Page 1

de schoonste kant van Ieper

Brochure naar aanleiding van de kantontmoetingsdagen ter gelegenheid van dertig jaar kantatelier De Kersecorf Ieper 1 en 2 september 2012

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

1


vorige pagina ← Kantwerkster op een onbekende plaats in Ieper (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


Voorwoord Ter gelegenheid van het dertig jarig bestaan organiseert het kantatelier van het dienstencentrum De Kersecorf kantontmoetingsdagen op 1 en 2 september 2012. Het programma is boeiend en afwisselend. Er is een kantmarkt, een stand over kant en filatelie, themawandelingen door de Gidsenkring, een beiaardconcert met kantliederen en twee tentoonstellingen: ’dertig jaar kantatelier De Kersecorf’ en ‘Kant in Ieper, vroeger en nu’. Voor deze tentoonstellingen wordt samengewerkt met ‘IEPER Verbeeldt’, het stadsarchief en Heemkring Iepers Kwartier. De voorbije 500 jaar speelde de Ieperse kant een zeer wisselende rol. Kant wijzigt van eenvoudige versiering van het laken, tot een luxeproduct voor de welgestelde klasse. Later krijgt de kantindustrie klappen waardoor kant evolueert naar een kunstvorm met eigentijdse realisaties en een kunstzinnige hobby. Heden ten dage maakt het deel uit van ons erfgoed. Vlaams minister van Cultuur Joke Schauvliege heeft het element ‘kant maken in Vlaanderen’ in 2011 op de Vlaamse inventaris voor immaterieel cultureel erfgoed gezet. Ook vandaag beoefenen veel Vlamingen dit kunstambacht. Er is een Vlaams expertisecentrum, de vzw Kant in Vlaanderen en er zijn heel wat verenigingen actief waaronder in Ieper kantatelier De Kersecorf en Ieperse Huiskant. Deze brochure bestaat uit drie delen: - de geschiedenis van kant in Ieper in een notendop. Dit verhaal wordt rijkelijk geïllustreerd met historisch beeldmateriaal. - een selectie van kantwerk uit de tentoonstelling dertig jaar kantatelier De Kersecorf. - een herdruk van een artikel uit 1972 van Octaaf Mus dat verscheen in de publicatie ‘Kloskant: gisteren en vandaag’. Sinds 1972 zijn er amper nieuwe publicaties rond kant en kantklossen in Ieper verschenen. Deze brochure komt dus niets te vroeg. We hopen van harte dat de kantontmoetingsdagen en deze brochure de interesse voor kant in Ieper kunnen aanwakkeren. Hopelijk volgt een bredere studie over dit boeiende onderwerp! Marieke Cloet, voorzitter OCMW Ieper Katrien Desomer, schepen van Cultuur Frans Lignel, schepen van Historisch Erfgoed

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

3


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER | 4


Het Ieperse kantverhaal

Kantwerkster in Ieper voor de Eerste Wereldoorlog (privécollectie).

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

5


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

6

Het Ieperse kantverhaal Kant als luxesymbool Het Ieperse kantverhaal begon in het eerste kwart van de zestiende eeuw. Ontelbare behendige en nijverige handen maakten het linnen steviger en mooier door een tandvormige kanten boord te voorzien. Kantwerk had in oorsprong een heel eenvoudig karakter. Pas in de tweede helft van de zestiende eeuw werd kant het symbool van elegantie, voornaamheid en rijkdom. Kant werd een luxeproduct en de aristocratie hield ervan zich te tooien -en te laten portretterenmet deze verfijnde creaties. In heel Vlaanderen kwam een heuse kantnijverheid tot stand. Het nieuwe ambacht vond gemakkelijk ingang in Ieper. Ondermeer door de teloorgang van de lakennijverheid draaide de economie op een laag pitje. Veel arbeidsters zaten zonder werk en de komst van kant bood gedeeltelijk een oplossing om het gezin te redden van armoede. De armzalige situatie van de vele werkloze arbeidsters maakte dat ze zwak in hun schoenen stonden. Handelaars bonden de kantwerksters aan zich door geld en levensmiddelen voor te schieten. Ze lieten ze werken tegen hongerlonen. Tijdens de achttiende eeuw bereikte kant zijn absolute hoogtepunt. Crisis in de kantsector Het einde van het ancien régime luidde een nieuw tijdperk in. De Franse Revolutie wijzigde de heersende mentaliteit en een luxeproduct als kant werd afgewezen. Kort nadien wakkerde de romantische periode de liefde voor kant weer aan. Kanthandelaars grepen terug naar oude tekeningen en herstelden kant heel even in zijn oude glorie. Maar de nieuwe industriële ontwikkelingen op het einde van de negentiende eeuw brachten de sector opnieuw in de problemen. De opkomst van machinaal vervaardigd kant zorgde voor prijsdalingen. Kant werd goedkoop en verloor daardoor zijn aantrekkingskracht bij de bourgeoisie.

volgende pagina ↗ Een Ieperse meubelmaker maakt kantkussens in Angers tijdens de Eerste Wereldoorlog. Elke ‘kantstad’ had zijn eigen model van kussen (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). ↘ Kantwerksters op een onbekende locatie in Ieper. De huizen achter hen liggen lager dan het niveau van de straat. Rechts staat een huis met een houten gevel (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

7


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER | 8


Handwerknijverheid kon enkel nog concurreren met de machinale imitaties door uitkering van nog lagere lonen. Te lage lonen, want niettegenstaande dat kantklossen proper en ongevaarlijk werk was, lieten de kantwerksters hun kantkussen links liggen om te gaan werken in de nieuwe, ongezonde en gevaarlijke fabrieken. Op vele plekken verdween het kantwerk‌ maar niet in Ieper. Integendeel, Ieper deed het steeds beter. De Valencienneskant onderging een aantal vernieuwingen waardoor het klossen vlugger ging en de kant nog beter beantwoordde aan de mode van toen. Ieper was op dat moment, samen met Brugge, een van de belangrijkste kantcentra. De Ieperse Valencienneskant met vierkante tralie bereikte een topniveau. Kantscholen Het kwaliteitsvolle Ieperse kantwerk was het resultaat van vele, goed opgeleide kantwerksters. In de achttiende eeuw werkten veel Ieperse vrouwen in de kantsector. De meesten kregen hun opleiding in de Lamotteschool. Met de oprichting van deze school hielden de stichters het nobele doel voor ogen om armoede en criminaliteit te bestrijden via onderwijs. Weliswaar was het aandeel gewoon onderwijs heel beperkt en kunnen we vooral van een werkschool spreken. Het duurde niet lang vooraleer de kanthandelaars het economische voordeel van dergelijke werkscholen inzagen. Ze zorgden voor grote voorraden kant aan lage prijzen en ze leverden goedkope en gedisciplineerde arbeidskrachten af. Ook hier schuilt het triest verhaal van sociale uitbuiting. Kantwerkscholen waren echte productiecentra waar kinderen tien tot twaalf uur per dag moesten werken. De leerlingen van de Lamotteschool kregen een deel van de opbrengst van hun werk mee naar huis. Een uitzonderlijke situatie, in de meeste werkscholen was dit niet het geval. De school verkocht het kantwerk aan de familie Begerem.

