Page 1

07 | Een ontdekking in galerij Willem V 30 | Wie biedt er op een rechtbank met gevangenis? 40 | Overkapping Scheepvaartmuseum naar binnen gehesen 43 | Hans van Heeswijk zoekt oplossing ondergronds 47 | Onder de daklijst van het Paleis op de Dam 58 | Nieuwe dg Rijkswaterstaat beproeft ook pps blad voor de rijkshuisvesting | oktober 2010 | jaargang 10 | nummer 48

48 | toekomst voor verleden


18

Willem V en Gevangenpoort samen heropend

14

Graniver uniek voor Jachthuis Sint Hubertus

51 Een kleurrijk hek vormt entree ministerie

27

Rietveldpaviljoen stukje bij beetje weer opgebouwd

43

Dienstingang Mauritshuis verdwijnt

36

40

Muurtje in ‘Bredero’ niet zomaar een muurtje

Overkapping Scheepvaartmuseum naar binnen gehesen

47

Een tocht langs de dakrand van Paleis op de Dam

22 Rijksarchief Zwolle is een ervaring

58

Dronkers: ‘Van geluidsschermen zijn we nog niet af’

56

Het nieuwe werken krijgt kans in Delft

07

Antoine Plateau was de decoratieschilder rond 1800


inhoud Op de cover: Werk aan de blokken in een atelier in Zottegem voor het Paleis voor het Dam. (foto Wim Ruigrok) smaak, blad voor de rijkshuisvesting, is een uitgave van de Rijksgebouwendienst. smaak verschijnt vijf maal per jaar. Het aanvragen van nummers kan schriftelijk via de Rgd-Infofoon (IPC 465), Postbus 20952, 2500 EZ Den Haag of per email info.infofoon@minvrom.nl. Via deze adressen zijn ook vorige nummers van smaak te bestellen. Meer info bij de Rgd-Infofoon 0800-899 11 03 of op www.rijksgebouwendienst.nl. Abonneren op smaak kan via info.infofoon@minvrom.nl, via smaak@pondres.nl, via nummer 0800-899 11 03 of via www.rijksgebouwendienst.nl Prijs voor een jaargang is 25 euro, losse nummers 5 euro. smaak is te koop bij Selexyz (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam), Atheneum Nieuws­ centrum (Amsterdam) en de NAi Bookshop (Rotterdam).

stedenbouw monumenten architectuur architectuurbeleid kunst

hoofdredacteur/eindredactie: Jaap Huisman medewerkers aan dit nummer: Rolf de Boer, Sander Grip, Michiel Hulshof, Xandra de Jongh, Agnes Koerts, Egbert Koster, Ben Maandag, Nicolaas Matsier, Olof Koekebakker, Frank van de Poll, Carien Overdijk, Floor Tinga, Anka van Voorthuysen. fotografen: Roger Dohmen, Simone van Es, Thea van den Heuvel, Marten Hoogstraat, Marcel Kentin, Michiel van Nieuwkerk, Wim Ruigrok. Frans Schellekens, Janine Schrijver, VIOE, Levien Willemse. vormgeving: Barlock, Den Haag druk: DeltaHage, Den Haag verspreiding: Pondres, Tilburg

04 | Hoofdredactioneel

nieuws

05 05 06 06 07

| | | | |

Defensiemuseum wordt pps project Restauratie grafmonument Maarten Tromp Nieuw Naturalis uit de startblokken Bouwput rechtbank wordt wensput Schildering Plateau in Willem V verrast

10 | Column: Nicolaas Matsier bezoekt Tromps graf

toekomst voor verleden

14 18 22 27 30 33 36 40 43 47

| | | | | | | | | |

Hoe gaan de leidingen lopen in Jachthuis Sint Hubertus Gezamenlijke ingang voor Willem V en Gevangenpoort Zwols archief is interactief kenniscentrum Herbouw Rietveldpaviljoen complex karwei Gevangenis met rechtbank te koop Soestdijk blijft beperkt open Ruïne Bredero wordt klimaatbestendig Overkapping als kompasroos in Scheepvaartmuseum Hans van Heeswijk: ‘terug naar nuchter ontwerpen’ Op weg naar een egaal beeld Paleis op de Dam

andere smaken

51 54 56 58 62 64 65

| Kleurrijk hek finishing touch renovatie ministerie | Shanghai 2010: Wat gebeurt er met het Nederlands paviljoen? | Gebouw Verkeer en Scheepvaart in kader Nieuwe Werken | DG Rijkswaterstaat wil dat burger trots op de weg zit | Aandacht voor het kleine station | Drie bijzondere visies op het Haags Cultuurforum | Boeken en exposities: het tijdelijke Stedelijk Museum, de Architectuur Biennale, alle Amsterdamse pleinen, expositie Marcel Kentin

nasmaak

68 | Menno Iprenburg, verhelpt rugpijn in Veenhuizen


van de redactie

kunst

Terug naar af

4

stedenbouw

monumenten

architectuur

architectuurbeleid

Tekst: jaap huisman Fotografie: levien willemse

Toen ik half september vertrok naar de Architectuur Biënnale van Venetië, werd er nog driftig gesleuteld aan een nieuw kabinet en viel er weinig te zeggen welke kant het uitging. Ja, geruchten dat sommige departementen zouden worden samengevoegd, zoals Landbouw en Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat en VROM, zongen rond, maar die verhalen speelden al langer. In ander verband waren er meer concrete besluiten, zoals dat van wethouder Van Poelgeest van Amsterdam om veel grote bouwprojecten stil te leggen. Dat werd gevolgd door een zelfde koers in Den Haag: zestig van de 550 bouwprojecten gaan voorlopig niet door. Daaronder het inmiddels spraakmakende M-gebouw van Rem Koolhaas voor het Centraal Station in Den Haag. In die gemoedstoestand wandelde ik over het Biënnaleterrein, wetende dat de crisis nu echt een feit was. En wat bleek? Architecten, steden-

bouwkundigen en ontwerpers hadden dit kennelijk al zien aankomen. Ze kozen voor behoud in plaats van ontwikkeling, ze ontfermden zich over bestaande, niet altijd fraaie gebouwen die al een tijd leeg stonden of zelfs niet waren afgemaakt omdat het gras aan de andere kant van de heuvel groener leek. Zelfs Koolhaas lijkt op zijn wat oudere dag ‘nostalgisch’ door terug te blikken op wat zijn bureau het afgelopen decennium heeft bereikt. Terug naar af, een pas op de plaats. Het is in feite een aangename herbezinning. Door sommige futuristische presentaties van Zuid-Korea, Australië en Denemarken realiseer je je dat er tot het uitbreken van de kredietcrisis stedenbouwkundig een ratrace is gelopen. Gek kon nog niet gek genoeg zijn. De kroon wordt gespannen door de Verenigde Arabische Emiraten. Daar is onlangs een immens autocircuit geopend, nadat er eerder al de grootste overdekte skipiste en een megaaquarium waren gebouwd. Hoezo energiecrisis? Hoezo de terugdringing van CO2-uitstoot? Heeft de wereld behoefte aan een tweede Las Vegas? Klaarblijkelijk wel in de Arabische wereld waar aan de rand van de woestijn niet zo veel valt te beleven: dan kiest een ontwikkelaar al snel voor amusement. Daarom was de presentatie

van een ander Arabisch staatje, Bahrein, in Venetië zo’n openbaring. De nagebouwde vissershuisjes die moesten wijken voor grootschalige kustontwikkeling, symboliseerden de breuk tussen heden en toekomst, tussen traditie en vooruitgang. De vissers vertelden op monitoren ‘dat hun huis de zee was’, dat ze waren kwijtgeraakt omdat er hotels langs de kust gebouwd moesten worden. Intussen was het mooie strand veranderd in een onaantrekkelijke strook van keien, in afwachting van bebouwing. Terecht kreeg Bahrein voor deze eerlijke ‘boetedoening’ de Gouden Leeuw voor het beste paviljoen. De Biënnale bleek daarom een van de beste in jaren, omdat ze dat breukvlak in beeld bracht, een westerse wereld die zich moet bezinnen en zijn erfgoed op orde moet brengen, tegenover het expanderende Azië waar dat moment nog niet is aangebroken. Alles van waarde is weerloos, zou het motto à la Lucebert kunnen zijn, dat van toepassing was in Venetië. De schatkamer van het westen is veel rijker dan we ons hebben gerealiseerd toen we ons concentreerden op de Vinexwijken, de Zuidas, Den Haag Nieuw-Centraal en andere ‘zichtlocaties’. Misschien dat een nieuw kabinet daarover kan nadenken – terug bij af

of een pas op de plaats hoeft niet zo slecht te zijn. Amsterdam en Den Haag hebben al de daad bij het woord gevoegd. De Fransen zeggen dat zo mooi: reculer pour sauter mieux.


nieuws

Nieuw Defensiemuseum aanbesteed

Het rijk besteedt het nieuwbouwproject defensiemuseum Soesterberg door middel van publiek private samenwerking [pps] aan.

Ook centrum biodiversiteit wordt pps-project De aanbesteding voor de uitbreiding van Nederlands Centrum voor Biodiversiteit Naturalis bereikt een nieuwe fase. De stuurgroep heeft besloten om de 15.000 m2 nieuwbouw voor depot, onderwijs- en onderzoeksruimte te realiseren middels een publiek-private samenwerking (PPS).

Het nieuwe museum wordt gerealiseerd op het gedeelte van de voormalige vliegbasis dat eigendom van Defensie blijft. Het Legermuseum uit Delft en het Militaire Luchtvaartmuseum uit Soesterberg

Deze beslissing is het resultaat van de PPC (het financiele vooronderzoek), die in het voorjaar is uitgevoerd. NCB Naturalis is een modern natuurhistorisch museum met een collectie van grote wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van maar liefst 37 miljoen objecten. De nieuwbouw wordt gerealiseerd naast het huidige Naturalisgebouw in Leiden, waar momenteel een collectie van 15 miljoen objecten wordt beheerd. De aanbesteding zal in november van start gaan na afronding van het haalbaarheids­ onderzoek, dat de Rijksgebouwendienst uitvoert samen met de gemeente Leiden. NCB Naturalis zal als eerste stap in het aanbestedings-

zullen hier samen tot een nieuw museum integreren waarbinnen ook een defensiebrede component aanwezig zal zijn. Tevens zal een buitenterrein voor exposities en evenementen worden ingericht. De locatie grenst aan de voormalige start- en landingsbaan. Gezien de bijzondere ligging van het gebied in het hart van de Heuvelrug zal nadrukkelijk aandacht worden besteed aan behoud en ontwikkeling van natuurwaarden zoals verwoord in het ruimtelijk plan Vliegbasis Soesterberg. Tevens zal duurzaamheid een van de aspecten zijn die een rol speelt in het project. Zo zal er optimaal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur en gebouwen.

proces een getekend programma maken, waarin het zijn wensen en eisen letterlijk in beeld brengt. Deze afbeeldingen en tekeningen worden als referentiemodel toegevoegd aan de outputspecificaties. Het is de eerste keer dat de Rijksgebouwendienst zo’n getekend programma gebruikt tijdens een PPS aanbesteding.

5

De aankondiging hiervoor is op woensdag 1 september 2010, gepubliceerd. Opdrachtgever van het nieuwbouwproject is het ministerie van Defensie. De Rijksgebouwendienst treedt voor het ministerie op als aanbestedende dienst en is verantwoordelijk voor het totale aanbestedingsproces. In 2014 zal het museum zijn poorten openen. De DBFMO-overeenkomst [Design, Build, Finance, Maintain and Operate] omvat onder meer de realisatie, de museale inrichting en gedeeltelijke exploitatie van het museum. De overeenkomst heeft een looptijd van 25 jaar.


6

stedenbouw

monumenten

architectuur

architectuurbeleid

kunst

Bouwput wordt wensput

Met het vertrek van de laatste vrachtwagens met zand is een volgende fase in de nieuwbouw van het gerechtsgebouw Zwolle aangebroken. De vorm van de tweelaagse parkeerkelder is nu duidelijk zichtbaar en daarmee zijn de laatste grote voorbereidende

werkzaamheden afgerond. In de komende periode wordt de fundering van de nieuwbouw gestort en krijgt de kelder zijn definitieve vorm. Voordat de fundering wordt aangebracht, wenste Robert S. Croll, president van de rechtbank ZwolleLelystad, op een maandag in september het gebouw alle goeds toe. In bijzijn van een aantal medewerkers van de rechtbank en Rijksgebouwendienst gooide Croll een geluksmunt in de bouwput voor een voorspoedig bouwproces. Met de nieuwbouw en renovatie van het gerechtsgebouw Zwolle kan de

rechtspraak in de Zwolse regio nog efficiënter werken. Op dit moment zijn de medewerkers verdeeld over drie locaties, zij komen in het nieuwe gerechtsgebouw samen op één locatie. Na een lange aanloop verloopt het bouwproces nu voorspoedig. De nieuwbouw zal in 2013 in gebruik worden genomen. Daarna wordt de huidige rechtbank gerenoveerd.

Renovatie grafmonument Maarten Tromp De Rijksgebouwendienst is in september begonnen met de renovatie van het grafmonument van Maarten Tromp in de Oude Kerk in Delft. Vocht en roest  zorgen ervoor dat er schade is ontstaan aan het natuursteen van het grafmonument, dat in 1658 voor de zeevaarder is voltooid.  Met de renovatie wil de Rijksgebouwendienst ervoor zorgen dat het monument, dat van grote kunsthistorische waarde is, behouden blijft voor de toekomst. Het natuursteen van het grafmonument van Maarten Harpertszoon Tromp is beschadigd door vocht, bouwschadelijke zouten én door roestende ankerijzers en zettingen. Het vocht en de zouten zorgen voor oxidatieverschijnselen aan het ankerijzer en de doken. Hierdoor verslechteren de bindingen tussen steen en metaal, waardoor stenen kunnen verschuiven. Daarnaast zijn er in het natuursteen breuken en barsten ontstaan door uitzettend ijzer.

Het grafmonument zal gedurende de werkzaamheden in de steigers staan. Gedemonteerde delen van het grafmonument worden opgeslagen in stellingen naast de steigers. De restauratiewerkzaamheden worden zowel ter plaatse in de kerk als in de steenhouwerij in Utrecht uitgevoerd. De duur van de werkzaamheden is afhankelijk van wat er tijdens de demontage wordt aangetroffen. De Oude Kerk in Delft, die gewoon in gebruik is als kerk, is dagelijks toegankelijk voor bezichtigingen, ook tijdens de duur van de restau­ ratie. (foto restauratie: Eran Oppenheimer foto grafmonument: Pier Terwen)


Plateaus decoraties vormden blinde vlek op het Buitenhof kunst

In de kranten viel (nog) niets te lezen over de ontdekking in het kabinet van Willem V op het Haagse Buitenhof. Tot voor kort was de schilder Antoine Plateau daar in Nederland een te grote onbekende voor. Zo onbekend dat ook specialisten de ‘on-Nederlands’ neoklassieke wand en plafondschilderingen uit 1790 niet konden toeschrijven. Pas deze zomer kwam er dankzij een toevallige samenloop van omstandigheden opheldering in de zaak.

nieuws

Het romantische leven van een onderzoeker. In juni van dit jaar snelt de Belgische professor Anna Bergmans naar het voormalig kabinet van Willem V in het Haagse Buitenhof. ‘Te elfder ure’, de deadline van een publicatie zit haar venijnig op de hielen. Drie dagen later moeten de allerlaatste teksten van een volumineuze publicatie naar de drukker. Het resultaat van vele jaren multidisciplinair onderzoek door 17 specialisten naar het Belgische hertogelijke paviljoen De Notelaer. Bergmans is getipt door de Nederlandse interieurspecialist Eloy Koldeweij, die als meelezer van haar Detail van de gedecoreerde spiegellijst.

publicatie bij het zien van het bijbehorende beeldmateriaal een déjà vu had. Eenmaal in het kabinet van Willem V aangekomen wordt de déjà vu van Koldeweij een gouden vondst voor Bergmans. Het vocabulaire en de schildertechniek van de geschilderde decoraties wijzen overtuigend op één naam. Na meer dan tweehonderd jaar weet eindelijk iemand de maker aan te wijzen. Antoine Plateau. Dezelfde Plateau waarvan Bergmans voor de op handen zijnde publicatie jarenlang uitgebreid het werk – tot aan de Albertina in Wenen toe – heeft onderzocht. Na twee nachten zwoegen voegt Bergmans het ensemble in het

Buitenhof toe aan de publicatie. Hierin worden naast een biografie van Antoine Plateau nu niet vier maar vijf getraceerde interieurdecoraties van zijn hand nader belicht. Atypisch

Het voormalig kabinet van Willem V bevindt zich op de eerste verdieping in de uitbouw van de zuidvleugel op het Buitenhof. De uitbouw – ook wel het Nieuwe Stadhouderlijke Kwartier genoemd – is rond 1780 in opdracht van stadhouder Willem V ontworpen door architect Friedrich Ludwig Gunckel. De decoratie van de wanden en het plafond van het kabinet werd in 1790 uitgevoerd door en onder regie van de firma Piat

monumenten

De publicatie Een belvedère aan de Schelde. Paviljoen De Notelaer in Hingene (1792-1797), onder redactie van Joke Buijs & Anna Bergmans, is in september 2010 verschenen. De publicatie is een uitgave van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed. www.vioe.be

Een ontdekking in galerij Willem V

7

Tekst: xandra de jongh fotografie: vioe


nieuws kunst

LeFebvre et Fils, een gerenommeerde tapijtenweverij en fabriek uit Doornik. Op 23 december 1790 werd een betaling van 6750 gulden gedaan aan de Doornikse firma ‘wegens het decoreren en in orde brengen van het Groot Cabinet (...) bestaande in het beschilderen en vercieren van het plafon en boiscering, en het leveren van de nodige Stukken Tappisserie op hetzelve.’ De inrichting van het kabinet wordt vandaag de dag nog steeds bepaald door de destijds geleverde diensten. Geweven tapijten en geschilderde decoraties op het hout- en stucwerk. Het ene wandtapijt stelt Dionysius (of Bacchus) voor, het andere Ceres (Demeter). Ook de geschilderde decoraties – zoals op het opvallende plafond – hebben mythologische elementen in combinatie met natuurlijke bloemen en planten. De neoklassieke stijl waarin de decoraties zijn uitgevoerd is voor Nederland atypisch. Arnold Issig, die in 1879 een uitgebreide beschrijving van het vertrek maakte, noemde het ‘zonderling dat in de loop der jaren juist dit kabinet met zijn wulpsche stoffering de vergaderplaats moest worden van de raadslieden der kroon.’ De functie van ministerskamer verviel overigens in 1992. Thans wordt het vertrek bij uitzondering zo nu en dan gebruikt, voor ceremoniële ontvangsten en bijzondere vergaderingen.

8

Overigens is ook het oorspronkelijk ameublement bewaard gebleven. Deze stoelen, die eveneens door Piat LeFebvre et Fils zijn bekleed, staan op Paleis het Loo in de kamer van Willem V. In 2000 vond in het kader van conservering een onderzoek van de geschilderde decoraties in het kabinet van Willem V plaats. Een serieuze poging om de maker te achterhalen had geen succes. In het onderzoeksrapport van de restaurator valt te lezen dat door eerdere restauraties de grondvorm uit 1790 weliswaar gehandhaafd is gebleven, maar dat het aanzicht door een gedeeltelijke overschildering een negentiende-eeuwse interpretatie is.

Gelijkenis

Het bleek voor Anna Bergmans geen obstakel om de maker vast te stellen. Zij concludeerde dat de composities, de stijl en de iconografie van de decoraties een treffende gelijkenis tonen met de rest van het bewaarde oeuvre van de kunstenaar. Voor Bergmans staat het vast dat

Plateau de schilderingen in het kabinet van Willem V destijds in onderaanneming van Piat Lefebvre et Fils heeft uitgevoerd. ‘Sous son pinceau les appartement se métamorphosaient en Elysées.’ Zijn penseel veranderde woonvertrekken in Elysese velden. Dit

compliment over Antoine Plateau dateert uit 1827, twaalf jaar na de dood van de Belgische decoratieschilder. Anno 2010 wordt alleen zijn zoon genoemd in zoekresultaten op het internet. Joseph Plateau (1801-1883), beroemd als natuurkundige en wiskundige, lijkt zijn vaders naam te hebben doen vergeten.


schilderkunst van het allerhoogste niveau op het einde van achttiende en het begin van de negentiende eeuw. Toch was tot op heden zeer weinig over hem bekend. De decoratie die Plateau in 1797 voor de salon in het paviljoen De Notelaer maakte is het enige werk van de schilder bekend in archivalische bronnen. Blinde vlek

Ook voor Eloy Koldeweij, interieurspecialist bij de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed, was Antoine Plateau tot voor het onderzoek van Anna Bergmans een grote onbekende. Koldeweij onderschrijft de hoge kwaliteit van de decoratieschilderin-

gen in de Stadhouderskamer. Dat maakt het volgens hem des te curieuzer dat Plateau in Nederland al die tijd een totaal onbekende is gebleven. Maar er zijn meer curieuze hiaten in de geschiedenis. Opmerkelijk voor een regeringscentrum dat al vanaf de Middeleeuwen, het begin van zijn ontstaan, op dezelfde plaats is gehuisvest, blijkt veel aan het Buitenhof ‘een blinde vlek’. Een groot interdisciplinair onderzoek naar het Buitenhofcomplex is tot op heden nooit uitgevoerd. ‘Het blijft vooralsnog een raadsel hoe Plateau in Den Haag is terecht gekomen, evenals die tapijtenfabriek Piat

LeFebvre et Fils’ aldus Koldeweij. Hij heeft de stille hoop dat ergens in de archieven een verwijzing naar Plateau is te vinden. Het gaat immers om een oorspronkelijk prominent vertrek in het Buitenhof. Wellicht in de nog niet nader hierop uitgeplozen privé-correspondentie van Willem V. De zaak Plateau krijgt ongetwijfeld (onverwachts) vervolg.

Foto pagina 8: Schoorsteenwand van het kabinet Willem V. Onder links: Detail van de plafond­ schildering. Onder rechts: Detail van een van de hoeken van het door Antoine Plateau beschilderde plafond.

9

Tijdens zijn leven genoot Antoine Plateau (1759–1815) echter een uitstekende reputatie en verkeerde in de allerhoogste kringen. Hij stond bekend om zijn decoraties in veelal particuliere herenhuizen en werd geroemd als bloemenschilder. In Parijs was Plateau gedurende zijn eenjarige verblijf een van de beste leerlingen geweest van de Hollandse schilder Gerard van Spaendonck (1747–1826). Deze uit Tilburg afkomstige Van Spaendonck stond bekend als een uitstekende bloemen- en vruchtenschilder en maakte als peintre en mignature voor Lodewijk XVI botanische studies. Volgens Anna Bergmans behoort het oeuvre van Plateau tot de decoratie-


10

stedenbouw

monumenten

architectuur

architectuurbeleid

kunst

column onderwerp

wauw gebouw Tekst: nicolaas matsier Fotografie: teo krijgsman

Alles aan het graf is in viervoud vormgegeven In de Nieuwe Kerk te Delft liggen ‘onze’ helden begraven, daaronder natuurlijk het graf van Willem de Zwijger. De hele kerk staat in het teken van de leider van de Bataafse opstand. Voor katholieken moet het min of meer een belediging zijn geweest dat het grafmonument op de plaats van het altaar staat.

