Page 1


2

5 6

Voorwoord RenĂŠ Pingen Inleiding Merel Bem

224

Credits


Scholten & Baijings 8 Chris Kabel 24 Mae Engelgeer 40 Joris Laarman 54 Formafantasma 68 Pieke Bergmans 82 Valentin Loellmann 96 Christien Meindertsma 110 Dirk van der Kooij 124 Atelier NL 138 152 Maarten Kolk & Guus Kusters rENs 166 Lex Pott 180 Pepe Heykoop 194 Daan Roosegaarde 208

3


4


“The world is full of objects, more or less interesting; I do not wish to add any more.” Douglas Huebler, 1969. In the early days of conceptual art, Douglas Huebler came to the conclusion that the object could be replaced by text or that it could take on a more or less immaterial shape in the form of graphics, photos or geographical maps. In actual fact it was a quest for an adequate form of communicating information, in order to identify the perception that lies at the foundation of the production and experience of art.

René Pingen

directeur / director Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch

Designers are also aware of the abundance of objects. Everything around us has been designed. How We Work shows just how important the research and working processes are, without losing sight of the object or defining it differently. On the contrary, in fact. Handicrafts and traditional skills are judged on their merits once again, meticulous material and colour research does not necessarily go hand in hand with cutting edge production techniques and seldom does the design include a mildly sceptic attitude towards modern-day consumerism. High quality and sustainability as a solution to mass production and overproduction. Production and the subsequent reflection based on working process form the core of How We Work. Design shops and fairs usually present the final product. The Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch has dedicated an exhibition to the very topic of this book: the research process and the time and attention it requires.

“The world is full of objects, more or less interesting; I do not wish to add any more.” Douglas Huebler, 1969. In de begindagen van de conceptuele kunst trok Douglas Huebler de conclusie dat het object door tekst kon worden vervangen of een meer of minder immateriële vorm kon aannemen in de vorm van grafieken, foto’s of geografische kaarten. In feite ging het om een zoektocht naar een adequate vorm van informatieoverdracht, om de perceptie die aan de productie en ervaring van kunst ten grondslag ligt te kunnen duiden. Ook ontwerpers zijn zich bewust van die overdaad aan objecten. Alles om ons heen is ontworpen. How We Work laat zien hoe belangrijk het onderzoek en het werkproces zijn, zonder dat het object uit het zicht verdwijnt of anders wordt gedefinieerd, integendeel. Handwerk en ambachten worden opnieuw op hun merites beoordeeld, minutieus materiaal- en kleuronderzoek gaan al dan niet hand in hand met hypermoderne productietechnieken en niet zelden klinkt in de ontwerpen een mild-kritische houding door ten opzichte van onze consumptiedrang. Hoge kwaliteit en duurzaamheid als antwoord op massa- en overproductie. Productie en de reflectie daarop aan de hand van het werkproces vormt de kern van How We Work. Designwinkels en beurzen tonen doorgaans het eindproduct. Het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch wijdt graag een tentoonstelling aan dat waar dit boek over gaat: het onderzoek en de tijd en aandacht die dat vraagt.

5


De mooiste dingen gebeuren onderweg. Dat zullen de meeste ontwerpers in dit boek beamen. Behalve om de plaats van bestemming, of dat nu tastbare producten zijn of juist het begin is van een veelomvattend project, gaat het in hun praktijk vooral om de weg daar naartoe. Het onderzoek, het proces dat aan de dingen voorafgaat – het zorgt voor de mooiste vergezichten en de beste ideeën. Het intuïtieve gebruik van een bepaalde kleur levert bijvoorbeeld onverwachte informatie op over het verleden, de keuze voor een materiaal kan je ineens een andere weg doen inslaan en het hele proces van richting doen veranderen. Sta ervoor open en je bent al een stuk verder dan de rest van de weggebruikers, die het asfalt slechts gebruiken om zo snel mogelijk bij de finish te komen. Wanneer Inga Powilleit en Tatjana Quax ergens naartoe gaan, gaat de zon schijnen. Dat beweren ze zelf althans: dat ze in de ruim twaalf jaar dat ze nu als fotograaf en stilist samenwerken nog altijd in de auto stappen, op weg naar een kunstenaar, een ontwerper of iemand met een mooi interieur, en dat er dan iets gebeurt, iets bijzonders. Dit zeggen ze allebei, het is dus niet zo dat de één het beweert en de ander het meteen weer onderuithaalt, wat – laten we eerlijk zijn – ook best vaak gebeurt. Er is dus alle reden om te geloven dat het waar is. Het is dan ook niet voor niets dat zij de samenstellers zijn van dit boek. Net als de gekozen ontwerpers genieten ze vooral van het onderweg zijn, wat in dit geval betekende: het bezoeken van vijftien totaal verschillende ontwerpstudio’s, het luisteren naar de verhalen van degenen die daar werken en vooral het kijken, sfeer snuiven en opzuigen van zoveel mogelijk indrukken, zodat ze die later weer aan anderen zouden kunnen doorgeven. Dat deden ze al eens eerder, in 2008. Toen verscheen hun eerste boek, How they work. The hidden world of Dutch Design, waarvoor ze ook stad en land afreisden om op bezoek te gaan bij jonge Nederlandse ontwerpers. Nu was het tijd voor de logische opvolger: How We Work. The avant-garde of Dutch Design, over de generatie na die inhoudelijk en commercieel zo succesvolle lichting, met toonaangevende ontwerpers als Piet Hein Eek, Hella Jongerius en Marcel Wanders. Bijna zeven jaar verder is alles anders: de economie zit tegen, de halve wereld staat in brand, financiële steun van de overheid is ver te zoeken en er is zo’n overschot aan spullen, aan plastic en productie, dat de vissen in de Grote Oceaan erin kunnen zwemmen en de kinderen in Beijing erin stikken. Hoe gaat die nieuwe generatie daarmee om?

