd koorgroepen worden samengesteld en waar doorstroming evident is. Zo bewijzen ze dat levenslang zingen mogelijk is. Bovendien anticipeert deze structuur ook op heel wat problemen zoals de verouderende stemmen of het gebrek aan nieuwe instroom, zelfs van mannenstemmen. Luc Anthonis: “Binnen de C-koren is de jongste groep er een van kinderen van 5 tot 8 jaar waarin we maximaal 40 zangertjes toelaten en waar nu reeds een wachtlijst is. Zo gaat het verder met andere groepen voor kinderen, jongeren en volwassenen. Jongens stromen na de stemverandering door naar de volwassenengroep zodat er ook permanent mannenstemmen beschikbaar zijn. Natuurlijk is de kloof met de 25-jarigen voor die jongens wel relatief groot. De meisjes kunnen langer in het kinderkoor blijven.


// Kamiel Cooremans en Luc Anthonis

Met 60 procent van de zangers die doorstromen, worden de groepen van de C-koren in Ekeren continu van nieuwe stemmen voorzien. Voor de nog altijd noodzakelijke instroom van buitenaf is de reputatie van de koorgroepen belangrijk. Tegelijk wijst Luc Anthonis op het belang van de media. Luc Anthonis: “De impact van de uitzending Koor van het jaar op Canvas is bijzonder groot geweest. Dat

merken we aan de grotere instroom van buitenaf. We mogen ook de invloed van tv-programma’s als Eurosong for Kids en allerlei formats die variaties zijn op talentenjachten voor zangers niet onderschatten. Het huidige succes van de zangopleiding in het DKO is daar ongetwijfeld ook een gevolg van. Hopelijk schept dat enthousiasme ook het juiste klimaat zodat de beleidsmakers meer beslissingen ten voordele van het zingen kunnen nemen. We moeten ondertussen wel opletten dat de zangers die onder invloed van die programma’s naar een koor komen, met de juiste verwachtingen starten. En het is vooral ook belangrijk dat de koorwereld zelf in de media komt en gebruikt maakt van de moderne communicatiemiddelen om een fris en modern imago uit te dragen. Ik zie tal van voorbeelden van kinderen en jongeren die verzot zijn op het koorzingen en die de repetities en uitvoeringen voor

geen geld van de wereld willen missen. Het is die boodschap die de koorwereld moet verspreiden zodat een koor niet steeds geassocieerd wordt met een groep ouderen die in een kerk staat te zingen. Daarom moeten we ons inspannen om zoveel mogelijk mensen te laten weten wat de koren vandaag doen.” De C-koren in Ekeren bestaan al veertig jaar. Ook al blijkt het systeem bijzonder succesvol, het biedt daarom nog geen kant-en-klare oplossing voor een koor dat vandaag met een tekort aan jonge stemmen of aan mannenstemmen kampt. Luc Anthonis: “Wie vandaag een jongerenkoor opricht, zal pas over zeven of acht jaar de vruchten kunnen plukken in een volwassenenkoor. Het is zelfs zo dat het opstarten van een jongerenkoor de eerste jaren de instroom van stemmen in het volwassenenkoor sterk zal afremmen omdat je geïnteresseerde jonge

© Koenraad De Meulder

De aantrekkelijkheid van het systeem zit in het feit dat we per leeftijd een fris, vernieuwend en aangepast repertoire aanbieden. Omdat de doorstroming redelijk groot is, wordt het niveau ook geleidelijk opgebouwd. Na verloop van tijd zingen ze zelfs liever werk van Vic Nees dan spirituals! En naast het degelijke niveau is natuurlijk ook het sociaal contact erg belangrijk. Dankzij kampen, koorweekends en uitstappen wordt de samenhang bevorderd.”

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 5


// Kamiel Cooremans en Luc Anthonis

Luc Anthonis: “Ontmoetingen tussen collega’s zijn een onmisbare bron van nuttige informatie.” zangers naar het jongerenkoor afleidt. Het systeem biedt dus geen oplossing op korte termijn. Ik kan er alleen maar voor pleiten dat koren een langetermijnvisie ontwikkelen en dan is het werken met verschillende koorgroepen van jongeren tot en met volwassenen en ouderen heel geschikt.” Uit het bevolkingsonderzoek blijkt ook dat een kwart van de huidige koorzangers het zingen via de school ontdekte. Mogelijke recruteringsproblemen vandaag hangen dan ook nauw samen met de zangcultuur op onze scholen. Luc Anthonis: “Het is voor mij duidelijk dat de oplossing voor het probleem van onderuit moet komen. Ik pleit voor een goed opgeleide muziekleerkracht in de kleuterschool en de lagere school. Als er terug veel meer gezongen wordt op de scholen dan lossen de meeste problemen waar koren vandaag mee kampen, zich grotendeels vanzelf op. Onlangs deed ik op het conservatorium nog stemtesten bij studenten die in een koor wilden komen en dan bleek dat zelfs bij die groep toekomstige muzikanten zangervaring verre van vanzelfsprekend is.” Kamiel Cooremans: “In de scholen hangt het feit of er in de klas al dan niet regelmatig gezongen wordt nu af van de interesse en mogelijkheden van de individuele leerkracht, of van de goodwill van de directie of de scholengemeenschap die eventueel een muziekleerkracht aanneemt. Het zou ideaal zijn als de onderwijzer of kleuterleider af en toe zegt dat de boeken dicht mogen en dat er gezongen wordt. Het moet iets spontaans hebben en regelmatig gebeuren, maar helemaal niet van het toeval mogen afhangen. Ieder kind heeft recht op muzikale vorming. Het Deeltijds Kunstonderwijs vangt nu voor

6 // stemband

een stuk de schade op, die de aanpak van het reguliere onderwijs bezorgt. Daarbij hangt het van de ouders af of hun kinderen ervan kunnen genieten of niet. En het is jammer dat men pas vanaf acht jaar kan instappen. Bovendien is ook in het DKO het succes afhankelijk van de individuele aanpak van de leerkracht. De vorming van de leerkrachten is daarom zeer belangrijk. De beste muzikanten zouden in de eerste jaren AMV van het DKO moeten staan.’ Luc Anthonis: “In de academie van Lier is de samenzang uitgegroeid tot een van de steunpilaren van de school. Dankzij een half uur extra les voor de leerling en zanggroepen die uit twee leerjaren zijn samengesteld, zorgen ze ervoor dat iedere leerling een uur samenzang per week heeft. Op opendeurdagen treden alle samenzangklassen op en dat is een geweldige stimulans voor de kinderen.” Een goede opleiding voor de dirigenten is ook een must. Goed opgeleide jonge dirigenten zijn een troef voor een koorleven dat blijvend wil verjongen, daar zijn beide geïnterviewden het over eens. Maar ook ervaren dirigenten doen er goed aan niet te snel op hun lauweren te gaan rusten als ze hun koorleden blijvend willen motiveren en telkens nieuwe generaties willen aanspreken. Luc Anthonis: “Vele koren zijn het beste onder hun eigen kerktoren maar dat mag hun dirigenten er zeker niet van weerhouden om voortdurend de regionale grenzen over te steken. Ik ga bijvoorbeeld vaak naar andere koren luisteren. Het stelt je in staat je eigen mogelijkheden te vergelijken met de kwaliteit van andere koren en dirigenten. Ook ga ik nog wel eens als actief lid een bijscholing koordirectie volgen, want ook al sta je al jaren in het vak,

het blijft nuttig om te herbronnen en bij te leren. Bij al die gelegenheden is het vaak belangrijker om met collega’s over de problemen van de koren te praten en samen oplossingen te zoeken dan om louter op technische zaken te werken. Ontmoetingen tussen collega’s zijn een onmisbare bron van nuttige informatie.” Kamiel Cooremans: “Ik heb ook altijd ervaren dat koorleden het appreciëren als je als dirigent iets te vertellen hebt over de inhoud van de tekst of over de bredere historische of culturele achtergrond van een compositie. Ook daar moet een dirigent blijvend aandacht en interesse voor hebben.” Tot slot doen onze gasten ook een appel op het groepsgevoel van de koorzanger en pleiten ze voor trouw aan een duurzaam project om het zingen in een koor op lange termijn aantrekkelijk te houden. Kamiel Cooremans: “Jonge talentvolle dirigenten willen graag met gekwalificeerde stemmen werken en ik heb het meermaals meegemaakt dat ze die bij mijn koor kwamen halen. Goede zangers gaan ook gemakkelijk elders als ze zich kunnen verbeteren. In projectkoren moeten ze bovendien minder repeteren en ze worden nog betaald ook. De trouwste leden, zij die overblijven, zijn dan vaak de minst goede.” Luc Anthonis: “De maatschappij is vandaag zo geëvolueerd dat mensen op alle vlakken zappen. Maar laten we in de koorwereld toch maar afblijven van al die projectmatige dingen. In projectkoren merk je zangers op die op verschillende plaatsen meezingen. Je moet echter een koorklank kunnen opbouwen. Daarom pleit ik voor een concept van een ploeg die een homogene maar unieke sound heeft. Ik verkies een koor met een ziel en hou van de magie van een hechte groep.” ^ // tom eelen


// 10 tips

10

tips voor een dynamische koorwerking 01 // Ontwikkel een lange termijnvisie Koorwerking is oog hebben voor de lange termijn. Wie een koorwerking wil ontwikkelen die mensen aanspreekt, moet een boeiend concept hebben. Durf dus de vraag te stellen waar je koor binnen 5 jaar op artistiek en organisatorisch vlak moet staan en beantwoordt die vraag met een concreet stappenplan. Een dergelijke aanpak motiveert mensen en versterkt de groepsdynamiek.

