Skip to main content

SoAP Alumni 2026

Page 1


MijnnaamisHaas Alumni-editie

Redactioneel

Lieve lezers,

Een huisgenoot die vraagt wie zijn bakje beschimmelde yoghurt heeft laten staan, de medewerker van de Albert Heijn die ziet dat je de avocado’s bent vergeten te scannen of je oma die vraagt of het wel goed gaat op het moment dat je brak bij het Paasontbijt zit. Dit zijn situaties waar je waarschijnlijk meermaals het spreekwoord ‘Mijn naam is Haas” hebt gebruikt. Deze voorbeelden, net zoals de herkomst van het spreekwoord, zijn studentenfouten. Naar verhaal heeft in 1855 de rechtenstudent, meneer Hase, een medestudent geholpen over de grens te vluchten door zijn studentenkaart te geven. Meneer Hase gaf vervolgens zijn kaart als vermist op, maar toen de kaart over de grens van Frankrijk weder werd gevonden, riep dit toch meerdere vragen op. Toen de universiteit vervolgens op de stoep stond bij meneer Hase, sprak hij de woorden: ‘Mein Name ist Hase, ich verneine die Generalfragen, ich weiß von nichts’ (‘Mijn naam is Hase, ik ontken alles, ik weet van niets’).

Bij deze alumni-editite van de SoAP staat het spreekwoord “Mijn naam is Haas” in de spotlight. Waarom willen we als mensen doen alsof we van niets afweten? Weten we tegenwoordig te veel of juist te weinig? Hoe zit het in de politiek en hoe gaat het met de echte hazen? De stukken laten alle diverse kanten van dit spreekwoord zien.

Wij als redactie wensen u enorm veel plezier met het lezen van dit stuk. En mocht u fouten in deze editie vinden: “Onze naam is Haas”.

Veel liefs en leesplezier, SoAP-redactie 25/26.

Voorwoord

Mijn naam is Haas …

Jacob Haas. Zo stelde ik mij vroeger in een melige bui weleens aan iemand voor. Vooral als ik teveel gedronken had, wat vroeger eigenlijk heel normaal was. Dat mensen van mijn generatie hier en daar überhaupt redelijk lijken te functioneren (ik denk aan mijn collega’s en houd even wat slagen om de arm) mag een klein wonder heten, zoveel werd je vroeger vanaf pak ‘m beet je vijftiende geacht te zuipen. En hele volksstammen deden braaf wat er van hen verwacht werd en lieten zich iedere zaterdagavond onder begeleiding van de barse klanken van Alice Cooper en consorten ad nauseam vollopen. De belabberde staat van het landsbestuur gaat denk ik terug op de funeste invloed van de dorpsdisco. Het kon, het mocht en je naam was inderdaad Haas. There is safety in numbers en als je hele omgeving katjelam was, kon je tamelijk ongestraft de meest beschamende capriolen uithalen zonder voor toekomstige gevolgen te hoeven vrezen. Mijn zonder enige twijfel volstrekt bespottelijk moves op Paradise by the Dashboard Light of Baby Love (ja, bij ons in het dorp hadden we een DJ die naast alle bagger die hij draaide, af en toe ook echt blijk gaf van een verfijnde smaak) zijn voor eeuwig weggezonken in de nacht der tijden. Gewist, weg, mijn naam is Haas.

Hoe anders is dat tegenwoordig? Bijna alle jonge mensen lijken welhaast voortdurend bezig te zijn met het documenteren en vooral online publiceren van hun eigen leven. “Emilycc” is een van hen die daarin het verst gaan: zij striemt haar leven 24/7.1 Ik kan hier nu allerlei oordelen over gaan vellen. Ik zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat Emilycc een aandachtsziek leeghoofd is, maar eerlijk gezegd weet ik dat niet. Misschien besteedt ze grote delen van haar dag wel aan het luidop voorlezen (aan haar volgers) van de hele Rougon-Macquart van Émile Zola. In het Frans. Of misschien probeert ze, tegen de stroom in, de muziek van Mother’s Finest wel bij jongere generaties onder de aandacht te brengen, omdat er al zoveel lelijks in de wereld is en de muziek van na 1990 wel gemaakt lijkt om al die lelijkheid nog uit te vergroten. Misschien probeert ze haar volgers wel te leren dat dingen die makkelijk zijn, doorgaans ook vrij snel heel saai worden. En dat je dan van pure geestelijke armoede naar grunge gaat luisteren en gaat denken dat Kurt Cobain echt ergens goed in was en dat je daaraan als waarlijk goed mens dus weerstand moet bieden. Daarvoor zou ik haar striem moeten bekijken of het hele artikel op CNN.com moeten lezen, maar vanwege bovenvermeld, generatiegebonden, stelselmatig alcoholmisbruik ben ik te lamlendig om dat echt te doen. Maar daar gaat het me eigenlijk ook niet om. Het gaat me erom dat haar naam geen Haas is. Waarom wil Emylicc niet af en toe Haas heten? We weten zo langzamerhand best veel over de nadelige gevolgen van voortdurende sociale vergelijking en we

kennen ook de mechanismen, de prikkels, de verdienmodellen. We weten dus ook dat het geen individueel probleem betreft, maar een collectief verschijnsel waarvoor we de verantwoordelijkheid niet bij individuen en dus ook niet bij Emilycc neer mogen leggen. Mensen van mijn generatie kijken dan ook met mededogen naar jullie; we begrijpen jullie angsten, zien jullie worsteling en weten dat jullie het zwaarder hebben dan wij. Tjitte was objectief knapper dan ik en ook beter in alle mogelijke sporten. Maar als ik thuis was, in mijn eigen jongenskamer (met een poster van Whitesnake aan de muur en een cassettebandje van The Outfield in de oude radio-cassettespeler van een van mijn, immer in kennelijke staat verkerende, broers) was ik weer gewoon mijn eigen held. Ik hoefde de verrichtingen van Tjitte goddank niet gade te slaan op mijn social media feed. Tjitte was (en is, ongetwijfeld) overigens een bijzonder toffe peer, maar dit geheel terzijde. Tjitte en ik waren op gezette tijden Haas. We waren goed in dingen (Tjitte) of matigjes (ik) en soms was dat belangrijk (op de schaatsbaan, want toen vroor het nog dikwijls) en heel vaak ook niet (op zaterdagavond in de disco, drie dorpen verderop).

Ik gun de huidige generatie jongeren, zeg, sociologiestudenten, dat hun naam wat vaker Haas mag zijn. Dat je je af mag sluiten van anderen, de drukte de rug toe mag keren. Dat je af en toe ongegeneerd mee kunt blèren op godbetert Roxy Dekker zonder dat een of andere lulhannes (m/v/x) je met een telefoon staat te filmen. Dat het eens niet gaat om de foto’s maar om het feest, niet om het gezelschap, maar om je beste vriend, niet om het gerecht maar om het gesprek, niet om de scène, maar om de Seine. Misschien kunnen we beginnen met een jaarlijkse “Haasdag”. Een dag waarop iedereen op haar, zijn of hun sociale media accounts maar één post mag plaatsen: #Vandaag is mijn naam Haas. #Aujourd’hui je m’appelle Lièvre, #Today my name is Hare, #Heute meine Name ist Hase.

JacobDijkstra

1. The Twitch streamer sharing her life 24/7. (2026, 15 april). CNN. Geraadpleegd op 22 mei 2026, van The Twitch streamer sharing her life 24/7 | CNN

Voorwoord - Mijn naam is Haas... - Jacob Dijkstra

Stemmen onder invloed - Rick de Boer

Het beestje bij de naam noemen: femicide - Lisette Scheerder

De verborgen impact van AI-gebruik - Erika Bos en Sabine van Rijn

Wie stapt het water in? - Ninah Tiemersma

Lezersonderzoek

Sociologie in het wild - Sacha van Straten

Ongezien talent in Oost-Groningen - Rune Krol

Mijn naam is geen haas (meer) - Nadine Emmens

Mijn naam is haast - Benjamin Stevens

Krant gekaapt! - Innerlijk geluk: de neurowetenschap achter het gevoel van tevredenheid - Vincent Vasilache

In gesprek met: Meneer Spreen - Jurgen Jansma en Lisette Scheerder

Woordzoeker

In de schoenen van een socioloog - Voor mezelf, toch? - Esther Kazimier

Sociologie van de liefde - Paul Lucardie

Stemmen onder invloed

Rick de Boer

Nee, niet onder invloed van een biertje, maar onder invloed van je omgeving. Stemmen lijkt iets heel persoonlijks. Iets wat je zelf doet, op basis van je eigen overtuigingen. Maar in de praktijk is dat vaak minder vanzelfsprekend dan het klinkt. Binnen studieen studentenverenigingen, voetbalteams of andere sociale kringen speelt groepsdruk, vaak onbewust, een grotere rol dan we soms willen toegeven. Afwijken van de norm is niet altijd makkelijk. Strategische stemmers en zwevende stemmers die soms pas in het stemlokaal bepalen waar hun stem naartoe gaat, zijn hier buiten beschouwing gelaten. Voordat we verdergaan, zal ik mijzelf even voorstellen. Mijn naam is Rick de Boer, student sociologie en filosofie (ik kan iedere GMWstudent aanraden een PoaSD te doen!). Verder ben ik actief binnen het studentenleven als voorzitter van A.S.V. Dizkartes, stond ik op de kieslijst van Student&Stad tijdens de gemeenteraadsverkiezingen en ben ik in mei verkiesbaar geweest voor de universiteitsraad namens SOG.

Toen ik een jaar of 12 was, vroeg ik mij af waarom stemmen zo’n gedoe moest zijn. Je moet naar een stemlokaal, niet je ID vergeten, daar in de rij staan, de juiste persoon zoeken op een groot papier en vervolgens wordt er ook nog van je verwacht dat je goed bent in origami (of ben ik de enige die dat de eerste keer lastig vond?). Ik dacht toen: “Waarom gebeurt dit niet gewoon online? Dat is toch veel makkelijker?”

