Issuu on Google+

Een onzichtbare bevolkingsgroep aan het woord Een kwalitatief onderzoek naar de beleving van de beeldvorming en representatie van Creools-Surinaamse- en Afro-Amerikaanse mediafiguren door Creools-Surinaamse jongeren.

Masterscriptie Communicatiewetenschap Door: Nancy Schneider Studentnummer: 5819970 Begeleider: Renske van Bronswijk 31 maart 2010 Amsterdam


Voorwoord Voorafgaand aan deze eindfase van mijn studie had ik nooit verwacht dat ik het zo leuk zou vinden om onderzoek te doen. Nu mijn scriptie klaar is, ben ik trots op het eindresultaat. Het proces verliep voorspoedig en het heeft enorm bijgedragen aan mijn zelfvertrouwen. Vanaf nu is er geen reden meer om te denken dat ik iets niet zou kunnen, het is een kwestie van doen! Het succesvol afronden van deze scriptie was niet gelukt zonder de hulp en steun van een aantal mensen. Deze mensen wil ik graag bedanken. Ten eerste wil ik Renske van Bronswijk bedanken, die mij op een geweldige manier ondersteunde in dit proces. Onze gesprekken gaven mij inspiratie en haar enthousiasme en passie om onderzoek te doen werkten aanstekelijk. Ik ben haar erg dankbaar voor haar uitstekende begeleiding en de structuur die zij aan het proces gaf. Daarnaast wil ik Daphne Wiebers bedanken voor haar support en regelwerk om mensen te werven die aan dit onderzoek mee wilden doen. Om de zelfde reden wil ik mevrouw Lucia bedanken. Ook wil ik mijn „nichtjes‟ bedanken, in alfabetische volgorde: Audilla, Esmeralda, Euredice, Gracialla, Joanne, Sherelle voor hun enthousiasme om aan dit onderzoek mee te werken en de inzichten die zij mij gegeven hebben. Alle andere deelnemers aan dit onderzoek ben ik ook zeer dankbaar, zonder hen was het niet mogelijk geweest om dit onderzoek af te ronden. Ik wil mijn vriendin Jorinde Verzijl bedanken voor haar geduld om mijn enthousiasme te delen en mij op te peppen wanneer ik het even niet meer zag zitten. Ook haar inzichten vanuit een ander perspectief waren zeer bruikbaar. Daarnaast bedank ik Annemiek van den Bosch voor de gezellige samenwerking, de lunches, de aandacht en haar mening over bepaalde aspecten van het onderzoek. Ik wil Rayen Dollart bedanken voor zijn positieve energie, support in goede en slechte tijden en zijn vermogen om mijn humeur te veranderen met één opmerking. Daarnaast wil ik mijn zusjes Esther en Linda en Laura bedanken voor hun geduld, humor en afleiding. Als laatste wil ik mijn ouders bedanken omdat zij het mogelijk maakten dat ik deze studie kon volgen, iets dat ik enorm waardeer. Pap en mam, ontzettend bedankt voor jullie interesse, steun en liefde.

2


Inhoudsopgave

1. Inleiding

5

1.1.

Maatschappelijke relevantie

8

1.2.

Wetenschappelijke relevantie

8

2. Theoretisch kader 2.1.

Surinamers in Nederland 2.1.1.

Sociale positie van Surinamers in Nederland

9 9 10

2.2.

Afro-Amerikanen

11

2.3.

Het Nederlandse media landschap

12

2.3.1.

Representatie van minderheden

13

2.4.

Actief versus passief publiek

14

2.5.

Identiteit

16

2.5.1. 2.6.

Self-esteem Identificatie

2.6.1.

Rolmodellen

18 20 21

2.7.

Social Learning Theory (Bandura, Ross & Ross, 1961)

22

2.8.

Uses and Gratifications benadering (Katx, Blumler & Gurevitch, 1974)

23

2.9.

Identificatie en identiteit

24

2.10.

Hofstede: Personality and Culture

26

2.11.

Globalisering

29

2.12.

Conclusie

31

3. Methode

32

3.1.

Onderzoekseenheden

32

3.2.

Onderzoeksmethode

32

3.3.

Operationalisering van de begrippen

34

3.4.

Topiclist

35

4. Houding van de onderzoeker tegenover het onderwerp

35

5. Resultaten

36

5.1.

Surinaamse cultuur

36 3


5.2.

Representatie Afro-Amerikaanse en Creools-Surinaamse mediafiguren

38

5.3.

Rolmodellen

42

5.3.1.

Surinaamse rolmodellen

45

5.4.

Interactie en groepsdynamiek

46

5.5.

Conclusie

49

6. Conclusie

50

6.1.

Hoe beleleven Creools-Surinaamse jongeren de Surinaamse cultuur?

6.2.

Op welke wijze beleven Creools-Surinaamse jongeren de

51

beeldvorming rondom Creools-Surinaamse mensen en Afro-Amerikanen?

53

6.3.

Hoe beleven Creools-Surinaamse jongeren rolmodellen uit de media?

55

6.4.

Hoe beleven Nederlandse jongeren van Creools-Surinaamse afkomst de representatie van Afro-Amerikanen en Surinamers in de media? 57

7. Discussie 7.1.

58 Aanbevelingen

58

Referenties

60

Bijlage 1

69

4


1.

Inleiding

In het laatste jaar is er een grote toename geweest van geweld in het Amsterdamse stadsdeel Zuidoost. Niet minder dan twintig schietpartijen in het afgelopen jaar, waaronder veertien in van 2009. (“Toename schietincidenten Amsterdam Zuidoost”, 10-08-2009). In het NOS Journaal van 22 augustus 2009 werd er aandacht besteed aan de schietpartijen in Amsterdam Zuidoost. Korpschef Bernhard Welten geeft in deze uitzending ook een reactie. Volgens hem zitten er vooral Surinaamse en Antilliaanse jongeren achter de schietpartijen. Deze jongeren dragen volgens hem de vuurwapens bij zich, omdat zij dit zien in videoclips. Rappers verheerlijken het in hun teksten. ”Veel van die knapen uit de Caribische regio vinden het stoer om in Amsterdam Zuidoost met grote revolvers rond te lopen. De look'n feel uit videoclips worden gekopieerd door jongeren", aldus Welten (“Antillianen achter schietpartijen”, 22-08-2009). In dit onderzoek staan Creools-Surinaamse jongeren centraal. Tegenwoordig wonen er ongeveer 339 duizend Surinamers in Nederland. Daarmee vormen zij, op Marokkanen en Turken na, de grootste minderhedengroep in Nederland (CBS, 1 januari, 2009). Suriname was tot 1975 een kolonie van Nederland en heeft een heterogene bevolkingssamenstelling. Dit komt, in eerste instantie, door slavernij, die plaats vond tot 1863, en (al dan niet gedwongen) immigratie van Indiase en Javaanse contractarbeiders. Iemand wordt, binnen de Surinaamse gemeenschap, Creools genoemd, wanneer een persoon een of meer Afrikaanse voorouders heeft (Jones, 2004). Na de onafhankelijkheid van Suriname, in 1975, vond er een grote emigratiegolf plaats in de richting van Nederland. Surinamers hadden weinig vertrouwen in de zelfstandigheid van hun land (Jones, 2004). Het merendeel van de Creoolse mensen kwam in Amsterdam Zuidoost terecht, omdat daar een groot aantal nieuwbouw flats leeg stonden. In de beginjaren na de immigratie was er sprake van veel werkloosheid binnen de gemeenschap en werden Surinamers geassocieerd met luiheid en (hard)drugs gebruik (Growricharn, 2008 in SSOA, 2008, p. 24). Tegenwoordig, 30 jaar na de immigratiegolf, gaat het goed met de meeste Surinamers in Nederland. Er is een nieuwe middenklasse ontstaan en veel gezinnen uit de flats in Amsterdam Zuidoost zijn verhuisd naar de omliggende gemeenten of betrokken koopwoningen in de laagbouw van het stadsdeel

(Van

Amersfoort, 2008, in SSOA 2008, p. 17, Khodabux, zd.). Dit onderzoek zal zich richten op de manier waarop mensen met een donkere huidskleur worden gerepresenteerd op de Nederlandse televisie en hoe hier door Creools-Surinamers naar gekeken wordt. Volgens Koeman, Peeters en D‟Haenens (2007) komen etnische minderheden op de Nederlandse televisie niet genoeg aan bod. Volgens Greco-Larson (2006) is het om drie redenen belangrijk dat minderheden binnen een samenleving wel worden afgebeeld. Ten eerste ontstaat er

5


een scheef beeld van de samenstelling van de samenleving wanneer dit niet gebeurt. Ten tweede worden televisiekijkers uit een minderheid hun rolmodellen ontnomen en ten derde worden de maatschappelijke bijdragen van mensen uit een minderheid ontkend. Het kleine aantal mensen dat volgens het onderzoek van Koeman, Peeters en D‟Haenens (2007) op de commerciële zenders wél tot de categorie „niet blank‟ behoorden, waren voor het grootste gedeelte Afro-Amerikanen (Koeman, Peeters & D‟Haenens, 2007). De media zijn de voornaamste bron van informatie over de wereld buiten onze directe omgeving. Doordat in de media keer op keer bepaalde typen mensen in bepaalde typen rollen getoond worden, zien mensen zichzelf en anderen op een bepaalde manier (Greco-Larson, 2006). Uit onderzoek uit de jaren ‟70 en ‟80 blijkt, dat in mediateksten uit de Verenigde Staten, de witte personages altijd een rol als leider hebben (Greco-Larson, 2006). Afro-Amerikanen werden veelal in ondergeschikte en dienende rollen afgebeeld. De representatie van de verhoudingen tussen zwart en blank, werden onder andere veroorzaakt door de rol die de slavernij, en later segregatie heeft gespeeld binnen de Amerikaanse maatschappij (Holt, 1997). Voor zowel Creools-Surinamers als voor Afro-Amerikanen geldt dat zij afstammelingen zijn van slaven en dat zij onderdrukt werden door de blanke overheersers. Nederland speelde een grote rol in de slavenhandel. Slaven werden echter, door de Nederlanders, via Curaçao naar Suriname gebracht, waar zij te werk gesteld werden op plantages (Koninklijke Bibliotheek, zd.). De slaven moesten afstand doen van hun Afrikaanse taal, cultuur en geloof en zij moesten zich aanpassen aan de Nederlandse normen en waarden. In Suriname ontwikkelden zij echter een eigen taal. Men leefde, na de afschaffing van de slavernij, over het algemeen in welvaart en er was een binnenlands bestuur (Jones, 2004). In Nederland zelf, was nauwelijks sprake van slavenarbeid. Suriname maakte weliswaar deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden, maar de meeste Nederlanders maakten in 1975, na de onafhankelijkheid van Suriname, pas kennis hun Zuid-Amerikaanse koninkrijksgenoten. Op basis van de bovenstaande informatie, kan men zich afvragen of de afwezigheid van Nederlandse mensen met een donkere huidskleur in het algemeen, of specifiek mensen met een Surinaamse culturele achtergrond op de Nederlandse televisie, er voor zorgt dat Creools-Surinaamse jongeren zich gaan identificeren met Afro-Amerikaanse mensen in de media. Identificatie met anderen speelt een zeer belangrijke rol in het proces van volwassen worden. Doordat een tiener zich identificeert met anderen en bepaalde karaktertrekjes van anderen imiteert, bouwt de tiener zijn of haar eigen identiteit (Erikson, 1968). Theoretisch is er nog weinig bekend over rolmodellen. Uit het onderzoek van Terwijn (2008) blijkt wel, dat voorbeeldfiguren cruciaal zijn voor identiteitsontwikkeling. Onderzoek heeft uitgewezen dat kinderen zich veelal identificeren met personages die dezelfde huidskleur hebben (Dates, 1980). In dit onderzoek zal aandacht besteed 6


worden aan de vraag op basis waarvan Creools-Surinaamse jongeren zich identificeren met mediafiguren. Is dat gebaseerd op alleen de huidskleur, of speelt de etniciteit en cultuur hierin ook een rol? De interesse in dit onderzoek gaat uit naar de beleving van media en mediafiguren door jongeren. Uit bovenstaande inleiding valt de volgende onderzoeksvraag af te leiden, welke centraal zal staan binnen de scriptie. Deze onderzoeksvraag luidt: „Hoe beleven Nederlandse jongeren met een Creools-Surinaamse afkomst de representatie van AfroAmerikanen en Surinamers in de media?‟

Daarnaast zijn er een drietal deelvragen geformuleerd: 1. „ Hoe beleven Creools-Surinaamse jongeren de Surinaamse cultuur?‟ 2. „Hoe beleven Creools-Surinaamse mensen rolmodellen uit de media?‟ 3. „Op welke wijze beleven Creools-Surinaamse jongeren de beeldvorming rondom CreoolsSurinaamse mensen en Afro-Amerikanen?‟

7


1.1.

Maatschappelijke relevantie

Dit onderzoek is maatschappelijk relevant, omdat er op dit moment een discussie gaande is over het onderwerp dat behandeld zal worden. De toename van het aantal schietincidenten in Amsterdam Zuidoost roept vragen op over integratie, tijdsbesteding en werkloosheid van de jongeren, identificatie met media personages, invloed van gewelddadige muziek en videoclips, de rol die onderwijs hierin speelt en manieren waarop dit soort geweld tegen gegaan zou kunnen worden. De afstand tussen de gevestigde orde en de jongeren om wie het in de discussie gaat is groot. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zal duidelijkheid geschept worden in de maatschappelijke discussie. Door middel van een kwalitatief onderzoek zal geprobeerd worden de leefwereld van de jongeren te begrijpen. 1.2. Wetenschappelijke relevantie Er is sinds de introductie van de televisie erg veel onderzoek gedaan naar de invloed van de media op jongeren. Deze onderzoeken hadden wisselende resultaten. De ene groep vond dat er sprake was van een grote invloed van media op jongeren, terwijl de andere groep onderzoekers slechts beperkte of geen effecten vond. Ook over de invloed van gewelddadige (rap) muziek is veel geschreven. Dit onderzoek zal zich richten op de doelgroep Creools-Surinaamse jongeren. Een onderzoek naar deze doelgroep in combinatie met het onderzoeksgebied identificatie met Afro-Amerikaanse en Surinaamse publieke figuren die zij om zich heen zien, is niet eerder uitgevoerd. Daarnaast zal er aandacht besteed worden aan de rol die de Nederlandse media hierin speelt als spiegel van de maatschappij. Hier wordt volgens Koeman, Peeters en Dâ€&#x;Haenens (2007) in tekortgeschoten.

8


2.

Theoretisch kader

Binnen het theoretisch kader zal er aandacht besteed worden aan diverse onderwerpen en theoretische constructen die van belang zijn binnen dit onderzoek. Als eerste zal er een beeld geschetst worden van de geschiedenis en leefomstandigheden van de doelgroep van dit onderzoek, namelijk Creools-Surinaamse mensen. Daarnaast zal er aandacht besteed worden aan historie en leefomstandigheden van Afro-Amerikanen. Tegenover deze werkelijkheid wordt de representatie van Afro-Amerikanen in de media afgezet. Begrippen die daarnaast nog aan de orde komen, zijn identiteit, identificatie, globalisering en het Nederlandse media landschap. Ook zullen de Uses and Gratifications benadering (Katz, Blumler & Gurevitch, 1974) en de Social Learning Theory (Bandura, Ross & Ross, 1961) behandeld worden. Deze theorieĂŤn vormen de basis voor dit onderzoek. 2.1

Surinamers in Nederland

Surinamers vormen, na Turken en Marokkanen de op drie na grootste minderhedengroep in Nederland (CBS, 1 januari, 2009). Suriname is een land met een heterogene bevolkingssamenstelling. Dit is het resultaat van (gedwongen) immigratie. Tijdens de kolonisatie van het land, vanaf 1667, door Nederland werd de inheemse bevolking, die bestond uit Indianen, grotendeels uitgemoord. Voor het bewerken van de plantages werden er slaven uit West-Afrika gehaald. Deze slaven zijn de voorouders van de Bosnegers en de Creolen. Met de term Bosnegers, ook wel Marrons (Jones, 2004), wordt de groep Afrikanen aangeduid die tijdens de slavernij de plantages ontvluchtten naar de binnenlanden van Suriname. Daar bouwden zij een vrij bestaan op. Het woord „Creolenâ€&#x; staat historisch gezien voor de kinderen van de slaven en de blanke plantage eigenaren. Tegenwoordig wordt iemand Creool genoemd, wanneer een persoon een of meer Afrikaanse voorouders heeft (Jones, 2004). Naast Creolen en Bosnegers zijn Hindoestanen, Javanen, Chinezen, Joden, Libanezen en Europeanen veel voorkomende bevolkingsgroepen in Suriname (Van Binnendijk & Faber, 1992). Na de verklaring van de onafhankelijkheid in Suriname, in 1975, begon de eerste grote emigratiegolf van Surinamers naar Nederland (Bovenkerk, 1983). Surinamers hadden in de overgangsperiode van vijf jaar na de onafhankelijkheid de kans om te kiezen voor het Nederlandse of het Surinaamse paspoort. Vooral veel Hindoestaanse Surinamers waren bang voor de Creoolse overheersing en kozen voor vestiging in Nederland. Creolen hadden in die tijd een betere positie binnen de Surinaamse maatschappij, onder andere omdat zij beter Nederlands spraken (Jones, 2004).

9


Tegenwoordig wonen er in totaal zo een 339 duizend Surinamers in Nederland (CBS, 2009). Uit de laatst bekende gegevens, uit 2004, blijkt dat er ongeveer 87.202 Creoolse mensen tegenover 135.117 Hindoestaanse mensen in Nederland wonen (Choenni & Harmsen, 2007). Ongeveer de helft van de Surinaamse immigranten woont in de randstad. In 1994 woonde het overgrote deel van de Creolen in Amsterdam en Rotterdam en het merendeel van de Hindoestanen in Den Haag (Van Niekerk, 1994). Inmiddels kunnen deze aantallen veranderd zijn. 2.1.1. Sociale positie Surinamers in Nederland Terugkijkend op het integratieproces van Surinamers in Nederland over de afgelopen 30 jaar kan, volgens de Samenwerkende Surinaamse Organisaties Amsterdam (SSOA), gesteld worden dat dit proces grotendeels voorspoedig is verlopen. Dit is de algemene conclusie die is op te maken uit het verslag van een bijeenkomst die de SSOA had in 2008. Tijdens deze bijeenkomst werd er door burgemeester Job Cohen en verschillende wetenschappers gesproken over het integratieproces van Surinaamse Nederlanders 1 . Volgens de SSOA ligt de oorzaak van de grotendeels voorspoedige integratie in het feit dat het verschil tussen de gekoloniseerde Surinaamse cultuur en de Nederlandse klein is. Surinamers hebben zich over het algemeen makkelijk laten opgaan in de Nederlandse samenleving (SSOA, 2008). Hoewel de Randstad, zoals eerder gezegd, veel gekozen werd als vestigingsplek, kwam het merendeel van de Creools-Surinaamse mensen in de regio Amsterdam te wonen, in de Bijlmermeer (Amsterdam Zuidoost). In dit gedeelte van de stad heerste een leegstand van woningen; daardoor was hier ruimte voor nieuwkomers (Van Amersfoort, 2008, in SSOA, 2008, p. 17). In de periode 1975-2000 hebben Creools-Surinamers zich ontwikkeld en over het algemeen een goed bestaan opgebouwd. In de begin periode was er veel sprake van werkloosheid binnen de gemeenschap. Tegenwoordig zijn er nog steeds meer werklozen onder Surinaamse Nederlanders dan onder autochtonen, maar er is een nieuwe middenklasse ontstaan. Veel mensen uit de nieuwe middenklasse vertrokken vanuit Amsterdam Zuidoost naar (koopwoningen in) omliggende gemeenten als Almere, Diemen, Purmerend etc. (Van Amersfoort, 2008, in SSOA 2008, p. 17, Khodabux, zd.). Door de groei van de middenklasse en de voorspoedige integratie van deze groep in de maatschappij echter, is er minder aandacht voor de problematiek van de mensen, die hiertoe niet in 1

Het verslag van de bijeenkomst van de SSOA zal in dit onderzoek een aantal keer worden aangehaald als bron. In dit verslag staan de uitgeschreven versies gedrukt, van de lezingen die door verschillende wetenschappers gegeven zijn. De mate van wetenschappelijkheid van deze bron is redelijk hoog. De wetenschappers zie de lezingen gaven hebben een grote expertise aangaande de onderwerpen die behandeld worden. Van de uitspraken die zij in sommige gevallen echter doen, is niet bekend of dit een resultaat is dat afkomstig is uit eigen onderzoek, of dat het een resultaat is uit een onderzoek uitgevoerd door iemand anders.

