Page 1

UNIVERSITEIT GENT

FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR 2009 – 2010

De publieke bank in Europa

Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van

Master in de Algemene Economie

Koen Hostyn

onder leiding van

Prof. Dr. Rudi Vander Vennet


PERMISSION Ondergetekende verklaart dat de inhoud van deze masterproef mag geraadpleegd en/of gereproduceerd worden, mits bronvermelding. Koen Hostyn

De publieke bank in Europa | Inhoudstafel

2


INHOUDSTAFEL INHOUDSTAFEL

3

DANKWOORD

6

APOLOGIE

7

INLEIDING

8

HOOFDSTUK 1: EEN PRIVATISERINGSGOLF IN DE EUROPESE BANKSECTOR

10

Inleiding: de bankensector voor de privatiseringsgolf

10

Argumenten voor privatiseren

13

Economische argumenten

13

Politieke motieven

15

Europese ontwikkelingen

19

Economische integratie

19

Toegenomen concurrentie

20

Reactie van de banken

23

Deregulering en privatisering in Zuid-Europa

25

Oorzaken

25

Gevolgen

27

Deregulering en privatisering in West-Europa

30

Duitsland

30

Frankrijk

33

HOOFDSTUK 2: DE ROL VAN DE STAAT IN DE EUROPESE BANKSECTOR

35

Inleiding: Nog een rol voor de staat?

35

Cijfers

35

Verzet tegen buitenlandse controle

37

De publieke bank in Europa | Inhoudstafel

3


Types overheidsbanken

39

Verschillen in efficiテォntie en bijdrage tot economische ontwikkeling

45

Waar komen de verschillen vandaan?

45

Hoe sterk zijn de verschillen?

52

Waaruit bestaan de verschillen juist?

56

Oneerlijke concurrentie?

60

HOOFDSTUK 3: DE OPENBARE BANK IN EUROPA EN DE FINANCIテ記E CRISIS

64

Overzicht literatuur

64

Verwachtingen

64

Resultaten

68

Mogelijke verklaringen

69

Staatsinterventie

72

Inleiding

72

Staatswaarborgen

74

Herkapitalisatie

75

Nationalisaties

75

Andere maatregelen

76

Enkele banken van nabij bekeken

77

Landesbank Nordrhein-Westfalen (West LB)

77

Landesbank Baden-Wテシrttemberg (LBBW)

79

Bayerische Landesbank (Bayern LB)

81

Dexia

83

Fortis

85

Impact op de staatsschulden

89

Theorie

89

Kritiek

90

Resultaten

94

Conclusies

95

ALGEMEEN BESLUIT

97

De publieke bank in Europa | Inhoudstafel

4


NABESCHOUWING: ARGUMENTEN VOOR EEN OPENBARE BANK IN BELGIË

99

Inleiding

99

Argument 1: Het moral hazard argument

100

Argument 2: Het prudentieel argument

104

Argument 3: Het service argument

109

Argument 4 : Het sociaal argument

113

De werknemers

113

De lokale economie

115

Het milieu

117

Conclusie

119

REFERENTIES

121

Wetenschappelijke artikels (alfabetisch)

121

Boeken

125

Artikels in kranten en magazines (op datum)

126

Andere publicaties

128

BIJLAGE: GEDETAILLEERD OVERZICHT VAN DE STAATSSTEUN VOOR EUROPESE BANKEN TIJDENS DE FINANCIËLE CRISIS VAN 2007-2009

130

Staatswaarborgen

130

Herkapitalisatie

131

Nationalisaties

133

Andere maatregelen

134

De publieke bank in Europa | Inhoudstafel

5


DANKWOORD

Mijn dank gaat in de eerste plaats uit naar mijn ouders, Van Looy Frie en Hostyn Piet, die na het afwerken van een Master in de Wijsbegeerte, mij in de mogelijkheid hebben voorzien om bijkomende studie aan te vatten. Verder ben ik hen dankbaar voor het nalezen van het werk op spellingfouten.

Daarnaast ben ik dank verschuldigd aan het secretariaat van de ‘European Association of Public Banks’ (EAPB), voor de literatuur die zij mij ter beschikking hebben gesteld en voor het interview dat ze geregeld hebben met hun secretaris-generaal, de heer Henning Schoppmann.

Verder dank ik Shana De Grave, studente taal- en letterkunde, voor de vele kritische grammaticale en taalkundigen opmerkingen.

Tenslotte bedank ik ook graag mijn promotor, prof. dr. Rudi Vander Vennet, voor de kritische doch constructieve opmerkingen bij de nagelezen hoofdstukken.

De publieke bank in Europa | Dankwoord

6


APOLOGIE

De beperkingen van deze masterproef zijn velerlei.

Het eerste probleem valt in één oogopslag op te merken: het totale aantal pagina’s (135) en woorden (44.870) van het voorliggende werk. Met enige moeite werd het aantal woorden (exclusief voetnoten, nabeschouwing en bijlage) teruggebracht tot 28.597. Dit heeft één en ander te maken met het brede opzet van deze masterproef en haar hoofdstukken, alsook de vrij uitgebreide lijst aan literatuur (111 referenties) die erin verwerkt is. Hoewel deze opzet nogal breed is vanuit de optiek van de doelstellingen die aan een masterproef opgelegd worden, komt deze opzet de maatschappelijke relevantie van het onderzoek en haar conclusies wel ten goede.

Een tweede probleem betreft de veralgemeenbaarheid van de conclusies die gepresenteerd worden. Enerzijds zijn zowel de geografische (EU15-laden, met een zeer sterke nadruk op Duitsland, Italië, Frankrijk en België) en temporele (jaren '70 tot nu) dimensie beperkt. Anderzijds heeft de meeste geraadpleegde literatuur slechts onrechtstreeks betrekking op het centrale thema van deze masterproef: de publieke bank in Europa. De gepresenteerde conclusies moeten dan ook met enige voorzichtigheid benaderd worden, in afwachting van een grondig empirisch onderzoek naar dit onderwerp.

Tot slot proberen we ons in deze masterproef enigszins te conformeren naar het academische “métier”. Dit heeft tot gevolg dat weinig of geen gebruik wordt gemaakt van wat een academicus al wel eens smalend “pamflettaire stijl” zou noemen. We stellen er ons echter vragen bij of de economische en politieke vraagstukken die worden aangekaart doorheen deze masterproef niet meer baat hebben bij een geslaagd pamflet, dan bij een “objectieve”, “neutrale” en “wetenschappelijke” verhandeling die bestemd is voor één of ander duister archief.

De publieke bank in Europa | Apologie

7


INLEIDING

“We’re doing God’s work. We help companies to grow by helping them to raise capital. Companies that grow create wealth. This, in turn, allows people to have jobs that create more growth and more wealth. It’s a virtuous cycle. We have a social purpose.” (Lloyd Blankfein, Goldman Sach’s CEO, geciteerd in Sunday Times, 08/11/2009)

Banken zijn financiële intermediairs. Als dusdanig spelen zijn een cruciale rol in het economisch systeem van een land. Banken hebben veelal drie basisfuncties in een economisch systeem. Ten eerste spelen zij een centrale rol in het betalingssysteem van een land en doen ze dienst als verrekenkantoor voor betalingen. Ten tweede spelen zij een cruciale rol in de allocatie van het beschikbare kapitaal in een land. Zij transformeren vorderingen die worden uitgeschreven door leners met een vraag naar financiële middelen in andere vorderingen die depositoren, creditoren en/of eigenaren willen aanhouden. Ten derde voorzien zij in een mechanisme om de kredietfunctie in een economie te evalueren, waarderen en controleren (Megginson, 2005, p. 1932; Verbrugge, Megginson & Owens, 1999, p. 5). Een kapitaalsmarkt wordt meestal als efficiënt gezien naarmate zij gezinnen aanmoedigt om meer te sparen en zij deze fondsen herverdeelt naar concurrerende investeringsprojecten op een manier die de totale welvaart maximaliseert (Sinn, 1999, p. 3).

Openbare banken, publieke banken of staatsbanken zijn banken die in handen van de overheid zijn. Concreet wil dit zeggen dat de overheid meer dan 50% van de aandelen van deze bank controleert. Zoals doorheen deze masterproef duidelijk zal worden, zijn er veel verschillende redenen waarom de overheid ervoor kan kiezen om (bepaalde soorten) banken in handen te nemen. Veelal hebben openbare

banken

naast

winstmaximaliserende

doelstellingen

ook

meer

sociaalgerichte

doelstellingen, worden zij verondersteld om regionale economische ontwikkeling te promoten en/of worden zij gecreëerd om specifieke taken voor de overheid uit te voeren. Banken kunnen ook in handen van de staat genomen worden om bepaalde financiële risico’s in te dijken en/of om de rest van de economie te behoeden voor de effecten van een financiële crisis. Openbare banken kaderen dus globaal binnen een bredere theorie van marktimperfecties en sluiten daarom ook meer aan bij

De publieke bank in Europa | Inleiding

8


Keynesiaanse dan neoliberale macro-economische modellen. De rol van een openbare bank moet dan ook gezien worden binnen een breder kader van overheidsinterventies in de economie.

In deze masterproef willen we de ontwikkelingen en uitdagingen voor de Europese openbare banksector beschrijven. Om een perspectief te geven aan de Europese openbare bancaire sector, willen we deze voorstellen als een sector in beweging, in transitie, in tegenstelling tot een statisch gegeven. We beginnen ons verhaal dan ook in het verleden, daar we een historisch perspectief noodzakelijk achten om met enige zin voor nuance de huidige ontwikkelingen in de Europese bancaire sector te kunnen vatten. Het eerste hoofdstuk van deze masterproef vertelt het verhaal van de gedeeltelijke privatisering van de traditioneel sterke openbare bankensector in het Europa van na de tweede wereldoorlog, die begint vanaf de jaren ‘70. Het tweede hoofdstuk gaat dieper in op de rol van de staat in de Europese bankensector van de 21e eeuw. We geven hierbij reeds aan dat ongeveer alle auteurs die we hebben gelezen, het erover eens zijn dat er een groot gebrek is aan statistisch onderzoek om de discussie tussen openbare banken en private banken te beslechten. In het derde hoofdstuk willen we nagaan welke gevolgen de openbare banken in Europa hebben ondervonden tijdens de recente financiĂŤle en economische crisis.

We sluiten deze masterproef af met nabeschouwing, waarin we een reeks argumenten voor een openbare bank in BelgiĂŤ oplijsten en afwegen.

De publieke bank in Europa | Inleiding

9


HOOFDSTUK 1: EEN PRIVATISERINGSGOLF IN DE EUROPESE BANKSECTOR

INLEIDING: DE BANKENSECTOR VOOR DE PRIVATISERINGSGOLF

In verschillende Europese landen, werd er al vanaf de 19e eeuw een heel netwerk aan spaarbanken uitgebouwd door lokale en regionale overheden, kerken, welzijnsorganisaties en vakbonden om sparen te promoten bij de arbeiders- en middenklasse gezinnen en om leningen te voorzien aan kleine bedrijven en individuen in dezelfde stad of regio. Gaandeweg hadden deze banken een uitgebreid netwerk van filialen uitgebouwd om hun klanten te kunnen bedienen, zij het binnen een strikt geografisch kader (Muñoz, Norden & Udell, 2008, p. 3).

De Europese bankensector van na de tweede wereldoorlog werd, in de nasleep van de grote crisis van de jaren '30 en de daarop volgende oorlog, traditioneel zeer sterk gecontroleerd door de staat. Zo viel bijvoorbeeld de Franse financiële sector na WOII onder de directe controle van de schatkist, die als belangrijkste doelstelling had om spaargelden en deposito's naar prioritaire industrieën door te sluizen in functie van de wederopbouw. Hiervoor werd er een netwerk van depositobanken uitgebouwd, bestaande uit spaarbanken, de bank van de post, de bank van buitenlandse handel en vier grote coöperatieve banken. Dit netwerk had de geprivilegieerde toegang tot sommige deposito's en de obligatiemarkt, alsook het monopolie over de distributie van gesubsidieerde leningen die werden uitgeschreven door de schatkist. Toegenomen overheidscontrole over de spaargelden werd ook bereikt door de nationalisatie van enkele van de grootste banken (waaronder ‘Société Genérale’ en ‘Crédit Lyonnais’) (Bertrand et al., 2007, p. 601).

De meeste landen kenden een bancair systeem met verschillende peilers, die opgedeeld werden naargelang hun eigendomsstructuur. Zo kende de Duitse bankenmarkt bijvoorbeeld de commerciële banken, de coöperatieve banken en de publieke banken (Celetti, Hakenes & Schnabel , 2005, p. 34; Hardie & Howarth, 2009, p. 1019). Deze drie peilers werden gescheiden door verschillen in financiële De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

10


structuren, legale status en systemen van bestuur (Hardie & Howarth, 2009, p. 1019). Elk van deze peilers had, naargelang de verschillende nationale wetgevingen, strenge restricties wat betreft de geografische inplanting, de kapitaalvereisten en de delen van de bankenmarkt waarin zij actief mochten zijn. Zo beschrijft bijvoorbeeld Celetti et al. (2005) hoe de reguleringen van de jaren '30 geleid hebben tot een sterke fragmentatie van de Italiaanse bankensector. Zowel de regionale inplanting als de geleverde diensten waren sterk gereguleerd. Fusies waren zo goed als onmogelijk. Er waren tevens geen universele banken omwille van de bij wet vereiste specialisatie van de banken (Celetti et al., 2005, pp. 34-35).

Celetti et al. (2005) beschrijven tevens hoe de Italiaanse bankensector in het begin van de jaren '90 nog steeds grofweg de structuur had behouden van de reguleringen van na de Grote Depressie uit de jaren '30. Cruciaal hierbij was de oprichting van de IRI (‘Instituto per la Ricostruzione Industriale’), een publieke holding die zowel de drie grootste private banken (‘Banca Commerciale Italiana’, ‘Credito Italiono’ en ‘Banca di Roma’) als een groot aandeel publieke banken bevatte. Veel van de banken die toen genationaliseerd werden, waren 60 jaar later nog steeds staatseigendom (Celetti et al., 2005, p. 34). Bovendien werden sinds het midden van de jaren '50 alle topfuncties in de Italiaanse staatsbanken rechtstreeks ingevuld via politieke benoemingen (Sapienza, 2004, p. 361).

Deze politiek kaderde binnen een breder kader van “Keynesiaanse politiek” die gebruik maakte van staatsinterventie om de economie op gang te trekken. Deze politiek was populair in verschillende Europese landen, alsook zeer specifiek in enkele centra met een late industrialisering in Zuid-Europa. Om groei te promoten, werden publieke middelen in het systeem gepompt door middel van ontwikkelingsbanken en werden er verplichtingen opgelegd aan commerciële banken om voldoende te investeren in overheidsobligaties en industriële projecten (Pagoulatos, 2003, p. 172). In Griekenland en Portugal was het financieel interventionisme tot 1973 vooral gericht op monetaire stabiliteit1. In Spanje had het toenmalige “cheap credit”-beleid dan weer geleid tot een hardnekkige inflatie. Al bij al slaagden deze landen er, vooral tussen 1960 en 1973, in om betere economische groeicijfers voor te kunnen leggen dan de andere Europese landen (Pagoulatos, 2003, p. 173).

1

Dit financieel interventionisme had, naast de belofte om groei te kunnen realiseren, ook het voordeel om het socioeconomische leven van het land te kunnen bepalen en politiek bevriende partijen financieel vooruit te kunnen helpen (Pagoulatos, 2003, p. 173)

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

11


Tengevolge van inflatie (stagflatie), recessie (oliecrisis) en democratisering werd de bankensector voor het eerst grondig hervormd vanaf 1973-1974. Er werden massaal staatsschulden aangegaan om de economie op gang te trekken. Daarnaast zou men voortaan ook het financiële beleid hierop gaan afstellen. Overheden probeerden de inflatie te beheersen door directe controlemechanismen, zoals kwantiatieve controles, speciale reserveratio's en verplichtte minimale investeringsquota (Pagoulatos, 2003, p. 175). Vanaf 1973 werden de Italiaanse banken dan ook onderworpen aan specifieke vereisten voor de samenstelling van hun portefeuille en beperkingen wat betreft de leningen aan de private sector. Deze maatregelen waren vooral gericht op het verplichten van de banken om voldoende staatsobligaties aan te houden (die noodzakelijk waren voor de toenemende schuldenlast te dragen) en de interesten op deze obligaties laag te houden in vergelijking met de gangbare interesten die banken vroegen voor private leningen (Celetti et al., 2005, p. 35). Deze verplichte percentages aan investeringen in overheidsobligaties bleven bestaan tot halverwege de jaren '90 (voorbij de deadline voor het afschaffen van geprivilegieerde overheidsfinanciering door banken, die was opgesteld in het ‘Verdrag van Maastricht’) (Pagoulatos, 2003, p. 193).

Tengevolge van de oliecrisis van 1974 werd de bureaucratisering en de staatsbeïnvloeding ook in de Franse bankensector verder opgevoerd. Na deze schok liep de Franse economie enkele serieuze groeivertragingen, een stijgende werkloosheid, groeiende overheidstekorten en een oplopende inflatie2 op. Om dit in de toekomst te vermijden, werd er vanaf 1976 een “encadrement du crédit”programma opgericht waarbij de kredietgroei per bank per maand beperkt werd. Om de werkloosheid te bestrijden, probeerde de conservatieve regering van eind de jaren '70 bovendien het systeem van overheidssubsidies via banken te versterken om investeringen en export te stimuleren. Tegen 1979 bedroegen deze overheidssubsidies al bijna de helft van alle subsidies die door de private banken uitgeschreven werden. Met het aantreden van een socialistische regering in 1981 werd een nog meer expansionistische fiscale politiek en een verdere nationalisatie van de bankensector doorgevoerd. Banken kregen steeds meer de opdracht om aan “werkloosheidspreventie” te doen door faillietgaande fabrieken uit de nood te helpen. Tegen 1983 was de Franse bankensector volgens Bertrand et al. (2007) al zo gereguleerd dat de interestvoeten nauwelijks nog een rol speelden in de allocatie van kapitaal in het land (Bertrand et al., 2007, pp. 601-602).

2

Deze inflatie was het gevolg van enkele misrekende overheidsinterventies en intense conflicten tussen arbeid en kapitaal Omwille van de onwil van de Franse regering om de interesten op te trekken, werd de ‘Franc’ twee keer (in 1974 en 1976) uit de “monetaire slang” gedwongen, die vanaf 1979 vervangen werd door het Europees Monetair Systeem (EMS).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

12


Vanaf eind de jaren '70 begonnen er in West-Europa echter een reeks andere ontwikkelingen in de Europese bankensector die zich tot vandaag voortzetten. Onder impuls van de Europese integratie, internationalisering, desintermediatie en een reeks technologische ontwikkelingen, ontstaat er een tendens tot deregulering en privatisering van de bankensector in zowel Zuid- als West-Europa, die de fundamenten van de intermediare sector zullen veranderen (De Bandt & Davis, 2000, pp. 1046-1047; Goddard, Molyneux, Wilson & Tavakoli, 2007, p. 1912; Schaffer, 2001, p. 79).

Vooraleer we de privatiseringsgolf, die vanaf eind de jaren ’70 door de Europese bancaire sector zal trekken, in nader detail zullen bekijken, willen we eerst even stil staan bij de argumenten die werden (en worden) opgeworpen om de staatscontrole over openbare banken te verminderen.

ARGUMENTEN VOOR PRIVATISEREN

ECONOMISCHE ARGUMENTEN

Economen geven vier belangrijke redenen aan waarom staatsbanken inherent minder efficiënt zouden zijn dan private banken. Ten eerste zullen managers van overheidsbanken zwakkere en/of “adverse” incentives hebben en dus minder geneigd zijn om inkomsten te maximaliseren en kosten te minimaliseren. Ten tweede zullen staatsbedrijven minder gecontroleerd worden door hun eigenaars, waardoor ze minder gevolgen zullen ondervinden van ondermaatse prestaties. Ten derde zijn er steeds zachte budgetbeperkingen aanwezig, in de zin dat er steeds een “vangnet” aanwezig is waardoor de bank niet ten onder zal kunnen gaan. Ten slotte zijn staatsbanken inefficiënt in hun ontwerp, aangezien zij specifiek ontwikkeld werden om bepaalde delen van de maatschappij (de politieke medestanders) te bevorderen tegenover andere groepen (Megginson, 2005, p. 1936).

De eerste twee argumenten zijn samen te vatten als de “eigendomsrechten-hypothese”, volgens welke private banken meer winstgevend en meer efficiënt zouden moeten zijn dan zowel coöperatieve banken als overheidsbanken. Overheidsbanken worden, hoewel ze in theorie De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

13


gecontroleerd worden door “het publiek”, volgens verschillende auteurs in de praktijk bestuurd door bureaucraten die over zeer geconcentreerde bestuursrechten maar weinig of geen rechten over de “cash-flow” beschikken. Bovendien hebben politieke bureaucraten vaak doelstellingen die uitgaan van hun eigen politieke belangen en die in strijd zijn met het bevorderen van sociaal welzijn (Schleifer en Vishny, 2000, geciteerd in Cornett, Guo, Khaksari en Tehranian, 2010, p. 76; Ianotta, Nocera & Sironi, 2007, p. 2128). Door een gebrek aan marktdiscipline zwakt de controle van de eigenaars over de managers van deze publieke banken af, zodat de managers meer hun eigen agenda kunnen nastreven en minder incentives krijgen om efficiënt te zijn. Naarmate de concurrentie op de bankenmarkt zou toenemen (bijvoorbeeld tengevolge van privatisering en/of economische integratie), zouden deze incentives overigens nog moeten toenemen (Altunbas, Evans & Molyneux, 2001, pp. 926-927; Cornett et al., 2010, p. 76).

Andere studies geven dan weer aan dat private banken, omwille van hun efficiëntie, nu éénmaal beter presteren op de domeinen waarvoor traditioneel publieke banken werden ingeschakeld, zoals het promoten van ontwikkeling in prioritaire industrieën (Galindo & Micco, 2004, pp. 371-372). Volgens Barth et al. (2004) is staatscontrole over banken negatief correlatief met efficiënte banksystemen, lagere “overhead” kosten, stabiele banken en sterkere ontwikkeling van het bankensysteem (Barth et al., 2004, p. 229). Uit de literatuur blijkt overigens dat een hogere mate van staatseigendom in de bankensector ertoe bijdraagt dat de concurrentie in de bankensector daalt, ook al hebben publieke banken de neiging om goedkoper te lenen dan private banken (Goddard et al., 2007, p. 1926; Barth et al, 2004; Sapienza, 2004; Chakavarty et al., 2006). Ondanks hun inefficiëntie ontvangen publieke banken vaak subsidies, genieten ze van publieke staatswaarborgen en/of hebben ze het expliciete mandaat om (sociale) leningen uit te schrijven onder de gangbare marktvoorwaarden, waardoor ze meer efficiënte banken uit de markt zouden kunnen wegconcurreren (Berger, 2007, p. 1965; Celetti et al., 2005, p. 33; Chakravarty & Williams, 2005, p. 219). Deze banken zouden ook minder ervaring in huis hebben en minder goed op moeilijke situaties (zoals bijvoorbeeld een financiële crisis) kunnen reageren. Bovendien is het maar de vraag of sterke regulering op termijn opportunistisch politiek gedrag zal kunnen weerstaan (Hau & Thum, 2009, p. 705). Publieke banken zouden dus leenbeslissingen politiseren, budgetbeperkingen afzwakken en geld doorsluizen naar politiek interessante (ten opzicht van economisch valabele) projecten (Galindo & Micco, 2004, p. 375).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

14


In het tweede hoofdstuk gaan we verder in op deze argumenten. We gaan hier wel wat dieper in op literatuur die de oorzaken en motieven van overheden ten voordele van privatisering in de bankensector blootlegt.

POLITIEKE MOTIEVEN

Boehmer, Nash en Netter (2005) leggen de beslissing van landen om banken te privatiseren uit als een afweging die gemaakt wordt door politici tussen de kosten en baten van een privatisering. De verwachte opbrengsten van een privatisering zijn extra staatsinkomsten uit de verkoop, toegenomen efficiëntie van de bank en ontwikkeling van de kapitaalmarkt (Boehmer et al., 2005, p. 1982). Verbrugge et al. (1999) merken hierbij op dat het feit dat de privatisering van banken veelal in verschillende stadia gebeurt, erop wijst dat overheden de mogelijke opbrengsten voor de staatskas van een privatisering als een zeer belangrijk argument inschatten. Moest het hen immers enkel te doen zijn om de rol van de staat terug te dringen, zou dit gemakkelijk met één enkele transactie te verwezenlijken zijn (Verbrugge et al., 1999, p. 30).

De verwachte kosten van een privatisering zijn meer genuanceerd en omvatten vooral het verlies van de mogelijkheid om de bank voor politieke doeleinden te gebruiken, zoals politieke patronage, jobcreatie, goedkope leningen voorzien aan politieke medestanders en bijkomende extrabudgettaire middelen voorzien voor de overheidsfinanciën. Een bijkomende complicatie hierbij is dat de voordelen meestal bij de nationale politici gesitueerd zijn en dat de nadelen vaak bij de lokale politici zitten (Boehmer et al., 2005, p. 1982). De belangrijkste vorm van oppositie tegen de privatisering van overheidsbanken komt dan ook veelal van de bestuursniveaus en van de partijen die het sterkst met deze banken verbonden zijn (Megginson, 2005, p. 1945; Verbrugge et al., 1999, p. 6). Voor een geslaagde privatisering is het immers noodzakelijk dat de overheid bereid moet zijn om bepaalde staatsbanken die zich in financiële moeilijkheden bevinden failliet te laten gaan en bijgevolg ook de werknemers te laten afvloeien (Boubakri, Cosset & Guedhami, 2009, pp. 367-368; Verbrugge et al., 1999, p. 8).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

15


Boehmer et al. (2005) toetsen deze theorie ook aan de hand van statistische analyses, waarbij ze de rol nagaan van een reeks economische factoren (zoals fiscale druk, kwaliteit van de banksector, eerdere bankcrisissen en ontwikkeling van de kapitaalmarkt) op privatiseringen in de bankensector. Zij concluderen dat deze factoren in de meeste gevallen relevant zijn voor zowel ontwikkelingslanden als niet- ontwikkelingslanden3. Zo zullen economische fricties sterk bijdragen tot de privatisering van de banksector (Boehmer et al., 2005, pp. 1995-1997) en is de ontwikkeling van de kapitaalmarkt meer relevant voor niet-OESO-landen dan voor OESO-landen (Boehmer et al. 2005, p. 2006). Ook Andrews (2005) geeft in een “working paper” voor het IMF aan dat crisissen de kans op privatisering van banken doen toenemen. Overheden beslissen na crisissen vaak dat de fiscale last van herhaaldelijke herkapitalisaties van de banken het best kan vermeden worden door de openbare banken te privatiseren 4 . Privatisering kadert dan ook vaak binnen een breder pakket van maatregelen die gericht zijn op het versterken van het financiële systeem (Andrews, 2005, p. 3)5. Bovendien zullen landen die eerder geslaagde privatiseringen hebben doorgevoerd ook sneller nieuwe privatiseringen doorvoeren (Boehmer et al., 2005, pp. 1998-1999).

Volgens Andrianova, Demetriades en Shortland (2008) hebben landspecifieke effecten en legale tradities nog maar weinig invloed op de mate waarin de overheid banken bezit. Sterke regulering lijkt het vertrouwen in private banken te stimuleren en bijgevolg de noodzaak van publieke banken te doen afnemen. Systematische crisissen hebben tevens een impact, in die zin dat ze het publiek ertoe aanzetten om minder vertrouwen te stellen in private banken en meer geld in publieke banken te steken. De politieke variabelen om een aandeel te houden in de bankensector zijn statistisch insignificant, hoewel de institutionele variabelen wel steeds significant zijn 6 . De invloed van instituties is dus van primordiaal belang wat betreft het overheidseigenaarschap van banken, in tegenstelling tot de invloed van politieke bemoeienissen (Andrianova et al., 2008, pp. 244-245).

3

Hier louter gedefinieerd als leden van de OESO.

4

Zelfs als een volledige financiële crisis vermeden wordt, komen er nog steeds heel wat kosten kijken bij openbare banken, zoals het financieren van verlieslatende bedrijven vanuit politieke (eerder dan economische) motieven.

5

Toen bijvoorbeeld de binnenlandse macro-economische toestand verslechterde in het Spanje van de jaren '70, werd deze crisis gepercipieerd als een crisis van het hele financiële en monetaire systeem in plaats van louter een conjuncturele crisis. Daarmee werd dan ook de fundamenten gelegd voor de liberalisering van het financiële systeem (Pagoulatos, 2003, p. 193). 6

Zo zal het doen stijgen van de regulerende kwaliteit met één standaarddeviatie het aandeel overheidscontrole over de activa in de bankensector doen dalen met 8,54%. Een verschuiving van het slechtste kwartiel inzake regulering naar het beste, impliceert een afname van overheidscontrole over de activa in de bankensector met 21,4%, wat kan worden aangevuld met nogmaals 21,0% als openbaarmaking van cijfergegevens evolueert van de slechtste naar de beste praktijken (Andrianova et al., 2008, pp. 244-245).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

16


Boehmer et al. (2005) bekijken vervolgens ook enkele politieke factoren meer in detail, zoals de stabiliteit van de overheid, de verantwoording die politici moeten afleggen aan de publieke opinie en economische oriëntatie van de overheid (globaal genomen “links” of “rechts”). Deze factoren blijken ook relevant, maar meestal enkel in de ontwikkelingslanden. Zo blijkt de politieke oriëntatie van de overheid in ontwikkelde landen bijvoorbeeld niet significant te zijn voor de kans op het privatiseren van een bank (Boehmer et al., 2005, pp. 2000-2002; Megginson, 2005, p. 1946). OESO en niet-OESO landen hebben dus sterk uiteenlopende motivaties om hun banken te privatiseren (Boehmer et al., 2005, p. 2011).

Micco en Panizza (2006) tonen op hun beurt aan dat banken uit geïndustrialiseerde landen die geselecteerd worden voor privatisering grotere “overhead” kosten hebben dan private banken die niet van eigenaar veranderen. In ontwikkelingslanden hebben publieke banken die verkocht werden aan buitenlandse banken een lagere “Return on Assets” (ROA)7 dan vergelijkbare private banken. Zij concluderen dat de privatisering geen significant effect heeft op de winstgevendheid van de banken, maar wel op de efficiëntie van de banken in ontwikkelde landen (Micco & Panizza, 2006, p. 233). Verbrugge et al. (1999) zien bij privatiseringen de gemiddelde ROA stijgen (van 0,34 naar 0,56 procent), de output van leningen toenemen, alsook de efficiëntie licht stijgen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat zij zich vooral richtten op privatiseringen in de voormalige Sovjetrepublieken, die buiten het kader van deze studie vallen (Berger et al., 2005, pp. 2184-2185; Verbrugge et al., 1999, pp. 17-20).

Bart et al. (2004) wijzen op het feit dat overheidscontrole van banken meestal gekaderd is binnen een breder beleid van restricties op de bankensector. Zo worden in landen met grotere staatscontrole over de banken meer buitenlandse pogingen om de markt te betreden geweigerd, meer buitenlandse leningen verboden en minder vertrouwen gesteld in de private controle van banken. Meer staatseigendom is dus negatief gecorreleerd met de concurrentie op de bankenmarkt en de financiële integratie (Barth, Caprio & Levine, 2004, p. 229). Volgens Verbrugge et al. (1999) hebben dergelijke landen met een lange geschiedenis van overheidscontrole van commerciële 7

ROA wordt hier gedefinieerd als de totale geboekte winsten voorafgaand aan de belastingsheffing en over het gemiddelde van het totaal van de activa gedurende die periode. Zie ook hoofdstuk 3.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

17


banken dan ook vaak oneindig meer moeite om de efficiëntie, veiligheid en transparantie in het financiële systeem te bewaren dan in meer “laissez-faire”– gerichte economieën (Verbrugge et al., 1999, p. 5). Privatiseringen van de bankensector zijn dan ook vaak slechts een aspect van een bredere liberalisering van de hele economie, zoals in het bijzonder het geval was in de voormalige Sovjetrepublieken (Verbrugge et al., p. 8). Bovendien wordt er vaak aangehaald dat een liberalisering van de bankensector noodzakelijk is voor een deregulering van het hele financiële systeem 8 (Pagoulatos, 2003, p. 187; Verbrugge et al., 1999, p. 12).

Volgens Andrews (2005) begint er zich stilaan een consensus te vormen rondom de voornaamste argumenten die landen gemotiveerd hebben om hun banken te privatiseren. De eerste en voornaamste motivatie is het ophalen van extra middelen voor de staat door de verkoop van overheidsbanken. Dit argument strekt verder dan ontwikkelingslanden in financiële nood, en was bijvoorbeeld ook zeer belangrijk in Europa voor landen die wilden voldoen aan de normen die voorop werden gesteld door het ‘Verdrag van Maastricht’ om tot de Europese muntunie te kunnen toetreden. Ook de Britse privatiseringen in de bankensector doorheen de jaren '80 hebben de publieke schulden aanzienlijk verminderd. Een tweede argument bestaat erin om de economische efficiëntie te bevorderen en de invloed van de overheid in de economie terug te schroeven. Door een meer efficiënt banksysteem zal de hele economie beter presteren ten gevolge van lagere kosten van financiële intermediatie. Een derde argument bestaat erin om het eigenaarschap te verbreden. Vaak worden “initial public offerings” (IPO's) gebruikt om banken te privatiseren. Op deze manier kan het aandeel van individuele binnenlandse investeerders opgetrokken worden in de bankensector. Overheden hebben vaak de voorkeur voor strategische partners, in tegenstelling tot een wijd verspreide eigenaarschap, om de kwaliteit van het management en de activiteiten van een staatsbank te controleren. Ten vierde kunnen privatiseringen ook gebruikt worden om de concurrentie op te voeren in de bankensector. Door grote staatsbanken op te splitsen in kleinere private banken en door buitenlandse toetreding te promoten, kan de kwaliteit van het management en de kostenstructuur significant verbeterd worden. Tenslotte kan privatisering ook gebruikt worden om marktdiscipline op te leggen aan staatsbedrijven, die zich voortaan aan markttarieven in hun financiële middelen zullen moeten gaan voorzien (Andrews, 2005, pp. 16-17). 8

Privatisering zou bijvoorbeeld noodzakelijk zijn voor efficiënte desinflatieprogramma’s. Het geven deze maatregelen de Centrale Bank de nodige autonomie tegenover de overheid, waardoor ze ongehinderd een monetair beleid zouden kunnen nastreven. Vanaf eind de jaren '80 zouden de meeste Zuid-Europese centrale banken het er dan ook over eens zijn dat interesten die vrij via de markt gevormd worden de impact van de Centrale Banken op het monetaire beleid versterkt hadden (Pagoulatos, 2003, pp. 187-188).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

18


De vele privatiseringen die er al geweest zijn, bewijzen volgens Andrews (2005) dan ook dat beleidsmakers sterk geloven in de negatieve groei- en ontwikkelingseffecten van staatsbanken. Hij besluit dan ook:

“Even if lacking empirical proof, many policy makers have concluded that private sector banks are more efficient, and privatization removes the irresistible cookie jar of state-owned bank largess from the reach of politicians. Thus, the trend to privatization is likely to continue.” (Andrews, 2005, p. 17)

EUROPESE ONTWIKKELINGEN

ECONOMISCHE INTEGRATIE

Vanaf eind de jaren '70 vonden er drastische ontwikkelingen plaats in de Europese bankensector. Een belangrijke rol werd hierbij gespeeld door een reeks Europese richtlijnen9, maar bovenal door de implementatie van de ‘Europese Monetaire Unie’ (EMU) en de vereisten die daarvoor gesteld werden aan de verschillende lidstaten, zoals die geregeld werden door het ‘Verdrag van Maastricht’ (1994) (De Bandt & Davis, 2000, p. 1046; Sinn, 1999, p. 1), alsook de veranderingen in nationale wetgeving tengevolge van deze reeks Europese richtlijnen. Dit “Singel Market” programma heeft tot doel om in de EU een zo sterk mogelijke eenheidsmarkt te creëren en heeft de expliciete barrières die overheden hadden gesteld tegenover banken uit andere landen van de EU fors verminderd (Berger, 2007, p. 1958). Door het harmoniseren van heel wat reguleringen, het invoeren van de eenheidmunt en de kapitaalakkoorden (BASEL I en II) zijn bovendien ook heel wat impliciete barrières voor markttoegang van financiële instellingen tussen verschillende Europese landen serieus verminderd (Berger, 2007, pp. 1964-1965). 9

zoals de ‘Eerste Bankrichtlijn’ uit 1977, de ‘Tweede Bankrichtlijn’ uit 1989 , kapitaalsvereisten uit de ‘BASEL I’ (1988)- en II (2006-2008)-akkoorden en de ‘Investment Services Directive’ (1993) (Goddard et al., 2007, pp. 1914-1916; Celetti et al., 2005, p. 36; Vennet, 1996, p. 1532)

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

19


In bepaalde landen werden deze maatregelen ingevoerd op basis van de verwachting dat ze de concurrentie in de bankenmarkt zouden opvoeren, maar in andere landen zorgde consolidatie ervoor dat er mogelijk anticompetitieve effecten zouden kunnen ontstaan tengevolge van de eenmaking van de markt (Schaffer, 2001, pp. 79-80). In grote lijnen kunnen we het hele proces van Europese integratie dan ook bekijken als een versnelling van de reeds aanwezige tendens tot internationalisering in de Europese bankensector, door het op elkaar afstemmen van de bestaande regulering (Schmidt, 1996, p. 226). Deze ontwikkelingen werden echter ook gestimuleerd door een aantal andere factoren. Zo zou bijvoorbeeld, naast het lidmaatschap van de EU, ook de aanwezigheid van sterke en internationaal georiënteerde financiële instituties die financiële integratie en liberalisering van de handel promoten (zoals de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF)) een doorslaggevende rol gespeeld hebben in het afbouwen van het “sociale overleg”-model op de arbeidsmarkten10, alsook een reeks privatiseringen (Smidt, 1996, pp. 231-232).

TOEGENOMEN CONCURRENTIE

De implementatie van de EMU heeft het Europese integratieproces dus een verdere impuls gegeven. Een eerste gevolg hiervan bestond erin dat de onderlinge concurrentie tussen Europese banken opgevoerd werd, omdat er een homogene markt gecreëerd werd voor financiële diensten. Bijgevolg kwam de rendabiliteit van de Europese banken onder neerwaartse druk te staan. De komst van de EMU zou enerzijds de banken van buitenaf onder grote druk gaan zetten, naarmate er meer desintermediatie zal gaan optreden ten gevolge van de betere toegankelijkheid van kapitaalmarkten voor producenten (De Bandt & Davis, 2000, p. 1046; Goddard et al., 2007, p. 1914). Desalniettemin blijven banken dominant in de financiële sector. Zo hadden Duitse banken in 2007 nog steeds 78,3% van alle activa in handen. Dit is slechts een kleine afname tegenover de jaren '80. In Frankrijk was er het voorbije decennium tevens een afname, maar in 2003 bezaten de banken nog steeds 64% van alle activa, een cijfer dat nog opliep tot 70% in 2007 (Hardie & Howarth, 2009, p. 1018).

10

Hierbij kunnen we bijvoorbeeld verwijzen naar een reeks besparingmaatregelen in België en Nederland doorheen de jaren '80 (cf. het Globaal Plan van 1981), die nog maar weinig of niets met “sociaal overleg” te maken hadden, in tegenstelling tot Zweden en Oostenrijk, waar dergelijke instellingen niet aanwezig waren en het “sociale overleg” nog zou standhouden tot en met de jaren '90 (Schmidt, 1996, pp. 227-228).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

20


Een tweede gevolg van de toegenomen concurrentie was veel belangrijker, namelijk dat er veel financiële instellingen tot bankroet gedwongen werden en er nieuwe conglomeraten tevoorschijn kwamen doorheen een continu proces van overnames en fusies (Sinn, 1999, p. 1). Tussen 1985 en 2004 zou het totaal aantal banken in nominale zin drastisch afnemen (van 12.315 tot 7.300) en zouden de totale activa van de banken (zowel in nominale als in reële termen) tezelfdertijd enorm toenemen 11 . Volgens Goddard et al. (2007) weerspiegelt deze groei de effectiviteit van de deregulering en de eenheidsmarkt om komaf te maken met de “onderdrukte” bancaire systemen (Goddard et al., 2007, p. 1912). Ondertussen steeg de tewerkstelling in de EU15-banken met 10-15%, nam het totale aantal kantoren toe met ongeveer 20% en bleef de “CR5-ratio” (het percentage van de markt dat in handen is van de grootste 5 banken) ongeveer gelijk, hoewel we hier wel moeten wijzen op grote regionale verschillen. Zo blijkt de toename van het aantal kantoren zich vooral te situeren in Zuid-Europa (Spanje, Italië, Griekenland en Portugal), waar het aantal kantoren per inwoner traditioneel al erg laag lag. Het zijn ook deze landen waar er zich een gevoelige daling van de “CR5-ratio” voordoet. In alle andere landen (uitgezonderd van Zweden en Denemarken) stijgt de “CR5-ratio” over de beschreven periode (Goddard et al., 2007, pp. 1912-1914), wat wijst op een toegenomen concentratie in de bankensector.

