Issuu on Google+

Van de redactie Met het naderen van de jaarwisseling heeft u thans voor u het jongste nummer van de Darde Klokke. Het is ook tegelijk het laatste nummer van het jaar 2010. Dit tijdschrift is er voor belangstellenden voor de (plaatselijke) geschiedenis. Met dit keer onder anderen interessante bijdragen over een Elfstedentochtwinnaar, een oud-Ommer bakker, de melkbus en gevaarlijke raketten in en rond Ommen.. Veel leesplezier! Het zal niemand zijn opgevallen en de werkwijze wordt er ook niet anders van, maar de structuur van De Darde Klokke is enigszins gewijzigd. Ontstaan in de zeventiger jaren van de vorige eeuw is De Darde Klokke een op zich zelf staand orgaan. Met de HKO is sinds 1997 een samenwerking. Sinds dit jaar ook met de Gemienschop van Oll Ommer. Om het voortbestaan ook voor de toekomst blijvend te houden is halverwege dit jaar een stichting opgericht met een bestuur vanuit eerder genoemde organisaties, te weten: Frouwke Doezeman, Sir Schokkenbroek, Albert van der Vegt en Harry Woertink. Enkele punten uit de statuten van de stichting: 1. De stichting heeft ten doel: het verzorgen van publicaties over de lokale en regionale geschiedenis van Ommen en omgeving in de meest ruimste zin van het woord. 2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het uitgeven van een eigen tijdschrift, het organiseren en ondersteunen van geschiedkundige activiteiten met een educatief en algemeen vormend karakter, het medewerken aan projecten ten dienste van geschiedkundig belang en verder alle wettige middelen welke voor het doel van de stichting bevorderlijk kunnen zijn. 3. De stichting heeft geen winstoogmerk.

Omslagfoto: een juniperus zoals Dieks Horsman deze beschrijft in zijn verhaal.

Inhoudsopgave Winnaar Elfstedentocht 1963 wordt 80 jaar .......... Mannes Schoppink ......................... blz. 2 Barts Makkinga en Ajax ........................................ OZC ............................................... blz. 6 Een boer, een echte …. ......................................... Werkgroep dialect .......................... blz. 8 Dampollen of jeneverbes ....................................... Dieks Horsman............................... blz. 9 De melkbus uit Ommen ......................................... Wouter de Graaf............................. blz. 11 Gevaarlijke raketten in en om Ommen .................. Ben Wösten .................................... blz. 12 Gerrit Jan Eshuis - streekhistoricus........................ Henk Schuurman ............................ blz. 14 Proces-verbaal uit 1944 ......................................... Adriaan Grootenhuis ...................... blz. 17 Krentenbossen en legenden in Eerde ..................... Gerrit Jan Eshuis † ......................... blz. 18

1


Winnaar Elfstedentocht 1963 wordt 80 ,,In Ommen hebben we de mooiste tijd van ons leven gehad” door Mannes Schoppink

Je bent een schaatser of je bent het niet. Reinier Paping woonde met zijn vrouw Joke geen twee jaar in Ommen, maar twee seizoenen. In die tijd werd ook zoon Roald geboren. Het gezinnetje woonde in een houten bungalow aan de voet van de Besthmenerberg. Daar moest flink gestookt worden. Vooral in de winter van 1962-1963. De achttiende januari van 1963 was misschien nog niet eens de koudste, maar wel de meest gedenkwaardige dag van die winter en mogelijk zelfs van het hele decennium. Reinier Paping won die vrijdag in Friesland de beroemdste schaatswedstrijd ter wereld, de Elfstedentocht. Op 18 februari 2011 bereikt Paping ook de lééftijd der zeer sterken. Hoog tijd om een keer terug te blikken.

Trots toont Reinier Paping zijn plakboek over de barre tocht van 1963.

Het is een mooie maandagmorgen in november 2010, klokslag 10.00 uur. Reinier Paping doet zelf open. Samen met zijn vrouw Joke woont hij in de tegen de binnenstad aanliggende wijk Wipstrik (een oude benaming voor galg…) in Zwolle. ,,Goedemiddag,” begroet de vroegere schaatsenrijder heel joviaal. ,,Ja, ik was vanmorgen al vroeg opgestaan, dan lijkt het of de dag al heel lang duurt.” Paping heeft een oud plakboek op tafel klaargelegd. Er zitten veel prachtige zwart-wit foto’s in van de meest legendarische tocht der tochten. Paping begint vol enthousiasme te vertellen. Voor anderen mocht het dan ‘de hel van ‘63’ zijn, hij had de dag van zijn leven. De dag die zijn leven voorgoed zou veranderen. Maar daarover straks meer. Eerst een stukje voorgeschiedenis. Reinier Paping werd geboren op 18 februari 1931 in Dedemsvaart. Hij was het zevende kind uit een (katholiek) gezin van negen. Zijn vader was Hendrikus Hermanus Paping (18921982), zijn moeder Bernadina Geziena Hendriks (1897-1983). Zijn ouders kwamen oorspronkelijk uit Groningen en zouden later hun levensavond doorbrengen in de serviceflat Stadshaghen in Ommen. Paping sr. werd textielkoopman en winkelier in Dedemsvaart, na eerst enige jaren landbouwer te zijn geweest op de hoeve Landleven. Reinier volgde de lagere school in Dedemsvaart en ging daarna naar de mulo. Daarvoor ging hij zelfs naar het jongensinternaat St. Louis in Amersfoort. Leren was echter niet aan hem besteed. ,,Als ik thuis kwam zette ik mijn tas in de gang en ging dan direct naar buiten,” vertelt Paping. ,,Ik moest gewoon naar buiten, want stilzitten kon ik niet. Ik zat bij allerlei sporten. Zo voetbalde ik bij Dedemsvaartzondag. Op m’n zeventiende speelde ik al in het eerste. We voetbalden ook wel eens tegen OVC uit Ommen. Ik stond meestal rechtsbinnen. Ik was net zo’n voetballer als die jongen uit Katwijk, hoe heet hij ook weer? Dirk Kuijt, ja. Ik haalde de bal van achteren en ging er vervolgens mee naar voren. Ik moest het hebben van werken, werken en nog eens werken. 2


Maar ik was ook lid van de gymnastiek- en van de turnvereniging. En ik ben in Dedemsvaart begonnen met tennissen. Op een gegeven moment gingen we bij het voetballen van de vierde naar de derde klasse. Toen werd het tijd een keus gaan maken. Want zie je, ik schaatste ook nog.” Paping had het schaatsen niet van een vreemde. Zijn vader was eveneens reeds een groot liefhebber. Ook zijn oudste broers Richard, Philip en Bonne (die later een manufacturenwinkel had in Ommen) schaatsten. Tezamen reden de gebroeders acht Elfstedentochten. Dat het jongere broertje Reinier een (veel groter) talent was, ontging het drietal niet. Zij betaalden voor hem trainingsreizen naar Noorwegen. De eerste was in 1950. ,,Ik begon bij de NVBHS, de Nederlandse Vereniging tot Bevordering van het Hardrijden op de Schaats,” vervolgt Paping zijn verhaal. ,,Daar reed ik in de toerploeg. Dat deed ik zo goed, dat ik mocht schaatsen bij de KNSB. In 1955 werd ik bij het Nederlands kampioenschap op natuurijs in Heerenveen vierde achter Gerard Maarse, Wim de Graaff en Egbert van ’t Oever, jongens die al langer in de kernploeg zaten. Ik kwam daar ook in terecht en mocht zelfs naar het Europees kampioenschap in het Zweedse Valun. Dat waren trouwens gelijk mijn hoogtepunten als langebaanschaatser, want na de winter van 1956 werd ik niet meer gekozen in de kernploeg.” In 1957 meldde Reinier Paping zich op het CIOS in Overveen, om daar het diploma Algemeen Sportleider te behalen. ,,Het was een tweejarige opleiding. Ik ging vooral voor tennis en badminton en had als bijspecialisatie boksen. Toen ik in 1959 slaagde was ik inmiddels 28 en werd het tijd het geleerde in praktijk te brengen. Op maandagmiddag gaf ik tennisles achter het hotel van ome Reinier in Ommen (hotel Paping vlak ‘over de brug’, ms). De rest van de week ging ik naar Nijmegen. Daar was een grote tennisclub, waaraan ik ook les gaf. In het najaar ging ik dan terug naar Dedemsvaart. In 1954 had ik al mijn sportartikelendiploma behaald. Zo kwam ik ook nog zo’n beetje in de schaatsverkoop. Tevens verkocht ik trainingspakken en sportkleding. Het scheelde natuurlijk dat we thuis een textielzaak hadden. Daarnaast ben ik nog enige tijd gymnastiekleraar in Gramsbergen geweest.” Potkacheltje Paping had intussen kennis gekregen aan Joke van Leerzem uit Nijmegen. De twee trouwden in 1961. ,,We hebben dat gevierd bij ome Reinier in zijn hotel. We zijn toen komen te wonen in een houten bungalow onderaan de Besthmenerberg. Er stond één potkacheltje in de kamer en een propaangasfles in de keuken. Er waren ’s nachts briketten nodig om de boel warm te houden. In die tijd is onze zoon Roald geboren. Joke was vaak alleen met de kleine. Daarom kregen we tijdelijk de herdershond van haar ouders.” Echtgenote Joke, die het schaatsverhaal van haar man wellicht al tig keer gehoord moet hebben, is er nu ook bij komen zitten. ,,Bakker Jutten kwam ons brood brengen, dat herinner ik me nog goed. Het was een heel idyllisch plekje. Maar dat was het niet altijd geweest. In de oorlog had je in die omgeving het kamp Erica gehad. De postbode zei wel eens, dat het maar goed was dat de muren niet konden spreken, want dan zouden we nog eens wat horen.” De winter van 1962-1963 werd bekend als een zeer strenge. Paping gebruikt liever andere woorden. ,,Het was een prachtige winter. Een week voor kerst viel die in. ’s Morgens trok in m’n trainingspak aan om de bossen in te gaan. Dan ging ik naar Arriërveld of de Driehoek. Daarna was het heerlijk thuis komen. Ik zie ons huisje nog zo voor me. We hebben er samen de mooiste tijd van ons leven gehad.” Tweede Kerstdag 1962 was er een wedstrijd op natuurijs in Oud-Avereest. Paping werd er derde. Begin januari nam de tijdelijke Ommenaar deel aan de zestig kilometer lange Ronde van Spannenburg. Hier werd hij in de sprint geklopt door de Friese onderwijzer Jeen van den Berg, die in 1954 de Elfstedentocht op zijn naam had geschreven. In de Drentse Boortorentocht werd Paping opnieuw verslagen door Van den Berg. 3