↖ Artikel over de Ieperse kant op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1867 (L’ Opinion 17/03/1867, p.2).

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

9


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

10

Van beroep naar kunst Na de Eerste Wereldoorlog paste kant als thuisarbeid niet langer bij de nieuwe levensomstandigheden. Mechanisatie, feminisme en een democratischer geworden maatschappij zorgden ervoor dat nog weinig jongeren kantwerkster als beroep kozen. De periode van kant als economisch rendabel product was voorbij. Nationale initiatieven tijdens het interbellum poogden de kantindustrie nieuw leven in te blazen. Tevergeefs, winst maken was niet langer realistisch. Maar dit betekende niet dat kant ten dode was opgeschreven. Spellewerken evolueerde van ‘beroep’ naar ‘kunst’. In de regio zijn enkele traditionele kantscholen blijven bestaan waardoor het hoog technisch niveau bewaard is gebleven. Tot 1969 behoorde kantklossen tot het lessenpakket. Een ministerieel besluit maakte daar een einde aan en onmiddellijk ontstonden er overal kantclubs en kunstacademies die de kunst van het spellewerken doorgaven. In Ieper werd het kantatelier De Kersecorf opgericht in 1982. Al dertig jaar lang komen vrouwen wekelijks samen enerzijds om de traditionele gekende ‘Ieperse Valenciennes’ te oefenen, anderzijds om samen na te denken over nieuwe tekeningen en opvattingen, kortom om te werken aan hun moderne kant. Katrien Goudeseune ↑ Visitekaartje van A. Van Nieuwenhove - Brunfaut, een belangrijke Ieperse kanthandelaar uit de 19de eeuw (privécollectie).

↗ Kanttentoonstelling in de Lamotteschool rond 1930 (stadsarchief Ieper). ↘ Leerlingen poseren bij hun kantwerk (stadsarchief Ieper).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

11

↗ Florence Robert uit de Sportstraat in Ieper (‘IEPER Verbeeldt’ HEU008507821).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

12

↑ De Brielenpoort, doodlopend steegje aan de oostzijde van de Veemarkt (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

13

↗ Kantwerksters nabij de vestingen (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). ↘ De Ligywijk, een van de eerste realisaties van het Koning Albertfonds na de Eerste Wereldoorlog (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER | 14


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

15


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

16

↑ De Harpestraat (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). vorige pagina ← Kantwerksters met een klossende man in hun midden. Het gebouw op de achtergrond is waarschijnlijk het slachthuis (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

17

↑ De Brielenpoort, doodlopend steegje aan de oostzijde van de Veemarkt (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER | 18


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

19

↑ Elverdinge. 1983 (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). ↖ Kantwerksters klosten meestal buiten. Veel licht en goede ogen waren noodzakelijk om fijn werk te leveren (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). ↙ Onbekende locatie in Ieper (privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

20

↗ Kantwerkster aan het werk binnenshuis. Om voldoende licht te hebben plaatste men een olie- of petroleumlicht achter een karaf met water. De ‘straale’ verdeelde het licht in de kamer (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). ↘ De Klaverstraat. 1926. (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).

→ Kantwerksters voor herberg ‘De Muis’ in de Rijselstraat. Links bevindt zich herberg ‘Ville de Roubaix’ en

rechts het Muizenstraatje dat naar de achterliggende huisjes van het ‘Houten Paard’ leidt (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

21


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

22

↗ Onbekende locatie in Ieper (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). ↘ Kantwerkschool in Zillebeke. 12 december 1911 (stadsarchief Ieper).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

23

↗ Onbekende locatie in Ieper (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). ↘ Onbekende locatie in Ieper. De lade in het kussen van de vrouw rechts dient om de afgewerkte kant in op te bergen (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

24

↑ Zuster Gertrude van de Lamotteschool klost een kelkdoekje. Dit kantwerk werd in 1907 aan paus Pius X geschonken naar aanleiding van zijn priesterjubileumfeest (stadsarchief Ieper).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

25

↑ Kelkdoekje van Zuster Gertrude van de Lamotteschool (stadsarchief Ieper).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER | 26


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

27


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

28

↑ Place du Tertre in Ieper op 15 augustus 1986 (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie). vorige pagina ← Kantwerksters op het voetpad voor herberg ‘Het Oud Kasteelhof’, schuur tegenover het Nazareth in de Rijselstraat. Links staat het Houten Huis (‘IEPER Verbeeldt’ privécollectie).


Tentoonstelling dertig jaar kantatelier De Kersecorf

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

29


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

30

↖ Wapenschild van de stad Ieper (Diane Maricou). ↗ Wapenschild van het OCMW (Julia-Andrea Mylle). → Binchekant met kantlied (Trees Pottel Logie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

31


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

32

↖ Brugs bloemwerk (Martine Deceur). ↗ Masker in Russische kant (Rose-Anne Deleye). → Iepers Valencienneskant (Martine Deceur).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

33


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

34

↑ Parijse kant, medaillon (Diane Maricou).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

35

↑ Ieperse Valencienneskant, medaillon (Diane Maricou).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

36

↑ Loper in stropkant. Ontworpen naar aanleiding van het dertig jarig bestaan van De Kersecorf (Maria Defever, ontwerp Martine Deceur).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

37

↑ Valencienneskant uit de 19de eeuw (privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

38

↑ Valencienneskant uit de 19de eeuw (privécollectie). → Vlaamse kant uit de 18de eeuw (privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

39


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER | 40


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

41

↑ Schoenen (Rosa Boerhaeve, stichtster van kantatelier De Kersecorf). ← Ieperse Valencienneskant (privécollectie).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

42

↗ Menenpoort (Roza Vanlede). ↘ Menenpoort (Leona Deleu).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

43

↑ Het voormalig logo van het In Flanders Fields Museum (Martine Deceur).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

44

↑ Het voormalig logo van het In Flanders Fields Museum (Leona Deleu).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

45

↑ Snoezepoes met kanten jurk (Leona Deleu).


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

46

↑ Minneke Poes. Gemaakt naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van De Kersecorf (Roza Vanlede).


Kant te Ieper in de 17e en 18e eeuw Octaaf Mus

Deze tekst is een ongewijzigde versie van een publicatie uit 1972. Er werden geen inhoudelijke noch taalkundige aanpassingen doorgevoerd.