10


staat zijn geweest. Kritiek van de Stichting Samenwerkende Surinamers Amsterdam (SSOA) is dat er vanuit de maatschappij te weinig aandacht is voor de „achterblijvers‟ in dit proces. „Surinamers zijn uit‟ in de zin dat de aandacht van politici op dit moment vooral uitgaat naar de problematiek rondom andere minderheidsgroepen in Nederland, zoals Marokkanen, Antillianen etc. (Ferrier, 2008, in SSOA, 2008, p.12). 2.2 Afro-Amerikanen Afro-Amerikanen kunnen niet alleen op basis van hun donkere huidskleur onderscheiden worden. Er zijn in de loop der jaren veel immigranten naar Amerika gekomen die weliswaar een donkere huidskleur hebben, maar zichzelf niet rekenen tot de Afro-Amerikaanse cultuur. Immigranten uit het Caribische gebied, Zuid- of Centraal Amerika of uit Afrika delen niet dezelfde geschiedenis en cultuur als de afstammelingen mensen die als slaaf uit Afrika zijn gehaald en later uit het Zuiden van de Verenigde Staten zijn verhuisd naar het Noorden en Midden van het land (Baker, 1987) De geschiedenis van Afro-Amerikanen kent volgens Holt (1997) drie belangrijke periodes. De eerste periode die onderscheiden wordt, is de slavernij (1660-1865). Na de afschaffing van de slavernij vond de eerste emancipatiegolf plaats. Deze periode werd vooral gekenmerkt door de agrarische omstandigheden waarin de mensen moesten leven. Door de opkomst van de segregatie werden de Afro-Amerikanen grotendeels geweigerd deel te nemen aan het leven dat toebehoorde aan de blanken. Kerken, leefgemeenschappen, medische zorg en scholen waren strikt gescheiden en banen buiten de landbouw sector waren over het algemeen niet toegankelijk voor zwarte mensen. De derde periode kenmerkt zich door migratie uit het landelijke zuiden van Amerika, naar (achterstandswijken, ghetto‟s) in de noordelijke steden. Door veranderingen in de wetenschap, een groeiend zelfbewustzijn en zelfvertrouwen onder de Afro-Amerikanen en enkele confrontaties met het gezag, veranderde de publieke opinie over de positie van de zwarte mensen na de Tweede Wereld Oorlog (Baker, 1987, Holt, 1997). Daardoor ontstond er een klimaat waarin de burgerrechtenbeweging, onder leiding van Martin Luther King succesvol kon zijn (Holt, 1997). Waar de sociale en economische positie van Afro-Amerikanen in de tijd van slavernij en segregatie afhankelijk was van hun huidskleur, is de focus na de segregatie, meer op de klasse van de Afro-Amerikanen te komen liggen. De Afro-Amerikaanse middenklasse heeft geprofiteerd van de economische en sociale veranderingen in de maatschappij, terwijl de onderklasse totaal niet de mogelijkheden had om hiervan te profiteren (Wilson, 2001). Volgens Baker (1987) was er in de jaren ‟80, binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschap, bovengemiddeld veel sprake van eenoudergezinnen en tienermoeders. Uit dit onderzoek blijkt ook dat er in de jaren ‟80 drie van de vijf kinderen werden geboren in arme gezinnen. Hierbij moet wel gezegd worden, dat het onderzoek

11


van Baker (1987) niet zonder meer toepasbaar is op de huidige situatie, meer dan twintig jaar later. Echter, een artikel over de huidige situatie was in de beschikbare literatuur niet te vinden. In de jaren ‟80, was er in de Verenigde Staten sprake van de grootste recessie sinds de Grote Depressie en leidde het beleid van toenmalig president Reagan er toe dat de afstand tussen arm en rijk in die periode steeds groter werd. De zwakkere mensen in de samenleving werden hierbij het hardst getroffen. Afro-Amerikaanse jongeren uit de middenklasse lijken een goede toekomst tegemoet te gaan. Zij hebben over het algemeen genoeg zelfwaarde en zelfvertrouwen om een succesvol leven te hebben. Voor Afro-Amerikaanse jongeren uit de onderste lagen van de samenleving echter, is dit een stuk moeilijker. Zij krijgen niet de kansen waar zijn recht op hebben, op het gebied van gelijke behandeling en racisme, onderwijs en huisvesting (Wilson, 2001). 2.3 Het Nederlandse medialandschap Koeman, Peeters en D‟Haenens deden in 2007 onderzoek naar de mate waarin de Nederlandse publieke en commerciële televisiezenders hun publieke verantwoordelijkheid als „spiegel van de samenleving‟ weten te vertalen naar evenwichtige beeldvorming van verschillende groepen. Hieruit blijkt dat de verdeling naar etniciteit op de Nederlandse televisie de sterkste vertekening vertoont ten opzichte van bijvoorbeeld representatie van mannen versus vrouwen en van ouderen versus jongeren. Acht op de tien mensen op de Nederlandse televisie werd door de onderzoekers als „blank‟ geclassificeerd. De rest bestaat uit „niet-blank‟ (10,2%) of „anders‟ (8,2%). Onder de categorie „anders‟ worden een mix van etniciteiten, fantasiefiguren of andere moeilijk te definiëren personen aangeduid (Koeman, Peeters & D‟Haenens, 2007). Opvallend is dat er op de publieke omroep meer mediterrane of Aziatische personen tot de „niet-blanke‟ categorie behoren, terwijl op de commerciële zenders mensen met een donkere huidskleur iets sterker vertegenwoordigd zijn. Volgens Koeman, Peeters en D‟Haenens (2007) is dit vooral te wijten aan het grote aantal Amerikaanse series op de commerciële zenders die meer donkere personen, Afro-Amerikanen, bevatten. Hierbij moet vermeld worden, dat het onderzoek gebaseerd is op televisie aanbod uit 2005. Anno 2009 kunnen de aantallen veranderd zijn. Het is belangrijk dat minderheden wel worden afgebeeld, want als dit niet gebeurt, ontstaat er een gebroken beeld van de samenleving. Ook worden kijkers uit een minderheid hun rolmodellen ontnomen en worden de maatschappelijke bijdragen van mensen met een donkere huidskleur ontkend (GrecoLarson, 2006). De Nederlandse muziekzender The Music Factory (TMF) besteedt, in tegenstelling tot het Amerikaanse MusicTeleVision (MTV), meer aandacht aan onder andere de van oorsprong Afro-

12


Amerikaanse rap muziek (Van der Rijt, D‟Haenens, Jansen & De Vos, 2000). Sport- en kinderprogramma‟s zijn volgens Koeman, Peeters en D‟Haenens (2007) de „kleurrijkste‟ genres op de Nederlandse televisie. Hier is een parallel te vinden met de situatie in Amerika, waar mensen met een donkere huidskleur vooral te vinden zijn in sport- en entertainmentprogramma‟s (Greco-Larson, 2006). Van oudsher zijn er veel Amerikaanse televisieprogramma‟s op de Nederlandse televisie te zien, vooral omdat dat in een klein land als Nederland goedkoper is, dan het produceren van een zelfgemaakt programma (Kuipers, 2008). “De komst hiervan betekende een terugkerende aanwezigheid van en identificatie met Amerikaanse personages en levensstijlen: van Charlie‟s Angels en de Ewings tot de Bunkers, de Cosby‟s en de desperate huisvrouwen van Wisteria Lane” (Kuipers, 2008, p. 175). Nederland wordt in het onderzoek van Kuipers (2008) een speciale rol toebedeeld, daar het land „het meest open‟ zou staan voor Amerikaanse series. De rol die Amerikaanse televisie speelt binnen een Europese cultuur is afhankelijk van de plaats die dit toegewezen krijgt door het desbetreffende land. Kuipers (2008) stelt dat er daardoor niet zondermeer sprake is van cultureel imperialisme. Amerikaanse programma‟s worden, vooral binnen de commerciële zender, vaak tijdens prime time uitgezonden. Over het algemeen worden Amerikaanse series uitgekozen, vanwege de goede kwaliteit, mogelijke identificatie met de personages en de mate van vernieuwing die de series brengen. Vooral in Nederland is er daarnaast een duidelijke vraag vanuit de markt naar Amerikaanse producties. Vooral onder laagopgeleide- en oudere mensen scoren binnenlandse producties beter. Deze mensen kunnen zich beter met de Nederlandse karakters identificeren. Dit is volgens Kuipers (2008) een voorbeeld van het fenomeen cultural discount, waarbij mensen een buitenlandse media tekst minder waarderen, omdat zij niet genoeg kennis hebben van de culturele achtergrond van het product (Lee, 2006). Mensen vinden het volgens Hoskins en Mirus (1988) moeilijk om zich met een buitenlandse productie te identificeren, omdat er verschillen zijn in de stijl, waarden, normen, instituten en gedragspatronen die in de productie worden uitgedragen en de manier waarop mensen dit gewend zijn binnen hun eigen cultuur. 2.3.1

Representatie van minderheden

Op de Nederlandse televisie is er, zoals eerder gezegd sprake van een onderrepresentatie van het aantal etnische minderheden. Er zijn echter wel personen met een donkere huidskleur op televisie te zien, maar dit zijn grotendeels Afro-Amerikanen. In Amerika zijn er, vooral in de jaren ‟70 en ‟80, veel studies gedaan naar de representatie van etniciteit in de media. Staples en Jones (1985, in King & Multon, 1996, p. 113) vonden bijvoorbeeld dat 49% van de Afro-Amerikanen werden afgebeeld in stereotype rollen, zoals criminelen, bedienden, entertainers, en atleten. Ook was het opvallend dat de

13


witte personages bijvoorbeeld altijd een rol als leider hadden (Greco-Larson, 2006). AfroAmerikanen werden veelal in ondergeschikte en dienende rollen afgebeeld. Opvallend hierbij was dat deze mensen afgebeeld werden als aseksuele karakters, waardoor ze geen bedreiging vormden voor blanken. Daarnaast wordt er door Greco-Larson (2006) een representatie van de zwarte man als „Brutal Black Buck‟ genoemd. In deze representatie wordt de zwarte man juist afgebeeld als hyperseksueel, in tegenstelling tot bovenstaande voorbeelden. Dit zwarte mannelijke stereotype wordt hierin bijgestaan door de zwarte gewillige vrouw, promiscuous woman (Greco-Larson, 2006). Volgens Gordon (2008) is deze representatie van de vrouw het meest onmenselijk, omdat deze focust op de vrouw als lustobject, wiens waarde is gebaseerd op haar verschijning en sexappeal. De representatie van blanke vrouwen is volgens Gordon (2008) stereotype op een andere manier. De representatie van blanke vrouwen gaat veelal uit van slanke, jeugdige vrouwen in ondergeschikte posities ten opzichte van een man. Deze representatie van zwarte mensen op basis van Amerikaanse stereotypen is niet zonder meer te vertalen naar de manier waarop minderheden in Nederland gerepresenteerd worden. Zoals eerder gezegd, in paragraaf 2.2, is de geschiedenis van minderheden in Amerika en Nederland niet met elkaar te vergelijken. Afro-Amerikanen vormden jaren lang de grootste minderheid in de Verenigde Staten. De cultuur werd echter bepaald door de Europeanen (Greco-Larson, 2006). De hierboven beschreven stereotypen zijn hier duidelijk uit voortgevloeid. Representatie van Surinamers in Nederland werd in het begin van de immigratieperiode gekenmerkt door de groep Surinamers die zich in de jaren ‟60 vestigden in Nederland. Deze groep behoorde tot de onderklasse van de maatschappij en werden veelvuldig in verband gebracht met drugs, drugsoverlast en hieraan gerelateerde criminaliteit. Ook werd de luie mentaliteit destijds een stereotype. Dit werd gevoed door werkloosheid in de beginjaren (Growricharn, 2008, in SSOA, 2008, p. 24). Verder zijn er binnen de Nederlandse wetenschap weinig onderzoeken naar de representatie van de Surinaamse gemeenschap in Nederland te vinden. 2.4 Actief versus passief publiek De belangrijkste discussie binnen de communicatiewetenschap gaat over de macht van de media. De vraag die hierin centraal staat is: “Does the mass media have a significant amount of power over its audience, or does the audience ultimately have more power than the media?”(Gauntlett, 2008, p. 22). Hieronder zullen twee wetenschappers aangehaald worden, die binnen deze discussie lijnrecht tegenover elkaar staan. Aan de ene kant van het debat staat onder andere Theodor Adorno, die zegt dat de massamedia heel veel macht hebben en dat deze macht schadelijk is voor het publiek. Aan de

14


andere kant staat onder andere John Fiske, die van mening is dat het publiek de macht heeft binnen media gebruik. Adorno was lid van de Frankfurter Schule, een groep wetenschappers en intellectuelen die in de jaren dertig vanuit Duitsland vluchtten naar New York en Los Angeles, uit angst voor het Nazibewind. Adorno had een pessimistische en elitaire mening over massamedia en de impact van de massamedia op de maatschappij. Het begrip massamedia werd door Adorno en zijn collega Horkheimer (1944) „The Culture Industry‟ genoemd. In het artikel The Culture Industry: Enlightenment of mass deception (1944), stelden Adorno en Horkheimer dat de media werkt als een geoliede machine, die entertainment producten maakt, met winst als enige doel (Adorno & Horkheimer, 1944). De kwaliteit van de media producten werd hevig bekritiseerd. Volgens Adorno betrof het aanbod veel van hetzelfde, in de zin dat narratieven steeds herhaald werden en gaven de boodschappen die uitgezonden werden de normen en waarden weer van de gevestigde orde. Adorno maakte zich om die reden ook zorgen om de impact die de cultuur industrie zou hebben op de maatschappij. Mensen besteedden volgens Adorno te veel tijd aan televisie kijken, waardoor hun ontwikkeling achter bleef (Adorno & Horkheimer, 1944). Volgens Adorno maakt televisiekijken passief en zou het consumeren van populaire cultuur mensen ervan weerhouden om kritisch na te denken (Adorno & Horkheimer, 1944). De theorie van Fiske is gebaseerd op het encoding/decoding model van Stuart Hall. Het encoding/decoding model zegt dat media een tekst uitzenden die door het publiek op een bepaalde manier geïnterpreteerd kan worden. De manier waarop het publiek een tekst interpreteert is volgens Hall (1997) afhankelijk van de sociale situatie, en dan vooral de sociale klasse van een persoon. Een tekst kan Volgens Hall (1997) op drie manieren worden geïnterpreteerd. Ten eerste middels een voorkeurslezing, waarin het publiek een tekst zo overneemt als de zender het bedoeld heeft. Dit komt, volgens Hall (1997), grotendeels voor onder mensen wiens sociale situatie min of meer gelijk is aan boodschap die in de tekst wordt uitgedragen. Wanneer dit niet het geval is, zal er sprake zijn van een tegengestelde lezing, waarbij het publiek een betekenis aan de tekst ontleent die tegengesteld is van wat de zenders bedoelden. Ten derde kan een tekst middels een onderhandelingslezing geïnterpreteerd worden, waarbij een persoon sommige zaken wel interpreteert op de manier waarop de zender het bedoeld heeft en andere zaken niet (Hall 1997). Fiske is het grotendeels met Hall eens, maar is van mening dat de theorie van Hall te veel focust op de positie van klasse binnen het geheel van sociale factoren. Daarnaast stelt Fiske dat de drie „lezingen‟ inhoudelijk niet veel van elkaar verschillen, omdat er in praktijk weinig gevallen zijn waarbij een tekst geheel op een tegengestelde- of voorkeurswijze wordt geïnterpreteerd (Fiske, 1987). Volgens Fiske (1987, p. 64) is het kijken van televisie bij uitstek een onderhandeling tussen de tekst 15


en zijn gevarieerde sociaal gesitueerde kijkers. Volgens Fiske (1987) heeft het publiek daarom de macht. Zij zijn in staat een mediatekst van betekenis te voorzien. In tegenstelling tot wat Hall (1997) zegt over de preferred meaning van een tekst, die altijd de dominante ideologie uitdraagt, zegt Fiske dat er sprake is van structures of preference. Hiermee bedoelt Fiske (1987) dat mensen binnen een tekst voorkeur voor één betekenis kunnen hebben en tegelijkertijd andere betekenissen kunnen buitensluiten. Er kan volgens Fiske (1987) niet gesproken worden over „het publiek‟ als geheel, omdat dit volgens Fiske bestaat uit afzonderlijke mensen die hun eigen, veranderlijke smaak hebben en hun eigen sociale achtergrond, waardoor media teksten door iedereen op een andere manier worden geïnterpreteerd. De betekenis die een tekst heeft voor een bepaalde persoon, hangt af van de context van de tekst binnen het leven van die persoon. In tegenstelling tot Adorno, die van mening is dat cultuur gefabriceerd wordt door de industrie (Adorno & Horkheimer, 1944), zegt Fiske (1987) dat cultuur een levend en actief proces is, dat alleen ontwikkeld kan worden wanneer iemand er middenin staat. 2.5

Identiteit

Identiteit is een complex begrip dat binnen verschillende wetenschappelijke disciplines een andere betekenis heeft. Daarnaast is identiteit een begrip dat voor zeer uiteenlopende betekenissen wordt gebruikt, op diverse manieren (Verkuyten, 1988). Ten eerste wordt het begrip identiteit vaak gebruikt voor het omschrijven van het omvattende geheel van gedachten en gevoelens, die mensen van zichzelf hebben (zelfconcept). Daarnaast gebruikt men het begrip identiteit voor het omschrijven van het besef van verbondenheid met de sociaal-culturele omgeving (Verkuyten, 1988) Wentholt echter, ziet identiteit als een relationeel begrip, waarbij het gaat om de verhouding tussen het individu en de omgeving. “Het begrip heeft geen betrekking op de persoon als zodanig, maar wel op hoe de persoon in een bepaalde relatie met een bepaalde omgeving wordt gedefinieerd en zichzelf definieert” (Wentholt, zd., in Verkuyten, 1988, p. 60). Het gaat hierbij om wie een persoon is en hoe de sociale omgeving de persoon ziet. Volgens Wentholt (zd., in Verkuyyten, 1988, p.60) valt het begrip identiteit, zoals hierboven gedefinieerd, uit te splitsen in twee betekenissen. In de eerste betekenis wordt gerefereerd aan wie een persoon daadwerkelijk is, de zogenaamde „persoonsidentiteit‟. De tweede betekenis heeft betrekking op het individu in zijn sociale omgeving en valt te definiëren als de specifiek herkenbare kenmerken die iemand deelt met andere personen‟. Hierbij gaat het om de categorale lidmaatschapskenmerken die door meerdere personen gedeeld worden en die uitmaken voor de wijze van zijn van een persoon die dat kenmerk bezit” (Verkuyten, 1988, p. 60).

16


De tweede betekenis van identiteit van Wentholt (zd., in Verkuyten, 1988, p. 60) is gerelateerd aan het begrip „etnische identiteit‟ en zal aangehouden worden in dit onderzoek. Binnen etnische identiteit gaat het volgens Yinger (1976) om de identificatie van een persoon met een segment van de maatschappij als geheel. Leden van dit segment hebben een gedeelde cultuur en nemen deel aan gedeelde activiteiten, waarbinnen gedeelde afkomst en cultuur centraal staan. Mensen voelen zich bewust en onbewust verbonden met anderen waarmee tradities, waarden, normen en overtuigingen gedeeld worden (Ott, 1989). Een andere vorm van identiteit die in de literatuur onderscheiden wordt is „raciale identiteit‟. Ras is een controversiële term, daar er slechts één menselijk ras bestaat. Deze term zal daarom verder „huidskleur identiteit‟ genoemd worden. Volgens O‟Hearn (1998) is huidskleur identiteit vaak een frame waarbinnen personen andere mensen in categorieën indelen, grotendeels gebaseerd op huidskleur. In die zin is huidskleur identiteit volgens Chavez & Guido- Di Brito (1999) niet alleen een oppervlakkige indeling op basis van het uiterlijk, maar heeft het tevens belangrijke consequenties voor de manier waarop mensen behandeld worden. Met huidskleur identiteit wordt een sociale constructie bedoeld, die refereert aan een mate van groeps- of collectieve identiteit. Huidskleur identiteit is gebaseerd op het idee, dat een persoon een gedeeld erfgoed heeft, met andere mensen met dezelfde huidskleur (Helms, 1993). Volgens Giddens (1991) kan men in een moderne, niet traditionele maatschappij, niet heen om het begrip self-identity. Een self-identity wordt volgens Giddens geconstrueerd door een persoon. Self-identity is: „a reflexive project, an endeavour that we continuously work and reflect on‟(Gauntlett, 2008, p. 107). Het construct self-identity is gebaseerd op het creëren, vasthouden en aanpassen van een aantal biografische verhalen. Het verhaal omschrijft wie iemand is en hoe die persoon op de plek is gekomen, waar hij nu is. De self-identity is niet af te lezen uit iemands karakteristieken, maar het is de reflectie van de manier waarop de persoon zijn/haar eigen biografie begrijpt (Giddens, 1991). De reflection of self die een persoon wil uitstralen, wordt gevoed door de consumptiemaatschappij. Door het consumeren van onder andere (merk)kleding, huizen en technologische gadgets, laat een persoon andere mensen zien wat zijn self-identity is (Giddens, 1991). Door het verdwijnen van tradities binnen de maatschappij, is het volgens Giddens (1991) voor mensen belangrijk om een lifestyle aan te nemen. De sociale positie wordt een persoon in mindere mate door de maatschappij opgelegd, dus mensen moeten hun positie verkrijgen op basis van andere zaken. Dit geldt zowel voor rijke mensen als voor minder welgestelden. Lifestyle hangt niet alleen af van iemands baan en bijvoorbeeld koopgedrag, maar het gaat hierbij ook om bredere keuzes, als gedrag, attituden en beliefs. Een lifestyle dient volgens Giddens (1991) als een soort mal voor de 17


biografie van het leven van een persoon. Door het maken van keuzes, die typisch horen bij een bepaalde lifestyle, komen mensen in aanraking met anderen die zoals zij zijn (Giddens, 1991). Het is hierbij mogelijk dat mensen verschillende lifestyles hebben, bijvoorbeeld in de thuissituatie, op het werk en in andere relaties. Giddens (1991) spreekt hierbij van lifestyle-sectors. Goffman (1959) beschrijft een begrip dat hier nauw bij aansluit, namelijk impression management. Hiermee bedoelt hij, dat mensen in elke situatie waarin zij met andere mensen in aanraking komen, zich aanpassen en zich anders gaan gedragen, om de juiste indruk te geven. Kort gezegd passen mensen zich keer op keer aan aan hun „publiek‟ (Goffman,1959). 2.5.1 Self-esteem Verkuyten (1988) stelt in zijn onderzoek dat het waarschijnlijk is, dat jongeren afkomstig uit een etnische minderheid een lagere self-esteem hebben, omdat zij over het algemeen een lagere status en mate van macht hebben binnen de maatschappij én omdat zij te maken hebben met vooroordelen en discriminatie. Deze factoren zouden het zelfbeeld van mensen afkomstig uit een etnische minderheid negatief kunnen beïnvloeden. Verkuyten (1988b) en Dixon, Zhang en Conrad (2009) geven het belang aan van self-esteem binnen het identiteit vraagstuk. Self-esteem kan gedefinieerd worden als de negatieve of positieve attitudes die een persoon over zichzelf heeft. Dit wordt geconstrueerd aan de hand van de subjectieve evaluaties van de manier waarop iemand door anderen gezien wordt (Verkuyten, 1988b). Ook spelen begrippen als social comparison en self-perception hierin een rol (Rosenberg, 1979). Uit onderzoek in Amerika en Engeland echter, blijkt dat er geen sprake is van een lagere selfesteem onder etnische minderheden (Wylie, 1979 & Burns, 1982, inVerkuyten, 1988b, p. 864, Goodenow & Grady, 1993; Grotevant & Cooper, 1998, in Wong, Eccles & Sameroff, 2003, p. 1203). Volgens Verkuyten komt dit, omdat jongeren uit een etnische minderheid zich minder spiegelen aan het beeld dat de maatschappij van hen heeft en dat ze meer waarde hechten aan het oordeel van hun belangrijke naasten (Verkuyten, 1988b). Mensen die zich in sterke mate identificeren met een etnische groep hebben de neiging mediacontent de consumeren waarvan het waarschijnlijk is dat het iemands sense of self of de mate van self-esteem in stand houdt (Allen, 2001). Wanneer er gekeken wordt naar de situatie in Amerika, blijkt uit onderzoek van Allen (2001) dat Afro-Amerikanen media consumeren door een soort „culturele bril‟. Dit zorgt er voor, dat deze mensen zich makkelijk kunnen identificeren met media content, die de collectieve self-esteem van Afro-Amerikanen versterkt. Ook kunnen mensen daardoor media uitingen die dit collectieve self-esteem tegenspreken, makkelijk uitsluiten. Volgens Chavez en Guido- DiBrito (1999) heeft een bewuste onderdompeling in de culturele tradities en waarden, zoals

18


religie, familie, leefomgeving en opleidingsinstellingen een positieve invloed op het bewust worden van etnische identiteit. Dit leidt tot de vraag welke gevolgen dit heeft binnen de Nederlandse situatie. In Nederland is er, zoals eerder gezegd, sprake van een onderrepresentatie van het aantal etnische minderheden (Koeman, Peeters, & d‟Haenens, 2007). Het is voor mensen met een donkere huidskleur in Nederland daarom nauwelijks mogelijk een collectieve identiteit te creëren en versterken op basis van wat de landelijke televisie hen laat zien. Daarbij moet wel gezegd worden dat op de regionale televisiezenders, radio en internet een groter aanbod van etnische media bestaat, voorbeelden hiervan zijn Multiculturele Televisie Nederland (MTNL) en radiozender FunX (Wolf, 2003). Misschien zou er echter gesteld kunnen worden, dat juist omdat er op de landelijke televisie weinig aanbod is, de programma‟s die er wel zijn extra collectief self-esteem veroorzaken op basis van etnische identificatie. Hierbij kan gedacht worden aan een programma zoals „Rayman is laat‟, waarin de Surinaamse cultuur duidelijk naar voren komt, of bijvoorbeeld Creools-Surinaamse musici of acteurs, zoals het personage „Bing‟ uit Goede Tijden, Slechte Tijden, waarmee CreoolsSurinaamse mensen zich zouden kunnen identificeren. Dixon, Zhang en Conrad (2009) deden onderzoek, naar de rol die rap muziek in dit geheel speelt. Zij stellen dat kijken naar rap video clips Afro-Amerikanen helpt bij het vasthouden van de hoge mate van self-esteem die zij bezitten. Zij vonden dat de consumptie van rap door AfroAmerikanen positief verband hield met de collectieve self-esteem. “Participants are able to use their cultural lens and ethnic identification to identify rap content which can potentially empower them” (Dixon, Zhang & Conrad, 2009, p. 355). Daarnaast bleek uit dit onderzoek, dat rap videoclips die duidelijk herkenbaar waren als Afrocentric, zorgden voor meer identificatie met de video onder mensen die zelf duidelijke Afrocentric gelaatstrekken hadden. De term Afrocentricity wordt gebruikt als aanduiding voor een wetenschappelijke epistemologie (Ashante, 1991). De term is echter bruikbaar binnen meerdere contexten. Hier staat Afrocentric voor de uiterlijke kenmerken die geassocieerd worden met donkere mensen. Hierbij kan gedacht worden aan zaken als structuur van het haar, formaat van lippen en neus en teint van de huidskleur. Dixon, Zhang en Conrad (2009) stellen, dat mensen met een donkere huidskeur, rap muziek bewust gebruiken, als een versterking van het collectieve self-esteem, doordat zij gebruik maken van de culturele lens en etnische identificatie. Zo worden zij zich bewust van beroemdheden die op hen lijken.

