Issuu on Google+

Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 1

Leela’s boek


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 2

alice albinia bij de bezige bij De Indus


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 3

Alice Albinia

Leela’s boek Vertaald door Luud Dorresteyn

2013 de bezige bij amsterdam


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 4

De vertaalster ontving voor deze vertaling een werkbeurs van het Nederlands Letterenfonds. Copyright © 2011 Alice Albinia [CONTRACT] Copyright Nederlandse vertaling © 2013 Luud Dorresteyn Oorspronkelijke titel Leela’s Book Oorspronkelijke uitgever Vintage Books, Londen Omslagontwerp b’IJ Barbara Omslagillustratie [xxx] Foto auteur [xxx] Vormgeving binnenwerk CeevanWee, Amsterdam Druk Koninklijke Wöhrmann, Zutphen isbn 978 90 234 7416 6 nur 302 www.debezigebij.nl


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 5

T.S.


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 6


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 7

deel een


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 8


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 9

1 ‘O god met het olifantenhoofd, zoon van Heer Shiva en Parvati, hij die de Mahabharata opschreef zoals gedicteerd door de ziener Vyasa: Heer Ganesh, wees deze onderneming welgezind.’ Professor Ved Vyasa Chaturvedi zweeg even, liet zijn blik over zijn toehoorders glijden en glimlachte. ‘Is er een betere manier om te beginnen dan met het aanroepen van de god die aan de wieg van alle geschriften heeft gestaan?’ Er kabbelde een aangename rimpeling van goedmoedig, hartelijk gelach door de zaal en Vyasa wist meteen dat zijn publiek het hem niet moeilijk zou maken. Thuis, in India, was hij eraan gewend zowel opgehemeld als gekleineerd te worden. Zijn werk lag voortdurend onder vuur van licht ontvlambare hindoes, jaloerse collega’s en arrogante jonge studenten, die allemaal hun pijlen op hem afschoten, die trouwens op hem afketsten, net als bij Bhishma, de onverslaanbare krijger uit de Mahabharata. Aan een van die projectielen – een ei dat tegen zijn schouder uiteen was gespat en een fotogenieke, felgele klodder op zijn gesteven witte kurta had achtergelaten – had hij zijn eerste afbeelding op de voorpagina van alle kranten in Delhi te danken en zo was zijn naam voor het eerst verbonden geraakt met iconoclasme en controverse. Maar deze mensen, deze keurig gesoigneerde, door en door zelfverzekerde maar getraumatiseerde New Yorkers, zouden aan het einde van zijn lezing hun hand niet opsteken om moeilijke vragen te stellen over onbekende shloka’s. Het zat er ook niet in dat een van hen popelde om, zodra Vyasa was uitgesproken, een 9


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 10

lange, onsamenhangende anekdote te vertellen over de populariteit van de god Ganesh bij de hindoes en de boeddhisten in Nepal. Die dame op de voorste rij met de blonde krullen, in het witte linnen jasje, zou beslist geen tirade gaan afsteken over het feit dat professor Chaturvedi betwijfelde of India’s heldendicht wel voortsproot uit een goddelijk dictaat. De openbare bibliotheek van New York was te groot voor dat soort tirades, het glazen koepeldak van deze zaal te verheven. Vyasa had het rustgevende gevoel dat hij zich onder water bevond, in een grot vol dartelende vissen, en hij wentelde zich behaaglijk in het glinsterende hart van de bibliotheek, in de buik van de stad. Deze mensen waren naar hem komen luisteren omdat zijn boeken goed verkochten, omdat hij op de Amerikaanse televisie was geweest of omdat ze hem op de radio hadden horen discussiëren met de verzamelde Indiase zonderlingen en onbenullen. Het was raar, daar was hij zich van bewust, hoe dit soort mystieke kennis en esoterische onderwerpen in India en ook in toenemende mate daarbuiten in zijn voordeel hadden gewerkt; hoe journalisten en redacteuren juist op zijn mening waren gaan vertrouwen uit alle bronnen die ze tot hun beschikking hadden en dat juist zijn proefschrift tot een rijk geïllustreerd boek was uitgewerkt en gepubliceerd (en in één klap op de Indiase lijst van bestverkochte boeken was beland, waar het van Divali tot aan Holi bleef staan). Hij glimlachte heimelijk omdat hij zo’n geluksvogel was en toen hij zijn lezing hervatte, kwamen de woorden er precies uit zoals zijn bedoeling was: zoetgevooisd, geoefend en traag. ‘Ik ben vereerd dat ik u vanavond mag toespreken, terwijl uw stad een crisis doormaakt,’ zei hij en hij neeg zijn hoofd naar de gezichten die devoot naar hem opkeken, zodat de zaal spontaan applaudisseerde. Hij zweeg opnieuw tot het applaus was weggestorven en er een stilte inviel, die hij liet groeien; en toen zijn elegante, meeslepende stem eindelijk in de lucht vibreerde en door de zaal rolde, leek het publiek te beven van collectieve verwachting. ‘Vanavond zal ik het hebben over een onderwerp dat me na 10


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 11

aan het hart ligt, namelijk over Ganesh, de god met het olifantenhoofd, de meest ontwapenende god uit het omvangrijke hindoepantheon. De vrolijke ronde vormen van Ganesh treft men aan in huizen en tempels in alle uithoeken van alle continenten. Elke gebeurtenis, elk huwelijk, elke onderneming, elke lezing zelfs, hoort te beginnen met het aanroepen van Ganesh, die hindernissen uit de weg ruimt en opwerpt voor stervelingen. Ganesh staat ook bekend als de god die het gigantische epos van India heeft opgeschreven, de allesomvattende Mahabharata. Volgens de overleveringen werd hij als enige uit de vele duizenden hindoegoden door Brahma verkozen om dit literaire werk voor Vyasa, de auteur ervan, op te schrijven.’ Vyasa keek op van zijn aantekeningen en blikte de zaal rond. ‘Ja, het was inderdaad mijn naamgenoot die deze olijke maar mysterieuze god ontbood.’ De banden tussen hen, bedacht Vyasa, gingen dieper dan de geschiedenis en toen hij verder sprak, fluisterde hij bijna: ‘Maar in het huidige politieke klimaat, nu mijn land wordt bestuurd door rechtse hindoes, voel ik me genoopt om duidelijk uit te spreken dat Ganesh in werkelijkheid niet de Mahabharata heeft opgeschreven, in tegenstelling tot wat men gelooft en ondanks de krampachtige tegenwerpingen van bepaalde religieuze groeperingen. Het is gevaarlijk om de gramschap over me af te roepen van de bewonderaars van een bepaalde god,’ hij zond de zaal een snelle, ervaren glimlach toe, ‘en zeker die van de eeuwig levende goden van India, maar ik weet zeker dat Ganesh zelf het met me eens zou zijn wanneer ik zeg dat de god met het olifantenhoofd een bedrieger is.’ Dit gezegd hebbende leunde Vyasa naar achteren, en de toehoorders lachten weer ontspannen. Nu was het verder eenvoudig, ze aten uit zijn hand. Het enige wat hem de rest van het uur dat voor deze lezing was uitgetrokken te doen stond, was te blijven staan, zijn rug te rechten en zijn mond open te doen, en de woorden die hij al zo vaak had uitgesproken in zoveel andere, minder illustere zalen, in veel verdere uithoeken van de wereld, zouden als vanzelf naar buiten stromen 11


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 12

– alsof zijn oude literaire voorouder, Vyasa in eigen persoon, hem het verhaal dicteerde. In de achterwand van de zaal ging een deur open en Vyasa zag vanuit zijn ooghoek een slank figuurtje binnenkomen, gekleed in diep saffraankleurige stof. Het was echter niet een van zijn vaste nationalistische hindoetegenstanders. Het was een Indiase vrouw in een sari, die stilletjes langs de achterste rij liep en op het hoekje ging zitten. Het was een ongebruikelijke kleur in deze wijk van New York. De bijdehante Indiërs die in Manhattan woonden droegen dergelijke sari’s gewoonlijk niet, en zeker niet eind oktober. Ze kleedden zich zoals iedereen in zwart, blauw en gebroken wit, in wol, dikke stoffen en leer. Ze wilden niet vereenzelvigd worden met de recentere, exotischer nieuwkomers, van het soort dat winkeltjes dreef in Queens. En Vyasa nam aan dat sinds de gebeurtenissen van de vorige maand nog maar weinig mensen met een bepaalde huidskleur zich in etnische dracht buiten waagden. Hij keek nog steeds niet in de richting van de vrouw in de sari. Ze zat hoe dan ook te ver weg om haar gezicht goed te kunnen zien, hij wist niet of ze jong was of van middelbare leeftijd, of ze Manhattanse was of van buiten de stad kwam, maar haar aanwezigheid was desondanks verrukkelijk en terwijl zijn betoog in snelheid en complexiteit toenam, terwijl hij zijn publiek mee terug nam in de tijd, naar de rivieroevers en wouden van het oude India, langs prehistorische dictaten en moderne inlassingen, kwam de heerlijk huiveringwekkende gedachte bij Vyasa op dat deze verre, vrouwelijke saffraankleurige vlek wellicht de vrouw was naar wie hij zo lang had gesmacht: Leela. New York was haar thuis geworden. Ze was een van de Indiërs die waren vertrokken en hadden besloten om nooit meer terug te keren. Hij had zo vaak aan haar gedacht in de jaren die sindsdien waren verstreken, hij had haar zich zo vaak trachten voor te stellen in haar nieuwe leven in Amerika, met een onvermijdelijke stoet kinderen en bezittingen, verworvenheden en teleurstellingen, dat die hunkering onderdeel van zijn wezen was gaan uitma12


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 13

ken. Maar er bestond nu geen noodzaak meer om zich door haar spookbeeld te laten kwellen, want Leela en hij zouden elkaar na al die tijd door een speling van het lot weerzien, haar pogingen om dat te voorkomen ten spijt. Zijn nietsvermoedende zoon ging trouwen met het nichtje van Leela’s echtgenoot en Vyasa had de verbintenis hoogstpersoonlijk aangemoedigd. Elke gedachte die hij sinds zijn aankomst in New York had gehad, haar stad, was vervuld geweest van deze triomfantelijke kennis. ‘De brahmanen verboden doorgaans dat hun heilige teksten werden opgeschreven,’ vervolgde Vyasa. ‘De aanspraak van de Mahabharata op een heilige status, als de vijfde Veda, berust gedeeltelijk op de oude mondelinge overlevering ervan. Dus we kunnen ons afvragen hoe het komt dat Ganesh op een gegeven moment in verband werd gebracht met het opschrijven van het epos. Ik zou willen opperen,’ en op dit punt gaf Vyasa een ontwapenende glimlach ten beste, ‘dat de gedeelten van de Mahabharata die over Ganesh’ schriftstelling gaan, in werkelijkheid later zijn toegevoegd. Ganesh was er in het begin helemaal niet bij.’ En terwijl de zaal vol New Yorkers aan zijn lippen hing om niets van zijn controversiële betoog te missen, liet Vyasa, bijna duizelig van verlangen, zijn blik eindelijk naar de vrouw in de hoek gaan. Hij haalde Leela terug in de familie, en daar kon zij helemaal niets tegen beginnen.

13


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 14

2 Hari stootte zijn vrouw aan. ‘Kijk, Leela. India.’ Ze sloeg haar ogen op van de krant die ze zogenaamd had zitten lezen en keek uit het raampje van het vliegtuig. Er was nog niet veel te zien: een uitgestrekt stuk bruin land, doorschoten met groen, met waterwegen die er op deze hoogte uitzagen als stroompjes en de flinterdunne strookjes akker waarvan het land voor zijn voedsel afhankelijk was. ‘Nu zal het niet lang meer duren voor we over Delhi vliegen,’ zei Hari, die zijn opwinding probeerde te verbergen. ‘Connaught Place, de tombe van Humayun, India Gate, de Yamunarivier.’ ‘Vliegen we echt over de stad?’ vroeg Leela. Ze betwijfelde het. De luchthaven lag in het zuidwesten. Maar Hari luisterde niet. ‘Alles is totaal veranderd sinds jij hier voor het laatst was. Onder de rivier is nu zoveel meer tot ontwikkeling gebracht. Die woeste gebieden in het zuiden, waar vroeger alleen maar struikgewas en stof was, zijn nu helemaal volgebouwd. Overal kantoren en nieuwe wegen, en auto’s van elk denkbaar merk, overal vandaan.’ Leela knikte. Ze had dit prachtige verhaal al vele malen gehoord, over de tamarisken en mangoboomgaarden die op magische wijze waren omgetoverd in flatgebouwen, over de nederzettingen en markten die langs de rivier waren ontstaan, en vooral over de komst van de knipperende, piepende iconen van de moderne tijd: de mobiele telefoons, cappuccino’s en ketenwinkels. ‘Je zult het zien,’ zei Hari. ‘Het is een andere stad geworden.’ ‘We zullen zien,’ beaamde ze. 14


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 15

Ze keek weer naar de krant op haar schoot. Een glimlachende stewardess had die haar gegeven toen ze in het vliegtuig stapte. Het was een krant op tabloidformaat, de Delhi Star van gisteren, donderdag 8 november 2001. Een krant die mede met Hari’s geld was gefinancierd. Ze had hem daar de afgelopen zeven uur lang onopgeslagen laten liggen, alsof ze door hem te negeren het moment van terugkeer kon uitstellen. Net als de afgelopen twintig jaar had ze al het nieuws uit India vermeden: geen verhalen over haar tantes (die had ze niet), over de Congrespartij(die interesseerde haar niet), geen nieuws over het lot van ’s lands dichters, radicalen en rivieren (ze sloot zich angstvallig en heel nadrukkelijk af voor de dingen waar ze van hield). Hari had van zijn kant juist altijd zijn best gedaan om al dit chaotische gedruis aan haar over te brengen. Als zijn werk hem naar Jackson Heights bracht, keerde hij naar hun flat vlakbij de Met terug met dozen vol guaves of mango’s en uit de rode stip op zijn voorhoofd en een bepaalde glazige blik kon ze dan opmaken dat hij een bezoek had gebracht aan de tempel. Als hij terugkeerde van zijn reizen naar Delhi was het nog erger, dan roken zijn kleren anders, zijn uitspraak klonk buitenlands en zijn tempelblik was permanent geworden, zodat ze altijd wist wat er zou volgen als hij de brocaten sari’s en sandelhoutzeep voor haar uit zijn koffer haalde en haar verslag deed van de laatste woede-uitbarsting van zijn broer Shiva Prasad en ademloos vertelde over de gevolgen van de economische liberalisatie: ‘Zullen we van de herfst teruggaan?’ smeekte hij dan, als hij de lege koffer terugzette in de kast. ‘Alleen voor een vakantie? Naar Kerala? Of Goa?’ Maar steevast schudde ze haar hoofd. ‘Ik heb niets meer met India, dat weet je.’ En dan knikte hij, hij schikte zich in zijn lot, tot de volgende keer. Toen de stem van de piloot door de intercom klonk en hen maande hun veiligheidsgordel vast te maken in verband met de afdaling naar Delhi, pakte Leela de krant op en woog die op haar handen, alsof het gewicht haar iets duidelijk zou kunnen maken. Daarna beet ze op haar lip en vestigde haar ogen op de voorpagina, waarop een verhaal prijkte over de overeenkomst die de Paki15


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 16

staanse militaire dictator had gesloten met de Amerikanen, en een foto van de rechtse Indiase hindoepremier, wiens papperige, slaperig ogende gezicht in tegenspraak leek met zijn onfrisse, sektarische politiek. Een column onder aan de pagina maakte gewag van een culturele ontspanning tussen de twee buurlanden, waar een uitwisseling van belangrijke oudheidkundige vondsten deel van uitmaakte. Het was precies zoals ze had gedacht: onder de glitters zat hetzelfde oude India. ‘Er staat een artikel in over de vrouw van professor Chaturvedi,’ merkte Hari op zonder zijn blik van het raampje af te wenden. ‘O ja?’ zei Leela. Haar hart begon te bonzen. ‘Ze schreef gedichten,’ zei Hari. ‘Haar man, professor Chaturvedi, heeft ze na haar dood gepubliceerd.’ ‘Echt?’ Ze bladerde snel de pagina’s door, haar ogen gleden over de foto’s van Delhi’s beau monde en daarna over het nieuws uit de provincie. Ze keek op de achterpagina met financieel en cricket nieuws. ‘Ik kan het niet vinden,’ zei ze, waarbij ze probeerde met vaste stem te spreken. ‘Het staat in het culturele katern,’ zei Hari. ‘Er is net weer een nieuw gedicht van haar ontdekt. Nou, mijn nichtje trouwt wel in een literaire familie. Ik weet zeker dat je het interessant zult vinden om met ze te praten op de bruiloft.’ ‘Vast wel,’ zei Leela. Het artikel was van de hand van een journalist, ene Pablo Fernandes, die schreef dat Meera Chaturvedi gedurende slechts drie jaren, aan het einde van de jaren zeventig, een aantal gedichten had geschreven die overvloedig verwezen naar de Indiase epische cultuur en doortrokken waren van verhulde referenties aan de eigen ervaringen van de dichteres. Daarna, twee jaar na de geboorte van haar tweeling Ashwin en Bharati en ongeveer een jaar nadat de Muze haar had verlaten, werd ze door een te hard rijdende vrachtwagen overreden en stierf ze terwijl haar man in Bombay zat. Na haar dood was een bescheiden bundeltje gepubliceerd met al haar werk, dat had men tenminste aangenomen. Daarom wierp dit gedicht ‘een heel nieuw licht’ op Meera’s oeuvre. Pablo Fernandes blies het nieuwtje flink op, hij 16


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 17

beschreef hoe de envelop de burelen van de krant in Delhi had bereikt en dat die slechts één velletje papier bevatte, namelijk het handgeschreven gedicht zelf. Er zat geen begeleidend briefje bij, geen afzender, niets. Het gedicht heette ‘Het laatste dictaat’ en betrof een shloka van negen coupletten in het anustubh-metrum, gesigneerd door ‘Lalita’, de schrijversnaam die Meera had aangenomen. Maar het ‘meest intrigerende van alles’ waren bepaalde regels – ‘Wij schrijven nu: bescherm ons kroost, / Dit laatste vers is ons wapen, / Een zusterschap van bloed en inkt; / Het bewijs van ons samenspel. – die erop leken te duiden dat Meera niet de enige auteur was van dit werk. ‘Het is een van de grootste raadsels in de Indiase literatuur,’ schreef Pablo Fernandes, waarna hij eindigde met een beschrijving van de dichteres zelf, een vrouw die door velen werd beschreven als een Khajuraho-beeld dat tot leven was gekomen. Er stond een zwart-witfoto bij om het te bewijzen. Leela keek neer op de foto van haar zus, met haar lange donkere lokken en flirterige ogen. Het onderschrift noemde haar zelfs een ‘literaire Sirene’. Meera was al zo lang geleden gestorven dat Leela had geleerd om haar rampzalige verlies niet te tonen, het te verbergen voor de buitenwereld en zelfs voor Hari, aan wie ze niet eens had verteld dat ze ooit een zus had gehad. Maar de foto overviel haar en er welde een verdriet in haar op, alsof het verlies nog heel vers was. Ze boog snel haar hoofd naar het gedicht toe en haar ogen gleden langs de regels, die ze wel zag maar niet las, omdat haar tranen de woorden vervormden, woorden die ze uit haar hoofd kende en die ze samen met Meera had geschreven. Opeens keek ze op, omdat ze zich afvroeg of Hari er op een of andere manier achter was gekomen dat Meera Chaturvedi haar zus was, of deze verrassingsbruiloft in feite een slimme val was, een manier om haar weer in contact te brengen met alles wat ze de afgelopen twintig jaar zo succesvol uit haar leven had verbannen. Maar ze zag dat haar man het krantenartikel allang was vergeten. Hij verheugde zich op het vreugdevolle moment waarop het vliegtuig met zijn wielen de landingsbaan zou raken, hij zat al 17


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 18

klaar om zijn veiligheidsgordel los te maken, hun bagage uit de vakken boven hun hoofd te halen en haar bij de hand mee te trekken naar de stad. Ze sloeg de krant dicht en liet zich tegen de rugleuning zakken. Wie kon het gedicht naar de krant hebben gestuurd? Beslist niet Vyasa. Ze huiverde bij de gedachte aan de man, met zijn verleidelijke glimlach, zijn achterover gekamde haar, zijn ogen die altijd een zachte uitdrukking kregen als hij ze liet rusten op een mooie vrouw. Al jarenlang had ze hem uit haar hoofd gezet, ze had zijn barse, zelfverzekerde manier van praten in het openbaar proberen te vergeten, evenals de gefluisterde ontboezemingen, die daarmee zo’n contrast vormden en die hij had aangewend om Meera te veroveren. Maar nu dwong Hari haar om zich dit te herinneren. Sterker nog, hij dwong haar om deel te worden van Vyasa’s familie. Terwijl ze almaar verder vlogen en Delhi steeds dichterbij kwam, vroeg Leela zich af waarom ze zich door Hari had laten overhalen om terug te keren naar het land waar ze was opgegroeid – terwijl ze jarenlang zo hard haar best had gedaan om het te vergeten. Ze herinnerde zich het moment waarop Hari haar het nieuws had verteld. Het was kenmerkend voor hem geweest – voor zijn efficiëntie en voor zijn tegenzin om rechtstreeks geconfronteerd te worden met haar ongenoegen – om te kiezen voor een gesprek met zijn mobiele telefoon als manier om haar zoiets gewichtigs mee te delen. Het was halfnegen in de ochtend, zij liep haar gebruikelijke rondje in Central Park. ‘Ik kom net bij kantoor aan,’ zei Hari en Leela wist meteen dat hij iets belangrijks te melden had. ‘Ik heb een interessant nieuwtje gekregen,’ zei hij. ‘De vader van de verloofde van mijn nichtje Sunita, de vader van de man met wie ze vlak voor Divali gaat trouwen met een enorme society-bruiloft in Delhi, is...’ ‘Wie?’ Leela onderbrak hem. ‘Professor Ved Vyasa Chaturvedi,’ voltooide Hari zijn zin. ‘En hij spreekt vanavond in de openbare bibliotheek van New York.’ ‘Wat zeg je?’ Leela bleef stokstijf staan, met de telefoon tegen 18


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 19

haar oor gedrukt, verwonderd om de naam van die man uit Hari’s mond te horen. ‘Hij geeft een lezing,’ zei Hari, die merkte dat hij haar aandacht had. ‘Over de Mahabharata. Echt een onderwerp voor jou. Toch, Leela? Hij is een heel bekende professor. En zijn zoon trouwt met mijn nichtje.’ Hij zweeg even, overduidelijk ingenomen met het effect dat zijn onthulling sorteerde. In de stilte die volgde, liet Leela deze nieuwe informatie op zich inwerken. Het was niet aannemelijk dat Hari nu net pas over het huwelijk had gehoord. Wat voerde hij nog meer in zijn schild? En inderdaad, toen Hari verder praatte, klonk hij nerveus. ‘Er is nog iets dat ik je wil vertellen, Leela. Mijn neefje Ram, de broer van Sunita... Ik heb iemand nodig aan wie ik de leiding van de zaak kan toevertrouwen. Ik ga hem benoemen tot mijn opvolger. Het is zo’n fijne jongen. Ik weet zeker dat je hem zal mogen. Je mag hem vast wel, denk je ook niet? Hij is een harde werker, een ideale zoon.’ ‘Je erfgenaam? Een zoon?’ ‘Ja,’ zei Hari, die opgewonden werd. ‘Het zal weer eens wat anders zijn om jonge mensen om ons heen te hebben, denk je ook niet, Leela?’ En de oude, zelfverzekerde Hari vervolgde: ‘Het is niet ongewoon dat broers voor elkaars kinderen zorgen. We zouden hem kunnen gaan ophalen. We zouden weer thuis kunnen gaan wonen. In India. Ik wil daar graag wonen, Leela. We zouden in je huis aan Kasturba Gandhi Marg kunnen trekken. We kunnen daar allemaal gaan wonen. Jij, ik en Ram. Dan zijn we net een gezin.’ Leela had omhoog staan kijken naar de majestueuze, hoge, stille bomen, waaruit ze instinctief troost had geput toen ze in deze stad was aangekomen, en ze dacht aan de afspraak die ze hadden gemaakt voor hun trouwen: zij zou samen met hem emigreren en haar hele culturele achtergrond en onverstoorbaarheid inzetten voor zijn zaak, en hij zou haar op zijn beurt nooit vragen naar de periode van voor hun trouwen en vooral nooit dwingen 19


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 20

terug te keren naar India. Net als veel van hun landgenoten had Hari heimwee naar de plek waar hij was opgegroeid; toch had hij zich tweeëntwintig jaar lang aan hun afspraak gehouden. Hari was nog steeds aan het woord: ‘Ik zou zelf wel naar die lezing willen,’ zei hij, ‘maar ik heb vanavond een belangrijk etentje. Kun jij in mijn plaats gaan? Ik wil graag dat je hem ontmoet.’ ‘Wie?’ vroeg ze nog steeds ongelovig. ‘Professor Ved Vyasa Chaturvedi. We moeten kennis met hem maken nu hij familie wordt.’ En zo kwam het misselijkmakende gevoel terug dat Vyasa opnieuw de loop van haar leven dicteerde. Alleen al de gedachte aan Vyasa, aan alles wat hij had uitgespookt, vervulde haar met razernij. Maar tegen Hari zei ze er niets over en ook al was ze nog steeds boos, nu ze hier met de krant opgevouwen in haar handen in het vliegtuig zat, en ook al zou ze wel luidkeels willen krijsen dat zij dubbel bedrogen was en snikkend willen uitbrengen dat ze geen voet op de bodem van haar moederland zou zetten hoe hij het haar ook smeekte; ze wist ook dat de reden waarom ze er toch mee had ingestemd om terug te gaan, niets te maken had met haar man, maar alles met Meera. Ooit, lang geleden, had ze haar iets beloofd, en ze kon India niet een tweede keer verlaten zonder die belofte gestand te doen.

20


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 21

3 De dag waarop Hariprasad Sharma zijn vrouw mee terug nam naar India was de absolute bekroning van alles wat hij ooit had bereikt. In de maand voor hun vertrek uit New York kon hij amper slapen van opwinding. ‘Als we aankomen is het al bijna Divali!’ zei hij opgetogen toen hij haar de vliegtickets liet zien. ‘De bruiloft is twee dagen na onze aankomst,’ verklaarde hij, terwijl hij haar sieraden uit de kluis haalde. ‘Ik heb je huis laten opknappen,’ bekende hij een week voor hun vertrek. ‘Leela? Het huis dat je vader je heeft nagelaten?’ ‘Leela?’ herhaalde hij toen ze geen antwoord gaf. ‘Vind je het niet spannend?’ Nee, Leela vond het niet spannend. Ze pakte een kleine reistas in met een saffraankleurige sari. Een stapeltje papieren. Een paar oude lp’s. Ze werden op de luchthaven afgehaald door zijn chauffeur, die hen rechtstreeks naar het centrum van Delhi reed via een toepasselijk chique route, over de lege weg die van de aankomsthal leidde langs internationale hotels die gasten ontvingen die voor zaken in de stad waren, naar de rustige diplomatenenclave Chanakyapuri, onder de vormelijke reeks zandstenen bogen van India Gate door, over de brede door Lutyens ontworpen, met bungalows omzoomde lanen (van alle avatars hield Hari in Delhi het meest van de Raj-incarnatie) en daarna pal noordwestelijk over de straat die vroeger Curzon Road heette, maar die sinds de Onafhankelijkheid Kasturba Gandhi Marg 21


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 22

werd genoemd, naar de vrouw van de Vader des Vaderlands. Ten slotte leidde Hari zijn vrouw het pad op naar het verscholen, twee verdiepingen tellende huis met zijn enorme achtertuin, dat nog van voor de Onafhankelijkheid dateerde, uit de tijd dat Connaught Place werd gebouwd en New Delhi in aanbouw was. Hij merkte dat zijn handen trilden. Ze hadden hier voor het laatst samen voor de deur gestaan in 1980, toen hij zojuist deze mooie, Engelssprekende vrouw ten huwelijk had gevraagd. Hij wist toen al dat ze in haar eentje in dit grote huis woonde dat ze van haar vader leende, die op zichzelf in Calcutta woonde. Ze had verteld dat ze lesgaf op een school in Delhi. Hij had verwacht dat hij nog veel meer over haar te weten zou komen. Maar ze had hem nooit binnen genood in het huis en al evenmin een woord gezegd over haar verleden. En nu stonden ze hier, twintig jaar later; in triomf waren ze dan toch teruggekomen naar India. Hari deed een stap opzij en liet Leela als eerste het huis betreden. Hij volgde haar echter op de hielen, want hij popelde om haar te laten zien hoe prachtig haar vaders geschenk aan haar was gerenoveerd. ‘Het is een heel uitzonderlijke locatie,’ had zijn architect gezegd, toen Hari hem erover had verteld. ‘Een huis aan Kasturba Gandhi Marg? Onmogelijk! Dat is te vergelijken met stofgoud.’ Toen zijn neefje Ram had geopperd om ergens anders moderner te gaan wonen, had Hari zijn hoofd geschud. Hij wilde dit erfgoed, en het vormde de schakel met Leela’s verleden. Het afgelopen jaar had hij het huis van top tot teen laten renoveren. De oude keuken was eruit gesloopt en een nieuwe geplaatst, het dakterras was gewit en voorzien van potplanten. Het Birmese teakhout was van lak ontdaan en in de was gezet, de terrazzovloer gepolijst. Er hingen nu kroonluchters aan de plafonds. Kunstwerken uit hun huis in Amerika hingen verspreid aan de muren. Tijdschriften en kranten lagen in een waaiervorm uitgestald op de haltafel. In de tuin leidde een trap rechtstreeks van het terras naar een gazon, dat drie mali’s acht maanden lang hadden vertroeteld alsof elke grasspriet een hulpeloze boreling was. De oude ficusboom wierp een schaduw die precies goed was, de 22


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 23

raat-ki-rani geurde zoet naar de herfst en langs alle randen stonden bougainvillea en jasmijn, een gulmohar-boom en een Indiase mastboom. Een pad van bakstenen leidde door het gazon naar een rode zandstenen bank, waarboven zich een alkoof bevond met daarin een beeld van de god Ganesh. Deze plek lag heel dicht bij Connaught Place en was toch zó stil en beschut! Weg van alle drukte, bedrijvigheid en vervuiling! Maar het pièce de résistance – Hari nam Leela mee naar de slaapkamer om het haar te laten zien – was een garderobekast gevuld met nieuwe sari’s, van zijde, crêpe georgette, chiffon, Banarsi en zijn favoriet, van Bengaals tangail-katoen. Hij had ze allemaal persoonlijk uitgezocht. Hari straalde van geluk. Zijn vrouw was terug in India. Zijn droom was werkelijkheid geworden. De volgende ochtend, het was zaterdag, nam de altijd tactische Hari de gelegenheid te baat om naar zijn kantoor in ZuidDelhi te rijden, zogenaamd om te kijken of alles in orde was, maar in werkelijkheid om zijn vrouw de gelegenheid te geven de koffers uit te pakken en vertrouwd te raken met haar nieuwe omgeving. ‘Red je het wel?’ vroeg hij voor hij vertrok. ‘Heb je iets nodig? De chauffeur blijft hier. De kokkin vertrekt om zeven uur. Het huismeisje zal tegen die tijd ook wel klaar zijn. Er staat...’ ‘Ik red me heus wel,’ zei ze, ze blies een wolkje sigarettenrook uit en glimlachte. Hij keek naar haar, zoals ze midden in de tuin stond. Roken was een nieuwe gewoonte van haar en Hari had zijn afkeuring erover nog niet uitgesproken. Omdat het vlak voor Divali was, hing er een feestelijke sfeer in het van uitlaatgassen vergeven Delhi, en Hari’s zaterdagse uitstapje duurde langer dan hij had bedoeld. Toen hij om zes uur thuiskwam, was het huis leeg. ‘Waar is mevrouw Sharma?’ vroeg hij aan de kokkin, die yoghurt aan het maken was in de keuken. ‘Ze is uit gegaan,’ antwoordde de kokkin. Hari liep naar de woonkamer met het hoge plafond en uitzicht op de tuin, schonk een gin-tonic in en maakte het zich gemakkelijk in een van zijn nieuwe, met pastelkleurige khadi-zijde 23


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 24

beklede leunstoelen. De vertrouwde warmte van de alcohol zou zijn zenuwen wel tot bedaren brengen. Hij voelde zich gespannen, alsof hij een jonge bruidegom was die op zijn bruid zat te wachten. Het dienstmeisje had slechts twee van de met zijde beklede schemerlampen aangedaan en het schijnsel dat die in de vroege avondschemering wierpen op de verschoten Perzische tapijten en het van borduurwerk voorziene bankstel, was plezierig gespikkeld en deed Hari denken aan het sal-bos aan de rand van het dorp waar hij was opgegroeid en waar zijn vader hem elke zondagochtend mee naartoe had genomen en had verteld over de mahua-boom en over het land dat heilig was voor de oorspronkelijke bewoners, die hier al vanaf het begin der tijden woonden. Hari was ingenomen met het effect dat hij in dit huis had bereikt door de verschillende periodes uit zijn huwelijk te laten versmelten: de schilderijen uit hun met moderne kunst behangen appartement in New York, de Mexicaanse kunstnijverheid die ze tijdens een reis over de grens hadden verzameld, allerlei dingen die ze hadden meegebracht uit Londen, Genève en Venetië had hij naar New Delhi laten transporteren. Sinds Leela drie jaar geleden op een ochtend had meegedeeld dat haar vader haar zijn bezittingen in Delhi had nagelaten, waren de zaken er sterk op vooruitgegaan. Hari was met stomheid geslagen geweest. ‘Maar je vader is al in, wanneer was het, in 1985 overleden. Dat is bijna twintig jaar geleden.’ Leela roerde bruine suiker door haar pap. ‘Er hebben al die tijd huurders in het huis gezeten. De kwestie is net pas opgelost. Ze vouwde de knisperende brief van de advocaat open en reikte hem die aan. Verder zei Leela er niets meer over en gedurende de volgende vijftig reizen naar Delhi verbleef Hari zoals gewoonlijk in het Imperial Hotel. Maar het huis zette hem wel aan het denken. Vertegenwoordigt een huis je wortels? vroeg hij zich af, ’s avonds laat, liggend op zijn helft van het enorme tweepersoonsbed in New 24


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 25

York, dat ze nog steeds deelden. Was een huis voldoende om zijn vrouw weer naar huis te krijgen? Hari had Leela ’s avonds leren kennen op een drukbezocht tuinfeest van het bedrijf waar hij toen voor werkte. Hij was in een vreemde, koortsachtige stemming geweest. Hij was al maanden bezeten van de gedachte een eigen zaak op te zetten. Toen hij naar zijn baas (die algauw zijn concurrent zou worden) toe liep met een doosje met zoetigheid waar een lint omheen was gestrikt, werd Hari’s aandacht getrokken door een jonge vrouw. Dat was Leela. Hari’s baas en zijn vrouw, die een collega van Leela was, luisterden aandachtig naar wat ze aan het vertellen was. Hari nam haar donkere, sardonische ogen in zich op, haar waardige voorkomen, zo elegant gewikkeld in een eenvoudige katoenen sari, en met een schok besefte Hari dat als hij zo’n vrouw aan zijn zijde had, hij bergen zou kunnen verzetten. Toen Hari Leela die avond een lift naar huis aanbood, liep het er tot zijn verbazing op uit dat ze bij hem bleef slapen. In de weken erna bleven ze elkaar zien. Twee maanden later was hij zelf een import-exportfirma in katoenen kleding begonnen, Harry Couture (hij had gedacht aan Dharma of Karma of zelfs Bharata, maar Leela overtuigde hem ervan dat dit leuker was). Vlak daarna trouwden ze en vertrokken ze naar New York. Leela’s vader vereerde hen met zijn toestemming, maar niet met zijn aanwezigheid. Leela vertelde aan Hari dat ze was geadopteerd en dat haar moeder was overleden toen ze nog op de universiteit zat en dat haar vader wel van haar hield, maar dat zijn verdriet hem aan Calcutta gekluisterd hield. Dit persoonlijke verhaal raakte Hari diep en hij deed zichzelf de gelofte dat hij goed voor haar zou zorgen. Dat gevoel werd nog sterker toen haar vader een jaar of vijf later overleed. Ze was helemaal alleen op de wereld, met niemand om voor haar te zorgen, behalve Hariprasad Sharma. Hij was trots op die heilige taak. Gelukkig maakte Leela haar gebrek aan familie meer dan goed. Ze was een uitstekende investering: ze was liefdevol, ze steunde hem en vulde zijn commerciële instinct steeds aan met winstgevende plannen. Terwijl zij zich in New York installeerde, 25


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 26

gaf Hari zijn arbeiders in India de opdracht om van doorschijnende, glimmende polyester stofjes glibberige dameshemdjes en met kant versierde slipjes te naaien, naar ontwerpen die Leela naar huis had meegenomen van Macy’s. In 1982 opende hij een tweede lijn, Namaste India, waarmee hij etnische chic verkocht aan Amerikaanse tieners. In 1984 consolideerden ze hun rijkdom met de aankoop van een geplunderde winkel in gedroogd fruit van een sikh uit Old Delhi. Hari nam de noodlijdende zaak over – de man emigreerde naar Amerika om daar bedrijfsleider van een supermarkt te worden – en breidde het assortiment uit met pistachenoten en Kullu-abrikozen. Leela ontwierp de blauw met gouden verpakkingen en hij verkocht zijn producten aan alle goede delicatessenzaken in New York, meeliftend met de toenemende populariteit van de Indiase keuken. Toen de jaren tachtig winstgevend overgingen in de liberale jaren negentig, werd Hari edelstenenkoning en veroverde hij een plek op de markt voor zijn smaragden. Gedolven in Rajasthan, ontworpen in Karol Bagh, geslepen door een stel Bengalezen op de bovenste verdieping van een werkplaats achter Chandni Chowk en bestemd voor Manhattan: de marges waren groot, de winsten goddelijk. Uiteindelijk was Hari in 1994 bereid om geld te steken in een nieuwe Engelstalige krant, een tabloid, met de vlotte naam de Delhi Star, waarvan vierentwintig procent in handen was van een buitenlands mediaconglomeraat. Dat was een spannend uitgangspunt voor India. Hari had nooit gedacht dat het zoveel ellende zou opleveren. De ‘ellende’ betrof Hari’s oudere broer, Shiva Prasad, die dreigde dat hij nooit meer met hem zou praten als hij deel zou blijven uitmaken van deze inhalige, door het buitenland gefinancierde Engelstalige onderneming. Hij schreeuwde dat de handel van zijn broertje een brahmaan onwaardig was, dat het onvaderlandslievend was om de koloniale taal te promoten met zijn mediaonderneming en dat het verdorven was om zaken te doen met immorele, mondiale bedrijven. Voor Hari, wiens patriottisme net zo vaag was als zijn persoonlijke opvattingen, was de felheid van 26


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 27

Shiva Prasad onthutsend, irritant en economisch irrelevant. ‘Hij loopt achter,’ protesteerde Hari bij Leela. ‘En bovendien doet zijn eigen partij zaken met multinationals.’ ‘Hij is jaloers op je succes,’ antwoordde ze, ‘dat is alles.’ Shiva Prasad was altijd al een bullebak geweest en Hari weigerde zijn nieuwe onderneming op te geven. Een poos lang leken de broers elk hun eigen weg te gaan. Maar Hari miste zijn broer. Ook al waren ze als kinderen niet zo hecht geweest, toch maakte Shivad Prasad deel uit van zijn leven. Dat westerlingen zich zo afstandelijk gedroegen moesten ze zelf weten, dacht Hari, maar voor Indiërs was het onmogelijk. En op een avond laat vroeg hij zich af of hij misschien te veel tijd had doorgebracht in het razendsnelle, familiearme Amerika. Toen bedacht hij een plan. Het was geen wraak. Verre van dat. Het was een manier om weer contact te krijgen met de familie. Vlak nadat ze in het huwelijk waren getreden, hadden Hari en Leela afgesproken nog een paar jaar te wachten met kinderen. Die paar jaar werden er zes, en toen was Hari inmiddels erg rijk geworden en wilde hij een kind. Ze copuleerden op wetenschappelijk verantwoorde wijze. Leela werd dertig, zijn moeder belde hem uit India op om hem in te lichten over goeroes en gebruiken, en Hari begon de tempel te bezoeken aan de andere kant van de stad. Hij betrad dan stilletjes het heiligdom en wist zijn favoriete god van zwarte steen met oranje stippels aan de voet precies te vinden: Ganesh met zijn lange, gebogen slurf, zijn wijd uitstaande oren, oplettend luisterend. Hari voelde zich getroost op deze plek. Maar hij begon in te zien dat hij te veel had geëist van Leela Bose. Hij was trots op zijn elegante, atheïstische, moderne vrouw. Maar hij had ook andere verwachtingen, van een soort vrouwzijn dat onmogelijk leek te worden. Te laat begreep hij dat hij een maagd had gewild tijdens zijn huwelijksnacht en dat hij een gelovige vrouw had verwacht. Hari sprak met Leela nooit over het geloof. Die eerste jaren deed ze devoot alles wat er volgens het geloof van haar werd verwacht, ze boog haar hoofd voor het 27


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 28

pooja-vuur dat zijn moeder ontstak tijdens haar bezoeken aan New York, ze kocht de juiste zoetigheden voor de juiste mensen op de juiste data. Maar hij had het gevoel dat er iets ontbrak, een cruciaal gebrek aan hartstocht, en dat voor zijn vrouw de peilloze ruimte die zijn moeder met een keur aan goden vulde, leeg bleef. Het duurde niet lang of Hari ging zijn heil zoeken in het bovennatuurlijke. Maar zelfs dat bood geen soelaas op het punt van nageslacht. Dus uiteindelijk viel Hari terug op de bronnen binnen de familie. Tijdens een van zijn vele bezoeken aan India sprak Hari in het geheim af met Ram, de zoon van zijn broer. De oom en de neef hadden door hun gedeelde belangstelling voor het kapitaal altijd goed met elkaar kunnen opschieten en Hari, die een zorgelijk oogje op de financiën van zijn broer gevestigd hield (waaruit een flinke hap was genomen door het in eigen beheer in het Hindi gepubliceerde boek over ‘De inheemse oorsprong van de IndoAriër’), vermoedde dat Shiva Prasad de commercieel georiënteerde Ram niet te bieden had wat de jongen zich wenste. Hari greep zijn kans. Hij stapte zwaaiend met een dollarkleurig toverstafje, als een goede fee gekleed in een flitsend westers maatpak, precies in dat financiële gat. Hij was filosofisch ingesteld. Hij wist dat hij het zijn erfgenaam onder geen beding te gemakkelijk moest maken. Ram zou moeten werken voor de kost, hij zou moeten bewijzen dat hij het, ondanks de Arische pose van zijn vader, waard was om zijn oom op te volgen. Ram deed precies wat Hari van hem vroeg. Hij studeerde economie. Hij haalde zijn masterstitel. Hij werkte zelfs een poosje in het naaiatelier. Na dit alles was hij gereed om in Hari’s kantoor te komen als zijn assistent, en vervolgens in zijn huis. Maar er was één struikelblok voor dit plan, en dat was Hari’s relatie met zijn broer. De oudste dochter van Shiva Prasad, Urvashi, had intussen een ongepast huwelijk gesloten. Ze was ervandoor gegaan met een moslim, wat gezien haar vaders positie als steunpilaar van de hindoegemeenschap rampzalig was. Ze was al drieëntwintig jaar 28


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 29

oud en de moslimjongen, zo ontdekte Hari, kwam uit een welvarende drukkersfamilie, die tegenwoordig in Zuid-Delhi woonde. Met vooruitziende blik had Urvashi’s echtgenoot de drukkerij verhuisd van zijn vaders werklocatie bij Kashmiri Gate naar een modern complex in Okhla dat gemakkelijk bereikbaar was voor de bedrijven in Zuid-Delhi, en terwijl zijn vader in het eerbiedwaardige Urdu was blijven drukken, schakelde de zoon over op het Engels, waardoor de firma een hoge vlucht nam. Shiva Prasad reageerde op het huwelijk van zijn lievelingsdochter met zijn karakteristieke felheid, hij ontzegde zijn dochter de toegang tot zijn huis. Hari had geen kinderen en kon de houding van zijn broer tegenover zijn nageslacht niet begrijpen. Wat hij wel begreep, was dat het verlies van een dochter vervelend was (ze zou hoe dan ook uit huis zijn gegaan), maar dat het verlies van een zoon een soort heiligschennis was die nooit meer goed zou komen. Maar toen verloofde Sunita, de jongere zus van Urvashi, zich heel verrassend en helemaal op haar eigen initiatief met de zoon van de meest gevierde Sanskriet-geleerde van India. De Sharma’s stamden uit een stadje in het midden van India. De Chaturvedi’s behoorden tot de stadselite van Delhi. Het was een schitterende verbintenis, die ver uitsteeg boven de vooruitzichten van Sunita’s familie en vrienden. Haar vader was dol op beroemdheden, macht en connecties, net als iedereen met politieke ambities. Volgens Ram had Shiva Prasad maar heel even stilgestaan bij het vervelende feit dat hij, de vader van de bruid, een ideologische tegenstander was van hem, de vader van de bruidegom. Inwendig schoof hij met één armzwaai alle uren van tafel waarin hij samen met zijn mede-partijleden van leer was getrokken tegen professor Ved Vyasa Chaturvedi’s gruwelijke opvattingen over de hindoemythologie, de goden, de Veda’s. Hij vergat op slag zijn scheldkanonades tegen de liberale academici, antinationalistische atheïsten en andere personen van Chaturvedi’s slag. Er stonden eindelijk grotere belangen op het spel dan de nationale en religieuze moraal. 29


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 30

Deze kans om zichzelf en zijn familie een trede hogerop te brengen bracht evenwel de nodige zorgen met zich mee. Ram vertrouwde Hari toe dat Shiva Prasad in financiële nood verkeerde. De kosten van een bruiloft met een gastenlijst vol politici, televisiepersoonlijkheden en krantenredacteuren waren astronomisch hoog. Shiva Prasad had zijn levensverzekering al te gelde gemaakt en daarmee kon hij amper de kosten van een eenvoudige catering dekken. Dan bleef er nog de huur van de locatie over, de uitnodigingen, de pandal, de pandit, zijn dochters uitzet en een hedendaagse bruidsschat, bestaande uit een assortiment elektronische apparaten. Hari nam zijn kans waar. Zonder zijn vrouw te laten weten wat hij in zijn schild voerde, belde hij al vroeg in de ochtend vanuit New York naar Manoj, de assistent van zijn broer, om te praten over een gift voor de bruiloft. ‘Zou vijftig lakhs genoeg zijn om de belangrijkste kosten te dekken?’ informeerde Hari. En in de aangrenzende kamer mimiekte Shiva Prasad dat vijftig lakhs roepie inderdaad ongeveer genoeg zou zijn. Dus broer Hari betaalde de bruiloft. Maar voor wat hoort wat, dus nu Hari in Delhi was, wilde hij zijn broer thuis bezoeken om een hereniging van de familie voor te stellen. Maar dat moest hij heel omzichtig aanpakken. Want Shiva Prasad zou zich niet alleen tekort voelen schieten omdat hij Rams materiële ambities niet kon vervullen, hij zou er ook bezwaar tegen hebben geassocieerd te worden met – lees: te profiteren van – de ontaarde handelsmentaliteit, het geld en de buitenlandse invloeden die bij de wereld van zijn broer Hari hoorden. Hari wilde echter niet alleen dat de familiezaken werden geregeld. Hij wilde een echte verzoening. Hij wilde dat zijn broer hem weer in de familie verwelkomde, zodat de Sharma’s weer één familie konden worden. Dat was zijn plan. Hari zette zijn gin-tonic neer en liep naar de oude platenspeler die onder het tuinraam stond. Er stonden heerlijke dingen te gebeuren, maar ondanks alles maakte hij zich zorgen om Leela. Hij haalde een van haar elpees uit zijn beschadigde en verschoten 30


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 31

hoes en legde hem op de draaitafel. ‘Dit is mijn enige bruidsschat,’ had Leela tegen hem gezegd, toen ze hem de dertien platen in zijn armen had geduwd. De eerste tijd had ze ze grijs gedraaid, ze kon elke filmsong uit haar hoofd meezingen, en de ijle, zoetgevooisde muziek deed Hari nog steeds terugverlangen naar hun wittebroodsweken. Toen had hij kleine trappelende voetjes voor zich gezien en mollige peuterarmpjes en -beentjes; hij had gedacht dat hij haar in een katoenen sari zou zien terwijl ze paratha’s voor hun zoon bakte, of op het terras van een barsaati in Delhi, terwijl ze hun dochter in haar armen wiegde. Hij had visioenen van zichzelf gehad als volmaakte vader, die samen met zijn dochter diya’s voor Divali aanstak of die zijn zoon leerde een man te zijn. Gedurende het afgelopen jaar had Hari zo graag Leela bij zijn plannen willen betrekken. Hij had geoefend hoe hij de komst van Ram zou kunnen vertellen, ontmoetingen gerepeteerd in zijn hoofd, etentjes gepland, spontane wandelingetjes, gesprekken in bed gevoerd. In deze visioenen zou hij haar hand vastpakken en haar op rustige en redelijke toon voorspiegelen hoe hun gezin eruit kon zien. Zij zou op haar beurt knikken, glimlachen en door de druk van haar hand op de zijne laten weten dat haar wensen overeenstemden met de zijne. Maar op de een of andere manier deed het goede moment zich nooit voor. Ze leken heel veel tijd kwijt te zijn aan partijtjes, fondsenwervingsevenementen en andere verplichte nummers. Brachten ze echt zo weinig tijd samen door? Wat de reden ook was, Hari kon niet de moed opbrengen om het onderwerp aan te snijden. Hij wachtte tot hij hun vakantie naar Parijs had geannuleerd, schilderijen en meubels uit de opslagplaats naar hun huis in Delhi had verscheept en vliegtickets had gekocht voor India – en nog steeds had hij haar niets verteld. Pas op de ochtend van de dag waarop professor Chaturvedi een lezing gaf in New York, en nadat Ram hem had gebeld om hem daarvan op de hoogte te brengen, wist Hari dat hij het niet langer kon uitstellen. Staande voor het raam, uitkijkend over de tuin en luisterend 31


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 32

naar het droevige lied dat zijn climax bereikte, dacht Hari opnieuw met een zekere wroeging aan zijn vrouw. Zij had nooit terug gewild naar India en het belangrijkste wat ze hem in al die twintig huwelijksjaren had gevraagd, was dat ze niet naar dit land terug hoefde. En nu waren ze toch hier. Op dat moment klonk de deurbel en Hari wendde zich met zijn gebruikelijke doortastendheid van het raam af omdat hij wist dat zijn neef was gekomen. Vanavond zou Ram Sharma hier komen als Hari’s zoon. Vanavond zouden Leela en hij ouders worden. Vanavond zou Hariprasads gezin beginnen te functioneren zoals hij zich dat altijd had voorgesteld. Alles was gefundeerd op het hebben van kinderen.

32


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 33

4 Met veel plezier en zichtbaar gemak begin ik aan mijn aandeel in deze bladzijden. Geen moment te vroeg. (Wellicht zelfs een tikje te laat? Ik moet kijken of ik de volgorde nog kan wijzigen.) Want ik bezit de gave van het woord. Sta me toe mijzelf voor te stellen. Ik ben Ganesh, de god met het olifantenhoofd, de misvormde zoon van Heer Shiva en Parvati, onthoofd door mijn vader om mijn moeders eer te beschermen, hetwelk hoofd per abuis is vervangen door dit luchthartige olifantenhoofd; ik ben al te lang een bewoner van Kailash, die ijzige en onvriendelijke berg waar mijn familie wilde wonen, slechts bevriend met mijn trouwe Rat (de goddelijke vahana, het transportmiddel voor goden). Ik geef ruiterlijk toe dat Vyasa mijn gezworen vijand is, die prozaïsche auteur van India’s te lange epos, een heldendicht dat de Mahabharata heet en waarvan ik elk woord opschreef. Reeds als piepjonge olifant voelde ik de woorden in me groeien, ze hoopten zich op, drukten tegen het uiteinde van mijn slurf en vochten zich een weg naar buiten – en dan opeens verloor ik mijn zelfbeheersing en brak er een oorverdovende, getrompetterde tirade naar buiten die de concentratie verstoorde van dat egocentrische meditatieheuveltje dat ze Kailash noemden. Voordat mijn familie me een uitbrander kon geven, holde ik ervandoor naar mijn kant van de berg, boog me als een schuldbewuste puber over mijn pauwenveer en begon aan één stuk te schrijven. Waarover ik schreef, hoor ik u vragen. Ach, over het innerlijk leven van anderen, wier ervaringen mij ongewild invielen. De 33


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 34

tranen schieten me in de ogen als ik eraan terugdenk hoe mijn vader, Shiva – de beroemde asceet –, me een mep gaf met zijn drietand als ik zat te kletsen tijdens meditatieles en de gedachten opschreef die door zijn hoofd gingen (Parvati, kom tot mij, prinses met je honingzoete dijen); bij de herinnering aan de boze verwensingen die volgden op mijn inspanningen om mijn familie te wijzen op hun dwaze gedrag; bij het terugdenken aan die lange, moedige sessies, slechts in het gezelschap van mijn dierbare kleine Rat, die het enige lid van ons huishouden was dat zijn oren spitste en luisterde, waarlijk luisterde, als ik mijn rampspoeden over hem uitstortte. Ik werd zonder meer heel slecht opgevoed. Gezien de ongunstige omstandigheden van mijn vroegste jeugd is het waarlijk een wonder dat ik erin ben geslaagd mijn integriteit te behouden, te geloven in mijn aanleg en te vertrouwen op mijn talent van geboren verteller. Het gevaar was dat, omdat het er bij mij is ingestampt dat al wat ik deed fout was, ik zou zijn gaan geloven dat wat mijn familie zei waar was en dat ik mijn creatieve gaven zou zijn gaan beschouwen als een voyeuristisch trekje. En ik heb inderdaad geluisterd en me wanhopig gevoeld wanneer mijn moeder jammerde: ‘Ach, Ganesh. Je kunt toch niet altijd aan andere mensen hun eigen verhalen vertellen!’ Maar bards worden verondersteld de waarheid te spreken. Heeft Ugrasravas, de zoon van Lomaharsana, zanger van de oude overleveringen, ooit concessies gedaan? Neen. Sloeg Homerus de nare stukken over? Ik verzeker u: dat deed hij niet. Destijds, gevangen in een eeuwigheid van tijdloosheid, een vacuüm van kunst en woorden, had ik geen manier om mijn ouders hiervan te overtuigen. Ik was niets meer dan een eenzame schrijver, dolend tussen zijn onwetende familieleden. De repressie waaronder ik leed zou een minder wilskrachtig iemand dan ik hebben afgeschrikt, maar ik ben één brok onverzettelijkheid, en noch de hoon van mijn vader, noch de onderhuidse speldenprikken van mijn broer drongen diep door in mijn 34


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 35

verbale afweerschild. Net als Valmikiya (de auteur van dat uiterst ondergeschikte epos, de Ramanaya) veranderde ik ‘shoka’ in ‘shloka’ (jammerklacht in lofzang) en besefte ik dat ik veel te begiftigd was om te blijven hangen in die barbaarse goderijkolonie en te wachten tot mijn noodlot zich zou aandienen. Ik had bijna het stadium bereikt dat ik definitief ontgoocheld was over de andere goden. Mijn geest was onophoudelijk gevuld met kwesties – ze doken op, niet te onderdrukken, en tergden me – en daarom was ik genoopt om steeds meer tijd aan de andere kant van de berg door te brengen teneinde ze allemaal op te schrijven, opgaand in mijn eigen fantasiewereld. En toen gebeurde er iets wat zeer tot hulp strekte. Vyasa kwam. Inderdaad, hij kwam naar boven lopen, hijgend en puffend in de mist, strompelend door de sneeuw, hyperventilerend op de top van de Kailashheuvel – waar hij zich voor mijn voeten gooide, zich aan mijn genade overgaf en me smeekte een beroep te mogen doen op mijn transcriptionele gave. Want inmiddels had zelfs de goede god Brahma over mijn talige aandoening horen vertellen. Vyasa had zijn beklag tegen hem gedaan: ‘O Brahma, ik heb een alom zeer gerespecteerd gedicht gemaakt. Het gaat over het mysterie van de Veda’s, de odes van de Upanishads en de geschiedenis van de verleden, tegenwoordige en toekomende tijd. Het verklaart de aard van het zijn en niet-zijn, de regels voor de vier kasten en de dimensies van de aarde, de zon en de maan. Het openbaart de kunst van het oorlog voeren en is de sleutel tot de diverse rassen en talen van alle mensen. Alles is in dit gedicht vervat. Maar ik kan niemand vinden om mijn Mahabharata op te schrijven.’ Brahma, die een oneindige en weldoende god van schepping was, meende dat het ondanks de onverkoopbare lengte van het gedicht misschien toch een poging waard was (het kon nog altijd aan de man worden gebracht als religie). Dus legde hij zijn vinger langs zijn neus, hij keek op naar de lucht en daarna neer op Vyasa, en sprak toen: ‘Je hebt goddelijke woorden onthuld in de taal van de waarheid, zelfs uit hun begintijd. Dat is allemaal prachtig. 35


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 36

Maar vraag nu aan Ganesh om ze voor je op te schrijven.’ Dus trok Vyasa eropuit om me te zoeken. ‘Ganesh,’ zei hij, toen hij weer op adem was na zijn klim de berg op, ‘word de scribent van mijn Mahabharata, die ik in mijn hoofd heb gecomponeerd en nu zal opzeggen.’ Hij zei dat hij van Brahma had gehoord dat ik geen nee kon zeggen tegen een sage. En hij had gelijk. Omdat ik een met instinct gezegende olifant ben, had ik al gezien welke potentie Vyasa’s verhaal had, mogelijkheden die de auteur in de verste verte niet vermoedde. Dus zei ik: ‘Ganesh zal de schrijver zijn van uw werk, onder de voorwaarde dat zijn pen geen moment hoeft te rusten.’ Vyasa antwoordde: ‘Staak alleen het schrijven als je een passage niet begrijpt.’ Ik antwoordde: ‘Afgesproken.’ En zo togen we aan het werk – we werkten terug naar het begin, want zoals bij alle goede verhalen waren we begonnen in het midden en eindigden we bij het begin. Welnu, in de Mahabharata portretteert Vyasa zichzelf als een heilige wijsgeer, met samengeklit haar en een buitenaardse uitstraling, een uitstekend leraar, de raadgever van koningen, de wijze oude grootvader van zijn personages. Hij schildert een legendarisch portret van zichzelf: troostend en toch afstandelijk, schrander en tegelijk charmant. Ik heb maar één probleem met deze welwillende visie: ze is totaal uit de lucht gegrepen. Op deze bladzijden zal ik deze misvatting, waaronder stervelingen zo lang hebben moeten lijden, corrigeren. Ik zal laten zien dat Vyasa geen respect had voor dames, er niet in slaagde zijn afstammelingen ervan te weerhouden elkaar af te slachten en studenten hoofdpijn bezorgde met zijn proza. Helaas kostte het een eeuwigheid om het verhaal afgerond te krijgen. Vyasa sloeg vele zijpaden in en de trage stroom van zijn poëzie kende vele zijrivieren, hoefijzermeren en stilstaande watertjes (om nog maar te zwijgen van een overmatig aanwezige verteller). Door zijn gigantische hoeveelheid personages, hallucinogene tijdsbestek en keur aan locaties, werd zijn Mahabharata veel te lang, zelfs voor India. Reusachtig. Maar ik trok en duwde en praatte Vyasa verder, totdat de brallerige neerslag van zijn er36


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 37

varingen en dromen er uiteindelijk moeizaam uit was geperst, rechtstreeks in mijn wachtende pen. Wat onze literaire inspanningen onderscheidde van andere doodgewone literaire werken, was dat terwijl we op de Kailash zaten (hij pratend en ik schrijvend), beneden op aarde alles waar Vyasa over sprak in het echt plaatsvond. Dat weet iedereen wel: de personages van Vyasa bevolkten India. Maar waar niemand van op de hoogte is – de prachtige wending die ik nu pas prijsgeef – is dat het grote gedicht van Vyasa ook een vruchtbare voedingsbodem was voor mijn eigen fantasieën, voor mijn eigen verzonnen personages. Vyasa was net als alle dictators paradoxaal. Jaloers hield hij zijn verhaal voor zichzelf, hij weigerde het tijdens het leven van zijn kleinzoons te publiceren omdat zij er natuurlijk in voorkwamen, en als ze het hadden gelezen, zouden ze hebben geweten hoe hun leven er verder uit zou zien. En ofschoon hij de bergplaats van het manuscript heel scherp in de gaten hield – en precies regelde wie wanneer welk stuk mocht leren – pauzeerde hij nooit om te controleren wat ik had genoteerd. Misschien bezat hij niet de energie om ze nogmaals te lezen, omdat hij die honderdduizend shloka’s al twee keer had bedacht. Misschien kon hij ze ook niet controleren omdat hij niet kon lezen. Of misschien kende hij me meer goddelijke eer toe dan me toekwam. Om kort te gaan, ik zou me tot op de dag van vandaag schuldig hebben gevoeld, ware het niet dat bepaalde belangrijke mensen – de absolute toppers uit het verhaal dat ik dadelijk uit de doeken ga doen – zonder mijn ingrijpen nooit het daglicht zouden hebben gezien. Aldus was de stand van zaken. Vyasa had zijn versie van de gebeurtenissen. En ik, vanbuiten een en al instemming en vanbinnen een en al onenigheid, de mijne. En Vyasa merkte mijn toevoegingen pas toen het al veel te laat was. In werkelijkheid waren mijn mensen aanvankelijk schimmige types, marginale krabbels, gemakkelijk te missen. Ze glipten in de 37


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 38

pagina’s van Vyasa’s tekst, kwamen naamloos voor in de gewijde Vedische taferelen van het oude Bharat, raakten de zoom van de heilige Pandava’s aan, boden handenvol water aan, vagina’s vol seks, ter aarde geworpen lichamen om te doden of te verkopen aan de wachtende, vijandige stammen. Plaatselijke en geïmporteerde slavinnetjes, op olifanten rijdende mleccha’s: als de barbaarse onderkaste tijdens de Arische overheersing vormden zij mijn boetseerklei. Maar ik nam me voor om ze juist te beschrijven. Ze maakten hun geschreven debuut in mijn tekst; zij waren mijn leidraad. En ik hield mijn oog gericht op het nageslacht. Wat ik nodig had was een winnende formule, een stel menselijke personages die op de pagina’s van Vyasa’s boek zouden uitgroeien tot symbolen en dan door de eeuwen heen zouden reïncarneren, zodat elk volgend leven elk afzonderlijk personage de tijd en de ruimte zou bieden om zijn eigenschappen uit te bouwen en malle aanwensels te elimineren, om zijn karakter te perfectioneren en handelingen te polijsten, totdat ze mijn manieren en boodschap onder de knie hadden. (Desondanks ontglipten ze me en begonnen ze zelf plotwendingen te dicteren.) Maar ik loop op mezelf vooruit. Laten we teruggaan naar het begin. Terug naar die infantiele dagen op de Kailash. Sta me toe mijn belangrijkste dame te ontsluieren. Leela, de mooie Leela, kwam op een ochtend tot mij in een waas van onontdekte alfabetten, terwijl ik op de berghelling lag te zweten na een ondankbare uitbarsting van woordengeworstel. Ze rees volledig gevormd op uit de nevel van mijn onderbewustzijn met de diffuusheid van een zomerse schemering: naakt, zacht, pulserend van belofte, haar borsten even verrukkelijk als mango’s na de moesson, haar buik een zachte curve, haar bewimperde ogen onmogelijk langgerekt. Ik had een schoonheid gebaard. Zonder er met een woord over te reppen liet ik haar eenvoudig los in Vyasa’s verhaal, op een van de weinige plaatsen in het epos waar een personage geen naam had – toevalligerwijze in het bed van Vyasa zelf – als de verliefde slavin die hij per ongeluk had 38


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 39

bezwangerd (nadat de weduwen van zijn overleden broers genoeg van hem hadden gekregen). Avatar 1: Vis Natuurlijk herinner je je het verhaal: Vyasa’s als vis geboren moeder kreeg hem als buitenechtelijk kind en trouwde daarna met een luisterrijke koning, bij wie ze nog twee waardeloze zoons kreeg, van wie er een al jong tijdens een gevecht sneuvelde terwijl de ander bezweek aan een ziekte, nog voordat ze voor erfgenamen hadden gezorgd bij hun vrouwen, de gezusters Ambika en Ambalika. Vyasa’s moeder, die zoals elke vrouw ernaar verlangde om de kinderen van haar eigen kinderen in haar armen te houden (om zo het koninkrijk veilig te stellen), ontbood haar enige nog levende zoon en eiste van hem dat hij zijn sperma in de zussen zou laten vloeien. Vooruit, zei ze, alles hangt van jou af. En zo geschiedde. Vyasa deelde het bed met de vrouwen van zijn overleden broers. In tegenstelling tot de meeste auteurs deed Vyasa niet ijdel over zijn eigen optreden. Hij beschreef het tot in ontwapenende, weerzinwekkende details: zijn ontstellende ascetische geur, zijn afzichtelijke haar, de glans in zijn ogen die de heiligste mannen van het land lijkt af te stoten. Ambika, die als eerste aan de beurt was, deinsde terug toen ze hem zag naderen. Ze kneep haar ogen stevig dicht en deed ze pas weer open toen Vyasa zich uit haar blikveld had teruggetrokken en de incubatie verder aan haar overliet. Maar de wijsgeer was niet blij met haar overduidelijke afkeer van hem. Hij vervloekte haar toen hij vertrok en de baby werd inderdaad blind geboren. Ambalika, die als tweede aan de beurt was, had het ook niet voorzien op de grote eposverteller. Ze trok wit weg van afkeer toen hij haar zijn naakte lichaam toonde, en deze keer sprak de wijsgeer de vloek uit dat haar nageslacht doodsbleek zou zijn. Maar deze twee moeizaam verkregen kinderen waren Vyasa’s moeder niet voldoende. Ze wilde nog een derde, en aangezien Mabika en Ambalika weigerden nogmaals het bed te delen met Vyasa, liet ze een vervangster ko39


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 40

men, een dienstmeid, gekleed in koninklijke gewaden. Op dit punt kwam ik op de proppen. Hier schreef ik mijn beminde Leela erin. Destijds leek het een briljante manoeuvre, een subtiele en subversieve manier om mijn personage in zijn Mahabharata op te nemen. Pas later begreep ik de omvang van mijn vergissing. Vyasa raakte namelijk nogal onder de bekoring van Leela: hij wilde haar niet alleen laten, hij bedolf haar onder zijn kussen, hij viel haar lastig met zijn ongepaste avances. Ze vluchtte voor hem en wierp zich op de harde stenen vloer van de tempel waar de beeltenis van Ganesh stond en gilde tegen het beeld met zijn dode ogen en absurd dikke buik. Red me uit handen van dit monster, smeekte ze. Wat heb ik mijn schepping aangedaan? vroeg ik me af toen ik haar zo zag. Je hebt me aan je vijand gekoppeld, leek ze te schreeuwen terwijl ze daar lag. En als ik bloed in mijn aderen had gehad, zou dat ijskoud zijn geworden. Ik deed wat ik kon om de controle terug te krijgen. Ik liet de dienstmeid ontsnappen in een bootje dat saffraangele sari’s uit Kashmir vervoerde en de rivier afzakte naar waar de Yamuna en de Ganges samenkomen en stuurde Vyasa de wildernis in voor wat krachtige meditatie. De levensverwachting voor bedienden was destijds niet erg hoog. Ze leefde haar tijdsspanne uit zonder nog te worden lastiggevallen door Vyasa en al betreurde ik haar vertrek diep – mijn eerste schepping, zo kortdurend, zo gedwarsboomd – ze reïncarneerde tot mijn vreugde al spoedig. Ditmaal in de boezem van een onopvallend vissersgezin uit een lagere kaste, dat in lange houten schepen aan de oever van de rivier de Yamuna woonde op een plek ergens achteraf, die Indraprastha heette. Ze werd geboren kort voor de oorlog, waar Vyasa’s verhaal mee eindigde. Avatar 2: Het vrouwenleven Ongelukkigerwijs had Vyasa reeds het plan opgevat om Indraprastha als locatie te stelen voor zijn vertelling. Aanvankelijk had ik het niet in de gaten. Het was zo’n onopvallend dorpje (dacht 40


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 41

ik), slechts een verzameling hutten op de oever van de Yamuna (een prachtige rivier met zijn smeltende sneeuw, bergwind en koude, diepe waterstroom). Maar toevallig hadden de kleinzoons van Vyasa daar gewoond in het voor hen gebouwde paleis, dat later het hoofdkwartier van de Mogolen zou worden en weer later de hoofdstad van Brits-Indië, die de nieuwe naam Delhi kreeg. Als ik dat had voorzien, zou ik mijn Leela beslist naar elders hebben gestuurd. Maar destijds had ik geen deel aan de vuile klauwen van de geschiedenis en kon ik geen plek bedenken die onbeduidender was dat deze verzameling champak-bomen en dit stel naar vis riekende mensen. Met plezier zag ik Leela van een meisje in een vrouw veranderen; glimlachend zag ik welk een koppige jonge vrouw mijn verbeelding had voortgebracht, ik lachte in mezelf toen ik merkte dat mijn creatie mijn liefde voor het vertellen van verhalen had geërfd. Want terwijl ze passagiers over de rivier zette, zong Leela liedjes uit de republieken waar vrouwen aan het hoofd stonden: uit het land achter de Grote Himalaya; van de bergstammen uit het Westen, waar de vrouwen ongehinderd dansten; van de matriarchen uit het Zuiden, waar moeders hun kinderen geld, morele leiding en hun zelfs hun namen gaven (... en de vaders, zo werd gefluisterd, het huis schoonmaakten en het eten bereidden). Zo beroemd werden deze rebelse liedjes, zo vaak draaiden de vrouwen hun hoofden om als zij ze hoorden – kindbruidjes in vruchtbaar rood die naar hun bruiloft werden gedragen, moeders die zwanger waren van hun zevende kind, grootmoeders die waren kromgegroeid door tientallen jaren hard werken – dat ze ook Vyasa ter ore kwamen, die daarop stroomafwaarts reisde om Leela met eigen ogen te aanschouwen en een inschatting te maken van hoeveel moeite het zou vergen haar te strikken teneinde de belofte aan zichzelf gestand te doen, namelijk om het land met de vrucht van zijn lendenen te bevolken, dat wil zeggen met een geslacht van uitzonderlijk wrede krijgers. Leela was niet bang voor de sluwe oude brahmaan. Ze had een lage dunk van zijn gratuite narratieve machinaties en dat zei ze 41