Je zou denken: al die Nederlandse Grote en Oude en Nieuwe Kerken, daar heb je niks aan, als toerist. Die zijn toch dicht. Ze staan daar wel mooi te wezen met al hun goed onderhouden bakstenen schoonheid, en ze mogen dan wel het karakteristieke silhouet uitmaken van zowat elk historisch stads­ centrum, maar erin kunnen? Ho maar. Eerst hebben die protestantse beeldenstormers de boel van binnen grondig kaalgeslagen en daarna hebben ze die kerken op alle dagen behalve zondag ook nog eens op slot gedaan. Dus doet zo’n bouwwerk eigenlijk nooit mee als je een toeristisch uitje plant. In de zestiende eeuw moesten de heiligenbeelden en de graven van de geestelijkheid eraan geloven. De kerk, als belangrijke opdrachtgever, had afgedaan. Verschrikkelijk veel kunstschatten verdwenen. Waren de beeldhouwers nu voorgoed werkloos geworden? Halverwege de Opstand kregen ze nieuw emplooi. In de gewitte protestantse kerken kwamen zo’n honderd grafmonumenten tot stand, grafmonumenten met een strikt genomen seculier karakter, en verbazend luxueus. Het waren grafmonumenten voor de helden van de Opstand. Het ging voornamelijk om de zeehelden die wij nog altijd tegenkomen in de naar hen vernoemde straten. Vele grotere Nederlandse steden hebben in de negentiende eeuw hun zeehelden-

buurten gewild. Piet Hein, vader en zoon Tromp, De Ruyter waren mannen, afkomstig uit het gewone volk, die heel goed konden vechten. Voor een paar van hen was de liefkozende eretitel ‘bestevaar’ in zwang gekomen. Bepaald niet van zulke gewone afkomst was de stadhouder Willem van Oranje, die als de onbetwiste leider van de Opstand vooral na de moord (1584) en met terugwerkende kracht tot vader des vaderlands uitgegroeid is. Deze op een Duitse burcht geboren edelman sprak en schreef vooral Frans, de taal van het prinsdom Orange dat hem door een erfenis in de schoot was geworpen. Of hij überhaupt Nederlands sprak? Misschien een soort Nederlands. Het is aan het toeval van zijn verblijf in Delft, waar de moord plaatsvond, te danken dat hij daar – maar pas een jaar of dertig na dato – zijn grafmonument gekregen heeft. Als Breda niet in Spaanse handen was geweest, zou hij daar zijn begraven, waar de familie Nassau belangen en een graf had. Het zou ongetwijfeld een begrafenis van particuliere aard zijn geweest. Maar het succesvolle verloop van de Opstand en het daardoor mogelijk geworden Twaalfjarig Bestand hebben de Staten Generaal in staat gesteld tot een politieke geste van grote allure. Want zij, die als de feitelijke machthebbers de voorloper waren van de latere Staat der


Snobistisch

Ik kwam er dus voor het eerst. Het verbaasde me dat ik vrijwel alleen maar vreemde talen om me heen hoorde. Er waren Spaanse, Duitse en Franse toeristen, bijna geen Nederlandse. Tja, was het grafmonument van Willem van Oranje in Delft niet zo’n beetje De Nachtwacht van de beeldhouwkunst? En leed het daarmee niet onder een wonderlijk en ietwat snobistisch vooroordeel, juist bij diegenen voor wie het al te dichtbij was en die niet of nauwelijks op reis hoefden om het te gaan zien? Ik geef toe dat ook ik dat gedacht heb. Het grappige is dat het grafmonument ook in de zeventiende eeuw, toen het nog nieuw was, al als reisdoel gold speciaal voor de buitenlandse toeristen. Ook toen al was de kerk op doordeweekse dagen open, al dan niet tegen een kleine vergoeding. Dat is op te maken uit talloze reisverslagen. De hele kerk staat in het teken van De Zwijger. Onderweg naar het koor, waar het monument zich bevindt, wordt over de hele lengte van het schip tekst en uitleg gegeven. Onderweg passeer je ook een videoscherm waarop, in stilte, een uitvaart van een Oranje te zien is. Men rijdt en schrijdt, men is onderweg, men presenteert het geweer, men doet alles stilzwijgend of zonder hier hoorbare woorden. De predikant, de

muzikanten, de zangeres, zij prediken, spelen, zingen geluidloos. Het scherm is als een eeuwige vlam. Ik hoop dat het ook ‘s nachts, zonder einde en zonder begin, zijn dodenwake volhoudt in een kerk die in een volledig duister gehuld is. Het monument, als gezegd, staat in het koor. Het moet ooit een affront zijn geweest voor de katholieke medeburgers. Het beeld van de seculiere heilige staat op de plaats van het altaar, een ruimte die exclusief voorbehouden was aan de priesters. Het is erop berekend van elk der vier kanten goed bekeken te worden. Alles eraan is dubbel en soms viervoudig vormgegeven. Glanzend

Het is de levende Oranje die in harnas, maar nonchalant gezeten, helm af, het eerst gezien wordt, als bronzen beeld. Achter hem, op een zwart marmeren lijkkist of tombe, ligt de vermoorde vader des vaderlands, heel wit en zachtjes glanzend, op ware grootte. Handen losjes naast zich, niet gevouwen. Hij draagt een mutsje, en dezelfde kraag als zijn geharnaste zittende evenbeeld. Hij heeft een lang gewaad aan, deels open geknoopt, en sloffen aan de voeten. De ogen zijn half geloken. Wie aan het voeteneinde naar hem kijkt, staat op dezelfde ooghoogte als de prins. Leeft hij nog of is hij dood? Heeft hij zijn informele alledaagse kleding aan of niet? Met zijn plooikraag zal hij toch niet geslapen hebben? De twee lengtekanten vertonen elk hetzelfde tekstbord, in het fraaie Latijn van Constantijn Huygens. De twee putti die het tekstbord ophouden doen aan weerszijden precies hetzelfde. Identieke familiewapens rond de liggende prins verkondigen vier maal zijn afkomst. Ook zijn vier deviezen (waaronder Je maintiendrai) worden dubbel in stelling gebracht. Ik ben er vaak omheen gelopen. Je raakt er niet snel op uitgekeken. Veel details zie je niet direct al. Het is allemaal prachtig gerestaureerd. Er waren twee dingen die me opvielen. Het ene was: hoe betrekkelijk intiem het witte lijf daar ligt, beschermd als

het wordt door al die zuilen en nissen en bronzen beelden rondom. (Waaronder trouwens vooral het sublieme bijna zwevende beeld van de Faam, die als een balletdanseres op slechts enkele tenen haar enorme bronzen door de lucht vliegende gewicht torst.) Maar je komt er helaas niet heel dicht bij. Er staat een sober hek omheen. In vroegere eeuwen moet dat er een geweest zijn, zo las ik, waardoor aan de onderzijde honden en aan de bovenkant klimmende kinderen geweerd werden. Dat hek is alleen weg als er begraven wordt. Dan is ook een enorme zerk, die de toegang tot de trap omlaag naar de grafkelders bedekt, verwijderd. Je

ziet die trap, een ontstellende ingang naar gene zijde, als genodigde of als tv-kijker, en maar heel even, wanneer er een nieuwe dode dient af te dalen. Het tweede wat me opviel betrof een luik. Dat moet het luik zijn waarvan alleen de burgemeester van Delft de sleutel heeft. Zo nu en dan doet hij het open om inspectie mogelijk te maken van de grafkelder van de ruim veertig Oranjes die in de kelders onder het monument liggen - een discrete beroepsmatige inspectie door de Rijksgebouwendienst. Welnu, ik heb geconstateerd dat dat luik een heel klein beetje wiebelt – tussen de verder volmaakte bovenen de onderwereld.

11

Nederlanden, hebben midden in de Tachtigjarige Oorlog opdracht gegeven tot de bouw van het schitterende grafmonument in de Nieuwe Kerk van Delft. Daarom is het de tegenwoordige Rijksgebouwendienst die het monument onder zijn hoede heeft. Het waren de beste beeldhouwers, Hendrick de Keyser, en na diens dood zijn zoon, die het monument ontwierpen en bouwden. Tot mijn schande was ik er nog nooit geweest hoewel ik een groot liefhebber ben van kerken en begraafplaatsen. Ik vond het prachtig. Het verraste me dat het monument, ondanks zijn niet oningewikkelde samengesteldheid en zijn evidente kostbaarheid, toch eerder sober en elegant dan pompeus of barok was.


12

Foto: De ru誰ne van Bredero in Santpoort

stedenbouw

monumenten

architectuur

architectuurbeleid

kunst


toekomst voor het verleden Toen de steigers en het geveldoek waren weggehaald bij Galerij Willem V en de Gevangenpoort in Den Haag, werd duidelijk welke aanwinst Den Haag rijker is: de Gevangenpoort heeft zijn barse interieur behouden, het stucwerk van Galerij Willem V daarentegen is tot in de puntjes gerestaureerd. Bovendien is er een wandschildering ontdekt van de Franse decorateur Antoine Plateau die rond 1800 zeer geliefd was in West-Europa. Nog steeds staan er steigers rondom het Paleis op de Dam in Amsterdam. Daarachter werken zo’n zestig voornamelijk Duitse restauratoren minutieus aan de blokken natuursteen, festoenen en consoles. Uiteindelijk moet dat een egaler en dus rustiger gevelbeeld opleveren. Van de 250 duizend blokken wordt een procent vervangen en wel zo dat het niet opvalt. Het verleden laat de Rijksgebouwendienst niet met rust, of het nu om de reconstructie van het Rietveldpaviljoen in de beeldentuin van museum Kröller-Müller gaat of om een studie naar de juiste mortel in de ruïne van Bredero te Santpoort. Nieuwe inzichten worden gekoppeld aan verbeterde technieken, waarvoor specialisten worden ingeschakeld. Restauratie is namelijk niet alleen een eerbetoon aan het verleden maar ook een middel om het monument weerbaar te maken voor de toekomst: het thema van SMAAK–48


restauratie

Horen onregelmatigheden bij schepping Berlage of juist niet?

14

monumenten

architectuur

Onderzoek moet geheimen Jacht toekomst voor verleden Tekst: frank van de poll Fotografie: xxx

Van de architect H.P. Berlage is bekend dat hij niets aan het toeval overliet. Van het Jachthuis Sint Hubertus op de Hoge Veluwe, dat binnenkort een grondige restauratie zal ondergaan, werden de geglazuurde bakstenen op de hoofdverdieping eerst tot op de millimeter door hem zelf uitgetekend. Ook is het algemeen bekend dat Berlage steeds meer in conflict kwam met zijn opdrachtgever Henriette KröllerMüller omdat deze zich naar zijn mening te veel bemoeide met het ontwerp. De toevoeging van een erker aan haar zitkamer was voor Berlage de druppel. Hij leverde zijn opdracht in en keerde terug naar Den Haag.

De ontstaansgeschiedenis van het Jachthuis zit vol met dit soort smaak­volle anekdotes en restauratie­architect Maarten Fritz schudt ze dan ook achteloos uit zijn mouw. Maar als geen ander weet hij ook dat er meer voor nodig is dan het opdissen van een handvol smeuïge verhaaltjes om door te dringen tot de essentie van het Jachthuis. “Het is bijzonder moeilijk vat te krijgen op dit gebouw omdat je niet alleen te maken hebt met Berlage, maar ook met mevrouw Kröller-Müller, die als opdrachtgever een zeer grote rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het huis”, zegt Fritz in zijn kantoor in Bussum. “Zij is de bedenker van het hele concept. Maar vervolgens is zij in haar kunstopvattingen weer gevormd door H.P. Bremmer, een Haagse kunstpedagoog, die in de eerste helft van de vorige eeuw een enorm gezag had in de Nederlandse kunstwereld. Bremmer was bijna in alle facetten van de kunstwereld actief, zelfs als praktiserend kunste­naar, maar hij is vooral bekend geworden als kunstverzamelaar en


Stel dat de restauratie van Jachthuis Sint Hubertus op de Hoge Veluwe doorgaat, dan is het voordien zaak te weten te komen wat Berlage bedoeld en gewild heeft met de details in het interieur. Hoort een vloer recht te liggen of is die opzettelijk onregelmatig? Hier werd het persglas graniver verwerkt in de tegels, zeer uitzonderlijk en dus bijzonder.

kunsthandelaar, als kunst­criticus en als leraar. In 1906 leerde hij Mevrouw Kröller-Müller kennen toen zij een cursus bij hem volgde. Daarna heeft hij haar jarenlang geadviseerd bij haar kunstaankopen en hij heeft haar zelfs meermalen vergezeld op haar kunstreizen. De invloed van Bremmer op Mevrouw KröllerMüller is daarom zeer beslissend geweest. Dus uiteindelijk heb je te maken met drie personen die alle drie een belangrijke invloed hebben gehad op hoe het Jachthuis er uiteindelijk uit kwam te zien. De vraag is alleen: hoe is de interactie bij de bouw van het jachtslot tussen deze drie personen precies verlopen? Dat vergt nogal wat onderzoek. Wil je de juiste beslissingen nemen bij een eventuele restauratie dan moet je ook weten wat er met de bouw van het Jachthuis bedoeld is. Welke keuzes er zijn gemaakt en waarom”. Leien

Hoe groot de invloed van Mevrouw Kröller-Müller was op Berlage blijkt onder meer uit het materiaalgebruik.

Zo is het dak van het Jachthuis gedekt met leien, terwijl dat bij Berlage in zijn verdere werk niet voorkomt. En het gebruik van natuursteen ter plaatse van bouw­ kundige ‘knopen’, trappen en bij de aanzetten van boogconstructies, zo kenmerkend in het metselwerk van Berlage, kom je in het Jachthuis niet tegen. Deze plekken worden wel geaccentueerd, maar dan met speciaal geglazuurde vormstenen die in kleur en materiaal volledig opgenomen zijn in de baksteenconstructies. Dit streven naar een harmonisch concept, de samensmelting van vorm en kleur, was een van de peilers van Bremmers kunstopvatting. Fritz legt uit: “Bremmer noemde dit ‘eenheid van voordracht’. Hij vond dat de verschillende materialen een verbinding met elkaar moesten aangaan met als doel emoties op te roepen. Het Jachthuis is dan ook meer dan architectuur alleen, het is eigenlijk ook een sculptuur omringd door een prachtig landschap. Bovendien was het bewust bedoeld als een Gesamt-

15

huis Sint Hubertus blootleggen


restauratie architectuur

16

monumenten

kunstwerk. Een decor voor de spirituele beleving van kunst, literatuur en filosofie. Een verbond tussen verbeelding en werkelijkheid”. Licht en schaduw

Aan de hand van foto’s van vlak na de oplevering laat Fritz zien wat Bremmer precies bedoelde met ‘eenheid van voordracht’. Dat het materiaalgebruik op elkaar is afgestemd en dat door de samenstelling en vorm van de complexe bouwmassa er afwisselende lichten schaduwpartijen ontstaan. Maar ook dat de lichtreflectie van het metselwerk en de leien op het dak nage­noeg gelijk is en de kleur van de bruine, teakhouten rolluiken in de

raam‑partijen perfect aansluit bij het donkere metselwerk. Over het gebruikte materiaal valt overigens nog veel meer te vertellen. De vlakken met metselwerk zijn samengesteld uit baksteen van verschillende hardheid waardoor er allerlei kleurnuances optreden. De rode, oranje, bruine en bijna zwarte bakstenen, waaruit de gekleurde vlakken bestaan, verschillen eveneens in hardheid en kleur. Alle metselvlakken krijgen daardoor een zekere gelaagdheid, een textuur. Van veraf ziet het metselwerk eruit als een helder vlak, maar van dichtbij ontstaat er juist een subtiel gedifferentieerd beeld met allerlei kleur­nuances.

Die behandeling van het materiaal zit ook in het interieur. In de tegels, de houten panelen en deuren, de graniver vloeren, en zelfs in het lakwerk, zit een van te voren bedachte textuur. Zo is het glazuur van de tegels af en toe ‘mislukt’ en in de graniver vloeren zitten tegels die sterk verschillen van kleur. Graniver bestaat uit geperst glas. Het heeft bijzonder mooie, oud aandoende kleuren en is bovendien ondoorzichtig, waardoor het de indruk van steen geeft. Het sauswerk laat een zelfde nuance zien, het is niet helemaal dekkend en daardoor juist bont en gelaagd. Door al die bewust aange­ brachte onvolkomenheden oogt het materiaal levendig en karaktervol.

Schade herstellen

“Het is belangrijk om dit allemaal te weten”, zegt Fritz, “omdat we er door dit onderzoek achter zijn gekomen dat een restauratie straks uit twee aspecten zal moeten bestaan. Aan de ene kant het herstellen van schade aan het materiaal en aan de andere kant het herstellen van de schade aan de architectuur als geheel zodat het oorspronkelijk bedoelde beeld van dit Gesamtkunstwerk weer volledig tot zijn recht komt. Daarom is het voor mij ook zo belangrijk om te achterhalen wat de opdrachtgever nu precies wilde met dit gebouw”. Om maar eens een voorbeeld te geven. Als door onderzoek niet


Verdiepingsvloer is machinekamer van het Jachthuis

Zo zal de vloer van de eerste verdieping straks tijdelijk worden verwijderd om de ruimte onder de vloer als een horizontale leidingen-

schacht te gebruiken, een functie die door Berlage zelf al was bedacht. Die leidingenschacht is trouwens een sterk staaltje van het zo efficiënt en gelijkertijd zo terughoudend mogelijk aanbrengen van allerlei noodzakelijke voorzieningen met betrekking tot brandveiligheid, klimaat en elektra. Bekabeling en installaties worden voor het grootste deel samengebundeld in die schacht om het beeld van de architectuur zo min mogelijk te verstoren. Fritz noemt de verdiepingsvloer daarom wel de machinekamer van het Jachthuis. Samen met een ontwerpteam wordt bekeken welke oplossingen het meest wenselijk zijn. Contrastrijke oplossingen zullen

zoveel mogelijk worden vermeden. Zo worden, voor een permanente bereikbaarheid, de elektriciteitsdozen aangebracht in knieschotten en in kasten en niet meer, zoals vroeger, midden in de vloervelden. Als uiteindelijk alle bekabeling en installaties zijn aangebracht wordt de vloer weer teruggelegd. Fritz: “De tegelzetter zal daarbij wel goed geïnstrueerd moeten worden. Tegelzetters kunnen prachtige rechte vloeren leggen, want dat hebben ze geleerd, maar als alles een beetje onregelmatig moet liggen dan gaat dat tegen hun natuur in en leggen ze het toch weer recht. Dat moeten we dus zien te voorkomen.”

17

duidelijk was geworden dat de onregelmatigheden in de tegelvloer bewust waren toegepast dan zouden die ‘slordigheden’ misschien wel toegeschreven zijn aan eerdere restauraties. Fritz: ‘En voor je het weet gaan we die vloer straks weer rechtleggen. Daarom zijn we blij dat ook de onderhoudsgeschiedenis goed in kaart is gebracht. We weten dat alle vloeren van de eerste verdieping al een keer zijn vervangen en weer net zo onregelmatig zijn teruggelegd’.


kunst

restauratie

Gevangenpoort en Galerij Willem V delen voordeur en bezoekers

Foto onder: De nieuwe gezamenlijke entree met de stalen trap die leidt naar de Galerij.

18

monumenten

architectuur

De ui als metafoor toekomst voor verleden Tekst: rolf de boer Fotografie: Marcel Kentin

Opdrachtgevers: Museum de Gevangenpoort en Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis CoĂśrdinatie: Rijksgebouwendienst Architect: Hennie Brouwer Hoofdaannemer: Koninklijke Woudenberg, Ameide 2006-2007: Onderhoudswerkzaamheden aan de buitenschil van de gebouwen 2008-2010: Restauratie van de binnenkant en functionele verbeteringen Investeringskosten: â‚Ź 7,5 miljoen

Achter de gerenoveerde gevel aan het Buitenhof bevinden zich twee uitingen van vorstelijke macht die nauw verbonden zijn met de geschiedenis van Den Haag. Pontificaal op de hoek met de Plaats staat de Gevangenpoort die vanaf de 15de eeuw vier eeuwen dienst deed als gevangenis en sinds 1882 een museum is voor strafrecht. Verborgen in het pand ernaast bevindt zich de achttiende-eeuwse schilderijengalerij van stadhouder Prins Willem V die ook toen al toegankelijk was voor publiek. Als in 2006 een masterplan gemaakt moet worden voor de renovatie van beide musea, besluiten de Galerij en de Gevangenpoort samen op te trekken. De ingang en publieksfaciliteiten gaan ze delen. Status

Maar er bleken financieel en juridisch nogal wat verschillen in de status van beide musea. Het beheer van de Gevangenpoort was in 1994 door het rijk overgedragen aan de gemeente Den Haag die het in handen gaf van


Na een renovatie van vier jaar openden de Gevangenpoort en de Galerij Prins Willem V begin september 2010 hun deuren aan het Buitenhof in Den Haag. Of eigenlijk één deur. Met een gemeenschappelijke ingang en gedeelde publieksfaciliteiten zijn de twee voordeurdelers geworden. Eén ingang, twee uitersten in beleving.

het Haags Historisch Museum. Het betrof uitsluitend het beheer. Financieel bleef het rijk verantwoordelijk en behoorde de Gevangenpoort tot categorie MEF-monumenten, monumenten met primair een erfgoedfunctie. Het beheer van de Galerij Prins Willem V verhuisde in 1994 naar het Mauritshuis. De Galerij bleef een rijksmonument waardoor het voor het beheer met heel andere geldstromen te maken kreeg dan de Gevangenpoort. ‘Met de Rijksgebouwendienst hebben we gezocht naar een financiële constructie. De hamvraag is dan natuurlijk: wie betaalt wat? Niet alleen bij deze renovatie, maar ook in de toekomst bij het onderhoud van de gemeenschappelijke delen’, zegt Antoinette Visser, directeur van het Haags Historisch Museum. Eigenlijk hoopte ze dat door dit project en de samenwerking ook de status gelijk zou worden getrokken, maar dat bleek te ingewikkeld en te duur. ‘Beide musea houden ook hun eigen exploitatie en verantwoordelijkheid’, zegt Victor Moussault, directeur van het Mauritshuis. ‘We werken uitstekend samen, maar staan verder los van elkaar. Ieder voor zich moet zich in de markt bewijzen.’

Een massieve, donkerroodgelakte houten deur leidt ons naar een overdekte binnenplaats. Op de begane grond bevindt zich de entree

19

Magie


restauratie

20

monumenten

architectuur

Boven: de Galerij in ere hersteld met speciale aandacht voor het stucwerk. Onder: De Ridderkamer in de Gevangenpoort waar Cornelis de Witt gevangen zat. Pag 21, links: nieuwe vitrines in de Gevangenpoort. Rechts: de zolder met verschillende martelwerktuigen is onveranderd...

naar de Gevangenpoort. Een open metalen trap leidt naar de Galerij. Voor mensen die slecht ter been zijn is er de lift. De lift is illustratief voor de samenwerking in het gezamenlijke project. Waar het Atelier Rijksbouwmeester worstelde met de locatie van de lift, vonden Visser en Moussault zelf een geschikte plek in het Gevangenpoortcomplex. ‘De samenwerking met de Rijksgebouwendienst is steeds praktisch geweest’, zegt Moussault. De metafoor was een ui. Moussault: ‘Pel steeds de ui en dring door tot de kern. We hadden veel uitdagingen, die we een voor een afgepeld hebben. Maar we hebben er nooit tranen van in de ogen gekregen.’


De renovatie leverde drie ontdekkingen op. In de kapelkamer kwamen 15de-eeuwse houten muurplaten bloot te liggen waarvan een gedeelte kon worden gerestaureerd. Dat is zichtbaar gebleven. Bij graafwerk-

zaamheden is ook een 18de-eeuws gewelf ontdekt dat dienst deed als riool. Ook die is zichtbaar gebleven. Een andere interessante uitkomst leverde klimaatonderzoek op waarbij de Gevangenpoort als oud museum zonder noemenswaardig klimaatsysteem vergeleken werd met het Mauritshuis (oud gebouw, oud klimaatsysteem) en het Scheepvaartmuseum (oud gebouw, nieuw klimaatsysteem). Dat leverde nog wel een raadsel op. Visser: ‘In de Ridderkamer hebben, toen het gebouw eenmaal museum was, altijd portretten gehangen van Cornelis en Johan de Witt. Die bleken nog in een goede conditie te zijn, terwijl ze als die jaren meefluctueer-

den in het binnenklimaat, zoals schilderijen in een koud Engels landhuis. Hoe kan dat?’ Wow-gevoel

De trap op naar de entree van de Galerij. Een jaar geleden was ik hier ook en lag de hele boel nog open. De stukadoor liep toen met de handen in het haar omdat het geornamenteerde plafond zich moeilijk liet heroveren. Steeds kwamen delen van het nieuwe stucwerk naar beneden zetten. Het is hem toch gelukt nadat alle verflagen centimetervoor centimeter met een scalpel waren verwijderd. Het plafond zit er sierlijk en strak in.

De ongeveer 150 schilderijen van vooral Hollandse meesters in de 17de eeuw hangen zij aan zij langs cognackleurige wanden. Borstbeelden van Prins Willem V en zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen staan als een soort gastheer en gastvrouw opgesteld. Dit is een pijpenla op vorstelijke formaat. Bezoekers, ook ik, ervaren allemaal een wow-gevoel. Moussault: ‘Onze opdracht is om het de bezoeker zo goed mogelijk naar de zin te maken. De twee ensembles zijn uitersten in beleving. Die verschillen willen we benadrukken. Als we daarin slagen, ben ik gelukkig.’

21

Visser: ‘Mijn grootste zorg was dat we de sfeer die de Gevangenpoort ademt niet zouden verliezen. Het gebouw zelf is het topstuk van het museum. Het is de sfeer. Zit die in de dikke muren, de geur of is de kou? We zijn er denk ik heel goed in geslaagd die sfeer te behouden. De vitrines in de Raadskamer bijvoorbeeld zijn nieuw maar ze lijken een vanzelfsprekend onderdeel van het geheel.’


Tekst: Carien Overdijk Fotografie: roelof pot

rijksarchieven deel 4

onderwerp serie kunst

Historisch Centrum Overijssel in het kort Ontstaan uit: fusie (2001) van het Rijksarchief Overijssel en het Gemeentearchief Zwolle Gevestigd in: rijksarchiefgebouw van 1978 (Tauber), met een uitbreiding van dezelfde architect op de begane grond in 1995. In 2006 is een vleugel toegevoegd door de Zwolse architect Rob Moritz, inclusief aanpassingen in de oudbouw.