De vraag die uit het bovenstaande af te leiden valt in het kader van dit onderzoek is of het bij het begrip „etnische identificatie‟, zoals gebruikt wordt door Dixon, Zhang en Conrad (2009), alleen gaat 19


om afzonderlijke culturele groepen binnen één maatschappij. Wanneer men alleen op het uiterlijk af gaat, zoals binnen het concept „Afrocentricity‟ het geval is, zijn er weinig verschillen vast te stellen tussen Creools-Surinamers enerzijds en Afro-Amerikanen anderzijds. Beide groepen hebben een andere cultuur, maar delen een belangrijk punt in hun geschiedenis, slavernij. Als het om het aspect Afrocentricity gaat, kan er gesteld worden dat beide groepen zich hier, wat uiterlijke kenmerken betreft, in gelijke mate mee kunnen identificeren. Dixon, Zhang en Conrad (2009) maken in hun onderzoek op dit punt geen onderscheid tussen mensen met een donkere huidskleur in het algemeen en Afro-Amerikanen specifiek. Het indelen van mensen op basis van uiterlijke kenmerken hangt samen met huidskleur identiteit (O‟Hearn,1998). De vraag rijst of het in de theorie voorafgaand aan het onderzoek van Dixon, Zhang en Conrad (2009) voor het grootste gedeelte om identificatie met een groep gaat, waarmee een persoon een cultuur (Dixon, Zhang en Conrad (2009), land of bloedband (Verkuyten, 1988b) deelt (op basis van culturele identiteit), of kan etnische identificatie in deze context ook verband houden met huidskleur identificatie, waarbij het begrip gedefinieerd wordt als een gedeelde huidskleur en gedeeld erfgoed. Een vraag die in het onderzoek meegenomen zal worden is „Waar ontlenen Creools-Surinamers hun identiteit aan?‟ Is dit cultuur, huidskleur of combinatie van beide? 2.6

Identificatie

Identificatie is een begrip dat op verschillende manieren te omschrijven valt. Volgens Bandura (1969) refereert identificatie aan een proces waardoor een persoon zijn eigen gedachten, gevoelens en acties baseert op de gedachtes, gevoelens en acties van een ander persoon, die hier model voor staat. Het is echter ook mogelijk dat een persoon zich identificeert met een mediatekst, zoals een film, serie of muziekstuk. Dit is een mechanisme waardoor het publiek een tekst van binnenuit opneemt en interpreteert, alsof een persoon hetgeen in de tekst gebeurt, zelf meemaakt (Cohen, 2001). Ook kan een persoon zich identificeren met een mediapersonage. In deze context staat identificatie voor het proces waardoor mensen hun eigen attitudes, waarden of gedrag reconstrueren als een reactie op de beelden van mensen die zij bewonderen. Deze beelden kunnen zowel echt als ingebeeld zijn en door zowel persoonlijke als gemedieerde relaties tot stand komen (Fraser & Brown, 2002, p. 189). Hierbij gaat het er om, dat een persoon zichzelf vergeet en de ander „wordt‟. Iemand meet zichzelf de identiteit aan, van de persoon waarmee hij zich identificeert (Cohen, 2001). Onderzoek heeft uitgewezen dat kinderen zich veelal identificeren met personages die dezelfde huidskleur hebben. Vooral onder Afro-Amerikaanse kinderen, in tegenstelling tot blanke kinderen, was er meer identificatie met Afro-Amerikaanse personages, zelfs als zij de blanke

20


karakters leuker vonden. Ook werd er gevonden dat identificatie onder Afro-Amerikaanse kinderen sterker was in tegenstelling tot blanke kinderen (Dates, 1980). Bij identificatie met beroemdheden, gaat het in de meeste gevallen over gemedieerde relaties (Fraser & Brown, 2002). Volgens Jenkins (1992) maken fans van mediateksten deel uit van het actieve publiek. Zij construeren op een actieve manier betekenis uit een tekst. Daarnaast construeren fans hun culturele en sociale identiteit door het lenen en vervoegen van beelden uit de massa cultuur. Dit vormt de basis voor de sociale interacties van fans en ook voor hun eigen culturele producties. Deze actieve manier van teksten lezen wordt door De Certeau (1984, in Jenkins, 1992, p. 24) „poaching‟ genoemd. Door de komst van het internet is zijn er meer mogelijkheden gekomen om poaching toe te passen. Fanfictie is een van de voorbeelden die steeds vaker voorkomen. Black (2006) geeft hiervan de volgende definitie: „Fanfiction is writing in which fans use media narratives and pop cultural icons as inspiration for creating their own texts‟ (Black, 2006, p. 172). 2.6.1 Rolmodellen Amerikaanse jongeren worden in hun eigen land aangemoedigd om zich te identificeren met een bepaald persoon en te leren van een rolmodel (Terwfijn, 2008). Beroemdheden dienen bijvoorbeeld als rolmodellen. Dit zijn mensen waarvan het waarschijnlijk is dat de waarden, overtuigingen en gedrag overgenomen zullen worden door anderen binnen hun gebied van invloed (Fraser & Brown, 2002). Amerikaanse jongeren zijn druk op zoek naar dergelijke personen, waaraan ze zich kunnen optrekken en zich laten inspireren. Dit staat volgens Terwijn in contrast met Nederlandse jongeren, die het onprettig zouden vinden om rolmodellen te hebben. Bij Nederlandse jongeren zou de nadruk meer liggen op zelfontplooiing, oftewel een individueel proces, waardoor het hebben van een rolmodel niet gepast zou zijn. Theoretisch gezien, is er nog weinig bekend over rolmodellen. Wel blijkt uit ontwikkelingspsychologische

theorieën

dat

voorbeeldfiguren

cruciaal

zijn

voor

identiteitsontwikkeling, aldus Terwijn (2008). Onderzoek wijst uit, dat televisie rolmodellen levert en informatie verspreid, die het gedrag, de attitudes en de keuzes van kinderen beïnvloedt (Berry & Mitchell-Kernan, 1982; Graves, 1993; Stroman, 1984, 1991, in King & Multon, 1996, p. 112). Amerikaanse jongeren worden volgens Terwijn (2008) veel meer opgevoed met de boodschap dat ze goed naar rolmodellen moeten kijken. Onder rolmodellen verstaat Terwijn (2008) mensen, die laten zien hoe het moet of kan in het leven. Een persoon kan een voorbeeld zijn voor mensen, doordat diegene hard werkt en door het benutten van kansen succesvol is geworden. Anderzijds kan een rolmodel ook ruimer gezien worden als een sporter, kunstenaar, celebrity, politicus of religieus figuur.

21


Het identificeren met een rolmodel is volgens Terwijn in te delen in vier typen rolmodellen, namelijk 1) ouders, 2) andere familieleden, vrienden, collega‟s, 3) personen die bepalend zouden zijn voor de identiteit van een persoon en tenslotte, 4) morele leiders. Samenvattend zou het eerste rolmodel (ouders) mensen helpen bij het opbouwen van een identiteit, waarbij vervolgens rolmodellen relevant worden voor de personificatie van persoonlijke doelen. Van Amersfoort (2008, in SSOA, 2008, p. 18) waarschuwt in zijn rede voor de problematiek rondom het verdwijnen van de middenklasse uit een regio als Amsterdam Zuidoost. Als jongeren geen positieve identificatie (onder andere in de vorm van rolmodellen) in hun directe omgeving hebben met waar ze vandaan komen, ontstaat er volgens hem een merkwaardige subcultuur waarbij men kampt met een dubbele negatieve confirmatie. 2.7

Social Learning Theory (Bandura, Ross & Ross, 1961)

Bandura, Ross en Ross (1961, 1963) onderzochten door de „Social Learning Theory‟ in hoeverre mensen sociaal gedrag leren door het observeren van anderen. Zij deden dit door middel van het uitvoeren van zogenaamde effectstudies. In het eerste experiment moesten kinderen kijken naar een volwassene, die een „bobo‟ pop aan het slaan en schoppen was. Daarna werden de kinderen zelf in een kamer met de pop gelaten. Uitkomst van het onderzoek was dat de kinderen het agressieve gedrag van de volwassene kopieerden en soms nog een stapje verder gingen in het toetakelen van de pop. Ook onderzochten Bandura, Ross en Ross (1963) in hoeverre jongeren gemedieerd gedrag imiteerden. Ook uit dit onderzoek bleek dat jongeren die blootgesteld waren aan een agressieve film, meer agressief gedrag vertoonden dan jongeren die hier niet aan blootgesteld waren. Vooral kinderen die een agressief karakter hebben worden door agressieve media boodschappen aangemoedigd om zich op die manier te gedragen (Josephson, 1987 in Aronson, Wilson & Akert, 2007, p. 391). De media effectstudies, waarin een bepaald effect wordt vastgesteld dat veroorzaakt wordt door de blootstelling aan media, zijn vaak bekritiseerd. Een van de belangrijkste critici is David Gauntlett. Volgens deze onderzoeker ligt het grootste probleem bij de effectstudies in het feit dat het niet mogelijk is, om iemands gedrag alleen te laten afhangen van een bepaald media gebruik, zoals televisiekijken of het lezen van een tijdschrift. Volgens Gauntlett (2008, p. 33) hangt de manier waarop een persoon zich gedraagt van heel veel dingen af, zoals eerdere ervaringen op een bepaald gebied, meningen waarden en suggesties uit andere bronnen. In het artikel „Ten things wrong with the media effects model‟ (1998) geeft Gauntlett zijn kritiek weer (Gauntlett, 2008). Hieronder zullen slechts de punten besproken worden die het meest van toepassing zijn op deze studie (Gauntlett, 1998). Ten eerste zegt Gauntlett (1998) dat de wetenschappers die deze effectstudies uitvoeren, grotendeels denken vanuit het sociale probleem dat zij onderzoeken. Zij zien media als de grote

22


boosdoener en proberen hier resultaten bij te vinden die dit onderzoeken. Daarnaast worden kinderen door de onderzoekers gezien als het slachtoffer van de media. Volgens Gauntlett (1998) worden kinderen in deze onderzoeken onderschat. Uit kwalitatief onderzoek blijkt namelijk, dat jongeren wel degelijk in staat zijn om de media boodschappen te nuanceren en te bekritiseren. Ook wordt er volgens Gauntlett (1998) geen rekening gehouden met de context waarin geweld in een film wordt gebruikt. Daarnaast wordt door media effect onderzoekers genegeerd dat de betekenis van een bepaalde scene geconstrueerd wordt door mensen zelf, de betekenis van een boodschap kan voor ieder persoon anders zijn. Ook heeft Gauntlett (1998) kritiek op de manier waarop de effectstudies worden uitgevoerd. De verkeerde onderzoeksmethoden zouden worden gebruikt. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over een causaal verband als resultaat van een onderzoek. Hierbij wordt echter een methode gebruikt, die niet in staat is een causaal verband vast te leggen. Daarnaast wordt media effectstudies verweten dat zij niet gebaseerd zijn op theorie. Er bestaan geen theorieën, die kunnen verklaren waarom mensen gemotiveerd worden tot het overnemen van gedrag dat zij consumeren in de media. 2.8 Uses and Gratifications benadering (Katz, Blumler & Gurevitch, 1974) Binnen de Uses and Gratifications benadering (U&G) wordt het gebruik van media gerelateerd aan de behoeften die mensen willen bevredigen en aan de voldoening (gratificatie) die men aan het mediagebruik denkt te ontlenen. Katz, Blumler en Gurevitch (1974) hebben een beschrijving van de benadering geformuleerd. Volgens de onderzoekers „bestudeert de U&G benadering de sociale en psychologische oorsprong van behoeften, die verwachtingen wekken ten aanzien van massamedia of andere bronnen. De opgewekte verwachtingen leiden vervolgens tot een gedifferentieerd patroon van blootstelling aan media, met als resultaat een vervulling van behoeften en andere gevolgen, die misschien niet eens werden nagestreefd‟ (De Boer & Brennecke, 2004, p. 107). Niet alle wetenschappers zijn voorstanders van het gebruiken van de U&G benadering voor onderzoek naar de effecten van media gebruik. Een aantal onderzoekers, zoals onder andere Ruggiero (2000) en LaRose, Mastro en Eastin (2001) geven kritiek op de U&G benadering. Opvallend hieraan is, dat vier van de vijf kritiekpunten, die hieronder beschreven zullen worden, zich richten zich op de essentie van de theorie. Wetenschappers gaan er ten eerste van uit dat er een actief publiek is en dat het daarom goed is om mensen een zelf- rapportage te laten bijhouden om de motieven van mediagebruik van die mensen vast te stellen. Dit is volgens Severin en Tankard (1997, in Ruggiero, 2000, p. 12) een naïeve gedachte. Als er door onderzoekers afgegaan wordt op de uitkomsten van de zelf- rapportage, is er eerder sprake van een interpretatie van de manier waarop die persoon leeft (lifestyle), dan van een observatie van het gedrag van het publiek (Rosenstein &

23


Grant, 1997 in Ruggiero, 2000, p. 12). Daarnaast is de mate van individualisme, die in de theorie centraal staat, een belangrijk kritiekpunt (Elliot, 1974, in Ruggiero, 2000, p.12). Omdat de theorie uitgaat van de persoonlijke behoeften, die gezocht en bevredigd worden, is het vaak moeilijk om te verklaringen of voorspellingen te generaliseren. Ten derde zijn in sommige studies, de categorieën voor gratificaties te ver opgedeeld, waardoor er uiteenlopende typologieën en motieven naar voren komen. Een vierde punt dat Ruggiero (2000) naar voren brengt, is dat er nog steeds een gebrek aan helderheid bestaat, over de concepten, die in de U&G benadering centraal staan, zoals: „sociale- en psychologische achtergrond‟, „behoeften‟, „motieven‟, „gedrag‟ en „consequenties‟. Dit hangt samen met het vijfde punt dat Ruggiero (2000) aanstipt, namelijk het feit dat U&G onderzoekers hun eigen betekenissen verbinden aan begrippen, zoals „motieven‟, „gebruik‟, „bevrediging‟. Dit leidt tot onduidelijkheid en een ongestructureerde manier van denken en uitvoeren van onderzoek. 2.9 Identificatie en Identiteit Identificatie is nauw verbonden met identiteit. Vooral gedurende de puberteit speelt identificatie een belangrijke rol in het volwassen worden. De focus van een puber verschuift in die periode van identificatie met ouders naar identificatie met vrienden en leeftijdsgenoten (peers). Doordat een tiener zich identificeert met anderen en bepaalde karaktertrekjes van anderen imiteert, bouwt de tiener zijn of haar eigen identiteit (Erikson, 1968 in Cohen, 2001, p. 248). Ook virtuele „peers‟ die de huiskamer van jongeren inkomen via onder andere MTV worden hiertoe gerekend. Socialisatie is het proces, waardoor een individu de regels en normen die in de maatschappij waarin hij/zij leeft centraal staan, aanleert (Alsaker, 1995). Naast de invloed die ouders, familie, leraren, leeftijdsgenoten (peers), gemeenschap, het rechtssysteem en het cultural belief system hierop hebben, is ook de media een belangrijke socialization agent (Arnett, 1995, in Arnett, 1992a,1992b, 1995, p. 225). De media representeren de leefomgeving van een persoon en dragen de regels en normen van een maatschappij over (Alsaker, 1995). De rol van de media als socializantion agent is echter anders ingevuld dan de rol van de andere agents. Jongeren zijn, in het gebruik van media, in staat om zelf te bepalen wat zij zien, horen en tot zich nemen. Volgens Arnett (1995) zijn er vijf manieren waarop jongeren media gebruiken, namelijk: entertainment, high sensation, coping, youth culture identification en identity formation. Het onderzoek van Arnett (1995) is gebaseerd op de Uses and Gratifications benadering (Katz, Blumler & Gurevitch, 1974). Wanneer jongeren op zoek zijn naar media om een van deze doelen te vervullen, participeren zij actief in hun eigen socialiseringsproces: ”That is, media are part of the process by which adolescents acquire--or resist acquiring--the behaviors and beliefs of the social world, the culture, in which they live” (Arnett, 1995, p. 225). Hierbij moet gezegd worden dat het mogelijk is dat tijdens media gebruik meerdere

24


bewuste of onbewuste doelen worden bevredigd. Terwijl iemand een programma kijkt om zich te kunnen identificeren met een jeugdcultuur, kan een persoon zichzelf vermaken (entertainment) en zich geprikkeld voelen (high sensation). Arnett (1995) specificeert drie doelen van socialisatie waardoor mensen zich hun cultuur eigen maken, namelijk: 1) Het in de hand houden van impulsen, waaronder het ontwikkelen van een geweten. 2) Rol ontwikkeling, waaronder gender rol, professionele rol en de rol in instituties, zoals ouderschap en huwelijk. 3) Het onderscheiden van de belangrijke zaken in het leven. Wat is belangrijk?, wat heeft waarde? en waar moet een persoon voor leven? Wanneer doelen zijn ingevuld, kan een persoon goed functioneren binnen zijn eigen cultuur (Arnett, 1995) Arnett (1995) zegt hierbij dat in culturen, waar individualisme en interdependance belangrijke waarden zijn, mensen breder gesocialiseerd zijn, dan in een collectivistische cultuur. In landen waarin vrijheid van meningsuiting centraal staat, hebben jongeren de mogelijkheid om hun identiteit te vormen naar een breed arsenaal van mediavoorbeelden. Door de werking van de commerciële media is datgene wat de media laten zien, vaak niet gericht op het overbrengen van normen, waarden, cultuur en zaken die de openbare orde bevorderen. De media geven de jongeren wat ze willen. Dit heeft volgens Arnett (1995) tot gevolg dat jongeren tegenwoordig algehele controle hebben over hun eigen socialisatieproces. De rol die de media speelt, wordt door Arnett (1995) gezien als een grote bedreiging voor het besef van normen en waarden van de jeugd. Volgens de auteur is het onmogelijk voor ouders om op de hoogte te zijn van de content die zij dagelijks consumeren. De media creëren weliswaar een beeld van de maatschappij, dat extremer is dan het „echte leven‟, maar dat betekent niet dat dit per sé leidt tot aflatend normbesef onder jongeren. De visie van Arnett (1995) komt normatief over en gaat over een ontwikkeling die niet is tegen te houden. Arnett (1995) is duidelijk van mening dat de massamedia machtig zijn en dat het publiek overwegend passief is. Onderzoek naar het publiek heeft zich echter niet alleen bezig gehouden met manier waarop het publiek een kritische houding tegenover media aanneemt, maar ook over de manier waarop een dominante mening die weergegeven wordt in teksten toepasbaar zijn binnen de context van een bepaald individu. Informatie die de media leveren, wordt door mensen zo omgebogen dat het toepasbaar is binnen de omstandigheden en waarden van hun dagelijks leven (Livingstone, 2008, p. 55). Het feit dat mediaboodschappen geïnterpreteerd worden aan de hand van de persoonlijke omstandigheden, wordt steeds belangrijker in het kader van de vervagende tradities. Ook het feit dat mensen hun self-identity creëren aan de hand van een biografie waarop gereflecteerd wordt, speelt hierin een grote rol (Giddens, 1991, Livingstone, 2008, p. 55, Gauntlett, 2008, p. 104-106). 25


Media literacy zou hierin een oplossing kunnen zijn. Door middel van media literacy, kunnen onder andere ouders en leraren kinderen bewust maken van de manier waarop de mediawereld in elkaar zit. Het wordt op die manier duidelijk voor een kind met welke belangen media gepaard gaan. Daarnaast kan er gesteld worden dat jongeren, door de mogelijkheden die het internet biedt, zichzelf op een positieve manier kunnen socialiseren. Jongeren kunnen zelfstandig en actief op zoek gaan naar onderwerpen die hen aanspreken. Dit kan betrekking hebben op muziek, online televisie, interpersoonlijke communicatie, lifestyle en subculturen, maar ook op informatie over onderwerpen waar jongeren het liever niet met hun ouders of vrienden over hebben, zoals seks, seksualiteit etc. Op het internet is mediacontent, in tegenstelling tot op televisie, minder doorspekt van commerciële belangen en direct af te stemmen op persoonlijke voorkeuren. 2.10 Hofstede: Personality and Culture. „Personality‟ wordt omschreven als het hele individu en de psychologische karakter eigenschappen die hem of haar uniek maken (Hofstede & McCrae, 2004).Volgens McCrae en Costa (2003) zijn persoonseigenschappen biologisch bepaalde karakteristieken die leden van een menselijk soort onderscheiden. Een wisselwerking tussen persoonseigenschappen en de cultuur van een persoon zorgt er voor, dat het gedrag van individuen en sociale groepen gevormd wordt (Hofstede & McCrae, 2004). Hieruit kan geconcludeerd worden dat het geheel van attitudes, waarden en gewoonten die mensen zichzelf aanleren de bijdrage zijn van zowel het individu zelf als van de culturele omgeving (Hofstede & McCrae, 2004). Cultuur wordt door Hofstede en McCrae (2004, p58) omschreven als: „The collective programming of the mind that distinguishes one group or category of people from another. This stresses that culture is a) a collective, not personal, attribute; b) not directly visible, but manifested in behaviors; and c) common to some, but not all people.‟ Tussen de culturen van landen zitten verschillen. Iedereen weet dat intuïtief, maar de verschillen die mensen kunnen aangeven zijn vaak gebaseerd op vooroordelen. Ook binnen landen zijn cultuurverschillen aantoonbaar. De cultuurverschillen tussen landen zijn geworteld in de geschiedenis. Ze worden weerspiegeld en in stand gehouden door instituties, als kerk, school, wetten en overheidsorganisaties (Hofstede, 2002). In de verschillen tussen nationale culturen zijn volgens Hofstede vijf onafhankelijk dimensies van waarden aan te tonen, die terug gaan naar vijf fundamentele problemen, die elke maatschappij op zijn eigen manier moet oplossen. De dimensies zijn: Machtafstand, de mate waarin de minder machtige leden van instituties of organisaties in een land verwachten en accepteren dat de macht ongelijk verdeeld is (Hofstede 2002, p. 10-11); Individualisme tegenover collectivisme, deze dimensie bepaalt of mensen bij voorkeur alleen of samen optreden (Hofstede, 2002, p. 11); Masculiniteit ten opzichte van femininiteit waarbij over het

26


algemeen gesteld kan worden dat de masculiene culturen als hard worden bestempeld, men sympathiseert hier met de sterken, feminiene culturen zijn als geheel zacht en sympathiseren met de zwakken

(Hofstede,

2002,

p.