02 // Zorgen voor de juiste generatiemix De samenstelling van je koor is niet alleen een kwestie van een goede stemverdeling. Als je de continuïteit van je koorwerking wil verzekeren, zorg je voor een goede mix van verschillende generaties! Focus in de eerste plaats op de generatie die net iets jonger is dan de gemiddelde leeftijd van je koorleden en zet die zoektocht permanent verder. Je kan die doorstroming ook zelf sturen door naast je koorwerking voor volwassenen een jeugd- en/of kinderwerking uit de grond te stampen.

03 // Levenslang zingen! Een koor heeft zangers nodig met artistieke ambities of met de wil om samen de lat net iets hoger te leggen. Speel hierop in als dirigent of als koorbestuur en stimuleer je zangers om zich muzikaal te scholen: notenleer, zang, instrument, harmonie, muziekgeschiedenis of een ander vak. Het komt de kwaliteit van je koorwerking ten goede.

04 // Netwerking werkt Samenwerken met het Deeltijds Kunstonderwijs, het cultureel centrum, de bibliotheek, andere verengingen uit de amateurkunsten, de lokale media of andere lokale culturele actoren – het loont. Zij zijn je natuurlijke partners! Zorg voor een vertegenwoordiger van de lokale koorwereld in de cultuurraad van je gemeente en probeer op het beleid te wegen.  

05 // Over de grenzen kijken

Een lokale koorwerking is mooi maar wordt pas echt boeiend wanneer je over de grenzen heen kijkt. Heb dus aandacht en belangstelling voor de diversiteit van de koorwerking en volg de internationale koorwerking actief op. Hier vind je een onuitputtelijke bron aan inspiratie.

06 // Doe vooral mee Wedstrijden, koorontmoetingen, festivals en workshops zijn plaatsen waar actief kennis en ervaring over koorwerking wordt uitgewisseld. Deelname aan die activiteiten kunnen belangrijke ijkpunten zijn in de werking van je koor. Ze geven je koorwerking een richting, verstevigen het artistieke proces en generen een nieuwe dynamiek.

07 // Koordirectie is een vak De kwaliteit van het koor is in belangrijke mate afhankelijk van de kwaliteit van de dirigent. Blijvend investeren in de opleiding en de vorming van dirigenten is dus geen overbodige luxe. Geef aan je dirigent dus de ruimte om deel te nemen aan opleidingen en om te participeren aan studiedagen waarop dirigenten elkaar kunnen ontmoeten.

08 // Koken kost geld Zingen is geen vrijblijvende sociale activiteit maar schept een culturele meerwaarde voor iedereen die erbij betrokken is. Wie wil participeren aan zo’n kwaliteitsvolle werking, moet ook bereid zijn een financiële bijdrage te leveren. Het koorbestuur moet de financiële ruimte krijgen om een goede dirigent te engageren, partituren aan te kopen, een degelijke repetitieruimte te huren, concertreizen te organiseren, enz.

09 // Zangcultuur, onze bekommernis! Laat zangcultuur niet verworden tot een eeuwige klaagcultuur over het tekort aan, te weinig aandacht voor, enz. Gebruik die energie om positieve acties rond zangcultuur te voeren in het leerplichtonderwijs, het Deeltijds Kunstonderwijs, de lerarenopleiding en andere sectoren. Kinderen en jongeren leren ervaren dat zingen gewoon leuk is.

10 // Organisatie voor vocale muziek Koor&Stem ontwikkelt een divers aanbod aan cursussen, workshops, koorateliers, koorcoaching en projecten voor het koorleven in Vlaanderen. De organisatie reikt je een brede waaier van instrumenten aan om te werken aan de artistieke kwaliteit van je koor. De artistieke en organisatorische dienstverlening bestaat, maak er gewoon gebruik van. ^

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 7


// Jos Decloedt

‘Is koorzang te saai?’ Op 21 februari 2008 deed Ameli d’Or – waarschijnlijk de zus van Voca uit het hoofdartikel – in de koorblog van Lamidore volgende oproep: “Dag allemaal, ik ben koorlid van een gemengd volwassenenkoor en stel vast dat ons koor weinig jonge mensen telt. Waarom toch? Is koorzang te saai? Zijn de concerten van een bedenkelijk niveau? Bestaat de koorgroep alleen maar uit triestige mensen? Is de dirigent een zeurkous? Komen de koorleden enkel samen om te repeteren? Zijn er teveel repetities per week? Is het repertoire te moeilijk voor een gemiddelde amateurzanger? Moet je noten kunnen lezen? Is het repetitielokaal moeilijk bereikbaar? Moet je ouder dan vijftig zijn om koorlid te kunnen worden?”

8 // stemband

De koorleden zelf zijn waarschijnlijk wel de beste koorambassadeurs-ronselaars. Echtgenoten of kinderen van koorleden, vrienden of werkgezellen wagen geregeld de stap naar dat aanstekelijke tijdverdrijf dat door de buitenwereld nog steeds het label ‘raar’ krijgt opgeplakt. We proberen nochtans al tientallen jaren in onze concerten daar iets aan te doen en het publiek te verwennen met degelijke koormuziek verpakt in een leuk verhaal, stijlvol gevisualiseerd met beeld en kleur. Reacties als “…en zo is een koorconcert bijlange niet saai…”, werken bemoedigend. Sporadisch vinden nieuwe koorleden na een dergelijk concert de weg naar het koor. Toch jammer als we soms moeten ondervinden dat betere zangers/vlotte lezers na een zekere tijd wegblijven omdat ze het lange zwoegen aan een moeilijker koorwerk uiteindelijk te vervelend vinden. Wat het koor liet horen op een door hen

© Marcel Van Coile

Op al die vragen is het enige antwoord: neen. Enkel bij de vraag omtrent de dirigent moet je dat ‘neen’ een beetje nuanceren. Marleen beantwoordde Ameli’s oproep positief en is nu ruim een jaar volwaardig koorlid. Het lukt dus effectief: “Mail de wereld rond en je vindt wat je zoekt.” Of doe als Bekende Vlamingen en probeer zoveel mogelijk op TV te komen.   Meerdere keren per jaar het scherm halen is enkel voor de ‘happy few onder de koren’ weggelegd. Mijn vocaal meisjesensemble Eufonia was samen met de 9 andere halvefinalisten van Koor van het Jaar ’08-’09 al erg tevreden dat Canvas elk koor 15 minuten zendtijd aanbood. Het mag altijd meer, maar het moet worden gezegd, het was een prachtige uitzending die zelfs heel wat kooranalfabeten kon bekoren. Het uitgebreide mailnetwerk door de Eufoniaden opgezet – zelfs tot in een van de Vlaamse ministeries – om de Klarapublieksprijs te veroveren, was gezien de behaalde tweede plaats een schot in de roos. De passage doorheen het Canvas- en Klaramedium is zeker niet onopgemerkt voorbij gegaan en leverde de aanvraag van een paar meisjes op om lid te mogen worden. Kunnen rekruteren uit de kweekvijver van een eigen kinderkoor – in mijn geval Con Spirito (o.a. finalist van Koor van het Jaar ‘97-‘98 en ‘02-‘03) – is natuurlijk meegenomen. Van de 10 koorleden van Lamidore jonger dan 40 jaar zongen er ooit zes in het kinderkoor. Ook 2 van de 10 veertigers kwamen naar het volwassenenkoor als papa van een Con Spirito-koorlid. Twee andere youngsters van Lamidore zongen mee in het schoolkoor dat ik leidde in mijn vorig leven als leraar aardrijkskunde. De al bestaande band met de dirigent maakt het duidelijk makkelijker om van het ene naar het andere koor over te stappen. Recentelijk stel ik vast dat het doorstromen vanuit Eufonia niet zo vlot verloopt: hogere studies volgen, gezinnetje vormen, kindjes kopen, emigreren uit Torhout,… zijn zoveel redenen om af te haken. Leuk om te horen is dat een paar oud-koorleden nu in een ander koor meezingen, dichter bij hun job of studie.