Reinier Paping, november 2010


Een doodvermoeide Reinier Paping bij de finish in Leeuwarden, 18 januari 1963

Geraadpleegde bronnen: ‘De Elfstedentocht, negentienhonderd drieënzestig en alle vroegere tochten’, Piet Maaskant, Uitg. La Rivière en Voorhoeve, Zwolle, 1963. ‘Logboek Elfstedentocht 1963’, Fenno L. Schoustra, eigen beheer, 1963. ‘De mannen van ’63, verhalen van de zwaarste Elfstedentocht aller tijden’, Marnix Koolhaas en Jurryt van de Vooren, uitg. Van Wijnen, Franeker, 2003. ‘De hel van ‘63’, een film van Steven de Jong, 2009. ‘Kwartierstaat van Johanna Petronella Maria Paping’, door Joke Koot-Paping.

Maar een Elfstedentocht…, Paping had er nog nooit één gereden. ,,In 1954 had ik al mee kunnen doen, maar dat raadden ze me toen af. Het zou zogenaamd ten koste gaan van mijn techniek! Ook in 1956 heb ik om die reden niet mee gedaan. Achteraf was dat natuurlijk grote flauwekul. Kijk, ik was geen technische rijder, maar wel een geweldig sterke. Vooral op het rechte eind kon ik aardig vooruit, ik had een goeie slag. De bochten waren alleen verschrikkelijk, vooral in het begin. Ze noemden mij ook wel ‘de vliegende vogel’. De andere jongens hebben wat om mij gelachen! Doordat ik aanwijzingen kreeg, ging het wel steeds beter. Zo kwam ik bij de betere jongens.” En toen kwam dan de roemruchte tocht van 1963. Op woensdag 16 januari werd bekendgemaakt dat de wedstrijd op vrijdag zou worden verreden. ,,De kranten stonden er helemaal vol van. Anton Verhoeven, Jeen van den Berg, Appie Weijs, al die oude cracks werden genoemd als kanshebber voor de overwinning. Alleen in de Volkskrant werd mijn naam genoemd.” Donderdag de 17e begaven de Ommer schaatser en zijn vrouw zich reeds naar de Friese hoofdstad. ,,We sliepen die nacht bij mensen thuis. Ik ging mee met het idee dat ik bij de beste tien mee zou kunnen komen. Mijn broer Richard had nog op mij ingepraat. Volgens hem deed ik beslist niet onder voor Van den Berg en de andere favorieten. Wat mij te wachten stond wist ik echter niet. De andere tochten waren hooguit zestig kilometer geweest. Toen had ik het zwaarder gehad dan op de eerste honderd kilometer van de echte Elfstedentocht.” Voor anderen werd de tocht der tochten, die werd verreden bij temperaturen van meer dan vijftien graden onder nul, ‘de hel van ‘63’. Niet echter voor Reinier Paping, hij leek die dag wel vleugels te hebben. ,,Ik had de dag van mijn leven. Halverwege de tocht, bij Bolsward, maakte ik mij los uit de kopgroep. Bij Harlingen had ik al twee minuten voorsprong. Bij Franeker, vijftien kilometer verder, was die opgelopen tot acht minuten. Toen had ik voor het eerst iets van: potdomme, ik kan de Elf Steden winnen! Daar kan geen Europees – of Wereldkampioenschap tegenop, althans niet in Nederland.” Richting Dokkum had Paping een inzinking, zo weet Piet Maaskant in zijn beroemde boek over de tocht van 1963 te schrijven. De rijder zelf komt met een kleine relativering en dat mag na bijna 48 jaar. ,,Bij Bartlehiem heb ik een stukje door de sneeuw gelopen. Ik wilde even van het ijs af. Ik had negen minuten voorsprong! Ook heb ik nog een klein poosje op een leren jas gelegen, met de benen in de lucht. M’n veters waren bevroren, maar die kreeg ik toch weer goed. Ik had maar één gedachte: ik moet naar Dokkum, daarna ga ik van de wind af. Toen ik daar eindelijk was, was ik als het ware op het laatste rechte eind. Nu moest ik alleen nog op de finish af. Ik heb toen echt alles gegeven wat ik had.” Toch kwam er bij Bartlehiem nog een slecht stuk ijs. Paping liet zich er echter niet meer door uit het veld of liever gezegd van het ijs slaan. ,,Ik moest veel klunen. Daarbij kwam de wind ook nog eens opzetten. Natuurlijk had ik daar last van, maar dat hadden de andere jongens ook en die hebben volgens mij nog veel meer geleden dan ik. Ik wist dat mijn voorsprong groot genoeg was. Bij de finish in Leeuwarden bleek die 22 minuten te zijn op Jan Uitham en 24 op Jeen van den 4


Berg.” Bij de aankomst (16.29 u.) stonden ook koningin Juliana en prinses Beatrix klaar om de glorieuze winnaar van de twaalfde Elfstedentocht te verwelkomen. Wel werd er nog een protest ingediend. Paping zou voordeel hebben gehad van dorpelingen die stukken met hem mee hadden geschaatst. Dat werd echter afgewezen en Paping werd door de jury definitief tot winnaar uitgeroepen. Huldigingen Eerst werd Paping in de Frieslandhal gehuldigd. Daarna gingen hij en zijn vrouw naar Dedemsvaart. Dat viel nog niet eens mee over de bevroren wegen. ,,We reden soms door dikke sneeuwduinen heen. ’s Nachts om half één waren we er eindelijk. We werden onthaald door meer dan zeshonderd dolenthousiaste mensen. Ze hadden de hele avond gewacht en het werd steeds maar later en later.” Na ‘Dedemsvaart’ volgden er nog meer huldigingen. Zo werd Paping de volgende dag in Hilversum verwacht. Een tv-opname was in 1963 nog niet zo’n alledaagse gebeurtenis als in later jaren… De Deventer kunstijsbaan gaf de Elfstedentochtwinnaar twee jaarkaarten cadeau en een zilveren sigarettendoos. Door aan een reclamecampagne voor Brinta mee te werken, kreeg Paping bovendien 500 gulden, een aansteker en een föhn. En dan was er nog een onbekende Ommenaar die hem zomaar een tientje in handen drukte. Paping bijna 48 jaar later: ,,Ik heb me altijd afgevraagd wie die man toch is geweest. Ik zou hem met alle plezier tien euro terug willen geven.”

Jeen van den Berg, Reinier Paping en Evert van Benthem met de Friese en de Ommer vlag bij de onthulling van de plaquette aan de muur van het ‘oude’ gemeentehuis van Ommen, 18 januari 1989

Ommen vergat z’n Elfstedentochtwinnaar trouwens niet. Precies 26 jaar na de glorieuze overwinning in de Friese hoofdstad, op 18 januari 1989, mocht Paping samen met Jeen van den Berg (winnaar Elfstedentocht 1954) en Evert van Benthem (winnaar 1985 en 1986) namens De Darde Klokke een plaquette onthullen aan de buitenmuur van het ‘oude’ gemeentehuis van Ommen, waarop de historische gebeurtenis uit 1963 werd vermeld. Hij was op dat moment al lang geen Ommenaar meer. ,,Al snel na mijn overwinning zijn we naar Zwolle verhuisd. Daar heb ik jarenlang een sportzaak gehad, het laatst vlakbij de Grote Kerk. Reclame heb ik nooit hoeven te maken. Die ene keer in 1963 was voldoende.” Het plotseling bekende Nederlander worden had ook een keerzijde. Daarover echtgenote Joke: ,,Er wordt altijd op je gelet, overal herkennen ze ons! Mensen kunnen in hun onbeschaamdheid daarbij erg ver gaan. Ook journalisten kunnen er wat van. En waar komt dat van, zelfs zoveel jaren later? Misschien heeft het wel met de mythe te maken die rond Reinier ontstond na het winnen van die onmenselijke tocht.” Reinier Paping won die onmenselijke tocht. In alle overzichten staat tussen haakjes achter die naam: Ommen. Reinier Paping was een Ommenaar. Al was het dan maar voor twee seizoenen. 5