‘Deze ontwerpers kijken naar wat er al is en denken vervolgens: wat kunnen we ermee? En wat kunnen we nog toevoegen?’, zeggen Powilleit en Quax. ‘Ze vinden overal die overdaad op hun pad; er zijn niet alleen teveel restanten en afval, er is ook teveel overdadig design waar ze tegenop moeten boksen. Als reactie daarop gaan veel van hen de diepte in. Vanuit het onderzoek kijken ze anders naar materialen, ambachten en technologische ontwikkelingen. Ze kijken naar wat die hun te bieden hebben. En daar gaan ze dan mee aan de slag.’ Deze manier van werken brengt die jonge ontwerpers over de hele wereld. Sommigen van hen werkten al een tijd in het buitenland en brachten nieuwe ideeën over grondstoffen en productieprocessen mee terug. Anderen vliegen regelmatig op en neer naar China, de Verenigde Staten of India, onderhouden levendige Skype-verbindingen met intercontinentale kantoren en werkplaatsen, of weten wat het is om een showroom te hebben in Milaan. Ze navigeren met zichtbaar gemak buiten Nederland en die wereldwijsheid vind je terug in hun ontwerpen. Vijftien studio’s reflecteren evenzoveel manieren van werken. Ze zijn gevuld met de nieuwste 3D-printers, met klei, zeewier en gedroogd vlas, met kleurenexperimenten, zandonderzoek, houten planken, oud plastic, textiel, leeroverschotten, duizend-en-een ideeën voor de toekomst, en sfeer. Dat alles hebben Inga Powilleit en Tatjana Quax willen vangen in dit boek, zodat ze kunnen laten zien aan mensen die geen weet hebben van al die authentieke processen en dat optimistische geploeter achter de producten: kijk, hoe mooi en bijzonder dit is. Hoe noodzakelijk ook in deze tijd, waarin culturele instellingen voor kinderen worden gedwongen hun deuren te sluiten, bibliotheken verdwijnen en op scholen steeds meer wordt ingezet op het zo snel mogelijk halen van de eindstreep en steeds minder op resultaat via een omweg. Dit boek barst van de omwegen. Het is een reis via B-wegen en toeristische paadjes, die voert langs plekken waar je normaal gesproken aan voorbij snelt. De route werd losjes uitgestippeld door twee mensen die wekelijks met plezier en liefdevol kibbelend bij elkaar in de auto stappen op weg naar een onbekende studio of fabriekshal, klaar om zich te laten verrassen door wat ze tegenkomen. Dat onderweg altijd de zon gaat schijnen is nog nooit wetenschappelijk aangetoond. Maar dat die ongedwongen reizen resulteren in bijzondere ontmoetingen – daarvan is dit boek het ultieme bewijs.