// JOS DECLOEDT

bijgewoond concert had hen nochtans zo gecharmeerd dat ze graag wilden aansluiten. Ze laten bijspringen als redder in nood nà het zwoegen, lijkt mij uit respect voor de zwoegende koorleden geen elegante oplossing. Vertonen mannelijke kandidaten veeleer dit gedrag? Is het wekelijks kunnen vertoeven in het gezelschap van zoveel zingende vrouwen dan onvoldoende aantrekkelijk? Of kunnen ze het niet aan dat de dirigent vooraan alle aandacht krijgt en zij zich in de achterste regionen moeten terugtrekken? In Lamidore krijgen de tenoren en bassen daarom weer een prominente plaats naast de alten. Wie weet wat daaruit volgt! Het koorniveau doet anderen wegblijven met de oneliner:   “Dat is voor mij veel te moeilijk, hoor.” Het vraagt heel wat overredingskracht om ze over de koorstreep te halen. Maar het wekelijkse engagement blijkt meestal een grotere hinderpaal te zijn dan hun beperkte zangkwaliteit. Toen ik me zondag in een zwak moment gedurende de preek de leeftijdspiramide van de kerkgangers voorstelde, kreeg ik een déjà vu. Het leek wel de leeftijdspiramide van het gemiddelde amateurkoor: voornamelijk vijftigers, zestigers en ouder, meer vrouwen dan mannen, en bijna geen kinderen. In het volwassenenkoor ontbreken de kinderen natuurlijk volledig (toch fysiek). Bestaan de huidige koren grotendeels nog uit dezelfde mensen als de vroegere kerkkoren, nu enkel wat ouder geworden en niet of nauwelijks vervangen door of versterkt met jongeren, net als bij het kerkvolk het geval is? De sleutel om de verjongingsmachine voor beide ‘culturele’ fenomenen weer op gang te krijgen, is blijkbaar nog altijd zoek. Wie weet gaat het om dezelfde sleutel. Of je die sleutel nu in de scholen vindt, ben ik niet zo zeker. Drie jaar geleden verdeelde ik in de verschillende basisscholen van Torhout 500 kleurrijke foldertjes waarin de koorwerking van Con Spirito op een ludieke manier werd voorgesteld. Er stak een uitnodiging bij om naar een open repetitie van het kinderkoor te komen. Enkel Emma, een meisje uit de vierde klas, kwam erop af. Na 4 maanden repetities en 1 concertje gaf ze het op wegens haar saxofoonpassie en balletles. Achteraf vernam ik dat een aantal juffen het verzuimd hadden om de foldertjes mee te geven. Zelfs groots opgezette schoolevenementen met vedette en een ad hoc gevormd mastodontschoolkoor, hebben tot nu nog maar zelden kinderen of jongeren naar één van mijn drie koren geleid. Het mogen optreden van Eufonia op de exodus van de laatstejaars was daarentegen wel een stap in de goede richting. Een paar meisjes kwamen achteraf polsen of en hoe ze zouden kunnen lid worden, voorlopig nog zonder vervolg.

Hopelijk mag meer heil verwacht worden van de muziekschool, nu geïntegreerd in het Deeltijds Kunstonderwijs. Zal naast de obligate zangklas, die vooral mikt op solozang, ook een koorklas ingericht worden die jong en oud na een paar jaar naar bestaande koren stuwt? Of is een omgekeerde beweging misschien mogelijk, waarbij bestaande koren een parttime opdracht krijgen in het Kunstonderwijs? Pistes die we toch maar eens moeten uitproberen. Terwijl ik dit artikel aan het plegen ben, belt Bart me op of hij in Lamidore mag komen meezingen. Bart is de papa van een Con Spirito en Eufoniakoorlid en collega van 2 Lamidore-koorleden. Zes jaar geleden (toen waren we zelf nog collega’s) was hij al geïnteresseerd, maar zette hij de stap uiteindelijk niet. Ik moet nu toch eens uitzoeken of Ameli of Voca hem over de streep trok. En hoe! ^

// Jos Decloedt BIO Torhoutenaar Jos Decloedt, tot voor kort leraar aardrijkskunde in de lerarenopleiding aan de Katho-Reno in Torhout, is dirigent van Con Spirito en Eufonia en het gemengd koor Lamidore. Het kinder- en jeugdkoor Con Spirito richtte hij op in 1988 en het vocaal ensemble Eufonia in 2000. De basisknepen als dirigent leerde Jos Decloedt in de verschillende cursussen koordirectie ingericht door de Vlaamse koorfederaties (Koor&Stem) en in de koordirectieklas van Michael Scheck aan het Koninklijke Muziekconservatorium van Gent.

Het doorstromen vanuit Eufonia verloopt niet zo vlot meer: hogere studies, gezinnetje, kindjes, emigreren uit Torhout,...

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 9


Binnen bij… Waarde lezer, ik neem u bij de hand en troon u mee naar de Vlaamse Ardennen. U zou er zelf eens naartoe moeten, als u dat nog niet heeft gedaan. Het moet niet op de fiets als een Flandrien – mijn gastvrouwen zouden het u als ervaringsdeskundigen afraden. Nee, glijdt u maar met de wagen tussen de glooiingen van het heuvellandschap door. Zeker nu, in de herfst, is het er een weelde voor het oog en de rust streelt het hart. Uit eenvoudige lijnen, beweging en kleuren ontstaat een magistraal landschap. Het was een zalig gevoel om zó een lange tocht tot over de taalgrens te beëindigen bij Sabine Haenebalcke.

Sabine Haenebalcke 10 // stemband

© Marcel Van Coile

// genre


// Sabine Haenebalcke

In haar persoon bezocht ik voor u de enige Vlaamse die   vermeld wordt op de Duitse lijst van vrouwelijke dirigenten   (www.dirigentinnen.de). De opsomming bestaat wel al even, vertoont al wat sleet, is in sommige gegevens zelfs achterhaald. Bij Sabine vind je niets van die sleet: ze timmert nog steeds stevig aan de weg, zowel letterlijk in de recentelijk betrokken woning als figuurlijk in de rol van ‘chef’ van Kalliope en Altra Voce. Bovendien startte onder haar vleugels een nieuw kinderkoor – neem deze primeur van ons aan – dat pas bij het jubileum van Kalliope zijn eerste grote optreden zal kennen: Kalliokids. De twee Dobermanns, moeder en dochter, die anders vrijelijk binnen mogen rondtenen, waren naar buiten gebracht. Voor wie ze kent, zijn ze aanhankelijk, trouw en kindvriendelijk; ik ben nog steeds niet over mijn kinderschrik voor honden heen. Zij brachten daar begrip voor op en stonden niet aan de deur te bedelen om terug in huis te mogen. Dat bevorderde ook de rustig kabbelende sfeer, waarin ons gesprek, gesterkt door koffie en gebak, kon plaatsvinden. “Wie ben ik, dat ik…?” klinkt het regelmatig uit haar mond, en het is geen pose, ze gunt anderen absoluut het licht in de ogen en de klank van de stem. Maar ze is wel degelijk iemand met een visie en een mening.

Magie van het moment Waarom is ze met koormuziek bezig? “Omdat het voor koorzangers individueel een middel is om samen op een concertwaardig niveau muziek te kunnen brengen zodat ze – zeker bij een oratorium met een professioneel orkest erbij – kunnen ervaren wat het is deel uit te maken van de magie van zo’n moment, van zo’n muziek(opvoering). Een instrumentalist moet een veel langere weg gaan dan een zanger voor hij aan dat moment toe is. Ik vind het belangrijk om amateurzangers daarbij te helpen.” Dat doet ze in Kalliope, een jong koor (25-40 jaar) dat al bijna 20 jaar hoofdzakelijk a capellamuziek uit de 20ste eeuw brengt. Hoewel vooral de ernstige muziek hen bezig houdt, mag er toch humor inzitten. Met Altra Voce erfde ze een groep die een heel ander profiel vertoont: wat ouder, oratoriumkoor, met qua repertoire een zoeken naar het evenwicht tussen betreden paden (Johann Sebastian Bach, Johannes Brahms, Giuseppe Verdi, enz.) en nieuwe wegen (Karol Szymanowski, Kurt Bikkembergs, e.a.) In beide koren wordt de muziekkeuze voornamelijk door haar gemaakt. Onrechtstreeks bepalen de koorleden mee door het al dan niet enthousiaste repeteren aan een werk, maar de meesten zijn het eens met haar keuze. Is dat niet het geval dan wil ze dat werk niet te allen prijze aangeleerd krijgen.

Soms doen zangers ook zelf voorstellen en dan leert de dirigent wel eens nieuwe mooie muziek kennen. “Een koor is de weerspiegeling van de mogelijkheden en de interesses van zijn dirigent. Ik doe graag dingen waarvan ik begeesterd ben, dan kan ik die ook op een begeesterende manier overbrengen.”

Wel Vlaams, geen flamingant “Vlaamse muziek heeft absoluut een aandeel in de werken die we kiezen! Eerst en vooral: als wij ze niet zingen, wie zal het dan doen? Ik zou niet uitsluitend Vlaams werk willen brengen, maar het moet er toch altijd voor een belangrijk deel bij zijn. Dat gebeurt niet tegen wil en dank: als die koorliteratuur goed gemaakt is en ze het publiek kan aanspreken – zij het met uitleg, duiding en hulpmiddelen zoals een tekstboekje, de vertaling, want de mensen moeten weten waarover het gaat –   dan krijg ik ze gemakkelijk verkocht. We hebben zeker voldoende kwaliteit in huis! Bovendien, onze Vlaamse muziek doet het hem toch ook in het buitenland, bv. vanuit het internationale koorgebeuren (Europa Cantat) of als opgelegde werken in wedstrijden vinden de goedgemaakte composities hun weg over de grenzen. Zo kennen ze daar Vic Nees, Rudi Tas, e.a. niet noodzakelijk in het Vlaams maar bv. in het Latijn, het Engels of het Duits. Het hoeft voor mij dus niet in het Nederlands – ik ben geen flamingant – maar de muziek moet wel degelijk geschreven zijn. Trouwens, als wij ze niet meer zingen, gaan die mensen misschien niets meer schrijven.”