Albertus Makkinga voetbalde nog bij Ajax

Op zondag 7 november jl. overleed op de leeftijd van 92 jaar Albertus Makkinga. ‘Bakker Makkinga’ had tijdens zijn arbeidzame leven een uitgebreide klantenkring. Ook was hij bekend van de politiek, het Ommer Mannenkoor, Oll Ommer (voorzitter 1985-1996), de plaatselijke schaakclub en als supporter van voetbalclub OZC. Minder bekend is dat Bertus (Bats) Makkinga in de jaren ’30 van de vorige eeuw nog heeft gevoetbald bij Ajax. Ajax uit Ommen dan wel te verstaan. In een interview met Herman Jansen en schrijver dezes in het Trefblad (clubblad OZC) van november 1981 vertelde Makkinga daar uitgebreid over. De bakker in ruste was op dat moment 63. Om 19.00 uur hebben we afgesproken met de bakker. Dan kunnen we daarna mooi nog even naar de ledenvergadering van OZC. Eén keer aanbellen blijkt voldoende te zijn, dochter Annie doet ons open. Nadat we onze jassen hebben achtergelaten in het halletje, komen we in een ruime kamer. Mevrouw Makkinga zit in de Libelle te lezen. We stellen ons voor en zij wijst aan waar we kunnen gaan zitten. Even wachten. Daar gaat de deur opnieuw open! U hebt het al geraden: in de deuropening verschijnt de heer Makkinga in hoogsteigen persoon. Hij begroet ons met een joviale handdruk en gaat tegenover ons zitten. Nog even dit: alleen mevrouw Makkinga gebruikt het Algemeen Beschaafd Nederlands, terwijl de anderen (de heer Makkinga, zijn dochter Annie en wijzelf) zich bedienen van het Ommer Onbeschaafde Dialect. Wij hebben het boekje ‘Zo was het’ over het oude Ommen meegebracht. Ergens achterin het boekje staat een foto van de zaterdagmiddagclub Ajax, welke vereniging in 1934 werd opgericht. Bertus Makkinga in 1985 (foto: Oll Ommer)

Bent u dit? De heer Makkinga: ,,Jazeker. Dat boekje heb ik trouwens zelf ook wel. Kijk, dat is Gerrit Schuurman, de vader van Alex, dat is Mannes Makkinga en dat is Herman van Aalderen, dat is Harm Takman en dat is Hendrik Middendorp, Jan Middendorp en Johannes van Aalderen. Ja, en dat ben ik.” Dus u hebt zelf vroeger ook gevoetbald? ,,Ja, vroeger zo tussen 1934 en 1940 heb ik bij Ajax gespeeld. Zo heette die club. Ik speelde meestal linksbinnen. Ik heb ook nog een keer in een vertegenwoordigend elftal ge-

‘Ajax’ in 1934. Staand van links naar rechts: Hendrik Middendorp, Jan Middendorp, Herman van Aalderen AJzn., Herman van Aalderen Rzn. (bestuurslid), Harm Takman en Gerrit Makkinga. Tweede rij: Albertus Makkinga, Johannes van Aalderen en Hendrik van Aalderen. Zittende: Mannes Makkinga, Gerrit Schuurman en Jan Makkinga. De thuiswedstrijden van Ajax werden gespeeld op de Paardeweide in Het Laar (foto uit: ‘Zo was het, plaatjes uit het oude Ommen en omgeving’, G.Steen, uitg. Wiechers, 1979)

6


speeld. Dat was een elftal uit de regio. Ja, ik mocht graag voetballen. Vroeger ging het niet zo gemakkelijk. Je had maar weinig geld, ik weet nog dat we bij Ajax moesten sparen voor de doelnetten. Maar we hadden veel plezier. We speelden vaak tegen OVC, dat ging zo’n beetje om en om. We moesten ook een keer in Hardenberg spelen. Kleedkamers had je toen nog niet, dus we moesten ons omkleden in café Zweers, bovenop zolder. We wonnen die wedstrijd met 4-2. Ik maakte nog twee goals. Ik ging op de schouders het veld af. Dat hoefde trouwens van mij niet. Groot feest was dat, zeg! Nou hadden ze bij Zweers net geslacht, want er hingen allemaal worsten. Toen we weggingen hingen ze er niet meer, maar zet dat er maar niet in. Ze waren wel lekker, hihihihi!” Hahahaha. ,,Ja, ze waren we lekker, hihihihi.” Hoe is het toen verder met Ajax gegaan? ,,Ja, de oorlog kwam. Toen was het met Ajax afgelopen. Na de oorlog is er nog een tijdje een christelijke voetbalvereniging in Ommen geweest. Ab Stegeman speelde daarin mee en Henk Steen, de postbode. Ik was geen lid. Ik moest de bakkerij overnemen. Die christelijke vereniging is over de kop gegaan. Later kwam OZC.” Vindt u dat het voetbal veranderd is? ,,Jazeker. Vroeger was het veel mooier. Nu heb je soms maar drie spelers in de voorhoede. Vroeger waren dat er vijf. Had je ook veel meer doelpunten. Een wedstrijd zonder doelpunten is toch voor het publiek ook niet leuk. Neem nou het eerste het afgelopen seizoen: ze hadden steeds twee man in de voorhoede. Dat was fout! Later, maar toen was het al te laat, werden er drie opgesteld. Kijk naar Rijvers: die speelt ook met vier aanvallers. Het mooiste vind ik vijf man. Je moet volk in de voorhoede hebben! Dan komen er ook meer doelpunten, het spel wordt opener. Als je met 2-0 achterstaat moet je alles op de aanval gooien, je hebt niets meer te verliezen, want of je nu met 2-0 verliest of met 3-0, dat maakt niets uit.” Vindt u dat OZC op dit moment een seizoenskaart waard is? ,,Ja, ik hou van die sport. Ik ben er bijna alle wedstrijden, of OZC nu thuis speelt of uit. Als wel zo’n zes jaar.” Annie: ,,Al veel langer.” ,,Nou, dat kan ook wel. Ik ga altijd met Karel Woertink. Soms gaan we ook wel eens voor niets. We waren laatst in Enschede…” Annie: ,,Was dat niet in Glanerbrug?” ,,Ja, ’t was in Glanerbrug. Toen bleek dat OZC helemaal niet moest spelen. Maar zet dat er maar niet in. We hebben wel schik gehad, hoor. We hebben in de kantine toen maar een kop koffie gedronken. En Karel had nog familie in Enschede wonen, daar zijn we toen maar heen gegaan. Vrouw, schenk eens koffie in.” Bent u kritisch? ,,Jazeker, maar wel opbouwend.” Mevrouw Makkinga loopt naar de keuken voor de koffie. Onder het weglopen vertrouwt ze ons nog toe: ,,Altijd opbouwend, anders heb je er niets aan.” De heer Makkinga: ,,Moeten jullie trouwens roken?” Daar het ons een grote zorg zal zijn, dat wie rookt niet gezien is, besluiten wij op de uitnodiging in te gaan. De heer Makkinga trakteert ons op resp. een Caballero en een Wilde Havana. Zelf steekt hij ook een Havana in zijn hoofd. Om te voorkomen dat het gesprek in rook zal opgaan, besluiten we een heldere vraag te stellen. Hoe moet voetbal gespeeld worden? ,,De bal moet je het werk laten doen, dan krijg je mooi spel. En over de vleugels. Ja, dat kan natuurlijk niet als je maar twee aanvallers hebt.” (…) In het vervolg van het interview vertelt Bertus Makkinga hoe hij aankijkt tegen “het eerste”, de degradatie het seizoen ervoor en ‘moeilijkheden langs de lijn’. Ook stelt hij zijn 7


Herman Jansen had in 1981 een interview met Barts Makkinga voor het clubblad van OZC. Het ging over zijn voetbaljaren bij Ajax in de jaren '30. Dit interview is aangedragen door Mannes Schoppink. .

ideale eerste elftal aller tijden op: ,,Ja, nou, laat eens kijken: in het doel Kampman, achter Johan Timmerman, Jan Schutte en Herman Steen. Spil Jan Steen van de postbode. En Freddy Jansen - waar zit dat jong toch? En voor Jan Petter, Jan Maat, Sander Stegeman, Zwier van Dorland en Herman van Aalderen. Ze zouden natuurlijk met vijf aanvallers moeten spelen.” (…) Aan het slot hoort altijd een bedankje. We bedanken mevrouw Makkinga voor de voortreffelijke koffie, de heer Makkinga voor zijn bereidheid onze wispelturige vragen te beantwoorden en dochter Annie voor de attentheid haar vader te corrigeren daar waar zijn enthousiasme al te groot werd.