Een aantal jaar later begrijp ik dat online stemmen natuurlijk ook nadelen met zich meebrengt. Zo is het een stuk minder transparant en gevoeliger voor fraude. Ook zal het betekenen dat een heleboel mensen, vanaf de bank, zullen stemmen die dit anders niet hadden gedaan. Ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar het lijkt me sterk dat deze “extra” stemmers zich zouden hebben ingelezen.

Echter, fysiek stemmen is ook niet perfect. Mensen laten zich vaak, bewust of onbewust, beïnvloeden

door hun omgeving. Het is natuurlijk belangrijk dat mensen praten over politiek; dit leidt vaak tot een beter geïnformeerde keuze. Maar mensen vinden het ook belangrijk hoe er over hen gedacht wordt. Dit bewijst zich alleen al door exitpolls en uitslagen met elkaar te vergelijken. Bij een exitpoll wordt er aan mensen die net hebben gestemd gevraagd naar welke partij hun stem is gegaan. Op basis hiervan wordt er een geschatte uitslag berekend die vaak maar weinig afwijkt van de daadwerkelijke uitslag. Deze kleine afwijking is wel vaak ten koste van links. (extreem) Rechts lijkt altijd wat zetels te winnen.

Ik heb de vorige drie verkiezingen even naast elkaar gezet als bewijs. In 2025 ging D66 er een zetel op achteruit ten opzichte van de exitpoll, terwijl FvD en PVV er een zetel op vooruitgingen. In 2023 ging PVV er twee zetels op vooruit, en D66 er eentje op achteruit. In 2021 gingen de PVV er één en de VVD zelfs twee zetels op vooruit, terwijl GroenLinks er twee op achteruitging. Dit zijn de verschillen in zetels, maar in percentages is dezelfde trend zichtbaar. Het lijkt mij geen toeval dat de discrepantie tussen exitpoll en uitslag telkens dezelfde kant op valt. En in alle eerlijkheid, in een wereld waar ik FvD zou stemmen, had ik er ook over gelogen.

Op basis van deze bevindingen lijkt het erop dat mensen die (extreem) rechts stemmen dit minder snel durven te delen. Of dit betekent dat het minder sociaal geaccepteerd is om (extreem)

rechts te stemmen, weet ik niet, maar het lijkt er wel op dat (extreem)rechtse stemmers zich eerder bezwaard voelen. Niet alleen geven mensen om de mening van de personen die de exitpoll uitvoeren; de mening van vrienden lijkt ook erg belangrijk. Bij de verkiezingen van 2025 ben ik gaan stemmen met een groep vrienden, en zonder van tevoren te overleggen, hebben we alle zeven op dezelfde partij gestemd. Zelfs de persoon die mij regelmatig “linkiewinkie” (een samenvoeging van links en Tinky Winky) noemt, stemde mee. Of dit toeval is, of komt omdat we allemaal in dezelfde bubbel leven, weet ik niet. Maar wat ik wel weet, is dat het niet compleet anoniem is als je na het stemmen gelijk de vraag krijgt waar je op gestemd hebt.

Maar het kan ook anders. Afgelopen mei vonden de universitaire verkiezingen plaats. De verkiezingen voor de universiteitsraad vinden volledig online plaats. Dat maakt stemmen laagdrempelig en toegankelijk, maar verandert ook de context waarin je stemt. Waar je bij een fysiek stemhokje echt even alleen bent met je keuze, gebeurt online stemmen vaak vanaf je kamer, in de UB, of zelfs in het bijzijn van anderen. Hoewel de stem technisch

anoniem is, is de sociale omgeving dat lang niet altijd. Juist doordat het zo makkelijk en snel gaat, wordt de drempel om even te overleggen en beïnvloed te worden kleiner. Ook deze stemmen zijn dus lang niet altijd anoniem.

Mijn boodschap voor alle verkiezingen die je nog mee gaat maken, is deze: denk na over wat jij belangrijk vindt, wees je bewust van de invloed van je omgeving, wees trots op de partij die je gekozen hebt en lees je ook even in. Een beetje onderzoek doen is immers een kleine moeite. Maar het belangrijkste advies dat ik je kan geven is dat je vooral lekker de discussie aan moet gaan met mensen die een andere mening hebben, en je je vooral niet te veel moet aantrekken van de mening van een ander. Je hebt niks te verliezen en je kan vaak heel veel van elkaar leren.

P.S. Een kleine disclaimer: het gros van wat ik hier heb beschreven is gebaseerd op persoonlijke observaties en dus niet wetenschappelijk onderbouwd. Zie het vooral als een uitnodiging tot nadenken en discussie. Voor vragen of een gesprek mag je me altijd een bericht sturen.

Het beestje bij de naam noemen: femicide

Femicide is jammer genoeg nog altijd niet een term die bij iedereen een belletje doet rinkelen. Femicide betreft de moord op een vrouw vanwege haar gender. Alleen in 2024 werden er al naar schatting 27 vrouwen gedood vanwege hun gender (Nieuwsuur, 2026). Er moet hierbij echter rekening worden gehouden met een ‘dark number’, niet bij elke vrouwenmoord wordt de dader immers geïdentificeerd, waardoor het mogelijke femicidecijfer hoger ligt. Dit betekent dat in Nederland gemiddeld elke 8 dagen een vrouw om het leven wordt gebracht (Augeo, z.d.). In zes van de tien gevallen bleek de (ex-) partner de dader (Boes, 2024).

De term femicide werd voor het eerst gebruikt in 1801 door John Corry in zijn boek over het onderwerp (Corry, 1801). Daarna verdween het voor meer dan 170 jaar weer uit het collectieve geheugen. Door de tweede feministische golf, die plaatsvond aan het einde van twintigste eeuw, kwam er hernieuwde aandacht voor dit fenomeen. Desondanks is er in Nederland nog altijd geen consensus bereikt over de erkenning van het fenomeen femicide. Waar bijvoorbeeld Italië femminicidio al jarenlang op de politieke agenda heeft staan en het sinds vorig jaar officieel erkend heeft als apart juridisch misdrijf om zo zwaardere straffen op te kunnen leggen, blijft (met name politiek) Nederland ‘mijn naam is Haas’ zeggen. Er zijn critici die stellen dat moord gewoon moord is en dat we daarin geen onderscheid dienen te maken in gender. Zij stellen zelfs dat het gebruiken van de term femicide polariserend zou werken. Deze redenering miskent precies het probleem; we ontkennen specifieke patronen van geweld en discriminatie tegen vrouwen. Femicide kan immers niet los worden gezien van bredere maatschappelijke opvattingen over gender en macht. Ondanks dat we ons in Nederland grotendeels hebben losgeweekt van het eeuwenoude patriarchale gedachtengoed worden vrouwen nog vaak als afhankelijk van de

man beschouwd. Het is misschien vandaag de dag nog moeilijk voor te stellen, maar deze norm blijft ongemerkt voortbestaan in onze hedendaagse cultuur. Hoe vaak wordt immers het controlerende gedrag van een partner niet verward met het uiten van liefde naar de ander.

Niet enkel de onder de oppervlak gelegen norm speelt een rol in de ontkenning van femicide. De maatschappelijke reactie is hierbij ook van belang. De media spreken vaak over een uit de hand gelopen ruzie als oorzaak van de moord. Hierdoor ontstaat het beeld van een tragisch conflict tussen twee gelijkwaardige partijen, terwijl dat in werkelijkheid vaak niet geldt. Deze vorm van mediaberichtgeving heeft invloed op de maatschappelijke reactie op femicide. Vaak worden achteraf de vragen gesteld: ‘waarom ging ze niet gewoon bij hem weg?’ en ‘waarom heeft ze niet eerder aan de bel getrokken?’. Door deze vragen wordt indirect de schuld bij het slachtoffer gelegd. Daarnaast moet benadrukt worden dat het definitief verlaten van de partner het meest risicovolle moment is (Aarten, 2025).

Nederland is een land waar er veel bekend is over femicide, maar men zich er comfortabeler bij voelt om weg te kijken. Het erkennen van het probleem

houdt immers ook in dat er verantwoordelijkheid voor genomen moet worden, waaronder bijvoorbeeld gerichte wetgeving. Femicide is een maatschappelijk probleem en verdient daarom maatschappelijke erkenning. Dus laten we beginnen bij de term onder de aandacht te brengen, zodat er voortaan bij iedereen een belletje gaat rinkelen wanneer er zo’n gruwelijke daad wordt gepleegd.

P.S. Dat femicide nog altijd geen gebruikelijke term is, werd mij pijnlijk duidelijk tijdens het schrijven van deze tekst. ‘Word’ erkent de term namelijk nog altijd niet als onderdeel van de Nederlandse taal, het zet immers een rode golflijn onder het woord.

Aarten, P. (2025, 30 juli). “Waarom ging ze niet gewoon weg?” - Omdat vertrekken levensgevaar lijk is. Fonds Slachtofferhulp. https://fondsslachtofferhulp.nl/blog/vrouwen-vemoord-door-ex partners/

Augeo. (z.d.). Iedere acht dagen wordt in Nederland een vrouw vermoord omdat ze een vrouw is. https://www.augeo.nl/nl-nl/actueel/iedere-acht-dagen-wordt-in-nederland-een-vrouwvermoord-omdat-ze-een-vrouw-is/

Boes, S. (2024, 25 november). Rapport Femicides in 2023 - Nederlandse VrouwenRaad. Nederlandse VrouwenRaad - Voor Alle 9 Miljoen Nederlandse Vrouwen. https://www. nederlandsevrouwenraad.nl/nieuws/rapport-femicides-in-2023/?gad_source=1&gad_cam paignid=18965835089&gbraid=0AAAAApE0j5jeQodPpmHmUiKz1Jnxy80K9&gclid=C j0KCQjwiJvQBhCYARIsAMjts3ISeLt_dzwLzdSH4IszVNIq-FOHfGcmsb0lvV7i2Wb4D d8n6FLhKmQaAhdgEALw_wcB

Corry, J. (1801). A satirical view of London at the commencement of the nineteenth century. In Medical Entomology and Zoology. http://ci.nii.ac.jp/ncid/BA84428580

Nieuwsuur. (2026, 9 januari). Minder gevallen van femicide, maar deskundigen houden slag om de arm. NOS. https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2597562-minder-gevallen-van-femici de-maar-deskundigen-houden-slag-om-de-arm

De verborgen impact van AI-gebruik

Erika Bos en Sabine van Rijn

AI-tools maken veel dagelijkse taken eenvoudiger en efficiënter. Daardoor wordt er steeds vaker gebruikgemaakt van systemen zoals ChatGPT, bijvoorbeeld voor het opzoeken van informatie of het schrijven van teksten. Hoewel dit veel tijd bespaart, heeft dit gemak ook een minder zichtbare keerzijde: het gebruik van AI kost niet alleen energie, maar ook water.