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 42

ook tegen wie het maar wilde horen. Ze zei dat ze het onwaarschijnlijke verhaal had gehoord dat hij de wereld in had geholpen over zijn moeders verwekking (dat zijn grootvader, de koning, zijn sperma aan een vogel toevertrouwde, die het in een rivier liet vallen, waar het in de bek van vissengodin terechtkwam) en wat haar betrof zat er een luchtje aan, een rottevislucht, en was het verzonnen door Vyasa om de indruk te wekken dat zijn moeder uit een hoge kaste kwam en zijn eigen verwekking zuiverder te maken. Leela vertelde een prozaïscher versie, namelijk dat de koningin, de stiefgrootmoeder van Vyasa, onvruchtbaar was en dat de koning daarom zijn erfgenamen verwekte bij de riviervrouwen, die in grote vrijheid op de oevers van de rivieren in zijn koninkrijk woonden; en dat alleen een gewetenloze leugenaar als Vyasa zo’n idioot verhaal aan de mensheid had kunnen slijten door middel van zijn misleidende heldendicht. Inmiddels was Vyasa uitgegroeid tot een wijsgeer, berucht om zijn strengheid, en omdat het hinderlijk is als je reputatie wordt bezoedeld door een onbeduidende veervrouw, kwam hij bereid om haar het zwijgen op te leggen bij de rivieroever aan. Maar toen hij naar Leela keek, die passagiers naar de overkant van de rivier roeide en daarna terugkwam met haar schuitje, wachtend met één voet op de oever en de andere op haar voorsteven, haar tenen bevlekt met henna, haar haren onbedekt, zonder ook maar een poging te doen om de rondingen van haar boezem te verdoezelen met de vijf meter stof van haar sari; zodra hij een glimp van haar opving, van dit meisje met haar lenige armen en benen, getooid in haar spaarzame kledij, haar ongezoomde doek die door het koude, donkere water om haar dijen kleefde als na een wolkbreuk, kreeg hij een beter idee. In de schemering liep hij naar de oever toe en riep naar Leela, die met haar voeten omhoog op een eilandje midden in de rivier zat. Ze draaide haar hoofd om en zag hem daar met een ongehoord verlangende blik staan; ze schold hem uit omdat hij probeerde haar liedjes te leren, haar verhalen te stelen en omdat hij van alles over zichzelf verzon om maar uit te stijgen boven de amfibische oorsprong van zijn moeder. 42


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 43

Ongelukkigerwijs lieten Leela’s opvattingen haar vader koud, nu hij een illustere huwelijkskandidaat en een royale beloning van een machtige brahmaanse wijze tegemoet kon zien. Vyasa ging met hem praten en tegen de tijd dat ik over de kwestie hoorde, was Leela al met mijn vijand getrouwd. Aanvankelijk vatte ik deze scherpe zet van Vyasa op als een aanval op mijn verhaal. Gelukkig liet Leela zich niet zo snel intimideren. Men zei dat ze weigerde om zich gepast te gedragen tegenover haar nieuwe heer en meester. Ze raakte niet een keer zijn voeten aan en noemde zichzelf niet een keer zijn bediende (en dus, zei men, schold Vyasa haar uit); ze weigerde hem aan te spreken als haar god; ze wachtte niet op hem tot hij ’s avonds thuiskwam alvorens haar eigen etensbord glanzend schoon te likken. Haar ergste vergrijp was nog wel dat zij weigerde hem een kind te baren. ‘Ik moet mijn krachten sparen,’ zei ze herhaaldelijk, ‘voor andere activiteiten.’ Als ze zich wel aan hem gaf, was dat gedurende verkeerde periodes van de maand, als haar eisprongmachine buiten werking was. Ze was een vrouw die de ritmes van haar lichaam goed kende. Die kennis had resultaat. Ze bleef kinderloos. Vyasa had toen nog ouderwetse opvattingen. De afwezigheid van moederlijk instinct en haar onafhankelijkheid verbijsterden hem, hij vond dat ze de natuur misleidde, de Wetten van het Leven schond en zijn genen hun eeuwig recht ontzegde. Ze diende hem van repliek met een gewiekste voorloper van de Wetten van Manu: Je hebt zes keuzes om een zoon te krijgen: bevrucht je vrouw, doe hem jezelf cadeau, koop hem, breng hem groot, adopteer hem of zoek elders een betere fokmerrie. Uiteindelijk deed Vyasa wat Manu adviseerde en hij nam er een bruid bij. Ze betrad het huis met gebogen hoofd en op haar twaalfjarige leeftijd was haar maagdenvlies nog intact. Vyasa hoopte dat hij zijn opstandige oudere vrouw zo een lesje in Vedische zedenleer kon geven en haar zo jaloers kon maken dat ze bevrucht wilde worden, terwijl hij intussen de aandacht ontving die hij verdiende van zijn jongste echtgenote. 43


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 44

Maar Leela was opgetogen over de komst van haar bijzondere saheli, haar vriendin. Ze fluisterde tegen Meera: Ik heb genoeg van mannen. Ze legde haar, liggend in het klotsende badwater waar ze elkaars rug inzeepten en het vuil achter elkanders oren wegpoetsten, haar theorieën uit over de emancipatie van vrouwen; terwijl ze op de binnenplaats samen gehurkt de rijst uitziftten, ontvouwde ze de methodes die ze zou gebruiken om hun man het licht te doen zien; gedurende het verzamelen van sprokkelhout in het bos wond ze geen doekjes om de middelen die ze tot hun beschikking hadden indien hij weigerde. Meera, die even ongerept was als weelderig gebouwd, was geboren in een doodgewoon, traditioneel gezin. Toen ze twaalf maanden na de bruiloft naar huis terugging, nog niet zwanger en met haar hoofd vol extremistische ideeën, zette haar vader zijn trots opzij en schreef een brief om zijn beklag te doen bij zijn schoonzoon. Maar Vyasa kon niets beginnen. Zijn eerste vrouw kon heel gemakkelijk vriendschap sluiten met zijn tweede vrouw, de rivier bracht hen samen. Leela, die zwom als een nagi, nam Meera de eerste de beste ochtend na haar komst mee naar de rivier, omdat ze haar per se wilde laten kennismaken met de vrijheid die besloten lag in de golven en de zandbanken. Ze peddelden naar de oever onder het verlaten paleis van de Pandava’s. In de schemering dwaalden ze door de uitgebrande kamers, ze zochten hun weg over neergestorte dakspanten en vroegen zich af waar Draupadi had gewoond – ‘Met haar vijf mannen, Meera!’ zei Leela. ’s Avonds kwam Vyasa naar de hut die hij voor hen had laten bouwen ten zuiden van het paleis en terwijl zij het avondeten bereidden, vertelde hij een van zijn verhalen waar hij beroemd mee was geworden. ‘En hoe kwam het,’ informeerde Meera onschuldig, ‘dat jij de vader was van de vader en de oom van de Pandava’s?’ En Vyasa legde dan uit dat de twee jongere zoons van zijn moeder waren gesneuveld, één in een gevecht en de ander door ziekte, en dat zij, omdat ze een man voor haar schoondochters nodig had, Vyasa had gesmeekt om voor 44


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 45

nageslacht te zorgen bij de weduwen van zijn halfbroers. ‘Die eerste avond,’ onderbrak Leela hem, ‘sloot de eerste schoonzus haar ogen van afgrijzen toen ze jou zag en tijdens de tweede nacht verbleekte de tweede schoonzus van angst, en de derde nacht stuurden de twee schoonzussen een bediende in hun plaats, omdat ze jouw avances niet meer konden verdragen.’ En dan wierp Meera haar hoofd in haar nek en lachte luidkeels, terwijl de tranen in haar ogen sprongen. Om kort te gaan werd Meera rebels onder Leela’s hoede en de onfortuinlijke echtgenoot, die er niet in slaagde om hen te bevruchten, was gedwongen om net als zijn grootvader zijn erfgenamen te verwekken bij de plaatselijke wasvrouwen. Wat Meera betreft, zij werd aan het einde van haar leven zo geobsedeerd door het vooruitzicht van het kinderen barende, poepruimende, geketende bestaan van de vrouw, waarvan ze wist dat het haar wachtte in toekomstige incarnaties, ze werd zo doodsbang om het gezegende heden te verruilen voor een doodsaaie toekomst, dat ze op haar sterfbed jammerde, op haar borstkas bonkte en de goden smeekte om Leela altijd bij haar te laten blijven. Avatar 3: De pen van Boeddha En zo geschiedde: Leela en Meera reïncarneerden sindsdien altijd samen. Nochtans vreesde ik voor de schade die deze periode in Vyasa’s epos bij hen zou aanrichten. En daarom voelde ik aanvankelijk opluchting toen de eeuwen voorbijgingen zonder dat ze hun opwachting maakten. Maar toen de tijden maar bleven verstrijken, maakte ik me zenuwachtig over hun wegblijven. Waar hingen ze uit? Wentelden ze zich met blote borsten in het warme zoute water van de zuidelijke zeeën? Waren ze opnieuw geboren als bosmens in het hart van India? Hadden ze soms helemaal van het gedoe van wedergeboorte afgezien en hun beurt voorbij laten gaan, de tweehonderd hemelse roepie geïncasseerd en hun tijd in het nevelige nirwana laten vastleggen? Nee. Pas toen alle herinneringen aan de stad van de Pandava’s 45


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 46

– aan Vyasa en zijn verhaal – uit de Indiaanse verbeelding waren vervaagd, keerden mijn voorzichtige personages terug naar de Yamunarivier. Maar nu stond er een nieuwe filosofie in de ascendant, en Indraprastha werd in de bloeitijd van het boeddhisme getransformeerd tot een uit stenen opgetrokken stad die Indapatta heette. Leela en Meera werkten als scribenten en luisterden dit kersverse tijdperk van handgeschreven geschriften, met ademloze verhalen van buiten India over de instorting van corrupte en achterhaalde idolen, op door te zorgen dat de uitspraken van deze nieuwste heilige man werden vastgelegd. Ze leidden over het algemeen een vreedzaam bestaan. Veel later hoorde ik het gerucht dat ze naar Tibet waren vertrokken, waar ze exotische kornalijn ruilden voor klompjes puur goud uit de rivier, en weer later hoorde ik dat een monnik, een zekere Vyasa, in de rug was gestoken terwijl hij een jonge non penetreerde op een begraafplaats, boven op de berg met de zwarte en de witte zijde. Avatar 4: Zwervers Hun komen en gaan bleef een mysterie. Zo hoorde ik over leven nummer vier vertellen op een vroege ochtend toen ik me net zou neerzetten voor een lauw ontbijt van brood (roti) en braadvet (gaomedha) in een sarai vol spinnenwebben aan de rivier. Een vrouw vertelde het schandalige verhaal van de plaatselijke prinses Leela en haar knappe dienstmaagd Meera. Ze vertelde dat prinses Leela alles bezat wat een vrouw maar kon begeren: sari’s, bedienden, fruit dat speciaal voor haar uit de verste hoeken van India werd gehaald, maar dat ze van dit alles afstand had gedaan uit naam van de dichterlijke schepping. Ze was vergezeld van haar bediende het hof ontvlucht en dwaalde nu als een soort minstreel rond; ze zong lofliederen voor de god met het olifantenhoofd (ja, echt waar, dat zei de vrouw). Vanzelfsprekend werden naderhand – retrospectief gedurende de reis van het ene gerucht naar het andere – enkele details in dit verhaal gewijzigd ten gunste van andere goden. Later hoorde ik dat de Rajputprinses Meera werd genoemd; dat het paleis in Rajasthan stond en niet in 46


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 47

Dilli; dat het onderwerp van haar verering Krishna met het blauwe gezicht was. Maar het doet er niet toe, ik haalde opgelucht adem en verheugde me over de onafhankelijkheid van mijn personages. Avatar 5: De Heilige Geschriften Al spoedig begon de wind uit het westen te waaien en hij bracht een nieuw type mens mee: uit Samarkand, uit Kaboel, uit al die dorre plaatsen ten westen van Taxila. Ze kwamen naar de Yamunarivier, richtten forten op voor hun vrouwen en tentenkampen voor hun soldaten en penden bitterzoete gedichten neer, doortrokken van heimwee naar sneeuw, moerbeibomen en de bergen in het land dat ze hadden achtergelaten. Een van hun zoons heette Humayun en hij nam net als alle anderen voor hem het kasteel van de Pandava’s in bezit en zette er een paleis neer met een schitterende bibliotheek. Meera was de jongste dochter van een van de hovelingen van keizer Humayun. Zijn blik viel op haar schoonheid en hij wilde haar beslist in zijn harem hebben. Toen ze eenmaal in het fort was weggestopt ontwikkelde ze echter een slopende verslaving. Ze las aan een stuk door verhalen over samenzweringen en veldslagen, over kruidenhandelaren en rivieroversteken, over geliefden die zich wreekten – verhalen die in grote hoeveelheden voor haar over de rivier werden gesmokkeld vanuit de minder goed bekendstaande sarais en die waren geschreven door een zekere Leela, met inkt op papier, die vlekte als je de bladzijden omsloeg. Een van die verhalen ging over een reis van twee geliefden, twee vrouwen, die de echtgenoot bedrogen die hen gevangenhield. Het was vertaald in het Perzisch uit een niet nader omgeschreven plaatselijk dialect en was verluchtigd met portretten van de vrouwen, die gekleed als stropers uit Herat de stad in kwamen in een meloenenkaravaan uit Kaboel en verstopt in een lading met indigo geverfde lendendoeken weer vertrokken. Humayun begon argwaan te koesteren. Meera, die als veertienjarig meisje de keizer had betoverd met haar argeloze manie47


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 48

ren, bevond zich op de gebruikelijke tijden niet meer in de paleiselijke vertrekken en hij was het beu om telkens te vragen waar ze was. Op het laatst vertelde een oude eunuch hem de waarheid. Sire, zei hij, of iets wat erop leek, ze leest. Leest ze? zei Humayun en hij spuwde een meloenpit uit. Hij sprong overeind en eiste dat hij het zondige meisje meteen te zien kreeg. En zodoende leidde de eunuch de koning door het fort, langs de borstweringen naar een klein kamertje, waar naast een stenen torentje een geheime deur leidde naar een ruimte boven de rivier. Humayun keek door een smalle tunnel naar beneden, waar licht en vrijheid glinsterden en hij het rustige klotsen van het water van de rivier kon horen. En daar, onder aan de tunnel, zat Meera vlak boven het water met haar neus in een boek. De monarch nam het boek in beslag en nam het mee naar de bibliotheek. Meera werd opgesloten in de toren van de steenhouwers. Toen Humayun de bovenste traptrede naar de bibliotheek bereikte – en de pagina bereikte waarop Leela had geschreven: Omdat de dienstmaagd zich voorgoed wilde bevrijden van de ijzeren greep van onderdanigheid jegens haar meester, dreef ze een mes diep in zijn borst – uitte hij een kreet van pijn, hij deed een stap naar voren, raakte verstrikt in zijn gewaden en tuimelde ruggelings de gladde stenen treden af. Enkele dagen later stierf hij met op zijn lippen de uitroep: Zeg haar dat ze vrij is. Maar Meera had zijn toestemming niet afgewacht. Ze was het paleis al ontvlucht in een bundel wasgoed die was neergesmeten in een schuitje waar een vrouw, ene Leela, met een brutale oogopslag op haar wachtte, en afgezien van de eunuch die haar had verklikt (die tussen twee haakjes Vyasa heette) had niemand enig benul waarover de keizer het had. Avatar 6: De geest In hun volgende leven kwam Leela (bij deze gelegenheid ‘Leila’) terug als de dochter van een ambtenaar aan het hof in de laatste periode van het Mogoolse bestuur. Meera was haar favoriete hindoebediende. Ook deze keer trouwde Leela niet, maar leefde ze 48


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 49

aan de buitenrand van de stad in een luisterrijk, poëtisch isolement. Vanaf het dak van haar huis zag je nog net de rivier in de verte glinsteren en de rode muren van de nieuwste Mogoolse stad, die op een halve dag lopen naar het noorden lag. Hun huis stond in een impopulaire buurt, op een plek waar de kraaien bijeenkwamen om in het vuilnis te pikken dat daar was neergegooid door voddenrapers die er al een keer doorheen waren gegaan. Vanaf het balkon keek Leela naar hindoes die de as van hun verwanten in het water strooiden, en later, in de avondschemering, naar de jongens die vanaf de hoge brug doken om de rivier vol vleesafval en sinaasappelschillen af te zoeken naar gouden muntstukken die er soms als geluksmuntjes in werden gegooid. Over dit soort vergezichten schreef Leela haar immer zwaarmoedige liedjes, waarmee de pennen van anderen beroemd werden, en dan keek Meera naar haar, zich verwonderend over de prachtige vergelijkingen die ze maakte van dergelijke morbide vergezichten. Op de dag dat Meera werd doodgeschoten door een Britse sluipschutter, toen ze zich in alle vroegte buiten had gewaagd om naar eten te zoeken, zat Leela weeklagend voor het raam te kijken naar het levenloze lichaam van haar vriendin dat aan de kant van de weg lag, terwijl de voertuigen van de Britse overwinnaars langstrokken op weg naar de stad. Het beleg van 1857 was verloren, de vorst Zafar was naar het zuiden gevlucht, naar de tombe van zijn voorouder Humayun. Leela wist dat het moorden en plunderen zou beginnen en dat zelfs een oude dame als zij niet veilig zou zijn voor de zwaarden en handtastelijkheden van de woeste vreemdelingen. Toen de duisternis was ingevallen, bond ze haar haren in een staart en kleedde ze zich als een man in een effen, donker overhemd en een broek en ging de straat op naar de plek waar Meera lag, en later die nacht betaalde ze, met een van smart gebroken hart, een voddenraper om Meera’s lijk naar de rivieroever te dragen en voerde ze zelf de ceremoniën uit – ze verspreidde ghee en water en stak de brandstapel aan – bekostigd van het geld dat ze 49


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 50

van de hindoekoopman had gekregen in ruil voor de drie zilveren ringen die Meera om haar tenen had gehad en haar eigen enkelband van goudfiligrain. Daarna liep ze naar Humayuns tombe, waar de oude koning Zafar zich verborg, met haar laatste verzen: verdichtsels die zo ongekend droevig waren, dat de vorst de hele weg naar Rangoon weende. Avatar 7: Epische dansers Dat leven eindigde droevig. De meest vreugdevolle incarnatie van Leela en Meera daarentegen vond plaats aan het begin van de jaren twintig van de twintigste eeuw, toen ze in de bars en nachtclubs van het oude en nieuwe Delhi werkten als rondreizende dansmeisjes. Intussen was het met kreupelhout begroeide gebied om de stad volgelopen met indringers met roze gezichten en hun ruime, luchtige bungalows, hun zin voor strikte orde en hun verkrampte gevoel voor humor. Bijna tien jaar lang dansten Leela en Meera avond aan avond het verhaal van de Mahabharata. Meera draaide als Urvashi rond voor Leela als ascetische boogschutter, totdat na een luidruchtige ontvangst in Arab-ki-Sarai, vlak bij de tombe van Humayun, een plaatselijke politieman hun geïmproviseerde tent binnen sloop. De doodgeknuppelde vrouwen werden de volgende morgen gevonden met een glimlach op het gelaat en Arjuna’s dodelijke boog tegen hun boezem gedrukt. De naam van de politieman, ontdekte ik later, was hoofdinspecteur Vyasa. Avatar 8: Migratie Dit betekent dat ik nog maar één verhaal hoef te vertellen, voordat ik vervolg met de verwikkelingen in het heden. Het is 1947. Meera en Leela waren allebei precies zeven jaar oud in het jaar waarin India wordt opgedeeld. Ze zijn geboren in Delhi, in dezelfde week, in dezelfde buurt, bij moeders die elkaars bloed wel konden drinken. Meera’s moeder, een moslima, was lang en dun en ging altijd gekleed in een effen zwarte mantel, ze had roodbevlekte tanden en haar met kohl omrande ogen keken uitdagend uit de halvemaanvormige opening van haar boerka. Leela’s moe50


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 51

der, een hindoese, wikkelde zichzelf in een sari, deed scharlakenrood poeder op haar scheiding en droeg strakke gouden armbanden boven haar dikke, met olie ingewreven handen. De vrouwen hadden dezelfde goeroe: een ondefinieerbare soefi-annex-Bhakti uit de bergen, die een zwak had voor zuidelijke schonen. Hij liep vaak door de buurt, onderweg naar Hampi en vandaar naar Haridwar, en dan weer terug naar de Himalaya, en negen maanden na zo’n bezoek werd het nageslacht waar deze vrouwen altijd al naar hadden verlangd – en waarvoor ze maar al te graag hun huwelijkstrouw vergaten en ze al vele heiligdommen, bronnen, tempels en goeroes hadden bezocht – geboren in twee buurhuizen. De kleine meisjes hielden van elkaar en hoe hun moeders ze ook waarschuwden, ze trokken zich niets aan van de toorn die kookte en borrelde in hun laan, net ten zuiden van die lange, drukke straat, Chandni Chowk, waar de hele stad inkopen kwam doen. De kinderen merkten niets van hun moeders gramschap en zeven jaar lang behoorden de straten van de stad tussen de Turkman en de Kashmiri Gate hun toe. In september van hun zevende jaar, een paar weken nadat ze hun eerste karkassen hadden gezien – niet van kippen of schapen, maar van mensen – riep de lange bonenstaak van een moeder haar dochter: ‘Kom, Mirah.’ (Ze verafschuwde het dat haar dochters waardige Arabische naam fonetisch niet te onderscheiden was van het alledaagse Hindi ‘Meera’.) ‘Pak je speelgoed in, we vertrekken.’ En ze trok haar dochter van de straat af het huis in, waar het meisje had zitten luisteren naar Leela die beschreef hoe ze uit haar raam had gezien dat er een man door zijn ooms naar huis werd teruggebracht, in een witte pyjama met rode vlekken erop. Die avond verliet de langebonenstaakfamilie de zevende straat, ze namen een tonga door de geblindeerde straat naar Purana Qila, het oude fort van Humayun, dat daar vier eeuwen eerder was gebouwd op de plek van het prehistorische paleis van de Pandava’s in Indraprastha. ‘We gaan naar het westen, naar het land van het zuivere ras,’ zei de bonenstaakmoeder tegen haar 51


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 52

dochtertje, en het kind huilde en ging pas slapen nadat haar vader een bolletje opium tussen haar lippen had geschoven en haar had gesmeekt stil te zijn. Het oude fort, waar keizer Humayun van de trap naar zijn bibliotheek was gevallen, stond op een heuveltop in het midden van de stad, omgeven door een muur. Binnen, waar koningen naar de sterren hadden gekeken en vanwaaruit Vyasa’s kleinzoons hun koninkrijk hadden bestuurd, stonden nu vele rijen tenten van vluchtelingen die op weg waren naar Pakistan. De volgende ochtend kwam Leela naar deze plek toe. Ze had een politiek activiste bij zich van de Congrespartij, een zekere mejuffrouw Urvashi, die maar heel weinig bekend was met de leugens die kinderen vertellen en diep bewogen had geluisterd naar het verhaal van dit meisje, dat haar moslimfamilie naar Pakistan vertrok, dat ze van hen gescheiden was en ogenblikkelijk naar het kamp moest. Juffrouw Urvashi liep met haar beschermelinge door het oude Mogoolse fort, de hand van het kind lag in de hare en ze sperde haar ogen open van afgrijzen bij het zien van al die rijen doodsbange moslims, die in de gangpaden bij hun bezittingen knielden – alles wat ze hadden om een nieuw leven te beginnen in dat land in het westen – met hun beddengoed aan hun voeten gerold. Leela floot het wijsje dat Meera en zij altijd gebruikten om elkaar te roepen in de smalle straatjes bij Chandni Chowk, en toen Meera dat hoorde kroop ze meteen uit de tent waarin ze een dutje had gedaan. Toen ze door de drukte dwaalde kwam ze bij de put aan die zo heel lang geleden, zo heel diep in de aarde was gegraven, met zoveel treetjes die omlaag leidden. Aangezien Meera te klein was om over de meute hongerige en bange mensen uit te kijken en omdat de angst om Leela kwijt te raken haar keel dichtkneep, waardoor ze niet kon antwoorden, klauterde ze op de muur van de put om naar haar uit te kijken, en vlak voordat ze erin viel – ze kreeg zo’n duw dat ze haar evenwicht verloor, door de lucht zweefde, steeds lager en lager en lager tot ze op de zandstenen treden onderin terechtkwam – zag Leela haar. 52


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 53

Leela trok haar hand uit die van juffrouw Urvashi en rende, duwde zich tussen het gedrang door, struikelde over het opgerolde beddengoed, liep de zorgvuldig bewaarde bussen met dal en potten met stomende rijst omver en sprong over de benen van grootmoeders die al te veel hadden meegemaakt op de plek waar ze hun gezin hadden gesticht, hun dekens hadden genaaid, hun brieven hadden geschreven en hun levens hadden geleid om die nog in te ruilen voor een onbekende uithoek van het weggevaagde Britse rijk, en ze hoorde de bons waarmee Meera’s lichaam dertien meter lager op de stenen neerkwam. Meera was wellicht te stilletjes gevallen om te worden opgemerkt, maar elke voorbijganger hoorde Leela gillen, en iedereen beweerde te hebben gezien dat ze Meera achterna sprong om haar te redden. Avatar 9: Het heden Met dit tragische einde zou mijn verhaal afgelopen kunnen zijn. Maar ik nam me vast voor om niet somber te zijn, ik wist dat mijn verhaal bijna zijn dramatische slot had bereikt en dat ik geduld moest oefenen. En inderdaad werd Leela, amper tien jaar nadat India zijn onafhankelijkheid had heroverd, geboren in een dorpje in Bengalen, en Meera Bose in een elegant stenen huis in de stad Calcutta. De familie Bose was eigenaar van de velden die Leela’s ouders bewerkten. Aanvankelijk verontrustte deze band tussen hen mij, omdat die me te mager leek om op voort te bouwen, vooral vanwege het gepraat over landhervormingen en de oude garde die aan de kant werd geschoven ten faveure van een socialistische herverdeling. Deze keer besloot ik rechtstreeks in te grijpen. Ik kon niet toestaan dat mijn geliefde Leela zou lijden, wat zij zeker zou doen als ze haar vriendinnetje verloor, haar vertrouwelinge, haar toevluchtsoord, haar helpster. Ik nam mijn mogelijkheden in ogenschouw: een hongersnood? Een overstroming? Een plaag? Al die dingen deden zich regelmatig voor in India. Maar ze waren te log, ik wilde niet een hele stad wegvagen. 53


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 54

Dus uiteindelijk bezorgde ik haar ouders een eenvoudige cholera, en zo werd Leela op haar derde wees. Ze was een lief kind, met krullend haar, weetgierige ogen en een altijd aanwezige glimlach. Het zou zonde zijn geweest om haar naar de missionarissen te sturen of als dienstmeid naar een van de grote huizen in de stad te laten gaan. Dat was althans de mening van de vriendin van haar overleden moeder, die getrouwd was met de munshi van meneer Bose. De geestelijk leidsman was een dunne, ingetogen man, met een goed hoofd voor cijfers, die was ingehuurd door Meera’s vader om de landgoederen te leiden, de huren op tijd te innen, de rijstopbrengst van alle huurders te wegen, de oogst te verdelen en de winst te berekenen. Maar hij had al zeven kinderen en kon er onmogelijk nog eentje bij nemen. ‘Ze is een mooi kindje,’ mijmerde zijn vrouw op een avond. Ze schepte nog wat rijst op zijn bord. ‘Neem haar mee naar Bose-sahib in Calcutta om haar te laten zien.’ Meera’s familie woonde in het noorden van Calcutta. In het midden van hun huis bevond zich een binnenplaats, waarin een koele, met tegels bestrate galerij naar de bibliotheek aan de achterkant van het huis liep, alwaar meneer Dipankar Bose de krant las, voor zijn plezier wat schreef en zijn gasten ontving. Op de middag toen de munshi met Leela kwam aanzetten, zaten meneer Bose en zijn driejarig dochtertje in die kamer, hij aan zijn bureau met zijn paperassen, zij aan de tafel voor het raam met haar tekenpapier. Terwijl hij een vrachtbrief bestudeerde, tekende zij een abstracte impressie van haar familie op een stuk papier met voorgedrukt briefhoofd. Een grillig rondje met paarse krassen, als een afgerolde bal touw, was haar moeder. Haar vader was een dynamische streep geel. De ayah, de kokkin en de mali waren rode stippen. Zelfs al op haar derde was ze zich bewust van rangen en standen. Maar de komst van Leela zou dat allemaal op zijn kop zetten. Meera keek op van haar tekening en zag voor de verandering iemand die precies even lang was als zij naar haar kijken. Ze stak haar een kleurpotlood toe, schoof een stukje op om plaats te ma54


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 55

ken en onder het goedkeurend oog van de munshi bogen de twee kinderen hun hoofden naar elkaar toe en lachten ze samen om de karikaturen die ze maakten van de volwassenen. De munshi perste zijn lippen nadenkend opeen. Hardop zei hij tegen Meera’s vader: ‘Ik ben onderweg naar het weeshuis in Entally. De nonnen zullen haar dopen, maar wat kan ik ertegen doen? Er zal haar daar tenminste geen kwaad overkomen. Ze zullen haar in elk geval te eten geven.’ Met een hulpeloos gebaar wierp hij zijn handen in de hoogte. ‘Ik zou haar wel in huis willen nemen. Maar zoals u weet ga ik al gebukt onder de last van te veel kinderen.’ Hij boog zijn hoofd. ‘De nonnen zullen wel voor haar zorgen.’ Meneer Bose had een jonge, knappe vrouw die van hem hield, hij had meer dan genoeg geld en slechts weinig zorgen. Hij leidde een gelukkig bestaan,hij werd dik van met nootmuskaat gekruide melksnoepjes, bleef gezond met vis uit de vijver en zijn leven kreeg betekenis door de revolutionaire taal en billijke aspiraties van het glorieuze, onafhankelijke India. Er waren in 1958 twee zaken waaraan hij zich ergerde: de eerste was de onwetendheid van de boerenbevolking, met hun afschuwelijke stoet verderfelijke goden – of ze nu inheems waren, geïmporteerd of van elders te leen, ze waren allemaal even slecht. De tweede was een vaag gevoel dat hij, hoewel hij zelf heel vaak zijn mond vol had van revolutie, verandering, het afbreken van het oude en het opbouwen van het nieuwe, ondanks de vele koppen koffie die hij met zijn kameraden dronk en de talloze manifesten die hij schreef, in feite niets had gedaan om de opstand aan te moedigen. Hij staarde verstrooid naar zijn dochtertje dat naast haar nieuwe dorpse speelkameraadje zat, terwijl het stof werd gevangen in de lichtkegel die door het raam viel (wat hem eraan deed denken dat de dienstmeid vandaag niet in de bibliotheek was geweest om af te stoffen en dat de dag voorbij was gegaan zonder dat hij zijn brief aan The Statesman over de scholing van boeren had voltooid – en bovendien dat het theetijd was). Er viel een lange stilte, hij liet deze gedachten de revue passe55


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 56

ren, het enige geluid kwam van de kinderen die tevreden voor het raam zaten te kletsen. Toen stond hij op. ‘Wacht even,’ zei hij tegen de munshi en gebaarde naar een van de stoelen aan de andere kant van zijn bureau. ‘Ga even zitten terwijl ik met mijn vrouw praat. We kunnen vast wel iets voor haar doen.’ Later kon geen van beide meisjes zich nog de tijd van hiervoor herinneren. Het was alsof ze elkaar altijd al hadden gekend. Vanaf die dag werden ze gebaad door dezelfde ayah, sliepen ze in dezelfde donkere kamer met het hoge bed en de zware houten meubels, gingen ze naar dezelfde school met hun haar in strakke vlechten. Van hun tweeën was Meera het opstandigste kind. Ze hield ervan om haar ouders te shockeren, die keurig deden alsof ze woedend waren toen ze op haar twaalfde aankondigde dat ze voortaan alleen nog Chinese noedels en Engelse pudding wilde eten en toen ze op haar vijftiende slechte dingen zei over Rabindranath Tagore, de grootste dichter van Bengalen, en toen ze op haar zestiende een jongen zoende voor de ingang van de school en de rectrix een brief naar huis stuurde waarin ze haar schorste. Het echtpaar Bose begreep wel dat de rustige, bedaarde Leela Meera in het gareel hield en dat zolang de twee meisjes samen bleven, hun geen kwaad zou overkomen. Maar het kwaad kan uit onverwachte hoek komen. Op de dag dat Leela en Meera zeventien jaar oud werden – niemand kende Leela’s geboortedatum, dus synchroniseerden de zussen hun verjaardagen, menstruaties en beslissingen – riep hun moeder hen naar de slaapkamer, ze maakte een kist open, haalde haar juwelenkistjes eruit en koos er voor elk drie sieraden uit. Ze gaf aan Leela een zware gouden hanger met vrolijke vlinders en geëmailleerde pauwen, een paar oorringen bezet met halfedelstenen en een armband van goudfiligrain met een grote amethist in het midden, die Leela’s favoriete zou worden. Meera kreeg eenzelfde armband en oorringen, alleen waren de hare met robijnen bezet, maar toen ze de zware gouden halsketting zag, die dik en breed uitliep als een okergele rivier die de vlakten bereikt, trok ze haar 56


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 57

neus vol weerzin op. Het was een traditioneel sieraad, zo rijkelijk versierd dat ze weigerde het in het openbaar te dragen, en daarom werd het weggelegd voor haar trouwdag. Maar de beide meisjes waren blij met de onuitgesproken boodschap achter deze geschenken, die ze opvatten als teken dat ze de volwassenheid hadden bereikt. Ze wisten niet dat het weggeven van haar juwelen weinig te maken had met hun leeftijd en alles met hun moeders ziekte. Al spoedig daarna gingen de zusjes literatuurwetenschappen studeren aan het Presidency College in Calcutta en weergalmde het huis van hun vrolijke discussies over de vraag of Eliot een betere dichter was dan Tagore, en of Bankim een betere romancier was dan Dickens, hoewel ze het erover eens waren dat Shakespeare uitstak boven Kalidasa. Ze begonnen poëzieavonden te bezoeken en schrijfworkshops, die overal in de stad opgang maakten, en ofschoon ze even gemakkelijk Bengaals als Engels lazen kozen ze toch voor het Engels toen ze zelf begonnen te dichten. Deze periode in hun leven was zo opwindend, zo vol met bijeenkomsten en ontmoetingen en gesprekken en ontdekkingen, dat als hun moeder wat bleker zag of hun vader wat zwijgzamer was dan gewoonlijk, de zusjes daar niet bij stilstonden, omdat ze volkomen opgingen in eigen, gelukzalige ontwikkeling. ‘Kom vandaag vroeg thuis,’ zei hun moeder op een ochtend toen ze naar college vertrokken. ‘Goed hoor,’ antwoordde Meera, terwijl ze deur achter zich dichtsmeet. Maar toen ze die middag langzaam naar huis terug slenterden, konden ze de verleiding niet weerstaan om onderweg te blijven hangen om een sari voor elkaar te kopen. Aan het einde van het semester zou er een feest zijn en ze hadden iets elegants nodig dat toch vrolijk was, mondain en zedelijk tegelijk. Urenlang gingen ze op zoek en Leela koos uiteindelijk een fijne, dichtgeweven sari in neem-boomgroen en Meera koos, opzichtig als altijd, voor haar zus de felstgekleurde sari in de winkel, van saffraankleurig katoen, omboord met een smal gouden randje. Ze 57


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 58

kwamen pas laat thuis. Ze duwden de voordeur open in de verwachting dat hun ouders op hen zouden zitten te wachten – moeder met haar trotse glimlach en vader met een zorgelijk gefronst voorhoofd – om met geveinsde afkeuring te luisteren naar het triomfantelijke verslag van de avonturen die ze die middag hadden beleefd. Maar het was stil in huis, en toen ze de galerij door liepen naar de bibliotheek, hoorden ze niets anders dan het druppelen van de kraan op de binnenplaats en het gekras van een kraai op straat buiten. De bedienden zaten bijeen in de keuken. Waar zijn mijn ouders? wilde Meera weten. En pas toen werd haar moeders geheim onthuld – hoe snel de ziekte zich door haar bloed had verspreid naar haar botten en dat de dokter machteloos stond. Ze overleed diezelfde nacht in het ziekenhuis en Meera, zei men later, kwam die klap nooit meer te boven. Leela had haar ouders al eens verloren, maar dat was in het dorp geweest. Men ging er stilzwijgend van uit dat aangezien de boeren op het platteland altijd met allerlei ellende kampten (sterfgevallen, ontberingen, een chronisch slechte gezondheid) zonder er ooit over te klagen, een dergelijke gebeurtenis op zo’n jeugdige leeftijd eenvoudig overwonnen werd. Mocht Leela al eens over haar echte moeder dromen of ernaar smachten haar onbekende gezicht te kennen, dan was er niemand die eraan dacht om navraag te doen. Maar voor een goed opgeleid meisje uit de stad lag dat anders: zo’n verlies, voor zo’n dochter, was traumatisch. Meera rouwde hevig en langdurig om haar moeder en droeg de huwelijksketting te pas en te onpas op haar sari als ze naar de vismarkt liepen of naar college. Ze had altijd een hekel gehad aan koken, maar nu leerde ze de lievelingsgerechten van haar moeder bereiden. Terwijl hun vader huilde en zijn best deed om zijn leven weer op te pakken en Leela zich terugtrok in stilzwijgen, beleefde Meera de rouw op een zeer extraverte manier. In deze stemming kondigde Meera op een avond tijdens het eten in de daaropvolgende lente aan dat ze een beslissing had ge58


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 59

nomen. In plaats van naar de Universiteit van Delhi te gaan om haar masterstitel te halen, zoals ze hadden afgesproken, zou ze de komende twee jaar naar Santiniketan gaan om Sanskriet te studeren aan de Rabindranath Tagore Universiteit op het Bengaalse platteland, precies zoals haar moeder vóór haar had gedaan. Inwendig ging haar vader door de grond. Tagore werd door de Bengalen vereerd als een soort heilige en daarom had de universiteit die hij had gesticht de reputatie dat die een bijna onwezenlijke devotie koesterde voor alles wat authentiek Indiaas was (wat dat ook mocht betekenen). Meera’s moeder had er in de jaren vijftig van de vorige eeuw gestudeerd en hij wist nog dat ze tijdens hun eerste afspraakje, bij Flurys Patisserie in Park Street, geheel in tegenspraak met haar zachtaardige inborst, heel zwart-wit had gezegd dat van alle universiteiten alleen die in Santiniketan zijn studenten een goed begrip van en respect voor de inheemse cultuur bijbracht. Toen ze daar bij Flurys zaten en hij naar haar neergeslagen blik keek, had hij die ophemeling bespottelijk gevonden. Twintig jaar nadien vond hij dan ook dat zijn bijdehante, kosmopolitische dochter een grote fout maakte. De universiteit was niet meer wat die was geweest, zelfs voor de Bengalen was hij provinciaals geworden. Voorzichtig probeerde hij haar te overtuigen van de voordelen van de hoofdstad, van de goede docenten van de Engelse letterenfaculteit in Delhi. Maar Meera liet zich niet vermurwen en alles wat Meera in haar hoofd had moest Leela navolgen. Zo kwam het dat meneer Bose op een snikhete ochtend in juli, een beetje uit het veld geslagen en vervuld van twijfels, zijn twee dochters uitzwaaide op het Howrah-station, die arme man, zonder ook maar het geringste vermoeden dat de vileine Vyasa, die onlangs was benoemd tot Santiniketans jongste professor Sanskriet, zich opmaakte om hun levens binnen te treden; hij kon onmogelijk weten, zoals ik, dat er een chaos zou volgen.

59


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 60

5 Op de vooravond van de bruiloft van zijn dochter zat Shiva Prasad Sharma, bewaker van de nationale identiteit, redder van het zuivere hindoeïstische India, thuis in zijn flatje in Zuid-Delhi te denken aan zijn autobiografie. Vanmorgen had hij het dictaat afgerond over zijn vroegste jeugd tot aan zijn tiende jaar. Op dat punt in zijn leven – dat was in de maand november van het jaar 1945 geweest, bijna op de dag af zesenvijftig jaar geleden – had hij zijn eerste verbazingwekkende publieke optreden gehad. Zijn assistent Manoj, een jongeman uit Varanasi wiens enige taak het momenteel was om de autobiografie uit te typen, was diep ontroerd geweest door de gebeurtenis. ‘Meneer,’ riep hij uit in het Hindi, ‘kende u als kind dan geen spreekangst?’ ‘Ach, Manoj,’ had Shiva Prasad zachtjes geantwoord, ‘er was geen keus, begrijp je. De dorpsoudsten zeiden: Jij bent aan de beurt, jongen. En ik werd voor het publiek geduwd, waar ik mijn praatje hield, een heel eenvoudig, direct praatje, waarin ik verklaarde dat ik ook vrijheidsstrijder zou worden, dat ik ook zou helpen om de Britten en hun Engelse taal en hun niet-hindoeïstische manieren uit ons soevereine land te verdrijven.’ Ja, het publiek had gejuicht, de man van de krant had een foto genomen, zijn grootmoeder was flauwgevallen en zijn moeder had hem op dezelfde tijd naar bed gestuurd als zijn jongere broertje Hari, omdat hij brutaal was geweest, en pas tien jaar oud. Ze vreesde dat haar oudste zoon zijn dagen zou moeten slijten in een schimmelige Britse cel, samen met andere jonge revolutionairen. Maar Shiva Prasad wist dat zijn vader trots op hem was 60


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 61

en daarom nam hij de volgende morgen vroeg een bad, hij waste zich grondig omdat hij niet wist wanneer hij zich weer zou kunnen wassen, pakte een koffertje in en nam afscheid van zijn familie met de woorden: ‘Ik moet me aansluiten bij de betogingen in Delhi tegen de onwettige rechtszaak die is aangespannen tegen de officieren van het Nationale Indiase Leger. Misschien kom ik terug, misschien ook niet.’ Terwijl zijn moeder huilend in de deuropening stond (met baby Hari in haar armen; zijn vader gaf zoals altijd bijles aan de andere kant van het dorp), pakte Shiva Prasad een knuppel en verliet het huis in Amarkantak. Zijn woonplaats, die in het bos bij de oorsprong van de rivier de Narmada lag, was niet groot maar wel belangrijk, de voortekenen waren gunstig, en terwijl Shiva Prasad op pad ging voelde hij zich als een rishi van weleer. Hij liep de hele weg naar het treinstation in Pendra, stapte in, en daar ging hij: op weg naar Delhi om zijn solidariteit te betuigen met het gevecht tegen de Britten. Als een militante jonge Krishna won Shiva Prasad met zijn zuivere Sanskriet-hindoeïstische retoriek de ene na de andere menigte voor zich in Pendra, Gwalior en New Delhi. Het gerucht ging dat zelfs Gandhi-ji onder de indruk was. Wie is deze Churchill in de dop? zou hij hebben gevraagd. Hij zweept de mensen op. Het was een roemrijk begin. Doordat hij in ’s lands hoofdstad zo verrukkelijk ondergedompeld was geweest in de politiek van de hindoe Mahasabha, keerde Shiva Prasad naar Amarkantak terug met het vaste voornemen om de mensen daar in beweging te zetten met een dappere nieuwe strijdkreet. ‘Het is tijd voor actie. Nu!’ verklaarde de elfjarige jongen. ‘We moeten trots zijn op onze oude, roemrijke hindoecultuur! We moeten de vervreemdende import van de islam en het christendom terugdringen en onze inheemse Vedische waarden omhelzen. Onze vroege Arische voorvaderen hebben de wereld taal, wetenschap en geometrie geschonken! De tijd is aangebroken om opnieuw ten strijde te trekken!’ De menigtes bleven juichen, maar tot zijn verbazing sloot Shi61


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 62

va Prasads vader hem iedere keer als er een bijeenkomst was gepland op in de karbouwenstal. ‘Maak je school af met goede cijfers,’ zei zijn vader. ‘Pas als je het huis uit bent, mag je deze nieuwerwetse vorm van fanatisme bedrijven.’ Shiva Prasad liet zich door deze kleine tegenslag niet uit het veld slaan. Hij gaf al snel blijk van zijn ontzagwekkende intelligentie, werd de slimste leerling van het hele district en haalde consequent veruit de hoogste cijfers van zijn klas in alle vakken. Niet lang daarna nam hij opnieuw afscheid van zijn moeder en keerde hij terug naar de hoofdstad om de cultuur te beschermen waarop hij zo trots was. Eenmaal in New Delhi voltooide Shiva Prasad zijn bachelorstudie in recordtempo, zijn masterstitel behaalde hij cum laude, en hij werd persoonlijk geworven door de onderzoeksstichting Guruji, een nieuwe denktank voor het bevorderen van inheemse waarden en het met wortel en tak uitroeien van alle buitenlandse invloeden. Tegen de tijd dat Shiva Prasad vierentwintig jaar oud was, was zijn melodieuze stem, die scherpzinnig commentaar op de politiek en de cultuur leverde, veelgevraagd op alle bijeenkomsten van zijn partij. Nadat hij een column kreeg in het partijblad, werd dat overspoeld met fanmail; hijzelf ontving talloze huwelijksaanzoeken van de ouders van academisch geschoolde dochters met een wasbleke huidskleur, en in bepaalde kringen werd de naam Shiva Prasad Sharma een begrip. Toch stuitte hij iedere keer als hij genietend van zijn erkenning en succes naar zijn ouderlijk huis in Amarkantak terugkeerde, op een in toenemende mate neutrale ontvangst van de man die in zijn ogen het allertrotst van de hele wereld zou moeten zijn op de prestaties van zijn oudste zoon. Hoe kwam het toch dat zijn vader zijn affectie simpelweg had verlegd naar die veel jongere en veel onbeduidender zoon, de kleine Hari, die geboren was als gevolg van een beschamende seksuele oprisping op latere leeftijd? Hun vader was directeur van een obscuur dorpsschooltje en in New Delhi zou men een dergelijke functie onbeduidend hebben gevonden. Maar Shiva Prasad kon er niet omheen: telkens als hij 62


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 63

zijn eigen beroemde leven in ogenschouw nam, zijn duizelingwekkende carrière, bekroop hem onmiskenbaar een zekere onvrede, het gevoel dat er iets aan ontbrak. Hij had zijn vaders ingehouden trots nog niet mogen smaken. In de jaren die volgden streefde Shiva Prasad ernaar om die te verwerven. Toen hij eenmaal een bekend gezicht was geworden bij de partij-intellectuelen, verwachtte hij dat de politieke erkenning vanzelf zou volgen, en als hij op bezoek was bij zijn ouders in Amarkantak zinspeelde hij daar ook op tegenover zijn ongelovige vader. Hij vertelde dat de Partij steeds meer leunde op zijn publieke uitspraken en privé-overtuigingen. Maar hij merkte dat zijn vader hem niet geloofde en toen de oude man zijn gelijk bewees door te sterven voordat zijn zoon zijn gewichtige rol in de politiek kon vervullen, had hij dat even gevoeld als een harteloze afrekening. In de trein naar Amarkantak, op weg naar de crematie, moest Shiva Prasad voor zichzelf wel toegeven dat hij zich toch niet tegenover zijn vader had kunnen bewijzen zoals hij ooit had gehoopt. In de daaropvolgende tien jaar verdiepte dat besef zich. Shiva Prasad begon in te zien dat hoewel het leven hem vanaf het begin prachtige dingen had beloofd en er inderdaad wonderen waren gebeurd, dit niet was doorgegaan in het tempo waaraan hij gewend was geraakt. Hij miste een bepalend evenement en door een betreurenswaardige speling van het lot was hij niet gevraagd voor een zetel in het Lagerhuis. Hem werd evenmin een plek in de Rajya Sabha aangeboden toen de Partij aan de macht kwam. En tegen de tijd dat zijn in het buitenland wonende broer Hari zich inkocht in de Engelstalige media, moest Shiva Prasad wel toegeven dat zijn intens boeiende en uiterst belangrijke leven toch geen mooie afronding beschoren was. De huwelijken van zijn dochters waren belangrijke mijlpalen. Toen de doodgezwegen Urvashi de benen had genomen met een moslim kon hij zijn dochter tenminste nog de schuld geven van deze mislukking: zijn schatje, zijn lievelingetje, zijn kleine meid had hem getart door het bed te delen met een moslim – de schan63


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 64

de die dat betekende voor hem als vader, als man, als hindoe! Hij had haar van haar geboorte af aan verwend, dacht hij, hij had haar zelfs een verkeerde naam gegeven, de zinnelijke naam die hij per se aan zijn oudste kind had willen geven... Waarom had hij dat gedaan? Tegen de zin van zijn vrouw in had hij hiermee een schandvlek zijn gezin binnen gehaald. De zaken kregen pas weer een goede wending toen Sunita haar verrassende verloving had aangekondigd. Shiva Prasad woog maar heel kort de voors en de tegens van de huwelijkskandidaat tegen elkaar af. Aan de negatieve kant stond de associatie met een man die hem een jaar of negen eerder smadelijk had vernederd. Dat was gebeurd toen Shiva Prasad was uitgenodigd als gast in een politiek debatprogramma van een van de nieuwe televisiezenders. De andere gast was professor Ved Vyasa Chaturvedi; hun gesprek zou gaan over de nieuw te bouwen Ram-tempel in Ayodhya en zou worden gevoerd in het Hindi. Professor Chaturvedi was echter zo ontworteld dat hij nu en dan een woord of een zinsnede in het Engels zei, zoals: ‘historisch perspectief ’, ‘apotheose’, ‘verdeel en heers’. Deze versprekingen greep Shiva Prasad aan om zijn medegast (met zijn holle, perfide politieke opvattingen) te ontmaskeren als een oplichter, en zodra hij de gelegenheid had, haalde hij met graagte naar hem uit. ‘Vindt u de taal van uw voorouders tekortschieten om u in uit te drukken?’ vroeg Shiva Prasad. Maar de professor leunde slechts achterover, glimlachte over de tafel heen naar zijn opponent, en toen hij zijn mond opende om te antwoorden kwam er een woordenvloed in het Sanskriet uit, gesproken met de zangerige tongval die zulke ontroerende herinneringen opwekte aan oude bosashrams, dat Shiva Prasad een rilling over zijn rug voelde gaan. Het ergste was dat zijn eigen Sanskriet niet goed genoeg was om te begrijpen wat de ander zei. Pas naderhand, toen hij de videoband terugkeek, had hij zich gerealiseerd wat Chaturvedi had geciteerd, namelijk een passage uit de Satapatha Brahmana. ‘Laat derhalve geen brahmaan een barbaarse taal spreken,’ had Vyasa gezegd, ‘want dat is de taal van de demonen. Aldus berooft hij 64


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 65

zijn wraakgierige vijanden van de taal, en zonder taal zijn zijn vijanden verloren.’ Vyasa zweeg en toen volgde het allerergste wat er kon gebeuren: er viel een vreselijke stilte. Later bedacht Shiva Prasad allerlei snedige replieken die hij had kunnen geven, bijvoorbeeld even wonderbaarlijke citaten uit nog oudere teksten, en de vernietigende toon die hij daarbij had kunnen aanslaan. Maar toen zei hij niets, en uiteindelijk wendde de presentator zich tot professor Chaturvedi en het gesprek werd afgerond zonder dat Shiva Prasad verder nog één woord zei. Het voorval had nog jarenlang aan Shiva Prasad geknaagd. Thuis had hij er nooit over gesproken en toen zijn gedweeë, kleine Sunita bij hem kwam met het nieuws dat ze met de zoon van Vyasa zou trouwen, maakte hij er evenmin gewag van. Hij woog het feit dat hij door Vyasa was vernederd af tegen de maatschappelijke voordelen die het huwelijk hem zou opleveren en hij zag in dat er iets belangrijkers vereist was. Deze verbintenis moest iets slims opleveren, iets magnifieks, iets buitengewoon gunstigs voor Shiva Prasad zelf in de ogen van de Partij. Uiteindelijk gaf het nieuwe Arische-genenproject de doorslag om Sunita zijn toestemming te geven. Op de dag dat Ash voor het eerst het kantoor van Shiva Prasad betrad, diens voeten aanraakte en in zuiver Hindi, maar met een Sanskriete zangerigheid, zei: ‘Meneer, mijn naam is Ashwin Chaturvedi, ik heb Sunita leren kennen toen ze voor mijn vader werkte, een schrijver en hoogleraar in...’ had Shiva Prasad hem in het Engels onderbroken. ‘Ik ken je vader,’ zei hij. Daarna zweeg hij even, hij scheen in gedachten verzonken, drukte zijn vingers tegen elkaar en sloot zijn ogen, en toen hij ze weer opendeed, was het om aan te kondigen: ‘Je mag met haar trouwen. Op mijn voorwaarden.’ Sunita had Shiva Prasad al verteld dat Ash studeerde aan het Centrum voor Biochemische Technologie in Delhi. Hij had van haar gehoord dat de jongen zich had gespecialiseerd in genetica; hij begreep dat Ash verantwoordelijk was voor een project dat zo omvangrijk was dat het verachtelijke gefilosofeer van Ash’ mislei65


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 66

de vader daarbij in het niet zou vallen. Die middag bereikten vader en schoonzoon een stilzwijgende overeenkomst. Shiva Prasad raakte ervan overtuigd dat Ash Chaturvedi als promovendus een gen zou kunnen identificeren waardoor ze hun afstamming zouden kunnen terugvoeren tot het ‘Indo-Arische ras’, dat duizenden jaren geleden de Veda’s had gecomponeerd. En verder zou hij bewijzen dat deze edele dragers van de Arische beschaving oorspronkelijk uit India stamden. En ten slotte dat Shiva Prasad en zijn familie zelf raszuivere Indo-Ariërs waren. In de navolgende maanden kreeg Shiva Prasad weer meer vertrouwen in zijn autobiografie. Hij gaf Manoj de opdracht om de andere taken die hij hem had gegeven terzijde te leggen, welke bestonden uit het overtypen van alle columns die hij ooit had geschreven met het doel ze in een boek te bundelen, getiteld De culturele inzichten van Shiva Prasad Sharma. In plaats daarvan besteedden ze de ochtenduren gelukzalig aan wat hij dicteerde. Het Arische-genenproject zou zijn autobiografie precies de prikkel geven die deze nodig had, het zou voor de opmaat, de climax en de afronding zorgen, het vuurwerk dat zijn boek nodig had, dat extra beetje reuring. Hierdoor kon Shiva Prasad ook over de gênante ontmoetingen met de vader van Ash Chaturvedi heen stappen gedurende de diverse huwelijksformaliteiten, zoals de verloving, want wat betekende in het grote plaatje nu helemaal de uitwisseling van een beleefde groet, als je die afwoog tegen de roem die Shiva Prasad Sharma weldra ten deel zou vallen? Als hij zich nu aan Vyasa ergerde of bang was dat hij een tweede maal zou worden vernederd door deze gewetenloze antinationalistische linkse rakker met zijn bespottelijke theorieën over Ganesh, dan schoot hem één gedachte als een verfrissend bosbriesje door het hoofd, namelijk de loopbaan van zijn toekomstige schoonzoon en het gebruik dat de Partij ervan zou kunnen maken – want die popelde om zijn ideologieën te verspreiden in het lesmateriaal van scholen, de wetenschap en de geschiedenis. Het enige wat hij hoefde te doen als vader van de bruid was glimlachen, iets onnozels zeg66


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 67

gen tegen zijn onverslaanbare tegenstander en zich, zoals elke Indiër kan, met het nodige decorum gedragen. Toevallig was er nog geen gelegenheid geweest om meer dan louter algemeenheden uit te wisselen, omdat alle andere afspraken via hun kinderen of Manoj waren gegaan. De ontmoeting die er het meest toe deed, de vereniging van de twee families, zou morgenavond plaatsvinden tijdens de bruiloft. In het droomscenario van Shiva Prasad zouden er drie dingen plaatsvinden bij deze samenkomst. Ten eerste zou Shiva Prasad de collaborerende Vyasa op zijn nummer zetten en ervoor zorgen dat die zijn foute opvattingen over de heilige Mahabharata en de hooggeachte, heilige scribent ervan betreurde. Dan zou Shiva Prasad hem grootmoedig vergiffenis schenken en zeggen: ‘Geliefde broeder, ik zal je voorstellen aan enkele van de meest gewaardeerde zakenlieden/premiers/filantropen van India,’ en terwijl de vrouwen in zijn familie hun adem inhielden, terwijl alle bruiloftsgasten in de tuin beefden van verwachting, terwijl de sterren aan de hemel vol ontzag hun getwinkel staakten, zou Vyasa-de-o-zo-bijzondereChaturvedi zijn handpalmen tegen elkaar drukken en op gedragen toon nederig zeggen: ‘Wat een uitzonderlijk genoegen om u weer te ontmoeten, Shiva Prasad Sharma. Ik heb de afgelopen jaren zo onmetelijk geprofiteerd van uw scherpzinnige commentaren, mijn beste!’ Ten derde zou Shiva Prasad de professor precies uit de doeken doen wat zijn zoon Ash vond van de prangende kwestie van... Maar op dat moment werd hij in zijn mijmeringen gestoord door zijn vrouw en dochter, die hem riepen vanuit de keuken. ‘Ja?’ antwoordde hij. ‘Heb je de bel niet gehoord?’ riep een van hen terug. ‘Dat zal Ram zijn,’ riep de ander. ‘Doe de deur even open.’ Shiva Prasad kwam met tegenzin in beweging, verhief zijn (gezette maar statige) lichaam uit de van houtsnijwerk voorziene leunstoel en liep naar de voordeur. Die trok hij open. Er stonden drie mensen voor de deur. Hij zag zijn zoon Ram, met een idiote grijns op zijn gezicht. Hij zag zijn broer Hari, die 67


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 68

erg kaal was geworden, gekleed in een slecht gesneden zijden kurta. Hij zag de donkergetinte, kinderloze Bengaalse echtgenote van zijn broer in de schaduw achter hen beiden staan, met een doos vol, zo te zien, luxe zoetigheden in haar hand. In plaats van de deur voor hun neus dicht te smijten zoals ze duidelijk verwachtten, glimlachte Shiva Prasad, hij boog zijn hoofd in een pompeuze begroeting en zei bijna joviaal: ‘Kom binnen, kom toch binnen!’ Daarna deed hij een stap naar achteren (precies zoals de premier pleegt te doen als hij iemand beëdigt, of de president als hij een nieuw militair opleidingskamp opent), terwijl zij hun schoenen uittrokken en daarna gehoorzaam langs hem defileerden. ‘Ga toch zitten,’ drong hij aan, terwijl hij zijn bedeesde gasten minzaam bleef toelachen toen die voorzichtig plaatsnamen op zijn Maharashtriaanse bank. En tot slot riep hij naar zijn vrouw in de keuken: ‘Onze broer is er!’ Daarna richtte hij zich tot het driekoppige gezelschap en zei: ‘Het eten is klaar. Laten we eten.’ Gedurende het eten en nadat Hari zijn voorstel had bekend gemaakt – hij verzocht het leninkje voor Sunita’s bruiloft als afgedaan te beschouwen – begon Shiva Prasad inwendig te jubelen. Hari was gekomen om hem vergiffenis te vragen. En dat niet alleen, hij bood aan hem van de last van de onhandelbare, bokkige, materialistische Ram te bevrijden. De boetvaardige Hari kwam precies op tijd voor zijn autobiografie. Voor de tweede keer die dag schoof Shiva Prasad zijn bange voorgevoelens ten aanzien van zijn autobiografie terzijde. ‘Wat doet Ash Chaturvedi eigenlijk?’ had Hari beleefd gevraagd toen Sunita het toetje binnenbracht (een prachtige rijstpudding bedekt met een laagje amandelschaafsel). ‘Hij is wetenschapper,’ begon Shiva Prasads vrouw uit te leggen, terwijl ze de pudding in kleine glazen kommetjes schepte. Maar Shiva Prasad kon zich niet langer beheersen. Hij onderbrak zijn vrouw: ‘Ash Chaturvedi analyseert het dna van onze familie, van elk van ons!’ ‘Waarom in hemelsnaam?’ vroeg de vrouw van zijn broer 68


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 69

opeens, waardoor iedereen geschrokken zweeg (het was zo ongeveer het eerste wat ze zei), en Shiva Prasad realiseerde zich dat hij te veel had prijsgegeven en keek hulpzoekend naar zijn dochter. ‘Retinitis Pigmentosa,’ zei Sunita en haar vader had geknikt. ‘Een oogziekte. Hij zal jou er ook op testen!’ ‘Dat hoop ik niet,’ reageerde de vrouw voordat iemand haar het zwijgen kon opleggen. Maar Shiva Prasad gaf geen antwoord. Hij dacht eraan dat Sunita’s huwelijk alles goed zou maken wat Urvashi fout had gedaan door haar verbintenis met een moslim, en dat zijn nieuwe schoonzoon, Ash, met zijn dna-project de genetische zuiverheid zou bewijzen van de Indo-Ariërs, dat Urvashi’s perfide afwijzing van haar opvoeding zou... ‘Waar woont de familie Chaturvedi eigenlijk?’ vroeg iemand. Shiva Prasad keek op. Zijn broer had de vraag gesteld. ‘In Nizamuddin West,’ antwoordde Shiva Prasad. ‘O, net als je dochter Urvashi,’ merkte de kinderloze Bengaalse vrouw op. ‘Vertelde jij dat niet, Ram?’ Er viel een akelige stilte. Even zat iedereen er als versteend bij. Toen begonnen ze allemaal tegelijk te praten. Hari had het over het wezenlijke belang van een huwelijksreis voor de harmonie binnen een huwelijk. Ram praatte over de mooie eigenschappen van de auto’s die er tegenwoordig op de markt waren, in vergelijking met de gevaarlijke, oude Ambassadors met hun verschrikkelijke versnellingsbakken. De vrouw van Shiva Prasad verklaarde dat het recept voor gulab jamuns al in de Veda’s voorkwam en dat morgenavond voor de bruiloftsmaaltijd dit oudst bekende gerecht opgediend zou worden. Shiva Prasad zelf had niets gezegd. Hij liet het gesprek onbeholpen langs zich heen kabbelen, want hij had niets te zeggen. Het was waar dat het echtelijk huis van zijn dochter Sunita slechts een paar straten verwijderd was van dat van Urvashi, en dat was een groot nadeel. Shiva Prasad huiverde als hij aan die plek dacht. Want ofschoon Nizamuddin West op zich een keurige wijk was, goed aangelegd, met grote huizen en met bomen omzoomde we69


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 70

gen, en hoewel de wijk na de Afscheiding in trek was geraakt met de komst van hindoekooplieden, die de gebieden van hun voorouders waren ontvlucht en naar Delhi waren getrokken toen Pakistan gedwongen het levenslicht zag, viel het niet te ontkennen dat de wijk zijn naam ontleende aan de ernaast gelegen soefitempel en derhalve aan de naamgevende moslimheilige Nizamuddin, die deze plek tot het centrum van zijn verering had gemaakt. En het was geen toeval dat de zogenaamde heilige hier in de middeleeuwen was gekomen, samen met al die andere machtsbeluste, bloeddorstige, jihadgezinde vreemdelingen, op het punt in de geschiedenis waarop in India alles in het nadeel van de hindoes was veranderd. Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg was, bracht de aanwezigheid van de soefitempel aan de rand van Nizamuddin West vanzelfsprekend de aanwezigheid van moslims met zich mee. Weliswaar arme moslims, maar toch moslims. Ze woonden rond de tempel, zoveel was Shiva Prasad wel bekend, in een chaotisch allegaartje van bakstenen huizen van onbestemde datum, oorspronkelijke sloppenwijken die geleidelijk aan, met de slinksheid van een kolonie onderwaterpoliepen die zich met hun fijne tentakeltjes vasthechtten aan het koraal, waren omgevormd tot huizen met huisnummers en geplaveide wegen. De arme moslims werkten voor de rijke hindoes; de hindoes woonden in het planologisch ingerichte gebied, ze waren op zichzelf en bemoeide zich niet met anderen. Op deze manier bleven de twee kasten en religies in Nizamuddin West gescheiden en iedereen kende elkaars status quo. Maar Shiva Prasad las in de krant dat de grenzen de laatste tijd waren vervaagd. Moslims uit de oude stad die onnoemelijk rijk waren geworden met de verkoop van halal vlees aan hun geloofsgenoten, en die er ongebreideld op los fokten en wilden wegtrekken uit de smerige omgeving van hun jeugd, waren begonnen met het kopen van huizen in het hindoegedeelte van Nizamuddin West – en verdrongen hun hindoeburen met hun nieuwe moskeeÍn, Arabische opschriften op hun deurstijlen en weggestopte, in boerka’s gehulde vrouwen. En daarheen zou Su70


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 71

nita als bruid worden gebracht. Shiva Prasad perste zijn lippen opeen en schudde zijn hoofd. Hij kon er niet omheen: de familie Chaturvedi woonde niet op een goede locatie. Maar daar stond het een en ander tegenover. De familie genoot bekendheid in heel India, ze hadden een luxueus huis en bovendien zou het Arischegenenproject alle andere overwegingen overschaduwen. Hari en zijn vrouw verlieten na de lompe blunder algauw het huis en overlaadden hun schoonzuster met complimenten over haar vegetarische kookkunst. Ram ging met hen mee om vast te wennen aan zijn nieuwe thuis. Sunita barstte in tranen uit, evenals haar moeder; Shiva Prasad liet het aan zijn vrouwen over om de tafel af te ruimen en sloot zichzelf op in zijn studeervertrek (de voormalige slaapkamer van de Onnoembare Urvashi) om over de invulling van zijn nieuwe leven na te denken, nu hij de belofte aan zijn broer had ontfutseld een journalist en een fotograaf van zijn Engelstalige krant naar de grote bruiloft te sturen om er in full colour verslag van te doen. Toen hij een uur later naar boven liep om zich te ruste te leggen op het yoga-achtig dunne matras dat hij deelde met zijn lankmoedige vrouw, tintelde zijn hele lichaam van zijn bespiegelingen over de bruiloft, zijn toekomst en zijn toekomstige roem. Vanavond voltrok zich een waterscheiding, een keerpunt. Het triomfantelijke beeld van zijn toekomstige verovering van Vyasa, van Hari, de Partij en India speelde zich voor zijn ogen af als een televisiereportage op Republic Day. ‘Waar maak je je zo vrolijk om?’ vroeg zijn vrouw hem in het donker. ‘Is het nog niet genoeg dat je me al mijn kinderen hebt laten afnemen?’ Maar Shiva Prasad luisterde niet. Hij wist nu dat er een heel nieuw leven aanbrak. Morgen zou de crème de la crème van Delhi – politici, journalisten en andere kopstukken – zich verzamelen op Sunita’s huwelijk met de zoon van India’s beroemdste academicus. De receptie zou plaatsvinden in een respectabele maar niet te buitenissige gelegenheid in Delhi, de Vliegeniersclub, naast het oude vliegveld. Het had Shiva Prasad de prijs van verschillende, immorele, alcoholische drankjes voor een oude ken71


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 72

nis van de Luchtmacht gekost voordat hij de club had kunnen bespreken, maar het was de moeite waard geweest. Daarna had hij de beste Zuiver Vegetarische cateraar van de stad ingehuurd. Er zouden drie verschillende soorten chaat zijn en diverse smakelijke, droge hapjes om mee te beginnen en vruchtensappen; de kelners zouden mooi gekleed gaan in bruine pakken met gesteven witte topi’s en over het diner dat volgde – paneer tikka, vegetarische tandoori kebabs, twee verschillende soorten raita, drie soorten dal, maar liefst zes subji, missi roti, romali roti, kulcha paratha, boternaan, de gebruikelijk Zuid-Indiase kost van idli en vada, drie soorten ijs (pistache, zijn lievelingssmaak; mango, voor de mensen die van traditioneel eten hielden; en iets met gedroogd fruit erin op uitdrukkelijk verzoek van Sunita), een keur aan versgeplukt fruit, Nescafé en/of masala chai – zou zeker nog wekenlang worden gepraat. Als gevolg van dit prestigieuze evenement stonden de komende zaken te gebeuren: 1 Hij, vader van de bruid, zou een vriendelijk gesprek van man tot man hebben met de vader van de bruidegom, waarin hij erop zou aandringen uit naam van de familiebanden zijn visie te matigen over de Kwestie van Ganesh als Scriptor. Ten behoeve van de familiebanden zou Vyasa haastig akkoord gaan. 2 Vyasa zou Shiva Prasad smeken zitting te nemen in het bestuur van zijn nieuwe Academie voor levend Sanskriet. Shiva Prasad zou invloed uitoefenen op de totale grondslag en richting van deze vooraanstaande academie. 3 De boetvaardige Hari zou Shiva Prasad verzoeken regelmatig een column te schrijven (vertaald uit het Hindi) voor zijn Engelstalige krant. Shiva Prasad Sharma zou waardig toestemmen. Het Engels-lezende publiek zou versteld staan van Shiva Prasads eruditie en politieke vindingrijkheid en om meer roepen. 4 Volgend op het enorme succes van Shiva Prasad Sharma’s column in de Delhi Star zouden de televisiezenders in het hele 72


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 73

land in de rij staan om de heer Sharma op hun knieën te smeken om zijn eigen Hindi-talige praatprogramma te presenteren. 5 Ash Chaturvedi zou het Arische gen bij zijn schoonvader vaststellen en aldus het tot dan toe onnaspeurlijke mysterie (het ‘enige wetenschappelijke raadsel van onze tijd’, volgens de partijtop) oplossen van wie er in het moederland precies een edele Indo-Ariër was. 6 Nu zijn roem geen grenzen meer kende in de ogen van de Partij, zou Shiva Prasads ster tot grote politieke hoogten stijgen. Hij zou de burgemeester van Delhi worden. Hij zou alle onderscheidingen opgespeld krijgen die er bestonden voor zijn inzet voor het land. En uiteindelijk zou er een beroep op hem worden gedaan voor het presidentschap van het heilige Bharat, het oudste land ter wereld (dat tegenwoordig ten onrechte India werd genoemd). En terwijl zijn Big Ben-wekker zijn wijzers samenbracht in een respectvolle middernachtsgroet, voegde Shiva Prasad er nog één extra, uiterst belangrijk punt aan toe: 7 Ram zou ervoor zorgen dat zijn moeder de rest van haar leven gekleed ging in zijden sari’s.