Een boer, een echte….. Leida Bruins stuurde namens de dialectgroep het verhaaltje over “een boer”

Wi’j zaten net het ni’js van 10 uur te kieken toen de tillefoon gung. Zie könt oons nog heel late bellen, want wi’j goat aajt ’n volgenden dag pas noar bedde. Het was de buurvrouwe van De Stekkenkaamp, helemoale op ’t rabat. “Er staan hier twee koeien voor ons raam te snuiven op het nieuwe gazon. Wat moeten we doen?” Allereerst de poort dicht, de slagboom voor het parkeerterrein laten zakken en opletten dat ze niet de spoorlijn of de weg opgaan. We komen eraan. Oonze dochter ‘ebeld: Kom metiene op leerzen en met oew zakluch (maglite in het ABN) noar het parkeerterrein, de bieste bint uut ebrökken. Ook de achterbuurvrouwe bod edoan- Doet de paddock lös, dan kunt ze doar vannach wel bliem en dan zie’w mărgen wel weer. Gaauw de leerzen an, laampe met en op de fietse d’r hen. De veerzen leupen now te kieken achter de boerderi’je. Ze wollen wel een klein stukkie de goeje kaante op, maar niet op de weide an. Ze leupen weer op een sukkeldraffie noar het parkeerterrein. Jan had een paar koetouwen en misschien konne wi’j ze met een lang touw in een hoek drieven. In de peerdestal lag geen lang touw, alleen een volleybalnet. Nou, dan maar op de sportieve toer: Met een volleybalnet tussen oons in en de buren an de ziedkaante gunge wi’j zachies op ’n hoek an. Det leek te lukken tot de bieste het toch wel te krap vunnen wödden. Zie nammen een roam tussen oons deur en stiefeln zo weer op de tuun an. Det wördt niks. Wi’j bint al zowat een uur gangs. Wi’j belt de boer wel op, maar welken? Ze hebt allebeide roodbont vee en den ienen wont in Heldern en den aandern an ’t Ommerkanaal. Det is ’t dichtste bi’j, dus den hef ’t eran. Wi’j belt noar ’t Ommerkanaal. Gelukkig bint ze um 11 uur nog wakker en wilt ze kommen. Noa tien minuten is Freddy Gerritsen, want den is ‘t, d’r al met zien twie zöns. Gelukkig. Freddy stapt uut, kik en zeg:”Het bint wel de oonzen” He löp op ze of en röp: “ Kies, kies, komma, komma”. De veerzen kiekt op en loopt zo op ‘m of. He hef gin biks of wat aans bi’j zich um ze te kriegen. Ze komt gewoon as ze zien stemme heurt. He giet veur ze an en zeg zo now en dan kies, kies , komma. Ze loopt zo met ‘m met noar de weide. Wi’j hoeft allene ’t hekke maar lös te doen. Ja, doar stoa’j dan met oew volleybalnet. Jan en Janneke kiekt metiene woar of de rikkenge kapot is en wi’j telt de aandere bieste. Drie bint er nog te weinig. In de mist ku’j ze ok nie goed zien. Freddy röp nog een paar keer kies, kies en dan komt er drie paar gluunige oog’n deur de mist vanof de Vechte noar boam lopen. Helga stie:t net as wi’j helemoale versteld en zeg: “Wat een wonder, wat mooi. Deze boer is een echte koeienfluisteraar!”

8


DAMPOLLEN bekend als jeneverbes of juniperus door Dieks Horsman

Ik kan mij voorstellen dat de lezers van ons blad zich afvragen of een verhaal over dit onderwerp wel interessant is om daar over te schrijven. Zelf vroeg ik mij dat ook af en toch hoop ik dat u met mij verrast zult zijn over de bijzondere kenmerken en goede eigenschappen van deze mooie boom of struik met die enigszins geheimzinnige naam in deze streek : dampol. Het buitengebied van onze gemeente Ommen staat bekend om haar gevarieerde natuurschoon. Niet alleen vanwege de verschillende grondsoorten, de lage en hoge bergen of dalen, bossen of heide, weide- of akkerlanden, bomen en struiken, maar deze variatie is ook volop aanwezig in de verschillende buurtschappen. Liggen deze aan de Vecht of de Regge met de prachtige rivieroevers met soms hoge rivier - of stuifduinen zoals de Steile Oever, de Beerzerbulten, de Vlierbelten, de steile houtwallen aan de Koedijk in Giethmen of het Junnerkoeland, dan ziet het landschap er daar anders uit dan in de vlakke weidegebieden en akkerlanden van bv. het Arriërveld met de mooie vergezichten. Komen we daarentegen in de vele bosgebieden zoals Vilsteren , Zeesse, Junne, Eerde, Archem en de Lemelerberg dan kunnen wij daar genieten van weer een heel ander natuurschoon. Kijk alleen eens naar de vele soorten bomen,struiken en ook bloemen en planten die daar groeien, wat een bijzondere en boeiende variatie. Tussen alle bomen en struiken heeft de jeneverbes, die hier in Salland in de streektaal meestal dampol wordt genoemd, een toch enigszins bijzonder aanzien. Vooral in het schemerdonker lijkt deze struik voor sommigen op een grillige, mysterieuze menselijke gedaante. Als men eertijds lopend of met paard en wagen en nog weer later ook fietsend in het donker door eenzame streken ging, keek men zo'n alleenstaande dampol wel eens aan voor een grote kerel die weinig goeds voorspelde. Persoonlijk herinnering ik mij nog, dat toen wij in onze schooljaren dagelijks over de berg naar school in Lemele liepen, wij dan juist met die dampollen spelletjes verzonnen, misschien spraken die het meest nog tot onze kinderlijke verbeelding. De meest voorkomende naaldboom op aarde Inderdaad: de jeneverbes of juniperus is onder de naaldbomen de meest voorkomende boom of struik op aarde en in Nederland is het een beschermde plant. Hij kan als zuilvormige boom of als laaggroeiende of kruipende struik groeien. De altijdgroene dampol bloeit in mei. Het woord juniperus komt uit het Latijn, vertaald : “verschijnen of baren”, dit slaat op het verschijnsel dat de nieuwe bessen verschijnen voordat de oudere zijn afgevallen. Hoe hier in deze streken de naam dampol is ontstaan is mij niet bekend, als iemand daar meer over weet hoor ik dat graag. De jeneverboom wordt ook wel schildwacht genoemd, een stilstaande gedaante. De bessen geven een bijzondere smaak en geur aan de Hollandse jenever. Het rijpen van de bessen strekt zich uit over twee jaren. Kenmerken van de plant De vorm is soms grillig en vooral de kroon heeft een sterke naalddichtheid zodat er weinig licht door valt waardoor men op enige afstand in het schemerdonker op de kale heide een mysterieuze gedaante meent waar te nemen. Hij groeit heel langzaam, ook al door de vele zijtakken, ongeveer 1 meter in tien jaar. Uiteindelijk kan hij wel 10 meter hoog worden en onder gunstige omstandigheden 500 tot 2000 jaar oud worden. In Nederland staat hij veel op lichte zandgronden en heidelandschappen, waar hij met zijn scherpe naalden wordt vermeden door de schapen. De mannelijke bloemen zijn goede leveranciers van stuifmeel voor de bijen. Hij kan niet zo goed tegen snoeien, dan 9


komen er kale plekken in. Dampollen op de Lemelerberg In onze omgeving staan nergens zoveel dampollen als op de Lemeler- en Archemerberg, waar ze al eeuwen voorkomen, vooral toen dit gebied nog niet met bomen was aangeplant. Ruim honderd jaar geleden was daar alles nog heidelandschap. Veel van onze lezers kennen dit prachtige, enorm grote natuurterrein en wandelen daar, met name in de weekenden en vakantiedagen, om te genieten van de schitterende panorama's, maar ook van die toch wel bijzondere dampollen en de uitgestrekte bossen. Standplaats in de tuin Ook staan ze, hier en daar, in onze tuinen en daar lenen ze zich heel goed voor. Vooral op droge humusrijke grond en daar waar wat leem in de grond voorkomt, willen ze uitstekend gedijen. Wel houden ze van veel zon zodat de bessen beter rijpen. Het hout is zacht maar taai en moeilijk te splijten, maar heel duurzaam. Het hout werd wel gebruikt; o.a. voor bepaalde meubelsoorten en van het dikste hout maakte men vroeger schuttingpalen, houten emmers, pijpen en wandelstokken. Ook wordt het hout nu nog wel gebruikt voor het roken van worst, vlees en vis die daardoor een uniek aroma verkrijgen. In de middeleeuwen waren de bessen heel belangrijk voor het maken van medicijnen bv. tegen maagpijn of waterzucht. En de bekende Zwitserse natuurarts dr. A. Vogel, geeft in zijn boek '' De Kleine Dokter '' een goed advies aan mensen die lijden aan jicht en reuma om medicijnen van deze jeneverbessen te gebruiken evenals voor de astmalijders. Tenslotte hoop ik dat met dit schrijven uw belangstelling is gewekt zodat het u aanspoort om er opuit te trekken naar die streken waar de dampollen u vast heel rustig, stilzwijgend en ongedeerd laten wandelen.

Lezers reageren Het artikel in De Darde Klokke over Besthmen Geachte redactie, Met plezier lees ik altijd de Darde Klokke, soms niet direct, soms wel enige maanden later. Vandaar mijn late reactie op bovengenoemd artikel. Op pagina 14 staat: De thans weer in aanbouw zijnde plek van het lange tijd verwaarloosde huis op nr 17 was destijds van notarisklerk en bankkassier B Lubbers, getrouwd met onderwijzeres Meijer uit Meppel. Het heette "de Kamp". De man schijnt bij een bankoverval om het leven te zijn gekomen. De heer Lubbers is niet om het leven gekomen bij een bankoverval, maar de heer Boeve -ik dacht dat hij woonachtig was in Dedemsvaart- die tijdens de vakantie van de heer en mevrouw Lubbers waarnam voor de heer Lubbers. De heer Lubbers was wat in het artikel genoemd werd bankkassier van de AMRObank aan de Julianastraat en woonde daar ook. Het waren onze buren. Wimke Schipper-van Aalderen Dick de Boer antwoordde: Dank voor deze correctie. Overigens woonde de heer Lubbers als notarisklerk in de jaren '30 wel degelijk op de genoemde plek aan de Hammerweg. Pas later is hij als bankkassier van de Rotterdamse Bank gaan wonen aan de Julianastraat.