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

47


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

48

Kant te Ieper in de 17e en 18e eeuw Octaaf Mus

Momenteel de geschiedenis van de Ieperse kantnijverheid schrijven is een utopie. Hiervoor ontbreekt het fondement, de noodzakelijke infrastruktuur. Wat weten we af van de ar­beids- en handelsorganisatie, lonen, onderlinge afspraken, kostprijs zowel van grondstof als afgewerkt produkt, produktiemetoden en produktiehoeveelheden? De sluier over deze inlichtingen werd nimmer opgelicht, zodat slechts enkele vage gegevens ter beschikking staan. Wel bestaan er een aantal goede algemene handleidingen, maar die fladderen zeer lichtzinnig over de diepere wortels van deze industrie 1. Men beschouwt de kant immers als een kunstnijverheid; de modefluktuaties zijn de belangrijkste aspekten 2. In de meeste monografieën vergeet men meestal dat achter het kantwerk één of meer kantwerksters schuilgaan. Deze vrouwen of meisjes werken voor een bepaald loon in bepaalde levens­omstandigheden. Welnu de meeste historici zijn het erover eens dat deze levensomstandigheden allesbehalve verheffend waren, integendeel... zonder er evenwel verder op in te gaan 3. De meeste bleven zich blind staren op het kunstwerk zodat nog in een recent opstel deze nijverheid geroemd wordt als “symbool van Vlaanderens volkse werklust en kunst­smaak” 4.

1  Voor deze algemene handleidingen verwijzen we naar het werk van M. J. VERBEKE, Kantwerk in België vervaardigd (Analytische bibliografie), Brussel. 1970, blz. VIII-XXVII (Verhandeling aangeboden tot het verkrijgen van de graad van Gegradueerde in de Bibliotheeken Documentatiewetenschappen, afdeling Bibliothecarissen. Provincie Brabant. Provinciale leergangen voor Bibliotheek- en Documentatiewetenschappen): in deze bladzijden wordt een overzicht van de belangrijkste binnen- en buitenlandse werken op het gebied van de kantnijverheid ge­boden. 2  Men behoeft slechts de hoofdstukken van een der standaardwerken na te slaan, om zich hiervan te vergewissen (BURY PALLISER, History of Lace, (London, 1910), blz. IX-X). 3  Loonstudies worden opgemaakt enkel in de perioden waarin de kantnijverheid in een malaise verkeert zoals b.v. in 1863 (H. VAN HOLSBEEK, L’Industrie Dentellière en Belgique. Etude sur la condition physique et morale des ouvrières en dentelles, Brussel, 1863). Het belangrijkste werk op dit gebied blijft nog: B. VERHAEGEN, La Dentelle Belge et la Broderie sur Tulle, (Brussel, 1902, 2 vol. Les Industries à domicile en Belgique, IV -V). 4  H. STALPAERT, West-Vlaamse kantwerkstersfolklore (Kortrijk, 1955).


In de kontekst van het huidige maatschappijbeleven -iedere tijd kan herbeoordeeld worden door ervaringen van een latere periode 5- en de uitspraak van J. K. Galbraith indachtig dat “niet het volume van de geproduceerde goederen van belang is, maar de kwaliteit van het leven”, dus niet “welvaart maar welzijn”, moet de kantnijverheid als een “Arbeid van de Honger” bestempeld worden, als een exploi­ tatie van de kantwerkster -en zoals we verder zullen zien ook van de armoededoor de ondernemer. Deze facetten inherent aan de kantnijverheid, zullen we in de volgende bladzijden trachten te belichten nl. de ­inplanting te Ieper en de impakt ervan op de bevolking. Om de relevantie van de inplanting te kunnen aantonen, moet een ekonomisch patroon opgebouwd worden, waarin de kant als onderdeel past. Het is niet een louter toeval dat de kant door onze streek aangetrokken werd en het is ook niet uitsluitend te wijten aan de “werklust” van onze Vlaamse vrouwen. Het geheel wordt beheerst door een kapitalistische visie, waarin de winst centraal stond. In de 15e eeuw had Ieper af te rekenen met een v­ ervallen textielnijverheid 6. De overwaardering van het goud t.o.v. zilver onder de Boergondische hertogen zal fataal zijn niet alleen voor de Ieperse, maar voor de ganse Vlaamse en Brabantse lakenindustrie 7.

5

N. ELIAS, Sociologie en geschiedenis (Amsterdam, 1971).

6  Forse daling van het produktiecijfer in het eerste kwart van de 15e eeuw (H. VAN WERVEKE, De omvang van de Ieperse lakenproductie in de veertiende eeuw, blz. 16 noot 35 (Antwerpen, 1967, Meded. Kon.Vl. Acad., kl. lett., IX, 2). 7  H. VAN DER WEE, The growth of the Antwerp Markt and the European Economy fourteenthsixteenth centuries), II, blz. 67-84 (Den Haag, 1963, 3 vol.); R. VAN UYTVEN, De omvang van de Mechelse lakenproductie vanaf de 14e tot de 16e eeuw, in Noordgouw, V (1965), blz. 117; O. MUS, De verhouding van de waard tot de drapier in de Kortrijkse draperie op het einde van de 15e eeuw, in Handelingen van de Société d’Emulation te Brugge, XCVII (1961), blz. 173.

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

49


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

50

Het afzwakkend dynamisme van de stedelijke nijverheid had ook ostentatieve gevolgen voor het Ieperse ommeland. Hier had zich langzamerhand (reeds vanaf het begin van de 14e eeuw) een nieuwe vorm van textielnijverheid gevormd, gebaseerd op een goedkope grondstof, reglementering en lage lonen 8. De produktie zou een groeiende afzet kennen in Oost-Europa 9. Iepers reaktie was uiterst krachtig in de 14e eeuw 10, doch werd passief in de 15e eeuw 11. Dit laatste wijst op een mentaliteitsverandering van de Ieperse kapitaalkrachtige bovenlaag. Het zwaartepunt van de kapitaalsinvesteringen is verlegd. Het kapitaal trekt zich wegens de geringe rendabiliteit terug uit de stedelijke nijverheid om in grond- en rentebezit omgezet te worden 12. Deze verschuiving is gemakkelijk na te gaan aan de hand van de status van de leden van de magistraat uit de 15e en 16e eeuw. Terwijl in het eerste kwart van de 15e eeuw nog 75% van de schepenen in handel en industrie betrokken waren 13, worden in 1521-1522 75% van hen aangeduid als “renteniers”, mannen die leefden van de inkomsten van grondbezit en renten 14.