Historisch Centrum Overijssel transformeert tot interactief kenniscentrum

Bunker opent zich naar het publiek Dit artikel maakt deel uit van een serie over provinciaal gevestigde archieven in rijksmonumenten of uitzonderlijke gebouwen van de RGD. In het volgende nummer van Smaak: Haarlem

architectuur

Oppervlak: 6650 vierkante meter Locatie depots: vier lagen bovengronds in de oudbouw Omvang collectie: 17 kilometer documenten, exclusief het fotoarchief Depotcapaciteit: 18 kilometer

22

Oudste stuk: Fragment uit een prekenbundel, vermoedelijk uit de tweede helft van de tiende eeuw. Dit stuk perkament, met een tekst in het lettertype Karolingische minuskel, is in de zestiende eeuw hergebruikt als omslag voor het jaarrekeningenboekje van een rentmeester van het Stift in Essen. Het werd ruim tachtig jaar geleden ontdekt tijdens een archief足 restauratie. Bijzondere schat: Een vijftiendeeeuws Sarijs-handschrift, vervaardigd in het Zwolse Fraterhuis of daar vlakbij. Zwolle was al in de late middeleeuwen, de tijd van de zogeheten Moderne Devotie, een centrum voor boek足 productie. Het boekje, een psalter met gedecoreerde initialen, is in 2008 aangekocht op een veiling.

Een elegante bunker van baksteen, maar wel een bunker. In de jaren zeventig van de vorige eeuw beant足woordde het nieuwe rijksarchief in Zwolle, met zijn kenmerkend afgeronde hoeken, volledig aan de beoogde functie van veilige bewaarplaats. Weggestopt was het gebouw zelf trouwens ook, aan de rand van een pasgesloopte volksbuurt achter het centrum. Na de bouw werd het geleidelijk omringd door nette rijtjeshuizen en een betonnen winkelcentrum. Ruim dertig jaar later staat deze solide doos er nog. Maar hij heeft zich omgedraaid naar een drukke, doorgaande weg. Daar is hij opengeklapt. Uit de oorspronkelijke


Voor de monumentenstatus is dit hoogstandje van architect Rob Moritz voorlopig te jong, en daarmee is het Hco een buitenbeentje in deze serie over archieven in Rijksmonumenten. Maar monumentaal oogt het geheel nu al. De publieksvleugel, waarvan het ingenieuze frame met stalen sikkels bijna zelfstandig

(geholpen door een dragende liftschacht) de kromming aan de binnenzijde open houdt, kan een beeldmerk worden voor de stad. ‘Het is al een soort baken’, knikt de trotse directeur Bert de Vries. ‘Veel mensen kennen het gebouw al zonder hier ooit geweest te zijn.’ Hij leidt zijn bezoekers via een vreemd glooiende trap naar een zithoek met wendbare relaxfauteuils op de eerste verdieping, pal voor de glazen pui. De vloer is hier flauw opgebold, als onderzijde van dat gevouwen blad. Met een boek uit de nabije kasten met ‘nieuwe literatuur over Overijssel’ is het hier ongetwijfeld goed wegdromen.

‘De meeste mensen vinden dit prachtig’, bevestigt De Vries. ‘Al wordt een enkeling er draaierig van.’ Die enkeling moet dan vooral zijn blik afgewend houden van de zuidzijde. Want zuidwaarts trekt de laminaatvloer zich krom om naadloos over te gaan in de wand en vandaar in het plafond. De aanbouw staat er alweer lang genoeg om ook zijn minpuntjes te etaleren. Een strook vuil onderin de brede spouw van de glasgevel, een hinderlijke echo in de ronde wand, herhaalde lekkages tussen oud- en nieuwbouw, de onmogelijkheid om met een ladder even snel een lamp te verwisselen op de bolle vloer. Een onorthodox ontwerp heeft zijn prijs.

Van lui naar lui

Het verrassende interieur is eveneens van de hand van Rob Moritz. De trappen golven, in harmonie met het casco, van lui naar normaal en weer terug naar lui. Een constructief unicum, waar de Rijksgebouwendienst aanvankelijk bedenkingen bij had. Maar zowel een proefopstelling als de praktijk bewezen dat het kon. ‘Er is nog nooit een ongeluk gebeurd’, verzekert de directeur. Lichte houttinten, staal en retrooranje creëren, in nieuw- en oudbouw, een vrolijke sfeer. Branchesnufjes, zoals oude archiefdozen, zijn in de klantenbalies verwerkt. Kranten­ collages sieren de bovenbladen, ook

23

achtergevel – waarop een spandoek uitroept dat ‘Geschiedenis leeft!’ – ontvouwt zich een brede vleugel in de vorm van een kromgebogen vel papier. Een hoge glaspui houdt de ruimte ertussen open. Bezoekers betreden hier het Historisch Centrum Overijssel (Hco), welkom geheten met licht en doorzicht.


serie architectuur

Twentse textielindustrie gebruikte Maleise stempels: nu in het archief

van het spreekgestoelte in het auditorium.

24

Als érgens de omslag van introvert archief naar publieksvriendelijke dienst in de architectuur zichtbaar wordt, dan hier in Zwolle. De transparantie van de vleugel zet zich voort tot in de ‘bunker’. Moritz maakte met vides en inpandige ramen allerlei doorkijkjes, zowel naar de depots als naar het kantoorgedeelte. Zelfs vanuit de garderobe, tussen de kluisjes en vitrines met archiefschatten, kun je het depot in gluren. Dat depot is, volgens de rijksstandaarden, uitstekend beveiligd. Zeker sinds de brandweer gelastte om de

inkijkramen zwaarder uit te voeren. Als de directeur zich met fotograaf en verslaggever tussen de laden­ kasten begeeft om het Sarijs-handschrift en andere hoogtepunten te tonen, schakelt zelfs plotseling het licht uit en weerklinkt het alarm. De medewerker op wier beveiligingspas de bezoekers waren meegelift, had onverhoeds even het depot verlaten. Stempels

Als het licht weer aan is, beschijnt het een kleurenpracht. Het Hco bezit honderden zogeheten tjaps (Maleis voor merk of stempel), rijkversierde beeldmerken uit de negentiendeeeuwse Twentse textielindustrie. Deze etiketten werden, voor verscheping, op balen katoen

geplakt om het product te onderscheiden van de concurrentie. Sommige tjaps zijn veelkleurige kunstwerkjes, met de bedrijfsnaam vervat in uiteenlopende taferelen, van exotische mensen en dieren tot Hollandse architectuur. ‘Er zijn veel thematische series bij’, vertelt manager informatie en kennis Piet den Otter, die zich intussen bij het gezelschap heeft gevoegd. ‘Van kinderliedjes of windmolens tot opgeblazen poëzieplaatjes. Overigens zijn de meeste Aziatische scènes gewoon hier in Nederland verzonnen. De tekenaar tekende zoals hij dacht dat het er in Azië uitzag, hopend dat de overzeese

klandizie zich erin zou herkennen.’ Nu we het over de fameuze textiel­industrie hebben, slaan we de vroeg-industriële fotocollecties niet over. Er gaan lades open met fraai zwart-wit werk. Niet alleen de textielindustrie pionierde met de camera, ook de metaal, de elektro, de chemie (het Hengelose zoutarchief van Akzo) en de machinebouw. ‘Kijk, dit is van Stork’, wijst Den Otter. ‘Je ziet niet alleen de gebouwen, maar ook de opbouw van nieuwe productie-installaties en het personeel in actie. Bijna een documentaire.’ Uit een andere hoek komen ruimtelijke plannen tevoorschijn


voor alweer een uniek Overijssels fenomeen, het waternatuurgebied De Weerribben. Er zijn oude plankaarten voor de inpoldering van het gebied, ook in vormen die nooit zijn uitgevoerd. En er is het archief van de ontginningsmaatschappij, met de namen van de randstedelijke werklozen die voor het zware werk werden gerecruteerd.

25

En dan zijn er de talloze getuigenissen van het rijke Hanzeverleden van Zwolle. Handschriften, rekeningen, betalingsbewijzen, bouwkundige documentatie, contracten met zusterstad Kampen. Ook deze deelcollectie vertelt talloze verhalen.


Familiefoto

architectuur

architectuurbeleid

kunst

onderwerp

Lezingen, programma’s voor scholen, een geïllustreerd blad (MijnStadMijnDorp) en een gelijknamig interactief digitaal platform in aanbouw: op allerlei manieren keert het Hco zich naar buiten. ‘Mensen vinden het leuk om hun eigen herinneringen toe te voegen’, licht directeur De Vries toe. ‘Die grote oude familiefoto, hier buiten op ons spandoek, lokte spontane informatie uit. Nakomelingen hebben de onbekende personen op de foto geïdentificeerd. Volgend jaar kunnen mensen hun eigen foto’s en informatie op ons platform uploaden.’ Naast sitebezoekers trok het Hco in 2009 twintigduizend fysieke bezoekers.

26

Hulp van buiten

De ontsluiting van de collecties is in Zwolle vrijzinnig ter hand genomen. Directeur Bert de Vries weet veel hulp van buiten te mobiliseren. Zo mogen beeldend kunstenaars inspiratie komen opdoen, om het resulterende werk te exposeren. En menig expositie en evenement komt in samenwerking met derden tot stand, zoals dit najaar rondom de transformaties van een oude Zwolse ambachtsschool. Of eerder, een interactief project met de eigen wijk Diezerpoort, waarbij de oudste bewoners hun geheugen opfristen met behulp van archiefmateriaal. Ook voor inleententoonstellingen is ruimte, zoals afgelopen zomer over de regionale scouting.

Wars van controverses is de instelling evenmin. In 2007 lokte het Hco een landelijke discussie uit met een project van gastconservator Atte Jongstra. De schrijver pretendeerde het manuscript van een negentiende-eeuwse Zwollenaar te hebben opgeduikeld en bouwde er een expositie omheen. Fictie, naar later bleek – tot ergernis van sommige historici. De gastconservator is een blijvertje, inmiddels ondergebracht in een stichting. Jongstra’s opvolger, de etnoloog Gerard Rooijakkers, bereidt in het Hco een project voor onder de naam ‘rituele depots’, met een kritische blik op bewaren en vergeten.

We begeven ons naar buiten, waar ’s avonds naar verluidt de glasgevel mooi oplicht, versterkt door aanlichtingen van daklijst en plaveisel. ‘Het is jammer dat we niet in het centrum zitten’, vindt de directeur. ‘Maar we komen dichterbij. Er komt een voetgangersbrug vanaf de Schouwburg over de singel. Centrumbezoekers kunnen straks in een paar minuten naar ons doorlopen.’

Links boven: Archiefzaal in Zwolle. Links onder: Ook in de kantoren zet de glooiende wand zich voort. Onder: Expositieruimte in het Historisch Centrum.


toekomst voor verleden Tekst: Anka van Voorthuijsen Fotografie: Thea van den Heuvel/ DAPh

Herbouw Rietveldpaviljoen is gecompliceerde klus

reconstructie

Een kwestie van gewoon neerzetten is het niet

Nu is het nog een bouwplaats: met zaagmachines, emmers vol beitels, afvalhout, veel trappen en steigers. Maar bij de opening op 14 oktober zal het Rietveldpaviljoen in het KröllerMüller Museum weer een toonbeeld van zuiverheid en ruimtelijkheid zijn. Een gebouwtje met zulke veelgeroemde ruimtelijke kwaliteiten dat

het sinds de oplevering in 1955, nu al voor de tweede keer compleet wordt herbouwd. Het paviljoen zal de eerste tijd plaats bieden aan een aantal monumentale beelden van de Britse beeldhouwster Barbara Hepworth (1903-1975). Netzoals in 1965. Het Rietveldpaviljoen oogt in eerste instantie als een simpel gebouwtje,

zegt Abko Zweverink, projectleider bij bouwbedrijf Hoffman, dat de restauratie uitvoert. ‘Als je het ziet staan denk je: stelt niet zo veel voor. Een paar balken, een plat dak en wat betonstenen. Maar er zit inmiddels heel wat meer achter, het is een behoorlijk gecompliceerde klus.’ Onder de betonplaten, tussen die B2-blokken, in de houten pilaren, onder het dak en boven het rieten plafond: overal zit sinds de weder­ opbouw techniek en denkwerk verborgen. Het oogt misschien weer als in 1965, toch is hier echt weer veel nieuw ontwerp-werk aan te pas gekomen, zeggen projectmanager Jeroen van Asseldonk van de Rijksgebouwendienst en architect

Bertus Mulder. Van Asseldonk: ‘Dit is echt een bijzonder project. Het lijkt herbouw: gewoon neerzetten wat er stond, maar dat is het niet. Mijn werk is eigenlijk het begeleiden van het proces, maar hier draait het bij elke keuze die je maakt om de inhoud. Overal zit een idee achter.’ Architect Mulder: ‘Als je dit weer op dezelfde

27

architectuur

Het lijkt zo’n eenvoudig gebouwtje, het paviljoen dat architect Rietveld in 1955 voor de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum ontwierp. Maar de reconstructie roept allerlei vragen op en doet een groot beroep op vakmanschap. Balken worden gezaagd, niet geschaafd, in de verbeterde B2-blokken moesten aparte gaten worden geboord. Hoe een project een proces werd. In oktober staat het paviljoen er weer.


reconstructie architectuur

manier had nagebouwd, dan was het heel snel weer verloederd. Dan had je echt bittere ellende over jezelf afgeroepen. Dit lijkt hetzelfde gebouw, maar het is heel anders.’ Van Asseldonk: ‘We hebben ervoor gekozen om er een duurzaam paviljoen van te maken. Zodat we het gebouw zo lang mogelijk, zo zuiver en mooi mogelijk kunnen houden.’

28

monumenten

Smoezelig

Dat betekent vooral dat het nieuwe paviljoen goed bestand zal zijn tegen weer en wind. Want dat ontbak eraan bij de voorganger: het onderhoud was een grote zorg en het paviljoen bleek de laatste jaren niet meer in een acceptabele conditie te houden. De stenen brokkelden af, het houtwerk verrotte, het ooit zo zuivere ontwerp werd smoezelig en oogde verloederd. Geen wonder: Gerrit Rietveld ontwierp het beeldenpaviljoen in 1955 als tijdelijke expositieruimte. Constructie en materiaalgebruik hoefden het maar een paar (zomer) maanden uit te houden, gedurende

de Derde Internationale Beeldententoonstelling in Sonsbeek in Arnhem. Na afloop van die expositie verdween het paviljoen dan ook ‘in de container’. Maar het ontwerp had veel indruk gemaakt. Bijna 10 jaar later werd besloten om het –ook als eerbetoon aan Rietveld zelf - te herbouwen in de beeldentuin van

Kröller-Müller Museum in Otterlo. Toen de bouw van start ging was Rietveld inmiddels overleden. Bouwtekeningen waren onvindbaar: aan de hand van foto’s werd het paviljoen nagebouwd. Hoewel het nu wél de bedoeling was om het paviljoen permanent te laten staan, werd daar bij de constructie te

weinig rekening mee gehouden. Dat leidde ertoe dat het gebouw gaandeweg scheurde, zakte en verrotte. ‘Op oude foto’s zie je de tijdelijkheid eraan af’, zegt projectleider Zweverink. Dilemma’s

De ‘redding’ van het Rietveldpaviljoen werd jaren geleden in gang


Wat je nabouwt, moet er exact zo uitzien als Rietveld voor ogen stond. Als er inmiddels betere materialen/ technieken bestaan dan waar de ontwerper destijds de beschikking over had, verdient het de voorkeur díe te gebruiken. Anderen neigen naar de tweede optie: gebruik van de originele materialen, en een gebouw waar de toevoegingen uit de (tentoonstellings) geschiedenis, aan af te lezen zijn. De begeleidingscommissie koos uiteindelijk voor demontage en herbouw van het oorspronkelijke ontwerp van Rietveld, waarbij wel zoveel mogelijk materialen hergebruikt zouden worden. Dat lukte maar in zeer beperkte mate, blijkt nu. Er zijn wat stalen balken uit het oude paviljoen ‘gered’, maar bijna al het bouwmateriaal was te zeer aangetast om er nog iets mee te kunnen. De B2-blokken die nu de wanden vormen, zijn van een aanzienlijk betere kwaliteit dan de exemplaren die Rietveld gebruikte. Dat zorgt onverwacht voor veel extra

kwaliteit betonstenen is daarvan geen sprake, merkten de werknemers van Hoffman Bouwbedrijf. Het was dágen werk: in elke steen moest eerst een aantal gaten worden geboord, om het stukje beton eruit te kunnen tikken. Vakmanschap

De herbouw van het paviljoen blijkt in alle opzichten een bijzonder arbeidsintensieve klus, die veel geduld, inventiviteit, toewijding en vakmanschap vraagt van de bouwers. De maatregelen die het gebouw nu duurzaam maken, moeten immers zo min mogelijk zichtbaar zijn. De voorheen slechte afwatering van de daken (Rietveld hield niet van regenpijpen: te veel verticale lijnen ontsierden zijn ontwerp) is opgelost door meer afschot op de dakvlakken en geultjes die het regenwater naar de afvoerpijp leiden. Massief houten kolommen werden vervangen door stalen pilaren met een ‘hoes’ van hout. Houten dakbalken die in het metselwerk liggen, zijn voorzien van een loden ‘muts’ zodat de koppen niet kunnen verrotten. Het originele bobbelige getrokken glas is nu monumentenglas, dat hetzelfde vervormende effect heeft. De betonnen vloerplaten liggen nu wél op een fundering, zodat ze niet scheef wegzakken en de voegen tussen de platen zijn wat smaller, zodat rolstoelgebruikers geen last van de kieren hebben. ‘Het is vaak precisiewerk, zegt Zweverink. ‘Het hout is bijvoorbeeld allemaal gezaagd, niet geschaafd. Met schaven kun je dingen corrigeren, nu niet. Het past of het past niet.’ Kleur

oplevering, of het gebouw zoals het uiteindelijk werd, en dat zichtbaar de ‘geschiedenis’ van het gebruik of veranderende inzichten met zich mee draagt? Mulder – die diverse ontwerpen van Rietveld restaureerde en reconstrueerde – is een voorstander van de eerste optie. Rietveld was een ruimtekunstenaar, vindt Mulder.

werk. De blokken komen met twee gaten uit de mal, maar een deel van de wanden is opgebouwd uit stenen met drie gaten. De overlevering meldt dat Rietveld die derde gaten er in honderden stenen zelf met een kaphamertje in sloeg. Door de beroerde kwaliteit beton vloog het stuk er zo uit. Bij deze betere

Eén van de ethische dillemma’s waar de begeleidingscommissie zich nu nog voor gesteld ziet, is het eventueel toevoegen van kleur op een aantal wanden. Op zwart-wit foto’s van het paviljoen in Sonsbeek is te zien dat een aantal wanden geschilderd was: volgens de overlevering roze, wit en blauwgrijs. Bij de herbouw in Otterlo werd het rieten dakbeschot van het hoge dak rood geschilderd, werd het schilde-

ren van één wand weggelaten en kwam er nog een geel vlak op een andere wand bij. Maar wie heeft die kleuren ooit bepaald? ‘De kleur op de wanden is door Rietveld gekozen in relatie met de tentoonstelling in Sonsbeek’ is de overtuiging van architect Mulder. ‘Wie de kleuren in Otterlo heeft bepaald is niet te achterhalen, maar het was zeker niet Rietveld, want die was al overleden.’ Mulder: ‘Die gekleurde wanden horen mijns inziens niet bij het autonome kunstwerk dat het paviljoen is. Ik vind dat je nu de mogelijkheid hebt om toevoegingen die te maken hebben met tijdelijkheid, te corrigeren.’ Daar tegenover staat de opvatting van andere bouwhistorici dat het de voorkeur verdient het gebouw terug te brengen naar de situatie vlak voor de afbraak, inclusief de sporen van de geschiedenis. ‘Ook heel legitiem’, vindt Mulder ‘maar als je gaat verven kun je die kleuren er nooit meer afhalen en het is denkbaar dat die kleuren het museum in de weg gaan zitten bij het gebruik.’ De gekleurde vlakken zouden ook een uitdaging kunnen zijn voor tentoonstellingsmakers, erkent hij: ‘Maar je kunt altijd kleur toevoegen door doeken of projecties.’ Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verrichten nog aanvullend onderzoek naar de kleuren, maar voor de officiële opening is dat zeker nog niet afgerond en dus blijven de wanden voorlopig ongeverfd. Ook al is het paviljoen nu goed tegen weer en wind bestand, het blijft een onderhoudsgevoelig gebouw, benadrukt Mulder. Hij kondigt aan een onderhouds-handleiding te zullen schrijven. ‘Die bomen er omheen zijn natuurlijk een stuk groter dan in 1965. Er moet echt elke maand iemand het dak op om daar takken, bladeren en eikels vanaf te halen.’

29

gezet door de vorige rijksbouwmeester, Mels Crouwel. Een voornemen dat tot veel discussies en dilemma’s leidde, waarvan er een aantal tot op de dag van vandaag nog niet (volledig) zijn uitgekristalliseerd. Interessante materie voor bouwhistorici, architecten en andere geinteresseerden. De Rijksgebouwendienst heeft inmiddels een uitgebreide publicatie over alle verschillende opvattingen en overwegingen rondom de reconstructie van een dergelijk jong monument uitgebracht. Ook is er een 40-minuten durende documentaire in de maak (van de hand van Pieter Kiewiet de Jonge), die tijdens de officiële opening voor het eerst te zien zal zijn. Na de opening besteedt het museum in één van de zalen een kleine expositie aan het werk van Rietveld en ook daar zal de documentaire bekeken kunnen worden. De discussie die steeds weer opspeelt als er een jong monument wordt gerestaureerd, is die van de authenticiteit: wat wil je laten zien? Het gebouw zoals het er ooit stond bij de


herbestemming kunst

Plannen gezocht voor herbestemming monumentaal complex in Rotterdam-Noord

Te koop: rechtbank met gevangenis toekomst voor verleden

30

stedenbouw

monumenten

Tekst: ben maandag fotografie: levien willemse

Het is een vreemd gezicht. Grote plakkaten hangen aan het statige gebouw aan de Rotterdamse Noordsingel dat vroeger jarenlang dienst heeft gedaan als rechtbank. ‘Te koop. Gevangeniscomplex Noordsingel’, luidt in grote letters de tekst op de doeken die langs de gevel zijn gespannen. Onder die woorden prijken een website en een telefoonnummer. Noodzakelijke informatie voor wie geïnteresseerd is in het gebouw, waarachter zich, op de Noordsingel aan het oog onttrokken, nog een stervormige gevangenis bevindt. Sinds 7 september kunnen degenen die belangstelling hebben in dit

Het vroegere rechtbank- en gevangeniscomplex aan de Noordsingel in Rotterdam-Noord staat sinds 7 september te koop. Marktpartijen kunnen plannen indienen om het omvangrijke complex nieuw leven in te blazen. Daarbij moeten ze wel rekening houden met voorwaarden en criteria, die zijn samengebracht in een ‘biedboek’. Voor het eerst brengt de overheid op deze manier monumentaal vastgoed op de markt. onalledaagse vastgoedcomplex hun interesse kenbaar maken door naar de website van het Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB) te surfen en vervolgens een digitaal formulier in te vullen. Na het invullen daarvan en na het betalen van 150 euro, krijgen ze een ‘biedboek’ toegestuurd. Daarin staat alle mogelijke informatie die ze nodig hebben om zelf een plan voor dit bijzondere complex te ontwikkelen. Want dat is de bedoeling van het biedboek: marktpartijen verleiden om een overtuigende en liefst verrassende visie aan de dag te leggen, die niet alleen de monumentale vroegere rechtbank, gevangenis en ander bijbehorend vastgoed een

tweede leven kan bieden, maar tegelijk het Oude Noorden, waarin het complex ligt, een stevige impuls kan geven. Marktpartijen vragen met een visie over de brug te komen voor monumentale panden die de overheid wil afstoten: dat is nog niet vaak eerder vertoond. Met aanbieden van het gevangenis- en rechtbankcomplex aan de Pollartstraat in Roermond aan de markt is een jaar of wat geleden al enige ervaring opgedaan, maar daar ging het nog niet om een zo monumentaal complex als hier in Rotterdam-Noord. Bovendien is de binnenstedelijke context veel com-­ plexer dan indertijd in Roermond.

Aanwinst

Met het welslagen van deze ‘openbare inschrijving met voor­ selectie’ is een aantal partijen gemoeid, die er alle baat bij hebben dat er uiteindelijk een prachtig plan uit de procedure tevoorschijn komt. De Rijksgebouwendienst is erbij betrokken, evenals het atelier van de Rijksbouwmeester. Het al genoemde RVOB, waarin de vroegere dienst Domeinen van het ministerie van Financiën is opgegaan, en de Rijksgebouwendienst wachten met spanning af wie zich zullen aanmelden en welke inzendingen binnen zullen komen. En dan zijn er nog de gemeente Rotterdam en de deelgemeente Noord, die er beide


Hoewel de belangen van alle betrokken partijen niet allemaal parallel lopen, tekenden zij in 2008 een samenwerkingsovereenkomst en spraken af zich met elkaar in te spannen voor een zo goed mogelijke afloop van dit avontuur waarvan de uitkomst nog allerminst vaststaat. ‘In de voorbereiding van het biedboek hebben we gezamenlijk veel tijd en energie gestoken,’ zegt William Elfrink, senior portefeuillecoördinator bij de Rijks­ gebouwendienst. ‘Dat het zoveel tijd heeft gekost, voordat het biedboek er is, komt vooral doordat we nu voor het eerst te maken hebben met een zo ingewikkeld complex. We hebben de verplichting om in het biedboek heel goed duidelijk te maken dat we het complex zorgvuldig willen verkopen.’ Dat betekende dat er veel onderzoek moest worden gedaan. Elfrink: ‘Er

moesten goede tekeningen komen van het complex. Er moest een constructie-onderzoek worden gedaan en een bouwhistorisch onderzoek. We hebben onderzoek verricht naar eventueel gebruik van asbest in het complex, maar ook naar mogelijke explosieven. Daarmee wordt duidelijk wat de belangstellende partij straks precies zal kopen.’ Draagvlak

Maar in het biedboek staat nog meer. ‘We hebben daarin ook kaders gesteld,’ legt Elfrink uit. ‘We willen als overheid zo’n complex niet zomaar verkopen, maar op bepaalde voorwaarden. Daarom hebben we doelen, criteria en eisen vastgesteld. De ingediende plannen moeten aan architectonische en stedenbouwkundige voorwaarden voldoen. We willen het liefst een integraal plan voor het gehele complex, dat bovendien draagvlak heeft bij de bewoners.’ Om de wensen van de omwonenden in het biedboek te kunnen opnemen, werd een aantal bijeenkomsten met hen gehouden.