10


De melkbus uit Ommen door Wouter de Graaf

Tegenwoordig wordt het melktransport van veehouders naar de fabriek gedaan door RMO -vervoer. RMO staat voor Rijdende Melk Ontvangst. U kent ze wel, grote vrachtwagens met een grote tank waarin de melk wordt opgehaald bij de veehouders. Vroeger ging dat wel anders. Dagelijks werd de melk bij de veehouders opgehaald door de melkrijder, die met paard en wagen de melkbussen ophaalde die door de veehouders langs de weg werden geplaatst. Al die melkbussen hadden een nummer, zodat bij de melkfabriek genoteerd kon worden bij welke veehouder de melk vandaan kwam. Zie hiervoor het boek van Olivier Immig “Uit het leven van Ommen”, blz. 87 Uiteraard gebeurde dat ook in Ommen, waar de melkrijders de melkbussen afleverden bij Melkfabriek “De Vechtstreek”. In het begin van de jaren tachtig werd van dat systeem afgestapt en ging men over tot het RMO-vervoer. Over een van die melkbussen is een verhaal te vertellen. In 1932 ben ik in Ommen geboren en in 1937 zijn wij naar Schiedam verhuisd. Daarna is de band tussen familie de Graaf en Ommen steeds blijven bestaan en het is nog steeds een genoegen om telkens weer daar een bezoek te brengen, wat vrijwel jaarlijks gebeurt. Ik zal u niet vermoeien met de plaatsen waar ik later ook gewoond heb, maar aan het eind van de jaren zeventig ben ik in Ooltgensplaat gaan wonen, een klein dorp op het voormalige eiland Goeree-Overflakkee in Zuid-Holland. Daar heb ik mij met verschillende zaken bezig gehouden en was o.a. ook secretaris van de plaatselijke Ondernemersvereniging. Op een dag had ik bij de penningmeester van die vereniging een gesprek, waarvoor hij mij bij hem thuis had uitgenodigd. Bij mijn binnenkomst zag ik in de gang een melkbus staan en tot mijn grote verbazing had die als opschrift “DE VECHTSTREEK OMMEN 1967” Die bus had, nadat hij door de fabriek was afgedankt, een ander uiterlijk gekregen. Door de bus te verkoperen was het een glanzend exemplaar geworden, al waren de sporen van jarenlang gebruik nog duidelijk zichtbaar. De melkbus had uiteraard op mij een grote aantrekkingskracht en ik vroeg dan ook of er een mogelijkheid was, dat de melkbus mijn eigendom zou kunnen worden. Omdat er wel begrepen werd dat er een goede reden was dat ik de melkbus in mijn bezit zou willen hebben werd er voorgesteld om te ruilen als ik een exemplaar zou kunnen vinden met een soortgelijk uiterlijk. Het opschrift vond men niet belangrijk. Na intensief speurwerk had ik binnen enige maanden een soortgelijk exemplaar gevonden en kwam de ruil tot stand. Nu staat er al ruim vijfentwintig jaar bij mij in de gang een voor mij kostbare melkbus met het opschrift “DE VECHTSTREEK OMMEN 1967”, waar dagelijks met genoegen naar kijk. Hoe de melkbus de afstand van ruim 200 kilometer heeft afgelegd en in Ooltgensplaat terecht is gekomen hebben ze mij niet kunnen vertellen. Ook was de melkbus niet meer voorzien van een nummer, zodat de verdere geschiedenis niet meer te achterhalen zal zijn en dat vind ik wel jammer. De melkbus was overigens niet het enige dat ik in Ooltgensplaat heb gevonden en dat uit Overijssel afkomstig was, want ook mijn huidige levenspartner heb ik voor het eerst in Ooltgensplaat ontmoet en zij is geboren op Hoge Hexel, gemeente Wierden, hemelsbreed op nog geen 20 kilometer afstand van Ommen! Bezoeken aan de beide geboorteplaatsen zijn dan ook heel gemakkelijk en prettig te combineren, iets dat regelmatig voorkomt. 11


Gevaarlijke raketten in en rond Ommen Het geheime wapen van Hitler door Ben Wösten

Een V-2 vlak na de start

De bevrijding Dit jaar is het precies 65 jaar geleden, dat Nederland bevrijd werd van het Duitse juk. De vijf jaren bezetting zijn maar moeilijk te vergeten. Op zich is dit ook heel logisch. Daarvoor is er in die vijf jaar teveel gebeurt aan vernederingen, moord en doodslag. Ik noem onze Joodse plaatsgenoten die afgevoerd zijn naar concentratiekampen waarvan ze nooit meer terugkwamen. Daarnaast een aantal Ommenaren die in onze eigen plaats dodelijk getroffen zijn bij de bevrijding van Ommen door de beschietingen nabij de Vechtbrug. Alles had echter nog veel beroerder kunnen gaan als Hitler eerder had kunnen beschikken over de V-1 en vooral over de V-2 raketten. Op het eind van de tweede Wereldoorlog beschikten de Duitsers plotseling over een geheim wapen. Ze noemden het de V-1. De letter V stond voor ‘Vergeltungswaffen’. Het Hitler-leger had van deze “vliegende bommen” zoals ze ook wel genoemd werden, hoge verwachtingen en dachten de oorlog hiermee een beslissende wending te kunnen geven. Ze waren immers opzienbarend in die tijd. Militair gezien voldeden ze echter helemaal niet aan de hooggespannen Duitse verwachtingen. De V-1 was in eerste instantie vooral gericht op Londen. Engeland was in de ogen van Duitsland de grootste vijand en zou als zodanig vernietigd moeten worden. Maar de Britse afweer en de R.A.F. konden de meeste traag overvliegende V-1’s onschadelijk maken voordat ze hun doel hadden bereikt. De eerste V-1 (Vergeltungswaffe-eins) werd op 13 juni 1944 richting Londen gelanceerd vanaf de kust in Noord-Frankrijk. Dit gebeurde een week na D-day. Nadat België bevrijd was werden de V-1’s ook afgevuurd op Antwerpen en Luik. Deze V-1 was feitelijk een onbemand vliegtuigje die aangedreven werd door een straalmotor. Hij kon als zodanig niet gestuurd worden. Hij werd afgeschoten richting het doel, bv Londen. Hij kwam zover totdat de brandstof op was en vloog dan naar beneden al dan niet een bepaald doel treffend. In de neus van het toestel bevond zich de springlading van ongeveer 700 kg en kon daarmee een behoorlijke schade veroorzaken. Hoe groot de schade kon zijn bleek toen een van de raketten een bioscoopzaal in Antwerpen trof. Het gevolg was enorm, er vielen 500 doden te betreuren, 200 burgers en 300 militairen. Lanceringen van de raketten De V-1’s werden afgevuurd vanaf vaste lanceerplaatsen. De meeste van deze lanceerplaatsen waren echter al gauw het doelwit van de geallieerden. De Duitsers moesten steeds andere plaatsen opzoeken voor het afschieten van deze raketten. Bij de naderende bevrijding werden ook in de bossen bij Almelo lanceerinstallaties onklaar gemaakt De bestrijding van de lanceerinrichtingen van de V-2 raketten was een stuk moeilijker, omdat deze raketten afgevuurd werden vanaf mobiele lanceerstations. De V-2 was als zodanig ook veel gevaarlijker dan de V-1. De V-2 kon in tegenstelling met nummer 1 wel vanaf de aarde bestuurd worden. Ze waren ook veel moeilijker te bestrijden doordat deze raketten op veel grotere hoogte, zelfs door de stratosfeer vlogen en daarom bijna onzichtbaar waren voor het afweergeschut. Ook hadden ze een grotere hoeveelheid explosieven aan boord.

Geraadpleegde lectuur: Dokumentation “Signal”. Herdenkingsuitgave ’t Lemels Arfgoed Jaarboek voor Cultuur en Historie Overijssel

Vervoer en montage in Ommen De diverse onderdelen van de V-2 raketten kwamen per trein op het station van Junne aan. Vervolgens werden ze op transportwagens geladen en vervoerd naar het Landgoed Archem. Het Duitse leger had inmiddels bezit genomen van dit Landgoed. Bijna alle bewoners aldaar moesten naar elders vertrekken. Het gebied werd van alle kanten zwaar bewaakt. Het was duidelijk waarom de Duitsers geen pottenkijkers konden gebruiken. Hier werden de raketten voorzien van de springlading. Vanuit Archem werden ze uiteindelijk met afgedekte legervoertuigen vervoerd naar de lanceerbasis. Een van de bekendste lan12