Op het eerste gezicht lijkt AI een volledig digitale technologie zonder fysieke impact. In werkelijkheid is dat anders. Achter elke vraag schuilt een netwerk van datacenters met duizenden servers die continu data verwerken.

Deze servers produceren warmte en moeten constant gekoeld worden. Voor die koeling wordt vaak water gebruikt.

Onderzoek van de University of California Riverside & University of Texas Arlington laat zien dat één gemiddelde AI-prompt ongeveer 10 milliliter water kost. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het directe watergebruik voor koeling, maar ook naar indirect watergebruik, zoals het water dat nodig is om elektriciteit op te wekken. Dit indirecte gebruik blijkt een groot deel van de totale watervoetafdruk te vormen.

Op individueel niveau lijkt 10 milliliter weinig, ongeveer een slok water. Maar het effect wordt duidelijker wanneer er wordt gekeken naar dagelijks gebruik. Ongeveer 25 AI-vragen staan gelijk aan een glas water. Een douche van vijf minuten komt neer op ongeveer 5.000 vragen, en ook een wasmachinebeurt is hier ongeveer gelijk aan. Dit laat zien dat het waterverbruik per interactie klein is, maar wel degelijk optelt.

Recent onderzoek van de VU Amsterdam laat zien hoe groot die impact mogelijk is. Zij schatten dat AI-systemen in 2025 tussen de 312,5 en 764,6 miljard liter water kunnen verbruiken. Ter vergelijking: de wereldwijde consumptie van flessenwater ligt rond de 446 miljard liter per jaar. Dat betekent dat AI in de buurt komt van, of zelfs meer kan verbruiken dan, wat mensen wereldwijd aan flessenwater drinken.

Naast waterverbruik speelt ook energiegebruik een grote rol. Door de snelle groei van AI neemt het stroomverbruik van AI-gerichte datacenters sterk toe. Volgens het Internationaal Energieagentschap (IEA) steeg het elektriciteitsverbruik van AIgerichte datacenters in 2025 met ongeveer 50 procent in één jaar tijd.

Dit hoge energieverbruik heeft ook gevolgen voor de uitstoot van broeikasgassen. Onderzoekers van de Carnegie Mellon University berekenden op basis

van energieverbruik, duurzaamheidsrapporten van techbedrijven en uitstootmodellen dat AI in 2025 verantwoordelijk kan zijn voor 32,6 tot 79,7 miljoen ton CO₂-uitstoot. Dat is aanzienlijk wanneer je bedenkt dat Nederland jaarlijks ongeveer 151 miljoen ton CO₂ uitstoot.

Een belangrijk probleem bij dit soort cijfers is dat ze moeilijk precies vast te stellen zijn. Veel techbedrijven maken namelijk geen onderscheid tussen AI en andere activiteiten in hun duurzaamheidsrapporten. Sommige bedrijven publiceren zelfs helemaal geen milieugegevens. Hierdoor moeten onderzoekers vaak werken met schattingen en algemene data van datacenters.

Voor watergebruik is dat probleem nog groter. Datacenters gebruiken water zowel direct, voor koeling, als indirect via elektriciteitsproductie. Vooral dat indirecte gebruik wordt vaak niet

meegenomen in rapportages, terwijl het juist een groot deel van de impact vormt. Dit maakt het lastig om een volledig en betrouwbaar beeld te krijgen.

Eén ding is in elk geval duidelijk: het gebruik van AI heeft een grotere impact dan waar we vaak bij stilstaan. De meeste mensen weten inmiddels wel dat AI invloed heeft op het milieu, maar die kennis verdwijnt uit gemakzucht vaak naar de achtergrond. De voordelen wegen in het dagelijks gebruik simpelweg zwaarder, waardoor we er niet altijd bij stil willen staan wat de impact van een prompt is.

Juist daarom is het belangrijk om die impact wat zichtbaarder te maken. Hopelijk draagt deze tekst daar een klein beetje aan bij, zodat we ons in de toekomst misschien vaker afvragen: is het versturen van deze prompt echt nodig?

Vrije Universiteit Amsterdam. (2025). De verborgen CO₂- en watervoetafdruk van AI. https://vu.nl/nl/nieuws/2025/de-verborgen-co2-en-watervoetafdruk-van-ai

de Vries-Gao, A. (2026). The carbon and water footprints of data centers and what this could mean for artificial intelligence. Patterns, 7(1), 101430. https://doi.org/10.1016/j.patter.2025.101430

Carnegie Mellon University. (2025). Measuring AI’s energy and environmental footprint. https://www.cmu.edu/work-that-matters/energy-innovation/measuring-ais-energy-and-en vironmental-footprint

Li, P., Yang, J., Islam, M. A., & Ren, S. (2023). Making AI less “thirsty”: Uncovering and addressing the secret water footprint of AI models. arXiv. https://arxiv.org/abs/2304.03271

Wie stapt het water in?

Ninah Tiemersma, Leraar van het jaar VO 2025-2026

Veel jongeren zijn aan het verdrinken in de grote zee van verwachtingen: succes op school, een baantje, een grote vriendengroep hebben, er goed uitzien, vooral niet te anders zijn. Docenten, sportcoaches en ouders staan ondertussen aan de kant te schreeuwen dat ze dan maar beter hadden moeten leren zwemmen. Als iemand al aan het verdrinken is, is dat niet de tijd om hem aan te vallen op zijn zwemvaardigheden en ook niet het moment om hem te leren zwemmen. Je stapt in het water met een reddingsboei en helpt hem eerst het land op, warmt hem op, zorgt ervoor dat hij zich veilig voelt en dan stel je één simpele vraag: “Wat heb je nu van mij nodig?” Het antwoord kan van alles zijn: een knuffel, goed advies of alleen maar een luisterend oor.

Vanuit alle hoeken krijgen jongeren de boodschap dat ze perfect moeten zijn en hun imperfecties moeten verbergen voor de wereld om hen heen. Blijven lachen voor de foto’s op social media.

Goede cijfers halen zodat je niet te horen krijgt dat ze wel wat meer van je verwacht hadden. Thuis niet chagrijnig doen of laten zien dat het niet goed met je gaat, want dan kan je wel eens als ondankbaar of moeilijk worden bestempeld. Je moet tegenwoordig alle kansen pakken die er zijn en daarbij vooral geen fouten maken. Dat is op de lange termijn niet vol te houden: die drang naar volmaaktheid kan leiden tot angstklachten, somberheid en zelfs suïcidale gedachten.

Als ik rondkijk in mijn klassen zie ik minstens de helft van mijn leerlingen op eieren lopen. Ze durven geen ruimte in te nemen, zichzelf niet te zijn: allemaal uit angst om afgewezen te worden door de wereld. Als ze maar niemand lastig vallen met wie ze zijn en zichzelf zo klein mogelijk maken, dan zijn ze goed. Als ik nog iets kritischer kijk naar de gezichten die ik voor me zie, zie ik bij sommigen een vermoeidheid die met slaap niet overgaat, bij anderen een beleefde glimlach waar veel verdriet achter schuil gaat en bij weer een ander een blik die de mijne zoekt en bijna lijkt te schreeuwen om aandacht. Om aandacht vragen: dat lijkt niet meer te mogen in deze tijd. “Ach,

dat gezeur van die kinderen om hun mentale gezondheid. Ze willen gewoon aandacht.” Precies, en die aandacht geven wij als volwassenen niet.

Wat is er erger dan er helemaal doorheen zitten, bijna tot op de bodem van de zee gezakt zijn en dat er niemand is die je komt helpen? Dat je zelfs op de bodem van die zee nog moet glimlachen om anderen te laten zien dat het allemaal wel goedkomt met je. Onbegrip is een sluipmoordenaar, waardoor jongeren zich isoleren en hun problemen groter worden. Volgens mij zitten we al heel wat jaren vast in een vicieuze cirkel: er rust een taboe op mentale problemen, waardoor we er niet over praten en doordat we er niet over praten, vergroten we het taboe en daarmee de mentale problemen.

Er ontstaat immers bij velen nog steeds een zeker ongemak bij het bespreken van mentale gezondheidsproblemen. En laten we eerlijk zijn: het is ook niet makkelijk om goed te reageren, wanneer iemand je vertelt dat hij er helemaal doorheen zit. Het gaat echter niet om de juiste woorden; het gaat erom dat je je volledige aandacht op dat moment aan de ander schenkt en alles doet wat in jouw macht ligt om er voor die persoon te zijn. Als iemand zijn arm gebroken heeft, bieden we immers aan zijn tas te dragen of als iemand thuis zit met een zware griep, appen we “beterschap” en vragen of hij nog wat boodschappen nodig heeft. Waarom zouden we niet datzelfde begrip kunnen tonen, wanneer iemand vertelt over zijn brein dat pijn lijdt?