Oud en jong Ze heeft voor het probleem van de vergrijzing geen gouden oplossing, maar toch wel een werkzame idee. Bij Kalliope lukt het ‘vanzelf’: daar komen regelmatig jonge mensen bij, hoewel een paar nieuwe tenoren nu welkom zouden zijn. In Altra Voce heeft ze een paar keer geprobeerd iets te programmeren dat jongeren kon aantrekken (bv. Carmina Burana, Magnificat van John Rutter). Ze zoekt haar heil dus eerst en vooral in de programmatie: af en toe iets populairders, maar niet meteen gemakkelijke muziek. Trouwens, de concertopbouw staat zeker niet uitsluitend in functie van dat aspect. Je kan ook repetities leuk en aantrekkelijk maken, maar dat werkt natuurlijk niet als de jongeren er niet zijn. Toch zijn er heel wat jongeren die zingen, en die zingen ook graag het ‘oudere’ repertoire, want dat is niet noodzakelijk versleten! “Op goede muziek heeft De tijd geen vat; alleen wat niet goed gemaakt is, verslijt!” “Om het twintigjarig bestaan van het koor te vieren heb ik aan het bestuur voorgesteld om binnen de schoot van Kalliope een kinderkoor te beginnen – daar is in het Gentse nog plaats voor.

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 11


// binnen bij…

Dat is inmiddels een feit: op het ogenblik met 17 kinderen tussen 5 en 9, die regelmatig komen. Het heet Kalliokids. Ze gaan nu trainen met heel intieme kerstconcertjes voor ouders en vrienden, ze doen mee in het kinderkoor van de Carmina burana, maar gaan voor het eerst een eigen concertdeel verzorgen op het jubileumconcert van Kalliope op de laatste zondag van juni 2010 in Gent. Twee koorleden uit Kalliope, Annelies Verbeke en Wouter Dubois, hebben het op zich genomen om dat te leiden, ik doe het niet zelf maar coach hen wel. Kinderen willen zingen, het is aanstekelijk om hen dan bezig te zien, jammer dat er in de scholen zo weinig mee wordt gedaan. Ze hebben een vermogen om uit het hoofd te leren om jaloers op te worden; ze springen vlot om met ritmes die volwassenen moeilijk kunnen ontcijferen. Bij Kalliope zijn het o.a. de kinderen van de zangers van de eerste generatie; in andere koren zouden het misschien de kleinkinderen moeten zijn! Proberen maar. Je wint er geen nieuwe koorleden mee, maar je geeft wel een brede basis aan de piramide en zorgt wel voor doorstroming.” “Een moeilijker aspect is het voortdurende verloop,   veel sterker dan in een ander koor – ik heb de grootste bewondering voor de mensen die daaraan willen werken, zoals onder

12 // stemband

meer Rudy Van der Cruyssen (Rondinella) en Marleen De Boo (Waelrant)! Altijd weer opnieuw beginnen, met evenveel vuur. Trouwens je moet als dirigent altijd veel vuur hebben, als je het zelf laat hangen, valt dat in het koor ook weg – maar zeker bij kinderen.” Om dat vuur warm te houden – en omdat op de wedstrijd Koor van het Jaar duidelijk werd dat je kinder- en volwassenenkoren niet met elkaar kan vergelijken – ligt ze mee aan de basis van een kinderkorenfestival, dat Koor&Stem op   28 februari in Bornem organiseert.

Uit de koorpraktijk De leesvaardigheid is in beide koren zeer behoorlijk.   Indien nodig gebeurt het aanleren ook door voorzingen en nazingen. Er zijn nu eenmaal die twee soorten zangers in elk niet-professioneel koor en het moet voor de beide interessant blijven. Je moet de ‘zwaksten’ meekrijgen, maar de ‘besten’ moeten zich niet vervelen. Het voorzingen helpt hen ook bij hun vocale cultuur. “Door het feit dat de mogelijkheden van de zangers zo uit elkaar liggen, verwacht ik niet dat ze allemaal van blad kunnen zingen. Ook niet dat ze de partituur thuis voorbereiden. Wel dat


// Sabine Haenebalcke

ze vastzetten wat er in de repetities is aangeleerd. Ik vraag het alleszins en er zijn mensen die het doen. En qua stemvorming: ik begin elke repetitie met oefeningen die voorbereiden op wat we daarna gaan repeteren; tijdens de repetitie schaaf ik natuurlijk aan de klank; wie tijd en zin heeft, zal ik stimuleren om les te volgen en heel af en toe zal ik er ook eens een stemcoach bijhalen. Dat doe ik niet zo vaak; het is alleen nuttig als er opvolging is. Het echte ideaal zou wel individuele begeleiding zijn – want bij een groepsbehandeling zijn er toch altijd leden die het ‘niet vatten’ – maar dat kan je in de realiteit niet waarmaken.”

Goede muziek… Hoe verkent ze als dirigent een nieuwe compositie? Lezen en analyseren, niet luisteren. “Opdat ik een werk interessant zou vinden, moet de tekst me kunnen boeien; gedateerde, oubollige teksten kan ik moeilijk verkocht krijgen aan mijn koorleden. Maar het is niet omdat de tekst gedateerd is, dat ik een werk niet zal uitvoeren. Voor de muziek geldt hetzelfde: als er vanuit mijn optiek vakmanschap achter zit dan heeft het werk al een eerste kaap overschreden. Ik zoek graag harmonisch interessante composities, zelfs wat uitdagende. In die zin gaat mijn voorkeur eerder uit naar een Szymanowsky dan naar een Mozart. Ik heb niets tegen diens Requiem of tegen de Krönungsmesse, we zingen die wel, en graag zelfs, maar het mag uitdagender zijn. Klank om de klank, experiment om het experiment, daar heb ik het moeilijk mee. Ik moet er emotie in vinden of kunnen leggen. Het moet door mij heen gaan, dan naar het koor en dan naar het publiek. Dus is het belangrijk dat ik er iets in vind. En het mag moeilijk zijn, een uitdaging voor het koor en voor mezelf. Maar als een werk moeilijker is dan dat het mooi is of mij of een publiek kan aanspreken, dan hoeft het niet!” Zo is ze weg van composities van Benjamin Britten, omdat hij de kunst verstaat om met eenvoudige middelen iets sterks te bereiken! En bovendien op zo’n manier, dat ook amateurs eraan kunnen meewerken en zo het magische moment kunnen beleven. Ook van een samenwerking met kinderkoor of brassband is ze niet vies. Zo voert ze binnenkort de Carmina burana uit in de versie met twee piano’s en slagwerk met drie gemengde koren, met kinderkoren en zelfs met dans! Een paar jaar geleden dirigeerde ze nog de uitvoering met het MuDa-Gent (kunsthumaniora) van Benjamin Brittens Ark van Noë (Noye’s Fludde ). Deze miniopera werd in een kerk uitgevoerd met een enorme catwalk van achteren naar voren, een groot podium vooraan en met choreografie.

De Gentse vla is nog niet op, het verhaal is nog lang niet af, maar de avond sluit de dag al in zijn armen en ik moet nog een heel eind terug naar het vlakke thuisland. Es hat mir diese einzigartige Dirigentin den Weg gezeigt. Mijn hoofd blijft echter hangen tussen zangerige glooiingen.

Top tien “van wat ik graag gedaan heb, doe of nog zou willen doen” Voor de vuist weg somt ze een aantal titels en componisten op – die lijst zal altijd onvolledig en ook aan wijzigingen onderhevig zijn. Ze vat uiteindelijk samen: “Ik maak graag thematische programma’s, zoals laatst bv. St. Humour met werk van o.a. John Kilpatrick (Cuttings from a Nonsense Book ), Chilcott (Fragments from Dish X 406… ) Verder hou ik erg veel van oratorium, van Barok tot hedendaags.” ^ // Ivo JACOBS

Om het twintigjarige bestaan van Kalliope te vieren, beginnen we met een kinderkoor: Kalliokids!