73


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 74

6 Terwijl haar vader in Zuid-Delhi lag te snurken, werd Onnoembare Urvashi, ‘Pinki’ voor haar zus, Uzma omwille van haar huwelijk met een moslim, voorheen-Sharma-nu-Ahmed, wakker in haar echtelijk bed op de eerste verdieping van haar één jaar oude woning in Nizamuddin West. Soms sprak Urvashi in het weekend af met haar jongere broer en zus om samen thee te drinken. Hun vader had hun de luxe om samen te eten verboden (te intiem), maar bij wijze van dispensatie stond hij zijn kinderen toe om thee te drinken in de ouderwetse grandeur van het United Coffee House in Connaught Place. Dan zaten ze met het gezoem van de airconditioning op de achtergrond, bediend door vrolijke, sjofele obers, getroost door de glitter en glans van de inrichting, achter de thee die ongehaast door de zilveren zeefjes liep, te midden van de geur van verschaald bier, platgetrapte chips en voortkabbelende gesprekken, een uur of twee een beetje gespannen te kletsen over niets, waarna Sunita weer in haar ouderlijk huis in Zuid-Delhi verwacht werd. Het enige voordeel van deze regeling was dat nadat Sunita in een taxi was gezet, Ram, die er altijd plezier in had geschept om zijn vaders bevelen in de wind te slaan, Urvashi mee uit nam naar de bars aanpalend aan Connaught Place. En dan, terwijl Urvashi de hele avond één gedurfde cocktail nam en hij een onwaarschijnlijke combinatie van allerhande brouwsels, deed Ram haar verslag van zijn vriendschappen met andere mannen met onyxkleurige ogen, verhalen die een conservatief opgevoed 74


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 75

meisje als Urvashi wel moesten schokken – ware het niet dat ze nu getrouwd was met een moslim en zich buiten het rijk van de gezonde en beschaafde mensen bevond. Ze merkte dat haar reputatie haar vooruit begon te snellen en haar reacties op deze verhalen anticipeerde en modelleerde, en daarom gilde ze van het lachen als Ram zijn online-ontmoetingen beschreef met andere mannen die wilden chatten zonder dat er vrouwen meekeken. Er was er een bij om wie ze het hardst lachte. Hij noemde zichzelf ‘Manhattan Mania’, naar het met kersen en noten doorspikkelde Nirula-ijs waaraan hij graag likte – samen met Ram? van Ram zijn lijf? (Dat had haar broer er niet bij gezegd.) Naderhand probeerde Urvashi thuis de krankzinnige details te ontrafelen van de verhalen over de mannelijke vriendschappen die Ram haar had toevertrouwd, maar haar fantasie schoot tekort, dus liet ze die voor wat ze waren en was ze eenvoudig blij met de hartelijke en vertrouwde gevoelens die haar broer en zij voor elkaar koesterden sinds ze van huis was weggelopen; en ze was op een zusterlijke manier blij dat hij dankzij het moderne medium zo veel vrienden had gemaakt. Op de een of andere manier wist ze dat ze deze zaken beter niet met haar man kon bespreken. Ze genoot van het feit dat er tenminste één persoon was die haar in vertrouwen nam. Gedurende het afgelopen halfjaar, sinds Sunita haar verloving had aangekondigd, werden de gesprekken van Urvashi met haar broer en zus gedomineerd door de bruiloft. Tot nu toe had Urvashi hierin een afwachtende houding aangenomen. Ze had de uitnodigingen gezien – gemaakt van dik, roze, zijdeachtig handgeschept papier, dichtgestrikt met gouddraad, tweetalig gedrukt in vloeiend Devanagari-schrift op de voorkant en in logge Engelse letters op de achterkant die ‘u vriendelijk uitnodigen voor het huwelijk van ‘Sunita Sharma en Ashwin Chaturvedi’ – toen Sunita die op een middag had meegenomen naar het United Coffee House. Ze had alles over de familie van de bruidegom gehoord, kon de hele inhoud van Sunita’s bruidsschat opdreunen, kende het exacte tijdstip van de receptie, de locatie ervan en het menu. 75


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 76

De huwelijkskandidaten waren zo ongelijk aan elkaar – want haar familie behoorde niet tot de elite van Delhi, zoals de Chaturvedi’s – dat Urvashi zich soms heimelijk afvroeg of de bruidegom misschien een gebrek had. Maar zij had de verlovingsfoto’s te zien gekregen, waarop de bruidegom in zijn volmaakt gezonde glorie stond, met alles erop en eraan. En ook al had Sunita het nooit zo gezegd, de waarheid was dat Urvashi zelf een cruciale rol had gespeeld om deze gedroomde man aan haar zus te koppelen. Tenslotte had zij tegen Sunita gezegd dat professor Chaturvedi, die een straat bij haar vandaan woonde in dezelfde wijk, op zoek was naar iemand om drie dagen per week zijn bibliotheek te ordenen. Dat nieuws had ze gehoord van haar hulp Aisha, die ook in het huis van Chaturvedi werkte. ‘Kent u het huis van de professor?’ had Aisha op een middag gevraagd. ‘In blok G?’ En Urvashi had geknikt, want haar jonge dienstmeisje praatte vaak over dit grote, schaduwrijke huis met zijn hoge stapels boeken en zwart-witfoto’s die haar aan geesten deden denken. De professor had iemand nodig die Engels en Hindi kon lezen en schrijven om zijn bibliotheek te catalogiseren. En daarom stuurde Urvashi haar zus erheen met haar curriculum vitae uitgeprint op glanzend wit papier, en later die dag belde Sunita haar op om te zeggen dat ze de baan als bibliothecaresse bij professor Chaturvedi had gekregen! Een paar weken later vertelde Sunita, inmiddels vol zelfvertrouwen, aan Urvashi en Ram dat de professor een zoon had, Ash, een wetenschapper. De professor had hen zelf aan elkaar voorgesteld. En amper een paar maanden later kondigde ze haar broer en zus aan dat ze zich met Ash had verloofd. Een huwelijk uit liefde! Sunita zou weldra trouwen en de zussen zouden buurtgenoten worden. In de maanden voorafgaand aan de grote dag kon Urvashi thuis aan weinig anders denken. Het stelde haar ook voor een probleem, want wat moest ze aantrekken? Na wekenlang wikken en wegen, en nadat ze haar garderobekast sceptisch van voor naar achter in ogenschouw had genomen en een heleboel modebladen had geraadpleegd, gaf Urvashi haar chauffeur Humay76


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 77

un de opdracht haar naar Nalli Saris in Connaught Place te brengen. Daar was ze minstens twee uur zoet met het keuren van allerlei veelkleurige zijden sari’s en ze kon maar moeilijk kiezen tussen een vleeskleurige van crêpe georgette, omboord met donkerblauwe kant (drieduizendendriehonderd roepie) en een met groene bladeren bedrukte zachtroze van crêpe (precies vijfduizend roepie); ze drapeerde die van crêpe georgette over haar boezem (en over de lichte bolling van een drie maanden oude foetus in haar buik), staarde naar haar spiegelbeeld in de lange passpiegel en probeerde zichzelf lopend tussen de andere gasten op Sunita’s bruiloft voor te stellen. Misschien was die van crêpe georgette wel te modern voor de familie Sharma. Ze pakte er een van dikke, paarse tanchoi-brocade. Over de gehele lengte van zes meter waren met gouddraad bloemen ingeweven. Aan de randen zat kalga-borduursel. Urvashi hield de sari naast haar gezicht. Heel mooi, heel verfijnd. Ze keek op het prijskaartje: twintigduizend roepie. Veel te duur. Maar voor de bruiloft van haar kleine zusje? Ze haalde haar nieuwe, goudkleurige creditkaart tevoorschijn en legde die op de sari. Een investering voor de toekomst. In de week voor de bruiloft trof Urvashi haar broer en zus om halfvijf ’s middags in het United Coffee House. ‘Ik zal mijn op een na beste sieradensetje dragen,’ kondigde ze aan terwijl ze op hun bestelling wachtten. ‘Van amethist, ze zullen prachtig bij mijn sari van tanchoi-brocade passen,’ fluisterde ze vertrouwelijk tegen Sunita. ‘Maar...’ begon Sunita. ‘Ik vind het zo spannend!’ zei Urvashi. Ram keek van zijn ene naar zijn andere zus. ‘Sunita! Zeg het haar.’ ‘Wat?’ vroeg Urvashi. ‘Wat moet je me vertellen?’ Sunita zat met neergeslagen ogen, er speelde een glimlach om haar mond. Ze legde een gemanicuurde hand over haar mond en zei met gedempte stem: ‘Je snapt het niet. Je mag van vader niet... Je bent getrouwd met een... Begrijp je het niet?’ De tranen sprongen Urvashi in haar ogen. ‘Dacht je soms dat 77


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 78

ik mijn man mee zou nemen?’ zei ze snel. ‘Natuurlijk weet ik dat vader niet wil dat ik hem meebreng.’ Sunita, die nu strak naar haar glanzend roze nagels zat te glimlachen, reageerde hier niet op, en dus deed Ram ten slotte het woord. ‘Sunita probeert je duidelijk te maken, Pinki, dat vader jou er ook niet bij wil hebben. Het spijt ons dat we het niet eerder hebben gezegd.’ De nacht voor Sunita’s huwelijk lag Urvashi Ahmed in haar onder architectuur gebouwde huis naast haar hardwerkende, liefhebbende, knappe (moslim)echtgenoot, terwijl de tranen over haar wangen rolden. Omdat Urvashi voorheen-Sharma-nu-Ahmed met een moslim was getrouwd, was ze ongeschikt om het huwelijk van haar zusje bij te wonen. Omdat Urvashi met een moslim was getrouwd, mocht ze niet kennismaken met de verloofde van haar zus. Omdat Urvashi met een moslim was getrouwd, verlangde ze soms naar haar vroegere leven, waarin ze nooit had hoeven kiezen of ze chole bhature of rijst met lamsvlees zou koken, waarin de mensen waren onderverdeeld in degenen die we kennen en de rest die we niet hoeven te kennen, waarin haar status onder de mensen met wie ze was opgegroeid en die ze nu nooit meer zag, die van beslist niet domme, onbetwistbaar knappe zus/nicht/ dochter was. Omdat Urvashi met een moslim was getrouwd, een lieve, vriendelijke en liefhebbende moslim, was ze soms erg eenzaam. Feroze lag rustig ademend, diep in slaap, op zijn zij naast haar. Hij was een punctuele man, die zich zowel thuis als op kantoor aan een aantal vaste regels hield, die hij prettig vond. Eten op vaste tijden was er een van, een ongestoorde nachtrust een andere, en de zes of zeven uur die hij aan het laatste besteedde waren heilig. Ze wist dat ze hem niet wakker mocht maken met haar onbenullige zorgen. Er welden herinneringen bij haar op uit haar jeugd, van toen ze nog een heel klein meisje was. Ook toen kon ze ook weleens niet slapen en dan was het altijd haar vader die haar 78


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 79

mee naar beneden nam om een glas warme melk voor haar te maken, haar vader die dan sussende woordjes sprak; hij had altijd heel veel tijd en aandacht voor haar gehad. En ook al was ze nu een volwassen vrouw, het beeld van zichzelf, hier, liggend in dit echtelijk bed, alleen met haar verdriet, zorgden ervoor dat haar tranen weer begonnen te stromen en ze sloeg vol zelfmedelijden haar armen om zich heen. Urvashi lag die nacht lang wakker, ze staarde net zo lang de pikdonkere slaapkamer in tot ze het nachtkastje kon onderscheiden en een stoel met de witte kurta van haar man erop, die daar lag om gewassen te worden, en de lange blauwe gordijnen met de in gouddraad ingeweven patronen, die zijzelf na veel aarzelen had uitgekozen. Na een poosje viel haar oog op een cadeautje dat ze de laatste keer dat ze op bezoek waren geweest bij Ferozes ouders in de oude stad had gekregen van een jongere nicht van hem. Omdat ze er toen niet veel aan had gevonden – het plakkertje op de onderkant vermeldde Made in China – had ze het nogal onverschillig op haar nachtkastje gezet. Maar nu pakte ze het ding op en kantelde het, waardoor de gekleurde balletjes in het donker oplichtten en in hun doorzichtige perspex omhulsel door de vloeistof bewogen, precies zoals ze vroeger als kind had gespeeld met de sneeuwbol van haar oma, die ze altijd uit de vitrinekast in de voorkamer pakte en telkens weer op zijn kop hield, zodat de sneeuwpop erin opeens in een zware sneeuwbui stond. Dit was echter geen sneeuwbol. Het was een heilige voorstelling, iets wat haar geluk zou brengen (zei het nichtje), omdat het twee miniatuurreplica’s bevatte van de heiligste plekken van de islam: de zwarte kubusvormige Ka’aba in Mekka en de moskee van de Profeet met de groene koepel, die eveneens in Saudi-Arabië stond. In plaats van sneeuwvlokken regende het zilveren, groene en gouden balletjes als je het ding schudde. Urvashi draaide het om en keek naar de balletjes die van het dak van de moskee gleden, op de bovenkant van de Ka’aba kaatsten en daarna langzaam door de vloeistof verder vielen. Totdat ze op het laagste punt waren beland. Ineens trok er een huivering 79


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 80

door haar heen, omdat ze werd overvallen door de gedachte: Zou Allah de de barmhartige erbarmer mij beschermen? Toen ze zo naar de miniatuur-Ka’aba keek, voelde ze zich van binnen helemaal warm worden. Geschrokken zette ze het ding terug op het nachtkastje en trok de lakens wat steviger over haar schouders, want ze wist dit uit haar ziel kwam, die smachtte naar het geloof van haar man.

80


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 81

7 Ram Sharma kon een grijns niet onderdrukken. Hij kon zijn geluk niet op omdat hij, Ram, tot zijn eigen verrassing en die van zijn familie opeens gepromoveerd was van een onbeduidend jongetje uit Delhi tot internationaal zakenman. Hij lachte in zichzelf om zijn vaders onhandige reactie op het gewichtige nieuws dat oom Hari onder het eten had verteld, want Shiva Prasad had blijkbaar nauwelijks in de gaten gehad dat zijn zoon hem werd afgenomen. Hij had met woedend makende nonchalance gereageerd op het feit dat zijn tot voor kort van hem vervreemde broer in zijn huis was verschenen, Ram ongehoorde rijkdommen aanbood (die Shiva Prasad hem zelf nooit zou kunnen geven) en verklaarde dat hij Ram een zeer charmante, talentvolle jongeman vond. Ram trok een grimas toen hij aan zijn vader dacht. De oude man irriteerde hem. Maar die irritatie had niet lang geduurd. In feite was die al weggeÍbd toen Ram afscheid had genomen van zijn huilende moeder en hij met zijn oom mee naar buiten was gelopen, waar diens fourwheeldrive stond te wachten. Hij ging op de voorstoel zitten, leunde naar achteren, bewonderde de glanzende ramen en glimmende accessoires, de ultramoderne airco en de schone, comfortabele bekleding, en daarna stelde hij zich zoals zo vaak het leven voor dat hem wachtte als de erfgenaam van oom Hari. Hari noch Leela zei een woord gedurende de lange rit naar Connaught Place en Ram, die gewend was aan een constante drukte in de bescheiden, saaie woning waarin hij was opgegroeid – met zijn vader die tegen iedereen schreeuwde en zijn zussen die 81


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 82

voor hun eigen rumoer zorgden en zijn moeder die het middelpunt van alles was en die rustig thee, paratha’s en raad verstrekte over welke god je gunstig moest stemmen voor welk doel – vond in vergelijking met dit alles de stilte wel deftig. Hij vond het prettig. Ze reden in noordelijke richting en na een halfuur kwamen ze langs de afrit naar Nizamuddin West, waar Urvashi woonde. Ram was dol op zijn oudere zus. Zij had tenminste ongeveinsde verbazing en blijdschap laten blijken toen hij haar had verteld dat hij de erfgenaam werd van oom Hari, en hij kwam in de verleiding om de chauffeur te vragen te stoppen zodat hij naar Urvashi’s huis kon lopen om haar te vergasten op een verslag van de succesvolle avond, hoe goed die was verlopen voor de bezoekende partij; hoe genereus Hari’s aanbod was; dat de twee broers zich meteen verzoend hadden; dat de kwestie van de erfopvolging was ontvangen zonder een kreetje van verbazing; en dat Hari, Ram en Leela ’s avonds om halftien in een auto als een tank terugscheurden naar huis, verzadigd van het voedsel van Rams moeder en blij dat ze thuis van tevoren een glas gin hadden gedronken. Maar Ram had nog een afspraak, daarom zei hij niets en spoedde de auto zich geluidloos voort door de stad. Plotseling zei tante Leela vanaf de achterbank: ‘Wil je even stoppen? Ik moet sigaretten hebben.’ Ram kwam meteen in actie. Ze hadden juist India Gate bereikt. ‘Als we thuis zijn loop ik wel even naar blok N,’ zei hij, zich omdraaiend naar zijn oom en tante achterin. ‘Dat is maar tien minuten lopen.’ In feite had Ram een pakje sigaretten in zijn zak zitten, maar hij wilde voor oom Hari verborgen houden dat hij rookte. Hij wist niet wat oom Hari meer afkeurde: rokende echtgenotes of rokende neven. Wat was tante Leela toch een merkwaardige vrouw, peinsde Ram, terwijl hij toekeek hoe de auto de oprit voor het huis in reed. Hij haalde een sigaret uit het pakje in zijn zak en stak die aan. Vanmiddag was hij bij het huis aangekomen en had hij de zwijgzame vrouw van zijn oom voor de voordeur aangetroffen met een boodschappentas vol fruit en gekleed in zo’n een82


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 83

voudige katoenen sari, dat hij haar even voor het dienstmeisje had aangezien. ‘Tante... zal ik u even helpen?’ had Ram gevraagd, en hij had zich naar haar toe gebogen om de tas van haar over te nemen. Daarna boog hij zich voorover om haar voeten aan te raken – een automatisch gebaar van onderwerping aan je ouders, dat er bij hem was ingehamerd door zijn autoritaire vader. Maar zij trok haar voeten onder zijn uitgestrekte handen weg en zei: ‘Dat hoeft niet.’ ‘Heeft u een ritje door Delhi gemaakt?’ drong Ram aan. ‘Bevalt de nieuwe auto u? Heeft u de muziekinstallatie uitgeprobeerd?’ ‘Ik heb de bus genomen,’ antwoordde ze. De bus. Die mallotige vrouw van zijn oom reisde met het openbaar vervoer. De gedachte dat de prachtige, witte auto die oom Hari speciaal voor haar had aangeschaft niet voldoende werd gewaardeerd, beviel hem helemaal niet. Ram schudde afkeurend zijn hoofd toen hij op Connaught Place aankwam. Aangezien het november was, zat er al een winterse kou in de lucht en boven de brede, in koloniale stijl opgetrokken arcades en armoedige winkelpuien op deze plek waar zijn oom zo dol op was, hing een troosteloze, desolate nevel. Vanavond was er bijna niemand te zien: alle verstandige mensen zaten nu thuis, in hun grote huizen in Zuid-Delhi. Maar Ram had te veel aan zijn hoofd om er lang bij stil te blijven staan dat het er uitgestorven was. Inmiddels was het halftwaalf, nog een halfuur. Hij kocht sigaretten voor zijn tante en liep snel terug over de lange, slecht verlichte straat. Toen hij bij het huis aankwam, rende hij een beetje opgewonden de oprit op, deed de voordeur van het slot en beende de hal in. Sinds Ram van oom Hari de taak had gekregen om het huis van tante Leela te renoveren, had hij iedere keer weer het gevoel dat hij rechtstreeks terugging in de tijd. Alles aan het gebouw was stoffig en ouderwets, van de ligging en de architectuur tot aan de met stukjes marmer belegde vloeren, die Ram graag had willen 83


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 84

vervangen door iets moderners, maar daar had oom Hari niet van willen horen. Hij zijn uiterste best had gedaan, maar het huis zag er nog steeds antiek uit. Vanavond klonk er heel toepasselijk een oud liedje uit een Indiase film door het huis, krakerig van ouderdom, uit de platenspeler die tante Leela helemaal vanuit Amerika had meegenomen. Maar het huis had beslist potentie. Toen Ram door de hal liep, ving hij een geruststellende glimp op van zijn ongelooflijk mooi gewelfde neus en lange, zwarte wimpers in de met zwaar houtsnijwerk omgeven spiegel aan de wand (waarvan de nieuwe roze en groene zijden bekleding zijn huidskleur flatteerde) en toen hij de woonkamer in kwam (die Hari de ‘salon’ noemde en waar hij zich al enorme, spectaculaire feesten zag geven), trof hij zijn oom met zijn glanzende kale hoofd aan bij de tafel onder het raam waarop de flessen met drank stonden, waar hij twee glazen whisky inschonk. Leela, die op de bank de krant had zitten lezen, stond op toen ze Ram zag en nam met een vlugge, dankbare glimlach de sigaretten van hem aan; ze liep de tuin in om er met haar gezicht opgericht naar de inmiddels donkere lucht een op te steken. Hari hield een glas op voor zijn neef, en ofschoon Ram de voorkeur gaf aan iets minder klassieks – de nieuwe wodkacocktails vond hij spannender – nam hij het glas aan, hij plofte neer en pakte de krant waarin Leela had zitten lezen, bladerde erin en nam een slok. Het was de krant die zijn oom financierde en waarvoor zijn vader zo veel minachting voelde, de Delhi Star. In de roddelrubriek op de achterpagina stond alweer een artikeltje over de overleden societyschoonheid, Meera, de moeder van Sunita’s toekomstige echtgenoot, die dichteres was geweest. ‘Hoor toch eens wat voor een onbehoorlijk gedicht die vrouw van professor Chaturvedi voor haar dood heeft geschreven,’ zei Ram. Hij liet zijn stem samenzweerderig dalen en las een paar regels voor: ‘Ze sturen een bediende / In hun plaats, koninklijk gekleed, / Die hem liefkoost, bemint en kust, / Bekoort met genotvol gekreun.’ Hij keek op: ‘Die Bengalen toch!’ 84


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 85

Zijn luchthartigheid had het gewenste effect. Eindelijk lachten de twee mannen samen, wat ook zijn bedoeling was. Maar toen ging oom Hari tegenover hem zitten en Ram zag dat de lach van het gezicht van de oudere man was verdwenen. Zijn oom draaide het glas langzaam rond in zijn hand en nam een slokje. ‘Heeft mijn broer ooit een functie bekleed binnen de Partij?’ vroeg hij uiteindelijk. Ram schudde zijn hoofd. Zijn vaders hoop dat de Partij een beroep op hem zou doen was telkens de bodem ingeslagen; toen Ram nog een kind was had het voortdurend gespeeld. Hij wist nog precies dat hij op zijn tiende had gezworen dat hij nooit zo zou worden als zijn vader, die de hele tijd tevergeefs wachtte op een gunst of promotie binnen de Partij en het hele gezin in die valse hoop meetrok, en verhalen vertelde die aanstekelijk werkten op hun moeder, zodat zij op haar beurt de kinderen in het oor fluisterde dat hun vader op het punt stond gevraagd te worden als parlementslid en dat hij alleen nog hoefde te beslissen voor welk kiesdistrict hij wilde uitkomen: Madhya Pradesh (waar hij oorspronkelijk vandaan kwam) of Delhi, waar het gezin nu woonde. Alleen Ram leek te begrijpen hoe het werkelijk zat, namelijk dat zijn vader veel te ideologisch dacht om politicus te kunnen zijn; dat hij geen reële kijk op de werkelijkheid had en dat zijn schoolgaande zoon beter begreep hoe de wereld in elkaar stak dan hij. Als hij als tiener werd meegenomen naar partijbijeenkomsten (de Partij stond toen als politieke machtsfactor in India nog in de kinderschoenen), zag Ram met een scherp gevoel van vernedering de grote bazen minzaam glimlachen om de hartstochtelijke verklaringen van Shiva Prasad en toegeeflijk luisterden naar de visie die hij had van zichzelf als politieke factor, maar als het er echt op aankwam waren er andere, pragmatischer mensen waarop ze een beroep deden. Shiva Prasad werd telkens weer teleurgesteld en niemand anders in het gezin begreep hoe dat kwam. Rams moeder noch zijn zussen durfden elkaar in de ogen te kijken en hardop de waarheid te zeggen, namelijk dat hun vader zijn leven lang had gewacht op iets wat nooit zou komen. 85


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 86

Ram had hierover nimmer met iemand gesproken, maar nu kwam het er allemaal uit en oom Hari luisterde – niet met een zekere voldoening, maar met de bedroefde, meelevende blik van de jongere broer die verdriet heeft omdat zijn oudere broer is gekrenkt. ‘Je mag hem niet in de steek laten, Ram,’ zei Hari. ‘Je moet hem blijven bezoeken.’ Het was al bijna middernacht tegen de tijd dat Hari en Leela Ram welterusten wensten en door de hal naar hun slaapkamer liepen. Naarmate de wijzer van zijn horloge naar het noorden opschoof, werd Ram ongeduldiger, maar hij stond pas van de bank op toen de deur achter zijn tante en oom was dichtgevallen en hij zeker wist dat ze gingen slapen. Hij wachtte nog een minuut en daarna rende hij naar buiten, de trap op naar zijn eigen kamers op de bovenste verdieping, hij duwde de deur naar zijn slaapkamer open en schakelde de nieuwe laptop in die oom Hari voor hem had meegenomen uit Amerika en die klaarstond op zijn nachtkastje. Oom en tante sliepen op de verdieping onder hem, aan de andere kant van het huis. Desondanks deed Ram voor de veiligheid zijn deur op slot. Ram maakte contact met internet en logde in bij Delhiwallah’s House of Sin, betrad de van tevoren gereserveerde cyberroom en wachtte. Er verstreken vijftien seconden. Toen kwam er een bericht: ‘Ben je daar, Man-God? Ik ben het, Manhattan Mania.’ Ram had sinds zijn zesde jaar altijd vriendjes gehad en hij had al seksuele omgang met hen sinds die zwoele middag van Gandhi-ji’s verjaardag (het was een vrije dag van school), toen hij het met de zoon van de mali van zijn ouders had gedaan. Maar deze man, deze verlegen internetminnaar die hij nog nooit in levenden lijve had ontmoet, was bijzonder. Ze waren elkaar zes maanden eerder tegengekomen in het House of Sin. ‘Ik wil je betasten,’ had Man-God (Ram) geschreven en Manhattan Mania, die duidelijk nog nooit iets dergelijks had gedaan, typte terug: ‘Goed, maar wees voorzichtig.’ 86


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 87

Zo was het begonnen. Ze ontmoetten elkaar twee keer per week om twaalf uur ’s nachts in hun chatroom en struinden dan samen door hun virtuele Delhi, ritsten elkaars broek open en bereikten dan, nog sneller dan ze met één hand konden typen, steevast een gigantisch orgasme. Het werkte iedere keer. ‘Hoe heet je, naam batao!’ hijgde Ram dan in de computer en Manhattan Mania, die veel minder goed was in snel typen dan Ram, antwoordde: ‘I CANT DON@T ASK.’ Gedurende de eerste maanden was Manhattan Mania op zijn hoede, omdat hij bang was, vermoedde Ram, iets over zichzelf prijs te geven. ‘Waar woon je in Delhi?’ schreef Ram op een avond. ‘Kunnen we niet iets afspreken?’ ‘Nee,’ antwoordde Mania en hij verbrak de verbinding. Ram wist nog heel goed hoe erg hij van streek was geweest toen Manhattan Mania zich een tijdje niet in het House of Sin had vertoond. Zijn internetpartners waren doorgaans vrijpostiger. Ze waren niet terughoudend, zoals Manhattan Mania, die niet thuis was in de taal die mannen onderling gebruiken. Ram logde elke avond in, maar trof hem niet. Alleen stilte. Toen verscheen Manhattan Mania tien dagen later, alsof er niets was gebeurd. ‘We lopen gearmd over Rajpath...’ typte hij, en Ram vulde aan: ‘Als we bij India Gate aankomen trek ik je op de grond en...’ In hun virtuele chatroom op het hoogste niveau liefkoosden ze elkaar op een boot op de Yamuna (‘Maar de rivier is smerig, yaar,’ protesteerde Manhattan Mania realistisch), op het gras van het Purana Qila, op de dansvloer van de Zed Bar, en ze gingen zelfs nog verder toen ze het op de motorkap van een stoffige, witte auto voor het belastingkantoor deden. Ram had een voorkeur voor clandestiene plekken, zoals de Jama Masjid, de Hanumantempel. Manhattan Mania hield het graag wat huiselijker, hij gaf de voorkeur aan (vanzelfsprekend) de Nirula-ijssalon, de inamarkt, de pelikanenvijver in de dierentuin. Nu en dan bezocht Ram later overdag die plekken – hun verbaal-virtuele trefpunten – en probeerde dan nieuwsgierig de 87


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 88

blikken van voorbijgangers te vangen. Wie was Manhattan Mania in werkelijkheid? De mensen logen erop los op internet. Hij wist dat men op internet een andere identiteit of zelfs geslacht aannam. Maar hijzelf was in zijn echte leven evenzeer Man-God als in zijn nachtelijke afspraakjes. Zou dat voor Manhattan Mania ook gelden? Ram keek op van de computer en blikte zijn slaapkamer rond. Hij zou Manhattan Mania hier graag naartoe halen om hem de pracht en praal te laten zien van zijn nieuwe leven als zoon van oom Hari. Het beeldscherm flikkerde. Er was een bericht verschenen: ‘Weet je nog die plek van ons eerste afspraakje?’ Manhattan Mania was vannacht blijkbaar in een nostaligische bui. Hij wilde langer dan gewoonlijk blijven dralen op Rajpath. Hij vroeg steeds aan Ram of die zich nog kon herinneren wat ze waar hadden gedaan. ‘Wat er is aan de hand?’ typte Ram uiteindelijk in en wachtte geduldig tot er een antwoord zou verschijnen. ‘Man-God, als ik niet terugkom wil dat niet zeggen dat ik niet van je hou.’ ‘Waar ga je heen?’ ‘Ik ga nergens naartoe.’ ‘Waarom kom je dan misschien niet terug?’ Er kwam geen antwoord. Hij kreeg een angstig voorgevoel. ‘Geef antwoord!’ typte Ram. ‘Ik ga trouwen.’ ‘nee!’ ‘Dat is toch wat mensen zoals wij doen in India?’ Ram voelde bijna voor het eerst in zijn leven een woedende steek van bittere jaloezie. ‘Nee!’ antwoordde hij. ‘Dat doen we niet. In deze tijd niet meer!’ Zijn handen trilden. ‘Dit is een heel nieuw tijdperk. Snap je dat niet?’ Hij wachtte weer, probeerde zijn impuls om het ergste te weten te komen te negeren en schreef ten slotte: ‘wanneer ga je trouwen?’ Er volgde een ogenblik waarin er slechts een leeg scherm op88


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 89

flikkerde. Ram hield tijdens het wachten zijn adem in. Toen verscheen dat ene woord op zijn beeldscherm en Ram sloeg met zijn vuist op het toetsenbord, gooide zijn hoofd in zijn nek en schreeuwde het uit. Maar het woord trok zich niets aan van zijn ellende, het bleef daar gewoon voor zijn ogen staan: Morgen.

89


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 90

8 Op de ochtend van het huwelijk van Sunita Sharma en Ash Chaturvedi nam Humayun (zoon van wijlen Mohd Hamid) afscheid van zijn nichtje Aisha in het huis van de familie Ahmed in Nizamuddin West, waar ze allebei werkten – hij als chauffeur, zij als dienstmeisje – en trok de deur zachtjes achter zich dicht. Voordat hij vertrok had ze hem twee melkbussen overhandigd, een voor de melk die hij op de markt zou kopen, de andere gevuld met een lunch bestaande uit chapli kebabs van mevrouw Ahmed voor zijn moeder, en hij zwaaide ze vrolijk heen en weer toen hij over het tuinpad om het huis heen naar het hek toe liep, dat hij openmaakte. De route van mevrouw Ahmeds huis naar dat van zijn moeder, achter de tombe, liep evenwijdig aan het riool langs de meest westelijke bebouwing. Hij hield van deze dagelijkse wandeling van het grote, rustige huis waar hij werkte naar de hectische, dichtbevolkte en veel ouderwetsere buurt waar hij was opgegroeid. Hij hield van de rust in de moderne wijk, maar de vertrouwde gezichten en plekken rondom de soefitempel hoorden ook bij hem; het was alsof je van een vredige rivieroever een bos met luidruchtig kwetterende vogels in liep, dacht hij, en hij was met zichzelf ingenomen dat hij in beide omgevingen zo goed gedijde. Dat was grotendeels te danken aan zijn opvoeding. Toen hij klein was, zorgde Humayuns moeder voor de kinderen van de professor; ze was de ayah geweest van Ash Chaturvedi, de man met wie de zus van Urvashi Ahmed vanavond ging trouwen. Humayun was opgegroeid in de marge van het gezin Chaturvedi, hij had hun elegante manieren bestudeerd en naar de verhalen van 90


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 91

zijn moeder Raziya geluisterd over de tweeling, Bharati en Ash, die opgegroeid waren in luxe maar zonder moeder, de arme kinderen. Humayuns moeder had een uitgesproken mening over het gezin waar ze voor had gewerkt en ze had verkondigd dat de vriendelijke, jonge wetenschapper ‘zichzelf te grabbel gooide met dit huwelijk’. Aisha, die niet alleen in het huis van Urvashi Ahmed werkte maar ook elke middag schoonmaakte bij de familie Chaturvedi, vond de toekomstige bruid ook erg onvriendelijk en te veeleisend, en ze dacht dat ze weleens heel bazig zou kunnen worden zodra ze getrouwd was. Aisha had Humayun toevertrouwd dat de huwelijksvoorbereidingen in het huis van Chaturvedi minimaal waren. Er waren geen speciale licht- of bloemenarrangementen, geen kleermakers uit Zuid-Delhi noch juweliers uit Chandni Chowk die op bezoek kwamen, geen boodschappenjongens die buiten adem enorme dozen met serviesgoed en tafellinnen van extra zware kwaliteit bezorgden. Het enige opvallende wat er was gebeurd, was dat de oude mevrouw Chaturvedi, de moeder van de professor, Aisha naar boven had gestuurd om de kamer van haar kleinzoon schoon te maken (het was er een chaos met grote stapels wetenschappelijke artikelen), en toen had mevrouw zelf de oude blikken kist in haar slaapkamer van het slot gedaan en er een antieke, rood met blauwe sprei uit gehaald, die ze aan Aisha had gegeven om over het bed van haar kleinzoon te leggen. Dat was het. Aisha, die goudsbloemen en kaarsen had verwacht, jasmijnbloesems en giechelende jonge nichtjes, had verklaard dat ze ‘erg teleurgesteld’ was. Humayun was het met haar eens. Maar hij speelde deze informatie niet door aan zijn moeder Raziya, ondanks haar vele vragen over het onderwerp. Het belangrijkste was dat ze niet te weten zou komen dat Aisha in het huis van de professor werkte. Raziya was erg veeleisend en ze reserveerde haar grootste afkeuring voor Aisha’s moeder. Ze verkondigde graag dat de twee families slechts heel in de verte verwant waren; ze had hogere verwachtingen voor haar zoon dan een huwelijk met een meisje van wie de vader de benen had genomen en de moeder als het meezat 91


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 92

af en toe los werk had (sinds kort ging ze op de ringweg met bananen langs de deuren) en die, sinds de overheid de illegale hutjes rondom het hindoecrematorium had opgeruimd, naast de hut van de chowkidar kampeerde, de sleutelbewaarder van de begraafplaats. Sinds haar man vijftien jaar geleden was gestorven moest Raziya het eveneens zonder man stellen, maar zij slaagde erin niet alleen een rijbewijs voor Humayun te bemachtigen maar ook een baan bij het echtpaar Ahmed – een rijk, jong en onervaren stel dat pas onlangs in de buurt was komen wonen. Mevrouw Ahmed was inderdaad oorspronkelijk hindoe, waardoor ze een perfecte werkgeefster was, omdat ze vrijwel niets over de islam wist. ‘Drie weken vakantie per jaar om de Haj te doen,’ had Humayuns moeder tegen mevrouw Ahmed gezegd op de dag dat ze haar zoon vriendelijk aanbeval als particulier chauffeur. ‘Twee keer per jaar een bonus voor Eid. Hij heeft de gastenkamer achter de garage nodig om in te bidden’ – dat was tot dan toe de plek geweest waarin mevrouw Ahmed de boeken van haar man opsloeg die te politiek of sociaal getint waren om open en bloot in zijn studeerkamer te staan – ‘en,’ vervolgde Humayuns moeder, ‘warm en koud water om zich te wassen.’ Mevrouw Ahmed liet een boiler ophangen en bestelde drie dozijn Lifebuoy-zeeptabletten. ‘Hij moet minstens één keer per dag schapenvlees eten,’ ging Humayuns moeder verder. ‘Dat verplicht ons geloof ons.’ Met haar wijsvinger wees ze naar mevrouw Ahmeds buik. ‘U zult dat heilige voedsel ook nodig hebben als het zover is. Moslimbaby’s hebben halalvlees nodig.’ Mevrouw Ahmed, die strikt vegetarisch was opgegroeid, rilde. Maar de rilling was zuiver een reflex uit haar kindertijd; sinds enige tijd ervoer ze regelmatig de sensatie om samen met haar man lamsvlees en kip te eten (en was ze wat aangekomen). Ze had de smaak te pakken gekregen van gekruide vleesballetjes. ‘Verder nog iets?’ vroeg ze aan Raziya, en de oudere vrouw glimlachte. 92


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 93

‘Nieuwe kleren met Eid.’ Daarna voegde ze eraan toe alsof het haar nu pas te binnen schoot: ‘Stuurt u hem alstublieft op vrijdag naar de moskee. Die jongens hebben de neiging om zelfs het verplichte gebed aan hun laars te lappen.’ Humayuns moeder liet niets aan het toeval over. Misschien was het een reactie op de strikte onderverdeling van de wereld dat Humayun belangstelling kreeg voor een meisje dat hij toevallig op een avond ontmoette toen hij van huis naar zijn werk liep. Precies toen hij bij de armere huisjes kwam die tegen de tempel aan leunden, daar waar de huizen opeens heel dicht opeen staan en de steegjes te smal worden voor de auto’s en waar plots het volume omhoogschiet van het schorre geroep en de vriendelijke groeten en waar van de vroege ochtend tot de late avond niets is terug te vinden van de verbazende stilte waarin de bewoners van de nieuwe wijk zich bewegen, viel zijn blik op een meisje dat worstelde met het gewicht van een plastic container met water. Ze kwam uit de hoofdstraat en sleepte de container achter zich aan door de poort die naar een smalle, diepe open rivier van afval leidde: het open riool dat Nizamuddin scheidde van de wijken Bhogal en Jangpura. Het was een tenger meisje, haar hoofddoek was van haar hoofd gegleden en sleepte achter haar aan door het stof. Humayun riep iets en haastte zich naar haar toe. ‘Jij bent Humayun,’ zei ze verlegen toen hij de container van haar overnam en op zijn heup tilde; onder het lopen legde ze hem uit dat ze familie van elkaar waren door hun moeders. De namen zeiden hem niets. ‘Ja, ja,’ zei hij, toen ze het over onbekende ooms in afgelegen dorpen had, hij wendde zich naar haar toe om een glimp op te vangen van haar gezicht, dat nu weer gedeeltelijk schuilging onder de hoofddoek. Toen ze bij het riool aankwamen, maakte ze aanstalten om naar het smalle betonnen bruggetje te lopen dat naar de overkant leidde. ‘Waar ga je heen?’ vroeg Humayun, die opeens zag waar ze zich bevonden, namelijk aan de rand van het riool dat door het stadscentrum kronkelde. 93


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 94

Zo kwam hij erachter dat Aisha en haar moeder op de begraafplaats woonden. Ze ging hem voor over de stinkende afvalstroom en verder naar boven over de zandoever die bezaaid was met afval, plastic tassen, menselijke drollen, langs de foeragerende varkens met de strepen modder op hun flanken van het waden door het riool, naar de begraafplaats op de top van de heuvel. ‘We moeten hierlangs de begraafplaats op,’ zei Aisha, wijzend op het groene hek links van haar, dat het terrein omsloot waar de moslims hun doden begraven. ‘Daarachter,’ fluisterde ze, naar rechts wijzend op een hoge muur die bekroond werd door gekleurde glasscherven die in de specie waren gedrukt, ‘ligt het hindoecrematorium.’ Humayun volgde Aisha door het hek, tussen de bomen en de zandstenen grafstenen door naar een lichte verhoging in het midden, waar een witte muur enkele graven omsloot die afgezonderd lagen van de rest. Hier woonde de bewaker met zijn gezin. Haar moeder huurde binnen deze veilige omheining een plekje voor haar tent. Humayun staarde om zich heen, niet bij machte iets uit te brengen. Slaap jij hier? Alleen? De oude bewaker, vertelde Aisha sussend – die zich voor de plek schaamde maar hem tegelijk wilde geruststellen – zorgde dat het gespuis buiten bleef en hield een oogje op hen. Die avond keerde Humayun woedend over deze onterende toestand terug naar het naaiatelier van zijn moeder. Ze had de rolluiken dichtgetrokken en borg de kledingstukken op die gereed waren. Terwijl hij tekeerging, luisterde zij zwijgend en plukte loszittende draadjes van een pas gestreken kurta. Ten slotte zei ze: ‘Ik wil niets te maken hebben met die vrouw, en jij ook niet.’ Al de volgende morgen vroeg, voordat hij naar zijn werk ging, keerde Humayun terug naar de begraafplaats. Deze keer droeg hij een bus met melk. Door het hek werden grote, voortsjokkende, zwarte karbouwen naar het riool beneden geleid. Humayun liep achter ze aan in de richting van het water om ze bij daglicht te bekijken. Hij hield het meest van de vroege ochtend in Delhi, als de mist nog laag boven de straten en de rivier hing en de 94


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 95

hoofdwegen waar de bussen overdag onophoudelijk overheen sjeesden nog bijna leeg waren. Hij stond op het bruggetje waar Aisha en hij de vorige avond overheen waren gelopen en keek langs het riool naar het oosten. Het riool werd gekruist door een enorme waterbuis, die de huizen in Nizamuddin verbond met Jangpura, en nu al stonden mensen zich eronder te wassen in het water dat uit de lekken spoot. Aan de kant van Nizamuddin stonden de mannen halfnaakt in hun lungi’s het water over zichzelf heen te gooien, of ze zeepten hun lichaam in terwijl ze in de rij wachtten. De vrouwen stonden aan de kant van Jangpura, ze doopten hun lange haarstrengen in het water en gooiden die vervolgens naar achteren, zodat de opspattende druppels zich wonderbaarlijk mooi aftekenden tegen het licht van de zon. Humayun, die eerst zijn neus had opgetrokken vanwege de zware geur van rotting, vroeg zich nu af of het niet efficiënter zou zijn voor de betrokken ambtenaren om de gaten te repareren en een douche aan te brengen in de pijpleiding, die aan en uit kon worden gezet. Hij voelde zich ongewoon gelukkig. Die ochtend voelde Aisha zich ook gelukkig toen ze haar uit de kluiten gewassen, praktische neef over de begraafplaats naar hen toe zag lopen. ‘Kom mee, ik ga werk voor je zoeken,’ zei Humayun met een in haar ogen bijna onbestaanbaar zelfvertrouwen, en hij wachtte op haar terwijl zij haar beste jurk van dunne oranje crêpe georgette met lange, wijd uitlopende mouwen aantrok en amla-olie in haar haren kamde. Ze liepen terug over het riool en gingen naar een huis waar Humayuns moeder vroeger had gewerkt. De hindoeman, professor Chaturvedi, leek blij te zijn om Humayun te zien: hij informeerde in de hal van zijn huis uitvoerig naar diens moeder en haar kleermakerij. Aisha stond dodelijk verlegen buiten in de schaduw van een grote boom met glanzende bladeren te wachten. Maar Humayun, die heel vaak ’s middags na schooltijd in dit huis op zijn moeder had gewacht, zag dat er niets veranderd was. Hij werd niet afgeschrikt door de vreemde omgeving, integendeel, hij had er altijd een merkwaardige, plezierige duizeligheid 95


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 96

ervaren, omdat het er zo propvol stond en hing met vreemde voorwerpen: kleisculpturen en houten maskers van mannen met gekrulde snorren en oranje tulbanden en hindoedames met grote verbaasde ogen en een rode stip op het voorhoofd. Op de haltafel stond zelfs een grote aardewerken pot zoals zijn oma in het dorp had gebruikt om water koel te houden. ‘Ze kan elke dag twee uur komen werken,’ zei Humayun tegen de professor, die zijn handen uitstrekte in een hulpeloos gebaar. ‘Maar we hebben geen extra hulp nodig nu mijn dochter naar Londen is verhuisd.’ ‘Ze kan afwassen,’ zei Humayun, ‘en het huis dweilen.’ Hij zweeg even en liet er toen, in de wetenschap dat dit een keihard punt was, op volgen: ‘En precies zoals mijn moeder voor uw twee kinderen heeft gezorgd, zal zij prettig gezelschap zijn voor uw moeder.’ ‘Wie is dat meisje?’ wilde de professor uiteindelijk weten toen hij het vastbesloten gezicht zag van de jongeman, en Humayun zei: ‘Ze is mijn nicht. Ze is een goed meisje, daar sta ik voor in.’ Tegenover mevrouw Ahmed hanteerde hij een wat triomfantelijker toon. ‘Ik heb het ideale dienstmeisje voor u gevonden, mevrouw Ahmed,’ zei hij tegen Urvashi, die nog niet zwanger was en heel lang in de keuken stond te zwoegen op eenvoudige vleesgerechten. ‘Ze kan het huis schoonmaken en de was doen. Ze kan dal maken en groenten schoonmaken en andere kleine klusjes doen, zodat u uw schoonmoeder daar niet meer mee hoeft lastig te vallen,’ het was een van Humayuns taken om elke middag naar de ouders van meneer Ahmed in het oude gedeelte van Delhi te rijden om daar het avondmaal op te halen, bereid door hun oude kokkin. ‘Haar paratha’s zijn heerlijk,’ vervolgde hij. ‘Ze weet alles van korma.’ Hij voegde er zelfs heel extravagant aan toe: ‘Ze kan u leren hoe je shami kebabs moet bereiden.’ Aisha stond op het stoepje voor de deur terwijl Humayun haar arbeidsvoorwaarden regelde. Ze kon de zware, weeïge geur van mevrouw Ahmeds parfum ruiken. Dit huis was nog mooier dan het vorige. Mevrouw Ahmed ging gekleed in vuurrode zijde en telkens als ze haar handen door haar lange, zijdeachtige haar 96


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 97

haalde, rinkelden haar armbanden. Het huis glom van de frisse witte verf. Sindsdien was er bijna een jaar verstreken. Aisha’s onschuld had Humayun meteen ontroerd, maar hij zag tot zijn tevredenheid dat haar zelfvertrouwen in die twaalf maanden groeide. Hij merkte heimelijk op dat haar lichaam met haar nieuwe houding mee leek te veranderen. Onder zijn blikken leken haar borsten, die nog steeds verborgen gingen onder vele lagen stof, subtiel te zwellen. Hij wilde zijn handen door haar haar laten glijden. Maar hij hield zijn verlangens voor zich, want Aisha was nog jong en om te voorkomen dat de andere bedienden in de wijk tegen zijn moeder zouden roddelen, zorgde hij ervoor dat hij zijn omgang met zijn nicht in het openbaar tot een minimum beperkte: hij haalde Aisha vroeg in de morgen op bij de begraafplaats op weg naar het werk en bracht haar na het donker thuis. Met geen van de drie betrokken vrouwen – zijn moeder, Aisha zelf en Tabasum Khatoon, Humayuns toekomstige schoonmoeder – had hij over een huwelijk gesproken, en in elk geval het ompraten van zijn moeder zou veel van zijn overtuigingskracht vergen. Er moest toch een krachtdadige manier zijn waarop hij het onderwerp kon aansnijden, maar vanwege zijn moeders driftbuien wist hij nog niet hoe, en de enige persoon met wie hij erover had gepraat was zijn neef Iqbal, en Iqbals inschatting van zijn succes in deze zaak was niet hoopgevend geweest. ‘Dat zal ze nooit toestaan,’ had hij gezegd. ‘Insjallah loopt deze zaak goed af.’ Humayun dacht hierover na terwijl hij het pad volgde langs het zwarte, bochtige riool dat het afval van de stad naar de rivier afvoerde. Het riool was in de wijk Nizamuddin niet zichtbaar – het werd aan het oog onttrokken door een park, een hoge muur en een rij bomen – maar je kon het wel ruiken, ondanks deze camouflagepogingen. De huizen die daar stonden behoorden tot de oudste in Nizamuddin West, en ook al waren ze groot – twee of drie verdiepingen hoog, van hun buren gescheiden door een tuin en een muur –, sinds hun bouw was de hoeveelheid afval in het riool aangegroeid van een beekje naar een rivier en de mensen 97


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 98

die er woonden moesten leren leven met de stank. Heel Delhi was op deze manier gebouwd, had zijn moeder hem eens verteld: enclaves met ruime, stille residenties waar de rijke mensen woonden en pal ernaast, weggeduwd in de krochten die de rijken niet bliefden, het gekrioel van alle anderen. Ze was trots op het piepkleine, vrijstaande huisje dat ze voor hen beiden had verdiend, hun huisje aan Lodhi Road, maar terwijl Humayun doorliep keek hij op naar de grote, ruime huizen met hun salons en eetkamers en hun talloze slaapkamers met eigen badkamer, waarin dokters woonden en ingenieurs, en hij probeerde zich voor te stellen hoe het zou voelen om met Aisha in zo’n huis te wonen – met al die witkalk op de muren, al die treden die je op en neer kon rennen, al die deuropeningen om doorheen te wandelen en kasten om open te doen. De professor woonde in een van deze huizen en toen Humayun vanmorgen het hek passeerde, zag hij dat er voor de deur een taxi met draaiende motor stond. ‘Humayun!’ riep een vrouw. Toen hij opkeek naar het huis zag hij Bharati, de dochter van de professor, in de deuropening boven aan het bordes staan. Ze had een strakke spijkerbroek aan en haar haar was heel gedurfd op kaaklengte afgeknipt. Haar donkerblauwe jasje had ze om haar middel gebonden en in haar witte T-shirt kwamen haar soepele, ronde schouders goed uit. Toen hij op haar af liep zag hij dat het shirtje boven haar navel ophield. Ze wenkte hem. ‘Humayun,’ zei ze, ‘mijn vader zegt dat hij je af en toe ziet. Werk je in Nizamuddin als chauffeur?’ Humayun sloeg zijn ogen op en keek haar aan. Ze was drie jaar ouder dan hij en toen hij nog niet eens naar school ging, had zij hem al gedwongen om Engelse woordjes te leren in haar vaders studeerkamer, woordjes die ze hardop had voorgelezen uit een blauw met wit grammaticaboek. Ze had hem dingen geprobeerd te leren, ze liet hem een kaart van de wereld zien, wees Italië en Spanje aan en vertelde over de Mogoolse keizer naar wie Humayun was vernoemd (en over wie Humayun natuurlijk al was verteld). Ze had zelfs een keer geregeld dat hij mee mocht 98


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 99

naar de bioscoop in het centrum van Delhi; Humayun had zich van verlegenheid diep ongelukkig gevoeld. Iedereen kon zien dat hij een bediende van de familie was. ‘Werkt hij voor je?’ had de kaartjesverkoper gevraagd, maar dat had ze ontkend. ‘Hij is een vriend,’ zei ze, zich afwendend. ‘Hier heb je je kaartje, jonge vriend,’ zei de man toen hij hem het gele kartonnen rechthoekje overhandigde en Humayun had zich geschaamd. Later, toen Humayuns moeder niet meer hele dagen voor de professor werkte, kwam hij Bharati nu en dan tegen op de markt, waar ze mango’s kocht van de fruitverkoper of ruzie maakte met de baas van de kleermakerij over de pasvorm van een blouse. Hij droomde over haar, en niet over de gebruikelijke filmsterren; midden in de nacht, wanneer hij had moeten slapen, stelde hij zich voor dat hij haar minuscule bloesjes losmaakte, die gladde huid streelde en de warme, donkere holtes in haar lichaam vulde, een lichaam dat hem verzwolg, zoals de zee kiezelsteentjes in zijn kielzog meesleurt. Toen hij daar naar Bharati stond te luisteren, staken die beschamende, puberale fantasieën weer de kop op. Snel pratend legde ze uit dat ze pas vanmorgen was teruggekomen. ‘Uit Amerika?’ vroeg Humayun in het Engels. ‘Uit Londen,’ corrigeerde ze hem in het Hindi, en liet erop volgen: ‘Ik ben al ruim een jaar niet meer in Delhi geweest.’ Hij zette de bussen neer. ‘Zal ik je koffers naar binnen brengen?’ Terwijl Humayun met in elke hand een koffer de treden beklom, kwam de professor naar de deur. ‘Dus je hebt mijn dochter al gezien,’ zei hij. Ze lachte hen beiden toe en Humayuns ogen dwaalden ongelukkigerwijze af naar haar blote middenrif. Toen hij opkeek zag hij dat de professor naar hem had gekeken en omdat hij zich beschaamd voelde zei hij defensief, zonder erbij na te denken: ‘Ik ga misschien trouwen.’ ‘Misschien?’ herhaalde de professor met een glimlach. ‘Ik hoop het, insjallah.’ ‘Met wie?’ 99


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 100

‘Met uw dienstmeisje, Aisha.’ ‘Tjonge, fijn voor je, Humayun,’ zei Bharati en ze liet erop volgen: ‘Weet je dat Ash-bhaiya vandaag gaat trouwen?’ Voordat hij kon antwoorden, vervolgde ze: ‘Daarom ben ik hier.’ Ze wendde zich impulsief tot haar vader. ‘Is het geen goed idee om ons door een chauffeur naar de trouwerij laten brengen en weer op te laten halen?’ De professor streek met zijn hand over zijn baard. ‘Misschien wel.’ ‘Dus?’ zei ze, en tikte met haar wijsvinger tegen haar lippen. Algauw had Humayun beloofd dat hij na zijn werk terugkwam om de familie op te halen en ze in de auto van de professor naar het festiviteitenterrein achter de oude luchthaven te rijden. Bharati wuifde hem gedag vanaf het bordes toen hij naar de weg terugliep. ‘Ik zie je vanmiddag om vijf uur,’ hoorde hij haar roepen. Nadat hij de kebabs bij zijn moeder had afgeleverd en haar over zijn werk voor de familie Chaturvedi had verteld (alles om haar vragen te ontwijken over de huishoudelijke hulp van de familie Ahmed – tot dusverre had hij slechts iets vaags gezegd over een verlegen, klein meisje dat ergens van de overkant van de rivier kwam), en de melk had gehaald bij Mother Dairy, lichtte hij mevrouw Ahmed in over zijn werk van die avond. Ze stond in de hal, haar ogen vulden zich met tranen terwijl ze naar zijn relaas luisterde – Aisha had Humayun het gerucht doorverteld dat ze had gehoord van de kokkin van de familie Chaturvedi, dat mevrouw Ahmed niet op haar zusters bruiloft mocht komen omdat haar man een moslim was – maar uiteindelijk, nadat Aisha haar een kopje thee had gebracht, ging ze ermee akkoord dat Humayun eerder zou vertrekken en dat zij Aisha zelf zou ophalen bij het huis van de familie Chaturvedi als haar werk er daar op zat, en dat ze hier mocht blijven wachten tot Humayun terug was. ‘Ze kan beter niet alleen naar huis lopen in het donker,’ zei Humayun, ‘Delhi is geen goede plek voor jonge meisjes.’ ‘Maak je geen zorgen. Ik haal haar zelf op,’ verzekerde me100


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 101

vrouw Ahmed hem. Daarna nam ze haar uitgebreide plannen voor die dag met hem door. Er moest veel gereden worden. Eerst moest Humayun haar naar haar schoonmoeder brengen om wat huishoudelijke artikelen op te halen die de oude vrouw nodig zou hebben als ze tijdens de ramadan bij hen zou logeren; daarna moest hij naar de Khan Market, waar een kruidenier een bepaald merk haleemkruiden verkocht die meneer Ahmed erg lekker vond; en toen ze terugkwamen in Nizamuddin West, liet ze hem voor de islamitische boekwinkel op de markt wachten. Ze bleef lang binnen, sprak met het personeel en bekeek de boeken op de planken, en toen ze weer naar buiten kwam droeg ze een groot in papier ingepakt pakket dat ze afwerend in haar armen hield en dat hij niet van haar mocht overnemen, ook al had meneer Ahmed Humayun uitdrukkelijk verzocht om zijn vrouw geen zware dingen te laten dragen in haar toestand. Het was al drie uur in de middag toen Humayun en mevrouw Ahmed weer thuiskwamen. Mevrouw Ahmed wiste het zweet van haar voorhoofd met haar hoofddoek en verklaarde dat ze heel erg moe was. Humayun droeg de boodschappen naar binnen, dekte de auto af met een laken tegen het stof (die zou vandaag niet meer worden gebruikt) en wachtte tot hij zijn werkgeefster de trap op hoorde lopen voor een middagdutje. Toen hij achterom liep naar de keukendeur zag hij Aisha door het traliewerk op een kruk naast het fornuis zitten, waar ze aardappels schilde voor het avondeten. Ze had haar lievelingsjurk aan van gele chiffon en ze zag er zo jong en teer uit dat hij er opeens naar verlangde om haar in zijn armen te nemen. Hij duwde de deur open en zei: ‘Ik heb vandaag besloten dat we maar moeten gaan trouwen.’ Ze keek op. Naast het fornuis stond een kom waarin dal lagen te weken in wat water en op de marmeren vloer stond de pan waarin ze thee voor mevrouw Ahmed had gekookt, met het zeefje er nog in. ‘Trouwen?’ In het korte ogenblik voordat ze de hoofddoek over haar hoofd trok om haar gezicht te verbergen, schoten haar 101


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 102

ogen naar de zijne en hij schrok van de uitdrukking die erin lag. Doodsangst of blijdschap? Misschien allebei. Hij wist het niet. Het was stil in huis. In de verte klonken de geluiden van een rustige middag, iemand die een handkar voortduwde, het gepiep van een hek, mannen die elkaar toeriepen vanaf het dak. Mevrouw Ahmed lag boven te slapen; meneer Ahmed was naar de drukkerij en zou pas vanavond thuiskomen. Humayun pakte de schaal met aardappels uit Aisha’s handen en zette die op de vloer naast de pan. Daarna kwam hij dicht bij haar staan. Hij raakte haar schouders aan, de vingers van zijn rechterhand gleden langs het reliëf van haar ruggengraat omlaag, terwijl zijn andere hand omhoog bewoog en haar nek omvatte. Hij boog zijn gezicht naar haar toe, rook bakolie en zeep, en kuste haar lippen. Aanvankelijk verstijfde haar lichaam, waakzaam; toen ontspande het zich iets onder zijn aanraking. Hij meende dat hij een rilling door hen allebei heen voelde gaan en hij pakte haar bij de hand en trok haar achter zich aan door de hordeur die uitkwam op het steegje achter het huis. In deze ruimte, waar het donker en bedompt was, werd hij geacht te bidden. Er stond een opgerold matras, dat het echtpaar Ahmed daar had neergezet voor het geval hij ooit ’s avonds laat moest werken, maar zijn moeders huis lag zo dichtbij dat hij altijd naar huis ging. Hij deed de deur achter hen op slot, schoof het gebedskleed opzij dat mevrouw Ahmed voor hem had laten komen, rolde het matras uit en legde er een laken op. Toen trok hij Aisha op het bed en ineens gebeurde alles heel gehaast. Zijn handen die haar nog nooit hadden aangeraakt tastten onder haar shirt, bevoelden haar borsten en gleden naar de springerige haartjes tussen haar benen. Hij kon haar gezicht niet zien en even was het alsof hij het halfnaakte lichaam van Bharati Chaturvedi in het zonlicht voor zich op het bordes zag staan, terwijl zijn vingers háár lichaam betastten. Maar toen hij merkte dat Aisha’s vingers zich aan zijn rug vastklampten, werd hij overspoeld door tederheid en al snel trok hij aan de elastieken tailleband van haar salwar, hij drukte haar met zijn gewicht neer en schoof met zijn 102


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 103

knieën haar benen uiteen. Hij probeerde zich in haar te duwen, telkens weer, maar het lukte niet. Geërgerd bromde hij iets onverstaanbaars, en toen opeens, plotseling, was hij in haar, en volgden de spasmes van liefde en beschermingsdrang elkaar zo vlug en zo overweldigend op, dat het in een ogenblik voorbij was. Toen hij daarna met Aisha in het donker lag, hoorde Humayun in de verte de azan. Hij voelde haar trillen en werd zich bewust van haar warme, natte tranen in zijn nek. ‘Ik zal het vandaag nog tegen mevrouw Ahmed zeggen,’ zei hij en hij sloeg zijn arm om haar lijfje, dat naast het zijne zo dun en nietig aanvoelde. ‘En als ik vanavond thuiskom zal ik mijn moeder ook vertellen dat we gaan trouwen.’ Hij stond op en voelde zich opeens verlegen, maar ook vastberaden. ‘Je moet opschieten,’ zei hij, ‘straks vraagt mevrouw Ahmed naar je. Je komt nog te laat voor je werk bij de professor. Ik moet er meteen naartoe om de professor en...’ hij bleef steken. ‘De professor en zijn kinderen naar de bruiloft te brengen. Mevrouw Ahmed haalt je daar vanavond op.’ Hij knielde neer en pakte de doos met spullen die mevrouw Ahmed hem had gegeven. Hij haalde er een stuk Lifebuoy-zeep uit, nog in zijn ongeopende wit met rode jasje. Hij wees naar de deur, waarachter zich de wc, een kraan en een emmer bevonden. ‘Daar kun je je wassen,’ zei hij. ‘Ik kom na de bruiloft terug.’ Hij bracht zijn gezicht vlakbij het hare, kuste haar haren en stond op van het bed. ‘Zullen we drie kinderen nemen?’ vroeg hij bijna verlegen, terwijl hij met zijn gezicht halfverborgen in de schaduw de deur van het slot deed. ‘Twee jongens en een meisje, zou dat niet het mooiste zijn? Twee slimme jongens en één klein meisje, dat precies op haar moeder lijkt.’ Toen ze geen antwoord gaf, duwde hij de deur open en zei tegen haar: ‘Blijf in het huis van de professor wachten tot mevrouw Ahmed je daar ophaalt. Ik zie je straks als ik terugkom van de bruiloft.’