Deze visie wordt ook bevestigd door Carbo, Gardener en Williams (2002), die de spaarbanken in heel Europa tussen 1989 en 1996 bestuderen. Uit hun analyses blijkt dat er in deze sector over heel Europa schaaleconomieën voorkomen (Carbo et al., 2002, pp. 205-206)12. In de literatuur bestaat er nogal wat discussie over de invloed van de competitieve omgeving waarin banken opereren op de prestaties van die banken. Volgens Goddard et al. (2007) vetrekken de meeste auteurs hierbij vanuit het ‘structure-conduct-paradigm’ (SCP), waarbij volgens de “hypothese van collusie” een sterke concentratie zal leiden tot lagere kosten van collusie, wat resulteert in duurdere leningen, lagere interesten op deposito's en meer kosten voor de klanten. Het alternatief dat hiervoor in de literatuur bestaat is de “efficiëntie hypothese”, volgens dewelke de efficiëntie van grotere banken groter zal 11

Vooral voor de 5 grootste EU-landen (Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk) zijn de cijfers indrukwekkend. Daar nam het totale aantal activa toe met 340% over de beschreven periode en klom de verhouding tussen activa in de bankensector en het BNP van 175% in 1985 tot 283% in 2004. 12

Deze schaalvoordelen variëren tussen de 7% en de 10% en nemen toe met de grootte van de banken. De Europese spaarbanken zouden dus kosten kunnen besparen door de schaal van hun productie te vergroten en verschillende inefficiënties te verminderen. Gezien de schaalvoordelen van grotere banken zal deze sector waarschijnlijk de komende jaren nog verder consolideren (Carbo e al., 2002, pp. 205-206).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

21


zijn dan bij kleine banken. Bijgevolg zal een toegenomen concentratie in deze sector niet tot hogere kosten leiden (Goddard et al, 2007, p. 1920)13. Uit een analyse van de competitiviteit en de marktstructuur in de Europese bankensector tussen 1992 en 1996 door De Bandt en Davis (2000) blijkt dat grote banken in Duitsland, Frankrijk en Italië zich in markten situeren die door monopolistische concurrentie gekenmerkt worden (De Bandt & Davis, 2000, pp. 1057-1058)14. Uit dezelfde studie blijkt ook dat de competitiviteit van Italiaanse banken hoger ligt dan die van Franse en Duitse banken. Vergelijkingen met eerdere studies geven bovendien een indicatie van toegenomen concurrentie op de Italiaanse bankenmarkt tussen halverwege de jaren '80 en halverwege de jaren '90 (De Bandt & Davis, 2000, pp. 1060-1061; Goddard et al., 2007, p. 1922).

Ook Schaffer (2001) gaat na in welke mate de output van de banken afwijkt van het competitieve equilibrum in de verschillende landen van de Europese unie (Schaffer, 2001, p. 80). Over de verschillende beschreven jaren heen (1979-1991) wordt er een significante markmacht gevonden in België en Denemarken. De Franse banken missen nipt de significantiedrempel en Noorwegen, Portugal, Zweden en het Verenigd Koninkrijk zijn dan weer veel meer competitief. De resultaten sluiten hier grotendeels aan bij de resultaten die we hebben gezien bij De Bandt en Davis (2000) voor 1992-1996. De vergelijking met cijfers van de OESO uit 1992, die de periode 1981-1991 beschrijven, bevestigt dit beeld (Schaffer, 2001, pp. 91-94)15. Uhde en Vaninni (2009) stellen vast dat de Europese bankensector (EU-25) tussen 1997 en 2005 een serieuze tendens tot marktconcentratie ondergaan heeft. De consolidatie van het “cross-border” bankieren piekte omtrent de introductie van de euro, om vervolgens stelselmatig te dalen, vooral dan in de West-Europese landen (Uhde & Vannini, 2009, pp. 1299-1300). Zij vinden over het algemeen positieve evidentie voor het feit dat toegenomen concentratie in de bankenmarkt een negatieve impact heeft op de financiële stabiliteit van het

13

Volgens Beck (2004) is nog een tweede argument tegen het SCP-paradigma, namelijk dat asymmetrische informatie aanleiding kan geven tot “adverse selection” en “moral-hazard”-problemen. De optimale structuur voor een bankenmarkt is volgens deze “informatiegebaseerde hypothese” dan ook geen volkomen concurrentie, noch een monopolie, maar een oligopolie (Beck, 2004, pp. 630-632). Het probleem met het SCP paradigma zou echter zijn dat er teveel aandacht wordt besteed aan structuur en te weinig aan gedrag (Goddard et al., 2007, p. 1923). 14

Ook kleine banken opereren in een dergelijke omgeving, hoewel de monopoloïde karakteristieken van de bankenmarkt bij de kleine banken nog sterken doorwegen (De Bandt & Davis, 2000, pp. 1057-1058).

15

De resultaten geven ook aan dat de dalingen in prijzen in Frankrijk en België het gevolg zijn van een daling in de marktmacht over de beschreven periode. In Duitsland, Spanje, Italië en het Verenigd Koninkrijk is de daling van de prijzen van na 1992 het gevolg van verbeterde kostenefficiëntie en niet van het verdwijnen van marktmacht (Schaffer, 2001, p. 97). Zoals we verder nog in detail zullen beschrijven, heeft dit er vooral veel mee te maken dat de privatisering en deregulering van de markten in deze landen (uitgezonderd van Duitsland) reeds veel vroeger werd doorgevoerd dan in de andere landen.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

22


Europese bancaire systeem (Uhde & Vannini, 2009, p. 1305)16. Ook de bevindingen van Beck (2004), die de relatie tussen de concentratie van de bankenmarkt en de toegang tot krediet nagaat, ondersteunen de theorieën die de negatieve effecten van bankenmacht op de prestaties van de banken onderschrijven (Beck, Demirguc-Kunt & Maksimovic, 2004, p. 646).

REACTIE VAN DE BANKEN

De hervormingen in de Europese bancaire sector leiden dus een periode van intense concurrentie, eliminatie en consolidatie in. We kunnen dus stellen dat tengevolge van deze ontwikkelingen de banken zich meer in de buurt van de perfecte concurrentie zouden moeten gaan situeren. In termen van eenvoudige micro-economie komt dit erop neer dat de banken aldus “prijsnemers” in plaats van “prijszetters” worden. De prijs van een financieel product zou dus niet meer bepaald worden door “de kosten + de winst”, maar de winst zal meer en meer bepaald worden door “de prijs – de kosten”. De banken zullen dus sterk moeten gaan inzetten op kostenreductie en de winstmarges zullen afnemen (De Bandt & Davis, 2000, pp. 1046-1047).

Om te reageren op deze ontwikkelingen zullen de banken zich enerzijds gaan diversifiëren naar nietrente genererende activiteiten, zoals de verkoop van verzekeringen en het beheer van activa, en anderzijds hun waardeketens anders gaan opbouwen door hun portefeuilles aan leningen te gaan verpakken, teneinde een groter rendement te kunnen realiseren (Goddard et al., 2007, p. 1914)17. Hardie en Howarth (2009) spreken van een proces van “financialisatie”, waarbij er een verandering optreedt van een “bank-gebaseerd” naar een “markt-gebaseerd” financieel model. De banken reageren hierop door hun traditionele portefeuille van kredieten steeds meer te vervangen door een nieuwe marktgerichte portefeuille en zich steeds meer als investeringsbank te gaan profileren (Hardie & Howarth, 2009, p. 1018). De inkomens die niet gerelateerd zijn aan rente stegen van 28,3% 16

Hiermee vinden ze evidentie voor hun “concentration-fragility”-hypothese, die stelt dat grotere banken gemakkelijker garanties en/of subsidies zullen krijgen omwille van hun “too-big-to-fail”-karakter. De financiële stabiliteit zal afnemen tengevolge van “moral hazard” (de risico's liggen bij de staat in plaats van bij de bank), hogere interestvoeten (die aanleiding zullen geven tot grotere risico's op slechte leningen), toegenomen diversificatie van investeringen (wat regulering moeilijker zal maken) en grotere organisatorische complexiteit (Uhde & Vannini, 2009, p. 1305).

17

Volgens een rapport van ECB uit 2005 zijn ongeveer de helft van deze verpakte kredieten in verband te brengen met residentiële huizenmarkten (Goddard et al., 2007, p. 1914).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

23


in 1992, tot 40,0% in 2003 (na een piek bereikt te hebben van 50% in 2000) (Goddard et al, p. 2007, p. 1918). Verder heeft de deregulering ook aanleiding gegeven tot een reeks fusies en overnames van banken en andere financiële instellingen. Deze ontwikkelingen hebben ondermeer aanleiding gegeven tot de opkomst van nieuwe financiële conglomeraten, zoals Fortis in België en ING in Nederland (Goddard et al., 2007, pp. 1918-1920)18.

We vinden hiermee evidentie voor een theoretisch model dat voorop wordt gesteld door Hellmann et al. (2000), dat we in de loop van deze uiteenzetting verder zullen proberen aan te tonen:

“Financial market liberalization increases competition; competition erodes profits; lower profits imply lower franchise values; and lower franchise values lower incentives for making good loans, increasing the moral-hazard problem. With sufficient competition banks will find it desirable to gamble.” (Hellmann et al., 2000, p. 148)

Dit citaat komt uit het in 2000 gepubliceerde artikel “Liberalization, Moral Hazard in Banking, and Prudential Regulation: Are Capital Requirements Enough?”, waarin Thomas Hallmann, Kevin Murdock en Joseph Stiglitz een poging doen om de oorzaken van bepaalden crisissen in de financiële sector van de jaren '90 bloot te leggen. Zo stellen ze dat de Aziatische crisis tenminste gedeeltelijk veroorzaakt werd door financiële marktliberalisering (Hellmann et al., 2000, p. 149)19. Eenzelfde conclusie vinden we ook bij Muñoz et al. (2008), die uit hun analyse van de gevolgen van de liberalisering van de markt voor spaarbanken in Spanje, besluiten dat de deregulering van de geografische beperkingen kan leiden tot toegenomen risicogedrag en ongezonde groeistrategieën bij hun intrede in nieuwe provincies en/of regio's (Muñoz et al., 2008, pp. 35-36).

18

De verwachtingen voor toegenomen efficiëntie en andere indicatoren worden echter vaak niet ingelost (Vennet, 1996).

19

Eerst werden de toegangsbarrières tot de financiële markten afgebouwd en werd de concurrentie opgedreven. Vervolgens werden beperkingen op de activiteiten van banken versoepeld en kwamen er nieuwe mogelijkheden om te gokken op de markt voor deze banken, wat nauwelijks of niet werd gecompenseerd door bijkomende regulering (Hellmann et al., 2000, p. 149).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

24


DEREGULERING EN PRIVATISERING IN ZUID-EUROPA 20

OORZAKEN

Een drietal oorzaken lagen aan de grondslag van de privatiseringsgolf in Zuid-Europa. Een eerste oorzaak bestond erin dat het bankensysteem het niet goed deed. Volgens Celetti et al. (2005) begon het Italiaanse bankensysteem, dat er tot dusver tamelijk goed in geslaagd was om groei te stimuleren in de Italiaanse industriële sector (die voornamelijk gekarakteriseerd werd door een groot aantal KMO's), vanaf de jaren '90 zijn zwakheden te tonen. Ten gevolge van een toegenomen noodzaak om op de internationale markten te kunnen meespelen enerzijds en de financiële crisis van het begin van de jaren '90 anderzijds, kwam de eigendomsstructuur van het Italiaanse bancaire systeem onder druk te staan. De overwegend publieke eigendomsstructuur en moeilijkheden om fusies te realiseren die de consolidatie van de bankensector zouden kunnen bewerkstellingen, werden gezien als de voornaamste hinderpalen voor de ontwikkeling van een performante en efficiëntie Italiaanse bankensector (Celetti et al., 2005, p. 35).

Deze ontwikkeling werd nog versterkt door een tweede oorzaak die mede ten grondslag lag aan de privatiseringsbeweging: de Europese integratie. Het vooruitzicht van de vrijmaking van de kapitaalsmarkten in het kader van de EMU stelde het gevaar in het vooruitzicht dat banken met nietcompetitieve interesten uit de markt geconcurreerd zouden worden door meer competitieve buitenlandse markten. Door het verlies aan deposito's zou hun betalingsbalans in elkaar kunnen storten. Omwille van dit feit zouden bijvoorbeeld Griekenland en Portugal vanaf 1985 hun kredietinstellingen beginnen dereguleren om hen voldoende competitief te maken (Pagoulatos, 2003, p. 177). Opnieuw kaderden deze ontwikkelingen binnen een breder beleid van liberaliseringen in de economie. Vanaf eind jaren '80 zouden de meeste Zuid-Europese centrale banken het er dan ook over eens zijn dat interesten die vrij via de markt gevormd worden de impact van de centrale banken op het monetaire beleid versterkt hadden (Pagoulatos, 2003, pp. 187-188). 20

Met ‘Zuid-Europa’ verwijzen we in het kader van deze masterproef naar de volgende landen: Albanië, Andorra, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Gibraltar, Griekenland, Vaticaanstad, Italië, Malta, Portugal, San Marino, Slovenië en Spanje, hoewel we ons in onze bespreking voornamelijk beperken tot Spanje, Portugal, Griekenland en Italië zie: http://unstats.un.org/unsd/methods/m49/m49regin.htm#europe , geconsulteerd op 12-05-2010.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

25


Een derde oorzaak van de privatiseringsbeweging wordt vaak toegeschreven aan

de

democratiseringsbewegingen in deze Zuid-Europese landen vanaf de jaren ’70. Hierbij moet opgemerkt worden dat in landen als Spanje, Portugal en Griekenland de democratische republiek slechts omstreeks 1975 (lang na de tweede wereldoorlog) werd gevestigd (Pagoulatos, 2003, p. 177)21. In de praktijk blijkt dit argument echter problematisch. Zo ging de deregulering van de financiële sector in Spanje reeds van start tijdens het begin van de jaren '70, wanneer de dictatuur onder generaal Franco nog steeds stevig aan de macht was (Pagoulatos, 2003, pp. 177-178). Een financieel schandaal (zoals bijvoorbeeld de 'Matesa' affaire uit 1969) volstond dan eerder als een politieke justificatie om de bank van Spanje radicaal van koers te doen veranderen (Pagoulatos, 2003, pp. 179-180). De ironie bestaat erin dat de Nationale Bank van Spanje zowel voor als na deze hervormingen door dezelfde mensen werd bezet. Er moet volgens Pagoulatos (2003) dan ook voldoende aandacht besteed worden aan de macro-economische omstandigheden, waardoor de noodzaak van een effectieve anti-inflatiepolitiek zich opdrong. Bijgevolg werden de gebreken van de gangbare politiek van de Spaanse centrale bank al snel aan de kaak gesteld (Pagoulatos, 2003, p. 180).

Deze situatie was heel anders dan in Griekenland, waar de administratie van de Nationale Bank na de dictatuur werd afgezet en steeds verder onder politieke controle kwam, en Portugal, waar de Nationale Bank in 1974 na een militaire coup tegen de heersende dictatuur en onder invloed van uiterst linkse politieke groeperingen werd genationaliseerd. In 1975 werden opnieuw tal van private banken genationaliseerd. In 1976 werd de nationalisering verankerd in de grondwet van de Portugese republiek, werd de bankensector verder streng gereguleerd en werden buitenlandse banken uitgesloten van de Portugese markt. De banken werden enerzijds hoge reserveratio's aan overheidspapieren (obligaties) opgelegd om de publieke tekorten te financieren en anderzijds ingezet

voor een beleid van monetaire expansie (Canhoto & Dermine, 2003, pp. 2088-2089;

Pagoulatos, 2003, pp. 193-194).

21

De deregulering van de financiële sector wordt dan vaak toegewezen aan de democratisering die een nieuwe politieke “beloningsstructuur” voor politici teweeg bracht. Hierdoor zouden deze politici meer geneigd worden om waarde te hechten aan economische ontwikkeling in plaats van de oligopolistische belangen van enkele private bankiers (Pagoulatos, 2003, pp. 177-178).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

26


GEVOLGEN

Zoals gezegd, begon men in Spanje reeds tijdens het regime van Franco met een reeks dereguleringen in de bankensector. De belemmeringen van de geografische inplanting van Spaanse banken werden vervolgens in 1975 beperkt tot hun thuisprovincie en de provincies waar ze al actief waren. In 1979 werden deze barrières reeds verminderd tot het regionale niveau. Tenslotte werden de barrières volledig verwijderd in 1988, waardoor de concurrentie op de Spaanse bankenmarkt vrijwel volledig vrij spel kreeg (Muñoz et al., 2008, p. 14). De geografische deregulering van de Spaanse spaarbanken in 1988 leidde tot een drastische uitbreiding van deze sector wat betreft filialen en totale activa (Muñoz et al., 2008, p. 2). Deze uitbreiding ging ook gepaard met een agressieve groei in leningen en een herallocatie binnen de portefeuille van veiligere hypothecaire kredieten voor de binnenlandse huizenmarkt naar meer risicovolle commerciële leningen22 (Muñoz et al., 2008, p. 28).

Na een lang proces van deregulering, hebben zowel commerciële banken als spaarbanken in Spanje een gelijkaardig regulerend kader. Ze concurreren dan ook met elkaar voor leningen en deposito's. Hun eigenaarschap, bestuursvormen en organisatievormen verschillen echter nog wel sterk van elkaar. Spaanse spaarbanken zijn, in tegenstelling tot de commerciële banken, private stichtingen met geen formele eigenaars23. Ofwel houden zij hun winsten aan, ofwel bij ofwel keren ze deze winsten uit aan zogenoemde “sociale dividenden” (sociale- of gemeenschapsprogramma's). Hun doelstellingen zijn dan ook breder dan winstmaximalisatie en omvatten bovendien het stimuleren van een competitieve markt, het bijdragen tot regionale ontwikkeling en het herverdelen van de welvaart (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, pp. 585-586; Muñoz et al., 2008, p. 12).

22

Uit onderzoek blijkt dat spaarbanken die zich op nieuwe regio's richten, relatief goedkope leningen aanbieden tegenover de leningen die ze toekennen in hun eigen regio. Hierdoor worden ze opgezadeld met meer riskante leningen. Uit hetzelfde onderzoek blijkt ook dat hun risicogedrag niet wordt beloond door hogere inkomsten (Muñoz et al., 2008, p. 29). 23

Hun Algemene Vergadering is sinds 1985 samengesteld uit depositoren (wiens afgevaardigden worden geloot), lokale overheden, stichters en werknemers, die respectievelijk 44%, 40%, 11% en 5% van de stemmen in handen hebben. In de praktijk was het dus vooral de lokale overheid die het meest te zeggen had, omwille van de verdeeldheid en manier van verkiezen van de depositoren (Muñoz et al., 2008, pp. 12-14).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

27


De Italiaanse privatiseringen gingen formeel pas van start met de ‘Amato wet’ (218/1990) van 1990. Hiermee werd de eigendomsstructuur van de Italiaanse banken omgevormd tot moderne ondernemingen met gezamenlijk aandeelhouderschap tussen de overheid en private partners. Het kapitaal van de banken werd ondergebracht in publieke stichtingen, waarbij er een legale scheiding werd ingevoerd tussen de bankactiviteiten en de sociale en culturele activiteiten. Deze stichtingen behielden wel het mandaat van de tot dan toe bestaande openbare spaarbanken, met inbegrip van het stimuleren van de lokale economie. Ondanks het feit dat deze stichtingen nog beheerd bleven door de overheid en er slechts in uitzonderlijke gevallen een private partner de meerderheid van de aandelen kon bekomen, was dit toch al een belangrijke stap naar de privatisering van de Italiaanse banken. Bovendien werden vanaf 1990 de wettelijke vereisten voor specialisatie in de bankensector en de beperkingen op geografische expansie ook gradueel afgebouwd. Met de ‘Dini wet’ (474/1994) van 1994 werd de verplichting van de publieke stichtingen om de controle over de het aandeelhouderschap van de ondernemingen te behouden afgeschaft. Hiermee werd de privatisering officieel ingezet (Celetti et al., 2005, pp. 35-36). In 1993 werd ook de directe politieke benoeming van de topfuncties binnen de staatsbanken (die gangbaar waren sinds de jaren ’50) afgeschaft (Sapienza, 2004, p. 361). De laatste stap was de ‘Ciampi wet’ (461/1998) van 1998, die de publieke stichtingen een termijn gaf van vier jaar om hun overgebleven controlerende belang in de banken te verkopen (Celetti et al., 2005, p. 36).

De Italiaanse bankhervormingen kaderen binnen een breder economisch kader, waarbij de traditionele doelstellingen van de stabiliteit in het systeem en de lokale economische ontwikkeling werden vervangen door efficiëntie, performantie en internationalisering. De nieuwe regulering ging uit van de principes van het ondernemerschap en de vrije markt, die een proces op gang brachten waarbij een sterk gereguleerde en gefragmenteerde bankensector hervormd werd tot een systeem met verschillende grote banken, minder staatsinterventie, geen restricties op de inplanting en meer en meer universele banken (Celetti et al., 2005, pp. 38-39).

Minder duidelijk is het antwoord op de vraag of de concurrentie tussen de banken na de privatisering is toegenomen of afgenomen. De concentratiegraad is sterk toegenomen, wat wijst op een negatieve invloed van de privatisering op de concurrentie die heest op de bankenmarkt. Volgens de HerfindalHirschman index, die de concentratie van banken in de leningen- en depositomarkten meet, is er echter eerst een toename van de concentratie (en dus een afname van de concurrentie) tussen 1990 De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

28


en 1998, maar vervolgens een afname van de concentratie (en dus toename van de concurrentie) tussen 1999 en 2003 van 9,8% en 15%, respectievelijk op de deposito- en leningenmarkt (Celetti et al., 2005, p. 43)24. Celetti et al. (2005) geven zelf aan dat we hier misschien met transitieproblemen te maken zouden kunnen hebben (Celetti et al., 2005, p. 43). Hierbij kunnen we wel de vraag stellen of 8 jaar geen lange periode is om sterk negatieve effecten te ervaren op de bankenmarkt ten gevolge van een privatisering en of er geen andere macro-economische variabelen zijn die een grotere rol hebben gespeeld in deze ontwikkelingen.

Celetti et al. (2005) beschrijven de privatisering van de Italiaanse spaarbanken in de jaren '90 als een succesverhaal en vragen zich af of deze ervaring als rolmodel kan dienen voor een eventuele privatisering van de Duitse “Sparkassen” (Celetti et al, p. 32). De vergelijkbaarheid tussen beide systemen blijkt echter beperkt, vooral ten gevolge van het meer bankgecentreerde financiële systeem in Duitsland en de grote verschillen tussen de verschillende “bankzuilen” tussen de beide landen (Celetti et al., 2005, p. 46). In tegenstelling tot Duitsland, is het aandeel van de staat in de bankensector in Italië sterk afgenomen. In 1992, twee jaar voor de officiële start van de grootschalige privatiseringsgolf, bedroeg het aandeel van de Italiaanse overheid in haar bankensector nog 68,0%. Na 11 jaar was dit aandeel herleid tot nog maar 9,0%. Dit is in scherp contrast met Duitsland, waar het aandeel ongeveer constant gebleven, van 44,7% in 1992 tot 43,8% in 2003 (Celetti et al., 2005, pp. 33-34). Tezelfdertijd stegen de winstmarges van Italiaanse banken (uitgedrukt in “Return on Assets” (ROA)) van ongeveer 0,7% in 1992, naar 1,0% in 2001. Gedurende diezelfde periode daalde de ROA van de Duitse banken van 0,6% naar 0,2% (Celetti et al., 2005, p. 34)25.

24

Deze resultaten zijn vergelijkbaar met de andere resultaatsindicatoren die we reeds hebben bekeken uit Celetti et al. (2005) (zoals leningen aan KMO's), die veelal slecht zijn tussen de periode 1990 en 1998 en pas goede resultaten neer zetten vanaf 1999. 25

Hierbij valt wel op te merken dat de winstmarges van de Italiaanse banken vrij kort na het begin van de privatisering een sterke terugval kenden, tot onder het niveau van de Duitse banken. In 1994 lieten de Italiaanse banken een ROA optekenen van 0,3%, vergeleken met 0,5% voor de Duitse tijdens dezelfde periode. Pas vanaf 1998 is er een duidelijk onderscheid merkbaar tussen de Duitse en de Italiaanse banken, waarbij de Italiaanse banken het een stuk beter beginnen doen (Celetti et al., 2005, p. 34).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

29


DEREGULERING EN PRIVATISERING IN WEST-EUROPA 26

DUITSLAND

In tegenstelling tot de Zuid-Europese landen die we besproken hebben, kennen deze West-Europese landen een veel langere traditie met democratische instellingen die ook de structuur van de bankensector sterk bepaald hebben. Duitsland had traditioneel een langlopende en sterke traditie waarbij de overheden van de “Länder” (deelstaten) tussenkwamen in de leningsbeslissingen van de regionale “Landesbanks” (LB’s). Begin de jaren '90 kende de Duitse publieke banken een sterke expansie van krediet, volgend op de reünificatie van West- en Oost- Duitsland. Daarna gingen de groeicijfers van leningen steeds verder achteruit, tengevolge een economische groeivertraging en steeds verdere restrictie van krediet aan de aanbodzijde, vooral dan bij de commerciële banken (Celetti et al., 2005, p. 45).

Onder druk van toegenomen concurrentie zouden deze banken ook alsmaar meer kost- en winstefficiënt gaan werken (Altunbas et al., 2001, p. 939). Het is dan ook duidelijk dat het Duitse (alsook het Franse) financiële systeem een stuk “financialisering” onderging in de jaren '80 en '90 (Hardie & Howarth, 2009, p. 1019). Zo waren de Duitse banken de eersten om zich als investeringsbank te gaan aandienen op de kapitaalmarkten in Londen. Zo kocht Deutsche Bank het Londense ‘Morgan Grenfell’ reeds in 1989, gevolgd door de andere commerciële banken in 1995 (Hardie & Howarth, 2009, p. 1021). In 1999 was Deutsche Bank eerste, Dresdner tweede en Commerzbank vierde in de ranglijst van grote Europese banken in termen van het aandeel aan kapitaal dat gericht was op leningen voor de groothandel en investeringen (Hacketal, Schmidt & Tyrell, 2006, p. 77). Deze ontwikkelingen waren niet beperkt tot de Duitse private banken. Het IMF heeft hierover het volgende te zeggen:

26

Met ‘West-Europa’ verwijzen we naar de volgende landen: Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Liechtenstein, Luxemburg, Monaco, Nederland en Zwitserland, hoewel we ons voornamelijk beperken tot gegevens over Frankrijk en Duitsland zie: http://unstats.un.org/unsd/methods/m49/m49regin.htm#europe, geconsulteerd op 12-05-2010

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

30


“Since the 1960s, LB's have become increasingly involved in large-scale commercial lending and foreign business, to generate earnings as their main source for new funding. For some Lbs, investment banking overseas thus became a major component of activities, even though this implied substantial new risks and went well beyond fostering their own region's development.” (IMF, 2006, p. 77, geciteerd in Hau & Thum, 2009, pp. 707-708)

Volgens Hans-Werner Sinn (1999) geven de functies van de Landesbanken, zoals ze bij wet bepaald worden, een totaal verkeerd beeld van de werkelijke activiteiten van deze banken. Hoewel de Landesbanken ook een rol spelen als voornaamste bankiers van de overheidsinstellingen, zijn ze vooral actief op dezelfde markten waar ook de grote commerciële banken actief zijn (Sinn, 1999, pp. 54-56). Sterker nog:

“The landesbanks are Germany's global players among those banks that finance the kind of risks that private banks would shy away from.” (Sinn, 1999, p. 56)

Dat deze investeringen niet altijd even succesvol waren, blijkt uit cijfers van het IMF (2006), dat berekende dat de Landesbanken tussen 1991 en 2005 bijna 9 miljard euro aan kapitaalsinjecties vanuit de overheid ontvingen. Veel van deze injecties waren erop gericht om de geldbasis van de banken opnieuw aan te sterken na grote verliezen. Zo verloor West LB bijvoorbeeld vlak na haar ontstaan al 300 miljoen DM bij handel in buitenlandse valuta, ging de bank opnieuw zwaar in het rood tijdens de Russische crisis van 1998 (na zware verliezen ten gevolge van investeringen die onvoldoende gedekt waren) en verloor de bank opnieuw bijna 4 miljard euro in 2003 (IMF, 2006, geciteerd in Hau & Thum, 2009, p. 709). Een ander voorbeeld is dat van de LB Berlin, die tussen 1994 en 2001 op grote schaal aan speculatie had gedaan op de vastgoedmarkten en uiteindelijk gered moest worden met een kapitaalsinjectie van 1,7 miljard euro en een garantie voor haar leningen ter waarde van 21,6 miljard euro (Hau & Thum, 2009, pp. 709-710). We kunnen hierbij ook opnieuw verwijzen naar Hans-Werner Sinn die opmerkt dat veel van deze publieke banken onverdedigbare risicostrategieën gevolgd hadden gedurende de voorbije jaren (Hans-Werner Sinn, geciteerd in Hau & Thum, 2009, p. 750).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

31


Het is echter ook duidelijk dat dit proces tussen 2002 en 2007 sterk werd versneld. De Duitse bankensector had te kampen met een gefragmenteerde interne markt die de winsten beperkte, alsook toenemende internationale concurrentie op deze markten. Bijgevolg werden zowel de private banken als de LB’s ertoe gedwongen om meer en meer naar het buitenland te keren om hun winstgevendheid op te trekken (Hardie & Howarth, 2009, p. 1019)27. Dit alles staat ook in verband met de strengere kapitaalsvereisten die vanaf begin de 21e eeuw werden vastgelegd in de ‘Basel II’ – akkoorden en het toegenomen bewustzijn van leningsrisico's (Celetti et al., 2005, p. 46), tengevolge van enkele economische fricties (Celetti et al, 2005, p. 47)28, die aanleiding hebben gegeven tot een “credit crunch” vanaf 2002 (Engel & Middendorf, 2009, p. 2134). Belangrijker nog zijn waarschijnlijk het afschaffen van de staatsgaranties (de “Abstaltslast” en “Gewährträgerhaftung” garanties) tussen 2001 en 2005 (Euromoney, 2005; Engel & Middendorf, 2009, p. 2134; Muñoz et al., 2008, p. 3), die de Landenbanken een stuk zwaarder beïnvloed hebben dan de Sparkassen (Engel & Middendorf, 2009, p. 2134).

De Landesbanken waren dan ook genoodzaakt om de markt te consolideren door fusies, de banden met de Sparkassen aan te halen, zich meer internationaal te gaan opstellen en meer aan “investeringsbankieren” te gaan doen. Zo stelt bijvoorbeeld

Marcel Kullmann, het hoofd het

departement financiering en relaties met investeerders van de ‘Landesbank Baden-Württemberg’ (LBBW, de grootste Landesbank):

“Investment banking is definitely an area where these is an opportunity for us to diversify our revenue, and it is an area where we've been expanding, […] But investment banking should only be a means of servicing our customers.” (Kullmann, geciteerd in Euromoney, 01/09/2005).

27

De grootste slachtoffers hiervan waren bijgevolg dan ook opnieuw de KMO's, waarvan de commerciële banken zich (in tegenstelling tot de Landesbanken) bijna volledig hebben teruggetrokken (Celetti et al., 2005, pp. 45-46). In 2000 gebeurde 64% van de bedrijfsinvesteringen met behulp van binnenlandse kredieten. Het aandeel in de leningen die voorzien werden door de spaarbanken steeg van 42% in 1990 tot 61% in 2005, wat opnieuw wijst op een massale terugtrekking van commerciële banken uit leningen aan KMO's (Engel & Middendorf, 2009, p. 2133). 28

Zo was er bijvoorbeeld de gesprongen “bubbel” in de huizenmarkt in Oost-Europa (na de “boom” in bouwprojecten in het begin van de jaren '90) (Celetti et al, 2005, p. 47).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

32


FRANKRIJK

Ook de grootste Franse banken werden voordien allemaal gecontroleerd door de staat. Vanaf de jaren '80 werd alle regelgeving geharmoniseerd tussen verschillende banktypes en werden de meeste beperkingen op de concurrentie afgeschaft (Hardie & Howarth, 2009, p. 1020). De deregulering in de Franse bankindustrie zorgde voor een drastische afname van de overheidsinvloed in de leenbeslissingen van banken, het bijna volledige verdwijnen van gesubsidieerde leningen door banken en meer en meer mogelijkheden voor Franse banken om vrijer te kunnen optreden in de kredietmarkten (Hardie & Howarth, 2009, p. 1020; Bertrand, Schoar & Thesmar, 2007, p. 598).

Ten gevolge van het expansionistische bancaire systeem in Frankrijk was de betalingsbalans van de overheid alsmaar gaan verslechteren. Bovendien liepen de bureaucratische kosten om alle banken te controleren alsmaar op. Uiteindelijk werd er vanaf 1984 een drastische ommekeer in het systeem doorgevoerd door drie maatregelen. Eerst en vooral werden vanaf 1985 de meeste gesubsidieerde leningen afgeschaft. Verder werd het “encadrement du crédit”-programma afgebouwd tussen 1985 en 1987. Tenslotte werden door de ‘Banking Act’ van 1985 ook een hele reeks uiteenlopende regelgevingen voor verschillende types banken afgeschaft en vervangen door een grotendeels uniform regulerend kader (Bertrand et al., 2007, pp. 602-603). Tussen 1987 en 2002 werden de publieke banken ten slotte stuk voor stuk geprivatiseerd (Bertrand et al., 2007, p. 598; Megginson, 2005, p. 1936), beginnende met enkele banken die pas in 1982 genationaliseerd waren geweest (Bertrand et al., 2007, p. 603). Frankrijk is daarmee volgens Verbrugge et al. (1999) het enige land waarin de overheid reeds vanaf het initiële stadium van de privatisering ervoor gekozen heeft om haar meerderheidsaandeel in deze banken op te gegeven (Verbrugge et al., 1999, p. 27).

In de jaren '90 volgde een snelle consolidatiebeweging in de sector. Het daaruit resulterende systeem wordt gedomineerd door twee commerciële banken (BPN Paribas en Société Générale) en vier coöperatieve banken (Crédit Agricole, Banque Populaire, Caisse d'Epargne en Crédit Mutuel). Bij de coöperatieve banken is de meerderheid van de aandelen in handen van de depositoren en deze banken worden, tenminste in principe, gerund in hun belang in plaats van het belang van private aandeelhouders (zoals het geval is bij private commerciële banken). Alle banken kunnen ervoor opteren een universele bank te worden, zodat hun activiteiten uiteenlopen van kleinhandel, over bedrijfsleningen tot investeringsbankieren (Hardie & Howarth, 2009, p. 1020). Ten gevolge van het De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

33


afschaffen van de specialisatie in de bankensector, werd de link tussen de Franse banken en de Franse ondernemingen alsmaar zwakker en zwakker29 (Hardie & Howarth, 2009, p. 1020).

Om zich te kunnen handhaven binnen deze meer competitieve omgeving, gingen banken zich veel sterker richten op het beheersen van kosten en het controleren van risico's. Vooral de banken in het netwerk van de schatkist voelde deze ontwikkelingen sterk omwille van het verdwijnen van hun geprivilegieerde toegang tot deposito's en leenmarkten. Deze banken zagen tussen 1985 en 1990 hun aandeel in deposito's en leningen respectievelijk dalen met 28 en 25% (Bertrand, 2007 et al., pp. 604-605). Bovendien gingen bedrijven die rechtstreeks afhankelijk zijn van de financiële sector zich meer en meer rechtstreeks naar de kapitaalmarkten begeven voor hun financiering. Opnieuw moesten de banken op zoek gaan naar compensatie voor het verlies aan inkomen en opnieuw gingen de banken zich hierdoor meer en meer richten op hun rol als investeringsbankier en op leningen in het buitenland, zoals in Duitsland het geval was (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1020-1021)30.

Société Générale ging al vanaf 1987, twee maanden nadat ze als eerste publieke bank geprivatiseerd was, van start met het verhandelen van afgeleide financiële producten. Al snel groeide zij uit tot een van de koplopers in het bedrijfs- en investeringsbankieren. In vergelijking hiermee sprongen de Franse coöperatieve banken pas tamelijk laat op de kar van het investeringsbankieren. In 1999 nam Banque Populaire ‘Natexix’ over om het in een investeringsbank te veranderen en het, in 2006, te fusioneren met ‘IXIS’ van Caisse d'Epargne om één van Frankrijk's grootste investeringsbanken te vormen: ‘Natixis’. In 2004 bouwde Crédit Agricole zijn variant uit om aan investerings- en ondernemingsbankieren te doen: ‘Calyon’ (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1020-1021).

29

Kapitaal werd tussen 1978 en 1999 een stuk duurder in de meest kapitaalafhankelijke sectoren. Banken worden ook steeds meer terughoudend om kapitaal te voorzien aan slecht presterende bedrijven (Bertrand et al., 2007, p. 599). Analyses van Betrand et al. (2007) tonen bovendien aan dat het hier wel degelijk om aanbodgestuurde effecten (vanuit de banken zelf) en niet om vraaggestuurde effecten (vanuit de bedrijven) gaat (Bertrand et al., 2007, pp. 611-614).

30

Het verschil is wel dat de Franse banken nog konden uitgaan van een comparatief sterke positie in kleinhandel die ze ook internationaal verder konden uitbouwen, waar de Duitse internationalisering zich bijna exclusief richtte op leningen aan bedrijven en investeringsbankieren (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1020-1021)

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 1: Een privatiseringsgolf in de Europese banksector

34


HOOFDSTUK 2: DE ROL VAN DE STAAT IN DE EUROPESE BANKSECTOR

INLEIDING: NOG EEN ROL VOOR DE STAAT?

CIJFERS

Zoals we hebben gezien, waren veel landen wereldwijd na de crisis van de jaren ’30 en de daarop volgende Tweede Wereldoorlog sterke voorstanders geworden van een toegenomen rol voor de staat in de bankensector (Andrews, 2005, p. 4). Veelal werd staatseigendom in de bankensector verantwoord als een manier om ervoor te zorgen dat bedrijven naast winstmaximalisatie ook sociale objectieven zouden nastreven, om imperfecties uit de markten weg te zuiveren en om “moral hazard” te vermijden tengevolge van asymmetrische informatie tussen de eigenaars en de bestuurders van een bank. De onderliggende assumptie is volgens Megginson (2005) steeds dat staatsbanken economisch efficiënt zijn. In de praktijk speelden ook politieke motieven een grote rol, zoals het forceren van snelle economische ontwikkeling, het onderdrukken van bepaalde groepen in de samenleving, het kunnen in stand houden van politieke patronage en/of het zich afzetten tegen voormalige kolonisatoren (Megginson, 2005, pp. 1932-1933).

Sinds halverwege de jaren '70 zien we grote privatiseringsbewegingen in verschillende delen van de wereld (Andrews, 2005, pp. 4-5), met een versnelling vanaf eind de jaren '80 (Megginson, 2005, p. 1933). In het West-Europa van de 21e eeuw speelt, in tegenstelling tot in de voormalige Sovjet-Unie, de overheid nog steeds een zeer grote rol in de bankensector (Berger, 2007, pp. 1956-1957). Zij doen dit op verschillende manieren, via de rechtstreekse controle en het bestuur van staatsbanken, via het garanderen van waarborgen, via gesubsidieerde leningen, via gereguleerde beperkingen op concurrentie, via een gedeeltelijk aandeelhouderschap door lokale, regionale en/of nationale overheden,... (Bertrand et al., 2007, p. 597; La Porta, Lopez-de-Silanes & Shleifer, 2002, p. 266). De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

35


Volgens schattingen van La Porta et al. (2002) was in 1995 nog gemiddeld 41,6% van de aandelen van de 10 grootste banken in alle landen wereldwijd in staatshanden (Hau & Thum, 2009, p. 704; La Porta et al., 2002, p.271; Muñoz et al., 2008, p. 9; Sapienza, 2004, p. 358; Vins, 2008, p.2). Dit cijfer daalt licht (tot 38,5%) als we de voormalige socialistische landen buiten beschouwing houden. In 1970 bedroeg dit percentage wereldwijd 58,9% (en 52,7% als we de voormalige socialistische landen buiten beschouwing laten). Privatiseringen hebben dit aandeel dus sterk gereduceerd, maar de rol van de staat blijft zeer sterk (La Porta et al., 2002, pp. 271-274). Volgens Dinç (2005), die 36 landen beschouwen (waaronder 17 ontwikkelde economieën en 19 ontwikkelingslanden), hebben 39% van alle beschouwde banken minstens 20% aandeelhouderschap door de (lokale of centrale) overheid. De lokale overheid speelt vooral een sterke rol in de ontwikkelde economieën van continentaal Europa31 (Dinç, 2005, p. 458).

In Duitsland en Frankrijk bezat de staat respectievelijk nog 50% en 36% van alle activa in de bankensector in 1995 (Sapienza, 2004, p. 361; Sinn, 1999, p. 7). In 1999 bezaten Duitsland, Spanje, Zwitserland, België, Frankrijk en Nederland nog respectievelijk 48%, 40%, 29%, 23%, 17% en 5% van de activa in de bankenmarkt (Sinn, 1999, p. 7). Uit een lijst van de ‘European Association of Public Banks’ (EAPB) blijkt dat er in Europa nog 162 publieke banken bestaan, verspreid over 29 landen (incl. Turkije). De absolute koploper is Duitsland, met 34 publieke banken, gevolgd door Zwitserland, met 24 publieke banken, Italië, met 23 publieke banken, en Oostenrijk, met 18 publieke banken (EAPB, 2009)32. Hoewel er meer dan 7 keer zoveel private banken zijn in Italië dan staatsbanken, bezaten deze laatste nog wel 58% van alle activa in 1995 (Sapienza, 2004, p. 361). Zelfs na de sterke privatiseringsgolf van de jaren '90, behielden de publieke stichtingen een groot belang in alle van de 5 grootste banken in Italië33. Celetti et al. (2005) merken dan ook terecht op dat:

31

Traditioneel was de invloed van de staat groter in landen met een commerciële codes die gebaseerd waren op het Franse burgerrecht (Megginson, 2005, p. 1933) en, hoewel verschillende van deze landen zoals Frankrijk, Spanje, Portugal en Italië ondertussen grote delen van de financiële sector geprivatiseerd hebben, blijft de invloed van de overheid er niet te miskennen (Andrews, 2005, pp. 5-6; Hau & Thum, 2009, p. 708; Megginson, 2005, p. 1933). 32

De EAPB zelf vormt de overkoepeling van 23 openbare banken die bijna volledige onder controle van de staat liggen, enkele nationale associaties van openbare banken (waaronder de invloedrijke ‘Association of German Public Sector Banks’ (VÖB), die tevens dienst doet als werkgeversorganisatie voor de openbare banken in Duitsland) en enkele geassocieerde leden (waaronder het Belgische Dexia), met een overheidsparticipatie van minder dan 50% (EAPB, 2007).