Met zo’n griepje of een gebroken arm kan je rekenen op lieve berichtjes en kaartjes; het is voor iedereen een legitieme reden om een aantal dagen

niet naar school te hoeven. Daar zal niemand moeilijk over doen. “Kan hij dan echt daarom niet naar school komen?”, hoor ik echter met enige regelmaat van collega’s, ondersteunend personeel en zelfs ouders, wanneer een leerling een dag thuis blijft door een zware stressgerelateerde hoofdpijnaanval. Het onderscheid tussen onze omgang met fysieke en mentale pijn is nog steeds erg groot: het is daarom ook niet verbazend dat veel jongeren hun mentale pijn proberen om te zetten in fysieke pijn. Ze willen serieus genomen worden en niet te horen krijgen dat er niets aan de hand is, omdat het “tussen hun oren zit”.

Het welzijn van jongeren gaat over de hele linie achteruit. We kunnen daar als volwassenen niet omheen en we kunnen ook niet langer vanaf de zijlijn staan kijken. Deze generatie zou minder veerkrachtig zijn, maar daar durf ik mijn kanttekeningen bij te zetten. “Vroeger praatten we niet over dat soort zaken” en “Vroeger bestonden mentale problemen niet” zijn opvattingen die we voor eens en voor altijd achter ons moeten laten. Ten eerste omdat ze fundamenteel onjuist zijn en ten tweede omdat ze de nieuwe generatie en onszelf niet verder helpen. Zij willen juist praten,

maar onze houding houdt hen tegen. Praten over de drukte in je hoofd is juist een groot onderdeel van veerkracht.

Hoe dapper is het om een van je ouders, een docent of sportcoach in vertrouwen te nemen en te vertellen wat er zich dagelijks afspeelt in je hoofd?

De jongeren geven al het goede voorbeeld, dus laten wij ons daaraan spiegelen. De enige manier om uit de taboecirkel te raken is ons kwetsbaar op te stellen. Het bestaan van mentale problemen wordt in onze samenleving geaccepteerd, totdat iemand symptomen begint te vertonen. Zodra de omgeving er last van ondervindt, wordt het toch vooral als lastig gezien. We zijn echter allemaal mensen en we hebben allemaal slechte dagen en slechte momenten: waarom zouden we dat niet met elkaar delen? Wat houdt ons eigenlijk tegen?

Precies wat die jongeren ook tegenhoudt: angst om anders te zijn en een probleem te zijn voor je omgeving.

We zijn geen projecten waar altijd maar aan geschaafd moet worden tot ze “af” zijn. In een samenleving waarin succes steeds meer wordt gezien als individuele verantwoordelijkheid, wordt falen automatisch iets persoonlijks en dus iets om te verbergen. Laten we met zijn allen weer meer falen en dat met elkaar bespreken. Laten we met elkaar huilen om de dingen die niet goed gaan en hardop lachen om de domme dingen die we soms doen. Menselijkheid is hier het kernwoord. Zolang wij langs de kant blijven staan schreeuwen dat ze het niet goed (genoeg) doen, blijven zij verdrinken. De vraag is niet of zij om hulp vragen, maar of wij bereid zijn het water in te stappen.

Lezersonderzoek!

Scan de QR-code en geef je mening over de SoAP!

Sociologie

Mensen hebben elkaar nodig. Dit is iets wat we ons vaak weinig realiseren. We leven in een geïndividualiseerde wereld, waarin je eigen prestatie en presentatie het boegbeeld vormen voor de samenleving. Zonder dat we het doorhebben zijn we steeds individueler gaan leven. Waar iedereen vroeger met het gezin voor de televisie zat, zitten ouder en kind nu gezamenlijk in een ruimte ieder naar een ander scherm te kijken. Waar iedereen voorheen gezamenlijk voor de buurt zorgde, is het nu ieders eigen verantwoordelijkheid hoe de voortuin eruitziet.

Zulke veranderingen laten niet alleen zien dat mensen zich steeds vaker op zichzelf focussen, maar ook dat de omgeving waar we met z’n allen in leven minder van belang lijkt te zijn. De wereld; de natuur. Dat het slecht gaat met de natuur wordt vaak alleen in beeld gebracht wanneer er zich rampen voordoen zoals overstromingen, aardverschuivingen en bosbranden. Wanneer er informatie naar buiten wordt gebracht over dit soort rampen wordt de aandacht meestal gericht op de invloed hiervan op mensen: hoeveel schade er is, hoeveel huizen zijn verwoest en hoeveel doden en/of gewonden er zijn gevallen. Er wordt maar weinig gesproken over de oorzaken van de natuurrampen en het effect op de natuur zelf. De meeste van de eerder genoemde rampen zijn gevolgen van de klimaatverandering door de toegenomen mate van CO2 in de atmosfeer.1 De klimaatverandering zorgt ervoor dat bepaalde gebieden op aarde natter worden en andere droger.² De nattere gebieden zijn hierbij gevoeliger voor overstromingen die in sommige gevallen weer kunnen leiden tot aardverschuivingen. Het ontstaan van een aardverschuiving is in sommige gevallen ook een gevolg van ontbossing (ook een menselijke oorzaak). Door ontbossing zijn er minder bomen die houvast geven aan de grond. Zonder deze bomen kan de grond makkelijker verschuiven en kan een aardverschuiving eerder plaatsvinden.³ De klimaatverandering kan tevens zorgen voor drogere gebieden die dan vervolgens gevoeliger zijn voor het ontstaan van bosbranden, die grote verwoestingen ten gevolge hebben.¹ Maar zelfs wanneer de wereld in de fik staat, lijkt het wel alsof het ons minder lijkt te doen. De wereld waar wij van leven en de wereld waar alle dieren in leven wordt aangetast door ons, maar we kijken het liefste weg. Gek eigenlijk toch? We zijn immers zelf dieren. Ik denk dat dit iets is wat wij mensen zijn vergeten. Wij zijn dieren. Een uiterlijk dierlijk kenmerk van ons is te zien wanneer wij in de spiegel kijken. Wellicht zijn er mensen die hier nog niet vaak over na hebben gedacht, maar hoe onze gezichten eruit zien zou een geheim van ons kunnen verklappen. Heeft u er namelijk ooit over nagedacht hoe het komt dat onze ogen zich aan de voorkant van ons gezicht bevinden? Deze positie van onze ogen komt overeen met die van de meeste roofdieren. Roofdieren zijn jagers en hebben meestal de ogen aan de voorkant van hun gezicht zitten om diepte te kunnen zien om de afstand tot hun prooi te kunnen bepalen. Bij de meeste prooidieren bevinden de ogen zich juist aan de zijkant van het gezicht om van zo’n groot mogelijk gebied te kunnen zien of er gevaar dreigt.⁴ Wij mensen hoeven niet te zien of er gevaar dreigt, want de enige vijand die we hebben zijn wijzelf.

in het wild

Sacha van Straten

Daarnaast zijn wij dieren in ons gedrag. Denk hierbij aan dat mensen samenwerken om dingen die zij belangrijk vinden te kunnen beschermen. Ook dieren vertonen dit gedrag. Denk hierbij bijvoorbeeld aan weidevogels. Zij vliegen, net als andere vogelsoorten, in een V-formatie. Deze manier van vliegen kan alleen wanneer er onderling goed gecommuniceerd en samengewerkt wordt. Wanneer dit gebeurt, kunnen deze vogels namelijk veel energie besparen bij de tochten die zij afleggen en dit is essentieel om de vogeltrek vol te kunnen houden.⁵ Daarnaast zijn weidevogels erg beschermend over hun jongen. Het is dan ook zo dat wanneer het broedseizoen is en er gevaar dreigt, dit luidkeels bekend wordt gemaakt. De ouders vliegen dan op en cirkelen, al kabaal makend, rond hetgeen wat zij duiden als gevaar en dit alles om hun jongen te willen beschermen.⁶ Een heel belangrijk dierlijk kenmerk dat wij links hebben laten liggen is oplettendheid. Dieren zijn gewend altijd scherp te zijn op mogelijk gevaar. Wij zouden ons moeten realiseren dat ons grootste gevaar is dat wij niet doorhebben dat wij onze wereld om zeep aan het helpen zijn. We moeten stoppen met het zeggen: ‘Mijn naam is Haas!’. En hoewel wij zelf dieren zijn, kunnen wij nog veel leren van de échte dieren. We moeten samenwerken om te beschermen wat belangrijk is voor ons: de wereld; de natuur. Door vaker naar elkaar om te kijken kunnen we elkaar beschermen. Onszelf en de dieren.

1 Milieu Centraal. (z.d.). Klimaatverandering: wat zijn de gevolgen?

https://www.milieucentraal.nl/klimaat-en-aarde/klimaatverandering/ wat-is-klimaatverandering/#gevolgen-van-klimaatverandering

2 Oorzaken en gevolgen klimaatverandering | WWF | Kom jij ook in actie? (z.d.). WWF.nl.

https://www.wwf.nl/wat-we-doen/focus/klimaatverandering/oorza ken-gevolgen-klimaat#:~:text=De%20extra%20kooldioxide%20in%20 de%20atmosfeer%20houdt%20meer,heftiger%2C%20en%20op%20 andere%20wordt%20het%20juist%20droger.

3 Tomassen, T. (2025, 28 juli). Wat veroorzaakt een aardverschuiving? KIJK Maga zine.

https://www.kijkmagazine.nl/science/oorzaken-aardverschuivingen/

4 Onderwijs van Morgen. (2024, 30 juli). Lesstarter biologie: Positie van de ogen. https://www.onderwijsvanmorgen.nl/lesstarter-biologie-posi tie-van-de-ogen/

5 Nowee, M. (2026, 11 januari). Waarom vliegen ganzen in een V-Vorm? Quest. https://www.quest.nl/natuur/dieren/a69925973/waarom-vliegen-ganzenin-een-v-vorm/

6 Verslag van enkele observaties Gedrag en overleving van weidevogels tijdens maaien. (1989).

https://natuurtijdschriften.nl/pub/543872/HVJ1989037002004.pdf

Ongezien talent in Oost-Groningen

Oost-Groningen staat bekend om haar structurele hoge werkloosheid, maar tegelijkertijd ook om haar lage participatiegraad. Sociaal ontwikkelbedrijf Afeer probeert wat te doen aan deze tegenstrijdigheid door het proces van de plaatsing van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te versoepelen. Ze helpen mensen te plaatsen in praktische bedrijven als stoffeerderijen, hoveniers en restaurants. Zo doen ze dit ook voor anderstaligen. Maar hoe plaats je ongezien en onbegrepen talent? Hoe plaats je iemand als er te vaak wordt gezegd: “Mijn naam is Haas”?

