Issuu on Google+

De betekenis van Keynes’ model voor de grote depressie1 De Grote Depressie in het kort2 De grote depressie: de economische crisis in de jaren ’30 die zich voornamelijk in de Verenigde Staten afspeelde. Echter de gehele wereldeconomie ondervond er de effecten van, evenals de individuele economie per land. Het was de belangrijkste en grootste depressie van de ‘nieuwste tijd’. Er waren meerdere oorzaken voor het instorten van de wereldeconomie. Ten eerste ontstond in de jaren ’20 een overproductie in de landbouw: tijdens de eerste wereldoorlog had Amerika veel voedselhulp verleend aan Europa. Toen Europa na de oorlog weer op eigen benen begon te staan viel deze hulp weg, terwijl de Amerikaanse boeren nu gewend waren meer te produceren. Zij bleven dus zitten met een enorme overproductie waardoor de marktprijzen daalden. Dit leidde tot enorme schulden, wat nadelig was voor de kleine plattelandsbanken. Deze hadden op hun beurt weer banden met de grote banken, die deze klap niet aankonden. Een economische crisis was het gevolg. De boeren zagen meer produceren om toch nog even veel te blijven verdienen als enige oplossing. Gevolg: meer overproductie en nog lagere prijzen, voedselvernietiging en hongerlijdende mensen die uit hun lage inkomsten het voedsel niet konden betalen waardoor de boeren met nog meer overproductie bleven zitten. Het was een neerwaartse vicieuze cirkel. De tweede oorzaak van de Grote Depressie moet men zoeken in de industrie, waarin veel Amerikanen werkten. Door de mechanisatie in de jaren ’20 nam de productie enorm toe. De lonen stegen echter niet door de nog zwakke vakbonden en de vele immigranten die voor zeer lage lonen bereid waren te werken. Door het weinige geld dat de arbeiders ontvingen konden zij de producten niet betalen, waardoor de fabrieken ook met een overschot bleef zitten. Hier zat men dus met dezelfde situatie als in de landbouw. Voor beide oorzaken geld dat onvoldoende kennis van economische processen tot een verergering leidde. Het gevaar van overproductie in de belangrijkste sectoren van de economie werd niet voldoende erkend. Het werd gezien als een tijdelijke verstoring van de economische verhoudingen die zichzelf zou oplossen door een ‘onzichtbare hand’ van marktwerking. Hieruit kan men dus concluderen dat de crisisjaren zich kenmerkten door klassieke economen. De republikeinse regering van Calvin Coolidge borduurde op deze visie voort en geloofde heilig in een ‘non-interventie’ beleid. Ten derde was de situatie aandelenbeurs zowel een oorzaak als een verergering van de economische crisis. Mensen speculeerden met geleend geld. Geleend bij de banken die in crisis verkeerden. Op 24 oktober 1929 klapte de aandelen beurs in elkaar, waardoor men zijn tegoeden van de bank ging halen uit ‘voorzorg’. Veel banken, die het financieel gezien al moeilijk hadden, gingen hierdoor over de kop en verloren al hun spaargeld. Amerikaanse middenstanders (die vaak in de bankwereld werkten) raakten hun baan kwijt, de werkeloosheid werd groter en in vele landen kreeg de inflatie vrij spel. Keynes verklaring voor de Depressie De Britse Economist John Maynard Keynes had geen expliciete verklaring voor het falen van het marktmechanisme. Hij beweerde dat er vele redenen waren waardoor de zelfcorrigerende marktmechanismen (waarvaan de klassieke economen beweerden dat ze ook werkten tijdens een neerwaarts gaande economie) in de praktijk niet bleken te werken. In zijn boek ‘The General Theory of Employment, Interest and Money’ introduceerde Keynes een theorie die de Grote Depressie zou kunnen verklaren. 1 2

Keen, Steve, Debunking Economics, Pluto Press Australia Limited, Sydney, Australië, 2001 Davis, Joseph S., The World Between the Wars, 1919-39: An Economist's View, 1974