33

Zo hebben de publieke stichtingen nog 44,0% aandeelhouderschap in de Banca Intensa, 18,0% in UniCredit, 36,0% in Sanpaolo IMI, 30,0% in Capitalia en 49,0% in Banca MPS (Celetti et al., 2005, p. 36).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

36


“Whether one wants to call such banks private, or not, is a judgment call. In any case, they are very different from large German banks like Deutsche Bank.” (Celetti et al., 2005, p. 36)

Wereldwijd zou de staat aan het begin van de 21e eeuw nog 48% van alle activa van banken controleren (La Porta et al., 2002, pp. 274-275). Zolang de staat een belangrijk percentage van de aandelen in handen heeft, zal ze, zelfs na de formele privatisering, een belangrijke invloed kunnen blijven uitoefenen op de beslissingen van de bank in zoverre dat het private aandeelhouderschap min of meer versnipperd is (Verbrugge et al., 1999, p. 33). Zo duiden La Porta et al. (2000) en Dinç (2005) de staat bijvoorbeeld aan als ultieme eigenaar van een bank zodra de overheid (direct of indirect) minstens 20% van de bank controleert (Dinç, 2005, p. 458).

Dit aandeelhouderschap kadert binnen een bredere politiek van staten die belangrijke aandelen behouden in geprivatiseerde bedrijven in sleutelsectoren. Zo houden overheden wereldwijd gemiddeld nog 28% van de aandelen aan in recent geprivatiseerde bedrijven. In 22% van de gevallen behouden zij een “gouden aandeel” in het recent geprivatiseerde bedrijf. Bovendien blijven zij belangrijke invloed uitoefen via het aanduiden van politici in de bestuursorganen en doorgedreven regulering (Boubakri et al., 2009, p. 378). Er blijven ook nog steeds impliciete barrières aanwezig, zoals het verhinderen van buitenlandse overnames door interne fusies34 (Berger, 2007, p. 1964).

VERZET TEGEN BUITENLANDSE CONTROLE

Een belangrijk element dat hier in overweging genomen moet worden, is het feit dat de Europese staten nog steeds een grote antipathie hebben tegenover buitenlandse aandeelhouders in hun bankensector. In de jaren '90 bezaten de ingezetenen nog een blokkeringmeerderheid in alle grote

34

Zo werd bijvoorbeeld enkele jaren geleden bekend gemaakt dat de gouverneur van de Italiaanse centrale bank, Antonio Fazio, rechtstreeks betrokken was bij de overname van de Italiaanse bank, Banca Antonveneta, door een andere Italiaanse bank, Banca Popolare Italiana. Zijn doelstelling bestond erin om de Banca Antonveneta niet in handen te laten vallen van andere (buitenlandse) geïnteresseerden, waaronder het Nederlandse ABN Amro (Berger, 2007, pp. 1964-1965).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

37


Franse en Duitse banken. In de 21e eeuw zouden de meeste commerciële banken (waaronder BNP Paribas, Société Generale en Commerzbank) wel een meerderheid aan buitenlandse aandeelhouders bezitten, hoewel de meeste Duitse en Franse publieke en coöperatieve banken hun kapitaal volledig (of tenminste grotendeels) afgeschermd hebben gehouden van private (en bijgevolg ook vaak buitenlandse) aandeelhouders (Hardie & Howarth, 2009, p. 1021). In Duitsland spelen buitenlandse banken ook nu nog maar een beperkte rol (Hau & Thum, 2009, p. 704). In het algemeen hebben de drie grootste ontwikkelde economieën in continentaal Europa (Frankrijk, Duitsland en Italië) elk maar minder dan 10% van de activa in de bankensector die gecontroleerd worden door andere Europese banken, hoewel dit bij de drie grootste Europese “transitie”-economieën (Polen, Tchechië en Hongarije) oploopt tot meer dan 50% (Berger, 2007, p. 1956)35.

De voornaamste argumenten voor het afschermen van de binnenlandse controle over de bankensector worden gegeven door Andrews (2005). Ten eerste bestaat er de vrees dat de nationale economie op lange termijn herleid zou worden tot een “branch” van andere economieën, met het verlies van hoofdkwartieren van internationale bedrijven tot gevolg. Ten tweede hebben binnenlandse banken vaak goede relaties met binnenlandse bedrijven, zodat die van voldoende kapitaal worden voorzien om de export en import van goederen en diensten over de landsgrenzen op peil te houden. Ten derde is het veel moeilijker voor de overheid om banken te beïnvloeden die door buitenlandse investeerders gecontroleerd worden. Ten slotte zijn er ook heel wat andere variabelen (zoals tewerkstelling, regionale ontwikkeling, etc...) die ertoe bij zouden kunnen dragen dat het politiek onwenselijk zou zijn om banken in buitenlandse handen te laten vallen (Andrews, 2005, pp. 19-20). De meest gebruikte techniek om banken op deze manier te privatiseren, is gefaseerd privatiseren via “initial public offerings” (IPO's) om aldus de controle over de keuze van investeerders maximaal te kunnen benutten (Andrews, 2005, pp. 23-24; Megginson et al., 2005, pp. 1946-1947). De staat is echter wel actief in het consolideren van de eigen bankenmarkt en het vormen van “nationale kampioenen” in de eigen bankensector en, ondanks het afbouwen van de formele toegangsbarrières in het kader van het programma voor een gemeenschappelijke markt binnen de EU, de eigen industrie te beschermen van buitenlandse overnames (Berger, 2007, p. 1965). Deze ontwikkeling werd ook al beschreven door het IMF in 2005:

35

Berger (2007) verwijst hierbij naar een statistische negatieve correlatie van -0,38 die hij vindt tussen het marktaandeel van buitenlandse- en staatsbanken, waaruit hij concludeert dat staatsbanken regelmatig gebruikt worden om het buitenlandse marktaandeel in de binnenlandse bankenmarkt te beperken (Berger, 2007, p. 1971).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

38


“A desire for “national champions” and maintaining domestic control of the largest financial institutions are two related public policy objectives that frequently influence privatizations. While there may be a desire to acquire expertise and/or foreign capital to enhance stability and growth, policymakers are often reluctant to lose domestic control of large institutions.” (Andrews, 2005, p. 19)

Het gevolg van deze politiek van het vormen van “nationale kampioenen” in functie van de nationale belangen zal wel zijn dat deze banken nog meer “too-big-to-fail” zullen worden en mogelijks nog een grotere bedreiging zullen vormen voor de staatskas dan misschien voorheen reeds het geval was via de formele staatsgaranties (Münchau, 27/08/2007).

TYPES OVERHEIDSBANKEN

Spaarbanken vormden omstreeks 1995 nog steeds een belangrijk deel van het Europese bancaire systeem. Ze telden mee voor ongeveer 20% van alle activa in de Europese bankensector. In termen van deposito's doen ze het nog beter, met sommige nationale sectoren die meer dan 40% van het marktaandeel bezitten (Carbo et al., 2002, p. 204). De Duitse spaarbankensector is het sterkst vertegenwoordigd, gevolgd door Italië, Spanje, Denemarken, Oostenrijk en België (Carbo et al., 2002, p. 215). Deze spaarbanken vallen onder een viertal organisatiemodellen, die gebaseerd zijn op verschillende types van eigenaars. Het eerste model is het “staats”-model waarin spaarbanken, veelal niet- winstmaximaliserende instellingen zijn die in handen zijn van lokale overheden en veelal onderworpen zijn aan operationele en geografische beperkingen (zoals bv. In Duitsland). Een tweede model is het “gemengde model”, waarin naast de (lokale) overheden ook andere belanghebbenden, zoals werknemers en depositoren, een aandeel hebben in het bestuur van de bank (zoals bijvoorbeeld in Spanje). Het derde model is het “in transitie”-model, waarbij de bank stap voor stap evolueert in de richting van een naamloze vennootschap. Ten slotte is er het “vermarkte” model, dat de uitkomst vormt van het “in transitie” model. Het wordt gekarakteriseerd door de “demutualisatie” van grote stukken van de sector, met stijgende competitieve druk op de rest van de spaarbanken tot gevolg (Carbo et al., 2002, pp. 219-220).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

39


In Spanje is de Algemene Vergadering van de Spaanse spaarbanken sinds 1985 samengesteld uit depositoren (wiens afgevaardigden worden geloot), lokale overheden, stichters en werknemers, die respectievelijk 44%, 40%, 11% en 5% van de stemmen in handen hebben. In de praktijk was het dus vooral de lokale overheid die het meest te zeggen had, omwille van de verdeeldheid en manier van verkiezen van de depositoren (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, pp. 585; Muñoz et al., 2008, pp. 1214)36.

Ook de Duitse bankensector is traditioneel sterk beïnvloed door de overheid. In Duitsland bestaat nog steeds het drie-zuilen systeem, met een onderscheid tussen publieke, coöperatieve en commerciële banken (Altunbas et al., 2001, p. 938; Celetti et al, 2005, p. 44; Engel & Middendorf, 2009, p. 2133; Hau & Thum, 2009, p. 706; Sinn, 1999, p. 3; Vins, 2008, pp. 7-8). Dit Duitse model van de organisatie in de bankensector is (uitgezonderd van de publieke regionale Landesbanken) grotendeels stereotiep voor verschillende andere Europese landen, waaronder Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk, Italië, Spanje en Zweden (Engel & Middendorf, 2009, p. 2133; Sinn, 1999, p. 7). Ten eerste zijn er de commerciële banken, zoals Deutsche Bank, Commersbank en HypoVereinsbank. Deze banken zijn private winstmaximaliserende ondernemingen die bestuurd worden door hun aandeelhouders. Deze banken opereren als universele banken (Hau & Thum, 2009, p. 706; Sinn, 1999, p. 5), hoewel zij zich de laatste decennia meer en meer zijn gaan specialiseren in investeringsbankieren en activabeheer (Altunbas et al., 2001, p. 938). Het marktaandeel (het percentage van de totale beschikbare activa in de Duitse bankensector die ze bezitten) bedraagt 28,6%, vermeerderd met nog eens 11,1% voor private vastgoed banken (Hau & Thum, 2009, p. 707).

De tweede vorm zijn de coöperatieve banken, waarin de aandeelhouders een gelijk stemrecht hebben, onafhankelijk van hun aantal aandelen. Deze banken hebben traditioneel een sterke regionale focus, zoals bijvoorbeeld de ‘Volksbanken’ (die actief zijn in steden en gemeenten) en de ‘Raiffeisbanken’ (landbouw krediet- coöperatieven die vooral landelijk actief zijn)37. Het gezamenlijke marktsegment van deze banken bedraagt 12% (Altunbas et al., 2001, pp. 939-940; Hau & Thum, 2009, pp. 706-707; Sinn, 1999, p. 6). 36

Recent werd deze verdeling echter ongrondwettelijk bevonden, wat aanleiding heeft gegeven tot regionale verschillen in de samenstelling van deze algemene vergadering. In 50% van de gevallen blijft de lokale overheid echter een grote rol spelen in deze algemene vergadering (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, pp. 585-586; Muñoz et al., 2008, pp. 12-14).

37

Om hun lokale beperkingen te overkomen, zijn er twee centrale coöperatieve banken (DZ Bank en WGZ Bank) opgericht die onder andere de taak hebben om aan investeringsbankieren te doen voor de kleinere coöperatieve banken.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

40


Ten derde zijn er de publieke banken. Zij worden verder opgedeeld in verschillende types. Ten eerste zijn er de spaarbanken (veelal de ‘Sparkassen’)) die gebonden zijn aan een bepaalde regio, stad en/of gemeente. Ze bezitten samen 13,8% van het totale markaandeel en zijn niet verwikkeld in internationale bankactiviteiten (Hau ( & Thum, 2009, p. 707; Vins, 2008, pp. 7--8). Deze banken zijn ontstaan in de 17e eeuw en hadden in 1999 niet minder dan 38% van de gehele markt aan deposito's in handen. Hiermee zijn ze nergens in Europa belangrijker, behalve in Spanje38 (Sinn, 1999, p. 17). Deze spaarbanken kunnen beroep doen op staatsgaranties van de lokale lokale en/of federale overheid, overheid hebben het expliciete mandaat om regionale ontwikkeling te stimuleren en doen in principe niet aan winstmaximalisering (Altunbas et al., 2001, pp. 938-939; 938 Engel & Middendorf,, 2009, p. 2133).

Volgens de Duitse wet kan de naam 'Sparkasse'' (gekenmerkt door de rode “S” in het straatbeeld) enkel gebruikt worden door publieke eigenaars. Deze regelgeving staat echter onder druk. Zo o kwam het bijvoorbeeld in 2004 tot een overeenkomst tussen de Europese Commissie en de Duitse overheid dat de 'Bankgesellschaft Berlin'' (die tevens eigenaarschap heeft over de spaarbank 'Berliner Sparkasse') ') openbaar verkocht zou moeten worden in 2006. Vergelijkbare conflicten zien we opduiken in heel Europa. Zo lag de Weense 'Erste Bank' (de grootste spaarbank bank van Oostenrijk) omwille van haar “haftungsverbund “ aftungsverbund”, een associatie van garanties voor het verdelen van verliezen, waarin ze verbonden is met 53 andere spaarbanken, spaarbanken onder druk39. Deze “haftungsverbunde aftungsverbunde”” hebben natuurlijk grote voordelen, gezien ze als zeer z positief worden ervaren door rating agentschappen en ze grote voordelen met zich meebrengen ten opzichte van de nieuwe kapitaalvereisten uit de Basel-II-akkoorden Basel (Economist, Economist, 01/07/2006). 01/07/2006

38

Het bestuur van deze banken bestaat uit het management, die de dagdagelijkse zaken regelen, de raad van bestuur (de “Verwaltungsrat”), die het management controleert en over de belangrijkste strategische kwesties beslist en het “Kredietcomité”, té”, dat leningen vanaf een bepaalde grootte moet goedkeuren. De meerderheid van de leden van het “Kredietcomité”, twee derde van de leden uit de raad van bestuur, alsook de voorzitter van deze raad worden aangeduid door de lokale politiek wat wijst op een zeer sterke formele politieke invloed op het bestuur. Daarnaast is er ook nog anekdotische evidentie te vinden voor sterke informele banden tussen de belangrijkste politici en de CEO's van de banken uit een bepaalde regio (Vins, 2008, pp. 7-9). 7 39

Volgens Europa is er hier sprake van een inbreuk op de Europese wetgeving, volgens welke ze het kapitaal van deze andere banken niet als haar eigen kapitaal mag beschouwen, omdat ze er maar 3 van bezit. In Wenen zelf wordt 'Erste ' Bank' ervan beschuldigd om als een kartel te opereren. Dit Oostenrijkse systeem werd echter opgezet om de afkalvende publieke waarborgen te vervangen en ook in Duitsland worden er dergelijke systemen toegepast (Economist, 01/07/2006).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

41


Daarnaast zijn er 11 grotere publieke banken die op nationale schaal actief zijn en bovendien verwikkeld zijn in internationale bankactiviteiten. De meeste van deze banken zijn de Landesbanken (LB’s), die oorspronkelijk opgericht waren om in hun respectievelijke regio's (Länder) aan ontwikkelingsfinanciering te doen en dienst te doen als centrale bank voor de lokale spaarbanken. Zelf zijn deze banken niet of nauwelijks verwikkeld in kleinhandel (Altunbas et al., 2001, p. 938; Hau & Thum, 2009, pp. 706-707; Sinn, 1999, pp. 10-11). In die zin vormen de spaarbanken dus nog steeds de basis van de Landesbanken (Sinn, 1999, pp. 17-19). Ten gevolge van een aantal ontwikkelingen die we reeds gezien hebben, opereren zij nu als universele banken met winstmaximaliserende doelstellingen, waarmee zij in directe concurrentie treden met de private banken. Samen bezitten zij ongeveer 21% van alle Duitse activa in de sector (Hau & Thum, 2009, p. 708; Sinn, 1999, p. 11).

Tenslotte zijn er ook nog enkele publieke banken met specifieke doeleinden, zoals bijvoorbeeld de ‘KfW’ (de ‘Kreditanstalt für Wiederaufbau’, die werd opgericht om middelen van het ‘Marshall Plan’ te verspreiden na de Tweede Wereldoorlog), die door de federale overheid gecontroleerd worden. Veel van deze banken hebben ondertussen hun oorspronkelijke functie verloren en enkelen ervan, zoals bijvoorbeeld de ‘PostBank’, zijn ondertussen geprivatiseerd (Hau & Thum, 2009, p. 708; Sinn, 1999; pp. 19-24). Samen bezitten alle types publieke banken 46% van alle activa in de Duitse bankensector (Hau & Thum, 2009, p. 708). De spaarbanken zijn dominant wat het volume aan activiteiten betreft. De LB’s zijn echter dominant wat macht en uitstraling betreft (Sinn, 1999, p. 6).

De Duitse banken waren tot voor kort een stuk minder rendabel dan hun Europese tegenhangers (Celetti et al., 2005, p. 44). Volgens “concentratie-ratio’s” (CR5) of de ‘Herfindal-Hirschman’ index is de Duitse bankensector één van de meest competitieve in de wereld (Celetti et al., 2005, p. 44)40. Deze cijfers zouden echter voor Duitsland een verkeerde indruk geven omdat er nog steeds sterke beperkingen liggen op de concurrentie tussen de verschillende zuilen en tussen de verschillende Länder. De reële waarden zullen dus lager zijn en sterk variëren over de verschillende regio's (Celetti et al., 2005, p. 44). Zowel de Sparkassen als de coöperatieve banken zijn dan ook gekenmerkt door hun doelstellingen om KMO's te ondersteunen en hun lokale inplanting (Engel & Middendorf, 2009, p. 2133). Volgens Celetti et al. (2005) kan de concurrentie dan ook eerder toenemen door het opheffen van de regionale barrières, dan door privatiseringen (Celetti et al., 2005, p. 47). 40

Zo hebben de 5 grootste Duitse banken maar 22% van de markt voor activa in handen, waar de 5 grootste Franse banken over 52,3% kunnen beschikken (Goddard et al., 2007, p. 1913; Hardie & Howarth, 2009, p. 1020).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

42


De sterkte van de Duitse overheidsbanken situeert zich in grote mate in de zwakte van de aandelenmarkten in Duitsland (Sinn, 1999, p. 10). Volgens Sinn (1999) verschilt het Duitse financiële systeem dan ook zeer sterk van het Angelsaksische financiële systeem in die zin dat risico's in het Angelsaksische systeem gedragen worden door een breed aantal aandeelhouders, hoewel in Duitsland de collectieve draagkracht van de belastingbetalers instaat voor de risico's die noodzakelijk zijn om de economie tot ontwikkeling te brengen (Sinn, 1999, pp. 75-76)41. Tengevolge van dit systeem zitten de Duitse publieke banken opgescheept met een enorm probleem van “moral hazard”, dat zowel de private als de publieke banken in Duitsland bedreigt. Bovendien zijn er geen private aandeelhouders en investeerders die de handelingen van het management met arendsogen volgen omwille van het feit dat er met hun geld risico's genomen worden. Dit is het rechtstreekse gevolg van de goede “ratings” die deze banken krijgen, die dan weer los staan van hun handelingen op de markt. Ten slotte kan de “publieke functie” van deze banken ook dienst doen als een dekmantel voor niet-winstgevende activiteiten en ongeoorloofde risico's (Sinn, 1999, pp. 83-84).

In de praktijk waren de Duitse LB's, met hun grote publieke aandeelhouders, echter al snel sterk geneigd om de winst op te drijven (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1021-1022). De LB mag dan in theorie “niet strikt winstmaximaliserend” zijn (Hacketal et al., 2004, p. 74), maar in de realiteit had dit geen impact op hun gedrag. Het gebrek aan private eigenaars belette bijvoorbeeld LB Sachsen niet om in 2003 een grotere doelstelling voor hun “Return on Equity” (ROE)42 voorop te stellen dan diegene die op dat moment door Deutsche Bank werd gerealiseerd. Bovendien kenden de LB's een enorme expansie in hun activiteiten naar het buitenland toe. Zo kende West LB in 2007 bijvoorbeeld een blootstelling voor 71,3% aan investeringen buiten Duitsland. De andere LB's varieerden tussen de 15% (NordLB) en 41,2% (LB Berlin) aan buitenlandse blootstelling en kenden gezamenlijk een sterke toename van om en bij de 10% tussen 2003 en 2007. Deze cijfers zijn moeilijk te verenigen met de formele prioriteit die de LB’s zouden moeten geven aan regionale ontwikkeling (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1026-1027). Sinn (1999) vat de rol van de Landesbanken reeds in 1999 als volgt samen:

41

Zo moest een bedrijf omstreeks de eeuwwisseling gemiddeld vier jaar moet wachten voordat het in de Verenigde Staten kapitaal kan ophalen via de aandelenmarkt, in tegenstelling tot een gemiddelde wachttijd van 55 jaar in Duitsland (Sinn, 1999, pp. 77-78).

42

De “rentabiliteit eigen vermogen”, of de verhouding tussen winst die geboekt wordt en het eigen vermogen van de bank.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

43


“Yes, Landesbanks are also clearing banks and principal bankers to government bodies but primarily they are just like other large banks and operate in the same areas of business as these do. If there is anything at all special about them it is their high level of internationalization” (Sinn, 1999, p. 56).

Als we de vergelijking maken met het Franse systeem, zijn de Duitsers op verschillende manieren meer protectionistisch en anticompetitief dan de Fransen. Zo werden er tot 2005 nog garanties gegeven die de LB's moesten beschermen tegen bankroet (waardoor ze goedkoper zouden kunnen lenen dan hun rivalen) en zo treden de LB's en de Sparkassen niet in concurrentie met elkaar. De afschaffing van het drie-peilers-systeem, waarvoor de Europese Commissie, de Duitse regering en de private ‘Associatie van Duitse Banken’ al lang pleiten, wordt tot dusver tegengehouden door de overheden van de Länder. In vergelijking daarmee is het Franse systeem, met een eenparig legaal kader voor alle banken en geen sectoroverschrijdende anticompetitieve praktijken, relatief open, ondanks de voorkeursbehandeling van de coöperatieve banken wat betreft belastingen en regulering (Hardie & Howarth, 2009, p. 1020). Tegen 2005 waren de Franse coöperatieve banken grotendeels niet onderscheidbaar van de commerciële banken in hun spectrum van operaties (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1021-1022).

Ook de Franse coöperatieve banken stellen dus duidelijk de winstmaximalisatie voorop, maar desondanks blijven ze zich wel overwegend richtten op de binnenlandse markt (Hardie & Howarth, 2009, p. 1028). Als we kijken naar het aandeel van de activa die aangewend werden om te verhandelen, zien we dat de Duitse LB's en Franse coöperatieve banken niet moeten onderdoen voor de commerciële banken43. Het verschil tussen de Franse en Duitse banken was de mate waarin ze met afgeleide producten werkten, niet het scala aan producten waarin ze investeerden. Bovendien lijkt het aandeel van de handel in afgeleide producten bij de Franse banken nauwelijks toegenomen tussen 2002 en 2007, in tegenstelling tot de snelle expansie bij LB's tijdens deze periode (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1023-1025). Het traditionele beeld van de meer conservatieve Duitse banken gaat dus niet op. Duitse banken werken, in tegenstelling tot Franse banken, met een hogere “leverage” en meer blootstelling aan risicovolle producten op internationale markten (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1029). 43

bijvoorbeeld 30,2% bij Crédit Agricole, 30,9% bij LBBW en 41,7% bij West LB, vergeleken met 31,9% bij Société Générale, 32,0% bij Dresner Bank en 24% bij Commerzbank en 58% bij DZ Bank, 51,8% bij BNP Paribas en 45,9% bij Deutsche Bank.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

44


We kunnen dus concluderen dat, hoewel ze een verschillende oorsprong hebben, de meeste grote coöperatieve banken, overheidsbanken en private banken geëvolueerd zijn naar eenzelfde universeel bankiersmodel en dus in dezelfde markten alsook binnen het zelfde regelgevend kader opereren (Iannotta et al., 2007, p. 2128). Dit wijst er volgens Ianotta et al. (2007) tevens op dat prestatieverschillen een sterke indicator zullen vormen voor de inefficiëntie van bepaalde types van banken (Iannotta et al., 2007, p. 2129).

VERSCHILLEN IN EFFICIËNTIE EN BIJDRAGE TOT ECONOMISCHE ONTWIKKELING

WAAR KOMEN DE VERSCHILLEN VANDAAN?

TWEE VISIES

Grofweg zijn er twee mogelijke interpretaties voor de verschillen in efficiëntie en prestaties, alsook de effecten op de bredere economie, die we zouden kunnen vinden tussen private en publieke banken. Een eerste strekking is bekend als de “politieke” visie en stelt dat publieke banken inefficiënt zijn omdat ze gebruikt worden door politici om persoonlijke objectieven (zoals herverkiezing verzekeren) te maximaliseren. Bijgevolg hebben deze banken dan ook een negatieve impact op de economische ontwikkeling. Een tweede strekking staat bekend als de “ontwikkelingsvisie”, die stelt dat publieke banken minder winstgevend zijn omdat zij een sociale en/of ontwikkelingsrol te spelen hebben en bijgevolg investeren in projecten die financieel minder winstgevend zijn maar wel sociale doelstellingen nastreven (Andrews, 2005, pp. 5-6; Andrianova et al., 2008, p. 219; Andrianova et al., p. 2009; Barth et al., 2004, p. 213; La Porta et al., 2002, pp. 265-267; Micco & Panizza, 2006, pp. 229232; Sapienza, 2004, p. 358; Usai & Vannini, 2005, pp. 694-695; Vins, 2008, pp. 2-3).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

45


De eerste visie wordt door verschillende recente auteurs onderschreven, zoals bijvoorbeeld La Porta et al. (2002). Zij beargumenteren dat politici participeren in de financiële sector om tewerkstelling, subsidies, leningen en andere voordelen te kunnen uitdelen aan politieke medestanders, die hen hiervoor bedanken met stemmen, middelen om campagne te voeren en steekpenningen (Andrews, 2005; pp. 5-6; La Porta et al., 2002, p. 266). Deze effecten spelen sterker in landen met onderontwikkelde financiële systemen, omdat de overheid daar het minst moet concurreren met de private sector als bron van middelen (La Porta et al., 2002, p. 266). Zo vindt bijvoorbeeld Sapienza (2004) dat electorale resultaten het leningsgedrag van de Italiaanse publieke banken beïnvloedt en toont Dinc (2005) aan dat publieke banken in ontwikkelingslanden significant meer lenen in verkiezingsjaren. Deze ontwikkeling wordt bevestigd door Micco en Panizza (2006), die eraan toevoegen dat deze effecten wel degelijk aanbod- en niet vraaggestuurd zijn (La Porta et al., 2002, pp. 265-267; Micco & Panizza, 2006, pp. 229-232; Vins, 2008, pp. 2-3). Zij ondersteunen dan ook de “politieke” visie op de rol van publieke banken (Micco & Panizza, 2006, p. 236).

La Porta et al. (2002) vinden een significant negatieve correlatie tussen de overheidscontrole over banken en de financiële efficiëntie, economische groei en de ontwikkeling van financiële markten. Deze evidentie gaat in tegen de argumenten voor een “ontwikkelingsvisie” op de rol van de staat in de bankensector (Andrianova et al., 2008, p. 219; Barth et al., 2004, pp. 213-214; La Porta et al., 2002, pp. 281-286; Megginson, 2005, pp. 1939-1940). Deze effecten zijn echter veel sterker in ontwikkelingslanden dan in reeds ontwikkelde landen (La Porta et al., 2002, p. 290)44. Uit hun analyses blijkt dan ook dat de leenactiviteit van openbare banken inderdaad minder beïnvloed wordt door economische cycli en meer beïnvloed wordt door electorale cycli dan die van private banken. Dit economische effect gaat op in zowel de ontwikkelde landen als de ontwikkelingslanden (Micco & Panizza, 2006, p. 248). Het politieke effect vinden we echter vooral terug bij ontwikkelingslanden (Dinc, 2005; Micco en Panizza, 2006, p. 235)45.

44

Volgens hen heeft een en ander te maken heeft met het feit dat rijkere landen meer mogelijkheden hebben om zich rondom de verstoringen in de financiële markten tengevolge van overheidsinterventie heen te werken, wegens hen betere toegang tot buitenlands kapitaal (La Porta et al., 2002, p. 290) 45

Dit effect is volgens de auteurs overigens enigszins verassend sterker in democratieën dan in dictaturen (Micco et al., 2007, p. 235). Uit het artikel kunnen we echter niet opmaken welk criterium er gebruikt wordt om “democratieën” van “dictaturen” te onderscheiden. Het valt op te merken dat er hieromtrent in de politieke wetenschappen heel wat discussie bestaat.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

46


Cornett et al. (2010) gaan de relatie na tussen de prestaties van banken en staatseigenaarschap in 16 Oosters landen tussen 1989 en 2004, een periode die de Aziatische financiële crisis (die begon vanaf 1997) omvat (Cornett et al., 2010, p. 76). Ze concluderen dat staatsbanken over het algemeen minder winstgevend waren, minder kernkapitaal aanhielden en een groter kredietrisico vertoonden dan private banken (Cornett et al., 2010, pp. 92-93)46. Uit Cornett et al. (2010) en Dinç (2005) blijkt verder ook dat publieke banken veelal meer overheidsschulden in hun portefeuille opnemen (Cornett et al., 2010, p. 81; Dinç, 2005, p. 455). In opkomende markten hebben private banken gemiddeld 9% van hun activa geïnvesteerd in overheidsobligaties. Bij publieke banken stijgt dit percentage tot 13% (Dinç, 2005, p. 462). Dit gaat volgens hen in tegen de visie dat staatsbanken de neiging hebben om projecten te financieren die wel sociale welvaart stimuleren, maar geen financiering zouden kunnen krijgen op de private bankenmarkt (Cornett et al., 2010, p. 81; Dinç, 2005, p. 462).

David Hauner (2009) plaatst de “safe assets” theorie, die stelt dat publieke schulden een positieve rol hebben op financiële ontwikkeling omdat ze relatief veilige activa voorzien, tegenover de “lazy banks” theorie, die stelt dat banken die veel staatsschulden zullen aanhouden in ontwikkelende financiële economieën onvoldoende stimulansen zullen krijgen om de bankenmarkt te ontwikkelen (Hauner, 2009, p. 171). Deze laatste visie is dus het meest gerelateerd aan de “politieke visie” op de rol van publieke banken (Hauner, 2009, p. 174). Hun resultaten ondersteunen de “lazy banks” theorie en hun bevindingen 47 suggereren negatieve gevolgen voor de financiële ontwikkeling als de kredietverlening aan openbare instellingen groot is (Hauner, 2009, p. 176). Tussen 1980 en 2004 zou er 15% minder financiële ontwikkeling plaats gevonden hebben in landen die in 1980 een gemiddeld niveau van financiële ontwikkeling hadden, wat op zijn beurt zorgt voor minder economische ontwikkeling in het algemeen (Hauner, 2009, p. 181).

46

Bovendien was tussen 1997 en 2001 (de vier jaar na het uitbreken van de Aziatische financiële crisis) de verslechtering in opbrengsten, kernkapitaal en kredietkwaliteit significant slechter bij staatsbanken dan bij private banken. Anderzijds slaagden deze banken er wel in om de kloof deels te dichten tussen 2001-2004, tengevolge van de toegenomen concurrentie op de bankenmarkt (Cornett et al., 2010, pp. 92-93).

47

Zolang de kredietverlening aan openbare instellingen beneden een bepaalde drempel blijft (of als de banksector tamelijk geliberaliseerd is) zijn er geen significante effecten. Maar, als de drempel overschreden wordt (of als de banksector relatief onderdrukt is) dan doet kredietverlening aan openbare instellingen de winstgevendheid stijgen en de efficiëntie van de banken dalen (Hauner, 2009, p. 176).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

47


Bij Sinn (1999) lezen we dat het uitgangspunt bij het beoordelen van de rol van publieke banken steeds de vrije markt moet zijn, die doorheen de geschiedenis getoond heeft superieur te zijn tegenover het communisme. Hij onderscheidt enkele voorwaarden waaronder, vanuit een economisch standpunt, staatsinterventie wel verdedigbaar kan zijn: marktfalen en externe effecten, grote schaaleconomieën in de productie en monopolistische marktstructuren (Sinn, 1999, pp. 50-51). Volgens hem zijn er in de bankensector vanaf een bepaalde grootte echter nauwelijks schaalvoordelen die een overheidsinterventie op de markt zouden kunnen verantwoorden (Sinn, 1999, pp. 66-70). Het is hiermee ook meteen duidelijk dat auteurs zoals La Porta et al. (2002) het debat over de overheidsbanken kaderen binnen het bredere debat tussen voor- en tegenstanders van de “Washington-consensus” in de 20e eeuw. Dit is geen onbelangrijk gegeven, omdat de resultaten van deze studies worden aangewend door de “Bretton Woods” instellingen (de Wereldbank en het IMF) om hun eisen voor privatiseringen in ontwikkelingslanden kracht bij te zetten (Andrianova et al., 2009, p. 1).

De tweede visie wordt onderschreven door Gerschenkron (1962), volgens welke private commerciële banken een cruciale rol gespeeld hebben in het doorsluizen van spaargelden naar de industrieën doorheen de tweede helft van de 19e eeuw (en in Duitsland in het bijzonder). Hij is echter van mening dat in sommige landen de economische instituties nog onvoldoende ontwikkeld waren om private banken deze cruciale ontwikkelingsrol te laten spelen, zoals bijvoorbeeld in Rusland (Andrianova et al., 2008, p. 248; La Porta et al., 2002, p. 265). Hij stelt dan ook:

“The scarcity of capital in Russia was such that no banking system could conceivably succeed in attracting sufficient funds to finance a large scale industrialization; the standards of honesty in business were so disastrously low, the general distrust of the public so great, that no bank could have successfully engaged in long term credit policies in an economy where fraudulent bankruptcy had been almost elevated to the rank of a general business practice” (Gerschenkron, 1962, p. 19, geciteerd in La Porta et al., 2002, p. 265)

In zulke landen zou het volgens Gerschenkron (1962) dus de rol zijn van de overheid om in te springen en zowel de financiële als de economische ontwikkeling in gang te zetten (La Porta et al., 2002, pp. 265-266). Volgens La Porta et al. (2002) was er hier echter sprake van een breder gevoel in De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

48


de ontwikkelingseconomie die een toegenomen rol voor de overheid in strategische economische sectoren voorop stelden. Zo stelde bijvoorbeeld Lewis (1950) een aanpak voor om de strategische industrieën te ontwikkelen met behulp van directe staatscontrole en de controle van de financiën via staatsbanken (La Porta et al., 2002, p. 266). Ook Vladimir Illich Lenin gaf enkele dagen voor de Russische “Oktober Revolutie” zijn visie op de banken:

“Without big banks, socialism would be impossible. The big banks are the "state apparatus" we need for the realization of socialism, and which we shall take from capitalism ready-made. Our problem here is only to lop away that which capitalistically disfigures this other-wise excellent apparatus and to make it still bigger, still more democratic, still more comprehensive. Quantity is transformed into quality. A single huge state bank, with branches in every rural district and in every factory-that will already be nine-tenths of a socialist apparatus.” (Lenin, 1917, geciteerd in La Porta et al., 2002, p. 266)48.

Deze ideeën waren in een ietwat afgezwakte vorm wijd verspreid in de jaren '60 en '70 binnen de zogenaamde “dependencia-school”, ten gevolge waarvan overheden in zowel Afrika, Azië als Latijns Amerika bestaande commerciële banken zouden nationaliseren en er nieuwe overheidsbanken zouden oprichten (Andrews, 2005, p. 5; La Porta et al., 2002, p. 266).

Een meer moderne verdediging van de “ontwikkelingsvisie” vinden we bij Andrianova et al. (2008). Volgens hen zijn institutionele factoren van cruciaal belang wat betreft de rol van overheidsbanken in de economie. Zij vinden evidentie voor het feit dat de sterkte van de regulering en de stabiliteit van het bankensysteem positief gecorreleerd zijn met het verkiezen van het publiek om deposito's te plaatsen bij private banken. Politieke factoren spelen maar een marginale rol. Deze bevindingen ondersteunen de “ontwikkelingsvisie” op publieke banken. De private banken zijn volgens dit model inherent meer efficiënt dan publieke banken, zij het slechts zodra de private bankensector een bepaald niveau van ontwikkeling bereikt heeft en in zoverre er voldoende maatregelen genomen zijn om het vertrouwen van het publiek in deze banken te verzekeren. Volgens dit model zullen de

48

Dit citaat is afkomstig uit “V. I. Lenin, Selected TVrorks, Vol. VI, subtitled "From the Bourgeois Revolution to the Proletarian Revolution (1917)" (New York: International Publishers, 1938), p. 266.”.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

49


staatsbanken uiteindelijk een natuurlijke dood sterven. In plaats van te privatiseren, zouden overheden instituties moeten opbouwen die bijdragen tot de ontwikkeling van goede private banken (Andrianova et al., 2008, pp. 248-249)49.

Beide theorieën geven dus aan dat de overheid projecten financiert die normaal gezien geen (of minder) private middelen zouden kunnen aantrekken. Beide theorieën voorspellen ook dat overheidsinterventie meer zal voorkomen in landen met een lager BNP per capita, minder ontwikkelde financiële markten en minder goed functionerende financiële instituties, zoals ook empirisch bevestigd wordt door Barth et al. (1999) en La Porta et al. (2002, pp. 277-279). Het verschil bestaat erin dat deze projecten volgens de “ontwikkelingsvisie” een positieve sociale invloed hebben, hoewel ze dit volgens de “politieke visie” net niet hebben (La Porta et al., 2002, p. 267).

POLITIEKE BEÏNVLOEDING IN EUROPA

Vins (2008) geeft zelf een overzicht van de literatuur die de link tussen politieke beïnvloeding en het handelen van publieke banken legt. Hij merkt terecht op dat de bovenstaande papers vooral betrekking

hebben

op

ontwikkelingslanden,

wat

problematisch

is

wat

betreft

de

veralgemeenbaarheid naar West-Europese landen met een sterke rol van de overheid in de bankensector (Vins, 2008, pp. 5). Eenzelfde waarschuwing lezen we ook bij Andrianova et al. (2009), die stellen dat afleidingen uit internationale data vaak uitgaan van impliciete veronderstellingen, zoals een gelijke toegang tot technologie, die in de praktijk niet vervuld zijn (Andrianova et al., 2009, p. 9). Volgens Vins (2008) zijn er uiteindelijk slechts drie papers die evidentie geven voor “politiek” handelen in ontwikkelde bankenmarkten: Sapienza (2004), Muñoz et al. (2008) en Memmel en Stein (2005). Alle drie vinden ze evidentie van directe politieke invloed in openbare banken, zij het respectievelijk voor Italië, Spanje en Duitsland (Vins, 2008, pp. 5-6).

49

In een later artikel reageren Andrianova et al. (2009) bovendien op de cijfers van La Porta et al. (2002). Zij geven aan dat de correlaties die gevonden worden tussen publieke eigenaarschap van banken en slechtere economische ontwikkeling insignificant worden zodra er meer “fundamentele” determinanten van economische groei worden meegenomen, zoals institutionele kwaliteit en kwaliteit van het bestuur (Andrianova et al., 2009, p. 1). Uit hun eigen regressies leiden ze af dat het publieke eigenaarschap van banken tussen 1995 en 2007 robuust gecorreleerd is met hogere economische ontwikkeling in de beschreven landen (Andrianova et al., 2009, p. 10).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

50


Sapienza (2004) gaat met behulp van een unieke dataset voor 37.000 Italiaanse bedrijven na in welke mate zij leningen hebben ontvangen van staatsbanken en/of private banken. Uit hun resultaten blijkt dat staatsbanken gemiddeld goedkopere leningen uitschrijven (Megginson, 2005, p. 1940; Sapienza, 2004, pp. 358-359)50. De staatsbank geven in vergelijking ook meer goedkopere leningen aan bedrijven in het zuiden. Dit is volgens hem zowel consistent met de “ontwikkelingsvisie” als de “politieke visie”, omwille van het feit dat het zuiden zowel armer is en meer beïnvloed wordt door politieke patronage. Tenslotte blijkt uit de gegevens ook dat verkiezingsjaren een sterk effect hebben op de leningen, vooral in die provincies waar er een sterke politieke meerderheid aan de macht is. Deze bevinding is consistent met de “politieke” visie op de rol van de publieke banken, die sterker is naarmate de regio verder economisch achtergesteld is (Sapienza, 2004, pp. 380-381).

Volgens Muñoz et al. (2008) zouden Spaanse spaarbanken met meer politici in hun bestuursorganen na de liberalisering meer ex-ante risico’s nemen door hun alsmaar uitbreidende portefeuille aan leningen (Hau & Thum, 2009, p. 718). Uit hun analyse van de gevolgen van de liberalisering van de markt voor spaarbanken in Spanje, besluiten ze dat liberalisering en deregulering kan leiden tot toegenomen risicogedrag en ongezonde groeistrategieën. Dit is volgens hen echter vooral te wijten aan de zwakke bestuursvormen en politieke beïnvloeding waarmee deze instellingen nog opgezadeld zaten (Muñoz et al., 2008, pp. 35-36).