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 13


// meesters

‘Hebt gi Tinel, Edgar Tinel gehoord?’ De koormuziek van Edgar Tinel (1854-1912) ‘Je suis fou! J’ai fait la connaissance de Brahms, et Brahms m’a parlé!’ Zo noteerde een enthousiaste Edgar Tinel op 18 mei 1883 in zijn dagboek. Vier dagen later blokletterde hij in een brief: ‘C’EST LE PLUS GRAND HOMME DU SIÈCLE.’ Hij had toen in Keulen het Musikfest bijgewoond, met Johannes Brahms als centrale figuur en dat was een even ingrijpende belevenis als toen hij op zijn veertiende de derde sonate van Robert Schumann hoorde. Brahms en Schumann waren Tinels lichtende voorbeelden. Hij noemde hen, samen met Bach, ‘apostelen van het Ideaal.’ Tinel was een van die componisten uit het einde van de negentiende eeuw wiens idioom niet besmet was door het Wagnervirus. Hij erkende weliswaar Wagners genie, maar vanuit zijn strengkatholieke opvattingen verwierp hij zijn opera’s als amoreel. Tinel was een diepgelovig man, met een neiging tot mystiek (‘il était né mystique’, schreef zijn zoon Paul) en zijn oeuvre weerspiegelt dat. Hij schreef overwegend vocale muziek die indien niet liturgisch, dan toch bijna altijd religieus geïnspireerd was, zelfs al componeerde hij een muziekdrama. Als tweede directeur van het ‘Hoger Instituut voor Kerkmuziek’ in Mechelen was hij erg begaan met de studie van het gregoriaans en de restauratie van de kerkmuziek, als reactie tegen de secularisering van de liturgische muziek. Daarmee was hij een aanhanger van het Caecilianisme, een van oorsprong Duitse reformbeweging die de eigentijdse, geprofaniseerde kerkmuziek verwierp en, streng in de leer, terugreep naar het Palestrina-idioom. Opvallend is wel dat Tinel niet altijd zijn lyrische tempera-

14 // stemband

ment in bedwang wenste te houden en zijn liturgische werken een romantische adem meegaf. Waarmee in grote lijnen het esthetische en ideologische kader is geschetst waarbinnen Tinels koorwerken te situeren zijn. Nadat hij in zijn Romeprijs-cantate Klokke Roeland (1877) overtuigend had aangetoond grote koorpartijen te kunnen bemeesteren, volgden (gelegenheids)werken als de openluchtcantate voor de inauguratie van het standbeeld van Pater De Smet in 1878 in Dendermonde, de Huldezang aan Hendrik Conscience (koor en orkest), Vlaamsche stemme, Studentenlied (mannenkoor a capella) en Bij het opkomen der zon (sopraan, vrouwenkoor en orkest). Twee werken uit die periode springen er door een levendige en efficiënte koorbehandeling uit: Drie ridders (bariton, koor en orkest) en vooral Kollebloemen (tenor, koor en orkest), geschreven voor het congres van het Davidsfonds in 1879 in Leuven. Meer dan waarschijnlijk is de geslaagde tekst van Pol De Mont een reflectie op enkele vreselijke oorlogen uit de jaren 1860-1870, zoals de Amerikaanse Secessie-oorlog, de PruisischOostenrijkse oorlog en de Frans-Duitse oorlog. Maar retrospectief is het moeilijk om Kollebloemen niet te zien als een profetische prelude op de ‘Groote Oorlog’. Na het orkestraal voorspel zingt de tenor mezza voce: ‘Tussen de tarwe, in de zomergloed / bloeien de kollen [klaprozen] rood gelijk bloed!’ En het koor besluit: ‘Bloeiend, blozend zongen de kollen hun profetisch lied / binders en maaiers zijn gekomen, ach! En zij verstonden ’t niet! / Bloeiend, blozend komen ze ’t zingen elke zomer jaar bij

jaar / ach! hun bloedige profetieën zijn maar altijd al te waar!’ Tinel had zijn naam gevestigd en in 1881 werd hij aangezocht als opvolger van Jacques Lemmens. En de functie maakt de man: waar hij zich in zijn beginjaren als componist toch had geëngageerd in de Vlaamse muziekbeweging, schreef hij in zijn beginjaren als directeur van het Lemmensinstituut zijn eerste motetten (voor mannenkoor en orgel en voor gemengd koor en orgel). Dat hij een eigen, minder rigoureuze invulling gaf aan het Caecilianisme, blijkt uit een recensie van Franz Witt, de grondlegger van de Allgemeiner Deutscher Cäcilienverein (geciteerd door Paul Tinel in zijn monografie Edgar Tinel uit 1946): ‘Si vous voulez savoir comment écrit un homme de goût et un homme de science, voyez l’op. 31 d’Edgar Tinel. S’il n’écrit pas à la Palestrina, il écrit à la Bach. Prenez leçon de lui ! Nous autres, Allemands, nous savons bien apprécier les compositions des Belges, des Hollandais, des Irlandais, etc., même quand ils n’écrivent pas à la Palestrina, pourvu qu’ils écrivent bien.’ Nadat hij van een lang aanslepende ziekte voorlopig even was hersteld, schreef Tinel in 1883 als dankzegging een Te Deum voor vierstemmig gemengd koor en orgel. Ook hier leidt het strakke contrapunt nergens naar de voor het Caecilianisme typische droogheid. In 1884 leerde Tinel Guido Gezelle kennen, een ontmoeting die resulteerde in drie excellente koorcycli op teksten van de priester-dichter. De zes Geestelijke gezangen voor vierstemmig gemengd koor a capella schreef Tinel


// Edgar Tinel

in afwachting van een bedevaart naar Lourdes. Ter plekke componeerde hij zes Marialiederen en later dat jaar voegde hij er vier Adventsliederen aan toe. In 1887 schreef hij, eveneens op tekst van Gezelle, het koor Vridag (gemengd koor en piano), ter ere van de Brugse helden Breidel en De Coninc. Ondertussen werkte hij gestaag aan zijn magnum opus: de muzikale hagiografie Franciscus die op 22 augustus 1888 in Mechelen in wereldpremière ging. Tinel dirigeerde en Helen Lemmens-Sherrington, de weduwe van zijn voorganger Lemmens, vertolkte de sopraanpartij. (Een half jaar later in de Muntschouwburg zong de legendarische Nellie Melba die rol). Met de actieve steun van uitgeverij Breitkopf & Härtel begon Franciscus een jaar later aan een indrukwekkende tournee rond de wereld. Er waren jaren dat het oratorium dertig keren werd uitgevoerd. Het mythische cijfer van duizend opvoeringen vóór 1914, dat in sommige publicaties wordt vermeld, zal té optimistisch zijn, maar vele honderden opvoeringen haalde het werk alleszins. Zó veel dat Tinel ergens in de jaren 1890 verzuchtte: ‘Entendre Franciscus est devenu quelque chose d’intolérable pour moi. Le diriger, à la bonne heure. Au moins les autres l’entendent alors avec les vrais mouvements, les seuls.’ Wereldoorlog I – het échte einde van de 19de eeuw – legde de internationale triomftocht van Franciscus onherroepelijk stil. Dat grote succes zou hij met de muziekdrama’s Godelieve (1892-1897) en Catharina (1899-1908) niet meer kunnen benaderen. Tussendoor componeerde hij in 1889 een Alleluia (vierstemmig mannenkoor en orgel) ter ere van kardinaal-diaken Goossens, waarin deze keer niet Bach, maar Händel doorklinkt. In dezelfde jubelende

toon componeerde Tinel Psalm XXIX, die een Nederlandse vertaling van Lodewijk De Koninck meekreeg. Dit werk voor mannenkoor was bedoeld voor een koorconcours in 1890 in Aken, zoals zijn zetting van Psalm VI een jaar later het plichtstuk was voor een koortornooi in Keulen. In 1892 schreef hij met zijn Messe à cinq voix misschien wel zijn meesterstuk. Tinel hanteert daarin een bijzonder soepele polyfonie en hij weet met een a a-capellakoor een enorme zeggingskracht te genereren. Hij slaagt er ook wonderwel in om de eeuwenlange traditie van de religieuze vocale muziek te verzoenen met de verworvenheden van het einde van de negentiende eeuw. Dat deed hij nog eens over met zijn tweede Te Deum, dit keer met orkestbegeleiding, dat hij in 1905 componeerde op vraag van de regering ter gelegenheid van 75 jaar onafhankelijkheid. Hij was zeer bezorgd om het orkest in de kerk sober te laten klinken en geen concessies te doen aan de ‘concertstijl’. Zo gebruikt hij geen solisten, zorgt hij

zo veel mogelijk voor een syllabische woordplaatsing, vermijdt hij woordherhalingen en haalt hij het thematisch materiaal uit het gregoriaanse Te Deum. Binnen het beperkende kader van het Motu Proprio, dat hij overigens met volle overtuiging onderschreef, wist hij dat werk een grote expressieve kracht mee te geven. Zijn laatste koorwerk schreef hij in 1907: Psalm CL bedoeld voor de plechtige intrede van kardinaal Mercier. Het is een bijzonder lyrisch werk met een jubelend slot-alleluia. Dat Tinel droomde van een uitvoering door meer dan duizend mannenstemmen en een orgel met driehonderd spelen, geeft toch wel een ander beeld van Tinel als strenge en sobere (kerk)componist ^ //Jan Dewilde Bibliothecaris   Koninklijk Conservatorium Antwerpen Studiecentrum voor Vlaamse Muziek

‘Je suis fou! J’ai fait la connaissance de Brahms, et Brahms m’a parlé!’ driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 15


// LITURGISCHE MUZIEK

Prima le parole, poi la musica In de vorige editie van Stemband gaven we een eerste aanzet waarom sommige liederen gewijzigd werden in de nieuwe Zingt Jubilate. Hieronder gaan we nog een stapje verder.