8  H. VAN WERVEKE. Landelijke en stedelijke nijverheid, in Verslag van het Historisch Genootschap te Utrecht, 1950, blz. 46-47; E. COOR­NAERT, Draperies rurales, draperies urbaines. L’ Evolution de l’ industrie flamande au Moyen Age et au XVIe siècle in Belg. Tijds. Filologie en Geschiedenis, XXVII (1950), blz. 62-65. 9  H. AMMANN, Deutschland und die Tuchindustrie Nord-Westeuropas im Mittelalter, in Hansische Geschichtsblätter, 72 (1954), blz. 45-47; A. NAHLIK, Les techniques de l’ industrie textile en Europe Orientale du Xe au XVe siècle, in Annales. Economies. Sociétés. Civilisations, 26 (1971), blz. 1287. 10  B.v. tegenover Poperinge (N. DE PAUW, Ypre jeghen Poperinghe. Angaende den verbonden, Gent, 1899); tegenover Langemark (G. ESPI­NAS-H. PIRENNE, Recueil de documents relatifs à l’histoire de l’ industrie drapière en Flandre, III, blz. 3-16 (Brussel, 1906-1924, 4 dln). 11  Cfr. de Documents Généraux gepubliceerd door H. DE SAGHER e.a., Recueil de documents relatifs à l’ histoire de l’ industrie drapière en Flandre. IIe partie, vol. I, blz. 3-98 (Brussel, 19511956, 3 dln). 12  H. VAN DER WEE, The growth of the Antwerp Market..., II, blz. 84 en vlg. 13  Resultaten verwerkt in een nog ongepubliceerde studie. 14  Gegevens verstrekt in een rapport gedateerd 14 februari 1522 n.s. en opgemaakt ter gelegenheid van een inspektie van de voorraden graangewassen opgestapeld te Ieper (Brussel, Kon. Bibliotheek, fds Merghelynck, hs. 131bis).


En deze nieuwe elite wordt vanaf het midden van de 15e eeuw voortdurend aangevuld door immigratie van grondbezitters, die trachten te ontsnappen aan de onveiligheid en aan de steeds toenemende fiskaliteit op het platteland. In deze kontekst zijn de voortdurende moeilijkheden tussen stad en kasselrij te situeren; deze laatste zag immers een deel van haar inkomsten verdwijnen door het groeiend aantal Ieperse poorters-grondbezitters, die niet belastbaar waren 15. Deze nieuwe klasse zal de Ieperse stedelijke ekonomie tot aan de Eerste Wereldoorlog domineren. Na het dieptepunt van het begin der 16e eeuw 16, komt een nieuwe haussebeweging op gang rond 1550 met een inflatoire spiraal van graan- en grondprijzen 17. De immigratie van grondbezitters wordt voortgezet. De belangrijke meerinkomsten waarover deze klasse de beschikking krijgt, worden omgezet in verhoogde konsumptieve bestedingen, vooral in luxe-goederen 18.

15  De overeenkomst tussen stad en kasselrij Ieper dateert reeds van 6 september 1371 [L. GILLIODTSVAN SEVEREN. Coutume de la Salle et Chatellenie d’Ypres, II, blz. 65 (Brussel, 1911, 2 vol.)]. Op 24 juni 1446 wordt een akkoord getroffen met Bergen-Ambacht: “Eerst dat de poorters van Ypre wonende bin der selver steide en de scependomme van Ypre, van den goedinghen en de landen hemleiden toebehorende, gheleghen bin der voorseide Castelrie van Berghen, vrij zullen zijn van alle taillen en de zettinghen te betaelne metter vorseide Castelrie” [L. GILLIODTS-VAN SEVEREN. Sources et développement de la Coutume d’ Ypres, II. blz. 344-347 (Brussel, 1908, 2 vol.)]. De aantrekkingskracht van Ieper strekte zich dus uit tot Noord-Frankrijk. 16  J. DEMEY. Proeve tot raming van de bevolking en de weefgetouwen te Ieper in de 13e tot de 17e eeuw in Belg. Tijds. Filologie en Geschiedenis, XXVIII (1950), blz. 1045: een rekest van 1516 vermeldt dat op een bevolking van 10.000 zielen er 2.800 tot de bedelstaf zijn gedoemd. 17  Over deze cyklische beweging in de 16e eeuw, cfr. F. BRAUDEL­-F. SPOONER, Prices in Europe from 1450 tot 1750, in The Cambridge Economic History of Europe, IV. The economy of expanding Europe in the 16th and 17th centuries (Cambridge, 1967), blz. 378-486; F. MAURO, Le XVle siècle européen. Aspects économiques (Paris, 1966). 18  H. VAN DER WEE, Conjunctuur en economische groei in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de 14e, 15e en 16e eeuw, blz. 20-21 (Brussel, 1965. Meded. Kon. Vl. Acad., kl. lett., XXVII, 8); F. MAURO, Le XVIe siècle, blz. 269.

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

51


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

52

Dit legt ook uit waarom in het midden van de 16e eeuw een mogelijke inplanting van saai- en baai-nijverheid te Ieper geen grond raakte. Wie zou immers kapitaal willen investeren in een risiko-dragend bedrijf 19, terwijl ”grond” een veilig en risiko-loos element opleverde? De mislukking van dit initiatief doet de laatste dynamische krachten uit de stad wegvloeien.Deze trekken naar jonge textielcentra zoals Leiden 20. Deze medaille heeft echter ook een keerzijde. De lonen komen achter te liggen op de prijzen, zodat een strukturele armoede ontstaat nauw verwant aan pauperisme 21, dat in de tweede helft van de 16e eeuw een rauwe weerklank zal ­vinden 22. De noodlottige gevolgen van de uitbouw van een stedelijke ekonomie, waarin slechts enkele marginale nijverheden op zuiver ambachtelijk niveau zijn gelokaliseerd, komen duidelijk tot uiting in de 17e eeuw. Wanneer Europa vanaf 1640-1650 een lange B-fase tegemoet gaat 23, zijn er sprekende aanwijzingen voor het bestaan van een alles overwoekerend pauperisme in de stad.

19 De industrie kende in de 16e eeuw slechts een kostenstijging, geen groei van de winst (F. MAURO, Le XVIe siècle, blz. 269). 20 J. DEMEY, De mislukte aanpassingen van de nieuwe draperie, de saainijverheid en de lichte draperie te Ieper, in Tijdschrift voor Geschiedenis, 63 (1950), blz. 229-231. 21  Voor de bepaling van de term “pauperisme”, cfr. International Encyclopedia of the Social Sciences, XII, blz. 398 (New York, 17 vol.): “Pauperism describes a category of people unable to maintain themselves at all, or to maintain themselves at the level conventionally regarded as minimal without outside assistance”. 22  H. VAN DER WEE, Conjunctuur en economische groei, blz. 20-21. 23  Voor de bespreking van deze B-fase in de Europese ekonomie, cfr. F. BRAUDEL-F. SPOONER, Prices in Europe from 1450 ot 1750, in the Cambridge Economic History of Europe, IV, blz. 434437. Prof. Vanhoutte meent in Vlaanderen een hausse-trend waar te nemen tussen 1620-1670 [J. A. VANHOUTTE, Onze zeventiende eeuw “ongelukseeuw”, (Brussel, 1953..Meded. Kon. Vl. Acad., kl. lett., XV, 8)].