De paper van Mellel en Stein (2005), die we zelf niet teruggevonden hebben, toont volgens Vins (2008) verschillen in leengedrag aan bedrijven tussen de Duitse Landesbanken en hun private tegenhangers. Conform de expliciete taak van deze banken vinden zij evidentie voor leningen met lagere kredietwaarde bij de publieke banken. Bovendien stijgt de kans op het verlenen van een lening met de lokale werkloosheidsgraad en in zoverre het bedrijf haar hoofdkwartier heeft in dezelfde deelstaat als de bank. Beide resultaten bieden evidentie voor het feit dat deze banken hun objectief, om de lokale economie te ondersteunen wel degelijk vervullen. Ze vinden echter ook directe evidentie voor politieke beïnvloeding. De kans om een lening toe te kennen stijgt immers naarmate de regering van de deelstaat langer aan de macht is en daalt naarmate de Landesbank in handen is van verschillende deelstaten (Memmel en Stein, 2005, samengevat in Vins, 2008, p. 6). 50

Verder toont hij aan dat dit verschil niets te maken heeft met het feit dat deze bedrijven geen financiering op de private markt zouden kunnen krijgen, aangezien de staatsbanken evenzeer lagere interesten vragen aan bedrijven die wel financiering kunnen vinden bij de private banken. Bovendien is er evenmin sprake van een lagere kostenstructuur die het verschil kan verantwoorden (Sapnienza, 2004, p. 358).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

51


Vins (2008) gaat ten slotte ook zelf de gevolgen van politieke beïnvloeding na op de bankensector. Hij stelt vast dat tussen 1994 en 2006, waarin het totale aantal filialen van Duitse banken daalt van 18.851 naar 13.766 (een reductie met meer dan 25%), tijdens verkiezingsjaren significant minder filialen sluiten, 17% minder mensen ontslagen worden, 25% meer mensen worden aangenomen, minder banken fuseren en gemiddeld 560.000 euro aan buitengewone uitgaven wordt gedaan, zoals het aangaan van meer risicovolle leningen, extra aanwerven van personeel en ondersteunen van lokale sociale activiteiten (Vins, 2008, pp. 14-24). In tegenstelling tot de conclusies van Sapienza (2004) voor de Italiaanse bankensector, vindt hij geen significante invloed van sterke of zwakke politieke meerderheden (Vins, 2008, p. 34). Daarnaast stelt hij ook nog vast dat deze effecten sterker spelen bij sterk winstgevende banken en (misschien enigszins contra-intuïtief) in economisch sterke regio's. Dit laatste geeft dan weer enige evidentie voor het vervullen van de “ontwikkelings”-rol van publieke banken in die regio's die dit het sterkst nodig hebben (Vins, 2008, pp. 36-37).

We kunnen uit de hier gepresenteerde papers besluiten dat ook in ontwikkelde economieën “politieke factoren” een grotere rol spelen dan factoren die te maken hebben met de “ontwikkelingsrol” die openbare banken zouden moeten vervullen. Beiden zijn blijkens voorgaande analyses echter wel nog steeds in zekere mate aanwezig. Dit is op zich niet zo verwonderlijk, gezien ook binnen de ontwikkelingsvisie staatsbanken slechts een rol te spelen hebben tijdens een bepaald stadium van economische ontwikkeling, waarvan we kunnen verwachten dat dit stadium reeds grotendeels gepasseerd zou moeten zijn in de ontwikkelde Europese economieën die we hier beschrijven.

HOE STERK ZIJN DE VERSCHILLEN?

Hiermee hebben we natuurlijk nog niets gezegd over de richting en/of de intensiteit van de efficiëntieverschillen tussen openbare en private banken. Vooraf kunnen we al wel meegeven dat ongeveer alle auteurs slechtere resultaten verwachten bij openbare banken dan bij private banken.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

52


Zo zien we bij Andrews (2005) hoe problemen van inefficiëntie bij staatsbanken enerzijds uit dezelfde oorzaken voortvloeien als bij private banken en dat er anderzijds ook specifieke problemen te verwachten zijn bij staatsbanken. Algemene economische oorzaken zijn meestal slechte bankactiviteiten tengevolge van slecht beheer van risico's, die tot verliezen leiden51. Anderzijds zijn er ook een reeks oorzaken die specifiek bij staatsbanken tot een lagere efficiëntie kunnen leiden. Staatsbanken kunnen immers kwetsbaar zijn voor leningen en investeringen, die gemaakt werden omwille van niet-commerciële redenen. Omdat deze banken niet onderhevig zijn aan de druk van private aandeelhouders, zijn ze meer onderhevig aan morele beïnvloeding. Dit zorgt voor een groter risico op verlieslatende leningen, alsook een verkeerde allocatie van kapitaal in de economie (Andrews, 2005, p. 8).

In wat volgt geven we een overzicht van de empirische evidentie die we hieromtrent teruggevonden hebben. We beginnen met een opmerkelijke studie van Henry Tulkens, professor in de economie aan de Université catholique de Louvain (UCL), die werd gepubliceerd in 1993, waarbij de efficiëntie van de filialen van een grote private Belgische bank wordt afgewogen tegenover de efficiëntie van een grote publieke tegenhanger. Uit zijn analyses volgt de opmerkelijke conclusie dat de filialen van de publieke bank relatief meer efficiënt zijn dan die van de private bank (Tulkens, 1993).

Altunbas et al. (2001) gaan de efficiëntie na van een reeks Duitse banken tussen 1989 en 1996 (Altunbas et al., 2001, p. 936). Zij vinden weinig evidentie dat Duitse overheidsbanken minder efficiënt zouden zijn dan hun private tegenhangers, hoewel deze laatste wel beperkte voordelen hebben op vlak van kosten en winstgevendheid. Ze vinden kleine kosten- en winstenvoordelen bij Duitse publieke banken en coöperatieve banken tegenover de private tegenhangers. In tegenstelling tot de overheidsbanken hebben coöperatieve banken hogere kosten, maar minder risicovolle activa en minder risico’s op wanbetaling. De grootste inefficiënties vinden ze terug bij de private banken (Andrianova et al., 2009, p. 9; Altunbas et al., 2001, p. 944)52. Hierbij moeten we wel opmerken dat zij (ons inziens onterecht) in heel hun analyses de Landesbanken buiten beschouwing laten. 51

Ook macro-economische schokken, zoals bijvoorbeeld de oliecrisis uit de jaren '70, of onzorgvuldige fiscale en/of monetaire beleidsbeslissingen, etc. en structurele problemen, zoals een inadequaat legaal systeem ter afdwinging van contracten, kunnen tot een lagere efficiëntie leiden bij beide soorten banken.

52

Ze stellen dat de grotere efficiëntie bij de lokale spaarbanken in elk geval niet te wijten is aan hun schaal, maar sluiten lokale inefficiënties en/of monopolievorming tengevolge van “moral hazard” niet uit. Voorts heeft technologische vooruitgang een vergelijkbare impact op alle types van banken, hoewel het effect meer merkbaar is bij grotere banken dan bij kleine banken (Altunbas et al., 2001, p. 947).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

53


Micco, Panizza en Yanez (2004) vinden geen significant verschil tussen de ROA's van overheidsbanken en gelijkaardige private banken in de geïndustrialiseerde landen. In een ander artikel vinden ze wel grotere kosten (ongeveer 10% hoger) bij publieke banken in vergelijking met private banken. In geïndustrialiseerde landen vinden ze ook geen significante correlatie tussen het eigenaarschap en de tewerkstelling in de bankensector (Micco et al., 2004, p. 228). Publieke banken zijn niet noodzakelijk minder winstgevend dan private banken. De resultaten liggen dus in de lijn van Altunbas et al. (2001) die vinden dat er geen evidentie is dat private banken efficiënter zouden zijn dan publieke banken en coöperatieve banken, wat Duitsland betreft. De resultaten ondersteunen ook de conclusies van La Porta et al. (2002), die stellen dat publieke banken een negatieve impact hebben op de groei in ontwikkelingslanden, maar dat er geen dergelijk effect enkel bestaat in industriële landen (Micco et al., 2004, p. 227). Deze conclusies worden gedeeltelijk bevestigd door Celetti et al. (2005), die een analyses uitvoerden van de rentabiliteit van de verschillende soorten banken in Duitsland tussen 1994 en 2002. De ROE van de Landesbanken was het slechtst, gevolgd door grote commerciële banken die een minder dan gemiddelde ROE konden neerzetten. De kleine commerciële banken en de coöperatieve banken deden het beter, maar de beste resultaten werden neergezet door de (vaak openbare) spaarbanken (Celetti et al., 2005, pp. 44-45). De lage ROE van de Landesbanken (die bij Altunbas (2001) buiten beschouwing werden gelaten) wordt ook bevestigd door Sinn (199). Hij merkt op dat de ROE bij de Landesbanken een stuk lager ligt dan bij hun private concurrenten, ondanks de overheidsgaranties (Sinn,1991, p. 37) 53. Bij de goede resultaten voor de spaarbanken kunnen we nog opmerken dat er volgens Carbo et al. (2002) geen sterke evidentie is dat er een bepaald model van eigenaarschap de spaarbanken (binnen het spectrum tussen “staats-” en “vermarkte” spaarbanken) de anderen domineert in de zin van efficiëntie of schaaleconomieën54 (Carbo et al., 2002, p. 220).

53

Anderzijds keren deze Landesbanken veel minder van hun winst uit dan de private banken, wat hen voorziet in een ruime voorraad aan eigen vermogen om hun activiteiten uit te breiden. Zo hielden de Landesbanken tussen 1980 en 1994 gemiddeld (en gecorrigeerd voor het aandeel van het kapitaalsvermogen) ongeveer 1,5 keer van hun winst aan vergeleken met private banken (Sinn, 1999, pp. 37-40). Dit effect werd nog versterkt met nieuwe richtlijnen van de Europese Commissie, waardoor de kapitaalsratio vanaf 1 Januari 1993 werd opgetrokken van 5,56% naar 8%. De overheden reageerden hierop door geoormerkte overheidsactiva naar de Landesbanken door te sluizen, zonder hun geoormerkte karakter te veranderen. Hierdoor konden de Landesbanken (ironisch genoeg) opnieuw over meer vermogen (destijds ongeveer 180 miljard Duitse Mark meer) beschikken dan ze eigenlijk nodig hadden, waardoor ze hun schaal opnieuw konden vergroten (Sinn, 1999, p. 41). 54

Op plaatsen waar de gemiddelde grootte van spaarbanken toegenomen is (zoals bijvoorbeeld tengevolge van herstructureringen in Frankrijk en consolidatie in Spanje), is de evidentie voor de vertaling van deze groei in een grotere efficiëntie tamelijk ambigu. De minst efficiënte banken bevinden zich in sectoren die kunnen gekarakteriseerd worden als

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

54


Usai en Vannini (2005) vinden evidentie dat in Italië tussen 1970 en 1993 het vooral de coöperatieve banken waren die (zowel op korte, middellange als lange termijn) een positieve impact gehad hebben op de regionale economische groei, onafhankelijk van hoe dit gemeten wordt: als BNP per capita of als toegenomen waarde per werknemer. Voor banken van nationaal belang en publieke banken vinden ze een niet-significante negatieve impact op de toegenomen waarde per werknemer en een significante negatieve impact op de groei van het BNP per capita55. Hiermee ondersteunen ze grotendeels de “politieke visie” op de rol van publieke banken, zoals ze verdedigd wordt door La Porta et al. (2002), hoewel het onduidelijke (niet-significante) resultaat er volgens hen ook op kan wijzen dat er een combinatie van de “politieke visie” en de “ontwikkelingsvisie” aan het werk kan zijn (Usai & Vannini, 2005, pp. 712-713).

Iannotta et al. (2007) bekijken de prestaties en risico’s van 181 banken uit 15 Europese landen tussen 1999 en 2004. Uit hun analyses leiden zij af dat private banken meer winstgevend zijn dan coöperatieve banken en publieke banken, ondanks de lagere kosten bij publieke banken. Coöperatieve banken lijken tamelijk sterk op private banken, maar zijn toch minder winstgevend omdat ze nog steeds meer gericht zijn op hun rol als traditionele financiële intermediairs dan grote private banken. Publieke banken zijn minder gekapitaliseerd, hebben lagere deposito's uit kleinhandel, schrijven minder leningen uit en hebben een hogere liquiditeiten dan private banken en coöperatieve banken (Iannotta et al., 2007, pp. 2139-2140).

Uit deze resultaten kunnen we besluiten dat de invloed van zowel “politieke” als “ontwikkelings” factoren in elk geval beperkt zullen zijn. Uit de literatuur valt er in elk geval geen eenduidige evidentie te vinden voor een lagere efficiëntie, bijdrage tot economische ontwikkeling en/of rentabiliteit bij private dan wel openbare banken in de door ons beschreven landen. Binnen de openbare banken zelf valt wel het verschil tussen de grotere investeringsbanken en de kleinere spaarbanken, zoals deze bijvoorbeeld in Duitsland nog bestaan, op.

“in transitie” of “vermarkt”) (zoals bijvoorbeeld de geherstructureerde Finse en de voormalig coöperatieve Belgische banken, respectievelijk) (Carbo et al., 2002, p. 220). 55

Hieruit leiden ze af dat de organisatiestructuur van deze banken hen verhinderd heeft om op een efficiënte manier om te gaan met KMO’s, die gevoelig zijn voor “zachte” bedrijfsinformatie bij het bekomen van leningen.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

55


WAARUIT BESTAAN DE VERSCHILLEN JUIST?

De onderliggende assumptie die bij de “politieke” interpretatie van de verschillen tussen publieke en private banken maar al te snel gemaakt wordt, is dat het gebruik van banken om persoonlijke en/of “politieke” objectieven te realiseren enkel bij publieke banken mogelijk zou zijn. Andrianova et al. (2009) beargumenteren echter dat het voor politici gemakkelijker is om dergelijke objectieven na te streven via private banken, omwille van legale beperkingen en veel sterkere gevolgen bij het uitlekken van dergelijke pogingen. Als corruptie ontdekt wordt, kan dat in een democratisch land immers ernstige politieke kosten met zich meebrengen, meestal bestaande uit het einde van de politieke carrière. Zo is er het voorbeeld van de Amerikaanse financiële industrie, die door middel van het uitdelen van bestuursmandaten, het laten intekenen op lucratieve consultancyopdrachten en gemiddelde totale uitgaven aan lobbyisten van 0,5 miljoen dollar per jaar per financieel bedrijf de politici in Washington laat beïnvloeden56. In een omgeving van een zwakke controle over deze bedrijven is het dus denkbaar dat politici dergelijke private banken verkiezen om inkomens te genereren voor zichzelf alsook voor hun politieke strekking (Andrianova et al., 2009, pp. 13-14).

Ook in Duitsland, waar publieke en private banken als concurrenten naast elkaar bestaan, hebben openbare banken het een stuk moeilijker om bijdragen te leveren tot campagnes van politieke partijen dan hun private concurrenten (Andrianova et al., 2009, p. 15). Zo zijn donaties aan politieke partijen van banken met een overheidsaandeel van meer dan 25% bij wet verboden sinds 1967. Waar het wel gebeurde, waren de gevolgen meestal dramatisch57. Dit staat in schril contrast tot het gemak waarmee het christendemocratische CDU en het liberale FDP tussen 2000 en 2007 beiden meer dan 20% van hun campagnedonaties ontvingen vanuit de private bancaire sector, alsook de private donaties van respectievelijk € 430.000 (door ‘Mercator Verwaltungs GmbH’) en € 1.300.000 56

Zo zou het totale bedrag betaald aan lobbyisten met betrekking tot de “securitisatie” van de leningen in de Amerikaanse huizenmarkten tussen 1999 en 2006 opgelopen zijn tot 475 miljoen dollar. Bovendien zouden overigens de bedrijven die het meest actief waren met lobbyisten ook de grootste risico’s op deze markten voor hun rekening genomen hebben. 57

Zo leidde het uitlekken van het persoonlijke gebruik van privéjets van WestLB in 2000 tot het ontslag van Heinz Schleusser, minister van financiën van de deelstaat Nordrhein-Westfalen, en drukte op het presidentschap van Johannes Rau. Verder leidde het uitlekken van een financieel schandaal rond Klaus Landowski (ter waarde van “slechts” 40.000 DM), manager van het federaal gecontroleerde Berlin Hyp en voorzitter van de CDU in Berlijn, tot zijn ontslag in 2001, tot het uiteenvallen van de Berlijnse meerderheidscoalitie en tot zijn veroordeling tot 17 maanden gevangenschap in 2007.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

56


(door ‘Clair Immobilien’) die het christelijke CSU ontving tussen 2000 en 2008, goed voor 16% van hun opbrengsten uit grootschalige giften tijdens die periode (Andrianova et al., 2009, pp. 30-31).

Hoewel “politieke” motieven dus wel degelijk een (zij het beperkte) rol spelen, is dit geen exclusief domein voor de publieke banken. Politieke prioriteiten die een rol spelen binnen het publieke bankwezen hebben misschien zelfs meer kans op het realiseren van economische ontwikkelingen dan het korte termijn winstbejag van enkele opportunistische bankiers, ook al weerspiegelen ze slechts de politieke agenda van één bepaalde partij (Andrianova et al., 2009, p. 13). Om de verschillen tussen publieke en openbare banken te evalueren, moeten we natuurlijk ook nog een reeks andere doelstellingen van deze openbare banken in rekenschap nemen (Goddard et al., 2007, p. 1926). Zo merken bijvoorbeeld ook García-Cestona en Surroca (2008) op dat:

“Profit maximalisation does not seem the most appropriate goal for measuring the performance of mutual banks. Similarly, the organizations we are interested in – Spanish savings banks – pursue, by law, a wide set of goals. Furthermore, given the absence of shareholders, making a profit becomes only one among several measures of success.” (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, p. 583)

Een eerste van deze niet-winstmaximaliserende doelstellingen van publieke banken waar door de jaren heen al veel inkt aan gewijd is, is het stimuleren van regionale economische ontwikkeling via goedkopere leningen aan bedrijven en/of projecten die het nodig hebben (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, p. 589)58. Zij vinden evidentie voor het feit dat toegenomen invloed van politici in de bestuursorganen van de Spaanse spaarbanken een positieve invloed heeft op deze doelstelling, in tegenstelling tot spaarbanken die in een grotere mate door ingezetenen bestuurd worden (GarciaCestona & Surroca, 2008, pp. 592-594). Sinn (1999) werpt hierop tegen dat de goedkopere leningen van publieke banken op een bredere economische schaal aanleiding geven tot een differentiatie tussen die bedrijven en/of projecten die gefinancierd worden door publieke banken en andere die 58

Deze bijdrage tot regionale ontwikkeling kan volgens Garcia-Cestona & Surroca (2008) beter begrepen worden als het voorzien van middelen die sociale effecten genereren die niet voorzien worden door de private markt. Dit gebrek aan interesse op de markt kan dan worden gecompenseerd door de regionale administraties. Dit effect wordt bijgevolg gemeten als het aandeel van de leningen die worden uitgeschreven aan publieke administraties ten opzichte van het totale volume aan leningen (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, pp. 589-590).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

57


duurdere financiering moeten zoeken op de private markt. Ten gevolge hiervan ontstaat er een verkeerde allocatie van de beperkte middelen aan kapitaal (Sinn, 1999, p. 86). Sinn besluit hieruit dan ook dat:

“This is the main problem associated with the generous public support offered to the German state banks. It indicates a structural defect similar in form to the one which was characteristic of the communist economic system – with consequences which are now well known.” (Sinn, 1999, p. 89)

Een tweede element is de rol van publieke banken in het stabiliseren van de kredietverlening in een bepaald land. Hier worden veelal vier argumenten aangedragen. Eerst en vooral profiteert hun eigenaar (de staat) van een stabiele macro-economisch omgeving. Ten tweede bestaat er een kans dat publieke banken over een groter vertrouwen van het publiek en dus een meer stabiele basis aan deposito's beschikken. Ten derde zouden managers van publieke banken over minder procyclische stimulansen kunnen beschikken en dus “luie bankiers” kunnen zijn. Ten vierde zouden eigenaars van publieke banken de leenactiviteit kunnen beïnvloeden om hun kans op herverkiezing te vergroten, zoals we bijvoorbeeld kunnen vinden bij Dinc (2005) die aantoont dat leningen door openbare banken gecorreleerd zijn aan electorale cycli (Micco & Panizza, 2006, pp. 248-249). Andrianova et al. (2008) voegen hier nog aan toe dat het ontbreken van een staatsbank in een context van lage institutionele kwaliteit leidt tot financiële desintermediatie (Andrianova et al., 2008, pp. 220-221). Ook volgens Andrews (2005), kunnen staatsbanken voordelen bieden bij het beheersen van crisissen, zoals een afgenomen kans op een “bank run”. Depositogaranties blijken echter wel een noodzakelijke aanvulling te zijn, wat erop wijst dat ook overheidsbanken in bepaalde gevallen het slachtoffer kunnen zijn van een dergelijke “run” (Andrews, 2005, pp. 11-13). Sinn (199) werp hierop tegen dat publieke spaarbanken het sparen niet promoten bij hun klanten (Sinn, 1999, p. 60)59.

Een derde en laatste element is de sociale rol die de publieke banken zouden moeten spelen. We moeten dus bekijken in welke mate zij, in de breder zin van het woord, “waarde” creëren voor hun “stakeholders” (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, p. 583). Garcia-Cestona en Surroca (2008) verwijzen 59

Hij illustreert dit aan de hand van de reële interesten op de Duitse spaarboekjes, die sinds 1980 nooit boven de 1% gestegen zijn en zelfs gedurende een hele periode (1990-1994) negatief waren (Sinn, 1999, pp. 60-61), maar maakt hierbij geen vergelijking met de private banken.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

58


hierbij naar enkele meetbare doelstellingen, waaronder naast winstmaximalisatie ook het voorzien van een universele toegang tot financiële diensten, het bevorderen van concurrentie en bijdragen tot sociale welzijn en herverdeling van welvaart60. Uit hun analyses van Spaanse spaarbanken blijkt winstmaximalisatie slechts de laatste doelstelling van de genoemde doelstellingen bij publieke spaarbanken, hoewel deze doelstelling eerst komt bij de spaarbanken die gecontroleerd worden door ingezetenen (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, p. 595). Ten slotte lijkt de efficiëntie van hun niet-winstmaximaliserende doelstellingen af te nemen, naarmate ze meer in concurrentie gesteld worden met winstmaximaliserende commerciële banken (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, p. 596). Ze besluiten dat de prioritering van de doelstellingen (met inbegrip van winstmaximalisatie) en aangewende technologieën van deze spaarbanken in grote mate bepaald worden door de verschillen in eigenaarschap van deze banken. Naarmate de publieke overheid haar rol ziet verminderen in deze spaarbanken, zal de nadruk op winstmaximalisatie dan ook versterken en zullen de andere doelstellingen meer in het gedrang komen (Garcia-Cestona & Surroca, 2008, p. 597).

Volgens Sinn (1999) zijn er in de prakrijk echter geen valabale argumenten om te stellen dat bijvoorbeeld een private bankensector minder filialen (en/of andere diensten) zou voorzien aan bepaalde groepen dan een publieke bankensector, omdat de economische variabelen die tot het openen van een filiaal in een afgelegen regio leiden dezelfde blijven, ongeacht het type eigenaars. Bovendien is de densiteit van het netwerk aan filialen van de private ‘Volksbanken’ en ‘Raiffeisen Banken’ ongeveer 1,7 keer zo groot dan die van de publieke spaarbanken (Sinn, 1999, p. 57-60). Bovendien dragen de spaarbanken volgens hem ook niet bij tot een meer competitieve markt, in tegendeel, ze opereren zelf als monopolisten binnen hun eigen respectievelijke regio's (Sinn, 1999, pp. 61-65). Chakavarty et al. (2005) brengen hier tegenin dat er geen abstractie gemaakt mag worden van de specifieke condities waaronder de lokale ‘Sparkassen’ werken. Zo opereren de ‘Sparkassen’ in een gesegmenteerde markt en hebben hun kantoren heel wat expertise opgebouwd die relevant is voor de lokale economie. Bovendien zijn ze bij wet verplicht lenigen te voorzien aan gedeprivilegieerde groepen. Zij staan verder ook in voor een breed netwerk aan kantoren en een derde van alle persoonlijke leningen in Duitsland, in tegenstelling tot de 3% grootste banken, die slechts instaan voor 4% van de kortetermijnleningen in de persoonlijke sector (Chakavarty et al., 2005, pp. 219-220).

60

Het nastreven van deze doelstellingen wordt hier gemeten als het totale bedrag dat wordt besteed aan “obra social” (zijnde diensten met een liefdadig of sociaal karakter).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

59


ONEERLIJKE CONCURRENTIE?

De meeste auteurs die we hebben gelezen, zijn het er roerend over eens dat de verschillen in efficiëntie en de goedkopere leningen die worden uitgeschreven door de publieke banken vooral te wijten zijn aan het feit dat zij zelf goedkopere leningen kunnen krijgen en bijgevolg op een oneerlijke manier de concurrentie aan kunnen gaan met de private banken. Zo lezen we bijvoorbeeld bij Ianotta et al. (2008):

“The distinctiveness of GOBs61 may be supported by the following argument: so far European GOBs have enjoyed explicit and implicit government guarantees, a clear example being represented by the German Landesbanken. As a consequence, GOBs could afford to operate with a lower capitalization and enjoyed a comparative cost advantage in funding their investments by tapping the wholesale capital market, with large size bond issues. This lower cost of funding in turn led to lower retail deposits and higher liquidity.” (Iannotta et al., 2007, p. 2140)

Ook volgens Celetti et al. (2005) zien de Duitse private banken een causaal verband tussen de aanwezigheid van de publieke banken in Duitsland en hun eigen lage winstmarges. Zij halen drie argumenten aan ten voordele van de privatisering van de openbare banken. Zo zou het bestaan van de publieke banken ten eerste een hinderpaal vormen voor consolidatie binnen de bankenmarkt. Hierbij kunnen we alvast de kritische bedenking maken dat het maar de vraag is of er vanuit het oogpunt van de maximale welvaart (bijvoorbeeld gedefinieerd als het economisch surplus) wel vraag is naar meer marktmacht in de bankensector. Ten tweede stellen de Duitse private banken dat een sterk binnenlands marktaandeel een belangrijke voorwaarde is voor internationale competitiviteit (Celetti et al., 2005, p. 33). Tenslotte zouden publieke banken omwille van hun eigendomsstructuur minder efficiënt gemanaged zijn en misbruikt kunnen worden voor politieke objectieven (Celetti et al., 2005, p. 33; Chakravarty & Williams, 2005, p. 219; Munõz et al., 2008, p. 9).

61

Government-owned banks.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

60


Volgens Sinn (1999) hebben de Duitse Landesbanken, vergeleken met hun overgebleven beperkingen en verplichtingen, enkele zeer grote concurrentiële voordelen. Deze voordelen bestaan enerzijds uit “institutionele garanties” (‘Anstaltslast’) en anderzijds uit “garanties voor aansprakelijkheid“ (“Gewährträgerhaftung”). Het eerste voordeel komt erop neer de overheid garanties voorziet opdat de instelling steeds zijn functies zal kunnen blijven vervullen. Het tweede zorgt voor een legale band opdat, als de instelling haar verplichtingen niet kan nakomen, de overheden garant staan tegenover diegenen aan wie het bedrag verschuldigd is (Sinn, 1999, p. 26-28). De gevolgen hiervan zijn dat deze banken veel grotere risico's kunnen nemen, alsook zich veel goedkoper van kapitaal kunnen voorzien, zoals tot uiting komt in hun uitstekende “credit ratings”. Zo waren er in 1999 in de top 8 van banken die door zowel ‘IBCA’, ‘Standard & Poor's’ als ‘Moody's’ een AAA-rating kregen in het totaal 5 Duitse banken, waarvan er 4 in handen waren van de overheid. Bij de top-25 banken in deze statistieken waren er 15 Duitse banken, waaronder slechts 3 private banken. Deze ratings waren volgens Sinn (1999) niet het gevolg van hun succesvolle activiteiten, maar wel van hun overheidsgaranties. Deze betere ratings resulteren in herfinancieringkosten van geld aan ongeveer 20 basispunten (op 5 jaar) minder dan hun private concurrenten (Sinn, 1999, pp. 30-35).

Het voornaamste argument voor deze oneerlijke concurrentie betreft dus dat, hoewel de formele staatsgaranties ondertussen afgebouwd zijn, publieke banken nog steeds kunnen rekenen op een impliciete overheidsgarantie (Celetti et al., 2005, p. 48). De Europese Commissie daagde omwille hiervan alle 13 regionale Duitse spaarbanken voor de rechter. Ze zouden immers kunnen genieten van een oneerlijk competitief voordeel bij het ophalen van geld, ten gevolge van hun AAA-rating die ze te danken hebben aan overheidsgaranties. De 'Kreditbanken' uit de private sector hebben het de voorbije jaren niet zo goed gedaan en hebben bijgevolg een AA-rating (Chakavarty et al., 2005, p. 219). Hoewel de formele staatsgaranties ondertussen afgebouwd zijn, rekende ‘Moody’s’ recent nog uit dat de LB’s nog 300 miljard euro aan gewaarborgde leningen in hun boeken hebben staan. Deze leningen werden goedgekeurd tot 2015 in ruil voor het afbouwen van de formele staatsgaranties. Veel van deze leningen werden gebruikt om subprime leningen te financieren (Economist, 07/05/2009).62

62

Volgens David Thesmar van de HEC School of Management is er hier misschien wel sprake van een schaduwzijde van de medaille in die zin dat een verplichting om AAA-ratings aan te houden door de regulerende overheid ertoe zou kunnen geleid hebben dat deze banken leningen met activa als onderpand moesten aankopen om te voldoen aan de vereisten van de regulatoren. Dit zou hen meer kwetsbaar gemaakt kunnen hebben voor bepaalde economische fricties, zoals de

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

61


De Europese Unie schat de voordelen bij herfinanciering op de financiële groothandelmarkten in op ongeveer 20 basispunten onder normale marktcondities. Bijgevolg vreest de Europese Commissie dat de publieke banken met hun goedkopere leningen klanten zouden kunnen wegtrekken van de ‘Kreditbanken’ (Chakavarty et al., 2005, p. 219). Ook volgens Sironi (2003) ontvangen Europese publieke banken een aanzienlijke overheidssubsidie in de vorm van gewaarborgde leningen. Overheidsbanken zouden volgens hem ongeveer 40 basispunten minder betalen op gewaarborgde leningen dan hun individuele risicoprofielen zouden impliceren (Sironi, 2003, p. 447)63. We willen hier dan ook nagaan in welke mate de vermeende oneerlijke concurrentie van openbare banken tegenover commerciële banken werkelijk speelt. Celetti et al. (2005) merken hieromtrent op dat:

“Privatization could remove such distortions. If, however, privatization leads to consolidation, the implicit guarantees to public banks may simply be replaced by guarantees to banks that are “too big to fail.” Hence, it is not clear whether privatization would really reduce competitive distortions.” (Celetti et al., 2005, p. 48)

Volgens Sironi (2003) hadden grote bankcrisissen in Europa tot dusver nooit het gevolg dat creditoren directe verliezen opliepen. Zij werden meestal opgelost door “bailouts” vanuit de overheid en/of fusies die geleid werden door de regulatoren. Bovendien genieten veel Europese banken nog van impliciete overheidsgaranties. Deze garanties doen het risico op falen sterk afnemen en zorgen voor een zwakkere stimulans voor de private investeerders om waakzaam te blijven. Bijgevolg is er minder marktdiscipline te verwachten in de Europese bankensector (Sironi, 2003, pp. 446-447). Münchau (2007) voegt hieraan toe dat de Duitse ‘Landesbanken’ zich de strategie hebben aangemeten om zelf een onderlinge concentratiebeweging uit te voeren, teneinde “too-big-to-fail” te worden (Münchau, 27/08/2007) 64.

ineenstorting van de Amerikaanse huizenmarkt, die aanleiding gaf tot de recente financiële crisis (Hau & Thum, 2009, p. 749). 63

Deze oneerlijke concurrentie zou tevens gestegen zijn tussen de eerste en de tweede helft van de jaren '90. Dit resultaat is consistent met de risicogevoeligheid van de SND-investeerders. Met het oog op een lagere graad van vrijheid in fiscaal beleid en de overdracht van het monetaire beleid naar de ECB, werden banken die vroeger gezien werden door SNDinvesteerders als “too-big-to-fail”, nu gezien als “too-big-too-rescue” (Sinoti, 2003, pp. 465-466).

64

Een goed voorbeeld hiervan is de recente fusie die uitging van ‘Sachen LB’ (Münchau, 27/08/2007).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

62


Tengevolge van de tussenkomsten van de Europese Commissie zouden alle Duitse banken vanaf juli 2005 op gelijke voet behandeld moeten worden. Hierbij worden dus zowel de grote regionale ‘Landesbanken’, als de veel kleinere lokale ‘Sparkassen’, de coöperatieve banken en de private banken op dezelfde manier aangepakt. Chakavarty et al. (2005) tonen aan dat de redenen voor slechtere prestaties van de private ‘Kreditbanken’ grotendeels niet te wijten zijn aan de goedkopere kosten om te lenen voor de publieke banken65. Uit hun analyses leiden ze af dat de lokale ‘Sparkassen’ en regionale ‘Landesbanken’ betere efficiëntiescores behalen dan de private banken. Wat

de

coöperatieve

banken

betreft,

scoren

de

lokale

coöperatieve

banken

(‘Kreditgenossenschafen’) beter dan de private banken, maar slechter dan de publieke banken, en scoren de grotere coöperatieve banken (‘Genossenschaftssektor Zentralinstitute’) het best (Chakravarty & Williams, 2005, p. 223).

Om de assumptie van de Europese Commissie te testen, worden in het model de kost om te lenen hypothetisch verhoogd, respectievelijk eens met 20 basispunten en eens met 100 basispunten, voor alle banken, behalve de ‘Kreditbanken’. Het verschil in de bekomen rangordes van de banken is statistisch insignificant met de oorspronkelijk bekomen rangordes. Als de kleine ‘Sparkassen’ dus een competitief voordeel hebben tegenover de ‘Kreditbanken’, dan is het in elk geval een ander voordeel dan hetgeen dat door de Europese Commissie als argument wordt gebruikt (Chackravarty et al., 2005, pp. 223-225). De assumptie van oneerlijke concurrentie door verschillende prijzen op de financiële groothandelmarkten tengevolge van publieke garanties wordt dus niet gestaafd door evidentie uit de Duitse bankensector.

65

Ze gaan na in welke mate de verschillende kosten voor de banken naast vraaggestuurd ook aanbodgestuurd zijn, namelijk mede bepaald door het verschil in informatiekosten voor verschillende types van leningen. Ze berekenen hiervoor de winstefficiëntie van de verschillende types banken en gaan dan na in welke mate deze zou wijzigen moest het verschil in credit rating tussen beide types banken vernauwen. Winstefficiëntie wordt gemeten als de relatieve afstand tussen de winst van een bank, ten opzichte van de winst die geboekt wordt door de best presterende bank onder dezelfde marktvoorwaarden (Chakavarty et al., 2005, pp. 220-221).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 2: De rol van de staat in de Europese banksector

63


HOOFDSTUK 3: DE OPENBARE BANK IN EUROPA EN DE FINANCIËLE CRISIS

OVERZICHT LITERATUUR

VERWACHTINGEN

Crisissen in de bankensector zijn wederkerend en ze komen terug met een alsmaar stijgende frequentie. Ze hebben bovendien een grote impact op de reële economie66 (Hellmann et al., 2000, p. 147). We beginnen dit hoofdstuk met enkele citaten van auteurs waarnaar we in de vorige hoofdstukken reeds enkele keren hebben verwezen. Uit deze citaten blijken de zeer uiteenlopende verwachtingen die er in de literatuur bestaan, met betrekking tot het weerstaan van een grote financiële schok door de verschillende modellen van banken die reeds aan bod zijn gekomen. Zo lezen we bijvoorbeeld bij Celetti et al. (2005):

“Part of the dramatic difference in profitability across countries is due to this crisis period, which may make the German banking system appear overly bleak. In fact, the German banking system proved to be surprisingly resilient to these shocks and the feared crisis never broke out. […] One may wonder whether the three-pillar structure may have contributed to the stability of the German banking system.” (Celetti et al., 2005, p. 47)

en

66

Zo schat de Wereldbank hun totale kosten in tot en met 40% van het BNP in bepaalde landen tijdens de jaren '80 en '90 (Hellmann et al., 2000, p. 147)

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

64


“The Italian banking system still has to prove its resistance to severe shocks, such as a crash in housing prices or a crisis in Eastern Europe, where Italian banks have important stakes.” (Celetti et al., 2005, p. 48)

De centrale these bestaat er hier dus uit dat een bankensysteem dat bestaat uit zowel publieke, private als coöperatieve banken (zoals bijvoorbeeld in Duitsland) beter tegen financiële schokken bestand zal zijn dan een systeem waarbij de deregulering en privatisering verder doorgevoerd is (zoals bijvoorbeeld in Italië).

De tegengestelde verwachting vinden we bij La Porta et al. (2002), die bij hun onderzoek naar de associatie tussen een sterkere controle van de overheid over de bankensector en het voorkomen van economische (inflatie en bankcrisissen) en politieke instabiliteit (politieke crisissen en coups) slechts een zeer zwakke relatie vinden (Porta et al., 2002, p. 280). Dinç (2005) verwijst naar Caprio et al. (2000) die aantonen dat overheidsbanken de kans op financiële crisissen verhogen (Dinç, 2005, p. 454).

Deze cijfers worden echter tegengesproken door Barth et al. (2004) die geen sterke positieve correlatie vinden tussen overheidscontrole van banken en de kans op een financiële crisis67. Hun analyses wijzen erop dat de overheidscontrole over banken via eigenaarschap gekaderd wordt binnen een breder beleid van regulering en supervisie van deze sector, waardoor het effect van enkel eigenaarschap wegvalt als we hiervoor controleren (Barth et al., 2004, 2004, p. 240). Ze besluiten dan ook dat de afname van regulering (zoals ruime depositogaranties en allerhande beperkingen op werking van de banken) en/of staatseigendom in de bankensector een positieve invloed zal hebben op het leengedrag en de stabiliteit van deze banken (Barth et al., 2004, pp. 244-245). Zo lezen we bijvoorbeeld ook bij Barth et al. (2000):

67

Zij wijten dit aan het feit dat Caprio et al. (2000) tengevolge van hun data-beperkingen niet kunnen controleren voor verschillende vormen van regulering en supervisie in de bankensector. Ze vinden bovendien geen evidentie voor de voorspelling dat een grotere rol van de overheid in de bankensector gecorreleerd zou zijn met lagere ontwikkeling van de bankensector, efficiëntie en stabiliteit wanneer ze controleren voor de regulerende en superviserende omgeving waarin deze banken opereren, maar wel als er hiervoor niet gecontroleerd wordt.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

65


“Countries with greater regulatory restrictions on the securities activities of commercial banks have a substantially higher probability of suffering a major banking crisis.” (Barth et al., 2004, p. 9)

Volgens Barth et al. (2004) komen grote bankencrisissen wereldwijd meer voor in landen met meer genereuze verzekeringen van deposito's

68

en extensieve overheidseigenaarschap van de

bankensector69 (Barth et al., 2004, p. 231). Barth et al. (2000) zien een negatieve correlatie tussen het percentage aandelen van banken die door de staat gecontroleerd worden in een bepaald land en de ontwikkeling van de financiële markten in dat land (Barth, Caprio et Levine, 2000, p. 30). Volgens Andrianova et al. (2008) is het percentage van de activa in de banksector die gecontroleerd worden door de overheid positief gecorreleerd met het voorkomen van crisissen in de bankensector doorheen de jaren '90 (Andrianova et al., 2008, p. 239). Barth et al. (2000) merken voorts ook op dat staatsbanken vaak “gered” kunnen worden door allerhande interventies van de staat, waardoor hun data de situatie rooskleuriger kan voorstellen dan in de praktijk het geval is (Barth et al., 2000, p. 23)70.

Cornett et al. (2010) leiden uit een analyse van de resultaten van zowel publieke als private banken voor, tijdens en na de Aziatische financiële crisis, af dat de verslechtering van het rendement op de “cash flow”, het aangehouden kernkapitaal en de kredietkwaliteit van publieke banken veel dramatischer was dan die van private banken. Hiermee vinden zij positieve evidentie voor het “lifecycle model” van Kane (2000), die stelt dat de eerder ongeboekte financiële verliezen van deze publieke banken nu pas kwamen bovendrijven, wat tot veel slechtere resultaten geleid heeft71 (Cornett et al., 2010, pp. 76-77).

68

Gemeten aan de hand van de “moral hazard index”.

69

Dergelijke expliciete verzekering van deposito's zijn naast in enkele ontwikkelde financiële markten (zoals Nieuw Zeeland, Australië en Singapore) vooral afwezig in onderontwikkelde financiële markten (zoals Rwanda, Rusland, Gambia, Ghana, Burundi en Moldavië). Waar dergelijke systemen wel bestaan in zo’n markten, zijn ze bovendien veelal allesbehalve ideaal (Andrianova et al., 2008, p. 220).

70

Hun analyses suggereren tevens dat sterkere regulering van de mogelijkheden voor commerciële banken om aan verzekeringsactiviteiten te doen en om niet-financiële instellingen te controleren, de kans op een grote financiële crisis in een land verhoogt (Barth et al, 2000, pp. 23-24). 71

Volgens Kane (2000) zullen politici die banken controleren vooral de neiging hebben om hun eerdere opbrengsten te behouden, door goedkope leningen te voorzien aan politiek belangrijke partijen en sectoren. Deze gesubsidieerde leningen creëren echter niet-ingeschreven verliezen voor deze banken, die deze banken zullen proberen achter te houden. In tijden

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

66


Uit literatuur blijkt echter ook dat private banken de neiging hebben om meer risicovol te zijn dan coöperatieve banken en overheidsbanken. Hierbij moet wel de nuance gemaakt worden dat ze vooral een groter risico hebben op hun activa maar daarom nog geen groter risico op falen hebben. De kwaliteit van de activa en de leningen is dan weer doorgaans lager en het insolvabiliteitrisico hoger bij overheidsbanken. Deze conclusies zijn dan wel weer consistent met het bestaan van impliciete en/of expliciete garanties van overheden voor deze banken, die deze banken minder kwetsbaar maken voor de kosten die gepaard gaan met de lagere kwaliteit van hun leningen en hun activa (Iannotta et al., 2007, pp. 2144-2145). Iannotta et al. (2007) besluiten dan ook dat, indien overheden gelijke standaarden willen voor alle banken, de kwaliteit van de activa van de banken willen bewaken, de efficiëntie in de bankensector willen verbeteren en de marktdiscipline willen opvoeren, dan:

“They should eliminate any form of explicit guarantee protecting public banks, clearly inform capital market investors that no too-big-to-fail or other form of bailout policy will ever be applied in the future for these types of banks” (Iannotta et al., 2007, p. 2147)

Een mogelijke conclusie die we hieruit zouden kunnen trekken bestaat erin dat het niet zozeer het eigenaarschap, maar wel de institutionele omgeving is die een determinant vormt voor crisissen in de bancaire sector. Ook volgens Andrews (2005) is er tot dusver niet veel evidentie te vinden voor de stelling dat publieke banken en crisissen een causale oorzaakgevolg relatie zouden vormen. Dit wordt gestaafd met het cijfermateriaal van Barth et al. (2000), La Porta et al. (2002) en Caprio et al. (2000), waarnaar we hiervoor reeds verwezen hebben. Anderzijds is er volgens hem wel een duidelijke link tussen staatseigenaarschap van banken en een zwakke institutionele omgeving voor de bankensector, wat op zijn beurt wel rechtstreeks (in zeer sterke mate) bijdraagt tot financiële instabiliteit (Andrews, 2005, pp. 8-10). Deze conclusie wordt echter betwist door verschillende auteurs die we hiervoor reeds hebben aangehaald. Hierbij moeten we wel opnieuw de opmerking maken dat het gevaarlijk is om veralgemeningen te maken voor de Europese bancaire sector, vanuit cijfergegevens die betrekking hebben op banken wereldwijd. van financiële crisis zal dit niet meer mogelijk zijn en zullen de banken veer grotere verliezen lijden dan hun private tegenhangers. Dit probleem kan niet opgelost worden zolang deze banken zich kunnen verschuilen achter staatsgaranties en niet gedwongen worden om hun volledige portefeuille aan slechte kredieten op te kuisen (Cornett et al., 2010, p. 76).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

67


Om de controverse over de rol die verschillende types van openbare, coöperatieve en private banken spelen tijdens financiële crisissen te beslechten, is er nood aan meer empirisch onderzoek. De noodzaak hiertoe blijkt ook duidelijk uit het feit dat bij gebrek aan empirisch bewijs verschillende landen op basis van anekdotische voorbeelden ondertussen al wel begonnen zijn met een tendens tot privatisering van de bankensector om toekomstige crisissen te vermijden (Andrews, 2005, p. 10). In het kader van deze masterproef willen we ons in de eerste plaats richten op de gevolgen van de financiële crisis die tussen 2007 en 2009 een wereldwijde schokgolf door de financiële sector liet gaan. Om het met de woorden van Hau e Thum (2009) te zeggen:

“The most recent banking crisis provided a controlled experiment which allows a mare systematic performance comparison of state-owned and privately-owned banks.” (Hau & Thum, 2009, p. 710)

RESULTATEN

Om meer inzicht te krijgen in de rol van een openbare bank in het financiële systeem, willen we nagaan hoe de verschillende types van “openbare banken” gepresteerd hebben tijdens de recente financiële crisis die in september 2007 is losgebarsten. We beginnen hierbij met het overlopen van het beperkte aanbod aan wetenschappelijke literatuur dat er hieromtrent reeds is verschenen.