De instroom van anderstaligen is bij Afeer de afgelopen jaren hard toegenomen. Veel anderstaligen staan dus te springen om aan de slag te gaan in deze regio. Helaas zien we tegelijkertijd ook dat hier de polarisatie toeneemt en dat tolerantie terugzakt, zo rapporteerde RTV Noord vorige maand nog¹. We zien dat mensen die de Nederlandse taal niet spreken door sommige OostGroningse werkgevers helaas minder worden gezien. Minder dan mensen die dat eigenlijk ook niet doen, maar wel plat Gronings praten.

Achter een zelf gecreëerde muur van stigma’s, vooroordelen en onbegrip door cultuurverschillen schuilt een deel van de oplossing voor het werkloosheidsprobleem. Deze muur naar beneden halen blijkt helaas minder makkelijk dan gezegd, waardoor op deze manier dus veel

arbeidspotentieel onbenut blijft op een markt die deze arbeidskrachten juist maar al te goed kan gebruiken.

Tuurlijk snap ik ook wel dat het probleem wat ingewikkelder is en verder gaat dan slechts werkgevers die wegkijken vanwege vooroordelen en onbegrip. Praktische problemen blijven ook een groot onderdeel van niet succesvolle plaatsingen van anderstaligen. Een auto monteren met iemand die niet weet wat het Nederlandse woord voor dashboard is, blijft bijvoorbeeld lastig. In dit geval blijft het trouwens dashboard. Het is een investering van de tijd en moeite van de werkgever om iemand in dienst te nemen die je in eerste instantie niet kan verstaan. Dit blijkt een investering die veel werkgevers niet willen of kunnen maken. Een drempel die te hoog is.

Afeer neemt al een goed initiatief in het kleiner maken van deze drempel door werklabs op te stellen. Hierin wordt tegelijkertijd de taal geleerd, en wordt er geleerd om te werken. In plaats van lastige dt-tjes en andere grammaticale pijnpunten, wordt er bijvoorbeeld geleerd wat een hamer en een zaag betekent, zodat er in ieder geval kan worden gewerkt. Dit versoepelt de plaatsing bij een reguliere werkgever, waarbij Poolse, Roemeense, Oekraïense, Turkse of waar dan ook vandaan gemotiveerde arbeidskrachten een gezicht krijgen onder de Oost-Groningers. Maar kan dit gezicht ook de muur van onbegrip verwijderen? Of blijft de muur direct achter de drempel staan? Of misschien ervoor? Hoewel dit een belangrijke poging is tot meer zichtbaarheid en tolerantie van anderstaligen op de OostGroningse werkvloer, zal er meer nodig zijn.

Goed, inmiddels struikelen we hier misschien over hazen, muren en drempels, maar de kern van het probleem blijft staan. Het verwijderen van praktische drempels om het plaatsen van anderstaligen soepeler te laten verlopen, zal niet direct de muur van cultureel onbegrip onder de wegkijkende werkgevers doen verdwijnen.

Daarentegen zou het weghalen van deze muur wel een groot positief effect kunnen hebben op het verwijderen van de drempel. Bij een hogere mate van tolerantie en begrip tegenover anderstaligen zal namelijk logischerwijs ook het geduld en de moeite groeien die komt kijken bij het plaatsingsproces.

Afeer zet mooie stappen tot het integreren van anderstaligen, maar er is in deze regio een fundamenteler probleem dat ten grondslag ligt. In een regio waarin vertrouwdheid steeds veiliger begint te voelen, is wantrouwen tegen het onbekende vaak moeilijk te veranderen en te beïnvloeden. Zichtbaarheid en begrip vergroten door werkgevers in deze regio de goede kant op te laten kijken is echter de sleutel tot tolerantie. Dit kan vervolgens een gedeelte van het werkloosheidsprobleem oplossen. Daarnaast kan je hiermee niet alleen werkloosheid laten dalen, maar ook een stukje tolerantie en begrip kweken in een regio of zelfs samenleving die meer gepolariseerd lijkt dan ooit. Ongezien en onbegrepen talent integreren betekent samen leven en elkaars talenten léren zien. Dat zou de eerste stap moeten zijn.

¹ Helft van discriminatie in Groningen is racistisch: ‘Tolerantie lijkt teruggezakt’. (2026, 16 april). RTV Noord. Geraadpleegd op 22 mei 2026, van https://www.rtvnoord.nl/meningen/1397451/helft-van-discriminatie-in-groningen-is-ra cistisch-tolerantie-lijkt-teruggezakt

Mijn naam is geen haas (meer)

De uitdrukking “mijn naam is haas” staat voor afstand nemen, voor doen alsof je nergens van weet. Maar als vaardighedendocent bij sociologie vraag ik studenten juist om het tegenovergestelde te doen. Om niet weg te kijken, maar om aan de slag te gaan met vaardigheden die ze verder willen ontwikkelen. En soms is het heel verleidelijk om te denken “laat maar!”. Zo nu en dan is er moed nodig om vaardigheden verder te ontwikkelen. Vaardigheden ontwikkelen is geen lineair proces. Het kost tijd, oefening en doorzettingsvermogen.

En dat maakt starten soms lastig. Maar zoals Johan Cruijff al zei “Je moet schieten, anders kun je niet scoren”. Iets nieuws proberen gaat niet altijd direct goed, maar fouten maken mag. Ook dat hoort bij het leerproces.

Sterker nog, juist op het moment dat het schuurt gebeuren vaak de mooiste dingen. Als een samenwerking niet zo soepel verloopt bijvoorbeeld, dan zorgt dat voor een moment van reflectie. Voor mij is dat moment van reflectie vaak onderweg op de fiets van mijn werk naar huis. Dan denk ik na over de dag. Wat deed ik? En is er iets wat ik de volgende keer anders kan doen waardoor het beter zou kunnen gaan? Die vragen helpen je je handelen bij te stellen en geven je een kans om opnieuw te oefenen. Neem even afstand en probeer het opnieuw. Dan ontstaat er ruimte om echt iets te veranderen.

Toch is het soms ook heel fijn om je even terug te trekken en te doen alsof je nergens van weet. Om even niet te reflecteren en de boel de boel te laten. Da’s heel menselijk. Maar als niemand risico’s neemt, of de bal schiet, om in termen van Johan Cruijff te blijven, en niemand anders

gaat handelen, dan blijft iedereen binnen de veilige grenzen en staat de ontwikkeling van vaardigheden stil. En als je het wel aandurft om die stap te nemen, dan kan het ook aanstekelijk werken voor de mensen om je heen. Je herkent het vast vanuit je studie: in een college valt het stil na een vraag van de docent en iedereen wacht af. Maar probeer een volgende keer eens zelf als eerste te reageren, want vaak zet je dan iets in beweging in de groep waardoor er bijvoorbeeld toch een waardevolle discussie ontstaat.

En dat is zo interessant aan de ontwikkeling van vaardigheden, juist als je zelf probeert om je handelen aan te scherpen en het opnieuw te proberen, kan dat voor de mensen om je heen ook een uitnodiging zijn om ook naar hun eigen ontwikkeling van vaardigheden te kijken. Je kunt klein beginnen, door bijvoorbeeld aangeven dat je iets lastig vindt. Vervolgens kun je samen met de mensen om je heen nadenken over hoe je deze situatie het beste aan zou kunnen pakken. Daarmee ontstaat een mogelijkheid om vaardigheden te ontwikkelen. En je laat bovendien aan andere mensen in je omgeving zien dat niet alles perfect hoeft te zijn en daarmee ontstaat er voor hen ook ruimte om aan te geven welke vaardigheden ze nog verder zouden willen ontwikkelen.

Dus ja, soms is het verleidelijk om te denken “mijn naam is haas”’. Maar probeer een volgende keer wel in actie te komen, wel te reageren en iets nieuws te proberen. Hoewel dat misschien spannend is, ontstaat er niet alleen voor jezelf een kans om te groeien, maar ook voor de mensen om je heen!

Mijn naam is haast

Benjamin Stevens

Tijdens het onderzoeken van mijn zomervakantieplannen kwam ik er toevallig achter dat de uitdrukking ‘Mijn naam is haas’ helemaal niets te maken heeft met hazen, maar dat het gewoon gaat om een ouderwets gezellige moordpartij tussen twee studenten. Dus wie weet leidt de volgende steekpartij in de Poelestraat ook wel tot een nieuwe uitdrukking. Ik kwam er ook achter dat ik eigenlijk helemaal niets van hazen afweet. Tuurlijk zie ik er wel eens vanuit de trein door een weiland huppelen, maar verder dan ‘Oh een haas, gaaf’ gaan mijn gedachten niet.

Vriendschap met een pulsterling

Mijn moeder raadde mij het boek ‘Een haas in huis’ van Chloe Dalton aan om mij minder onwetend te maken over deze unieke dieren. Dalton schrijft over haar ervaring van het vinden van een pulsterling (babyhaas) rondom haar afgelegen huis. Zij snapt ook dat ze deze pulsterling niet als huisdier kan opnemen, maar ze kan het ook niet laten om het verstoten beestje alleen te laten. Ze kiest er dus voor om de pulsterling mee te nemen en haar op de meest afstandelijke, natuurlijke manier op te voeden. Spoiler alert: dit lukt haar en de ondertussen volwassen haas en Dalton bouwen een unieke ‘vriendschap’ op waarbij de haas telkens terugkeert naar Daltons huis en waar Dalton haar huis een veilige basis maakt voor de haas (en haar pasgeboren pulsterlingen).