11);

onzekerheidsvermijding moedigen het

Onzekerheidsvermijding,

culturen

met

gevoel aan dat „wat anders is,

een

sterke

gevaarlijk is‟;

tegenovergestelde culturen vinden wat anders is, eerder interessant (Hofstede, 2002, p. 11) en langeof korte-termijngerichtheid, waarbij het gaat het om het nastreven van deugden die in de toekomst beloond zullen worden, vooral doorzettingsvermogen en spaarzaamheid, of van deugden die ontleend zijn aan het verleden en/of de nadruk leggen op het heden, in het bijzonder respect voor traditie, het bewaren van je „gezicht‟ en het nakomen van sociale verplichtingen (Hofstede, 2002, p. 11). Hieronder zijn afbeeldingen te vinden van de verschillen tussen de dimensies van Hofstede in Nederland en de Verenigde Staten, in vergelijking met Suriname. Er is gekozen deze dimensies tussen de landen tegenover elkaar te zetten, omdat het iets zegt over de cultuur van de afzonderlijke landen. De grafieken dienen grotendeels als achtergrondinformatie, daar deze schema‟s niet direct toepasbaar zijn op het onderzoek. In dit onderzoek staan zoals gezegd Nederlandse CreoolsSurinaamse jongeren centraal, deze jongeren zijn tweede en derde generatie immigranten. De grafieken schetsen slechts een beeld van de algemene verschillen in de culturen van Nederland tegenover Suriname en Suriname tegenover Amerika. Zoals eerder gezegd zijn er in Suriname meerdere bevolkingsgroepen aan te wijzen. Het feit dat dit onderzoek gaat om Creools-Surinaamse mensen, is een andere reden dat deze gegevens niet zonder meer toepasbaar zijn op deze specifieke bevolkingsgroep. Wanneer er gekeken wordt naar deze grafiek, blijkt dat de machtsafstand in Suriname bijna twee keer zo groot is als de afstand tot de macht in Nederland. Daarnaast valt op dat er in Suriname een meer collectieve cultuur heerst; familie en gemeenschap zijn in Suriname belangrijker dan in het meer individualistische Nederland. Suriname is een gematigd masculien land, waar Nederland een meer feminiene cultuur heeft, de typische rollen van man en vrouw zijn in Nederland meer gelijkwaardig verdeeld. Suriname is daarnaast meer onzekerheidsvermijdend dan Nederland, het land heeft een minder tolerante cultuur dan Nederland.

Figuur 1, culturele verschillen Nederland en

Figuur 2, culturele verschillen Verenigde

Suriname (http://www.geert-hofstede.com/)

Staten en Suriname (http://www.geert-hofstede.com/)

27


In de vergelijking tussen de Verenigde Staten en Suriname, valt op dat deze alleen verschilt met het eerste figuur op basis van masculiniteit. De vergelijking op de andere gebieden is vergelijkbaar met de verschillen tussen Nederland en Suriname. De Verenigde Staten scoren hoger op masculiniteit, dat betekent dat de rolverdeling in de VS traditioneler is dan in Suriname. De theorie rondom National Cultures is niet geheel zonder kritiek gebleven. Onder andere McSweeney (2002) was om een aantal redenen kritisch op het onderzoek van Hofstede. Het eerste kritiekpunt betreft de operationalisering van het begrip „cultuur‟ en „nationale cultuur‟ in het bijzonder. Volgens McSweeney (2002) bestaat er niet zo iets als een nationale cultuur, of hetgeen gedeeld wordt door iedereen in een land. Als men kijkt naar Groot Brittannië, ziet men dat er in dit land alleen als drie „hoofd‟ culturen zijn, namelijk de culturen van Wales, Schotland en Engeland. Daarnaast is er kritiek op de onderzoeksmethode, die gebruikt werd door Hofstede. De onderzoeksresultaten, waarop het onderzoek gebaseerd is, bestaat uit vragenlijsten ingevuld door IBM medewerkers. Op basis van overeenkomsten uit deze resultaten worden uitspraken gedaan over de cultuur van het hele land. Doordat alleen de werknemers van IBM in het onderzoek zijn meegenomen, is de visie van gepensioneerden, mensen uit de lagere klasse, werklozen etc. Ook vragen Hampden-Turner en Trompenaar (1997) en McSweeney (2002) zich allen af, of een kwantitatieve onderzoeksmethode wel gebruikt kan worden voor het onderzoeken van een concept dat zo complex is als cultuur. Een ander punt van kritiek is volgens Hampden-Turner en Trompenaar (1997) dat Hofstede zijn dimensies zwart-wit definieert. Wanneer een nationale cultuur bijvoorbeeld gemeten wordt als individualistisch, betekent dit dan dat een land niets van collectivisme in zich heeft? Als voorbeeld hiervan geven Hampden-Turner en Trompenaar (1997) de nationale cultuur van Amerika, die door Hofstede als individualistisch gemeten wordt. Amerika echter, heeft het hoogste percentage aan kerkgangers in de westerse wereld, er zijn ontzettend veel vrijwilligers en liefdadigheidsinstanties en teamwork staat hier hoog in het vaandel. Hier is binnen de culturele dimensies van Hofstede echter geen oog voor. Daarnaast vormt de eigen cultuur van Hofstede een groot punt van kritiek. Volgens Hampden-Turner en Trompenaar (1997) bestaat er niet zoiets als objectiviteit binnen het concept cultuur, omdat de manier waarop een persoon de omgeving ziet, afhankelijk is van de eigen cultuur van die persoon. De (westerse) cultuur van Hofstede is daarom van invloed op de manier waarop het onderzoek is uitgevoerd en de resultaten die aan het model ten grondslag liggen. 2.11

Globalisering

Prof Dr. Growricharn wijst in een lezing die hij in 2008 gaf over integratie van Surinamers in Amsterdam, op het feit dat er vanuit de samenleving te weinig aandacht is voor

28


identiteitsproblematiek onder Creools-Surinaamse jongeren van de tweede en derde generatie. De problematiek, die deze jongeren ondervinden, is volgens Growicharn (2008, in SSOA, 2008, p. 2627) van een andere aard dan de problematiek van hun ouders en grootouders. In de eerste generatie worstelden mensen volgens Growricharn (2008, in SSOA, 2008, p. 26) met de stereotypen die van invloed waren op de identiteit. Jongeren van nu echter, zijn zij op zoek naar een nieuw soort balans tussen de mate van Nederlanderschap en het Surinamer zijn. Growricharn (2008, in SSOA, 2008, p. 26-27) wijst hierin ook naar het begrip transnationalisme. Hij signaleert steeds meer dat er een binding gaat ontstaan met het land van herkomst. Er ontstaan volgens hem grote bovennationale gemeenschappen waar jongeren van over de hele wereld zich mee identificeren. Dit is een ontwikkeling, die niet alleen geldt voor Creools-Surinaamse mensen, maar het is een mondiaal verschijnsel, dat te maken heeft met globalisering (Growricharn, 2008, in SSOA, p. 27, 2008 en Giddens, 2002) Een duidelijk voorbeeld dat Growricharn (2008, in SSOA, 2008, p. 27) van deze trend geeft, wordt ondersteund door Jones (2004). De Surinaamse Hindoestanen die zich, na de onafhankelijkheid van Suriname, grotendeels vestigden in Den Haag, identificeren zich in grotere mate met de Indiase Bollywood- cultuur, dan met het land van hun ouders en grootouders, Suriname. Hieraan gaat een geschiedenis vooraf. Na de afschaffing van de slavernij werden er contractarbeiders aangenomen uit IndonesiĂŤ en India. Deze mensen werden door de Nederlandse overheerser in gebieden gehuisvest waar zij niet in contact kwamen met Creolen en andere bevolkingsgroepen. Zij leefden afgesloten en werden, in tegenstelling tot de slaven, aangemoedigd hun eigen taal en cultuur te behouden. Door

de

ontwikkeling

van

internationale,

bovennationale

culturen,

ontstaan

er

verschuivingen in identificaties en culturele behoeften (Growricharn, 2008, in SSOA, 2008, p. 27). Growricharn (2008, in SSOA, 2008, p. 27) geeft hierbij echter aan dat Creools-Surinaamse jongeren de laatste jaren erg toetrekken naar de cultuur uit de Verenigde Staten en minder naar de Surinaamse cultuur. Growricharn (2008, in SSOA, 2008, p. 27) spreekt over een vrij recent verschijnsel dat te maken heeft met globalisering en transnationalisme. Het grootste gedeelte van het aardoppervlak is verdeeld in nationale territoria (Kearney 1995). Vanaf 1990, met het eindigen van de koude oorlog, komt er een verandering op gang, er ontstaat globalisering (Ă“ Tuathail & Luke, 1994). Natiestaten en ideologische blokken worden een coherente cohesie (Ă“ Tuathail & Luke, 1994). Met globalisering worden de sociale, economische, culturele en demografische processen bedoeld, die plaatsvinden binnen volken, maar deze tegelijkertijd overstijgen. Dit gebeurt op een manier dat er niet langer gesproken kan worden over lokale activiteiten (Basch, Glick Schiller & Szanton-Blanc, 1994, Kearney, 1995, p. 548). Met andere 29


woorden gaat het hier om steeds intenser wordende wereldwijde sociale relaties, gevormd door economische, culturele, politieke en technologische ontwikkelingen (Giddens, 2002). Volgens Kibreab (1999) wordt het globaliseringproces gekenmerkt door de mobiliteit van mensen, goederen, kapitaal en ideeën en de afname van de afgebakende sociale werelden (Stepputat, 1994, in Kibreab 1999). Volgens Tomlinson (2003) worden de plaatsen waarin we leven, gepenetreerd door connecties met globalisering. Hierbij kan gedacht worden aan mobiele telefonie, internet en televisie. Ook manier waarop onze eetgewoonten door de jaren heen zijn veranderd, is hier volgens Tomlinson (2003) een voorbeeld van. De positie van de nationale identiteit ten opzichte van de globale identiteit, wordt door globalisatie uitgedaagd. Steeds vaker ontstaan er daardoor conflicten binnen gemeenschappen. Als voorbeeld wordt de val van het communisme in Oost Europa gegeven (Tomlinson, 2003, Giddens, 2002). Dit had twee oorzaken. Ten eerste werd dit veroorzaakt door de toename van de macht en de steeds verdere doorvoering van het kapitalisme. Daardoor werd het communisme buitenspel gezet. Daarnaast werden de inwoners van communistische landen via de massa media blootgesteld aan de aantrekkingskracht van de westerse consumentenmaatschappij. Door deze twee ontwikkelingen kwam de nationale identiteit van de mensen in oost Europa in conflict met de globalisatie. Wanneer er in dit kader over migratie gesproken wordt, spreekt men vaak van het begrip transnationalisme. Bij globaliseringprocessen gaat het om zaken die over de hele wereld gebeuren, dit staat los van grenzen. Bij transnationale processen gaat het echter om evenementen die landsgrenzen overstijgen, maar plaats vinden in een land (Basch, Glick Schiller & Szanton-Blanc, 1994). Transnationalisme wordt door Basch, Schiller en Szanton-Blanc (1994) gedefinieerd als het proces waardoor immigranten de sociale relaties met het land van herkomst én het land waar ze nieuw zijn komen wonen, afdwingen en in stand houden. Transnationale identiteit, wordt gedefinieerd als „in-betweenness‟ (Basch, Schiller en Szanton-Blanc, 1994), maar volgens deze onderzoekers is het moeilijk voor migranten om hun identiteit te definiëren. Mensen verlenen hun identiteit zowel aan het „gast‟ land als aan het „thuis‟ land. Voor de globalisering werd een staat gedefinieerd door de cultuur van de mensen die in een bepaald territorium woonden. Tegenwoordig worden mensen tot een staat gerekend die niet fysiek in die staat leven, maar die sociaal, politiek, cultureel en vaak economisch wel deel uit maken van de staat van hun voorouders (Basch, Schiller en Szanton-Blanc, 1994, p 8). Leiter en Ehrtkamp zeggen hierover: Scholars of migrant transnationalism have documented that migrants maintain identities and commitments (Glick Schiller and Basch, 1995; Glick Schiller et al, 1992; Smith and Guarnizo, 1998) that transcend national boundaries. They hold multiple allegiances to national, ethnic, and religious communities. Some of these

30


authors suggest that other communal allegiances are at least as important as national identities and allegiances (Soysal, 2000). In other words, the national community is not the main `community' in which individuals are embedded and participate, and identities are not just anchored in one national collectivity (Leitner & Ehrtkamp 2006, p. 1617-1618).

Een voorbeeld hiervan is een verschijnsel dat onder Surinaamse-Nederlanders vaak voorkomt, namelijk het zenden van geld en (levensmiddelen) pakketten naar familie in Suriname. Mensen wonen in Nederland en verdienen hun geld hier, maar voelen zich nog dusdanig betrokken bij het land, dat zij een deel van hun inkomen naar het land van herkomst sturen. De cultuur van Surinaamse Nederlanders wordt be誰nvloed door meerdere culturen, omdat jongeren meestal hun hele leven al in Nederland wonen, maar Surinaamse roots hebben. Heersende waarden en normen worden overgedragen middels socialisators (Arnet, 1995, Alsaker, 1995), zoals familie, maar ook middels school, overheidsinstituten en de media. Deze informatie kan tegenstrijdig zijn, bijvoorbeeld door de Nederlandse waarden en normen die door overheidsinstituten worden overgedragen en de Surinaamse normen en waarden die familie en peers overdragen. Hierdoor kunnen identiteitsproblemen ontstaan (Growricharn, 2008, in SSOA, 2008, p. 27). Jongeren uit de tweede generatie Surinamers, moeten een nieuwe balans vinden tussen de mate van Nederlander- en Surinamer zijn (Growricharn, 2008, in SSOA, 2008, p. 27). Zij vormen een transnationale identiteit (Basch, Schiller en Szanton-Blanc, 1994). 2.12

Conclusie

Met behulp van het bovenstaande theoretisch kader, is geprobeerd een zo compleet mogelijk beeld te scheppen van de theoretische concepten die ten grondslag liggen aan dit onderzoek. De Uses and Gratifications benadering en de Social Learning Theory vormen de theoretische basis van dit onderzoek. Daarnaast zijn er onderwerpen behandeld, zoals identiteit, cultuur, identificatie, globalisering, representatie en het medialandschap. In de conclusie zullen de resultaten uit dit onderzoek gekoppeld worden aan de bevindingen uit het theoretisch kader.

31


3.

Methode

Er zal in dit onderzoek gebruik gemaakt worden van een kwalitatieve onderzoeksmethode. Kwalitatief onderzoek is een paraplubegrip waaronder verschillende methoden van onderzoek vallen. Deze methoden hebben gemeen dat ze tot doel hebben gedragingen, ervaringen, beleving en „producten‟ van de betrokkenen te beschrijven, te interpreteren en te verklaren door werkwijzen die de natuurlijke omgeving zo min mogelijk verstoren (‟t Hart, Boeije & Hox, 2006). Voor een kwalitatieve onderzoeksmethode is gekozen, omdat het belangrijk is dat de belevingswereld en het gedrag van de doelgroep van dit onderzoek begrepen en verklaard kan worden (Lunt & Livingstone, 1996). De onderzoeker zal zich zo veel mogelijk inleven in de situatie van de onderzochte mensen, om het emic perspective te leren kennen (‟t Hart, Boeije & Hox, 2006). Door middel van een literatuur studie en verdieping in het onderwerp zal de onderzoeker op de hoogte zijn van de onderwerpen die in het onderzoek centraal staan. 3.1 Onderzoekseenheden De onderzoekseenheden die in dit onderzoek centraal staan, zijn Creools-Surinaams jongeren, in de leeftijd van 20 tot en met 30 jaar. Deze groep zal volgens de doelgerichte steekproeftrekking samengesteld worden, dat wil zeggen dat de kenmerken van de populatie de basis zal zijn van selectie (‟t Hart, Boeije & Hox, 2006). Binnen deze groep zal er actief gezocht worden naar uitzonderingsgevallen, waar de bevindingen die tot dan toe uit de analyse komen niet op gaan (‟t Hart, Boeije & Hox, 2006). De jongeren die aan dit onderzoek meewerkten, werden benaderd vanuit het netwerk van de onderzoeker. Hieruit ontstond een zogenaamd sneeuwbal effect. Tijdens de werving van de deelnemers werd er benadrukt dat deelname aan dit onderzoek erg belangrijk is, omdat er veel interesse zou zijn naar de mening van de jongeren, die anders weinig gehoord wordt. Tijdens de focusgroepen zullen drankjes en hapjes aanwezig zijn en zal er getracht worden een informele sfeer neer te zetten. 3.2. Onderzoeksmethode In dit onderzoek werd er gebruik gemaakt van kwalitatieve interviews in groepsvorm, de zogenaamde focusgroep. Een interview is een vorm van gesprek, waarin de interviewer vragen stelt over gedragingen, opvattingen, houdingen en ervaringen, ten aanzien van bepaalde sociale verschijnselen. Binnen groepsinterviews of focusgroepen is ook de sociale interactie tussen de deelnemers van belang (‟t Hart, Boeije & Hox, 2006, Lunt & Livingstone, 1996). Vooraf was het de bedoeling dat elke focusgroep vijf deelnemers zou bevatten. Dit bleek in de praktijk echter niet altijd haalbaar. Soms kwamen mensen niet opdagen of meldden zij zich ziek. Aan de eerste focusgroep

32


namen drie jongeren deel, de tweede en de vierde focusgroep hadden vijf deelnemers en de derde focusgroep had vier deelnemers. Er werd gestreefd naar het verkrijgen van een min of meer gelijk aandeel van het aantal jongens en meisjes aan de focusgroepen. Dit is niet helemaal gelukt. In totaal deden er elf meisjes mee aan dit onderzoek, tegenover zes jongens. De werving van deelnemers aan dit onderzoek verliep in het begin voorspoedig, maar later bleek het lastig te zijn om de focusgroepen te plannen en verband met overvolle agenda‟s van de potentiële deelnemers. Ook was ik in het begin van plan om Surinaamse jongeren organisaties aan te schrijven voor deelname, maar hierop kreeg ik steeds geen reactie, ondanks veel opvolging in de schriftelijke en telefonische communicatie. Hierdoor heb ik enige vertraging opgelopen. Uiteindelijk is daarom gekozen voor aanvullingen van de data door het uitvoeren van twee persoonlijke kwalitatieve interviews. De groepsdynamiek, waar in dit project veel waarde aan werd gehecht, kwam op deze manier niet aan bod. Maar uiteindelijk heb ik uit deze persoonlijke gesprekken veel waardevolle informatie kunnen verkrijgen. In heb één meisje en één jongen geïnterviewd. De focusgroepen kunnen meer of minder gestructureerd worden aan de hand van 1) het meer of minder vastleggen van de vragenlijst, 2) het meer of minder vastleggen van de manier waarop de vragen gesteld zullen worden, 3) het al dan niet variëren van de volgorde waarop de vragen gesteld zullen worden en 4) het wel of niet vaststellen van mogelijke antwoorden door de onderzoeker. Binnen het onderzoek werd een open procedure gehanteerd. Er was sprake van een semigestructureerd interview, waarbij voor aanvang van de focusgroepen slechts een topiclist is samengesteld wordt van onderwerpen waar over gesproken zou kunnen worden (zie paragraaf 5.4). De volgorde van de vragen en de manier waarop ze gesteld zullen worden, is van het moment afhankelijk (‟t Hart, Boeije & Hox, 2006). Er is wel gekozen om enigszins structuur aan te brengen binnen het onderzoek door de jongeren vooraf een opdracht mee te geven. Aan de hand van deze opdracht werd het gesprek op gang gebracht. Er werd de jongeren gevraagd worden om voorafgaand aan het gesprek na te denken over personen uit de media die hen inspireerden of aan de hand waarvan hun identiteit omschreven kon worden. Dit gaf de jongeren de kans om, nog voor de focusgroep begon, na te denken over wie zij zijn en welke mensen hen inspireren en wat dat voor hen betekende. Het onderzoek ging daardoor direct de diepte in. Door onderzoek te verrichten op deze creatieve manier, behandelt men de deelnemers aan het onderzoek volgens Gauntlett (2004) niet alleen als publiek, maar erkent men dat mensen media op hun eigen manier verwerken en interpreteren. Men onderzoekt op die manier de relatie tussen mensen en bepaalde onderwerpen en dimensies die betrekking hebben op media (Gauntlett, 2004). „The method should be empowering for the participants – since they have a creative opportunity to express and explore something as part of a project that is interested in what 33


they have to say‟ (Gauntlett & Holzwarth, 2006, p. 82) Ook voor onderzoek naar de identiteit van mensen lijkt de methode volgens Gauntlett en Holzwarth (2006) uitermate geschikt. Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van de Grounded Theory (de gefundeerde theorie). Waar kwantitatieve onderzoeken zich richten op logische deductie; het toetsen van hypothesen afgeleid uit de theorie, gaat het bij de Grounded Theory om een tegenovergesteld proces. Gefundeerde theorieën worden stap voor stap ontwikkeld op basis van systematisch verkregen en geanalyseerde onderzoeksgegevens (Wester, 1995). Binnen dit kwalitatieve onderzoek was het belangrijk, dat de resultaten van de eerste focusgroep en het eerste interview direct verwerkt en geanalyseerd werden, alvorens er verder gegaan werd met het afnemen van de overige focusgroepen en interviews. Op die manier kunnen nieuwe inzichten verworven worden en kunnen deze bevestigd of weerlegd worden in de daarop volgende focusgroepen (‟t Hart, Boeije & Hox, 2006, Wester, 1995, p. 44). De gesprekken binnen de focusgroepen zijn opgenomen op tape en er werden tijdens de focusgroepen aantekeningen gemaakt door de onderzoeker. Telkens wanneer een focusgroep was afgerond, werden de geluidsopnames hiervan uitgeschreven. Deze onderzoeksresultaten werden afzonderlijk geanalyseerd. Hierin werden tevens de aantekeningen van de onderzoeker meegenomen. Op basis daarvan werd gekeken welke onderwerpen een belangrijker of minder belangrijke rol zouden kunnen spelen in toekomstige focusgroepen. Ook werd er door de onderzoeker gereflecteerd op het eigen presteren. Achteraf werden er uit elk interview sterke en zwakke punten uit het interview vastgesteld en werd er gekeken waar de gesprekstechnieken aangepast of veranderd moesten worden. Daarna werden de interviews per onderwerp geordend waarna ze geanalyseerd werden. 3.3. Operationalisering van de begrippen. De onderzoeksvraag die binnen dit onderzoek centraal staat luidt: “Hoe beleven Nederlandse jongeren met een Creools Surinaamse afkomst de representatie van AfroAmerikanen in de media.” Tijdens de focusgroepen heeft de gespreksleider zichzelf eerst voorgesteld en uitgelegd wat het doel was van het onderzoek. De anonimiteit van de deelnemers werd benadrukt er werd uitgelegd dat het hier in het onderzoek draait om de eigen mening van de deelnemers en het gesprek dat zij met elkaar hebben. Na een voorstel ronde maakte de gespreksleider het onderwerp van het onderzoek bekend en werd er in eerste instantie gevraagd, of de deelnemers iets konden vertellen over de personen die zij hadden opgeschreven, om hun identiteit te illustreren.