Als derde pijler in het biedboek wordt de verder te volgen procedure uit de doeken gedaan: op welke termijn de plannen moeten worden ingestuurd (voorjaar 2011) en hoe de selectie en beoordeling vervolgens zullen plaatsvinden. Al die informatie bij elkaar maakt het biedboek zo omvangrijk, dat het gemakshalve op een USB-stick is geladen. Het biedboek is dus alleen digitaal verkrijgbaar. ‘Daarnaast kunnen degenen die het biedboek hebben gekocht nog terecht op een virtuele dataroom,’ zegt Marius van den Boogaart van de RVOB. ‘Nadat ze hebben ingelogd komen ze in een afgeschermde en beveiligde omgeving terecht. Anonimiteit staat in deze eerste fase van het proces voorop. Dat geldt voor de data-room, maar ook voor de uiteindelijke inzending van de plannen. Die komen binnen bij een notaris, waardoor de objectiviteit is gewaarborgd.’ Statig aanzien

De oude arrondissementsrechtbank aan de Noordsingel werd in 1899 in

gebruik genomen. Architect van dit deel van het complex was Willem Cornelis Metzelaar (1848-1918). De uitgesproken neorenaissancestijl en de gele baksteen waaruit het gebouw was opgetrokken verleenden de singel een statig aanzien, naast het onderkomen van het notarieel archief, dat al in 1890 in gebruik was genomen. De rechtbank, inmiddels evenals het archief rijksmonument, kwam voor de gevangenis te staan, die in 1872 was gebouwd, volgens het ontwerp van architect Allard C. Pierson. De 340 cellen in het gebouw zijn onder­ gebracht in vier vleugels, die de gevangenis een stervormig uiterlijk geven. Dit type gevangenis is in Europa nauwelijks meer te vinden. In de loop der tijd is vooral de gevangenis steeds aan nieuwe veiligheids­ eisen aangepast. Toen de rechtbank midden jaren negentig van de vorige eeuw naar de Kop van Zuid verhuisde, was de discussie wat er met het complex moest gebeuren al volop aan de gang. Meer groen, het liefst in de vorm van een wijkpark, was vanaf het begin een luid uitgesproken wens van de buurt. Het Oude Noorden, een stadswijk die grotendeels om de gevangenis heen gestalte kreeg, heeft zijn bewoners tot op de dag van vandaag nauwelijks groen te bieden. ‘Het groen is nog steeds een van de belangrijkste wensen uit de buurt’, zegt Wilma de Vries, projectleider van het gevangeniscomplex Noordsingel bij het Projectmanagementbureau Rotterdam van de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting (dS+V), OntwikkelingsBedrijf Rotterdam en Gemeentewerken. ‘Al is het duidelijk dat het niet meer kan op de manier die de bewoners indertijd wilden.’ De voorstellen van toen luidden: alles slopen. De monumentale waarde van het complex verhindert dat. Voor Wilma de Vries is vooral de hoge kwaliteit van het te verwezenlijken plan van groot belang, evenals voor Thieu Knibbeler van Bureau Monumenten van de dS+V: ‘Het is een heel

De gevangenis en rechtbank gezien vanaf de Noordsingel in Rotterdam.

31

veel aan gelegen is dat het eindresultaat met recht een aanwinst voor de stad mag worden genoemd.


herbestemming onderwerp

groen in het complex veilig te stellen.’ Marius van den Boogaart: ‘Het groen zal door die vergoeding van de gemeente zwaarder meewegen in de beoordeling van de plannen. Het komt niet alleen het complex ten goede, maar de wijk als geheel.’ Ook is er een vastomlijnde wens naar parkeerplaatsen, waarvoor per functie in het biedboek normen zijn gesteld. Wijnhandel

32

stedenbouw

monumenten

architectuur

architectuurbeleid

kunst

Verrassende ontwerpen zijn welkom. Hoe verrassender hoe beter. Thieu Knibbeler: ‘Zo’n notarieel archief biedt op zich al een bijzondere opgave. De boekenkast zelf is in feite de constructie van het gebouw. Wat doe je daarmee? In Antwerpen hadden ze een soortgelijk gebouw, dat inmiddels in een wijnhandel is veranderd. Dat zijn oplossingen waarop we mogen hopen. De gevangenis zal nog de meeste hoofdbrekens kosten. Met die stervormige vleugels biedt het een dwingende structuur. Er een hotel van maken, zoals in Roermond is gedaan, zou een mogelijkheid zijn, al is dat in andere landen ook al eens gebeurd.’

Open en levendig

moet zich bij wijze van spreken omdraaien. Van een gesloten complex naar een open en levendig stuk stad. We hebben ons bijvoorbeeld afgevraagd of je de openbare ruimte in zo’n gebouw als de gevangenis zou kunnen doortrekken. Ja, dat moet kunnen, luidt het antwoord.’

‘Het project is op twee manieren spannend,’ verduidelijkt Knibbeler: ‘Het gaat om een heel omvangrijk proces, midden in de binnenstad. Daarnaast maakt het restauratieve aspect het ook heel interessant, en dan vooral de combinatie van de bestaande gebouwen en de herbestemming die binnen het complex nodig zal zijn. Het complex

De gemeente Rotterdam heeft al veel gedaan om een goede afloop te garanderen. Zo zal de gemeente het bestemmingsplan afstemmen op het plan dat als winnaar uit de bus komt. Maar ook het groene karakter is gewaarborgd. Wilma de Vries: ‘De gemeente heeft een half miljoen euro voor het rijk geserveerd om het

bijzonder complex, met zulke monumentale gebouwen. Ik denk dat ons een heel spannend proces te wachten staat, waarin veel afhangt van welke ontwikkelingscombinatie en welke architectencombinatie hiermee aan de slag gaan.’

Daarnaast is ook de omgeving van het complex van belang. Het Oude Noorden geldt als een van de Vogelaarwijken. Baanbrekende vernieuwing van het complex kan de hele wijk in haar kielzog mee omhoog trekken. Wilma de Vries: ‘Er zijn twee werelden. De negentiende eeuwse grandeur van de singel enerzijds, de meer volkse Zwart Janstraat, de belangrijkste winkelstraat van het Oude Noorden, aan de andere kant. Dat maakt de uitdaging des te groter.’ Tot eind oktober 2010 is de USBstick met het biedboek te koop. De belangstellenden hebben tot voorjaar 2011 de tijd hun planvisies uit te werken. Dan vindt een eerste technische beoordelingsronde plaats, gevolgd door de selectie­ procedure. In de selectiecommissie zijn vertegenwoordigers van alle betrokken partijen aanwezig: van Rijksgebouwendienst, RVOB, Atelier

Rijksbouwmeester, gemeente Rotterdam en deelgemeente Noord. Zij beoordelen de plannen op kwaliteit. Afgesproken is dat twee bewoners onder geheimhouding de planvisies mogen inzien en de vertegenwoor­ diger van de deelgemeente Noord in de selectiecommissie mogen adviseren. Koopovereenkomst

In het selectieproces zijn kwaliteit en prijs nadrukkelijk van elkaar losge­koppeld. Pas wanneer de plannen op kwaliteit zijn beoordeeld, bepaalt de notaris welke van de geselecteerde plannen het hoogste bod hebben. Dat kunnen er maximaal vijf zijn. Deze inzenders mogen hun visies verder uitwerken, waarna medio 2011 de definitieve selectie plaatsvindt. Uiterlijk 21 juli 2011 wordt dan bekendgemaakt wie het plan mag uitvoeren. Het ondertekenen van de koopovereenkomst gebeurt uiterlijk 1 september. Vervolgens is er nog tot 2014 de tijd om voorbereidingen te treffen, want pas dan komt het gehele complex leeg voor de vernieuwingsoperatie. ‘Voor de vakwereld is dit iets heel uitdagends,’ zegt Elfrink. ‘Wanneer je hier iets moois van weet te maken, dan is je naam wel gevestigd.’ Thieu Knibbeler: ‘Wanneer het geselecteerde plan uitermate overtuigend is, dan is er straks op deze plek heel veel mogelijk. Het is op alle fronten een experiment, met een heel hoge inzet. Wanneer het goed gaat kan het eindresultaat echt schitterend zijn. Maar als het mis gaat, dan gaat het ook goed mis.’ De op 22 sep­ tember gepresenteerde publieksversie van het biedboek meldt voor dat laatste geval het volgende: ‘Zijn er onvoldoende deelnemers, is de kwaliteit van de ingediende plannen onvoldoende of is de financiële bieding te laag, dan overleggen rijk en gemeente over de beste manier om het proces te vervolgen.’ Het is nu aan de markt om al die samenwerkende partijen niet teleur te stellen en dat onverhoopte overleg voorgoed overbodig te maken.


Vanaf 8 juni 2011 kan het publiek genieten van de opera Orfeo en Eurydice in het park van paleis Soestdijk. De achtergronden van dit besluit.

Openstelling is goedkoper dan sluiting

herbestemming

Opera op Soestdijk in afwachting van... toekomst voor verleden Tekst: jaap huisman fotografie: Michiel van nieuwkerk

monumenten

architectuur

Het is goedkoper Paleis Soestdijk open te houden dan tuin en gebouw – tijdelijk – voor het publiek te sluiten. Dat is een van de overwegingen om het rijksmonument van de eerste categorie nog een jaar lang open te stellen. Er wordt zelfs een dimensie aan toegevoegd. In de zomer van 2011 zal er op de vijver een podium worden gebouwd waar de opera Orfeo en Eurydice zal worden opgevoerd. Waarmee Nederland een evenement krijgt dat vergelijkbaar is met de zeer succesvolle buitenlucht-opera’s in Glyndebourne, Engeland en de opera’s in de wei bij het Friese Spanga.

33

stedenbouw

Door het besluit om het paleis langer open te stellen, ontstaat de mogelijkheid verder na te denken over de toekomstige bestemming van de voormalige residentie van Juliana en Bernhard. Het demissionaire kabinet kon en wilde daar geen besluit over nemen, een nieuw kabinet moet zich het hoofd breken over de kosten die bijvoorbeeld een verbouwing met zich meebrengen. Op deze en volgende pagina’s bezoekers van de tuinen en zalen van Paleis Soestdijk.


34

Een andere, belangrijke overweging om Soestdijk open te houden, is het succes. Ruim 430 duizend mensen hebben de afgelopen drie jaar het paleis bezocht; bovendien is de waardering van het publiek hoog. Het openhouden van het complex kost jaarlijks drie tot vijf miljoen euro, waarvoor het ministerie van VROM verantwoordelijk is. Naar verwachting is dat kostendekkend. De rondleidingen worden met ingang van het volgend jaar overigens geschrapt – paleis en tuin van Soestdijk zullen dan beperkt open zijn. Ontvangst van en groepen en de organisatie van culturele evenementen zijn naar verwachting lastig te combineren met die

dagelijkse rondleidingen, zo staat er in de voorlopige eindrapportage over de nabije toekomst. Eigenlijk zou er eind 2010 al een oordeel geveld worden over de toekomst van het paleis. Maar marktpartijen kunnen zich pas financieel binden als de overheid inzicht verschaft in de kosten van restauratie, renovatie, beheer en onderhoud. De financieel-economische crisis werkt in dat opzicht tegen. In afwachting van een beslissing van een nieuw kabinet is er daarom een overgangsperiode ingelast. De jaren tussen 2011 en 2014 worden benut wordt om evenementen in het park te organiseren, waarvan de opera de eerste zal zijn.


Het vinden van een herbestemming is niet alleen financieel niet gemakkelijk maar monumenttechnisch ook niet. Er is op voorhand niet gekozen voor een museumfunctie omdat Paleis het Loo al als zodanig fungeert voor de geschiedenis van het Koningshuis. Als plaats voor het Nationaal Historisch Museum Arnhem gekozen. Daarbij zijn paleis, bijgebouwen en tuin kwetsbaar. Het ensemble verdraagt geen drommen bezoekers. Daarom is indertijd gekozen voor een beperkte openstelling: bezoekers kopen een tijdsslot. Stel dat Soestdijk wel als museum wordt ingericht, dan moeten wellicht bijgebouwen erbij betrokken worden. Om zicht en inzicht te krijgen op de mogelijkheden van het paleis is de Rijksgebouwendienst in 2007 begonnen met een verkennend onderzoek. Daarin werd de historische waarde meegenomen, van zowel gebouw als landgoed. De kracht van het ensemble van park en opstallen is dat ze in harmonie met elkaar ontworpen zijn. De tijd is ook benut om scenario’s te ontwikkelen – welk project leent zich voor en in het paleis? In de afgelopen tijd is er druk overleg geweest met publieke en private partijen over mogelijke functies. Internationale activiteiten op het gebied van duurzaamheid passeerden de revue; verder zou het paleis zich lenen als centrum voor onderwijs, innovatie, wetenschap en gezondheid, en combinaties van verschillende disciplines. Een betrokkenheid van het publiek speelde op de achtergrond altijd mee, omdat Soestdijk een lieu de memoire is, waar generaties Nederlanders betekenis aan hechten.

de markt is niet overwogen omdat het een monument van de eerste klasse is. Dat betekent wel dat het Rijk verantwoordelijk is en blijft voor jaarlijks onderhoud – naar schatting 4 miljoen – en de kosten van restauratie/renovatie. Daarbij heeft de Rijksgebouwendienst als eigenaar/beheerder te maken met een tegenvaller, omdat het monumentenbudget vanwege het wegvallen van ICES-gelden vanaf volgend jaar is gehalveerd. Soestdijk moet het verminderde budget delen met andere topmonumenten in de portefeuille van de Rijksgebouwendienst.

onder regie van Jos Thie in première gaan (kaartverkoop begint op 1 december). Het is voor Thie de tweede keer dat hij dit stuk van Von Gluck op het water ensceneert. In 2000 was dit een succesvolle uitvoering in Friesland. Nu maakt hij met vrijwel dezelfde zangers en ontwerpers een nieuwe versie. ‘Ik

weet zeker dat de plek die we hebben gekozen een heel bijzondere, koninklijke laag aan het verhaal toevoegt.’

herbestemming

Monument

Verlenging van de openstelling, ook al is die beperkt, is daarom de resterende optie. In de tussentijd kan de politiek zich bezinnen over de toekomst. En kan het publiek genieten van een fraai decor tijdens de opera Orfeo en Eurydice. Op woensdag 8 juni 2011 moet de productie van De Utrechtse Spelen

Ook kwamen commerciële functies aan de orde, zoals een luxe hotel, golf resort, verzorgingstehuis, casino of wellness-centrum. Die zijn voorlopig terzijde geschoven omdat ze niet pasten bij de uitgangspunten van dit moment die juist naar een andere, deels publieke, bestemming neigen. Verkoop van Soestdijk aan

35

Commercieel


restauratie kunst

Ruïne van Brederode meer klimaatbestendig

Authentieke mortel en stenen redden oudste rijksmonument toekomst voor verleden

36

monumenten

Tekst: agnes koerts fotografie: marten hoogstraat

De Rijksgebouwendienst waakt over de Ruïne van Brederode; zij mag niet verder afbrokkelen en moet bestand zijn tegen weersinvloeden. Op Open Monumentendag begon met enig feestgedruis de consolidatie van het voormalig kasteel, ooit Nederlands eerste rijksmonument. In 1862 was het ook één van de eerste met rijksgeld gerestaureerde gebouwen.

Eigenlijk is het ongelooflijk, twintigduizend bezoekers per jaar komen kijken naar en in de Ruïne van Brederode. Nu de Rijksgebouwendienst de ruïne de komende drie jaar grootschalig aanpakt, kan het publiek blijven komen. Het hele proces van ‘consolidatie’ kan op de voet worden gevolgd. Door het

gebruik van meer authentieke technieken zal het monument voortaan beter bestand zijn tegen de invloeden van het klimaat. De ruïne blijft eruit zien zoals nu; de ingrepen dienen tot behoud. Zo worden bijvoorbeeld loszittende stenen vastgezet en ontbrekende stenen aangevuld of ingeboet.

Uitgebreide informatie ter plekke vertelt over de soorten metselspecie op basis van kalkmortel, typen en kwaliteiten bakstenen, maar ook over de beschermwaardige planten, bloemen en dieren die de ruïne als hun habitat kozen. Om het beeld compleet te maken, komen ook de mensen tot leven, die hier eeuwen

geleden woonden. Het consolidatieproject wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van en begeleid door de Rijksgebouwendienst. ‘Bezoekers die langslopen of fietsen en buiten willen blijven, zullen op panelen kunnen lezen wat we aan het doen zijn’, zegt Henk Hegeman,


Wolfert van Brederode het kasteel aan de grafelijkheid van Holland. Na het opheffen van de feodale rechten werd de Staat der Nederlanden eigenaresse van een ruïne. Getijdenboek

Eeuwen later, op 11 september 2010, zit een verzameling 21e eeuwse geïnteresseerden feestelijk bijeen bij die ruïne. Na een lange voorbereiding van het consolidatiewerk geeft programmadirecteur Monumenten J. Eikelboom van de Rijksgebouwendienst daar op Open Monumentendag het officiële startsein. Naast de Rijksgebouwendienst zijn betrokken de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Cultureel Erfgoed NoordHolland en de gemeente Santpoort. Andere betrokkenen: het beheerdersechtpaar, de aannemer, de directievoerder, de architect, de kenners van flora (Floron) en fauna (Zoogdiervereniging). De laatste twee organisaties zijn van belang voor de ontheffing van de Flora- en Faunawet. Gastvrouw is dr. Elizabeth den Hartog, directeur van de Kastelenstichting Holland en Zeeland.

projectmanager van de Rijksgebouwendienst. ‘De betalende bezoekers, die in de binnenring komen, krijgen gerichter voorlichting. En daarnaast bouwen we een website, waar iedereen digitaal het proces kan volgen. Die site krijgt de naam www. ruinevanbrederode.info.’ Centraal staan verschillende vormen van

verval en erosie, de gebruikte technieken om het verval te remmen en de manieren waarop de omringende natuur tijdens de werkzaamheden wordt ontzien en beschermd. Het kasteel  Brederode is waarschijnlijk aan het einde van de dertiende eeuw gebouwd in opdracht van de eerste heren van Brederode,

afstammelingen van het geslacht Teylingen. Na een eerste belegering in 1351 vernielden de Kabeljauwen uit Haarlem het kasteel deels in 1426. Het kasteel werd hersteld, maar toen de Spanjaarden het in 1573 opnieuw vernielden, werd het verlaten en raakte het geleidelijk in verval.  In 1679 vervalt met de dood van

Elizabeth den Hartogs hart ligt bij de middeleeuwse architectuur, kastelen en grote landhuizen. Dat vak doceert ze ook aan de Universiteit Leiden. In de Bodleian Library in Oxford mocht ze het daar zorgvuldig bewaarde Getijdenboek van de laatste kasteelvrouwe van Brederode onderzoeken. ‘Het ligt in een kluis, geregistreerd als Douce 93. Omdat het een kostbaar werk is, wordt het zelden uitgeleend. Uit het gastenboek bleek dat ik na 20 jaar weer de

37

Zij onderhoudt een dubbele relatie met de Ruïne van Brederode: niet alleen als directeur van de Kastelenstichting, maar ook als onderzoekster van de geschriften die een van de laatste bewoners van het kasteel Brederode in de vijftiende eeuw naliet: het Getijdenboek van Yolande van Lalaing. De Kastelenstichting Holland en Zeeland beheert twee ruïnes; naast Brederode in Santpoort één te Teylingen in Zuid-Holland.


restauratie onderwerp

ken. ‘Dat is voor de Rijksgebouwendienst van groot belang, omdat het zijn kennis en ervaring door het hele land kan delen’, zegt Henk Hegeman. ‘Wij zijn met dat team twee jaar geleden begonnen. Het was dringend nodig, want wij zagen dat overal bij herstel van historische panden en muren telkens opnieuw het wiel werd uitgevonden als het ging om metselwerken, keus van mortels en gebruik van materialen’.

architectuurbeleid

kunst

Dit Expertteam Historische Metselwerken moet de geleerde lessen verspreiden, opgedaan niet alleen in de praktijk, maar ook na uitgebreid technisch en wetenschappelijk onderzoek. Hegeman: ‘Wij hebben onderzoeksbureau Groot Gunneweg ingeschakeld. Dat wordt geleid door zeer ervaren mensen die afkomstig zijn van de TU Delft Civiele Techniek en het researchlaboratorium Materiaalkunde’.

monumenten

eerste was die het in handen had’. Haar naspeuringen leidden onder andere tot het jaarboek 2009 van de Kastelenstichting Holland en Zeeland: ‘Yolande van Lalaing (1422- 1497), kasteelvrouwe van Brederode’. Yolande van Lalaing was een Francaise, die trouwde met Reinoud II van Brederode. Zij was de laatste kasteelvrouwe van Brederode. Het in haar opdracht gemaakte getijdenboek is voor de Noordelijke Nederlanden een uniek vijftiende eeuws handschrift. Het is een rijk geillustreerd gebedenboek, met veel Brederode-emblematiek en heraldiek (zwijnskoppen en brandende takken), en in de marges voorstellingen van jacht- en toernooipartijen. In de Ruïne van Brederode staat tot en met oktober een tentoonstelling over Yolande van Lalaing en haar wereld.

38

Expertteam

De komende jaren is een belangrijke uitvoerende rol in het werk aan de ruïne weggelegd voor het opgerichte Expertteam Historische Metselwer-

Hij legt uit wat de crux is in het werken aan oude muren: ‘Vanaf 1850 zijn we gewend te metselen met Hoogovencement en Portlandcement. Dat leidt tot keiharde voegen. Maar wanneer die specie tussen oudere, vaak zachte baksteen terecht komt, ruineer je in een winter de hele muur. Want er hoeft maar één vorstje overheen te komen, en de steen brokkelt af. De steen neemt namelijk vocht op en de harde voeg minder. Dan begin je al met schade. Moeten we dan terug naar de kalkmortel van vroeger? Mogelijk met een snufje cement? Dat heeft als nadeel dat het harden maanden duurt’. Strategisch

Waarom is consolidatie van deze ruïne van belang voor de samen­ leving, de jeugd, de nieuwe generaties? In de woorden van de Kastelen­ stichting: ‘Verspreid over de oude graafschappen Holland en Zeeland lagen in de middeleeuwen kastelen. De resten daarvan zijn niet alleen architectonische monumenten, maar ook interessante getuigen van de middeleeuwse maatschappij. Waren de op strategische punten gelegen kastelen in de eerste plaats bedoeld om het omringende gebied te


Directeur Elizabeth den Hartog beantwoordt de vraag bevlogen en overtuigd: ‘Nederland telt een select aantal topmonumenten. Daar hoort Brederode bij. Het is een heel gaaf voorbeeld van een kasteel, het is gebleven zoals het verlaten is aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog. Het gebouw intrigeert, het is spannend. Busken Huet zei ooit: als je Brederode niet had, wist je niet dat Nederland kastelen had gehad’. Ze lacht: ‘Stoer en sterk staat het daar, een weergave van macht. En

toch superromantisch in het groen. Jonge generaties en eigenlijk iedereen, leert dit veel over de Nederlandse geschiedenis’. ‘Onze roots en wortels zijn belangrijk. In Brederode bezitten we een levende getuige van andere tijden. Als ik terzijde nog iets mag zeggen: ik ben geen voorstander van een Nationaal Historisch Museum zoals in Arnhem zou komen. Kinderen moeten niet op computerschermen de geschiedenis zien, maar tastbaar, in het echt.’ >> Op panelen wordt de historie van het oude kasteel uit de doeken gedaan: het verhaal van kasteelvrouwe Yolande van Lataling.