Dalton leert gaandeweg veel over hazen en hun gedrag en raakt hierdoor gefascineerd, net als door het hele ecosysteem dat eromheen draait. Zo gaat ze haar gras minder maaien (iets wat iedereen zou moeten doen, maar oké), zodat de hazen en andere dieren meer beschutting hebben. Maar ze leert voornamelijk dat alles in de natuur in harmonie leeft en dat zij hier slechts een onderdeel van is.

Hazen met haast

Deze boodschap van het boek vond ik persoonlijk wel heel mooi. Het zorgde ervoor dat ik mij realiseerde dat wanneer je door Groningen beweegt, mensen hier helemaal niet bij stilstaan. Het gros van de mensen beweegt namelijk als snelle hazen en het lijkt wel alsof iedereen leeft alsof hun naam ‘haast’ is. Snel oversteken met de fiets wanneer het voetgangerslicht op groen gaat (om vervolgens bij het volgende stoplicht weer te moeten wachten), fietsen over stoepjes om net één seconde eerder op locatie te zijn en nog talloze andere voorbeelden. Elke keer wanneer ik dit soort taferelen zie, denk ik: “hoe kan het dat je zo veel haast hebt?” Tuurlijk heb ik zelf ook wel eens haast, maar zelfs in die momenten vraag ik mij echt af of het nodig is om stiekem met de voetgangers over te steken, terwijl je ook even een halve minuut stil kan staan, naar de vogels kan luisteren en de bomen kan bewonderen. Want ook in de stad Groningen ben jij slechts een klein onderdeel van de gehele harmonie en zou het iedereen ten goede komen als we iets meer een voorbeeld nemen aan Dalton en minder onder het motto ‘Mijn naam is haast’ leven.

door Lifeline Krant gekaapt!

Innerlijk geluk: de neurowetenschap achter het gevoel van tevredenheid

Geluk is menselijkheid. Geluk is, aan de andere kant, biologie. Van het vermogen van de hersenen om dit gevoel te creëren tot het maatschappelijke concept van geluk: er zijn talloze discussies en dogma’s geweest die hebben geprobeerd de ware betekenis van dit woord te definiëren en te verfijnen. Kunnen we te gelukkig zijn? Heeft ons geluk gevolgen voor onze gezondheid en zijn we echt, oprecht, diep van binnen ooit zo tevreden met onszelf dat we een verzadigingspunt bereiken? Zijn we ooit gelukkig genoeg, of is het slechts een mythe, een wortel aan het eind van de stok die eindeloos blijft bungelen?

Laten we beginnen met het ‘gemakkelijkste’ deel van onze reis: de hersenen, natuurlijk. Wetenschappers hebben ontdekt dat een van de belangrijkste delen van de hersenen die gestimuleerd moet worden als het gaat om een gevoel van geluk, maar ook om plezier, beloning en verslaving, de nucleus accumbens is. Met behulp van diepe hersenstimulatiemethoden is vastgesteld dat dit gebied betrokken is bij meerdere beloningssystemen en verbindingen heeft met de mesolimbische dopaminebaan. Het is slim gelegen tussen de amygdala en de prefrontale cortex, wat al wijst op zijn rol bij het moduleren en verwerken van informatie uit de amygdala.

De amygdala is het centrum van onze sterkste emoties en reacties, zoals angst, agressie en het emotionele geheugen in het algemeen, die ontstaan wanneer we voor het eerst met verschillende prikkels worden geconfronteerd en in nieuwe situaties terechtkomen. Tegelijkertijd ontvangt de nucleus accumbens ook afferente signalen van de prefrontale cortex, die een rol speelt bij motivatie.

De NA moet vervolgens al deze verschillende projecties integreren tot een samenhangende efferente boodschap naar de middenhersenen, de hypothalamus en zelfs de amygdala. Kortom, geluk heeft een ingewikkelde bedrading en wordt beschouwd als een van de meest interessante

onderzoeksgebieden voor neurowetenschappers. Hoe beïnvloedt dit, in context, de manier waarop we het waarnemen? Bepaalt het feit dat het centrum voor beloning hetzelfde is als dat voor plezier ons mentale welzijn?

Hoezeer we ook denken dat we boven onze biologische behoeften staan, dat we ons ‘aapbrein’ hebben om de hoek hebben gelokt en ons dierlijke bestaan op een ronddraaiende planeet hebben overwonnen, is het belangrijk dat we ons realiseren dat we deel uitmaken van de natuur en dat we ons nooit boven onze instincten kunnen verheffen. We kunnen er alleen maar omheen werken, er meer over leren en begrijpen hoe we vanaf het begin van onze soort zijn gebouwd om te functioneren. We denken misschien dat we nooit tevreden zijn met ons leven omdat we altijd moeten uitblinken en onszelf moeten bewijzen, maar in feite heeft deze behoefte om altijd net iets gelukkiger te zijn ook een biologische noodzaak. Ons gelukscentrum is ook verbonden met de belonings- en verslavingsdelen van onze hersenen. Dus in zekere zin zijn we bijna voorbestemd om neurotisch te zijn over geluk. We vergelijken onszelf altijd met anderen, proberen te bepalen wie het het beste heeft, en strijden om de beste baan, het beste huis, het beste salaris en de beste maatschappelijke status. Uiteindelijk streven we er allemaal naar om net iets gelukkiger te zijn dan we nu zijn. We willen dat kleine gebiedje in onze hersenen tevreden stellen dat ons trots maakt op

onze prestaties en ons motiveert om door te gaan. In de sterk gecommercialiseerde samenleving van vandaag speelt het kapitalisme in op onze behoefte aan dopamine en andere gelukshormonen. We zijn hard op weg om net als die ratten te worden die stierven omdat de ‘geluksknop’ belangrijker was dan eten en drinken. Onze emoties zijn al lang geleden te gelde gemaakt, en geluk is een vluchtig gevoel geworden dat meteen moet worden vastgelegd en beleefd. Dus mijn vraag zou moeten zijn of we de jacht kunnen stoppen, van het draaiwiel kunnen afstappen en kunnen waarderen wat we al hebben.

Aristoteles definieerde geluk als het hele doel van ons bestaan, “het hele doel en einde” ervan. Dit is in tegenspraak met ons concept van geluk als een tijdelijke en ongelooflijk begeerde emotie, omdat dit betekent dat geluk van onszelf afhangt en een intrinsiek gegenereerde emotie is. Dat betekent, tot onze schrik en ontzetting, dat geen enkele hoeveelheid TikTok-filmpjes onze ziel kan vervullen en ons brein kan bevredigen. Laten we hier dus echt even een paar minuten bij stilstaan. Hebben we dat nieuwe kledingstuk of die nieuwe telefoon echt nodig, of hoeven we alleen maar even uit het raam te kijken en ons te realiseren wat een voorrecht het is om überhaupt een raam te hebben? Er bestaat niet zoiets als “te gelukkig” zijn, maar laten we beginnen met te proberen gelukkig genoeg te zijn.

In gesprek met: Meneer Spreen

Jurgen Jansma en Lisette Scheerder

Ook kan in deze editie een interview natuurlijk niet ontbreken. Hiervoor zijn wij op bezoek geweest bij meneer Spreen om met hem een gesprek te hebben over de huidige staat van de tbs in Nederland.

Wat heeft u gedaan in uw tijd bij de Mesdag?

Toen ik daar in 2002 kwam te werken als hoofdonderzoeker, had de Mesdag net een roerige periode achter de rug. De kranten spraken over een mogelijke sluiting, maar de toenmalige minister heeft de sluiting kunnen voorkomen. Daarna is er een nieuwe directeur aangesteld, Gabriël Anthonio. Hij vond dat er ook een onderzoeksafdeling moest komen in de kliniek. Mijn werkzaamheden bestonden eigenlijk uit het oprichten van de afdeling en onderzoek te doen naar hoe vertrouwd het is om mensen verlof te geven. Dit wordt ook wel risicotaxatie genoemd. Dus het is heel erg psychologisch, maar ook heel sociologisch.

Wat is een tbs-kliniek precies en wat wordt daar gedaan?

Wanneer er in Nederland een moord wordt gepleegd kan de officier van justitie, wanneer hij/ zij het vermoeden heeft dat er een psychiatrische stoornis in het spel is, een opdracht geven om een projustitierapportage uit te laten voeren. Dit betekent meestal dat de verdachte naar het Pieter Baan Centrum gaat ter observatie voor zes of zeven weken. Of de projustitiarapporteurs komen thuis bij je langs. Zij bepalen dan in hoeverre er een psychiatrische stoornis aanwezig was ten tijde van het delict. Op basis van hun rapport beslist de rechter of de moord deels of volledig veroorzaakt is door een psychiatrische stoornis. Wanneer dit deels is krijgt de dader eerst gevangenisstraf en daarna volgt der tbsbehabdeling. Als de moord volledig onder invloed van de vastgestelde stoornis is veroorzaakt gaat de dader direct naar een tbs instelling. De behandeling is er vervolgens op gericht de patiënten te resocialiseren, maar wel zodanig dat

de veiligheid van de maatschappij niet in gevaar komt. Dit wordt o.a. gedaan door gesprekken met psychologen,gedragstherapie, maar ook door bijvoorbeeld vaktherapie, dit is beeldend met bijvoorbeeld drama, dans en muziek. Zo zijn er dus veel verschillende therapieën om iemand te behandelen, maar soms is de tijd ook gewoon een goede heler. Uit de literatuur is dit maturatie effect bekend: mensen worden ouder en daarmee ook minder impulsief en waarschijnlijk gevaarlijk. Om mensen dan weer goed te laten integreren in de samenleving kan je tijdens de behandeling ook worden opgeleid tot bijvoorbeeld fietsenmaker of iets dergelijks.