34


Tijdens het gesprek observeerde de gespreksleider de deelnemers en werden er aantekeningen gemaakt van zaken die tijdens het gesprek opvielen. Wanneer er een stilte viel of wanneer de deelnemers te lang op een bepaald punt bleven hangen, werd er door de gespreksleider ingegrepen, door bijvoorbeeld een nieuw onderwerp van de topiclist aan te snijden. 3.4.

Topiclist

Binnen de focusgroepen was er sprake van een minimale structuur. Nadat de jongeren uitgelegd hadden waarom zij kozen voor de rolmodellen die zij voorafgaand aan het onderzoek hebben opgeschreven, werd er slechts ingegaan op hetgeen de jongeren zeggen. Wel is er door de onderzoeker vooraf een lijst met onderwerpen opgesteld, die aan de jongeren voorgelegd kon worden indien er een stilte zou vallen. Deze lijst met onderwerpen is door middel van een brainstormsessie opgesteld en is terug te vinden in bijlage 1.

4.

Houding van de onderzoeker tegenover het onderwerp

Tijdens het uitvoeren van kwalitatief onderzoek is het belangrijk dat de onderzoeker zo onbevooroordeeld mogelijk is. Het gaat binnen het kwalitatieve onderzoek immers om de meningen, ervaringen en de leefwereld van de onderzoeksobjecten. Toch is het bijna onmogelijk om helemaal neutraal in een onderzoek te staan. De onderzoeker kijkt immers naar een vraagstuk vanuit een bepaald kader, dat beĂŻnvloed wordt door zijn persoonlijke situatie en achtergrond. In het geval van dit onderzoek zijn de onderzoeksobjecten vrijwel allemaal mensen met een donkere huidskleur, terwijl de onderzoeker een blanke huidskleur heeft. Daarnaast zijn er culturele verschillen vast te stellen tussen de Creools-Surinaamse mensen en de blanke Nederlandse onderzoeker. Het is daarom mogelijk dat er verschillen bestaan tussen de normen en waarden, gebruiken en de manier waarop de mensen in het leven staan. Deze verschillen zijn echter ook toepasbaar op de verschillende manier waarop de onderzoeker en de onderzoekspersonen afzonderlijk kijken naar Afro-Amerikaanse televisie- en muziekpersoonlijkheden, programmaâ€&#x;s en levensstijlen. De onderzoeker heeft kennis van de Afro-Amerikaanse media persoonlijkheden die in Nederland te zien zijn op de televisie en in films. Het is belangrijk om hierbij te zeggen dat de onderzoeker hier naar kijkt vanuit het perspectief van een blanke, Nederlandse vrouw.

35


5. Resultaten In dit hoofdstuk zullen de resultaten, die uit de data naar voren zijn gekomen uiteengezet worden. De resultaten zullen waar mogelijk geïllustreerd worden met een voorbeeld uit de desbetreffende focusgroep. Na analyse van de teksten zijn er drie hoofdthema‟s afgeleid. In de eerste paragraaf gaat het over de beleving van de Surinaamse cultuur. De tweede paragraaf gaat over de representatie van Afro-Amerikaanse en Creools-Surinaamse mensen op de televisie. In de derde paragraaf zullen rolmodellen die belangrijk zijn voor de deelnemers aan dit onderzoek centraal staan. In de vierde paragraaf wordt er een overzicht gegeven van interessante groepsinteracties binnen de focusgroepen. Op deze manier wordt een speerimpressie van de gesprekken gegeven. 5.1

Surinaamse cultuur

De jongeren zijn het er in het algemeen over eens dat het belangrijkste aspect van de Surinaamse cultuur de familieband is. De familieband is over het algemeen erg sterk. Met mensen uit de familie wordt veel tijd doorgebracht, men voelt zich geborgen en kan hier zichzelf zijn. De opvoeding die de jongeren zelf hebben genoten, wordt gekenmerkt door structuur, respect, eenduidigheid (nee is nee) en netheid. Er zijn veel beleefdheidsregels. Er wordt van de kinderen in een gezin verwacht dat ze luisteren naar hun ouders, zonder in discussie te gaan en dat ze oudere mensen met „u‟ aanspreken. Een ander voorbeeld hiervan is, dat de oudere mensen in een familie het Surinaams tegen de kinderen spreken. Er wordt echter van de kinderen verwacht dat zij in het Nederlands antwoorden. Wanneer zij dit niet doen, wordt het gezien als onbeschoft. Uit deze focusgroepen blijkt, dat jongeren deze manier van opvoeden zien als iets positiefs, dat zij graag door willen geven aan hun kinderen. Een aantal jongeren echter, vinden het jammer dat zij steeds verder verwijderd raken van hun Surinaamse roots. Doordat de jongeren zelf in het algemeen de Surinaamse taal niet goed beheersen (omdat het onbeleefd wordt geacht als zij de taal spreken tegen ouderen), zullen zij dat in mindere mate over kunnen dragen aan hun kinderen. Ook hebben deze jongeren, in tegenstelling tot hun ouders, zelf niet in Suriname gewoond, en kunnen zij de Surinaamse levensstijl niet overdragen aan hun kinderen. Dit wordt door de jongeren als een gemis ervaren, al voelen zij zich in het algemeen wel thuis in Nederland en aangepast aan de Nederlandse cultuur. Uit een aantal focusgroepen bleek echter, dat sommige jongeren uit de tweede generatie het gevoel hebben dat zij tussen twee culturen in zitten, namelijk de Surinaamse culturele gebruiken die middels de opvoeding zijn doorgegeven en de Nederlandse cultuur waarin zij leven. Jaleesa (21, MBO) zit in de klas met veel jongeren van Nederlandse afkomst. Het valt haar op dat deze jongeren

36


heel goed in staat zijn om hun mening te geven in de klas, terwijl zij gewend is om te luisteren en te doen wat oudere mensen haar zeggen. Zij vertelde dat dit waarschijnlijk kwam, doordat haar moeder vrij oud was toen zij kinderen kreeg en dat zij erg traditioneel was in de opvoeding. Zij gaf aan dat zij haar kinderen op een andere manier zou gaan opvoeden, omdat het hebben van een eigen mening en de zelfstandigheid die dit met zich mee brengt van groot belang zijn voor het functioneren in de Nederlandse maatschappij. Uit dit onderzoek is gebleken dat cultuur echt iets vanzelfsprekends is en dat dit grotendeels thuis beleefd wordt. Thuis, in de aanwezigheid van familie waren de jongeren echt op hun gemak en konden zij zichzelf zijn, zij waren thuis „in hun sas‟. In een aantal focusgroepen bleek dat jongeren het fijn vonden als zij hun cultuur over konden dragen op anderen. Het samen eten en het overdragen van het „goede uit de cultuur‟ werd door een aantal deelnemers als prettig ervaren. Wellicht stonden de gezinnen waarin zij zijn opgegroeid meer open voor mensen uit andere culturen. Ook kan het meespelen dat de jongeren uit de focusgroep waar de behoefte om de cultuur over te dragen erg groot was, opgroeiden in een vrij autochtone, Nederlandse omgeving, namelijk een voorstad van Utrecht. Kelly, 26, Mbo, geeft van de behoefte aan het overdragen van de Surinaamse cultuur duidelijk weer. Wanneer zij vroeger vriendjes of vriendinnetjes over de vloer had, was het bijvoorbeeld niet eens een vraag of ze zouden blijven eten. Dit is erg kenmerkend voor haar beleving van de Surinaamse cultuur, waarin zij het open staan voor anderen erg belangrijk vindt. Opvallend was dat vooral deelnemers met een hogere opleiding minder behoefte hadden om hun cultuur over te dragen aan anderen. De personen met een hoge opleiding, die deze vraag gesteld werd, interpreteerden dit als het overdragen van cultuur binnen een professionele setting, bijvoorbeeld bij het zoeken naar een baan. Zij zagen het overdragen van de Surinaamse cultuur binnen een professionele setting als een reden waardoor zij niet serieus genomen zouden worden door anderen. Zij vonden dat een Surinaamse persoon meer moeite moest doen om aangenomen te worden voor een baan en vonden het daarom belangrijker om zich zo goed mogelijk aan te passen aan de Nederlandse omgeving. Buiten vonden deze jongeren het belangrijk om zich aan te passen aan de (blanke) omgeving, maar wanneer men thuis was, konden de jongeren weer zichzelf zijn. Ik ben er gewoon niet zo mee bezig om te kijken naar de Surinaamse cultuur ik weet je ik je krijgt het van huis mee en ehm ja maar je doet gewoon je dagelijkse dingen en wanneer je thuis bent dan ben je weer een soort van in je sas. En op je werk je past je aan, je moet je wel aanpassen, je gaat niet Ey Fawaka (overdreven Surinaams accent) dat zeg je niet op je werk. […] je bent gewoon op je werk, je doet je ding, je past je aan en als je thuis bent,… weet je….. (Gracia, 28, MBO)

37


Uit het onderzoek is duidelijk naar voren gekomen dat de jongeren over het algemeen heel kritisch zijn over de Surinaamse gemeenschap. Belangrijkste punten van kritiek is het feit dat de gemeenschap geen eenheid vormt. Er wordt niet opgekomen voor gezamenlijke belangen, er is veel afgunst onder de leden van de Surinaamse gemeenschap en er heerst een „ik-mentaliteit‟, niemand wilt voor een ander onderdoen. Dit zorgt er voor dat er in de Nederlandse maatschappij volgens de jongeren weinig aandacht is voor Surinaamse problematiek en belangen. Surinamers worden op deze manier een onzichtbare bevolkingsgroep in de Nederlandse maatschappij. De Surinaamse gemeenschap is gewoon niet een. Ze vormen geen eenheid. […] Je hebt dus wel kleine groeperingen, maar met met die kleine groeperingen kom je gewoon niet ver genoeg, je hebt gewoon veel meer mensen nodig […]. (Lily, 25, MBO)

Slechts een klein aantal deelnemers was van plan zelf iets te veranderen aan deze situatie. De meeste deelnemers die dit onderwerp aansneden namen dezelfde afwachtende houding aan, die hen irriteerde aan de gemeenschap. Zij gaven kritiek, maar vonden dat zij om wat voor reden dan ook niet de aangewezen persoon waren om er iets aan te doen. Deze passieve houding is kenmerkend voor de manier waarop Creools-Surinaamse mensen zichzelf positioneren in de maatschappij. Er zijn erg weinig mensen uit de gemeenschap die hun nek uitsteken, of die een substantiële bijdrage leveren aan de maatschappij, bijvoorbeeld door het hebben van een succesvolle (politieke) carrière . Lisa (22, WO) gaf aan dat zij het gevoel heeft dat Surinamers denken „dat ze er al zijn‟. Er is voor hen, in tegenstelling tot een aantal bevolkingsgroepen in Nederland die vaak (negatief) in de publiciteit komen, geen reden om zich te bewijzen. Men neemt over het algemeen genoegen met een „middelmatig‟ bestaan, waarbij men genoeg verdient om een gezin te onderhouden. Ook de verantwoordelijkheid van de Nederlandse maatschappij en de media mag hierbij niet vergeten worden. Omdat er weinig aandacht aan deze groep besteed wordt, is het mogelijk dat CreoolsSurinaamse jongeren zich geen volledig onderdeel voelen van de Nederlandse maatschappij.

5.2.

Representatie van Afro-Amerikaanse en Creools-Surinaamse mediafiguren

De manier waarop Surinamers worden gerepresenteerd in de media speelt wellicht een belangrijke rol in het feit dat hoger opgeleiden er in het algemeen niet voor kiezen om hun cultuur over te dragen op anderen. Over de manier waarop Surinamers in de media worden neergezet waren de jongeren uit een focusgroep heel duidelijk. De jongeren namen als voorbeeld de reclame van Lassie, waarin Quintes (Surinaamse acteur) rijst aanprijst. Zijn overdreven accent en „grappige‟ manier van doen wekte veel irritatie op. De jongeren voelen zich hierdoor niet serieus genomen. Ook de reclame van

38


HI, „Pokkie foetsie, alles foetsie‟, werd vervelend gevonden. Het meisje dat de hoofdpersoon in deze reclame speelt wordt volgens de deelnemers stereotype neergezet. Samantha (23, WO) zegt hierover: Me pokkie foetsie, alles foetsie… schreeuwen, overdreven doen, die kleding, het haar zo…

Acteurs in soapseries kwamen ook vaak aan de orde tijdens de focusgroepen. Een serie als Goede Tijden, Slechte Tijden hoort volgens alle deelnemers een voorbeeldfunctie in te nemen, het hoort een goede afspiegeling te zijn van de Nederlandse maatschappij. Er zit echter maar een niet-blanke acteur in de serie. De naam van het personage is Bing, een Surinaamse jongen. De mening van de deelnemers over dit personage loopt nog al uiteen. Aan de ene kant vinden de jongeren dat Bing „verkaast‟ is. Zijn Surinaamse achtergrond komt niet in de serie naar voren. Een mannelijke deelnemer aan het onderzoek, vindt het jammer dat hij zichzelf niet in het personage van Bing kan zien. Zijn kritiek op het karakter is dat hij zich niet als een Surinaamse man gedraagt. Bing komt op hem niet over als een sterk persoon. Ook in een andere focusgroep werd er kritiek gegeven op het personage van Bing. Ten eerste wordt er kritiek geuit over de manier waarop Bing er uit ziet. Omdat de acteur die Bing speelt een erg lichte huidskleur heeft, kan Jason (28, MBO) zich hier niet mee identificeren. Ook in het verdere gesprek komt naar voren dat Jason vindt dat de donkere mensen die op de TV zijn, over het algemeen een te lichte huidskleur hebben en een te „Europees‟ kapsel. Daarnaast vindt Jason, dat de realiteit van Surinaamse jongeren niet overeen komt met het beeld dat geschept wordt met het personage Bing. Ook vond Jason dat „Goede Tijden, Slechte Tijden‟ volgens hem haar verantwoordelijkheid niet neemt om een juist beeld te scheppen van de Nederlandse samenleving. Wanneer de makers van de serie, of producenten in het algemeen, hun verantwoordelijkheid echter wel zouden nemen, zou dat volgens een aantal jongeren bijdragen aan een toename in de betrokkenheid van etnische minderheden bij de maatschappij. De andere helft van de deelnemers aan het onderzoek is van mening dat het personage van Bing juist wel een positief beeld neerzet van Surinaamse mensen in Nederland. Bing heeft een succesvol bedrijf en heeft een goede positie in de maatschappij, daarnaast reageert hij niet agressief. Dit wordt gezien als een positieve verandering in het beeld dat de meeste mensen hebben van Surinaams-Nederlandse mannen. […] en juist om Bing zegmaar als niet stereotype neer te zetten ehm verander je wel het beeld dat leeft bij ehm eh bij de 1 komma zoveel miljoen kijkers. Juist dat je een eh een creool hebt die niet vecht, die huilt, die niet dominant is, dat is het eigenlijk meer, want ze hebben van hem geen dominant karakter gemaakt, en hij wordt eigenlijk gepiepeld waar hij bij staat (Jerry, 26, WO)

39


Over het algemeen zijn de deelnemers aan dit onderzoek het er over eens dat er sprake is van een onderrepresentatie van het aantal Surinaamse Nederlanders op de Nederlandse televisie. De Surinaamse mensen die wel op de TV zijn, worden niet voldoende aansprekend gevonden en dragen hun Surinaamse cultuur niet genoeg uit. Anderen vinden het uitdragen van de Surinaamse cultuur echter niet nodig, omdat dit bijdraagt aan de mate waarin men serieus genomen wordt in de Nederlandse maatschappij. Er kan vastgesteld worden dat er sprake is van een paradox binnen de mening over de representatie van Creools-Surinaamse mensen. In de eerder genoemde reclames werden de karakters als te stereotype Surinaams afgebeeld, maar in „Goede Tijden, Slechte Tijden‟ wordt „Bing‟ te niet-Surinaams neergezet. Het wordt erg moeilijk gevonden de juiste balans te vinden in de representatie van mensen met een donkere huidskleur in combinatie met het uitdragen van hun culturele achtergrond. Jammer genoeg is ook in dit onderzoek niet duidelijk geworden waar deze balans ligt. Zeker is wel dat het bestaan van deze paradox over het algemeen leidt tot het gevoel er niet bij te horen, omdat de deelnemers zich niet met deze Surinaamse media figuren konden identificeren. Over het algemeen waren de deelnemers het er over eens, dat er weinig mensen van Surinaamse afkomst op de Nederlandse televisie te zien zijn. Presentatoren zoals Humberto Tan en John Williams werden een aantal keer genoemd. Ook kwamen cabaretiers als Jurgen Rayman en Roué Verveer aan de orde. Dit waren echter geen mensen waarmee de jongeren zich konden identificeren. De deelnemers aan het onderzoek waren van mening, dat zij niet genoeg bereikt hadden en mensen uit de entertainment wereld kwamen niet in aanmerking om als rolmodel of voorbeeld genoemd te worden. In de focusgroepen heb ik een aantal keer gevraagd naar de verschillen in representatie van Afro-Amerikaanse mensen op de Amerikaanse televisie en mensen met een donkere huidskleur op de Nederlandse televisie. De meningen hierover waren nogal verdeeld. Nederlandse Surinamers op een invloedrijke positie, bijvoorbeeld in een rol van opinieleider, zijn er weinig. Dit in tegenstelling tot de situatie in Amerika. In het interview met Jerry (25, WO) gaf hij dit onderwerp als belangrijk kritiekpunt op het Nederlandse media landschap. Je hebt Afro-Amerikaanse opiniemakers, in de VS en mensen die zitten puur en alleen op basis van hun competenties aan tafel daar […] In Nederland komen Creolen alleen in de media op het moment dat het een Creools punt is. Hé er is een overstroming in Suriname, hey we laten eh eh god hoe heet hij Raymo… die van Tante Es [..] Jurgen Rayman laten we optreden.

Uit dit voorbeeld kan wellicht opgemaakt worden, dat jongeren het gevoel hebben dat Surinaamse Nederlanders niet serieus genomen worden als volledige Nederlanders. Zij worden alleen

40


uitgenodigd in een talkshow wanneer het onderwerp een Surinaamse zaak betreft, maar niet wanneer het gaat over een algemeen onderwerp. Dit wordt onderstreept, door het feit dat de media geen realistisch beeld schept van de Nederlandse maatschappij. Kritiek op de berichtgeving in kranten kwam in de vierde focusgroep aan de orde. Het feit dat in een krantenbericht een niet-blanke dader altijd met etnische achtergrond wordt vermeld, draagt volgens Lisa (22, WO) bij aan de bevooroordeelde berichtgeving over etnische minderheden. Een andere deelnemer aan deze focusgroep ergert zich daarnaast aan het gebruik van „zwart‟, wanneer het over huidskleur gaat. Sharissa (27, WO), deelt de mening van Jerry, dat Afro-Amerikaanse mensen meer op de voorgrond treden in de media. Sharissa geeft als voorbeeld dat er vooral op entertainment gebied veel meer zichtbaarheid is. Ja Afro-Amerikaanse mensen vind ik veel meer op de voorgrond treden überhaupt. Gewoon heel eh heel erg in de voorgrond treden in de westerse wereld, zegmaar, maar in Nederland als ik in de media kijk, naar acteurs en presentatoren en dat soort mensen of in de politiek zelfs, nou ik kan er zo weinig opnoemen, […] maar in Amerika, leeft dat like, denk ik veel meer, […] qua rappers, R‟nB, je hebt ook dat Black awards, of BET awards ofzo, […]

Opvallend aan dit citaat is het feit dat Sharissa alleen doelt op de zichtbaarheid binnen de entertainment industrie. Zij noemt als voorbeeld de BET Awards (Black Entertainment Television Awards). De BET Awards is een show waarin

Afro-Amerikaanse artiesten een prijs krijgen

uitgereikt voor hun prestaties. Deze prijzen worden alleen maar toegekend aan artiesten met een donkere huidskleur of artiesten die „zwarte‟ muziek maken. De uitreiking van de BET Awards staat naast de uitreiking van universele prijzen, zoals de Grammy‟s of de MTV Awards, waarvoor iedere artiest, onafhankelijk van de huidskleur, in aanmerking komt. Mensen met een donkere huidskleur zijn in de Verenigde Staten meer zichtbaar, mede door bepaalde wetten die door de overheid zijn ingevoerd, maar er zijn ook een aantal aparte media die zich helemaal richten op Afro-Amerikaanse gebruikers. De manier waarop Afro-Amerikaanse mensen op de Amerikaanse televisie worden gerepresenteerd is een belangrijk punt van kritiek van Lisa (22, WO). Zij is van mening dat er juist op de Amerikaanse televisie meer sprake is van bevooroordeelde berichtgeving. Ook is Lisa van mening dat de mensen die wel op een hogere positie in het bedrijfsleven of in de politiek werken, erg veel geluk hebben gehad en meer uitzondering dan regel zijn. De jongeren, die deelnamen aan de tweede focusgroep, waren zich erg bewust van de manier waarop de media werkt. Volgens hen zorgde het kapitalistische medialandschap er voor dat het publiek slechts een eenzijdig, negatief beeld te zien krijgt van hoe de wereld in elkaar zit. Dit levert het meeste geld op voor de grote media bedrijven. Media litteracy speelde in dit onderwerp een belangrijke rol. De jongeren vonden het belangrijk om zelf op zoek te gaan naar de waarheid door

41


verschillende bronnen te raadplegen. Volgens hen speelt het internet hierin een belangrijke rol. Men kan hier zelf op zoek gaan naar verschillende bronnen en afwegen welke mening men hierover vormt. Mensen die minder kritisch tegenover media staan, zoals bijvoorbeeld kinderen, nemen alles klakkeloos over en dat is een bedreiging. Ook in het derde gesprek kwam het belang van media litteracy naar voren. Mireille (24, MBO) moet haar zoon regelmatig uitleggen wat de dingen die hij ziet op TV betekenen. De deelnemers aan een aantal focusgroepen waren erg bewust van het feit, dat het hebben van een donkere huidskleur, veel negatieve gevolgen heeft. Uit dit onderzoek is gebleken dat Surinaamse jongeren vooral bekende Afro-Amerikanen zien als hun rolmodellen (zie paragraaf 3, rolmodellen). In de vierde focusgroep heb ik de deelnemers de vraag gesteld waarom zij dachten dat deze trend in alle focusgroepen terug kwam. Joanne (20, MBO) geeft op deze vraag een heel duidelijk antwoord: Omdat ja, blanke mensen die krijgen voorrang altijd, dus als ze hoog zijn is het niet omdat ze er hard voor hebben gewerkt, ze krijgen gewoon voorrang, maar een donkere persoon moet tien keer harder werken dan een blanke persoon

Zij kreeg bij deze opmerking veel bijval uit de groep. Hieruit valt op te maken dat de jongeren voelen dat zij een ondergeschikte rol hebben in de maatschappij en vinden dat zij minder kansen hebben, op basis van hun huidskleur. Uit het kwalitatieve interview met Jerry (26, WO) kwam een soortgelijke conclusie naar voren. Hij vond dat er nog steeds een glazen plafond voor mensen met een donkere huidskleur bestond, omdat een werkgever nu eenmaal eerder mensen aanneemt die op hem lijkt. Joanne (20, MBO) en de andere deelnemers aan de vierde focusgroep konden ook voorbeelden geven waarin zij gediscrimineerd werden of waarin mensen racistische opmerkingen naar hen maakten. Bewustzijn van de geschiedenis van mensen met een donkere huidskleur van over de hele wereld was voor de jongeren die deelnamen aan de tweede focusgroep heel belangrijk. Deze jongeren spraken over het Willy Lynch effect en een conspiracy theorie, die verklaarde waarom de mensen die opkwamen voor de rechten van donkere mensen en mensen die bruggen bouwden tussen verschillende naties, monddood gemaakt werden of vroegtijdig kwamen te overlijden. Wellicht dat het doorzien van deze historische patronen, deze jongeren sterkt in hun „black identityâ€&#x; 5.3.