Zo is er de paper “Die Krise but not La Crise? The Financial Crisis and the Transformation of German and french Banking Systems.” van Hardie et Howarth (2009) die het verschil van de impact van de financiële crisis op Franse en Duitse banken bekijken72. Volgens deze auteurs bedroegen de totale afschrijvingen van verliezen die gerelateerd zijn aan de financiële crisis in Augustus 2008 reeds 23,3 miljard dollar voor de grote Franse banken en 55,9 miljard dollar voor de grote Duitse banken (Hardie & Howarth, 2009, p. 1017). In beide landen waren het banken die tot voor kort bekend stonden voor 72

Zij baseren zich hierbij in de eerste plaats op de jaarverslagen van 19 verschillende grote Franse en Duitse banken en op cijfers uit een rapport van het financiële nieuwsmedium ‘Bloomberg’ (Hardie & Howarth, 2009, p. 1029).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

68


hun sterke gerichtheid op binnenlandse en commerciële leenactiviteiten (de Duitse Landesbanken (LB’s) en de Franse coöperatieve banken) die de grootste verliezen geboekt hebben (Hardie et Howarth, 2009, pp. 1017-1018).

Ook Hau en Thum (2009) gingen in hun paper “Subprime Crisis and Board (In-) Competence: Private vs. Public Banks in Germany”de verliezen van publieke en private banken al na73. Een vergelijking van alle grootste 29 banken in Duitsland toont dat (gecontroleerd voor de grootte van de bank) de afschrijvingen en verliezen van de Duitse publieke banken gemiddeld drie keer groter waren dan hun private tegenhangers (Hau et Thum, 2009, p. 705). Hau et Thum (2009) geven mee dat, hoewel de Landesbanken slechts 21% van alle activa bezitten in de Duitse financiële sector, ze wel verantwoordelijk waren voor 43% van alle afschrijvingen in de hele sector. Alle publieke banken samen staan voor 42% van de markt en zijn samen verantwoordelijk voor 64% van alle afschrijvingen (Hau et Thum, 2009, p. 710). Belangrijk om hierbij op te merken is wel dat ze in hun verdere analyses geen rekening houden met de publieke spaarbanken:

“The savings banks [...] typically do not engage in any international banking activities. For this reason, we ignore these public sector institutions in our analysis.” (Hau et Thum, 2009, p. 707)

MOGELIJKE VERKLARINGEN

Volgens Hau et Thum (2009) zijn er twee mogelijke verklaringen voor een slechtere leenpolitiek bij publieke banken. Enerzijds is er het effect van politiek gedreven leningen, zoals beschreven door Sapienza (2004) voor de Italiaanse bankenmarkt. Anderzijds, en belangrijker, zouden overheidsbanken geneigd kunnen zijn om minder grote risico's te nemen omdat hun werknemers 73

Zij baseren zich op gegevens van de Duitse Raad van Economische Experts [Sachverständigenrat (2008)], die ze aanvullen met gegevens uit persberichten, diverse nieuwsbronnen en publicaties (waaronder gecontroleerde jaarverslagen, voor zover beschikbaar) van 29 verschillende grote Duitse banken die betrokken worden in hun onderzoek (Hau & Thum, 2009, pp. 709-710). Vier Duitse banken die (gedeeltelijk) in staatshanden waren moesten gered worden op kosten van de belastingsbetaler: WestLB, IKB, Deutsche Industriebank, Sachsen LB en Bayern LB (Münchau, 27/08/2007; Hau & Thum, 2009, p. 703).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

69


deel van hun kiespubliek zijn, die ze zouden kunnen verliezen bij slechte resultaten. Beide effecten zouden echter moeten leiden tot lagere sub-prime investeringen, wat duidelijk niet het geval was (Hau et Thum, 2009, p. 710)74. Eerder dan een indicatie voor politieke motieven, is er hier dus sprake van een indicatie voor niet-politieke motieven in de beleidsbeslissingen van de Landesbanken, zoals we die reeds hebben beschreven.

Het cruciale punt hierbij lijkt ons echter wel het buiten beschouwing houden van de Duitse Sparkassen die veel zeer weinig blootstelling kenden aan risicokredieten en waarbij de politieke risicoaversieve effecten veel sterker zouden moeten gespeeld hebben omdat zij zich (omwille van hun lokale gerichtheid) veel dichter bij hun “kiespubliek” bevinden. Deze kritiek wordt ook geformuleerd door Silvana Tenreyro van de London School of Economics in zijn reactie op deze paper (Hau & Thum, 2009, pp. 744-745). Hij voegt er tevens aan toe dat het moeilijk is om de Landesbanken te vergelijken met private banken, omwille van hun verschillende missies en doelstellingen. Ter illustratie citeert hij uit de doelstellingen van respectievelijk de publieke ‘Bayerische Landesbank’ en de private ‘Deutsche Bank’:

“The mission of Bayerische Landesbank is improving the welfare of society at large. The Group is committed to furthering public causes in various ways - from promoting the economy through donations to charitable organizations, to actively protecting the environment, and to fostering the arts, culture and sciences. Corporate responsibility is an integral part of their objectives.” (Bayerische Landesbank, geciteerd in Hau & Thum, 2009, p. 745)75

74

Één van de effecten die volgens Hau et Thum (2009) ook een rol spelen is de lagere competentie van de leden van de

bestuursorganen (die een sterk effect zouden hebben) en de lagere salarissen en dus lagere incentives (die een zeer zwak effect zouden hebben) bij de staatsbanken. Anderzijds geven ze ook aan dat de rol van de bestuursorganen in de Verenigde Staten ook niet bepaald zeer proactief is, gezien de traditioneel sterke positie van de CEO in de Amerikaanse bankensector. Desalniettemin is de conclusie voor de Europese continentale bankensector dat staatseigenaarschap leidt tot zwakkere controle van bankmanagers, mogelijk hogere blootstelling aan risico's en grotere financiële verliezen bij financiële crisissen (Hau et Thum, 2009, pp. 741-742). 75

Deze missie is ook online terug te vinden op: http://finance.mapsofworld.com/company/b/bayerische-landesbank.html, geconsulteerd op 17 mei 2010.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

70


en

“Deutsche Bank's mission: We compete to be the leading global provider of financial solutions for demanding clients creating exceptional value for our shareholders and people. Identity: We are a leading global investment bank with a strong and profitable private clients franchise. Our businesses are mutually reinforcing. A leader in Germany and Europe, we are powerful and growing in North America, Asia and key emerging markets.” (Deutsche Bank, geciteerd in Hau et Thum, 2009, p. 745)76

Hij concludeert dat de zwakkere prestaties van publieke banken in Duitsland misschien te wijten is aan hun bredere mandaat (meer sociale projecten die resulteren in een lagere winst) (Hau et Thum, 2009, p. 745). Dergelijke doelstellingen zijn trouwens niet exclusief terug te vinden bij publieke banken77. Uit wat we hiervoor gezien hebben, blijkt de impact van deze missie en doelstellingen wat de Landesbanken betreft in de praktijk echter zeer beperkt en spelen deze banken in de feiten op dezelfde markten en met dezelfde doelstellingen als hun private tegenhangers. Deze argumentatie gaat dus eerder op voor de Sparkassen van voor de Landesbanken.

Een alternatieve verklaring zou erin kunnen bestaan dat er sprake was van een “moral hazard” probleem, in de zin dat de managers van publieke banken ervan overtuigd zouden kunnen geweest zijn dat de overheid toch zou tussenkomen in het geval van ineenstortende kapitaalsmarkten, wat op zijn beurt meer risicovolle investeringen zou “rechtvaardigen” en/of stimuleren (Hau and Thun, 2009, p. 750; Münchau, 27/08/2007). Volgens Münchau zijn de Landesbanken immers nog steeds impliciet gewaarborgd door de publieke overheden (Münchau, 27/08/2007). Zoals we in een vorig hoofdstuk ook al hebben beargumenteerd, gelden deze impliciete garanties in de praktijk zowel voor de publieke banken als voor de private banken, die beiden op een “vangnet” van de staat kunnen rekenen omwille van hun “too-big-to-fail” karakter. 76

Deze missie is ook online terug te vinden op: http://www.db.com/en/content/company/mission_and_brand.htm, geconsulteerd op 17 mei 2010.

77

Zo kunnen we bijvoorbeeld verwijzen naar het Spaanse ‘Banco de Santander’, die als deel van hun “Social Responsibility”beleid ernaar streeft om welvaart, economische en sociale ontwikkeling (met inbegrip van het doen afnamen van armoede en sociale ongelijkheid) en jobs te creëren waar ze actief zijn. Deze bank deed het overigens opmerkelijk goed tijdens de financiële crisis van 2007-2009 en werd door het invloedrijke maandblad Euromoney (2008) uitgeroepen tot “Bank van het jaar 2008” (Euromoney, geciteerd in Xifra & Ordeix, 2009, pp. 353-354).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

71


Volgens Andrianova et al. (2009) bestond de algemene gedachtegang bij economen voor de crisis erin dat ontwikkelde financiële systemen, zoals in de Verenigde Staten en/of in het Verenigd Koninkrijk, het marktfalen in de bankensector (tengevolge van “moral hazard” en “asymmetrische informatie”) afdoende hadden opgelost met behulp van verzekeringen voor deposito’s, regulering van de financiële sector en de rol van de staat als “lender of last resort”. Na de crisis was er volgens hen echter een kentering merkbaar, wanneer bleek dat deze regulering niet volstond om de buitengewone risico’s van dergelijke banken in toom te houden . Uiteindelijk is gebleken dat het “hightech” bankieren, waarin de private banken traditioneel beter scoren, ook veel grotere blootstelling aan risico’s en toegenomen “asymmetrische informatie” met zich meebrengt. Hieruit leiden zij af dat publieke banken het er beter vanaf zullen brengen, omwille van hun structuren die risicogedrag minder aanmoedigen, meer “traditionele” focus van hun activiteiten en de grotere gevolgen bij wangedrag van het management (Andrianova et al., 2009, pp. 11-13).

STAATSINTERVENTIE 78

INLEIDING

De impact van de financiële crisis op de begrotingen van de staten zijn velerlei. Enerzijds moeten de staten massaal tussenbeiden komen om banken te redden, wat een forse impact heeft op de begroting. Anderzijds bestaat er ook een indirecte weerslag van de financiële crisis op de overheidsbegroting79 (Buffel, 2009, p. 45). Die indirecte effecten, met name op de conjunctuur en het rentepeil, zijn evenwel moeilijk te becijferen en vallen grotendeels buiten het kader van deze studie. Hier wordt er dan ook enkel verder ingegaan op de directe gevolgen van de financiële crisis: de staatsuitgaven die gekoppeld zijn aan het redden van de banken. 78

Een gedetailleerd overzicht van de maatregelen tot staatsinterventie wordt gegeven in de bijlage, pp. 133-135.

79

Zo is er bijvoorbeeld een indirecte weerslag van de financiële crisis op de reële economie door het strakkere en voorzichtigere kredietbeleid bij en het toegenomen voorzorgsparen van de bevolking uit vrees voor jobverlies, twee factoren die de binnenlandse vraag afremmen. Die tweederonde-effecten vloeien ook voort uit de wijzigingen (in het geval van de huidige financiële crisis een verlaging) van de activaprijzen (Buffel, 2009, p. 45).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

72


Als reactie op de bijzonder diepe financiële crisis die in 2007 losbrak, werden er in heel Europa diepgaande noodmaatregelen getroffen om het financiële systeem overeind te houden. Deze maatregelen worden in detail beschreven door een “Legal Working Paper” van de Europese Centrale Bank (ECB): ‘National Rescue Measures in response to the Current Financial Crisis’ (Petrovic & Tutsch, 2009). De maatregelen die genomen werden door de staten varieerden sterk, gaande van het voorzien van staatsgaranties tot het nationaliseren van banken. Naar schatting zouden de Europese overheden in het totaal meer dan 3 triljard euro toegekend hebben om de financiële instellingen uit de nood te helpen (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 6-7). Volgens recentere cijfers van de Europese Commissie zou het totale bedrag aan maatregelen zelfs oplopen tot 3.181 miljard euro (of 25% van het BBP van de EU-27) aan door de EC goedgekeurde maatregelen80, vermeerderd met nog eens 950,1 miljard euro (of 7.6% van het BBP van de EU-27) aan ad-hoc maatregelen ten faveure van individuele financiële instellingen (Europese Commissie, 2010, p. 6).

Om de totale impact van deze maatregelen op de begroting te kennen, moeten we echter met verschillende factoren rekening houden. Zo is er ten eerste sprake van een sterk uiteenlopende benuttinggraad van deze maatregelen tussen de verschillende lidstaten81 (Europese Commissie, 2010, p. 7). Daarnaast moeten we er volgens Buffel (2009) ook rekening mee houden dat de overheden in ruil voor hun steunoperaties vaak financiële activa en/of rechten op interesten verwierven. Voor zover deze deelnemingen tegen marktvoorwaarden of “de juiste prijs” gebeuren, mogen ze volgens hem beschouwd worden als zuiver financiële verrichtingen zonder weerslag op het vorderingensaldo:

“Tegenover de bijkomende schuld staan dus nieuwe financiële activa zodat er in feite geen verslechtering is van de netto schuld of het netto vermogen van de overheid.” (Buffel, 2009, p. 45)

80

Hoewel de Europese Commissie het expliciete mandaat heeft om de mededinging te bewaken, zal zij, ironisch genoeg, op de vingers getikt worden door verschillende overheden, waaronder Frankrijk, Duitsland en Zweden, omdat ze teveel “stokken in de wielen” zou steken bij het herlanceren van de bankenmarkt (Van Hees, 2010, p. 189).

81

Vooral dan bij de staatswaarborgen, zie volgende pagina.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

73


STAATSWAARBORGEN

Een eerste vorm van staatsinterventie bestaat uit het voorzien van staatswaarborgen. Deze waarborgen zijn er vooral op gericht om de stroom van liquiditeiten in het financiële systeem op peil te houden en om de garanties op deposito’s te verhogen om “bank runs” te voorkomen, waarbij het publiek massaal zijn geld uit een bank zou wegtrekken en de bank bijgevolg failliet zou gaan (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 6). Volgens de Europese Commissie hebben deze maatregelen een belangrijke rol gespeeld bij het voorkomen van de ineenstorting van het financiële stelsel, hoewel ze volgens hen maar van tijdelijke aard mogen zijn (Europese Commissie, 2010, p. 7). Bovendien moeten er volgens Buffel (2009) voor deze waarborgen aan de staat een “marktconforme” vergoeding82 (risicopremie) betaald worden, om de concurrentieverhoudingen niet te verstoren (Buffel, 2009, p. 54). Dergelijke maatregelen werden ingevoerd door 22 van de 27 Europese lidstaten (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101).

Het totale volume aan garanties tussen het najaar 2008 en maart 2010 liep op tot 2.747 miljard euro. Ondertussen hebben verschillende lidstaten (waaronder Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk) er reeds voor gekozen om hun regelingen niet te verlengen en is de mate waarin overheden beroep doen op dergelijke garanties sinds de zomer van 2009 sterk afgenomen. De benuttinggraad van deze garanties verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat, gaande van 7 % in Griekenland tot 73% in Cyprus (Europese Commissie, 2010, p. 7). Tegen 31 maart 2010 had de EC bovendien 402,8 miljard euro aan ad-hoc garanties voor individuele instellingen goedgekeurd. Van dit bedrag neemt België 240,8 miljard euro voor zijn rekening, daar dit land ervoor koos om geen regeling uit te werken, maar maatregelen te nemen op basis van individuele besluiten (Europese Commissie, 2010, p. 7). Uit het overzicht van de Europese Centrale Bank blijkt dat het zowel private als publieke banken zijn die bij de staat zijn gaan aankloppen voor dergelijke individuele garanties (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 3637)83.

82

Deze vergoedingen worden bij de staat geboekt als ontvangsten uit verkoop van diensten of als productietaksen (bij nietvrijwillige waarborgregelingen) (Buffel, 2009, p. 54).

83

Zie ook, bijlage pp. 133-135.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

74


HERKAPITALISATIE

Ten tweede werden er tal van maatregelen ter herkapitalisatie van bepaalde instellingen ingevoerd, om de kapitaalbasis van relatief goed werkende banken te verstevigen (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 6). Omwille van het risico dat banken tengevolge van de financiĂŤle crisis hun hefbomen zeer sterk zouden gaan afbouwen, kwam volgens de Europese Commissie (2010) hun rol als kredietverschaffer in de economie in het gedrang. Herkapitalisatie werd bijgevolg een belangrijk instrument voor de lidstaten om de markten te stabiliseren (Europese Commissie, 2010, p. 4). Dergelijke maatregelen werden doorgevoerd in 19 van de 27 Europese lidstaten (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101)84.

Het totale aantal goedgekeurde herkapitalisatiemaatregelen tussen het najaar van 2008 en maart 2010 bedroeg 338,2 miljard euro, waarvan er 92,3 miljard euro effectief gebruik werd. Ondertussen liep het volume goedgekeurde ad-hocmaatregelen op tot 164,9 miljard euro, waarvan er 149,2 miljard euro effectief gebruikt werd. Volgens de Europese Commissie (2010) is de hogere benuttinggraad bij ad-hocmaatregelen vooral te wijten aan het feit dat deze maatregelen bij hoogdringendheid en op maat werden uitgewerkt. Ondertussen zijn de meeste van deze maatregelen al stopgezet (Europese Commissie, 2010, pp. 9-10).

NATIONALISATIES

Ten slotte werden er ook een aantal banken genationaliseerd met het oog op herstructurering en een latere herintrede in de markt (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 6-7). In het totaal hebben er 9 van de 27 lidstaten hier raamwerken voor opgezet (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101)85, hoewel het totale aantal nationalisaties tot dusver beperkt blijkt te zijn. Desondanks duikt er, zelfs in landen waar staatseigenaarschap van banken tot dusver geen belangrijke rol heeft gespeeld, zoals in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, nu een bankensector op die gedeeltelijk in staatshanden is (Andrianova et al., 2009, p. 1; Hau & Thum, 2009, p. 704). 84

Zie ook, bijlage pp. 133-135.

85

Zie ook, bijlage pp. 133-135.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiĂŤle crisis

75


Desondanks is de invloed van de regeringen in het beleid van haar “genationaliseerde” banken minimaal gebleken (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1032-1034). Volgens de Europese Commissie moet het steeds de eerste prioriteit zijn om deze banken terug rendabel te kunnen laten opereren zonder staatssteun (Europese Commissie, 2010, pp. 10-12). Het lijkt er dus op dat zowel de Duitse als de Franse overheid de crisis vooral gebruikt hebben om de eigen bankensector te consolideren en te verstevigen86. De staat komt naar voren als grote aandeelhouder maar zonder een reële invloed op het bestuur en de operationele beslissingen van de banken (Hardie & Howarth, 2009, pp. 10331035).

ANDERE MAATREGELEN

Daarnaast werden er ook leningen voorzien om het functioneren en de stabiliteit van het financiële systeem te verstevigen en om de financiering van het bredere economisch systeem niet in het gedrang te laten komen (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 6). Dergelijke maatregelen werden doorgevoerd in 14 van de 27 Europese lidstaten (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101).

Verder werden er ook tal van initiatieven genomen om financiële instellingen van hun “toxische” activa af te helpen (zoals bijvoorbeeld het oprichten van “bad banks”)(Petrovic & Tutsch, 2009, p. 6). Deze maatregelen werden meestal gekaderd binnen een programma van sanering van de balansen en herstructurering van de banken om de onderliggende problemen van de financiële crisis aan te pakken (Europese Commissie, 2010, p. 5). Dergelijke maatregelen werden doorgevoerd in 10 van de 27 Europese lidstaten (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101). Het nominale bedrag van al deze maatregelen voor “aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa” bedraagt 376 miljard euro (of 3% van het BBP van de EU-27 lidstaten), waarvan een Ierse regeling en een grootschalig initiatief van het Verenigd Koninkrijk samen 80% van uitmaken (Europese Commissie, 2010, p. 10).

86

Zoals bij de assistentie van de Franse overheid in de overname van het Belgische Fortis door BNP Paribas, waardoor deze laatste de grootste bank in de EU geworden is, en de fusie van Caisse d'Epargne en Banque populaire, die door de Franse regering geleid werd (Hardie & Howarth, 2009, p. 1033).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

76


ENKELE BANKEN VAN NABIJ BEKEKEN

LANDESBANK NORDRHEIN-WESTFALEN (WEST LB)

We beginnen met de, omwille van haar enorme blootstelling aan buitenlandse investeringen (Hardie et Howarth, 2009, pp. 1026), hiervoor reeds veelvuldig besproken West LB. Nadat West LB nog in 2003 bijna 4 miljard euro in rook had zien opgaan na riskante beleggingen (Hau et Thun, 2009, p. 705), waarna ze in haar jaarverslag van 2003 liet optekenen dat “grote volumes aan riskante investeringen waarbij significante blootstelling aan leningen komen kijken, behoren vanaf nu niet meer tot onze activiteiten” (Hardie et Howarth, 2009, p. 1036), kondigde het tijdens de financiële crisis van 2007 aanvankelijk enkel beperkte afschrijvingen aan. Enkele maanden later kondigde West LB een bruto verlies van 38 miljoen euro aan voor de eerste helft van het jaar 2007 (Euroweek, 31/08/2007)87. In november 2007 kon de bank echter geen korte termijn financiering meer krijgen voor haar investeringen in vastgoed en moesten de eigenaars akkoord gaan met een kapitaalsinjectie van 2 miljard euro (Hau et Thun, 2009, p. 709).

Enkele weken nadien bleken de kapitaalsvereisten veel groter, zodat West LB moest intekenen op de ‘Phoenix’ transactie, waarbij de eigenaars van West LB akkoord gingen met een garantie van 5 miljard voor een portefeuille van 23 miljard aan gestructureerde kredieten die in de lente van 2008 van de balans van West LB werden overgeschreven naar een “special purpose vehicle”(SVP) (Euroweek, 27/03/2009 & 15/05/2009; Hau et Thun, 2009, p. 709). West LB sloot 2008 af met een nettowinst van 18 miljard euro en kondigde plannen aan om delen van de bank te verkopen en mogelijke fusies te onderzoeken (Euroweek, 27/03/2009). Eind 2008 werd er vanuit West LB dan ook gematigd positief gereageerd op de plannen van de federale overheid om kapitaal te voorzien in ruil voor consolidatie van de bankensector en/of gedeeltelijke privatiseringen (Euroweek, 24/10/2008)88.

87

Dit verlies staat tegenover een winst van 239 miljoen euro in dezelfde periode het jaar ervoor. Uit de jaarverslagen van deze bank blijkt verder dat de verliezen van het jaar 2007 vooral te wijten zijn aan een sterk negatief resultaat (-1,6 miljard euro) uit de gedreven handel in activa in een neergaande markt (West LB, 2007).

88

De netto inkomsten uit rente stegen tijdens deze periode met 10% tot 1,22 miljard euro. Investeringen, daarentegen, daalden van 291 miljoen tot -19 miljoen euro (2009e). Haar kernkapitaal ratio steeg tengevolge van de kapitaalinjecties tijdens deze periode van 5,6% tot 6,4% (2009e).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

77


Tengevolge van een akkoord met de Europese Commissie, dat in mei 2009 bereikt werd en waarbij de ‘Phoenix’ transactie eindelijk werd goedgekeurd, moest West LB haar basis aan activa halveren en zijn eigenaarschap herstructureren, in ruil voor de ontvangen staatssteun. Tegen eind 2011 zou de verkoop via openbare aanbestedingen afgerond moeten zijn (Economist, 26/11/2009; Euroweek, 15/05/2009). Tengevolge van deze veranderingen, zal West LB haar operaties heroriënteren naar leningen aan KMO’s, partnerschappen met lokale spaarbanken, bankieren voor bedrijven en beheren van gestructureerde kredieten (Euroweek, 15/05/2009). Volgens het ratingagentschap ‘Fitch’ zouden deze veranderingen een impact kunnen hebben op de rating van de bank (Euroweek, 15/05/2009)89.

Uiteindelijk wist West LB in juni 2009 te vertellen dat het 80 miljard euro aan “toxische activa” van haar balans wou verwijderen (Hardie et Howarth, 2009, p. 1036). Vervolgens gingen de eigenaars van West LB akkoord met een bijkomende 4 miljard aan garanties om de herorganisatie van de bank te ondersteunen, bovenop de 5 miljard aan garanties die reeds eerder werden toegezegd door de lokale spaarbanken en de deelstaat ‘Nordrhein Westfalen’ (Euroweek, 12/06/2009). In november 2009 moest West LB opnieuw (en voor een vierder keer) aankloppen bij de lokale spaarbanken, de regionale overheid en de federale overheid om van haar verliezen op 85 miljard aan toxische activa af te geraken. Uiteindelijk zal West LB 3 miljard euro injecteren in een bad bank, die toxische activa zal overnemen die overeenkomen met ongeveer één derde vaan haar totale balans (Economist, 26/11/2009). De Duitse federale investeringsmaatschappij ‘SoFFin’ ging akkoord om 3 miljard vers kapitaal te injecteren in wat er nog overblijft van West LB, wat overeen kwam met een aandeel van 49% in de bank (Economist, 26/11/2009).

Het valt te verwachten dat de overeenkomst met de Europese Commissie, waarbij West LB de helft van haar balans moest afstaan, nog verscherpt zal worden tengevolge van deze nieuwe maatregelen (Economist, 26/11/2009). Tussen 31 december 2008 en 31 december 2009 zag West LB haar totale activa afnemen van 288,1 tot 242,3 miljard euro (West LB, 2009)90.

89

Begin mei werd de rating van West LB, samen met 4 andere Landesbanken, door Standard and Poor’s ook effectief verlaagd, tot grote onvrede van het management van West LB (2009h; 2009g).

90

Het verlies in het jaar 2009 wordt volgens de bank vooral toegeschreven aan bijzondere kosten voor kredietverliezen (West LB, 2009). Desondanks bleven de kernkapitaal (tier 1) ratio en de totale (tier 1 + 2) ratio tegenover de risico-gewogen

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

78


LANDESBANK BADEN-WÜRTTEMBERG (LBBW)

Waar West LB in 2007 een blootstelling kende van meer dan 70% aan buitenlandse investeringen, varieerden de andere LB’s tussen de 15% (Nord LB) en 41,2% (LB Berlin) aan buitenlandse blootstelling. Deze banken kenden gezamenlijk wel een toename van om en bij de 10% tussen 2003 en 2007, wat erop zou kunnen wijzen dat zij het afgelopen decennium sterk ingezet hebben op activa die we nu als “toxische activa” zouden beschrijven (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1026-1027).

De grootste Ländesbank van allemaal, de ‘Landesbank Baden-Württemberg’ (LBBW), kon bij het begin van de financiële crisis in 2007 nog behoorlijke resultaten neerzetten. Op een eigen vermogen van 21,6 miljard euro realiseerde zij een bescheiden winst van 311 miljoen euro (LBBW, 2007). In augustus 2007 maakte LBBW zich nog op voor een overname van Sachsen LB (waarbij overigens ook West LB in het vizier werd genomen). De totale activa van LBBW waren de laatste maanden toegenomen met 30 miljard euro tot een totaal van 458 miljard euro91. Het management verklaarde voorts dat de gestructureerde kredieten met banden met de subprime crisis in de VS slechts “een minimaal deel van het zakenvolume” uitmaakten (Euroweek, 31/08/2007).

Met betrekking tot de overname van Sachen LB, waarover nog veel onduidelijkheid bestond, werd er door LBBW eerst een “reddingspakket” van 250 miljoen euro voorzien (Euroweek, 31/08/2007). En, om het met de woorden van Tom Jenkins, analist bij de ‘Royal Bank of Scotland’, te zeggen:

“If you look at the low price likely to be paid and the cash injection, I’d call it a bail-out rather than a takeover. It just so happens that the bail-out is happening in the form of a takeover.” (Tom Jenkins, geciteerd in Euroweek, 31/08/2007)

activa nagenoeg constant. Dit heeft vooral te maken met het forse verliezen, waardoor het eigen vermogen afnam van 4,5 miljard euro in 2007 tot 3.7 miljard euro in 2009 (West LB, 2009). 91

LBBW liet een stijging van 21,9% optekenen in haar nettowinst en een lichte stijging van de ROE van 15,0 tot 15,1%. De kost-inkomens ratio steeg over 12 maanden van 46,4% tot 45,1%.

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

79


De uiteindelijke overname zou plaatsvinden op 1 januari 2008 voor een prijs van 328 miljoen euro voor de zwaar getroffen bank (Euroweek, 14/12/2007). Bij de overeenkomst werd een omvangrijke waarborg ingebouwd. Van de 28 miljard aan gestructureerde kredieten die Sachsen LB in haar portefeuille hield, werden er 17,5 miljard naar een SVP overgebracht dat niet onder de overname LBBW zou vallen (Euroweek, 14/12/2007). In 2008 en 2009 moest deze groep echter respectievelijk verliezen van 2,1 en 1,5 miljard euro optekenen. Tussen 2007 en 2009 zag deze bank haar totale activa tengevolge van de kredietcrisis afnemen met 8% van 443,4 tot 411,7 miljard euro (LBBW, 2009)92. Desondanks alles heeft deze bank dus tamelijk behoorlijke resultaten kunnen neerzetten tijdens de financiële en economische crisis, alsook haar marktpositie kunnen verstevigen.

WestLB 2007

LBBW 2008

Prestaties (in miljoenen euro) Netto 1109 1216 inkomsten uit rente Provisies voor -238 -479 de kredietcrisis Winst/verlies -1597 18 (na belastingen) Balans (in miljarden) Totale activa 287 288 Eigen vermogen 4,5 3,8 Kernkapitaal 5,5 5,7 Eigen fondsen 8,9 8,9 Risico- gewogen 104,3 88,5 activa Ratio’s (in percentages) Kernkapitaal 5,6 6,4 Algemene ratio 8,6 10,1 Hefboom 63:1 75:1

2009

2007

BayernLB 2008

2009

2007

2008

2009

1868

2145

2294

2778

2189

2670

2561

-796

-186

-883

-1527

-115

-1656

-3277

-531

326

-2112

-1482

259

-5017

-2404

242 3,7 5,3 7,6 83

443 21,6 12,4 18,6 191,4

448 18,2 12,2 18,0 177,5

412 21,2 15,1 20,4 153,9

416 11,3 12,1 21,7 188,9

422 11,1 18,1 26,4 197,7

339 14,1 14,8 21,4 135,8

6,4 6,5 6,9 9,8 6,4 9,2 10,9 9,1 9,7 10,1 13,3 11,5 13,5 15,7 65:1 21:1 25:1 21:1 36:1 37:1 24:1 Bron: Jaarverslagen West LB, LBBW en Bayern LB (2007-2009)

92

Uit de jaarrekening blijkt dat, analoog aan de ontwikkeling bij West LB, de verliezen van LBBW uit 2008 vooral te wijten waren aan een sterk negatief (-2,1 miljard euro) uit de gedreven handel in financiële producten en dat de verliezen uit 2007 vooral een gevolg waren van bijzondere kosten voor kredietverliezen (1,5 miljard euro) (LBBW, 2009).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

80


BAYERISCHE LANDESBANK (BAYERN LB)

Een derde bank, die in tegenstelling tot LBBW, net zoals West LB ook gered moest worden door de Duitse overheid is Bayern LB. Net zoals LBBW kon deze bank aanvankelijk tamelijk goed stand houden tijdens het begin van de financiële crisis. Zij sloot het boekjaar 2007 nog af met een winst (na belastingen) van 259 miljoen euro op een eigen vermogen van 11,3 miljard euro (Bayern LB, 2008).

Tengevolge van verliezen en afschrijvingen daalde het netto inkomen uit handel in 2008 met 2,1 miljard euro en de inkomsten uit investeringen met 1,9 miljard euro. De portefeuille aan “assetbacked securities” daalde van 24,9 miljard tot 19,6 miljard euro (Euroweek, 15/05/2009). De bloostelling aan ‘Lehman Brothers’ en IJsland resulteerde in afschrijvingen en voorzieningen voor verliezen ter waarde van 1,4 miljard euro. De algemene voorzieningen voor risico’s werden ondertussen opgetrokken tot 1,7 miljard euro (Euroweek, 15/05/2009). Over heel 2008 kondigde de Bayerische Landesbank een enorm verlies aan van 5,08 miljard euro, waarna de staat massaal tussenbeide moest komen om het vermogen van de bank op peil te houden (Bayern LB, 2008)93.

De portefeuille aan risicovolle kredieten kreeg een waarborg van 4,8 miljard euro vanwege de deelstaat ‘Bavaria’ (Euroweek, 15/05/2009) en werd met 6 miljard verminderd (Euroweek, 05/12/2008). Met enige weerzin besloot Bayern LB alsnog om in te tekenen op het reddingspakket van 500 miljard euro dat de Duitse federale overheid ter beschikking had gesteld (Euroweek, 05/12/2008) en werd er bij de Duitse federale investeringsmaatschappij ‘SoFFin’ een aanvraag ingediend voor een staatsgarantie ter waarde van 15 miljard euro. In december 2008 kreeg de bank dan ook effectief een staatswaarborg ter waarde van 15 miljard euro van de Duitse overheid (Petrovic & Tutsch, 2009). Tengevolge van een kapitaalsinjectie van 10 miljard, vanwege de regering van Bavaria, eindigde deze bank toch nog met een kernkapitaalratio van meer dan 8% op 31 december, 2008 (Euroweek, 15/05/2009).

93

Dit verlies volgt op een winst in 2007 en bestaat uit het tweede grootste verlies in de Duitse bankensector, na 6.3 miljard voor Dresdner Bank (Euroweek, 15/05/2009).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

81


Er werd ook een plan op tafel gelegd voor een herkapitalisatie van 6,4 miljard euro (Euroweek, 24/10/2008). Deze herkapitalisatie zou bestaan uit het intekenen op een privatiseringsprogramma van de federale overheid voor 5,4 miljard euro en een financiële injectie vanuit de deelstaat ‘Bavaria’ van 1 miljard euro (700 miljoen euro voor de regering van de deelstaat en 300 miljoen voor de lokale spaarbanken) (Euroweek, 24/10/2008), in ruil voor een eerder Europees goedgekeurde waarborg van 4,8 miljard euro (Euroweek, 24/10/2008). Om aan de voorwaarden van de federale overheid te voldoen, werden er gesprekken opgezet om een deel te verkopen aan een private investeerder en/of een fusie door te voeren met andere banken (Euroweek, 24/10/2008).

Volgens Siegfried Jaschinski, hoofd van de ‘Associatie van Duitse Publieke Banken’, was de voornaamste rem op het ontvangen van overheidsmiddelen de vrees om “gestigmatiseerd” te worden (Euroweek, 24/10/2008). Opmerkelijk is dat het vehikel van de federale overheid (SoFFin) bij de volgende “bail-out” (deze keer van ‘HSN Nordbank’) gepasseerd werd door de deelstaten ‘Hamburg’ en ‘Schleswig-Holstein’. Deze ontwikkelingen duiden op een diepere tegenstelling binnen de Duitse reddingsplannen: die tussen de deelstaten en de federale overheid (Economist, 26/11/2009; Euroweek, 28/05/2009). Tot voor kort waren de deelstaten er immers in geslaagd om hun banken te beschermen van privatiseringen en overnames (Economist, 07/05/2009). Volgens de nieuwe strategie van de federale overheid wordt er enkel kapitaal voorzien in zoverre de banken bereid zijn tot drastische hervormingen. De federale overheid lijkt dus tegen de Länder te zeggen:

“keep your Landesbanks as they stand if you want but know their price.” (Euroweek, 28/05/2009).

Eind 2008 kondigde Bayern LB een reeks forse herstructureringen en haar definitieve terugtrekking uit de Aziatische markten aan (Euroweek, 24/10/2008; 05/12/2008). In december 2008 kondigde Bayern LB een operationeel verlies van 1,67 miljard euro aan, daags nadat ze een tweede luik van haar herstructurering aankondigde, waarbij 5.600 jobs (van de 19.200 jobs in het totaal) verloren zouden gaan en 10 miljard vers kapitaal opgehaald zou moeten worden (Euroweek 2008b; 2009e).94

94

Deze 10 miljard komt in plaats van de eerder aangekondigde 6,4 miljard. Van deze 10 miljard, komt er 7 miljard van de deelstaat Bavaria, waardoor deze de meerderheidaandeelhouder wordt, en 3 miljard van SoFFin (Euroweek, 24/10/2008).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

82


In 2009 kwam er een onderzoek vanwege de Europese Commissie naar de staatssteun die Bayern LB ontvangen had van Duitse federale en regionale overheden95. De bank nam zich alvast voor om verdere herstructurering door te voeren, waaronder een nieuwe strategie, een adequate kapitaalsbasis en prudente risicoplanning (Euroweek, 15/05/2009). In 2009 werd er opnieuw 2,4 miljard euro verlies opgetekend, met een nieuwe staatsinterventie tot gevolg. Uiteindelijk ziet deze bank haar totale activa tussen 2007 en 2009 dalen van 415,6 tot 338,8 miljard euro (Bayern LB, 2009). Opmerkelijk is dat Bayern LB in 2007 “maar” over een leverage beschikte van 36:1 (Bayern LB, 2007) die doorheen de crisis afneemt tot 24:1 (Bayern LB, 2009), waar dit bij West LB in 2007 vertrekt van 63:1 (West LB, 2007) en doorheen de financiële crisis nog verder oploopt tot 65:1 (West LB, 2009)96.

DEXIA

Verder bekijken we ook een semiopenbare bank die zich dichter bij huis bevindt: de Dexia-groep97. De voornaamste aandeelhouders zijn ‘Caisse des Depots & Consignations’ CDC (19,3% van de aandelen), een Franse openbare kredietinstelling, en de Belgische ‘Gemeentelijke Holding’ (14% van de aandelen), die instaat voor de financiën van de steden en gemeenten (Van Hees, 2010, pp. 221222). In 2007 had deze groep een totaal marktaandeel aan activa van 605 miljard euro in de drie beschreven landen, bedroeg de “leverage” voor deze groep 37:1, bedroeg de ratio aan kernkapitaal 9,1% en de algemene kapitaalsratio 9,6%. De groep Dexia boekte in 2007 een nettowinst van 2,5 miljard euro, vergeleken met 16,1 miljard aan eigen vermogen (wat dus neerkomt op een ROE van 17,8%). 95

waaronder de kapitaalsinjectie van 10 miljard euro, de waarborg van 4,8 miljard om afschrijvingen te dekken regionale vanwege de regionale overheid van Bavaria en 15 miljard euro aan garanties voor de uitgifte van leningen vanwege het federale SoFFin (2009b). Het onderzoek betreft ook de injectie van 700 miljoen vanwege de bank en 900 miljoen vanwege de Oostenrijkse overheid in ‘Hypo Group Alpe Adria’ (2009b). 96

Ter vergelijking: begin 2009 bezat Deutsche bank voor elke euro kapitaal 100 euro activa. Een afwaardering met één procent zou Deutsche Bank van de kaart hebben geveegd (De Morgen, 14/11/2009). Ook de ratio voor kernkapitaal (tier-1) en de algemene (tier 1 + tier 2) kapitaalsratio van Bayern LB zijn een stuk hoger (respectievelijk 6,4% en 11,5% in 2007 (Bayern LB, 2007)) dan die van West LB (respectievelijk 5,6% en 8,6% in 2007 (West LB, 2007)).