ceerinrichtingen stond een tijdlang op het Eelerveld nabij Hellendoorn. Later worden ze afgeschoten in Hessum en het gebied Mataram bij Dalfsen en daarna nogmaals in Hellendoorn. Ook vanuit Raalte werden de V-2’s afgevuurd. Voor de omwonenden was dit lang niet zonder gevaar. Nee, het was zelfs zeer gevaarlijk. Doordat sommige lanceringen mislukten kwamen de zeer gevaarlijke raketten in de directe omgeving terecht. Het meeste trieste voorval deed zich voor in Luttenberg waar een V-2 in een weiland neerstortte. Een aantal mensen gingen de raket van dichtbij bekijken. Maar toen sloeg het noodlot toe. De V-2 ontplofte waarbij 19 mensen dodelijk werden getroffen. Ook in Deventer en Almelo werden mensen dodelijk getroffen door neerstortende raketten. Ook in het Ommerveld bij Witharen ontplofte een V-2 raket. Dit had te maken met een beschieting van een vrachtwagen door geallieerde vliegtuigen die beladen was met een V2. Het gevolg was hier een enorme ontploffing met een grote vuurzuil die boven de bomen uitkwam. Gelukkig vielen hier geen slachtoffers onder de omwonenden, dit in tegenstelling met Luttenberg en andere genoemde plaatsen. Rivaliteit in het Duitse leger. De V-1 was het paradepaardje van de Duitse Luftwaffe en de V-2 van het Duitse leger. Elk van deze legeronderdelen vond zijn raket de beste. Hierdoor liep het productieprogramma maanden vertraging op. Daarbij komt ook nog het feit, dat de productie van de V1 aanzienlijk goedkoper was dan dat van de V-2. De reikwijdte van de V-1 bedroeg 280 km en dat van de V-2 320 km. De kostprijs van nummer een bedroeg tussen de 1500 tot 10.000 mark. Nummer twee kostte echter 75.000 mark. De explosieven waren voor beide raketten ongeveer 1000 kg. Er werden in totaal ruim 100.000 V-!’s afgevuurd op Engeland, maar slechts 20.000 bereikten hun doel waarvan de meeste terecht kwamen in Londen en een klein aantal in Portsmouth. Het aantal slachtoffers bedroeg ruim 6000 en ruim 17.000 gewonden. Van de 5000 stuks die afgevuurd werden op Antwerpen kwamen er slechts 211 op de stad terecht. Van de V -2’s werden er 4000 stuks afgevuurd maar slechts 1500 bereikten hun bestemming. Daarnaast kwamen er ook nog eens 2050 terecht op Brussel, Antwerpen en Luik. In Engeland waren 2500 slachtoffers te betreuren door aanvallen van de raketten. Kwalitatief ontliepen de beide raketsystemen elkaar niet zo heel veel. De ontwikkeling van de raketsystemen stond niet stil. Een groot aantal geleerden was bezig de raketten te verbeteren. Gelukkig voor de vrije wereld waren ze te laat. Toen ze inmiddels betere versies hadden was de oorlog afgelopen. Men kan stellen, dat Ommen wel behoorlijk betrokken is geweest bij het oorlogsgebeuren in de Tweede Wereldoorlog. Ik denk dan voornamelijk aan het verschrikkelijke concentratiekamp “ERIKA” op de Besthemerberg. Het vervoer en in elkaar zetten van bovengenoemde levensgevaarlijke raketten. De gevechten bij de Vechtbrug en bij hotel Paping. Maar bovenal de wegvoering van bijna al onze Joodse plaatsgenoten naar de vernietigingskampen en de Ommenaren die gesneuveld zijn bij de beschieting van de brug. En tenslotte moet ook genoemd worden de verzetsgroep in de buurtschap Stegeren, de beschieting bij de “Vosseboer” en de schietpartij in Beerze,tussen leden van de verzetsgroep aldaar met wegvluchtende Duitse militairen. 13

Hierboven een schets van de V-2 raket. Zoals te zien heeft deze raket een lading van een ton aan explosieven aan boord. De lengte van deze raket was 14 meter en een diameter van 1,66 meter. De brandstof die meegevoerd werd bestond uit 8900 kg vloeibare zuurstof en alcohol. De raket had 1000 kg springstof aan boord en had een startgewicht van 13 ton. De V-2 maakte een snelheid van 5400 km per uur en vloog op een hoogte van 90 km of hoger.


Gerrit Jan Eshuis (1895-1980) Amateur-archeoloog en -streekhistoricus uit Almelo door Henk Schuurman

Bij de Nijverdalse Uutgeverieje ’n Boaken (voorheen Uitgeverij Historische Kring Hellendoorn-Nijverdal) verscheen in 2010 als nummer 7 van de Historische reeks “Ontdekkingsreizen langs de Regge - historische speurtochten rond Hellendoorn, Den Ham en Daarle”. Dit is een bundeling van oorspronkelijk in het Dagblad van het Oosten verschenen krantenartikelen van G. J. Eshuis die dateren van 1941 tot 1965. In 2003 werd de artikelenserie “Speurtochten rond de Notenhaar” uit 1969-1971 uitgegeven onder de titel “Boerderijen langs de Regge”. In de jongste uitgave is ook een biografische schets opgenomen. Daaraan, aan een artikel van Harry Wonink in Tubantia van 19 juli 1975 i.v.m. de 80ste verjaardag van de heer Eshuis en aan enkele andere berichten uit dagbladen is het volgende ontleend. Gerrit Jan Eshuis werd geboren op 25 juli 1895 in een keuterboerderijtje aan de Visschedijk in Almelo. Tegenwoordig is de Visschedijk nog een landelijk stukje grond met enkele oude woonboerderijen tussen de stadsrand en het industrieterrein Turfkade. Gerrit Jan werd geen boer maar moest op 12-jarige leeftijd al gaan werken in de textielfabriek Indië. In de pauzes repareerde hij soms fietsen van medearbeiders. Daarvoor werd zo vaak een beroep op hem gedaan dat hij er bij de fabriekspoort een speciale keet voor kreeg. In 1932, na 25 jaar in de textiel gewerkt te hebben, begon hij aan de Tijhofslaan een eigen rijwielzaak. Toen hij later een knecht kreeg begon hij elke woensdag de boer op te gaan (meestal op de fiets, want hij haalde zijn rijbewijs pas toen hij 70 jaar was) op het platteland van Twente en Oostelijk Salland om onderzoek te doen op het gebied van archeologie en streekgeschiedenis. Want daar ging al vroeg zijn belangstelling naar uit. Als jongen zocht hij in zijn geboortestreek al naar prehistorische voorwerpen als vuurstenen pijlpunten en krabbers. Bij talloze boeren kwam hij “op de kökken” om te luisteren naar oude verhalen, anekdotes en spreuken. Alles wat hij hoorde, ook over oude gebruiken, tekende hij zorgvuldig op. Ook deed hij naspeuringen in allerlei archieven, zoals oude registers en markeboeken. “Maar dat speurwerk is onvolledig als je het alleen binnenskamers doet”, zei hij. Essentieel was voor hem het gesprek met de bewoners van de oude boerderijen in zijn werkgebied. In 1941 kwam er voor het eerst een artikel van hem in de krant, over kasteel de Schuilenburg bij Hellendoorn. Dit stuk is ook opgenomen in de bovengenoemde bundel “Ontdekkingsreizen langs de Regge”. In de eerste helft van de jaren ’50, toen hij al bijna 60 jaar was, begon hij regelmatig te publiceren in het Dagblad van het Oosten, ook wel Twents Zondagsblad genoemd. Eshuis was ook een goede verteller. Hij hield vaak lezingen over zijn werk. Een eerste belangrijke ontdekking van Eshuis betrof een middeleeuwse schans, de Schuilenberg of “Schulenborg”, aan de rand van Almelo. Het bestaan ervan was in vergetelheid geraakt maar toen het in maart 1949 hoog water was, de gedempte grachten volliepen en de hogere delen van de schans met de koppen boven water bleven, besefte Eshuis dat hier een oud verdedigingswerk lag dat evenals andere schansen (in de volksmond vaak “huneborgen” genoemd) in het verleden ook dienst deed als vluchtheuvel bij wateroverlast. Jarenlang zette Eshuis zich er voor in dit cultuurmonument te behouden en in het begin van de jaren ’70 kreeg het ook de status van beschermd monument. In december 1962 verschenen vier artikelen van hem over ‘t Geheim van de “Schulenborg”: “Middeleeuwse burchten, of vluchtheuvels bij hoog water?” (I) “Reconstructie wijst op twee delen, omgeven door grachten” (II) “Rond Huneborgen zijn steeds interessante sagen geweven” (III) “Hunnen, zigeuners, zwervers, tijdelijk de latere bewoners” (IV). Over de omgeving van Almelo schreef Eshuis in de jaren 1964 tot 1967 een lange artikelenserie “Van Boerenland tot Stadsrand”. Met behulp van zijn moeder (die bijna 97 jaar werd) had hij zich verdiept in de historie van de boerderijen die weg moesten in verband met de stadsuitbreiding. Nog bij zijn leven (in 1977) werden de 116 artikelen in boekvorm 14


uitgegeven. In 1974 was Eshuis in verband met zijn vele verdiensten voor Twente al (als eerste) geëerd met de culturele “Mans Kapbaargprijs”. Eshuis was in zijn tijd een van de belangrijkste Twentse amateurarcheologen. Zijn vondsten, o.a. in de omgeving van de Visschedijk, in de ruilverkaveling Vriezenveen en in Hoge Hexel, waarover hij ook publiceerde, trokken de aandacht van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort. Men vroeg hem om correspondent te worden. De legitimatiekaart die hij kreeg verschafte hem gemakkelijker toegang tot voor hem interessante plaatsen, b.v. bouwputten en ruilverkavelingsgebieden. Hij schreef ook enkele artikelen over “De volksoverlevering als wegwijzer voor de archeoloog”. Verhalen van boeren brachten hem vaak op het goede spoor. In 1960 richtte hij met zijn vriend Reinier Kampman, voor hem een grote stimulator bij het zoeken naar archeologische voorwerpen, de Twentse Werkgemeenschap voor Archeologie en Historie op. In de loop der jaren kreeg hij een uitgebreide en goed gedocumenteerde verzameling bodemvondsten. In 1978 deed hij die over aan het Rijksmuseum Twente. De gemeente Almelo kocht in dat jaar zijn collectie antieke halen, stukken gereedschap afkomstig uit verdwenen Almelose boerderijen. Kort nadat Eshuis 80 jaar werd sloot hij een serie van bijna 100 artikelen af in het Dagblad van het Oosten met de titel “Zwerftochten door de Vechtvallei”. Tot en met nummer 69 beschreef hij de buurtschappen langs de Vecht in de gemeenten Gramsbergen en Hardenberg, van De Haandrik tot Diffelen. In de jaren 1974/1975 was zijn werkterrein de gemeente Ommen. Nummer 70 van de serie t/m het laatste (ongenummerde) artikel van 23 augustus 1975 gaan over de historie van Beerze, Junne en Stegeren. Hieronder volgt een overzicht van deze laatste krantenartikelen. Datum 28-09-1974 12-10-1974 26-10-1974 09-11-1974 23-11-1974 07-12-1974 21-12-1974 04-01-1975 18-01-1975 01-02-1975 15-02-1975 01-03-1975 15-03-1975 29-03-1975 12-04-1975 26-04-1975