1. De sociale struktuur wijst op een breed uitgespreid proleta­riaat. De telling van de huizen in 1678 geeft een eerste aanwijzing: Begoede burgerij 419 of 20 % Kleine burgerij 508 of 23 % Proletariaat 1237 of 57 % 24 Deze gegevens worden bevestigd door de kapitatie of hoofdelijke belasting van 1710 25: Begoede burgerij 464 of 17 % (meer dan 10 lb. frans) Kleine burgerij 729 of 27 % (tussen 3 en 10 lb. frans) Proletariaat 1520 of 56 % (minder dan 3 lb. frans) 2. Het vrouwelijk overschot in de bevolkingsopbouw nl. 43 % mannen tegenover 57 % vrouwen in 1689 26. J. Verbeemen heeft afdoende bewezen dat dergelijke procenten enkel aangetroffen worden in gebieden met een lage levens­standaard 27 . 3. De kapitatie van 1710 bevat de opgave van ongeveer 900 personen, die het laagste bedrag nl. 1 lb. 5 s. frans moesten betalen en dit op een totaal aantal geregistreerden van 2.713. dus circa 1/3 28. Om een idee van de financiële positie van deze kategorie te krijgen hoeft men enkel de samenstelling van de juist daaraan voorafgaande klasse na te gaan nl. degene die het dubbel of 2 lb. 10 s.

24  Deze gegevens worden geput uit de preliminaria van een rapport over de toestand van de verdedigingswerken te Ieper in 1678 (Ieper, Sted. Bibliotheek, hs., f° 1). Het proletariaat wordt als volgt bepaald: “Petites maisons des ouvriers et autre menu peuple”. 25  Brussel. Alg. Rijksarchief, fonds Rekenkamer, “n 50.325. 26  J. VERBEEMEN, De werking van economische factoren op de stedelijke demografie der XVIIe en der XVIIIe eeuw, in de Zuidelijke Nederlanden, in Belg. Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, XXXIV (1956), blz. 682. 27  Ibidem, blz. 684. 28  Brussel, Alg. Rijksarchief, fds Rekenkamer, n° 50.325.

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

53


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

54

frans moesten betalen 29. Hun aantal is 557 en bestaat voor 3/4 uit huispersoneel. Met de wetenschap dat deze kategorie arbeiders en arbeidsters een laag loon hadden 30, kan men zich een beeld vormen van het uiterst labiel evenwicht waarin de 900 gezinnen uit de laagste klasse zich bevonden. Levend op de rand van de armoede, zakte hun inkomen bij de minste krisis beneden het levensminimum en was hulp van buitenaf noodzakelijk. 4. Uiteindelijk is de stabiliteit van het bevolkingspeil 31 het bewijs van een dalende welvaart 32. Daarbij was reallokatie van werkloze arbeiders een prakti­sche onmogelijkheid. De meeste ambachten waren ­éénmansbedrijven. Slechts een gering aantal sektoren weken van deze regel af nl. de bouw- (timmerlieden, metsers, dakwerkers) en de textielsektor (saaiwevers, drapiers, wolkammers) 33. Welnu beide groepen zijn uiterst konjunktuurgevoelig. Wanneer de bestedingen ingekrompen worden, worden arbeiders afgestoten, die door geen andere sektor kunnen geabsorbeerd worden 34.

29  Ibidem, f° 67 v° - 93 r°. 30  J. VERBEEMEN, De werking.... in B.T.F.G,. XXXIV (1956), blz. 1040 noot 1. 31  A. VIAENE, Bevolkingscijfers te Ieper, in Biekorf, 52 (1951), blz. 258-260. 32  J. VERBEEMEN, De werking..., in B.T.F.G.. XXXIV (1956), blz. 1034. 33  Resultaat van de bewerking van de telling van 1685, in afschrift bewaard te Brussel, Kon. Bibl., fds Merghelynck, hs., 132, 2dln onder de titel: Copie méthodique du recensement détaillé de la population de la ville d’Ypres, ordonné par S. M. très Chrétienne le roi Louis XIV vers 1685 :

timmerlieden: metsers: dakwerkers : saaiwevers: drapiers: wolkammers:

52 patroons 34 patroons 2 patroons 71 patroons 7 patroons 37 patroons

23 knechten 67 knechten 6 knechten 23 knechten 12 knechten 4 knechten

34 Zie de klacht van de saaiwevers in 1680 bij J. DEMEY, De mis­lukte aanpassingen..., in Tijd. Gesch., 63 (1950), blz. 233.


Het zijn juist de bestedingen, die het labiele evenwicht zullen bepalen. Dit treedt duidelijk te voorschijn in de sterke bezetting van de bouw-, schoen-, kledings- en leerlooiersbedrijven 35, die een gevolg zijn van de aanwezigheid van een kapitaalkrachtige burgerij. Deze -grotendeels levend van de inkomsten uit grondbezit- moet haar uitgaven na 1650 verminderd hebben. De weerslag ervan werd gedeeltelijk verzacht door het militair-industriële apparaat, dat een belangrijk onderdeel van de stad zou vormen tijdens de komende 100 jaar 36. Deze verzachtende omstandigheid zal echter in het begin van de 18e eeuw geëlimineerd worden door de emigratie van een deel van de begoede burgerij wegens een groeiende stedelijke fiskaliteit 37. Het rapport van 1750 bevestigt ten overvloede deze ten­dens 38. De burgerij heeft nimmer aandacht geschonken­-misschien stelselmatig, misschien door letargie 39- aan een dynamisch industrieel beleid. De regionale gevolgen hiervan zijn zichtbaar: Brugge met zijn wijdvertakt kanalennet kon een rijk hinterland (Antwerpen, Brussel) bestrijken, zodat Oostende in de 18e eeuw tot nationale haven kon evolueren; Ieper, eindpunt in een verarmde streek, dwong Nieuwpoort als vissershaven te vegeteren.

35  Schoenmakers: 63 patroons 3 knechten Leerlooiers: 22 patroons 21 knechten Kleermakers: 83 patroons 1 knecht (Brussel, Kon. Bibl., fds Merghelynck, hs. 132, 2 dln). 36  B.v. de bouw van de reusachtige vesting leper door Vauban in 1680. Zie ook de opmerking van de ontvanger-generaal aan de Raad van Financiën op 21 oogst 1758: ”Le seule ressource est une garnison de 2 à 3 mille hommes et la résidence d’ un état major” [J. PIETERS, Nijverheid en handel te Ieper in de jaren 1750-1780, in Album Viaene (Brugge, 1970), blz. 278]. 37 J. PIETERS, o.c. blz. 278. 38  Ibidem, blz. 277-278. 39 Zie mijn inleiding van de kataloog van de tentoonstelling Verzame­ling Daniël Tack, in het Stedelijk Museum te Ieper (leper, 1967), blz. 3-5.