Rolmodellen

De focusgroepen en kwalitatieve interviews zijn semigestructureerd verlopen. Voorafgaand aan het gesprek vroeg ik de deelnemers na te denken over personen uit de media die hen inspireerden, die hen beschreven en die dienden als rolmodellen. Wanneer deze personen genoemd werden vroeg ik

42


de deelnemers om de rede waarom zij specifiek voor deze mensen gekozen hadden. Opvallend hierbij was, dat er vaak gekozen werd voor krachtige Afro-Amerikaanse rolmodellen, die subculturen overschrijden, zoals Oprah Winfrey, Michael Jackson, Barack Obama, Sidney Poitier, Martin Luther King, Malcolm X, Rosa Parks. Nelson Mandela werd om dezelfde redenen een aantal keer genoemd. Bewondering voor de opofferingen die hij heeft gedaan voor de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika is hier de belangrijkste reden van. In elk gesprek kwam tenminste een van deze rolmodellen naar voren. Opvallend aan de keuze voor deze rolmodellen is dat zij allen Afro-Amerikaans zijn en allen een sleutelrol gespeeld hebben in de emancipatie en acceptatie van gelijke rechten voor mensen met een andere huidskleur, dan de blanke. Zij zijn als het ware subcultuur overstijgend. Vanuit de hele wereld is er respect en aandacht voor deze mensen. Zij hebben een grote bijdrage geleverd aan de manier, waarop in ieder geval Afro-Amerikanen, maar wellicht mensen met een donkere huidskleur over de hele wereld, leven. Ook waren zij van invloed op de kansen, die donkere mensen op dit moment hebben en de het beeld dat anderen van hen hebben. Deze rolmodellen zijn allen zeer succesvol en dwingen veel respect af. Zoals eerder in de paragraaf „Beeldvormingâ€&#x; naar voren is gekomen, voelen een aantal deelnemers aan dit onderzoek dat zij gediscrimineerd worden en dat zij niet serieus genomen worden in de media. Wellicht dat dit een belangrijke reden is voor de keuze van deze rolmodellen. De eigenschappen die het meest in deze personen werd bewonderd, waren onder andere het doorzettingsvermogen, het feit dat zij van een lage positie (op eigen kracht) een succesvol bestaan hebben opgebouwd, maar ook de manier waarop zij, op hun eigen manier, streden voor gelijke rechten en het openen van deuren voor mensen met een donkere huidskleur. Alle jongeren, die aan dit onderzoek meewerkten, waren tweede generatie Surinaamse Nederlanders. De ouders van deze jongeren zijn destijds naar Nederland verhuisd, op zoek naar een beter bestaan voor zichzelf en hun kinderen. Omdat de ouders van de jongeren hier met niks kwamen en hard hebben gewerkt om een beter leven te krijgen, zijn veel van de jongeren opgegroeid met doorzettingsvermogen en hard werken als belangrijke waarden. Een reden voor de keuze voor juist deze rolmodellen, is dat de manier waarop de rolmodellen succesvol werden, overeenkomt met de persoonlijke achtergrond van de jongeren. Ja, maar dat is ook zo in mijn familie, ik bedoel mijn ouders kwamen hier op 16 jarige leeftijd, hebben Suriname verlaten en moesten hier gewoon beginnen, helemaal op nieuw beginnen, weet je wel, ze hadden gewoon niks, geen huis, gewoon niks, en dat ja, dat spreekt je dan ook wel aan in al die voorbeelden dat je toch weet je, ook van niks komen en, ja, weet je.. (Sharissa, 25, WO)

43


Ook Afro-Amerikaanse mensen uit de entertainment wereld werden een aantal keer genoemd. Voorbeelden hiervan zijn zanger/acteur Tyrese, zangeres Keisha Cole en model/presentatrice Tyra Banks. Zij werden bewonderd, vanwege hun doorzettingsvermogen en het feit dat zij hun succes zelf hebben opgebouwd en vanwege de problemen en struikelblokken die zij in hun persoonlijk leven hebben overwonnen. Afro-Amerikaanse Rapper Scarface werd ook genoemd door Brayen (30, MBO). Hij ziet deze rapper als voorbeeld omdat hij al heel lang fan van hem is. Brayen bewondert hem vanwege zijn bescheidenheid en omdat hij rapt over het dagelijks leven van de achterstandswijken in Amerika. Patrick, (26, MBO) noemde een drie tal reggae artiesten die hij bewondert, namelijk Bob Marley, Kapleton en Anthony D.. Patrick voelt zich erg aangesloten bij reggae artiesten. Zelf had hij dreadlocks en hij voelt zich aangetrokken door de rasta cultuur. Hij bewondert de artiesten omdat ze de werkelijkheid weergeven en zingen over dingen die echt gebeuren. Slechts vier keer werd een rolmodel genoemd met een blanke, Nederlandse achtergrond. Opvallend hieraan, is dat deze mensen ten alle tijden genoemd werden vanuit een bewondering voor hetgeen deze mensen op professioneel vlak hebben bereikt. Twee Nederlandse rolmodellen werden genoemd door Kelly (26, MBO), een getalenteerd hairstyliste, zij koos twee topkappers die erg veel succes hebben in haar branche. Kelly bewondert deze twee Nederlandse rolmodellen om hun doorzettingsvermogen en om het feit dat zij veel bereikt hebben. De andere twee autochtone Nederlanders

werden

genoemd

door

Jerry

(25,

WO),

een

net

afgestudeerde

Communicatiewetenschapper die op zoek is naar een baan in het bedrijfsleven. Hij noemde deze twee mensen, uit bewondering voor hun zakelijke succes en hun winnaars mentaliteit. Twee keer werd een familielid genoemd als rolmodel. Dit is opvallend omdat ik daar in eerste instantie niet naar vroeg, het betreft hier immers geen mediafiguren. De mensen die familie als voorbeeld noemden, kwamen daar zelf mee. (Ray, 27, HBO) bewondert zijn vader omdat hij, na de dood van zijn moeder, altijd voor hem en zijn zusje heeft gezorgd. Ray ziet dit niet als iets vanzelfsprekend, dus bewondert hij zijn vader daarom. Gracia (28, MBO) noemde haar moeder als haar voorbeeld, omdat zij ontzettend positief in het leven staat, veel heeft meegemaakt, heel veel liefde in zich heeft en altijd voor iedereen klaar staat. Terwijl ze dit vertelde werd zij emotioneel. ja dat is eigenlijk een beetje ja ik heb m‟n moeder staan en de reden waarom is omdat ehm ik echt heel veel respect heb dat zij ehm dat zij ehm de manier waarop zij ons heeft grootgebracht en ehm mijn moeder heeft best wel veel dingens meegemaakt ook in haar jeugd enzo […]ja ik wordt een beetje…….[Gracia begint te huilen] […]

Slechts één keer werd er een bekend persoon genoemd als rolmodel met een Surinaamse achtergrond. Lisa (22, WO) noemde Laetitia Griffith als een voorbeeld, omdat zij, volgens Lisa een realistisch 44


doel representeert. Laetitia Griffith is lid van de Tweede Kamer en is volgens Lisa een goed voorbeeld voor Surinaamse mensen, omdat zij laat zien dat ook Surinamers deze hoge functie kunnen bekleden. Later in de focusgroep maakt Lisa haar ambities voor haar verdere leven kenbaar. Zij is vast besloten om na haar studie de politiek in te gaan. 5.3.1. Surinaamse rolmodellen Omdat er vanaf de eerste focusgroep vrijwel alleen Afro-Amerikaanse rolmodellen genoemd werden, heb ik binnen alle gesprekken gevraagd welke Surinaamse mensen zij eventueel als rolmodel zouden zien. Op de vraag of er Surinaamse mensen in de Nederlandse media zijn die tot rolmodel gerekend kunnen worden, werd er meestal lang nagedacht. De meeste deelnemers aan het onderzoek konden geen Surinaams mediafiguur noemen, laat staan dat ze iemand als rolmodel rekenden. In een aantal gevallen werd Gerda Havertong genoemd, maar de mensen die haar noemden wisten over het algemeen niet waar zij bekend van was. Jurgen Rayman werd in een focusgroep genoemd, als een Surinaams persoon die het dichtst bij een positie als rolmodel kwam, omdat het een doorzetter is, maar hij kon uiteindelijk niet tot de positie van rolmodel worden berekend, omdat hij niet de beste is in wat hij doet. Bijvoorbeeld Jurgen Rayman is wel een tiep die best wel groot is in Suriname,[…]hij heeft best wel een goede studie achter de rug wat hij allemaal gedaan heeft, was niet altijd even braaf, en als je dan kijkt naar wat hij dan nu wel bereikt heeft denk ik nou mooi toch wel iets dat je denkt van […], maar het is toch niet zo dat ik denk van wow, je bent op number one, of dat ik denk van helemaal geweldig, maar wel gewoon kleine puntjes dat ik denk van nou wel positief. (Kelly, 25, MBO)

Uit dit voorbeeld blijkt dat de deelnemers aan dit onderzoek de Surinaamse bekende personen niet indrukwekkend genoeg vinden om als voorbeeld te nemen. Als men deze personen vergelijkt met de Afro-Amerikanen die genoemd werden als rolmodel, stellen de prestaties van de Surinaamse mensen wellicht teleur. Misschien stelden de deelnemers aan dit onderzoek te hoge eisen aan de eigenschappen die iemand moet hebben en de prestaties die een persoon moet leveren om in aanmerking te komen voor de positie van rolmodel. In dat licht is het opvallend dat Lisa, in het eerdere voorbeeld, iemand als Laetitia Griffith juist aandroeg als rolmodel, omdat zij een realistisch doel symboliseerde. Aan de andere kant echter, is Lisa de enige persoon in dit onderzoek die zulke duidelijke ambities had in de richting van een politieke carrière. Wanneer dit niet het geval was geweest, had zij wellicht ook gekozen voor een meer mainstream rolmodel.

45


5.4.

Interactie en groepsdynamiek

Zoals eerder gezegd zijn er vier focusgroepen gehouden waaraan drie tot vijf jongeren deelnamen en twee kwalitatieve, één op één interviews. Hieronder zal per focusgroep besproken worden hoe de dynamiek binnen de groep in elkaar zat.

Aan de eerste focusgroep deden drie mensen mee. Kelly (25, MBO), Gracia (28, MBO) en Brayen (30, MBO). Gracia en Kelly zijn zusjes en Brayen is hun neef. Opvallend in deze focusgroep was het feit dat Kelly overwegend aan het woord was. Toen de focusgroep begon stelde ik Kelly de vraag wie zij rekende tot haar rolmodellen. Zij had gelijk een hele lijst van mensen paraat, waarop zij uitgebreid in ging. Gracia was daarna aan de beurt en had in haar lijstje met rolmodellen veel overeenkomsten met Kelly. Zij refereerde tijdens haar uitleg een aantal keer aan wat Kelly eerder had gezegd. Gracia: Nou om te beginnen heb ik ook Oprah Winfrey en dat de reden daarvan is omdat ehm ja eigenlijk wat Kelly ook al heeft aangegeven van hoe ze is begonnen, ze kwam uit een achterstandswijk […]

Gracia had als belangrijk voorbeeld haar moeder opgeschreven. Toen zij de reden daarvan vertelde werd Gracia emotioneel en nam Kelly het verhaal over. Gracia wordt emotioneel en begint een te huilen Kelly: Zal ik het even overnemen Interviewer: Zal ik water voor je pakken? Kelly: Met name dan waarom ze mijn moeder heeft uitgekozen is dat me moeder ehm […]

Brayen was, nadat hij over zijn rolmodellen had verteld, erg stil. Als er iets door de anderen werd gesteld en ik vroeg hem of hij het daar mee eens was, was zij antwoord altijd bevestigend. In deze focusgroep was weinig groepsinteractie. Kelly was vooral aan het woord en Gracia verduidelijkte de dingen die Kelly zei. Zowel Gracia als Kelly spraken vaak met Engelse woorden door hun Nederlands heen. Geen enkele keer werden er Surinaamse woorden gesproken. De belangrijkste onderwerpen in deze focusgroep waren: rolmodellen, familie, taal, cultuur en de manier waarop de deelnemers leven in de Nederlandse maatschappij. De tweede focusgroep had vijf deelnemers, namelijk: Lily (25, MBO); Ray (27, HBO); Jason (28, MBO); Patrick (28, MBO) en Dulci (30, MBO). In deze focusgroep waren vooral Ray en Jason veel aan het woord. Ik kreeg de indruk dat zij veel met het onderwerp van gesprek bezig waren in hun persoonlijk leven. Zij hadden een duidelijke mening over de manier waarop de media werkt en vertelden theorieën over de manier waarop donkere mensen onderdrukt werden en worden. Jason vroeg mij tussentijds een aantal keer of hij wel over dingen praatte waar ik naar op zoek was. Dit

46


kwam wellicht, omdat hem niet duidelijk was wat de bedoeling van het gesprek was of omdat hij wat meer sturing van mijn kant verwachtte. Patrick liep in het gesprek een aantal keer weg. Wanneer hij weer terug kwam, praatte hij verder over het onderwerp waar het gesprek over ging, voordat hij weg liep. In dit voorbeeld komen alle bovenstaande voorbeelden samen: Jason: Maar ik vraag me eigenlijk af weet je we zitten te praten, maar wat is precies de de de intentie van eh jouw onderzoek zegmaar weet je wat wil jij eh… Interviewer: Weet je als ik het je nu ga uitleggen dan zou ik je beïnvloeden dus mag ik het je na afloop zeggen? Jason: Omdat ik eh juist wat media betreft en eh je weet toch eh zwarte mensen en allerlei voorbeelden zo heb ik wel het een en ander te zeggen Interviewer: Nou eh… Jason: Maar misschien wordt het dan allemaal wat te negatief beladen, misschien voor je onderzoek enzo

Lily was erg fel in het geven van haar mening. Als ze het ergens niet mee eens was, verduidelijkte ze haar standpunt keer op keer en stelde ze tegenvragen om aandacht en bijval te krijgen voor haar standpunt. Ray: Weet je wat het is, Lily: Waarom heeft hij anders een kruis? Jason: Wij baseren heel veel dingen Lily: Voor wat is dan dat kruis? Jason: Is gewoon leugens Lily: is Chris.. is leugen? Het komt uit het christendom

Dulci hield zich vaak afzijdig van het interview, zij was niet echt betrokken in het gesprek. Wel kwam zij een aantal keer met een onderwerp, maar ze liet de andere deelnemers er over praten. Toen het gesprek ging over de eenzijdige berichtgeving in de media, werd er door de deelnemers gesproken in de 3rd person effect. Zij dachten, dat dit niet zo zeer invloed op henzelf zou hebben, maar wel op kinderen, of mensen, die niet over dit soort dingen nadenken. Jason: […] roken wiet en zo, die boodschap van Jah en alles werden nooit in het nieuws ofzo, weet je wel het negatieve werd alleen maar belicht […] jij hebt een ander beeld van reggae, maar gewoon een jochie die is op zoek naar zijn identiteit, weet je en hij ziet dat en hij vindt het strak, hij weet niet dat het gaat over knowledge enzo, hij denkt het gaat over wiet roken enzo, Ray: rasta enzo Patrick: ja dat is voor een jongen ja

Onderwerpen die in dit onderzoek aan bod kwamen, zijn: Rolmodellen, muziek, werking van de media, media litteracy, representatie van mensen met een donkere huidskleur, Willy Lynch effect, Surinaamse gemeenschap en het Nederlandse medialandschap. Aan de derde focusgroep deden vier jongeren mee, namelijk: Mireille (24, MBO), Jaleesa (21, MBO), Dwayne (26, MBO) en Jairo (26, MBO). Mireille en Dwayne hebben een relatie en een zoon van vijf. Ook Jairo heeft een zoon van vijf jaar oud. In deze focusgroep was het opvallend dat de

47


deelnemers het vrijwel altijd met elkaar eens waren. Alleen Jaleesa had op bepaalde punten een afwijkende mening en hield zich heel sterk vast aan die mening, ook al was niemand het er mee eens. De deelnemers aan deze focusgroep waren opvallend minder uitgesproken in hun mening dan de voorgaande focusgroep. De toon was minder hard en er werden minder onderwerpen aangesneden. Het gesprek ging voor het grootste gedeelte over media litteracy in combinatie met kinderen en de opvoeding van kinderen. Zelden waren de deelnemers kritisch of fel over een bepaald onderwerp. Een reden hiervoor zou kunnen zijn de dit de enige focusgroep was, waaraan jongeren deelnamen die kinderen hadden. Wellicht hadden de deelnemers, om die reden, andere onderwerpen om over te spreken. Jairo: Ik heb een zoontje hij is vijf, zijn grote voorbeeld is, niet lachen, Bassie de clown, Mireille: Ai dat wist ik, Bassie…

Mireille en Dwayne waren in de focusgroep altijd met elkaar eens en Mireille maakte de zinnen van Dwayne af. Ook ondersteunden ze elkaars opmerkingen. Dwayne: Ja het is een pure vorm van je weet toch ex.. Mireille: Expressie

Onderwerpen die in deze focusgroep naar voren kwamen, waren: rolmodellen, media litteracy, opvoeding en Surinaamse cultuur. Focusgroep vier bestond uit: Lisa (22, WO), Joanne (20, MBO), Linda (23, MBO), Jara (21, HBO), Samantha (23, WO). Lisa, Joanne, Linda en Jara zijn nichtjes en Samantha is een vriendin van Lisa. Deze focusgroep verschilt van anderen, omdat hier jongeren aan deelnamen, die een uiteenlopende achtergrond hadden, wat betreft opleidingsniveau. Hierdoor vond ik het erg moeilijk om de juiste toon te vatten, zodat alle vijf de meisjes mij goed zouden begrijpen. Lisa was meestal de eerste die antwoordde. Zij zat in het gesprek recht tegenover mij. De jongeren waren het over de meeste onderwerpen eens, al had Samantha een aantal keer een afwijkende mening. Joanne deed in het gesprek een aantal pittige uitspraken, maar wist niet altijd uit te leggen waarom ze iets zei. Linda en Jara hielden zich in het gesprek enigszins op de achtergrond. Wanneer er gesproken wordt over het introduceren van een Surinaamse nationale feestdag in Nederland is alleen Samantha het er niet mee eens. Beiden kunnen ze hun standpunt niet met argumenten onderbouwen. Een onderwerp dat in deze focusgroep behandeld werd was het karakter „Bing‟ uit de soapserie „Goede Tijden, Slechte Tijden‟. Toen er gesproken werd over de geloofwaardigheid van het karakter, leidde dit tot de volgende conversatie:

48


Lisa: Ja hoe hij zich gedraagt ik vind dat hij zijn in de serie zijn Surinaamse achtergrond niet naar buiten brengt zegmaar. Dat ie gewoon Nederlands doet, echt alles Nederlands doet, Roti uit een pakje eet en zo Jara: Ja okee, ik dacht alleen vanwege zijn accent Lisa: Nee nee, als je gewoon roti uit een pakje eet, dan vind ik dat je je Surinaamse achtergrond een beetje… ja verwaterd Joanne: Want iedere Surinamer kan lekker roti maken? […] Lisa: Dat zeg ik niet, maar iedere Surinamer boven de 30

Opvallend aan deze conversatie is het feit dat de deelnemers de geloofwaardigheid van een Surinamer vinden afhangen van de kookkwaliteiten. Wanneer Samantha Lisa confronteert met het feit dat zij zelf ook geen Roti (traditioneel Surinaams gerecht) kan koken, draait zij haar verhaal opeens naar „iedere Surinamer boven de 30‟. In dit gesprek kwam naar voren dat de jongeren in het dagelijks leven geconfronteerd werden met discriminatie. Er was een sterk bewustzijn van de culturele afkomst en de rol die huidskleur speelt in het dagelijks leven. Wellicht is de reden hiervoor dat vier van de vijf deelnemers uit één familie komen. Zij hebben in het verleden wellicht eerder gesproken over een aantal van de onderwerpen die tijdens de focusgroep aan de orde zijn gekomen. In deze focusgroep werd vooral gesproken over rolmodellen, representatie, stereotypering, racisme en discriminatie. 5.5

Conclusie

De belangrijkste resultaten uit dit onderzoek zijn dat de Surinaamse opvoeding van de jongeren soms botst met het leven in de Nederlandse maatschappij, en dat er veel kritiek is op de Surinaamse gemeenschap. Het ontbreekt aan daadkracht en mobiliteit. Ook is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat er sprake is van een onderrepresentatie van Creools-Surinaamse mensen op de Nederlandse media en dan in het bijzonder een gebrek aan aansprekende opinieleiders. Hierdoor voelen de jongeren niet dat ze een belangrijk onderdeel zijn van de Nederlandse samenleving. De keuze voor aansprekende, subcultuur overstijgende Afro-Amerikaanse rolmodellen is hier wellicht een reactie op. Dit zou de jongeren kunnen sterken in hun identiteit als persoon met een donkere huidskleur binnen een grotendeels blanke maatschappij.