103


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 104

9 Bharati, die vroeg in de ochtend was geland op de internationale luchthaven Indira Gandhi, keek Humayun na toen die de straat uit liep en volgde daarna haar vader het huis in. Ze was blij dat ze Humayun deze extra verdienste had kunnen toespelen, ook al wist ze dat haar vader het onzin vond omdat hij een van de weinige inwoners van Delhi was die graag zelf reed in de stad. Maar het zou goed zijn om vanavond over een chauffeur te beschikken – dat maakte een chiquere indruk – en Humayun was nu eenmaal bijzonder. Hij was het enige kind van Raziya, de voormalige ayah van Bharati, een moslimweduwe uit de wijk die om de nabijgelegen soefitempel heen was gebouwd, die betelnoot kauwde en schreeuwerig gekleurde katoenen sari’s droeg en op een norse, achteloze manier dol was geweest op Bharati en haar tweelingbroer Ash. Vlak na hun tiende verjaardag ging ze in deeltijd voor hen werken – men zei dat ze voldoende geld had gespaard om een naaiatelier te openen vlak bij de tempel – en vanaf dat moment werd hun grootmoeder, de moeder van hun vader, verantwoordelijk voor hun opvoeding en zij was een veel extravertere vrouw, die dol was op het vertellen van oude verhalen en het ophalen van herinneringen aan hun vaders kindertijd. Bharati keek er niet naar uit om haar oma te zien, want zij had in de loop van verscheidene kostbare internationale telefoongesprekken duidelijk haar afkeuring laten blijken over Bharati’s onverschillige houding tegenover het huwelijk van haar tweelingbroer. Ze had gelijk, dat wist Bharati wel: je kon haar houding alleen al opmaken uit de inhoud van haar koffer, die Humayun 104


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 105

zojuist moeiteloos het bordes op had gesjouwd, want die bevatte als huwelijkscadeau geen Swarovski-kristal, geen voorspoed brengend beeldje van Ganesh, maar slechts een blauw gestreept keukenschort voor haar broer en het boek De vrouw als eunuch voor zijn echtgenote. Bharati had een taxi genomen vanaf de luchthaven en toen ze in stilte de nieuwe viaducten in aanbouw passeerden en tussen de andere taxi’s en autoriksja’s, die pas groen waren geverfd omdat ze tegenwoordig op aardgas reden, de zoet geurende, hectische binnenstad in kwamen, waar ze ruim een jaar niet meer was geweest, merkte ze dat ze dankzij de warme zweetwalm in de auto en de aanblik van de optrekkende nevel op straat, nu al haar Londense pantser aan het afwerpen was. Terwijl ze de geuren van de jasmijnstruik naast het pad en de kurkuma in de hal opsnoof en haar moeder in de ogen keek op de foto naast de trap, merkte ze dat ze de afweer die ze had opgebouwd gedurende haar recente zegetocht door de zonderlinge en merkwaardige beproevingen waaraan ze onderhevig was geweest op dat nietige eiland dat men Groot-Brittannië noemde, kwijtraakte. Bharati liep de trap op en ging op haar bed zitten, het smalle, harde kinderbedje met de okerkleurige sprei van bedrukt katoen en het platte, harde kussen. Ze had deze kamer verlaten als een onschuldig, beschermd opgegroeid meisje uit een gegoed milieu en was teruggekomen, vond ze, als een vrouw. Haar vader riep haar van beneden. Tot op dat moment was de familie – haar grootmoeder, broer en ook Sunita’s vader, moeder, grootouders, broer en zus, nichten en neven – woedend op haar geweest. Bharati had niet gereageerd op hun mails, telefoontjes, brieven, faxen. Ze hadden aangenomen dat ze thuis zou komen voor de zomer, maar ze was in Londen gebleven om aan haar masterscriptie te werken, ook al hoefde die pas volgend jaar gereed te zijn. Ze hadden haar universiteit bestookt met berichten, ze hadden brieven gestuurd naar de bibliotheek waar ze, dat was bekend, lange uren doorbracht in een van de afgeschotte ruimtes boven in het gebouw 105


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 106

(vanwaaruit je een dickensiaans uitzicht had over Londen en op de advocaten die zich voorthaastten over Chancery Lane). Maar Bharati, die helemaal opging in de Indiase dichtkunst – en met name in het schrijven over, het analyseren en begrijpen van de gedichten van haar moeder – was hen stug blijven negeren. Haar studiebegeleider had het eerste hoofdstuk van haar masterscriptie een ‘een uitnemend exposé van een bepaalde tijd en een bepaald milieu in de Indiase dichtkunst’ genoemd en Bharati had dit commentaar naar haar vader gemaild, die haar niet bepaald had aangemoedigd in de keuze van haar onderwerp, vond ze. Ze vroeg zich af of hij misschien jaloers was op het kleine, maar volmaakte oeuvre van zijn overleden vrouw en ze was van plan om hem te laten zien dat de gedichten die haar moeder had geschreven de ‘kwintessens vormden van de versomberende stemming in het India aan het einde van de jaren zeventig in de vorige eeuw: gepassioneerd, radicaal, gedesillusioneerd, spelend ten tijde van de breuk tussen de gouden tijden sinds de onafhankelijkheid van India – die zich vanaf 1947 tot in het oneindige hadden lijken te zullen uitstrekken – en de noodtoestand die in 1975 door Nehru’s dochter was uitgeroepen’. In Londen bewees Bharati dat ze zich kon losmaken, niet van haar Britse leeftijdsgenoten, maar van haar opvoeding en het leven dat ze in Delhi had achtergelaten. In Londen: Dronk ze Engels bier met acteurs in Hoxton; Nipte ze om vier uur aan een glaasje absint; Pijpte ze Jamaicaanse mannen; Snoof ze cocaïne van de buik van bereidwillige vriendjes; Rookte ze met anijs gekruide roze filtersigaretten; En leefde ze als de bohemienne die ze in feite was. Totdat Bharati uit Delhi vertrok, leidde ze het beschermde en dankbare bestaan van de begeerde, intelligente dochter van een van de belangrijkste denkers van de stad. Maar in Londen was ze een intellectuele Sirene, die rechtstreeks uit de Kamasutra was ge106


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 107

stapt. Ze haalde altijd goede cijfers en de lange, bleke Engelse studenten die dezelfde colleges volgden – die Spivak en Said lazen en die in bouwvallige flatjes woonden waar Euripides en Beckett rondslingerden – stonden in de rij om haar te kussen, te likken, enthousiast met haar het bed in te duiken en haar dan – telkens weer – mee naar huis te nemen om haar voor te stellen aan hun ouders onder het genot van een schaaltje mierzoete biscuitjes en een kopje lauwe thee zonder suiker. Bharati ontdekte tot haar genoegen dat ze in Londen heel erg in trek was. (Dat was toen ze haar werkgebied een beetje begon te verbreden en de mannen uitprobeerde die zich stilletjes en ongezien in de zee van bleke gezichten voortbewogen: de Colombianen die in de keukens werkten, de Nigerianen die recht op hun doel af gingen en de besten van allemaal: de Pakistanen.) Haar tweelingbroer Ash had zich daarentegen altijd keurig gedragen. Bharati was rebels van nature, maar Ash leek altijd de andere kant uit te gaan. Zelfs als vierjarig jongetje had hij al bezwaren gehad tegen hun vrije opvoeding; hun grootmoeder vertelde haar vaak en met graagte dat hij destijds had gevraagd of hij met Janmashtami naar de tempel mocht. Toen Bharati in de schoolbanken haar eerste vriendje kreeg, had hij haar apart genomen en gewezen op de vrouwelijke kuisheid. Hij was geschokt als zij op feestjes verscheen in een strakke, gescheurde spijkerbroek en een doorschijnend topje. Hij protesteerde tegen de luchthartige manier waarop ze opeens naar Londen was vertrokken zonder vooraf woonruimte te regelen of precies te weten welke colleges ze zou volgen en al evenmin hoelang ze weg zou blijven. In Londen praatte Bharati vaak met haar vriendjes over haar tweelingbroer. De Engelsen zeiden dan ernstig: ‘Plaatsvervangend schuldgevoel over de dood van je moeder. Hij bemoedert je.’ Maar daarvan was Bharati niet overtuigd. En de Franse vriendjes waren het er over algemeen niet mee eens: ‘La mort, qu’est-ce que c’est? C’est rien,’ zei er een die Jean-Claude heette. ‘Wat dacht je van armoede of eerverlies of wanhoop? Wat stelt daarbij vergeleken een ontbrekende ouder voor?’ Maar Bharati 107


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 108

hield vast aan haar mening over haar broer: ‘Hij is er nooit overheen gekomen,’ zei ze ingetogen. Ze zag haar broers gebrek aan belangstelling voor feesten, dansen en vriendinnetjes als een zeer langdurige rouw. Later mijmerde ze tegen een andere minnaar (misschien die uit Peshawar): ‘Ik bestudeer mijn moeders poëzie en drijf zo het verdriet uit. Mijn broer raakt door zijn wetenschappelijke werk steeds verder in zichzelf gekeerd.’ Het kwam aardig goed uit de verf in het Urdu. En de jongen onder haar stemde er hartgrondig mee in. Bharati, die over het algemeen niet goed overweg kon met vrouwen, had in Londen maar één vriendin gemaakt: een Engelse die Linda heette – een broodmager, jongensachtig meisje met sproeten, van amper één meter vijfenvijftig dat, al zag je het niet aan haar af, Bharati de hele tijd aan het lachen maakte met haar opmerkingen. Ze hadden elkaar bijna een jaar eerder voor het eerst gezien in het studentencafé. Bharati vierde er haar verjaardag met haar toenmalige vriendje, een Engelsman die Nigel heette. Hij bracht haar een serenade – hij zong ‘Happy Birthday’ – en vijf vrouwenstemmen aan een belendend tafeltje vielen in. Nigel en Bharati keken om. Zij bleek niet de enige jarige te zijn in het café. Er was er nog een: Linda. Ook al trakteerden Linda en Bharati elkaar die avond op drankjes, toch zouden ze waarschijnlijk geen vriendinnen zijn geworden als ze elkaar de week daarop niet weer waren tegengekomen. Het was een heldere wintermiddag en Bharati gaf Nigel net strijdvaardig de bons – hij was zo vermoeiend charmant – toen ze Linda in het oog kreeg die grijnzend, met een stapel boeken tegen haar borst gedrukt, tegen de muur leunde die de universiteit scheidde van de studentenvereniging. ‘Wat is er?’ wilde Bharati weten, die haar tirade halverwege afbrak. ‘Ik stond te denken,’ zei Linda, ‘dat er efficiëntere manieren zijn om dit te doen. Je zou hem bijvoorbeeld de straat op kunnen duwen. Als je geluk hebt, rijdt er iemand over hem heen.’ Bharati knikte en probeerde haar lachen in te houden. ‘Je hebt 108


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 109

gelijk.’ Ze wierp een blik op Linda’s haar – goudbruin, onhandelbaar, nooit geborsteld, zoals je dat aantreft op het hoofd van een zwerfkind op een spoorwegstation in India – en op haar zonverbrande huid. Ze droeg een nondescripte spijkerbroek en een wel heel saaie jas. Maar haar gezicht straalde. ‘Heb je zin in een kop thee?’ vroeg Linda. ‘Ja, goed,’ zei Bharati; ze liet een aangeslagen maar opgeluchte Nigel zittend op de stoep achter en volgde Linda naar het studentencafé. Afgezien van hun lengte hadden ze niet veel gemeen. Ze waren allebei opgevoed door een alleenstaande ouder – ook al zag zelfs Bharati wel in dat een attente vader, een aardige broer, een praktische oma, een fulltime kindermeisje, een fulltime kokkin, een parttime dienstmeisje en een tuinman voor de ochtenden, niet helemaal in dezelfde categorie ‘alleenstaande’ viel als een eenzame moeder in Brighton, die je de hele dag met Bijbelspreuken om de oren sloeg. Linda deed een eenjarige master in Zuid-Aziatische talen en cultuur. Waar haar belangstelling vandaan kwam zei ze niet, maar toen Bharati aandrong bekende ze dat haar moeder in haar jeugd naar India was gereisd en omdat ze te christelijk was geworden om haar dochter ook maar iets over haar ervaringen daar te vertellen, had Linda besloten om daar zelf achter komen. Die middag wisselden ze e-mailadressen uit. ‘Chaturvedi?’ zei Linda, kijkend naar de naam die Bharati in haar agenda had geschreven. ‘Op mijn boekenlijst staat een schrijver met die naam. Ved Vyasa Chaturvedi. Ik heb het boek nog niet gelezen, maar...’ ‘Dat is mijn vader!’ zei Bharati. ‘Je vader?’ herhaalde Linda. ‘Ja, precies.’ Bharati lachte om de stomverbaasde blik op Linda’s gezicht. ‘Zo raar is het toch niet om een geleerde vader te hebben?’ Aanvankelijk tot afgrijzen van Bharati, begon Linda in dat eerste jaar van hun vriendschap de boeken van Bharati’s vader te lezen. Uiteindelijk schreef ze haar masterscriptie over de ontwik109


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 110

keling van het schrift in India en haar studiebegeleider moedigde haar aan om de scriptie uit te breiden en erop te promoveren. Tot Bharati’s nog grotere verbazing dwaalden haar gedachten niet als vanzelf af naar aangenamere, spannender onderwerpen wanneer Linda over haar onderwerp praatte – zoals altijd het geval was wanneer haar vader over zijn werk sprak. Als Linda het over haar onderwerpen had – de overgang van orale naar geschreven cultuur, de opkomst van het boeddhisme en wat het betekende om iets op te schrijven in plaats van uit het hoofd te leren – klonk dat op de een of andere manier nauwer verwant met haar eigen onderzoek naar de dichtkunst en de verwoording van gedachten, dan Bharati zich ooit van Sanskriet, archeologie en oude teksten had kunnen voorstellen. Sanskriet, een gebied waarvan Bharati tot dan toe had aangenomen dat het werd bestreken door ernstige, bebrilde mannen – transnationale replica’s van haar vaders ernstige, bebrilde collega’s in Delhi –, scheen in Londen iets heel anders te zijn. Als haar vriendin opgewonden praatte over Westerse geleerden die Indiase heldendichten verkeerd hadden geïnterpreteerd, vroeg Bharati zich verwonderd af of ze haar vader al die jaren verkeerd had begrepen. Het kwam zelfs in haar op dat er in het instituut waar Linda haar doctoraal deed misschien wel een aardige, knappe wetenschapper werkte met wie zij, Bharati, het bed kon delen. In haar slaapkamer in Delhi dacht Bharati aan haar merkwaardige Engelse vriendin. Eigenlijk zou ze haar hebben moeten overhalen om mee naar Delhi te komen voor de bruiloft; het zou de situatie enorm ten goede komen als er een gast bij was die het huwelijksfeest grondig in de war zou sturen door de onvermijdelijke blunders die ze zou begaan. ‘Hoe kun je je in Indiase literatuur verdiepen als je er nog nooit bent geweest?’ had ze onlangs gevraagd. ‘Met boeken,’ had Linda geantwoord. ‘Wij zwemmen nu eenmaal niet in het geld, zoals jij.’ Mede dankzij het tactloze, maar prettige gezelschap van Linda had Bharati haar eerste herfst in Londen en het begin van de volgende overleefd. Want, zo be110


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 111

sefte ze en ze zette Linda uit haar hoofd, als er één ding was waarom ze blij was dat ze weer thuis in Delhi was, dan was het wel het weer. De herfst in Delhi was volmaakt, niet te warm en niet te koud. Haar vader riep haar vanuit de hal en toen Bharati naar beneden was gelopen, zag ze dat hij de tafel had gedekt met zijn lievelingskopjes en zijn dierbare Italiaanse espressopot. Op de plek waar Bharati altijd zat, lag een katern uit een van de dagbladen en op de voorpagina stond een foto. Een foto van Bharati’s moeder. Op zich was het niet ongewoon om haar moeders foto tegen te komen op het omslag van culturele tijdschriften. Vooral één foto gebruikten ze graag; die was genomen door een bevriende fotograaf uit Calcutta, die zich al jong had doodgedronken. Daar stond ze licht voorovergebogen op met haar hand onder haar kin en een bijna strenge uitdrukking op haar gezicht, haar lippen iets vaneen. Haar lange, donkere en steile haar omlijstte haar gezicht en nek. Deze foto hing bij Bharati aan de muur in Londen. Men zei vaak dat de glamoureuze Indiase jaren zeventig er optimaal in tot uitdrukking kwamen. Maar ze had nog nooit een artikel over haar moeder gezien in een dagblad. Daarom ging ze zitten, ze pakte de krant en las het artikel. Toen ze het uit had keerde ze terug naar het begin en bekeek de naam van de verslaggever – Pablo Fernandes; de naam had iets vertrouwds – en daarna nam ze het stuk nogmaals door, pauzerend bij en terugkerend naar bepaalde zinsneden, zoals ‘een stem uit het graf ’ en ‘een geheimzinnige mede-auteur of een malicieuze moderne fraudeur?’ Ten slotte duwde ze de krant van zich af. ‘Wat is dit, baba?’ Haar vader, wiens haar inmiddels egaal grijs was (hij droeg het lang, samengebonden in een paardenstaart, een dracht die ze pas sinds kort had leren waarderen), leunde naar achteren en strekte zijn armen boven zijn hoofd. ‘Iemand imiteert je moeders poëzie, dat is alles,’ zei hij. ‘Maar ik vond dat je het moest zien.’ ‘Waarom?’ vroeg ze. ‘Waarom zou iemand zoiets doen?’ Hij streek met zijn hand over zijn baard, een gebaar dat hij al111


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 112

leen maakte als hij van streek was. ‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Maar veel mensen waren verliefd op je moeder, en ook jaloers op haar.’ Bharati wees naar het gedeelte, links op de pagina, dat ontbrak en waar hij het gedicht uit had geknipt. ‘Het gedicht is weg,’ zei ze. ‘Waar is het? Mag ik het zien?’ Hij nam de krant van haar over en even viel er een stilte. ‘Dat heb ik vergeten,’ zei hij. ‘Ik heb het gearchiveerd. Het zal wel in mijn kamer op de universiteit liggen.’ ‘Maar ik schrijf een scriptie over haar poëzie. Ik moet het zien!’ Bharati’s vader schonk rustig een kopje koffie voor haar in. ‘Ik zal het morgen voor je meenemen,’ zei hij en hij overhandigde haar het kopje. ‘Denk je toch eens in, jij bestudeert je moeders poëzie en Ash trouwt met de dochter van een man die mijn politieke opvattingen verafschuwt. In zekere zin is je broer de rebel van de familie. Maar omdat het Ash is, doet hij het met een minimum aan ophef, zonder iemand tegen de schenen te schoppen.’ Bharati merkte dat ze een kleur kreeg van woede; ze had het zo fijn gevonden om weer bij haar vader te zijn, waarom deed hij nu zo oneerbiedig over haar werk? Ze hoorde de deur van Ash’ slaapkamer dichtslaan en hem de badkamer in lopen. ‘Baba,’ zei ze opeens vlug pratend, zoals hij dat ook kon. ‘Even over het huwelijk van Ash. Ik vind het allemaal zo verwarrend, waarom heb je het niet geprobeerd tegen te houden?’ Het had haar altijd gefrustreerd dat haar tweelingbroer geen seksleven scheen te hebben, dat hij een verbijsterende desinteresse toonde voor alle verrukkelijke meisjes die ze zijn richting op had gestuurd op de middelbare school; en haar vermoeden was gegroeid dat hij seksueel anders was. Maar ze hadden er nooit over gesproken. Ze praatte heel open over van alles en nog wat met haar vrienden, maar met haar tweelingbroer was dat anders. Ze had voorzichtig om de hete brij heen gedraaid, alsof ze onheil over hem zou afroepen als zij het onderwerp seks zou aansnijden. En daarom, besloot Bharati dramatisch voor zichzelf, zou 112


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 113

het geheel en al aan haar te wijten zijn als Ash een ongelukkig huwelijk kreeg. ‘Tegen te houden?’ haar vader schudde zijn hoofd. ‘Ze is een goed meisje. Ze komt alleen uit een ander soort gezin, dat is alles.’ ‘Ik snap het niet,’ zei ze resoluut. ‘Haar vader is een hindoefascist.’ ‘Ash en zij hebben voor elkaar gekozen. Het heeft niets te maken met mij of jou of meneer Sharma. Ze zal heus wel wat ruimdenkender worden. Ze zal hem gelukkig maken.’ Bharati schudde haar hoofd. ‘Het klopt gewoon niet.’ Bharati had Sunita één keer gezien, vlak voordat ze naar Londen vertrok, en dat was nog voordat Sunita en Ash verkering hadden gekregen. Sunita was bijna helemaal in het roze gekleed geweest. Ze had een dikke laag make-up op, een tint lichter dan de huid van haar handen, keurig aangebrachte lippenstift en zorgvuldig gelakte nagels. Ze had Bharati, ongelooflijk maar waar, een beeldje van de god Ganesh cadeau gedaan, gemaakt van plastic dat op een bepaald moment tijdens zijn vervaardiging overvloedig was besprenkeld met glitterstof. Bharati had ernaar gekeken en had haar opborrelende lach met geweld moeten onderdrukken. ‘Om je geluk te brengen in Londen,’ zei Sunita. Daarna had Sunita geïnformeerd naar de stad, hoe het er was. Ze scheen een detectiveroman te hebben gelezen die in Noord-Londen speelde en ze legde Bharati tot in detail uit hoe de man zijn vrouwelijke verkrachtingsslachtoffers had vermoord met een broodmes. Hij sneed ze open, zei ze huiverend. Tijdens het gesprek had Bharati een blik geworpen op Ash en haar wenkbrauw opgetrokken. Maar Ash leek die dag nogal afgeleid en op een zeker moment had hij gehaast vanuit het niets en tot in de kleinste bijzonderheden verslag gedaan van een van zijn wetenschappelijke experimenten. Naderhand vroeg Bharati aan hem: ‘Heb je Sunita’s ouders al ontmoet?’ ‘Ja,’ beaamde Ash. ‘Haar vader was heel voorkomend en aardig voor me.’ En het volgende moment, zo ervoer Bharati het, trad haar broer met deze vrouw in het huwelijk. Er klonken rennende voetstappen op de trap en eindelijk 113


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 114

stond Ash slaperig in zijn pyjama voor haar; zijn haar stond overeind, hij tuurde bijziend door zijn brillenglazen en keek haar lachend, met zijn hoofd schuin aan. ‘O, Ash,’ zei ze, en ze besefte dat ze eerder naar huis had moeten komen en zich niet zo in beslag had mogen laten nemen door haar Londense leventje. Ze dacht aan haar lange lijst van vriendjes en aan alle dingen die ze had gezegd, gedacht en gedaan. Ze omhelsde haar broer en probeerde haar tranen weg te slikken. Opeens werd ze overspoeld door emoties: haar moeders foto in de krant, haar vader die haar een standje gaf en vooral het huwelijk van haar tweelingbroer, die belangrijke gebeurtenis waar ze zo laatdunkend over had gedaan dat ze pas op de dag zelf met het vliegtuig was aangekomen. Ash streek over haar haren. ‘Wat scheelt onze moedige ontdekkingsreizigster?’ Bharati lachte. ‘Ik zal je missen als je getrouwd bent.’ ‘Zal je mij missen? Ik ga toch nergens heen? Jij bent degene die weggaat.’ Hij liet haar los en ging aan tafel zitten. Nadat haar vader zijn koffie op had en naar zijn bibliotheek boven was gegaan, bleef Bharati een poosje naar haar broer kijken. Straks zou hij getrouwd zijn en behoorden deze intieme ogenblikken tot het verleden. Ze beloofde in stilte dat ze zich die avond netjes zou gedragen. Dat ze altijd aardig tegen Sunita zou zijn. Dat ze haar best zou doen. ’s Middags kleedde Bharati zich volgens haar oma’s instructies mooi aan. Om dit aan te kunnen dronk ze nog drie koppen koffie van haar vader – hij zette altijd veel te sterke koffie – en tegen de klok van vijf, het tijdstip van hun vertrek, was ze hyperactief door de cafeïne die er in haar bloedbaan was vrijgekomen. Toen ze het huis uit kwam met haar grootmoeder, mevrouw Nalini Chaturvedi, aan haar arm, stond Humayun al in de tuin te wachten. Ze wist dat haar uiterlijk sinds ze elkaar die ochtend hadden gezien radicaal in haar voordeel was veranderd. In een groene zijden sari, met een luchtig kort kapsel dat haar nek mooi vrijliet, haar 114


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 115

moeders armband en dikke gouden ketting die vóór haar nog van háár moeder waren geweest, meende ze eruit te zien als een filmsterretje uit Bombay. Ze had zich uit eigen wil getransformeerd met behulp van shampoo en crèmes, kohl en goud, dankzij de istriwallah die de sari had gestreken en dankzij Ash, die eigenhandig de sieraden uit haar moeders collectie had gekozen. Uiteindelijk hadden ze besloten slechts één gouden filigrain armband om te doen en de halsketting die er in de ogen van Bharati uitzag als iets wat een krijger die ten strijde trok zou hebben gedragen. Het goud stak mooi af tegen de groene zijden sari. Maar haar vaders koffie had haar totaal uit haar evenwicht gebracht. Ze voelde een krachtige behoefte om met iemand het bed in te duiken om het overschot aan energie uit haar lijf te verdrijven. Bharati keek vanaf het bordes neer op Humayun, die daar met al het geduld van een feodale bediende stond te wachten; maar wacht eens, nee, ze corrigeerde zichzelf. Hij had iets stevigs en welgevormds, wat ongebruikelijk was voor iemand uit de doorgaans broodmagere bediendenkaste. Ze glimlachte naar hem en voelde het effect van haar krachtig benadrukte en opgepoetste schoonheid aan de verbijsterde blik die hij haar toewierp. Naast haar verstevigde Bharati’s gezette grootmoeder – die te veel zoetigheid at, een zachtgroene sari droeg en wier lange grijze haren in een strakke knot op haar achterhoofd waren vastgemaakt – haar greep om Bharati’s arm. Haar vader en broer kwamen het huis uit en Bharati klemde haar met lovertjes bezette tasje in haar hand met de armband erboven; in stilte hopend op een snelle huwelijksvoltrekking hielp ze haar oma de treden af. De moeder van haar vader had te kennen gegeven dat grootmoeder en kleindochter naast elkaar dienden te staan op de trouwerij om de gasten te begroeten en dat ze zich waardig moesten gedragen. Niettemin hoopte Bharati vurig dat zij er niet al te lang getuige van hoefde te zijn hoe haar broer ongemakkelijk tussen zijn verfoeilijke schoonfamilie in zat, en niet al te veel geklets zou hoeven aanhoren over het postume gedicht van haar moeder. 115


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 116

‘Vanavond komen er een heleboel mensen die we niet kennen,’ hoorde Bharati haar oma zeggen, ‘maar morgen zullen al je nichten en neven uit Bombay er zijn voor de huwelijkslunch. Inclusief de dochter van Indrani, die van jouw leeftijd is en al een zoontje heeft.’ ‘Wat zit er in uw boodschappentas?’ wilde Bharati weten, omdat haar oma een aan de bovenkant strak dichtgebonden plastic tas bij zich had, die bol stond van allerlei doosjes, terwijl Humayun intussen het autoportier openhield,. ‘Mijn pillen,’ zei haar grootmoeder en ze repliceerde een beetje scherp: ‘Wat heb je om je arm hangen?’ Bharati, die aan de andere kant was ingestapt om in het midden te gaan zitten, keek verbaasd naar beneden. ‘Dat is mijn moeders armband,’ zei ze en ze trachtte niet gekwetst te klinken. ‘O,’ zei haar grootmoeder en ze perste haar lippen op elkaar. Als er iets was waar Bharati een hekel aan had bij haar lieve, schattige oma, dan was het wel de toon waarop ze over haar moeder praatte. Gewoonlijk vermeed de oude vrouw het onderwerp, maar nu en dan, heel zelden, maakte ze een opmerking, en dan was het alsof er een sluier werd weggerukt, zodat de lachende, vrolijke jonge vrouw van de zwart-witfoto’s werd verjaagd en Bharati gedwongen werd om in plaats daarvan te kijken naar de naakte figuur van haar lieftallige, weerloze moeder, die zich niet kon verdedigen tegen de kwetsende beschuldigingen die haar naar het hoofd werden geslingerd: frivool was er een van; onbezonnen was een andere, en het woord dat Bharati nog het diepst trof, dat haar soms deed twijfelen aan haar eigen gedrag, zelfs als ze ver weg in Londen zat, was flirt. Was haar moeder een flirt geweest, zelfs nog tijdens haar huwelijk met haar vader? Ze had het nooit durven vragen en ze had er niet met Ash over willen praten uit angst dat hij van streek zou raken. Ze herhaalde deze woorden almaar in haar hoofd en het enige wat dat aanwakkerde, was een wanhopig, vruchteloos verlangen om die koppige jonge vrouw er zelf naar te vragen, de vrouw die haar tweeëntwintig jaar geleden het leven had geschonken om meteen erna – Ash en zij hadden 116


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 117

nog maar net hun ogen geopend en de wereld in gekeken – voorgoed uit hun leven te verdwijnen. Bharati draaide de armband langzaam om haar pols, terwijl Humayun hen voorzichtig door de straten van Delhi manoeuvreerde. Ash zat voorin en staarde strak door de voorruit naar buiten. Bharati had altijd gevonden dat ze op elkaar leken, haar tweelingbroer en zij, behalve dan dat zij haar moeders elegantie en houding had geërfd en hij haar ronde gezicht, kuiltjes en lichte huidskleur; en wat haar beeldschoon maakte, gaf hem een ontwapenend onhandige uitstraling. Op de een of andere manier zag je al aan zijn uiterlijk dat hij wetenschapper was. Althans, dat zei hun grootmoeder; zij vertelde graag dat hij het evenbeeld was van haar beroemde voorvader die een mathematisch vraagstuk had weten op te lossen en daarmee heel Brits-India versteld had doen staan. Wat Bharati’s langgerekte ogen betrof, haar donkere huid en zwierige haren, die schreef haar oma met enige voldoening toe aan een tante die met haar schoonheid elke beschikbare man in Benares had behekst. ‘Daar stammen in ieder geval je ogen en je haar vanaf, liefje,’ zei haar grootmoeder steevast; en Bharati had al vaak gedacht, en dat vertelde ze ook met smaak aan haar lelieblanke minnaars in Londen, dat als ze in een minder liberale familie was geboren, haar donker getinte huid een probleem zou zijn geweest. Echt? vroegen ze dan altijd licht geschokt, maar misschien ook wel een beetje aangenaam geprikkeld door deze uitheemse barbarij. Toen ze het einde van Lohdi Road bereikten, maakte Bharati haar tasje open en voelde even naar het in folie verpakte condoom dat ze had meegebracht uit Londen. ‘Ongelooflijk hè, dat Humayun een paar jaar geleden nog maar een jongetje was?’ zei ze op een bepaald moment hardop in het Engels (omdat ze wist dat hij dat niet verstond). Maar niemand ging erop in, en het was de enige opmerking die er werd geplaatst tussen Nizamuddin en de Vliegeniersclub. Omdat de familie geen bandje had ingehuurd, geen wit paard en geen ontvangstcomité, zag Ash er in zijn nieuwe, donkere pak 117


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 118

met een enkele rij knopen en met zijn rommelige rechtopstaande haarpieken precies zo uit als een van de talloze gasten die voor de ingang van het bruiloftsterrein ronddrentelden. Maar Sunita’s familie wachtte hem op en er begon een shehnai te spelen zodra hij aankwam bij de met bloemen versierde toegangspoort. Hij werd bij de arm genomen en omstuwd door schel pratende familieleden die Bharati niet kende, en ze keek hem na toen hij de tuin in werd geleid in de richting van het podium waar zijn toekomstige vrouw naar hem toe zou worden gebracht, ongetwijfeld schitterend gekleed als een apsara in een wolk van goud en zijde. Bharati had altijd al een hekel gehad aan bruiloften: de strakke sociale voorschriften en hun extravagantie ergerden haar, en zeker bij deze gelegenheid waren het geschitter van goud, de overvloedige hoeveelheid eten, de zijden stoffen, de dik bepoederde vrouwen van de familie van de bruid wel heel rijkelijk vertegenwoordigd. Ze vond het ongelooflijk dat Ash zich zo aan de traditie kon aanpassen. Het was nog geen zes uur, maar het werd al donker. Bharati en haar grootmoeder volgden Ash langzaam over het gazon, dat werd verlicht door snoeren met feestverlichting, maar vooral door de constant bewegende flitslamp van het hulpje van de fotograaf, naar het podium waar de familie van de bruid wachtte. Haar grootmoeder gaf Bharati een harde por: glimlachen. De beide families zouden samen op de foto gaan in één groot spektakel van sari’s en bungelende sieraden. Vanaf het podium keek Bharati uit over het gedrang van de in zijde geklede gasten. Aan allebei de kanten van de tuin waren wit gedekte tafels geplaatst. Hier en daar stonden er banken en stoelen. Haar blik gleed oplettend over de gasten, maar ze zag er maar heel weinig die ze kende. Zoals haar grootmoeder al had gezegd zouden de neven en nichten, de tantes, de schoolvrienden en de leraren allemaal morgen pas komen voor de lunch. Om haar heen riep de familie van de bruid dat ze moesten blijven stilstaan voor de fotograaf en Bharati wierp een geringschattende blik op het groepje in hun glimmende sari’s en hun gesteven sherwani’s. 118


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 119

Ze zagen er allemaal monsterlijk uit en ze boog zich voorover om dit in haar grootmoeders oor te fluisteren. Drie plaatsen verder stond een magere vrouw van haar vaders leeftijd, gekleed in een saffraangele zijden sari. Ze viel Bharati op door haar kapsel: haar haar was uitdagend kort geknipt, zoals Bharati het nu zelf ook droeg. Geen enkele andere vrouw op de bruiloft droeg het haar zo kort. Ze keken elkaar even nieuwsgierig aan; de vrouw had iets vertrouwds. Het volgende ogenblik was de vrouw tot Bharati’s verbijstering flauwgevallen, tegen degene aan die voor haar stond. Bharati kon haar lachen niet inhouden. Er ontstond meteen wat haar grootmoeder een hullabaloo zou noemen. Verscheidene vrouwen gilden. De poserende familie schoot alle kanten op. De vader van de bruid schreeuwde met zijn tulband scheefgezakt op zijn hoofd bevelen om de flauwgevallen vrouw weg te dragen. ‘Draag haar de tuin uit, weg, nu meteen!’ ‘Zal ik even iets te drinken voor ons halen?’ stelde Bharati voor aan haar grootmoeder en vader, en daalde het podium af zonder hun antwoord af te wachten. Ze liep tussen de menigte door en voelde zich koninklijk en ongerijmd in haar sari van gesteven gladde zijde. Bij de drankentafel bleek dat er geen alcohol werd geschonken op de bruiloft – de vader van de bruid was te vroom om alcohol toe te staan – maar ze ging toch maar in de rij staan voor een numbu pani, tussen een vrouw die zulke strakke armbanden droeg dat haar vlees eroverheen puilde en een magere oude man in, die een sjaal om zijn knokige schouders had geslagen. ‘Hallo,’ zei een stem achter haar en toen ze omkeek zag Bharati een heel lange jongeman staan met krullend haar. Ze voelde een prikkeling door zich heen trekken, fronste haar wenkbrauwen en probeerde zich te herinneren waar ze hem van kende. ‘Ik geloof dat ik jou ergens van ken,’ zei ze. ‘Klopt dat?’

119


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 120

10 Gedurende de eerste ogenblikken had Hari niet in de gaten dat het Leela was die was flauwgevallen. Sinds ze op de bruiloft waren aangekomen, werd hij zo in beslag genomen door alles wat er gebeurde dat hij amper aan haar had gedacht. Tijdens de korte wandeling over het grasveld naar het podium had hij een politicus uit zijn geboortestad zien staan, de staatssecretaris van Handel en de man uit Kanpur die een buitengewoon lucratieve transactie had gesloten met de verkoop van software aan de Amerikanen (een en ander had te maken met de verschillende tijdzones). Uiteraard waren deze ontmoetingen voor Hari Sharma niet belangrijk in materiĂŤle zin: hij had de tijd waarin hij moest lobbyen voor contracten, achteloos steekpenningen over bureaus schoof en onderknuppels van ministers trakteerde op drank en meisjes, achter zich gelaten. Maar ook al behoorde het niet meer tot zijn werk om ambtenaren te bewerken en politici te bepraten, ondanks het feit dat hij tegenwoordig zijn mensen had om dergelijke hielenlikkerij aan over te laten, toch voelde hij, toen hij de verzamelde gasten in ogenschouw nam die voor het huwelijk van zijn nichtje waren gekomen, met enige tegenzin een soort van bewondering voor zijn broer. Het was een belangrijke maatschappelijke verworvenheid dat hij een dergelijke verzameling machtige bondgenoten bijeen had gebracht, niet alleen ambtenaren en politici, maar ook journalisten, zakenlieden en vooraanstaande advocaten. Hari dacht aan wat zijn neef gisteravond had gezegd over de politieke ambities van Shiva Prasad, en het medeleven dat hij 120


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 121

toen had gevoeld voor het falen van zijn broer maakte plaats voor een even neerslachtig gevoel afgesneden te zijn van zijn broers gedachten, gevoelens en ambities. Hari had zijn broer gemist in de jaren dat ze ruzie hadden en het was uitsluitend te danken aan zijn eigen koppigheid dat hij niet had toegegeven en had vastgehouden aan zijn investering in de krant. Daarom had Hari de vorige avond bij hun hereniging omhelzingen verwacht en had hij niet raar opgekeken als hijzelf in huilen was uitgebarsten, met zijn vuist op zijn borst had gestompt en om vergeving had gesmeekt (even daargelaten dat hijzelf degene was die vergiffenis zou hebben moeten schenken). Het was raar en schokkend dat er geen ruimte was voor zo’n drama. Shiva Prasad eigenlijk niet gedaan wat er van hem werd verwacht. Het was net of dat wat hen verbond – hun bloedverwantschap, die ooit zo stevig en onwrikbaar had geschenen als een pipal-boom en even instinctief als pijn – in het niets was opgelost, en als Hari nu naar zijn broer keek zag hij niet meer de autoriteit uit zijn jeugd voor wie hij ontzag voelde, maar slechts een banale oude man die door de tuin schreed, op kruiperige wijze mensen begroette en zich voortdurend gedroeg alsof hij in het middelpunt van de belangstelling stond. Toen ze op het podium stonden voor de foto’s, was Hari blij om te zien dat het gebruikelijke contingent van neven, nichten en kennissen uit de geboortestreek niet op het huwelijk was ontboden. Hun oude tante was er, de jongste zus van Pita-ji, een vrouw die net als haar vader haar hele leven voor de klas had gestaan, nooit smeergeld had betaald of aangenomen, nooit promotie had gemaakt en jaar in jaar uit minstens tien leerlingen had klaargestoomd voor de universiteit. De jongeman in het zachtpaarse, Westerse kostuum was de zoon van Hari’s mooiste nicht, die het onverwacht voor de wind was gegaan nadat ze met een academicus uit Bombay was getrouwd die verder iedereen faltu, waardeloos, vond totdat hij opeens in effecten en aandelen was gaan handelen en een jaar later een huis in Bandra had gekocht. En het oude mannetje dat geheel in het wit gekleed ging, herinnerde Ha121


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 122

ri zich met een rilling (na enige ogenblikken naar hem te hebben gekeken zonder hem te kunnen plaatsen), was de eigenaar van een kledingzaak in Amarkantak, die ook het fundamentalistische opleidingskamp van de rss in de stad leidde (waar Shiva Prasad zijn jongere broer tevergeefs mee naartoe had willen nemen in het uur voordat de school begon). Het moet wel een heerlijk gevoel zijn, dacht Hari toen hij uitkeek over de bruiloftsgasten, om hier in Delhi te kunnen staan en op deze manier, in zo’n grootse stijl, je dochter weg te geven aan zo’n eerbiedwaardige familie. Even welde er een snik in hem op bij de gedachte dat hij dit nooit zou kunnen doen, dat hijzelf nooit een dochter zou hebben met lotusvormige ogen om weg te geven aan een of andere gelukkige krachtpatser. Hij dacht aan de twee mooie dochters van zijn broer, Urvashi en Sunita, en weer vroeg hij zich af, zoals hij al zo vaak had gedaan: hoe heeft Shiva Prasad dat kunnen doen? Je jongere broer verstoten vanwege een zakelijke transactie die je afkeurde, nou ja, dat was een staaltje van halsstarrigheid dat nog te begrijpen viel. Maar het kind verstoten dat je had verwekt, omdat zij haar eigen man had gekozen – wat was dat voor een dwaas, heetgebakerd gedrag? Met als enige reden dat de man van wie je dochter hield moslim was. Hij keek om zich heen. Waar was Urvashi eigenlijk? Hij boog zich voor zijn vrouw langs naar zijn tante. ‘Waar is mijn nicht Urvashi?’ Hari’s tante vertrok haar gezicht in een grimas. ‘Ze is niet uitgenodigd.’ ‘Wat? Omdat ze...?’ ‘Ja, daarom.’ De oude dame klemde haar lippen opeen. Voor het eerst sinds Hari naar Delhi was teruggekeerd, walgde hij van zijn broers ideologie. Hij had altijd een zwak gehad voor zijn nichtje Urvashi. In haar eerste levensjaren was hij steeds als hij in Delhi was bij het gezin op bezoek gegaan en hij vond haar een open, lief kind dat het woordje oom – chacha – zo schattig lispelde, dat het hem deed smelten. Ze was veel minder terughoudend dan haar broertje Ram als klein jongetje was ge122


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 123

weest, ze mat zich ook niet zo’n formele en afstandelijke houding aan als haar jongere zus Sunita en ze was knapper en bevalliger dan haar moeder. Dat wist Hari’s broer, hij was duidelijk verzot op zijn eerstgeborene. ‘Er is niets in het leven wat meer vreugde schenkt,’ had hij Hari ’s avonds laat eens toevertrouwd voordat ze niet meer met elkaar spraken. En Hari had geknikt, nooit had hij vermoed dat deze vreugde hem in zijn eigen leven zou worden onthouden. Wat dom van zijn broer om dit mooiste deel van hemzelf te verstoten in naam van het geloof. Hari dacht aan de bruiloft die hijzelf voor een dochter zou hebben kunnen aanrichten, aan de emmers met geld die hij aan die gelegenheid zou hebben kunnen spenderen, aan de forten in Rajasthan die hij zonder enige aarzeling zou hebben afgehuurd, de olifanten die hij zou hebben laten komen om de gasten op te laten rijden, de filmsterren die hij uit Bombay zou hebben laten invliegen om te dansen op het feest, de chefkoks die hij voor de receptie zou hebben ingehuurd, de mode-ontwerpers die hij zou hebben verzocht zijn dochter te kleden als een nimf uit de epische vertellingen, de sieraden die hij voor haar zou hebben uitgezocht. Hij wierp een enigszins verlegen blik op Ram. Daar stond de man die weldra zijn levensgezel zou moeten kiezen uit de vele kandidaten die hem ter beschikking stonden. Zou hij, Hari, als zijn nieuwe vader, een rol hebben bij het kiezen van de bruid? En deze keer sloegen Hari’s ogen de mannen van middelbare leeftijd in pak over en zochten ze in plaats daarvan tussen de vele huwbare schoonheden naar een ideale metgezellin voor Ram. Huwelijksfeesten waren de ideale plek om een bruid te vinden. Als Ram vanavond wilde beginnen met zoeken, dan zou Hari in eigen persoon verdere inlichtingen inwinnen en Leela zou de doorslaggevende stem hebben met haar onfeilbare gevoel voor deugdzaamheid – en voor het jaar voorbij was zouden de heer en mevrouw Sharma in New York een reusachtig bruiloftsfeest aanrichten voor hun adoptiefzoon, iets ontstellend luisterrijks, in een van de musea wellicht, Leela zou wel weten wat momenteel 123


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 124

het stijlvolst was. Hari zuchtte in zichzelf toen hij een zaal gevuld met vooraanstaande New Yorkers voor zich zag en obers die rondcirkelden met dienbladen vol champagneflûtes, garnalenspiesjes en met kaviaar gevulde pasteibakjes. Ze konden het dakterras van de Met huren, om middernacht vuurwerk afsteken, een popster uit Karachi laten invliegen om de Amerikanen de ware betekenis van open-minded te laten zien. ‘Namaskar, Leela, hoe gaat het met je?’ vroeg iemand ter linkerzijde van Hari. Hij keek opzij langs de rij met gasten die stonden opgesteld voor de foto en zag tot zijn verrassing dat de vrouw die zijn echtgenote zo hartelijk had begroet niemand minder was dan de moeder van professor Chaturvedi. Hij geloofde zijn ogen niet. Kende Leela de familie Chaturvedi? Daar had ze nooit met een woord over gerept. Hoe was het dan mogelijk dat... Voordat Hari die gedachte kon voltooien, wendde de professor, die naast zijn moeder stond, zich gracieus tot Leela en zei op vertrouwelijke toon, alsof hij haar kende: ‘Welkom terug in Delhi, Leela.’ Ontsteld wierp Hari een blik op zijn vrouw. Ze had niets teruggezegd na de begroeting van de Chaturvedi’s, maar knikte hen beleefd toe alsof er niets aan de hand was en deze vertrouwelijkheid volkomen normaal en te verwachten was. Hari was totaal van slag. Wat was er aan de hand? Waarvan kende zij de familie Chaturvedi? ‘Hebben jullie elkaar ontmoet bij de lezing in New York?’ fluisterde hij in haar oor, maar ze schudde haar hoofd. ‘Hoe dan?’ drong hij aan. Ze weigerde te antwoorden en staarde strak voor zich uit, en hij was niet alleen verwonderd maar zelfs verbijsterd over de gesloten, ondoorgrondelijke vrouw die hij had gehuwd. Waarom hield ze hem toch altijd zo op afstand? Juist op dat ogenblik gebeurden er twee dingen. Er ging een opgewonden gemurmel door de mensen die zich verzameld hadden op het podium – de bruid werd eindelijk door de tuin naar haar bruidegom gebracht – en een jonge vrouw in een groene sa124


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 125

ri, die vlak achter de professor en zijn moeder stond, maakte fluisterend een ironische opmerking tegen het tweetal, waardoor Leela met een ruk haar hoofd naar haar toe wendde. Hari keek ook opzij en nam het meisje op. Hij zag meteen dat ze volkomen ongeschikt was voor Ram, met haar cynische uitdrukking en wel erg nauwsluitende choli. Ram had een eenvoudig, liefhebbend en ongekunsteld meisje nodig. Maar hij werd afgeleid door zijn tante aan zijn andere kant, die aan zijn mouw trok. Hari boog zijn hoofd naar haar toe, merkte wrang op dat zij de enige in het gezelschap was die katoen droeg, en informeerde hoffelijk naar haar gezondheid en die van haar zoons, voordat hij inging op haar vragen hoe het precies was om al die jaren buiten India te wonen, waarom ze nu pas terugkeerden en waar ze woonden in Delhi. ‘Arre,’ kreet zijn tante opeens en Hari hield op met praten. Er ontstond beroering in het gezelschap. Mannen riepen dingen, vrouwen klakten met hun tong, er scheen iemand te zijn flauwgevallen. En toen Hari zich tot Leela wilde wenden, zag hij tot zijn afgrijzen dat ze er niet meer stond. Dat zij degene was die was flauwgevallen en zo stil als een wolkje dat aan de hemel voorbijtrekt tegen de vrouw die voor haar stond aan was gevallen en op een haar na de bruid had gemist. Helaas was ze precies op het moment bezweken dat de fotograaf had afgedrukt, vertelde Ram naderhand, vlak nadat de bruid eindelijk op het podium was neergezet en alle ogen in de tuin op hen waren gericht. Zodoende was ze flauwgevallen ten overstaan van Hari’s hele familie, om nog maar te zwijgen van de verzamelde kopstukken uit de society van Delhi en natuurlijk de familie Chaturvedi. Hari liep gauw naar haar toe, knielde ongerust naast haar neer en riep om een glas water. Zijn eerste paniekerige gedachte was dat het door hem kwam: had zijn koelheid haar zoveel pijn gedaan? Had hij een enorme fout begaan door haar mee terug te nemen naar India? Maar de zaak werd hem algauw uit handen genomen. Overal 125


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 126

klonken stemmen: van zijn broer, die om assistentie riep, een kreun toen drie mannen Leela van het podium af tilden; de gil die hij slaakte toen hij achter hen aan rende door de tuin; de harde stem in zijn oor van iemand die hem opdroeg zijn chauffeur te waarschuwen. En voordat hij tijd had om te protesteren dat ze vast wel bij zou trekken, dat hij liever de rest van de avond op het feest wilde blijven en dat er geen reden voor bezorgdheid was, reed de grote witte auto die hij voor haar had gekocht de inrit al op. Ze werden erin gestopt, de portieren werden achter hen dichtgeslagen en de chauffeur reed de laan uit in de richting van de stad. Hari, voorin, keek stug weg van Leela, die languit op de achterbank lag; hij voelde een ongewone achterdocht in zich opkomen, die zich voegde bij zijn gebruikelijke, onvoorwaardelijke liefde voor haar.

126


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 127

11 Toen Linda veertien jaar was, had ze een krantenwijk in Brighton. Op haar vijftiende stond ze de hele maand augustus in een friettent. Op haar zestiende was ze serveerster in een strandpaviljoen dat alleen ’s zomers open was en uitsluitend thee met gebak serveerde. Op haar zeventiende kreeg ze een baantje in een kledingzaak. Gedurende haar achttiende jaar runde ze in Hove een bestelbus waar je biologische hamburgers kon kopen (een plaatselijke jeugdbende sneed de banden stuk en bewerkte de ruiten met graffiti), en met negentien was ze cheffin van een betrekkelijk rustige kantoorboekhandel. Dus was ze op haar tweeëntwintigste meer dan vertrouwd met werk dat slecht werd betaald, geen intellectuele uitdaging vormde en veel van je sociale vaardigheden vergde. Maar toen Linda dat onlangs aan Bharati, haar Indiase vriendin, probeerde duidelijk te maken, schudde die haar hoofd. ‘Je krijgt een volledige beurs voor je doctoraal,’ zei ze. ‘Waar heb je het extra geld voor nodig?’ ‘Ik moet sparen,’ zei Linda. ‘Die beurs is niet genoeg als ik...’ ‘Je kunt op zaterdag ook naar exposities gaan of naar de schouwburg.’ Linda nam een slok bier. Het was een koude avond en ze zaten in het café van de studentenvereniging. De barman zou al spoedig roepen ‘het is tijd’ en Bharati zou in haar glitter-T-shirt en superstrakke jeans doorlopen naar een of andere club – en Linda zou teruggaan naar haar kamer in de sjofele studentenflat die ze haar thuis noemde. Ze wist dat het zinloos was om uit te leggen 127


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 128

dat het onwerkelijk scheen om geld te ontvangen van de overheid voor iets wat ze zo graag deed en dat ze er een rotbaantje naast moest hebben om de zaken in evenwicht te houden, omdat ze anders diep in haar binnenste in paniek zou raken. ‘Ik vind het een leuk café,’ zei ze uiteindelijk, ‘het heeft...’ ‘Wat?’ onderbrak Bharati haar. ‘Wat trekt jou er precies in aan?’ ‘Ach...’ begon Linda. De Nine Muses lag niet alleen naast een rijtje autostallingen, mews in het Engels, ten westen van het Euston station; de Nine Muses was niet alleen gezegend met een adres – Drummond Mews 9 – dat zich leende voor het soort woordspelingen waar Londenaren zo van hielden; het café werd ook nog eens gerund door Liz, een uit de kluiten gewassen, pragmatische roodharige vrouw die geen blad voor haar mond nam. Haar clientèle bestond uit vaste klanten en passanten, de maaltijden waren eenvoudig, de ambiance was gezellig. Linda had waardering gekregen voor het nonchalante culinaire elan van het broodje, de sandwich en de tosti. Acht uur per weekend scones beboteren, kool snijden voor de koolsalade, plakjes cake snijden en koffie zetten vormden een heerlijke onderbreking van een week die geheel gevuld was met de filologie van het Sanskriet. Ze vermaakte zich met het bedenken van nieuwe manieren om tomaten te snijden (in dunne plakjes met een scherp vleesmes; in grillige blokjes met het hakmes) en nieuwe manieren om boterhammen te beleggen met kaas en piccalilly. Ze luisterde naar de radio, kletste een beetje met Liz, hield een oogje op de klanten en merkte op dat het café aantrekkingskracht scheen uit te oefenen op mannen met een melancholieke aard. ‘Waarom kom je morgen niet langs als ik werk?’ stelde Linda voor. ‘Dan zal ik een mok supersterke koffie voor je maken.’ Maar Bharati was snobistisch in haar keuze van de cafés die ze bezocht – ze dronk koffie in een Italiaans café in Soho – en trok haar neus afkeurend op. ‘Dank je, maar ik moet morgen pakken,’ zei ze. ‘Ik ga naar Delhi voor de bruiloft van mijn broer.’ ‘O ja?’ 128


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 129

Bharati had er nog niets over gezegd. ‘Het is maar voor een week.’ Bharati zuchtte. ‘Als er iets doodsaai is, dan is het wel zo’n verdomde Indiase bruiloft.’ Ze dronk haar glas leeg. Linda verzuchtte: ‘Kon ik er ook maar heen.’ ‘Ga dan mee!’ zei Bharati. ‘Dat kan ik absoluut niet betalen,’ zei Linda. ‘De universiteit heeft een reisbeurs voor postdoc-studenten en die heb ik aangevraagd, maar sindsdien heb ik niets meer gehoord.’ ‘Waarom vraag je geen beurs aan om een lezing te houden op mijn vaders congres over levend Sanskriet? Dat is op vijftien november in Delhi. Ze willen bevorderen dat de jeugd klassieke talen gaat studeren. Jij past perfect in dat plaatje.’ ‘Echt?’ ‘Ja!’ zei Bharati. ‘Dien een voorstel in. Nee heb je.’ Ineens reageerde Linda een beetje afwerend. ‘Natuurlijk wil ik naar India,’ zei ze. ‘Dolgraag zelfs. Maar ik bestudeer teksten in het Sanskriet. Ik denk na over woorden die duizenden jaren geleden werden opgeschreven. Ik weet niet of het moderne India een bijdrage zou leveren op mijn vakgebied...’ ‘Natuurlijk wel,’ onderbrak Bharati haar. ‘Je kunt toch niet alleen praten met mensen die er niet wonen? Je moet erheen om het met eigen ogen te zien. Het moderne India is gestoeld op zijn oude cultuur. De oude tempels en forten zijn niet zomaar toeristische trekpleisters. Ze zijn een levend deel van ons politieke en culturele landschap. En bovendien,’ vervolgde ze, ‘zou je echt eens kulfi moeten proeven en chaat...’ ‘Kulfi?’ ‘Linda, alsjeblieft zeg.’ Bharati zag er nijdig uit en Linda, die dacht aan het land dat ze slechts kende uit de teksten van mannen uit de Oudheid (Kalidasa, Panini, Krsna Dvaipayana Vyasa) en aan het moderne land waarvan ze hapsnap een indruk had gekregen (middels een potige Indiase held in een verfilmde musical die draaide in de Mile End Genesis-bioscoop, waar ze een keer per ongeluk verzeild was geraakt; en een pittige balti die ze het afge129


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 130

lopen weekend in het Taj Palace-restaurant in Brixton had gegeten samen met een meisje van de colleges Sanskriet-grammatica; en een Indiase sjaal van haar moeder die ze als tiener had gedragen, knikte. Haar vriendin had gelijk. De ochtend na haar biertje met Bharati werd Linda vroeger wakker dan anders doordat er op haar deur werd geklopt. Een stem die haar bekend voorkwam zei haar naam. Toen ze één oog opendeed, zag ze dat ze in slaap was gevallen met Deel Eén van de Chicago-vertaling van de Mahabharata opengeslagen op haar borst. Haar bril balanceerde op het puntje van haar neus, haar boezem zwoegde heftig hijgend op en neer ten gevolge van een hartstochtelijke droom die zich afspeelde in India. ‘Hallo lieverd?’ zei de stem weer, wat nadrukkelijker deze keer, en Linda hoorde nu wel meteen wie het was. ‘Moeder!’ zei ze, terwijl ze met een schok overeind kwam en vol afgrijzen om zich heen keek. Haar vurig beminde, net veertig geworden, uiterst alleenstaande moeder vond properheid het allerbelangrijkste wat er bestond, op alle gebieden, maar vooral in huis. Het flatje waarin Linda opgroeide rook naar dennengeurtoiletreiniger en de spuitbus met citroengeur waarmee haar moeder elke ochtend de lucht besproeide, er werd elke zaterdag grondig schoongemaakt zodat haar moeder op zondag niets hoefde te doen en kon genieten van de goddelijke effecten van haar inspanningen. Linda besefte dat haar studentenkamertje, waar het rook naar verschaald bier en uit alle hoeken en gaten vuil ondergoed tevoorschijn kon komen dat evenwel de aandacht niet van de schimmelende Indiase etensresten onder haar bed zou kunnen afleiden, geen veilige plek was voor iemand met haar moeders gevoeligheden. Dus sprong ze uit bed, ze trok haar cafékleren aan en riep, terwijl ze een kam door haar haren trok: ‘Moeder! Wat doe jij hier? Ik kom eraan. Ik stond op het punt om naar mijn werk te gaan.’ Een halfuur later had ze haar moeder achter een kopje met de allersterkste Nine Muses-thee gezet, schoof ze een schaal met 130


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 131

cakejes over de toog en hoorde ze eindelijk de reden voor deze pelgrimstocht naar Londen. Gisteravond had haar argeloze moeder toen ze in de rij stond voor de supermarktkassa een tijdschrift voor ouders doorgebladerd en ontdekt dat het de plicht van een alleenstaande moeder met één dochter was om de moeder-dochterband te koesteren. Dit hield in, zo las ze, fysieke nabijheid, onmogelijke gesprekken over seks, lange etentjes in restaurants, uitputtend shoppen in drukke winkelstraten en, waar en wanneer mogelijk, een band scheppen door gemeenschappelijke hysterie: ‘een reinigende, gezamenlijke schreeuw’. Voor dit alles had ze de trein van 06.03 uur naar Londen genomen en zichzelf gedwongen nog een uur te wachten op een bankje in King’s Cross, voordat ze in de 253 naar Euston Road was gestapt om haar dochter te bezoeken. ‘Moeder!’ protesteerde Linda, terwijl ze nog wat kokend water in de ronde bruine theepot goot. Maar haar moeder liet zich niet uit het veld staan. ‘Ik heb besloten om mijn vakantie dit jaar op te nemen rond de kerstdagen,’ kondigde ze aan toen Linda de schalen met croissants neerzette en de bar met een doekje afnam. ‘Ik kom naar Londen toe om bij je te zijn. We kunnen samen naar de schouwburg gaan. Heb je nog nieuw thermisch ondergoed nodig? Heb je een vriend? Ben je gelukkig? Neem je wel de juiste voorzorgsmaatregelen?’ Ze keek dapper op van haar kopje thee en richtte haar blik met een aarzelend lachje op haar enig kind. Linda probeerde niet te blozen terwijl ze een driedubbele espresso voor zichzelf maakte. Linda kon zich haar vader niet herinneren die, heel proper, op een dag in 1982 in elkaar was gezakt en gestorven toen Linda naar de peuterspeelzaal was. Ze had alleen maar herinneringen aan haar moeder en het flatje op een steenworp afstand van het strand, waar ze gedurende haar hele jeugd hadden gewoond. Maar hoewel ze dol was op haar verweduwde moeder, hoewel ze nooit ruzie maakten, hoewel Linda haar moeders zwakke zenuwen altijd trachtte te ontzien, bleef de vrouw die haar op de wereld had gezet een compleet raadsel voor haar. Ze was verpleeg131


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 132

ster en toch had ze Linda nooit seksuele voorlichting gegeven. Ze was een diepgelovige christen en toch had ze op haar twintigste, heel ongebruikelijk, vijf maanden lang door India gereisd in dienst van een liefdadigheidsorganisatie van de methodisten. Ze had van haar man gehouden, en toch had ze zijn familie nooit ontmoet. Als kind had Linda haar moeder voortdurend aan het hoofd gezeurd over deze twee onderwerpen – haar vader en het avontuur in India –, maar zonder enig resultaat. Het beeld dat ze van haar vader had was onduidelijk. In haar verbeelding was hij een wazige versie van de man op de foto: gladgeschoren, gekleed in een bruin ribfluwelen pak, in de verte staande op de treden van een kerk, met een petieterig meisje in een eenvoudige witte jurk aan zijn arm, wier nog amper waarneembare bolling (Linda) werd bedekt door de lange kanten sluier. De reis naar India ging in Linda’s verbeelding echter een eigen leven leiden. Als tienjarige stelde Linda zich haar moeder voor op een paars geverfde olifant, rijdend door de woestijn. Als tiener zag ze wolken opiumrook voor zich, naakte heilige mannen en tinkelende kralenkettingen. Gedurende haar baantje bij de Topshop was dat beeld eleganter geworden: rode katoenen sari’s, ruisende blouses, extravagante, met kralen versierde sjaals. Pas toen ze zelf de twintig had bereikt, dacht ze er niet meer aan. Het was allemaal te onwaarschijnlijk. Toch vroeg ze zich nu en dan nog steeds af waar haar moeder – deze vrouw die nu bedeesd een kopje thee dronk met een blauw strooien bolhoedje op dat ze op de kerkbazaar ter ere van het Oogstfeest had gekocht, die Londen maar griezelig vond, die leefde voor het schoonmaken van haar huis en haar kerkbezoeken – het lef en de gewiekstheid vandaan had gehaald om in haar eentje door Azië te trekken en er een baan te vinden? Niet voor het eerst kwam Linda in de verleiding haar moeder voor eens en altijd te laten uitleggen waar deze dapperheid vandaan was gekomen. Maar haar aandacht werd afgeleid door de komst van een vaste klant. Het was een getormenteerde man van een jaar of veertig, die altijd een verschoten colbertje droeg en een dikke katoenen 132


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 133

broek die eruitzag alsof hij erin had geslapen. Linda had een hekel aan hem omdat hij ontzettend lastig deed over de koffie die ze voor hem maakte; hij hield ervan om kopjes koffie terug te sturen die niet sterk genoeg waren of hij vroeg om een extra kannetje warme melk of hij eiste strooisel van puur cacao in plaats van het kant-en-klare chocolademengsel dat ‘alles bedierf door de toegevoegde suiker’. Die ochtend had hij een aktetas bij zich die uitpuilde van de paperassen. Hij beende het café in, knikte afwezig naar de vrouwen, liet zich op een stoel vallen bij een tafeltje voor het raam en ging met een wanhopig gezicht door zijn papieren zitten bladeren. Moeder, Liz en Linda bekeken hem met gemengde gevoelens vanaf de verhoging waarop de bar stond. ‘Hij komt toch altijd pas ’s middags?’ merkte Liz op. ‘Waarom heeft hij al die paperassen bij zich in het weekend?’ vroeg Linda’s moeder, wat luider. ‘Stt, moeder,’ zei Linda. Ze schonk het theekopje van haar moeder nog eens vol en wendde zich af om een macchiato te maken voor de gekwelde man. Omdat ze met haar rug naar de deur stond, miste ze de opzienbarende binnenkomst van haar favoriete klant: een Indiase man van middelbare leeftijd, die zich aan de buitenkant kleedde in een grijze duffelse jas en sandalen met sokken, en daaronder in lange kleurige tunieken (knaloranje, blauw of geel – hij deed haar denken aan een Afrikaanse papegaai); hij zat graag aan het tafeltje voor het raam, bestelde nooit iets anders dan een groot glas water, een cappuccino en daarna een broodje ei met bacon, en als ze zijn bestelling bracht leek hij een bepaalde kruidige geur te verspreiden, het aroma van kamelen, wuivende palmen en een opspattende branding. Ze had hem de bijnaam ‘de Dictator’ gegeven, omdat hij altijd de godganse ochtend in zijn onafscheidelijke dictafoon zat te fluisteren terwijl hij af en toe een slokje koffie en een hapje brood nam, om dan ineens gehaast te vertrekken teneinde de drukte van het lunchuur te vermijden. ‘Wie is dat?’ vroeg Linda’s moeder, angstvallig fluisterend. Maar Linda gaf geen antwoord. Ze zag de Dictator naar het 133


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 134

tafeltje lopen waaraan de man met de kreukelbroek en het dunnende haar al zat, en plaatsnemen op de nog lege stoel voor het raam. Terwijl de vrouwen toekeken stalde hij zijn bezittingen uit op het tafeltje, hij riep naar Linda dat ze ‘het gebruikelijke’ kon brengen en pakte zijn dictafoon. De gekwelde man protesteerde: ‘Sorry, kunt u ergens anders gaan zitten, dit is...’ Maar de Dictator schonk geen aandacht aan hem. Hij hield de dictafoon voor zijn mond, leunde tegen de stoelleuning, drukte op Opnemen en begon te praten. ‘Hé, wacht eens even,’ zei de man en Linda hield haar adem in. Ze was heel bang dat er ruzie van zou komen. Maar de kreukelbroek klonk niet meer boos. Hij drukte zijn sigaret uit in de asbak, boog zich naar voren en sprak de man rechtstreeks aan. ‘Waar komt u vandaan?’ wilde hij weten. De Dictator keek op. Hij drukte op Pauze. ‘Vandaan?’ ‘Ja, waar komt u vandaan?’ drong de ander aan. ‘Bent u...?’ ‘India,’ zei de Indiër. ‘Ik kom uit India.’ ‘En wat doet u?’ vroeg de ander. ‘Ik schrijf,’ zei de Dictator op hoogst geïrriteerde toon. ‘Ik schrijf een literaire verhandeling.’ ‘Aha,’ zei de kreukelbroek en leunde achterover. ‘U zit in de schrijfbranche?’ De Indiër legde zijn dictafoon neer en keek zijn ondervrager afkeurend aan. ‘Zo zou je het kunnen zeggen,’ zei hij. ‘Mooi.’ De andere man boog zich weer naar hem toe. ‘Een schrijver. Die heb ik net nodig. Een Indiër. Verkoopt u uw werk hier?’ Linda kon het antwoord van de Dictator niet horen, omdat ze achter de bar bezig was met het roosteren van het broodje en het opschuimen van de melk voor de koffie. Ze klutste het ei extra snel, schonk de koffie in, voegde suiker toe en droeg dit alles gauw op een dienblad naar de Indiër om hun gesprek te kunnen horen. ‘Dus,’ zei de man met de kreukelbroek toen ze het dienblad op 134


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 135

het tafeltje zette, ‘ik geef u twaalf weken om een boek te schrijven. Ik handel alle rechten af. U incasseert de royalty’s.’ De Dictator keek hem weifelend aan. De kreukelbroek stak zijn hand uit. ‘Ik ben Bill,’ zei hij, alsof dat alles verklaarde. ‘Bill Bond, maar mijn vrienden noemen me William.’ Hij legde zijn visitekaartje op tafel. Literair agent, stond erop, gespecialiseerd in buitenlandse literatuur. Hij tikte met een tweede sigaret op het tafelblad. ‘Nu is het uw beurt,’ zei hij, en hij liet er ter aanmoediging op volgen: ‘Wie zijn de personages?’ Linda had geen tijd meer om naar het antwoord te luisteren, want inmiddels liep het café vol met klanten. De daaropvolgende twee uren ving Linda alleen maar flarden op van het gesprek tussen Bill en de Indiër, terwijl ze koffiekopjes afruimde en bonnetjes optelde en haar moeder intussen aan de toog een stapel kranten van gisteren zat te lezen. ‘Misschien komt dit van pas,’ hoorde ze Bill op een zeker moment zeggen, terwijl hij een stapeltje aan elkaar geniete A4’tjes uit zijn tas haalde. ‘Wenken voor nieuwe schrijvers, dat heb ik zelf samengesteld. Ik geef het aan al mijn nieuwelingen.’ ‘Waarde heer,’ antwoordde de Dictator uit de hoogte, ‘ik zit al veel langer dan u in deze branche. Ik geloof niet dat u mij onder kunt brengen in de categorie “nieuwelingen”.’ Linda kon wel zien dat Liz, die doorgaans tolerant was voor de zonderlingen die haar café bezochten, deze keer haar fascinatie voor de twee heren niet deelde. Het feit dat ze niet eens een tweede kopje koffie bestelden, stelde haar geduld op de proef. De kwestie bereikte om één uur een kritiek punt, toen het café bomvol was gelopen met mensen die een tafeltje zochten. ‘Welnu, heren,’ zei Liz, ‘waar wacht u nog op?’ Bill en de Dictator begonnen tegelijk te praten. ‘We zijn bezig een contract te sluiten voor een boek,’ zei Bill. ‘Ik vertelde hem net over Leela,’ merkte de Dictator op. ‘Hij zit midden in zijn artistieke inspiratie,’ voegde Bill eraan toe. 135


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 136

‘Ik hoop niet dat jullie het erg vinden,’ zei Liz, ‘maar volgens mij is het tijd om te verkassen.’ De Indiër wees naar zijn dictafoon. ‘Ik moet dit op papier zetten,’ wierp hij tegen. ‘Hij heeft een typiste nodig,’ merkte Bill op. ‘Dat kan ik wel doen, denk ik,’ zei Linda vanuit het niets. Iedereen draaide zich naar haar om. ‘Linda, wat zeg je nu?’ riep haar moeder uit. ‘Hoe kan je dat nou doen? Je weet niet eens wat er op die bandjes staat!’ Ze kleurde diep. ‘Er staat een prachtig verhaal op,’ zei de Indiër zelfverzekerd. Hij keek hulpzoekend naar Liz. Liz keek naar Bill. Bill keek naar Linda. Linda knikte. ‘Ze gaat promoveren,’ zei Liz. ‘Ze studeert literatuurwetenschappen.’ En daarmee was het beklonken. ‘Je luistert gewoon af wat ik heb ingesproken,’ zei de Indiase man, de dictafoon voor haar ophoudend. ‘Je typt het uit, leest het door en corrigeert de fouten. Het moet klaar zijn als ik terugkom uit Delhi.’ ‘Delhi?’ herhaalde Linda. ‘Ik ga naar India voor een belangrijk huwelijksfeest,’ zei hij. ‘Aan het eind van de maand ben ik terug.’ En toen stond hij op, klemde zijn Wenken voor nieuwe schrijvers onder zijn arm, zwaaide naar hen allemaal ten afscheid en was even snel verdwenen als hij was binnengekomen. ‘Linda, lieverd,’ zei haar moeder, met inmiddels hoogrode wangen. ‘Weet je zeker dat dit gepast is?’

136


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 137

12 Shiva Prasad walgde van de flauwgevallen vrouw van zijn broer, het maakte hem boos. Het ging hem niet alleen om de vrouw zelf – aan wie hij instinctief een hekel had – maar ook om iets wat dieper ging, wat te maken had met waar zij voor stond: die lege, hunkerende baarmoeder, die kinderloosheid. Toen hij naar Sunita opkeek, die op het trouwpodium zat met heel haar verfijnde, gouden verschijning, schoot hem een herinnering te binnen aan zijn jongste dochter als baby, kirrend van plezier omdat haar grootmoeder haar buikje kietelde. Als kind was ze tevreden en volgzaam geweest, en dat was ze nog steeds – zo tevreden, volgzaam en gewillig als een vader zich maar kon wensen. En daarom maakte het hem razend om te bedenken dat er na haar geboorte minstens een jaar lang een discussie over haar had gewoed binnen de familie. Shiva Prasads eigen moeder had er bij hem op aangedrongen dat hij Sunita weg zou geven aan de kinderloze Hari. ‘Dat is traditie,’ herhaalde ze telkens, ‘op die manier hebben broers elkaar altijd geholpen. Jij hebt er drie, hij heeft er niet één. Waarom heb je nog een kind nodig als je al twee gezonde kinderen hebt?’ Misschien had Shiva Prasad er anders over gedacht als Hari zich zelf aan de tradities had gehouden, als hij in India was gebleven, onder één dak had gewoond met zijn familie, aardig en attent was geweest en zich had gedragen als een loyale jongere broer. Maar dat had Hari niet gedaan. Hij was getrouwd met een afstandelijke, onbekende vrouw en was meteen daarna geëmigreerd naar Amerika, waar hij om het nog erger te maken in 137


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 138

plaats van te worstelen met de culturele en religieuze leemte die de vs was, in plaats van dag en nacht te werken en slechts visumproblemen en schulden op te lopen voor zijn moeite, in plaats van bedeesd, getekend en geknakt door die hele ervaring in de schoot van zijn familie in India terug te keren, scheen te floreren. Het was onbegrijpelijk: elke keer als hij naar huis kwam leek hij zelfverzekerder, beschaafder en rijker te zijn geworden. Een overtollig derde kind weggeven binnen hetzelfde huishouden aan een jongere broer die zich in bochten wrong van dankbaarheid was één ding, maar een kind meegeven aan rijke Amerikaanse emigranten, alsof de baby een behoeftig derdewereldslachtoffertje was, alsof haar Indiase ouders dankbaar zouden moeten zijn, daar kon geen sprake van zijn. Dat kon Shiva Prasad niet. Dus toen zijn moeder de kwestie ter sprake bracht, weigerde hij principieel: geen kind van hem, tierde hij, zou ooit geïmporteerd of geëxporteerd worden naar die tempel van mammon aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, alleen maar omdat dat dat mens van Hari, hoe-heet-zeook-al-weer-met-haar-donkere-huid, in gebreke bleef. En nu bedierf ze weer alles. Hij wenkte een bediende en droeg hem op Hari en zijn vrouw zo snel mogelijk van het feestterrein te verwijderen en in hun auto te zetten. Intussen begroette hij gasten, hij nam hun felicitaties in ontvangst en leidde hen naar het podium om samen met de bruid en bruidegom op de foto te gaan. Toen hij merkte dat er iemand achter hem kwam staan, draaide hij zich om met zijn handen automatisch samengevouwen in een vrome begroeting, zijn welkomstwoorden lagen al op zijn lippen. Maar het was geen gewone gast. Shiva Prasad merkte dat hij oog in oog stond met zijn tapasya – zijn ascetische uitdaging zoals de oude Vedische heiligen die hadden gekend – professor Ved Vyasa Chaturvedi. Eindelijk zouden ze elkaar dan spreken. Niet in het bijzijn van een rij flitsende camera’s of tijdens het begroeten van de gasten, noch aan weerszijden van het Harmonieuze Huwelijkspaar, maar onder vier ogen, zodat Shiva Prasad elk weerbarstig haartje op de 138


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 139

kin van de (iets) jongere man kon onderscheiden, diens telegenieke neus kon herwaarderen, evenals het achterover gekamde haar dat de professor duidelijk niet verfde. Shiva Prasad keek om zich heen. Er waren geen ex-premiers in de buurt om de begroeting een officieel tintje te geven. De enige persoon die er belangrijk uitzag was een grote vrouw, slordig gewikkeld in meters blauwe zijde, zonder zichtbare gouden ketting op haar imposante gestalte. Shiva Prasad wist niet meer wie ze was, maar hij meende zich vaag te herinneren dat ze iets met de universiteit te maken had. Hij begroette Vyasa uitbundig, wenkte de dame met een beweging van zijn gebogen hand en zei: ‘Ahhh. Namaskar... Deb... Geet... Urv...’ (Hoe heette ze in hemelsnaam?) ‘Mijn lieve mevrouw, het is geweldig om u hier op de bruiloft van mijn dochter te mogen begroeten. En het is mij een genoegen u voor te stellen aan de vader van de bruidegom, professor Vyasa...’ ‘O hallo, Vee,’ kapte de vrouw hem af. ‘Ik wilde je nog zeggen dat ik morgen niet op de huwelijkslunch kan zijn, omdat ik dan mijn Shakespeare-seminar heb.’ De twee schenen elkaar al te kennen. ‘We doceren Literatuurwetenschappen aan rivaliserende faculteiten,’ legde Vyasa met een lachje uit aan Shiva Prasad, ‘maar we zijn al jaren bevriend. Al sinds Oxford.’ De vrouwelijke hoogleraar wendde zich tot Shiva Prasad: ‘Ik hoop dat u het niet vervelend vindt dat ik vanavond onuitgenodigd op de bruiloft kom binnenvallen.’ En ze lachte, alsof ze zeker wist dat hij dat niet erg vond. ‘Nee, helemaal niet,’ zei Shiva Prasad. ‘Alle vrienden van professor Chaturvedi zijn ook...’ Maar de vrouw luisterde al niet meer. Ze had haar wenkbrauwen meelevend opgetrokken en zei tegen Vyasa: ‘Dat wilde ik je nog vragen, Vee, sinds ik in de krant over je lezing in New York heb gelezen vraag ik me af of die obsessie voor de oude teksten je niet een beetje zorgen baart? Deze preoccupatie met de heldendichten uit het hindoetijdperk ontneemt toch de glans aan alles wat erna komt? Ben je niet bang dat je ermee in de kaart speelt 139


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 140

van degenen die teruggrijpen op een verzonnen hindoeïstische gouden eeuw?’ Shiva Prasad Sharma keek met stomheid geslagen toe toen Chaturvedi zijn hoofd in zijn nek wierp en lachte. ‘Het is ons gemeenschappelijk erfgoed,’ zei hij, ‘onze geschiedenis. De historische verhalen in de heldendichten kun je zien als alternatieven voor de heilige boeken. Het is heel erg belangrijk om te beseffen dit de eerste overlevering is van een tekst als de Mahabharata. Ik vind dat je cultuur en religie kunt scheiden.’ ‘Maar de hindoenationalisten hebben zich deze teksten toegeëigend om verdeeldheid te zaaien tussen de verschillende religieuze groeperingen in ons land,’ zei de vrouw. Shiva Prasad kon niet langer zwijgend aanhoren hoe zijn cultuur werd gevandaliseerd door een stelletje onbenullen. ‘Mijn beste mevrouw,’ zei hij luid, terwijl de angst hem bekroop dat ze hem met een potlood in zijn oog zou prikken of met haar hoge hakken op zijn tenen zou gaan staan, ‘het is onze heilige plicht om het heilige boek van onze voorouders te eren.’ De vrouw wierp hem even een blik toe. ‘Het is geen heilig boek.’ Toen wendde ze zich weer tot Vyasa en zei: ‘Waar staat het boek dan wel voor in jouw ogen?’ ‘In mijn ogen?’ Vyasa haalde zijn schouders op. ‘Oorlog, voornamelijk. Bloedbaden. Macht. Land. Hegemonie over mensen, eer, traditie. Het gevecht tussen bloedverwanten. En ook seks. Voortplanting en vererving staan allebei centraal.’ Seks? Shiva Prasad voelde zijn woede groeien. Deze man was kennelijk niet bereid om zijn smerige opvattingen over de allerheiligste teksten van deze natie voor zich te houden, zelfs niet op de bruiloft van zijn eigen zoon. Het was uitgesproken compromitterend om hier met hem te staan praten. Dankzij dit soort mensen werden er vliegtuigen gekaapt, onschuldige mensen gegijzeld en heerste er chaos in deze veel te tolerante samenleving, die nu de zure vruchten plukte van tientallen jaren politiek geschipper en plichtsverzuim. Hij tuurde de tuin in op zoek naar politieke bondgenoten. Dit zou een uitgelezen mo140


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 141

ment zijn om eeuwige roem te bereiken door de leegheid aan te tonen van de ‘Ganesh-theorie’, die voor zoveel consternatie had gezorgd in de hogere kringen. Shiva Prasad wist dat de regerende partij overwoog om het Ganesh Chaturthi-festival, dat de inwoners van Mumbai elk jaar met zoveel vroomheid vierden, in zijn geheel, gesponsord, naar Delhi over te brengen. Hij wist bijna zeker dat hijzelf vereerd zou worden met de belangrijke taak een boekje in kleurendruk samen te stellen waarin de werkelijke geschiedenis van de god werd verteld, namelijk dat hij zijn hoofd was kwijtgeraakt toen hij zijn moeders eer verdedigde – want er bestonden veel prachtige legendes over Ganesh, maar ze moesten wel in de juiste context geplaatst worden. Maar hoe zou dat doorgang kunnen vinden als Shiva Prasad toestond dat professor Ved Vyasa Chaturvedi zijn schandalige meningen ten beste gaf in gemengd gezelschap, ten overstaan van een ontvankelijke vrouw? De professor neuzelde op haar arrogante academische toontje verder tegen Vyasa: ‘Het grappige van het hindoeïsme,’ zei ze, ‘is dat er elk jaar weer miljoenen mensen worden geboren als hindoe, omdat ze Indiërs zijn, maar de hoger opgeleiden geloven nog niet de helft van de dogma’s van hun geloof. Natuurlijk niet, hoe zouden ze daarin kunnen geloven? Een god met een blauw gezicht? Een scribent met een olifantenhoofd? Geestverschijningen van bomen en bergen? Maar precies die ongerijmdheid is tevens de verdediging van het hindoeïsme. Want wie kan er iets inbrengen tegen zo’n onnozel geloof?’ ‘Heiligschennis!’ kreet Shiva Prasad; de maat was vol. Nu hij had bereikt dat ze hun mond hielden, legde hij om zijn punt kracht bij te zetten zijn vinger op de reusachtige arm van de dame. De grote vrouw wendde zich geschrokken van zijn toon naar hem toe, waardoor zijn vinger – O, gruwel! – weggleed, door de diepe kloof tussen de hooggebergten van haar borsten schoof en op een haar na de Himalaya-cedervormige uitstulping van haar tepel schampte. ‘Onmogelijk!’ riep hij weer uit. ‘Ganesh heeft onze grote Mahabharata opgeschreven. Hij ligt aan de basis van de 141


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 142

heilige literatuur van Bharat. Hoe kunt u beweren dat de zoon van Heer Shiva en Parvati onnozel is?’ ‘Mijn beste man,’ zei de grote dame, schijnbaar onaangedaan door zijn gepor in haar boezem, ‘u noemt Heer Shiva. Tja. Wie is hij? Welnu, Shiva is een adivasi, hij is een van de inheemse door het bos zwervende mensen, een woeste, wilde god, weet u nog? Dat is het punt. Een god van bergen, woestenij. Hij is degene die Arjuna aanziet voor een boogschutter uit de wouden. U denkt toch zeker niet dat hij een van die prehistorische Arische indringers was, meneer Sharma?’ ‘Arische indringers?’ Shiva Prasad herhaalde de zinsnede: ‘Arische indringers?’ ‘Ze bedoelt geen indringers,’ zei Chaturvedi vermoeid. ‘Laten we proberen het netjes te houden. Migranten is misschien een beter woord, historisch gezien. Je weet best,’ zei hij tegen zijn collega, die hem aanminnig toelachte, ‘dat het woord “indringer” opzettelijk controversieel is.’ Maar Shiva Prasad had genoeg gepikt. ‘Het doet me pijn, het doet me oprecht pijn,’ zei hij, ‘dat liberale figuren zoals jullie denken dat wij Indiërs nog niet genoeg invasies te verduren hebben gehad in onze recente geschiedenis en het daarom nodig vinden om er eentje bij te verzinnen in ons oude, roemrijke verleden! Het is een hersenspinsel van een paar academici! Het haalt onze kostbare Indiase cultuur naar beneden! India zoals het duizenden jaren geleden was, voordat de Mogolen en de Britten het te gronde kwamen richten – in Vedische tijden, de tijd van onze heiligste geschriften – die tijd was een heilige en gewijde periode, het tijdperk waarin al onze grootste prestaties, uitvindingen en filosofieën tot stand kwamen waarop dit land is gegrondvest. En u vindt het nodig deze zuivere periode te vervormen tot een tijdperk waarin we werden gekoloniseerd door vreemden, door krijgers uit het Westen? Jullie zijn volkomen doorgeslagen met dit ondermijnende project. Welke gruwelen zijn ervoor nodig om jullie de ogen te openen?’ ‘Dus voor de rechtse hindoes is de Gouden Eeuw een periode 142


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 143

die in de nevelen van de prehistorie verloren gaat? Heer sta ons bij.’ De professor trok haar wenkbrauwen op. Maar Shiva Prasad negeerde haar. Zijn stem won aan volume naarmate zijn argumenten, zijn betoog, aan kracht wonnen. ‘Alles,’ zei hij, ‘alles wat we weten en als het goede beschouwen, stamt uit die tijd. En mensen zoals u – gestudeerde mensen met verdachte opvattingen – willen ons dat afpakken. Wilt u ons wijsmaken dat onze kostbare inheemse Arische cultuur op een paardenrug naar India is gebracht door prehistorische Europeanen? Precies zoals de moderne Europeanen ons treinen en bureaucratie hebben gebracht, is dat het? U weet toch wel dat die voormalige Britse koloniale overheersers van ons, die India meer dan tweehonderd jaar lang hebben uitgebuit, zelf deze theorie hebben verzonnen dat hun voorouders hier zijn gekomen en ons tot Ariërs hebben gemaakt? Mijn beste mevrouw, met uw hele denken bent u de slavin geworden van een corrupt koloniaal model. Ik heb met u te doen.’ En daarmee wendde Shiva Prasad zich vol walging af, slechts om getuige te zijn van een andere wandaad van de familie Chaturvedi. Aan de overkant van de tuin zat de dochter van professor Chaturvedi – een jonge vrouw die ervoor had gekozen haar geboorteland te verlaten om in Engeland te gaan studeren en over wie hij geruchten had gehoord (van een geschokte Sunita) over losse Europese zeden en seksuele misdragingen – op een bankje, zonder enige notitie te nemen van het huwelijksfeest om haar heen, wellustig op te kijken in de ogen van een knappe jongeman. Toen Shiva Prasad naar haar keek, trok er een koude rilling van angst door hem heen. Chaturvedi had duidelijk gemaakt dat alles waar zijn familie voor stond, lijnrecht indruiste tegen alle waarden die Shiva Prasad koesterde. Het ergste van dit alles was nog wel dat Shiva Prasad dit inwendig van meet af aan had geweten. Hij had zijn ogen gesloten voor de onvolkomenheden van deze echtverbintenis vanwege de rijkdom en de maatschappelijke status van de Chaturvedi’s. En natuurlijk om de voordelen die het Arische-genenproject van Ash hem bood. Maar hij had zichzelf 143


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 144

vooral een rad voor ogen gedraaid door ervan uit te gaan dat professor Chaturvedi de grote kwaliteiten van Shiva Prasad Sharma wel zou gaan waarderen. Dat zou nooit gebeuren, dat wist hij nu wel zeker. De vader van Ash had niet één keer om zijn mening gevraagd tijdens hun treffen van daarnet. Hij had hem veeleer genegeerd en al zijn aandacht geschonken aan dat totaal onbelangrijke vrouwmens, die hoogleraar in de literatuurwetenschappen. En intussen stond Chaturvedi’s dochter in het hoekje van de tuin opeens op, ze stak haar hand uit en trok de lange, slungelachtige jongeman overeind. Chaturvedi’s verdorven, seksverslaafde dochter, zo zag Shiva Prasad met groeiende verontwaardiging, stond op het punt het huwelijksfeest te onteren.