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

55


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

56

Stad en streek vormden zo een vruchtbare voedingsbodem voor de inplanting van de kantnijverheid. Kant komt in de loop van de 16e eeuw -mede als gevolg van de verhoogde bestedingen aan luxe-goederen door een begoede burgerij zoals hoger gezegd- op ruime schaal aan bod in de kledij 40. Het ligt voor de hand dat deze arbeidsintensieve nijverheid met sterk gedrukte lonen gemakkelijk ingang kon vinden in het Ieperse, waar een uitgebreid arbeidsterspotentieel voorhanden was. Het was inderdaad een ideale oplossing voor de koopman of koopvrouw en een noodoplossing voor de arbeidster. Alleenstaande vrouwen 41 en meisjes worden aan het werk gezet zodat een supplementair inkomen het gezin van een totale armoede redt. Kant heeft een gedeelte van het Vlaamse land behoed voor een volledige ondergang zoals de aardappel Ierland redde tijdens de hongersnood van 1839. Het hooggeroemde kantwerk is niets anders ge­weest dan de laatste redplank van een samenleving, wie het water tot aan de lippen stond. Bij gebrek aan ook maar het minste eigen kapitaal, was de kantwerkster in alle opzichten van de koopman afhankelijk: grondstof en patroon werden door hem geleverd; de afgewerkte kant werd hem tegen een hongerloon geleverd. Deze minimale, beneden het levensminimum liggende lonen vindt men in de 18e eeuw nog te Brugge 42.

40 L. PAULIS, Tentoonstelling Belgische Kant van de 16e eeuw tot heden (Brugge, 1947), blz. 8-10; BURY PALLISER, History of Lace, blz. 109-111. 41  J. VERBEEMEN, De werking..., in B.T.F.G., XXXIV (1956), blz. 1036 1037. 42  P. BONENFANT, Le problème du paupérisme en Belgique à la fin de l’Ancien Régime (Brussel, 1934), blz. 49. Cfr. de beschrijving van het dagelijks menu van een Brugse kantwerkster door Derival: melk, bruin brood en een klompje boter.


Daarbij werden praktijken gebruikt als het voorschieten van geld en levens­ middelen door de ondernemers, waardoor de kantwerkster voor haar verdere leven aan dezelfde ondernemer gebonden was 43. Dergelijke praktijken komen te Ieper nog voor in de 19e eeuw 44. De impakt van deze nijverheid op de bevolking was geweldig. Te Antwerpen heette deze nering in 1738 “de principaalste fabrique”45. Voor Ieper zijn de cijfers van de telling uit 1684 voorhanden: 3 meesteressen en 63 kantwerksters 46. Deze cijfers zijn echter misleidend, omdat alleen fulltime en volwassen arbeidsters er in opgenomen zijn. Een deel van hen werkte echter met meisjes, zoals in het geval van de juffrouwen Isabella Catheline en Anna Theresia Douchelet, die in een rekest van 17 juni 1719 aan de Ieperse magistraat verklaarden te werken met 12 à 15 meisjes 47. En er waren -volgens de gegevens van 1678- op dat ogenblik ongeveer 1.411 ongehuwde meisjes ouder dan 14 jaar beschikbaar 48. Men kan geredelijk aanvaarden dat een groter deel van de vrouwelijke bevolking dan hogergenoemde s­ tatistiek laat vermoeden in deze “kunstnijverheid” was ­tewerkgesteld 49. Dit komt nogmaals tot uiting in 1750 wanneer de verkoop van kant terugloopt 50; de overheid is verplicht p ­ rojekten te lanceren om de spanningen op te vangen 51.

43  J. A. VANHOUTTE. Economische en Sociale Geschiedenis van de Lange (sic) Landen (ZeistAntwerpen. 1964), blz. 190-191. 44  Le Progrès, n° 3072 dd. 10 maart 1847. 45  J. A. VANHOUTTE, Economische en Sociale Geschiedenis, blz. 191. 46  B. VERHAEGEN, La Dentelle et Broderie sur Tulle, I, blz. 46. 47  Brugge, Rijksarchief, fds Nieuwpoort, n° 5188: “de tweede ­supplante hadde haer nu langhen tijdt bemoijt met spellewercken en de t‘houden schole, sulcx dat sij nu alreede was werckende met 12 à 15 meijskens”. 48  Ieper, Sted. Bibliotheek, hs., I. f° 1. 49  De geweldige impakt kan men afwegen aan de 300 meisjes, die in 1798 de Lamotte-school bezoeken “pour apprendre gratuitement leur métier en dentelles” (Ieper, Archief Kommissie van Openbare Onderstand, voorlopige bundel 399). 50  De Arme Meisjesschool te Ieper heeft vanaf 1751-1752 met afzet­moeilijkheden te kampen; voorraden blijven onverkocht: “Ghevende de rendante te kennen dat sij noch voorsien es van eene partie canten, die sij voor als noch niet gheraedigh ghevonden en heeft te vercoopen ter causen van den leeghen prijs der selve “ (Ieper, Archief KOO, n° 1121). 51  P. BONENFANT, Le problème du paupérisme, blz. 117-123.

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

57


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

58

Er is echter nog een ander aspekt aan deze industrie dat aan de meeste historici onbewust is ontgaan: zij hebben de korrelatie niet aangevoeld. Zoals wij hoger gezien hebben, was de invloed op het aktieve deel van een ekonomisch onderontwikkeld gebied zoals Ieper enorm. De tentakels van de exploitatie gingen echter nog veel verder. Er was de integratie van de officiële en private sociale voorzieningen in het produktieproces, fenomeen dat niet tot Ieper alleen beperkt bleef. En hiermee wordt een van de meest cynische achtergronden van deze ­nijverheid blootgelegd: de uitbuiting van de onschuldige slachtoffers van armoede en werkloosheid onder de mom van liefdadigheid. Wanneer men de kantnijverheid langs deze kant bekijkt, krijgt men een wel bijzonder onfraai beeld van wat deze “kunst” in zich draagt. Dit aspekt komt slechts bij een nader onderzoek naar voren. Voor de kooplieden, die ruime afzetgebieden voor de te Ieper vervaardigde kant hadden gevonden in Engeland, Frankrijk en vooral Spanje, was het een kwestie om vol­doende voorraden te krijgen tegen lage prijzen. Maar kant vervaardigen veronderstelt een scholing 52, die onproduktief is. Om deze klip te omzeilen zullen de koop­lieden de Armenscholen inschakelen.