1


Een bekend argument voor de non-interventie politiek gedurende de crisis was dat als de consumptie daalde doordat men meer spaarde, het sparen de interestpercentages zou doen verlagen en volgens de klassieke economen zouden lagere interestpercentages leiden tot verhoogde investeringen, waardoor de vraag (op de markt van vraag en aanbod) zou gelijk blijven. Keynes zegt echter dat er goede redenen zijn waardoor de investeringen niet noodzakelijkerwijs stijgen als de interestpercentages dalen. Bedrijven doen namelijk investeringen met het oog op meer winst. Als de consumptie ook op de lange termijn blijft dalen, zullen analyserende trendgrafieken van bedrijven en lagere verkoopverwachting weergeven voor de toekomst. Hieruit volgt dat bedrijven niet geïnteresseerd zullen zijn in investeringen om de toekomstige productie te vergroten, ook al is het aantrekken van kapitaal goedkoper geworden van het bedrijf (lagere interestpercentages). Volgens Keynes kan hierdoor de algemene economie in het slop komen. Het antwoord van Keynes op de Grote Depressie Keynes theorie bewijst zijn gelijk als men hem toepast op de Grote Depressie. Bankroet gaan was gewoon en investeringen, die toch een beetje optimisme voor de toekomst vragen, waren zeer zeldzaam. Volgens Keynes kon een dergelijke depressie enkel voorkomen worden door een gemengde economie te bevorderen: zowel de overheid als de privé-sector moet een belangrijke rol spelen. Het moest gedaan zijn met de laissez-faire economie, een theorie die er vanuit gaat dat de markt zonder overheidsinterventie moet opereren. Volgens Keynes moet men zich voor economisch herstel niet op de lange termijn richten, maar vooral op de korte termijn. Zijn boek ‘The General Theory of Employment, Interest and Money’ publiceerde hij als regelrecht antwoord op de Grote Depressie. In tijden van economische recessie moet men volgens Keynes juist anti-cyclisch investeren: dus niet zoals voor de hand ligt het spaargeld oppotten, maar juist investeringen doen om een impuls aan de economie te geven. Ondernemingen die tijdens een laagconjunctuur doorgaan met investeren op de lange termijn, halen uiteindelijk veel betere resultaten. Zodra de economie weer aantrekt groeien zij sneller dan de bedrijven die bij tegenwind de hand op de knip hadden gehouden. Lange-termijn denken wint het uiteindelijk dus van korte-termijn denken. Onderzoeken van bureaus als McKinsey wijzen dit ook uit.3 Maar als de bedrijven niet willen investeren omdat zij bang zijn om failliet te gaan, wie moet het dan doen? Keynes wijst de overheid aan. Zij moet grote bedragen in de economie pompen om de bestedingen op peil te houden. In zogenaamde ‘vette’ jaren moet de overheid buffers opbouwen en haar uitgaven saneren, zodat deze buffers in magere jaren kunnen worden ingezet om de investeringen op peil te houden en een gezonde economie draaiende.4

3 4

http://www.marketingportaal.nl/artikel/739/keynes-en-marketing http://www.ed.nl/mening/4581050/Lessen-Keynes-voor-magere-en-vette-jaren.ece?start=1&sort=desc

2


Wat het model van Keynes voor ons kan betekenen in de huidige crisis5 Het verband tussen de economische crisis van de jaren ‘30 en nu Het mag duidelijk zijn dat Keynes niet alleen in de crisis van de jaren 30 gelijk heeft gekregen. Zijn model bewijst ook nu weer dat het nog steeds actueel is. In de huidige tijd van economische crisis blijkt dat ook nu weer de overheid zich té weinig heeft bemoeid met het bedrijfleven. Na een tijd van overheidsbemoeienis werden steeds meer instanties en bedrijven geprivatiseerd, zoals de zorg en de NS. Maar ook de banken kregen té weinig controle van de overheid, waardoor zij geld konden uitlenen aan mensen die eigenlijk niet kredietwaardig waren. Ook nu weer werd er véél te veel gespeculeerd op de aandelenbeurs met geld dat men eigenlijk niet had, aandelen die er eigenlijk niet eens waren. Precies zoals het geval was bij de vorige Grote Depressie. Men verloor veel geld op de beurs, geld dan eigenlijk niet eens van hen was, en de banken raakten daardoor in grote financiële problemen omdat zij hun leningen nooit meer terug zagen. Het model van Keynes6 Om te begrijpen wat het model van Keynes voor ons nu kan betekenen moet men weten hoe dit model in elkaar steekt (er wordt hier een klein deel besproken). Het model geeft een verklaring voor de hoogte van het nationale inkomen(Y) op korte termijn. Het verklaart met behulp van de effectieve vraag waarom in een bepaalde periode een gegeven productiecapaciteit slechts voor een deel wordt benut.