Met wat voor problemen komen mensen terecht in de tbs?

In de psychiatrie wordt er een onderscheid gemaakt tussen een persoonlijkheidsstoornis en een psychotische stoornis. Bij een persoonlijkheidsstoornis is dat iets wat meer van de persoon is. Denk hierbij aan autisme, antisociale persoonlijkheidsstoornis en narcistische psychopaten. Deze stoornissen zijn vaak moeilijk te behandelen, maar doen niet af aan de toerekeningsvatbaarheid van de persoon. Daarnaast zijn er ook mensen met een psychotische stoornis, dit is een hersenziekte. Zij horen stemmen en worden meestal volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard. De delicten die zij plegen, vinden vaak binnen de familiaire sferen plaats. Daarnaast hebben de meeste patienten zware problematiek op allerlei levensgebieden zoals wonen, werk, financien en sociale relaties. Dit is dus de sociologische component van de problematiek.

Hoe beslis je of iemand uitbehandeld is en weer langzaam terug de samenleving in mag komen? Allereerst is er altijd om het halfjaar een multidisciplinaire bespreking waarin alle disciplines de voortgang van hun patient evalueren. Daarnaast is een jaarlijkse risicotaxatie verplicht. Dit wordt gedaan om te bepalen hoe “gevaarlijk” de patient nog is.. De rechter beslist elke 2 jaar aan de hand van deze rapporten en adviezen of er verlenging van tbs nodig is. Om te toetsen of de patient klaar is voor meer vrijheden is er een verlofsysteem. Hierin krijg je eerst begeleid verlof, daarna onbegeleid, transmuraal en proefverlof. De behandeling eindigt met het krijgen van ontslag. Dit hele traject van verlof duurt meestal zo’n 10 tot 12 jaar. Patiënten gaan dus niet zomaar weer de maatschappij in, daar is een heel systeem voor. Indien de behandelaar denkt dat de patiënt meer vrijheden aan kan, wordt begeleid verlof aangevraagd bij de interne verloftoetsingscommissie voor de eerste stap om de maatschappij weer in te gaan. Deze commissie bestaat uit diagnostici, de psychologen en de behandelaren. . Na goedkeuring door de interne verlofcommissie, gaat het voorstel naar de landelijke verlofcommissie gaat. Wanneer zij het hebben goedgekeurd dient ook de betrokken staatssecretaris of minister toestemming te geven, maar dat is meestal gewoon een stempel. Deze procedure geldt ook voor aanvragen van de andere verloven. Soms komt het voor dat het verlof van bepaalde patiënten, die in Nederland zo berucht zijn en waar de media bovenop zitten, door de minister of staatssecretaris geweigerd worden. Dit om mogelijke krantenkoppen te voorkomen. Daardoor krijgen zij nooit een eerlijke kans om te resocialiseren. Maar dat zijn ook wel hele extreme gevallen en komt heel weinig voor.

Hoeveel mensen gaan er met verlof?

Uit onderzoek weten we dat er ongeveer 70.000 verlofbewegingen zijn per jaar. De laatste cijfers zijn ongeveer 90.000. Dat betekent dat er iedere dag wel een aantal tbs’ers op een type verlof zijn. In de kliniek wordt iedere ochtend door het hele team besproken of het verantwoord is dat iemand die dag naar buiten gaat, want je krijgt een verlof voor een bepaalde periode. Maar er kan altijd iets

gebeuren. Van die 70.000 of 90.000 keren is dat ongeveer 30 tot 50 keer per jaar. Dat komt neer op 0,01 procent. Maar net deze momenten komen in de media. Hierdoor gaan mensen denken dat het een enorme chaos is in het verlofbeleid, maar dat is het helemaal niet. Meestal zit je wel goed met je advies, maar de maatschappij wordt steeds strenger wat dat betreft.

Wat is uw mening over het huidige tbs-systeem? Waar ik bang voor ben is de invloed van AI op het besluit tot verlof of niet. Ik kan me nog herinneren dat toen ik in het begin in de Mesdag kwam te werken de Dienst Justitiele Instellingen (DJI) bezig was met een programmaatje voor besluiten over proefverlof. Het was de bedoeling dat de ambtenaren op het apparaat een aantal vragen zouden kunnen beantwoorden. Ze kregen dan een stoplichtje, rood, groen of oranje, voor of iemand verlof kon krijgen. Dat is echt het algoritmische denken voor risicotaxatie. De beslissingen die het apparaat maakt zijn gebaseerd op gemiddelden, maar iedere persoon heeft zijn eigen context en risico management waar naar gekeken moet worden. De menselijke factor in het nemen van besluiten verdwijnt, dat zie je ook in andere gebieden in de hele maatschappij. Denk bijvoorbeeld aan de toeslagenaffaire.

Binnen de Groningse sociologie en sociologie in het algemeen is statistiek heel belangrijk om sociale verbanden te vinden. Statistiek is een leuk vak, maar het eerste wat ik leerde toen ik als onderzoeker in de tbs terecht kwam was dat er een mens voor je zit met zijn eigen verhalen. Dan wordt het heel anders.De informatie die je uit statistische analyses lijkt soms concreet toepasbaar maar het gaat om gemiddelden. Ongemerkt denk je dat iedereen dicht bij het gemiddelde zit, maar dat is juist het gevaarlijke. Ik geef in mijn risicotaxatie cursussen altijd een voorbeeld van een patiënt die twee jongetjes, puur omdat ze mooier waren, had vermoord. Volgens de statistische informatie van het profiel van de patient had deze patient geen hoog risico. Hij kwam uit een goed milieu, had geen foute vrienden, enzovoort.Echter als je met hem sprak gaf hij aan elke nacht nog te dromen van jongetjes te vermoorden. Dat zijn van

die kleine contextuele details waardoor iemand toch wel een hoog risico is. Vanuit Den Haag is er altijd grote druk om statistische gegevens te rapporteren en risicotabellen te maken: wie heeft er gemiddeld een hoog of laag risicoprofiel. . Ik heb gemerkt dat veel beleidsmakers zo’n tabelletje heel erg belangrijk vinden, terwijl wij dat als onderzoeker het minst belangrijk vinden. Wat wij meestal deden was om in te zoomen in de casus door bijvoorbeeld het netwerk van een individuele patiënt te gebruiken om zijn gevaar in te schatten. Dus dan kijk je niet alleen naar de risico’s van mensen eromheen, maar ook naar de prosociale mensen. Wie zijn er nog meer aanwezig in het netwerk? Dat is een mooi voorbeeld van microsociologisch onderzoek. Wat dat betreft kan er bij beleidsinterventies vaker gekeken worden naar wat het effect is op individueel niveau.

Wie is volgens u verantwoordelijk voor de lange wachttijden?

In de eerste plaats zit het systeem helemaal vol. Dit komt doordat de instroom hoger is dan de uitstroom. Om iemand te ontslaan uit de kliniek moet diegene een woning hebben, er moet zekerheid zijn dat deze persoon niet op straat terechtkomt. Justitie heeft ook een stukje verantwoordelijkheid voor deze lange wachttijden. In 2004 en 2005 waren er een aantal zeer ernstige incidenten met tbs’ers, dit kwam ook heel erg in de pers terecht. Dit was in de tijd dat het sowieso onrustig was in Nederland na de moord op Pim Fortuyn in 2002. Ik heb ooit een behandelaar schertsend horen zeggen dat Nederland in die tijd zelf in een psychose zat. In die tijd heeft de Tweede Kamer een parlementaire enquêtecommissie opgesteld om te onderzoeken of tbs werkt of niet. Ik ben toen ook voor de commissie verschenen om vragen te beantwoorden. Uiteindelijk is hieruit gekomen dat tbs werkt. 20% van de mensen die uit de tbs komen gaan daarna weer de fout in, dat klinkt heel veel maar dat zijn ook

de kleine dingen als winkeldiefstal of vandalisme. In vergelijking, 80% van de mensen die uit de gevangenis komen gaan opnieuw de fout in. Het werkt dus wel degelijk, maar het rare was dat in deze periode er alsnog 2 klinieken werden wegbezuinigd, Veldzicht en Oldenkotte. Hiermee gingen ongeveer 300 plekken weg in korte tijd. Uiteindelijk mocht Veldzicht wel open blijven, maar dit werd een plek voor uitgeprocedeerde psychiatrische vreemdelingen en asielzoekers, wat het nog steeds is. Dit heeft ervoor gezorgd dat toen de tbs weer meer opgelegd werd er te weinig plekken waren om deze mensen op te vangen.

Kunnen er dan geen nieuwe opvangplekken geopend worden?

Een nieuwe tbs-kliniek bouwen is lastig. Dit is in de eerste plaats omdat Nederland al best wel volgebouwd is en er weinig plek is om een nieuwe kliniek te bouwen. Daarnaast zijn omwonenden van een bouwplek vaak tegen. Het is natuurlijk ook een eng idee om naast een tbs-kliniek te wonen. Zij hebben vaak door de media het idee gekregen dat er allemaal hele gevaarlijke mensen zitten. Dat is sowieso wat de media doen en wat mensen ook willen horen, dat sensatie zoeken.

Als u iets zou mogen veranderen aan het huidige tbs-systeem, wat zou dat dan zijn?

Voor mij is het huidige systeem in principe werkzaam. Ik zou alleen misschien inderdaad meer tbs-klinieken willen en dan daarbij ook betere uitstroommogelijkheden. Maar ja, het is altijd nog maar de vraag of dat mogelijk is, want je moet altijd de burgemeester op de hoogte stellen als je iemand wil uitplaatsen in een bepaalde gemeente. De burgemeester kan dit ook nog weigeren omdat hij het te gevaarlijk vindt. Maar ook de omwonenden zijn vaak ongerust en tegen. Zo loopt het systeem helemaal vast. Tbs heeft natuurlijk ook een slechte naam, iedereen die hieruit komt is volgens de samenleving een gevaarlijke gek. Dit blijft dus een lastig onderwerp.