52  L. PAULIS, Tentoonstelling Belgische Kant, blz. 12-13.


Een eerste eigenaardig verschijnsel is de oprichting van de talrijke Arme Meisjesscholen in de loop van de 17e en 18e eeuw. Waar de Arme Knechtenschool als enig instituut voor jongens bleef bestaan, rezen meisjesscholen als paddestoelen uit de grond: de Elisabethschool (1615), de Laureinsschool (1655), de Lamotte-school (1752-’66), de St.-Sebastiaans­school (1753), de Bonaertschool (1777) 53. Het tweede verschijnsel was dat -naast het onderwijs in lezen, schrijven, rekenen en katechismus- een groot deel van de dagtaak besteed werd aan het aanleren en vervaardigen van kantwerk 54. Men kan de belangrijkheid van deze schoolnijverheid uit de boekhouding aflezen. De regentes hield een halfjaarlijkse rekening bij, die geglobaliseerd in de algemene rekening te­recht kwam. Welnu de verkoop van de kantproduktie speelde voor circa 25% in de totale inkomsten van de Arme Meisjesschool. In de loop van de 18e eeuw zal dit percentage dalen tot 14 à 17 ‘% 55. De omvang van deze schoolnijverheid hoeft niet verder onderstreept te worden. De afzet gebeurde langs lokale kooplieden 56, die soms nog beslissingsmacht hadden in het Schoolbeheer of in de benoemingen van meisjes langs de beursstichtingen om.

53  J. COLPAERT, Korte geschiedenis van het Lager Onderwijs te Yper (Ieper, 1901), blz. 55, 72, 75, 85, 92, 94. Voor de stichting van de Lamotte-school, zie tevens L. DEVLOO, De Lamotteschool te Ieper en Zeereerw. Heer Van Roo (1762-1797), in De Boekeboom V (1961), blz. 175-183; M. ENGLISH, Hoe de Maria-school “Lamotte” te leper ont­stond, in De Boekeboom V (1961), blz. 77-83. 54  J. COLPAERT, Korte Geschiedenis.... blz. 58, 73, 86, 93. 55  1655-1656: inkomsten 3.874 lb.; verkoop kant 1.084 lb. 1662-1666: inkomsten 27.179 lb.; verkoop kant 8.613 lb. 1719-1720: inkomsten 18.919 fl.; verkoop kant 2.922 fl. 1767-1778: inkomsten 167.743 fl.; verkoop kant 24.830 fl. (Ieper, Archief KOO, nrs 1061, 1066, 1090, 1104). 56  In de vijftiger jaren van de zeventiende eeuw komt vooral de Ieperse koopman Gillis Dieusart voor (Ibidem, n° 1116). Later worden de kooplieden enkel sporadisch vernoemd.

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

59


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

60

Zowel voor de school als voor de kooplieden moet het een lukratief bedrijf geweest zijn: de kant wordt vervaardigd door onbezoldigde arbeidsters, wier onderhoud en scholing ten laste van de School komt 57. Konkurrentie tegen dergelijke praktijken was uitgesloten. De lage prijzen hebben de kooplieden lange tijd de mogelijkheid gegeven de buitenlandse markten te domineren 58, dit natuurlijk gedeeltelijk op de rug van de “Arme Meisjes” 59. Deze laatsten zullen nadien de groepen geschoolde kantwerksters aanvullen, waar even schromelijke mistoestanden heersen, die echter door de meisjes -gedrild door het gevolgde onder­wijs- geredelijk aanvaard worden. Zelfs kan men vaststellen dat in krisisperioden aan de koopman leverancierskrediet wordt toegestaan, zodat hij zelfs zijn eigen kapitaal niet hoeft te riskeren 60. Het is opvallend hoe volledig het samengaan van kerk en kapitaal was - ze loopt als een rode draad doorheen de sociale geschiedenis van de 17 e en l8e eeuw-; beide hebben onder de mom van liefdadigheid de armoede in hun voordeel gebruikt. Wel heeft men getracht de instituten uit de tweede helft van de 18e eeuw nl. Lamotte -, Bonaert- en St.-Sebastiaansschool te verklaren als stichtingen gedragen door de ideeën van een Vincentius a Paulo 61. Deze ideeën zouden gepropageerd en gestimuleerd worden door de Ieperse kanunnik Jan Bartholomeus van Roo en door zijn vrienden P. F. Valcke van Rumbeke, J. van Daele te Kortrijk en pastoor Du Fort te Ingelmunster over Zuid-Westvlaanderen verspreid 62. 57  Ook op andere plaatsen misbruikten de ondernemers de liefdadigheid. Cfr. het verslag van de Antwerpse sekretaris Van Setter in 1782 (J. CRAEYBECKX, De agrarische wortels van de industriële omwenteling, in Belg. Tijds. Filolog. Geschiedenis, XLI (1963), blz. 445-446 noot 1. 58  J. A. VAN HOUTTE, Economische en Sociale Geschiedenis. blz. 191. 59  Over de behandeling van meisjes in dergelijke kantscholen, kan men met vrucht lezen O. FIERS, Storm in eene spellewerkschool te Poperinge, 1726, in Biekorf 39 (1933), blz. 97-100. 60  Zie b.v. de nota in rekening van januari-juli 1756 van de regentes van de Arme Meisjesschool te Ieper, Anna Maria Seriez (leper, Archief KOO, n° 1121): “Volghens het 7e article van ontfangh der voorgaende rekenijnghe, het blijct dat de rendante noch voorsien was van enee partie canten, die sij voor alsdan niet gheraedigh ghevonden en hadde te vercoopen ter cause van den leeghen prijs der selve, welcke partie sij als nu vercoght heeft aen verscheijde persoonen en de daer over maer als noch maer ontfanghen en heeft de somme van 543.7.3 fl.”. 61  Vriendelijke mededeling van broeder Orest van het St. Gregoriusinstituut te Gentbrugge, die hierover binnenkort een artikel zal publiceren. 62  M. ENGLISH, Hoe de Mariaschool..., in De Boekeboom, V (1961), blz. 80. Kanunnik Van Roo werd geboren te Oostduinkerke op 24 oogst 1716; studeerde filosofie en teologie aan het Seminarie te Douai; benoemd tot kanunnik-teologaal van het bisdom Ieper in 1744; stierf te Ieper op 5 januari 1797.