De effectieve vraag (EV) (conjunctuurkant ven het model) bestaat uit de bestedingen en is dus gelijk aan de waarde van de totale vraag naar goederen en diensten in een land. Er zijn vier soorten bestedingen, namelijk consumptieve bestedingen door de gezinnen (C), investeringen van bedrijven (I), overheidsbestedingen (O) en wat er per saldo door het buitenland in ons land wordt besteed (dus het saldo van export en import, E -M), dus EV = C + I + O + E – M De aanbodkant / productiecapaciteit P.C.) wordt bij Keynes alleen bepaald door het aantal arbeiders (Aa = arbeidsaanbod) en de arbeidsproductiviteit (Apt = productie per man), dus: P.C. = Aa * Apt De vraagkant is dus variabel, de aanbodkant constant; deze vraag kan te hoog of te laag zijn t.o.v. het aanbod. Er kunnen zich drie bestedingssituaties voordoen: - Onderbesteding: de effectieve vraag is kleiner dan de productiecapaciteit (conjunctuurwerkloosheid omdat Av<Aa) 5 6

Keynes, Milo, Essays on John Maynard Keynes, Cambridge University Press, 1975 http://wetenschap.infonu.nl/economie/24768-economie-de-keynesiaanse-theorie-theorie-van-keynes.html

3


-

Bestedingsevenwicht: EV is gelijk aan productiecapaciteit (volledige werkgelegenheid omdat Av=Aa) - Overbesteding: EV is groter dat de productiecapaciteit (een overspannen arbeidmarkt omdat Av>Aa) De situatie van overbesteding zal gepaard gaan met stijgende lonen (vanwege krapte op de arbeidsmarkt) en stijgende prijzen (vanwege krapte op de markten van goederen en diensten). Dit is bestedingsinflatie als gevolg van een te grote effectieve vraag. Door de effectieve vraag te beïnvloeden kan de overheid conjuncturele werkloosheid in een conjunctuurdal (bv. overheidsbestedingen omhoog of belastingen omlaag) en bestedingsinflatie in een conjunctuurberg (omgekeerde maatregelen) wegwerken. Dit alles is wel afhankelijk van het multipliereffect (sneeuwbaleffect).7 Dit getal geeft bijvoorbeeld aan met hoeveel miljard euro’s de overheid haar bestedingen moet verhogen in geval van onderbesteding of verlagen in geval van overbesteding. Doet de overheid een eenmalige investering, dan rolt deze als een ‘sneeuwbal’ door de hele economie, waarbij de uiteindelijke toename ven het Nationaal Inkomen een x aantal keer zo groot is als die eerste investering. Het bedrijf dat de overheidsinvestering ontvangt, ontvangt een extra inkomen. De arbeiders bij dit bedrijf ontvangen dus ook een extra inkomen, waarvan zij een extra gedeelte gaan consumeren. Bij detaillisten ontstaat dus ook een extra inkomen. Hij gaat een extra deel van dit extra inkomen ook weer extra consumeren en zo ontstaat een positieve vicieuze cirkel. Nu geldt wel dat elke extra toename van het inkomen afneemt, want men gaat ook extra sparen, extra belasting betalen, extra importeren, als het inkomen stijgt. Dit zijn de “lekken”: het spaarlek, het belastinglek en het importlek. Toepassing op de moderne crisis in Nederlands8 De consumptie bestedingen beginnen inmiddels flink terug te lopen. De multinational Philips draait een miljoenenverlies ten overstaan van eerdere cijfers. Honderden bedrijven zijn het afgelopen jaar failliet gegaan. De crisis lijkt inmiddels een kritiek punt bereikt te hebben. Maar het zou natuurlijk nog erger kunnen worden. Niet als het aan Keynes ligt. Overheden probeerden in de Grote Depressie door grootscheepse bezuinigingen hun begrotingen in evenwicht te houden. Ze lieten de banken aan hun lot over, zodat het financiële systeem instortte. Keynes liet echter aan de hand van wat het ‘Keynesiaanse model’ wordt genoemd zien dat overheden de depressie zo nog erger maakten. Overheden moeten tijdens economische recessie meer uitgeven en de banken redden. Bovendien moet de theorie niet alleen toegepast worden ten tijde van economische malaise, maar ook tijdens een gunstig economisch klimaat. Anders vervalt de economie herhaaldelijk in een depressie. Waar eerst grootschalige bezuinigingen werden aangekondigd door de overheid begint zij eindelijk te begrijpen wat handelen volgens het model van Keynes voor ons kan betekenen. Inmiddels worden de belastingopbrengsten kleiner en wordt er meer en meer uitgegeven aan bijvoorbeeld de WW zodat de consument weer meer te besteden heeft. Extra maatregelen, zoals het versnellen van geplande investeringsprojecten komen daar nog bij, om de werkgelegenheid te vergroten en dus de koopkracht van de consument een boost te geven. Kort samengevat: de overheid probeert een sneeuwbaleffect te creëren. Daarnaast beschermt de overheid het bankwezen om te voorkomen dat de kredietverlening opdroogt en de economie tot stilstand komt. Denk aan de overname van ABN AMRO.