De melodische behandeling De melodische behandeling – in alle strofen – van één welbepaald woord kan een aanwijzing geven voor het tempo van het lied. ZJ 130: Tastend langs de wand als blinden De tekst is in elke strofe opgebouwd uit een tegenstelling: iets wat negatief of niet af is, zal hopelijk een positieve wending krijgen. blinden – licht vinden // dromen – vrede zal komen // laarzen en stok – zullen roken en verdwijnen // enz. De onderstreepte woorden of lettergrepen krijgen in de melodie twee verschillende noten op één lettergreep: een vierde en een halve waarbij de tweede helft van de halve syncopeert. Die aparte muzikale behandeling trekt de aandacht op het betreffende woord. Bij het bepalen van een basistempo voor de uitvoering van dit lied lijkt het me best om te vertrekken van de realisatie van de twee laatste regels met de syncope als aandachtspunt. Zingt men te vlug, verdwijnt het mooie effect van de syncope, en indien te traag, riskeert men een onnatuurlijke beklemtoning van het tweede deel van de overgebonden noot. Een puls van ongeveer 60 voor een halve biedt een goed uitgangspunt voor een mooie realisatie. ZJ 212: Uit uw hemel zonder grenzen De vocalise op de woorden of de lettergrepen weerloos, voorbijgaat, dood, vrede, nieuw, valt niet toevallig samen

16 // stemband

met de belangrijke woorden voor de inhoud in elke strofe. Ook in dit lied reikt de aparte muzikale behandeling met de vocalise een sleutel aan voor het basistempo. Een puls van ongeveer 60 voor een halve geeft ruimte voor een mooie vertolking van de vocalise en van de diepere inhoud van de tekst. Het lied is namelijk een meditatie op Filippenzen 2,6-8: “Hij die bestond in de gestalte van God heeft er zich niet aan willen vastklampen gelijk aan God te zijn. Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd; Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan een kruis.”

De toonaard De toonaard waarin een lied gecomponeerd is, kan, samen met de harmonische gestalte van de melodie, aanwijzingen geven voor het tempo. Liederen waarbij elke toon een andere harmonie aanbiedt, zal men langzamer moeten zingen dan liederen met meerdere tonen van op eenzelfde harmonie.  

DEEL 2

Twee voorbeelden: ZJ 111: Geen kracht meer om te leven De toonaard van fa-klein sluit volledig aan bij de inhoud van de tekst: de schets van een toestand van verlatenheid en wanhoop met de profetische vraag naar Gods redding en bevrijding. Een uitvoering met een puls van ongeveer   80 voor een vierde in een rustige driemaat brengt het karakter van de melodie het dichtst bij de tekstinhoud. ZJ 413: Dit is de dag In de oude Zingt Jubilate stond dit lied genoteerd in drie vierden naar analogie van wat in het Liedboek der Kerk en stond afgedrukt. In Gotteslob en in het Evangelisches Gesangbuch is het lied genoteerd in drie gepunte halven; zo ook in de nieuwe Zingt Jubilate. Enerzijds komt het vreugdevolle en het jubelende van de tekst veel sterker naar voren in een uitvoering met drie gepunte halven dan in een martiale trage drie vierden (zoals men het lied op veel plaatsen zingt). Anderzijds maakt de huidige notatie ook duidelijk dat meerdere tonen van de melodie eenzelfde harmonisatie veronderstellen.


// LITURGISCHE MUZIEK

Tempo giusto: over metrum, maat en tempo van kerkliederen Maatloze liederen De niet-metrische notatie van een aantal liederen moet voorkomen dat de uitvoerder in een schema van zware en lichte pulsen gaat denken, dat opgelegd wordt vanuit het metrum. Dat suggereert de uitvoerder een voordracht die zich volledig door de tekstritmiek laat leiden. Men stelt zich de melodie best heel lineair voor zonder metrische pulsen en volledig gedragen door de tekstritmiek. Enkele voorbeelden: ZJ 104: Kom tot ons, de wereld wacht De melodie staat in het Evangelisches Gesangbuch niet gemensureerd genoteerd en met de notatie gehalveerd in vergelijking met de oude Zingt Jubilate. Die notatie neemt de nieuwe Zingt Jubilate over, en dat suggereert de uitvoerder om de tekst sprekend te zingen. Een pedagogisch hulpmiddel om dat te realiseren kan zijn: de tekst eerst uit te spreken in het genoteerde ritme en hem daarna te zingen op de genoteerde melodie terwijl men één of beide handen bij elke regel langzaam in een vloeiende beweging laat stijgen. Dat wekt de suggestie van één lijn, waarop men de tekst rustig kan vertolken. ZJ 109: Er komt gehoor voor onze nood Soms kan het helpen om een lied door te zingen met verschillende metronoomwaarden als puls. Al vlug voelt men of de melodische en tekstaccenten samenvallen en voelt men ook of de voordracht de tekstinhoud een kans biedt. Bij dit lied stel ik voor om het eens uit te proberen met een puls van 60, van 72 en van 80 voor een halve. Voor mij persoonlijk biedt een puls van ongeveer 72 voor een halve de beste mogelijkheid om een rustige tekstdeclamatie te realiseren. Daarbij kan men de vocalise in regel drie op het woord ‘zie’

mooi realiseren samen met de functie van het woord in de totale zin: de aandacht richten op wat erna gezongen wordt. We moeten erop te wijzen dat in dit lied een onregelmatige afwisseling van pulsen van halven en gepunte halven voorkomt. De tekstritmiek bepaalt die volledig. De boogjes boven de notenbalk in de afgedrukte partituur geven de plaatsen aan waar vanuit een gepunte halve moet worden gedacht. ZJ 379: Door wat voor grote eenzaamheden Om bij deze meditatie op het gebeuren in Hof van Olijven de tekstinhoud best tot zijn recht te laten komen, lijkt mij een tempo van ongeveer 60 voor een puls van een halve aangewezen. Ook hier krijgen we een onregelmatige opeenvolging van pulsen van halven en gepunte halven. Het is in dit lied wel belangrijk erop te wijzen dat niet elke strofe gelijk loopt. Het is de tekstritmiek zelf die bepaalt waar de pulsen van een halve of een gepunte halve komen. Op de afgedrukte partituur zijn de gepunte halven met een boogje boven de notenbalk aangeduid. In de vierde strofe is dat schema anders, omdat bij het woord ‘vernedert’ het accent niet valt op de eerste lettergreep maar op de tweede.

Tot slot Bij het bepalen van een uitvoeringstempo spelen ook nog andere factoren mee, waar ik hier niet op inga: de grootte van de ruimte en haar akoestische eigenschappen, het aantal zangers en hun kwalitatieve mogelijkheden, de mate van bekendheid van het lied,… Ik hoop dat dit artikel een aanzet mag zijn om kerkliederen eerst te analyseren naar tekst en melodie vooraleer men een beslissing neemt over interpretatie en uitvoering. // IGNACE THEVELEIN

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 17


// CD

CD O Sacrum Convivium Sacred Music from romantic Flanders, vol 1

‘Geen rijker kroon dan eigen schoon’, zo zou men deze merkwaardige CD van Capella Ss Michaelis & Gudulae uit Brussel, geleid door Kurt Bikkembergs en met Bart Jacobs aan het orgel, kunnen typeren. In O Sacrum Convivium. Sacred Music from romantic Flanders, vol.1 worden tweeëntwintig vergeten religieuze kooren orgelparels uit de Post-Romantiek op een voortreffelijke wijze ten gehore gebracht. Deze zettingen voor koor en orgel zijn grotendeels verdwenen uit het repertoire van de kerkkoren. Met dank aan Rome dat in het concilie van 1963 met één trek, naast het Gregoriaans, ook deze prachtige Latijnse motetten en missen uit onze kerken heeft verbannen. Deze kleinere koorpareltjes stellen minder eisen aan middelen en uitvoerders. Ze kunnen daarom ook uitgevoerd worden door de meeste betere (parochie-) koren en – niet te vergeten – begeleid worden door een goed organist. Geboeid heb ik geluisterd naar deze uitstekend geprogrammeerde CD. Bikkembergs koos met veel zorg en verfijnde muzikale smaak uit de rijkdom van het Vlaamse Post-Romantische repertoire. Buiten één wondermooi en verstillend a capellamotet O sacrum convivium van Jules Van Nuffel, werden alle werken geschreven voor koor en orgel. Ivo Mortelmans (1901-1984),