49


6.

Conclusie

Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt, dat er drie belangrijke thema‟s zijn die uitgebreid aan bod kwamen in de focusgroepen en kwalitatieve onderzoeken. Deze zullen hier in het kader van de deelvragen en hoofdvraag worden behandeld. In de eerste paragraaf zal de vraag „Hoe beleven Creools-Surinaamse jongeren de Surinaamse cultuur?‟ beantwoord worden. In de tweede paragraaf zal de tweede deelvraag behandeld worden, namelijk: „Op welke wijze beleven Creools-Surinaamse jongeren de beeldvorming rondom Creools-Surinaamse mensen en Afro-Amerikanen?‟. In de derde paragraaf wordt de laatste deelvraag behandeld, deze luidt: „Hoe beleven Creools-Surinaamse mensen rolmodellen uit de media?‟. Dit hoofdstuk zal afgesloten worden met het beantwoorden van de hoofdvraag: „Hoe beleven Nederlandse jongeren met een Creools-Surinaamse afkomst de representatie van Afro-Amerikanen en Surinamers in de media?‟ 6.1

Hoe beleven Creools-Surinaamse jongeren de Surinaamse cultuur

De deelnemers aan dit onderzoek zijn van mening dat zij goed geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving. Op professioneel gebied, zoals op het werk en op school, vinden de jongeren het erg belangrijk om zich aan te passen aan de omgeving. Vooral de hoog opgeleide deelnemers zijn van mening dat men niet serieus genomen zal worden, wanneer iemand de Surinaamse achtergrond te veel in het taalgebruik of in cultuurgebonden gebruiken, naar voren laat komen. Thuis echter kunnen de jongeren zichzelf zijn. De familieband is voor de meeste jongeren het belangrijkste kenmerk van de Surinaamse cultuur en familieleden worden door de jongeren dan ook vaak als rolmodellen gezien. Daarnaast komt uit het onderzoek naar voren dat de opvoeding, het eten, de taal, muziek en feestjes belangrijk zijn in het beleven van de cultuur. In enkele gevallen hebben jongeren het gevoel dat zij tussen twee culturen in zitten. Met de opvoeding, die zij van hun ouders meekregen, ondervinden zij soms problemen in het functioneren in de Nederlandse maatschappij. Dit wordt bevestigd door Growricharn (2008, in: SSOA, 2008, p. 27), die zegt dat de tweede generatie Surinamers een nieuwe balans moet vinden tussen de mate van Nederlander- en Surinamer zijn. Ook kwam naar voren dat Surinaamse jongeren in dit onderzoek niet heel trots zijn op hun eigen gemeenschap. Zij vinden het jammer dat er een„ik-mentaliteit‟ heerst en er veel afgunst is onder de leden van de gemeenschap. Dit is de reden dat de Surinaamse gemeenschap volgens de jongeren niks bereikt in de Nederlandse maatschappij. Zij vinden dat er onvoldoende zichtbaarheid van Surinaamse mensen is en dat er te weinig mensen, of organisaties, zijn die opkomen voor de belangen van de gemeenschap. Ook is er binnen de gemeenschap, volgens de jongeren, te weinig ambitie om een succesvol leven te leiden. In het oordeel van de jongeren over de representatie van Afro-Amerikanen kwam echter naar voren, dat „trots zijn op de cultuur‟ juist wel iets is wat daar

50


duidelijk in naar voren komt. Dit komt ten eerste door het feit dat Afro-Amerikanen hun eigen zenders hebben op de Amerikaanse televisie en meer zichtbaar zijn in main-stream media. Dit in tegenstelling tot de situatie in Nederland, waar sprake is van een onderrepresentatie van mensen met een donkere huidskleur (Koeman, Peeters & Dâ€&#x;Haenens, 2007). Er zijn dus veel meer mogelijkheden voor Afro-Amerikanen om de trots op hun cultuur uit te dragen. Daarnaast kan het met een verschil in cultuur te maken hebben. De American Dream staat in de Amerikaanse cultuur centraal en succesvolle Afro-Amerikanen dragen dit ook uit. De trots op hetgeen de Afro-Amerikaanse rolmodellen hebben bereikt, ondanks hun huidskleur, is ook juist iets dat door de jongeren in dit onderzoek aangegeven wordt bewonderd. Afro-Amerikanen werden in dit onderzoek vooral als rolmodel genoemd, omdat de jongeren het doorzettingsvermogen, het feit dat zij van niets iets gemaakt hadden en de manier waarop zij omgegaan zijn met tegenslagen in het verleden, bewonderden. Het gebrek aan de punten die de jongeren in de Afro-Amerikaanse rolmodellen bewonderen, wordt gezien als de rede waarom men niet trots is op de Surinaamse gemeenschap. De gemeenschap heeft volgens de jongeren geen doorzettingsvermogen, ze hebben niets bereikt, doen niets om wel iets te bereiken en ze laten zich makkelijk tegenhouden in hun succes. De Afro-Amerikaanse rolmodellen die de jongeren kozen, zijn enorm succesvol en hun bekendheid overstijgt landsgrenzen en subculturen. Buiten dat worden deze mensen alom gerespecteerd. Aangezien de jongeren zich niet serieus genomen voelen door de Nederlandse maatschappij, en zij geen succesvolle voorbeelden zien in hun eigen gemeenschap, dragen de Afro-Amerikaanse rolmodellen bij aan het zelfvertrouwen van de jongeren. Een aantal deelnemers aan dit onderzoek hebben in hun leven discriminatie op basis van hun huidskleur ervaren. Dit varieert van discriminatie tijdens het uitgaan tot uitgescholden worden voor slaaf en discriminatie op de arbeidsmarkt. Zij vinden, dat mensen met een donkere huidskleur veel meer moeten werken en vechten voor gelijke kansen, dan mensen met een blanke huidskleur. Dit komt overeen met hetgeen Verkuyten (1988) vond in zijn onderzoek. Volgens hem hebben mensen uit een etnische minderheid een verlaagd self-esteem, omdat zij een lagere status en macht hebben binnen de maatschappij en omdat zij te maken hebben met discriminatie en vooroordelen. 6.2 Op welke wijze beleven Creools-Surinaamse jongeren de beeldvorming rondom CreoolsSurinaamse mensen en Afro-Amerikanen Zoals eerder gezegd, blijkt dat Creools-Surinaamse jongeren vinden, dat er sprake is van een onderrepresentatie van Surinaamse mensen op de Nederlandse televisie. De jongeren denken dat dit komt doordat er enerzijds niet genoeg interesse is onder Surinamers om een carrière in de media te

51


ambiëren. Daarnaast denken ze, dat het gebrek aan daadkracht onder de Surinamers die dit wel nastreven, een oorzaak is. Ook ligt het volgens de jongeren aan het feit, dat de Surinamers worden tegengehouden in het verwezenlijken van hun carrière ambities, door het Nederlandse systeem. Dit komt overeen met hetgeen Greco-Larson (2006) zegt. Wanneer er sprake is van onderrepresentatie van een etnische groep binnen een samenleving, ontstaat er een scheef beeld van de samenleving. De etnische minderheden worden hun rolmodellen ontnomen en de bijdragen die de minderheid levert aan de maatschappij, worden op die manier ontkend. De Surinaamse jongeren die deelnamen aan dit onderzoek waren erg kritisch over de manier waarop Surinaamse mensen werden gerepresenteerd in de media. Er zijn weinig tot geen aansprekende opinieleiders. Daarnaast worden Surinaamse mensen in reclames vaak op een stereotype wijze afgebeeld. In de berichtgeving in het nieuws ergert men zich vooral aan de vermelding van iemands afkomst, wanneer deze persoon niet autochtoon Nederlands is. Deze manieren van representatie dragen niet bij aan het gevoel van „Nederlander zijn‟ voor de jongeren. Zij worden door de media niet serieus genomen en niet behandeld als een onderdeel van de Nederlandse maatschappij. In een multiculturele samenleving waarin iedereen geacht wordt deel te nemen aan de maatschappij, is het van belang dat iedere inwoner van het land op een integere manier wordt gerepresenteerd in de media. Ook in films en drama series, waarvan de deelnemers het als de taak van de media zien om in de cast een evenwichtige representatie te geven van de Nederlandse samenleving (Koeman, Peeters & D‟Haenens, 2007), schiet de media te kort. In het theoretisch kader vroeg ik mij af, of Surinaamse karakters in soap series bij zouden dragen aan een collectief self-esteem (Allen, 2001), juist omdat er weinig Surinaamse personages in soap series voor komen. Dit blijkt niet het geval te zijn. Uitvoerig werd er gesproken over het Surinaamse karakter „Bing‟ uit Goede Tijden, Slechte Tijden. De meeste jongeren in dit onderzoek vonden dat hij zich niet gedroeg als een Surinaamse man. De meeste jongens, die aan dit onderzoek mee deden, konden zich niet in zijn gedrag herkennen. Ze vonden dit jammer, omdat hij het enige donkere personage is in deze soapserie, er is op de Nederlandse televisie niemand in wie zij zich kunnen herkennen. Anderen vonden hem „verkaast‟. Een aantal andere deelnemers, echter, vonden dit beeld, dat van Bing geschetst wordt, juist positief. Dit komt omdat hij het stereotype beeld dat heerst over Creools-Surinaamse mannen weerlegt en omdat hij niet agressief wordt neergezet en een redelijk succesvol leven leidt. Uit deze verdeeldheid in de meningen over het personage blijkt, dat „Bing‟ geen collectief self-esteem opwekt. Dit voorbeeld illustreert daarnaast hoe moeilijk het is voor de jongeren om een balans te vinden in de rol die Surinaamse achtergrond speelt in de Surinaams-Nederlandse identiteit (Growricharn, 2008, in SSOA, 2008, p. 27).

52


Ook werd er door sommige jongeren kritiek gegeven op het uiterlijk van „Bing‟ en andere Surinaamse mensen op de Nederlandse televisie. Deze mensen zouden een te lichte huidskleur hebben en een te Europees uiterlijk en haardracht. Deze mensen stonden te ver van de deelnemers af, omdat ze niet leken op henzelf en de mensen in de omgeving. Uit het onderzoek van Dixon, Zhang en Conrad (2009), bleek dat rap videoclips die duidelijk herkenbaar waren als Afrocentric, zorgden voor meer identificatie met de video onder mensen die zelf duidelijke Afrocentric gelaatstrekken hebben. Op de Nederlandse televisie is er weinig identificatie op basis van uiterlijke kenmerken mogelijk, omdat het uiterlijk van de meeste televisie persoonlijkheden te „licht‟ is. De manier waarop Afro-Amerikaanse mensen in de media komen, werd door sommige deelnemers op een meer positieve manier gezien, dan de representatie van Creools-Surinamers in de Nederlandse media. Het kijken naar invloedrijke Afro-Amerikaanse mediafiguren zorgde juist wel voor een versterking van het self-esteem en een grotere sense of self (Allen, 2001). In een interview kwam naar voren dat het erg gewaardeerd werd dat er veel Afro-Amerikaanse opinieleiders zijn en dat er Afro-Amerikaanse mensen in hogere functies in het bedrijfsleven zitten. In Nederland zijn er echter maar weinig Creools-Surinaamse mensen die dergelijke posities vervullen. Afro-Amerikanen worden op die manier serieus genomen en Afro-Amerikaanse jongeren hebben, in tegenstelling tot Creools-Surinaamse jongeren in Nederland, realistische en haalbare rolmodellen om tegenop te kijken en zich mee te identificeren. Daarnaast is er in Amerika meer aandacht voor AfroAmerikaanse (populaire) cultuur en entertainment en hebben zij eigen networks op televisie. Tegelijkertijd waren mensen het hier niet mee eens, zij achtten de positie van AfroAmerikanen in Amerika, vele malen slechter dan de positie van Creools-Surinaamse mensen in Nederland. De berichtgeving en representatie van Afro-Amerikanen in het nieuws is volgens deze kritische deelnemers slechter, en meer stereotype, dan in Nederland. Daarnaast vinden zij dat de opinieleiders en succesvolle mensen in de Amerikaanse politiek of het bedrijfsleven meer uitzondering dan regel zijn. Volgens Baker (1987) hebben Afro-Amerikaanse gezinnen in de middenklasse grotendeels dezelfde kansen als blanke mensen in een vergelijkbare situatie. AfroAmerikaanse jongeren uit de onderste lagen van de samenleving krijgen echter niet de kansen waar zijn recht op hebben, op het gebied van gelijke behandeling en racisme, onderwijs en huisvesting. Hier is volgens het rapport van de Samenwerkende Surinaamse Organisaties Amsterdam (SSOA, 2008) een parallel te trekken met de Surinaamse mensen, die niet in staat zijn geweest een positie in de middenklasse te bereiken. Zij hebben minder mogelijkheden om op te kijken naar rolmodellen in hun directe omgeving, waardoor het moeilijker wordt om te klimmen op de maatschappelijke ladder.

53


6.3 Hoe beleven Creools-Surinaamse mensen rolmodellen uit de media Opvallend aan de rolmodellen die gekozen werden door de deelnemers aan dit onderzoek is, dat uit alle focusgroepen Afro-Amerikaanse mensen voortkwamen met wie de deelnemers zich identificeerden. Het gaat hierbij niet uitsluitend om mensen uit de muziek- of entertainment wereld, maar om Afro-Amerikanen die belangrijk zijn geweest bij de emancipatie van mensen met een donkere huidskleur over de hele wereld. Voorbeelden hiervan zijn Martin Luther King, Malcolm X, Oprah Winfrey, Michael Jackson, Barack Obama. Ook de Zuid-Afrikaanse Nelson Mandela werd in deze gesprekken vaak genoemd. Deze figuren werden door de jongeren gekozen, omdat zij deuren openden voor mensen met een donkere huidskleur, omdat zij veel doorzettingsvermogen hebben en omdat zij vanuit „niets‟ hun eigen succes hebben gemaakt. Opvallend aan deze rolmodellen is dat zij subculturen overstijgen. De werkzaamheden, of de nalatenschap, van deze Amerikaanse mensen zijn over de hele wereld bekend en worden bewonderd. In het theoretisch kader wordt een onderscheid gemaakt tussen etnische identiteit (Wentholt, zd., Yinger, 1976 en Ott, 1989) en huidskleur identiteit (O‟Hearn, 1998, Chavez & Guido-Di Brito, 1999, Helms, 1993). Hierbij werd de vraag gesteld op basis waarvan mensen met een CreoolsSurinaamse achtergrond zich identificeren met media personages. Is dit op basis van een overeenkomstige huidskleur, of op basis van een gedeelde etniciteit, waarbij de cultuur een belangrijke rol speelt. Uit dit onderzoek blijkt dat jongeren zich identificeren met media figuren op basis van huidskleur en maatschappelijke positie. Enerzijds identificeren de jongeren zich met Afro-Amerikaanse rolmodellen, omdat zij opkijken tegen hetgeen deze mensen bereikt hebben. Deze rolmodellen staan voor normen, waarden en gedrag die belangrijk zijn in het leven van de jongeren (Fraser & Brown, 2002). Zij zijn over het algemeen opgevoed met doorzettingsvermogen en daadkracht als belangrijke waarde. Dit heeft wellicht te maken, met het feit dat de ouders van de jongeren die deelnamen aan dit onderzoek, allen naar Nederland zijn geëmigreerd. Zij hebben hun eigen land achter zich gelaten en moesten in Nederland een nieuw bestaan opbouwen vanuit het niets. Volgens Van Amersfoort (2008, in: SSOA 2008, p. 18) en Khodabu (zd.) is dit de Surinamers in Nederland goed gelukt. Er is, ruim dertig jaar na de eerste immigratiegolf, een nieuwe middenklasse ontstaan. Over het algemeen kan dus gezegd worden dat de meeste Surinaamse mensen redelijk succesvol zijn. In de ogen van de deelnemers aan dit onderzoek, zijn er echter weinig tot geen uitschieters te noemen, die boven dit redelijk succesvolle middenklasse bestaan uitsteken. Er zijn te weinig mensen die hun nek uitsteken, of die bekend zijn op basis van de successen die zij, op professioneel gebied, behaald hebben. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat er in de Nederlandse media vooral Surinaamse mensen te zien in de

54


sport of op entertainment gebied. Dit wordt bevestigt door het onderzoek van Koeman, Peeters en Dâ€&#x;Haenens (2007). Uit dit onderzoek is gebleken, dat de jongeren in dit onderzoek zich niet zo zeer identificeren met popsterren of andere figuren uit de entertainment wereld, maar met sleutelfiguren in de emancipatie van Afro-Amerikanen. De bekendheid van deze mensen overstijgt landsgrenzen en culturen. De jongeren namen deze mensen als voorbeeld om wat zij hebben bereikt. Ook geeft het hen zelfvertrouwen en maakt het hen bewust van wat ze kunnen bereiken, ondanks hun huidskleur. Terwijn (2008) onderstreept het belang van rolmodellen voor de ontwikkeling van iemands identiteit. Er is een gebrek aan invloedrijke Surinaamse personen in de media. De manier waarop Surinaamse mensen in reclames worden afgebeeld is, zoals eerder gezegd, vaak op een stereotype manier. Ook kunnen de jongeren zich vaak niet herkennen in de representatie van Surinaamse mensen in (soap) series. Greco-Larson (2006) geeft aan, dat wanneer er sprake is van een onderrepresentatie van minderheden in een samenleving, deze mensen hun rolmodellen worden afgenomen. Wellicht dat het gebrek aan inspirerende Surinaamse mensen in de Nederlandse media en de teleurstelling in de representatie van Surinaamse mensen, wanneer zij wel op TV zijn, er de reden van is dat de jongeren Afro-Amerikaanse, succesvolle en alom gerespecteerde mensen als hun voorbeeld zien. Het kijken naar deze Afro-Amerikanen zorgt voor een toenemende self-esteem en versterkt de sense of self (Allen, 2001). Slechts ĂŠĂŠn keer is een Creools-Surinaamse persoon aangewezen als rolmodel. Politica Laetitia Griffith, werd aangewezen als rolmodel door een meisje, dat een wetenschappelijke opleiding volgde. Dit meisje heeft zelf ambities om de politiek in te gaan na haar studie en zag Laetitia Griffith als iemand die een bereikbaar doel representeerde. Dit voorbeeld bevestigt het feit dat wanneer er wel mensen zijn die een invloedrijke positie hebben binnen de eigen gemeenschap, deze mensen in aanmerking komen als rolmodel voor iemand die interesse heeft om een soortgelijk doel te bereiken. In dit onderzoek zijn opvallend weinig blanke mensen aangewezen als rolmodel. Alleen blanke mensen die de jongeren op professioneel en zakelijk gebied inspireerden, hadden een blanke huidskleur. Dit hangt samen met de resultaten uit het onderzoek van Dates (1980), die vond dat Afro-Amerikaanse jongeren zich sneller konden identificeren met media personages met dezelfde huidskleur. Men zou hieruit kunnen opmaken dat de huidskleur en prestaties op maatschappelijk gebied de belangrijkste rol speelt in de identificatie met een rolmodel. Anderzijds werden familieleden, zoals vaders en moeders van de jongeren ook een aantal keer genoemd als rolmodel. Zoals eerder gezegd speelt familie een belangrijke rol in de Surinaamse cultuur. Door de opvoeding van de ouders wordt de cultuur grotendeels doorgegeven. Hieruit kan geconcludeerd worden, dat naast de 55


identificatie op basis van de huidskleur, en het versterken van de „zwarte‟ identiteit door het kijken naar sterke, succesvolle en gerespecteerde Afro-Amerikanen, de Surinaamse, etnische- en culturele identiteit, ook belangrijk is. Deze wordt echter vooral door de ouders en familie overgedragen, wellicht nogmaals omdat er geen aansprekende rolmodellen in de media te vinden zijn. Een andere reden is de geslotenheid van de cultuur. Deze punten werden bevestigd door de resultaten uit de grafiek van Hofstede (zd.), in het theoretisch kader (pagina 28), waarin de Surinaamse cultuur tegen de Nederlandse cultuur werd afgezet. Hieruit blijkt dat de Surinaamse cultuur minder tolerant is dan de Nederlandse; men staat minder open voor andere culturen. Ook het collectivisme komt hierin naar voren; familie en gemeenschap spelen een belangrijker rol in de Surinaamse cultuur, dan de Nederlandse. Hoewel sommige deelnemers aan het onderzoek het fijn vonden om hun cultuur met niet-Surinamers te delen, was de Surinaamse cultuur volgens iedereen iets dat je vooral thuis beleeft, met je familie. „Thuis kun je jezelf zijn‟, is dan ook een vaak gehoorde opmerking. Ook volgens Chavez en Guido-DiBrito (1999) heeft een bewuste onderdompeling in de culturele tradities en waarden, zoals bijvoorbeeld familie, een positieve invloed op het bewust worden van etnische identiteit. Eerder werd het onderzoek van Verkuyten (1988) aangehaald, die stelde dat jongeren afkomstig uit een etnische minderheid over het algemeen een lagere self-esteem hebben omdat zij en een lagere status en macht hebben en over het algemeen veel te maken hebben met vooroordelen en discriminatie. In een later onderzoek, echter, zegt Verkuyten (1988b) dat er geen sprake is van een lagere self-esteem onder etnische minderheden, omdat zij zich minder spiegelen aan het beeld dat de maatschappij van hen heeft en meer waarde hechten aan het oordeel van belangrijke naasten. Uit de resultaten van dit onderzoek valt echter op te maken dat, zoals eerder gezegd, familie erg belangrijk is voor de jongeren, maar dat er wel degelijk sprake is van een lagere self-esteem onder de deelnemers. Zij hebben over het algemeen een negatief beeld van de manier waarop zij gezien worden door anderen. Dit komt tot uiting in het feit dat zij op straat te maken hebben met discriminatie en omdat zij het gevoel hebben dat zij veel harder moeten werken om iets te bereiken, vanwege hun huidskleur. Ook hebben zij het gevoel dat zij een zwakkere positie hebben op de arbeidsmarkt. Daarnaast is er sprake van onderrepresentatie of stereotype representatie op de Nederlandse televisie, terwijl zij het gevoel hebben dat het beeld op de televisie een complete afspiegeling zou moeten zijn van de Nederlandse samenleving. De bevindingen van Verkuyten (1988b) komen dus niet overeen met de resultaten uit dit onderzoek. In het theoretisch kader stelde ik de vraag, of een programma als „Rayman is Laat‟ zorgt voor een versterking van het Surinaamse collectieve self-esteem. Afgaande op de resultaten van dit onderzoek is hier geen aanwijzing voor gevonden. De bewustwording en beleving van de etnische identiteit vindt vooral thuis plaats.