Inga Powilleit Tatjana Quax door Merel Bem

6


Inga Powilleit Tatjana Quax by Merel Bem

The best things happen during the journey. Most designers in this book will agree. As well as the ultimate destination, whether it is a tangible product or simply the beginning of a more comprehensive project, their practices are usually all about the route they take to get there. The research, the process that precedes the products – it provides the most spectacular views and the best ideas. The intuitive use of a particular colour, for instance, produces unexpected information about the past, the choice for a particular material can send you down a completely different path and change the direction of the entire project. If you are open to it, you are already a step ahead of all the other road users, who only use the asphalt to get to the finishing line as quickly as possible. When photographer Inga Powilleit and styling director Tatjana Quax go somewhere, the sun shines. At least, that’s what they say: during the twelve years that they have been working together as photographer and stylist, whenever they get into the car, on their way to see an artist, a designer or someone with a beautiful interior, something happens. Something special. They both say the same thing – it’s not that one claims this and the other immediately denies it, which – let’s be honest – quite often happens. So there is every reason to believe that it is true. It is therefore with good reason that they have compiled this book. Just like the chosen designers, they mainly enjoy the journey, which in this case means: visiting fifteen totally different design studios, listening to the stories of the people that work there and especially observing, feeling the vibe and absorbing as many impressions as possible, so that they can pass it on to others later. They did it once before, in 2008. This is when their first book was released, How they work. The hidden world of Dutch Design, for which they also travelled far and wide visiting young Dutch designers. Now is the time for the logical sequel: How We Work. The avant-garde of Dutch Design, about the next generation after that substantially and commercially successful group, including prominent designers like Piet Hein Eek, Hella Jongerius and Marcel Wanders. Almost seven years later, everything is different: the economy is weak, half the world is on fire, financial support from the government is hard to find and there is such a surplus of things, of plastic and production, that the fish in the Pacific Ocean are swimming in it and the children in Beijing are suffocating in it. How is the new generation dealing with this?

‘These designers look at what is already out there and then think: what can we do with it? And what can we add?’, say Powilleit and Quax. ‘They find this abundance everywhere they look; not only is there too much residue and waste, there is also an excess of lavish design that they have to compete with. As a reaction to this, many of them dive into the depths. Their research leads them to look at materials, crafts and technological developments very differently. They see what these things can offer them. And then they get down to work.’ This way of working takes these young designers all over the world. Some of them have worked abroad for some time and brought new ideas about raw materials and production processes back with them. Others fly regularly back and forth to China, the United States or India, maintain lively Skype connections with intercontinental offices and workshops, or know what it’s like to have a showroom in Milan. They navigate their way with visible ease outside the Netherlands and this worldliness can be found in their designs. Fifteen studios reflect just as many ways of working. They are filled with the latest 3D-printers, with clay, seaweed and dried flax, with colour experiments, sand research, wooden planks, old plastic, textiles, leather remnants, a thousand and one ideas for the future, and atmosphere. Inga Powilleit and Tatjana Quax wanted to capture all of this in this book, so that they can show people who know nothing about all the authentic processes and optimistic toiling behind the products: see how special and beautiful this is. And how necessary in our time in which cultural institutes for children are being forced to close their doors, libraries are disappearing and schools are steadily focusing more and more on reaching the finishing line as quickly as possible and less and less on reaching the result in a roundabout way. This book is bursting with roundabout ways. It is a journey along B-roads, scenic routes, travelling slowly past places you would normally speed through. The route was roughly mapped out by two people who step into the car together every week and with fun and loving banter travel to an unknown studio or factory, ready to be surprised by whatever they find. That the sun always shines during the journey has never been scientifically proven but the fact that travelling without constraints results in special encounters – this book is the ultimate proof.


Scholten & Baijings


Kun je een zonsondergang vertalen naar een dekbedovertrek? Een boeket veldbloemen naar een plaid? Een fluorescerende kikker naar een koffiekopje? De kleurencombinatie van een artisjok – en wat voor combinatie: groenpaars, je gelooft pas dat dat een kleur is wanneer je hem ziet – ooit overtuigend in stof en garen vangen? Carole Baijings (1973) en Stefan Scholten (1972) komen een heel eind. Sinds 2000 zijn ze verenigd in het in Amsterdam gevestigde Scholten & Baijings, ontwerpstudio van producten met alle kleuren van het spectrum – allemaal behalve zwart. Je zou een heel huis kunnen inrichten met wat ze tot nu toe ontwierpen. Er zijn zachtroze vazen die gemaakt lijken van kauwgombellen die elk moment uit elkaar kunnen spatten. Er is pastelkleurig porselein met hier en daar een knalkleur. Er zijn kussenslopen waarvan de kleuren inderdaad aan een boeket wilde bloemen doen denken: donkerpaars naast oranje naast fuchsiaroze naast geel, zonder dat het kitsch wordt. Dekbedhoezen met geometrische patronen en ombre effect, waardoor het lijkt alsof de onderkant even in een emmer verf werd gehangen. Fluorkleurige theedoeken, krukjes van dun geperst hout. In 2012 ontfermden Scholten & Baijings zich zelfs over het ontwerp van een concept car voor MINI. De ‘Colour One’ werd een auto als een vederlichte wolk, met onderdelen in neonkleuren en lichtblauwe banden met een wit geometrisch profiel. Minimalistisch – zo zou je dit oeuvre kunnen omschrijven. Scholten & Baijings blinken uit in een haast mathematische benadering van vorm, kleur en textuur. Het op elkaar afstemmen van die drie elementen en het overbrengen van het juiste gevoel grenst zo nu en dan aan een bovenmenselijke vorm van perfectionisme. Dat is althans wat je kunt afleiden uit wat Stefan Scholten graag vertelt over zijn partner: dat ze het liefst met kopers mee naar huis zou gaan om de kussens zo mooi mogelijk op de bank te leggen. Streng of rigide worden de ontwerpen van Scholten & Baijings echter nergens. Daarvoor houden de ontwerpers simpelweg te veel van details, is hun liefde voor kleur te groot. Komt nog bij: ze werken het liefst proefondervindelijk en niet vanuit een strak vooropgezet plan. Liever dan met de computer bouwen ze ambachtelijke driedimensionale modellen, zodat ze kunnen voelen waar ze mee bezig zijn en ze van daaruit verdere stappen kunnen nemen. Zo ging dat bijvoorbeeld met de Paper Porcelain-collectie, een veelhoekig servies van fijn grijs porselein dat eruitziet alsof het van karton is. Het grappige is: het had er nooit zo uitgezien, als het niet eerst ook daadwerkelijk, bij wijze van proef, van karton gemaakt was. De in elkaar geknutselde kopjes en borden met vouwlijnen en lichtgele plakbandjes zagen er zo onweerstaanbaar uit, dat Scholten & Baijings die aanblik in Japan liet vertalen naar charmant veelhoekig porselein en niet rustte voordat alles klopte. Kun je de kleurschakeringen van een vlindervleugel omzetten naar een kussensloop? Het opgewekte geel van een citroen te pakken krijgen? Dat kan, mits je uithoudingsvermogen combineert met intuïtie, en perfectionisme met het vermogen om flexibel te zijn. Dan openen zich de mogelijkheden als een kleurenwaaier.