39

verdedigen, daarnaast werd het gebied van hieruit bestuurd en geëxploiteerd’.


toekomst voor verleden museum

Tekst: Olof Koekebakker fotografie: Simone van Es

40

architectuur

Stalen elementen getild in het hart van het Scheepvaartmuseum

Een overkapping als een kompasroos

De spectaculaire operatie, half september in Amsterdam, haalde de journaals van radio en televisie. Met een enorme kraan werden zestien grote elementen van staal over het dak van het Scheepvaartmuseum gehesen. Hoog boven de binnenplaats werden ze vervolgens gemon-

teerd tot een staalconstructie die de basis vormt van de nieuw aan te brengen overkapping, die is voorbestemd het meest zichtbare onderdeel te worden van de ingrijpende renovatie die het museum ondergaat. De overkapping is een creatie van de Belgische constructief

De overkapping van de binnenhof van het Scheepvaartmuseum is constructief gezien een uitdaging geweest voor de Rijksgebouwendienst. Hoe te voorkomen dat het Scheepvaartmuseum ongelijk zou gaan verzakken – met scheurvorming als gevolg. Het oude kruit­ magazijn staat namelijk op slappe bodem, een eiland in het IJ. Elke nieuwe ingreep kan effect hebben op het rijksmonument.

ontwerper Laurent Ney, die de opdracht kreeg na een door de Rijksbouwmeester geëntameerde besloten competitie. Het intrigerende lijnenspel van Ney’s staalconstructie is ontleend aan de zeventiende-eeuwse zeekaarten, met hun patroon van verbindingen tussen een kompas-

roos in het centrum en zestien rozen eromheen. Het geheel meet 34 bij 34 meter, weegt tweehonderd ton en is samengesteld uit zesduizend verschillende stalen onderdelen en twaalfhonderd segmenten glas. Bijna even opwindend als de overkapping zelf, maar groten-


deels onzichtbaar, zijn de ingrepen die nodig waren om het gewicht van de overkapping te dragen. Het vergde het uiterste aan creativiteit van de constructeurs van de Rijksgebouwendienst, Jan Kraak en Jurgen Hielema in het bijzonder, om een constructief concept te ontwikkelen dat voldeed aan de stringente randvoorwaarden. De betrokken diensten voor monumentenzorg waren aanvankelijk ronduit tegen het aanbrengen van een overkapping, omdat die het karakter van het uit 1656 daterende gebouw te veel zou aantasten. Daar stond tegenover dat het vernieuwde museum de ruimte van de binnenplaats eigenlijk niet kon missen. Het gebouw zelf, dat eeuwenlang dienst heeft gedaan als werkplaats en uitgifte voor de marine, bevat nauwelijks verbindingen tussen de vele grote ruimten. Door van de binnenplaats een overdekte binnenruimte te maken worden de gebruiksmogelijkheden flink verruimd. Het zal straks mogelijk zijn om er een diner voor zevenhonderd gasten aan te richten, of een feest te houden met duizend bezoekers.

te dragen; beeldverstorende kolommen konden dus achterwege blijven. De tweede conclusie was dat de last van de overkapping dan niet over de muren zou moeten worden verdeeld, maar dat hij moest worden geconcentreerd op de vier hoekpunten. Door de goot van de overkapping alle (horizontale) trekkrachten te laten verwerken, zou men op de hoekpunten alleen nog te maken krijgen met de verticale belasting van het gewicht. Voor de situatie dat de overkapping door onberekenbare krachten van de wind zou worden opgetild – uiterst onwaarschijnlijk, maar

nooit helemaal uit te sluiten – werd het wel nodig geacht om de overkapping met zes meter lange stangen stevig in de bestaande muren te verankeren. Houten palen

De grootste opgave voor de constructeurs bevond zich echter onder het gebouw. Als er verder geen maatregelen zouden worden genomen zou, door het gewicht van de overkapping, de neerwaartse druk op de bestaande houten palen op de hoekpunten veel groter worden dan de druk op de palen die de verbindende muren dragen. Door die extra druk zouden de palen

onder de hoeken dieper in de eerste zandlaag zakken, wat op den duur tot ernstige scheuren in de muren zou leiden. De oplossing lag voor de hand: een extra fundering voor de hoekpunten. Daarbij liepen de constructeurs echter tegen twee complicaties aan. Om te beginnen mochten de nieuw aan te brengen stalen palen niet te dicht bij de bestaande houten palen komen te staan; samen zouden ze dan namelijk het zand waarop ze diep in de bodem rusten omlaag drukken, waardoor er alsnog op de hoekpunten extra verzakkingen zouden optreden.

Uiteindelijk stemden de hoeders van het cultureel erfgoed in met een overkapping, zij het dat daaraan een aantal stringente voorwaarden werden verbonden. De binnenplaats moest leeg blijven, de ingreep moet later eventueel ongedaan kunnen worden gemaakt en qua beleving dient de binnenplaats het karakter van een ‘buitenruimte’ te behouden. En dan was er nog de randvoorwaarde die voor de constructeurs een grote uitdaging betekende: er mochten geen kolommen of andere zichtbare constructies worden aangebracht om de overkapping te dragen. Een verkennende studie leidde al tot een aantal conclusies. De eerste was dat het metselwerk van het bestaande gebouw sterk genoeg was om de overkapping

41

Buitenruimte


museum

42

Dit probleem werd opgelost door onder elk hoekpunt een forse horizontale betonnen balk aan te brengen. Daarna konden de nieuwe palen onder de uiteinden van die balk – op voldoende afstand van de bestaande palen – in de bodem worden geheid. Het tweede probleem was inge­wikkelder. Het heeft te maken met het feit dat het gebouw van het Scheepvaartmuseum altijd onderhevig is gebleven aan een zekere mate van zetting. De bodem is er uiterst slap – het eiland waarop het museum staat is eeuwen geleden aangeplempt in het IJ, onder meer met afval van de stad – en zelfs de eerste zandlaag waarop de palen rusten is niet helemaal stabiel. Dit betekent dat een nieuwe fundering op de hoekpunten haar werk ook weer niet ‘te goed’ mag doen. Het gevolg daarvan zou namelijk zijn dat het gebouw op de hoeken minder snel gaat zakken dan elders. Dan dreigt, kortom, het omgekeerde van wat

er zonder extra fundering zou gebeuren. Weerstand

Men stond dus voor de vraag hoe de nieuwe fundering zodanig kon worden gedoseerd dat ze niet te weinig, maar ook weer niet te veel weerstand zou bieden tegen de zetting van het gebouw. Daarop bedacht Kraak het volgende: hoe smaller de punt onder de paal, hoe geringer de weerstand – en omgekeerd. Enkele berekeningen leidden tot de uitkomst dat een dertien centimeter brede punt tot het optimale resultaat zou leiden. Maar ook daarmee was de kous nog niet af. Er was nog een complicerende factor waarmee rekening moest worden gehouden. De bodem boven de zandlaag kleeft namelijk enigszins vast aan een nieuw aan te brengen paal. Dat betekent dat de paal niet alleen omlaag wordt gedrukt door het gewicht van het

gebouw met zijn overkapping, maar ook nog eens door het gewicht van de aangekleefde prut. De druk op de paal zou hierdoor wel eens twee keer zo groot kunnen worden. Deze ‘positieve kleef’ is overigens van tijdelijke aard. Na een aantal jaren, als de bodem verder is ingeklonken, zal het omgekeerde optreden: ‘negatieve kleef’. In dat geval vermindert de aan de paal vastgekleefde bodem de neerwaartse druk, wat in het licht van het voorgaande evenzeer ongewenst is. Opnieuw moesten de constructeurs van de Rijksgebouwendienst zich dus de rol van uitvinder aanmeten en opnieuw had hun vondst de charme van de eenvoud. Ze besloten om een wijdere buis rond de funderingspaal aan te brengen en deze te laten vollopen met water dat, anders dan grond, nu eenmaal niet de neiging heeft om aan de stalen paal vast te kleven.

Toen de nieuwe stalen palen (twee voor elk hoekpunt) uiteindelijk op hun plaats zaten, werd de neerwaartse druk nog eenmaal langzaam opgevoerd. Dit gebeurde met een krachtgestuurde hydraulische vijzel, waarmee het gewicht van de later aan te brengen overkapping kon worden gesimuleerd. Zo kon worden vastgesteld of de vooraf berekende weerstand van de paalpunt bij benadering klopte. Het gaat er tenslotte om dat de nieuwe fundering is afgestemd op het extra gewicht van de overkapping – niet minder, maar zeker ook niet meer. Later werd ook een vijzel gebruikt om, na het aanbrengen van de betonnen balk, de druk op de houten palen weer langzaam op te voeren. Omslag in denken

Kraak en Hielema kijken terug op een bijzondere opgave. Niet alleen omdat ze werden uitgedaagd om met nog niet eerder bedachte oplossingen te komen, maar vooral ook omdat er een omslag in het denken voor nodig was. Constructeurs zijn gewend te werken met normen die zijn afgestemd op nieuwbouw. Ze berekenen alle denkbare werk-­ zame krachten en vervolgens ontwerpen ze een constructie waarin ook nog eens veiligheidsmarges zijn ingebouwd. Maar hier was het uitgangspunt geen nieuw gebouw dat zo stevig mogelijk moet worden verankerd, maar een bestaand bouw­werk dat al eeuwen in beweging is. Er moest dus worden gewerkt in de richting van een evenwichtssituatie die nauwelijks ruimte biedt voor de gebruikelijke ‘veiligheidsmarges’. Het maakt de oplossingen die ze hebben gevonden, ook al zijn ze onzichtbaar voor de beschouwer, des te intrigerender.


interview

Afgelopen 25 jaar heeft Hans van Heeswijk met zijn technologisch geavanceerde architectuur een indrukwekkend oeuvre gerealiseerd. Een oeuvre dat naast kantoor- en woongebouwen, flatrenovaties, interieurprojecten en bruggen ook een aantal verbouwingen van monumentale museumgebouwen omvat. De aanpak van elk ontwerp is anders maar de vormgeving en het materiaalgebruik zijn altijd modern.

Architect Hans van Heeswijk wil musea maken met een duidelijke logistiek

Terug naar de Nieuwe Hollandse Nuchterheid Ontwerp Papendorpse Brug

Tekst: egbert koster foto’s en artist impressions: hans van heeswijk

Tien jaar geleden ontwierp Van Heeswijk hoofdzakelijk marktkantoren en infrastructuur. Tegenwoordig veel publieksgebouwen, waaronder diverse musea. In 2009 werd zijn alom geprezen Hermitage Amsterdam opgeleverd. Het jaar daarvoor de verbouwing van De Beyerd in Breda tot Graphic Design Museum. Momenteel is zijn bureau druk bezig met de uitwerking van het verbouwings- en uitbreidingsplan voor museum het Mauritshuis in Den Haag. Het ontwerpen van publieksgebouwen is weliswaar veel complexer dan het ontwerpen van woningen of kantoren maar levert je als architect, aldus Van Heeswijk, veel meer

bevrediging op. ‘Bij publieksgebouwen ontwerp je niet alleen de buitenkant maar houd je je ook bezig met logistiek, routing en akoestiek. Als je dan ook nog het interieur mag doen kun je helemaal vanuit één visie tot op het laatste schroefje doorontwerpen. Daar krijg je natuurlijk prima gebouwen van.

Bij marktkantoren ging het altijd om het realiseren van zoveel mogelijk verhuurbaar vloeroppervlak. Dan kon je een goede buitenkant maken en een mooie entree maar daar hield het wel mee op. Met de kantoorvloeren kon je niet zoveel. En had je dan je uiterste best gedaan om elk detail strak te krijgen, kwam er twee

weken voor oplevering een grote vrachtwagen van Overtoom voorrijden en stond binnen twee dagen alles vol met verkeerde binnenwanden en afschuwelijk meubilair.’ Een frustratie waar Van Heeswijk ook aan het begin van zijn carrière al mee te maken had toen hij in 1981 begon met werken op het bureau van Aldo

43

architectuur

toekomst voor verleden


interview onderwerp kunst architectuurbeleid architectuur

Constellation Building, Schiphol

van Eyck en Theo Bosch aan stadsvernieuwingsprojecten in de Nieuwmarktbuurt en de Jordaan. ‘Daar deden we ook vreselijk ons best om de woningen helemaal spic en span te krijgen en strak in de witte lak. Maar dan kregen de bewoners vrijdagmiddag de sleutel en werd op vrijdagavond de gloednieuwe keuken eruit gesloopt en stonden ze zaterdagochtend bij de Gamma een eikenhouten keuken en gevlamde tegeltjes uit te zoeken. Zaterdagmiddag werd de verf van de trap gekrabd en kwam er beits op.’s Maandags kende je de woningen niet meer terug.’

44

Afwerkingsmateriaal

Heeft met de verschuiving in opdrachten van kantoren, bruggen en woningen naar publieksgebouwen en musea ook je architectuur een verandering ondergaan? ‘Die verandering zit vooral in details, denk ik. Toen ik begon was het belangrijk dat je gebouwen ontwierp die voor een standaard marktprijs gebouwd konden worden terwijl zij er toch bovengemiddeld uitzagen. In

die tijd hebben we het idee ontwikkeld om gebouwen te gaan maken waarbij je geen bekleding en aparte afwerkingsmaterialen gebruikt maar de constructie in het zicht laat en probeert om daarmee architectuur te maken. Het budget dat je uitspaart aan afwerkings- en bekledingsmaterialen kun je dan gebruiken om die constructie er netjes uit te laten zien. En dan krijg je uiteindelijk toch een hoogwaardiger afwerkingsniveau. Dat noemden we toen De Nieuwe Hollandse Nuchterheid. Gebouwen met een eenvoudige hoofdvorm die zijn opgetrokken uit standaard bouwmaterialen maar een hoog afwerkingsniveau hebben. Omdat goedkoop bouwen je niet ontslaat van de plicht om je uiterste best te doen om goed te ontwerpen en goed te engineeren. Die Nieuwe Hollandse Nuchterheid heeft vooral te maken met het beter organiseren, beter in elkaar zetten van dezelfde spullen. En vooral met goed detailleren. Proberen om aan te sluiten bij het vakmanschap waar Nederland ooit goed in was met

Philips, Fokker en de scheepsbouw. Het lijkt mij goed om architectuur te maken die weer bij die mentaliteit aansluit. Dus geen gebouwen die heel trendy zijn maar gebouwen die een ingetogen uitstraling hebben en met een grote mate van vakmanschap gemaakt zijn. Gewoon goede gebouwen maken. Dat vind ik nog steeds belangrijk. Geldt dat ook voor het ontwerpen van museumgebouwen? ‘Bij publieksgebouwen en zeker musea gelden andere prioriteiten, zoals bijvoorbeeld een goed kloppende logistiek. De grootste opgave bij een museum is niet dat je wanden maakt waarop je schilderijen goed kunt uitlichten en waar veel mensen langs kunnen om die schilderijen te bekijken. Dat is wel belangrijk maar vrij gemakkelijk om te maken. Het belangrijkste van een museum en van elk publiek gebouw is dat je je realiseert dat het een gebouw is waar elke dag zo’n duizend of tweeduizend mensen komen. Vaak voor de eerste keer.

Daarom is het belangrijk dat ze begrijpen hoe het gebouw in elkaar zit. Dat ze op een logische manier hun weg kunnen vinden. Want daardoor voelen mensen zich snel thuis, blijven ze langer en komen ze sneller weer terug. En dat is wat je graag wilt met een publieksgebouw! Dus die logistiek dat is waar het bij musea maar ook bij bibliotheken en gemeentehuizen vooral om draait. Dat je gewoon een logisch, helder gebouw maakt dat goed valt te onderhouden en te beheren.’ ‘Vijfentwintig jaar geleden functioneerde een museum heel anders dan nu. Mensen hebben veel meer vrije tijd gekregen en zijn gewend om naar grootschalige publieke voorzieningen en evenementen te gaan. Dat stelt heel andere eisen aan museumgebouwen. Daar verwacht men het zelfde serviceniveau waar men bij pretparken aan gewend is geraakt. Dus goede publieksvoorzieningen als museumwinkel, restaurant, informatiebalie, touchscreens met kaartjesautomaten, beveiligde garderobe en sanitair. Het Mauritshuis is hier een goed voorbeeld van. Dat is in de jaren tachtig nog verbouwd door de Rijksgebouwendienst in samenwerking met architectenbureau Salomonson, Tempelman & Egberts voor het interieur. Toen is onder het voorplein een kelder gebouwd met publieksvoorzieningen en depot. Logistiek zat het er allemaal wel in maar met een maat en capaciteit waar je weinig mee kon. Want ook het Mauritshuis heeft sinds die verbouwing te maken met een enorme toename van bezoekersaantallen. Wat wij bij de verbouwing en uitbreiding gaan doen is vooral het vele malen groter en beter maken van de publieksvoorzieningen. De entree komt weer op het voorplein van het gebouw. Bezoekers verwachten de ingang aan de voorzijde, dus daar moet je ook de entree maken. Je kunt hen niet met goed fatsoen naar binnen laten via een in het maaiveld verzonken personeelsingang aan de zijgevel. Dat kon 25 jaar geleden misschien nog wel maar nu niet meer.’


Stadsvernieuwing

Zit er voor jou qua vormgeving en materiaalgebruik een principieel verschil tussen utiliteitsbouw, musea en woningbouw? ‘Nee. Bij onze woningbouwprojecten in de Dapperbuurt, uit het begin van de jaren negentig, hebben we gekeken of we met eenvoudige constructiemethoden uit de utiliteitsbouw voor het zelfde budget grotere woningen met ruimtelijke plattegronden zouden kunnen maken. Dat wil zeggen geen bakstenen stapelen maar gebruik maken van betonwanden en grote gevelpanelen. Qua vormgeving, constructie, materiaalgebruik en detaillering heeft dit stadsvernieuwingsproject inderdaad veel

overeenkomst met onze kantoorgebouwen. De korrelgrootte en compositie van de bouwvolumes hebben we echter zorgvuldig afgestemd op de maat en structuur van de omringende 19de eeuwse woningbouw. Voor het creëren van stedenbouwkundige eenheid is dat belangrijker dan de vormgeving en materialisatie. Kijk maar naar de gevelwanden langs de grachten. Daar zitten enorme verschillen tussen de individuele panden maar vormen die panden door hun overeenkomst in maat en schaal toch een eenheid in verscheidenheid. Het verschil in tactiliteit tussen traditionele bakstenen gevels met houten kozijnen of gevels van beton, staal en glas maakt mij niet uit. Ik

hecht sterk aan de esthetiek van Le Corbusier en Mies van der Rohe. Het machineachtige karakter van de gebouwen van Le Corbusier en de heldere, tijdloze architectuur van Mies die licht, luchtig en inzichtelijk is. Ik vind dat in onze cultuur sprake is van een merkwaardige, tweeslachtige esthetiek. Mensen wonen het liefst in een grachtenpand of huis in jaren dertig-stijl maar hebben tegelijkertijd voor de deur het liefst het nieuwste model Ferrari staan. Dat is toch raar! Waarom kan dat niet in één esthetiek?’ ‘Van staal, glas en beton kan je perfecte woningen maken. Ik bouw nu mijn eigen woonhuis op IJburg . Het concept daarvoor had ik in een weekend. Een kwestie van gewoon

even nadenken wat de mooiste woonhuizen zijn die ik ken: het vooroorlogse Maison de Verre van Bijvoet en Chareau in Parijs, het Douglas House van Richard Meier, de met de zon meedraaiende Villa Girasole, en het stalen Case Study House van Pierre Koenig dat op die beroemde foto van Shulman boven de nachtelijke skyline van Los Angeles hangt. Zoiets moest het dus worden. Vervolgens ben ik wel twee jaar bezig geweest om het ontwerp tot op het laatste scharniertje en deurkrukje goed te krijgen.’ Stedelijke meubels

Met wiens werk heb je meer affiniteit, Mies of Calatrava? ‘Mies, dat is onmiskenbaar. Van

‘Bij het Mauritshuis was er maar een oplossing: ondergronds’

45

architectuur

Publieksvoorzieningen worden bij het Mauritshuis onder het voorplein en de straat gebracht.


museum architectuur monumenten stedenbouw

46

gebouwen vind ik het interessant als ze een soort tijdloosheid uitstralen en dat herken ik heel sterk in het werk van Mies. Bij infrastructuur ligt dat anders. Bruggen zie ik meer als stedelijke meubels die veel meer een eigenzinnige vormgeving mogen hebben. Dat geldt vooral voor kleinere fietsersen voetgangersbruggen die je vaak in staal mag maken. In dat geval is Calatrava misschien wel meer een voorbeeld. Al lijkt de complexiteit van zijn ontwerpen af en toe niet meer helemaal in verhouding tot de aard en omvang van de opgave. Een gebouw maakt deel uit van ruimtelijke structuur van de stad maar een brug is feitelijk niet veel meer dan een groot autonoom meubel in de openbare ruimte. Veel autonomer dan een gebouw. Daar kan je dus op heel andere manier mee omgaan.’ Waarom zijn bij de verbouwingen van monumenten als de Amstelhof, De Beyerd, het Mauritshuis alle moderne toevoegingen, van buitenaf onzichtbaar, ondergronds gesitueerd? ‘Je gaat onder de grond bouwen omdat je boven de grond geen ruimte hebt. Maar het is nooit je eerste keus omdat het een vrij kostbare manier van bouwen is en constructief gecompliceerd. De ene keer is meer mogelijk dan de andere. Bij de Hermitage Amsterdam is feitelijk geen sprake van ondergronds bouwen. Daar heb ik slechts

geprobeerd om alle niveauverschillen in het souterrain recht te trekken. Bij het Graphic Design Museum in Breda hebben we ondergronds een complete verdieping toegevoegd. Dat was puur uit ruimtegebrek. Bij het Mauritshuis moesten we ondergronds bouwen omdat het bestaande gebouw zo’n samenhangend geheel vormt. Daar kun je bovengronds niets mee. Bovendien omvatte de opdracht een ondergrondse verbinding naar gebouw Plein 26 aan de overkant van de straat. De Rijksgebouwendienst had daarvoor enkele varianten van ondergrondse verbindingsgangen onderzocht. Aan die varianten kon je zien dat als je die gebouwen met een gangetje onder de straat door met elkaar verbindt, je ook niet meer dan twee gebouwen met een ondergrondse verbindingsgang krijgt. Logistiek zou dat niet gaan werken. Het publiek weet de uitbreiding via een kruip-door, sluip-door gangetje niet te vinden. De enige manier om dat goed te doen is om, net als bij het Louvre, een grote hal onder de straat te bouwen waar je vanaf straatniveau in afdaalt. Doordat je bij binnenkomst afdaalt heb je direct overzicht over de grote hal, zodat je direct begrijpt “Ik ben hier in de hal en daar is het Mauristhuis en daar is De Witte, aan de overkant van de straat, en die twee horen bij elkaar”. De oorspronkelijk voordeur van het Mauritshuis kunnen we niet

gebruiken want dan kom je direct in de tentoonstellingsruimtes. Maar het publiek gaat wel weer naar binnen door de poort op het voorplein. Daar komt een glazen liftje als lichtbaken van de nieuwe entree.’ Uit oogpunt van verblijfskwaliteit zijn ondergrondse ruimten niet ideaal. ‘Daar kun je wat aan doen. Door veel ramen in wanden en daken te maken. Door voor vides naar bovengrondse niveaus te zorgen . En door veel stijgpunten te maken. Niet alleen daglicht maar ook uitzicht en oriëntatie zijn belangrijk voor het welbevinden van mensen in ondergrondse ruimten. Daarom gaan we de nieuwe hal van het Mauritshuis zo open mogelijk houden met laag meubilair en lange zichtlijnen. Niet alleen horizontaal naar de twee gebouwen, maar ook diagonaal naar de andere niveaus toe. Doordat op de eindpunten van de zichtlijnen daglicht naar binnen komt loop je niet op het donker maar op het licht af. Dat maakt dat je direct begrijpt hoe groot het museum is en hoe het in elkaar zit. Ik vind het heel belangrijk dat je zichtlijnen met licht op het eind hebt waarop je je kunt oriënteren. En dat je aan het eind van een zichtlijn annex looproute niet doodloopt, want in een gebouw is niets zo erg als een doodlopende route waar je op het eindpunt weer terug moet.

Doordat je in de hal overal visueel, functioneel en ruimtelijk contact met de bovenliggende niveaus hebt zal hij worden ervaren als een volwaardige foyer die echt bij het gebouw hoort. Waar je ook in de hal staat, je zult altijd een glimp van het Mauritshuis op kunnen vangen.’ ‘Bij de verbouwing van De Beyerd moesten we het vloeroppervlak van de expositieruimte verdubbelen. Aangezien een extra verdieping niet haalbaar was, was een kelderverdieping de enige optie. Omdat de ondergronds toegevoegde ruimte plaats biedt aan een permanente expositie over de geschiedenis van het grafisch ontwerp in Nederland, met veel lichtgevoelig drukwerk, was er weinig behoefte aan daglicht. Wel hebben we op relatief korte afstand van elkaar drie trappenhuizen gesitueerd, waardoor de ruimte op veel verschillende manieren is te gebruiken. Beter te veel trappen dan te weinig. Via die trappenhuizen met ruime trappenhallen heeft de expositieruimte veel contact met straatniveau en heb je niet het gevoel dat je je op een geïsoleerd kelderniveau bevindt. Dat werkt heel goed.’

Links: het souterrain van het Grafisch Museum in Breda. Rechts: Woningbouw bij het Tropenmuseum in Amsterdam.


restauratie

Reiniging gevel Paleis op de Dam is fijnproeverswerk

De zwakke plekken zitten pal onder de dakrand architectuur

Boven: de kapitelen worden op detailniveau gereinigd. Onder: Een blok natuursteen wordt in een opening getild.