18 // stemband

Jules Van Nuffel (1883-1953), Staf Nees (1901-1965), Lodewijk De Vocht (1887-1977), Emiel Wambach (18541924), Firmin Van de Velde, August De Boeck (1865-1937) zijn verantwoordelijk voor de muziek. Met opzet vernoem ik ook hun geboortejaar en sterfjaar. Door hoe weinig Vlaamse koorleiders zijn zij nog gekend? De beluistering van deze CD zal hen wellicht aanzetten hun repertoire in die richting uit te breiden en dit genre daadwerkelijk terug op hun kookprogramma’s te plaatsen. Kurt Bikkembergs zorgt met zijn koor voor een gave, zuivere en muzikaal uitgebalanceerde uitvoering. Bart Jacobs begeleidt bijzonder kleurrijk op het orgel van de Brusselse kathedraal. De vocale werken worden tweemaal passend afgewisseld met boeiende orgelmuziek van Lodewijk De Vocht. Het koor, dat vooral wordt gedragen door de sopraanpartij, zingt met veel inlevingsvermogen. De mannenstemmen kunnen nog groeien naar een voldragen vocale maturiteit. Soms zou een iets grotere bezetting de balans ten goede komen. Bij het einde van Staf Nees’ Tantum ergo en in het slotdeel van het Credo uit de Missa Jesu bone pastor van Ivo Mortelmans, dreigt het koor te verdrinken in de terecht aangewende forsere ontplooiing van de orgelbegeleiding. Deze kleine vlekjes wegen zeker niet op tegen de geslaagde en zinvolle inspiratie van dit opzet. Met ongeduld wachten wij op een volgende opname met waardevolle Vlaamse koorwerken. Ze zullen zeker inspirerend werken voor de Vlaamse koorwereld en ertoe bijdragen dat onze eigen componisten weer ‘sant in eigen land’ mogen worden. ^ // ROGER LEENS


// concert

concert

Pieter Verheyen,

CD kort Deze CD Kort staat in het teken van het Requiem. Er is een nieuw Requiem van John Tavener op de markt en liefst twee recente opnamen van het Requiem van Verdi. Musique en Wallonie kwam met nieuwe prachtige uitgaven en in Duitsland stelt men een reeks voor, waarin de EuropaChorAkademie de hoofdrol speelt. De Engelse componist John Tavener bereikte al de pensioenleeftijd maar is even actief als vroeger, dat bewijst zijn Requiem voor soli, koor en orkest. Het werk werd vorig jaar gecreëerd en opgenomen. Tavener houdt van grote ensembles en muziek die veel sfeer, zelf mystiek, oproept. Het is ook dit keer zo in een vertolking van het Royal Philharmonic Choir and Orchestra o.l.v. Vasily Petrenko. (EMI) In mei 1874 dirigeerde Giuseppe Verdi zelf de première van zijn Messa da Requiem en dat was een groot succes. Tot op heden krijgt het werk, dat aan een opera doet denken, bijval. Op dit ogenblik zijn er een veertigtal realisaties in de handel en er komen er weer twee bij. Het London Symphony Chorus and Orchestra o.l.v. Colin Davis brengen het Requiem op eigen label. Het gaat om live-opnamen van twee concerten dit jaar in het Londense Barbican. (LSO Live) De andere live-realisatie van Verdi’s Requiem is door en door Italiaans. De bij ons goed bekende Antonio Pappano leidt het Coro e Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia. Het solistisch kwartet (Harteros, Ganassi, Villazón, Pape) is bij de Italianen sterker, het Engelse koor daarentegen zingt met minder vibrato in een koorklank die ons wat beter ligt. Pappano’s uitvoering is romantischer en ook uitbundiger, die van Sir Davis meer accuraat en gepolijst. U kiest zelf. (EMI)

een Gentse ontdekking

We blijven nog even bij de grote vocaal-instrumentale vormen. Onlangs werden op onze markt opnamen van de EuropaChorAcademie uitgebracht. Beide uitvoeringen worden door Sylvain Cambreling, destijds de voorganger van Pappano in de Munt, geleid. Met het SWR Sinfonieorchester stelt hij Das Paradies und die Peri van Robert Schumann voor en met het Filharmonisch Orkest van Luxemburg L’Enfance du Christ van Hector Berlioz. In beide gevallen gaat het om een zeer degelijke vertolking. (Glor Classics) Het nieuwste offensief van het oude label “Musique en Wallonie” is op zijn minst indrukwekkend. Het zijn musicologisch gezien interessante titels, de albums zijn bijzonder verzorgd, ook voorzien van Nederlandse teksten en de interpretatie is op zijn minst degelijk. Het Engelse vocaal ensemble The Clerck zingt op een dubbel-cd missen, motetten en liederen van Johannes Regis. Deze 15de-eeuwse componist was o.m. kapelmeester in de collegiale kerk van St.Vincent in het Henegouwse Soignies. (Musique en Wallonie) Het Choeur de chambre de Namur en het orkest Les agrémens o.l.v. Jean Tubéry, namen het oratorium Le martyre des Maccabées van Pietro Torri onder handen. Deze Noord-Italiaan schreef dit werk rond 1710 en het gaat om het eerste oratorium op een tekst in het Frans; een mooi album en goede uitvoering. (Musique en Wallonie) ^ // Mirek Cerny

Tegenwoordig worden nog zelden onbekende werken gevonden, laat staan componisten. en toch… Een concert in de Sint-Baafskathedraal te Gent leidt ons binnen in de werken van… Pieter Verheyen. Over die Gentenaar vinden we in encyclopedieën nauwelijks enkele zinnen. Hij werd in 1747 geboren als zoon van een kathedraalzanger. Ook hij zong als knaap in de Gentse en Brugse kathedraal. Later vinden we hem als zanger bij het reizend gezelschap De Vlaemsche Opera, waar hij niet minder dan honderd rollen vertolkte. Verheyen was tevens in dienst van de Gentse bisschop Lobkowitz en in 1808 was hij medestichter van de “Société Royale des Beaux-Arts”. Eén jaar later kreeg hij de opdracht een requiem te schrijven naar aanleiding van het overlijden van Joseph Haydn. In 1816 won hij de eerste prijs in een compositiewedstrijd met een cantate over de slag van Waterloo. Verheyen stierf arm in zijn geboortestad in 1819. Het concert in de Sint-Baafskathedraal was min of meer de activiteit van één man, de Gentse musicus Guido De Bruyker. Vic Nees vroeg zich terecht af waar de Vlaamse musicologen gebleven zijn, omdat de meeste ontdekkingen bij ons door musici zelf gebeuren. De Bruyker dook in archieven, liet van de gevonden werken moderne partituren maken, stelde een ad hoc koor en orkest samen en met een ploeg vrijwilligers verzorgde hij een perfect georganiseerd concert in het kader van de viering van 450 jaar bisdom Gent. “Uit mijn onderzoek blijkt dat Verheyen zich niet goed kon verkopen. Veel van zijn werken zijn ook verloren gegaan. Gelukkig is een groot deel van de religieuze muziek, vooral dan die van na 1801, bewaard gebleven,” zegt De Bruyker. Op het programma stonden de motetten Laudate Pueri (Verheyen schreef er

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 19


// CDkort

Letse Sola zonder concurrentie Internationale Koorwedstrijd van Vlaanderen-Maasmechelen, 2009

meer) en Miserere, het Kyrie en Gloria uit zijn Messe à grand orchestre, het Te Deum uit 1801 en het Lux Aeterna uit het Requiem in memoriam Joseph Haydn. Voor velen, mezelf inbegrepen, is de onbekende muziek van Verheyen een openbaring. Ik had niet zo’n hoogstaande en tegelijkertijd toegankelijke composities verwacht. De taal is classicistisch met een sterke dramatische lading en een verrassend rijke melodische lijn. De positieve indruk werd nog verhoogd door de geslaagde uitvoering. Bij de solisten domineerden de vrouwen, zowel de sopraan Hilde Coppé als de mezzo Inez Carsauw hebben mooi gekleurde herkenbare stemmen. Tenor Philip Defrancq heeft echter weinig persoonlijkheid en de stem van de bas Yu-Hsiang Hsieh is te volumineus voor deze muziek. Het ad hoc samengestelde kamerkoor De Restauratie gaf de talrijke koorpartijen veel glans; jammer dat het door de opstelling niet in ideale balans met het aandachtig spelend orkest (historische instrumenten) was. Guido De Bruyker leidde het geheel met kennis van de partituur en verdient trouwens veel lof voor dit prachtige Verheyen-project. Hij kreeg van de volgelopen Sint-Baafskathedraal (met o.m. Vic Nees, Kamiel Cooremans en Jos Vandenborre) een verdiend applaus. Werken van Verheyen zullen binnenkort met dezelfde uitvoerders op cd verschijnen (te bestellen: www. verheyen2009.tk); aanbevolen! Tot slot toch een vraagje: waar waren de verslaggevers van de “kwaliteitskranten”? ^ // Mirek Cerny

