Skip to main content

De Boomklever Juni 2013

Page 38

Vogels

:·..·· . . �"

Draaihals ]ynx torquilla

BBV, RL (MUB)

DG = 30 april - 31 juli;# obs DG = 1; FA= 500; GW = terr. & nestind. gedrag DG = 15 mei - 31 juli;# obs= 2;# obs DG = 1; FA= 500; GW = ad, paar Van de Draaihals werd voorafgaand aan de be proken periode slechts één keer een mogel�1k broedgeval in regio Leuven opgetekend, namelijk in 2002 op de Roeselberg te Herent (Moreau 200�). Dit geval betrof één van de weinige gegevens die voor deze oort konden worden verzameld tijdens de inventarisaties voor de Vlaamse broedvogelatlas (die dit geval verkeerdelijk in 2001 situeert), waarin de Vlaamse populatie voor de jaren 2000-2002 op slechts 1 à 3 territoria werd geschat (Vermeersch 2004). In 2003 en 2004 werden slechts respectievelijk één zangpost en één zeker broedgeval opgetekend (telkens op de Kalmthoutse Heide), en latere publicaties over het Vlaamse broedvo­ gelonderzoek meldden zelfs helemaal geen terri­ toria in 2006 en 2007 (Vermeersch & Anselin 2009), noch in 2008 en 2009 (Anselin 2010). Ook voor het Dijleland kwamln bij de in­ terpretaties in het kader van deze bijdrage t�t �n met 2009 geen waarnemingen boven water die m de context van broedvogelonderzoek geïnterpre­ teerd kunnen worden. Een Vlaams overzicht voor de daaropvolgende jaren ontbreekt vooralsnog, maar in 2010 en 2011 werden er in onze regio wel enkele waarnemingen genoteerd die bij een strik­ te toepassing van de criteria op territoria kunnen wijzen. In 2010 ging het om een waarneming van een roepend exemplaar te Sint-Joris-Weert (in de rand van Meerdaalwoud) op 1 mei (Moreau 2010c), wat betekent dat de datumgrenzen voor territorium-indicerende waarnemingen van toe­ passing worden. Deze lopen volgens de gevolgde methodiek (van Dijk & Boele 2011) van 30 april tot 31 juli, en één waarneming volstaat om tot een territorium te besluiten. Omwille van het uitblij­ ven van vervolgwaarnemingen (ondanks gericht zoeken) en in de wetenschap dat Draaihalzen bij on kunnen doortrekken tot ver in mei (en tijdens het pleisteren ook wel eens kunnen roepen; o.m. pers. med. J. Rutten), wensen we hier echter voor­ zichtiger te zijn en slechts over een mogelijk terri­ torium te spreken . 2011 bracht vervolgens enkele intrigerende waarnemingen in Oud-Heverlee met zich mee (Moreau 2011b,c) . Een waarneming van een roepend ex. op 3 juni in het dorp volstaat voor een territorium, volgens dezelfde redenering als gevolgd bij het geval uit 2010. Omwille van dezelfde bedenkingen lijkt het onwaar chijnlijk dat deze interpretatie de realiteit vertegenwoordigt, zeker aangezien het ging om

84 De Boomklever

-

juni 2013

een waarneming in de onmiddellijke woonomge­ ving van een ervaren inventariseerder die de soort in geval van een blijver wellicht nogmaals h�d . opgemerkt. Te Oud-Heverlee/Z (buite� de � sie­ afstand ten opzichte van de waarnemmg uit het dorp) waren er in 2011 twee wa�rnemi�ge�, m�ar in deze gevallen ging het om met-terntonum-m­ dicerende waarnemingen (waarnemingen van een adult of een paar) waarvoor de datumgrenzen pas op 15 mei ingaan, en eveneens tot 31 juli lopen. Twee exemplaren op 15 juli vielen binnen deze grenzen, en een exemplaar o� 21 april kan al de . benodigde tweede waarnemmg worden gezien. Gezond verstand geeft ons echter in dat het bij de haren getrokken is om twee niet-territoriumindice­ rende waarnemingen uit april en juli te combineren tot een territorium. Zeker in een regelmatig bezocht gebied als OHZ hadden we hier�oor gra�g tussen­ liggende observaties gehad, gezien de beide waar­ nemingen aan de verschillende uiteinden van het broedseizoen van de Draaihals liggen, en allebei op doortrekkers betrekking zouden kunnen hebben. Het strikt toepassen van de interpretatiecrite­ ria voor broedvogels leidde voor de Draaihals verassend genoeg tot de afbakening van één ter­ ritorium te Sint-Joris-Weert in 2010, en twee ter­ ritoria te Oud-Heverlee in 2011. Omwille van de zeldzaamheid van deze soort als broedvogel in gans Vlaanderen, het ontbreken van extra waar­ nemingen (ondanks zoektochten en/of een hoge trefkans in druk bezochte gebieden), en de mo­ gelijkheid dat er doortrekkers in het spel waren, plaatsen we grote vraagtekens bij dit resultaat en spreken we slechts van mogelijke territoria.

Zwarte Specht Dryoscopus martius

VRL

DG = 15 maart - 20 juni; # obs DG = 2; FA= 600; GW = ad, paar, terr. & nestind . gedrag Voor de Zwarte Specht vormen de Dijlelandse bossen reeds langs tijd een zwaartepunt binnen zijn verspreiding in Vlaanderen. Recentelijk heeft deze soort echter een opmerkelijke expansie door­ gemaakt in ons landgedeelte wat leidde tot een veel ruimere verspreiding en een schatting van 650-1050 Vlaamse territoria in 2000-2002 (Ste­ vens 2004). Deze ruime schatting toont aan dat de Zwarte Specht niet eenvoudig gebiedsdekkend te inventariseren is, en zeker niet op jaarlijkse basis. Zo konden voor de jaren 2006 en 2007 op basis van de in Vlaanderen verzamelde gegevens alvast geen betrouwbare populatieschattingen meer op­ gesteld worden (Vermeersch & Anselin 2009).


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De Boomklever Juni 2013 by Natuurstudiegroep Dijleland - Issuu