Beide steensoorten zijn voorzien van een fijne frijnslag, omdat ze in de 17e

eeuw met de hand op maat zijn gehakt. Hoewel de techniek inmiddels is gemoderniseerd en de blokken ook machinaal afgewerkt kunnen worden, verlaten de nieuwe exemplaren het steenhouwersatelier ook met handmatig aangebrachte frijnslag – anders zou het gevelbeeld afwijkingen vertonen. Zo blijft het gevelbeeld harmonieus. Het blok dat De Vaal aanraakt, is nieuw. Uit dezelfde Duitse groeve als in 1648 komen nu 250 nieuwe blokken zandsteen die de slechte exemplaren in de gevel moeten vervangen. Tot dusver, zegt technisch manager Jan Zoet, is het slechts een keer voorgekomen dat

monumenten

Natuursteen adviseur Ed de Vaal streelt het stuk steen dat pal onder de dakrand van het Koninklijk Paleis op de Dam ligt. Obernkirchener stelt hij gedecideerd vast, geen Bentheimer. Hij had het zelfs blind kunnen aangeven. Dat zijn de twee soorten zandsteen waaruit de gevel van het paleis voornamelijk is opgetrokken. Het verschil? ‘Obernkirchener heeft een fijnere korrel dan de Bentheimersteen en kent daarom een minder grote porositeit.’ Dat wil zeggen dat luchtvervuiling iets minder vat heeft op de Obernkirchener dan op de wat grovere Bentheimer.

Van de 25 duizend blokken waaruit de gevel van het Paleis op de Dam is opgebouwd worden er 250 vervangen. De rest wordt qua tint op elkaar afgestemd zodat er een egaler beeld van het paleis ontstaat. Een klein college over porositeit, vervuiling en restauratie.

47

toekomst voor verleden

Tekst: jaap huisman Fotografie: wim ruigrok


restauratie

48

monumenten

een blok niet past. Dat is te danken aan de nauwkeurige tekening op ware grootte die van elk te vervangen blok gemaakt wordt. Elk blok heeft een eigen nummer gekregen en alle bewerkingen aan dat blok worden gedocumenteerd.– het werk van restaurateur Geert van den Brul. Op grote vellen in de vergaderzaal zijn de vier gevels van het Paleis uitgestald. Gele stippen geven aan welke blokken lichter moeten worden, rode welke donkerder en groene welke vervangen moeten worden. Die laatste bevinden zich grotendeels pal onder de daklijst, waar het regenwater in combinatie met duivenmest de afgelopen eeuwen de gevel heeft aangetast. Voor het verwijderen van de blokken onder de dakrand moet eerst de bestaande koperen goot met loden afdekking worden gedemonteerd door de restauratieaannemer. Pas op de steiger rondom het paleis word je de omvang van de operatie gewaar. Maar liefst 25 duizend

zandsteen blokken, waarmee het Paleis in 1648 is gebouwd, worden minutieus onderzocht. Vervolgens valt per blok het besluit, niets doen (omdat het niet nodig is), droog microstralen en krijten om de kleur waar nodig te corrigeren, repareren of in het uiterste geval vervangen. Geert van den Brul: Naar schatting wordt 1% vervangen, 6 a 7% gemicrostraald en 700 exemplaren worden bijgekleurd met mineraal krijt. Alle voegen worden vervangen, waarna die voegen ook met krijt op kleur van de omliggende blokken worden gebracht. Festoenen

Op de steiger is een dertigtal Duitse restauratoren bezig om de blokken te krijten, de mortelreparaties en voegen aan te brengen of stukken uit te slijpen of te beitelen. Het is minutieus werk dat ook de restauratie van de ornamenten omvat, de festoenen (guirlandes) op de gevel, de kapitelen met hun acanthusbladeren en de consoles die zich pal onder de daklijst bevinden

Wat is de zin van een dergelijke precisie? Je kunt deze details immers van de straat niet zien? De Vaal: ‘Dit is nodig om dit waardevolle monument voor de komende 25 jaar veilig te stellen en voor een eenduidiger beeld van de gevel.’ Zoet: ‘Kijk naar de schoorstenen aan weerszijden van de Atlasfiguur aan de kant

van de Nieuwezijds, links is nog niet behandeld, rechts wel. Je ziet het resultaat. We voorspellen, nee weten zeker dat de gevel na de restauratie ook een rustiger beeld zal geven.’ Want dat was de aanleiding voor de restauratie van de buitenkant: de slechte technische staat van de gevel. ‘Omdat wij moesten herstel-


De aanslag op de gevel kent verschillende oorzaken, geven De Vaal en Van den Brul aan. Het stoken van turf en kolen in de vorige eeuw was een belangrijke boosdoener, het feit dat de zon sommige delen van het gebouw slecht kan bereiken en de zuidwestenwind die in Nederland nu eenmaal op de gevel beukt.

Bij de Arcade aan de Damzijde zijn er andere aantastingen, het effect van strooizout bijvoorbeeld of urine. Zoet: ‘Wildplassers ontzien ook het paleis niet. Als dat weer schoongespoten wordt dringt het water in de natuursteen. Bij opdrogen van dit water verplaatst zout uit de gemetselde kernen heel langzaam maar zeker zich naar het oppervlakte, waardoor er onder druk stukjes afspringen. ’ Halverwege de gevel zijn de ijzeren ankers die bij roest schade veroorzaken. De Vaal: ‘Roestend ijzer zet uit en dan kunnen er stukken natuursteen van van soms 7 centimeter dik loskomen’ Ook dit wordt hersteld.

Kozijnen

Sinds de bouw in 1648 zijn regelmatig zandsteen blokken vervangen aan de gevel. Zeer veel blokken zijn echter nog origineel, waaronder de kapitelen en festoenen. Ook andere onderdelen , zoals de kozijnen, het daklood en de goten zijn in de loop der eeuwen vervangen.Van de kozijnen zijn enkele originele delen bewaard gebleven, het merendeel is vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog vernieuwd. Achter een te vervangen kapiteel is een betonnen kolom gevonden die vermoedelijk uit de jaren dertig dateerde en schade aan de Obernkirchener heeft veroorzaakt. Dat alles wordt nu tot in de puntjes hersteld. De blokken werden, zo vertellen Van den Brul en De Vaal, in de 17e eeuw koud op elkaar gestapeld, dat wil zeggen met zo min mogelijke voeg. Om deze zware blokken precies op maat te kunnen stellen, schoven de bouwvakkers stukjes leisteen tussen de stenen, maar tegelrestjes, dakpannen en baksteen hebben de restauratoren van nu ook gevonden. Opmerkelijk is de stabiliteit van het paleis. Scheurvorming komt spaarzaam voor, verzakkingen niet. Halverwege de gevelletten piepkleine reflectoren op de effecten van de Noordzuidlijn – de eerste boring heeft geen sporen nagelaten. Minerale mortel

De bouwvakkers in de jaren dertig van de vorige eeuw hebben de minimale voegen verbreed tot ruim 10 mm en die vervolgens gevuld met mortel. Om nu het gevelbeeld terug te brengen naar de minimale voeg van 1648 schrapen de Duitse restauratoren op de steiger de voegen tussen de stenen schoon en brengen daarin vervolgens een minerale mortel, een zandkleurige substantie. Na droging wordt die voeg voorzien van een dunne streep in het midden en krijgt dezelfde afwerking als de omliggende blokken. Hierdoor ontstaat een verfijnder gevelbeeld waardoor het lijkt alsof de blokken opnieuw strak op elkaar aansluiten.

Toen het in juli te heet was, was het voegwerk lastig door versnelde uitdroging, als de temperatuur in de winter onder de 5 graden daalt, is dat karwei helemaal onmogelijk. Zoet en zijn team zijn er op voorbereid. Dan verplaatst het werk zich naar het uithakken van de blokken steen. De Vaal wijst op een deel van de gevel aan de westkant dat in dat geval wordt behandeld. Beeldhouwwerk

Niet alleen de zandsteen gevelblokken worden geretoucheerd en zo nodig vervangen, ook het beeldhouwwerk van de timpanen wordt geïnspecteerd. Met name de figuren in het timpaan aan de westkant hebben te lijden gehad van regen en wind. Voor die timpanen gebruikte men in de 17e eeuw wit Italiaans marmer. TNO staat de Rijksgebouwendienst terzijde met deskundig advies, de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam volgen het proces nauwlettend. De Rijksbouwmeester heeft met aan van de adviseurs het werk voorbereid en begeleidt de restauratiewerkzaamheden ook nu nog. Intussen werken de specialisten door, volgens een ritme van tien dagen op, vier dagen af. Het is, voor wie boven op de steiger staat, een in alle opzichten indrukwekkende restauratie. Pas op de hoogte zie je de omvang van de blokken. De Vaal: ‘De zwaarste weegt 1,5 ton en meet 1 meter 70.’ Tegenwoordig wordt die met een kraan naar boven getakeld en op zijn plek geschoven – een karwei dat meestal in de vroege ochtend gebeurt. Hoe deden ze dat in 1648? De Vaal droogjes: ‘Met een takel en met paardenkracht werd het gevaarte naar boven gebracht.’ Met enige valse bescheidenheid kun je met de wetenschap van nu zeggen dat er op de Dam een variant op een kleine piramide is gebouwd.

49

len kon gelijk ook het beeld van de gevel worden meegenomen.’ Dit beeld was in de loop der tijd zo vlekkerig geworden dat de architectuur van Jacob van Campen niet meer goed leesbaar was. Blond wordt het paleis zeker niet, wel meer egaal als het aan de restaurateurs en architect Krijn van den Ende ligt.


andere smaken

58 | Jan Hendrik Dronkers (RWS) 62 | Het kleine station 64 | Cultuurforum 65 | Boeken en exposities

architectuurbeleid

kunst

51 | Een hek van Jan van der Ploeg 54 | Shanghai 2010 56 | Dienst Verkeer en Scheepvaart

62

51

architectuur

54

stedenbouw monumenten architectuur architectuurbeleid kunst

50

stedenbouw

monumenten

56


andere smaken

Een kleurrijke ruimtelijke ervaring als ontvangst

ministerie kunst

Hekwerk Jan van der Ploeg bekroont renovatie Financiën

Werd de schatkist vroeger bewaakt achter een gesloten bolwerk van ruw beton, sinds 2008 is het Ministerie van Financiën getransformeerd tot een gebouw met een transparante uitstraling. De kunsttoepassing van Jan van der Ploeg vormt een bekroning op het vernieuwde uiterlijk van dit departement.

51

Ondanks de crisis is het altijd feest bij het Ministerie van Financiën. Sinds augustus verwelkomt een zee van kleur de passanten en medewerkers bij de entree aan de Korte Voorhout in Den Haag. Na ruim een halve eeuw onopvallendheid, trekt het gebouw nu eindelijk de aandacht. In 2009, toen ook de renovatie door Meyer en Van Schooten architecten werd afgerond, is al een kunstwerk van Johan Tahon in het Atrium geplaatst. De tweede kunsttoepassing van Jan van der Ploeg (1959) is afgelopen augustus opgeleverd. Met zesendertig verschillende kleuren heeft de schilder banen getrokken die in een rechte lijn doorlopen van het plafond tot over het hekwerk. Hetzelfde recept herhaalde hij op kleinere schaal bij het plafond van de smalle entree aan de achterzijde van het gebouw. Met zijn ingreep heeft hij van de entreegebieden een bijzondere ruimtelijke ervaring gemaakt. Het gebouw heeft zijn robuuste huid van zich afgeschud en is herboren als een plek waar licht, kleur en ruimte overheersen. Het

architectuur

Tekst: floor tinga Fotografie: roger dohmen


ministerie kunst architectuur binnenplein, dat voorheen onbekend terrein was voor de gemiddelde Hagenees, is sinds de renovatie vrij toegankelijk tot elf uur ’s avonds.

52

Contrasten

Lichtgeel, zachtgrijs en babyroze liggen zij aan zij met helblauw, spierwit en siennarood. Het is zomaar een greep uit het kleurenpalet dat Van der Ploeg voor zijn werk hanteert. Met opzet plaatst hij pasteltinten tegenover harde kleuren, om zo optimale contrasten teweeg te brengen. Het effect is groots. Heel even betreed je een andere wereld, waarin de tweedimensionaliteit van de kleurvlakken transformeert tot een driedimensionale beleving. De

een bijzonder effect. Wie het hek al wandelend of fietsend passeert, zal in het voorbijgaan een subtiele gedaanteverwisseling opmerken. Wanneer je het hek vanaf de zijkant benadert, verandert het langzaam van een dicht oppervlak in een open raster. De contrasterende kleuren die Van der Ploeg heeft ingezet, versterken dit gevoel nog eens extra. Zo weet hij door een spel van kleuren de beleving van de ruimte te beïnvloeden.

fellere kleuren springen letterlijk uit de band, waardoor het net lijkt alsof ze oplichten. Ook lopen de kleurbanen door in de reflectie van de glazen gevels, waardoor het sculpturale karakter van het werk nog meer wordt versterkt. Eenmaal op het binnenplein is goed te zien hoe autonoom de entrees door deze betrekkelijk eenvoudige ingreep zijn geworden. Een plek die anders een alledaagse onderdoorgang was geweest waar niemand op of om kijkt, heeft nu een iconische werking gekregen.

Grenzen

Ook het knikvormige hekwerk, dat bestaat uit diagonale spijlen, krijgt met de ingreep van de kunstenaar

Van der Ploeg begon zijn carrière halverwege de jaren tachtig, nadat hij onder meer opleidingen gevolgd had aan de Rietveld Academie en

Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Begonnen als schilder op doek, ging hij al snel op zoek naar de grenzen van het medium. Het gevolg was dat hij met steeds grotere doeken ging experimenteren. Toen hij niet groter meer kon, maakte het linnen plaats voor de muur. Benaderde hij in eerste instantie de wand nog als een schilderij, nu werkt de gehele ruimte mee als drager van zijn werk. Of het nu gaat om een wand bij een particulier, of een expositieruimte van het Museum of Modern Art in New York: bij iedere plek gaat hij opnieuw uit van de karakteristieken van de ruimte in zijn keuze voor vorm en kleur.


ministerie interessante schilderingen kan opleveren en het onderzoek in vorm en kleur verder uitdiept.

het maar aan het begin of aan het eind van hun werkdag wanneer ze de passages betreden.

Optimisme

In een tijd waarin de meeste kunstenaars zich in hun werk verhouden tot maatschappelijke dilemma’s, is dit een eigenzinnig uitgangspunt. Een standvastigheid die hem overigens geen windeieren legt. Van der Ploeg wordt vertegenwoordigd door diverse galeries en getoond in musea, bedrijfscollecties en particuliere collecties over de gehele wereld. Zo is een wandschildering van Van der Ploeg opgenomen in de serie muurschilderingen in het Gemeente­ museum Den Haag, waar hij nu deel uitmaakt van het illustere gezelschap

Hoewel de oorsprong van zijn werk vaak in verband wordt gebracht met het neoplasticisme van Theo van Doesburg, onderscheidt Van der Ploeg zich duidelijk door geen grote verhalen te willen verkondigen. Zijn streven ligt eerder bij het creëren van monumentale gebaren. Ook wil hij met zijn werk vooral een positief gevoel bij mensen achterlaten. Hij hoopt dat hij kan bijdragen aan een optimistische stemming bij de medewerkers van Financiën, al is

van Sol LeWitt, Niele Toroni, Günther Forg en Günter Tuzina. Of het nu gaat om een parkeergarage, buitenmuur of hal: zolang het beschilderd kan worden weet Van der Ploeg er raad mee. De kunstenaar heeft met dit werk voor het Ministerie van Financiën de grenzen weer opgerekt. De mogelijkheden zijn nog eindeloos en maken nieuwsgierig waar hij de volgende keer zijn kleurenpalet laat neerstrijken.

53

Ook voor deze opdracht, waarin Van der Ploeg de entrees als locatie toegewezen heeft gekregen, heeft hij de bestaande architectuur als uitgangspunt genomen. De plafondplaten en spijlen van het hekwerk vormden hierdoor het uitgangspunt van zijn werk. Ondanks de variatie die wordt ingegeven door de locatie, maakt herhaling ook een wezenlijk onderdeel uit van zijn werkwijze. Zo heeft Van der Ploeg sinds 1997 een vaste vorm die hij veelvuldig terug laat komen in zijn werken. Dit motief ‘Grip’ is een rechthoek met afgeronde hoeken, een ready made die al repeterend in zijn kunstwerken opduikt. Het is verrassend hoe een vaststaand gegeven telkens weer


aangekomen in shanghai 2010 serie

aflevering 9

Tekst: Michiel Hulshof Fotografie: Frans Schellekens

Is er een leven na de expo voor ons paviljoen? Lezing in de ‘Kroonzaal’ van het Nederlands paviljoen.

architectuur

Shanghai 2010 nadert haar einde. De grootste en drukste wereldtentoonstelling sinds tijden leidt voor de sluiting tot een voorlopige conclusie. Beetje anders van de Amsterdamse Wereldtentoonstelling van 1883 op het Museumplein. Desondanks: Chinezen hebben de kans gegrepen andere wereldbewoners te ontmoeten.

54

Nu de Grootste En Duurste Wereldtentoonstelling Aller Tijden, het evenement dat Shanghai definitief heeft gevestigd als wereldstad, waar duizenden, nee tienduizenden hoog­ waardigheidsbekleders en miljoenen Chinezen een bezoek aan hebben gebracht, nu die Shanghai Expo 2010 op haar einde loopt, is het een goed moment om de balans op te maken. De belangrijkste conclusie is dat Shanghai de Wereldtentoonstelling als fenomeen gered van een gewisse dood. Voordat de Chinezen zich met de organisatie bemoeiden was de sinds 1851 bestaande traditie tanende. De Expo in Hannover van 2000 trok 18 miljoen nieuwsgierigen,

die van Zaragossa in 2008 nog maar 6 miljoen. Fors minder dan legendarische voorgangers als de Paris Exposition Universelle in 1900 of de New York World’s Fair 1964-1965, waarop minstens 50 miljoen zielen afkwamen .

Hindoestaanse tentoongesteld. Het weekblad Eigen Haard schreef een recensie. ‘Over het algemeen zijn zij vadsig en lui, en werken alleen als zij door de noodzakelijkheid daartoe worden gedwongen.’ De bezoekers in Amsterdam keken hun ogen uit.

een trofee hebben om mee te nemen naar hun vrienden en familie in de provincie. Veel Chinezen vinden de landenpaviljoens razend interessant: ze leren iets van landen, waar ze hoogstwaarschijnlijk zelf nooit naartoe kunnen.

Dat was het pre-google-tijdperk, waarin Wereldtentoonstellingen de enige mogelijkheid waren waarop de massa’s konden kennismaken met verre landen, nieuwe vindingen en andere volkeren.

Diezelfde onwetendheid verklaart een deel van het succes van Shanghai 2010. Voor veel Chinezen is de Wereldtentoonstelling de enige mogelijkheid om een buitenlander te ontmoeten. Witte en vooral zwarte Europeanen, Amerikanen en Afrikanen die over het Expoterrein rondstruinen, krijgen steevast het verzoek van Chinese bezoekers om samen op de foto te gaan – zodat ze

De Expo bracht uiteraard meer dan enkel bevrediging van volkse curiositeit. In talloze symposia, lezingen, ontbijtsessies en nationale dagen, deden de deelnemende landen hun best zo veel mogelijk ministers, CEO’s, burgemeesters en andere bobo’s in contact te brengen met hun Chinese evenknieën. Het Nederlandse paviljoen kreeg delegaties over de vloer van onder

Op de Amsterdamse Wereldtentoonstelling van 1883 stonden in circustenten 4 ‘boschnegers’, 9 ‘stadsnegers’, 15 ‘roodhuiden’ en 1


China heeft de wereld te gast gehad Foto boven: Bij de Belgen zijn diamanten en bonbons te koop.

meer de provincies Utrecht, ZuidHolland, Noord-Holland, NoordBrabant en Flevoland, de steden Amsterdam, Rotterdam, Groningen en Den Haag en talloze bedrijven, instituten, onderwijsinstellingen en anderen die op die manier kennis maakten met interessante Chinezen uit hun vakgebied. Wat het concreet heeft opgeleverd, moet nog blijken, maar de visitekaartjes zijn uitgewisseld. Op een heel ander niveau leidde de Expo tot een minder formele vorm van culturele uitwisseling. De website Exponights.com houdt de tientallen bruisende feesten bij ‘waar Haibao niet komt’, die zich ontpop-

pen als integratiesessies voor Expo-medewerkers uit alle hoeken van de planeet. Zo kwam de Salsa-avond in het Russische paviljoen pas van start toen het orkest van de Chilenen er een live-voorstelling ten beste gaf. Tijdens het Finse feest genoot het internationale gezelschap van wodka en een verkwikkende sauna. Wie de foto’s op de website ziet, kan niet anders dan concluderen dat de Expo Shanghai tijdelijk een internationale partycultuur heeft gebracht, die voorheen niet bestond. En dan de inhoud. De wereldtentoonstelling had als motto ‘Better City Better Life’ meegekregen. Het

was onvermijdelijk dat alle landen daarbij een andere invalshoek kozen. De Italianen vatten het op als een aanzet om Ferrari, Gucci en de Italiaanse keuken in het zonnetje te zetten, terwijl de Belgen bij een ‘better life’ meer dachten aan de verkoop van diamanten en patat. De Zwitsers bouwden een Alpenlandschap na en de Australiërs brachten een wervelende kindervoorstelling met lichteffecten. Nederland had zich van alle landen nog het beste aan de opdracht gehouden: het paviljoen Happy Street was in zichzelf een ingenieus stedenbouwkundig plan. De beste tentoonstellingen op de Expo vonden plaats in de bedrijvenpaviljoens en de themapaviljoens. In het Urbanian Pavillion toonden de ontwerpers van Kossmann-De Jong op magistrale wijze de verschillen en overeenkomsten in het dagelijks leven van zes stedelijke families op zes verschillende continenten. De mooiste uitvinding, een traditionele must tijdens de Wereldtentoon-

stelling, was te vinden in het paviljoen van Cisco Systems. De systeemontwikkelaar presenteerde het ‘nieuwe internet’: TelePresence, een gelikt communicatiesysteem dat alle woningen en bewoners in de nieuwe stad aansluit op een netwerk waarmee ze kunnen teleconfereren – met hun buren, de huisarts, de supermarkt of de overheid. Tot slot de gebouwen. Zodra de Shanghai Expo 2010 eind oktober de poorten sluit, moet het overgrote deel van de landenpaviljoens eraan geloven. Ook Happy Street wordt hoogstwaarschijnlijk verkocht als een berg oud staal. Maar daarover de volgende keer.


architectuurbeleid

pps / innovatie

Het Nieuwe Werken is hot. De Volkskrant wijdde er onlangs een hele bijlage aan. Op het omslag stond een kernachtige omschrijving: ‘werken waar en wanneer jij wilt’. Voor de Dienst Verkeer en Scheepvaart (DVS) van Rijkswaterstaat is het echter meer dan een modieuze trend. In de visie van de hoofdingenieur-directeur, Joris Al, is het Nieuwe Werken onontkoombaar – niet alleen vanwege de noodzaak om zijn dienst leniger en productiever te maken, maar ook door de aard van het werk. “Wij hebben een bijzondere opgave. Als makelaars in kennis vormen we de verbinding tussen de regionale diensten van Rijkswaterstaat – onze ‘klanten’ – en de kennisinstituten, zoals TNO en de technische universiteit. Dat brengt met zich mee dat onze mensen veel op pad zijn en dat ze vooral projectmatig werken. Ze moeten dus heel flexibel zijn. Het ene moment wordt er veel vergaderd, maar het kan ook voorkomen dat iemand zich een paar dagen wil afzonderen. Sommige medewerkers zullen erg ambulant

architectuur

Dienst Verkeer en Scheepvaart gooit roer om

Afscheid van de vaste werkplek

56

Binnenkort begint de aanbestedingsprocedure voor het nieuwe kantoor van de Dienst Verkeer en Scheepvaart van Rijkswaterstaat. Met het nieuwe gebouw wordt straks ook het Nieuwe Werken geïntroduceerd. Het moet een kantoor worden waar de medewerkers ‘tijd- en plaatsonafhankelijk’ kunnen werken. De eigen verantwoordelijkheid staat daarbij centraal.