Nr. 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85

Kop van het artikel Beerze, nog immer ’t land van het rusteloze zand Ontleende Beerse naam aan visserij in Vecht? Huis Beerse werd in 1583 door Spanjaarden verbrand “Hans en Jenne” verlosten Beerse uit zijn isolement Beerser jeugd nam honden mee naar de “Brinkschool” Imposante Volkerink eens het bezit van huis Beerse Oude boer op ’t Hesselink zocht naar grommelsteen Warmerink en Wunnink woonden onder “kromstaf” Bouwhuis migreerde al voor 1675 van “De Höfte” Van een boerentimmerman die een kasteel bouwde Keuters bij verdeling vaak aan de “achterste titte” Oma Meulman geloofde niet in een landing op de maan “Greven Ab” had bakoven naast de haardstede De Marsinks mogelijk oudste erven van Beerse “Goede Vrouw” was vele eeuwen schippersherberg Over Beerserhaar liep eens een oude handelsweg

M.i.v. 1 mei 1975 werd het Dagblad van het Oosten een kopblad van Tubantia. Het vervolg (na een onderbreking?) van de serie is (daarom?) niet genummerd. De copieën hiervan kreeg ik van Jan de Roos en Klaas Zandman uit Beerze en van het Historisch Informatiepunt in de Bibliotheek in Almelo. 17-05-1975 24-05-1975 07-06-1975 14-06-1975 21-06-1975 28-06-1975 05-07-1975 12-07-1975 19-07-1975 26-07-1975 02-08-1975 09-08-1975

-------------

Zandstuivingen ontnamen de boer zijn akkergrond Junnermarke vergat de huwbare dochters niet Junne had tot 1863 nog een eigen school Junne had in 18e eeuw nog gemeenschapsbakoven Duidt naam Sonnebeld op heidense cultusplaats? Bij “’t Rottenklooster” was overzetveer naar Arriën Stegeren had 1700 v. Chr. al honkvaste bewoners Heren van Stegeren en Beerse waren rivalen Praastink en Meijerink, Stegerens oudste erven Stegeren had tot 1863 de school op ’n Baandel Buurtrijm haalde “noabers” over de “fiene hèkkel” “Hilberts Willem” kwam na drie eeuwen terug 15


16-08-1975 -23-08-1975 --

’t Harbers vaak asyl voor “volk bij de weg” Gebintbalk uit 1667 houdt het nog steeds

Op 23 augustus 1975 schrijft Eshuis: “Met dit artikel wil ik dan de serie ‘Zwerftochten door de Vechtvallei’ besluiten. Veel zou er nog te vertellen zijn geweest over de strijd van de Steger boeren tegen het telkens terugkerende euvel van de zandverstuiving. ’t Zou echter een herhaling zijn geworden van reeds eerder in deze serie besproken ‘stuifzandbestrijdingen’. Reeds twintig jaar eerder was Eshuis al in de gemeente Ommen actief geweest. Mij zijn de volgende publikaties bekend: mei 1955 nov. 1955 nov. 1955

EERDE – rijk aan krentebossen en … legenden *) BEERSE, land van het rusteloze zand Beerse ontstond rond een Karolingische hof

okt. 1959 “De Hongerige Wolf”: historische herberg aan oude Hessenweg okt. 1959 ‘Pikmaaiers’ waren geziene klanten in “De Hongerige Wolf” *) Het artikel over Eerde is opgenomen in het in 2010 verschenen boek “Ontdekkingsreizen langs de Regge”. Ook in deze “Darde Klokke” is het te lezen.

De historicus Dick Schlüter, die op 2 juni 2010 bij de presentatie van het boek “Ontdekkingsreizen langs de Regge” een lezing hield over “Archeologische sporen in het dal van de Regge”, schreef later naar aanleiding van de presentatie: “Het is prijzenswaardig dat de historische vereniging in Hellendoorn/Nijverdal de artikelen die betrekking hebben op het Reggedal toegankelijk heeft gemaakt. Er zijn ook nog artikelenseries over het dal van de Vecht, Ootmarsum en omgeving en bijdragen aan volkenkundige tijdschriften die op bundeling en publicatie liggen te wachten. Wie pakt de handschoen op? (…) We zijn nog niet klaar als het gaat om zijn nalatenschap aan en over Twente.” Voor wat het Vechtdal betreft ligt hier misschien een taak voor de Historische Vereniging Hardenberg en de Historische Kring Ommen. Op 27 oktober 1980 is Gerrit Jan Eshuis op 85-jarige leeftijd overleden.

Lezers reageren Het artikel in De Darde Klokke over Varsen Geachte redactie, In "De Darde Klokke" nr. 156 van sept. 2010 maakt Dieks Horsman op blz. 18 melding van een tragisch ongeval in Varsen waarbij de boerenknecht Berend Dunnewind om het leven kwam. Een correctie is hier op zijn plaats. Het ongeval is weliswaar correct beschreven, maar het slachtoffer was niet Berend Dunnewind - die heeft ook nooit bestaan - maar mijn grootvader Berend Timmerman. Hij overleed op 17 juli 1918 op 33-jarige leeftijd aan de gevolgen van het ongeluk dat hem een dag eerder was overkomen. De naamsverwisseling is begrijpelijk en verklaarbaar want hij woonde met vrouw en 3 jonge kinderen op De Dunnewind. Hij was ook geen boerenknecht, maar eigenaar van de Dunnewind, die hij in 1912 ter gelegenheid van zijn huwelijk in eigendom had verworven van 2 zusters, Gezina en Christina Schutman (Sienemeuje & Stienemeuje), beide weduwe en nicht van zijn vader, die hem vele jaren eerder als weeskind op verzoek van de Hervormde diaconie op de Dunnewind in huis hadden genomen. Hij is ook de schoongrootvader van de HKO-voorzitter. Zijn weduwe, Geertje Baarslag, hertrouwde op 14 nov. 1919 met de 15 jaar oudere Egbert Mooijers, de grootvader van het gelijknamige Oll'Ommer bestuurslid. B.Timmerman 16


Proces-verbaal anno 1944

Hoe de opperwachtmeester van Zanten ons op het spoor is gekomen is mij nooit duidelijk geworden. Dat we een Duits meisje dat aan de Stationsweg woonde ( in het huis nu bewoond door de familie Renting ¹) hebben gepest zal wel kloppen. Het was de dochter van een belangrijk man bij de ‘Organisation Todt’ , welke een tijdje in de padvindersboerderij aan de Koesteeg gevestigd was. (Zie ons ‘Nationaal Archief’: ‘OT’). De tuin waar die kinderen speelden grenst aan het Bergpad. En ik zal wel eens wat geroepen hebben, als ik uit school en via het Bergpad, door het weiland van Otterman (waar nu Hans Steen woont) naar de achteringang van onze tuin (nu Wilhelminastraat) liep. Maar geslagen en gespuugd hebben we nooit. Wij (Hans Beijer, Henk Oldeman en ik) werden uit de school aan het Vrijthof gehaald en moesten ons ‘melden’ bij de kazerne aan de Hammerweg. We werden in een cel opgesloten. Enno de Boer en Mannes Stegeman zaten er al. Met zijn vijven hebben we uren in de cel gezeten en werden toen door Van Zanten, die heel stoer met een pistool in zijn kaplaars voor ons heen en weer liep , enorm geïntimideerd. Mannes kreeg een harde draai om zijn oren en van Zanten dreigde onze ouders naar kamp Erica te sturen. Tegen negen uur ’s avonds moesten onze ouders ons ophalen. Achteraf een actie van de politie, te gek voor woorden. En zoals je het nu beoordeelt alleen uitgevoerd door van Zanten om een wit voetje te halen bij de Todt figuur. ¹) In het proces-verbaal staat genoemd ‘voorheen’ bewoont door tandarts Bouman. Het huis is in 1935 gebouwd door tandarts Hagens, die heel actief was in de padvinderij. Aan het begin van de oorlog bedankte hij voor de padvinderij en wordt een fanatiek NSB'er. Hij wordt zelfs lid van de Nederlandse SS en neemt dienst bij de Waffen SS .