144


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 145

13 ‘Ik heb op school gezeten met je broer, Ash,’ zei de jongeman tegen Bharati toen ze in de rij stonden te wachten. ‘Tot de tweede klas van de middelbare school, toen zijn we terug verhuisd naar Bangalore.’ Ze hield haar hoofd schuin en nam hem op. ‘Dus we hebben elkaar niet meer gezien sinds we...?’ ‘Veertien waren,’ zei hij. ‘Veertien,’ herhaalde ze, geamuseerd over het feit dat zo’n ongelooflijk verlegen en onopvallende jongen was uitgegroeid tot deze ernstig ogende, bijna knappe man. ‘Was jij een van de jongens met wie hij altijd schaakte?’ vroeg ze glimlachend en de man, die Pablo heette, knikte. Bharati voegde er plagend, op gespeeld dreigende toon aan toe: ‘En verder keek je naar vogels.’ ‘Ja,’ reageerde hij ernstig, ‘dat doe ik nog steeds.’ ‘En word je er nog steeds mee geplaagd?’ Ze herinnerde zich hoe on-cool zij en haar schoolvriendinnetjes Ash en zijn vrienden altijd vonden, met hun brillen, moeilijke woorden en neus in de boeken. ‘Het schijnt van wel,’ zei hij, nu met een glimlach. ‘En wat doe je tegenwoordig?’ Pablo was vier jaar geleden naar Delhi teruggegaan om te studeren en nu werkte hij als journalist voor de Delhi Star. Hij was aankomend verslaggever, en daarom schreef hij over alles: onderwijs, gezondheid, politiek. Hij hield ervan om te schrijven over literatuur en cultuur. Maar hij was gespecialiseerd in het milieu: de 145


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 146

smog, de vervuiling van de rivieren, het uitsterven van diersoorten. Hij begon over de natuur te praten met een enthousiasme dat ze zich vaag herinnerde uit hun schooltijd. Delhi, zei hij, was gebouwd op het Khandava-bos. ‘Herinner jij je,’ vroeg hij, ‘de ecologische genocide in de Mahabharata? Als ze het bos platbranden en alle slangen en andere dieren sterven?’ Ze schudde haar hoofd. ‘O,’ zei hij, en hij stak van wal met een lange beschrijving die uitmondde in een nog langere opsomming van alle lokale vogelsoorten en ondersoorten die met uitsterving werden bedreigd. ‘Ondanks alles wat we deze stad aandoen, zijn er toch nog een paar goeie plekken om vogels te kijken,’ vervolgde hij en Bharati kneep haar tenen samen onder de zoom van haar sari en daagde zichzelf uit om tegen hem aan te leunen en over zijn wang te strelen om hem te laten ophouden. Maar ze durfde het niet aan, nog niet. ‘Heb je milieukunde gestudeerd aan de universiteit?’ vroeg ze, toen ze geen rampenverhaal meer kon verdragen. ‘Nee,’ zei hij, met zijn blik op het podium gericht, waarop Ash prijkte, behangen met slingers van jasmijn en goudsbloemen. ‘Literatuurwetenschappen.’ Zwijgend nam hij even de bruid en bruidegom op, waarna hij zich weer tot haar wendde. ‘Weet je dat ik het artikel heb geschreven over jouw...’ begon hij, en zweeg toen. ‘Wat?’ vroeg ze. Ze had haar ogen opnieuw over Pablo laten glijden en goedkeurend zijn lange rode katoenen kurta en verschoten spijkerbroek, zijn magere donkere gezicht en krullen in zich opgenomen, en toen hij haar aankeek was ze opeens zeer hoopvol gestemd. ‘Niks,’ zei hij en ze pakte hem bij zijn arm. ‘Hé,’ fluisterde ze. ‘Laten we hier weggaan.’ Ze duwde hem tussen het gedrang door de tuin in, tot ze een bankje achterin tegen een muur vonden, waar een oud echtpaar in stilte naar het feest keek. ‘Wat vreemd om zo vlak voor Divali te trouwen,’ zei Pablo toen ze gingen zitten. ‘Dat wilde de vader van de bruid. Hij had een astroloog ge146


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 147

raadpleegd. En Ash had geen bezwaar, al is hij wetenschapper.’ ‘Je broer,’ zei Pablo na een ogenblik, ‘was altijd heel aardig voor me op school.’ En terwijl hij over zijn leven praatte, over de kleine ontberingen waarvan zij zich geen voorstelling kon maken, voelde ze de warmte van zijn arm, de druk tegen haar blote huid... en haar eigen groeiende verlangen. Het was inmiddels aardig donker en het tuintafereel werd wazig verlicht door de duizenden piepkleine lampjes van de feestverlichting die in de bomen was opgehangen en over de heggen en tuinmeubels en om de tafels was gedrapeerd. Op het moment dat hij iets opmerkte over de oorspronkelijkheid van haar vaders eruditie, boog ze zich naar hem toe en kuste hem op zijn mond, haar geopende lippen drukten tegen de zijne, haar tong gleed langs de zijne. In Londen had ze dit al vaak gedaan met nagenoeg onbekenden. Maar nu leunde ze, buiten adem, achterover en wachtte af. Natuurlijk kon hij haar kus niet beantwoorden, ze bevonden zich op een bruiloft en zaten naast een paar oudere verwanten van de bruid. Maar toen hij zich naar haar toe boog om haar iets in het oor te fluisteren, hoorde ze geen woorden, maar voelde ze zijn tong en zijn tanden in haar oorlelletje. Ze keek om zich heen en vroeg zich af of ze zich ergens konden terugtrekken. Langs de zijkanten van de tuin stonden eettafels, gedekt met lange witte tafelkleden die aan de onderkant om de tafelpoten waren vastgespeld, opdat de gasten niet over de stof zouden struikelen. Tot dan toe waren de tafels leeg geweest, maar de obers – jonge mannen van haar leeftijd – waren net begonnen met het uitserveren van het eten. Ze staken de gasbranders op de tafels aan en zetten daar roestvrijstalen terrines op met curry, schalen met rijst en kommen met dal. De meeste tafels stonden tegen elkaar aan geschoven in de buurt van de ingang van de tuin, maar één tafel stond apart van de andere onder een champakboom en was nog niet bezet. Waarschijnlijk zouden de obers daar later, na de hoofdmaaltijd, de desserts of de thee op zetten. De tafel stond in het halfduister; degene die de feestverlichting in 147


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 148

de tuin had opgehangen, was vergeten om die ook aan deze boom te bevestigen. Bharati stond op. ‘Loop maar met me mee,’ zei ze en ze trok hem aan zijn hand achter zich aan. Onder de champakboom knielde ze achter de tafel uit het zicht en maakte aan een kant de spelden van het tafellaken los. Ze kroop er als eerste onder en hij kwam haar achterna en schoof de spelden terug in de stof. Ze lachte, ingenomen met haar lef. Het was hieronder schemerig en vochtig. Ze deed haar ogen dicht en liet de geluiden en geuren van de bruiloft om zich heen golven. ‘Wacht,’ zei hij. ‘Dit is de bruiloft van je broer, weet je zeker...’ Ze snoerde hem de mond met haar lippen en daarna voelde ze, zoals ze ook wilde, zijn handen onder haar zijden sari kruipen, ze tastten onder haar onderrok, gleden langs haar benen omhoog tot zijn vingers over haar slipje streken. Boven hen klonk opeens een bons toen iemand iets op de tafel zette. ‘Mmm,’ zei hij en zijn stem klonk gedempt, omdat hij haar zijden blouse tussen zijn tanden klemde. Er klonk gerinkel en het geluid van deksels die van schalen werden getild. Ze greep hem vast, trok zijn tuniek omhoog, rukte aan de knoop van zijn spijkerbroek. Het geroezemoes om hun tafel zwol aan. Ze rook de kruidige geuren van een milde curry en ze hoorde haar eigen stem, vermengd met die van een ober die iets riep naar de andere kant van het grasveld, terwijl Pablo haar sari omhoogtrok. ‘Gauw,’ zei ze, en ze tastte naar haar tasje waarin het condoom zat dat ze helemaal uit Engeland had meegenomen, en dat ze had gekocht in een supermarkt vlak bij haar universiteit. Ze scheurde de zijkant eraf en vulde de atmosfeer onder de tafel met een on-Indiase geur van zaaddodende pasta en rubber. Ze worstelden even met hun lijven tegen elkaar aan met kleren, rubber en huid, totdat Bharati hem met vurige, hete stoten in zich voelde, en daarna kon ze niet eens meer verstaan wat ze zelf zei, hoewel ze haar grootmoeders stem wel meende te horen. Toen ze haar lichaam van hem wegdraaide, grinnikte ze nog eens 148


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 149

om haar roekeloosheid, waarna ze zich overgaf aan de genotvolle rillingen die door haar lijf joegen. Even later lag ze op haar rug te wachten tot Pablo zou vragen: ‘Vond je het fijn?’, zodat ze meteen korte metten kon maken met alle illusies die hij koesterde over zijn seksuele bedrevenheid – die hadden mannen vaak – door een van haar scherpe terechtwijzingen op hem los te laten, bijvoorbeeld dat het seksuele genot van een vrouw geheel en al van haar eigen toedoen afhing, dat de man van nul en generlei waarde was, dat de gedachte van sommige mannen dat ze goede minnaars waren een waanidee was. Maar Pablo sloeg slechts zijn arm om haar middel en zei niets, en ook al wilde ze haar afweer in stelling houden, ze lag ontspannen met haar rug tegen hem aan geleund en bladerde in gedachten de catalogus met ex-geliefden door: degenen met de bijzondere vingerbewegingen, weer anderen met schijnbaar acrobatische stoten of geroutineerde en gestyleerde draaiboeken; en dan het type dat er lustig op los pookte, eentonig op en neer ging zonder zelfs maar te informeren, te signaleren of te bedenken dat het wat uitmaakte of zij er al dan niet van genoot. In gezelschap van haar geschokte Indiase vriendinnen mocht ze graag opmerken dat ze wel begreep waarom minnaars hun heil zochten bij zweepjes, touwen of druppeltjes heet kaarsvet. Het was dát of het was de nietszeggendheid. Alleen vreemden onder elkaar wilden nog weleens een orgasme krijgen. Hij verbrak de stilte: ‘Heb je een vriend?’ Ze was blij met deze opening en antwoordde gretig: ‘Ja, twee of drie.’ ‘O?’ ‘Ik woon tegenwoordig in Londen,’ legde ze uit. ‘En?’ ‘Ik ben polyandrisch, net als Draupadi in de Mahabharata. Ik heb het liefst meer dan één man tegelijk.’ ‘Dat was niet precies Draupadi’s keuze.’ Pablo klonk geamuseerd. ‘Zij was de hoofdprijs van een wedstrijd, weet je nog? En de man die haar won, was verplicht om alles te delen met zijn broers.’ 149


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 150

‘Ach, nou ja.’ Bharati deed haar ogen dicht, ze rook zoete thee en hoorde boven hen stemmen aanzwellen en weer wegsterven. ‘Die gedachte staat me wel aan.’ ‘En op dit moment heb je er twee of drie tegelijk?’ wilde Pablo weten. ‘Drie of vier.’ ‘Maar je streeft naar vijf, net als Draupadi.’ ‘Vijf zou ideaal zijn, ja.’ Ze voelde dat hij zich naar haar toe boog, hij kuste haar achterhoofd. Nadat de drukte zich naar elders had verplaatst en de obers de terrines hadden afgeruimd, kropen Bharati en Pablo onder de tafel uit. Bharati ging achter de champakboom staan om haar sari weer netjes om te plooien. ‘Kijk eens,’ hoorde ze Pablo zeggen. De tuin was leeggelopen en de bruid en bruidegom zaten niet meer op de verhoging. Op het bankje zaten nu twee kleine kinderen van een ijsje te likken. Maar hij wees naar een met stof bekleed baldakijn, waaronder een priester Vedische shloka’s zat te zingen. Er brandde een vuurtje, waar Ash en Sunita met hun kleding aan elkaar geknoopt omheen liepen. ‘We hebben tijdens de huwelijksceremonie van mijn broer onder een tafel gelegen,’ merkte Bharati zowel tevreden als verschrikt op. Pablo antwoordde niet. Hij keek naar het moment waarop het huwelijk werd bekrachtigd, de aloude heilige stappen om het vuur. ‘Nou ja, dit betekent in elk geval dat het bijna voorbij is.’ Ze vervolgde: ‘Zullen we naar jouw huis gaan? Ik kan niet blijven. Moet je zien hoe verkreukeld ik erbij loop.’ Hij keek haar glimlachend aan. ‘Ik vind dat je er mooi uitziet. Maar we kunnen wel gaan, als je dat wilt.’ Bharati zag Humayun niet op de parkeerplaats. Ze vroeg een van de andere chauffeurs hem te laten weten dat ze een taxi naar huis had genomen. Maar er waren geen taxi’s en Pablo was op de 150


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 151

motor gekomen. Omdat ze een sari aan had, moest ze in amazonezit achterop. ‘Het zal wel koud zijn,’ waarschuwde hij haar. Dat klopte. De Vliegeniersclub lag een heel eind van de hoofdweg af en daartussen lagen de lege donkere grasvelden van de luchthaven. Ze reden de laan uit, Pablo reed langzaam. Het was donker, de heggen waren hoog en Pablo vond de stilte en de nacht, de velden en de bomen, de onverwacht lege plek in deze met mensen gevulde stad een interessant verschijnsel. Maar voor Bharati was dat anders. Nu en dan werden ze gepasseerd door een auto vol bruiloftsgasten op de terugweg naar Delhi. ‘Straks word ik herkend,’ klaagde ze en ze trok de pallu van haar sari over haar hoofd. ‘Wat zeg je?’ vroeg hij; hij kon haar boven het geluid van de wind uit niet verstaan en ging daarom nog langzamer rijden. ‘Laat maar,’ zei ze nijdig. ‘Rij maar door.’ Ze hadden juist de bocht in de weg bereikt waar deze in de richting van de hoofdweg afboog, toen ze door een grote witte sedan werden gepasseerd, die met zo veel rode rozen was beplakt dat de witte lak bijna niet meer te zien was. ‘Dat is de trouwauto,’ zei Bharati, ze draaide zich om en begon te zwaaien, zodat ze bijna haar evenwicht verloor en zich aan Pablo moest vastgrijpen om niet te vallen. Maar de chauffeur zag haar niet of wilde haar niet zien. ‘Mijn tweelingbroertje, getrouwd.’ Tegen de tijd dat ze de hoofdweg bereikten, was ze stil geworden en verkleumd tot op het bot. Haar voeten deden zeer en de gedachte dat ze de nacht zou doorbrengen met deze schoolvriend van haar broer, kwam haar ineens belachelijk voor. Ze zei niets toen ze Lodhi Road in reden, de wind blies de pallu van haar hoofd en drong als duizend ijskoude handen onder haar sari. Ze zei zelfs niets toen de motorfiets om het monument met de blauwe koepel reed – ‘Sabz Burz, vroeger was hij groen,’ riep hij haar didactisch over zijn schouder toe – en daarna door de toegang tot Nizamuddin-basti. Ze zigzagden onhandig tussen bedelaars, moellahs, mannen en jongens door, langs kebabkraampjes, sloegen toen rechts af en hielden uiteindelijk halt voor een hoog, smal huis met afbladderende verf. ‘Woon je hier?’ vroeg ze, toen 151


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 152

hij de motor het pad op duwde. ‘Ja,’ zei hij. ‘Ik zal wat eten voor je opwarmen, want we hebben niets gegeten op het feest. Daarna zal ik met je mee naar huis lopen, als je wilt.’ Ze volgde hem door het kapotte hekje, over een pad dat werd omzoomd door lege rode plantenpotten. ‘De lamp is eruit gedraaid,’ zei hij en ging haar voor in de duisternis, de drie stenen treden op, waar hij een kaars aanstak in een alkoofje naast de voordeur. Hij woonde op de bovenste verdieping van het huis, in de goedkope zolderstudio. Hij deed de deur van het slot met een kleine, zilverkleurige sleutel en duwde hem open. Bharati liep achter hem aan de studio in. Toen hij de lichten aandeed zag ze rechts een keukentje met een gasfles, een paar pannen en een plank met kruidenzakjes. Daarachter lag de badkamer; een emmer ving de druppels uit de lekkende kraan op. Ze volgde hem naar buiten het dakterras op, waar tegen de muur een rij potten stond met grijzig bebladerde planten erin. En daar, rechts van haar, lag Nizamuddin zoals ze het nog nooit had gezien: de rommelige huizen van de basti met daartussen de lange, gekanteelde muur van een moskee die er in het donker even stevig uitzag als een olifantenrug. Er hing een scherpe geur – ‘Het openbare urinoir ligt pal onder het huis,’ verontschuldigde hij zich – maar daarmee vermengd was de vertrouwde zware, zoete geur van jasmijn en kardemom. ‘Je hebt een chameli-struik,’ merkte ze op. De met bijna onzichtbare bloemen afgeladen takken streken langs de muur van het terras. ‘Het is geen jasmijn,’ zei Pablo, en even voelde ze een lichte ergernis opkomen. ‘Ik geloof dat hij saptaparni heet.’ Hij deed de openslaande deuren naar zijn woonkamer open en knipte het peertje aan. ‘In de Himalaya wordt hij wel twintig of dertig meter hoog. Maar in de stad floreert hij niet.’ ‘Net als veel stadsbewoners,’ merkte ze droogjes op en ze volgde hem naar binnen. Ze zag een kamer met boeken tegen alle wanden. Er lag een matras, bedekt met een lichtgekleurd, gebloemd laken en een hele berg kussens. Hij verontschuldigde zich voor de derde keer. 152


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 153

‘Normaal gesproken ontvang ik niet zulke hooggeëerde gasten.’ Ze deed haar schoenen uit, stapte op haar blote voeten de kamer in en voelde de kou van de betonnen vloer optrekken. ‘Ik zal iets te drinken voor je halen,’ zei hij en terwijl hij glazen pakte in de keuken, liep zij langzaam de kamer door, ze bekeek de planken met boeken en wierp een blik op de tafel die als zijn bureau dienstdeed. Ze deed het kastje tegen de muur open. Daarin lagen keurig gestreken en gevouwen overhemden. Ze keek naar de zwart-witfoto die daarboven op de muur was geprikt van een oude man met hetzelfde krullende haar als van Pablo, maar dan spierwit: dat zou zijn vader wel zijn. Tegen de tijd dat hij terugkwam met twee glazen rum, zat ze rechtop op zijn bed met haar benen netjes gevouwen onder zich. Hij ging naast haar zitten en liet een betamelijke ruimte tussen hen in vrij. Zij pakte een glas rum van hem aan en nam een slokje. Misschien blijf ik vannacht toch wel bij hem, dacht ze, en wachtte tot de rum begon te werken.

153


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 154

14 Zonder dat Bharati het wist had Shiva Prasad haar de jongeman door de tuin zien meetrekken naar de tafel onder champakboom, en hij was blijven kijken toen zij er met hem onder verdween. Hij was zo boos en verstoord vanwege deze zoveelste belediging door de familie Chaturvedi – hij kon zijn gedachte aan wat dat meisje in haar schild voerde en de verdorvenheid waaraan ze zich overgaf niet onderdrukken, en die voorstelling wond hem helaas op – dat hij de pandit de opdracht gaf om zo snel mogelijk te beginnen met de vuurceremonie. Hij wilde dat alles zo gauw mogelijk achter de rug was. In plaats van te genieten van dit moment van nationale verbintenis met het verleden, staarde hij naar zijn dochter terwijl zij gehoorzaam om het vuur liep met haar man en vroeg zich af of hij misschien op alle vlakken een onjuiste inschatting had gemaakt. Urvashi was uit het web van kaste en religie in de afgrond gevallen; zou Sunita hem nu op een andere manier ontvallen, zou ze verstrikt raken in de antinationalistische invloedssfeer van haar schoonvader en het seksueel geladen gebied rondom de zus van haar echtgenoot? Zijn blik gleed van het bruidspaar naar de familieleden die om het vuur zaten. Zijn vrouw huilde, de tantes en nichten keken toe, in hun gezichten werd de ernst van het ogenblik weerspiegeld. Alleen professor Chaturvedi glimlachte in zichzelf. Shiva Prasad Sharma schudde boos zijn hoofd. Hij moest iets doen. Hij moest de man nu de les lezen en zijn dochter beschermen tegen deze heidense liberalen. Zodra de ceremonie voorbij was liep hij naar Chaturvedi toe. ‘Nu onze families zijn...’ zei hij en hij gaf met zijn handen hun 154


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 155

verbondenheid aan. ‘Nu onze twee families zijn samengekomen...’ eindigde hij. Chaturvedi hield zijn hoofd een beetje scheef. ‘Ja?’ zei hij, met een ietwat meewarige ondertoon. ‘Wil ik u vragen,’ ging Shiva Prasad koppig door, ‘geen openbare uitspraken meer te doen over onze heilige hindoegeschriften van het soort dat uw schoondochter zou kunnen kwetsen of verdrieten.’ Shiva Prasad voelde een zweetdruppel over zijn voorhoofd lopen. ‘Uitspraken die Sunita kunnen kwetsen of verdrieten?’ herhaalde Chaturvedi alsof hij nog nooit van zijn leven zoiets mals had gehoord. ‘Bijvoorbeeld over Heer Ganesh en zijn rol in de heldendichten,’ zei Shiva Prasad krachtig omdat hij ineens, intuïtief, besefte dat academici werken met dikke boeken en bombastische teksten en al hun onderzoek doen door te deduceren, en dat dit daarentegen een moment was om klare taal te spreken. Hij wachtte even of Chaturvedi antwoord gaf. Maar de man zei niets, hij leek diep na te denken, waardoor Shiva Prasad weer moed vatte. ‘Ik wil graag,’ ging hij voort, ‘dat u uw verhandeling over Ganesh, die hindoes door het hele land zo gekwetst heeft, herziet.’ Plotseling barstte Vyasa in lachen uit. ‘O, meneer Sharma,’ mompelde hij, ‘ik vind het zo geweldig dat onze twee families elkaar...’ En hij imiteerde het gebaar van Shiva Prasad met zijn handen. ‘Het zal me zoveel vreugdevolle uren schenken in de toekomst.’ En hij keek hem met zo’n oprecht vriendelijke en geamuseerde blik aan dat het even duurde voordat Shiva Prasad in de gaten had dat er naar alle waarschijnlijkheid de draak met hem werd gestoken. Snakkend naar adem wendde hij zich af en om de withete woede die in hem oplaaide te laten verdwijnen, mengde hij zich meteen in een onschuldiger gesprek dat een tante van zijn vrouw in het Hindi voerde met zijn huisarts (die de afgelopen Holi zo bereidwillig had geholpen met Shiva Prasads ingegroeide teennagels) over de behandeling van keelontsteking. Maar ondertussen 155


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 156

vroeg hij zich de hele tijd ongelovig af waarom hij dit gedrag van zijn dochters had getolereerd – om te trouwen met islamieten, te trouwen met seculiere atheïstische agenten van vreemde mogendheden, te trouwen zonder zijn uitdrukkelijke goedkeuring, keuze en toestemming? Desalniettemin had hij zich nooit kunnen voorstellen dat de bruiloft van zijn eigen dochter voor hem zo verkeerd kon uitpakken in ideologisch opzicht. Hij vroeg zich af wat de partijbonzen zouden zeggen over zijn ontering als hindoe, partijlid en vader. Toen het uiteindelijk voorbij was, twee keer zo snel als gewoonlijk, toen het huwelijkspaar was uitgezwaaid in hun met rozen beplakte auto en Shiva Prasad professor Vyasa Chaturvedi door de tuin zag lopen op zoek naar zijn moeder en dochter, wist hij dat hij de confrontatie met Chaturvedi weliswaar niet op het huwelijksfeest kon aangaan, ten overstaan van zijn eigen zakenrelaties, collega’s en familie uit afgelegen regionen die hier verzameld waren, maar dat hij evenmin de kleinering van vanavond ongehinderd mocht laten passeren. Hij zou met de man moeten praten en voor eens en altijd duidelijke afspraken moeten maken. Hij zou vanavond nog naar Chaturvedi’s huis rijden, met hem spreken bij de voordeur en eisen dat hij de vader van zijn schoondochter met het nodige respect behandelde: met eerbied, achting en nederigheid. Wanneer Shiva Prasad eenmaal een besluit had genomen, kon niets of niemand hem er nog van afhouden. Natuurlijk protesteerde zijn vrouw tegen zijn vroege vertrek, hij moest eigenlijk blijven om alle gasten uit te zwaaien en een praatje te maken met al die vage kennissen. Maar Shiva Prasad was onvermurwbaar. Hij kapte de protesten van zijn vrouw af, zei dat een van haar neefjes haar in de Corolla naar huis zou rijden en liep zo snel als zijn benen onder de dhoti hem toestonden naar het parkeerterrein om de taxichauffeur te roepen, die daar met de andere bedienden een sigaret stond te roken. Shiva Prasad had nooit leren autorijden en hij had voor die avond drie auto’s gehuurd: Sunita’s trouwauto, een zilvergrijze 156


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 157

Corolla voor de rest van het gezin en een taxi van de standplaats voor zijn huis om het resterende ongeregelde gezelschap aan boventallige neven en nichten en de pandit op te halen. ‘Nizamuddin West,’ zei hij tegen de chauffeur, die zijn sigaret uitdrukte met een bezorgd gezicht, vermoedelijk bij de gedachte dat zijn eerbiedwaardige werkgever zich in de moslimwijk waagde. ‘Het is dringend,’ zei Shiva Prasad en hij gaf hem Vyasa’s adres. Toen ze Nizamuddin West bereikten, was het inmiddels ruim na elven. Op de markt groepten moslimjongens met slordig omgeworpen grauwgrijze sjaals bijeen op bankjes. In de straten verzamelden studenten van de koranschool zich met hun witte hoofddeksels rond telefooncellen – hoogstwaarschijnlijk, zo dacht Shiva Prasad, om internationale terroristische aanslagen te beramen. In de lucht hing de stank die zich vanuit het open stadsriool door de nacht verspreidde. Shiva Prasad beval zijn chauffeur te parkeren vlak voor Vyasa’s huis, dat vrijwel in duisternis was gehuld; er was niet één lichtje dat de komst van het heilige Divali-feest aankondigde. Hij zag slechts een zwak peertje in de hal branden. Er stond geen auto op de oprit. Shiva Prasad stapte verhit en klam uit de auto, deed het hek open, liep de stoeptreden op en drukte met zijn vinger op de deurbel. Hij wachtte even, maar er kwam niemand. Het beviel hem niet om ongenood voor de deur te staan als de eerste de beste kabariwallah. Hij vroeg zich af wat hij moest doen. Hij was de treden alweer afgedaald en stond op straat na te denken, toen hij Vyasa’s voordeur met een zacht klikje hoorde opengaan en er tenger, in zachtgeel gekleed vrouwenfiguurtje verscheen dat afstak tegen het licht in de hal achter haar. Eerst zweeg ze even, maar daarna vroeg ze: ‘Mevrouw Ahmed? Humayun?’ Even stond Shiva Prasad met zijn mond vol tanden. ‘Mevrouw Ahmed’ was de naam van zijn getrouwde dochter. Waarom noemde dit dienstmeisje – duidelijk een moslima – de naam van zijn Onnoembare dochter? Was dit een val? De volgende vernedering door Vyasa? 157


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 158

‘Is Chaturvedi-sahib thuis?’ vroeg hij uiteindelijk. Het meisje deinsde terug en trok de deur bijna dicht, zodat hij nog maar een smal strookje van haar kon zien: angstige ogen die op hem in zijn felgele Punjabi-kostuum neerkeken. Ze schudde haar hoofd. ‘Dan wacht ik binnen wel op hem,’ zei hij en hij liep de treden op naar haar toe. Zij was bewegingloos achter de deur blijven staan, maar die duwde hij lomp open. Het wond hem op om het dienstmeisje van de Chaturvedi’s ruw te behandelen. Toen hij haar met zijn hand achteruit duwde kromp ze tegen de muur ineen, ze wendde haar blik van zijn gezicht af en trok gauw haar hoofddoek weer over haar haren. Zonder hem aan te kijken gebaarde ze naar hem dat hij kon plaatsnemen in een grote kamer die uitkeek op de voortuin, waarin een bank en een paar stoelen stonden. Ze was een heel klein, tenger meisje en ze leek te worden verzwolgen door de schaduwen in dit grote, slecht verlichte huis, en misschien zou hij haar helemaal zijn vergeten als ze niet iets had gezegd, waarmee ze de aandacht weer op haar aanwezigheid richtte. ‘Wilt u een kopje thee?’ vroeg het meisje. ‘Een glas water,’ zei Shiva Prasad, die op de bank ging zitten. Hij hoorde het meisje door de keuken lopen en terwijl hij wachtte tot ze het water zou brengen, kwam de gedachte bij hem op dat dit de meid was die professor Ved Vyasa Chaturvedi had ingehuurd om de kleren van zijn dochter Sunita te wassen, om haar lingerie klaar te leggen en ’s morgens thee voor haar te zetten. Het moslimmeisje werd betaald om sariblouses van de vloer op te rapen in Sunita’s slaapkamer, om vlees en groenten te snijden voor haar onheilige maaltijden, om haar hindoelichaam te bezoedelen met haar islamitische lichaamssappen. Hij dacht aan de glimlach op Chaturvedi’s gezicht toen hij luisterde naar Shiva Prasads toespraak over gezinsharmonie, en aan de onuitsprekelijke daden die Chaturvedi’s hoerige dochter had begaan tijdens het bruiloftsfeest. En toen dacht hij aan de onuitsprekelijke daden die zijn oudste dochter Urvashi beging, en tegen de tijd dat het meisje 158


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 159

weer binnenkwam met het glas water, leek al zijn onderdrukte woede door zijn lijf te golven, door zijn bloed te deinen, in zijn handen en keel te tintelen en zich verzengend, witgloeiend, in zijn lendenen te hebben verzameld. Later zou Shiva Prasad weten dat het een tastbare, goddelijke vergeldingsdrang was geweest; dat de kracht van Heer Shiva in hem was gevaren en hem de weg naar zuiverheid en vergiffenis had gewezen teneinde Shiva Prasads falen als vader tot bedaren te brengen, om wraak te nemen voor de misdaden tegen de onschuldige hindoebevolking en zich te wreken op de barbaarse moslimman die de maagdelijke Urvashi als zijn Indiase danseres had genomen. Maar destijds dacht hij niet na bij wat hij deed of waar hij was. Hij dacht alleen aan het meisje en dat hij haar in zijn macht had, dat hij haar naar believen kon omdraaien en haar kleren uit kon trekken, dat hij haar kon buigen en breken. Eerst drukte hij haar op de bank neer, zodat het dienblad dat ze in haar handen had met een huiveringwekkend zacht metaalgerinkel op de grond viel. Daarna trok hij haar benen uit elkaar en het viel hem op hoe delicaat de synthetische stof van haar dupatta zich aan de contouren van haar jonge, volmaakte lichaam hechtte. En toen ze zielig begon te jammeren, deed hij voor het eerst zijn mond open: ‘Hou op met dat gemekker,’ zei hij en hij klemde zijn hand om haar keel, terwijl hij zijn dhoti loswikkelde, haar salwar naar beneden rukte en zijn penis bij haar naar binnen duwde. Shiva Prasad, die in geen jaren de daad had verricht en die had aangenomen dat dit hoofdstuk voor hem was afgesloten, stond versteld. Hij werd overvallen door een emotie die sterker was dan alle gevoelens die hij ooit had gehad als hij zijn vrouw penetreerde, een warmte die zich sneller dan welk gif ook door zijn hele lichaam verspreidde. Zijn zaadlozing kwam snel, te snel, en alle vernederingen die hij had ondergaan op zijn dochters bruiloft leken naar een plek heel ver weg te zijn getransporteerd. Toen hij klaarkwam nam hij het gezicht van het meisje tussen zijn handen en schreeuwde de naam van zijn Onnoembare dochter uit. Naderhand – het meisje 159


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 160

lag nog op de bank – maakte hij zijn kleding in orde en voelde hij zich net Arjuna, de asceet van de broers Pandava, die na jaren van onthouding eindelijk een vrouw omhelsde – de vrouw die de broers samen hadden: Draupadi. Ook deze daad was een mystieke ervaring geweest. Het meisje jammerde weer en bij het horen van dat geluid als van een gewond diertje herinnerde Shiva Prasad zich waar hij zich bevond en wat er was gebeurd en hij haastte zich de hal in zonder haar nog een blik waardig te keuren. Het laatste wat hij deed voordat hij de voordeur achter zich dichttrok, was een harde zet geven tegen een grote, zeegroene waterkan die op een tafeltje in de hal stond. Hij viel met een bevredigende klap op de marmeren vloer en Shiva Prasad wist zeker dat hij in minstens duizend stukken was gebroken. De auto stond nog op straat, maar de chauffeur was vreemd genoeg nergens te bekennen. Shiva Prasad ijsbeerde heen en weer en maakte zich ongerust omdat Vyasa elk ogenblik kon thuiskomen en hem zou aantreffen. Ten slotte klonk er een metalige klap van het hek en de chauffeur kwam een sigaret rokend uit de voortuin van Vyasa’s huis zetten. ‘Neem me niet kwalijk, meneer,’ zei hij. Maar Shiva Prasad liet zich niet kalmeren. ‘Jij daar!’ riep Shiva Prasad. ‘Rij terug naar het bruiloftsterrein en kijk of er nog iemand opgehaald moet worden. De pandit bijvoorbeeld. Zet mij af op de markt. Daar neem ik verder een taxi.’ ‘Goed, meneer.’ De man deed het portier open en Shiva Prasad ging enigszins opgelucht op de achterbank zitten. Zijn dhoti was slechts licht bevuild. Tegen de tijd dat Shiva Prasad thuiskwam, sliep zijn vrouw al. Hij trok zijn kleren uit in de badkamer, liet water over zijn naakte lichaam lopen en zeepte zichzelf van top tot teen in. Zijn handen gingen over elk stukje huid, onderzochten elke plooi en rimpel, verwijderden al het zweet, lichaamsvocht en de zoutige sporen van de geslachtsdaad.

160


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 161

15 Sunita zat in de trouwauto, blij maar ook angstig omdat ze nu een getrouwde vrouw was, en Ash en Ram liepen over het asfalt de lobby in van het Taj Man Singh Hotel. Tot dusverre was alles uitstekend verlopen. Ram had hen volgens afspraak vanaf het feest hierheen gereden en had gelukkig maar een paar grapjes gemaakt over de vreugden die Sunita tijdens haar huwelijksnacht te wachten stonden. Ash had haar hand stevig vastgehouden en haar verlegen toegelachen. Nu wachtte ze tot haar man aan haar kant van de auto zou verschijnen om haar op te tillen en over de drempel te dragen, alsof hij de held uit een film was en zij zijn beeldschone vrouw. Ze had deze scène vele malen gezien, in een heleboel films, met uiteenlopende rolbezettingen en kostuums. Maar Ash kwam haar niet ophalen. Ze zag hem door de glazen deuren naar Ram kijken en om iets lachen terwijl ze naar de balie liepen om te kamersleutel af te halen. En daarom stapte Sunita uiteindelijk maar zelf uit de auto, ze liep over het asfalt en betrad in haar eentje het hotel waar ze hun huwelijksnacht zouden doorbrengen. Inmiddels was ze doodmoe. Het was een lange en drukkende avond geweest, en het verlangen dat ze bij aanvang van het feest had gevoeld om uit al die zware trouwkleding te stappen, al die extra zware trouwjuwelen af te doen die haar extravagante vader voor haar had gekocht, zichzelf met helder stromend water af te spoelen en een koele, luchtige kurta-pyama aan te trekken, was teruggekeerd. Sunita was behangen, gewikkeld en gehuld in goud. Er hing goud om haar nek en haar beide polsen. De verlovingsring in Amerikaanse stijl met de drie diamantjes glinsterde 161


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 162

aan haar ene hand. Aan haar andere werd een brede traditionele gouden trouwring door een dun kettinkje verbonden met een dikke gouden armband. Er lag een gouden tikka, een voorhoofdssieraad, in haar haarscheiding en er hingen lange gouden oorhangers aan haar oren. Het gouden, met een diamant bezette neusknopje dat ze droeg werd door een dun gouden kettinkje verbonden met de oorbel, die op zijn beurt was verbonden met de tikka. Om haar hals prijkte een nauwsluitend collier in Rajasthani-stijl. Al haar kleren – het nauwsluitende lijfje, de volledige lehenga met zijn kralen en lagen zijde, de rijkelijk geborduurde dupatta – waren met de hand genaaid met gouddraad. Haar voeten staken in hooggehakte gouden slippers, maar de blaren die ze haar hadden opgeleverd voelde ze niet meer. Haar haren waren gekruld en gekapt en de jasmijnbloesems die erin waren gestoken en gevlochten waren deels gevallen en plakten al de hele avond tussen haar kraag en de blote huid van haar nek. Haar gezicht, dat met meerdere lagen lichtgekleurde crème, kohl, oogschaduw, poeder en lippenstift was beschilderd door een irritante vrouw met slechte adem uit het Indiase hotel, deed pijn van het glimlachen. Toen ze op de bruiloft een uur lang had stilgezeten (alles bij elkaar had het urenlang geduurd), had Sunita zich voorgesteld dat er emmers koel water over haar heen gutsten. Ze had zich het opscheppen en gieten van het water voorgesteld, het afspoelen en schrobben, het wrijven en afdrogen. Ze keek naar Ash en verbeeldde zich dat hij deelnam aan haar badritueel. Hem irriteerden de bloemenslingers ook; hij krabde de hele tijd in zijn nek waar de witte bloempjes langs streken. Toen viel de vrouw van oom Hari flauw en gedurende de daaropvolgende onrust wist Sunita opeens niet meer waar ze was. Het was inmiddels donker geworden en het bruiloftsterrein – dat gevuld was met lantaarns en lichtslingers, smaakvolle witte guirlandes en strikken van zijdeachtige witte stof langs de heggen, wolken van bloemen, tafels vol eten, met rood fluweel beklede stoelen en gasten, die vooral, ontzettend veel gasten in glanzende 162


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 163

en schitterende sari’s, met kostbare sieraden om en kleurrijke trouwtulbanden op – leek helemaal niet meer op de plek van daarnet. ‘Moeder,’ fluisterde Sunita met een verstrakt gezicht door de spanningen die het bruidje-zijn opleverden, nadat de vrouw van oom Hari was weggedragen, ‘mag ik zo’n pijnstiller waar u het over had?’ Toen ze de pil die haar moeder haar had gegeven eenmaal had ingenomen, maakte Sunita zich niet meer druk om alle ongemakken, zoals het gewicht van haar kleding, het zweet dat langzaam langs haar benen en borsten omlaag druppelde, de cameraman en de belichtingsjongen, die bedrijvig om haar heen zweefden, plotseling achter de bruiloftsgasten opdoken en dan weer terug dartelden, haar verblind en transpirerend achterlatend, vervolgens om een ander groepje bruiloftsgasten heen cirkelden en dan weer terugsnelden naar de verhoging waarop Ash en zij zaten, om haar opnieuw te verblinden. Wat haar moeder haar ook had gegeven, het zorgde ervoor dat haar lieftallige en onschuldige glimlach weer op haar gezicht verscheen, en terwijl ze de ene na de andere golf van felicitaties – heb-een-lang-levenen-veel-kinderen – van haar glanzend geklede verwanten en andere gasten in ontvangst nam, dreef ze weg, vloog ze op van het feestterrein, hoog boven de club uit, over de stad, vlak over India Gate, helemaal naar Old Delhi. En onder het vliegen veranderde ze in de godin Sita en werd ze net zo vlekkeloos, mythisch, rein en zuiver als sneeuw. In de lobby van het hotel was zachte pianomuziek te horen toen Ash en Sunita – man en vrouw – Ram goedenacht wensten en naar de lift liepen. Ze hadden een Deluxe-kamer op de tweede verdieping. Toen de liftdeuren achter hen dicht gingen, staarde Sunita in de spiegelwand naar haar echtgenoot. Hij glimlachte haar toe en toen ze op hun verdieping aankwamen, stapte hij voor haar uit de lift, hij liep de gang door naar hun kamer en maakte met zwierig gebaar de deur open. Sunita liep achter hem aan de kamer in en zag een groot tweepersoonsbed staan, het trouwboeket en een doos bonbons op de tafel voor het raam. Ze 163


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 164

ging op het bed zitten. ‘Wil je me helpen bij het afdoen van mijn sieraden?’ vroeg ze. Ze huiverde onder de aanraking toen hij de halsketting afdeed, voorzichtig de tikka uit haar haren trok, haar armbanden losmaakte, haar horloge afdeed, haar ringen verwijderde en zelfs haar gouden slippers van haar voeten haalde. Sunita zuchtte inmiddels van opwinding. Ze had het gevoel alsof ze nog nooit zo dicht bij elkaar hadden gezeten. ‘Je voeten zijn helemaal opgezet!’ zei Ash toen hij haar slippers netjes op de grond zette. ‘Helemaal opgezet!’ herhaalde ze. ‘Waarom ga je niet even in bad?’ stelde hij voor. ‘In bad!’ zei ze. ‘En zal ik dan iets te drinken bestellen?’ ‘Iets te drinken?’ Hij zoende haar op haar voorhoofd en verliet de kamer. Even bleef Sunita roerloos, alleen, in hun bruidssuite zitten. Daarna trok ze haar kleren uit, ze vouwde en stapelde ze op tot een hoge berg op een stoel. Ze hield alleen haar slipje en beha aan. Toen ze de deur van de badkamer opendeed, zag ze zichzelf in de spiegel: haar make-up was uitgelopen, haar krullen uitgezakt, en daaronder haar borsten, gevat in een kanten beha, haar buik, die haar man weldra zou kussen, de lichaamsdelen daaronder, die... Sunita ging onder de douche staan en liet het warme water over haar lichaam stromen. In haar verbeelding stond Ash naast haar, onder dezelfde waterstraal. Terwijl ze haar lichaam inzeepte, stelde ze zich voor dat ze zijn voeten waste met deze naar bloemen geurende zeep, en zijn scheenbenen en kuiten, en zijn knieën en dijen, en... Maar hoger kon haar fantasie niet gaan. Sunita nam ruim de tijd onder de douche. Ze droogde zich langzaam af. Toen ze hun kamer weer in liep, slechts gekleed in een handdoek, verwachtte ze Ash te zullen zien, die begerig op haar schone, zuivere, gewassen lichaam zat te wachten. Maar de slaapkamer was leeg en daarom zocht ze in de koffer die voor 164


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 165

haar was klaargezet naar een van de kortere nachthemden met doorschijnend kant rond het decolleté (die haar zus voor haar had gekocht) en ging in bed liggen. Na enige tijd hoorde ze geluiden op de gang. De deur ging open en Ash kwam binnen met een dienblad waarop twee koppen dampende melk stonden. Hij zette het blad neer op het nachtkastje, ging zitten en glimlachte naar zijn vrouw. Daarna kuste haar haar, heel licht, op haar mond. Sunita bleef gelukzalig liggen met gesloten ogen. Toen zij ze weer opendeed, roerde Ash met een theelepel in de mokken. Hij gaf haar er een en zei dat ze die helemaal leeg moest drinken. Ze vond dat het een beetje zoet, maar tegelijk ook zuur smaakte, een beetje vreemd. ‘Wat zit erin?’ wilde ze weten. ‘Whisky.’ ‘Whisky!’ Het was voor het eerst van haar leven dat ze alcohol proefde. Ze dronk alles op en daarna gaf ze Ash het kopje terug, legde haar hand tegen zijn gezicht, glimlachte hem liefdevol toe en zakte slaperig tegen haar kussen. Ash deed de lichten uit, ging naast zijn vrouw op het bed liggen, hield haar teder vast en wachtte. Hij wachtte heel lang, zelfs nog toen ze (gekalmeerd door zijn inactiviteit) al in slaap was gevallen en zachtjes snurkte. Hij lag na te denken over haar, over hun huwelijk en over haar broer. Hij had geen flauw benul wat hem overkwam. Zoiets had hij nog nooit meegemaakt. Het enige wat hij wist, was dat er twee Ash Chaturvedi’s waren: de gewone, alledaagse, die hier naast Sunita lag, en de andere, nachtelijke Ash die nu al meer dan een jaar hartstochtelijke gesprekken voerde op de computer met iemand die zichzelf Man-God noemde. En vanavond waren de Alledaagse Ash en de Nachtelijke Ash gedwongen geweest om samen te komen, en de Alledaagse Ash ervoer nu voor het eerst dat de Nachtelijke Ash sterker was. Er kroop een koude rilling langs zijn ruggengraat. Tot dan toe was alles altijd zo simpel geweest. De Nachtelijke Ash was verborgen voor het oog van de wereld, voor de Alledaagse Ash, voor 165


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 166

vader, voor Bharati, voor al zijn vrienden, voor iedereen op het lab, voor Sunita. De Alledaagse Ash had besloten om zich te gedragen zoals iedereen en te trouwen. En hij was getrouwd met Sunita en dat had hij gedaan om zijn verborgen nachtelijke kant en zijn gevoelens voor Man-God te verdringen. Maar op een afgrijselijke, monsterlijke en wonderlijke manier had dit huwelijk, dat alles ongecompliceerd en goed had moeten maken, de nachtelijke verleidingen dichterbij gebracht. Ash bleef bijna een uur zo liggen, hij werd heen en weer geslingerd tussen de Alledaagse en de Nachtelijke Ash en probeerde de een met de ander te verzoenen. Toen hij uiteindelijk opstond, hoopte hij half-en-half dat Sunita wakker zou worden en hem zou tegenhouden. Maar zij snurkte gewoon door, zelfs toen hij naar de deur sloop en die stilletje opendeed. Toen hij in de lift stapte, aarzelde hij weer even – haar gezicht op het kussen had er zo onschuldig en lief uitgezien – maar Ram wachtte op hem en Ram had al lang genoeg gewacht. De lift hield stil op de zesde verdieping, de deuren schoven met een tingelend geluid open, Ash liep de gang in en klopte op de deur van de kamer die Ram had gereserveerd onder de naam van de heer Manhattan, en daar stond hij: Man-God, niet als een schimmig internetcontact, maar als man van vlees en bloed. Prachtige Ram, de broer van zijn vrouw. ‘Slik door,’ beval Ram, en de pil was al op Ash’ tong gesmolten nog voor hij de kamer had betreden. ‘Wist jij het dan van tevoren?’ vroeg Ash. ‘Had je het geraden?’ ‘Door dat stomme ijs,’ mompelde Ram, terwijl hij op Ash zijn tepel knabbelde. ‘Oh,’ kreunde Ash – onder de plaagstootjes van Rams gewelfde neus huiverde hij van intens genot. Ash’ grootmoeder had de aanleiding gevormd voor hun ontmoeting. Na het flauwvallen van Sunita’s New Yorkse tante, wat voor een welkome afleiding had gezorgd, waren de bruid en brui166


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 167

degom opnieuw het middelpunt geworden van de fotoreportage, waarin elke beweging, elke flauwe glimlach en elke ongewilde grimas werd vastgelegd. Flits! De belichtingsjongen liet de lamp in Ash’ gezicht schijnen. Flits! Achter hem kuchte Sunita’s vader en zette zijn tulband recht. Flits! Sunita’s broer Ram, een knappe jongeman met een fraai gevormde neus en ondeugende ogen en rode lippen, die hij pas één keer eerder had gezien, op hun verlovingsfeest, verplaatste zijn gewicht van zijn ene been naar zijn andere en legde zijn hand op de rugleuning van Ash’ stoel. Flits! Hun beide oma’s zaten samen ijs te eten, pal onder het podium. De oude dames hadden een meningsverschil. De grootmoeder van Ash zei luidkeels tegen die van Sunita: ‘Het is ijs van Nirula! Ik garandeer je dat het Nirula-ijs is!’ ‘Nee,’ zei de ander. ‘Sunita heeft het besteld. Kishmish, badam, een Amerikaans-achtige naam...’ ‘Manhattan Mania!’ riep de eerste dame uit. ‘Manhattan Mania, dat is zijn lievelingsijs.’ Ze wees met haar lepel naar Ash: ‘Ja toch, beta?’ ‘Ja, oma,’ antwoordde hij gehoorzaam. ‘Manhattan Mania.’ Opeens rustte er een onbekende hand luchtig op zijn schouder. Flits! Een hand die vervolgens de druk op zijn sleutelbeen verstevigde. Flits! Ash keek om. Flits! Ram keek glimlachend op hem neer. ‘Ram?’ zei hij, en toen, voordat hij zichzelf kon tegenhouden: ‘Man-God?’ Flits! De blik waarmee ze elkaar aankeken was voor eeuwig gevangen op de Fuji Superior-kleurenfilm. ‘Dus toen wist je het?’ vroeg Ash hulpeloos, terwijl Ram Manhattan Mania’s benen likte, omhoogglijdend naar zijn liezen. ‘Ik wist het niet honderd procent zeker...’ zei Ram. ‘Maar de manier waarop jij Manhattan Mania zei, gaf me een enorme schok. Ik kon me niet inhouden. Sorry.’ ‘Je had het me beter niet kunnen vertellen,’ zei Ash, die rilde en smolt onder de druk van Rams tong. ‘Je had het nooit...’ Hij zweeg even. ‘En wat moet ik tegen haar zeggen? Wat moet ik tegen Sunita zeggen?’ ‘Kom op, yaar. Wat maakt het uit?’ Ram leunde even naar ach167


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 168

teren, keek op, en zei: ‘We zijn zwagers. Hoe gemakkelijk kan het zijn? Dit gebeurt overal. Hoe denk je dat al die huwelijken standhouden? Alleen maar hierdoor.’ En toen voelde Ash Rams tong weer op zijn naakte huid en werden verdere woorden in de kiem gesmoord.

168


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 169

16 Haar ogen gleden zonder enig begrip langs de keurig genummerde regels tekst, al trachtte ze die wel te begrijpen, en ze putte voldoening uit de paar woorden die ze wel kon thuisbrengen omdat ze in heel India werden gebruikt – de knoflook en de linzen, de gele koe, de tuinen waardoorheen rivieren stromen – en ze trachtte haar angst over de rest niet de overhand te laten krijgen: het weerlichten en de donderslagen, Satan en de engelen, het Boek, steeds weer het Boek, dat werd aangeroepen als een waarschuwing en vooral ook: Hij die staat aan het einde en het begin, onder en boven, evenwichtig en machtig, gespannen als een cobra die op het punt staat om toe te slaan, de Almachtige Allah, de Onkenbare, aan wie zij haar gewonde hart wilde toevertrouwen. Urvashi had in de avondschemering de Koran opengeslagen. Aisha was die middag naar het huis van de Chaturvedi’s gegaan en Humayun was al eerder vertrokken om de familie van de professor naar de bruiloft te rijden. Feroze zou nog zeker tot negen uur op de drukkerij blijven. Eerst had ze in haar eentje in de grote hal voor het raam zitten kijken naar de schaduwen die langzaam maar zeker langer werden en de avond dwongen om in te vallen en het huis in duisternis te hullen, op deze avond van haar zusters vrolijk verlichte bruiloft, en ze doorstond haar beproeving zoals ze steeds de eenzaamheid had doorstaan die haar al sinds haar huwelijk in de greep had. Haar gedachten dwaalden af van haar familie en ze dacht terug aan het bezoek van haar twee beste schoolvriendinnen. Ze had ze niet durven uitnodigen toen ze nog in de oude stad woonde, in de haveli, het familiehuis, waar je 169


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 170

geen enkele privacy had en waar Feroze was opgegroeid met zijn schares bleke, futloze neven die de hele dag in en uit liepen, en de oude tantes bonen dopten op het dakterras en de plagerige, brutale jonge neefjes na school nog in hun schooluniform thee kwamen drinken bij Ferozes hindoe-bibi om te kijken hoe ze het huishouden deed. Daaraan had ze haar schoolvriendinnen niet willen blootstellen. Het zou trouwens al moeilijk genoeg zijn geweest om ze de weg naar het huis uit te leggen, want het stond in het centrum van het oude Delhi, op tien fietsriksjaminuten afstand van de bioscoop aan Daryaganj, door een doolhof van smalle steegjes, waar slechts nu en dan een hindoebuurtje tussen te bekennen was. Maar toen Feroze en zij eenmaal in hun eigen huis waren getrokken, in een nette wijk op grote afstand van zijn familie, en zodra ze had rondgekeken en haar goedkeuring had gegeven aan het schilderwerk en het meubilair, en in het algemeen had vastgesteld dat het als huis precies leek op de huizen die ze zich uit haar jeugd herinnerde, belde ze haar twee beste vriendinnen op, die ze al vanaf haar negende of nog van daarvoor kende, en ze accepteerden allebei haar uitnodiging om op een donderdag te komen lunchen. Naderhand wist ze zeker dat ze zich niet had vergist, ze had hen uitgenodigd voor de lunch en zij hadden de uitnodiging aanvaard, zodat ze de hele ochtend met Aisha in de keuken had gestaan om van alles en nog wat klaar te maken; ze had Humayun voor twaalf uur twee keer op pad gestuurd, een keer om gestremde melk te halen en een keer om wat zoetigheden te kopen waar haar vriendin Shobba dol op was, bij een winkel in Defence Colony, en toen de twee aanbelden was de lange eetkamertafel helemaal gedekt met yoghurtcurry, auberginemoes, gevulde bittermeloen en dal met koriander, en was de rijst gaar en stond Aisha in de keuken de chapati’s uit te rollen. Aanvankelijk had alles bijna normaal geleken. Ze zaten met z’n drieën in Urvashi’s ruime voorkamer op de stoelen die ze bij het raam had geschoven en dronken een kopje thee met melk en precies de juiste hoeveelheid gember erin, zoals Aisha die bereid170


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 171

de. De vriendinnen keken om zich heen en bewonderden het huis, de grootte ervan, dat het gloednieuw was. Ze nam hen mee naar boven, hun slaapkamer door naar het dakterras, en daarna weer naar beneden om de tuin te laten zien, die Aisha elke middag begoot. Inmiddels waren er veertig minuten verstreken, het was tijd voor het eten. En dus leidde Urvashi haar vriendinnen naar de eetkamer. ‘Maar we hebben al gegeten!’ hadden haar vriendinnen in koor uitgeroepen toen ze op de drempel stonden en naar de tafel keken waarop een rij afgedekte schalen stond. ‘We hebben gegeten voordat we naar je toe kwamen.’ ‘Hoe kan dat nou?’ vroeg Urvashi verbaasd. Ze woonden in Saket, dus de rit naar Nizamuddin moest minstens een halfuur hebben geduurd. Ze had nog nooit gehoord dat iemand al om elf uur lunchte. De schoolvriendinnen wisselden een blik. ‘Mijn bhabhi stond erop dat ik een paar van haar uttapam opat, vlak voordat ik vertrok,’ zei Shobha. ‘Ze is dol op de Zuid-Indiase khana.’ ‘Ik doe aan de lijn,’ zei Shoma giechelend. ‘Kom, eet dan een klein beetje,’ drong Urvashi aan, die het nog steeds niet doorhad. Ze wees naar de gerechten waarvoor ze de hele ochtend in de keuken had gestaan. Ze probeerde het aan ze op te dringen, pakte een leeg bord en schepte er een beetje curry op, ze scheurde een chapati in tweeën en legde op elk bord een helft, alles om haar gezicht te redden. Maar haar vriendinnen weigerden om zelfs maar een kruimel te nemen van het eten dat ze speciaal voor hen had bereid. Ze wilden niet eens aan de eettafel gaan zitten. Opeens begreep Urvashi dat ze niet in een moslimhuis wilden eten. Maar dit is geen moslimhuishouden, had ze graag willen zeggen. Dit ben ik, en mijn man is toevallig moslim. Pas op die bewuste dag had Urvashi beseft hoe ver haar verstoting ging. Toen Feroze die avond thuiskwam, trof hij zijn vrouw in tranen aan en de koelkast uitpuilend met meer eten dan ze in een week op konden. Hij deed de aubergine, de curry en de karela ei171


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 172

genhandig over in aluminium bakjes, belde zijn moeder op en liet haar chauffeur komen om ze op te halen. Maar Urvashi was ontroostbaar. Gele koe, donderslag, Allah de Barmhartige, de Genadevolle. Ze kon het niet meer verdragen om aan haar vriendinnen te denken, daarom ging Urvashi in de studeerkamer van haar man zitten, waar het Boek verlicht door een krachtige bureaulamp open op zijn bureau lag. De tekst was in het Engels en het Arabisch, de bladzijden ritselden als je ze omsloeg en waren merkwaardig verstoken van afbeeldingen, heel anders dan haar hindoeboeken, die waren verluchtigd met plaatjes van Arjuna, Krishna en andere oude helden. Om negen uur belde Feroze om te zeggen dat hij de eerstkomende twee uur nog niet thuis zou komen. ‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg hij. Ze antwoordde naar waarheid: ‘Ik lees in de Koran.’ ‘Ach, Urvashi.’ Zijn stem klonk zorgelijk. ‘Hoor eens,’ vervolgde hij resoluut, en hij vertelde dat hij zijn moeder had gebeld en dat ze haar voor het avondeten verwachtten, dat er een nicht over was uit Aligarh, dat ze moest beloven dat ze een taxi zou nemen op de markt, meteen naar de oude stad zou vertrekken en niet langer thuis in de Koran zou blijven zitten lezen. Urvashi beloofde het. Maar toen ze in de taxi zat en naar de stad keek die aan haar voorbijtrok, dacht ze aan de vragen van haar schoonfamilie en hun nieuwsgierige, bezorgde gezichten en het gefluister dat door alle huizen van de hele familie zou gaan over het feit dat ze niet op het huwelijk van haar eigen zuster mocht komen, en ze dacht aan de rijkgevulde, olieachtige biryani die ze haar zouden laten eten en de roze, gesuikerde sharbat, die ze walgelijk vond, maar toch zou moeten drinken. Ze kon het niet opbrengen. De auto had intussen Daryaganj bereikt. Straks moest ze uitstappen en een fietsriksja nemen. Opeens dacht ze aan de grote moskee waar Feroze haar mee naartoe had genomen op een zondagmiddag om de schoonheid van de architectuur te 172


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 173

bewonderen. (Hij voelde nooit de behoefte om over zijn geloof te praten.) ‘Rij maar door naar de Jama Masjid,’ zei ze tegen de chauffeur. Maar toen de auto links afsloeg naar de grote moskee en ze die voor zich zag opdoemen, verheven boven de viezigheid en de mensenmassa’s dankzij het bordes met treden van rode zandsteen, zakte de moed haar opnieuw in de schoenen. Daar kon ze als hindoevrouw ’s avonds niet alleen naartoe. Ze was zich ervan bewust dat ze wispelturig bezig was, maar ze had ook geen zin om de schijn op te houden. ‘Rij maar terug naar Nizamuddin West,’ zei ze tegen de chauffeur, zonder zich erom te bekommeren of ze grillig of tegendraads bezig was, terwijl de paniek in haar opborrelde. Het was al tien uur. Feroze zou omstreeks elf uur thuiskomen. De koplampen van de taxi streken over de voorgevel van Urvashi’s huis in Nizamuddin en haar eerste gedachte was dat Feroze nog niet thuis was, zijn auto stond er niet. De koplampen bleven steken bij een figuurtje dat ineengezakt tegen de potten met varens aan leunde die net binnen het hek langs de inrit stonden. De taxichauffeur trapte op zijn rem. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Urvashi. De chauffeur liet de motor lopen toen hij uitstapte om te kijken. ‘Een jong meisje,’ zei hij toen hij terugkwam. ‘Er scheelt haar iets.’ Urvashi stapte uit. Het tengere figuurtje, dat vlak achter het toegangshek lag, verroerde zich niet. Maar door de gele chiffon jurk die ze droeg, zag ze meteen wie het was. Haar eerste reactie bij het zien van het slappe lichaam van haar dienstmeisje onder haar tabaksplanten en Himalaya-varens, was angst: Wat heb ik gedaan? En toen schoot haar te binnen dat ze Aisha aan het einde van haar middagdienst had moeten ophalen bij het huis van de professor. ‘Help me even,’ zei ze tegen de taxichauffeur. ‘We moeten haar naar binnen dragen.’ Het huis telde drie verdiepingen. Op de begane grond, tegen173


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 174

over de eetkamer, bevond zich een kamer en suite die Urvashi’s man had bestemd voor zijn moeder, die over een week bij hen zou komen logeren; het zou Urvashi’s eerste ramadan in haar eigen huis worden. Op de eerste verdieping was een kamer met een balkon dat uitkeek op de tuin, dat was de slaapkamer van Urvashi en Feroze, en een kinderkamer voor hun ongeboren kind. De tweede verdieping, een grote zolderkamer met dakterras, was nog helemaal leeg. Die wachtte, net als Urvashi’s leven, erop om in de toekomst gevuld te worden. ‘We leggen haar in de kamer op de benedenverdieping,’ zei Urvashi. Tussen hen in droegen ze het meisje door de marmeren toegangshal en ze legden haar op het tweepersoonsbed. ‘Ze is verkracht,’ zei de dokter later. ‘Hoe oud is ze? Ouder dan ze eruitziet, denk ik. Endemische ondervoeding. Baad haar, geef haar te eten en laat haar slapen.’ ‘Moeten we het niet bij de politie aangeven?’ vroeg Urvashi. ‘Dat zou kunnen,’ zei hij, ‘maar waar komt ze vandaan? Uit Nizamuddin-basti? Waarschijnlijk is de dader iemand uit haar eigen familie geweest. Probeer haar maar iets te laten eten.’ ‘Het is een misdaad,’ zei Urvashi. De dokter, een man van middelbare leeftijd met een uitdijend middel en een aardig gezicht, zei: ‘Ze wil er vast geen ruchtbaarheid aan geven. Dat willen deze slachtoffertjes nooit. En de politie is er niet in geïnteresseerd een onderzoek in te stellen voor een meisje uit Nizamuddin-basti.’ ‘Kunt u niets doen?’ Hij zuchtte. ‘Als u erop staat kan ik op eigen initiatief een monster nemen.’ ‘Een monster?’ vroeg Urvashi. Ze had geen idee waartoe dat diende, maar ze antwoordde kordaat: ‘Graag. Doet u dat.’ Toen de dokter een halfuur later vertrok, schreef hij een recept uit. ‘Dit kunt u morgenvroeg kopen. Na dit voorval is dat het beste voorbehoedsmiddel.’ Urvashi knikte, maar ze vond het zo onrechtvaardig om deze 174


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 175

misdaad in de doofpot te stoppen, dat ze de telefoon pakte zodra de dokter was vertrokken en het politiebureau van Nizamuddin opbelde om te vertellen wat er was gebeurd. ‘Dan moeten we het slachtoffer onderzoeken,’ zei de politieman. ‘De dokter is bij haar geweest. Ze slaapt nu.’ ‘Wie woont of werkt er nog meer in het huis?’ vroeg de politieman en Urvashi gaf hem de naam van haar man, Feroze, en haar chauffeur, Humayun. De politieman riep er een collega bij. Ze overlegden even toen zei hij tegen Urvashi: ‘U moet haar zo snel mogelijk hier brengen.’ ‘Ik breng haar morgenochtend wel,’ antwoordde ze en voordat hij een tegenwerping kon maken, legde ze de hoorn neer. Feroze kwam een uur later thuis van de drukkerij. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij toen hij de geschokte uitdrukking op het gezicht van zijn vrouw zag. Urvashi had haar haren in een paardenstaart gebonden, haar dupatta was achter haar rug geknoopt en haar kurta was nat. Maar het was haar gelukt om het meisje te wassen. ‘Aisha is hier,’ fluisterde ze. ‘Ze is verkracht. Ik vond haar voor ons huis. Ik heb haar iets gegeven om te slapen.’ ‘Wat doet dan ze in ons huis?’ vroeg hij. ‘Stuur haar naar huis. Ze heeft behoefte aan haar moeder. Het is onze zaak niet. Ze is onze bediende, je kent hun gebruiken niet. Haar eigen mensen ontfermen zich wel over haar. Niet jij.’ Urvashi schudde haar hoofd. Vanaf het eerste ogenblik dat zij en haar man naar hun eigen huis waren verhuisd, weg van zijn familie in de oude stad, was ze overvallen geweest door angst en opluchting – opluchting om haar onafhankelijkheid, angst omdat ze niet wist hoe ze een huishouden moest bestieren. Bedienden waren haar grootste bron van zorgen en hoop, en ze wilde dolgraag op goede voet komen met haar jonge hulpje en de chauffeur, zodat ze niet zou worden misleid door de geheimzinnige en onbegrijpelijke manier van doen van de bediendenkaste. Maar Feroze betwistte al haar handelingen: in plaats van haar zelfver175


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 176

trouwen te stimuleren herinnerde hij haar er voortdurend aan dat ze als hindoe totaal niet wist hoe deze mensen – deze moslimbedienden – leefden. Hij, die haar toen ze nog in de oude binnenstad woonden had gewezen op de principiële gelijkheid van alle mensen, die tegen haar zei dat wat vertrouwd leek in het huis van haar ouders en vreemd in het huis van zijn ouders, niets voorstelde en slechts een illusie was – hij schaamde zich nu voor haar medeleven. Nu benadrukte hij alleen maar de afstand tussen hen. Urvashi keek naar hem en herinnerde zich hoe ze Aisha had vastgehouden, haar had gewassen en gekalmeerd. Jij bent een man, zei ze bij zichzelf, wat weet je ervan? En toen ze haar mond opendeed om hem misschien voor de eerste keer sinds ze getrouwd waren tegen te spreken, voelde Urvashi zich op een prettige manier in haar recht staan. ‘Aisha gaat niet naar huis,’ zei ze. ‘Ze is bang. Ze blijft hier. Ze heeft hier wel vaker geslapen de afgelopen maand toen jij in Bombay was. Zodra Humayun terugkomt, stuur ik hem naar haar moeder om te zeggen dat ze morgenochtend terug zal zijn.’ Die nacht bleef Urvashi bij Aisha zitten tot het meisje in slaap was gevallen. Humayun was niet teruggekomen nadat hij de Chaturvedi’s naar de bruiloft had gereden, maar dat was Urvashi eigenlijk niet opgevallen. Op haar stoel bij het raam hield ze de wacht over Aisha. Het voorhoofd van het meisje voelde warm aan en haar haren, die ze oliede en overdag in een strakke vlecht droeg, lagen nu als tentakels over haar kussen uitgespreid, of als de bladeren van een drakenboom of de uitgestrekte armen van de godin Kali. Ten slotte viel Aisha in slaap en Urvashi keek neer op de iets geopende lippen, zag een glimlach over Aisha’s gezicht trekken toen ze droomde en heel voorzichtig en besmuikt proefde ze de zoetheid van de liefdadigheid. Eindelijk deed ze iets goeds. Ze luisterde naar de klok in de hal, naar de naderende en zich weer verwijderende voetstappen van de nachtwaker. Zou Aisha mij kunnen meenemen naar de moskee? vroeg ze zich doezelig af. Zouden we samen de Jama Masjid kunnen bezoeken? En 176


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 177

de gedachte bekroop haar dat haar kindje ook zo zou zijn. Een moslima. Een meisje zoals Aisha. ‘Ze dragen geen bindi,’ had haar man tegen Urvashi gezegd toen zij Aisha op de ochtend dat die met haar werk begon een pakje met goudreliëf versierde plakkertjes had gegeven en had voorgedaan hoe zij ze op haar voorhoofd kon drukken. ‘Ze hangen geen foto’s op,’ zei hij toen Urvashi haar nieuwe bedienden een plezier probeerde te doen door haar camera te pakken. ‘Ze zijn anders dan jij.’ Maar jij neemt wel foto’s, dacht ze bij zichzelf. Je nichten dragen wel een bindi. En jij bent een moslim. Hoe komt dat dan? ‘Waarom trouw je met een moslim?’ had Urvashi’s zusje Sunita met opengesperde ogen gevraagd, toen ze nog niet waren opgehouden om over dergelijke dingen te praten. En Urvashi had haar zusters vraag beantwoord met het aloude antwoord, waar niets tegenin te brengen viel: ‘Omdat ik van hem hou, natuurlijk.’ Maar soms had ze het gevoel dat dat niet klopte. Hield ze wel genoeg van hem? Niet genoeg om zijn moeder te begrijpen. Niet genoeg om zich prettig te voelen in zijn ouderlijk huis. Niet genoeg om over de profeten te lezen. Niet genoeg om te informeren naar zijn neven in Karachi of om het recept voor biryani van zijn tante te leren. Ik zal beter mijn best doen, nam ze zich voor, en streelde Aisha’s voorhoofd en verhitte wangen. Feroze sliep al toen Urvashi de trap op liep om naar bed te gaan. Ze glipte naast hem in bed en wenste dat de slaap gauw zou komen, maar haar hartslag ging te snel. Ze dacht eraan dat ze in de week nadat haar schoolvriendinnen hadden geweigerd het voedsel te eten dat zij had bereid, naar de markt in Nizamuddin was gewandeld om naar de kleermaker te gaan en toen een nieuwe islamitische boekwinkel had gezien op de hoek bij de snoepwinkel. Ze had de planken met religieuze boeken en educatieve pamfletten bekeken en twee boeken uitgekozen, die ze meenam naar de toonbank. ‘Bent u moslima?’ hadden ze nieuwsgierig gevraagd toen ze 177


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 178

hun het Overzicht van islamitische namen van vijftien roepie en de Islamitische uitgangspunten voor gezinsplanning van vijfentwintig roepie overhandigde. Urvashi had niet geweten wat ze moest antwoorden. Thuisgekomen liet ze het eerste boek aan haar man zien en hij was ermee ingenomen. ‘Kijk,’ hij sloeg de bladzijde open waarop zijn naam voorkwam. ‘Feroz: smaragd. Jouw juweel van een echtgenoot.’ Maar toen nam hij het tweede boek ter hand en schudde zijn hoofd. ‘Nee, Uzma, alsjeblieft. Niet dit. Dat moet je niet lezen.’ Urvashi had het toch gelezen. Het ging over het voorkómen van zwangerschap (azl was de Arabische term voor ‘voor het zingen de kerk uit’, begreep ze een beetje opgelaten), over abortus en polygamie, over moord, jihad, afvalligheid, overspel en struikroverij (in paragraaf 3.5: ‘Geaccepteerde redenen voor het beëindigen van een leven’). Het ging ook over verkrachting. ‘De essentie van verkrachting is,’ legde de schrijver uit, ‘dat het gebeurt zonder instemming van de vrouw, en hierin ligt de moeilijkheid. Moderne psychiaters hebben het gedrag van jonge meisjes en vrouwen die van het rechte pad zijn afgedwaald en voor de rechter zijn verschenen voor uiteenlopende zaken, uitgebreid bestudeerd. Hun psychische complexen zijn divers, hun geest is deels verwrongen door erfelijke gebreken, geestesziektes of abnormale instincten of een zwak sociaal milieu en deels door tijdelijke fysiologische of emotionele omstandigheden. Eén vorm die deze complexen kunnen aannemen is het verzinnen van valse aanklachten over seksueel misbruik door mannen. De ongecontroleerde gesteldheid uit zich incidenteel, maar rechtstreeks, in het vertellen van gefantaseerde seksuele incidenten, waarbij de vertelster de heldin of het slachtoffer is. Maar het echte slachtoffer in dergelijke zaken is de onschuldige man.’ ‘Heeft hij je verkracht?’ had Urvashi’s moeder gefluisterd toen Urvashi, voordat ze wegliep, naar haar toe was gegaan met het nieuws dat ze zwanger was. ‘Zal ik tegen je vader zeggen dat hij je heeft verkracht?’ ‘Doe niet zo raar, mam,’ had Ram gezegd. ‘Ze willen het, ze 178


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 179

zijn verliefd, ze gaan trouwen, snap je het niet? Ze krijgen samen een kind.’ Maar Urvashi wist nog steeds niet wat ze zou hebben gezegd als Ram er niet bij was geweest. En toen ze die avond voorgoed haar ouderlijk huis verliet, met slechts een koffer vol kleren (dat was alles wat er van haar jeugd restte), had haar moeder in de deuropening gestaan en uit de Gita geciteerd: ‘De vermenging van de kasten verdoemt zowel degenen die hun familie te gronde richten als de familie zelf. De voorouders zijn verstoken van hun rijst- en wateroffers, en kwijnen weg. Dergelijk onheil roept dit af.’ Een week later, nog geen week voor hun huwelijk, toen Urvashi een miskraam kreeg, dacht ze terug aan dat citaat en ze ging naar Feroze om hem te vertellen dat hij een vrij man was (en dat zij eveneens vrij was en dat er geen vermenging van kasten, religies en klassen hoefde plaats te vinden). Tot haar verrassing sloeg hij haar aanbod af. ‘Ik wil toch met je trouwen,’ zei hij. ‘Weet je dat dan niet?’ Nee, dat had ze niet geweten. En pas toen ontdekte ze tot haar verrassing hoe nobel zijn intenties waren en hoe nobel zij zich daardoor voelde. En eindelijk viel Urvashi in Nizamuddin in slaap, welgemoed, dankzij haar nieuwe voornemens, met haar kindje in haar buik en haar liefdadigheidsobject beschermd tegen verder leed.