56


6.4 Hoe beleven Nederlandse jongeren van Creools-Surinaamse afkomst de representatie van Afro-Amerikanen en Surinamers in de media? Om deze vraag te beantwoorden, moet er bij Afro-Amerikanen onderscheid gemaakt worden tussen invloedrijke leiders en Afro-Amerikanen uit de sport- en entertainmentwereld. Van mensen uit deze laatste categorie waren de deelnemers aan dit onderzoek vaak niet erg onder de indruk. Dit vond men ook van de Surinaamse mensen op de Nederlandse televisie, die voornamelijk in de entertainment industrie, of in de sport werkzaam zijn. Over het algemeen konden de deelnemers zich niet identificeren met mensen uit deze categorieën. De deelnemers vonden hen te weinig inspirerend en zij hadden volgens hen te weinig bereikt om in aanmerking te komen voor de positie van rolmodel. Creools-Surinaamse jongeren zijn over het algemeen erg op zoek naar voorbeelden uit de media die hen inspireren en waar zij zich aan op kunnen trekken. Huidskleur speelt hierin een belangrijke rol. De jongeren hebben nog steeds te maken met discriminatie, zij hebben het gevoel dat zij niet serieus genomen worden door de Nederlandse maatschappij. Hierdoor nemen zij graag een voorbeeld aan mensen die er „hetzelfde uitzien‟ en zich door deze belemmeringen niet hebben laten tegenhouden om een succesvol leven op te bouwen en alom respect af te dwingen. De deelnemers aan dit onderzoek waren erg kritisch over de manier waarop CreoolsSurinaamse mensen op de televisie werden gerepresenteerd. Zoals eerder gezegd vonden zij dat er sprake was van een onderrepresentatie van deze groep. Ook zijn er weinig tot geen opinieleiders. Wanneer Creools-Surinaamse mensen wel op TV te vinden waren, worden zij in reclames op een stereotype manier neergezet en in berichtgeving in het nieuws, wordt altijd de afkomst van een niet autochtoon persoon erbij vermeld. De deelnemers aan dit onderzoek vinden dat zij door deze manier van representatie niet serieus genomen worden door de Nederlandse maatschappij (Greco-Larson, 2006). Als hierbij gedacht wordt aan het feit dat sommige deelnemers aan het onderzoek nog regelmatig discriminatie ervaren, en niet echt trots zijn op de Surinaamse gemeenschap, is het vrij logisch dat de jongeren behoefte hebben aan inspirerende figuren, die hen sterken in hun („zwarte‟) identiteit. Deze figuren inspireren de jongeren zelf niet alleen in de zin, dat een succesvol leven ook voor hen mogelijk is, ondanks hun huidskleur, maar deze figuren worden ook alom gerespecteerd, ook door blanke mensen. Daarom versterkt het beeld van deze subcultuur overstijgende AfroAmerikaanse mensen, de positie van de jongeren in een blanke omgeving.

57


7.

Discussie

Aan dit onderzoek zijn een aantal beperkingen verbonden. In de beschikbare literatuur kon ik weinig informatie vinden over de Surinaamse cultuur en representatie van etnische minderheden in de Nederlandse media. Hierdoor was het voor mij onmogelijk om de gevonden resultaten te verbinden aan de resultaten die eerder door andere onderzoekers zijn gevonden. Een deel van het onderzoek is daarom meer explorerend van aard geweest, dan dat het een cumulatieve bijdrage leverde aan de bestaande wetenschappelijke informatie. Daarnaast zijn er een aantal beperkingen wat betreft de uitvoering van het onderzoek. Ten eerste was het vrij lastig om jongeren te vinden die deel wilden nemen aan dit onderzoek. Hoewel het in eerste instantie de bedoeling was dat ik vijf of zes focusgroepen zou uitvoeren, zijn er uiteindelijk vier focusgroepen en twee kwalitatieve interviews uitgevoerd. Omdat het moeilijk was om in contact te komen met Surinaamse organisaties waarbij jongeren aangesloten waren die eventueel zouden kunnen deelnemen, ben ik gaan kijken naar potenti毛le deelnemers in mijn persoonlijke netwerk. Daardoor waren de meeste deelnemers aan dit onderzoek bekenden van mij. Dit kan er voor gezorgd hebben dat de deelnemers aan het onderzoek bepaalde, vooral negatieve, gedachtes niet durfden uit te spreken of er voor kozen sociaal wenselijke antwoorden te geven. Ook de leeftijd van de onderzochte mensen kan een beperking zijn. In eerste instantie wilde ik jongeren tussen de 15 en 25 jaar oud als doelgroep nemen. Alle deelnemers aan dit onderzoek waren echter tussen de 20 en 30 jaar. Wanneer dit onderzoek uitgevoerd zou worden onder jongere mensen, zouden er wellicht andere resultaten behaald kunnen worden. Dit onderzoek levert een positieve bijdrage aan de bestaande wetenschappelijke kennis, omdat hierin een vrij onbekende doelgroep centraal staat. Binnen het huidige maatschappelijke klimaat en de groei van de multiculturele samenleving, is het naar mijn mening belangrijk dat er aandacht is voor de positie van minderheden. Juist door middel van een kwalitatief onderzoek, komt men er achter hoe deze mensen zelf denken over bepaalde zaken en hoe zij hun positie beleven. Er wordt vooral veel 贸ver minderheden geschreven, maar dit onderzoek laat zien dat er interessante en soms schokkende resultaten behaald kunnen worden, wanneer een bevolkingsgroep zelf aan het woord komt. In de beschikbare literatuur kon ik weinig tot geen informatie vinden, die op dit onderwerp in gaat. Ik heb hier dus een redelijk nieuw onderwerp aangesneden binnen het huidige maatschappelijke klimaat. 7.1

Aanbevelingen

De manier waarop Surinaamse jongeren hun cultuur beleven en de kritiek die ze op hun gemeenschap hebben zijn punten die interessant zijn voor verder onderzoek. Zoals eerder gezegd

58


zouden er interessante resultaten behaald kunnen worden wanneer er een jongere doelgroep aan het woord zou komen, bijvoorbeeld Creools-Surinaamse jongeren van 12 tot 18 jaar. Omdat jongeren in deze groep in de pubertijd zitten, zullen zij naar verwachting andere redenen hebben om een rolmodel uit te kiezen. De keuze voor de doelgroep Creools-Surinaamse jongeren uit Amsterdam Zuidoost zou ook tot interessante resultaten kunnen leiden. Dit gezien het feit dat deze groep gezien wordt als achterblijvers in het integratieproces, die volgens Van Amersfoort (2008, in SSOA, 2008, p. 18) geen mogelijkheden hebben, om in hun directe leefomgeving op te kijken naar rolmodellen. Ook zou dit, of een soortgelijk onderzoek, uitgevoerd kunnen worden onder autochtone Nederlanders. Ik vraag mij af of zij Nederlandse, of ook (Afro-) Amerikaanse rolmodellen zouden aandragen. Volgens Kuipers (2008) staat Nederland het meest „openâ€&#x; voor Amerikaanse producties in vergelijking met andere Europese landen. Het is daarom goed mogelijk dat ook autochtone Nederlanders vooral Amerikaanse rolmodellen kiezen. Juist daarom zou het ook interessant zijn om andere etnische minderheden in een soortgelijk onderzoek aan bod te laten komen. Ik denk hierbij aan Marokkaanse of Turkse jongeren. Het lijkt me interessant om hun mening over hun positie in de maatschappij te horen en te kijken welke rolmodellen zij aandragen. Ook de rol die familie inneemt in het leven van andere etnische minderheden zou interessant kunnen zijn voor verder onderzoek. Als laatste zou het interessant zijn om een soortgelijk onderzoek uit te voeren onder Hindoestaans-Surinaamse jongeren, die zich volgens Jones (2004) vooral identificeren met de Indiase Bollywood industrie.

59


Referenties Adorno, T.W. & Horkheimer, M. (1944). The Culture Industry: Enlightenment and mass deception. In Adorno, T.W. & Horkheimer, M. (1994). Dialectic of Enlightenment. New York: The Seabury Press.

Adorno, T.W. & Rabinbach, A.G. (1975). Culture industry reconsidered. New German Critique, 6, 12-19.

Adorno, T.W. (2006 [1941]). On populair music. In Storey, J. (Ed.), Cultural theory and popular culture. Edinburg: Pearson Education/ Prentice Hall.

Akers, R.L., Krohn, M.D., Lanza-Kaduce, L. & Radozevich, M. (1979). Social learning and deviant behaviour: A specific test of a general theory. American Sociological Review, 44, 636-655.

Alsaker, F.D. (1995). Is puberty a critical period for socialization? Journal of Adolescence, 18, 427444. Arnett, J.J. (1995). Adolescentsâ€&#x; uses of media for self socialization. Journal of Youth and Adolescence, 24 (5), 519-533.

Aronson, E., Wilson, T.D. & Akert, R.M. (2007). Social Psychology. Upper Saddle River: Pearson Education.

Ashante, M.K. (1991). The Afrocentric idea in education. The Journal of Negro Education, 60, 2, 170-180.

Baker, F.M. (1987). The Afro-American lifecycle: Succes, failure and mental health. Journal of the National Medical Association, 79 (6), 625-633

Bandura, A., Ross, D. & Ross, S. (1961). Transmission of aggression through imitation of aggressive models. Journal of Abnormal and Social Psychology, 63, 575-582.

60


Bandura, A. Ross, D. & Ross, S. (1963). Imitation op film mediated aggressive models. Journals of Abnormal and Social Psychology, 66, 3-11.

Bandura, A, Ross, D. & Ross, S.A. (1963b). A comparative test of the status envy, social power and secondary reinforcement theories of identificatory learning. Journal of Abnormal and Social Psychology, 67, 527-534.

Bandura, A. (1969). Social learning theory of identification processes. Handbook of Socialization theory and research, 213-262.

Bardoel, J. & Van Cuilenburg, J. (2002). Communicatie beleid en communicatiemarkt. Amsterdam: Otto Cramwinckel.

Basch, L., Schiller, N.G. & Szanton-Blanc, C. (1994). Nations unbound: Transnational projects, postcolonial predicaments and deterritorialized nation-states. London: Routeledge

Black, R.W. (2006). Language, culture and identity in fanfiction. E-Learning, 3 (2), 170-184. Bovenkerk, F. (1983). „De vlucht. Migratie in de jaren zeventig.â€&#x; In: G. Willemsen (red.), Suriname, de schele onafhankelijkheid, 152-181. Amsterdam: De Arbeiderspers.

Bullock, H. E., Wyche, K. F., & Williams, W. R. (2001). Media Images of the Poor. Journal of Social Issues, 57(2), 229-246.

Bulman, R. C. (2002). Teachers in the 'Hood: Hollywood's Middle-Class Fantasy. Urban Review, 34 (3), 251-276.

Cerulo, K. A. (1997). Identity constructions: New issues, new direction. Annual Reviews Sociology, 23, 385-409.

Chavez, A.F. & Guido- DiBrito, F. (1999). Racial and ethnic identity and development. New Directions for Adult and Continuing Education, 84, 39-47.

61


Choenni, C. & Harmsen, C. (2007). Geboorteplaats en etnische samenstelling van Surinamers in Nederland. Bevolkingstrends, 1, 74-78.

Cohen, J. (2001). Defining identification: A theoretical look at the identification of audiences with media characters. Mass Communication and Society, 4 (3), 245-264.

Consalvo, M. (2003). The Monsters Next Door: Media Constructions of Boys and Masculinity. Feminist Media Studies, 3 (1), 27-45.

De Boer, C. & Brennecke, S. (2004). Media en publiek: Theorieen over media-inpact. Amsterdam: Boom.

Dixon, T.L., Zhang, Y. & Conrad, K. (2009). Self-esteem, misogyny and afrocentricity: An examination of the relationship between rap music consumption and African American perceptions. Group Processes and Intergroup Relations, 12 (3), 345-360.

Erikson, E.H. (1968). Identity, youth and Crisis. London: Faber & Faber.

Ferguson, R. (1998). Representing race: Ideology, identity and media. London: Arnold.

Fraser, B.P. & Brown, W.J. (2002). Media, celebrities, and social influence: Identification with Elvis Presley. Mass Communication & Society, 5 (2), 183-206.

Gandy, O.H. jr. (1998). Communication and race: A structural perspective. London: Arnold. Gauntlett, D. (1998). Ten things wrong with the „effects model‟. In Dickinson, R., Harindranath, R. & Linné, O. (Eds.), Approaches to audiences – A reader. London: Arnold.

Gauntlett, D. (2004). Using new creative visual research methods to understand the place of popular media in people‟s lives. International Association for Media and Communications Research, 1-17.

62


Gauntlett, D. & Holzwarth, P. (2006). Creative and visual methods for exploring identities. Visual Studies, 21 (1), 82-91.

Gauntlett, D. (2008). Media, Gender and identitiy: An introduction. London: Routledge.

Giddens, A. (1991). Modernity and self-identity: Self and society in the late modern age. Cambridge: Polity.

Giddens, A. (2002). Runaway world: How globalisation is reshaping our lives. London: Profile Books.

Gijsberts, M. & Dagevos, J. (2004). Concentratie en wederzijdse beeldvorming tussen autochtonen en allochtonen. Migrantenstudies, 40 (3), 145-168.

Goffman, E. (1959). The presentation of self in everyday life. London: Penguin. Gordon, M.K. (2008). Media contributions to African-American girlsâ€&#x; focus on beauty and appearance: Exploring the consequences of sexual objectification. Psychology of Women Quarterly, 32, 245-256

Greco Larson, S. (2006). Media & minorities: The politics of race in news and entertainment. Maryland: Rowman & Littlefield Publishers, inc.

Hall, S. (1997). Representation: cultural representations and signifying practices. Londen: Sage.

Hampden-Turner, C. & Trompenaars, F. (1997). Response to Geert Hofstede. International Journal of Intercultural Relations, 21 (1), 149-159.

Helms, J. E. (1993). Introduction: Review of Racial Identity Terminology. In J. E. Helms (Eds.), Black and White Racial Identity: Theory, Research and Practice. Westport: Praeger.

Hermes, J. (2005). Burnt orange: Television, Football and the representation of ethnicity. Television and New Media, 6 (1), 49-69. 63


Hofstede, G. (2002). Culturele diversiteit in de Nederlandse samenleving. Justitiele verkenningen, 28 (5), p. 9-18.

Hofstede, G. & McCrae, R.R. (2004). Personality and culture rivisited: Linking traits and dimensions of culture. Cross-Cultural Research, 38 (1), p. 52-88.

Hofstede. G. (zd.) Geert Hofstede cultural dimensions: Compare your home culture with your host culture. Opgehaald van http://www.geert-hofstede.com/hofstede_dimensions.php.

Holt, T.C. (1997). African-American History. In Foner, E. (Eds.), The new American history: Revised and expanded edition. Philadelphia: Temple University Press

Hoskins, C. & Mirus, R. (1988). Reasons for the US dominance of the international trade in television programmes. Media, Culture and Society, 10, 499-515.

Jones, S. (2004). Met vlag en rimpel: Surinamers over Nederland. Utrecht: Kosmos uitgevers.

Kelman, H.C. (1958). Complience, Identifcation, and Internalization three processes of attitude change. Journal of Conflict Resolution, 2 (1), 51-60.

Kelman, H.C. (1961). Processes of opinion change. Public Opinion Quarterly, 25, 57-78.

Kibreab, G. (1999). Revisiting the debate on people, place, identity and displacement. Journal of Refugee Studies, 12 (4), 384-410.

King, M.M. & Multon, K.D. (1996). The effects of television role models on the career aspirations of African American junior high school students. Journal of Career Development, 23 (3), 111-125.

Kodabux, J. (zd). De Surinaamse gemeenschap in Nederland. ABC Kenniscentrum.

64


Koeman, J., Peeters, A. & d‟Haenens, L. (2007). Monitor diversiteit 2005: Diversiteit als kwaliteitsaspect van de Nederlandse televisie. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 35 (2), 103-122.

Koninklijke Bibliotheek. (zd.). Dossier afschaffing slavernij. Opgehaald op 30 november, 2009, van http://www.kb.nl/dossiers/slavernij/slavernij.html

Kuipers, G. (2008). De VS in Europesche huiskamers: Nationale medialandschappen en Amerikaanse televisieprogramma‟s in vier Europese landen. Sociologie, 4 (2-3), 174-194.

LaRose, R. Mastro, D. & Eastin, M.S. (2001) Understanding Internet Usage, A Cocial Cognitive Approach to Uses and Gratifications. Social Science Computer Review, 19 (4).

Lee, F.L.F. (2006). Cultural discount and cross-culture predictability: Examining the box office performance of American movies in Hong-Kong. Journal of Media Economics, 19 (4), 259-278.

Leitner, H. & Ehrkamp, P. (2005). Transnationalism and migrants‟ imagining of citizenship. Environment and Planning, 38 (9), 1615-1632.

Liebes, T. & Curran, J. (1998). Media, ritual and identity. London: Routledge.-

Livingstone, S. (2008). Engaging with media- a matter of literacy? Communication, Culture & Critique, 1 (1), 51-62.

McCrae, R.R. & Costa, P.T. Jr. (2003). Personality in adulthood : A five factor theory perspective. NewYork: Guilford. McQuail, D. (2005). McQuail‟s mass communication theory. London: Sage. McSweeney, B. (2002). Hofstede‟s model of national cultural differences and their consequences: A triumph of faith- a failure of analysis. Human Relations, 55 (1), 89-118.

65


O‟Hearn, C.C. (1998). Half and Half: Writers Growing Up Biracial and Bicultural. New York: Pantheon Books, 1998.

Ott, S. (1989). The Organizational Culture Perspective. Chicago: The Dorsey Press.

Ó Tuathail, G. (1998). Political Geography III: Dealing with deterritorialization. Progress in Human Geography, 22 (1), 81-93.

Ó Tuathail, G. & Luke, T.W. (1994). Present at the (dis)integration: Deterritorialization and reterritorialization in the new wor(l)d order. Associaltion of American Geographers, 84 (3), 381-398.

Romer, D., Hall- Jamieson, K. & Aday, S. (2003). Televsion news and the cultivation of fear of crime. Journal of Communication, 88-104.

Rosenberg, M. (1979). Conceiving he self. New York: Basic Books.

Ruggiero, T.E. (2000). Uses and Gratifications Theory in the 21st Century. Mass Communication & Society. Vol. 3(1), pp. 3-37.

Samenwerkende Surinaamse Organisaties Amsterdam (SSOA). (2008). Verslag van de conferentie Samen Verder.

‟T Hart, H., Boeije, H. & Hox, J. (2006). Onderzoeksmethoden. Amsterdam: Boom Onderwijs.

Tannen, D. (1984). The pragmatics of cross-cultural communication. Applied linguistics, 5 (3), 189195.

Terwijn, H. (2008). Over rolmodellen en individualiteit bij Amerikaanse en Nederlandse studenten. Sociologie, 4(2-3), 229-253.

66


Tomlinson, J. (2003). Globalization and cultural identity. The Global Transformations Reader, 269277.

Van Binnendijk, C. & Faber, P. (1992). Sranan. Cultuur in Suriname. Amsterdam: Koninklijk Instituut voor de Tropen.

Van den Broek, B. (2002). De worsteling om de toekomst van Suriname: De betekenis van de demografische factor, toegelicht aan de hand van Nederlandse opiniebladen in de periode 1954-2000. Doctoraalscriptie Economische en Sociale Geschiedenis.

Verkuijten, M. (1988). Zelfbeleving en identiteit van jongeren uit etnische minderheden. Arnhem: Gouda Quint.

Verkuyten, M. (1988b). General self-esteem of adolescents from ethnic minorities in the Netherlands and the reflected appraisal process. Adolescence, 23 (92), 863-871.

Weitzer, R. & Kubrin, C.E. (2003). Breaking news: How local TV news and real-world conditions affect fear of crime. Justice Quarterly, 21 (3), 497-520. Wester, F. (1995). Strategieën voor kwalitatief onderzoek. Bussum: Coutinho. Wester, S. (2003). Bradaz & Bounty‟s: Een onderzoek naar de rol van de comedyserie Bradaz bij het zoeken naar erkenning van de culturele identiteit van en door de eerste en tweede generatie Surinaamse jongeren. Doctoraalscriptie Communicatie-wetenschap UVA.

Wilson, W.J. (2001). The declining significance of race: Blacks and changing American institutions. In Cashmore, E. & Jennings, J. (Eds.), Rascism: Essential readings. London: Sage.

Wolf, S. (2003). Kijken naar de eigen zender: De behoefte aan zenders uit het land van herkomst. In opdracht van: Utrechtse programmaraad.

Wong, C.A., Eccles, J.S. & Sameroff, A. (2003). The influence of ethnic discrimination and ethnic identification on African American adolescents‟ school and socioemotional adjustment. Journal of Personality, 7 (6), 1198-1232.

67


Yinger, J. M. (1976). Ethnicity in Complex Societies. In L. A. Coser and O. N. Larsen (Eds.), The Uses of Controversy in Sociology. New York: Free Press, 1976.

68


Bijlage 1 Topiclist -

(uitoefening van) Cultuur, de rol die de Surinaamse cultuur speelt in het leven van de jongeren

-

MTV global culture

-

Serieus genomen worden

-

Jeugdcultuur, hiphop

-

Amerikaanse slang

-

Huidskleur

-

Identiteit

-

Identificeren met

-

Beroemdheden

-

Idolen rolmodellen o Nederlanders o Surinaamse Nederlanders o Afro amerikanen

-

Nederlander / Surinamer / Europeaan

-

Gangs

-

Gangsters/ gewillige vrouwen

-

Nederlandse maatschappij o Positie binnen

-

Gelijke rechten / kansen

-

Discriminatie

-

Surinaamse TV persoonlijkheden o Speelt cultuur hierin een rol, of gedragen ze zich als blanke Nederlanders

-

Behoefte aan Surinaamse cultuur

-

Sport en entertainment

-

Opinieleiders uit Surinaamse gemeenschap

-

Vuurwapengeweld Amsterdam Zuidoost

-

Representatie van Surinamers in Nederland

-

Representatie van Afro Amerikanen

-

Kansen

-

Verantwoordelijkheid

69


-

„Achterblijversâ€&#x; in Amsterdam Zuidoost o Verantwoordelijkheid Nederlandse overheid of Surinaamse gemeenschap

-

Vriendengroep

-

Integratie

-

Menging in maatschappij

70


Een onzichtbare bevolkingsgroep aan het woord