Het huidige pand van de Dienst Verkeer en Scheepvaart staat nu leeg, in afwachting van sloop of herbestemming.

andere smaken Tekst: olof koekebakker Fotografie: levien willemse


Basis van het Nieuwe Werken is het vertrouwen dat de medewerkers wordt geboden. Dat brengt een andere manier van leidinggeven met zich mee. Al: “Medewerkers worden niet meer beoordeeld op hun aanwezigheid, maar op hun resultaten. Het accent komt daarmee te liggen op de afspraken die je met elkaar maakt.” Niet het navolgen van regels staat voorop, maar een zo groot mogelijke eigen verantwoordelijkheid. Het ligt voor de hand dat het Nieuwe Werken ook eisen stelt aan de huisvesting. Het klassieke kantoorconcept, waarbij iedereen een vaste werkplek heeft in een kamer aan een lange gang, is hiervoor nu eenmaal ongeschikt. De aard van de werkplek hangt immers af van de activiteit; voor het in alle rust werken aan een taak worden andere eisen aan de werkomgeving gesteld dan voor gesprekken, of voor activiteiten die regelmatig contact met collega’s vergen. Een kantoor dat is opgezet volgens de uitgangspunten van het tijd- en plaatsonafhankelijk werken biedt de medewerkers dan ook een ruime keuze aan werkomgevingen. Voor verreweg de meeste medewerkers zal dat met zich meebrengen dat ze geen vaste werkplek meer hebben. FLEXFACTOR

Voor het nieuwe gebouw vormt het Nieuwe Werken – naast duurzaamheid – dan ook het belangrijkste uitgangspunt. Het komt in Delft midden in de TU-wijk te staan, op loopafstand van zowel TNO als de gebouwen van de universiteit. Naast een verscheidenheid aan werkomgevingen – van besloten concentratieplekken tot informele overlegruimten en ontspanningsmogelijkheden aan toe – wordt een grote mate van openheid verlangd. Niet alleen intern, maar ook voor de externe partners van de dienst: de collega’s van de

regionale diensten van Rijkswaterstaat en de kennisinstituten waarmee intensief wordt samengewerkt. Maar op de vraag hoe deze uitgangspunten in een ruimtelijk concept kunnen worden vertaald moet het antwoord nog worden gevonden. Bestaande voorbeelden, zoals de hoofdkantoren van Interpolis, Rabobank en Microsoft, dienen als inspiratiebron, maar ze bieden geen kant-en-klare oplossingen die rechtstreeks kunnen worden overgenomen. Elke organisatie heeft immers specifieke verlangens. Zo vermeldt het programma voor het nieuwe gebouw van DVS een entreegebied waar de dienst zich aan de buitenwereld presenteert en waar ook voor bezoekers werkplekken beschikbaar zijn. Omdat van DVS relatief veel medewerkers op pad zijn, terwijl ook het thuiswerken wordt gestimuleerd, kan voor het nieuwe gebouw de flexfactor worden teruggebracht tot zestig procent. Dat wil zeggen dat het aantal werkplekken zestig procent is van het aantal medewerkers, omgerekend naar full time eenheden. Daarbij bevat de opgave voor het ruimtelijk concept nog een complicerende factor: er wordt naar gestreefd om medewerkers op maandagen en dinsdagen zo veel mogelijk in huis te hebben. Voor de ruimtedruk op die dagen zal dus een slimme oplossing moeten worden gevonden. Men zou bijvoorbeeld kunnen overwegen om voor extra werkplekken gebruik te maken van het bedrijfsrestaurant. PPS-CONSTRUCTIE

Voor de nieuwe huisvesting van DVS is gekozen voor publiek-private samenwerking (pps). Voor rijksgebouwen is dat al lang geen ongebruikelijke constructie meer. Wat deze pps volgens Jan Mutsaers, die als procesmanager van de Rijksgebouwendienst de aanbesteding begeleidt, bijzonder maakt is dat het Nieuwe Werken een centraal onderdeel van de opgave is. Het is dus aan de private partijen om de uitgangspunten van het Nieuwe Werken te vertalen in een concreet kantoor-concept. Naast het ontwerp en de bouw omvat het aan te besteden pakket ook de financiering, het beheer en

het verzorgen van de belangrijkste voorzieningen, zoals de receptie en beveiliging, het schoonmaken en de catering. Het is een vorm van pps die wordt aangeduid met DBFMO: design, build, finance, maintain, operate. Het contract zal een looptijd hebben van vijftien jaar. Overigens blijven de grond en het gebouw in handen van de Staat. Op de locatie voor het nieuwe kantoor staat nu een leegstaand kantoorcomplex, dat tot voor kort ook door Rijkswaterstaat werd gebruikt. Het staat nog niet vast dat de huidige bebouwing in haar geheel wordt vervangen door nieuwbouw; de mogelijkheid van – al dan niet gedeeltelijke – renovatie is onderdeel van de opgave. De aanbesteding omvat zo veel verschillende onderdelen, dat het vrijwel ondenkbaar is dat die allemaal door één bedrijf kunnen worden uitgevoerd. Naast een architectenbureau zullen ook bedrijven op het gebied van kantoorconcepten, duurzaamheid en het bieden van facilitaire diensten moeten meedoen. Voor de aanbesteding wordt

daarom niet gezocht naar individuele ondernemingen, maar naar samenwerkingsverbanden. Daarbij zal de kans op succes sterk afhankelijk zijn van een management dat krachtig genoeg is om de werkzaamheden van al die verschillende partijen goed op elkaar af te stemmen. Daarom is ervoor gekozen om in het selectieproces ook uitdrukkelijk kennis en ervaring op het gebied van projectmanagement te vragen. De aanbestedingsprocedure gaat binnenkort van start en zal door­ lopen tot in 2011. Als alles volgens schema verloopt, zal in 2012 met de bouw worden begonnen en zal de Dienst Verkeer en Scheepvaart zijn nieuwe onderkomen twee jaar later kunnen betrekken. Het Nieuwe Werken, waarmee al in het huidige gebouw van DVS een begin wordt gemaakt, zal zich dan in zijn volle breedte kunnen ontplooien.

57

zijn, anderen blijven voornamelijk hier. Bijvoorbeeld om een concept voor dynamische snelheden op de snelweg te ontwerpen. Voor zulke research and development-achtige functies zitten ze soms weer langer achter een pc.”


58

stedenbouw

‘Rijkswaterstaat moet tonen dat ze het goed voor elkaar heeft’

monumenten

architectuur

architectuurbeleid

kunst

onderwerp


‘De burger moet trots zijn als hij van A naar B rijdt’

architectuurbeleid

andere smaken Tekst: jaap huisman Fotografie: levien willemse

Bij de Afsluitdijk werken jullie samen met de Rijksbouwmeester. ‘Wij werken überhaupt samen met de Rijksbouwmeester als het gaat om grote vormgevingsvraagstukken.’ U noemde de verbinding Almere-Amsterdam. Er is een enorme discussie gaande of

Specialisaties

U bent sinds februari dg Rijkswaterstaat. Waar bent U specialist in? ‘Ik heb HTS weg- en waterbouw en economische bedrijfstechniek gedaan, daarna rechten. Het eerste jaar heb ik ook geroken aan

bouwkunde, maar weg- en waterbouw is mijn specialisatie.’ Moet iemand die Rijkswaterstaat leidt, die vaardigheid hebben? ‘ Ik zal niet zeggen dat het perse nodig is maar een technische studie is wel een pre.. Het is voor mij belangrijker dat ik achter de tekentafel begonnen ben en allerlei stappen in het bedrijf gemaakt heb, zodat ik de organisatie goed ken. Dat helpt enorm. Je kunt sneller acteren. ‘ ‘Ik ben er vier jaar uit geweest, zat bij het directoraat-generaal mobiliteit. Toen ik terugkeerde, zag ik dat het huis behoorlijk was verbouwd. Ik ben nu in de positie om daar verder leiding aan te geven.’ Wat is er dan nu anders bij Rijkswaterstaat? ‘Rijkswaterstaat heeft een enorme slag gemaakt om zich te richten op de gebruiker. De weginspecteurs zijn veel meer geconcentreerd op de netwerken. Dat geldt ook voor de vaarwegen. De oriëntatie is nu klantgericht, wat ik een enorme

architectuur

en hoe die door het Ijmeer moet lopen. ‘Ja, de tunnel of de combinatie brug-tunnel, maar ik heb het hier over de verbreding van de bestaande weg, waarbij het niet over het IJmeer maar om het Naardermeer gaat. Dat is een natuurmonument met ook nog eens een hoge symboolwerking, vandaar dat is gekozen voor een verbreding van de Gaasperdammerweg. De verbinding door het IJmeer betreft spoor of een spoor-weg combinatie, maar of die er komt, is nog niet zeker. De positieve intenties zijn getekend, maar er moet verder gestudeerd worden op de bussiness case . Daarbij zal alle creativiteit uit de kast worden gehaald. Als het onverhoopt toch te duur wordt, staat het principe weer ter discussie.’

stedenbouw

Rijkswaterstaat heeft een volle agenda gehad de laatste jaren met de HSL, de Betuweroute, de verbreding van de A2, de verhoging van de rivierdijken. Zitten er dan nu nog wel grote krenten in de pap? ‘Nou dat zijn er genoeg. Laat ik er twee noemen, ‘nat’ en ‘droog’. Wat te denken van de hele wegenstructuur van Amsterdam, Schiphol en Almere? Dat is een miljardenproject. Giga. Bovendien is het een druk gebied, dus qua uitvoering nogal heftig. Zelfde geldt voor de wegenstructuur rond Utrecht, waarover het vorige kabinet een besluit heeft genomen. Verder zijn we bezig met de tweede Maasvlakte en de aanpassing van de Afsluitdijk aan de stijgende zeespiegel.’

59

Sinds 1 februari is Jan Hendrik Dronkers de nieuwe directeur-generaal van Rijkswaterstaat, opvolger van Bert Keijts die naar woningbouwvereniging Portaal is vertrokken. Dronkers is ‘groot geworden’ in de organisatie, maar zat vier jaar bij het directoraat mobiliteit. Tijdens de kabinetsformatie is hij druk doende informatie te verstrekken over onder andere kilometerheffing en andere actuele vraagstukken. Want de weg gaat ons allen aan het hart.

techniek ingenieurskunst

Jan Hendrik Dronkers, directeur-generaal Rijkswaterstaat:


techniek ingenieurskunst

60

stedenbouw

architectuur

architectuurbeleid

‘Bij de klimaatdiscussie gaat het niet om het verleden maar om de toekomst’

verbetering vind. Dat zie je terug in de tevredenheidscijfers, die verbeterd zijn. Het tweede punt waardoor ik positief verrast ben, is dat de relatie met de markt professioneler is geworden. We kijken meer hoe we de markt optimaal kunnen inzetten voor de maatschappelijke opgave, bijvoorbeeld door nieuwe contractvormen. De markt, dat zijn niet alleen de grote aannemers, maar ook het midden- en kleinbedrijf.’ Er is dus een parallel te trekken met de Rijksgebouwendienst die ook meer en meer werkt met dbfmo-contracten. ‘Wij spreken meer over dbfm-contracten omdat infrastructuur een collectief goed is en niet wordt geëxploiteerd, dus geen “Operate” aspect heeft, zoals gebouwen. Maar het klopt, de ontwikkelingen lopen gelijk op. Het is goed denkbaar dat de nieuwe sluis in IJmuiden via een dbfm-contract wordt aanbesteed.’ Beschikbaarheid

Hoe valt de post maintain/onderhoud bij infrastructuur te controleren waar het bij uitstek gaat om lange termijn-projecten?

Bij zo’n sluis bijvoorbeeld? ‘Het gaat om een bepaalde techniek. Dan zijn de onderhoudsintervallen wel bekend. Er zijn specificaties die ervoor zorgen dat een object in een goede conditie blijft. Wij betalen voor de beschikbaarheid van het object als er een dbfm-contract is afgesloten. De aannemer moet er met andere woorden voor zorgen dat het object beschikbaar is en blijft. Dus als je een slechte staat van onderhoud hebt, heb je een verminderde beschikbaarheid en kun je de aannemer daarop aanspreken.’ Valt de Afsluitdijk onder onderhoudswerk? ‘Nou nee. Daar is de noodzaak de verhoging van de zeespiegel. Je praat eigenlijk over een vernieuwde Afsluitdijk.’ U werkt hierin samen met het College van Rijksadviseurs. Hoe verloopt die samenwerking? ‘Die verloopt goed. We hebben er regelmatig gesprekken over om ervoor te zorgen dat we met de architectuur en infrastructuur in Nederland voldoen aan de eisen die een modern land aan zichzelf mag stellen. Hoewel je het steeds mooier kunt maken, is het ook een kwestie van financiën. Je bent afhankelijk van de middelen. De kennis hebben we zelf ook wel, maar ik vind het goed dat er vanuit de totaliteit naar wordt gekeken. Dat leidt af en toe tot stevige gesprekken.’ ‘Kijk, de aannemer krijgt ook steeds meer ruimte en kansen om te ontwerpen. Wij volgen van dag tot dag het ontwerp, zal ik maar zeggen. Dan praat ik niet over de karakteristieken die je bijvoorbeeld aan een A2 meegeeft, want dat kun je ook protocollair vastleggen. Je wil dat aan bepaalde eisen voldaan wordt, zodanig dat de burger trots is als hij van A naar B rijdt, op wat er in het land gebeurt.’ Vindt u de dbfm-praktijk een vooruitgang? ’Als het een achteruitgang zou zijn, zouden we het niet doen. Dat het absoluut een vooruitgang is, kan ik makkelijk uitleggen. Vroeger deden we het volgende: we ontwierpen,

waarna de aannemer het uitvoerde. Het onderhoud namen we op in een apart contract. Door de aannemer de vrijheid te geven bij het ontwerpen, te bouwen en te onderhouden, kun je de productiecyclus optimaliseren. Dat laat je door een partij doen. Dus het is mogelijk aan efficiency te winnen door de keten te verbreden. Ik plaats er een kanttekening bij. Het object moet wel al die jaren dezelfde functie houden. Zodra een functie van een object fundamenteel verandert is dbfm niet geschikt. Dat geldt volgens mij ook voor de objecten van de Rijksgebouwendienst.’

heftig. Ik voorzie in de toekomst dat Nederlandse aannemers eerder in combinatie met buitenlandse bedrijven zullen samenwerken. Bij bijna alle consortia die hebben meegedongen in de aanbestedingen van de dbfm-projecten A12 Lunetten – Veenendaal en A15 Maasvlakte – Vaanplein waren buitenlandse bedrijven betrokken. Wat Nederland anders maakt dan andere Europese landen, is enerzijds de slappe ondergrond, anderzijds de regelgeving en de opstelling van de overheid. Verder kan iedereen het kunstje doen.’

Maar een stuk infrastructuur verandert toch nooit van functie? ‘Wel als je kijkt naar het benutten van het object. Verkeersmanagement is sterk aan verandering onderhevig.

Rijkswaterstaat is belast met verschillende infrastructurele netwerken. ‘Ja, we hebben vaarwegsysteem, het watersysteem en het wegensysteem.’

Hoe en wanneer besluit U een project via dbfm uit te voeren? ‘Daar heb je afwegingsmechanismen voor, de public private comparitor. Dit is een rekenmodel om te bepalen welke contractvorm het meest geschikt is. Zo bereken je of de contractvorm efficiënt genoeg is. We streven ernaar de markt uit te dagen en zo liefst een beter product te verwerven. Je moet het wel van keer tot keer afwegen.’ Transactiekosten

Kan die markt dat aan? ‘Omdat je de hele keten aanbesteedt, moet je goed nadenken of ze het wel of niet aan kunnen en onder wat voor soort condities. De transactiekosten, de kosten om zich in te schrijven, zijn voor aannemers relatief hoog. Dus als ze het niet worden, hebben ze een flinke tik opgelopen. Zodra je een groot contract aanneemt, zul je daar meer kosten aan kwijt zijn dan als je het in kleine delen opknipt.’ Zijn er al buitenlandse marktpartijen actief? ‘Het mooiste voorbeeld is de HSL-Zuid waarvan de tunnel door een Franse aannemer is aangelegd. Je ziet dus wel dat het buitenland oprukt, maar het is nog niet heel

Zijn die allemaal even belangrijk? ‘Ja.’ Ook even zorgelijk? ‘Ik denk niet zozeer in zorgen.. Ik word er niet gelukkig van als je weet wat er allemaal voor risico’s zijn Ook bij risicomanagement gaat het om wat je aan de risico’s kunt doen. Lawaai

Laten we het eens over het snelwegennetwerk hebben. Geluidschermen, gaan jullie daar ook over? ‘Het antwoord is ja.’ Heeft het geluidscherm zijn langste tijd gehad, denkt U? ‘Het zou mooi zijn als we weer een keer zonder zouden kunnen, maar dan moeten we het lawaai eerst bij de bron, het verkeer, weghalen. Dat betekent dus stillere banden, waar fabrikanten al aan werken, en een stiller wegdek. Tot dusver is het nog niet mogelijk met die combinatie de geluidsnormering te halen.’ Dat zou toch een enorme kostenbesparing opleveren? ‘Zeker, dat is ook zo. Maar fluisterstil asfalt is ook hartstikke duur. Zover zijn we nog niet. Je merkt ontwikkelingen, zoals de opkomst van de elektrische auto, wat ook veel scheelt.’


Er zijn inmiddels wel mooie schermen geplaatst aan de A2 bij Eindhoven, maar je maakt het landschap wel onzichtbaar voor de automobilist. ‘Mee eens.’ Jullie willen natuurlijk zoveel mogelijk bouwen. ‘Nee, wij zijn geen bouwonderneming. Wij willen de netwerken zo goed en zo modern mogelijk tot stand brengen en runnen. En ik zou zeggen met zo min mogelijk spullen.’ ‘Vergis je niet dat Rijkswaterstaat een grote afslanking achter de rug heeft. Er zijn 3000 mensen uit. Dat heeft ertoe geleid dat het ontwerp dat we vroeger zelf deden, aan de markt overlaten. Dat betekent niet dat we geen kennis meer hebben, want je moet wel een deskundig opdrachtgever zijn en blijven.’ De klant

Rijkswaterstaat is klantvriendelijker geworden, zei U al. Wie is de klant? ‘U, of rijdt u nooit met de auto?’ Auto en trein. ‘Multimodaal. Prima. In de opbouwfase na de Tweede Wereldoorlog hanteerden we het motto dat we veel goeds in stilte wilden doen. Toen er in de jaren zestig en zeventig een milieucomponent bijkwam, zijn we dat gaan integreren. Zo is een systeemdenken op gang gekomen, van de waterhuishouding tot en met de wegen. Dat past bij de moderne tijd. De geëmancipeerde burger wil weten wat wij van zijn belastingcenten doen, wil weten wat de dienst Rijkswaterstaat voor hem betekent. Krijg ik goede informatie als ik van A

naar B ga? Als we werkzaamheden uitvoeren, staat er een bord waarom men hier zachter moet rijden en hoe lang dat gaat duren. Mensen willen gewoon geserviced worden, dat is onze taak. Daarom is zo’n 0800-nummer zo belangrijk omdat het zo snel mogelijk antwoord geeft op een vraag.’ Ik dacht dat de ANWB jullie klant was. ‘Nee, het is ook geen controleur, het is een instantie waar we graag mee samenwerken omdat er ideeën leven over mobiliteit. Ze houden ons scherp. Dat ze een enquête organiseren over de kilometerheffing, kan bijdragen aan de discussie. Dat kan met meer onderwerpen, maar dit is toevallig in het oog gelopen omdat het maatschappelijk omstreden is.’ U bent zelf ook weggebruiker. Reageert U vanuit die positie wel eens? ‘Toen ik in deze rol kwam, zei de verkeerscentrale ‘we hebben er een weginspecteur bij’. Niet dat ik nu elke dag zit te bellen als ik op de weg zit, maar als ik iets onbegrijpelijks zie, doe ik dat wel. Toen ik een keer op de A15 reed, stond daar telkens een auto, waarvan ik me afvroeg of die elke dag werd neergezet en waarom die anders niet werd weggesleept. Daar ga ik dan gelijk achteraan. Laatst was een stukje belijning niet afgemaakt dat de automobilist duidelijk moest maken dat hij van 3 naar 2 rijstroken ging. Dat rapporteer ik. Men is direct aan de slag gegaan. Ik vind het van belang dat het wegbeeld voor de gebruiker uitlegbaar is. Mensen moeten een beeld krijgen dat Rijkswaterstaat het goed voor elkaar heeft, zodat ze het gevoel krijgen dat er fatsoenlijk met hen wordt omgesprongen.’ ‘Een belangrijk onderdeel is de informatieverstrekking op de portalen boven de weg die de verkeersintensiteit vermelden. Het is van belang tijdig te informeren dat de snelheid omlaag moet omdat je dan een veel betere geleiding van de verkeersstroom krijgt. Zo kun je ook automobilisten van de A12 naar de A18 omleiden als daar zoveel file staat. Mensen kunnen dan kiezen en

iemand bellen dat ze een kwartier later zullen zijn. Dat is de service en informatie die je biedt. Men kan beter anticiperen op de problemen op de weg, wat ook weer de veiligheid ten goede komt.’ Portalen worden op termijn toch overbodig door tomtom en gsm? ‘Je ziet dat serviceproviders informatie aan hun klanten geven. Maar wat tomtom niet kan is doen is snelheidslimieten bepalen. Ge- en verboden toepassen, dat is iets van de overheid. Samenwerking is belangrijk en daarin proberen we elkaar maximaal te ondersteunen.’ Dijken en rivieren

Genoeg over de snelwegen. Over naar de waterhuishouding, de rivieren. Is de verhoging van de dijken voltooid? ‘Nee, we zijn nog volop in de uitvoeringsfase. Dan komt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het deltaprogramma volgend jaar ook naar ons toe.’ Bent u niet stiekem benieuwd of dat programma werkt, berekend is op grote hoeveelheden water? ‘Dat is modelmatig zo goed bekeken, dat het wat mij betreft niet meteen hoeft. We moeten een bepaalde afvoer wel aankunnen. In die zin is het wel leuk om te zien of het echt werkt. De maxima, de topafvoer, zijn voor de pers altijd spectaculair. Ik ben ervan overtuigd dat we het redden. Wij zijn hier niet zomaar op de tast bezig.’ Over de mate van stijging van de zeespiegel zijn de berichten heel tegenstrijdig. De een vindt dat het meevalt, de ander waarschuwt voor de consequenties. Op welke voorspelling vertrouwt U? ‘De discussie gaat niet over het verleden maar over de toekomst. Bij het klimaat hangt alles met alles samen, zodat het moeilijk is de gevolgen precies te voorspellen. In de wetenschap bestaan er altijd meerdere stromingen. Dat het klimaat zich wijzigt, staat inmiddels wel vast, over de omvang en uitwerking verschillen de meningen. Ik volg de aanbevelingen van de commissieVeerman. De essentie van het

rapport is: ‘ga nou niet zitten wachten tot de ontwikkelingen zich voordoen, neem de juiste maatregelen op tijd. Het gaat om een permanente zorg en aandacht. Dat vind ik een handige, nuchtere toekomstgerichte manier van aanpak. Kijken naar het verleden is zinloos. We hebben na 1953 de veiligste delta ter wereld geschapen, maar of dat in de toekomst ook zo is….’ Wat vindt u van het boek van Metze van Rijkswaterstaat? ‘Het eindresultaat is een openhartig en leerzaam boek dat een interessant beeld geeft van ons veranderproces, beschreven vanuit de optiek van een kritische onderzoeksjournalist.’ En wat is daar intern verder mee gedaan? Heeft het effecten gehad in en op de organisatie? ‘Rijkswaterstaat is een lerende organisatie diealtijd kritisch naar de eigen organisatie en het veranderingsproces kijkt. Metze schrijft daarnaast over het verlies van kennis bij Rijkswaterstaat. Ik deel die zorg. Ik vind kennis een cruciale productiefactor voor overheids-uitvoeringsorganisaties. Dat geldt al helemaal voor een kennisintensieve dienst als Rijkswaterstaat. Mede door het veranderingsproces en de vorming tot agentschap heeft Rijkswaterstaat een andere positie gekregen , daardoor moest de hele kennisstrategie en kennismanagement op de schop. Het is nu helder in kaart gebracht welke kennis en competenties in de organisatie voor handen zijn, en welke andere we moeten borgen, binnenhalen of ontwikkelen om onze ambities de komende jaren te kunnen waarmaken. Onze nieuwe kennisstrategie is in september gepresenteerd in het boekje “greep op kennis”en daar gaan we de komende tijd volop mee aan de slag.

61

Dus zo rond 2020/2025 zijn we van de geluidschermen af. ‘Neeeee, ik snap dat je dat graag wil schrijven, maar je kunt nog te maken krijgen met de verscherping van de geluidsnormering . Fijnstofnormering lijkt een tijdelijk probleem. Dat gaan we op Europees niveau wel halen. Ik hoop dat het voor geluidhinder ook lukt. Als de motoren stiller worden, net als de banden en het asfalt, komen we in de buurt….Ik geloof dat U geen fan bent van geluidschermen, hoor ik wel.’


onderwerp kunst

andere smaken

architectuur

Tekst: sander grip Fotografie: prorail

Beperkte ingrepen maken haltes tot aangename wachtplaatsen

Het wordt prettig wachten op het kleine station

62

stedenbouw

Extra comfort voor vele duizenden reizigers en toonaangevende architectuur. Wie dat hoort, denkt even niet aan stations als, pak hem beet, Den Helder Zuid, Wolvega of Tilburg West. Toch zijn het juist twintig van dit soort stations die in het project Prettig Wachten op de schop gaan. Want de forens verdient meer dan een kaal perron in de snerpende wind.