97

Deze groep bestaat enerzijds uit ‘Dexia S.A.’, de moedermaatschappij die onder het Belgische rechtssysteem valt, en anderzijds uit een aantal dochterondernemingen, zijde het Belgische ‘Dexia Banque Belgique’, het Franse ‘Dexia Crédit Local de France S.A’ en het Luxemburgse ‘Dexia Banque Interntionale Luxembourg’ (Petrovic & Tutsch, 2009).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

83


In juni 2008 begonnen enkele “hedge funds” te speculeren op het failliet van haar Amerikaanse dochteronderneming FSA (Van hees, 2010, p. 194) . In 2008 boekte de groep een nettoverlies van 3,3 miljard euro. Bijgevolg werd er een zeer slechte ROE neergezet van -22,6%. Tussen 31 december 2008 en 31 december 2009 zag de groep haar totale activa vervolgens dalen van 651,0 naar 577,6 miljard euro (Dexia, 2009) 98 . Ten gevolge hiervan werd er in september 2008 een eerste herkapitalisatie doorgevoerd van Dexia door België, Frankrijk en Luxemburg ter waarde van 6,4 miljard euro (Petrovic & Tutsch, 2009). België nam een aandeel van 3 miljard in deze herkapitalisatie voor haar rekening99. Volgens Jean-Luc Dehaene, die net na deze kapitaalsverhoging voorzitter werd van Dexia, stond de bank op de rand van de afgrond en dreigde er zelfs een “run” op de bank (De Standaard, 19/09/2009).

Bijgevolg kwamen de overheden van Frankrijk, België en Luxemburg in oktober 2008 overeen om een gemeenschappelijk waarborgsysteem op te zetten. In mei 2009 bedroeg de totale waarde aan interbancaire (en obligatie-)leningen die door dit systeem gedekt werden al meer dan 90 miljard euro, waarvan België er 60,5% voor zijn rekening nam (Buffel, 2009, p. 54; Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 15-16)100. Bovendien kwam er nog een toelating van de Europese Commissie voor een waarborg van Frankrijk (voor 32%) en België (voor 68%) op een portefeuille aan rommelkredieten van de Amerikaanse dochteronderneming van Dexia, FSA, ter waarde van 16,5 miljard USD. Hierbij werd wel als vooraarde gesteld dat Dexia de eerste 4,5 miljard USD aan verliezen voor eigen rekening zou nemen en dat de overheden aandelen zouden krijgen in ruil voor het in werking treden van dit schema (Petrovic & Tutsch, 2009). In 2009 werd de totale kost van deze waarborgen door Dexia zelf op 500 à 600 miljoen euro geschat (Buffel, 2009, p. 54). 98

Deze daling is volgens de jaarverslagen van Dexia vooral te wijten aan een verlies in waarde van de financiële activa waarin er geïnvesteerd werd (Dexia, 2009).

99

Deze herkapitalisatie werd gedeeltelijk gedragen door de Federale overheid (1 miljard), gedeeltelijk door de gewesten (Vlaanderen: 0,50 miljard euro, Wallonië: 0.35 miljard euro en Brussel 0,15 miljard euro) en gedeeltelijk door drie Belgische institutionele aandeelhouders van Dexia (Gemeentelijke holding: 0,5 miljard euro, Arcofin cv: 0,35 miljdard euro en Ethias: 0,15 miljard euro) (Buffel, 2009, pp. 48-49; Van Hees, 2010, p. 201). Opmerkelijk detail is dat de kapitaalinjectie vanuit de gemeentelijke holding gefinancierd werd door een lening… bij Dexia (Van Hees, 2010, pp. 96-97). Die Gemeentelijke Holding (die een participatie van 14,3% aanhoudt in Dexia) liep overigens in 2009 ook nog eens dividenden mis van Dexia, waar deze in 2008 nog gemiddeld 0,7% bedroegen van de gewone ontvangsten van de lokale besturen (Buffel, 2009, p. 61; De Standaard, 19/09/2009; Van Hees, 2010, p. 96). 100

De vergoeding voor deze waarborgen verloopt als volgt: op transacties met een korte termijn (minder dan één maand), een middellange termijn (tussen één maand en 12 maanden) en een lange termijn (meer dan 12 maanden), bedragen de premies respectievelijk 25 (of 50 vanaf februari 2009), 50 en 87,60 basispunten (Buffel, 2009, p. 54).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

84


Volgens een rapport het IMF uit maart 2010 blijft Dexia zeer kwetsbaar voor “besmettingsgevaar” van landen die te kampen hebben met hoge schulden, zoals Ierland en Spanje (De Standaard, 15/03/2010). Op de vraag van een journalist hoe een bank met vier ACW’ers in de raad van bestuur zich heeft laten verleiden tot zo’n roekeloos bankieren, antwoord Jean-Luc Dehaene:

“Uw vraag komt op de rand van het populisme. Het is niet de raad van bestuur die het dagelijks beleid van de bank voert.” (Jean-Luc Deheane, geciteerd in De Standaard, 19/09/2009)

FORTIS

Ook Fortis deed het aan het begin van de financiële crisis nog zeer goed. In 2007 maakte zij nog deel uit van een consortium van banken (samen met ‘Royal Bank of Scotland’ en ‘Santander’) dat betrokken was bij de overname van ABN Amro, een Nederlandse bank. Fortis had 24 miljard euro veil voor deze overname (Van Hees, 2010, p. 15). In de loop van 2008 moesten verschillende private banken bij de Europese lidstaten gaan aankloppen voor staatssteun101 (Euroweek, 24/10/2008). In september 2008 kwam ook het private Fortis in moeilijkheden en kon het geen interbancaire leningen meer bekomen (Van Hees, 2010, p. 180). In 2008 werd er door Belgische federale overheid kapitaal vrijgemaakt voor een herkapitalisatie102 (waarbij ze haar aandeel in Fortis N.V. op zou trekken met 4,7 miljard, tot 49% van alle aandelen) (Buffel, 2009, pp. 49-50; Petrovic & Tutsch, 2009, p. 16; Van Hees, 2010, p. 201)103.

101

In 2008 had er nog geen enkele Duitse private bank beroep gedaan op de overheid, in tegenstelling tot Amerikaanse, Franse en Engelse private banken. In 2009 zou dat ook veranderen, nadat de Duitse overheid plannen had goedgekeurd om slechte activa van de balansen van private banken te verwijderen (Euroweek, 24/10/2008). 102

Een opmerkelijke stap, gezien de verklaring Didier Reynders, één week voordien dat het failliet van een Belgische bank minder waarschijnlijk was dan “celui que le ciel nous tombe sur la tête” (Reyners, geciteerd in Van Hees, 2010, p. 191).

103

Verder mag Fortis voor 2 miljard euro (en gedurende drie jaar tijd) “Tier-1”-effecten (kernkapitaal, zoals converteerbare obligaties of aandelen) uitgeven bij de Belgische staat wanneer zijn “Tier-1”-ratio daalt onder 9,2% (Buffel, 2009, pp. 55-56).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

85


In het weekend van 27 en 28 september 2008 was er vervolgens overeen gekomen dat België, Luxemburg en Nederland samen een kapitaalsverhoging zouden doorvoeren van 11,2 miljard euro in Fortis, waarvoor de Nederlanders ABN Amro zouden terugkrijgen van Fortis. Fortis kwam ondertussen aan een “infuus” (noodfaciliteit) van de Nationale Bank van België (ter waarde van bijna 60 miljard) te liggen. Na het weekend doet Fortis het opnieuw slecht op de beurs, krijgt het Nederlandse ING het kapitaal niet rond om ABN Amro over te nemen en ontstaat er discussie over de kapitaalsverhoging van Nederlandse kant, waar er gedreigd wordt om ‘Fortis Bank Nederland’ onder voogdij te plaatsen. Eind september 2008 kreeg het Franse BNP Paribas een uitnodiging van de CBFA om in de “data room” van Fortis te stappen104. Zij waren enkel geïnteresseerd in de bank op zich, niet in de holding. Al snel ontdekte zij een groter dan verwachtte portefeuille aan rommelkredieten. Het bleek om een portefeuille van 40 miljard euro aan gestructureerde kredieten te gaan. In ruil voor de Belgische bank werd aanvankelijk een zeer lage prijs van 4 miljard euro geboden (De Tijd, 26/09/2009; Van Hees, 2010, pp. 212, 217).

Daarna volgde een reeks belangrijke ontwikkelingen zich in sneltempo op. Eerst kwam er een tweede kapitaalsverhoging door de Belgische staat voor 4,7 miljard euro, die bijgevolg hoofdaandeelhouder van Fortis werd met 99% van alle aandelen (Buffel, 2009, pp. 49-50; De Standaard, 26/09/2009; De Tijd, 26/09/2009; Petrovic & Tutsch, 2009, p. 16; Van Hees, 2010, p. 218). Vervolgens kwam er de Nederlandse scheiding, waarbij ABN Amro van Fortis Bank werd afgescheiden voor 4,4 miljard euro (hoewel Fortis Bank in 2007 nog 24 miljard euro betaald had voor die overname) en Fortis Bank Nederland een positieve aanpassing kreeg van 5,1 miljard (De Standaard, 26/09/2009). Uiteindelijk werd er na veel onderhandelingen 16,8 miljard euro betaald voor de banken (Fortis Bank Nederland en ABN Amro) en de verzekeringen. Wouter Bos, toenmalig Nederlands minister van financiën, stelt op de persconferentie achteraf dat er “veel problemen in het Belgische deel van het Fortis- concern verscholen zaten” een noemt de inzet van de operatie “het gezonde deel te vrijwaren van besmettingsgevaar”105 (De Standaard, 19/09/2009).

104

Ook het Duitse ‘Deutsche Bank’ zou hierop ingegaan zijn, maar naar verluidt werden zij na twee uur al terug naar huis gestuurd (Van Hees, 2010, p. 212).

105

Het triomffatalisme van Wouter Bos over de scheiding tussen het Belgische en Nederlandse Fortis bleek achteraf ook sterk overdreven, nadat ondermeer bleek dat ABN Amro veel minder ‘gezond’ was dan aan het publiek werd voorgehouden. Zo moest ABN Amro al beroep doen op een extra overheidsinjectie van 2,5 miljard euro. Bovendien bleek dat Fortis Bank Nederland voor 1 miljard euro aan verliezen incasseerde tengevolge de megafraudezaak rond Bernard Madoff. Ten slotte moest in juni 2009 toegegeven worden dat Fortis Bank Nederland maar winst zou opleveren voor de Nederlandse belastingbetaler in zoverre ze bij verkoop meer dan 23,3 miljard zou opbrengen, een stuk meer dus dan de 16,8 miljard waarvoor ze werd aangekocht (De Standaard, 19/09/2009).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

86


Vanuit Frankrijk kwam er vervolgens een bod van 8,25 miljard euro voor 75% van de aandelen van Fortis Bank (Van Hees, 2010, p. 218). In België werd er omstreek deze periode een kapitaalsinjectie van 600 miljoen euro en een tijdelijke lening van 2 miljard euro toegekend aan een SVP onder de naam ‘Royal Park Investments’ dat werd opgezet om toxische activa van Fortis in onder te brengen (Buffel, 2009, pp. 48-49; Van Hees, 2010, p. 186), waarin de Belgische staat 43%, Fortis Holding 45% en de Franse bank uiteindelijk 12% van de aandelen op zich nemen (Van hees, 2010, p. 206)106. Bij het lanceren van de “bad bank”, heeft de Belgische Fortis bank gifkredieten (waarvan de boekwaarde eind 2008 op 9,2 miljard euro stond), verkocht voor 11,8 miljard euro. De bonus van 2,5 miljard euro werd aan het eigen vermogen van Fortis Bank toegevoegd (De Standaard, 26/09/2009). De Belgische Fortis Bank was volgens BNP Paribas dan nog 15,7 miljard euro waard, met een enorme waardevermindering voor de aandeelhouders van Fortis tot gevolg (De Standaard, 26/09/2009).

In de slotfase van de onderhandelingen (begin maart 2009), vroeg BNP Paribas bijkomende garantiemaatregelen van de Belgische overheid, waardoor de deal bijna op de helling kwam te staan (De Tijd, 26/09/2009). Bovendien werd er in mei 2009 nog een boekhoudkundige operatie in gang gezet door BNP Paribas, waarbij de waarde van ‘Fortis Bank Belgium’ uiteindelijk werd herleid tot een (rest)boekwaarde 7 miljard euro 107 (De Standaard, 26/09/2009). Aanvankelijk rekende de regering-Leterme op 68 euro als waarde voor een ‘BNP-Paribas Fortis’ aandeel, waardoor de Fransen 121,3 miljoen BNPP aandelen moesten uitgeven als tegenprestatie voor de 75% van de Belgische bank. Op de avond van de effectieve overname was het aandeel nog maar 42,34 euro waard, wat neer komt op een 6,2 miljard euro aan inkomsten voor de verkoop van Belgische bank (De Standaard, 26/09/2009; Van Hees, 2010, p. 201). Het eigen aandeel van BNP Paribas steeg dezelfde dag nog van 36,0 naar 38,5 euro per aandeel (De Standaard, 26/09/2009; Van Hees, 2010, p. 219)108.

106

Verder verleent de staat, conform een overeenkomst met BNP Paribas, waarborgen op onder andere een Fortis Bank gefinancierde schuld in het SPV ter waarde van 4,365 miljard euro, de eindverliezen van een door Fortis Bank België aangehouden portefeuille aan rommelkredieten van 1,5 miljard euro, een lening van Fortis Bank aan Fortis Holding voor de financiering van zijn participatie in het SVP ter waarde van 1 miljard euro en op een vordering van Fortis Bank op Fortis Holding voor een portefeuille aan rommelkredieten ter waarde van 2,35 miljard euro (Buffel, 2009, p. 55).

107

Dit is vooral opmerkelijk, gezien deze bank op 30 juni 2008 (zij het voor de Nederlandse scheiding) nog een eigen vermogen had van 31,7 miljard euro (De Standaard, 26/09/2009).

108

Volgens Van Hees (2010) bedraagt de totale som van de uitgaven voor de Belgische staat voor de “redding” van Fortis (waar natuurlijk een aantal activa tegenover staan) niet minder dan 15,2 miljard euro (Van Hees, 2010, p. 201).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

87


Uiteindelijk bezit de federale regering 25 procent plus één aandeel van BNP Paribas Fortis en 11,7 % van BNP Paribas zelf (De Tijd, 26/09/2009; Gazet Van Antwerpen, 01/10/2009). Eind 2009 besliste BNP Paribas om een kapitaalsverhoging door te voeren om de ontvangen steun van de Franse overheid109 terug te betalen (De Tijd, 13/11/2009; De Morgen, 24/09/2009)110. Om haar aandeel in de bank (11,54 procent) op peil te houden zou de Belgische overheid 500 miljoen euro moeten ophoesten om deel te nemen aan deze kapitaalsverhoging. Uiteindelijk werd beslist om maar gedeeltelijk mee te stappen in deze kapitaalsverhoging (voor 150 à 200 miljoen), gefinancierd door aandelen die als dividend uitgekeerd werden en de verkoop van voorverkooprechten bij de kapitaalsverhoging (De Morgen, 24/09/2009; Gazet Van Antwerpen, 01/10/2009; Het Nieuwsblad, 08/05/2010). Door het terugbetalen van de Franse aandelen, wordt de Belgische overheid overigens meteen de grootste aandeelhouder van BNP Paribas (Gazet Van Antwerpen, 01/10/2009).

Tengevolge van deze transactie werd ook de prijs van de calloptie van Fortis Holding op de aandelen van BNP Paribas, die als gevolg van de verkoop van Fortis Bank in handen zijn van de Belgische staat, verlaagd van 68 naar 66,672 euro (De Tijd, 13/11/2009). Omdat de uitoefenprijs van deze optie wordt verlaagd en het koerspotentieel van BNP groter wordt, profiteren de aandeelhouders van Fortis Holding dubbel (De Standaard, 01/10/2009). Didier Reynders, toenmalig Belgisch minister van financiën, besluit:

“Ik stel nu vast dat ook ons aandeel in BNP Paribas een meerwaarde betekent. Uiteindelijk heeft BNP Paribas maar 750 jobs geschrapt - via natuurlijke vertrekken, zijn de spaarders gered én is er nog uitzicht op een meerwaarde voor de staat, maar ook voor de andere aandeelhouders van Fortis Holding.” (Didier Reynders, geciteerd in De Standaard, 13/01/2010)

109

bestaande uit 5,1 miljard aan preferente aandelen, vermeerderd met een vergoeding van 226 miljoen euro (berekend over zeven maanden) (De Morgen, 24/09/2009)

110

Door het vervangen van 187,2 miljoen preferente aandelen door 107,6 miljoen gewone aandeel, komt er een aanzienlijk bijkomend bedrag vrij voor BNP Paribas om uit te keren als dividend op alle oude en nieuwe aandelen, waardoor haar winstpopentieel fors toeneemt (De Standaard, 01/10/2009). Om haar aandeel in de bank (11,54 procent) op peil te houden zou de Belgische overheid 500 miljoen euro moeten ophoesten om deel te nemen aan deze kapitaalverhoging. Uiteindelijk werd beslist om maar gedeeltelijk mee te stappen in deze kapitaalsverhoging (voor 150 à 200 miljoen), gefinancierd door aandelen die als dividend uitgekeerd werden en de verkoop van voorverkooprechten bij de kapitaalsverhoging (Het Nieuwsblad, 08/05/2010; Gazet Van Antwerpen, 01/10/2009; De Morgen, 24/09/2009).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

88


IMPACT OP DE STAATSSCHULDEN

THEORIE

Volgens een studie uit 2009 van Luc Buffel, adviseur-generaal van de Studie- en Documentatiedienst van de FOD Financiën, stijgt de netto schuld van de overheid slechts in zoverre de waarde van de financiële activa na de verwerving ervan in waarde daalt. In het geval van een herkapitalisatie is er dus slechts sprake van een steunbestanddeel dat overeenstemt met het verschil tussen de waarde waartegen de activa worden overgedragen en de marktprijs. De schuldverhoging van de steunoperaties van de Belgische overheden is bijgevolg slechts tijdelijk omdat de overheid de deelnemingen op termijn, ten gepaste tijde, eventueel met een meerwaarde, zal verkopen en tevens omdat de toegekende leningen zullen terugbetaald worden, zodat de oorspronkelijke schuldverhoging dan ongedaan kan worden gemaakt (Buffel 2009, pp. 45-46). De staatswaarborgen vormen slechts een theoretisch maximaal risico, worden in de nationale rekeningen als “buitenbalans-verrichtingen” beschouwd en hebben aldus geen rechtstreekse weerslag op de overheidsschuld (Buffel, 2009, pp. 53-54)

Dezelfde redenering lezen we ook bij CD&V-politicus, voormalig eerste minister en huidig topman bij Dexia Jean-Luc Dehaene:

“De staatswaarborgen op het interbancaire verkeer, bij Dexia ten belope van 150 miljard, zijn nooit uit de staatskas verdwenen. In werkelijkheid zal de staat er waarschijnlijk nooit een euro aan moeten spenderen, maar integendeel goed verdienen aan de premies die de banken op die waarborg betalen.” (Jean-Luc Dehaene, geciteerd in De Standaard, 19/09/2009)

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

89


Volgens minister van Financiën Didier Reynders (MR) beginnen onze interventies in de banksector ondertussen zelfs op te brengen:

“De rentelasten die we moeten betalen op de schulden die we gemaakt hebben voor investeringen in de financiële sector, zijn lager dan de inkomsten die we momenteel al halen uit de financiële sector, onder meer door een bijdrage van meer dan 600 miljoen die de banken dit jaar leveren en de vergoedingen voor de waarborgen.” (Didier Reyners, geciteerd in De Standaard, 13/01/2010).

KRITIEK

Bij deze redenering dienen enkele opmerkingen geplaatst te worden. Zo wordt er ten eerste geen rekening gehouden met de opportuniteitskosten van de overheid, die in crisistijden haar middelen misschien anders had kunnen besteden dan in het redden van de banken, met een groter (maatschappelijk) rendement tot gevolg. Ten tweede is het feit dat de bank zich moet richten tot de overheid en niet meer terecht kan op de kapitaalmarkten, reeds een teken aan de wand dat er (althans vanuit het perspectief van de kapitaalmarkten) weinig vertrouwen gesteld werd in de goede afloop van deze “budgetneutrale” transactie. Ten derde wordt de overheid in deze redenering ook niet (of tenminste onvoldoende) vergoed voor het bijkomend risico op “default” van deze banken, dat er van de banken wordt overgenomen. Het is overigens best denkbaar dat, zeker in tijden van grote druk op de overheidsschulden, de overheid geconfronteerd zal worden met een stijgende rente op haar obligaties tengevolge van de bijkomende genomen risico’s111.

111

Buffel (2009) merkt hieromtrent op de tussen eind september 2008 en eind oktober 2008 er sprake was van een gevoelige stijging van de premies op de schulden van de staten en een gevoelige daling van de premies voor de Europese financiële instellingen, wat dus wijst op een overdracht van het kredietrisico van de financiële naar de overheidssector. Daarnaast namen de onderlinge spreads van de tienjarige Belgische overheidsobligaties ten opzichte van de overeenkomstige Duitse bunds tijdens de financiële crisis toe omwille van verschillen in de gepercipieerde kredietwaardigheid van de landen. Sinds januari 2009 nam de “olo-bund-spread” (renteverschil) terug af, zonder evenwel het niveau van vóór de financieel-economische crisis te bereiken (Buffel, 2009, pp. 46-47).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

90


Volgens Ivan Van de Cloot (voormalig hoofdeconoom bij ‘Itinera Institute’) maakte Didier Reynders een eigenaardige berekening, waarbij hij de financiële crisis niet als oorzaak aanduidde voor het gat in de begroting. Hij beperkt zich tot de directe investeringen in de banken, terwijl de overheid ook gigantische waarborgen heeft gegeven aan de banken. Zo loopt het maximale engagement van de overheid op tot 240 miljard euro. De overheid loopt volgens hem wel degelijk ook een risico dat becijferd kan worden (zogenaamde contingente of impliciete schulden). Het risicogewogen rendement van de overheidsinvestering laat helemaal te wensen over (Van De Cloot, geciteerd in De Standaard, 04/09/2009). Zo stelt Ivan Van de Cloot, in een opiniebijdrage tot De Standaard:

“Niet alleen de berekening van Reynders is problematisch, zijn stelling dat de begroting lijdt onder de economische crisis en dat de banken daar niets mee te zien hebben, getuigt ook niet van veel respect voor het rouwproces van de bevolking.” (Van de Cloot, geciteerd in De Standaard, 04/09/2009).112

Een tweede probleem dat door Van De Cloot wordt gesignaliseerd, is dat het net omdat geen enkele private investeerder er nog voor de toxische activa wil opdraaien, dat de overheid nu willens nillens aandeelhouder is van de Fortis bad bank ‘Royal Park Investments’ en ook toxische producten moet garanderen waarvoor geen private verzekeraar meer te vinden is (Van De Cloot, geciteerd in De Standaard, 04/09/2009). Buffel (2009) merkt hieromtrent op dat de bijdrage van de steunmaatregelen aan de financiële sector in de vorm van de netto vorming van financiële activa een gunstige weerslag had op de schuld in 2009, omdat de terugstortingen van leningen ten gunste van het “Special Purpose Vehicle” RPI dat werd opgezet om Fortis te splitsen (ter waarde van 4,65 miljard euro) de kapitaalinjecties van de Vlaamse overheid (3,5 miljard euro) meer dan compenseren” (Buffel, 2009, p. 52). De opbrengsten voor de staat uit RPI zijn tot dusver echter beperkt tot 36,7 miljoen euro belasting op de tot dusver geboekte winsten en 19,3 miljoen als vergoeding voor de staatswaarborgen (De Tijd, 06/07/2010) 113. Hoewel deze “winst” boekhoudkundig wel mag opgaan 112

Van De Cloot pleit dan ook voor een belasting op de banken. Als de noodzakelijke hervormingen van de bankensector er niet doorkomen en de burger zijn lot verbonden blijft aan het wel en wee van systeembanken die te groot geacht worden om failliet te gaan (het “too-big-to-fail”-syndroom), dan moeten die banken ook een correcte vergoeding betalen voor het risico dat ze afwentelen op de maatschappij (Van De Cloot, geciteerd in De Standaard, 04/09/2009). 113

Na herstel van de markt aan rommelkredieten, slaagt het Fortis-SVP ‘Royal Park Investments’ erin om eind 2009 en begin 2010, hetzij met behulp van een staatsgarantie, 4,3 miljard euro op te halen bij institutionele beleggers (De Tijd, 12/01/2010). In maart bleek voorts dat de recuperatiewaarde voor de toxische activa van de voormalige Fortis Bank die werden ondergebracht bij RPI geraamd werden op 10,914 miljard. Dat is één miljard meer dan 10 miljard euro, waartoe de

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

91


voor het jaar 2009, zegt dit natuurlijk niets over de werkelijke effecten van het redden van de banken op de staatsschuld op lange termijn. Buffel (2009) voegt er zelf ook aan toe dat dit enkel opgaat onder de hypothese dat de waarborgen die de staat gesteld heeft niet dienen geactiveerd te worden (Buffel, 2009, p. 62).

Bovenop de reeds toegekende garanties, kwamen er in mei 2010 bovendien nog eens kredietgaranties ter waarde van 750 miljard euro om de Europese eenheidsmunt te redden. Herman Van Rompuy, president van Europa, klinkt alvast zeer optimistisch over het plan:

“Ik ben niet bang dat het tot een schuldherschikking komt, omdat de lening aan Griekenland gebonden is aan heel sterke voorwaarden. […] Als het plan niet voldoende zou zijn, dan zullen we meer doen.” (Herman Van Rompuy, geciteerd in De Tijd, 09/06/2010)

Veel minder optimistisch klinkt Hans-Werner Sinn, de conservatieve Duitse econoom die we eerder al uitvoerig aan het woord lieten betreffende zijn visie op de Duitse Landesbanken. Over het Europese reddingsplan wist hij het volgende te zeggen:

“Het vangnet voor de euro schaad de Duitse belangen. Het is de grootste fout in de naoorlogse geschiedenis van de Bondsrepubliek” (Hans-Werner Sinn, geciteerd in De Standaard, 21/05/2010).

Als verklaring voor dit plan verwijst hij naar het gevaar dat dreigde voor de belangrijkste crediteuren van deze schuldenlanden: Duitse en Franse banken (Hans-Werner Sinn, geciteerd in De Standaard, 21/05/2010)114. Hetzelfde horen we bij enkele Belgische economen. Zo merkt Geert Noels op dat het “reddingsplan” voor Griekenland, er vooral op gericht is om een aantal grote Duitse en Franse oorspronkelijke inbreng (11,7 miljard euro) door wisselkoerseffecten en terugbetalingen gereduceerd werden (De Tijd, 06/07/2010). 114

Hans-Werner Sinn verwijst anderzijds ook naar de ziekte van de Duitse minister van financiën ‘Wolfgang Schäuble’, die tijdens het overleg in het ziekenhuis moest opgenomen. Verder was volgens hem niet de eenheidsmunt in acuut gevaar, maar wel de mogelijkheid van schuldenlanden om goedkoop te lenen (De Standaard, 21/05/2010).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

92


banken overeind te houden (Het Nieuwsblad, 08/05/2010). Ook Koen Schoors, een aan de Universiteit Gent verbonden econoom, merkt in een opiniebijdrage op dat, indien Griekenland zou weigeren zijn schulden te betalen, de Europese landen nog maar eens hun banken zouden moeten redden, die immers miljarden aan Griekse overscheidsschuld op hun balans hebben staan.

“Dat is meteen het belangrijkste wapen van Griekenland: red ons of jullie kunnen zo meteen de banken gaan redden.” (Koen Schoors, geciteerd in De Morgen, 26/03/2010)

Veel Duitsers voelen zich gedwongen om te kiezen tussen de twee basisprincipes van hun naoorlogse economische orde: economische stabiliteit en integratie binnen Europa. Een Griekse bail-out kan voor problemen zorgen voor het Duitse grondwettelijke hof. Maar steun onthouden zou de munt in gevaar brengen en voor grote problemen zorgen bij de Duitse banken, die vaak miljarden euro’s aan Griekse schulden op hun balans hebben staan (De Standaard, 29/06/2010). Het feit dat Berlijn de facto borg staat voor de schulden van andere staten brengt volgens Hans-Werner Sinn enorme risico’s mee, waardoor er geld zal wegvloeien uit Duitsland en de economie afgeremd zal worden (De Standaard, 21/05/2010).

Bij deze economen is er dan ook veel twijfel of de waarborgen die de staat rechtstreeks (als garanties op leningen en schulden voor de banken) en onrechtstreeks (via het “vangnet” van de eenheidsmunt) niet ingevuld zullen moeten worden (De Morgen, 14/11/2009)115. Bij Geert Noels klinkt het zo:

“Griekenland is feitelijk bankroet. Er is geen zicht op hoe zij dat geld ooit zullen terugbetalen. Dan geef je hen toch niet zomaar een lening?” (Geert Noels, geciteerd in Het Nieuwsblad, 08/05/2010)

115

Volgens Ivan Van De Cloot, die de situatie eind 2009 beschrijft, krijgen de banken vandaag hun geld gratis met een nulrente in de VS. Met dat geld zijn ze opnieuw aan het speculeren gegaan. Sommige zakenbanken nemen daarbij enorme risico's. Daarentegen moeten de Europese banken, volgens een prognose van het IMF, nog steeds meer dan 50 procent van hun verliezen afboeken, veel meer kapitaal dus dan deze banken voorhanden hebben (De Morgen, 14/11/2009).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

93


RESULTATEN

Globaal genomen hadden de reddingsoperaties van de Belgische overheid tot gevolg dat de dalende trend van Belgische staatsschuld voor het eerst sinds 1994 werd onderbroken. In 2008 steeg de overheidsschuld van 84% tot 89% BBP (Buffel, 2009, p. 51)116. Van Hees (2010) berekent het totale bedrag van de staatsinterventies op 25,7 miljard euro, waarvan er 20,2 ten laste van de federale overheid en 5,5 ten laste van de regio’s vallen (Van Hees, 2010, p. 201). Hierbij valt nog op te merken dat de sterk gestegen rente op de Belgische staatsschuld in 2008, naast economische groeivertraging, mee aan de basis ligt van de opnieuw sterke stijgingen van de staatsschuld in 2009 en 2010 (De Standaard, 15/03/2010). Deze financiële injecties hadden tot gevolg dat de overheidsschuld in 2009 opliep tot bijna 100% van het bruto binnenlands product (De Standaard, 15/03/2010; Van Hees, 2010, p. 93). Volgens Buffel (2009) zou deze weerslag op de rentelasten 111 miljoen euro in 2008 en 541 miljoen euro in 2009 bedragen. Grosso modo zouden op jaarbasis de bijkomende rentelasten voor de gezamenlijke overheid 0,2% à 0,3% van het BBP bedragen, rekening gehouden met de reeds uitgevoerde terugbetalingen ten belope van 1,5 % van het BBP (Buffel, 2009, pp. 52-53).

Er wordt hier dus enkel rekening gehouden met de directe kosten (verminderd met de terugbetalingen) die de overheid heeft moeten maken om de banken te redden. De waarborgverleningen, die volgens Buffel (2009) geen rechtstreekse weerslag hebben op het vorderingensaldo en evenmin op de overheidsschuld (Buffel, 2009, pp. 53-54). Desondanks bedragen de totale garanties voor schulden die door de Belgische staat werden goedgekeurd 76,6 % van het Belgische BBP (waarvan er tot dusver 16,3% van het BBP effectief werden toegekend) en werden er reeds er reeds overnames van toxische kredieten goedgekeurd voor 10,1% van het Belgische BBP (waarvan er voor 4,2% effectief werden opgenomen) (Buffel, 2009, pp. 57-58). De ontvangsten voor het toekennen van deze waarborgen worden door Buffel (2009) tot dusver slechts geraamd op 0,4% van het BBP117 (Buffel, 2009, p. 57).

116

Die schuldstijging met 5,7 % BBP is in feite de resultante van een endogene afname van de schuld met 1,1 % BBP en een toename met 6,8 %, die vooral te wijten is aan de reddingsoperaties (kapitaalinjecties en kredietverlening) ten gunste van enkele grote Belgische financiële instellingen (6,3 % à 6,4 % BBP) (Buffel, 2009, p. 51).

117

60 miljoen afkomstig van Fortis, 6 miljoen van de Gemeentelijke Holding, 65 miljoen van FSA en 700 miljoen euro (gespreid over 7 jaar tijd) voor de maatregelen om het eigen vermogen van KBC op peil te houden (Buffel, 2009, p. 57).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

94


Deze staatsschulden, die vooral uit OLO’s (lineaire obligaties)118 bestaan, worden dan weer op hun beurt voor een groot stuk opgekocht door de banken 119 (Van Hees,2010, p. 94). Van Hees (2010) merkt hierbij op dat:

“On évitera de rappeler qu’en 1993, la CEGR est vendue à Fortis pour soulager le budget et réduire son endettement. Alors que quinze ans plus tard, cette dette augmente à cause de Fortis.” (Van Hees, 2010, p. 93)

CONCLUSIES

De ontwikkelingen die we hier beschreven hebben zijn een weergave van een zeer kleine periode in de ontwikkeling van de Europese bankensector, waarin er in vergelijking met de voorbije decennia op zeer korte tijd zeer ingrijpende veranderingen plaatsvonden. Ondanks het gebrek aan voldoende recente wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp, denken we toch al enkele algemene besluiten te kunnen formuleren over de publieke banken in Europa tijdens de recente financiële en economische crisis.

Hoewel meer empirisch onderzoek hier zeker op zijn plaats is, kunnen we over het algemeen besluiten dat het oneerlijke “vangnet” waarop publieke banken beroep zouden kunnen doen en waardoor hun ratings positief beïnvloed zouden worden, in de praktijk geldt voor alle grote banken, ongeacht hun eigendomsstructuur. In tijden van crisis zijn alle systeembanken “too-big-to-fail”. De vergoedingen die de staten krijgen voor de bijkomende schulden en het opgelopen risico zijn ruimschoots onvoldoende. Verder is de kans zeer reëel dat de werkelijke kosten voor de reddingsoperaties de komende jaren nog fors zullen oplopen.

118

Eind 2008 was de staatsschuld voor 73,6% samengesteld uit OLO’s. De staatsbons die worden aangehouden door particulieren, vertegenwoordigen slechts 1,77% van de openbare schuldenlast. 119

Zo was de verdeling bij OLO n° 52, die begin 2008 werd uitgeschreven met een looptijd van 10 jaar, een interest van 4% voor 4 miljard euro in het totaal, de verdeling als volgt: fondsbeheerders (36%), banken (19%), centrale banken en openbare instellingen (19%), financiële instellingen (12%), verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen (10%) en Hedge Funds (4%) (Van Hees, 2010, p. 94).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

95


Daarnaast valt de erbarmelijke prestatie van de Duitse Landesbanken wel op. Deze banken behoren tot de zwaarst getroffen banken in de eurozone en zij moesten bijgevolg ook beroep doen op het leeuwendeel van de Duitse staatssteun. Door de Duitse federale regering en de Europese Commissie werden deze ontwikkelingen aangegrepen om eindelijk werk te maken van de reeds lang voorop gestelde hervorming van de Duitse bankensector. Het valt dus te verwachten dat de Landesbanken de komende maanden en jaren een sterke consolidatiebeweging, alsook een gedeeltelijke privatisering zullen doormaken 120.

Paradoxaal genoeg moeten we ook vaststellen dat de rol van de overheid in de bankensector, hetzij vaak ongewild, aan een sterke opmars bezig is. Tengevolge de crisis die uitbrak vanaf 2007 is er sprake van een nog nooit voorafgegane wereldwijde interventie van overheden in de bankensector. Overheden hebben zich gewaagd aan een breed scala van interventies, gaande van het oppeppen van zwakke banken, het stimuleren van vertrouwen in de financiële sector, voorzien van kredietgaranties, over het voorzien van leningen om banken te redden, aankopen van minderheidsaandelen, nationaliseren, coördineren en/of forceren van fusies, tot het opleggen van bepalingen op vergoedingssystemen, invoeren van strakkere regulering en druk zetten voor toegenomen regulering op supranationaal niveau. De Europese overheden, die zich lang hebben verscholen achter het credo “de overheid is geen bankier”, hebben zich de afgelopen jaren dus uitvoerig bezig gehouden met overnames, kapitaalsinjecties, nationalisaties, etc… in de financiële sector. In deze context is het dan ook maar normaal dat de discussie over de zin (of onzin) van een openbare bank, die gecontroleerd wordt door de staat, terug zou gaan oplaaien.

120

Deze conclusie ligt overigens in de lijn van de – reeds eerder besproken – bevindingen van Andrews (2005), die in een “working paper” voor het IMF aangeeft dat crisissen wereldwijd de kans op het privatiseren van banken doen toenemen (Andrews, 2005, p. 3).

De publieke bank in Europa | Hoofdstuk 3: De openbare bank in Europa en de financiële crisis

96


ALGEMEEN BESLUIT

We zijn deze masterproef begonnen met te stellen dat we, vanuit een historisch perspectief, een aantal huidige ontwikkelingen in de bankensector wilden kaderen. De meest opvallende bevinding is dat, hoewel de privatiseringen en dereguleringen van de bankensector vanaf de jaren ’70 veelal tot doel hadden om inkomsten voor de staat te genereren, in feite het tegengestelde gebeurde.

We hebben kunnen vaststellen hoe het afbouwen van regulerende beperkingen op de geografische spreiding en de types activiteiten van de banken geleid hebben tot een toenemende concurrentie en een enorme consolidatiebeweging in de Europese bankenmarkt. Desondanks hebben we kunnen vaststellen dat naast commerciële banken, ook publieke banken en coöperatieve banken in verschillende West-Europese landen goed hebben kunnen standhouden, waaronder de Duitse regionale en publieke Landesbanken in het bijzonder vermeld moeten worden, omwille van hun macht en uitstraling. Deze ontwikkelingen hebben een aantal ingrijpende gevolgen gehad. Zo zien we zowel publieke als private banken ontstaan die zo groot zijn dat ze “too-big-to-fail” geworden zijn voor de Europese natiestaten. Verder gaan deze banken, teneinde de concurrentiestrijd te overleven en hun “Return on Equity” op te trekken, zichzelf alsmaar meer gaan richten op internationale financiële markten en afgeleide producten.

Het resultaat is gekend: bij tegenvallende resultaten op de Amerikaanse huizenmarkt werden heel wat afgeleide producten tot een “rommelstatus” herleid. Door de sterke internationalisatie van het financiële systeem, alsook de hoge hefbomen die door de banken gehanteerd werden, viel het financiële systeem vanaf 2007 als een kaartenhuisje in elkaar. De grote banken op de Europese bankenmarkt, zowel privaat als publiek, moesten gered worden met vele miljarden euro’s uit de staatskas. De staat moest ook actief tussenbeide komen in het consolideren van de bankensector, via een reeks fusies en overnames. Verder moesten verschillende banken genationaliseerd worden. Ten slotte dook ook de discussie over de privatisering van de Landesbanken weer op.

De publieke bank in Europa | Algemeen besluit

97


Deze ontwikkelingen gaven de aanleiding tot de tweede grote financiële crisis van de 21e eeuw: de crisis van de staatsschulden, waarvan we nu het begin nog maar aan het meemaken zijn. Opnieuw spelen de banken een centrale rol in deze crisis, daar zij dienst doen al belangrijke crediteuren van de staten en omdat het risico op een schuldherschikking van deze staten noodzakelijkerwijze zou leiden tot een tweede golf aan staatsinterventies in de financiële sector. In deze context is het uitermate belangrijk om met een kritisch oog terug te blikken op de ontwikkelingen in de Europese bankensector die we in deze masterproef geschetst hebben.

Tenslotte willen nogmaals benadrukken dat de discussie over de rol van de staat in de bankensector, kadert binnen het bredere debat over staatsinterventie in de economie. In deze zin is het belangrijk op te merken dat, na enkele decennia van privatiseringen en dereguleringen, de staat nu duidelijk terug aan zet is. Deze ontwikkeling doet zich zelfs voor in aantal landen, zoals bijvoorbeeld het Verenigd Koninklijk, die de voorbije decennia zeer afkering stonden tegenover staatsinterventie in de bankensector. We kunnen dus besluiten dat, in het licht van de recente crisis, de grond rijp is voor een fundamentele discussie over een reeks ingrijpende wijzingen in de gevolgde macro-economische politiek. Het debat over een openbare bank moet daar, ons inziens, dan ook integraal deel van uitmaken.

Deze ontwikkelingen roepen een aantal cruciale vragen op, die tevens als een aanzet gezien kunnen worden tot een grondig empirisch onderzoek naar de rol van de publieke banken in Europa, dat tot dusver uitblijft. Was het economisch verantwoord om vanaf de jaren ’70 een reeks Europese openbare banken te privatiseren? Wat is het effect van de deregulering in de Europese financiële sector, onder druk van een reeks Europese richtlijnen? Hoe moeten we de houding van de Europese lidstaten, alsook de Europese Commissie, tegenover enkele “tijdelijke nationalisaties” in de Europese bankensector evalueren? Is het in de huidige context mogelijk om een openbare spaarbank op te richten, die het risico voor zowel de belastingbetaler als de spaarder minimaliseert? Een aanzet hiertoe wordt reeds gegeven in de nabeschouwing: “Argumenten voor een openbare bank in België”, die aan deze masterproef werd toegevoegd.

De publieke bank in Europa | Algemeen besluit

98


NABESCHOUWING: ARGUMENTEN VOOR EEN OPENBARE BANK IN BELGIË

INLEIDING

In deze nabeschouwing willen we de uitdaging voor de (her)oprichting van een openbare bank in België anno 2010 bespreken. We vertrekken hierbij, bij gebrek aan ernstig empirisch onderzoek naar dit onderwerp, vanuit de argumenten pro nationalisering die gegeven worden door twee recent verschenen pleidooien voor openbare banken van de hand van Belgische auteurs: het artikel “Waarom een openbare bank nodig is” (Vanzetti, 2009) en het boek “Banques qui pillent, banques qui pleurent” (Van Hees, 2010). We willen deze argumenten afwegen tegenover de relevante literatuur die we hiervoor hebben doorgenomen.

Vooraf willen we al wel meegeven dat de oprichting van een openbare bank binnen het kader van de huidige Europese wetgeving geen probleem vormt. Dit kan het beste worden aangetoond door te verwijzen naar de uitvoerige lijst van publieke banken, die rechtsreeks of onrechtstreeks (via een koepelvereniging) aangesloten zijn bij de ‘European Association of Public Banks’(EAPB, 2009). Verder kunnen we ook verwijzen naar de reeks recent genationaliseerde banken in het kader van de financiële en economische crisis (Vanzetti, 2009, p. 37).