179


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 180

17 Op de avond dat Aisha werd verkracht, verspreidde zich in Nizamuddin een gerucht door de hutjes langs het open riool: de demon met het olifantenhoofd is terug. Dit schepsel – met zijn tollende ogen en zweepachtige slurf, die vervloekingen mompelde op een toonhoogte die alleen baby’s en oude vrouwtjes konden horen – werd gezien door een vrouw toen ze naar de pijpleiding liep om water te halen. Iedereen die in bepaalde buurten van Delhi was opgegroeid, kende deze demonen, die op gezette tijden de stad schrik kwamen aanjagen. Nog maar een halfjaar eerder, in de snikhete zomer, waren de bewoners in de illegale sloppenwijken langs de rivier hun hutjes uit gevlucht omdat de Aapman er was verschenen, een schepsel dat leek op de hindoegod Hanuman, maar dan door en door slecht; hij kon over huizen springen en kinderen met zijn handen vermoorden. De kranten berichtten dat er kinderen waren vertrapt toen de mensen in wilde paniek uit hun sloppenwijk probeerden te ontsnappen. Ministers grepen de gelegenheid aan om hun plannen voor een stadsschoonmaak te vervroegen. Een vrouw die ervan overtuigd was dat ze door de Aapman achterna werd gezeten, sprong haar dood tegemoet vanaf een drie verdiepingen tellend gebouw. Het gerucht over de olifantdemon begon toen een groepje vrouwen en jonge meisjes met hun emmers bij de nala-pijp aankwam en daar een buurtbewoonster aantrof die naar de lucht wees en zei: ‘Er ging net een demon langs de pijp naar de overkant. Hij trok zichzelf er met zijn slurf aan op.’ Misschien zouden de vrouwen deze verwarde buurvrouw op een ander moment in 180


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 181

het jaar ervan hebben beschuldigd dat ze aan wanen leed. Maar op die avond, zo vlak voor Divali, minder dan een week voor de ramadan, in een periode waarin alle prijzen stegen van de kerosine tot aan de suiker, waarin het meel dat in de winkels werd afgewogen zwart zag van de schimmel en waarin berichten de ronde deden dat de overheid van plan was om onfrisse migranten uit het centrum van Delhi te verwijderen, sloeg de paniek toe. Een voor een pakten angstige ouders hun kinderen op, ze lieten hun pannen waarin rijst stond te koken op kleine vuurtjes in de steek, staken rennend het riool over en holden door de straten van de basti om zich in de tombe van Nizamuddin voor de machinaties van de demon te verbergen. Tegen de tijd dat het laatste gebed werd gezegd hadden zich bijna tweehonderd ouders met kinderen uit de armste en smerigste buurt van Nizamuddin verzameld rond het gebeeldhouwde marmeren graf van de heilige Nizamuddin. De bewakers van de tombe probeerden hun angst te bezweren door erop te hameren dat zij als moslims geen aandacht moesten besteden aan dergelijke verhalen. Maar iedereen hier was opgegroeid met het bestaan van djinns. De mensen bleven met schrille stemmen praten en algauw stroomden ook de ouders uit de iets welvarender omliggende buurten de tempel in, en het duurde niet lang of degenen die de rijkste fantasie hadden, maakten ook de onverschilligste omstanders doodsbang met hun verhalen over wat de demon met arme mensen en ouderen uitspookte en vooral met hen die met hun geloof in de minderheid waren. Wellicht had dit alles nog geen gevolgen gehad als er niet een huis naast het riool, dat toebehoorde aan een voddenrapersfamilie, in vlammen was opgegaan. Ergens na middernacht vatte een verzameling oude kranten en plastic vlam – de vrucht van drie weken lang afval inkopen bij de dienstmeisjes en huisvrouwen in de buurt – en verbrandde zo snel, met zo veel zwarte walm, dat algauw alle omliggende huizen gevuld waren met rook. Onlangs hadden er in andere delen van India aanslagen op moslims plaatsgevonden en toen de paniekerige buurtbewoners de brand 181


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 182

roken, dachten ze aan brandstichting. Toen ze de straat op renden, zagen ze dat de vlammen de stal met karbouwen naderden. Toen de politie arriveerde waren er al minstens zes huizen verwoest. Er werd zelfs beweerd dat er een rijke hindoevrouw was betrapt die onder dekking van de chaos arme moslimkindertjes meepikte. Later die nacht, nadat sceptische leerling-verslaggevers verhalen hadden ingeleverd over de geestelijke instabiliteit van de arme Indiërs – geïllustreerd met kaarten van de basti en een artistieke impressie van de demon – en het onder elkaar schertsend hadden betreurd dat er niets spectaculairders was gebeurd (een schietpartij wellicht, een opstand of een afrekening in de onderwereld), en de twee lijken naar de moslimbegraafplaats waren overgebracht, barstten de speculaties los. De praatjes die de ronde deden in de rijke buurt werden met misplaatst gezag gebracht: het vuur was aangestoken door de hindoemaffia van grondbezitters, die de ongewenste arme moslims wilden verdrijven van de strook land langs het riool, omdat daar een enorme woonwijk was gepland met winkelcentra en parkeerterreinen; een autoweg, zei iemand anders; een cricketveld, beweerden anderen. De priesters in de tempel belasterden op hun beurt de moslims: die wilden ook altijd en eeuwig de aandacht trekken! Shankar Raj, een kruidenier uit Jangpura, fluisterde tegen zijn klanten dat naar zijn mening die smerige buurtjes wel aan een schoonveegbeurt toe waren; de moslims fokten als konijnen; straks namen ze heel India weer over, net als in de tijd van de Mogolen. En op de begraafplaats boven het riool wachtte Tabasum, Aisha’s moeder, tot haar dochter zou thuiskomen en ze vroeg zich griezelend af of de geruchten klopten en de olifantdemon inderdaad was gekomen om hen te grazen te nemen. Eerder die avond, omstreeks het tijdstip waarop de geruchten over de olifantdemon voor het eerst had geklonken, reed er met grote snelheid een auto over een van de brede lanen die uitwaaieren vanaf de India Gate in noordelijke richting. Iedereen die een blik 182


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 183

naar binnen had geworpen, zou hetzelfde hebben geoordeeld over de elegante vrouw die erin zat. Wanneer men Leela aan de overkant van een eettafel in Manhattan zag zitten, dan oogde ze perfect: een mooie, gesoigneerde vrouw die er goed uitzag voor haar leeftijd, iemand die ontwikkeld was zonder daarmee te koop te lopen en die haar meningen rustig kenbaar maakte. Slechts bij twee zaken stonden de toeschouwers wat langer stil: haar echtgenoot – die zakenman met dat aardige gezicht, het kalende hoofd en zijn opvallende gebrek aan gespreksstof – waar had ze die opgepikt? En verder een zekere verstildheid die ze uitstraalde, een soort triestheid, of op zijn minst een uitgesproken terughoudendheid. Kwam dat omdat ze geen kinderen hadden? Natuurlijk. Arme vrouw, dat bond haar natuurlijk aan hem. Daardoor werd haar schoonheid overschaduwd door haar droefenis. Alleen klopte het niet helemaal. De mensen hadden het bij het verkeerde eind. Hari en Leela reden in stilte terug naar Connaught Place. Ze voelde de stilte zwaar drukken, maar op de een of andere manier kon het haar niet schelen. Ze vroeg zich alleen maar af waarom ze zo lang was weggebleven, waarom ze niet eerder was teruggegaan. De zoon van haar zus, Ash, en dat prachtige, elegante meisje, Bharati, waren buiten haar blikveld opgegroeid. Ze zag nu in dat ze domweg een beeld was blijven koesteren van de mollige kindjes die ze ooit in haar armen had gehouden, en toen ze daarnet op het huwelijksfeest voor hen stond, was pas tot haar doorgedrongen hoe onterecht haar lange afwezigheid was geweest. De kinderen waren amper twee jaar oud geweest toen Meera hen in de steek had gelaten en wanhopig de rijweg op was gelopen. En toch had Leela niet gedaan wat Meera haar had gevraagd. Kom naar huis, had haar vader geschreven, de kinderen zijn nu met hem alleen. Maar ze was niet naar huis gegaan. Dezelfde wanhoop die als een wattendeken op haar zus was neergedaald, vloog de zeeën over om haar aan te kleven als een lethargie, blindheid, een vermogen om buiten te sluiten wat ze niet kon zien en te vergeten wat ze niet kon verdragen. 183


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 184

In de auto weigerde ze te praten en Hari hield zijn mond in het bijzijn van de chauffeur. Maar zodra ze thuiskwamen en de voordeur achter hen dichtviel, liep hij met grote stappen door de salon naar de tafel onder het raam en schonk een glas whisky voor zichzelf in. ‘Zeg het maar, wat is het grote geheim?’ zei hij met zijn rug naar haar toe. Leela stond nog steeds bewegingloos in de gang. Zijn stem klonk scherp, dat was nieuw, en ze zag aan hem dat zijn verdraagzaamheid een grens had bereikt. Hij zou haar willen dwingen om over haar verleden te praten. ‘Wij hebben samen iets afgesproken,’ bracht ze hem in herinnering. ‘We zijn naar New York verhuisd, ik mocht mijn leven in India vergeten. Dat was de afspraak.’ ‘Maar waarom heb je niets gezegd?’ Toen hij zich naar haar omdraaide, zag ze zijn ogen fonkelen in het licht van de straatlantaarns. Ze had hem nog nooit zo boos gezien. ‘Waarover?’ ‘Dat je Ved Vyasa Chaturvedi kende.’ ‘Wat maakt het uit?’ zei ze. ‘Het maakt wat uit,’ stak Hari van wal met een stem die steeds harder klonk, ‘omdat onze familie nu met de zijne is verbonden. Onze families zijn verbonden door dit huwelijk. Dat soort dingen is belangrijk. Ik herhaal: hoe ken je hem?’ Ze bekeek hem met een rustige, taxerende blik, deze man met wie ze was getrouwd. Ze was niet alleen met hem getrouwd om te ontsnappen aan de wereld waar ze vandaan kwam, bracht ze zichzelf in herinnering, niet alleen omdat hij had beloofd haar mee te nemen. Ze had ook bewondering gehad voor deze kant van Hari, ze vond zijn praktische kijk op de wereld prettig, ze vond troost in de logica van zijn redeneringen, zijn hersens die moeiteloos met cijfers goochelden, situaties en mensen precies goed wisten in te schatten maar ervoor terugschrokken om die dingen onder woorden te brengen. Ze had haar mogelijkheden tegen elkaar afgewogen en was tot de conclusie gekomen dat de rust en zekerheid die ze in zijn aanwezigheid voelde te verkiezen 184


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 185

waren boven een pragmatisch gearrangeerd huwelijk en een bredere basis boden dan een grillige liefde. ‘Hij was getrouwd met mijn zus,’ zei ze. ‘Meera, zijn vrouw, was mijn zus.’ Dit had Hari niet verwacht. Hij staarde haar aan. ‘Je hebt geen zus.’ ‘Die had ik wel.’ Ze sprak hem op nonchalante toon tegen. ‘Mijn ouders, die mij adopteerden, hadden al een kind.’ Ze herhaalde de naam nog eens nadrukkelijk: ‘Meera.’ ‘Maar waarom...?’ begon hij. ‘Omdat,’ zei ze, ‘mijn zus en ik elkaar niet meer konden zien toen ik met jou trouwde. Daarom heb ik het je nooit verteld.’ ‘Maar al die tijd...’ Hij liet zich op de stoel naast het raam zakken. Ze keek naar hem, hij nam een teug whisky en stond meteen daarna weer op om nog een glas voor zichzelf in te schenken. ‘Dus dit heb je al die tijd,’ herhaalde hij langzaam, ‘voor mij verborgen gehouden. Waarom?’ ‘Ik wilde er niet over praten,’ zei ze, en hoewel de herinnering zich heftig in haar begon te roeren, vervolgde ze rustig, alsof het niet zo belangrijk was: ‘Mijn zus heeft me in Santiniketan in de steek gelaten en is met Vyasa getrouwd. Toen we nog niet zo lang in New York woonden is ze gestorven.’ Ze keken elkaar even aan. Opnieuw overwoog ze om hem haar eenzame geheim te vertellen. Er was iets wat ze tweeëntwintig jaar geleden had gedaan en waarover ze sindsdien nooit meer had gesproken. Iets beschamends, iets beneden haar waardigheid, iets wat ze in al die tijd die er daarna was verstreken eigenlijk nooit goed had kunnen verklaren. Dat was de tragedie van Leela Sharma, de zus van Meera Chaturvedi, adoptiefdochter van Dipankar Bose. Het had geen zin om het hem nu te vertellen. Ze liep naar de slaapkamer. ‘Kom terug,’ riep Hari haar achterna. ‘Kom terug en vertel waarom je dit al die jaren voor me geheim hebt gehouden.’ Ze was bij de veranda aan de achterkant van het huis aangekomen toen hij zijn glas wegsmeet. Ze hoorde het op de vloer uit185


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 186

eenspatten en kromp in elkaar, ze draaide zich nog net op tijd om om te zien dat hij de whiskyfles erachteraan gooide. Daarna kiepte hij de drankentafel om, hij tilde hem met enige moeite op en ze zag de flessen traag over het tafelblad glijden om vervolgens onvermijdelijk, met veel gerinkel, op de grond te vallen. ‘Hari,’ zei ze zacht. ‘Hari, het is niet zo dat...’ ‘Je hebt me vanavond voor schut gezet,’ kapte hij haar af, staande tussen de glasscherven. ‘Je weigerde om met professor Chaturvedi te praten, wiens zoon vandaag met mijn nicht trouwt, en intussen,’ zijn stemgeluid zwol weer aan, ‘wonen we hier in Delhi. Onze families zijn met elkaar verbonden. Hoe moeten we nu in hemelsnaam met elkaar omgaan, kun je me dat alsjeblieft vertellen?’ ‘Jij hebt me gevraagd om terug te gaan,’ zei Leela. ‘Ik heb hier niet om gevraagd.’ Ze gebaarde naar het huis om zich heen. ‘Jij hebt hebt me hiertoe gedwongen. Jij hebt me dit aangedaan. Jij bent tegen onze afspraak in gegaan.’ ‘Ik hou van je, Leela,’ zei hij. ‘Ik heb je alles gegeven wat in mijn vermogen ligt. Jij hebt dingen voor me verborgen gehouden. Jij...’ Hij wees naar haar. ‘Jij hebt mij onthouden wat ik als man van je wilde.’ En hij barstte in huilen uit, nu hij het onzegbare dat tussen hen in stond had gezegd. Ze keek naar hem – hij huilde, zijn bovenlip trilde van zelfmedelijden en instinctief wilde ze naar hem toe gaan, hem vasthouden en zeggen dat zij ook van hem hield. Maar ze kon het niet. Ze moest zichzelf overeind zien te houden, trachten te voorkomen dat ze helemaal instortte. Dus keek ze alleen maar naar hem toen hij voor haar stond en haar overlaadde met zijn woede, en daarna wendde ze zich af en liep naar de slaapkamer. Ze trok de deur achter zich dicht, ging op het bed zitten en luisterde naar het kreunen en steunen van het huis om haar heen. Zodra Hari het zijn rug toedraaide, schudde haar vaders huis zijn triomfantelijke nieuwe incarnatie van zich af, het liet zijn armen uit de pasgeverfde wanden glijden, wierp de moderne schilderij186


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 187

en van zijn middel, ontdeed zich van het met zorg uitgekozen meubilair en werd opnieuw het huis van Leela’s dwalingen. Onder het warme, gepolitoerde teakhout rook ze het Delhi van toen: de bruine mist in de vroege ochtend, de geparfumeerde bomen in de nacht, dat aroma van bedrog dat naar haar toe zweefde op elk zuchtje wind dat vanuit de tuin naar binnen dreef. Ze tilde haar hoofd op en luisterde. Van buiten klonk geen enkel geluid en ze realiseerde zich dat ze had verwacht dat hij deemoedig aan de slaapkamerdeur zou komen om haar berouwvol om vergiffenis te vragen. Net toen ze overeind wilde komen, hoorde ze het gekraak van glasscherven. Zijn voetstappen waren onhoorbaar toen hij naar de voordeur liep, maar het huis schudde op zijn grondvesten toen hij de deur achter zich dichtsmeet. Ze sprong op van het bed en rende naar de veranda. ‘Waar ga je heen?’ riep ze hem achterna, maar hij was weg. ‘Hari?’ riep ze. Van haar kalme gezaghebbende manier van doen was niets meer over. ‘Hari?’ Ze rende de gang door naar de voordeur en trok die open. Ze zag nog net de enorme auto de weg op rijden. Binnen keek ze naar de berg glasscherven die hij in zijn woede had veroorzaakt en die het dienstmeisje morgenochtend zou moeten opruimen, en ineens dacht ze aan de twee jonge mensen die ze waren geweest: hij zo fris en vol hoop, zij met een litteken dat onzichtbaar door haar wezen liep. Hij had alles gewild, haar Hari, hij had verwacht dat al het geluk van de wereld in zijn armen zou vallen met het gemak en de vreugde van een kind dat naar zijn vader toe holt om hem te begroeten. Ze hadden voor dit huis gestaan, toen hij zijn verbazing erover had uitgesproken dat zij de zijne wilde worden. Staande op het pad, met de huissleutel in haar hand, had ze naar hem teruggelachen. Ze had zijn hoopvolle stemming gevoeld en had die op haarzelf laten overslaan. Ze had zichzelf voorgehouden dat ze alle ellende uit het verleden de rug kon toekeren, Vyasa en Meera, het verdriet en de rouw waarin haar vader was gedompeld; dat ze een nieuwe wereld kon betreden met deze onbekende en optimistische man en alles wat fout en besmet was achter zich kon laten. 187


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 188

Ze liep snel de gang door, hun slaapkamer in, deed de kast open en trok er een sjaal uit. Toen ze een glimp van zichzelf opving in de spiegel, van haar dikke zwarte met grijs doorschoten haren en de saffraankleurige sari die ze uit Hari’s collectie had gekozen – uitsluitend omdat die haar aan Meera deed denken – lachte ze hardop. Wat had ze zichzelf een fraaie rol toebedeeld. Niemand had ooit tegen haar gezegd dat ze de verstandigste moest zijn, de verantwoordelijkste; zoiets was nooit uitgesproken. Haar ouders vroegen haar nooit om zich als Meera’s beschermster te gedragen. Maar ze wist dat ze van elders kwam en door de familie was opgenomen, ze had de banden tussen hen nooit precies begrepen en had altijd het gevoel gehad dat de liefde die ze voor haar voelden wel afhankelijk moest zijn van haar goede gedrag. Zelfs als klein meisje al maakte ze zichzelf wijs dat Meera de meeste liefde van hen tweeën verdiende. Daarom werd ze een expert in goed gedrag. Ze lette op Meera. Ze was voorzichtig. Domme vrouw, zei ze nu bij zichzelf. Meera heeft die kwetsbaarheid misschien uitgebuit, maar je vader hield van je. Ze pakte haar tasje en liep de straat op om een taxi aan te houden. De enige die ze zich nog herinnerde was de ayah van de kinderen. Toen ze Nizamuddin-basti bereikte leunde ze naar voren en verzocht ze de chauffeur te stoppen. ‘Naast het politiebureau,’ zei ze en ze keek door het raampje naar de ingang van de basti, waar een heleboel lampen schenen, kraampjes stonden en mensen liepen. Ineens was ze bang. Ze kende Nizamuddin niet goed. In de paar maanden dat ze in Delhi had gewoond, tussen Santiniketan en New York in, was ze er maar twee keer geweest. De eerste keer was ze erheen gegaan om Meera te zien en had ze in plaats daarvan kennisgemaakt met Vyasa’s moeder. Het huis waarin Vyasa met haar zus woonde was hoog en statig, en lag aan een met bomen omzoomde straat. Er was een dienstmeisje en een tuinman, en de kinderen hadden een ayah die Raziya heette. Deze vrouw, 188


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 189

een moslima, was ook pas gehuwd, en zij woonde in bij de familie van haar man, in een paar kamers vlak bij de tombe. Destijds deed de basti dorps aan, met karbouwen voor de hutten, kippen in de tuinen en lijnen vol wasgoed voor de sjofele maar vrolijke keetjes waarin de arme moslims woonden. Maar in de jaren van Leela’s afwezigheid was er een doolhof van betonnen gebouwen en gedeeltelijk bestrate wegen uit de grond gestampt die het uitzicht op de tombe belemmerden. Langs de weg stond een reeks goedkope hotelletjes, met winkels op de begane grond die diensten en spullen verkochten aan mensen op doorreis: een overnachting, iemand om mee te slapen, een sjerp om over het graf van de heilige man te leggen. Ze wist niet waar de ayah woonde, maar ze herinnerde zich dat ze had gezegd dat het aan de achterkant van de tombe was, tussen het riool en de weg in. Het was er echter zo erg veranderd, dat ze toen ze over de markt naar de tombe liep – langs reisbureaus, honden, belwinkels, koranstudenten, bedelaars met stokken en mannen die karretjes met kohl voor de dames en elastiek voor ieders broek voortduwden – merkte dat haar geheugen haar in de steek liet. Ze wilde niet aarzelen en hier zo laat op de avond stil blijven staan, en dus liep ze door en nam het pad dat naar boven liep langs de Urdu-poëzieacademie, die bijna boven op het graf van de dichter Ghalib was gebouwd, in de richting van de tombe van de heilige Nizamuddin, over een plein vol kraampjes met eten, en toen de smal toelopende toegangsweg in, waarlangs bloemenverkopers en schoenenbewaarders stonden. Ze deed haar schoenen uit en droeg die in haar hand mee; het pad van pokdalig marmer prikte onder haar blote voeten. Hoe dichter ze bij de ingang van de tombe kwam, hoe vochtiger het pad werd, en ze liep met weerzin over de vage moddersporen van ontelbare andere voeten. Het was buiten op straat zo rustig geweest, dat ze verwachtte beneden op de binnenplaats van de tombe vrijwel niemand te zullen zien. Maar toen ze de laatste bocht in de gang om kwam, zag ze dat de tombe afgeladen was met mensen. 189


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 190

Er waren er honderden, allemaal arme mensen in versleten kleren die hun schamele bezittingen bij zich hadden en bij elkaar lagen of zaten te prevelen en te huilen, of met onrustige, angstige gezichten stonden te praten. Ze waren niet voor zichzelf gekomen – om kinderen, goud of zakelijke voorspoed af te smeken – en ze waren ook niet gekomen om zich te verliezen in het gewijde, smekende gezang. Deze mensen waren hier, dat voelde ze meteen, vanwege een collectief drama. Moeders hielden hun kinderen tegen zich aan gedrukt; mannen overlegden opgewonden in groepjes. Oude vrouwen wiegden heen en weer en brachten een angstig, ijl gejammer voort. Leela zag mensen opkijken en elkaars blik vangen, er hing een vreemde, collectieve gewaarwording van gevaar. Ze sprak een oude man met een astrakan pet op zijn hoofd aan, die op de treden zat. ‘Wat is er aan de hand?’ Hij keek op. ‘Heeft u het niet gehoord?’ Hij legde een vinger tegen zijn lippen en fluisterde: ‘De olifantdemon is terug.’ ‘En de mensen zijn hier vanwege een demon?’ vroeg ze, zonder haar laatdunkendheid te verbergen. Hij nam haar even op en wendde toen zijn hoofd af. ‘Pas op uw woorden, mevrouw.’ ‘En wat doet die olifantdemon?’ ‘Sommigen kennen hem nog van een vorige keer. Toen zijn er vijf mensen gestorven.’ Leela keek naar de mensenmassa. ‘Kent u Raziya?’ vroeg ze even later. ‘Ze was de ayah van de kinderen van professor Chaturvedi in Nizamuddin West.’ Deze keer was het de beurt van de oude man om minachting te tonen. ‘Welke Raziya?’ Hij haalde schamper zijn schouders op. ‘Kent u er maar een? Er zijn er zoveel.’ Leela baande zich een weg langs de dicht bijeengekropen families en slaperige kinderen, stapte over benen en blote voeten heen, stak het binnenterrein over, negeerde het marmeren graf van de heilige en liep de nauwe toegang in aan de andere kant, die om de diepe, open put leidde met zijn smerige groene water, 190


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 191

waarop een vlies dreef. Toen ze bij het hek aan de noordkant uitkwam trok ze haar schoenen weer aan, ze stak een sigaret op en keek om zich heen. Het was donker op straat, maar er brandde licht in een kantoortje in de buurt, vlak bij de hoofdstraat. Onder het lopen rookte ze gehaast door, zonder zich erom te bekommeren of iemand haar zag, en toen ze bij de straatlantaarn aankwam waaromheen insecten dansten, drukte ze de sigaret uit en riep naar de drie mannen die ze door de smerige ruit zag zitten. Volgens het bord op de gevel was dit het kantoor van de lokale Congress-activisten in Nizamuddin. Ze zaten te kaarten en dronken rum, maar een klein mannetje met hennahaar kwam naar de deur toe en ze beschreef het kindermeisje aan hem, ze herhaalde dat Raziya in dienst was geweest van de professor. De man raadpleegde zijn collega’s. ‘Probeert u het naaiatelier aan de rechterkant van de weg maar,’ zei hij toen hij weer buiten kwam, ‘tegenover de slagerij.’ Hij sloeg naar een mug in zijn nek. ‘Maar wees voorzichtig. De mensen zeggen dat er een demon rondwaart.’ Ze lachte, en de man keek haar beledigd aan. ‘Dat kwam door uw accent,’ verontschuldigde ze zich in het Bengali. ‘Ik heb het zo lang niet meer gehoord.’ Haar verklaring was maar ten dele onjuist. In Amerika hadden Hari en zij bijna altijd Engels gesproken, maar hier in Delhi voelde ze haar moedertaal, het Bengali, en het Hindoe dat ze ooit had geleerd, in zich opborrelen uit een donker verborgen hoekje en zich via haar longen, samen met steeds meer van haar vroegere leven, ontrollen als een plant die zijn scheuten naar het licht uitstrekt. Ze nam afscheid van de man en liep verder door de verduisterde straat naar waar de slagerij zou moeten zijn. Bij alle winkels waren de luiken neergelaten en veel opschriften waren in het Urdu, dat ze nooit had leren lezen. Maar toen ze terugliep door de straat zag ze een winkelopschrift met een handgeschilderde afbeelding van een vrouw in een golvende salwar kameez en uit de kleurige draadjes en restjes stof die op de grond voor het pand lagen, maakte ze op dat dit de kleermakerij moest zijn. Het rolluik was neergelaten, maar binnen brandde er licht en toen ze haar 191


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 192

gezicht dichterbij hield, hoorde ze het geratel van een naaimachine. Ze liep de treden op en klopte op het metaal. ‘Raziya,’ riep ze, ‘Raziya.’ Ze klopte nogmaals aan en de naaimachine verstomde. Leela zei op luide toon: ‘Ik wil Raziya spreken.’ ‘Wie is daar?’ De vrouwenstem klonk op haar hoede. ‘Een vriendin.’ Het geluid van een rolluik dat werd ontgrendeld weerklonk, daarna werd het enkele tientallen centimeters omhoog getrokken en toen Leela eronderdoor tuurde, keek ze in de ogen van een vrouw van ongeveer haar eigen leeftijd, die een sobere sari van blauw katoen droeg waarvan de slip omhoog was getrokken, zodat die haar haren vrijwel geheel bedekte. De vrouw sperde haar ogen open toen ze Leela zag. ‘Je hebt voor de kinderen gezorgd. De kinderen van de professor,’ zei Leela in het Urdu. De vrouw schudde haar hoofd. ‘Ik kan me u niet herinneren.’ Ze deinsde terug en ging op haar hurken zitten. ‘We zijn samen naar de tombe van Humayun tombe gegaan. Ik heb je wat gouden sieraden gegeven. Je moet het nog weten. Je zorgde voor de tweeling. Twintig jaar geleden.’ Leela boog zich zo dicht naar haar toe dat ze de rimpels en de dikke streep kohl om haar ogen kon zien. ‘Heb je die sieraden nog?’ fluisterde ze. ‘Ik wil ze graag terug hebben. Ik zal je er geld voor geven.’ Het waren rijkelijk bewerkte, verfijnde sieraden – maar het belangrijkste was dat ze voor Leela een schakel vormden met haar kindertijd, met haar dode moeder, met dat deel van haarzelf dat ze bijna had weggesneden. Toen zij ze aan Raziya had gegeven waren ze alles was ze bezat. Nu kon ze ze alleen al met het geld dat ze op zak had terugkopen. Ze wilde ze dolgraag terug als cadeau voor Bharati om zo een band tussen hen te smeden. Maar de ayah zei nauwelijks verstaanbaar: ‘Ik heb het goud verkocht. Ik zorg niet meer voor de kinderen. Ik kan u niet helpen.’ Ze keek langs Leela heen de straat in. ‘Nu moet u gaan.’ Toen week ze achteruit en trok het luik met een klik in het slot op de grond, en aan het geluid kon Leela horen dat het werd vastgezet met een zwaar 192


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 193

hangslot. Maar ze bleven ieder aan hun kant van het rolluik gehurkt zitten luisteren, de een met teleurstelling, de ander met angst in het hart; en voordat Leela overeind kwam vroeg ze zacht: ‘Was Vyasa’s vrouw gelukkig? Was ze gelukkig als moeder? Kun je me dat vertellen?’ Maar Raziya antwoordde niet en Leela schaamde zich opeens dat ze hier zomaar naartoe was gekomen. Het was niet de schuld van de vrouw dat ze het goud had verkocht, Leela had het haar gegeven om haar over te halen voor de kinderen te blijven zorgen. Toch wilde ze dat ze de sieraden had. Ze verlangde ernaar, zowel naar haar erfenis als om meer te horen over de kinderen die Meera had achtergelaten. Ze liep weg van de kleermakerij, de straat uit, en haar stemming sloeg op de haar zo vertrouwde manier om van opstandig in verdrietig. Ze verweet zichzelf zelfmedelijden en de gedachte aan de geïntimideerde mensen die bijgelovig opeengepakt zaten in de tombe kwam als een soort bestraffing bij haar op. De weg waarop ze zich bevond liep langs de buitenrand van de basti door een buurt die nog armoediger en sjofeler was dan de rest. Leela kreeg een angstig voorgevoel, omdat ze gekleed in haar glanzende trouwzijde door deze wijk liep. En ze had ook geen duidelijke voorstelling van wat ze zou zeggen of doen wanneer ze bij Vyasa’s huis aankwam. Ze liep helemaal door tot aan de kruising waar de karbouwenstallen voor de hutten van de kabariwallahs stonden. Toen zag ze de brand. De vlammen grepen snel om zich heen, likten aan hout en plastic, terwijl de lucht zich vulde met dikke zwarte rook. De karbouwen loeiden, ze schroeiden van de hitte. De mensen struikelden hun huizen uit met kinderen en haastig bijeen gegraaide bezittingen in hun armen. De wind voerde een vieze rookpluim naar haar toe, zodat ze hoestend dubbelklapte en haar ogen uitveegde. Toen ze weer overeind kwam zag ze mannen die emmertjes water op het laaiende vuur gooiden en woedend met dekens op de vlammen sloegen: hun gezichten glommen door de hitte en de inspanning van het zweet. Desondanks verspreidde het vuur 193


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 194

zich moeiteloos over de huisjes, het omhelsde televisietoestelletjes en knisperde van vreugde als het vat kreeg op bruidsschatten en kledingstukken. Er stond een groepje vrouwen met hun kinderen en baby’s die in het holst van de nacht uit hun bedjes waren gesleurd – ze waren allemaal zo dun en klein, met hun dunne armpjes en oplettende ogen – en Leela vroeg zich opeens af of zij op de dag dat de munshi haar uit het dorp had meegenomen ook zo breekbaar en hulpeloos op Meera’s vader was overgekomen. Haar beide ouders hadden haar ogen mooi gevonden: grote zwarte poelen, die vrolijk de wereld in keken, geheel in tegenspraak met haar vluchtige contact met de dood. Een klein kind, een meisje, stond alleen aan de rand van de menigte. Haar mond was verkrampt van het huilen, en omdat Leela zag dat ze vergeten was, liep ze naar haar toe en tilde haar op. Ze woog bijna niets en droeg een smerig, lang geel T-shirt. ‘We gaan je moeder zoeken,’ zei Leela en ze drukte een zoen op haar droge, samengeklitte haar. ‘Hoe heet je?’ vroeg ze, maar het kind begon alleen maar te huilen. ‘Stt,’ zei Leela. ‘Wees maar niet bang.’ Achter hen klonk een schreeuw. ‘Laat haar los!’ Het was een vrouwenstem, ze werd bijgevallen door een tweede: ‘Die vrouw steelt onze kinderen!’ En plotseling werd ze ingesloten door een kring van woedende vrouwen, die het meisje uit haar armen rukten en gilden dat ze hun kinderen ontvoerde om ze naar een weeshuis te brengen, of aan rijke Saudi’s te verkopen, of naar de bordelen in Bombay te sturen. ‘Ik probeerde haar te helpen,’ zei Leela, maar de vrouwen begonnen alleen maar harder te krijsen en duwden tegen haar aan, terwijl Leela probeerde weg te komen en haar armen ophief om zichzelf te verdedigen. ‘Hé!’ riep een mannenstem berispend op bevelende toon. ‘Laat die dame met rust.’ De vrouwen draaiden zich om en zagen een lange jongeman die wapperend met een schrijfblok op hen af liep. Hij was te jong om ambtenaar of iemand met enige status te zijn, maar hij sprak met zoveel vertoon van gezag dat de vrouwen een stukje achteruit gingen. ‘Kom gauw mee. De hele basti is hysterisch,’ zei de man in het 194


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 195

Engels tegen Leela en ze volgde hem over het smalle weggetje dat omhoog liep de basti uit naar de wijk waar Vyasa woonde. Een stukje verderop ging ze op de brede stoep zitten voor een met een rolluik beveiligde winkel, nog natrillend van angst door de razernij van de vrouwen. ‘Ik blijf hier even zitten,’ zei ze tegen de man, haar gezicht afvegend met de punt van haar sari. Ze keek naar hem op. ‘Dank u wel.’ ‘Gaat het weer?’ vroeg hij. Ze knikte. ‘Ik zal een kop thee voor u halen,’ zei hij en ze zag hem met zijn schrijfblok naar het vuur teruglopen. Ze bleef in haar eentje zitten en dacht aan de mensen die ze vandaag in de tombe had gezien: ze leken precies op de arme mensen in haar dromen en uit haar herinneringen aan haar vroegste jeugd, en ze besefte dat ondanks alles wat Hari beweerde, sommige dingen in India niet waren veranderd. Ze wist dat haar vader altijd muntgeld gaf aan de bedelaars die in hun huis in Calcutta aan de deur kwamen. Ze deed haar ogen dicht en dacht terug aan het terras van haar ouderlijk huis en het licht dat ’s ochtends door de vensters naar binnen stroomde, het aroma van de tulsi tussen haar vingers en de geur van het ruwe zeeptablet dat op een schoteltje op de badkamervloer lag, die haar altijd aan haar moeder deed denken. Ze dacht aan haar vader, na haar moeders overlijden, en hoeveel moeite hij had gedaan om Meera ervan te weerhouden in Santiniketan te gaan studeren. Hij had per se gewild dat zij en Leela naar de universiteit van Delhi zouden gaan. Hij zei dat hij zijn huis in Delhi voor hen zou inrichten en hen in contact zou brengen met vrienden die deel hadden uitgemaakt van de literaire kringen uit zijn jeugd. Hij werd enthousiast als hij aan zijn eigen studietijd terugdacht. Hij vertelde hun over de straten rond Chandni Chowk en over een haleem-bereider met een lange witte baard die hij had gekend, wiens hele familie naar Pakistan was vertrokken, en over de dikke stroperige zoetigheden die je er kon kopen op winteravonden. Hij sprak over de ontzagwekkende moskee, de poëzievoordrachten die hij 195


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 196

in Civil Lines had bijgewoond, de qawwali’s die hij op donderdagavonden in de tempel van Nizamuddin had horen zingen. Hij wilde dat zijn dochters het land zouden zien dat ze hadden geërfd, zei hij, en ze konden het beste met de hoofdstad beginnen. Daarna konden ze naar Bombay gaan en de westelijke Ghats en de deelstaat Tamil Nadu. Maar eerst moesten ze naar Delhi, net als hij had gedaan. Dat was zijn overtuiging, en daar sprak hij vaak over. Leela deed haar ogen open en zag de jongeman terugkomen. Zij en Meera waren uiteindelijk inderdaad naar Delhi gegaan, maar niet op de manier die hun vader voor ogen had gehad. De jongeman had twee glazen flesjes met limonade bij zich, waaruit dunne rietjes staken. ‘Er waren geen theestalletjes open,’ zei hij, terwijl hij een flesje aan haar gaf. Ze glimlachte. Ze dronken de zoete, koude vloeistof en na enige tijd zei hij: ‘U was toch op de bruiloft vanavond? De bruiloft van Ash Chaturvedi?’ Ze keek hem aan, trok een wenkbrauw op en glimlachte weer, deze keer om zijn ernst. ‘Ik was degene die flauwviel.’ ‘Ja,’ zei hij, ‘dat zag ik.’ Hij glimlachte terug. ‘U bent toch de zus van Meera? Leela Bose?’ Ze zette het limonadeflesje neer. ‘Hoe weet jij dat?’ ‘Ik heb dat artikel geschreven over het gedicht van Lalita. Ik heb wat research gedaan.’ ‘Wat voor een research?’ ‘Ik was degene aan wie “Het laatste dictaat” was verstuurd.’ ‘Waarom aan jou?’ ‘Dat weet ik niet. Heeft u het dan niet gestuurd?’ ‘Waarom zou ik?’ ‘Maar jullie hebben het toch samen geschreven?’ Ze stond op; ineens was ze ontzettend moe. De gedichten deden er niet toe. Waarom vroeg hij haar naar de gedichten? Ze keek zwijgend van hem weg en zag, eindelijk, de brandweerauto aan komen rijden uit Lodhi Road en zich op zijn plek manoeuvreren. De dikke waterstralen werden op de vlammen 196


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 197

gericht en er klonk een hard, aanhoudend gesis toen het vuur werd gedoofd. ‘Waarom bent u zo laat nog in de basti?’ vroeg de jongeman vervolgens. ‘Wilde u het vuur zien?’ Ze aarzelde. ‘Ik kwam iets halen wat ik kwijt was.’ ‘En heeft u het gevonden?’ ‘Ik ben nog maar net begonnen met zoeken.’ Ze staarde naar de omtrekken van de verkoolde, kapotte huisjes. ‘Waarom ben jij zo laat nog op straat?’ vroeg ze. ‘Ik hoorde het lawaai en ging beneden kijken. Ik woon aan de rand van de basti.’ ‘Ga je over de brand schrijven?’ ‘Het vuur en de demon.’ ‘En over een hindoevrouw die werd betrapt op het stelen van moslimkinderen?’ Hij lachte. ‘Nee.’ Na een ogenblik liet hij erop volgen: ‘Maar ik zou graag wat meer schrijven over de gedichten. Wilt u mij erover vertellen? Ik zou u wel thuis willen uitnodigen, maar daar ligt iemand te slapen en ik wil haar niet wakker maken. Het café van het Oberoi Hotel is waarschijnlijk wel vierentwintig uur per dag open. Of anders is er een nachtstalletje met thee bij het spoorwegstation van Nizamuddin Oost...’ ‘Ik wil niet over de gedichten praten,’ onderbrak ze hem, en toen ze de teleurstelling op zijn gezicht zag, voegde ze er wat aardiger aan toe: ‘Maar bedankt voor je belangstelling. Ik moet er nu vandoor.’ ‘Prettig u te hebben leren kennen.’ Ze trok de sjaal om haar schouders. ‘Bedankt dat je me hebt gered.’ ‘Het genoegen was geheel aan mijn zijde,’ zei hij galant. Toen haalde hij een visitekaartje uit zijn portefeuille en gaf dat aan haar. ‘Voor het geval u van gedachten verandert,’ zei hij. Leela pakte het aan zonder naar de naam te kijken, die ze zich nog van het artikel herinnerde – Pablo Fernandes –, en stopte het in haar tasje. Voordat ze vertrok bleef ze nog even staan kijken 197


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 198

naar de mensen die hun uitgebrande huizen inspecteerden en toen knikte ze nogmaals vermoeid naar de verslaggever en liep het weggetje uit naar de rand van de basti. Hier maakte de sloppenwijk opeens plaats voor brede, met bomen omzoomde straten, die met royale tussenruimtes bebouwd waren met grote, hoge huizen van minstens drie verdiepingen, elk met een tuin en een hek erom. Ondanks haar vermoeidheid vond ze Vyasa’s huis gemakkelijk: het lag langs de weg tegenover het riool en zijn naam prijkte op de hekpaal. Ze stond op straat naar het huis te kijken en bedacht dat het in vergelijking met de hutjes in de basti een wonder van soliditeit was. Er stonden veel bomen en heesters in de tuin: bamboe, tempelbomen en een Indiase mastboom, en ergens in de buurt stond een raat-ki-rani, een ‘koningin van de nacht’, die de atmosfeer vulde met haar bloemengeur. Ze leunde tegen de muur van het parkje dat aan de overkant langs het riool was aangelegd, pakte nog een sigaret uit haar tasje, stak hem op en luisterde naar het loeien van de nachttreinen die het station van Nizamuddin passeerden, naar het getik van de stok van de chowkidar in de verte en naar het incidentele geblaf van de honden in de buurt. Ze wist dat ze Hari moest bellen, maar hoe vermoeider ze zich voelde, hoe meer ze dacht aan dingen die ze probeerde te vergeten. Ze trok de sjaal dichter om haar schouders en juist op dat moment ging er een lamp aan in Vyasa’s huis.

198


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 199

18 De professor en zijn moeder behoorden tot de laatste gasten die het feestterrein verlieten en Humayun was een van de laatste chauffeurs die aanwezig waren. Ze bleven niet omdat ze dat wilden, maar omdat ze bezorgd op Bharati wachtten. De professor en zijn moeder hadden Bharati weliswaar de hele avond niet meer gezien, maar wilden toch op haar wachten. ‘Waar is ze toch?’ vroeg de professor een beetje geërgerd aan Humayun, alsof hij zou moeten weten waar ze uithing. ‘Heb je haar niet gezien?’ Humayun schudde zijn hoofd en de professor zei kortaf: ‘Wacht buiten tot we je roepen,’ en Humayun keerde terug naar het vuur waar hij eerder op de avond met de andere chauffeurs had gezeten en wachtte daar nu alleen, denkend aan Aisha. Aanvankelijk hadden de andere chauffeurs, allemaal hindoes, Humayun in hun midden verwelkomd – ondanks het feit dat hij sterk van hen verschilde, zowel wat zijn stemming als zijn bezigheden betrof. Hun Divali-feest zou over enkele dagen plaatsvinden en ze hadden die avond zin om een ‘feestelijk’ gokje te wagen, zoals ze het noemden. Zodra het donker was, had een van de mannen een spel kaarten tevoorschijn gehaald. Iemand anders had een dobbelsteen. Een derde had zelfs een fles illegaal gestookte alcohol bij zich en die ging een beetje heimelijk rond. Humayun bedankte als enige moslim voor al deze dingen. Hij had nooit gegokt en hij wilde geen alcohol drinken. Maar de andere mannen bleven vriendelijk. Ze vroegen naar zijn werk, waar hij woonde en hoe hij op de bruiloft terechtkwam. Hij vertelde dat hij vanavond door de professor was ingehuurd om diens familie 199


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 200

op en neer naar de bruiloft te rijden. ‘Mijn verloofde werkt in zijn huis, ze zorgt voor de moeder van de professor,’ zei Humayun. Het was grootspraak, maar ze mompelden allemaal bewonderend. Nadat ze de restanten van de bruiloftsmaaltijd te eten hadden gekregen, dronken de chauffeurs nog meer en werd hun gokspel onbesuisder. Toen verloor een oude man honderd roepie en hij voer uit tegen zijn tegenspeler dat die zijn verdiensten van hem afpakte en dat hij nu geen Divali-cadeautjes voor zijn kleindochters kon kopen, en hij stond op voordat het helemaal uit de hand zou lopen. De stemming sloeg om, iemand beweerde dat de moslimtaxichauffeurs de komende Divali al hun klanten gingen inpikken, omdat die tijdens de feestdagen gewoon doorwerkten tegen torenhoge tarieven, wat heel oncollegiaal was. De stemming werd nog grimmiger toen er iemand over de Ram-tempel begon: ‘De regering mag hem wel heel snel bouwen, nu onze mensen eindelijk bevrijd zijn van de moskee die keizer Babur boven op de geboorteplek van Heer Ram heeft laten bouwen!’ ‘Die geitenneukers zeggen dat het ook hun land is. Hoe durven ze?’ zei een oudere chauffeur. Een van de jongere mannen liet zijn handen door de lucht golven. ‘Ze zijn jaloers op onze vrouwen. Wij hebben de godin Sita, de vrouw van Ram, zij is zo prachtig. Wie hebben zij daarmee in vergelijking?’ ‘Hun vrouwen doen het met iedere vent die voorbijkomt,’ deed een tengere man in een blauw overhemd en een blauwe broek ook een duit in het zakje. ‘Daarom hebben ze zo veel kinderen. Het is gewoon een lachertje om ze die boerka’s te laten dragen.’ Hij keek Humayun aan onder het praten. Humayun stond met tegenzin op. Ze probeerden hem uit zijn tent te lokken. ‘Het is beledigend wat je zegt,’ zei hij langzaam. Het kaartspel werd gestaakt. In het licht van het kampvuur was te zien hoe gretig hun gezichten stonden. Ze wilden vechten. ‘Beledigend?’ herhaalde de dunne man in het blauwe overhemd. ‘Noem mij de naam van één deugdzame moslima.’ ‘De vrouw met wie ik ga trouwen.’ Op hetzelfde moment had 200


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 201

Humayun al spijt van zijn opschepperij. De mannen in de kring wierpen elkaar blikken toe en lachten. Voordat er ergere dingen konden gebeuren, liep Humayun weg van het vuur. Hij ging in de auto van de professor zitten die boven aan het laantje stond en keek nu en dan naar de vertrekkende bruiloftsgasten – de vrouwen in luxe sari’s van blauwe, groene of paarse zijde, die het feestterrein verlieten en naar Delhi terugkeerden. Hij wilde dat zijn Aisha zo’n sari bezat. Hij zou er een voor haar kopen als ze getrouwd waren. Hij deed zijn ogen dicht en maakte zich even zorgen over wat ze vanmiddag in zijn kamer hadden uitgespookt, over wat hij haar had aangedaan. Hij moest zo snel mogelijk hun verloving bekendmaken bij hun moeders. Na een poosje hoorde Humayun het bruidspaar met veel herrie vertrekken. Hij stapte uit de auto en liep een stukje over het laantje naar een punt van waaraf hij de zoon van de professor samen met zijn vrouw in een witte auto beplakt met rode rozen zag wegrijden op hun huwelijksreis. Een voor een begonnen de leden van de omvangrijke familie van de bruid eveneens te vertrekken. Weldra waren alle goklustige chauffeurs bij het vuur weg en alle donkere contouren van de auto’s die eerder langs de weg naar de Vliegeniersclub geparkeerd stonden, hadden hun koplampen ontstoken, waren gekeerd en als vuurvliegjes in de nacht door het laantje verdwenen. Humayun was nu nog de enige chauffeur. Aangezien het koud was in de auto ging hij terug naar het vuur en daar zat hij te knikkebollen tot zijn naam werd geroepen. Het was de professor. ‘We gaan,’ zei hij. Hij maakte een geagiteerde indruk. ‘Mijn moeder is te oud om nog langer te wachten.’ Terwijl de professor terugliep naar de tuin om zijn moeder op te halen, haastte Humayun zich door het laantje naar de tennisvelden, waar hij de auto had geparkeerd. Hij deed net het portier van het slot toen hij een taxi vanuit de stad hoorde naderen. De taxi remde af toen hij Humayun in zijn koplampen zag staan en hij stopte naast hem. Het raampje schoof langzaam omlaag. Humayun hoorde de stem eerder dan hij het gezicht zag. 201


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 202

‘Ik heb net een gast afgezet in Nizamuddin,’ zei de stem, ‘en ik ben teruggekomen om de pandit op te halen. Ik moet je iets vertellen. Ik heb een moslimmeisje gezien bij het huis van de professor waar je verloofde werkt. Ze is verkracht. Chaturvedi heet hij toch? In een hoog huis tegenover de nala?’ Het was de tengere man met het blauwe overhemd, die zich eerder op de avond zo beledigend had uitgelaten over moslima’s. Humayun probeerde zichzelf tot bedaren te brengen. Het kon niet anders of die man dreef de spot met hem. Maar de stem van de man trilde en dat kon alleen maar van angst of medelijden zijn. De chauffeur zei nu: ‘Droeg ze gele kleren? Ik zou maar gauw naar haar toe gaan als ik jou was.’ ‘Wie heeft haar aangevallen?’ vroeg Humayun. Maar het raampje gleed dicht en de auto reed snel weg naar de ingang van de Vliegeniersclub. Humayuns handen beefden toen hij de sleutel in het contact probeerde te steken. Hij zag de spichtige man uitstappen, snel het feestterrein op lopen en door de met jasmijn versierde poort naar iemand roepen. De professor en zijn moeder kwamen net naar buiten. Niemand sprak een woord tijdens de terugreis. Toen ze bij het huis van de professor aankwamen, stond de voordeur op een kier. ‘Aisha,’ zei Humayun. Hij sprong de auto uit en rende naar het huis, zonder de moeder van de professor te helpen met uitstappen. ‘Aisha!’ riep hij, terwijl hij de stoeptreden op rende. In het huis van de professor was het vrijwel helemaal donker, op een lamp in de keuken en de gang na. Humayun gleed bijna uit over de stenen waterkruik, die aan scherven op de grond lag. Hij rende Aisha’s naam roepend de trap op, knipte de lampen aan, gooide de deuren van de slaapkamers en de badkamers open en bereikte ten slotte de bibliotheek op de bovenste verdieping, waar de boeken van de professor stonden. De boekenkasten stonden strijdlustig in het gelid als goed getrainde soldaten. Humayun draaide de bureaulamp aan in het midden van de kamer en 202


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 203

kroop onder het bureau om ook daar te kijken. Hij deed zelfs de buitendeur van het slot, liep het dakterras op en keek over de muur de tuin in. Toen hij weer naar beneden rende, stond de professor in de hal. ‘Waar ben je mee bezig?’ wilde de professor weten. ‘Waar is Aisha?’ Zijn stem klonk hard en boos. ‘Wat voeren jullie verdorie in je schild?’ ‘Ze had beloofd dat ze hier zou wachten tot mevrouw Ahmed haar kwam ophalen,’ zei Humayun. ‘Ze heeft mijn moeders vaas gebroken!’ zei de professor. ‘Het is nog een geluk dat er niemand door de open deur naar binnen is gewandeld en de rest van de inboedel heeft meegenomen. Aisha is jong, onhandig en gauw afgeleid. Ga haar maar zoeken bij dat andere werkadresje van haar en zeg dat ze hier niet meer hoeft terug te komen.’ Humayun gaf geen antwoord. Maar toen hij naar de voordeur liep, riep de professor hem terug. ‘Hier,’ zei hij. Humayun draaide zich om en zag dat hij hem een envelop toestak. Het was zijn loon voor die avond. Humayun duwde de envelop in zijn zak en rende langs het riool naar de basti om Aisha te zoeken op de begraafplaats, terwijl hij intussen nadacht over wat de hindoechauffeur had verteld en zich afvroeg of hij zich zelf misschien schuldig had gemaakt aan vleselijke lusten. Door zijn onreine gedachten over de dochter van de professor had hij zich aan Aisha opgedrongen voordat ze getrouwd waren, waardoor ze te laat was aangekomen bij het huis van de professor en hij had verzuimd goede afspraken te maken om haar na de bruiloft op te halen – hij had zich zelfs op de wispelturige mevrouw Ahmed verlaten om het meisje op te halen zodra de schemering inviel. Als het waar was wat de chauffeur beweerde, dan was het zijn schuld. Zijn moeder had helemaal gelijk – Humayun balde zijn vuisten – alle ellende in de wereld was de schuld van de mannen. Hij had bijna de doorgang bereikt die naar het riool in de 203


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 204

diepte leidde, toen hij gegil hoorde in het steegje voor hem en brand rook. ‘Wat is er gebeurd?’ riep hij naar een groepje mensen dat onder de bomen naast het riool stond. Overdag zaten de voddenrapersvrouwen hier hun lege bierflesjes, hun Old Monk- en Royal Challenge-whiskyflessen, de potjes van de ingemaakte mango, hun Engelse en Hindi kranten en hun met etensresten besmeurde plasticafval te wegen. Een man in een geblakerd overhemd met een baby in zijn armen keek Humayun aan. ‘Zie je het niet? De kabaribuurt stond in de fik. Het vuur spreidde zich al uit naar de volgende huizenrij. De wind woei van de kant van het riool en we waren bang dat de hele basti in vlammen zou opgaan, maar de hemel zij dank zijn er maar twintig of dertig huizen afgebrand. We konden het vuur doven.’ ‘Zijn er doden gevallen?’ ‘Een jong meisje, misschien twee, zijn gestikt in de rook. En ook een baby aan de andere kant van de basti. Veel mensen zijn de tombe in gevlucht. De lijken zijn naar het politiebureau gebracht.’ ‘Welke jonge meisjes?’ De baby werd wakker en begon te huilen, de man draaide zich om en gaf het kind aan zijn vrouw. ‘Welke jonge meisjes?’ herhaalde Humayun nu luidkeels. ‘Hoe heetten ze?’ De man keek weer op. ‘Ons huis staat vol met rook,’ zei hij, ‘mijn kinderen huilen van angst en kou. Ik ken de namen van die meisjes niet. Ga het maar navragen op het politiebureau.’ Humayun aarzelde even en holde toen weg. Hij duwde de groepjes mannen opzij die met een ontredderde maar berustende uitdrukking op hun gezicht op straat over de brand stonden te praten, en hoestend en halfstikkend van de rook rende hij langs de rand van de basti naar de hoofdweg. Op de hoek van de bastimarkt werd hij opnieuw overvallen door de angst om op een avond als deze in zijn eentje naar het politiebureau te gaan en hij riep naar een timmerman die met zijn kleinkind op zijn knie op een bankje voor zijn werkplaats zat 204


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 205

en zijn sceptische blik gericht hield op zijn zoon, die een tafelblad aan het schaven was: ‘Heeft u de meisjes gezien die bij de brand zijn omgekomen? Wat hadden ze aan? Was er een in het geel gekleed?’ De timmerman, een grote man, keek op en haalde zijn schouders op. ‘Geel?’ Hij keek naar zijn zoon. ‘Was er een in het geel gekleed? Het zou kunnen. Maar je kunt er beter zelf heen gaan om...’ Humayun bleef niet staan luisteren. Tegen de tijd dat hij bij de thana aankwam, was hij buiten adem. Het politiebureau lag aan de andere kant van de markt, aan de buitenrand van Nizamuddin, in de vork van de twee hoofdwegen die langs de noord- en oostrand liepen, en was omgeven door een tuin. Na het lawaai en de angst in de basti was het hier onwezenlijk stil. Humayun liep de inrit in en daarna de treden op naar de deur. Terwijl hij daar stond en op adem trachtte te komen, aarzelde hij opnieuw. Niemand die hij kende zou ooit uit eigen beweging naar de hindoebeambten van het politiebureau in Nizamuddin gaan om hulp te zoeken. Toen dacht hij aan Aisha, die verkracht was, dood of stervende, en hij klopte aan. Het ergste wat ze konden doen was hem onverrichterzake wegsturen. Een lange politieman met een dikke pens deed de deur open. Hij had het met een collega over een of ander kipgerecht: ‘Geen ui, geen knoflook, alleen kokosnoot. Gebakken in ghee met heel klein beetje maanzaad. Ja?’ vroeg hij, neerkijkend op Humayun. Zo beleefd mogelijk legde Humayun uit dat zijn nichtje zoek was en dat hij bang was dat ze gewond was geraakt bij de brand; konden ze bevestigen dat geen van de slachtoffertjes Aisha heette? De politieman duwde deur verder open en wees naar een houten bank naast de ingang waarop Humayun kon wachten, tegenover een bureau waar een andere politieman aantekeningen maakte in een groot register. Hij riep naar de kamer erachter: ‘Je moet het op een hoog vuur bakken, totdat het vel knapt. Dat is 205


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 206

een speciaal Bengaals foefje. Zo doet mijn schoonzuster het,’ en in de aangrenzende kamer barstten drie andere mannenstemmen in lachen uit. De kipliefhebber wendde zich weer tot Humayun: ‘Hoe was haar naam, zei je?’ ‘Aisha,’ herhaalde Humayun. ‘Aisha.’ Opeens viel er een stilte. De politieman achter het bureau keek op van zijn schrijfwerk. ‘En jouw naam is?’ ‘Humayun.’ De politiemannen keken elkaar weer aan en de schrik sloeg Humayun om het hart, hij zette zich schrap en omklemde de bank met allebei zijn handen. ‘Weet je wat er vanavond is gebeurd met een meisje dat Aisha heet?’ vroeg de man achter het bureau ten slotte. Humayun opende zijn handen om aan te geven dat hij van niets wist. Hij was niet in staat, genegen of van plan om bij deze mannen te informeren naar het andere dat haar wellicht was overkomen. ‘Meneer,’ zei hij, ‘ik hoop dat ze niet is verbrand.’ Hij wilde deze mannen niet over Aisha horen praten, het maakte hem boos. Maar een derde politieman, die in een andere kamer zat, stond op en kwam in de deuropening staan. ‘Wat er gebeurd is, is veel erger voor de reputatie van een vrouw.’ De agenten keken elkaar weer aan en de man achter het bureau knikte. De kipliefhebber kwam op hem af en boog zich zo dicht naar hem toe, dat Humayun zijn warme adem kon voelen. ‘Heb je modder op je broek?’ vroeg de politieman en hij plukte tussen duim en wijsvinger iets zwartigs van Humayuns dij. Humayun keek naar de plek. ‘Dat is as van de brand,’ verklaarde hij. De kipman gaf hem een draai om zijn oren. ‘Het is modder, vieze geitenneuker,’ zei hij. ‘Heb je gevochten?’ ‘Gevochten? Nee, meneer.’ ‘Ben je getrouwd?’ ‘Getrouwd?’ 206


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 207

‘Heb je vleselijke gemeenschap gehad?’ ‘Pardon?’ En Humayun hoorde de man achter het bureau met vermoeide stem zeggen: ‘Uit mijn ogen. Naar de verhoorkamer.’ ‘Maar meneer,’ protesteerde Humayun toen ze hem naar de kamer ergens achter in de thana duwden, hij hoorde hij zijn eigen stem aanzwellen: ‘Snapt u het dan niet? Aisha is mijn verloofde. Ik ga met haar trouwen. Wat heeft u met haar gedaan?’ Er ging een deur in de gang open en Humayun kreeg een duw in zijn rug. Hij struikelde de donkere ruimte binnen, viel over een stoel, verloor zijn evenwicht en tuimelde op de vloer. Iemand deed het licht aan. Humayun bleef een ogenblik liggen en dacht terug aan het moment, die middag, dat hij Aisha’s salwar omlaag had getrokken, hij dacht aan de warmte die tussen hen had gevloeid tijdens hun eerste intieme ogenblikken samen; en toen de kipliefhebber boven hem opdoemde en Humayun overeind krabbelde, probeerde hij dit visioen van Aisha in haar gele kleding te laten opwegen tegen dat andere, waarin ze door een andere vent werd meegesleurd en verkracht. ‘Heb je met haar geneukt?’ vroeg de kipman, terwijl hij een obscene beweging maakte met zijn hand. En toen deed Humayun iets doms, iets wat hij meteen zou betreuren, dat wist hij bij voorbaat. Hij dook op de man af en greep hem vast bij zijn overhemd, en toen sprongen ze boven op hém. Een van hen sloeg hem op zijn hoofd. Geitenneuker, terrorist, hoorde hij ze schreeuwen. Weer een ander stompte hem tegen zijn borst. En hij voelde een scherpe pijn in zijn been, waar een derde tegenaan trapte. Ze gingen nog even door, totdat ze zeker wisten dat ze hem hadden uitgeschakeld, en daarna sleepten ze hem naar de cel aan de voorkant van het politiebureau en sloten ze hem op.

