Zoet, zouter, zoutst Typerend voor de Schelde is de gradiënt in het zout gehalte. Het zeewater slaagt erin ver landinwaarts door te dringen.
Saliniteitszones: Zout water Zout water - Brak water Brak water - Zoet water Zoet water zijrivier Zoet water hoofdrivier
verdragen. Naargelang het tij varieert het zout gehalte met enkele grammen per liter. Naargelang de rivier meer of minder regenwater afvoert, kan dat verschil nog oplopen. In zomers met minder neerslag schuift de zoutgrens stroomopwaarts op, terwijl in winters met meer neerslag de omgekeerde beweging plaatsvindt. In het oostelijke deel van de Westerschelde bedroeg het zoutgehalte in de droge warme zomer van 1994 meer dan 10 gram per liter. In de zeer natte winters van 1993-94 en 1994-95 kwam het maar op 1 tot 2 gram per liter. Dit maakt van de brakke zone in de Schelde een gebied dat organismen tot het uiterste op de proef stelt.
Minder en meer zoet water Gemiddeld passeert langs Antwerpen 120 kubieke meter zoetwater per seconde. Dat is heel wat minder dan het natuurlijke debiet van de rivier. De menselijke ingrepen spelen hierin een grote rol. Zonder die menselijke ingrepen zouden de zout
De monding van het kanaal Gent-Terneuzen. verdeling en het sedimenttransport er volledig anders uitzien. Zo wordt de zoetwaterafvoer verkleind door het water via ‘aftappunten’ een andere richting uit te sturen. Het Afleidingskanaal van de Leie, het kanaal Gent-Brugge en het kanaal Gent-Terneuzen halen maar liefst twee derde van het water uit de bovenloop van de Schelde. Amper één derde stroomt nog door het hele Scheldetraject. Dit heeft tot gevolg dat de Rupel, qua debiet, in de zomer een belangrijkere rol speelt voor het estuarium dan de Bovenschelde zelf. Het zoutgehalte wordt ook beïnvloed door de zoetwaterafvoer vanuit het Albertkanaal en het spuikanaal van Bath.
De Schelde een stroom natuurtalent
19