Vanuit de Europese commissie wordt er geen onderzoek uitgevoerd naar de nationalisaties an sich, enkel naar de steunmaatregelen vanuit de overheid die direct of indirect met deze nationalisaties gepaard gingen. Een openbare bank dient immers aan een aantal randvoorwaarden te voldoen. Zij kan bijvoorbeeld geen steunmaatregelen ontvangen van de overheid die in tegenspraak zouden zijn met de bepalingen van het Europees Verdrag betreffende de mededinging. Een openbare bank moet om die reden extra efficiënt zijn teneinde haar bijkomende investeringen te kunnen financieren uit eigen opbrengst. Ook kan een openbare bank onder de bedingingen van het Europees Verdrag geen monopoliepositie innemen (Europese Commissie, 2010, p. 2; Vanzetti, 2009, pp. 37-38). De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

99


ARGUMENT 1: HET MORAL HAZARD ARGUMENT

In de afgelopen jaren maakten de grootste banken van België enorme winsten. Ter illustratie geven we de winstcijfers (na belastingen) van de laatste jaren, voorafgaand aan de financiële crisis nog eens mee, alsook de verhouding van de totale opbrengsten tot het eigen vermogen van deze banken:

2005 (In

2006

Netto Eigen

miljarden

ROE

2007

Netto

Eigen

ROE

winst

vermogen

Netto

Eigen

ROE

winst

vermogen

winst

vermogen

Fortis

3,0

19

23%

4,4

21

22%

3,9

33

17%

Dexia

0,9

6,8

20%

1,2

6,9

27%

1,0

5,4

23%

KBC

2,4

16

18%

3,6

17

24%

3,4

17

21%

euro)

Bron: Jaarverslagen Fortis, Dexia en KBC (2005-2007)

Op enkele jaren tijd zagen deze banken hun winsten spectaculair stijgen. In het jaarverslag van KBC klinkt het als volgt:

3500

“Eén grafiek zegt meer dan duizend

3000

woorden: de spectaculaire groei van 2500

onze winst in de laatste vijf jaren bewijst het succes van onze strategie en van ons unieke bedrijfsmodel.”

2000 1500

Winstcijfers KBC (in miljoenen euro's)

1000

(André Bergen, CEO van de KBCgroep, geciteerd in het jaarverslag van KBC, 2007)

500 0 2003 2004 2005 2006 2007

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

100


Om deze winstbedragen enigszins in perspectief te plaatsten, kunnen we ze vergelijken met de 22 miljard euro die er volgens cijfers van het planbureau van mei 2010 door de overheid bespaard zal moeten worden om tegen 2015 een begroting in evenwicht te kunnen voorliggen. Dit komt neer op een besparing (en/of bijkomende belastingen) van om en bij de 4 miljard euro per jaar (De Standaard, 20/05/2010).

Deze bedragen staan in sterk contrast met de relatief lage bedragen aan belastingen die door deze banken op hun winsten werden betaald tijdens dezelfde periode:

2005 (In

Bruto

miljarden

winst

2006 Belastingen

%

Bruto

2007 Belastingen

%

winst

Bruto

Belastingen

%

winst

euro) Fortis

5,0

1,1

23%

5,4

1,0

19%

2,8

-0,2

-8%

Dexia

1,1

0,15

14%

1,3

0,07

6%

1,1

0,04

3%

KBC

3,4

0,9

27%

4,6

1,0

22%

4,4

0,9

22%

Bron: Jaarverslagen Fortis, Dexia en KBC (2005-2007)

Hoewel de vennootschapsbelasting wettelijk gezien op 33,99% (vanaf een winst van meer dan 322,5 duizend euro) gesteld wordt, bestaan er tal van mogelijkheden om het bedrag aan verschuldigde belastingen te verminderen. Volgens Van Hees (2010), die verwijst naar het “Statistisch overzicht van het Belgisch financieel systeem” (uitgegeven door de Nationale Bank van België), bedroeg het werkelijke bedrag dat door de Belgische banken aan belastingen betaald werd 15,96% in 2006 en 10,39% in 2007 (Van Hees, 2010, p. 98). Zo genieten deze banken van de immunisering van meerwaarden op overnames en het regime van de definitief belaste inkomsten (DBI)121. Bij de banken komt dit principe erop neer dat 95% van de dividenden die een onderneming uit haar filialen

121

“De aftrek DBI (definitief belaste inkomsten) komt hierop neer dat enkel in hoofde van de dividenduitkerende vennootschap de uitgekeerde winst in de belastbare grondslag wordt opgenomen, terwijl het dividendinkomen in hoofde van de dividendontvangende vennootschap van het fiscaal resultaat wordt afgetrokken.” (Bron: EuroSubsiBru.be)

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

101


haalt afgetrokken worden van de belastingen, wetende dat deze opbrengsten reeds belast werden in de filialen. De overblijvende rechtstreekse belasting op de moederbedrijven waren in 2006 nog slechts 6,87% voor de vier grootste banken van het land. De totale belastingen voor deze banken kwamen in 2006 neer op 14,09% voor diezelfde banken (afgaande op hun geconsolideerde jaarrekeningen) (Van Hees, 2010, pp. 98-99). Bovendien kon ING in 2006 115 miljoen euro aftrekken door beroep te doen op de “notionele interesten”. Ook de andere Belgische grootbanken, die in principe geen “notionele interesten” mogen aftrekken, genieten onrechtstreeks van dit fiscaal gunstregime. Zo werd op 9 maart 2006 de vennootschap ‘Fortis Finance Belgium’ (FFB) opgericht, waarin 8,5 miljard kapitaal gestoken werd. In 2006 maakte deze vennootschap (die 1,5 voltijdse equivalenten tewerk stelde) een wist (voor belastingen) van 253 miljoen euro. Op dit bedrag werden er (volgens het jaarverslag van deze vennootschap) 222 miljoen “notionele interesten” afgetrokken. De belastingen werden aldus beperkt tot 10,6 miljoen euro of 4,2% van het geboekte resultaat. Tengevolge van de eerder beschreven definitief belaste inkomsten (BDI) kon Fortis Bank deze inkomsten vervolgens aan haar winst toevoegen, zonder er “opnieuw” belastingen op te betalen (Van Hees, 2010, pp. 101-103).

In de praktijk komen deze winsten dus in hoofdzaak aan de aandeelhouders ten goede en slechts in veel mindere mate aan de overheid. Omgekeerd is gebleken dat in tijden van crisis het in hoofdzaak de gemeenschap is die voor de verliezen kan opdraaien. Vanzetti (2009) wijst hierbij op verschillende wijzen waarop de overheid, dus de gemeenschap, opdraait voor de gevolgen van het risicovolle gedrag van financiële actoren, waaronder het verhogen van de garantie op deposito’s, het kunstmatige laag houden van de interestvoeten op de kapitaalmarkt, het ter beschikking stellen van “quasikapitaal” en het zich garant stellen om bijkomende verliezen op de CDO-portefeuille van een bank voor haar rekening te nemen (Vanzetti, 2009, pp. 14-15).

“Hoofdzakelijk komt het erop neer dat de winsten uit het verleden werden geprivatiseerd, maar de huidige verliezen gesocialiseerd.” (Vanzetti, 2009, p. 15)

Om een einde te maken aan deze moral hazard in de financiële sector, moet men ervoor zorgen dat de partij die het beleid maakt en de risico’s neemt, ook alle gevolgen van dit beleid ondergaat – zowel de negatieve als de positieve. Dit kan door de financiële instellingen, die door het nemen van De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

102


hoge risico’s in de problemen komen, zelf de consequenties van hun risicovolle gedrag te laten dragen door hen failliet te laten gaan. Omwille van hun impact op de (lokale) economie zijn deze banken echter “too big to fail” geworden (Vanzetti, 2009, pp. 16-17). Een andere optie zou erin bestaan om deze banken op een dusdanige manier te belasten, dat de operatie budgetneutraal geweest is voor de overheid (met inbegrip van een premie voor het genomen risico). Deze optie zou de financiële sector echter waarschijnlijk terug ernstig in de moeilijkheden brengen. De huidige voorstellen van een belasting op de banken, zoals die ondermeer vanuit FOD Financiën komen, bedragen ook maar een fractie van de schulden waarmee de staat opgezadeld werd. Tenslotte kan men ook de banken nationaliseren, waardoor de partij die momenteel opdraait voor de negatieve gevolgen (de verliezen) van het beleid, ook in staat wordt gesteld om dit beleid in de toekomst volledig zelf te bepalen en ook de positieve gevolgen (de winsten) ervan te rapen.

Hierbij moet opgemerkt worden dat “tijdelijke nationalisaties” volgens Vanzetti (2009) het probleem van de moral hazard niet oplossen. Zo stelt bijvoorbeeld Paul De Grauwe voor om dergelijke nationalisaties maar tijdelijk te laten duren, tot de economie opnieuw herstelt en de bank weer winst maakt, immers:

“Op dat ogenblik kan de bank verkocht worden en kan de overheid, en dus de belastingbetaler, profiteren van de meerwaarde die als compensatie moet dienen voor de miljarden die de overheid in de bank heeft gestopt tijdens de reddingsoperaties” (De Grauwe, geciteerd in De Morgen, 03/05/2010)

Volgens Vanzetti (2009) is dit geen consequente oplossing. Bij verkoop van de bank wordt het fundamentele onevenwicht immers opnieuw ingesteld: de winsten worden geprivatiseerd zolang het goed gaat, maar wanneer het opnieuw slechter gaat, grijpt de overheid in en worden de verliezen gesocialiseerd (Vanzetti, 2009, p. 16). Van Hees (2010) merkt hierbij op dat de ‘ASLK/CEGR’ in het totaal 133 jaar heeft kunnen standhouden zonder staatsinterventie, hoewel Fortis al na 10 jaar (1998-2008) door de staat gered moest worden (Van Hees, 2010, p. 250). Ongeveer dezelfde mening horen we ook bij Etienne De Callataÿ, voormalig IMF-econoom, die betreurt dat de staat Fortis niet in handen genomen heeft:

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

103


“Quand le secteur privé montre son incompétence et impose des charges énormes à la collective, il revient à l’État de confisquer le jouet. Si l’ État avait nationalisé Frotis, cela aurait été plus efficace et plus juste.” (De Callataÿ, geciteerd in Van Hees, 2010, p; 251)

Openbare banken zouden in tijden van economische voorspoed kunnen zorgen voor extra inkomsten. Zo lezen we bijvoorbeeld bij Celetti et al. (2005) dat de verplichting om een bepaald percentage aan overheidsobligaties aan te houden in Italië gradueel afgebouwd werd vanaf de jaren '80 (Celetti et al., 2005, p. 36). Met openbare banken zou de overheid bovendien veel makkelijker de overheidsschuld kunnen heronderhandelen. In dat verband is het interessant op te merken dat ongeveer 87 miljard euro van de Belgische openbare schuld in handen is van de banken, waarop zij jaarlijks een interest betaalt van om en bij de 3 miljard euro. Uit deze cijfers blijkt duidelijk hoe belangrijk een (concurrentiële) openbare bank in België zou zijn voor de gezondheid van de overheidsfinancies – ook al worden minder spectaculaire winsten gemaakt dan 10 miljard euro per jaar (Vanzetti, 2009, p. 28). Volgens Van Hees (2010) kan een openbare bank een dubbele positieve invloed hebben op de overheidsschulden. Enerzijds kan zij de rol opnemen van een geprivilegieerde schuldeiser van de staat, die haar deposito’s inschakelt om goedkope leningen (OLO’s) aan te kopen. Daarnaast kan zij, via een prudentieel beheer van haar fondsen, voorkomen dat de staat voor miljarden moet tussenkomen om de bank te redden in tijden van financiële crisis (Van Hees, 2010, p. 257).

ARGUMENT 2: HET PRUDENTIEEL ARGUMENT

Er is sprake van “prudentieel” (veilig) beheer van financiële instellingen wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan:

 Het beheer van financiële instellingen werkt financiële crises niet in de hand, maar bevordert de financiële stabiliteit (macro-prudentieel);

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

104


 Het beheer van individuele financiële instellingen brengt de duurzaamheid van deze instellingen niet in gevaar (micro-prudentieel);  Het beheer van financiële instellingen zorgt ervoor dat de belangen van klanten, particulieren en ondernemingen, niet worden aangetast. Of anders gezegd: het geld van de klant is veilig bij de bank (aan de depositozijde); de bank zorgt ervoor dat er genoeg geld beschikbaar is voor de investeringen van de klant (aan de kredietzijde).

Volgens Cornett et al. (2010) moeten we de discussie over privaat of staatseigendom van banken zien als een afweging van de eenzijdige gerichtheid op winst van grote investeerders die in kan gaan tegen de belangen van verschillende stakeholders. In het algemeen weegt dit echter niet op tegen de sterke inefficiëntie, lage drang tot innovatie en het grote gevaar op politieke belangenvermenging en/of corruptie in staatsbanken (Cornett et al., 2010, p. 75). Uit het verslag van de “Bijzondere commissie belast met het onderzoek naar de financiële en bancrisis”, dat verscheen in het voorjaar van 2009, blijkt ook dat het beheer van de banken voor de crisis hoofdzakelijk gericht was op hoge korte-termijnwinsten. Zo stellen ze vast dat:

“De evolutie van het rendement op eigen vermogen van de bestudeerde banken brengt de irrealistische rendementen aan het licht waar de meeste banken de laatste jaren prat op gingen” (Bellot, F. et al., 2009, p. 92).

Hierbij moet ook opgemerkt worden dat deze banken, teneinde hogere winstmarges te genereren, de voorbije jaren steeds verder van hun “core business” (het verzamelen van deposito’s en voorzien van leningen) weggingen, onder andere door hun klanten meer en meer financiële producten te verkopen met een hoger risicoprofiel (Van Hees, 2010, p. 48-49). Volgens Vanzetti (2009) is de agressieve verkoopspolitiek van vele private banken een rechtstreeks uitvloeisel van de druk om hoge ROE voor de aandeelhouders te realiseren door de klanten te verleiden tot het kopen van onnuttige producten of beleggingen die hij niet begrijpt, door het “leven op krediet” te stimuleren (wat de schuldgraad van de klant doet toenemen en gezinnen in financiële problemen kan brengen) en door de klant aan te zetten tot onnodige “switch” tussen producten, waarbij er steeds extra commissielonen voor het bankkantoor en voor de bank kunnen opgestreken worden (Vanzetti, 2009, pp. 23-24). De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

105


Volgens Barth et al. (2004) zijn er dan ook tal van argumenten om banken te beperken tot “traditionele” activiteiten, zoals deposito's verzamelen en leningen uitschrijven, bestaan erin dat er inherente belangenconflicten ontstaan zodra banken beginnen met activiteiten zoals de acceptatie van effecten, verzekeringen, vastgoed, investeringen in en het bezitten van niet-financiële ondernemingen, etc... Door het spectrum van toegelaten activiteiten te vergroten, worden de mogelijkheden voor “moral hazard” bij banken steeds groter in het nemen van beslissingen om te investeren. Bovendien zullen universele banken moeilijker te controleren zijn, zal de financiële sector minder competitief zijn en zal er bijgevolg een minder efficiënt en meer fragiel financieel systeem ontstaan (Barth et al., 2004, p. 8). Dezelfde mening horen we bij Axel Miller, ex-topman van Dexia:

“In een ideale wereld is een bank klein. Ze is lokaal tot regionaal actief. Haar rendement of eigen vermogen schommelt rond maximaal 10 procent. En de bankier is een saaie en grijze bankier: hij zamelt spaargeld in en staat kredieten toe, maar neemt geen andere risico’s die een weerslag op het eigen vermogen kunnen hebben.” (Miller, 2009, geciteerd in Vanzetti, 2009, p. 35)

Volgens Vanzetti (2009) heeft het publiek eerder vertrouwen in een lokaal verankerde bank dan in een internationaal georiënteerde bank. Het lokale karakter van de openbare bank kan met andere woorden eerder een sterkte dan een zwakte zijn (Vanzetti, 2009, pp. 35-36). Volgens Anderianova et al. (2008) leiden systematische crisissen er tevens toe dat het publiek minder vertrouwen stelt in private banken en meer geld in publieke banken zal gaan steken (Andrianova et al., 2008, pp. 244245). Hierdoor neemt het risico van een “run” op de bank af, waaraan zelf een zeer solide bank niet kan weerstaan. Van Hees (2010) verwijst hierbij naar de ASLK, die, in tegenstelling tot Fortis, werkte met een lage hefboom, een lage ROE nastreefde en vooral gespecialiseerd was in het verzamelen van deposito’s en uitschrijven van (woon)kredieten aan particulieren (Van Hees, 2010, pp. 256-258).

Daarnaast is er de laatste jaren veel te doen geweest rond het onethische karakter van de verloning van topmanagers van private banken (bonussen, gouden parachutes, extra pensioenstortingen, enz.). In april 2009 laat de Amerikaanse bankgigant Goldman Sachs weten dat het de helft van de verwachte kwartaalwinst 2Q 2009 van £ 1.200.000.000 zal reserveren voor bonussen. In 2008, in De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

106


volle crisis en ondanks de massale overheidssteun die zij had ontvangen om te kunnen overleven, werd aan 973 kaderleden van Goldman Sachs een individuele bonus van USD 1.000.000 of meer betaald (Vanzetti, 2009, p. 31). Het voornaamste argument is dat zeer hoge lonen nodig zijn om hoogwaardige managers aan te trekken. Het spreekt volgens Vanzetti (2009) vanzelf dat het topmanagement van een overheidsbank naar behoren verloond dient te worden. Hetzelfde principe geldt ook voor een openbare bank, waar het management haar bijzondere financiële kennis, ervaring en capaciteiten inbrengt. Bovendien mogen de werknemers van een bank ook financieel worden gemotiveerd om van hun bank een efficiënte, klantvriendelijke en rendabele onderneming te maken. Dat betekent echter niet dat deze vergoedingen ten koste mogen gaan van de klanten, de werknemers (die niet tot het topkader behoren) en de stabiliteit van het financiële systeem. Deze cultuur van bonussen en een hoge verloning van het topmanagement was dan ook in hoofdzaak gebaseerd op het korte termijn resultaat en de stijging van de aandelenkoers (Vanzetti, 2009, pp. 3133).

De hoge gerealiseerde ROE van de Belgische banken van de afgelopen jaren, die we hiervoor reeds hebben weergegeven, staat in schril contrast met het rendement van de vroegere openbare bank ASLK, dat volgens Vanzetti (2009) destijds rond de 3% lag. Dit korte-termijnbeleid van de private banken, gericht op een hoge ROE, staat dan ook haaks op de hoger vermelde kenmerken van prudentieel beheer: de reële economie werd aangetast; individuele banken zouden zonder overheidsingrijpen failliet zijn gegaan; het geld van de bankklanten was in gevaar (zonder overheidsgarantie zouden ook de spaarcenten van kleine spaarders vernietigd zijn); en de kredietlijnen naar particulieren en bedrijven zouden zonder het ingrijpen van de overheid zijn opgedroogd. Bij een openbare bank, die per definitie niet onder druk staat van private aandeelhouders om excessief hoge rendementen te halen op korte termijn, is er volgens Vanzetti (2009) dan ook meer prudentieel beleid mogelijk, waardoor zij bijdraagt tot de veiligheid van het financiële systeem (Vanzetti, 2009, pp.17-18).

De vraag is natuurlijk of dit probleem niet kan opgelost worden door de financiële sector beter te reguleren. Vanzetti (2009) waarschuwt er echter voor dat er een aantal argumenten zijn waarom men niet alle heil van regelgeving mag verwachten. Zo toont het verleden dat regulering die na een crisis wordt ingesteld, opnieuw wordt afgebouwd wanneer de economie weer op volle toeren draait. Zo werd bijvoorbeeld in 1998 de sinds 1975 bestaande ‘Pickard regulering’ afgebouwd, die bestond De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

107


uit de “net capital rule” waarmee de maximale verhouding vast tussen het totale vermogen en het eigen vermogen van zakenbanken werd vastgelegd122. In 1999 werd voorts de ‘Glass-Steagall Act’ werd afgeschaft, die na de Grote Depressie van de jaren ’30 had in de VS was ingevoerd om een scheiding te garanderen tussen commerciële banken en zakenbanken, zodat spaarders niet langer het slachtoffer konden worden van de speculatieve praktijken van zakenbankiers (Vanzetti, 2009, p. 19).

Verder is het natuurlijk nogal naïef om te denken dat de invloed van financiële lobbygroepen op de totstandkoming van regulering beperkt zou blijven tot de VS. In 2006 keurde de EU nog een Richtlijn goed voor de liberalisering van de zogenaamde “hedge funds” en in september 2009 werd een taks op de speculatieve handel in deviezen nog afgeschoten door de OESO en de EC omwille van het gevaar voor de solvabiliteit van de banken (Vanzetti, 2009, p. 22). Bovendien is er sprake van sterk uiteenlopende opvattingen met betrekking tot inhoud en de uitwerking van regelgeving voor de financiële wereld tussen (en binnenin) de geografische zones (VS, Europa, China, enzovoort). Het ‘rapport de Larosière’, dat op vraag van de Europese Commissie verscheen op 25 februari, stelde voor om het systeem van Europese financiële supervisie te hervormen en bepleitte de oprichting van een aantal overkoepelende instellingen op globaal niveau (Larosière, 2009, pp. 57-58; Vanzetti, 2009, p. 21). Het initiatief hiertoe zou genomen moeten worden op het niveau van de G20. In juni 2010 bleek de G20 zich met betrekking tot een globale bankentaks enkel willen engageren tot de zogenaamde 'Sinatra-doctrine', waarbij alle G20-landen zelf mogen kiezen of en hoe ze een bankenbelasting willen invoeren, zodat ze allemaal achteraf kunnen zeggen: “I did it my way” (De Standaard, 29/06/2010).

Vanzetti (2009) laat zich ten slotte ook zeer kritisch uit over de “zelfregulering” van banken, dat zich meestal vertaalt in een “corporate social responsibility” charter. Volgens hem heeft de recente geschiedenis aangetoond dat vormen van “zelfregulering” geen effectieve vormen van regulering zijn (Vanzetti, 2009). Hij verwijst hierbij naar Robert Reich, de vroegere Secretary of Labour onder president Clinton en huidig lid van Barack Obama’s Economische Raad. Zijn bedenkingen laten zich als volgt samenvatten:

122

Interessant om hierbij op te merken is dat er over deze fundamentele, (anti) prudentiële maatregel pas in 2008 bericht werd in de Washington Post (Vanzetti, 2009, p. 19).

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

108


“Een private onderneming heeft slechts één doel: het optimaliseren van de winst. […] Zij kan zich niet veroorloven rekening te houden met ethische gedragslijnen die haar concurrentiële positie zouden aantasten. Met andere woorden, ethiek heeft in private ondernemingen een instrumentele en geen intrinsieke waarde. […] De realiteit is bijgevolg dat in de economie van vandaag sociale consideraties nauwelijks een rol spelen.” (Robert Reich, geparafraseerd in Vanzetti, 2009, pp. 33-34)

Eén en ander betekent dat sociale charters vaak als “windowdressing” worden gebruikt, teneinde de aandacht af te leiden van de nood aan afdwingbare wetgeving en regulering op dit gebied. Tenslotte mag men niet vergeten dat “corporate social responsibility” charters door de bedrijven zelf worden geschreven. Bij hun totstandkoming ontbreekt elke vorm van democratische controle. Als principes van maatschappelijk belang botsen, dan beslist het bedrijf eigenmachtig, zonder elke vorm van publieke discussie, welk principe er uiteindelijk bepalend zal zijn. Om al deze redenen is het volgens hem naïef om alle heil te verwachten van “corporate social responsibility” charters (Vanzetti, 2009, p. 34).

ARGUMENT 3: HET SERVICE ARGUMENT

Eén van de voornaamste argumenten voor een openbare bank, is dat dergelijke banken de voorziening van bankdiensten aan iedereen garanderen, onafhankelijk van hun woonplaats en sociale status (Celetti et al., 2005, p. 32). Volgens Vanzetti (2009) hebben de banken in België in de laatste jaren hun kantorennetwerk “gerationaliseerd”. In de praktijk komt dit erop neer dat het aantal kantoren uit kostenoverwegingen is gedaald (Vanzetti, 2009, p. 22). Volgens Van Hees (2010) daalde het totaal aantal bankkantoren van 7.791 in 1994 tot 4.837 in 2004. De grootste daling was merkbaar bij Fortis waar er, ondermeer door een groot aantal dubbele kantoren door fusies en overnames, een daling van 46% op het totale netwerk te beschrijven valt over dezelfde periode. Van de 940 agentschappen die er nog overbleven bij Dexia in 2009, werden er nog eens 80 voorzien om binnen de twee jaar gesloten te worden (Van Hees, 2010, p. 42).

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

109


Celetti et al. (2005) gaven eerder aan dat, hoewel de privatisering van de jaren '90 geleid heeft tot een scherpe afname (of consolidatie) van het aantal banken, de privatisering in Italië heeft geleid tot een toename van het aantal vestigingen (Celetti et al, 2005, pp. 42-43). Anderzijds halen Celetti et al. (2005) halen ook aan dat ook in de Duitse bankensector er sprake is van een ernstige reductie van het aantal vestigingen van banken sinds het begin van de jaren '90, zowel bij de private als bij de publieke banken, met inbegrip van bijvoorbeeld de ‘Postbank’ die traditioneel gekend stond om zijn wijdverspreide aanwezigheid, zowel voor als na hun privatisering (Celetti et al., 2005, p. 45). Van Hees (2010) lanceert in zijn boek het concrete voorstel om, uitgaande van de semipublieke ‘Bank van de Post’123 een openbare spaarbank uit te bouwen met een breed kantorennetwerk, waarbij de postkantoren en bankfilialen die de voorbij jaren gesloten zijn opnieuw geopend zouden kunnen worden (Van Hees, 2010, pp. 254-255).

Vanuit dezelfde kostenbesparende filosofie hebben banken hun klanten gestimuleerd tot het zogenaamde PC-bankieren. In de kantoren zelf wordt een “portaalpolitiek” gevoerd: Klanten worden zoveel mogelijk aangezet om al hun transacties met behulp van de automaten in het portaal af te werken. De drempel naar het eigenlijke kantoor werd hoger en het aanbod van persoonlijke service wordt zoveel mogelijk beperkt (Vanzetti, 2009, pp. 22-23). Bij ING heet deze strategie de “Bank van de toekomst”, waarbij er van de 800 overblijvende kantoren er nog maar slechts 250 hun loketten zouden behouden (Van hees, 2010, p. 42). Celetti et al. (2005) merken ook op dat de stijging in aantal kantoren vooral een toename in “little branches”

(die slechts een beperkt aantal diensten

aanbieden) betreft en dat er een serieus risico bestaat dat private banken minder geneigd zullen zijn om te investeren in armere regio's dan dat dit bij publieke spaarbanken het geval zal zijn (Carletti et al, 2005, pp. 42-43). Bijgevolg wordt het voor mensen met verminderde mobiliteit steeds moeilijker om een bereikbaar bankkantoor te vinden. Voor wie om allerlei redenen niet zo goed overweg kan met PC of bankautomaat wordt bankieren steeds moeilijker (Vanzetti, 2009, p. 23). Erik Corijn, cultuursocioloog aan de VUB heeft hier in een opiniebijdrage in De Tijd “Mijnheer Vorton en ik” het volgende over te zeggen:

123

Op dit moment is de ‘Bank van de Post’ in handen van BNP Paribas Fortis (50%) en De Post (50%), die op haar beurt zelf voor 50% in private handen is en binnenkort nog verder geprivatiseerd zou moeten worden (Van Hees, 2010, p. 254).

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

110


“Stelselmatig werden de diensten duurder en werd je aangezet meer werk zelf te doen (PCbanking). De dienstverlening ging achteruit. Het bankkantoor werd kleiner, maar het bleef zeer nuttig. […] Fortis meldde ons enkele weken geleden dat het kantoor dicht ging en dat we elders in de stad onderkomen kregen. Het dichtst bijzijnde kantoor dat ik opzocht meldde me dat het binnen enkele weken ook zou sluiten en dat ik dus verder weg moest zoeken.” (Erik Corijn, geciteerd in De Tijd, 04/02/2005)

Dit alles geldt volgens Vanzetti (2009) niet voor de meer vermogende private banking klanten, waar we eerder een omgekeerde evolutie zien (Vanzetti, 2009, p. 32). Ook volgens Van Hees (2010) nam het aantal (binnenlandse en buitenlandse) instellingen die gespecialiseerd zijn in private banking de afgelopen jaren fors toe. Hij spreekt van een systeem met 5 klassen (of “service levels”) dat gehanteerd wordt bij de banken, afhankelijk van de “waarde” van de respectievelijke rekeninghouder. Bij KBC zouden de bankbedienden zelfs rechtstreeks de globale rentabiliteit van elke cliënt op hun scherm zien verschijnen, zodra deze zich bij hen aandient, teneinde hem/haar bijkomende diensten en/of producten aan te bieden (Van Hees, 2010, pp. 35-37).

De keerzijde van de medaille situeert zich uiteraard bij de minder kapitaalkrachtige klanten, die, voor zover de kost die zij betekenen groter is dan de opbrengsten die er tegenover staan, het slachtoffer worden van zogenaamde “demarketing”. Dit is een proces waarbij de meest verlieslatende klanten geconfronteerd worden met langere wachttijden, minder opvolging, minder service, etc. teneinde hun klanttevredenheid te verminderen. In extreme gevallen kan de rekening zelfs afgesloten worden124 (Van Hees, 2010, pp. 38-40). In 2003 kwam er een wet (aangepast in 2007), waardoor banken voortaan een basispakket moesten voorzien aan klanten met een rekening van minder dan 6000 euro. Hierdoor daalde het aantal mensen zonder een bankrekening van 40.000 in 2001 tot 10.000 in 2006 (Van Hees, 2010, pp. 44-45).

Bovendien worden er steeds meer kosten aangerekend voor de klanten. Volgens Van Hees (2010) loopt de totale kost van een rekening (behalve voor jongeren) bij Fortis Bank op tot 68,94 euro per maand of 61,20 euro voor het forfait ‘Easy pack’. Ook het PC-bankieren is niet gratis en kost er 12

124

Zoals bijvoorbeeld voorzien in artikel 14 van de algemene gebruiksvoorwaarden van Fortis Bank (Van Hees, 2010, p. 40)

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

111


euro per jaar. Hier staat tegenover dat een bankrekening vroeger volkomen gratis was. Ook de betaalde interesten gingen sterk de hoogte in. Voor wie “onder 0” gaat, flirten de grote banken met het wettelijke maximum van 11%. Op diezelfde rekening kent Fortis een interest van 0,25% toe, voor zover het bedrag 2500 euro overschrijdt (Van Hees, 2010, pp. 44-46). Ondertussen stagneren de basisrentes van de grote banken tussen de 1,50 en 1,75%, hoewel Fortis, de leider op de markt van hypotheekkredieten, 6% vraagt op een hypothecaire lening op 20 jaar (Van Hees, 2010, pp. 52-53).

De basisrente van de Europese Centrale Bank, waarmee de banken zichzelf financieren, in het kader van de financiële crisis en meer specifiek om het kredietwezen te stimuleren, daalde tussen september 2008 en mei 2009 van 4,25% tot een historisch minimum van 1%. In de praktijk vertaalde deze goedkopere rente zich tot dusver echter nauwelijks in goedkopere kredieten voor particulieren en bedrijven. Zo daalde de rente op de kasbons van Fortis tussen oktober 2008 en februari 2009 van 5,1% tot 2%, hoewel de rente op haar uitgegeven kaskredieten (op korte termijn) slechts daalde van 9,75% tot 9,65% (Van Hees, 2010, pp. 58-60). Ook uit de eerder besproken literatuur blijkt dat er in Europa een relatief trage doorstroom is van de interestvoeten van de centrale bank naar de banken (Goddard et al., 2007, pp. 1927-1928)

Een openbare bank wordt niet louter gedreven door winstmaximalisatie. Om die reden zal de intrede van een openbare bank op de bankenmarkt volgens Vanzetti (2009) er enerzijds voor zorgen dat de kosten op financiële transacties en diensten dalen. Er zal dus sprake zijn van toenemende concurrentie, wat uiteraard in het voordeel is van de klant. Anderzijds kan een openbare bank ook de kwaliteit van de klantenservice opdrijven en de klantentevredenheid verbeteren. Deze grotere klantentevredenheid bij een openbare bank heeft niet alleen te maken met een betere bereikbaarheid van de bankdiensten, maar ook met een meer klantgerichte verkoopspolitiek. Bij een openbare bank zou er immers niet langer sprake zijn van een belangenconflict tussen aandeelhouders en klant, wat bijdraagt tot de bereikbaarheid, persoonlijke service en transparantie van de producten (Vanzetti, 2009, pp. 22-23). Volgens Van Hees (2010) heeft een openbare bank tevens het voordeel dat er geen verschil meer gemaakt worden tussen de verschillende “klassen” aan klanten (Van hees, 2010, p. 256).

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

112


Deze redenering strookt echter niet met de bevinding van enkele eerder geciteerde auteurs, die stellen dat een hogere mate van staatseigendom in de bankensector ertoe bijdraagt dat de concurrentie in de bankensector daalt, ook al hebben publieke banken de neiging om goedkoper te lenen dan private banken (Goddard et al., 2007, p. 1926; Barth et al, 2004; Sapienza, 2004; Chakavarty et al., 2006). Volgens Edgar Meister, lid van de Raad van Bestuur van de ‘Deutsche Bundesbank’, kan een openbare bank in een vrije markteconomie juist leiden tot betere concurrentie – concreet: tot lagere kosten voor de consument en tot een grotere bereikbaarheid van financiële diensten. In de openingsrede van “International Conference on Public versus Private Ownership of Financial Institutions”, die plaatsvond in November 2006, drukt hij dit als volgt uit:

“Public banks may strengthen competition among banks. Customers may therefore get financial services at lower cost. If there is intense competition, banks provide their financial services at no more than the cost of delivering these services. The argument that public banks and credit cooperatives can intensify competition is especially relevant in rural areas as the competition among private commercial banks is not so strong in these areas.” (Meister, 2006, pp. 5-6)

ARGUMENT 4 : HET SOCIAAL ARGUMENT

Het sociaal argument heeft betrekking op de impact van de bankensector op de maatschappij. Dit argument valt verder uiteen in drie aparte argumenten, die desalniettemin nauw met elkaar verbonden zijn: de werknemers, de lokale economie en het klimaat.

DE WERKNEMERS

Volgens gegevens van het Departement Werk en Sociale Economie van Vlaanderen was het aantal tewerkgestelde werknemers in de sector ‘Financiële activiteiten en onroerend goed’ in het Vlaamse Gewest eind 2008 gelijk aan 89.306 (Vanzetti, 2009, p. 26). Van Hees (2010) spreekt van 63.000 De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

113


werknemers in de Belgische bankensector in 2008. Een daling van 45.000 jobs tegenover 1990. Volgens een “voorzichtige schatting” van de christelijke vakbond LBC-NVK zouden er tussen nu en 2012 nog eens 15.000 extra banen verdwijnen in de sector (Van Hees, 2010, p. 63). Naast deze directe werkgelegenheid, is er nog een indirect werkgelegenheidseffect bij toeleveranciers en via consumptieve besteding. De totale directe in indirecte werkgelegenheid in de bedrijfstak banken en financiële dienstverlening is gelijk aan 255.800. Dat betekent dat volgens deze schattingen ongeveer 12% van de werkgelegenheid in Vlaanderen afhangt van de sector banken en financiële dienstverlening (SERV, Focus indirecte werkgelegenheid banken en verzekeringen, 2006, geciteerd in Vanzetti, 2009, p. 26).

Sinds de overname van Fortis door PNB Paribas, is de beslissingsmacht over de Belgische werkgelegenheid weer wat meer naar het buitenland verschoven. Het verleden leert bovendien dat, wanneer er moet gesnoeid worden in jobs, private ondernemingen dat uit chauvinistische en opportunistische overwegingen niet graag doen in het “thuisland”, maar bij voorkeur in hun buitenlandse vestigingen (Vanzetti, 2009, p. 26). Bij het doorvoeren van synergieën, ter waarde van 500 miljoen per jaar, tussen de operaties van Fortis Bank België en was er aanvankelijk sprake van 5.000 banen die in België verloren zouden gaan (Van Hees, 2010, pp. 63, 207-208). Volgens Didier Reynders ging het tot dusver “maar” om 750 jobs (De Standaard, 13/01/2010).

Van Hees spreekt, verwijzend naar een artikel in ‘Le Soir’, van 900 jobs minder in het eerste trimester van 2009 (Van Hees, 2010, p. 63). Volgens de jaarverslagen van Fortis Bank nam het personeelsbestand in 2008 af met 2% (Fortis Bank, 2008). In 2009 nam het totale personeelsbestand van PNB Paribas Fortis af van 21.194 tot 20.414. Dit komt neer op een daling van 740 jobs of ongeveer 3,7% (BNP Paribas Fortis, 2009, p. 385). Deze daling staat in sterk contrast van de toename van het aantal jobs in de groep PNB Paribas wereldwijd van 173.200 tot 201.700 (een toename van 16%) en in Europa van 132700 tot 159800 (een toename van 20%) (BNP Paribas, 2009, p. 10), hetzij ondermeer de overname van Fortis Bank hierbij een grote rol gespeeld zal hebben. Volgens Vanzetti (2009) zou een openbare bank, integendeel, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan een duurzame nationale werkgelegenheidspolitiek (Vanzetti, 2009, p. 26).

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

114


Ook het inkomen van de werknemers van de banken en de wijze waarop dit inkomen wordt gespendeerd is van wezenlijk belang voor de Belgische economie. Desondanks het feit dat de kennis, competentie, werkkracht, en motivatie van de werknemers niet wordt bepaald door de eigendomsstructuur van de bank (Vanzetti, 2009, p. 27), zijn er volgens Van Hees (2010) gedurende de voorbije twintig jaar, afgezien van welvaartsaanpassingen en bepaalde extralegale voordelen, geen loonsverhogingen meer doorgevoerd in de bankensector (Van Hees, 2010, p. 64). Tussen 1993 en 2004 nam de salarismassa van Fortis Bank toe met 15%, tegenover een inflatie van 22% over dezelfde periode. Ondertussen zouden de extralegale voordelen toenemen met 514% (Van Hees, 2010, p. 65).Hierbij kan bovendien verwezen worden naar de zogenaamde winstparticipaties (waarbij het personeel wordt verloond met een aandeel in de winst) en programma’s waarbij het personeel steeds meer aangemoedigd aandelen van het eigen bedrijf te kopen, waardoor de volatiliteit van de salarissen sterk toenam (Vanzetti, 2009, p. 27). De voordelen van dergelijke plannen zijn duidelijk: de werknemers worden aangemoedigd om mee een hogere ROE na te streven, teneinde een hoger salaris te ontvangen in tijdens van economisch voorspoed. In slechte tijden werkt dit principe natuurlijk omgekeerd (Van Hees, 2010, pp. 68-69). Hierbij kunnen we bijvoorbeeld verwijzen naar de aandelen van Fortis, die na haar beurscrash in 2008 tot een minimale waarde herleid werden (Van Hees, 2010, p. 69).

DE LOKALE ECONOMIE

Een van de voornaamste argumenten die er in de literatuur terug te vinden zijn voor openbare banken zijn, bestaat in het voorzien van goedkope leningen aan sociale initiatieven, KMO's en strategische industrieën. Volgens Celetti et al. (2005) zouden enkel staatsbanken voldoende leningen kunnen voorzien aan kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's). Zij beschrijven hoe het Italiaanse bancaire systeem tot de jaren '90 tamelijk succesvol was in haar doelstellingen om groei in de industriële sector te stimuleren, die gekarakteriseerd werd door een groot aantal KMO's (Celetti et al., 2005, pp. 32-33). Verder geven Celetti et al. (2005) ook aan dat het aantal leningen aan KMO's serieus gedaald is tussen 1990 en 1998, zijde de periode van de privatiseringsgolf in de Italiaanse bankensector. Ze geven zelf wel aan dat dit waarschijnlijk ook veel te maken zal hebben gehad met de consolidatie in de bankensector (Celetti et al., 2005, pp. 42-43).

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

115


Celetti et al. (2005) veronderstellen verder dat grote banken minder snel leningen zullen toekennen aan kleine bedrijven, waarbij “zachte informatie” (in tegenstelling tot “harde informatie” of exact cijfermateriaal over de onderneming) een belangrijkere rol speelt dan bij grote bedrijven. Desalniettemin blijft er sprake zijn van een negatief effect op de welvaart, vooral omdat private banken minder geneigd zullen zijn om te investeren in minder welvarende regio's (Celetti et al., 2005, p. 43). Usai en Vannini (2005) maken een onderscheid tussen vier verschillende soorten leningen: op basis van financiële verklaringen, op basis van activa, op basis van ratings en op basis van duurzame relaties. Hoewel bij de eerste drie vormen vooral “harde” informatie een cruciale rol speelt, is bij de leningen op basis van de relaties tussen bank en cliënt de “zachte” informatie van cruciaal belang. Dit soort leningen komen volgens hen dan ook het meeste voor bij KMO's (Usai and Vannini, 2005, p. 694). Dit alles impliceert dat de sterkte van de KMO's en het gevaar voor het behoud van hun marktpositie tenminste in overweging moet genomen worden bij de beslissing om al dan niet te privatiseren in de bankensector (Celetti et al., 2005, p. 48).

Ook Vanzetti (2009) geeft aan dat een openbare bank een belangrijk rol kan spelen bij het verlenen van krediet aan particulieren en ondernemingen, die anders het eerste slachtoffer zouden worden van de kredietschaarste bij crisis. De ervaring leert immers dat openbare banken en kredietcoöperaties hun ontleningactiviteit niet zo sterk aanpassen aan de economische cyclus als private commerciële banken. Door het ontlenen van geld aan bedrijven, vooral aan KMO’s, te stabiliseren, helpen deze banken het zakenleven. Deze stabilisatie vermindert het macro-economisch risico en bevordert de stabiliteit van het hele financiële systeem. Een overheidsbank laat dus toe om een anticyclische politiek te voeren (Vanzetti, 2009, p. 35). Deze bedenking onderstreept nogmaals het gegeven dat we reeds meermaals in deze masterproef onderstreept hebben125, namelijk dat een overheidsbank te situeren in binnen het bredere kader van “Keynesiaanse politiek” die gebruik maakte van staatsinterventie om de economie op gang te trekken.