Woordzoeker

Alumni

Beertus

Blijdschap

Bunker

Cafe

College

De

Een

Gadourek

Grasveld

Haas

Hazelaar

Het

Hyacint

Klimaat

Krant

Krantenrek

Kwalitatief

Kwantitatief

Lade

Madelief

Marx

Meer

Mus

Narcis

Onderzoek

Orchidee

Redactie

Roos

Rstudio

Soap

Socioloog

Spel

Stadsstrand

Tentamen

Tulp

Universiteit

Vergadering

Viool

Woordzoeker

Zernike

Vind het geheime woord!

In de schoenen van een socioloog

Voor mezelf, toch?

Het is april 2026, de tentamens zijn net voorbij en mijn zomerkleurtje is achtergebleven in 2025. Ik dacht bij mezelf, laat ik mezelf eens verwennen. De voorgaande weken bestonden uit het doorspitten van vele geschiedenisboeken, dus ik vond het tijd om iets voor mezelf te doen en terug te gaan naar de zomer. Daar waar mijn huidskleur een paar aanzienlijke tinten donkerder was. Dit deed ik door een spray-tan te laten zetten, waardoor ik een week lang eruit zag alsof ik twee weken op vakantie was geweest. De reden hiervoor was een evenement waarbij ik een jurk aan had die een open rug had waarin ik niet bleek en doorzichtig wilde lijken. Deze actie zette mij enorm aan het denken. Waarom had ik de neiging dit te doen? Is het puur mijn eigen voorkeur, of zit er toch onbewuste sociale druk achter? Ik denk graag dat ik het alleen voor mezelf doe, maar is dat wel helemaal eerlijk?

Schoonheidsidealen zijn al ver in de geschiedenis een fenomeen in de samenleving. Het gaat hand in hand met sociale druk en prestatiedrang. Ik ben geïnteresseerd hoeverre we bereid zijn te gaan om deze idealen te halen, of dat überhaupt mogelijk is en hoe ze daar in het verleden over dachten.

Er zijn verschillende soorten schoonheidsidealen, je hebt de klassiekers. Voorbeelden daarvan zijn kuiltjes, sproetjes, lange wimpers, een moedervlek boven je lip etc. Deze zijn sociaal geconstrueerd en over de hele wereld geaccepteerd. Daarnaast zijn er specifiekere sociaal geconstrueerde idealen. Het is afhankelijk van jezelf en van je omgeving wat die schoonheidsidealen zijn en hoe je daarmee omgaat. Sommige mensen krijgen van kinds af aan al mee ‘wie mooi wil zijn, moet pijn lijden’ juist dat soort gezegdes is wat drijvende factoren achter het streven naar idealen zijn. Ook

het feit dat het een ideaal is. Het is bijna utopisch om het ideaal te halen, wat het alleen maar aantrekkelijker maakt en ervoor zorgt dat mensen steeds extremere behandelingen ondergaan.

Kijk naar de BBL (Brazillian Butt Lift), een cosmetische chirurgische ingreep die vet van plekken zoals de buik of dijen via liposuctie verwijdert en in de billen injecteert voor meer volume en een rondere vorm. Het creëert een natuurlijk ogend zandloperfiguur zonder implantaten. Dit is een voorbeeld van een heftige ingreep die streeft naar het ‘perfecte’ figuur. Zonnebanken zijn een toegankelijker voorbeeld van het nastreven van een ideaal, en tegelijkertijd je lichaam te vernielen. De radiatie bij zonnebanken is namelijk erg kankerverwekkend en BBLs willen nog weleens misgaan. Intense of minder intense procedures die mensen ondergaan om een

ideaalbeeld te halen, het blijft een groot fenomeen in onze samenleving. Die beelden verschillen enorm per cultuur, dus wanneer is het ideaal écht mooi?

Om mijn studie te betrekken in dit stukje, kijken we naar vroeger. Waar iconen als Marie Antionette voorbeelden voor veel mensen waren. Een witgepoederd gezicht, het haar zo hoog mogelijk opgestoken en een taille zo smal dat je er met één hand bijna omheen paste. Deze westerse idealen in de tijd van de Franse Revolutie verschilden veel met die in bijvoorbeeld China, waar in de tiende tot begin twintigste eeuw een soort voetbinding plaatsvond. Dit was een pijnlijke praktijk waarbij de voeten van meisjes van 4 tot 9 jaar strak werden ingewikkeld, waardoor botten braken en er 7 tot 10 centimeter lange “lotusvoeten” ontstonden. Het symboliseerde schoonheid, een hoge status en gehoorzaamheid, maar veroorzaakte blijvende, ernstige handicaps en beperkte de mobiliteit. De

traditie werd in 1912 verboden, maar bleef in plattelandsgebieden voortbestaan tot ongeveer 1966. Dit schetst verschillen per cultuur, die er vandaag de dag nog steeds zijn. waar we in het westen onder de zonnebank liggen of een spraytan nemen, poederen ze in zuidoost-Azië hun gezicht zo wit mogelijk.

Schoonheidsidealen zijn een interessant, maar ook gevoelig onderwerp. Ze zijn er in alle vormen en maten, en worden nagestreefd tot op verschillende hoogtes. Vaak weten mensen dat het niet goed is wat ze doen, maar willen ze er niets van weten. Ik wil mezelf graag vertellen dat ik daar niet aan meedoe en dat ik puur voor mezelf die spray-tan heb laten zetten, maar er zal vast een onderliggende reden achter zitten, die waarschijnlijk geconstrueerd is binnen de kaders van sociale media, maar ach, dat laat ik aan me voorbij gaan. Eventjes weet ik van niks, want ik heb een lekker kleurtje en een leuk evenement.

Sociologie van de liefde

Sociologen hebben overal verstand van. Ze houden zich bezig met arbeidsverhoudingen, politieke macht, kunst, sport en het gezinsleven. Zelden echter met liefde. En dan bedoel ik niet alleen de zinnelijke liefde tussen hetero’s, homo’s of lesbo’s, maar ook die tussen broer en zus en tussen vrienden. En zelfs tussen onbekenden acht ik liefde mogelijk, bijvoorbeeld als jij een man die van zijn fiets gevallen is overeind helpt terwijl je haast hebt om een trein te halen. In de UB Groningen vond ik zes publicaties met ‘liefde’ als trefwoord en ‘sociologie’ als onderwerp, voornamelijk over gezin en seksualiteit, maar 175 over ‘macht’ en ‘sociologie’.

Een sociologie van de liefde zou misschien iets kunnen leren van de sociologie van de macht. Macht werd ruim 100 jaar geleden gedefinieerd door de Duitse intellectuele duizendpoot Max Weber als de kans dat A doet wat B wil terwijl hij eigenlijk iets anders van plan was: ‘Macht bedeutet jede Chance, innerhalb einer sozialen Beziehung den eigenen Willen auch gegen Widerstreben durchzusetzen, gleichviel worauf diese Chance beruht‘. Daartoe beschikt B over machtsmiddelen, waarmee zij A kan belonen voor zijn gehoorzaamheid of straffen als hij haar verzoek weigert. Die middelen variëren van grof geweld via financiële beloning of boete tot subtiele spot of complimentjes.

Weber waagde zich voor zo ver ik weet niet aan een definitie van de liefde. Maar stel dat hij wèl de liefde had willen onderzoeken, dan neem ik aan dat hij die ongeveer zo zou definiëren: A houdt van B betekent de kans dat A in een situatie voorkeur heeft voor gedrag X, maar Y doet omdat in zijn perceptie B dat graag wil, zonder dat er sancties op het spel staan. De andere persoon hoeft er zelfs niets van te merken.

Liefde en macht zijn in deze visie twee polaire vormen van invloed. Wanneer in een relatie voornamelijk macht wordt uitgeoefend, blijft weinig ruimte over voor liefde. Andersom ook: het bewust afzien van macht schept ruimte voor liefde.

De twee kunnen echter wel bijna onmerkbaar in elkaar overgaan. Stel, ik wil ’s avonds met vrienden een biertje gaan drinken, maar merk dat mijn partner liever heeft dat ik thuis blijf. Als ze mij uitdrukkelijk vrij laat en ik zeg de afspraak in het café toch af, duidt dat op liefde. Indien ze echter zoiets zegt als ‘als je echt van me houdt, blijf je thuis!’, dan oefent ze macht uit door met een subtiele sanctie te dreigen, namelijk twijfel aan mijn liefde voor haar. Deze meer of minder subtiele overgangen maken operationalisatie van liefde soms lastig, maar niet per se onmogelijk.

Liefde richt zich niet alleen op onze medemens, maar ook op dieren en zelfs op abstracte idealen. Vaderlandsliefde en liefde voor vrijheid motiveerden wellicht miljoenen mensen om hun leven te geven, in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, het verzet tegen de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog en momenteel de verdediging van Oekraïne tegen de Russische aanvallen. Naast vaderlandsliefde spelen ongetwijfeld politieke propaganda, groepsdruk en eerzucht ook een rol – dat zou nader te onderzoeken zijn..

Al met al lijkt er voldoende werk voor sociologen die de liefde willen onderzoeken. En waarom zouden ze dat doen? Uit liefde voor het vak, natuurlijk.

Schrijven voor de SoAP?

Neem contact met ons op via: soap.redactie@gmail.com

Socials: @soapgroningen

Website: https://www.soapgroningen.nl/

Contact: Vakgroep Sociologie t.a.v SoAP Grote Kruisstraat 2/1 9712 TS Groningen Commissie 2025/2026

Drukkerij: Canon RUG

Oplage: 2648

SoAP front-cover en back-cover geillustreerd door: Basma Daadouai

SoAP logo: Thomas Bos

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SoAP Alumni 2026 by SoAP Groningen - Issuu