22

Scholten & Baijings Can you translate a sunset onto a duvet cover? A bouquet of wild flowers onto a throw? A fluorescent frog onto a coffee cup? Capture the colour combination of an artichoke – and what a combination it is: green-purple, you only believe it is a colour when you see it – convincingly in fabric and thread? Carole Baijings (1973) and Stefan Scholten (1972) come very close. Since 2000 they have been united in the Amsterdambased Scholten & Baijings, design studio for products with all colours of the spectrum – all except black. You could furnish an entire house with everything they have designed to date. There are soft pink vases that seem to be made of bubblegum bubbles that could burst at any moment. There are pastel shades of porcelain with a splash of bright colour here and there. There are cushion covers whose colours are indeed reminiscent of a bouquet of wild flowers: dark purple next to orange next to fuchsia pink next to yellow, without even a hint of kitsch. Duvet covers with geometric patterns and ombre effect, which makes it look like the bottom section has been dipped in a bucket of paint. Fluorescent-coloured tea towels, stools made from thin, compressed wood. In 2012 Scholten & Baijings provided the design for a concept car for MINI. The ‘Colour One’ was a car like a feathery cloud, with components in neon colours and light-blue tyres with a white, geometric profile. Minimalistic – this is how to describe their oeuvre. Scholten & Baijings shine through with an almost mathematical approach to shape, colour and texture. The alignment of these three elements and successfully communicating the right feeling occasionally even borders on a superhuman form of perfectionism. At least, this is what you can deduce from what Stefan Scholten likes to say about his partner: that she would actually love to go home with her customers in order to place the cushions as perfectly as possible on the sofa. But Scholten & Baijings designs are never strict or rigid. The designers simply love details far too much for that. Their love for colour is too great. Furthermore: they prefer to work experimentally and not to a tight, preconceived plan. Rather than working with the computer, they prefer to build traditional, three-dimensional models so that they can really feel what they are making and take further steps accordingly. This is how it went with the Paper Porcelain collection, an angular tableware series of fine, grey porcelain that looks as if it is made of cardboard. The funny thing is: it would never have looked like this unless, by way of experiment, it had actually first been made of cardboard. The rudely constructed cups and plates with foldlines and light yellow pieces of sticky tape looked so appealing that Scholten & Baijings had the image transformed into charming, angular porcelain in Japan, never resting until every detail was perfect. Is it possible to transfer the colours and hues of a butterfly wing onto a pillowcase? To capture the excited yellow of a lemon? It is, as long as you combine endurance with intuition, and perfectionism with the capability to be flexible. Then the possibilities open up like a colour chart.


Chris Kabel


Scholten & Baijings Chris Kabel Mae Engelgeer Joris Laarman Formafantasma Pieke Bergmans Valentin Loellmann Christien Meindertsma Dirk van der Kooij Studio Maarten Kolk & Guus Kusters rENs Lex Pott Pepe Heykoop Daan Roosegaarde Just what is it that makes today’s Dutch Design so different, so appealing? In How We Work (the sequel to 2008’s How They Work) photographer Inga Powilleit and stylist Tatjana Quax delve into the daily practice of a second wave of young designers. This time it’s all about one question. What to do with the surplus? Text by Merel Bem

Profile for Lecturis

How we work  

How we work  

Profile for lecturis