Hoewel er bij het publiek misschien wel grote interesse bestaat voor een veilige bank die investeert in sociaal waardevolle projecten; is de toegang tot dergelijk projecten misschien wel erg beperkt. De “duurzame” bank Triodos bijvoorbeeld zag weliswaar een forse groei van klantendeposito’s met 38 % in 2008, maar kon in datzelfde jaar slechts 45 % van haar deposito’s investeren. De bank wil immers

125

Zie bijvoorbeeld “Inleiding”, pp. 8-9, “Hoofdstuk 1.1”, pp. 10-12 en “Algemeen Besluit”, pp. 97-98.

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

116


enkel investeren eren in projecten die aan een aantal criteria voldoen, zoals milieuprojecten, windenergie, en culturele en sociale projecten. Topman Olivier Marquet geeft zelf ook toe dat er een tekort is aan duurzame projecten. In 2004 maakten de zogenaamd “sociale fondsen” fonds slechts 0,3% procent uit van alle beleggingsfondsen in Europa (Vanzetti, 2009, pp. 33-34).

De creatie van een openbare bank kan dit probleem volgens Vanzetti (2009) echter oplossen. De overheid zou immers wel in staat zijn om voldoende projecten met sociale inhoud en een breed maatschappelijk draagvlak te creëren, alsook de goede uitvoering van deze projecten te controleren en te coördineren. De overheid kan haar openbare bank hiertoe een duidelijk ethisch en sociaal charter opleggen. Wanneer bovendien bovendien een openbare bank ervoor zorgt dat haar verrichtingen voldoende transparant zijn voor het cliënteel, dan kan een openbare bank tegemoet tegemoet komen aan de wensen tot “sociaal sociaal investeren”, investeren die aanwezig zijn bij een groot deel van het Belgische publiek (Vanzetti, 2009, p. 34).

HET MILIEU

De verloedering van het milieu in het algemeen en de klimaatsverandering meer specifiek vormen zeer grote uitdagingen voor de mensheid doorheen de 21e eeuw. Volgens wetenschappers moet er ten allen tijde voorkomen worden dat de temperatuur van de aarde met meer dan 2 °C stijgt boven pre-industriële pre industriële niveaus. Om dit te voorkomen, werd er in 2005 van start gegaan met het ‘Kyoto Protocol’, waarvan enkele van de meest vervuilende landen echter geen deel van uitmaakten. Naar aanleiding aanleiding van de UNFCCC conferentie in Copenhagen, die plaats vond eind 2009, stelde de Europese Unie haar 20/20/20 – doelstellingen voorop. Op de top van Copenhagen werd er echter geen akkoord bereikt over wereldwijde doelstellingen voor de reductie van broeikasgassen. broeikasgassen. In het kader van de Europese doelstellingen, volgens dewelke de jaarlijkse energieconsumptie van de Europese landen tegen 2020 met 20% gereduceerd zou moeten zijn, wordt er ondertussen wel meer en meer geïnvesteerd in hernieuwbare energiebronnen.

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

117


Volgens Vanzetti (2009) is een openbare bank het aangewezen instrument voor de overheid om een omschakeling te bewerkstellingen van een kortzichtige consumptie-economie naar een duurzame groene economie – en dit zowel op het micro- als macro-economisch niveau (Vanzetti, 2009, p. 30). Volgens de ‘European Association of Public Banks’ (EAPB, 2008) is een schoon, gezond en duurzaam klimaat immers een publiek goed, waardoor er voor de staten en de openbare banken een cruciale rol is weggelegd om nieuwe technologisch ontwikkelingen die daartoe bijdragen te stimuleren. Hierbij is het misschien interessant om op te merken dat staten van de Europese Unie specifiek wel de toestemming krijgen om staatssteun te verlenen aan bedrijven, in zoverre zij actief zijn in de sector van hernieuwbare energie. Bij de EAPB verwijzen ze hierbij ook naar de ‘Europese Investeringsbank’ (EIB), die al sinds de jaren ’70 een belangrijke rol gespeeld heeft in het financieren van talloze programma’s voor hernieuwbare energie. In 2007, aan het begin van de wereldwijde kredietschaarste, verviervoudigde deze fondsen tot 2 miljard euro. In 2009 zouden deze bedragen opgelopen zijn tot 6 miljard euro (EAPB, 2008, p. 10).

Uiteraard zullen ook privé banken investeren in een meer duurzame economie, echter enkel op voorwaarde dat deze investeringen voldoende rendabel zijn. Niet- winstmaximaliserende doelstellingen zijn hieraan per definitie ondergeschikt126. Volgens de EAPB (2008) zijn publieke banken dan ook de instellingen bij uitstek om dergelijke nieuwe technologieën te financieren:

“Renewable energy project promotors often have a relatively weak credit profile and […] use technology that is still in early stages of development. […] In most cases, it is impossible for the investors to find fiancning on the regular market. […] Following the political objectives, the EAPB Member Banks assign a very high priority to the expansion of their lending for renewable and energy efficient projects.” (EAPB, 2008, p. 11)

Volgens Vanzetti (2009) zullen “groene” argumenten pas voldoende gewicht in de schaal leggen bij de investeringsbeslissingen van private banken, op voorwaarde dat er rechtstreeks of onrechtstreeks voldoende rendement staat tegenover deze investeringen (Vanzetti, 2009, pp. 30-31). Hetzelfde probleem stelt zich volgens de EAPB niet enkel voor financiering aan ondernemingen, maar ook voor

126

Zie ook “Agument 2: Het prudentieel argument”, pp. 104-108.

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

118


leningen een particulieren en KMO’s die energiebesparende maatregelen willen doorvoeren in hun woningen en/of productieprocessen (EAPB, 2008, p. 11). Betere en meer duurzame projecten, die financieel minder opbrengen, lopen dan het risico aan de kant te worden geschoven (Vanzetti, 2009, p. 31).

CONCLUSIE

Uit de hierboven gegeven argumenten voor openbare banken, kunnen we besluiten dat publieke banken in tijden van normale ontwikkeling van de financiële markten enkele duidelijke voordelen hebben, die bij private banken ontbreken. Zo zouden publieke banken in principe voorzichtiger moesten omspringen met de spaargelden van hun klanten en hen een betere dienstverlening moeten kunnen aanbieden. Bovendien bieden publieke banken aantoonbare voordelen voor de werknemers van deze banken, zijn ze goed geplaatst voor het stimuleren van lokale economische ontwikkeling en kunnen ze bijdragen tot nieuwe technologieën, die noodzakelijk zijn in het kader van de strijd tegen de klimaatsverandering.

Hierbij moet wel de belangrijke nuance gemaakt worden dat deze argumenten niet zomaar opgaan voor deze of gene openbare bank. De openbare bank, waarvan er hier sprake is, is in feite een openbare spaarbank, die zeer sterk beperkt wordt in haar activiteiten en die slechts een beperkt rendement op eigen vermogen (ROE) voorop stelt. Deze activiteiten bestaan in de eerste plaats uit het verzamelen van deposito’s en het toestaan van kredieten aan particulieren, KMO’s en sociale projecten. Deze bank kan haar maatschappelijke rol vervullen naast een reeks private banken, die gericht zijn op een veel breder scala aan activiteiten. In België is een dergelijke bank een haalbare optie, in zoverre zij bijvoorbeeld uitgebouwd zou worden in de schoot van de (nu semipublieke) ‘Bank van De Post’ (‘Banque de La Poste’).

In tijden van ernstige financiële crisissen, zoals we die de afgelopen jaren meegemaakt hebben, stelt de discussie over een openbare bank zich veel scherper. In de praktijk hebben we een fenomeen kunnen beschrijven, waarbij de private aandeelhouders van de bankensector de voorbije decennia De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

119


enorme winsten hebben kunnen verzamelen. Bij het uitbreken van de financiële crisis werden de enorme verliezen, die geboekt werden tengevolge van de grote risico’s die werden genomen om deze winsten te realiseren, gecollectiviseerd door de hele gemeenschap. Op het moment dat de staat tussenbeide moet komen om een bank die “too-big-to-fail” is te redden, moet de staat ernstig overwegen om van deze bank (opnieuw) een openbare bank te maken. We zijn in elk geval van mening dat het traditionele argument dat er vanuit de politiek op deze vraag gegeven wordt, zijnde “de overheid is geen bankier”, geen steek houdt.

De publieke bank in Europa | Nabeschouwing: Argumenten voor een openbare bank in België

120


REFERENTIES

WETENSCHAPPELIJKE ARTIKELS (ALFABETISCH)

Altunbas, Y., Evans, L., and Molyneux, P. 2001. Bank Ownership and Efficiency. Journal of Money, Credit and Banking 33(4): 926-954. Andrews, M. 2005. State-Owned Banks, Stability, Privatization, and Growth: Practical Policy Decisions in a World Without Empirical Proof. In International Monetary Fund (IMF). Andrianova, S., Demetriades, P., and Shortland, A. 2008. Government ownership of banks, institutions, and financial development. Journal of Development Economics 85(1-2): 218-252. -. 2009. Is Government Ownership of Banks Really Harmful to Growth? In Discussion Papers in Economics. University of Leicester, Leicester. Artus, P. 2003. Funding public services in Europe: State banks or public-private partnerships (PPPs)? In 6th Conference on Public Sector, Private Sector - New National and International Frontiers 104116. Paris, France: Edward Elgar Publishing Ltd. Barth, J.R., Caprio, G., and Levine, R. 2000. Banking Systems Around the Globe: Do Regulation and Ownership Affect Performance and Stability? Washington: The World Bank. -. 2004. Bank regulation and supervision: what works best? Journal of Financial Intermediation 13(2): 205-248. Beck, T., Demirguc-Kunt, A., and Maksimovic, V. 2004. Bank competition and access to finance: International evidence. Journal of Money Credit and Banking 36(3): 627-648. Berger, A.N. 2007. Obstacles to a global banking system: "Old Europe" versus "New Europe". Journal of Banking & Finance 31(7): 1955-1973. Berger, A.N., Clarke, G.R.G., Cull, R., Klapper, L., and Udell, G.F. 2005. Corporate governance and bank performance: A joint analysis of the static, selection, and dynamic effects of domestic, foreign, and state ownership. Journal of Banking & Finance 29(8-9): 2179-2221. De publieke bank in Europa | Referenties

121


Bertrand, M., Schoar, A., and Thesmar, D. 2007. Banking deregulation and industry structure: Evidence from the French banking reforms of 1985. Journal of Finance 62(2): 597-628. Boehmer, E., Nash, R.C., and Netter, J.M. 2005. Bank privatization in developing and developed countries: Cross-sectional evidence on the impact of economic and political factors. Journal of Banking & Finance 29(8-9): 1981-2013. Boubakri, N., Cosset, J.C., and Guedhami, O. 2009. From state to private ownership: Issues from strategic industries. Journal of Banking & Finance 33(2): 367-379. Canhoto, A. and Dermine, J. 2003. A note on banking efficiency in Portugal, New vs. Old banks. Journal of Banking & Finance 27(11): 2087-2098. Carbo, S., Gardener, E.P.M., and Williams, J. 2002. Efficiency in Banking: Empirical Evidence from the Savings Banks Sector. The Manchester School 70(2): 204-228. Celetti, E., Hakenes, H., and Schnabel, I. 2005. The privatization of Italian savings banks: A role model for Germany? Vierteljahreshefte zur Wirtschaftsforschung 74: 32-50. Chakravarty, S.P. and Williams, J.M. 2006. How significant is the alleged unfair advantage enjoyed by state-owned banks in Germany? Cambridge Journal of Economics 30(2): 219-226. Cornett, M.M., Guo, L., Khaksari, S., and Tehranian, H. 2010. The impact of state ownership on performance differences in privately-owned versus state-owned banks: An international comparison. Journal of Financial Intermediation 19(1): 74-94. De Bandt, O. and Davis, E.P. 2000. Competition, contestability and market structure in European banking sectors on the eve of EMU. JOURNAL OF BANKING & FINANCE 24(6): 1045-1066. Deeg, R. 2001. Hans-Werner Sinn, The German State Banks: Global Players in the International Financial Markets. Journal of Comparative Economics 29(1): 195-197. Dinรง, I.S. 2005. Politicians and banks: Political influences on government-owned banks in emerging markets. Journal of Financial Economics 77(2): 453-479. EAPB. 2008. Climate change - The role of public banks in financing renewable energy in Europe. Annual Report of the European Association of Public Banks 2007-2008: 9-12. Engel, D. and Middendorf, T. 2009. Investment, internal funds and public banking in Germany. Journal of Banking & Finance 33(11): 2132-2139. De publieke bank in Europa | Referenties

122


Fraser, D.R. and Zardkoohi, A. 1996. Ownership structure, deregulation, and risk in the savings and loan industry. Journal of Business Research 37(1): 63-69. Galindo, A. and Micco, A. 2004. Do state owned banks promote growth? Cross-country evidence for manufacturing industries. Economics Letters 84(3): 371-376. Garcia-Cestona, M. and Surroca, J. 2008. Multiple goals and ownership structure: Effects on the performance of Spanish savings banks. European Journal of Operational Research 187(2): 582599. Goddard, J., Molyneux, P., Wilson, J.O.S., and Tavakoli, M. 2007. European banking: An overview. Journal of Banking & Finance 31(7): 1911-1935. Hackethal, A., Schmidt, R.H., and Tyrell, M. 2006. The transformation of the German financial system. In Max Fry Workshop 2005 431-456. Birmingham, ENGLAND: Editions Dalloz. Hardie, I. and Howarth, D. 2009. Die Krise but not La Crise? The Financial Crisis and the Transformation of German and French Banking Systems. Journal of Common Market Studies 47(5): 1017-1039. Hau, H. and Thum, M. 2009. Subprime crisis and board (in-) competence: private versus public banks in Germany. Economic Policy(60): 701-752. Hauner, D. 2009. Public debt and financial development. Journal of Development Economics 88(1): 171-183. Hellmann, T.F., Murdock, K.C., and Stiglitz, J.E. 2000. Liberalization, Moral Hazard in Banking, and Prudential Regulation: Are Capital Requirements Enough? The American Economic Review 90(1): 147-165. Iannotta, G., Nocera, G., and Sironi, A. 2007. Ownership structure, risk and performance in the European banking industry. Journal of Banking & Finance 31(7): 2127-2149. Kwan, S.h. 2004. Risk and return of publicly versus privately owned banks. Federal Reserve Bank of New York Economic Policy Review 10: 97-107. Megginson, W.L. 2003. The economics of bank privatization. In World-Bank Conference on Bank Privation 1931-1980. Washington, DC: Elsevier Science Bv.

De publieke bank in Europa | Referenties

123


Meister, E. 2006. Welcome and Opening Remarks. In International Conference on Public versus Private Ownership of Financial Institutions. Frankfurt am Main: Deutsche Bundesbank. Micco, A. and Panizza, U. 2006. Bank ownership and lending behavior. Economics Letters 93(2): 248254. Micco, A., Panizza, U., and Yanez, M. 2004. Bank ownership and performance. Does politics matter? In 17th Australasian Finance and Banking Conference 219-241. Sydney, Australia: Elsevier Science Bv. Narayanan, R.P., Rangan, K.P., and Rangan, N.K. 2007. The effect of private-debt-underwriting reputation on bank public-debt underwriting. Review of Financial Studies 20(3): 597-618. Nichols, D.C., Wahlen, J.M., and Wieland, M.M. 2009. Publicly traded versus privately held: implications for conditional conservatism in bank accounting. Review of Accounting Studies 14(1): 88-122. Pagoulatos, G. 2003. Financial Interventionism and Liberalization in Southern Europe: State, Bankers, and the Politics of Disinflation. Journal of Public Policy 23(2): 171-199. Porta, R.L., Lopez-de-Silanes, F., and Shleifer, A. 2002. Government Ownership of Banks. The Journal of Finance 57(1): 265-301. Sapienza, P. 2002. What do State-Owned Firms Maximize? Evidence from Italian Banks. Chicago: Northwestern University. -. 2004. The effects of government ownership on bank lending. Journal of Financial Economics 72(2): 357-384. Saunders, A., Strock, E., and Travlos, N.G. 1990. Ownership Structure, Deregulation, and Bank Risk Taking. The Journal of Finance 45(2): 643-654. Schmidt, V.A. 1996. Review: Industrial Policy and Policies of Industry in Advanced Industrialized Nations. Comparative Politics 28(2): 225-248. Mu単oz, I., Norden, L., and Udell, G.F. 2008. Liberalization, corporate governance and savings banks. In: EFA 2008 Meetings, Athens. Shaffer, S. 2001. Banking conduct before the European single banking license: a cross-country comparison. The North American Journal of Economics and Finance 12(1): 79-104. De publieke bank in Europa | Referenties

124


Sironi, A. 2003. Testing for market discipline in the European banking industry: Evidence from subordinated debt issues. Journal of Money Credit and Banking 35(3): 443-472. Tulkens, H. 1993. On FDH efficiency analysis: some methodological issues and applications to retail banking, courts, and urban transit. Journal of Productivity Analysis 4(1-2): 183. Uhde, A. and Heimeshoff, U. 2009. Consolidation in banking and financial stability in Europe: Empirical evidence. Journal of Banking & Finance 33(7): 1299-1311. Usai, S. and Vannini, M. 2005. Banking structure and regional economic growth: lessons from Italy. Annals of Regional Science 39(4): 691-714. Vanzetti, J. 2009. Waarom een openbare bank nodig is. Marxistische Studies 88: 13-42. Vennet, R.V. 1996. The effect of mergers and acquisitions on the efficiency and profitability of EC credit institutions. Journal of Banking & Finance 20(9): 1531-1558. Verbrugge, J., Megginson, W., and Owens, W. 1999. State ownership and the financial performance of privatized banks: an empirical analysis. In World bank/Federal Reserve Bank of Dallas Conference, Washington DC. Vins, O. 2008. How Politics Influence State-owned Banks - the Case of German Savings Banks. Frankfurt am Main: Goethe University, Department of Finance. Xifra, J. and Ordeix, E. 2009. Managing reputational risk in an economic downturn: The case of Banco Santander. Public Relations Review 35(4): 353-360.

BOEKEN

Gerschenkron, A. 1962. Economic Backwardness in Historical Perspective. Cambridge, MA: Harvard University Press. Sinn, H.-W. 1999. The German state banks : global players in the international financial markets. Cheltenham: Elgar. Van Hees, M. 2010. Banques qui pillent, banques qui pleurent. Brussel: Aden. De publieke bank in Europa | Referenties

125


ARTIKELS IN KRANTEN EN MAGAZINES (OP DATUM)

20/01/1992. Nelan, B.W., Jackson, J.O., and Mader, W. In the same boat and bailing. In Time, p. 30. 04/02/2005. Corijn, E. Mijnheer Votron en ik. In De Tijd, pp. 12. Mediafin. 01/09/2005. Public sector banks leverage traditional strengths for a new style of profitability. Euromoney, pp. 117-122, Germany. 01/07/2006. Battles with Brussels. In Economist, p. 69. 27/08/2007. M端nchau, W. Another Landesbank bites the dust. In Eurointelligence.com. 31/08/2007. Thomas, M., Wilkie, T., and Daly, B. LBBW set for SachsenLB takeover, results leave WestLB vulnerable. In Euroweek. 14/12/2007. Landesbank Banden-W端rttemberg finalises Eu328m cost, terms for Sachsen LB purchase. In Euroweek, p. 112. 24/10/2008. German banks fear government aid 'stigma'. In Euroweek, p. 25. 05/12/2008. Bayern LB plans widespread cost cuts, announces Eu1,67bn loss. In Euroweek, p. 51. 18/03/2009. Miller, A. Hoe zou een bankbediende ethisch kunnen werken. In Knack. Roularta. 27/03/2009. Mixed German bank results: Bayern loss, west LB profit. In Euroweek, p. 65. 07/05/2009. The sick banking system of Europe. In Economist, p. 77-78. 08/05/2009. WestLB fury at S&P downgrade, Moody's cuts HSN Nord. In Euroweek, p. 50. 15/05/2009. EC says West LB to halve assets, BayernLB under scrutiny. In Euroweek, p. 70. 28/05/2009. Germany's banking bail-out is a shambles. Or is it? In Euroweek, p. 58. 12/06/2009. German cabinet approves Landesbank bail-out draft. In Euroweek, p. 65. 04/09/2009. Van De Cloot, I. Moeten de banken de crisis betalen? In De Standaard, pp. 55. Corelio.

De publieke bank in Europa | Referenties

126


19/09/2009. Tanghe, N. 'Hebben ze het nog niet begrepen?'. In De Standaard, pp. 35. Corelio. 24/09/2009. Vanbrussel, E. BNP betaalt Franse steun terug. In De Morgen, pp. 21. De Persgroep. 26/09/2009. Dendooven, P. De Belgische miljarden onder het Franse tapijt. In De Standaard, pp. 42. Corelio. 26/09/2009. Sephina, M. 'Doorgaan of niet? We hebben het ons meermaals afgevraagd', intervieuw met Thierry Valène, toponderhandelaar BNP Paribas. In De Tijd, pp. 44. Mediafin. 01/10/2009. Huybrechts, P. BNP-operatie goed voor Fortis Holding? In De Standaard, pp. 65. Corelio. 01/10/2009. van Geyte, J. Nv België grootste aandeelhouder BNP Paribas. In Gazet Van Antwerpen, pp. 11. Concentra. 08/11/2009. Arlidge, J. I'm doing 'God's work'. Meet Mr. Goldman Sachs. Sunday Times. 13/11/2009. Prijs calloptie BNPP verlaagd. In De Tijd, p. 4. Mediafin. 14/11/2009. Corthouts, J. Banken spelen opnieuw Russische roulette. In De Morgen, pp. 38. De Persgroep. 26/11/2009. German Banking: Bail-out poker. In Economist, p. 87. 12/01/2010. Broens, B. Bad bank Fortis haalt meer dan 4 miljard euro binnen. In De Tijd, pp. 1-3. Mediafin. 13/01/2010. Albers, I. 'Eerst werkgelegenheid, dan begroting saneren'. In De Standaard, p. 8. Corelio 15/03/2010. 'Belgische banken nog altijd kwetsbaar', zegt IMF. In De Standaard, p. 22. Corelio. 26/03/2010. Schoors, K. 2010. Koen Schoors legt uit waarom Europa Griekenland niet zomaar mag redden. In De Morgen, pp. 25. De Persgroep. 29/04/2010. Neither a borrower nor a lender be. In Economist, p. 65. 03/05/2010. Demets, F. and Eeckhout, B. Begrotingsspecialisten Paul De Grauwe en Herman Matthijs voorspellen forse besparingen én hogere belastingen. In De Morgen, pp. 58. De Persgroep. 08/05/2010. Noels, G. ‘We storen miljarden in een bodemloze put.’ In Het Nieuwsblad, pp. 20. Corelio.

De publieke bank in Europa | Referenties

127


20/05/2010. Dendooven, P. Megabesparing onvermijdelijk. In De Standaard, pp. E1. Corlelio. 21/05/2010. Van Der Vaart, J. 'Duitsland is in de schuldenval getrapt'. In De Standaard, pp. 26. Corelio. 09/06/2010. Vanpeteghem, B. and Killemans, D. 'Is 750 miljard niet voldoende, dan doen we meer'. In Trends Cash, pp. 40. Roularta. 29/06/2010b. Wegwijs in doolhof van bankentaks. In De Standaard, p. 27. Corelio. 6/07/2010b. Broens, B. Miljard winst voor bad bank Fortis. In De Tijd, pp. 4. Mediafin.

ANDERE PUBLICATIES

Bayerische Landesbank (Bayern LB). 2007, 2008, 2009. Annual Reports. www.bayernlb.de. Geconsulteerd op 25 april 2010. Bellot, F., Coëme, G., De Croo, H., Van Der Auwera, L., Collas, B. 2009 De financiële en bankcrisis. Verslag. Bijzondere commissie belast met het onderzoek naar de financiële en bankcrisis. Belgische Senaat.

S.4-1100.

http://www.senate.be/www/?MIval=/dossier&LEG=4&NR=1100&LANG=nl,

Geconsulteerd op 20 juni 2010. BNP Paribas. 2009. Annual Report. www.bnpparibas.com. Geconsulteerd op 25 juni 2010. BNP Paribas Fortis België. 2009. Jaarverslag. www.bnpparibas.be. Geconsulteerd op 13 juni 2010. Buffel, L. 2009. De steunmaatregelen van de Belgische overheden ten gunste van de financiële sector en de weerslag ervan op de overheidsfinanciën. Studie- en Documentatiedienst FOD Financiën. http://docufin.fgov.be/intersalgfr/thema/publicaties/documenta/2009/BdocB_2009_Q2n_Buffel. pdf. Geconsulteed op 17 juni 2010. Dexia Bank België. 2005, 2006, 2007, 2008, 2009. Jaarverslagen. www.dexia.be. Geconsulteerd op 13 juni 2010. European Association of Public Banks (EAPB). 2009. Financial Institutions in Europe with public ownership. www.eapb.be. Geconsulteerd op 20 maart 2010. De publieke bank in Europa | Referenties

128


Europese Commissie. 2010. Scorebord Staatssteun. Verslag over de recente ontwikkelingen met betrekking tot crisissteun voor de financiĂŤle sector. Voorjaarseditie 2010. COM(2010)255 definitief.

http://ec.europa.eu/competition/state_aid/studies_reports/studies_reports.html,

geconsulteerd op 17 juni 2010. Fortis Bank SA/NV. 2005, 2006, 2007, 2008. Jaarverslagen. www.fortisbank.com. Geconsulteerd op 13 juni 2010. KBC Groep NV. 2005, 2006, 2007. Jaarverslagen. www.kbc.com. Geconsulteerd op 13 juni 2010. Landesbank Baden-WĂźrttemberg (LBBW). 2007, 2008, 2009. Annual Reports. www.lbbw.de. Geconsulteerd op 25 april 2010. Landesbank Nordrhein-Westfalen (West LB). 2007, 2008, 2009. Annual Reports. www.westlb.com. Geconsulteerd op 25 april 2010. Petrovic, A. and Tutsch, R. 2009. National rescue measures in response to the current financial crisis. Europese Centrale Bank (ECB). Eurosystem. http://www.ecb.int/pub/pdf/scplps/ecblwp8.pdf. Geconsulteerd op 17 juni 2010.

De publieke bank in Europa | Referenties

129


BIJLAGE: GEDETAILLEERD OVERZICHT VAN DE STAATSSTEUN VOOR EUROPESE BANKEN TIJDENS DE FINANCIテ記E CRISIS VAN 2007-2009

In deze bijlage geven we een gedetailleerd overzicht van de staatssteun die de Europese banken ontvingen tijdens de financiテォle crisis van 2007-2009. We bekijken opeenvolgend de staatswaarborgen, de herkapitalisaties, de nationalisaties en een reeks andere maatregelen om de banken overeind te houden. Dit overzicht is niet compleet, maar het geeft wel een goed beeld van de soorten interventies die er vanuit de staten geweest zijn en de omvang ervan.

STAATSWAARBORGEN

Een eerste vorm van staatsinterventie bestaat uit het voorzien van staatswaarborgen. Dergelijke maatregelen werden ingevoerd door 22 van de 27 Europese lidstaten (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101). Het totale volume aan garanties tussen het najaar 2008 en maart 2010 liep volgens de Europese Commissie (2010) op tot 2.747 miljard euro. De benuttinggraad van deze garanties loopt sterk uiteen tussen de verschillende lidstaten, gaande van 7 % in Griekenland tot 73% in Cyprus (Europese Commissie, 2010, p. 7).

Tegen 31 maart 2010 had de Europese Commissie bovendien 402,8 miljard euro aan ad-hoc garanties voor individuele instellingen goedgekeurd. Van dit bedrag neemt Belgiテォ niet minder dan 240,8 miljard euro voor zijn rekening, daar dit land ervoor koos om geen algemene regeling voor staatswaarborgen uit te werken, maar telkens maatregelen te nemen op basis van individuele besluiten (Europese Commissie, 2010, p. 7). Uit het overzicht van de Europese Centrale Bank blijkt dat het zowel private als publieke banken zijn die bij de staat zijn gaan aankloppen voor dergelijke individuele garanties (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 10-16).

De publieke bank in Europa | Bijlage: Gedetailleerd overzicht van de staatssteun voor Europese banken tijdens de financiテォle crisis van 2007-2009

130


Zo werden er in Oostenrijk specifieke garanties toegekend aan ‘Erste Bank Group AG’ ( 4 miljard euro), ‘Kummunalkredit AG’ (5,2 miljard euro), ‘Oesterrechische Clearingbank AG’ (4 miljard euro), ‘Raffeisen Zentralbank Österreich’ (4,25 miljard euro) en ‘Hypo Alpe-Adria-Bank International AG’ (1,35 miljard euro) (Petrovic & Tutsch, 2009, p.10).

In Duitsland werden er door de federale overhead en de deelstaten staatsgaranties toegekend aan ‘Aereal Bank’ (4 miljard), ‘Bayern LB’ (15 miljard), ‘Commerzbank’ (15 miljard), ‘HSH Nordbank’ (30 miljard), ‘Hypo Real Estate’ (52 miljard), ‘IKB’ (5 miljard) ‘Sicherungseinrichtungsgesellschaft deutscher Banken’ (SdB) (6,7 miljard), ‘Sachsen LB’ (2,75 miljard) en ‘Nord LB’ (20 miljard) (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 36-37).

In België kregen zowel het semipublieke Dexia (in samenwerking met Frankrijk en Luxemburg) als het private Fortis beiden staatswaarborgen ter waarde van 150 miljard euro (waarvan er in het geval van Dexia 90,75 miljard voor de rekening van België waren) op interbancaire (en obligatie-)leningen (Buffel, 2009, p. 54; Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 15-16). In 2009 werd de totale kost van deze waarborgen door Dexia zelf op 500 à 600 miljoen euro geschat127 (Buffel, 2009, p. 54).

HERKAPITALISATIE

Ten tweede werden er tal van maatregelen ter herkapitalisatie doorgevoerd om de kapitaalbasis van relatief goed werkende banken te verstevigen. Dergelijke maatregelen werden doorgevoerd in 19 van de 27 Europese lidstaten (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101). Het totale aantal goedgekeurde herkapitalisatiemaatregelen tussen het najaar van 2008 en maart 2010 bedroeg 338,2 miljard euro, waarvan er 92,3 miljard euro effectief gebruik werd. Ondertussen liep het volume goedgekeurde adhoc maatregelen op tot 164,9 miljard euro, waarvan er 149,2 miljard euro effectief gebruikt werd.

127

De vergoeding voor deze waarborgen verloopt als volgt: op transacties met een korte termijn (minder dan één maand), een middellange termijn (tussen één maand en 12 maanden) en een lange termijn (meer dan 12 maanden), bedragen de premies respectievelijk 25 (of 50 vanaf februari 2009), 50 en 87,60 basispunten (Buffel, 2009, p. 54).

De publieke bank in Europa | Bijlage: Gedetailleerd overzicht van de staatssteun voor Europese banken tijdens de financiële crisis van 2007-2009

131


De herkapitalisatiemaatregelen voor Oostenrijkse banken bedroegen 1 miljard euro voor ‘Erste Bank Group’, 1,2 miljard euro voor ‘Kommunalkredit AG’, 1 miljard euro voor ‘Österrechische Volksbanken AG’, 1,75 miljard euro voor ‘Raffeisen Zentralbank Österreich AG’, 400 miljoen euro voor ‘Constantia’ en 900 miljoen euro voor ‘Hypo Alpe Adria AG’ (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 11-12).

In Frankrijk werden er individuele herkapitalisatiemaatregelen doorgevoerd ten behoeve van Dexia (samen met Luxemburg en België) ter waarde van 3 miljard (6,4 in het totaal), ‘Banque Fédérale des Banques Populaires’ (0,95 miljard euro), ‘Société Générale’ (1,7 miljard euro), ‘Caisse Nationale des Caisses d’épargne’ (1,1 miljard euro), ‘Crédit Agricole’ (3 miljard euro), ‘Crédit Mutuel’ (1,2 miljard euro) en ‘BNP Paribas’ (2 keer 2,55 miljard euro) (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 34) Voor haar injectie van 5,1 miljard in BNP Paribas kreeg de Franse overheid zogenoemde “preferente aandelen”, die niet stemgerechtigd zijn, maar wel recht geven op een dividend (De Morgen, 24/09/2009). Bovendien keurde de Europese Commissie een verdere injectie van 2,45 miljard aan kapitaal in de institutie die werd gecreëerd bij de fusie van ‘Caisse Nationale des Caisses d'épargne’ en de ‘Banque Fédérale des Banques Populaires’ goed (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 34).

In Duitsland waren ‘Aareal Bank’ (0,53 miljard euro), ‘Commerzbank’ (10 miljard euro) en ‘HSN Nordbank’ (3 miljard euro) de begunstigden van individuele herkapitalisatiemaatregelen (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 38).

België nam een aandeel van 3 miljard (van de totale 6,4 miljard) in de herkapitalisatie van Dexia (Buffel, 2009, p. 61), een herkapitalisatie van Fortis door de federale overheid (door haar aandeel in Fortis N.V. met twee stappen van 4,7 miljard euro op te trekken tot 99,93% van alle aandelen) en een herkapitalisatie door de gewesten van de ‘Ethias Groep’ (1,5 miljard), waardoor de drie overheden elk een blokkeringminderheid van 25% + één aandeel verwierven (Buffel, 2009, pp. 49-50; Petrovic & Tutsch, 2009, p. 16; Van Hees, 2010, p. 201), voor haar rekening. De Belgische staat verbindt zich er ook toe om in te tekenen op een eventuele kapitaalverhoging van 1,77 miljard in KBC (Buffel, 2009, p. 56).

De publieke bank in Europa | Bijlage: Gedetailleerd overzicht van de staatssteun voor Europese banken tijdens de financiële crisis van 2007-2009

132


NATIONALISATIES

Ten slotte werden er ook een aantal banken genationaliseerd met het oog op herstructurering en een latere herintrede in de markt (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 6-7). In het totaal hebben er 9 van de 27 lidstaten hier raamwerken voor opgezet (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101), hoewel het totale aantal nationalisaties tot dusver beperkt blijkt te zijn.

Zo heeft de Duitse overheid zich gewaagd aan het meerderheidsaandeelhouderschap van ‘Deutsche Industriebank’ (IKB), de volledige nationalisering van ‘Hypo Real Estate’ (HRE) en wat analisten een “nationalisatie met een andere naam” genoemd hebben: het opnemen van 25% van de aandelen en bepaalde vetorechten in Commerzbank (Hardie & Howarth, 2009, pp. 1031-1032; Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 40-41). Verder werden de Ierse ‘Anglo Irisch Bank Corporation’ (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 50), de Letse ‘Parex banka’ (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 56) en het Portugese ‘Banco Português de Negòcios S.A.’ (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 68) genationaliseerd.

Verder werd het Nederlandse stuk van Fortis ‘Fortis Bank Nederland Holding’ (in overeenstemming met de Belgische en Luxemburgse overheid) ook genationaliseerd door de Nederlandse overheid (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 63) en werd het Belgische stuk verkocht aan ‘BNP Paribas’, in ruil voor 11,6% van de aandelen met stemrecht in deze Franse bank (Buffel, 2009, pp. 45-46). De Franse overheid trok – op haar beurt – haar aandeel in ‘BNP Paribas’ (tijdelijk) op tot 17%, zorgde voor de fusie van ‘Caisse d'Epargne’ en ‘Banque Populaire’ en zette de economische topadviseur van president Nicolas Sarcozy aan het hoofd van de nieuwe bank (Hardie & Howarth, 2009, p. 1032).

Zelfs in landen waar staatseigenaarschap van banken nooit een zeer belangrijke rol heeft gespeeld, zoals in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, duikt er nu een bankensector op die gedeeltelijk in staatshanden is (Andrianova et al., 2009, p. 1; Hau & Thum, 2009, p. 704). Zo werden ‘Northern Rock’ (bij gebrek aan private overnemer) en ‘Bradford & Bringley’s’ (hetzij slechts tijdelijk) in handen genomen door het Verenigd Koninkrijk (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 84-85).

De publieke bank in Europa | Bijlage: Gedetailleerd overzicht van de staatssteun voor Europese banken tijdens de financiële crisis van 2007-2009

133


ANDERE MAATREGELEN

Daarnaast werden er ook leningen voorzien om het functioneren en de stabiliteit van het financiële systeem te verstevigen en om de financiering van het bredere economisch systeem niet in het gedrang te laten komen (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 6). Dergelijke maatregelen werden doorgevoerd in 14 van de 27 Europese lidstaten (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101).

Zo werden er bijvoorbeeld in Frankrijk leningen met een interest van 4% vanuit het ministerie van economie toegekend aan –onder andere – de volgende banken: ‘Banque Fédérale des Banques Populaires’, ‘Banque PSA Finance’, ‘BNP Paribas’, ‘Caisse Nationale des Caisses d'Epargne’, ‘Crédit Agricole’, ‘Crédit Mutuel’ en ‘Société Générale’ (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 34).

In België werden er tweemaal (één keer door de Federale overheid en één keer door Vlaanderen) achtergestelde leningen toegekend aan KBC (ter waarde van twee maal 3,5 miljard). Het betreft de uitgifte van bevoorrechte, niet-stemgerechtigde, maar eeuwigdurende kernkapitaaleffecten, die KBC op ieder ogenblik mag terugkopen tegen 150 % van de uitgifteprijs. Verder werd er tevens een tijdelijk overbruggingskrediet ter waarde van 3 miljard euro ter beschikking gesteld aan ‘Fortis Holding’ en werd er een lening van 160 miljoen euro toegekend aan het Groothertogdom Luxemburg, in het kader van de herstructurering van ‘Kaupthing Bank’128 (Buffel, 2009, pp. 48-50; Petrovic & Tutsch, 2009, p. 16; Van Hees, 2010, p. 201).

Verder werden er ook tal van initiatieven genomen om financiële instellingen van hun “toxische” activa af te helpen (Petrovic & Tutsch, 2009, p. 6). Dergelijke maatregelen werden doorgevoerd in 10 van de 27 Europese lidstaten (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 100-101). Het nominale bedrag van al deze maatregelen voor “aan bijzondere waardevermindering onderhevige activa” bedraagt 376 miljard euro (of 3% van het BBP van de EU-27 lidstaten).

128

De gedupeerde Belgische beleggers worden tot 20.000 euro vergoed door het Groothertogdom Luxemburg. De aanvullende vergoeding tot 100.000 euro zal voor de helft ten laste zijn van het Groothertogdom Luxemburg en voor de helft van de Belgische Staat, waarvan de tussenkomst geraamd wordt op 75 à 85 mln. euro. Het bedrag van de op 9 juli 2009 toegekende lening is dus ongeveer het dubbele van het echte risico voor de Belgische Staat (Buffel, 2009, p. 51).

De publieke bank in Europa | Bijlage: Gedetailleerd overzicht van de staatssteun voor Europese banken tijdens de financiële crisis van 2007-2009

134


Een omvangrijke Ierse regeling en een grootschalig initiatief van het Verenigd Koninkrijk zouden samen 80% van deze maatregelen uitmaken (Europese Commissie, 2010, p. 10). In het Verenigd Koninkrijk werden het ‘Asset protection scheme’ (APS) en het ‘Special Liquidity Scheme’ (SLS) uitgewerkt, waarvan zowel ‘RBS’ als ‘Lloyds Banking Group’ gebruik willen maken, respectievelijk voor een equivalent in ponden (GBP) van ongeveer 372 en 298 miljard euro (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 82-84). Het totale volume van maatregelen voor “aan een bijzonder waardevermindering onderhevige activa” dat in Ierland werd goedgekeurd, loopt op tot 54 miljard euro (of 29% van het Ierse BBP) (Europese Commissie, 2010, p. 10).

Ook Duitsland maakte werk van een “bad bank”-wet, die enerzijds voorziet in het opzetten van een ‘Special Purpose Vehicle’ (SPV) voor het wegschrijven van rommelkredieten en die anderzijds het ‘Winding-up agency scheme’ (AidA) in het leven roept waarbij Duitse banken slechte activa en nietstrategische investeringen kunnen doorschuiven naar een apart publiek agentschap met gedeeltelijke legale capaciteit (Petrovic & Tutsch, 2009, pp. 39-40)129.

De Belgische staat waarborgt risicovolle kredieten ter waarde van 13,36 miljard euro. KBC zou hierop al beroep hebben gedaan, in verband met een portefeuille aan CDO’s ter waarde van 1,12 miljard euro, waarvoor zij in ruil een inschrijvingspremie en een garantiepremie moest betalen (Buffel, 2009, pp. 56-57). Verder tekende de Belgische federale overheid in op een kapitaalsinjectie van 600 miljoen euro en een tijdelijke lening van 2 miljard euro aan een SVP onder de naam ‘Royal Park Investments’ dat werd opgezet om toxische activa van Fortis in onder te brengen (Buffel, 2009, pp. 48-49; Van Hees, 2010, p. 186), waarin de Belgische staat 43%, Fortis Holding 45% en de Franse bank BNP Paribas 12% van de aandelen op zich nemen (Van hees, 2010, p. 206)130.

129

Deze regeling liep echter af begin 2010 zonder dat er een beroep op werd gedaan (Europese Commissie, 2010, p. 10).

130

Verder verleent de staat, conform een overeenkomst met BNP Paribas, een waarborgen op onder andere een Fortis Bank gefinancierde schuld in het SPV ter waarde van 4,365 miljard euro, de eindverliezen van een door Fortis Bank België aangehouden portefeuille aan rommelkredieten van 1,5 miljard euro, een lening van Fortis Bank aan Fortis Holding voor de financiering van zijn participatie in het SVP ter waarde van 1 miljard euro en op een vordering van Fortis Bank op Fortis Holding voor een portefeuille aan rommelkredieten ter waarde van 2,35 miljard euro (Buffel, 2009, p. 55).

De publieke bank in Europa | Bijlage: Gedetailleerd overzicht van de staatssteun voor Europese banken tijdens de financiële crisis van 2007-2009

135

De publieke bank in Europa  

UNIVERSITEIT GENT, FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR 2009 – 2010 "De publieke bank in Europa" Masterproef voorgedragen tot...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you