Noordzee Zierikzee
Goes
Vlissingen
Schelde Honte Terneuzen
Honte Rond het jaar 1000 mondde de Schelde uit in zee, via de huidige Oosterschelde. Wat toen de Honte genoemd werd, zou later de Westerschelde worden: een rechtstreekse verbinding met de Schelde en de belangrijkste uitweg voor de stroom.
Met dijkjes bonden deze pioniers de strijd aan t egen het overstromingsgevaar: de eerste gesloten ringdijken dateren reeds uit de 10de en 11de eeuw. Sindsdien heeft de mens onafgebroken zijn stempel op het Scheldelandschap gedrukt. In de middeleeuwen werkte men voortdurend verder aan bedijking en inpoldering. Een zeer belangrijke ingreep was de bouw van een sluis in Gent. Dat gebeurde al in de 12de eeuw. De sluis verhinderde de invloed van het getij dieper in het land. De overstromingsgebieden werden door de bewoners ingepalmd, maar zee en Schelde gaven hun overstromingsgronden niet zonder slag of stoot prijs. Tussen 1350 en 1600, een periode met veel stormvloeden, kon de zee veel polders heroveren. Bovendien werden de hoofdgeulen van de stroom zelf dieper en breder. Grote stormen zoals de Sint-Elisabethsvloed (1430), de Sint-Felixvloed (1530) en de Allerheiligenvloed (1570) voedden de expansiedrang van de Schelde die toen haar grootste wateroppervlakte bereikte.
huidige begrenzing vasteland duinen slikken en schorren veen
Inpolderen Een kaart uit de 18de eeuw toont de ingepolderde gebieden ten noorden van Antwerpen. In de polders is vaak nog het krekenpatroon van voor de inpoldering zichtbaar. Caerte Figurative, Algemeen Rijksarchief Brussel, Kaarten en plattegronden, inventaris in handschrift nr. 5004.
De Schelde een stroom natuurtalent
9