7

De multiplier is het getal waarmee we de exogenen (bv. de autonome overheidsbestedingen) in het model moeten vermenigvuldigen om de endogene Y (het nationaal inkomen) te verkrijgen 8 Woods, Thomas E, Meltdown: A Free-Market Look at Why the Stock Market Collapsed, the Economy Tanked, and Government Bailouts Will Make Things Worse, 2009

4


Er zijn echter ook grenzen aan het Keynesiaanse model. De overheid kan niet blíjven besteden, want hoe groter het financieringstekort, des te meer beleggers het vertrouwen verliezen in staatsobligaties. En laten deze nou een zeer grote inkomstenbron vormen voor de Nederlandse overheid. De overheid kan alleen blijven investeren als zij geloofwaardige plannen maakt om de overheidsfinanciën weer op orde te krijgen. Keynes leert ons in goede tijden een buffer op te bouwen voor in economische tegenspoed. Dit blijkt in de praktijk echter niet altijd even makkelijk toegepast te kunnen worden. In een democratie is het moeilijk om ten tijde van voorspoed te bezuinigen op uitgaven en terughoudend te zijn met belastingverlagingen. Structurele hervormingen als verminderen van de hypotheekrenteaftrek en het verhogen van de AOW-leeftijd lijken niet urgent genoeg. In de ‘magere’ jaren blijken daarom vaak de opgebouwde reserves niet te voldoen aan de investeringseis. Wat moet de overheid dan doen? Juist, bezuinigen. Zoals ze aan het begin van de crisis ook volop deed. En nog. De economie wordt in Nederland (en overigens ook in de rest van de wereld) pas opgelapt als er een economische ramp dreigt te gebeuren. Als de economie aantrekt wordt er te weinig bezuinigd, waardoor er te weinig reserves worden opgebouwd. Op die manier loopt men zelfs nog eerder aan tegen de hierboven genoemde grenzen aan het Keynesiaanse beleid. Deze crisis kan ons alleen maar leren dat we de volgende keer beter voorbereid moeten zijn, om niet wéér tegen de lamp aan te lopen. Óók in de vette jaren moet de theorie van Keynes toegepast worden.

5


Keynes & The General Theory