207


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 208


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 209

deel twee


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 210


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 211

1 De oplettende lezer had misschien al opgemerkt dat toen ik mijn project besprak met literair agent Bill Bond in Londen, ik gedwongen door de omstandigheden een elementaire verandering had ondergaan. Ik, Ganesh, had de menselijke gedaante aangenomen. Dat overkomt goden nu eenmaal op strategische momenten in de geschiedenis. Krishna deed het, Jezus probeerde het en nu was het mijn beurt. In het begin, op de Kailash, ging ik even bij mezelf te rade welke avatar ik zou kiezen. Een heilige man? Een krijgsheer? Een koopman? Neen. Ik moest in staat zijn de gebeurtenissen te beïnvloeden om mijn dolende personages weer op het juiste spoor te krijgen en de macht aan Vyasa te ontworstelen. En hoe moest ik dat doen? Met mijn pen. Die waarheid had ik Vyasa onderwezen. Zo zou ik mijn personages door meerdere levens loodsen en door talloze tijdperken volgen om ze uiteindelijk allemaal samen te brengen. Ik spartelde een beetje rond in de eeuwen, kwam op aarde om scribent te zijn aan hoven, sarais en mushaira’s, om literaire tradities te bewaren en cultureel gedachtegoed over te brengen... altijd met mijn olifantenoog gericht op mijn eigen personages. Maar nu de tijd van hun grote ontmoeting was aangebroken, besefte ik dat de inzet was verhoogd. Ik kon niet zomaar een willekeurige schrijver zijn. Ik had me vast voorgenomen om alles precies zoals gepland te laten verlopen. Ik had me voorbereid op het beslissende moment (ik had mijn voorwerk gedaan met behulp van hakims, astrologen en doopsels, en had uitsluitend de 211


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 212

juiste, precies goede namen gebruikt), totdat iedereen die ik nodig had door de straten van mijn stad wandelde, getooid met de identiteit die ik voor hen had gekozen. Het was tijd om ze me weer toe te eigenen. ‘Als ik zeg dat ik een Indiase schrijver zoek, dan bedoel ik natuurlijk... ik bedoel, u schrijft wel in het Engels?’ vroeg de gretige literair agent toen we elkaar ontmoetten in het Nine Muses café, terwijl zijn kwajongensachtige gezicht opeens een weifelende uitdrukking kreeg. Ik zuchtte. Hij moest eens weten. Ja, ik schreef in het Engels, maar hij wist niet half hoeveel pijn en opoffering dat vergde. Toen ik begon met mijn narratieve verkenningen, waarvan het navolgende de vrucht is – de gesuikerde laddu van kikkererwtenmeel als het ware –, kon ik me natuurlijk amper een voorstelling maken van hetgeen waarmee ik me inliet. Ik verkeer nu in de positie waarin ik de Lezer kan mededelen dat mijn voornaamste probleem gedurende het volgen van mijn hoofdrolspelers door de yuga’s was, hoe ik hun exploraties en bezigheden moest bijbenen en op schrift stellen. Ik wilde niet kiezen, zoals Vyasa wel deed, voor het elitaire, hooggegrepen Sanskriet. Nee, mijn doel was minder verheven. Ik wilde dat mijn verhaal werd verspreid in elk schrift en alle talen die ons land, hetwelk nu bekend staat als India, rijk is. En dat veranderde de dynamiek volkomen. Duizenden jaren lang was mijn taak redelijk eenduidig geweest, hij bestond hoofdzakelijk uit het afreizen van het land naar deze of gene stam, van de ene naar de andere stad, en me vertrouwd maken met de nuances van het basisschrift en de spraak. Van rechts naar links en van links naar rechts. Van noord naar zuid en van oost naar west. Ik leerde het Brahmi, Kharosti, Maurya, Shunga en Gupta, al naargelang de monarchen in aanzien groeiden en wat hun eisen waren. Ik was bereid om het Munda en Kolarian te leren, of het Perzisch, om de sultans tevreden te stellen, en aldus ontsprong er aan de lendenen van Sind-HindInd een dynastie van mensen die overliepen van liefde voor een 212


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 213

mooie regel en die huiverden van genot bij een ingewikkelde plot. Ik was de eerste om te erkennen dat deze botsing van culturen in mijn verhalen roemrijke, ongekende dimensies opleverde. Intussen waren de Europeanen gearriveerd: de Fransen, de Nederlanders, de Portugezen en de Engelsen, ze kwamen en gingen, jaar in jaar uit. Aanvankelijk schonken wij er geen van allen veel aandacht aan, maar geleidelijk aan, langzaam maar zeker, leidden ze ons arglistig over de lange, rechte Romeinse weg die geen weg terug kent en we lieten ons erdoor inpakken zonder precies te weten hoe en zonder erbij stil te blijven staan. De romeinse letters kwamen, zagen en overwonnen, schoorvoetend, stukje bij beetje – een uithangbord hier, een gedrukte aankondiging daar, een transcriptie, een contract, zelfs een enkele vertaling (van de Ramayana en de Gita – ofschoon ze tot op de dag van vandaag nooit de duizelingwekkende hoogten van de Mahabharata hebben weten te bereiken). Al deze dingen waren zo klein dat ze niet werden opgemerkt in de hectische maalstroom van het drukke India, totdat de Britten ons Engels onderwijs oplegden, en toen werd onze geest miltoniaans, jambisch, vol zotte klinkers en mistige sferen. Ik hield nochtans vast aan het aroma van de desi. Ik had Leela aan mijn zijde, nietwaar? Dat hield ik mezelf in elk geval voor. ‘De mensen houden nog steeds van me,’ fluisterde ik tegen Bill toen hij sceptisch keek. ‘Degenen die geen Engels spreken houden van me, iedereen die de voorkeur geeft aan de dikke klinkers en lenige medeklinkers van de taal van zijn moeder, vader, broer, neef of zuster houdt nog steeds een pooja voor Ganesh. Maar hoe kan ik hun gebeden verhoren als ik amper hun gezangen kan zingen, als ik het ritme van hun gedichten niet kan voelen noch de vibraties van hun proza? Ik had een veelvoud aan talen tot mijn beschikking en die heb ik allemaal in de steek gelaten, zuiver en alleen om in het Engels te schrijven!’ En ik voegde eraan toe (overstelpt door twijfel en van nature geneigd om mijn rampspoeden te overdrijven): ‘Ik ben een streektalenanalfabeet geworden! Echt waar! Zo is het.’ 213


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 214

‘En dat is maar goed ook,’ zei Bill, die een modelcontract tevoorschijn haalde. ‘Zo, vertel maar wie de personages zijn. Pronto.’ Bill is namelijk een geboren en getogen Engelsman, ziet u, daaraan valt niet te ontkomen. Hij heeft sterke instincten en in zijn opvatting draait structuur om hoofdstukken die spannend eindigen. (Ik citeer uit de inmiddels intensief geraadpleegde Wenken voor nieuwe schrijvers.) Hij had geen boodschap aan deze fijngevoelige, tot in het oneindige uitgeplozen psychologische karakterstudies. Nee. Hij heeft de monologue intérieur, pathetische dwalingen en poëtische ambiguïteit verworpen. Zijn credo is: 1) introductie van karakters: Bam! 2) ontvouwing plot: Pats! Hij houdt het meest van pakkende beschrijvingen van de couleur locale, wolken van ongewone geuren en een heleboel exotische vrouwen. ‘In geen geval postmoderne personages zonder kop of staart en geen verpauperde mensen,’ luidt Bills mantra. Ik stak van wal: ‘Om te beginnen zijn er Meera en Leela, over wie we het al hebben gehad, dan zijn er Vyasa en zijn moeder, Shiva Prasad en zijn vrouw. Dan heb je nog Bharati, Sunita, Urvashi, Ash en...’ ‘Wacht even,’ zei Bill en hij greep naar zijn hoofd. Hij had aantekeningen geprobeerd te maken, zijn papiertje was helemaal volgekrabbeld. ‘Bharati, Sunita, Urvashi en wie nog meer?’ ‘Ash,’ zei ik. ‘De geneticus.’ Ik keek hem aan en liet er (ietwat uitdagend) op volgen: ‘Ik heb wat hulp nodig bij het terugvolgen van de oorsprong van mijn personages. Je zou de Mahabharata eens moeten proberen te lezen. Die staat helemaal vol met opsommingen van zoons van zoons van zoons. Kun je het niet meer volgen?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Al die vorige levens!’ bromde hij. ‘Dat kan wel eeuwig doorgaan.’ Bill kon er natuurlijk niets aan doen dat hij traag van begrip was. Maar u, lieve Lezer, zult inmiddels wel hebben begrepen dat er voor de ontwikkeling van deze dierbare producten van menselijke inspanning meer dan één mensenleven nodig is. Karakters 214


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 215

worden net als cultuur door de millennia heen geleidelijk aan gecultiveerd. Ze worden gevormd door reacties op de geschiedenis – zoiets als dominostenen, osmose of de trek van visarenden over wateren die onderling met elkaar in verbinding staan en die gedurende hun vlucht hun verenkleed ruien. De personages die ik aan het begin der tijden heb verzonnen, hebben hun levens geleefd en herleefd, en hebben zich een weg in en uit de geschiedenis gekronkeld tot in het heden, zich aanpassend, groeiend, rijpend – maar altijd met behoud van hun oorspronkelijke kern. U heeft dit reeds aanschouwd bij mijn eerste en belangrijkste personage, de wondere dame Leela. O mijn Leela, mijn heldin, mijn muze; de kwintessens van mijn schepping, mijn zegevierende opstandelinge tegen Vyasa, het beste wat ik moeizaam bijeen heb weten te sprokkelen in mijn ondergewaardeerde, opvallend genegeerde literaire transcriptie. Nadat ik had geconcludeerd dat rechtstreekse goddelijke interventie in de episodes van mijn schepping de enige manier was waarop ik kon bewerkstelligen dat de plot zich daadwerkelijk in Delhi zou afspelen, spoedde ik mij door de hemelen en droomde daarbij onafgebroken over Leela. Ik stond mezelf lankmoedig toe om door haar acht opeenvolgende levens te dwalen en riep mijzelf te binnen hoe ondubbelzinnig ze Vyasa’s avances had afgewezen vlak voor de grote Bharata-oorlog, hoe mooi ze samen met haar zus uit het epos was gedanst, hoe eigenzinnig ze haar waterige dood tegemoet sprong in een vluchtelingenkamp in Purana Qila. Hoe verder we door de wolken vlogen, hoe erger mijn hoofd op hol werd gebracht door haar nabijheid. Toen we op de Indira Gandhi-luchthaven landden, merkte ik amper de veranderingen in mijn geliefde stad op – de rivier de Yamuna, eens een prachtige berggodin, bleek te zijn geslonken tot een zwart afvoerputje – zo krachtig werd ik meegesleept door de gedachte aan haar bestaan. Zonder tijd te verliezen begaf ik mij rechtstreeks naar de bruiloft, om getuige te zijn van de conflicten tussen mijn personages 215


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 216

en zonodig in te grijpen. Natuurlijk verheugde het mij dat Ash ging trouwen met Sunita, heel ingetogen en fatsoenlijk, geheel volgens mijn nadrukkelijke wens, hoewel het louter achtergrondmuziek was, een vluchtig detail ten behoeve van het hoofdthema. Ik bevond mij tussen de rij wachtenden, deed me te goed aan een substantiële vegetarische maaltijd en wachtte geduldig op Leela’s komst. En toen zij uiteindelijk aankwam, gekleed in tarweveldkrokus-zonlichtgeel, sloeg mijn hart op hol. Ik zou het zoetgeurende parfum, die prachtige rappe tred, die tartende blik overal op aarde hebben herkend. Haar stem scheen zich naar mij uit te strekken als de tentakel van een vergeten taal – een tot leven gewekte herinnering, flarden van een bijna vergeten lied. Ze werd haastig de verhoging op geleid, en ik beefde. Jaloers volgde ik de beweging van haar hoofd toen ze haar man aankeek, het broeierige gebaar waarmee ze elkaar een arm gaven, de zoete belofte van haar golvende haren. Ik smachtte ernaar naast haar te staan; ik keek net als de anderen afgunstig toe; ik keek precies zoals de anderen naar de vrouw die dankzij het goddelijk recht van de schepper de mijne was, helemaal de mijne. In de hele geschiedenis van de vertelkunst van de mens heb ik dit nooit gehoord, dus terugkijkend was er geen reden om dit destijds te verwachten, maar het gebeurde. De schepping en de schepper herkenden en erkenden een ogenblik elkaars bestaan. Zij keek uit over de mensenmenigte – de glorieuze Leela, de lieftallige Leela, zo geurig als frangipane, amla, jacaranda –, onze blikken vonden elkaar en voordat ik het kon voorkomen, had ik mezelf aan haar onthuld in al mijn goddelijkheid, in mijn talrijke verschijningen: met olifantenhoofd, in mijn armen een lotusbloem, een toeter, een touw, een drietand, een bidsnoer en een schaal met zoetigheden; één hand zegenend geheven, Rat aan mijn voeten, een aangevreten oor, een parasol, een saffraankleurige dhoti, vier gezichten... Zelfs ik werd er duizelig van, en toen deze gestalte aan haar verscheen, bezwijmde ze uiteraard. Ik was ontsteld. Wat had ik gedaan? In mijn menselijke gedaante wilde ik de gebeurtenissen graag beïnvloeden, maar niet 216


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 217

op deze manier. Mijn doel was om Leela sterk te maken. Vervuld van ontzetting dwaalde ik wat tussen de huwelijksgasten door, ik luisterde gesprekken af, glimlachte als ik mijn personages geheel zag opgaan in de rol die ik hun had toebedeeld (de zo verlegen en teruggetrokken Sunita als een boksbal waartegen men zich kon afzetten, de passieve rol, waarop de toeschouwers zelf waarschijnlijk nog het meeste leken, maar die ze pretendeerden niet te zijn), maar mijn vrolijke olifantengezicht betrok toen ik besefte dat ten minste één van mijn spelers, Urvashi de Waarheidsverkondigster, helemaal niet ten tonele was verschenen. Die zorg was echter niets vergeleken bij de trilling van razernij die door me heen voer toen ik het volgende commentaar beluisterde. ‘Een god met een blauw gezicht?’ zei een stem achter me. ‘Een scribent met een olifantenhoofd? Geestverschijningen van bomen en bergen? Maar precies die ongerijmdheid is tevens de verdediging van het hindoeïsme. Want wie kan er iets inbrengen tegen zo’n onnozel geloof?’ Ik draaide me vol afgrijzen om. De vrouw die deze woorden had gesproken, grinnikte en wendde zich toen, bevestiging zoekend, tot een man die ik in één verschrikkelijke oogopslag herkende als Vyasa. Mijn vijand! Mijn wreker! Ik had hem natuurlijk wel verwacht; ik wist wat hij Leela en Meera in dit leven had aangedaan, maar toch voelde ik alle kracht uit me wegvloeien – ik dreigde ter plekke te bezwijmen. Nee, beste lezer, deze terugkeer naar Delhi was niet louter een speelse darteling op de bladzijden van een luchtig romannetje. Hij was het culminatiepunt van een epos-oude strijd tussen twee tegengestelde krachten. Hij was het laatste hoofdstuk van het bloedbad, waarbij we elkaar uitroeiden. Hij was oorlog. Voordat we verder gaan, wil ik u er graag aan herinneren dat ik niet de enige ben die de tekst van de Grote Dictator naar zich toe heeft willen trekken. Voordat Vyasa naar mij toe kwam met zijn schrijfproject, had hij de Mahabharata al proberen door te geven aan vijf individuele leerlingen. Zij leerden allemaal de tekst uit hun hoofd, maar slechts een van hen mocht die doorgeven. 217


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 218

Waarom? Omdat een van de leerlingen al te kritisch was over Vyasa’s kleinzoons en de volgende Vyasa’s heldenmoed verzuimde te benadrukken. Vyasa verwierp de ongunstige portretteringen en koos degene die hem als een held neerzette, in plaats van als de schurk die hij was. De Mahabharata die aan ons is overgeleverd, is episch in de ware zin van het woord: het is een grootscheepse en sycofantische verdraaiing van de werkelijkheid. Als een ware strateeg smoorde Vyasa afwijkende meningen in de kiem en verbreidde hij het gemakkelijke maar idiote denkbeeld dat wat hier niet voorkomt, nergens voorkomt. Allemaal leugens! Er bestonden allerlei uiteenlopende verslagen over Vyasa’s gedrag buiten de Mahabharata. Een paar hoogbejaarde commentatoren die ik sprak, wezen erop dat de oude bok met de vrouwen van zijn overleden broer sliep – ging dat niet tegen de dharma in? Anderen riepen dat hij nageslacht had verwekt wier daden rechtstreeks hadden geleid tot de catastrofale, bloedige oorlog. Nog meer mensen vestigden de aandacht op zijn falen als priester en onderhandelaar. Al deze stemmen kleineerden Vyasa. Waarom, zo vroegen ze vurig, werd Vyasa geëerd? Maar hun vragen en verslagen werd eeuwen-, ja zelfs millennialang het zwijgen opgelegd door Vyasa’s propagandamachine. Maar nu niet meer. Reeds te lang heeft Vyasa zijn verhaal onder de pet gehouden, ongunstige episodes opgepoetst, verhalen die hem in verlegenheid brachten verdraaid. Hij is de rechter en de jury – en de misdadiger! – geworden van India’s grootse epos. Is dat eerlijk? En hoe zit het met de slachtoffers? Waar was hun verhaal? Toen ik op het bruiloftsterrein stond en Vyasa met zijn verfoeilijke handlangster bezag, realiseerde ik me dat een eeuwenlange strijd tot dit moment had geleid, dat de intellectuele propaganda waar ik in Delhi getuige van was geheel en al strookte met alles wat ik wist over Vyasa’s pogingen om mij naar de zijlijn te schuiven; dat Vyasa al vanaf het eerste woord van de Mahabharata dat ik had genoteerd, niets anders had gewild dan de Indiase geschiedenis naar zijn hand zetten. Maar nu wankelde Vyasa’s hegemonie op het randje van de afgrond. Om de zaken op de spits 218


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 219

te drijven, moest ik de hulp inroepen van mijn loopjongen, iemand die ik altijd al in gedachten had gehad als Leela’s beschermer: Pablo. Toegegeven, er waren onderweg wat problemen geweest met de incarnaties van de personages. Het eerste probleem was gelegen in zijn naam. Toen ik hem op het slagveld binnensmokkelde, ergens halverwege Vyasa’s Mahabharata, was hij amper vijftien jaar oud en even fris als de lammeren die hij ooit hoedde, met vriendelijke krullen en een lange, forse neus. Ik gaf hem een goede naam, die bestond uit de drie krachtige medeklinkers puhbuh-luh: pabal of publi of pablo. Maar dit speelde zich af in een tijdperk van Sanskriet-theologie en mijn kennis van die overgepolijste taal is altijd erg gebrekkig geweest. Al snel kwam ik erachter dat mijn personage, ondanks de aardige lettercombinatie die ik voor hem had gekozen, een linguïstische lacune was: in het Sanskriet bestond een dergelijk woord niet. Eeuwenlang kon P...o in mijn drama slechts als een fluistering voorkomen, een schaduw, een figuur uit spookverhalen en kletspraatjes van wasvrouwen. In sommige plaatsen noemden de mensen hem De Bleke, anderen hadden het over De Vage en elders heette hij De Bedeesde. Tot op heden was P...o’s grootste verdienste dat hij als folkloristisch figuur de menselijke verbeelding voedde. In de kuststreek, waar hij in de toekomst zou thuishoren, verwierf P...o enig aanzien als de lange met de krullenbos die duizend vissen in zijn net kreeg; daarna kreeg P...o in de provincie de status van een visgod, en jonggehuwden uit de streek brachten een bezoek aan de tombe (die heden ten dage de fundering vormt van het stadskantoor) om het bleke stenen gelaat aan te tippen met rode pasta en muntjes te offeren, opdat hun oudste kind een jongetje zou zijn. Je kunt nooit voorspellen hoe een legende ontstaat. Vasco da Gama, die in 1498 voet aan wal zette in Calcutta, bracht ten slotte de naam met zich mee – tegelijk met verkoudheid, antoniusvuur en andere nare Westerse ziektes – en toen kwam mijn Pablo op aarde als vrucht van de eenwording van een 219


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 220

fonkelende, luidruchtige vissersvrouw en een potige Portugese zeeman (met de nare gewoonte om ’s ochtends op knoflook te sabbelen om het boze Indiase oog en de meegereisde Europese vampiers af te wenden). De naam van de zeeman luidde in feite Paulo, maar ze noemden hem Pablo in het Spaans om hem te onderscheiden van de andere Paulo aan boord, Vasco’s broer, en het was deze naam die de vader aan zijn in India geboren zoon gaf. Paulo kwam uit een dorpje vlak bij Lissabon, waar zijn vrouw tomaten inmaakte voor de wintermaanden en karige porties eten verstrekte aan de zes kinderen die haar echtgenoot bij haar had verwekt tussen 1488 en 1495. Alras nadat Paulo bij de met wuivende kokospalmen begroeide stranden had aangemeerd, ontdekte hij dat zijn pasgeboren, met vis gevoede zoontje, met zijn grote alerte ogen die door zijn babbelzieke moeder waren omrand met kohl van mosterdzaad, een ruime compensatie vormde voor de schriele nakomelingen die hij in 1496 bij de tomatenmeeldauw had achtergelaten en dat de verse zeevis die ze voor hem bakte de afgrijselijke, drie maal daags geserveerde scheepsbeschuiten van de zware terugreis ruimschoots overtrof, en daarom stelde hij met plezier zijn thuiskomst uit en bracht hij bezoeken aan het met zout bepoederde hutje teneinde de moeder te bestijgen en de jongen paardje te laten rijden op zijn knie; en wat de jongen betreft, toen hij vier jaar oud was stuurde zijn vader hem naar Cochin in het zuiden en toen hij tien was naar Goa in het noorden, meetrekkend met de bewegingen van de Portugese gouverneurs. Aldus werd Pablo bijgebracht om een van zijn papa’s mensen te zijn. Alleen miste Pablo de zee. Hij bracht op elke feestdag een bezoek aan zijn moeder en als hij terugkwam in de wereld van de gewone mensen, verruilde hij met vreugde het kriebelende fluweel, de lamswollen pyjama’s en het flauwe eten van de Portugezen voor de vrijheid van de moslims, hun luchtig om de genitaliën vallende dhoti en de pikant gekruide vis. Om kort te gaan, dit spermaproduct van een militante migrant werd – tadaa! – een inboorling. 220


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 221

Daarna werden de betrekkingen tussen Pablo en zijn schepper wat minder ingewikkeld. In het ene leven stoeide hij met het schrijven van kronieken voor de Mogolen, in een ander tekende hij strips waarin hij de nieuwe, van nog verder weg komende vorst op de hak nam; in weer een ander leven... Maar hier moet ik ophouden, want ik heb Bill Bond beloofd dat ik niet steeds zou teruggrijpen naar deze boeiende vorige levens. Om kort te gaan, waarheen hij ook ging, waarheen zijn omzwervingen hem ook brachten, het lukte mij in het geheel niet om hem verliefd te laten worden op Leela. Verbijsterend. Hij was natuurlijk wel aardig voor haar, in het tijdperk van Humayun gaf hij haar papier voor de boeken die ze schreef en hij smokkelde eten voor haar mee toen de Engelsen haar stad hadden belegerd, maar hij vulde nooit alle schakeringen in die mijns inziens pasten bij het woord ‘beschermer’ – en in dit leven al evenmin, ontdekte ik op die avond. Ik had me van tevoren al op de hoogte gesteld en was blij geweest te horen (van Rat) dat Pablo als journalist werkte voor een dagblad in Delhi. Aangezien hij altijd al goed met woorden was geweest en een hoofd voor puzzels had, en omdat mij ter ore was gekomen dat Leela in dit leven – haar negende – niet wist dat Vyasa hun gedichten uitsluitend onder Meera’s naam had gepubliceerd, noch dat hij het gedicht dat rechtstreeks verwees naar zijn twijfelachtige gedrag niet in de bundel had opgenomen, combineerde ik een en ander en veroorzaakte een luidruchtig lokaal schandaal in Vyasa’s naaste omgeving. Lang geleden, voordat Meera was overleden, hoorde ik haar tijdens een eerder bezoek aan Delhi een gedicht declameren, getiteld ‘Het laatste dictaat’. Ik schreef het op en borg het weg, want ik wist dat het op een zekere dag van pas zou komen. Daar kreeg ik gelijk in. Ik wachtte rustig af en toen ik van mening was dat de tweeling van Vyasa rijp was voor mijn grote onthulling, verstuurde ik het gedicht anoniem aan Pablo bij de krant, en dit papiertje was de katalysator voor de ontknoping van mijn drama. Ter verdere stimulans lokaliseerde ik Pablo op de bruiloft,ik zag zijn ondertafelcapriolen met de kleine Bharati aan en volgde 221


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 222

hem naar zijn huis in Nizamuddin, waar de mensen van de basti – die beter waren afgestemd op de aanwezigheid van het bovenaardse dan de aanwezigen op het huwelijksfeest – krijsend over boosaardige demonen en ruziezoekende geesten voor me wegvluchtten. Zodra de brand was uitgebroken in het wijkje van de voddenrapers werd het heel simpel om een list te verzinnen voor een ontmoeting tussen Leela en haar beschermer. Toen ik vaststelde dat mijn geliefde hulp nodig had, riep ik staande onder Pablo’s raam luidkeels: ‘Brand! Moord! Help!’ Toen dat geen reactie aan hem ontlokte, riep ik ‘Primeur!’ – en na een ogenblik zag ik het licht op zijn dakterras aangaan en hem door de duisternis turen naar de gele en groene vlammen die de straten onder zijn huis in een lichtgevend, flakkerend spektakel veranderden.

222


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 223

2 Op de ochtend na de bruiloft werd Bharati wakker en staarde in het gezicht van een jongeman die ze niet kende. Ze bleef roerloos en een beetje angstig liggen, in de war gebracht door zijn ogen, die op diepe, bruine poelen leken. Was hij die jongen uit Peshawar? Toen zei hij: ‘Ik zal koffie zetten en de kranten van het terras halen,’ en zij fronste haar voorhoofd toen het haar weer te binnen schoot: haar broers huwelijksreceptie. Delhi. Gisteravond. Pablo? De herinnering aan wat ze had gedaan en hoe ze zich had gedragen kwam in heldere flarden terug. Had ze dat echt gedaan op de bruiloft van haar broer? Een aantal beelden was haarscherp – de omhelzingen, de kronkelingen, dat wist ze zeker – daarna waren ze naar zijn zolderverdieping gegaan, ze hadden zich uitgekleed, waren op bed gaan liggen en zij had opgemerkt dat het koud was en hij had zich verontschuldigd: geen verwarming, geen airco. Wat was er daarna gebeurd? ‘Gisteravond...’ zei ze. ‘Wat hebben we gedaan toen we thuis waren?’ ‘Je bent in mijn armen in slaap gevallen.’ ‘O ja?’ Hij stond op. Ze hoorde hem het terras op lopen, terwijl zij gewikkeld in een laken lag na te denken. Even later kwam hij terug in een spijkerbroek en een overhemd, met een dienblad in zijn handen en een stapel kranten onder zijn arm. Ze ging overeind zitten en trok het laken preuts over haar borsten, terwijl hij haar een glas koffie aanreikte. Die rook zoet en erg melkachtig en ze trok haar neus op. 223


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 224

‘Het is filterkoffie uit Zuid-India,’ zei hij, ‘uit Coorg. Probeer maar.’ Bharati pakte het glas aan en nam een slokje; haar warme adem maakte condenswolkjes in de ochtendlucht. Pablo hurkte neer voor zijn kledingkast. Ze keek naar hem terwijl hij iets aan het zoeken was en merkte tot haar opluchting dat ze haar keuze goedkeurde. Ze had zich niet vergist. Ze had hem niet verleid omdat de belichting op de voor haar emotionele avond al te flatterend was geweest en ook niet louter vanuit haar vertrouwde onverzadigbaarheid. Hij straalde iets aparts en bijzonders uit, het had te maken met zijn bewegingen en zijn blik wanneer hij tegen haar praatte. Pablo keek op en zag dat ze hem observeerde. ‘Hier, trek aan,’ zei hij, zijn verlegenheid verbergend door een verwassen blauwe kurta voor haar op te houden. ‘Het is afgekoeld vanmorgen.’ Hij gooide haar het overhemd toe en vouwde daarna het bundeltje kranten open. ‘Er was gisteren in de basti onrust uitgebroken en brand,’ zei hij. ‘De mensen zagen een demon en ik heb er een artikel over ingeleverd. Het is geplaatst.’ Hij hield de krant op. ‘Ze hebben het een beetje ingekort.’ ‘Onrust? Hoezo?’ Al pratend trok ze het overhemd aan, zonder enige schaamte liet ze het over zich heen glijden, blij met deze nieuwe kans om te pronken met haar mooie naakte lichaam. Maar Pablo had geen belangstelling voor haar benen. Hij gaf haar de krant en ze ging weer op bed zitten, sloeg het dek om zich heen en richtte haar blik op het artikel met zijn naam erboven. Pablo schreef in tamelijk lange zinnen over wat hij het ‘psychosociale fenomeen van de arme stadsbewoners van India’ noemde. Het is dit jaar al de tweede opschudding die plaatsvindt in de armere wijken van Delhi, las ze. Men denkt dat het fenomeen verband houdt met het feit dat de sloppenbewoners niet over de mogelijkheden beschikken om de snelle technologische ontwikkelingen in de rest van India mentaal en economisch bij te benen en voorts met de maatschappelijke inferioriteit en spanningen 224


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 225

waaraan ze door hun levensstijl dagelijks onderhevig zijn. Ze fronste opnieuw haar wenkbrauwen, omdat ze het vervelend vond dat deze dramatische gebeurtenissen hadden plaatsgevonden zonder dat ze het had gemerkt. Ze staarde naar de tekst die hij had geschreven en probeerde die tot zich door te laten dringen, maar sloeg algauw de krant dicht en gaf die aan hem terug. ‘Dus je bent naderhand weer naar buiten gegaan?’ Hij knikte. ‘Terwijl je mij hier slapend achterliet? Ik snap nog steeds niet waarom ik naar deze krankzinnige stad ben teruggekomen.’ Hij knikte weer en zocht een guave uit van de fruitschaal die hij op het dienblad uit de keuken had meegenomen. Hij schilde de vrucht met een mes, sneed hem netjes in achten, legde vier parten op een schoteltje dat hij aan haar gaf en zei toen op gekwetste, maar nieuwsgierige toon: ‘Wat heb je tegen Delhi?’ Ze nam een hapje en haalde haar schouders op. ‘Kies zelf maar. De stomme politici, de oneerlijkheid, het kastenstelsel, het verkeer,’ ze gebaarde naar het raam, ‘het riool. En ga zo maar door.’ ‘En jouw antwoord daarop is je boeltje pakken en vertrekken?’ Hij glimlachte haar toe. ‘Het is wel jouw land, Bharati, en je ziet de goede kanten helemaal niet.’ ‘Welke goede kanten?’ ‘De mensen, de geschiedenis, de energie, de cultuur.’ ‘Doe me een lol,’ zei Bharati smalend. ‘Je zou na je studie hier een baan moeten zoeken om het land echt te leren kennen.’ ‘En jij kent het zeker door en door?’ Hij knikte. ‘Dankzij mijn werk.’ ‘O ja, die geweldige baan van jou. En vannacht had jij tijdens de paniek en de brand ook nog tijd om over de mensen, de geschiedenis en de cultuur na te denken?’ ‘Ja,’ zei hij. ‘En raad eens wie ik er tegenkwam?’ Ze sloeg haar ogen ten hemel. ‘Ik heb geen idee. Krishna?’ ‘Leela. Leela Sharma.’ 225


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 226

‘Wie?’ ‘Ze is getrouwd met Hariprasad Sharma, de nieuwe chacha van je broer.’ ‘Wat voerde zij daar uit?’ ‘Ze zocht iets zei ze, geloof ik. Ze is een interessante vrouw. Niet wat je zou verwachten.’ ‘Je bedoelt, niet zo vreselijk als de rest van Sunita’s familie.’ Hij glimlachte en deed er het zwijgen toe. Toen zei hij: ‘Ik geloof dat ze geen kinderen hebben. Ze zijn naar India teruggekomen omdat Hari Sunita’s broer tot erfgenaam van zijn gehele fortuin heeft benoemd.’ ‘Wow,’ zei Bharati sarcastisch. Pablo stond op en ging naast haar op het bed zitten. Hij strekte zijn lange in spijkerbroek gestoken benen voor zich uit, en zelfs door het dek heen voelde zij de warmte van zijn lichaam. Even dacht ze dat hij haar wilde zoenen, maar nee, hij begon weer te praten. ‘Wist je,’ vroeg hij, ‘dat Sunita’s vader voor een van de allerergste rechtse denktanks werkt?’ Ze zuchtte. ‘Ja.’ ‘Nou, in het verleden is die al met griezelige dingen op de proppen gekomen, maar hun laatste verzinsel gaat over genen. Ze willen een Arisch gen aantonen bij Indiërs. Ze denken dat ze dankzij de genetica de echte hindoe-elite van dit land kunnen uitschiften, van wie de oorsprong teruggaat tot de priesters die drieduizend jaar geleden als eersten de Veda’s hebben opgesteld, zodat ze de Indiërs die zich moslim of christen noemen, maar wier voorouders in de afgelopen dertienhonderd jaar bekeerd zijn – onder dwang, menen zij – weer kunnen opnemen in de hindoefamilie. Ze willen hun reeds lang verloren Arische broeders redden.’ ‘Doe niet zo raar.’ ‘Het is echt waar. Maar het punt is, dat Shiva Prasad denkt dat Ash dat voor hem gaat doen. Hij denkt dat Ash een particulier onderzoeksproject gaat leiden naar de Arische...’ 226


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 227

‘Belachelijk, hoe kan hij zoiets denken? Ik geloof je niet.’ ‘Jij bent al te lang weg uit India. Dit soort dingen gebeuren hier tegenwoordig. De regeringspartij subsidieert dit soort projecten. Ze betalen paleontologen om te bewijzen dat paarden oorspronkelijk uit India stammen, terwijl verder iedereen aanneemt dat ze zijn meegenomen door nomadische stammen uit Centraal-Azië. En ook nep-archeologen om...’ ‘Ja, dat weet ik,’ onderbrak ze hem weer. ‘Maar wat heeft dat te maken met Ash? Hij houdt zich daar niet mee bezig. Zijn project heeft te maken met blindheid en forensisch onderzoek, hij kijkt naar de erfelijkheid van een bepaalde ziekte binnen families.’ ‘Ash vertelde me dat Sunita’s vader hem aanmoedigde om onderzoek te doen naar de genetische zuiverheid van hindoes. En dat hij hem heeft verzekerd dat dit uit de Partijkas betaald zou worden.’ ‘En wat heeft Ash gezegd?’ ‘Dat is het punt, dat weet ik niet. De man is zijn schoonvader, hij is met zijn dochter getrouwd, hoe bot denk je dat Ash kan zijn?’ Bharati lachte. ‘Ash hoeft niet bot te zijn,’ zij ze, ‘hij kan gewoon zichzelf zijn als wetenschapper. Geloof me, niemand heeft een flauw idee waar hij het over heeft als hij over zijn onderzoek praat. Ik begrijp hem niet eens, en ik ben zijn tweelingzus. Hij kan die man alles wijsmaken om van hem af te zijn.’ Maar ze klonk zelfverzekerder dan ze zich voelde. Ze wilde niet laten merken dat ze zich gekwetst voelde door Pablo’s insinuatie dat Ash zich met zijn schoonvaders politiek zou inlaten. Je mocht zelf wel kritiek hebben op je tweelingbroer, maar hem te horen bekritiseren was iets anders. Pablo wist echter niet van ophouden. ‘Jij hebt het over zijn werk aan de universiteit,’ zei hij. ‘Vraag hem maar eens naar dit project. Eens horen wat hij erover zegt.’ ‘Heb jij hem er al naar gevraagd?’ ‘Een keer. Toen kregen we ruzie en zijn we er maar over op gehouden.’ 227


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 228

Bharati bromde afkeurend. ‘Het is onzin.’ Ze ging liggen en trok het laken over haar hoofd. ‘Het ergste is,’ ging hij voort, ‘dat zijn schoonvader over zijn genenproject opschept binnen de Partij...’ Maar ze had het laken strak om haar hoofd getrokken, zodat alleen haar gezicht nog te zien was, en stak haar vingers in haar oren. ‘Ik kan het niet meer aanhoren,’ riep ze uit. Er brak een glimlach door op zijn gezicht. ‘Je ziet eruit als een Afghaanse vrouw in een boerka,’ zei hij en hij boog zich voorover om haar eindelijk te kussen, en zij begon zich net weer een beetje te ontspannen, toen hij opmerkte: ‘Ik vroeg me af waarmee die Hariprasad, Sunita’s oom, zo snel rijk is geworden.’ Ze zuchtte. ‘En?’ ‘Hij moet zelf iets hebben gedaan om zover te komen. Hij komt uit een bescheiden familie.’ ‘Sommige mensen werken gewoon hard,’ merkte Bharati op, die geïrriteerd raakte door zijn schijnheilige observaties. ‘Rijke mensen zijn niet per definitie corrupt.’ ‘Maar zijn broer heeft banden met de rss. Ik heb zo’n gevoel dat dit verder gaat dan de gebruikelijke waardeloze werkgeverspraktijken en de niet-bestaande holdings, bla-bla-bla.’ Bharati haalde haar schouders op en kwam overeind, ze trok het laken van haar hoofd. ‘Geef me nog maar wat koffie. Ik denk liever niet na over Sunita’s familie.’ Waar ze wel aan dacht, was dat al dit gedoe stomvervelend was: haar vader die niet stond te juichen over haar studie, en Ash die zo dom was geweest om met Sunita te trouwen. Het enige goede op dit moment was dat Pablo en zij na het ontbijt het bed weer in zouden duiken, zodat ze deze onzin over haar broers schoonfamilie en zijn wetenschappelijk onderzoek zou vergeten. Maar Pablo hield zijn mond niet, hij steunde op zijn elleboog en keek haar aan, en zij begreep nu dat dit zijn grote minpunt als minnaar was: hij praatte te veel. Ze was eraan gewend dat zij de praatgrage van de twee was. Ze was eraan gewend om haar 228


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 229

vriendjes te verbluffen met haar welsprekendheid en eruditie. Het was irritant om overtroefd te worden. Het was ergerlijk om niet voortdurend opgehemeld te worden. ‘Weet je nog dat ik zei dat ik Leela, zijn vrouw, vannacht in de basti tegenkwam?’ zei Pablo. ‘Zij was degene die flauwviel op de bruiloft. En dat gebeurde vlak nadat jij het podium op was gekomen. Ik keek naar jullie. Ze wierp een blik op jou en viel flauw...’ ‘Het kan zijn. Het is me niet opgevallen. Waarschijnlijk zat haar blouse te strak.’ ‘Dus vannacht werd me ineens iets duidelijk wat ik me al een poosje afvroeg.’ Hij keek gegeneerd. ‘Nadat ik jouw moeders gedicht toegestuurd had gekregen, begon ik te...’ ‘Hè?’ Bharati had steeds gevoeld dat Pablo iets achterhield, en nu begreep ze wat het was. ‘Ik kreeg jouw moeders gedicht toegestuurd,’ zei hij op bezwerende, onschuldige toon. ‘De envelop was aan mij geadresseerd, bij de krant. Ik heb een en ander nagetrokken en het artikel geschreven.’ ‘Ho even. Dus je hebt met mij geslapen als onderdeel van je research?’ ‘Nee!’ zei hij. ‘Bestaat er geen beroepscode voor journalisten die dit verbiedt? Moet ik je niet aangeven?’ Pablo stapte uit het bed, pakte de twee koffieglazen en zette die op het dienblad. ‘Doe niet zo raar,’ zei hij uiteindelijk. ‘Daarom heb ik niet met je gevreeën.’ ‘Maar je doet wel onderzoek naar mijn moeders gedichten?’ ‘Ja.’ Hij nam haar even op. Toen zei hij: ‘Je hebt dat nieuwe gedicht toch wel gelezen in de krant?’ ‘Nee.’ Naast boosheid voelde ze nu ook nieuwsgierigheid in zich opkomen. ‘Mijn vader heeft er wel iets over gezegd, maar ik heb het nog niet gezien.’ Ze probeerde nonchalant te klinken, maar toen ze hem naar zijn bureau zag lopen en een la zag opentrekken om er een envelop uit te halen, voelde ze zich misselijk worden. Stel dat het 229


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 230

inderdaad een van haar moeders kostbare gedichten was? En toen hij haar de envelop gaf voelde ze opeens weerzin tegen haar betweterige minnaar en ze draaide zich om in bed, zodat haar gezicht tijdens het lezen verborgen bleef voor Pablo. Ze trok een opgevouwen, gekreukt velletje papier uit de envelop, dat was beschreven met verbleekte inkt in een haar onbekend handschrift. Het laatste dictaat Boek één, in honderd hoofdstukken, Vyasa vertelt hoe zijn komst, Als bastaard, zijn moeders echt met Een Brahmaans vorst en de prins’ dood, De lijn van een nazaat berooft. Zijn als vis geboren moeder Heeft een plan. Ze roept de jonge weduwen van haar dode zoons: Slaap met Vyasa, de asceet, De broer van jullie echtgenoot. Doe precies wat ik zeg. En de zusters gehoorzamen angstig. Maar bij het zien van de wijze, Naakt en harig, sluit de eerste Benauwd haar ogen. Vyasa Is woedend: Door je eigen schuld, Dame, zal je baby blind zijn. Moeder stuurt het tweede meisje. Ook zij trekt wit weg van afschuw. En weer vervloekt hij het kindje

230


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 231

Van zijn beminde: En jouw zoon Zal asgrauw zijn, wit als de dood. Daarna nemen de twee zussen Wraak. Ze sturen een bediende In hun plaats, koninklijk gekleed, Die hem liefkoost, bemint en kust, Bekoort met genotvol gekreun. Vyasa, gesust door haar lust, Spreekt een zegen uit: Jouw zoon zal Een wijze man zijn. En Meera Glimlachte en zei: Kijk, mijn zus, Leer van het lot van deez’ vrouwen. Wij schrijven nu: bescherm ons kroost, Dit laatste vers is ons wapen, Een zusterschap van bloed en inkt; Het bewijs van ons samenspel. Santiniketan, november 1979 Het was vreemd, een beetje griezelig zelfs: dit gedicht vormde precies de culminatie van het proces dat zij in De Lalita-serie had opgemerkt, van een jeugdige nonchalance die geleidelijk aan overgaat in iets onheilspellenders. Waarom had haar vader het haar gisteren niet laten zien? Ze las het nog een keer en toen ze daarna opkeek, voelde ze Pablo’s ogen op zich gericht. Maar haar hoofd zat te vol met beelden die het gedicht bij haar opriep en gedachten over de eigenaardige manier waarop het was ontdekt, om er meteen een mening over te hebben, en daarbij kwamen ook nog eens zijn hooggespannen verwachtingen. Ze legde het gedicht achteloos terzijde, boog zich voorover, diepte een pakje sigaretten op uit haar tasje en stak er een aan, terwijl ze naar de terrasdeur toe liep. Ze ging op een krukje naast de open deur zit231


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 232

ten, haar blote benen voelden koud aan na de warmte van het bed. Pablo was ongeduldig. ‘En?’ zei hij. ‘Wat vind je ervan?’ Ze haalde haar schouders op. ‘Mijn moeder had een beroemd dichteres kunnen zijn.’ ‘Maar vind je het niet gek?’ vroeg hij. ‘Het thema en de toon?’ ‘Verdorie,’ zei Bharati, ‘ik ben hier degene die onderzoek doet naar haar gedichten. Laat dit alsjeblieft aan mij over, oké? Misschien is het nep.’ ‘Dat geloof ik niet,’ hield hij vol. ‘Kijk maar naar de regels over zusterschap en schrijven.’ ‘Wat is daarmee?’ ‘Voor mij is het duidelijk dat Meera de gedichten samen met nog iemand schreef. Ze werkte met iemand samen...’ ‘Ach, flikker op, Pablo,’ zei Bharati. ‘...en dat was haar zus...’ ‘Doe niet zo belachelijk,’ zei Bharati, die opstond en haar half opgerookte sigaret in een plantenpot op het terras uitdrukte. Ze was opeens woedend op Pablo, omdat hij haar liet nadenken over dingen die haar van streek maakten en omdat hij zo gemakkelijk iets had ontdekt wat zij had moeten weten. Hij sprak gehaast. ‘Een van de oudere redacteuren bij de krant studeerde met je moeder aan de universiteit in Calcutta. Hij vertelde me dat ze een adoptiefzus had...’ ‘Weet ik.’ ‘Wist je dat?’ ‘Natuurlijk weet ik dat. Denk je soms dat we dat geheim willen houden? Doe niet zo stom.’ Zolang ze zich kon herinneren wist ze al van het bestaan van die zus: een weeskind dat uit een dorpje naar Calcutta was gebracht bij wijze van menslievende daad van haar grootvader van moeders kant – zo had de moeder van haar vader, hun dadi, het verteld. Een weesje dat alles had gekregen wat een kind zich maar kon wensen en dat zich desondanks tegen de familie had gekeerd toen ze eenmaal volwassen was. Ze was getrouwd, verhuisd, en alle contacten met haar waren verbroken. 232


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 233

Niemand sprak ooit over deze onfortuinlijke episode uit de familiegeschiedenis. De tweeling had dit stilzwijgen altijd begrepen en gerespecteerd. Ze kon niet worden opgespoord en dat had ook geen zin. Hun moeder zou dat niet hebben gewild. ‘Dan weet je waarschijnlijk ook,’ zei Pablo, ‘dat er wat onenigheid ontstond na je moeders huwelijk. De zus trouwde ook en emigreerde naar Amerika.’ ‘En?’ ‘En raad eens hoe haar man heet?’ Hij keek haar uitdagend aan, maar ze kende het antwoord niet. ‘Hari Sharma.’ ‘Hari Sharma?’ Ze slaagde er niet in haar verbazing en afgrijzen te verbergen. ‘Leela Sharma is jouw tante,’ vervolgde hij met een triomfantelijke blik. ‘Goed, prima, ik heb genoeg van dit geouwehoer,’ zei Bharati en ze trok haar sari tussen de kleding uit die ze gisteren aan het voeteneinde van het bed op een hoop had gesmeten. ‘Ik heb geen tijd meer om naar jouw paranoïde kletspraatjes te luisteren.’ Ze trok de blouse aan en maakte de haakjes vast. ‘Vandaag is de huwelijkslunch van Ash...’ Hij onderbrak haar: ‘Ik ga naar Calcutta, ik kan niet bij de lunch zijn, ze willen dat ik een artikel...’ maar zij snoerde hem de mond. ‘Maar ik moet wel gaan, om het lieve zusje uit te hangen.’ Ze stapte in haar onderrok, trok hem strak om haar middel en wikkelde zichzelf in de sari. ‘Je weet helemaal niets van mijn familie, mijn moeder en haar gedichten.’ ‘Deze vrouw, Leela Sharma, is de zus van je moeder. Ik heb het haar vannacht gevraagd toen we elkaar tegenkwamen en zij ontkende het niet. Denk daar maar eens over na, Bharati.’ ‘Laat me met rust,’ riep ze uit. Ze griste haar tasje van tafel, beende de flat uit en sloeg de deur zo hard mogelijk achter zich dicht in de hoop dat deze brutale, praatzieke jongeman daardoor 233


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 234

berouw zou krijgen en bang zou worden; deze snotneus, die haar de les dacht te kunnen lezen over haar moeders gedichten en haar broers wetenschappelijke bezigheden.

234


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 235

3 In haar huis aan de andere kant van Nizamuddin West stond Urvashi Ahmed in haar keuken te tollen van al haar voornemens. Ze zou een goed mens worden, dacht ze, terwijl ze een pakje thee uit de kast pakte. Ze zou de kans die ze kreeg door het vreselijke lot van de jonge Aisha aangrijpen om iets zinnigs met haar leven te gaan doen, zei ze bij zichzelf en ze stak het gas aan. Ze zou iets gaan doen voor een ander. Ze wilde de familie van haar man leren kennen, mompelde ze, en ze nam de thee en paratha’s mee naar de eetkamer, waar Feroze zoals gewoonlijk zijn ochtendkrant zat te lezen. Natuurlijk kon ze dit allemaal niet tegen hem zeggen. Ze keek naar hem terwijl hij zijn thee dronk en zwijgend de bladzijden omsloeg. Nadat hij weg was, kookte ze nog een pan thee en bakte nog een paar paratha’s, en nam die mee naar Aisha in de logeerkamer. Toen Urvashi de deur opendeed, zag ze dat Aisha wakker was, maar roerloos in bed lag. Alleen de ogen van het jonge meisje bewogen en volgden Urvashi toen zij het dienblad neerzette op de tafel voor het raam en de gordijnen openschoof. Arm kind, dacht Urvashi, en daarna bedacht ze dat zij, net als Aisha, alleen op de wereld was – in de steek gelaten door haar ouders, haar zus, haar schoolvriendinnen, met slechts dit tengere, kleine dienstmeisje als gezelschap. ‘Waar is Humayun?’ vroeg Aisha opeens en daarmee onderbrak ze haar dramatische overpeinzingen. ‘Humayun?’ herhaalde Urvashi verbaasd. ‘Het is binnenkort Divali, hij zal wel vrij hebben?’ Ze keek naar het radeloze ge235


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 236

zichtje van haar hulp. Het was nu haar verantwoordelijkheid om Aisha af te leiden van wat haar gisteravond was overkomen. En daarom nam Urvashi Aisha meteen mee naar boven zodra ze een beetje had gegeten. Daar gooide ze de deuren van haar inloopkast open en ze begon er kleren uit te trekken. ‘Neem maar!’ riep ze meisjesachtig uit, terwijl ze een lichtblauwe salwar kameez van crêpe georgette om Aisha heen drapeerde. ‘Mashallah,’ zei ze en ze genoot van het islamitische woord op haar tong, ‘hij staat je prachtig!’ Het pak was genaaid door de moslimkleermaker op de markt toen ze net in deze wijk waren komen wonen en Feroze nóg harder werkte dan anders. Dat was nog voordat de bedienden waren aangenomen, toen de kleermaker Urvashi’s enige contact met de buitenwereld was geweest. Alleen al door de aanblik van de kleding keerde het eenzame gevoel terug. ‘En hoe vind je deze?’ vroeg ze en hield een donkeroranje pak op van ruwe zijde met bloedrood borduursel aan de manchetten. ‘Die komt van Nirvana, die boetiek op de markt van Greater Kailash in blok N...’ Ze keek om. Het meisje stond er roerloos bij met het blauwe pak over haar schouder gedrapeerd en haar ogen vol tranen. Urvashi reageerde doortastend. Ze leidde Aisha weer naar de logeerkamer beneden, toonde haar hoe de douche werkte, liet voor de zekerheid toch ook maar een emmer vollopen met warm water en wachtte daarna ongeduldig op haar in de hal, waar ze controleerde of het doktersrecept in haar tas zat en ze zich afvroeg naar welke apotheek ze het beste kon gaan en hoe ze daar moest komen. Op hen tweeën na was het huis leeg. Feroze was zoals gewoonlijk op de drukkerij. Urvashi had een taxi kunnen bellen, maar toen Aisha verscheen in haar nieuwe hemelsblauwe kleren en met kletsnatte haren, pakte Urvashi de autosleutels uit de schaal op het haltafeltje. Vier jaar geleden had Feroze haar leren autorijden, toen ze nog verkering hadden en samen studeerden. Feroze leende dan zijn vaders auto – een lange, witte Cortina – waarmee ze naar het zuiden reden, Delhi uit, voorbij de scherp afgetekende Qutb Mi236


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 237

nar-toren, voorbij de vertrouwde lagere contouren van de Chhattapur Mandir-tempel, de grens over, Haryana in. Het was net of ze er samen vandoor gingen. Pas sinds ze getrouwd waren en Feroze het familiebedrijf had overgenomen en geen tijd meer had om zijn vrouw rijles te geven, drong zijn vader erop aan dat hij een chauffeur in dienst nam; zijn hindoedochter was veel te warhoofdig om een auto te besturen. Maar zij was een goede chauffeuse geweest en had er altijd plezier in gehad. Urvashi voelde zich opgewonden toen ze Aisha meenam naar de auto die naast het huis geparkeerd stond. Ze trok de beschermhoes eraf alsof ze een goochelaar was die een heel knap kunstje liet zien en klikte op het elektronische knopje waarmee alle sloten werden ontgrendeld. Met ingehouden adem ging Urvashi achter het stuur zitten en startte de auto. Voorzichtig reed ze in slakkengang achteruit onder de boom uit, ze keerde de auto, schakelde in zijn vooruit en reed de laan op die langs de rand van blok F liep. Tot haar opluchting merkte ze dat het even gemakkelijk was als voorheen, het was echt fijn om na al die tijd weer te rijden. Wat een vrijheid. Het leek wel alsof ze vloog. Ze had nog niet besloten welke apotheek het moest worden; die in Nizamuddin was natuurlijk uitgesloten. Ze overwoog om naar Sunder Nagar te gaan, maar toen ze over het viaduct reden, besefte ze dat ze op de verkeerde weg zaten en op het laatste ogenblik besloot ze de afslag naar Khan Market te nemen. Ze stuurde naar links tussen het verkeer door en toen ze bij de markt aankwamen, sloeg ze rechtsaf zonder richting aan te geven, zodat de verkeersregelaar zijn stok naar haar ophief en haar iets toeriep. Maar ze liet zich niet van de wijs brengen en parkeerde de auto langs de weg, midden op een taxihalte; en ook al toeterden de chauffeurs boos naar haar, ze bleef rustig, stapte uit de auto zonder dat haar hoofddoek van gaasachtige stof tussen het portier bekneld raakte en nam haar handtas en Aisha met zich mee. Bij de apotheek aangekomen weigerde het meisje mee naar 237


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 238

binnen te gaan en wachtte ze buiten op de stoep met neergeslagen ogen op Urvashi. Binnen was het een drukte van belang, maar de apotheker gaf Urvashi de pil, samen met een papieren bekertje met water, en zij struinde gewichtig naar buiten en liet Aisha ter plekke de pil innemen. ‘Wil je nu een ijsje? Of een gebakje?’ vroeg ze, nogal onder de indruk van de omvang van de onderneming en haar heroïsche rol erin, en toen pas richtte ze haar blik omlaag en zag ze de tranen over Aisha’s gezicht stromen. ‘Ik vind het heel erg voor je,’ fluisterde ze en ze herhaalde op de toon die ze uit Bollywood-films kende: ‘Ik vind het heel erg voor je, Aisha.’ Ze haastte zich terug over de markt, langs alle mooie dames met hun geurige haren en lippenstiftglimlach, waarbij ze stevig de hand van het huilende meisje omklemde. Er stond een politieagent bij de auto, maar Urvashi haalde haar portemonnee tevoorschijn en stak hem wat geld toe, en zette Aisha in de auto zonder dat iemand haar tegenhield. Ze reed helemaal naar Lodhi Road en pas toen ze de rotonde bij de basti bereikte, herinnerde ze zich weer dat ze met Aisha naar het politiebureau had gemoeten om een verklaring af te leggen. Urvashi zette de auto scheef neer voor het politiebureau, gaf haar sleutels aan een parkeerwacht en leidde Aisha naar binnen. Ze moesten lang wachten. Uiteindelijk werden ze in een kamertje gelaten, waar een agent Aisha’s versie van de gebeurtenissen noteerde. ‘Weet je wie je heeft verkracht?’ vroegen ze verschillende keren. ‘Heb je hem herkend?’ En toen Aisha herhaaldelijk haar hoofd schudde, werden ze nijdig en zeiden: ‘En wat dacht je van die vent, die Humayun?’ Aisha barstte in huilen uit en Urvashi zei verontwaardigd: ‘Hij is haar neef, onze chauffeur, waarom stelt u al die vragen?’ De inspecteur maakte een notitie voor Urvashi en zei dat ze morgen met Aisha moest terugkomen voor een gesprek met de klinisch psycholoog. Daarna nam hij Urvashi apart, zodat Aisha hen niet kon horen, en zei tegen haar: ‘Mevrouw, ze is minderja238


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 239

rig. We hebben toestemming van de familie nodig om haar lichamelijk te onderzoeken en een pv op te maken.’ ‘Een pv?’ vroeg Urvashi. ‘Een proces verbaal,’ zei de inspecteur in het Engels. ‘Daarna,’ hervatte hij in het Hindi, ‘nemen we het slachtoffer mee naar een staatsziekenhuis voor medische controle.’ Hij liet zijn stem weer dalen. ‘Gewoonlijk wordt het maagdenvlies geïnspecteerd.’ Hij zwaaide met zijn wijsvinger. ‘De dokter beoordeelt of het maagdenvlies intact is of gescheurd. De aanwezigheid van zaad, blauwe plekken, de toestand van het genitale gebied, de mentale toestand, de toestand van de kleding, dit alles is vaak moeilijk te beoordelen zo lang na het voorval. Als er zaad aanwezig is, behoort een dna-test wellicht tot de mogelijkheden.’ ‘Om zijn genen te bepalen?’ Hij knikte bevestigend. ‘Na negentig dagen komt de zaak voor de rechter. Verkrachting is een staatszaak, het slachtoffer krijgt van overheidswege een advocaat toegewezen. Na de eerste hoorzitting, als de lijst met getuigen en dergelijke bekend is, kan het proces drie jaar duren. Als de beschuldigde wordt veroordeeld en niet op borgtocht wordt vrijgelaten, dan gaat hij naar de Tihargevangenis. Het slachtoffer is minderjarig, daarom is geslachtsgemeenschap een delict. Als de familie van het meisje besluit een aanklacht in te dienen, dan moeten ze het snel doen. Maar besef wel dat het traumatisch voor haar zal zijn. Het tast haar eer aan. Ik hoef u niet te vertellen hoe de meisjes die dit overkomt worden afgeschilderd. En het komt slechts heel zelden voor dat een slachtoffer een financiële compensatie krijgt.’ Urvashi, die in de deuropening stond, legde haar hand beschermend op haar buik. De inspecteur nam de feiten opnieuw met haar door. ‘Dien eerst een officiële aanklacht in. Om dat te kunnen doen, praat u met de familie. Ze is minderjarig. Toestemming van de ouders is nodig om de zaak voor de rechter te krijgen. Overleg de doktersverklaring en het onderzoek van de gynaecoloog. Laat daarna de verklaring van het meisje vastleggen. Dat is het belangrijkste.’ 239


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 240

Urvashi legde haar hand tegen haar voorhoofd. ‘En maak haast,’ vervolgde hij, ‘want we hebben een verdachte.’ ‘O ja?’ Hij begeleidde de twee vrouwen naar buiten. ‘Dat is strikt vertrouwelijke politie-informatie.’

240


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 241

4 In eerste instantie merkte Ash Chaturvedi niet dat de ouders van zijn vrouw niet naar de huwelijkslunch waren gekomen. Hij stond in de rozentuin van het India International Centre, gekleed in een witte, geborduurde kurta en een bijpassende broek die Sunita voor hem had uitgezocht, met een glas bier in zijn hand – en deed zijn best om niet in te storten. De rozentuin baadde in het middagzonlicht en stond vol met alle hoogleraren, activisten, leraren, schrijvers, beeldend kunstenaars en documentairemakers die zijn vader kende en met wie Ash was opgegroeid. Gekleed in kleurige katoenen khadhi, bier drinkend en roodgekleurde stukken kip-tikka etend, kletsten ze aan een stuk door over hun één-maximaal-twee kinderen die ze meesmuilend prezen, over hun twee-maximaal-drie bedienden over wie ze meesmuilend klaagden, ze wisselden gretig berichten uit over het selecte aantal privéscholen waar ze hun nageslacht naartoe stuurden, hekelden hartstochtelijk de rechtse hindoeregering, gaven uitgebreid hun mening over de culturen van minderheidsreligies in het algemeen en wezen nadrukkelijk elke verbinding met elk geloof af, behalve het socialistisch-feministisch-atheïsme van hun eigen milieu. Kortom, niet een van hen was botweg kleinburgerlijk; niemands Engels schoot tekort; er was hier geen mens die geloofde in het onzinnige voorstel om de tempel van Heer Ram in Ayodha te herbouwen boven op de vernielde moskee, een plan dat gesteund werd door de hindoeregering. Ash had al met drie collega’s van de universiteit van zijn vader gepraat en beleefdheden uitgewisseld met een heleboel 241


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 242

nichten en tantes en werd nu onderhouden door een kennis van zijn vader – een oude man met een volle grijze baard die leiding gaf aan een liefdadigheidsorganisatie die scholing in de sloppenwijken van Delhi organiseerde – over de gevaren die voortvloeiden uit de opstelling van de huidige regering tegenover moslims en andere minderheden en de vreselijke dingen die ze wellicht zouden doorvoeren op wetgevend en ander gebied onder dekking van de uit Amerika overgewaaide hysterie. En als hij er even over zou hebben nagedacht, dan zou Ash volkomen hebben begrepen waarom Sunita’s ouders hun opwachting niet hadden gemaakt bij zo’n goddeloze bijeenkomst. Maar hij had geen tijd om erover na te denken. Hij was zojuist getuige geweest van de komst van de enige andere persoon, afgezien van Sunita, die hier niet thuishoorde, namelijk haar broer Ram. Hij zag Ram langzaam over het grasveld in zijn richting lopen en probeerde de angstige uitdrukking van zijn gezicht te halen. Maar dat lukte niet. Die uitdrukking had sinds de vroege ochtenduren bezit genomen van zijn gelaatstrekken. Het is wel eerlijk om hierbij op te merken dat Ash Chaturvedi’s hyperactiviteit en de opwinding van zijn huwelijksnacht bij het krieken van de dag totaal waren weggeëbd op het ogenblik dat hij ontwaakte en merkte dat hij in bed lag bij de oudere broer van zijn vrouw. Even had hij zijn gezicht in zijn armen verborgen en toen was hij – biddend dat Ram niet wakker zou worden – de deur uit gestruikeld, terwijl hij onder het rennen zijn verkreukelde bruidegomspak had aangetrokken en zelfs zijn bril had opgezet, waarna hij in de bruidssuite aangekomen Sunita tot zijn grote opluchting nog steeds slapend aantrof. Staande naast het bed had Ash neergekeken op zijn echtgenote en hij had zich afgevraagd of hij misschien een enorme fout had begaan door met deze onschuldige jonge vrouw te trouwen, wier meningen hij had helpen vormen, maar wier kussen hij amper kende. Hij hoopte maar dat die vreemde, bijna hemelse zuchten die hij zichzelf had horen slaken in de armen van haar broer 242


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 243

slechts het gevolg waren van een minne streek die het lichaam de geest leverde, en dat zijn huwelijk de waarheid was. Hij hoopte dat het angstaanjagend blije gevoel dat hij vannacht had gevoeld bij Ram, alsof er iets in hem fladderde dat naar buiten probeerde te komen (een vogel, had hij gedacht, een vogel die door een donkere ruimte almaar hoger en hoger vliegt, steeds hoger zweeft op de thermiek, naar waar de lucht ijler is en het licht schemerig), hij hoopte maar dat die gedachten en gevoelens bedrog waren. Maar zeker wist hij dat niet. Met een wanhopig gevoel was hij naar het hotelraam gelopen en had hij het gordijn opengetrokken. Vanuit deze hoek en vanaf deze hoogte gezien was Delhi een zee van groene bomen en tuinen, met slechts enkele torenflats in de verte. Getroost door de aanblik ademde hij diep in. Het leek wel alsof zijn vrouw en hij midden in een bos sliepen. Zijn vrouw. Nu hij erover nadacht: alles omtrent dit huwelijk had gedraaid om één ding, namelijk om zichzelf te genezen van zijn internetromance en de verboden verlangens die daarmee gepaard gingen en die hem zoveel zorgen baarden. Sunita was de oplossing geweest. In haar onschuld had ze het over een huwelijk gehad en ineens had hij een uitweg gezien. Zo zou hij zijn onbehoorlijke obsessie voor zijn lieve chatvriend, die zichzelf ManGod noemde, uitdrijven. Ash trok het gordijn weer dicht en liep terug naar het bed. Hij keek naar de slapende Sunita, haar neusgaten bewogen lichtjes mee met haar ademhaling, haar oogleden knipperden. Na een ogenblik kleedde hij zich uit, hij sloeg het laken op en ging naast haar liggen. Ze liet in haar slaap een protesterend geluidje horen, maar hij schoof toch naar haar toe, totdat zijn lichaam tegen het hare aan lag. Ze voelde zacht aan en geurde zwak naar iets onbekends en fleurigs. Hij legde een arm om haar heen, voelde haar naakte huid tegen de zijne en vroeg zich af hoe hij zo dom had kunnen zijn om zichzelf in deze situatie te manoeuvreren. Ash was nog bezig met zijn genetisch promotieonderzoek toen zijn vader hem had voorgesteld aan Sunita. ‘Hoe vind je 243


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 244

haar?’ had zijn vader die avond gevraagd en Ash had moeten toegeven dat hij de bibliothecaresse heel aardig vond. ‘Volgens mij geniet ze van je gezelschap,’ had zijn vader de week daarna gezegd tijdens het eten, ‘in elk geval meer dan van het mijne,’ en Ash keek verbaasd op: hij was er niet aan gewend dat meisjes graag in zijn gezelschap verkeerden. Maar die gedachte streelde hem en in de daaropvolgende weken merkte hij dat het keurige, stille meisje inderdaad leek te luisteren als hij iets zei; ze keek op als hij van het lab thuiskwam; ze bracht hem thee op het terras, die ze zelf zette (ze zei dat het dienstmeisje het niet goed deed) en hij raakte op zijn beurt gesteld op Sunita. Door haar bedaardheid en ongekunsteldheid leek ze helemaal niet op de andere jonge vrouwen die hij had gekend – de meisjes van school met hun scherpe tong, zijn ad remme nichtjes, zijn duizelingwekkend zelfverzekerde zus. En hij begon een bepaalde sfeer te voelen als ze samen in de kamer waren. Met onverminderde verbazing merkte hij hoe gevoelig zij iedere keer reageerde op zijn meest afgezaagde opmerkingen. Hij kreeg in de gaten dat hij te maken had met een nog ongevormde geest die hij kon modelleren. Heimelijk hoorde hij haar uit over haar politieke voorkeuren, hij stelde haar vragen om te weten te komen hoe scherpzinnig ze was, hoorde haar voorzichtig uit over haar culturele kennis (van India en daarbuiten), over religies (het hindoeïsme en de andere) en haar opvattingen over haar rol als echtgenote en moeder. Toen er enkele maanden waren verstreken, was hij dankbaar om te merken dat Sunita wat ruimere opvattingen had gekregen, dat ze boeken las met meer inhoud dan in de periode waarin ze elkaar hadden leren kennen. Hij begon haar te zien als een oorspronkelijk en onschuldig wezen, als de mythische Sita tegenover zijn onvolmaakte Ram. Op de dag dat Ash om Sunita’s hand vroeg, bracht meneer Sharma de kwestie ter sprake om een ‘Arisch gen in de hogere kasten van India’ te lokaliseren. De manier waarop hij het had geformuleerd, peinsde Ash naderhand, had sterk geklonken als een eis. ‘Tot op heden is daar maar heel weinig onderzoek naar ge244


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 245

daan,’ zei Ash in een poging niet onnozel te lijken. Hij pijnigde zijn hersens om zich te herinneren wat ze in zijn eerste studiejaar over genetische bevolkingsonderzoeken hadden gezegd: ‘In de jaren dertig van de vorige eeuw bestudeerde Haldane de prehistorische migratie uit India. Die bewees hij door te kijken naar bloedgroepen.’ Meneer Sharma had een klap op zijn bureau gegeven. ‘Geweldig!’ riep hij uit. ‘Maar omdat het werk zo lang geleden is uitgevoerd,’ vervolgde Ash, nogal verbaasd omdat zijn aanstaande schoonvader opgetogen leek te zijn over zijn kennis – prefereerden ouders doorgaans geen dokter of ingenieur boven een onderbetaalde onderzoeker als schoonzoon? –, ‘zou er natuurlijk opnieuw naar gekeken moeten worden...’ ‘Prachtig!’ zei meneer Sharma en hij stak een betoog af over de historische verwijzingen naar de Ariërs in oude Indiase teksten in het Sanskriet. ‘Als je dat Arische gen wetenschappelijk kunt aantonen,’ vervolgde hij, door de kamer ijsberend, ‘dan zorg ik voor fondsen voor je verdere...’ ‘O, nee,’ had Ash hem onderbroken, ‘ik kan al het noodzakelijke onderzoek uitvoeren in het kader van mijn promotie.’ Maar meneer Sharma luisterde niet meer. Hij schudde Ash de hand, klopte hem op zijn rug en ging een beetje opgewonden weer zitten. Toen riep hij in onvervalst Engels uit: ‘Helemaal te gek! Bravo!’ Ash had al twee van zijn doctoraalonderwerpen gekozen. Het ene ging over gendefecten als oorzaak van ziekte, en daarvoor keek hij naar de degeneratieve oogaandoening Retinitis Pigmentosa; het andere betrof het gebruik van short tandem repeats voor snelle forensische toepassingen, te weten de identificatie van individuen – een onderzoek dat hij in samenwerking met een laboratorium in West Delhi uitvoerde. Intussen praatte iedereen in het Centrum voor Biochemische Technologie over een nieuw nationaal project om genen in beeld te brengen, waarvoor instituten in het hele land samenwerkten aan een nationale gegevens245


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 246

bank van genotypen. Als hij voor zijn derde onderwerp research deed dat hiermee verband hield, dacht Ash, dan zou hem dat een heleboel materiaal opleveren voor zijn publicatie. En zo begon hij erover na te denken of er op het genoom een marker te vinden zou zijn die te herleiden was tot een oud Arisch volk. Meneer Sharma was buitengewoon ingenomen met de voorzichtige stapjes die Ash in deze richting zette. Wanneer de twee mannen elkaar zagen, sprak de oudste geestdriftig tegen de jongste over Vedische verwijzingen naar een lichte huidskleur en intelligentie – in het Sanskriet betekende ‘arya’ niet zozeer ‘arisch’ als wel ‘edel’. Hij betoogde dat Ash alleen maar een edel gen bij hem, Shiva Prasad, hoefde te identificeren om duidelijk te krijgen wie er in India Arisch was en wie niet. Hij zei dat de lichte huidskleur van de familie Sharma (de vrouwen kregen daardoor altijd een goede huwelijkspartner) bewees dat ze Ariërs waren en in geen enkel opzicht verwant aan de donkergetinte Dravidische bevolking (die zich gelukkig voornamelijk beperkte tot het zuiden), maar Shiva Prasad was belezen genoeg om te weten dat huidskleur alleen niet voldoende was: hij had de genen nodig om het te bewijzen. Hoe graag hij Shiva Prasad ook een plezier wilde doen, Ash’ onderzoek voorzag niet in dergelijke simpele antwoorden. Om enige opheldering te krijgen over de kwestie, probeerde hij het onderwerp met zijn vader te bespreken. Zijn vader antwoordde echter op zijn bekende hooglerarenmanier en zei iets ingewikkelds en onbegrijpelijks over de Indo-Europese taalgroep en de namen van rivieren die in Iran en India gelijk waren. Daarom sneed Ash het onderwerp aan bij zijn schoolvriend, Pablo, die vier jaar eerder uit Bangalore naar Delhi was teruggekeerd en overliep van historische en sociologische kennis en allerlei cryptische theorieën over India en ’s lands plaats in de wereld. Helaas was Pablo geenszins onder de indruk van het uitgangspunt voor het genenonderzoek van Ash. ‘Ik snap het niet. Onderzoek je een Arische migratie naar of uit India? Waar denk je dat de Ariërs vandaan kwamen?’ 246


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 247

‘Zeg jij het maar,’ zei Ash, die in verwarring gebracht zijn bril op zijn neus terugduwde. ‘Sommigen zeggen Iran, anderen de Kaspische Zee of het Midden-Oosten,’ zei Pablo. ‘Maar voor zover ik kan afleiden uit wat ik erover heb gelezen, wordt het onderzoeksmateriaal, ongeacht wat het is, steevast vurig bestreden door andersdenkenden, waardoor uiteindelijk een van de ideologische richtingen, welke dan ook, het debat heel gemakkelijk kan kapen. Het probleem met jouw bijdrage is dat je, om te bewijzen waar dit zogenoemde Arische volk naartoe is gegaan, het dna moet bekijken van bevolkingsgroepen van Europa tot en met India, tot aan Bengalen in het oosten – in feite het hele gebied waarover de Indo-Europese taalgroep zich uitstrekt. Terwijl jij net zegt dat jouw studie zich toespitst op hooguit tien Indiërs. Ik heb geen flauw idee wat dat zou bewijzen.’ ‘Ik probeer een historisch volk te identificeren,’ zei Ash kleintjes. ‘Waarom?’ ‘Uit intellectuele belangstelling,’ zei Ash met een verhit gezicht omdat hij zich hoogst ongemakkelijk en ongelukkig voelde. ‘Het enige wat er zal gebeuren,’ antwoordde Pablo, ‘is dat je met jouw onderzoek de halvegaren die momenteel het land besturen in de kaart speelt.’ ‘Maar is het niet de moeite waard om het zeker te weten? Sunita’s vader denkt dat hij een volbloed Indo-Ariër is.’ Pablo lachte. ‘Wat heeft hij hiermee te maken?’ ‘Hij heeft veel belangstelling voor mijn onderzoek.’ ‘Ash. Sunita is erg aardig, maar haar vader is een fanaat, heus waar.’ Pablo tikte tegen zijn voorhoofd. ‘Je weet toch wel wat voor onwetenschappelijke nonsens die mensen kletsen. Ze bestempelen iedereen die niet voetstoots aanneemt dat de Ariërs oorspronkelijk uit dit land komen, als tegenstanders van India.’ ‘Je zei net dat het onderzoeksmateriaal zowel op het een als het ander kan duiden,’ zei Ash. ‘Ik heb ook gezegd dat er groeperingen in dit land zijn die de 247


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 248

extreme complexiteit van de materie misbruiken om mensen te doen geloven dat het een uitgemaakte zaak is, terwijl het dat niet is. Shiva Prasad is gelieerd aan...’ Maar Ash, die zijn verloofde en haar familie wilde beschermen, luisterde niet meer. Tot zijn opluchting werd de zaak op een warme middag, toen hij het onderwerp aansneed bij zijn promotor op het lab, na maandenlange innerlijke verwarring en twijfel heel eenvoudig. In plaats van zijn handen vol afgrijzen te heffen, zoals Pablo had gedaan, leunde de man achterover, haalde een zuurtje uit de wikkel en zoog daar een poosje op. ‘Interessant, heel interessant,’ mompelde hij uiteindelijk. ‘Ik veronderstel dat je de Arische migratie zou kunnen bewijzen door gegevens te bestuderen uit, laten we zeggen, Oost-India, Pakistan, Rusland, Duitsland... Maar mocht je geen doorslaggevend bewijs vinden – en gezien de omvang van je werkgebied is dat niet onwaarschijnlijk – dan zullen de rechtse politici het onderzoek natuurlijk gebruiken om te bewijzen dat dit Arische gen inheems is...’ Zijn verklaring verzandde en Ash besefte dat de man nadacht. Ze bleven zwijgend bij elkaar zitten en uiteindelijk zei zijn promotor: ‘Het staat me wel aan. Ga er maar mee aan de slag. Als je op iets sappigs stuit, sturen we het naar de krant.’ Ash was blij, opgelucht, en hij stortte zich op zijn werk. Tot zijn schoonvaders vreugde nam Ash bloed af van alle leden van de familie Sharma, hij liet dat vervolgens analyseren in het lab en voegde de resultaten toe aan zijn bevolkingsdatabase ten behoeve van zijn promotieonderzoek. Vanaf dat moment mompelde Ash, wanneer meneer Sharma hem vroeg hoe het ervoor stond, iets vrijblijvends over de geschiedenis en iets specifiekers over de genetica – hij leerde de manieren van zijn promotor perfect imiteren – en zo hield hij Sunita’s vader tevreden. De voorbereidingen voor het huwelijk werden niet gedwarsboomd. ‘Ash!’ riepen twee stemmen tegelijk, en Ash zag twee mensen naar zich toe komen vanaf de overkant van de rozentuin: Bharati, met door kohl omrande ogen, gekleed in een overdadig gebor248