Men stelt inderdaad een verbetering vast, ten­minste in de Lamotte-school: de produktie blijft eigendom van de kinderen. Er is geen sprake meer van onbezoldigde schoolnijverheid 63. Maar men mag niet uit het oog verliezen dat kantwerk nog steeds de belangrijkste aktiviteit in die scholen bleef, zodat het resultaat onvermijdelijk in de kaart van de kanthandelaar moest spelen: gratis scholing van dociele arbeidsters. Daarbij valt nog te noteren dat de op­richting van de Bonaertschool (1777) gebeurt op een ogen­blik dat de kant opnieuw een florissante handelstak is geworden 64. De bloei van deze scholen gaat manifest samen met de trend van de kanthandel. En het is zeker dat de onbezoldigde schoolaktiviteit opnieuw ingevoerd werd 65. Het einde van het “Ancien Regime” bracht geen ver­andering met zich mede. De 17e- en 18e-eeuwse lijn wordt doorgetrokken. De konjunkturele verbetering vanaf 1760 brengt geen radikale wijzigingen. J. Pieters aanvaardt een heropbloei van de Ieperse textielnijverheid op het einde van de 18e eeuw 66, doch het is enkel een herstel van de om­standigheden aanwezig vóór 1700. De burgerij zet zich niet in, integendeel ze blijft teren op een geakkumuleerd bezit en gebruikt deze rijkdom als lokaas om een verarmde adel aan te trekken. Strukturele werkloosheid blijft schering en inslag 67 en het belang van de kant wordt nog meer geprononceerd 68; getuige daarvan de 400 scholen in West-Vlaanderen, geregistreerd in 1860, waar kantwerk aangeleerd wordt 69.

63  L. DEVLOO, De “Lamotteschool” te Ieper.... in De Boekeboom, V (1961), blz. 176. 64  De Arme·Meisjesschool vindt een betere afzet voor haar kantwerk vanaf 1775 (Ieper, Archief KOO, n° 1104 en vlg.). 65  Zie b.v. de rekening van de St.-Sebastiaanschool, 1775-1778, art. 15: “Item wordt hier gebrocht in ontfanck de somme van fl. 5928.19.6 d. soo veele is proveniert uijt de spellewerkcanten naer aftreck van tonce gaeren van de kijnders der interne schole van dese fondatie gedeurende gelijcke drie jaeren t’leste verschenen 15 april 1779”. Ten andere de­zelfde School wordt door de geldschieters meer gezien als een handelsvennootschap; de lening toegestaan door Nicolaas de Ram op 30 oktober 1776 spreekt van “de welcke sullen croyseren in hunnen koophandel” (Brussel, Kon. Bibliotheek, fds Merghelynck, hs. 146ter). 66  J. PIETERS, Nijverheid en handel,.., in Album Viaene, blz. 283-284. 67  P. BONENFANT, Le problème du paupérisme..., blz. 388. 68  E. PLASKY, De Belgische kant in gevaar (Brussel, 1936), blz. 18 (overdruk uit Arbeidsblad. jg. 1936, januari en april). 69  B. VAN DER DUSSEN, L’ Industrie Dentellière Belge (Brussel. 1860), blz. 95.

DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

61


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

62

Daar waar in de 18e eeuw de Industriële Revolutie op gang komt -gedragen door kapitaaloverschotten uit de agrarische sektor 70- ziet men de kantnijverheid met haar lage lonen verdwijnen 71. Het feit dat deze huisnijverheid te Ieper tot in 1914 kon standhouden, bewijst het bestendig marginaal karakter van de lokale industrieën. En nog heden ten dage is de ekonomische situatie niet opgeklaard: het arrondissement Ieper geniet de twijfelachtige eer over een der laagste inkomens per hoofd in België te beschikken. En opnieuw krijgen nijverheidstakken op zoek naar een goedkoop vrouwelijk arbeiderspotentieel vat op de bevolking... Zal de geschiedenis van de 17e en 18e eeuw zich herhalen?

Octaaf Mus (1925-2011) Erebibliothecaris, Ere-archivaris Ereconservator Stad Ieper

70  J. CRAEYBECKX, De agrarische wortels van de industriële omwenteling, in B.T.F.G., XLI (1963), blz. 379-448. 71  B. VERHAEGEN, La Dentelle..., I, blz. 41-43; J. A. VAN­HOUTTE, Economische en Sociale Geschiedenis, blz. 191. De uitgebreide smokkelhandel naar Engeland en Frankrijk levert bovendien het bewijs van een uitzonderlijk konkurrentievermogen, dit laatste als gevolg van de lage lonen (BURY PALLISER, History of Lace, blz. 131-134).


Bibliografie DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

63


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

64

Bibliografie ANDRIES, N., VROOM, G., 25 Valencienneskantjes. Patronen en technische tekeningen naar oude kanten en blauwdrukken van de 19de en 20ste eeuw, s.l., 2011. BRUGGEMAN, M., Kant in Europa, Brugge, 1997. COPPENS, M., Verfijnde Kunstnijverheid. Kant in de 19de en de 20ste eeuw, s.l., s.d. COPPENS, M., Kant uit het koningshuis, Brussel, 1990. DESCHUYTTER, R., “Kant te Ieper in de 17de en 18de eeuw en kantwerken in de Lamotteschool te Ieper”, in: De Gidsenkring. Tijdschrift van de Westvlaamse Gidsenkring, vol. 19 (1981), p. 27-31. DE SMET, J., “De crisis in de Westvlaamse kantnijverheid in 1848”, in: Biekorf. Westvlaams archief voor geschiedenis, archeologie, taal- en volkskunde, vol. 53 (1952), p. 174-176. MUS, O., Kloskant, gisteren en vandaag, Ieper, 1972. PAULIS, L., Belgische Kant van de 16de eeuw tot heden, Brugge, 1947. PLASKY, E., De Belgische kant in gevaar, Brussel, 1936. VAN BALBERGHE, Kant, s.l., 1957. VERBEKE, M.-J., Kantwerk in België vervaardigd, Brussel, 1970. VERMAUT, M., BAERT-VANDENBERGHE, M., BAERT, K., De kracht van het kleine. Van Mariaschool tot Immaculata Instituut, Ieper, 2001. www.historischekranten.be, geraadpleegd in 2012. www.westhoekverbeeldt.be, geraadpleegd in 2012. www.kantatelierdekersecorf.be, geraadpleegd in 2012.


Colofon DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

65


DE SCHOONSTE KANT VAN IEPER |

66

Colofon De brochure is een realisatie van stadsarchief Ieper, ‘IEPER Verbeeldt’, stedelijke cultuurraad Ieper, Heemkring Iepers Kwartier en Kantatelier De Kersecorf. Teksten:

Alexander Declercq, Katrien Goudeseune, Roland Meulebrouck en Joke Vanstechelman

Vormgeving: Fotografie:

grafische dienst stad Ieper (Frederik Pattyn) Tijl Capoen

Met dank aan Spring Produkties


Profile for Stad Ieper

Brochure Kant  

Brochure naar aanleiding van de kantontmoetingsdagen ter gelegenheid van dertig jaar kantatelier De Kersecorf Ieper 1 en 2 september 2012

Brochure Kant  

Brochure naar aanleiding van de kantontmoetingsdagen ter gelegenheid van dertig jaar kantatelier De Kersecorf Ieper 1 en 2 september 2012

Profile for stadieper
Advertisement