20 // stemband

De 10de editie van de tweejaarlijkse Internationale Koorwedstrijd van Vlaanderen-Maasmechelen, werd door het jeugdkoor en het vrouwenkoor Sola(s) van de cultuuracademie uit de Letse hoofdstad Riga beheerst. Beide koren wonnen in hun categorieën en het gemengd koor werd door de internationale jury ook tot beste koor van de wedstrijd uitgeroepen. Opvallend waren de schitterende resultaten van de drie Vlaamse koren: het vocaal ensemble Reflection uit Antwerpen werd tweede bij de gemengde koren en ook het beste Vlaamse koor, Makeblijde uit Zele wonnen de 2de prijs in de categorie gelijkstemmige koren en kregen de prijs voor de beste uitvoering van het verplichte werk en het vocaal ensemble Cantando uit Ekeren ontving in zijn categorie de   3de prijs. De 3de prijs bij de gelijkstemmige koren ging naar het Bulgaarse kamerkoor Te Deum Adoramus uit Sofia. Het publiek was het eens met de jury o.l.v. Kurt Bikkembergs en gaf zijn publieksprijs eveneens aan het jeugdkoor Sola uit Riga. Ook de twee Duitse gemengde koren uit Weimar en Mannheim, het Deense kamerkoor uit Arhus en het Wit-Russische vrouwenkoor uit Minsk, vielen op uit de 16 geselecteerde koren uit Europa en Azië. De tweejaarlijkse wedstrijd in Maasmechelen behoort wat het artistieke niveau, de organisatie en belangstelling betreft,

tot de top tien in Europa. Het stijlvolle openingsconcert door Currende o.l.v. Erik Van Nevel dat werken van Henry Purcell en tijdgenoten vertolkte, paste in dat kader. Bij een koorwedstrijd horen verplichte werken, dit keer gecomponeerd door de Limburgse componist Ludo Claesen en dat was een meevaller. De kwaliteit en kwantiteit van koren en koordirigenten in de Baltische landen is alom bekend, de overwinning van de formaties uit Riga was dan ook geen echte verrassing. De sterke prestatie van koren uit Vlaanderen die alle deelnemers, op de Letten na, overtroffen, zijn voor een groot deel het werk van hun dirigenten Patrick Windmolders, Filip Haentjens en Luc Anthonis. Hopelijk zal deze trend zich ook in de toekomst doorzetten. Een andere aangename verrassing was dat de meeste gemengde koren meer mannen dan vrouwen telden. Is de acute schaarste aan mannenstemmen voorbij of was het maar toeval? Zeker is dat dankzij het hoge niveau van de deelnemende koren – vooral dan op de 2de wedstrijddag – de sfeervolle proclamatie in de grote hal van het cultuurcentrum, de perfecte organisatie en het wondermooie weer, de aanwezigen in Maasmechelen een zeer geslaagd koorweekend beleefden ^ // Mirek Cerny


// genre

AANVAL Ik herinner mij scènes uit de jeugdbeweging waarin wij ongeduldig zaten te wachten op het signaal om toe te tasten. “Val aan!” riep de leider en een bos handen stortte zich op de frieten. Jeugdbewegingen hebben dikwijls iets militairs. Het metaforisch gebruik van het woord aanvallen suggereert dat frieten een soort vijandig voedsel zijn. Het moet onverhoeds veroverd worden om het vervolgens met de tanden vermorzeld te worden. Vandaar dat jongens zich storten op frieten. De woeste agressiviteit waarmee een aanval wordt geassocieerd staat in fel contrast met het vredevol inzetten van een gezongen zin. Een zin wordt inderdaad ingezet. Het is alsof wij onszelf inzetten om een zo gaaf mogelijke benadering van de muzikale zin te realiseren. Een zin inzetten. Alleen al het allitererende zachte gezoem van de z staat borg voor een liefdevolle verklanking. Niemand te vroeg. Liever wat te laat dan voorop. Liefst allemaal samen, zo ongemerkt mogelijk, nog net op tijd.   Zo zetten wij zinnen in, beleefd en toegewijd. Niet zo onze Franse broeders. Als zij een zin inzetten, hebben ze het over attaquer une phrase. Inderdaad, de onverhoedse aanval die wij vroeger uitsluitend voor onze frieten reserveerden, wordt hier argeloos op een vocale zin toegepast. Zij zijn er zich niet van bewust dat ze daarmee hun visie op muziek verraden. Muziek is iets dat moet worden overwonnen. Koste wat kost, door solfège en vocale drill. Niets van een zoete inzet, geen weke aanzet. Alle aandacht is gericht op een stoere en flinke attaque. Zij storten zich op de zin als op een vijand die ze vocaal eronder moeten krijgen. Dat gebeurt niet zonder slag of stoot, zonder glottisslag of ademstoot, maar finaal zijn zij de overwinnaars. Inzetten is goed voor ons, koele noorderlingen, maar een slotakkoord afzetten doen ze in het zuiden net als wij. Ik kies de attaque van de Franse koren omdat het onze buren zijn. Ik had net zo goed het attaccare van de Italianen kunnen vermelden als het atacar van de Spanjaarden. Ten aanval, zoals de Italianen op hun pasta’s en de Spanjaarden op hun stieren. Hun terminologie heeft altijd iets te maken met voedsel of vechten. Wij daarentegen staan het kortst bij de Duitsers: fressen en schießen reserveren die voor honger en oorlog, voor muziek houden zij het bij het beschaafde einsetzen. Een zin die met een klinker begint voorzien zij zelfs van ein weicher Einsatz. Wat een delicatesse in vergelijking met de ongenuanceerde attaque van de Latijnse volkeren. De opera is een Latijnse creatie. Er is iets merkwaardigs terug te vinden in de operapraktijk dat zijn oorsprong vindt in datzelfde taalgebruik: de chef d’attaque. Geen dirigent zoals je argeloos

zou vermoeden, maar een zanger. Operakoren stellen zich op en verplaatsen zich op aanwijzingen van de regisseur. Een aantal koorzangers kan af en toe de dirigent niet zien. Daarom is een betrouwbare zanger gepromoveerd tot chef d’attaque. Hij moet goed op tijd de zin aanvatten zodat op zijn attaque alle anderen veilig kunnen reageren. Die praktijk bestaat officieel wellicht niet meer, maar zo was het alleszins vroeger, niet eens zolang geleden. In kloosters, waar je het niet zou verwachten, bestaat die traditie ook. Daar is geen sprake van een chef d’attaque maar van een cantor. Vanzelfsprekend een zanger, wat niet impliceert dat de anderen niet zouden zingen. Bij antifonaal gezang wachten de monniken na elke zin vrij lang. Om in de volmaakte stilte opnieuw in te zetten is het geoorloofd dat de cantor het initiatief neemt. Hij is bijgevolg in de praktijk toch een chef d’attaque. In de opera worden koorzangers verondersteld een ernstige zangopleiding te hebben genoten. Dat kan van monniken niet verlangd worden, zelfs niet van een cantor. Als hij zinnen moet op gang trekken die beginnen met een medeklinker valt dat meestal wel mee. Mirabilia of benedictio komen er vrij ongeschonden uit. Woorden die met een klinker beginnen leveren gevaar op. Aeternae of innocens zijn kwetsbaar, maar hét grote struikelblok is Alleluia. Het woord komt buiten de vastenperiode onnoemelijk veel voor. Telkens ontploft die ongedesemde A met een glottisslag waarvoor je als leek nog nauwelijks barmhartigheid kunt opbrengen. De Engelsen zijn dan weer zo’n doortrapte koorzangers dat zij geen zinnen attaqueren, ze ook niet inzetten, maar ze gewoon laten starten. Gezongen zinnen starten daar op dezelfde wijze waarop hondenraces en regatta’s starten. Simpelweg op het startschot van de dirigent. To Start is dan ook een veel dubbelzinniger werkwoord dan inzetten of attaquer. Het heeft geen zachte inzet of geen agressieve attaque. De sissende aanzet van de S en de gedecideerde T verzekeren de Engelse zin van een aanhef die iets van beide karakteristieken vertoont. Dubbelhartigheid. Europa maar geen euro. Perfide Albion! Het voorgaande is misschien wat achterhaald. Het verwijst doorgaans naar historische tendensen die de twintigste eeuw niet overleefd hebben. Maar dirigenten die het Eurokoor gedirigeerd hebben kunnen getuigen dat het moeilijk blijft zangers uit diverse culturen gelijktijdig een zin te laten beginnen. Er zijn aardig wat valse starten van doen om ze bevredigend samen te laten vertrekken. Moet Europa niet strenger toekijken op de gelijkwaardige inzet van al haar aangesloten leden? ^ // Vic Nees

driemaandelijks tijdschrift van Koor&Stem // 21


Joy to the World

Koor & Harmonieorkest van het Lemmensinstituut o.l.v. Johan Van Bouwelen en Jan Van der Roost. De kerstliederen van de suite Joy to the World verschenen op CD. Verkrijgbaar bij Koor&Stem aan €15. Bestellen: www.koorenstem.be > Reportoire > Koor&Stem uitgaven 22 // stemband

koorenstem.be

Aan dit nummer werkten mee: Tom Eelen, Koenraad De Meulder, Erik Demarbaix, Jos Decloedt, Ivo Jacobs, Jan Dewilde, Ignace Thevelein, Roger Leens, Mirek Cerny, Vic Nees. EINDREDACTIE Jan Stofferis REDACTIEADRES Zirkstraat 36, B-2000 Antwerpen, T 03 237 96 43, F 03 248 16 05, info@koorenstem.be, www.koorenstem.be REDACTIERAAD Koenraad De Meulder, Erik Demarbaix, August De Groote, Ivo Jacobs, Monique Lesenne, Peter Leys, Urbain Van Asch en Patrick Van Looy   LIDMAATSCHAP Kooraansluiting: € 65, Individueel abonnement: € 20  Rek. nr. 735-0037517-63 t.n.v. Koor&Stem vzw DRUK Van der Poorten OPLAGE 2.700 ex. VORMGEVING apple-n, Brand-ink


stemband #4