17


Eerde – rijk aan krentebossen en … legenden Duizenden bezoekers als de “Canadese rotsmispel” bloeit door Gerrit Jan Eshuis

Bijgaand artikel stond in het Dagblad van het Oosten d.d. 4 Mei 1955

Ze staan op springen, de myriaden van kleine bloesemknoppen, die de onvergelijkbaar mooie bossen van Eerde weer met een waardig bruidskleed zullen tooien. En het zal dan weer een drukte van belang zijn in die prachtige allee, die van Den Ham naar Ommen leidt, want ontelbaar velen zullen dan optrekken naar dit eeuwenoude landgoed, om te genieten van de kortstondige, doch schitterende bloesempracht van de hier in groten getale groeiende, doch overigens in Europa zeldzame heester, de z.g. “Canadese Rotsmispel”, hier meer bekend onder de populaire naam van krentenboom, die zo ongeveer 150 jaar geleden uit Canada werd geïmporteerd. In het begin van deze eeuw waren Eerde en Dwingeloo in Drenthe nog de enige plaatsen, waar deze in Europa zeldzame boom, of misschien beter gezegd struik, groeide. Vooral aan de Oostzijde, tegenover de oprijlaan van het huis Eerde, vindt men prachtexemplaren, die wel meer dan een halve eeuw oud moeten zijn. Jammer, dat deze bloeiperiode, evenals de kleurige bladerpracht van deze heester in de herfst, maar zo kort duurt. Liefhebbers van deze bloesempracht moeten er dus steeds als de kippen bij zijn om van dit werkelijk verrassend schouwspel te kunnen genieten. Rijke historie Niet alleen liefhebbers van natuurschoon, ook de historieminnaar kan hier zijn hart ophalen. Al is ook hier in de loop der jaren veel veranderd en doet het tegenwoordige kasteel niet meer middeleeuws aan, toch is het of de vele eeuwen, die over dit landgoed heengingen, nog iets ondefinieerbaars hebben achtergelaten. Oorspronkelijk de vrije hoeve van een edele Sakser, die later zijn goed onder bescherming stelde van de abdij van Essen, wordt het in 1224 genoemd als een bezit van dit klooster. De roofridder van Eerde In de tweede helft der 14de eeuw heeft Evert van Essen, gehuwd met Margaretha, erfdochter van Eerde, het in leen en laat hier “een sterck en geweldig huis van swaren houte en steen bouwen”. Aldus verschanst achter veilige muren brandschatte en plunderde hij in verre omtrek. De bisschop van Utrecht, Floris van Wevelinckhoven, en de drie steden, Deventer, Kampen en Zwolle, besloten hier een eind aan te maken en sloegen in 1380 het beleg voor het huis Eerde. Onder het voor deze belegering aangevoerde materiaal bevond zich ook een grote partij “donrecruyt” (buskruit), wat door de Deventernaren in Vlaanderen was gekocht. Eerste toepassing van het buskruit Het slot Eerde viel aldus de “eer” te beurt, als eerste in den lande met dit “donderkruit” te worden beschoten. En men kreeg hier wel een goede gelegenheid dit nieuwe strijdmiddel te “testen”. Veel schijnt het echter nog niet te hebben uitgericht. Geen wonder, stenen van 1300 pond, die met een zware blijde tegen de muren van deze veste werden geslingerd, stuitten als kaatsballen af op de “met als molenstenders zo zware balken” in vakwerk gebouwde muren en kwamen deels weer gelijk een boemerang in het kamp der belegeraars terug. De belegeraars hielden echter vol en toen het de belegerden duidelijk werd, dat er geen kans op hulp of ontzet was, gaven zij zich over. Nu gaf de bisschop bevel het roofnest te vernietigen, doch het bouwsel bleek zo hecht en sterk, dat men het met geen mogelijkheid kon slopen. Om het toch grondig op te ruimen, werd het in brand gestoken. De grote hoeveelheid zwaar hout aan deze, zo solide gebouwde burcht verwerkt, was ook voor het vuur een moeilijk te verteren kost, zodat het meer dan een maand lang brandde.

18


Verzoening en boete Na zijn nederlaag verzoende Evert van Essen zich met de bisschop, maar overleed reeds in 1382. Wel zullen ze hem zwaar gebrandschat hebben, want in het jaar 1383 de 20e October “des Vrijdages na Sunte Symen Juden daghe” verklaart Gheryt van den Zyle, pander in Zallant van de bisschop van Utrecht, dat hij voor een schuld van 2000 oude schilden, ten behoeve van Vrederik van Hekere, ridder, beslag heeft gelegd op de nagelaten goederen van Evert van Essen, met uitzondering op de douaire voor diens vrouw, de jonkvrouw van Eerde. Bij een “magescheid” komt het kasteel, dat inmiddels weer herbouwd was, in bezit van Hendrik van Essen. In 1521 wordt het weer geplunderd en omvergehaald door de Zwollenaren onder bescherming van de oorlogzuchtige Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, die de gehoorzaamheid aan Utrechts bisschop had opgezegd. In 1531 wordt Jan van Twikkelo met het huis Eerde en aanhorigheden beleend. Adriana, dochter van Jasper van Twikkelo, huwt 2 December 1588 met Jan Baptiste van Renesse. De 11e April 1706 verkoopt de Douairière Schaap van Winsum, geboren van Renesse, het aan Baron Johan Werner van Pallandt. Deze en diens vrouw, Johanna Elisabeth van Baer, zijn de stichters van het tegenwoordige huis (1715). De legende van de kinderruil Veel sagen en legenden zijn in de loop der eeuwen om en met huize Eerde verweven. Die wel het langst onder het eenvoudige landvolk bleef leven, is de legende van de kinderruil tussen de burchtvrouwen van Collendoorn en Eerde. Rudolf, jonker van Collendoorn, heeft liefde opgevat voor Ida, de jonkvrouw van Eerde en vriendin van zijn zuster Kunigonda. Deze laatste probeert haar broeder te overreden van Ida af te zien omdat deze zijn liefde niet beantwoordt. Rudolf echter houdt teveel van Ida om haar zonder meer op te geven. Na een opwindend gesprek met zijn zuster gaat Rudolf ter jacht en zwerft door de bossen in de richting van Eerde, in de hoop zijn geliefde te ontmoeten. Toevallig heeft Ida het plan opgevat een bezoek te brengen aan haar vriendin Kunigonda van Collendoorn. Ida met haar page rijden op hun hitten door het Eerderbos, in de richting Beerse. ’t Is winter, de sneeuw kraakt onder de hoeven der paarden en de wateren zijn met een ijsvloer bedekt. Ook de Vecht is toegevroren en het ijs blijkt sterk genoeg om hen en de paarden te kunnen dragen. Zij kwamen nu vlugger bij de oude Hessenweg, die langs Collendoorn voert. Plotseling staakt Ida’s hit zijn snelle gang, steekt de kop op met gespitste oren en begint over zijn hele lichaam te beven. “In aller heiligen naam, vooruit, Jonkvrouw”, gilt de page. Het was te laat! Een vervaarlijke wolf breekt door de struiken, gevolgd door een zestal anderen, die zich op de paarden werpen. Het ziet er voor de jonkvrouw van Eerde hachelijk uit, want de page, die slechts met een degen gewapend is, kan haar weinig hulp bieden. Toch heeft iemand haar hulpgeroep gehoord. Het is de jonker van Collendoorn, die als de reddende engel op het toneel verschijnt. Met één welgemikte pijl weet hij de wolf, die het op Ida’s hoofd heeft voorzien, te doden. De jonker tilt de jonkvrouw nu op zijn paard en voert haar naar de dichtbij gelegen herberg aan de oude Hessenweg, waar zij weer op haar verhaal kan komen. “De hongerige wolf” Meer dan vijf eeuwen zijn na dit voorval verstreken en nog heet deze herberg “De hongerige wolf” en de plaats waar de jonkvrouw door de wolven werd overvallen, “de wolvenstruik”. Na haar redding door de jonker van Collendoorn voelde Ida zich zodanig aan haar redder verplicht, dat zij hem haar hand schonk. Toen Rudolf zijn moeder, de burchtvrouw van Collendoorn, met dit feit in kennis stelde, brak er een ware storm los en dreigde ze haar zoon met opsluiting in de kelders van haar burcht. Waarom was zij er zo fel tegen? Zij en de reeds vroeg gestorven burchtvrouw van Eerde waren boezemvriendinnen geweest. Ofschoon zelf zeer heerszuchtig van aard, had ze altijd gesidderd voor haar man, 19


die haar gedreigd had met verstoting, als ze hem geen zoon schonk. Nu wilde het toeval, dat de burchtvrouw van Collendoorn en die van Eerde gelijktijdig een kind verwachtten. De burchtvrouw van Collendoorn had er reeds een voorgevoel van dat het een dochter zou worden. Daarom stelde ze haar boezemvriendin voor, mocht haar voorgevoel bewaarheid worden en de burchtvrouw van Eerde zou een zoon krijgen, de kinderen te ruilen. De goede Mathilde van Eerde wilde haar ongelukkige vriendin wel helpen, maar hoe? Daarom werd een, ergens in de buurt van Den Ham wonende pater, Thomas de Kluizenaar genoemd, in het complot betrokken, die zijn medewerking verleende onder voorwaarde, dat zo er iets verkeerd mocht gaan, hij van verdere geheimhouding ontslagen zou zijn. Toen beide aanstaande vaders ten strijde waren (wanneer waren ze het niet?), bracht de burchtvrouw van Eerde een zoon en die van Collendoorn een dochter ter wereld: de kinderen werden nu in ’t geheim verwisseld, doch het meisje stierf spoedig. Later werd de heer van Eerde nog een dochter geboren, de hierboven genoemde Ida. Deze was dus een volle zuster van Rudolf. Na vele verwikkelingen en moeilijkheden (de burchtvrouw van Collendoorn wordt krankzinnig) voelt Pater Thomas zich van zijn gelofte ontslagen en weet nog juist bijtijds de bloedschennende echt te verhinderen. Rudolf, nu als jonker van Eerde, huwt later met zijn vermeende zuster Kunigonda, jonkvrouw van Collendoorn, en zij worden een gelukkig paar.

Wie herkent de personen op deze foto? De HKO is in het bezit gekomen van onderstaande foto. Het is niet bekend welke familie dit is. Herkent u personen op deze foto, dan wordt u verzocht contact op te nemen met de HKO.

20


Darde Klokke Nummer 157