Wat is het idee? Van de grofweg 400 stations in Nederland is het merendeel een kleiner station met een paar honderd tot enkele duizenden reizigers per dag. ‘Op deze stations veranderde veel de laatste jaren. De vervoerders hebben de loketten gesloten. Voor werknemers in plaats kwamen alarmzuilen en kaartautomaten. Een snoepautomaat verving de winkel. Soms staan die stations ook in ongure buurten met vandalisme als dagelijkse praktijk tot gevolg.’ Het is zielloos en soms onprettig geworden, wil Krumm maar zeggen. Voor de reiziger, op dit soort stations veelal van het type forens dat komt en snel weer weg wil, hoeft er niet veel te zijn. Maar het is intussen wel heel karig geworden. En daar gaan ProRail en NS Poort samen met vervoerders, het ministerie van Verkeer en Waterstaat en betrokken gemeenten wat aan doen. Met een bijdrage uit het Actieplan Groei op het Spoor worden deze stations omgevormd tot plekken waar je aangenaam vertoeft terwijl je op de trein wacht. ‘De technisch-rationele blik die we tot voor kort hadden, doet geen recht aan de reizigers. We hebben de natuurlijke neiging onze blik te richten op toonaangevende terminals als Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Arnhem. Maar daar hebben we er een paar handenvol van. De rest van ons land, dat zijn de kleine en middelgrote stations. Dat zijn een soort light terminals, waar de bus onder het spoor stopt en de

Specifieke aandacht

Een goed voorbeeld van wat ProRail niet meer voor ogen heeft, is de standaard grote stalen bank. Met de beste bedoelingen ontworpen en op zich een goed ding. ‘Hij is weersbestendig en hufterproof. Als je ‘m ingraaft, komt hij over honderd jaar tiptop in orde weer uit de grond. Rationeler kan het niet.’ De meer klantvriendelijke aanpak wordt nu omarmd. Niet omdat de oude aanpak slecht was, benadrukt Krumm: ‘We hopen het vandaag de dag gewoon anders te doen. De keuzes van vroeger zijn in die tijdgeest begrijpelijk. Voorzieningen zijn teruggeschroefd, bijvoorbeeld als reactie op vandalisme of als gevolg van sluiting van loketten. Je kunt nu constateren dat we daarin wellicht te ver doorgeschoten zijn.’ Wie kijkt naar de stations die in het plan opgenomen zijn, moet consta­teren dat het vaak heel simpel is om met kleine ingrepen een aangename plek te creëren. ‘Ongeveer twintig stations verspreid over het land zijn in overleg met vervoerders en beheerders geselecteerd. Dat zijn geen stations waar het gaat om één of twee abri’s bijplaatsen of de lift repareren. We zijn met Spoorbouwmeester Koen van Velsen om tafel gaan zitten en hebben voor elk station een architectenbureau uitgenodigd. De vraag aan hen was: kijk eens door de bril van de reiziger naar mogelijke verbeteringen. Hoe simpel het kan zijn!’ Krumm pakt het boek van station Den Helder Zuid van de stapel en slaat hem open. Een lang perron waar ’s ochtends 950 mensen staan te wachten op de trein naar Alkmaar en vijftig op die naar Den Helder. ‘Die 950 staan met hun snufferd vol in de wind. Dus vroeg de man van landschapsarchitectenbureau Karres en Brands: waarom draai je die perrons niet om? Staan nog maar vijftig mensen vol in de wind. Maak

een mooie beschutting langs het perron en je bent klaar. De eerste reactie was: dat het niet kan. Want dan moet de reiziger langer lopen en de bus vertrekt twee minuten na aankomst van de trein. Een telefoontje met provincie en busmaatschappij Connexxion verder en het was geregeld. In december, als de nieuwe dienstregeling van start gaat, is de situatie omgedraaid. Door de omvang van de vervoersbedrijven denk je niet meer aan dergelijke eenvoudige communicatie. Terwijl je daarmee alle problemen oplost en de reiziger straks prettig kan wachten.’

onderwerp

chauffeur nog op je wacht, je fiets naast het station staat en je vrienden en collega’s ontmoet bij aanvang van de werkdag. Het zijn, met andere woorden, evengoed reizigerscentra.’

Rondvliegen

Of neem station Rijswijk; een lange donkere tunnel met twee enorme ingangen aan de verre einden van de perrons. De reiziger is gedesoriënteerd als hij beneden staat, met een vervaarlijk fffwoef-fffwoef-fffwoef schieten de intercitytreinen door de tunnelbuis en de reiziger weet niet waar zijn trein zal stoppen. Hef één uitgang op en concentreer de voorzieningen op de andere plek. Dat is zoveel duidelijker, meende bureau Hollandse Nieuwe. Nu komt Krumm echt op stoom. Hij pakt weer een boekwerkje. Het plaatje verraadt een lang perron met de ene helft aan de ene kant van de auto­weg en de andere helft aan de overkant. ‘Dit is Tilburg West. Fokkema Partners ging tekenen en gaf als oplossing: plaats alle voorzieningen centraal, dus daar waar de autoweg het station doorsnijdt. Maak van de liftschacht een landmark om het station te laten opvallen. Zorg voor een plein aan beide zijden met lekkere, felgekleurde zitelementen die zich om de centraal geplaatste fietsenstandaards krullen. En zie daar. Een wereld van verschil.’ De stationsnamen vliegen inmiddels door de kamer. Amsterdam Muiderpoort, dat rommelig, kleurloos en slecht herkenbaar is. Venhoeven CS stelt voor de perronkap open te werken om meer daglicht te laten binnenvallen, een overdekte en verwarmde wachtruimte en een betere herkenbaarheid aan de buitengevel door het talud met

planten te bekleden. Het nu identiteitloze Den Haag Moerwijk waar wachthuisjes boven de perronopgangen, groenperken en een heringericht voorplein de aanblik zal veraangenamen. Of Boxmeer, waar Merkx + Girod het gebouw herinrichten en tegelijk betere verlichting en extra zitgelegenheid willen aanbrengen. Het zijn dergelijke eenvoudige ingrepen in combinatie met serieuze architectuur van bekende bureaus die Prettig Wachten tot zo’n verrassend mooi plan maken. Krumm: ‘Het is allemaal niet hoogdravend maar ik ben er zeker van dat dit bijdraagt aan een enorme stijging van de waardering die reizigers voor de desbetreffende stations hebben. Ik zie ook een enorme toename in reizigers op stations die door regionale vervoerders bediend worden. Zij geven de reiziger aandacht; de reiziger betaalt dat terug met een veel grotere opkomst.’ Krumm vindt het een genot bureaus als Studio Makkink en Bey, NL. Architects, Onix, MVRDV en VMX Architects aan het werk te zien: ‘Het is iedere keer een verlokking te zien hoe zij naar ons domein kijken. Zij zijn in staat de stations te transformeren van winderige, onaangename plekken tot plezierige kleinoden.’ Het moet de reiziger als muziek in de oren klinken.

63

Peter Krumm kan er niets aan doen. Nog voor hij gaat zitten in zijn kantoorkamer, spuit hij al een stortvloed aan informatie. Hij wijst naar een stapel boekwerkjes met stalen ringband en transparante kaft; typische architectenboekjes met plannen. Na twee minuten Krumm ben je bezeten van hetzelfde enthousiasme. Terecht; het project Prettig Wachten dat zijn werkgever ProRail in het kader van het Actieplan Groei op het Spoor samen met de partners in railland uitvoert, is om van te smullen.


nieuwvbouw

andere smaken Tekst: Anka van Voorthuysen

Maar de vraag is of Den Haag het kan betalen

Visies op Cultuurforum van uitzonderlijk niveau

64

stedenbouw

architectuur

De selectiecommissie die zich bezighoudt met de architectenkeuze voor de nieuwbouw van een dans- en muziekcentrum aan het Spuiplein in Den Haag, heeft drie bureaus uitgekozen die hun visie uit mogen werken. Het gaat om twee Nederlandse bureaus: Neutelings Riedijk en Rau, en het in Londen gevestigde Zaha Hadid Architects. De drie geselecteerde bureaus voeren momenteel gesprekken met de toekomstige gebruikers van het toekomstige Cultuurforum en presenteren half oktober een structuurontwerp voor de selectiecommissie. Eigenlijk waren álle 16 ingediende visies van uitzonderlijk hoge kwaliteit, zegt Jet de Ranitz, zakelijk directeur van het Nederlands Dans Theater, die namens de huidige ‘bewoners’ van het complex in de selectiecommissie zit. Bij de beoordeling heeft de commissie extra aandacht gegeven aan de inpassing in de stad, de relatie met het Spuiplein, duurzaamheid en de kosten. Dat waren ook zaken waar burgers, middels een enquete, van hadden laten weten dat ze die aspecten belangrijk vonden. De Ranitz: ‘We hebben gezocht naar drie visies die onderling behoorlijk van elkaar verschillen.’ In het ontwerp van Neutelings Riedijk roemt de commissie de indeling van het gebouw: in het midden de theaters (het ‘uitvoeringshuis’), aan de buitenkanten het ‘werkhuis’ (de kantoren) en het ‘publiekshuis’ (de foyers). ‘Publiek dat met de roltrap naar boven gaat vangt glimpen op van artiesten die aan het repeteren zijn. Die zien op hun beurt hun publiek binnenkomen. Interessant.’ Thomas Rau plaatst alle theaters aan de kant van het Spuiplein, en ‘toont zo echt de kunst aan de stad’. Ook de publieke ruimtes zijn op die kant

georiënteerd. Kantoren en repetitieruimtes bevinden zich aan de achterkant en de zijkant van het ontwerp. Het ontwerp van Zaha Hadid is onvergelijkbaar met de twee anderen, ‘totaal iets anders’, vindt De Ranitz. ‘Een gebouw als een dansende sirene, een iconisch gebouw dat intrigeert.’ De architecten zijn ingenomen met de mogelijkheid om met de gebruikers van gedachten te kunnen wisselen: ‘die input waarderen ze zeer.’ Elk uitgekozen bureau krijgt 50.000 euro om tot een structuurvisie te komen. ‘De ervaring is dat bureaus er veel meer tijd in steken dan waar wij voor betalen.’ De Ranitz vindt het moeilijk in te schatten hoe groot de kans is dat één van deze ontwerpen werkelijk gebouwd gaat worden, gezien de veanderde samenstelling van de Haagse gemeenteraad, ‘maar meer nog vanwege de recessie. Misschien moet het slimmer, slanker en goedkoper. Of moeten we kijken waar we meer middelen vandaan kunnen halen.’ Het College heeft bepaald dat de procedure in elk geval afgemaakt wordt. Begin november zal de selectiecommissie één kandidaat voorstellen, eind dit jaar moet de raad zich dan uitspreken over het voorstel. Als gebruiker van het huidige complex ervaart De Ranitz dagelijks dat het gebouw echt ‘op’is. ‘Je kunt de Philipszaal rood verven en dan ziet het er weer even frisser uit, maar het zijn allemaal lapmiddelen. Het gebouw voldoet niet voor de mensen die er werken, en ook niet meer voor het publiek. Dit was 22 jaar geleden The State of The Art, nu houden we de boel met plakband en lipgloss bij elkaar.’ Van boven naar onder: – Neutelings Riedijk Architecten / Kirkegaard Associat – RAU – Zaha Hadid Architects


expo- en boeken rubriek

expo en boeken

Foto links: Wolkenlandschap in het Arsenaal. Rechts: kunstmatig landschap in het Nederlandse paviljoen.

Architectuur Biënnale Venetië De Architectuur Biënnale duurt nog tot 21 november.

andere smaken Tekst: jaap huisman

People meet in Architecture, dat is de weinig uitnodigende van de 12e Architectuur Biënnale van Venetië die voor het eerst door een vrouwelijke curator werd samengesteld. De Japanse architecte Kazuyo Sejima heeft zo het persoonlijke aspect verbonden aan een algemene ‘state of the art’. De stand van zaken is er een van zorg: over de hele wereld, China wellicht uitgezonderd, verkeert de bouw in een crisis, kampen steden met een leegstand die vermoedelijk nooit meer overgaat en missen jonge architecten een uitdaging. Wat te doen bij zo’n stagnatie? Ruimtelijke concepten maken die meer neigen naar beeldende kunst dan naar architectuur. Venetië zit er dit jaar vol mee. Dat levert wel een van de interessantste biënnales op, omdat je als toeschouwer niet verveeld wordt met eindeloze maquettes , axonometrieën en plattegronden. De verbeelding wordt dankzij Sejima aan het werk gezet. We komen tot rust in een middeleeuws soundscape of raken verdwaald in de wolken waar we via een spiraaltrap in verzeild zijn geraakt. De kernvraag waarvan de hele biënnale doortrokken is, is wat te

doen met zoveel leegstand. Rem Koolhaas zei tijdens de opening dat het westen zich dringend moet gaan bezinnen op het erfgoed. Wat krijgt een herbestemming en wat niet? Er zal geselecteerd moeten worden. De opgave ligt volgens Koolhaas (maar ook volgens Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol) in de bestaande stad, niet in het doorgaan met stadsuitbreidingen. In de hoofdzaal van de Giardini blikte Koolhaas nu eens terug in plaats van vooruit. Wat voor veranderingen heeft Dubai, onder meer dank zij zijn bureau, de afgelopen tien jaar ondergaan? Hoe heeft de opgave in Zuid-China eruitgezien waar steden zijn veranderd in metropolen? Het verleden dreigt ons te ontglippen, leek Koolhaas het publiek voor te houden. Zijn memorabele villa in de buurt van Bordeaux – met een bewegende kern – werd al drie jaar na de voltooiing uitgeroepen tot monument. En toen overleed de (invalide) opdrachtgever/eigenaar. Sindsdien staat de villa met het hoogst persoonlijke handschrift leeg. Nederland presenteert zich in het eigen paviljoen van Rietveld op zijn sterkst. Vacant NL heet de expositie. Als je het paviljoen betreedt, is het leeg want staat er op de gevel ‘dit gebouwtje wordt al dertig jaar niet gebruikt’. Niet helemaal waar natuurlijk, want het komt elk jaar een paar maanden tot leven. Rietveld Landscape heeft op verzoek

van het NAI het vacuüm ingevuld met een plafond van blauw piepschuim. Wie naar boven loopt, via een geïmproviseerde trap, ziet de keerzijde: een overvol lichtblauw Nederlands landschap met een zee aan gebouwen die leeg staan of leeg komen te staan. Molens, gemalen, kantoren, monumenten, het is een eindeloze rij. Op de muur worden ‘jonge’ monumenten en tamelijk recente gebouwen gekoppeld aan een netwerk van beslissers die zich kunnen uitspreken over hun lot. Welke bestemming kan de Shelltoren in Amsterdam redden? En wat te doen met sommige ministeries als die worden verlaten? Het kunstenaarscollectief Rotor laat in het Belgisch paviljoen zien wat de consequenties van leegstand zijn. Dat zijn de uit hun omgeving losgeweekte traptreden, heugafelttapijten, de zitjes uit de wachtkamer, de balustrades en het versleten parket. Op de muur gehangen zijn het net abstracte moderne schilderijen. Het is onthutsend wat de mens sloopt en wegdoet na een gebruik van tien, vijftien jaar. Niks is zo kortademig als interieurarchitectuur, is de conclusie die je zou kunnen trekken. Of is het de tuin- en landschapsarchitectuur? In een hoek achter het Arsenaal heeft Piet Oudolf borders ingericht met hoog opschietende

65

expo


expo- en boeken rubriek planten in allerlei tinten paars. Een prachtige overgang van lage beplanting naar de hogere wilde bosjes erachter. Vorig jaar lag hier nog een stuk moeras en volgend jaar zal Oudolfs schepping ook weer zijn vervangen. Vergankelijkheid, ja dat maakt elke biënnale van Venetie weer tot iets weemoedigs.

expo Tijdloze krachtpatsers Tot eind dit jaar bij VormVijf, Kazernestraat 41, Den Haag

66

Tijdloze krachtpatsers, beelden waar je bij stil wil staan, is de foto-expositie van Marcel Kentin, vaste medewerker van SMAAK, bij VormVijf, Den Haag. Nu eens geen beelden van architectuur maar van mensen overal ter wereld. De foto’s zijn op een speciale manier gedrukt, namelijk geprint op Dibond, een aluminium drager met een reflecterende laag. Tot eind van dit jaar te zien.

expo Conceptueel Tijdelijk Stedelijk Taking Place, duurt tot en met 9 januari 2011. Monumentalisme (Voorstellen voor gemeentelijke aankopen) op de benedenverdieping eveneens.

Amsterdam kan weer – een beetje – opgelucht halen. Het Stedelijk Museum is – een beetje – heropend. Sinds eind augustus is het oude gebouw – meer dan een beetje – opengesteld voor het publiek met de tentoonstelling Taking Places van de nieuwe directeur Ann Goldstein. Eind volgend jaar moet het spektakel compleet zijn. Dan zullen het oude gebouw en de nieuwe vleugel met elkaar versmolten zijn, beiden van de hand van architectenbureau Benthem Crouwel. Omdat de uitbreiding technisch veel voeten in aarde heeft gehad, werd de heropening uitgesteld. Deuren tussen het oude en nieuwe museum zitten verwachtingsvol maar hermetisch dicht. Het oorspronkelijke museum is klaar. Er werd door wethouder Gehrels op de nieuwe museumdirecteur enige druk uitgeoefend om de zalen te vullen. Wie kan er nou zeven jaar zonder Stedelijk? Dat het er nog onvolkomen uitziet, komt doordat de klimatologische voorzieningen niet perfect genoeg zijn voor met name schilderijen. Daarom is het Tijdelijke Stedelijk vooral een paradijs voor videokunstenaars, installaties

en veel, veel conceptuele kunst. Voormalige rijksbouwmeester Mels Crouwel heeft het ontwerp van architect Weissmann in ere hersteld en tevens de geest van oud-museumdirecteur Willem Sandberg gespaard. De muren in hal, trappenhuis en zalen zijn wit gebleven, gelukkig maar want dat blijkt toch het perfecte decor voor eigentijdse kunst. Het visgraatparket is vervangen door een chique vloer van houten stroken, die niet kraakt; het Tijdelijk Stedelijk Museum is dus ook een Stil Museum geworden, dat alle ruimte laat aan een verstilde waarneming van de teksten van Lawrence Weiner of de installatie van Martin Kippenberger. Onbetwiste blikvanger is de erezaal die kunstenares Barbara Kruger van boven tot onder, van wand tot wand, heeft bedolven onder teksten. Je loopt als het ware in een explosie van graphic design: dat kun je niet anders opvatten dan als een eerbetoon aan de grafisch ontwerpers die het Stedelijk ook gemaakt hebben: Sandberg en Wim Crouwel, de vader van. Wat opvalt is de logica die het gerenoveerde museum uitstraalt, het ritme en het formaat van de zalen die uitnodigen, ja schreeuwen om een creatieve vulling. Jammer dat Goldstein dat niet heeft ingezien. De restauratie/reconstructie moet

een kolfje naar de hand van Mels Crouwel zijn geweest, die als kind hiernaartoe werd meegenomen. Geen fratsen, geen afleiding van de kunst, zoals het hoort te zijn. Architectuur is dienend aan een andere discipline. Mooi blijkt dat uit de ruimte waar vrijwilligers de getallen oplezen van On Kawara, conceptualist der conceptualisten. Dat was in het verleden de bookshop. Nu is het de enige lichte zaal met uitzicht op de Paulus Potterstraat, een contrapunt van de gesloten Erezaal. Natuurlijk is het teleurstellend dat veel zalen op kunst zitten te wachten, en natuurlijk is het eerste blijk van leven van Goldstein voorspelbaar en behoudend. Maar de architectonische format klopt weer, en voorspelt veel goeds voor het Definitieve Stedelijk. Wordt vervolgd.


nasmaak Tekst: marianne schijf Fotografie: janine schrijver

Foto op achterkant SMAAK Op www.hospitaalveenhuizen.nl vind je foto’s van de verbouwing.

>>

Menno Iprenburg (65), rugarts in Veenhuizen

Amsterdamse Pleinen Amsterdamse Pleinen, Hilde de Haan, Bob Witman, Jeroen Musch. Uitgeverij Valiz.

Vreemd maar waar. Er bestaat een Grachtenboek, een boek over steegjes en straatjes, een over Amsterdamse tuinen en hofjes, maar een overzicht van de Amsterdamse pleinen ontbrak tot dusver. Dat gemis is nu goedgemaakt. Op initiatief van de woningcorporatie Stadgenoot hebben de schrijvers Hilde de Haan en Bob Witman 300 pleinen in kaart gebracht. Die heten niet allemaal plein, maar Amstelveld, Spui, Dam of kade. Wat ze gemeen hebben is dat ze restruimtes zijn die in de ontstaansgeschiedenis van Amsterdam toevallig plein zijn geworden. Anders dan in mediterrane landen is het ontwerp van een plein in Amsterdam geen automatisme geweest. Zelfs in het Oostelijk Havengebied is een goed plein nauwelijks te vinden. Het echte Amsterdamse plein is dan ook de gracht, de kade of de oever. Als er maar water voor ligt. Verblijfsgebieden zijn het dan in de regel ook niet, uitgezonderd het Leidseplein en het Rembrandtplein, maar het eerste is zo’n chaos van verkeer en incidenteel amusement dat je het nauwelijks een aangename plek kunt noemen. En de Dam is

weer een ontmoetingsplaats voor toeristen die elkaar staan aan te gapen in de verkeerde veronderstelling dat er allemaal Amsterdammers staan. Het Rembrandtplein is dit jaar op een voorbeeldige manier heringericht, zodat het veel overzichtelijker is geworden dan het was. Een keer in de zeven jaar schijnt een plein zo te worden aangepakt – binnenkort is het Museumplein weer eens aan de beurt. De foto’s van Jeroen Musch in het boek geven op een persoonlijke wijze weer wat de sfeer van een plein is of zou kunnen zijn. De tekst graaft in de geschiedenis van Amsterdam, en blikt vooruit wat beter zou kunnen. Scenario’s die de schrijvers voorstellen, lijken een wat modieuze vorm, maar wat zeker zou moeten is dat de Dienst Ruimtelijke Ordening beter nadenkt over ligging en vorm van een plein. Zodat we in Nederland niet telkens hoeven te refereren aan een Plaza Mayor in willekeurig welke Spaanse stad.

Veenhuizen is het geworden. Overal waar ik elders keek, was het plafond te laag. Voor een operatiekamer is 4 meter het minimum. Oorspronkelijk had ik in Veenhuizen het oude hospitaal op het oog, maar dat was te groot. Hotel Bitter en Zoet heeft er nu haar gezondheidscentrum in gemaakt, de Rugkliniek zit in het quarantainebouw. Toen we met de verbouwing begonnen, had het pand twintig jaar leeg gestaan. De oorspronkelijke grote zalen, lange gang en keukens, zijn nu verbouwd tot onder andere een polikliniek, kleedkamers, een Verkoeverkamer, een steriele berging en een van de grootste operatiekamers van Nederland. We hebben gekozen voor een doos-in-doosconstructie: de nieuwe wanden staan vrij van de oude. De operatiekamer voldoet aan de hoogste technische en hygiënische eisen. Jan van den Burg was een aangename architect. We hebben wel redelijk lang met de Rijksgebouwendienst moeten praten over hoe het moest worden. Het is immers een monument (van justitiebouwmeester Metzelaar uit 1894, red.) en daar mag weinig aan veranderen. Een kliniek stelt echter specifieke eisen; als het niet kan, dan kan het niet doorgaan. Maar we kregen steeds meer begrip voor elkaar. Toen we begin 2009 het huurcontract tekenden, stonden de muren van de kleedkamers er al. In augustus 2009 was de eerste operatie. De officiële opening van het hele complex was op 2 september 2010, maar in april is de kliniek al geopend met een medisch congres voor collega’s uit de hele wereld. Je moet wel publiciteit maken natuurlijk. Of het loopt? We zijn zeer tevreden. Ik ben de enige in Nederland die dit soort herniaoperaties al langer uitvoert. Ook al wordt de ingreep nog niet vergoed door de meeste verzekeringsmaatschappijen, de patiënten blijven komen. Ze komen uit heel Nederland, Europa, Japan, China, Canada, Marokko, Ghana en Ethiopië,enzovoorts. Ze komen hier in een heerlijk rustige en sfeervolle omgeving en ze zijn in de helft van de tijd die er vroeger voor stond weer terug op het werk.’

67

boek

‘In juni 2007 nodigde het Ontwikkelingsbureau mij uit om te komen kijken of er mogelijkheden lagen om een kliniek te beginnen. Dat kwam voor mij uit de blauwe lucht vallen. Ik had een half jaar eerder het Wilhelmina ziekenhuis in Assen verlaten, waar ik 26 jaar orthopeed ben geweest en ik was wel op zoek naar een plek waar ik een rugkliniek zou kunnen beginnen. Meer mensen verbazen zich erover dat ik dit vlak voor mijn pensioen ben begonnen, maar ik sta midden in het leven. Dit is enerverend en dankbaar werk.


smaak is een uitgave van: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Rijksgebouwendienst Rijnstraat 8 | 2515 XP Den Haag | www.vrom.nl

los nummer â‚Ź 5,-

Š Rijksoverheid | Oktober 2010 | Publicatie-nr. 0017

Menno Iprenburg (65), rugarts in Veenhuizen. Interview met hen op pag. 67.


SMAAK 48: Toekomst voor verleden  

SMAAK is een uitgave van de Rijksgebouwendienst

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you