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 249

duurde, roze met rode salwar kameez, en Ram, sexy en nonchalant, helemaal in het wit gekleed, afgezien van een lange blauwe katoenen sjaal die hij over een schouder had gedrapeerd. ‘Hallo,’ zei Ash tegen hen allebei tegelijk en tegen niemand in het bijzonder. Hij hoopte maar dat zijn ontsteltenis niet te zien was en hij veronderstelde, bad, dat Ram, die hem die nacht zo liefdevol had bemind, zich zou weten te gedragen in het openbaar. Hij dacht bij zichzelf, zoals hij dat vannacht ook had gedacht: dit is Man-God in levenden lijve, en het idee dat die mysterieuze man met wie hij het afgelopen jaar bijna iedere nacht had gechat nu hier voor hem stond, bezorgde hem een duizelingwekkend, verdwaasd gevoel. Hij wilde dat hij weg kon van dit feest, hij wilde dat het afgelopen was, hij was niet in staat tot gezellig gekeuvel. Hij had geen idee hoe hij de komende vier dagen tot aan hun huwelijksreis naar Goa moest doorkomen. Het vertrek was uitgesteld tot na zijn verjaardag, zodat ze de opening van de Academie voor levend Sanskriet konden bijwonen, hetgeen een belangrijke gebeurtenis was voor zijn vader. Hij wilde met niemand praten. Maar Bharati zei iets tegen hem met haar gebruikelijke nadruk. ‘Ash!’ herhaalde ze. ‘Ik moet met je praten. Onder vier ogen.’ En ze glimlachte liefjes naar de oude man met de baard en wierp Ram een woedende blik toe: ze verwachtte duidelijk dat ze de boodschap begrepen en zouden weglopen. De oude man maakte zich gehoorzaam uit de voeten. Ram liet zich echter niet uit het veld slaan door het onbeschofte gedrag van de zus van zijn minnaar. ‘Namaskar,’ zei hij tegen haar en bracht eerbiedig zijn handen naar elkaar toe – en tuitte zijn lippen, zodat Ash onwillekeurig aan de geneugten en trauma’s terugdacht die deze zelfde lippen zo kort geleden in zijn wezen hadden losgemaakt. ‘Wat prettig om je eindelijk te ontmoeten. Sunita heeft me verteld dat je in Londen woont en dat je onze verachtelijke stad bent ontvlucht. Ik neem aan dat je in een groot huis woont in... Chelsea.’ Hij glimlachte naar haar en was zich er volledig van bewust dat deze 249


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 250

voorstelling van zaken onmogelijk was. ‘Of Mayfair of Hampstead...’ ‘Sorry, een ogenblikje alsjeblieft,’ zei Bharati, nu zonder glimlach. ‘Ik moet mijn broer even onder vier ogen spreken, het is belangrijk.’ ‘O,’ zei Ram, ‘ga je gang.’ Maar hij nam haar niet serieus. ‘Ik meen het,’ zei Bharati, abrupt en onbeleefd. ‘Goed, mevrouw,’ zei Ram. Hij leek even uit het veld geslagen, maar hervond zijn houding meteen. ‘Zal ik dan maar iets te drinken halen voor ons allemaal?’ Hij wees naar de bar aan de andere kant van de tuin, waar drie met tulband getooide obers een uitstalling van wijnflessen, bier en whisky beheerden, en gaf Ash een knipoog ten afscheid. ‘O, mijn god,’ zei Bharati, ze pakte Ash bij zijn arm en trok hem mee naar de zijkant van de tuin, ‘wat een verschrikking is die jongen, arme jij. Maar waar ben je mee bezig? Waar slaan alle geruchten op?’ Ash liep rood aan en hij voelde zich misselijk en ijskoud worden vanbinnen, alsof een paar ijzige handen zich om zijn ingewanden sloten. Dus ze wist het. Zou iedereen het weten? ‘Zo zit het niet,’ stak hij diep ellendig van wal, met een blik op het glas in zijn hand. ‘Het stelt niets voor. We waren gewoon een beetje aan het dollen. Er steekt geen kwaad achter. Heb je het tegen Sunita gezegd?’ ‘Sunita kan me helemaal niks schelen,’ zei Bharati. ‘Die mensen zijn gevaarlijk, Ash, en het gaat wel om geschiedenis – of om de interpretatie van de geschiedenis. Hoe haal je het in je hoofd om je met hen in te laten en je werk te compromitteren? Moet de wetenschap dan niet boven de politiek staan?’ Ash keek verbijsterd naar zijn tweelingzus. ‘Dat heeft vader je toch wel geleerd,’ vervolgde ze. ‘Je mag je niet inlaten met die pseudowetenschappelijke troep. Indo-Arische genen, zei Pablo. Waarom doe je onderzoek naar die onzin? Moest het van Sunita?’ ‘O,’ zei Ash met een glimlach. 250


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 251

‘Waarom lach je?’ wilde ze weten. ‘Wat is er zo grappig?’ ‘Pablo heeft er een onjuiste voorstelling van. Mijn onderzoek kijkt er juist vanaf de andere kant naar, maar ik ben er nog niet aan toegekomen om dat tegen Sunita’s vader te zeggen.’ Ze keek hem met toegeknepen ogen aan. ‘Ik hoop in vredesnaam dat je de waarheid spreekt.’ ‘Natuurlijk spreek ik de waarheid.’ Hij was zo opgelucht dat haar boosheid betrekking had op dat onnozele project over Arische genen en niet op zijn vriendschap met de broer van zijn bruid, dat hij weer grijnsde en een kneepje in haar arm gaf. ‘Wat ben jij een bedrieger,’ zei ze. ‘Heb je Sunita’s vader om de tuin geleid? Het is eigenlijk best grappig. Waar is hij trouwens? Is hij er niet? Ik zie hem nergens.’ En toen, voordat Ash tijd had om te antwoorden, vroeg ze: ‘En waar is onze vader eigenlijk?’ ‘Baba? Ik weet het niet.’ ‘Ash?’ zei ze ineens ernstig. ‘Ja?’ ‘Wist je dat mams zus in Delhi is?’ Ash voelde hoofdpijn opkomen. De grillige wendingen in de gesprekken met zijn zus maakten hem duizelig – en de hele tijd kon hij Ram met een van de obers zien praten. Hij probeerde te bedenken over wie Bharati het in ’s hemelsnaam kon hebben, toen ze plotseling uitriep: ‘Daar is hij, de smeerlap. Ik ga hem halen.’ En ze wees naar de overkant van de tuin, waar hun vader stond te praten met een jonge vrouw – waarschijnlijk een van zijn studentes – die bewonderend naar hem opkeek. Bharati schudde afkeurend haar hoofd. ‘Die vrouwen worden steeds jonger. Hij is zo’n walgelijke versierder.’ En zonder een reactie van Ash af te wachten, struinde ze doelbewust, met een smalende blik in haar ogen, door de tuin naar haar vader toe. Ash, die eindelijk weer alleen was, voelde zich ellendig. Hij was blij dat zijn tweelingzus weer in Delhi was, maar hij vroeg zich wel af waarom ze zich altijd zo opwond over onbelangrijke dingen. Dit was zijn bruiloft en zij ging dramatische uitspraken doen over hun moeders zus. Waarschijnlijk bedoelde ze haar ad251


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 252

optiefzus van het platteland, met wie hun moeder voor hun geboorte gebrouilleerd was geraakt. Ash dacht aan zijn reeds lang geleden gestorven moeder, die hij slechts van foto’s kende en die hem toelachte vanaf de zwart-witfoto die thuis in het trappenhuis hing. Hij wilde dat ze nu hier naast hem zat, zodat hij ten minste één familielid had met wie hij zijn problemen kon bespreken. Hij kon het niet tegen Bharati zeggen – zij zou hem uitlachen omdat hij van een man als Ram hield, het soort man dat zij ‘verschrikkelijk’ vond. Hij kon zijn vader niet vertellen dat hij Sunita zo had teleurgesteld. Hij moest hoe dan ook een punt zetten achter deze affaire met Ram. Zo kon het niet doorgaan. Maar hoe moest hij dat in zijn eentje aanpakken? Zijn moeder, dacht hij verdrietig, zou de uitgelezen persoon zijn geweest om in vertrouwen te nemen. Ash keek de tuin rond op zoek naar zijn vrouw en zag haar toen staan praten met een man die, zo wist Ash, zijn geld verdiende met het schilderen van enorme mannelijke naakten. Ze had vanmorgen zoveel moeite gedaan om zich mooi te maken met haar roodzijden trouwsari, de rode lippenstift en de speciale brede armbanden om haar met henna beschilderde onderarmen, en de aanblik van haar bruidsdracht ontroerde hem. Hij duwde zijn bril op zijn neus omhoog. Als hij naar haar keek voelde hij zich rustig en ontspannen worden, terwijl haar broer hem deed huiveren van opwinding. Welk gevoel was juist? Welk gevoel was beter? Hij liep naar haar toe. ‘Waar is je vader?’ vroeg hij, nadat hij de kunstschilder had begroet (die zijn theorie over het belang van de lingam in de hindoeïstische iconografie op haar had losgelaten: ‘De fallus van Heer Shiva overheerste,’ zo zei hij, ‘de rest van het lichaam.’). Het huilen stond Sunita nader dan het lachen. ‘Ik weet het niet,’ fluisterde ze, en weer voelde hij die tederheid voor haar. Hij nam haar hand in de zijne en stelde op zijn vriendelijkste toon voor: ‘Zullen we hem even bellen? Waarschijnlijk zijn ze thuis opgehouden. Misschien is er iets onverwachts tussen gekomen.’ 252


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 253

5 Vyasa keerde uitgeput naar huis terug van de huwelijkslunch van zijn zoon. Hij installeerde zijn moeder in haar lievelingsstoel voor het raam dat uitkeek op de tuin, stuurde de voormalige ayah weg die, op een dag als vandaag nog wel, was langsgekomen om zijn hulp te vragen voor een of ander onbelangrijk akkefietje van haar, en daarna pakte hij om zijn zenuwen tot bedaren te brengen (en omdat de koffie die ze bij icc serveerden ondrinkbaar was) het pakje met dure importkoffiebonen uit de koelkast, hij maalde er wat van in het apparaat en toen de zilverkleurige pot begon te borrelen dreef het verfijnde aroma door de lucht, naar boven toe en vulde het hele huis met de aangename geur. In zijn bibliotheek duwde hij de deur naar het terras open, ging aan de lage stenen tafel zitten en zuchtte. Zo hoorde het niet te gaan, dit lot verdiende hij beslist niet, dat hij door zijn eigen dochter werd ondervraagd over Leela Bose. Maar Bharati had geen mededogen gehad. Zij had geen boodschap aan beleefdheden. Op het feest had ze zich een weg naar hem toe gebaand (hij stond net iets belangrijks te bespreken met een van de aantrekkelijkste masterstudenten van de faculteit), en had zonder enige inleiding, zelfs zonder zich voor te stellen, gezegd: ‘Raad eens wat ik vanmorgen heb gehoord?’ ‘Wat dan?’ vroeg hij en wierp de studente een verontschuldigende glimlach toe voor deze onderbreking. ‘Dat een van de nieuwe tantes van Ash, de vrouw van Sunita’s oom, de zus van onze moeder is!’ En ze keek hem aan met gespeelde openhartigheid. ‘Wist je dat?’ 253


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 254

Dus het moment was aangebroken – en Vyasa was er niet op voorbereid. Secondenlang stond hij met zijn mond vol tanden. Nadat Meera was gestorven, wisten hij en zijn moeder – overigens zonder er ooit over te praten – dat ze het feit dat Meera een zus had weliswaar niet voor de kinderen moesten verzwijgen, maar dat het beter was om verder niets over haar te vertellen. Haar bestaan geheel en al verbergen zou zijn eigen drama hebben veroorzaakt, want Ash en Bharata zouden er hoe dan ook ooit achter komen door een schoolvriendin van hun moeder of een nicht uit Calcutta. Het meest wijze beleid was om ze op een vage manier over haar bestaan te vertellen, maar tegelijk duidelijk te maken dat de vervreemding permanent was, zoals dat soms (niet ongebruikelijk) gebeurt in families, zelfs in liefhebbende families zoals die van hen. Natuurlijk had Vyasa zich voorbereid op nieuwsgierige vragen. Maar die hadden ze eigenlijk nooit gesteld. De tweeling had het verhaal geslikt – dat op de keper beschouwd geen leugen was – en daar was het bij gebleven. Ze hadden meer dan genoeg te vragen en te dromen over hun overleden moeder. Ze hadden geen belangstelling voor haar zus met wie het contact al zo lang was verbroken. Dus hoe lachwekkend was het dat Vyasa geen pasklaar antwoord had, ook al had hij zelf de hand gehad in deze ontmoeting tussen de tweeling en hun tante, toen zijn dochter naar hem opkeek en zei – iets in haar gezicht verried dat ze meer wist dan ze losliet: ‘En bovendien was mam niet de enige auteur van haar gedichten, ze schreef ze samen met haar zus. Wist je dat ook?’ Vyasa vermande zich. ‘Nee,’ zei hij ferm, ‘dat wist ik niet. Maar Bharati, vind je dit nu werkelijk de geschikte tijd om...’ Ze luisterde niet naar hem. In plaats van naar haar vader te luisteren, blikte ze de tuin vol gasten rond. ‘Het is de vrouw die gisteravond flauwviel op de bruiloft,’ zei ze. ‘Ik zie haar nu niet, maar ze is getrouwd met Hari Sharma. Dat moet je toch geweten hebben, baba?’ Hij schraapte zijn keel. ‘Ja, ik heb haar herkend,’ gaf hij toe. ‘En je moet toch haar docent zijn geweest in Santiniketan?’ zei 254


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 255

ze, hem nu met gefronste wenkbrauwen aankijkend. ‘Ja, toch?’ ‘Dat moet wel. Dat is heel waarschijnlijk.’ Haar vader nam een grote slok bier. ‘Het is hier warm,’ zei hij. ‘Zullen we in de schaduw gaan staan?’ De knappe masterstudente, die al die tijd was blijven luisteren naar dit merkwaardige gesprek, lachte meelevend naar Vyasa en vroeg: ‘Zal ik nog iets te drinken halen?’ ‘Nee, nee,’ antwoordde Vyasa. ‘Ik wil even met mijn dochter praten.’ En hij trok Bharati mee. ‘Luister,’ fluisterde hij, ‘dit is niet het juiste moment om dit gesprek te voeren. Het is voor ons allemaal heel moeilijk dat Leela Sharma familie van ons is geworden door dit huwelijk. Jouw moeder had al voordat wij trouwden ruzie met haar.’ ‘Waarover hadden ze ruzie?’ ‘Dat vertel ik je nog weleens. Dat kan ik nu niet zeggen.’ ‘Wanneer vertel je het?’ vroeg ze met een kinderlijk pruilmondje. ‘Later.’ Maar Bharati wist van geen ophouden. Ze had zo doorgedramd over deze pijnlijke kwestie dat Vyasa uiteindelijk opzettelijk een geringschattend woord had gebruikt om Meera’s zus te beschrijven, een woord dat hem boos had gemaakt toen hij het zijn moeder had horen gebruiken: hij had haar een vondeling genoemd. Bovendien had hij, omdat hij wilde voorkomen dat Bharati hem middels het gedicht in de Delhi Star zou koppelen aan de twee zussen, om nog maar te zwijgen over het feit dat hijzelf vond dat hij met de verkeerde zus was getrouwd, het gesprek een heel andere richting op gestuurd door zijn dochter te bekritiseren om haar seksuele gedrag, iets wat hij gezworen had nooit te zullen doen. Hij had haar alleen willen onderhouden over de ongerustheid die ze had veroorzaakt door gisteren zonder iets te zeggen de bruiloft te verlaten. Maar in plaats daarvan informeerde hij op ijzige toon: ‘Met wie ben jij er gisteravond tussenuit geknepen?’, en Bharati had gekwetst naar hem opgekeken, alsof hij haar een klap had gegeven. Even later vertrok ze en ging hij met zijn moeder naar huis. 255


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 256

Waarom rakelde ze alles zo op? vroeg hij zich af met zijn kopje koffie op het terras. Besefte ze dan niet, was ze dan niet dankbaar, dat het gezin uiteen had kunnen vallen na Meera’s overlijden, maar dat het door hem en zijn moeder bij elkaar was gehouden? De kinderen hadden de beste, liefdevolste opvoeding genoten die denkbaar was, ze hadden nergens gebrek aan had gehad, ze hadden niets ontbeerd. En nu misdroeg ze zich vanwege Leela Bose. Met een schuldig gevoel verweet Vyasa zijn dochter dat ze het enige in zijn leven ter sprake had gebracht dat hem van zijn stuk kon brengen en met angst vervulde. Toen hij Meera’s zus op de bruiloft had gezien, had Vyasa aanvankelijk slechts een jeugdige, amoureuze vreugde gevoeld: Leela, terug in India. De schoonheid en de onbevangenheid uit zijn tijd in Santiniketan hadden hem opnieuw overspoeld, gevoelens die hij niet als een herinnering ervoer, maar als het heden – alsof hij nog steeds die krachtige jongeman was en zij die charmante, gereserveerde jonge vrouw. Hij had zich zomaar aan haar voeten kunnen laten vallen om haar ter plekke zijn liefde te verklaren, hij bezwijmde bijna door zijn heftige gevoelens. In plaats daarvan was zij flauwgevallen en het extatische moment van hun ontmoeting werd ruw afgebroken door haar vertrek. Sindsdien had Vyasa amper nog aan iets anders kunnen denken; en ook al had hij hierop aangestuurd, hij was totaal van zijn stuk gebracht door Leela’s duizelingwekkende terugkeer in zijn leven. Gedurende de huwelijkslunch was hij dankbaar geweest dat zij en haar man waren weggebleven, maar hij was bang geweest dat ze later nog zouden komen, en toen dat niet gebeurde, maakte hij zich weer zorgen over wat haar afwezigheid te betekenen kon hebben. Vyasa was in geen jaren zo smoorverliefd geweest – hij hield van zijn werk, zeker; van zijn kinderen en hun ambities, maar niet van een vrouw. Vrouwen schenen zich discreet in en uit zijn leven te bewegen. Jonge vrouwen of van middelbare leeftijd, sexy of ogenschijnlijk bedeesd; het maakte niet uit. Op de een of andere manier leken ze intuïtief zijn delicate positie van weduwnaar en vader te voelen en hoe snel hij ze ook 256


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 257

weer afpoeierde, ze schikten zich er zonder klagen in. Ja, tot Leela’s terugkeer in Delhi had Vyasa alles onder controle gehad – zijn leven, zijn nalatenschap, zijn minnaressen, de levens van zijn kinderen –, het was indrukwekkend. Zelfs toen het gedicht in de Delhi Star verscheen, had hij zich niet gewonnen gegeven. Hij had het hoofd koel gehouden. Hij zag meteen dat dit het gedicht was dat hij expres niet in de bundel De Lalita-serie had opgenomen. Het was duidelijk dat Leela het naar de krant had gestuurd en hij kromp ineen onder de boze feministische toonzetting van de verzen en wist dat het heel wel mogelijk was dat de geschiedenis van de gedichten en de gebeurtenissen rondom hun ontstaan in de openbaarheid zouden komen. In Delhi was men dol op de geheimen van stadsbewoners. Er zouden onvermijdelijk enorme roddels ontstaan ten koste van Meera’s reputatie – en die van hemzelf. Vyasa was vastbesloten om deze destructieve krachten voor te zijn. Toen de journalist die verantwoordelijk was voor het artikel hem om commentaar had gebeld, had Vyasa hem erop gewezen dat Meera nimmer een nationaal beroemd dichteres was geweest en dat haar oeuvre klein was. ‘Pas na haar dood kregen haar gedichten bekendheid,’ zei hij, ‘en als iemand haar nu imiteert, wat kan kan ik daar dan aan doen?’ De journalist had een beetje ongelovig gereageerd. ‘Iedereen heeft van Meera gehoord,’ protesteerde hij. Maar Vyasa liet zich niet uit het veld slaan. De dichteres Lalita, zo vertelde hij de nieuwsgierige jongeman, had met Bengaalse woorden doorspekte Engelse gedichten geschreven. In de eerste gedichten hadden hele Bengaalse regels gezeten; later wierp ze er af en toe nog een Bengaals woord tussen; en de laatste gedichten waren helemaal in het Engels geschreven. Dat betekende dat ‘Lalita’ slechts door een piepkleine coterie Engelssprekende Indiërs werd gelezen, die ook nog vertrouwd moesten zijn met het Bengaals. Omdat dergelijke mensen in de hoofdstad een zeker politiek en cultureel aanzien genoten, die ver uitsteeg boven hun numerieke aanwezigheid in het land, en omdat een sentimentele professor Bengaals aan de universiteit van Delhi haar ge257


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 258

dichten op zijn leeslijst had gezet, wekte dit een valse indruk van haar importantie. Maar de president had nog nooit van haar gehoord. De illegale boekenkopieerders namen niet de moeite om haar werk op de kruispunten te koop aan te bieden. En Vyasa zei dit niet hardop, maar hij dacht bij zichzelf dat de poëzie van zijn vrouw alleen geliefd was bij degenen die haar persoonlijk hadden gekend of hadden gewenst dat ze haar minnaar waren of zich vereerd hadden gevoeld dat ze waren uitgenodigd op haar woeste feesten, die vooral notoir waren vanwege de voluptueuze schoonheid van de gastvrouw. Vyasa was tot dan toe met zichzelf ingenomen geweest over zijn aanpak. Maar nu hij hier achter zijn kopje koffie zat, besefte hij dat hij niet voldoende had nagedacht over hoe hij een mogelijke crisis bij zijn dochter moest aanpakken, die nota bene de Lalita-gedichten bestudeerde. Hij stond op, liep terug naar zijn bibliotheek en pakte het beledigende artikel in de Delhi Star van zijn bureau, waar het nog steeds lag. Meera’s gezicht keek hem spottend aan. Ze zou hebben gelachen als ze had gezien hoe slecht op zijn gemak hij zich voelde. En hoe zat het met Leela? Wat dacht zij ervan? In de stapel kranten die hij vanmorgen had doorgebladerd zocht Vyasa de twee pagina’s met trouwfoto’s op in de societyrubriek van de Delhi Star, die bij een reportage over het feest van gisteravond waren afgedrukt. Er was maar één foto van Leela bij. Het was een groepsfoto, hij stond er ook op, en hij moest zijn genomen vlak voordat ze flauwviel. Hij bekeek hem nauwkeurig. Er lag een bepaald verdriet, wijsheid misschien, in haar blik en hij herinnerde zich de rustige, beheerste uitdrukking die hem in Santiniketan zo had aangetrokken. En hij, was hij wijzer geworden? Hij dacht aan zijn jeugdige hoogmoed en kromp ineen. Vyasa was opgegroeid met verhalen over degene naar wie hij was vernoemd: hij was de Vyasa van de Mahabharata, en er was een bepaald verhaal dat hij altijd prachtig had gevonden. Het verhaal ging over de mannelijke potentie, het was een oud voorbeeld van de viriliteit van zijn naamgenoot, een legende die bovendien de sleutel vormde tot het epos. Het verhaal ging over Vyasa’s be258


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 259

vruchting van de twee zussen en een bediende. Door met al deze vrouwen te slapen, had de auteur van de Mahabharata kinderen en kleinkinderen verwekt – de neven die oorlogen met elkaar voerden – en hij had op deze manier zijn epos van personages voorzien. Professor Ved Vyasa Chaturvedi had nooit tegen iemand gezegd in hoeverre hij zich gedurende een jeugdige, egomane periode in zijn leven had laten leiden door deze legende. Meestal poogde hij de betekenis van die zinnelijke herfst en genotzuchtige lente niet al te grondig te analyseren. Niettemin hadden zijn daden van destijds in zekere zin levens veranderd. Vyasa’s gedweep met de legende kreeg definitief vorm in Santiniketan, waar hij zijn eerste betrekking als docent kreeg. Hij hield ervan om kennis op jonge mensen over te brengen, en toen er twee beeldschone zusjes in zijn klas verschenen, reageerde elke vezel van zijn persoonlijkheid – en lichaam – op hen. Meera, die van hen tweeën het makkelijkst praatte, had hij al snel voor zich gewonnen. Ze reageerde op alle gebruikelijke manieren op zijn blikken, zijn woorden en, uiteindelijk, zijn liefkozingen. Maar Vyasa smachtte naar de andere zus, Leela. Zij was moeilijker. Leela scheen Vyasa niet op te merken. Dat maakte hem onbezonnen en daardoor flirtte hij nog meer met haar zus, hij verliet de kamer pas als Leela terugkwam en vulde de ruimte met zijn geur van zweet en mannelijkheid. Leela schonk er geen aandacht aan. Midden in deze periode van gefrustreerde hofmakerij liep Vyasa een gênante genitale jeuk op en op een middag verliet hij Santiniketan en liep na schooltijd de drie kilometer over de Ilam Road naar het nieuwe missieziekenhuis in het naburige dorp, dat door de methodisten werd geleid. Zoals al dat soort instellingen, was ook dit ziekenhuis gesticht om leden van de lokale Santhalstammen te bekeren. Maar er werd ook gebruik van gemaakt door plaatselijke bewoners die te arm waren om de tarieven van het academische ziekenhuis te betalen en door degenen die geen vertrouwen hadden in het ziekenhuis van Bolpur. Voor Vyasa gold dat het missieziekenhuis anoniem en schoon was – en hij 259


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 260

vond de serieuze manier waarop het evangelie er werd verbreid zelfs charmant (gegeven het feit dat het geen kans van slagen had). Toen Vyasa tussen de arme dorpelingen in de wachtkamer zat, haalde hij een vel papier uit zijn vestzak en vouwde dat open. Meera had het hem die ochtend gegeven na een studieopdracht een vers te schrijven met een mythologisch thema. Misschien geïnspireerd door Meera’s naam had Vyasa een les eerder onderwezen over haar naamgenote, Meerabai, de middeleeuwse prinses uit Rajasthani die afstand had gedaan van haar echtgenoot en het koninklijk hof om door de woestijn te reizen en de lof te zingen van Krishna, de jongensgod met het blauwe gezicht. Meerabai nam een dienstmaagd met zich mee, Lalita, en zij was het, zo gaat het verhaal, die Meerabais verzen redigeerde en deze verfijnde producten van goddelijke extase verzamelde en tot een samenhangende bundel ordende. Elke Indiase dichter moest zich van een pseudoniem bedienen en dit – Lalita – had Meera gekozen als het hare. Het was mooi gevonden, want in de strofen ontspon zich een verhaal van liefde en bezetenheid. In de laatste werd hij zelfs met name genoemd: O saffraangetinte vrouw, In je vorige leven was je koeienhoedster. Eens bezong je je liefde voor Krishna. Verwerp nu deze kinderlijke dingen, Steek mij je hand toe, Meera. Zoals Ganesh het epos opschreef voor Vyasa, Verklaar jij in deze verzen je liefde voor Lalita. Vyasa lachte hardop van plezier. Deze bewerking van Meerabais liefdesliederen, de verweving van een thema uit de Mahabharata, was ronduit voortreffelijk. Precies op dat moment deed de verpleegster de deur open en riep zijn naam. Haar stem klonk onmiskenbaar Engels, en jong. Vyasa keek op. Ze was frêle, slank, blond en amper twintig, haar 260


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 261

haren waren opgestoken onder haar verpleegsterskapje. Toen hij haar de spreekkamer in volgde, op een houten stoel ging zitten en zijn probleem uitlegde, werd hij licht in zijn hoofd van verlangen. Ze trok haar handschoenen aan. ‘Laat het maar zien,’ zei ze, ze vermeed hem aan te kijken en er trok een lichte blos over haar wangen. Hij haalde hem tevoorschijn, zij pakte hem tussen haar gehandschoende vingers, en toen leek hij tot leven te komen; hij richtte zich op een trage en statige manier op, die Vyasa niet onder controle had. Ze staarden er allebei even naar terwijl hij heen en weer zwaaide, alsof hij volkomen overtuigd was van zijn eigen schoonheid. Ze trok haar handen zenuwachtig terug, haar gezicht zag nu vuurrood. Ze wendde zich af en trok haar handschoenen uit – en tegen de tijd dat ze hem weer aan durfde te kijken, had Vyasa hem in zijn broek teruggestopt, waar hij pijnlijk gezwollen tegen de stof schrijnde. ‘Zo te zien is er niets ernstigs aan de hand,’ zei ze. ‘Het ziet eruit als een lichte dermatitis. Doe er een vochtinbrengende zalf op en als dat niet helpt, komt u over een week terug.’ Toen hij een week later terugkwam, zoals hem was opgedragen, bloosde de verpleegster nog steeds. Maar nu voelde hij zich zeker van zijn zaak. En toen hij weer in haar spreekkamer stond, sloeg hij zijn arm om haar middel, hij boog zijn hoofd naar haar toe en kuste haar, zij hief haar gezicht naar hem op en hij proefde de pepermuntsmaak van haar schone verpleegstersmond. Haar huid was zo glad, zo blank, elke emotie werd zichtbaar op het oppervlak; en toen Vyasa haar naar de onderzoektafel leidde waarop ze haar patiënten onderzocht en zijn hand langs haar dij naar boven liet glijden en zelfs zijn vinger in haar schoof, zuchtte ze en ze hield hem niet tegen. Haar blos beklijfde toen hij voorzichtig bij haar naar binnen stootte en zo heen en weer bewoog dat ze haar hoofd afwendde en nog net niet kreunde. Toen hij voor de derde keer naar het ziekenhuis terugging, merkte hij echter dat de jonge Engelse verpleegster was vertrokken en haar vervangster, een veel oudere en robuustere vrouw, 261


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 262

wilde niet zeggen waarheen en ook niet hoe ze heette. Hij rouwde een paar dagen in stilte om haar, dacht aan de blik in haar ogen toen hij bij haar naar binnen was gegaan, maar het verlies verloor algauw zijn scherpe kantjes. Intussen had Meera met Leela gesproken en dankzij haar was de tweede van de zussen, de zwijgzame, gereserveerde en charmante, eindelijk de zijne geworden. Vrouwen zeiden meestal geen nee tegen Ved Vyasa Chaturvedi; hij had al jong geleerd dat volhouden meestal de remedie was – dat, en een onwankelbaar vertrouwen in zijn eigen begeerlijkheid. Het unieke en gekmakende van Leela Bose was dat ze nee zei, de eerste keer, en de tweede keer, de hele periode dat hij verkering had met Meera, en ze zei zelfs nee op het moment dat ze zich, om haar steeds meer losgeslagen zus een plezier te doen, eindelijk aan hem overgaf. Ze zei zelfs nee toen Vyasa haar smeekte om haar ruzie met Meera bij te leggen en naar Calcutta te komen voor hun huwelijk. Ja, Vyasa trouwde met Meera. Het leven had onaardige wendingen in petto; zo was het niet geweest voor de Vyasa in de Mahabharata. Nadat die zijn plicht had gedaan als bevruchter van de twee vrouwen van zijn broer, had Krsna Dvaipayana Vyasa zich in de luwte teruggetrokken om zijn producten en personages te observeren en zijn verhaal te bedenken. Maar in het Santiniketan van 1979 was zich terugtrekken geen optie voor Ved Vyasa Chaturvedi. In mei, aan het einde van het studiejaar, vertelde Meera hem dat ze drie maanden zwanger was. Ze trouwden halsoverkop met een simpele Arya Samaj-ceremonie in Calcutta om haar vader een plezier te doen, en terwijl de zomerse hitte maar bleef aanhouden en het land verstikte, verhuisden ze naar Delhi, waar Vyasa erin geslaagd was een baan als docent aan het Hindi-college te krijgen. Aangezien het nieuwe schooljaar eind juli begon, besteedden Meera en hij de resterende tijd aan het inrichten van hun huis in Nizamuddin West. Terugblikkend waren het verrukkelijke maanden geweest, en niet alleen vanwege de verschrikkingen die erop volgden. Tijdens haar zwangerschap leek Meera te stralen van vreugde. Alles van 262


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 263

haar nieuwe leven vond ze fijn, en ook in zijn ogen kreeg het huwelijk dat hij had gesloten een bijzondere glans, die in ieder geval gedeeltelijk de intellectuele nadelen van het getrouwd-zijn compenseerde. Eenmaal in Delhi verklaarde Meera dat ze hetzelfde over Santiniketan had gedacht als hij: ze waren allebei stadsmensen en gedijden beter in de hectiek van de grote stad. En in het begin haalde Meera er alles uit was erin zat. Naarmate haar wangen zich vulden en haar buik begon te zwellen, leek ze meer op een verpersoonlijking van de volmaakte echtgenote: gevat, begeerlijk, elegant en gedurfd. Dit was vóór de periode dat ze haar gedichten begon voor te dragen en voordat ze die oervervelende coterie van jonge bewonderaars om zich heen had verzameld. Ze organiseerde etentjes in hun huis en bracht hoogleraren in de letteren samen met maatschappelijk activisten; journalisten met de slimste studenten van de faculteit; ze organiseerde ontmoetingen en treffens die als eb en vloed af en aan gingen met een gemak en passie alsof ze geen gesprekken leidde maar concerten. Er was één minpuntje. Meera noch Vyasa sprak in deze periode over Leela. Sinds ze getrouwd was, weigerde Meera over haar zus te praten. Vyasa’s zwijgen werd eerder ingegeven door noodzaak. Hij was doodsbang dat hij aan zijn vrouw zou laten doorschemeren dat hij, als ze hem zo nu en dan op het echtelijk bed trok en dwong met haar te vrijen, in feite Leela’s geestverschijning streelde en liefkoosde, dat het Leela’s tong was waarmee hij speelde, Leela’s gezicht dat hij voor zich zag als hij zijn lange, gekwelde schreeuwen uitstiet. Hoe groot Vyasa’s smart om het verlies van Leela ook was, hij verborg het. Althans, dat hoopte hij. In de herfst, een paar weken voordat de baby werd verwacht, nam Meera de trein naar Calcutta. Ze zei dat ze in het huis van haar vader wilde bevallen, Vyasa zat midden in een druk studiesemester en bleef in Delhi. Een maand later keerde zijn vrouw terug. Tot ieders grote vreugde had ze een tweeling gekregen, een gezond jongetje en een gezond meisje. Ze noemden de jongen Ashwin – naar de my263


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 264

thische tweeling die zowel man als vrouw was – en het meisje Bharati, met een knipoog naar zijn werk. Maar Meera was veranderd in de maand van haar afwezigheid. Het begon ermee dat ze niets zei, en hij nam aan dat ze zweeg omdat ze opging in haar moederschap, het voortdurende voeden van niet één maar twee mondjes, het verzorgen van niet één maar twee hulpeloze lijfjes. Pas toen ze hem vroeg naar zijn vroegere vrijages, wist hij dat er iets mis was met haar. Eerst informeerde ze er aarzelend naar; later eiste ze dat hij deze verhalen opnieuw vertelde, deze wrede beschrijvingen, telkens weer, in steeds gruwelijker, sensationelere details. Met wie hij naar bed was geweest, hoe die andere vrouwen waren, wie er het hardst had geschreeuwd, wie hem het meeste genot had geschonken. Maar dit was nog maar het begin: later wilde ze dat hij haar elk detail van die korte en onbevredigende coïtus met Leela vertelde. Vyasa was verontwaardigd. Ze was bezig om hem zijn onconventionele seksuele gedrag te verwijten; ze haalde die verafschuwde burgermansnormen hun huwelijk binnen en maakte het kapot. Toen de strenge winter in Delhi plaatsmaakte voor de lente – en de tweeling het huis vulde met hun gehuil, omdat ze eten wilden of gefrustreerd waren – staakte Meera haar zorg voor de kinderen. Als hij ’s avonds thuiskwam trof hij haar ineengezakt op bed aan met een glas gin. De tweeling had een ayah, een vrouw uit de basti, en Meera, die zoals veel andere Indiase huisvrouwen haar dagen binnenshuis sleet, maakte niet schoon en kookte al evenmin. Ze voedde de kinderen niet eens. ‘Wat doe je als ik weg ben? Zit je dan te schrijven?’ vroeg hij op een dag, meer uit nieuwsgierigheid dan uit achterdocht. Ze tilde traag haar hoofd op en keek hem lodderig aan alsof ze hem niet begreep, alsof zijn woorden van heel ver kwamen. Zijn woorden leken de spot met haar te drijven. Vroeg in de lente van het jaar daarop hoorden ze van haar vader dat Leela was verhuisd. Ze was getrouwd met een onbekende man, ze had het tegen niemand gezegd en had nota bene Amerika uitgekozen als haar nieuwe thuis. Meera ging nu kopje onder 264


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 265

in de depressie die ze al in lichte mate had gehad; men weet het aan haar postnatale toestand. Maar Vyasa wist wel beter. Het kwam door de schok gescheiden te zijn van de enige vrouw op wie zij zich altijd had verlaten. Maar hij begreep slechts gedeeltelijk was er aan de hand was. Later besefte hij dat de wrok die in haar groeide gedurende dat eerste levensjaar van de tweeling veel subtieler was, veel meer onder de oppervlakte lag – veel angstaanjagender was dan alles wat er aan de buitenkant van te zien was. Terwijl de ondergang van zijn vrouw zich voltrok, had Vyasa zelf een openbaring. Hij doceerde de Mahabharata uur na uur, klas na klas, aan begerenswaardige studentes. Maar de verhalen over zijn naamgenoot die hem hadden gevormd begonnen op een vervloeking te lijken. Terwijl hij voor de klas vol mooie, gretige gezichten stond, dacht hij voor het eerst aan de vrouwen in het epos, die vol afgrijzen terugdeinsden toen ze in het bed van de smerige, harige wijsgeer werden geduwd; die het uitschreeuwden van walging terwijl zij tegen hun wil met hem copuleerden; die luidkeels protesteerden tegen het feit dat zij gedwongen waren om dit surrogaatsperma te ontvangen – en hij was boos dat de moderne tijd het verhaal zijn epische dimensies had ontnomen en hem met dit ontluisterende perspectief had opgezadeld. In de herfst, vlak nadat de tweeling één jaar oud was geworden, toen de lucht in Delhi geurde naar de raat-ki-rani-bloesems en de ondraaglijke hitte van de zomer achter hen lag, sloeg Meera’s gemoedstoestand ineens om, en deze keer naar de goede kant. Het was een enorme verbetering en Vyasa voelde een opluchting die groter was dan hij ooit had ervaren en zou ervaren. Eindelijk trad ze tevoorschijn uit de duisternis die haar had omringd. Ze stond ’s morgens vroeg op, hulde zich weer in de flamboyante kleding van vroeger en het mooiste van alles was nog wel dat ze met de kinderen speelde. Hij vond het niet erg dat ze feesten aanrichtte waar de hele stad over sprak; dat ze beroemd werd omdat ze haar publiek de rillingen bezorgde als zij haar gedichten voordroeg. Hij zag wel dat ze genoot van de aandacht van haar 265


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 266

jonge bewonderaars. Hij vermoedde, zonder er iets bij te voelen, dat ze de uitverkorenen onder deze jongemannen meer dan slechts literair genot schonk, zoals hij hetzelfde voor andere vrouwen deed. Het enige wat het met hem deed was dat hij dankzij die nieuwe, harde, paradoxale breekbaarheid op een heel andere manier van haar ging houden. Wanneer hij nu met haar vrijde, dacht hij aan hun wederzijdse overspel – en hij verwarde de verbittering en de schade die ze elkaar berokkenden met nieuwe, diepe gevoelens. Vyasa was zo misleid in deze periode van hun huwelijk – hij vatte de stilte op als respect en de wanhoop en het overspel als individuele vrijheid – dat de tragedie voor hem volkomen onverwacht kwam. Het was vlak na de tweede verjaardag van de tweeling; Vyasa was voor zijn werk in Bombay en zijn moeder belde hem met het nieuws. Hij nam de trein terug naar Delhi en een vriend die bij de politie werkte liet hem met de auto van het station afhalen. Tot zijn verbazing werd hij de stad uit gereden, onder India Gate door, over de bergrug. Wat moest ze hier? Dit was het nieuwste deel van New Delhi, dat de elegantie miste van het nabijgelegen Shahjahanabad, en evenmin de ruimte ademde die men meestal associeert met de wijk Civil Lines: het was een stoffige, onbeduidende buurt waar mensen uit de krottenwijken tussen de spoorlijnen werkten. Toen de auto eindelijk halt hield, keek Vyasa uit het raam en zag het rood en blauw van een politiebureau. Nee, niet van een politiebureau. Van een politiemortuarium. Er hing een zoetige lucht op het terrein voor het mortuarium, destijds een ondefinieerbare geur voor Vyasa, die hij later zou verbinden met de dood, inert vlees en een heftig levenseinde. Hij werd naar een ruimte achter op het terrein geleid en moest daar wachten. Twee politiemannen leunden met hun rug naar hem toe in de deuropening van de koelruimte. Toen Vyasa naar voren liep, zag hij dat ze lachten om een vrouw die vlak bij de ingang lag. Ze had enorme borsten en alleen haar gezicht werd bedekt 266


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 267

door een smerig vod. Ze zag er zo wit en wasachtig uit dat ze onecht leek, niet dood, en Vyasa moest zichzelf eraan herinneren dat ze een mens was. Om haar heen lagen andere naakte lichamen opgestapeld, uitgestrekt op een hoop vodden. ‘Treinongeval,’ zei de politieman, wijzend op een man die achter in de koelruimte lag met zijn hoofd naar de muur toe gekeerd. ‘Zwerver.’ Zijn vinger wees naar een ander vormeloos lichaam, waarvan het hoofd op de benen rustte. ‘Moord, in Karol Bagh.’ De vinger verplaatste zich. ‘Bouwvakker, dood door illegaal gestookte alcohol. Riksjachauffeur, overreden door een vrachtwagen. Uitgehongerd meisje, at een doodgereden duif op.’ De doden zagen allemaal bleek, hun huidskleur leek na hun dood allemaal dezelfde tint te hebben aangenomen, ze zagen eruit als verwanten, alsof ze van dezelfde familie afstamden. Iemand riep hem. Vyasa draaide zich om en zag dat de inspecteur was teruggekomen. Hij werd naar een andere ruimte geleid. Hier was het schoner. Er lagen slechts twee lijken, allebei op lichtblauwe brancards. Het ene was een oude man, ook naakt, op een wit verband om zijn teen na. Zijn haar was wit en weerbarstig, zijn neus mooi gewelfd. Een man in een blauwe overall stond over hem heen gebogen en naaide de huid in zijn hals dicht. Het garen rukte het hoofd van de brancard omhoog, waarna het terugviel en weer omhoog werd gerukt. De steken waren gigantisch. Het hoofd kwam iedere keer met een bons neer. Het andere lichaam was van een vrouw. Ook haar huid zag bleek. Haar gezicht zat onder de blauwe plekken, ze was naakt, ze had gebloed. Je kon zien dat de huid van haar armen en benen opgereten was. ‘We troffen haar aan op de weg in de buurt van het ziekenhuis,’ zei de politieman. ‘Het was moeilijk te bepalen waar ze vandaan kwam. Geen identificatie. Een oude groene sari...’ Hij wees naar een hoop kleren op de onderzoekstafel. ‘Ze is hier gisterochtend binnengebracht. We wisten niet wat voor een vrouw ze was. Geen sieraden. Geen goud. Zelfs geen horloge...’ ‘En toch geen bediende,’ wierp iemand ertussen. ‘De huid op haar handen is te zacht.’ 267


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 268

‘Daarom hebben we een opsporingsbericht laten uitgaan.’ De bumper van de vrachtwagen, hoorde Vyasa later, had haar hoofd geraakt, ze was door een wiel meegesleurd en dat had haar benen verbrijzeld. Waarschijnlijk was ze op slag dood geweest. De politieman praatte nog steeds. ‘Niemand weet wie de vrachtwagenchauffeur was. We hebben geen idee hoe het is gebeurd.’ Hij wierp Vyasa een verstolen blik toe. ‘Er zijn verder geen vragen. Alles is afgehandeld.’ De uitvaart vond de volgende dag plaats op de lijkverbrandingsplek bij de universiteit aan de oever van de rivier. Vyasa had haar vader in Calcutta al eerder gebeld, maar geen van de andere familieleden kon nog op tijd Delhi bereiken met de trein, en de meeste in het wit geklede rouwenden die naast hem stonden bij de brandstapel waren zijn collega’s en verwanten, en een aantal jeugdige bewonderaars van Meera: de langharige jongemannen die op Vyasa’s terras hadden gezeten, zijn rum hadden gedronken en in vervoering raakten als zijn vrouw haar gedichten voordroeg. Zij waren degenen die huilden toen Meera’s as in de Yamuna werd gestrooid. Meera’s vader toonde geen emotie in het bijzijn van zijn schoonzoon. Het enige van belang wat hij zei, was: ‘Ik zal Leela op de hoogte stellen.’ En Vyasa knikte. Het duurde maanden eer hij de spullen van zijn vrouw ging opruimen. Bijna meteen trof hij de stapel gedichten aan. Meera had ze op datum en genummerd opgeborgen en allemaal gesigneerd met de naam Lalita. Vyasa ging erbij zitten en las ze door. Ze waren goed: jeugdig, geestig, zelfverzekerd met af en toe een zinswending die hem de adem benam. Vyasa liet de gedichten aan een vriend zien (allemaal, behalve één, dat hij achterhield vanwege de gênante inhoud) en de man, die een kleine uitgeverij bezat, was er erg enthousiast over en verklaarde dat hij er een bijzondere gedenkbundel met een oplage van vijfhonderd exemplaren van zou maken, met een tekening van Meera’s gezicht op het omslag en voetnoten die de voorkomende Bengaalse woorden in het Engels zouden verklaren. Het 268


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 269

dunne in linnen gebonden boekje werd De Lalita-serie genoemd. Recensenten schreven er artikelen over in gerenommeerde literaire tijdschriften. Bij de tweede druk van achthonderd exemplaren betreurde men alom dat deze veelbelovende dichteres was verongelukt. Er werden vergelijkingen getrokken met de Meera uit Rajasthani en de Engelsman John Keats. Vyasa verlangde naar een goedkeurend woord van Meera’s vader over deze daad van liefde na haar dood, maar de oude man roerde het onderwerp nooit aan als hij uit Calcutta op visite kwam. Dipankar Bose was dol op de tweeling, maar hij had zich altijd een beetje afzijdig gehouden van Meera’s huwelijkspartner, vond Vyasa, en nu zijn dochter was gestorven, stond hij niet open voor vertrouwelijke gesprekken met de rouwende echtgenoot. En ook al snakte Vyasa ernaar om Meera’s werk te bespreken met Dipankar en van gedachten te wisselen over de creatieve diepgang die er onder haar uitbundigheid was schuilgegaan, over de vertwijfeling en dieptes die haar depressie had blootgelegd, hij durfde het niet. Misschien schaamde hij zich wel om toe te geven dat hij, haar man, haar nooit helemaal had doorgrond. Meera’s vader overleed een jaar of drie later. ‘Ik neem aan dat je Leela ervan in kennis moet stellen,’ had zijn moeder opgemerkt nadat hij opnieuw van een uitvaart was thuisgekomen, die deze keer had plaatsgevonden op de oever van een andere rivier, in een andere stad. Vyasa knikte. Hij gaf zijn advocaat de opdracht om via het huwelijksregister van Delhi uit te zoeken met wie Leela was getrouwd. Toen de waarheid boven water kwam, was Vyasa verbaasd hoe jaloers hij was. Ze had een slechte partij gehuwd, haar echtgenoot had een import-exportzaak en heette Hariprasad Sharma. Vyasa deed zelf ook nog wat naspeuringen en ontdekte dat Hariprasad de jongere broer was van een hindoenationalist met een vlotte babbel, Shiva Prasad geheten, die zich tegenwoordig deed gelden als een hinderlijke verschijning in de marge van de rechtse hindoepolitiek. Shiva Prasads in het buitenland wonende broer Hari bezat echter uitgebreide handelsbelangen op allerlei gebied 269


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 270

en een heleboel geld. Vyasa stelde een formele brief op aan Leela waarin hij haar het trieste overlijden van haar vader meedeelde en adresseerde die aan haar mans kantoor in Delhi. Hij hoopte dat er een correspondentie uit zou voortvloeien. Maar toen ze antwoordde, was dat kort; hij kon wel zien dat de brief was gepost in Amerika, maar ze vermeldde geen postadres. Hij was gekwetst door haar woorden – het gebrek eraan. En ook al overwoog hij om haar Meera’s dichtbundel toe te sturen en te schrijven hoe goed die was ontvangen, na enige tijd begreep hij wat haar brief duidelijk had gemaakt: ze wilde niet aan haar verleden herinnerd worden, waarin ze al te veel verdriet had ervaren. De tijd verstreek, de jaren regen zich aaneen, de kinderen werden volwassen en vele andere vrouwen volgden Meera en Leela op. Maar waar Vyasa als jongeman zijn acties in Santiniketan had gerationaliseerd met een verwijzing naar de geschiedenis – mannen hadden altijd al gedaan wat hij deed; vrouwen hadden altijd gereageerd op de manier waarop de zussen reageerden – merkte hij dat zijn opvattingen door het vaderschap ongemerkt veranderden. Natuurlijk had hij zich altijd voorstander verklaard van vrouwenrechten, de seksuele revolutie en het feminisme; hij geloofde in deze zaken met een bijna fysieke hartstocht. Maar pas toen hij zelf een dochter had – een kind dat hij had opgevoed tot zelfstandigheid en eigenzinnigheid, dat zich niet klein liet krijgen door traditie en conventie – begon zijn eigen gedrag hem te storen. Toen hij de middelbare leeftijd had bereikt, kreeg hij ineens het gevoel dat hij zich in het verleden niet correct had gedragen en dat hij er goed vanaf was gekomen, gezien alles wat hij had uitgespookt. En hij had te doen met zijn kinderen. De tweeling had een moeder nodig gehad. Maar het enige wat hij kon doen was er het beste van maken en dankbaar zijn dat de levens die ze leidden zo rijk en betekenisvol waren als men mocht verwachten. In de maand voordat Bharati naar Engeland vertrok, zette Vyasa een advertentie voor een bibliothecaresse om zijn uitgebreide privécollectie te ordenen. De bibliotheek op zolder moest wor270


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 271

den uitgezocht, geordend en op onderwerp gezet, en bovendien was het voor hem als faculteitshoofd gepast om zich deze luxe te veroorloven. Er solliciteerden talloze studentes en op een middag stuurde Vyasa’s secretaresse op de universiteit hem naar huis met een enorme stapel cv’s; het enige wat hij hoefde te doen was er een aantal selecteren voor een sollicitatiegesprek. Maar toen hij het bordes voor zijn huis op liep en het jonge dienstmeisje naar de deur kwam met een glas water, zag Vyasa dat er iemand op hem wachtte: ze zat opgeprikt op een stoel in de woonkamer, met een blauwe map op haar knieën. Ze vertelde dat ze kwam solliciteren naar de functie van bibliothecaresse en toen ze de map met haar cv aan hem overhandigde, ratelde ze haar persoonsgegevens en bescheiden verdiensten tot dan toe op, maar één detail trok zijn aandacht. Haar vader was Shiva Prasad, lid van een rechtse denktank; Hari Sharma was haar oom, dus zij was de nicht van Leela Bose. En daarom nam Vyasa de (cum laude) in de huishoudelijke wetenschappen afgestudeerde Sunita Sharma aan, in plaats van een van de briljante oud-studentes van de St. Stephen Universiteit. Zijn bibliothecaresse was een prettig, competent meisje, en toen ze haar best deed om bevriend te raken met Ash, een verlegen jongen, moedigde Vyasa dat niet direct aan, maar hij ontmoedigde het ook niet. Hij observeerde vanuit een comfortabele, nabije positie dat ze naar elkaar toe groeiden, ondanks hun uiteenlopende milieus, en hij lachte in zichzelf toen Ash hem kwam vertellen dat ze wilden gaan trouwen. Want dat betekende dat Leela heimelijk, via een omweg, terugkwam in de schoot van de familie. De trouwdatum werd vastgesteld en Hariprasad Sharma zou overvliegen vanuit New York om de feestelijkheden bij te wonen, hoorde Vyasa. Toen verscheen het Lalita-gedicht in de kranten, en zodra Vyasa het artikel las, wist hij dat de journalist gelijk had. Hoe had hij zo blind kunnen zijn? Het was overduidelijk: de verzen die Meera zo vaak had voorgedragen op feestjes in Delhi en die Vyasa na haar dood gemakshalve aan haar alleen had toege271


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 272

schreven, had ze samen met Leela geschreven. Ze had ze gedeclameerd bij wijze van elegie voor de zus die ze had verloren. En twintig jaar later had Leela besloten om het ontbrekende gedicht te publiceren dat hij opzettelijk uit De Lolita-serie had weggelaten omdat het hem in een onflatteus daglicht stelde. Waarom was het gedicht nu gepubliceerd? Als waarschuwing. Maar waarvoor? Vyasa legde de kranten terzijde en stond op. Het was niet in Leela’s belang om een schandaal te veroorzaken over hun verleden, ze was tenslotte een getrouwde vrouw. Dus misschien had ze het gedicht gepubliceerd om erkenning te krijgen. En als dat zo was, dan moest ze wel openstaan voor een constructieve dialoog over onderwerpen die hen beiden aangingen. Hij zou haar kunnen vragen hoe ver haar schrijverschap ging – hij zou zelfs een gezamenlijk project kunnen voorstellen – ze zouden een nieuwe bundel kunnen publiceren met een korte biografie van de beide dichteressen en een inleiding van Vyasa, de docent die hen het meest had gevormd. Terwijl hij over het terras ijsbeerde, kreeg de gedachte vorm in zijn hoofd – zoals altijd het geval is met goede ingevingen. Na een halfuur was Vyasa er rotsvast van overtuigd dat het een goed idee was – een lumineus idee – dat hij bovendien met veel plezier zou realiseren. De uitwerking zou nog wat werk kosten, maar al met al zou hij er niet veel tijd in hoeven te steken. Vyasa was inmiddels bedreven in het uitvoeren van dergelijke projecten en het schrijven zou hem stilistisch goed afgaan. Hij wilde niet dat het een al te dik boek zou worden. Het moest een kleinood worden, niet pompeus of wijdlopig. Iets pittigs en kernachtigs. Een commentaar op het moderne India. Een verkenning van de verschillende poëzietradities in dit land. Zittend in de zonneschijn raakte Vyasa weer helemaal met zichzelf verzoend. Zijn essays over schrijven in de Vedische traditie waren controversieel geweest, er was op gereageerd met protesten, lezingen en ingezonden brieven in de kranten. Maar die reacties waren als een vlucht luidruchtige spreeuwen of beo’s geweest: ze dienden slechts als achtergrondkoor voor zijn krachtige 272


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 273

solozang. Er bestond niets frivolers dat deze tijdelijke gemoedsuitingen van de moderne politiek en haar steeds terugkerende obsessie voor religie. Vyasa was ervan overtuigd dat zijn werk langer mee zou gaan dan de huidige regering, die bijna alle goodwill had verbruikt door constant te zaniken over mythologische hindoefiguren, die geen van alle – dat zou op een zeker moment tot het gepeupel doordringen – ook maar enige invloed hadden op de graanprijs, woekerrentes of de afstand die hun kinderen moesten lopen naar de dichtstbijzijnde school die nog niet gesloten was. En met de opening van de Academie voor levend Sanskriet in Delhi stond Vyasa op een keerpunt in zijn carrière. Hij had al zijn academische kracht ingezet en al zijn machtige connecties ingeschakeld om de Archeologische Dienst van India over te halen hem het oude fort te laten gebruiken – het Indraprastha zelf – als locatie voor zijn lezing. Hij zou de bijeenkomst openen met een korte redevoering en na deze inleiding – een ingekorte versie van zijn lezing in New York – zouden enkele van India’s meest scherpzinnige intellectuelen het publiek toespreken. Vyasa, die zich erop liet voorstaan dat hij nieuwe wetenschappers goed begeleidde en stimuleerde, had zijn commissie aangemoedigd om daarnaast zowel een jonge onderzoeker uit Calcutta als uit Londen een beurs te geven om naar Delhi te komen voor het houden van een lezing. De opdracht van de Academie was een levendige en geëngageerde studie te stimuleren van deze oude taal en literatuur. Niemand kon Ved Vyasa Chaturvedi ervan betichten dat hij geen belangrijke bijdrage leverde aan de nationale en mondiale gemeenschap of aan het culturele en intellectuele leven van India. Maar al deze prestaties zouden waardeloos schijnen als Leela Sharma haar stem niet zou toevoegen aan het grote koor. Waarom kon ze niet over haar kleinzielige trots heen stappen en weer deel gaan uitmaken van zijn leven? Wat hield haar tegen? Al die andere vrouwen hadden het fijn gevonden om in zijn nabijheid te blijven; zij waren de meest bevoorrechte en gelukkigste vrouwen van Delhi, van India, van de wereld, en dat wisten ze. Alleen op 273


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 274

die plek kregen ze onbelemmerd toegang tot zijn wonderbaarlijke hersens. Alleen daar werd hun een glimp gegund van zijn verbijsterende intellectuele inzichten, alleen daar werden zij intensief blootgesteld aan de eigentijdse cultuur. Men mocht hem en prees hem, niet alleen in Delhi en Bombay, maar ook in Londen en New York. Parijs kon evenmin om hem heen, Berlijn stak de loftrompet van zijn nationaal bewustzijn en ook in Sydney en Melbourne had hij een diepe indruk achtergelaten. Dit alles kon Leela ten deel vallen. En terwijl hij het dienblad met het koffiekopje oppakte om het mee naar beneden te nemen, permitteerde hij zich de luxe van een visioen: hij zag haar in zijn armen liggen, zoals die ene keer dat hij haar het hof had gemaakt, heel zacht en heel teer – al kon hij helaas niet voorkomen dat hij ook de minachtende trek op haar gezicht zag toen het voorbij was.

274


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 275

6 Raziya Begum, de moeder van Humayun, gilde het uit en rammelde de brenger van het bericht – een van de zoons van een broer van haar overleden echtgenoot – door elkaar. ‘Wie? Wie zou hij hebben verkracht?’ ‘Aisha, de dochter van Tabasum.’ Ze hief haar arm op en het neefje kromp ineen. Nadat ze hem had laten gaan, rende hij door de steegjes van de basti naar huis en vertelde zijn vader en zijn ooms dat tante Raziya gek was van verdriet. Raziya hield haar hoofd er echter bij. Als eerste deed ze iets praktisch: ze ging naar de professor die de familie goed kende en die Humayun bovendien de avond ervoor nog had ingehuurd om hem naar de bruiloft van zijn zoon te rijden. Hij zou de politie goede referenties kunnen geven en ook een alibi. De professor was niet thuis toen ze er aankwam, de hele familie was naar Lodhi Road vertrokken voor de huwelijkslunch en Raziya moest met de kok van de familie praten, een mollige, vooringenomen hindoeman die oorspronkelijk uit Sindh kwam en aan wie ze een hekel had. ‘De zoon van de professor is gisteren getrouwd,’ zei de kok ergerlijk genoeg, alsof Raziya niet op de hoogte was van wat er in de familie speelde. ‘We hebben je zoon niet meer gezien sinds hij ze heeft thuisgebracht van de bruiloft en daarna is hij weggegaan om het dienstmeisje op te halen, dat jonge meisje, Aisha.’ ‘Werkt Aisha hier?’ Raziya balde haar vuisten achter haar rug. ‘Wist je dat niet? Jouw zoon Humayun is hier zelf voor haar om werk komen vragen.’ 275


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 276

Raziya’s knokkels werden wit. De kok opende de deur wat wijder. ‘Je kunt wel binnen wachten. Zet zelf maar een kopje thee, je weet waar alles staat.’ Raziya volgde de kok door de gang van het huis, waarin ze zoveel jaren van haar leven had doorgebracht en twee kinderen en haar eigen zoon had grootgebracht. Ze keek om zich heen – alles was nog precies zoals vroeger. Het huis, dat met zo veel zorg door de professor was ingericht met schilderijen en foto’s, dikke tapijten met diepe kleuren en verfijnde objecten, rook zelfs nog hetzelfde. Naast de trapopgang hing een foto van de vrouw van de professor, die ze herkende. Raziya stond er onder aan de trap naar te kijken, toen de professor thuiskwam. Hij leek diep in gedachten verzonken. ‘Ik weet niet wat je me komt vertellen, maar het zal moeten wachten tot morgen,’ zei hij. ‘Ik heb het nu te druk.’ ‘Maar, meneer...’ protesteerde ze. ‘Stil,’ zei hij en hij stak zijn hand op om haar de mond te snoeren. ‘Kom alsjeblieft morgen terug.’ En voordat ze iets had kunnen zeggen, liep hij de trap op. Weer buiten op straat liet Raziya haar hoofd hangen vanwege de hachelijke situatie waarin haar zoon zich bevond en ze voelde zich hulpeloos. Ze keek op naar het huis. Ze zou morgen terugkeren en op hem wachten tot hij thuis was. Zo nodig zou ze elke dag op hem wachten. En uiteindelijk zou hij haar helpen, hij moest wel, in ruil voor de zorg die ze zijn moederloze kinderen had gegeven. Dat was niet meer dan eerlijk. Raziya’s komst in huize Chaturvedi was tweeëntwintig jaar geleden samengevallen met een moeilijke periode in het leven van de professor. Zijn jonge vrouw had net de tweeling gebaard, maar ze vond het voeden pijnlijk en Raziya, die zelf zwanger probeerde te worden, voelde minachting voor deze vrouw, deze halve moeder, dat mens, dat nog niet eens eten kon koken voor haar gezin, dat amper tegen de ayah sprak en geen oog had voor haar zoon en dochter. Haar man, Ved Vyasa Chaturvedi, had als enige van de twee ouders een band met de kinderen. 276


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 277

Raziya en de kinderen brachten vele uren samen door. Eens, op een middag in de lente, toen Raziya buiten liep met de kinderwagen, kwam er een vrouw op hen af. Raziya bleef staan en voelde ondanks het waterige zonnetje dat de haartjes op haar armen overeind gingen staan van schrik. Ze herkende de vrouw van een foto die de professor aan de muur in zijn bibliotheek op de bovenste verdieping had hangen. Op die foto keek een stel jonge studentes vrijmoedig in de camera. Elke keer als Raziya die foto afstofte keek ze verwonderd terug naar de brutale, zelfverzekerde glimlach van Meera en de buitengewone schoonheid van de jonge vrouw die vlak achter haar zat. Op een dag had de professor ruzie gehad met zijn vrouw en Meera had de foto op de grond gesmeten, het glas was gebroken en de scherven glinsterden op de trap tot helemaal beneden aan toe. Raziya had de minuscule splinters moeten opvegen. Het glas had ze inderdaad weggehaald, maar de zwart-witfoto had ze onder een stapel paperassen op het bureau van de professor verstopt. Het was de eerste keer geweest dat ze haar werkgeefster trotseerde. Toen ze de knappe vrouw van de foto in levenden lijve zag, ging ze op een bankje zitten en keek haar nieuwsgierig aan. De vrouw kwam heel dichtbij en hield haar adem in. Bharati en Ash sliepen, hun donkere wimpers trilden lichtjes. ‘Wie van de twee is het dochtertje?’ vroeg de vrouw en Raziya wees haar het meisje aan. ‘Deze.’ ‘Mag ik haar even vasthouden?’ vroeg de vrouw. ‘Ze slaapt,’ zei Raziya. ‘Is het een rustig kindje?’ ‘Heel rustig.’ ‘Hoe heet ze?’ Na een korte stilte zei Raziya: ‘Bharati.’ ‘Bharati.’ De vrouw proefde de naam op haar tong. Toen kwam ze naast Raziya op het bankje zitten en stopte haar iets in haar hand. Het was een armband. Een dikke gouden armband. ‘Ik blijf hier naast je zitten tot ze wakker wordt.’ Zwijgend bleven naast elkaar zitten en keken naar Bharati. De 277


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 278

zon zakte aan de hemel en het park liep vol met jonge jongens en meisjes. Ten slotte zei Raziya: ‘Ik moet ze naar huis brengen, anders vatten ze misschien kou.’ Ze boog zich over de kinderwagen, tilde de slapende Bharati eruit en legde die voorzichtig in de armen van de vrouw. Het kindje bewoog een beetje, maar werd niet wakker. Toen Raziya het nauwelijks een minuut later terugnam, welde er een gesmoorde snik op uit de vrouw. Bharati, die nog steeds vredig sliep, had haar vingertjes om de vinger van de vrouw gekromd. Samen liepen ze achter de kinderwagen aan naar de uitgang van het park. ‘Ik zou ze heel graag nog een keer zien,’ zei de vrouw. ‘Ben je hier morgen weer?’ En Raziya antwoordde zonder enige aarzeling: ‘Morgen om tien uur zijn we er weer.’ ‘Tien uur morgenochtend,’ zei de vrouw. Als beloning voor de tweede ontmoeting ontving Raziya een paar gouden oorbellen en een ketting. De vrouw lag in het gras met de baby’s op een kleed naast haar, en hoewel ze nog maar net waren begonnen met lachen en ze nog geen van tweeën hardop hadden gelachen, leek de vrouw het niet moe te worden om Bharati’s gezichtje te bestuderen en naar haar ogen te kijken, die de bladeren en de schaduwen volgden, en zij, de vrouw, lachte luidkeels toen er een lachje op het babygezichtje doorbrak. En wat Raziya betreft, zij repte met geen woord over het goud, niet tegen haar timide echtgenoot, niet tegen haar schoonzussen, zelfs niet tegen haar eigen zussen, die af en toe vanuit het dorp bij haar op bezoek kwamen. Ze verstopte de sieraden onder in haar kist en zei niets, maar alleen al het feit dat zij ze had, gaf haar een behaaglijk gevoel. Het was een gevoel dat ze nooit eerder had ervaren, niet als kind, noch in haar huwelijk. Het ging niet alleen om het goud zelf. Het was net of de onbekende, mooie vrouw haar hiermee haar onafhankelijkheid had geschonken. Maandenlang bleef het onduidelijk op welke manier ze haar kans zou grijpen. Tot haar werkgeefster zich op een avond aan het kleden was voor een feest. Raziya kwam haar kamer binnen 278


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 279

toen ze boos een geborduurde blouse aan het uittrekken was. ‘Hij past niet,’ zei Meera, die naakt voor haar stond, op een onderrok en een beha na. Ze hield de blouse in haar uitgestrekte hand en liet hem op de grond vallen. ‘Kan jij hem niet passend maken?’ Raziya knikte. Haar vader was kleermaker geweest, ze was opgegroeid met het gesnor van de naaimachine in haar oren. Hij had zijn geld verdiend met het maken van de saaie, rechttoerechtaan-kleren die mannen graag droegen, de eenvoudige lange overhemden en wijde katoenen broeken met hun ontwapenend beperkte aantal variaties. Maar hij maakte ook kleren voor zijn dochters en ook al was Raziya nooit aangemoedigd om zich in dit beroep te bekwamen – uiteraard niet –, ze had het toch in de praktijk geleerd. Ze had geleerd om te naaien, te knippen en te zomen. Ze had geleerd hoe de verschillende stofsoorten vielen. En bovenal wist ze hoe ze met haar naald en schaar kledingstukken kon maken waar vrouwen gelukkig van werden. En wanneer ze ’s middags op de veranda zat met de tweeling slapend in de kamer achter haar en een van de zijden blouses van haar werkgeefster in haar handen, begon ze zich een voorstelling te maken van haar eigen bescheiden kleermakerij in de basti, waar ontwerpen uit catalogi aan de muur waren geprikt, waar allerlei gekleurde garens lagen en het bevredigende knippen van haar kleermakersschaar te horen was. Als eerste voorzichtige stap verkocht ze de zware gouden, met edelstenen bezette oorhangers die de vrouw haar had gegeven en kocht er een naaimachine voor. Daarna deed ze zo nu en dan wat naaiwerk voor de buren. De daaropvolgende jaren bleef ze dromen over haar eigen kleermakerij en het leven dat ze dan zou krijgen. Toen de tweeling bijna drie was, werd Raziya eindelijk zwanger. Denkend aan de ochtend in de tombe noemde ze haar jongetje Humayun. Haar man, die heel attent kon zijn, vond het ook een mooie naam, al was hij ongewoon; haar schoonmoeder was er openlijk tegen, ze klaagde dat de mensen zouden denken dat haar kleinzoon een sjiiet zou zijn; maar Raziya was onvermurw279


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 280

baar. Ze wilde dat haar zoons naam haar eraan zou herinneren dat ze ambitie had en dat ze hem op een dag een beter leven zou bieden dan zijzelf had gehad. Misschien zou er verder nooit meer iets zijn gebeurd, als haar toch al ziekelijke man niet aan knokkelkoorts was bezweken. Raziya was nu weduwe en daardoor was haar positie binnen haar schoonfamilie verzwakt. Wilde haar onderneming floreren, dan moest ze het huis verlaten, dat wist ze. Ze zou nooit financieel onafhankelijk kunnen zijn als ze bleef: haar zwagers zouden haar voorschrijven wanneer en hoeveel ze moest werken; haar schoonzusters zouden zich ermee bemoeien en kleinerende dingen zeggen tegen haar klanten, en ze zouden allemaal een aandeel opeisen. Ze had een pand gezien in de basti aan de kant van Lohdi Road. De goedkope kamers op de eerste verdieping waren te koop, de winkelruimte beneden werd verhuurd. De woonruimte die bij de winkel hoorde was van cruciaal belang. Dus ging Raziya naar de professor en vertelde hem wat ze nodig had. Humayun was pas vier jaar oud, zij was een weduwe met een jong zoontje, daarom kon hij het haar haast niet weigeren. Ze liet hem het werk zien dat ze deed, ze wees hem op de commerciĂŤle kansen die zij als moslimkleermaakster in deze buurt zou krijgen. Ze zou in deeltijd blijven komen, nog een jaar of zo, om voor zijn kinderen te zorgen. Maar ze zouden weldra geen ayah meer nodig hebben. Ze gingen al naar school, hun grootmoeder woonde bij hen in en Raziyah had uitgerekend dat ze tegen de tijd dat ze haar bedrijfje op poten had, lang genoeg voor de tweeling zou hebben gezorgd. Het voorstel van de professor deed haar deugd: hij zou de winkel en het woongedeelte direct van de eigenaar kopen en zij zou ze van hem terugkopen in maandelijkse termijnen. Tegen de tijd dat het pand helemaal van haar was, zou ze hem drie procent meer hebben betaald dan de oorspronkelijke prijs, wat overeenkomstig de inflatie was. En zo geschiedde. Hij liet de documenten opstellen en zij zette 280


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 281

haar handtekening; ze verhuisde naar haar nieuwe pand en nam haar zoontje mee, en in alle daaropvolgende jaren was er wel een moment dat ze om zich heen keek – naar haar werkneemsters, naar de rail met dameskleding, naar het boek waarin de maten van al haar klanten genoteerd stonden –, een keer diep zuchtte en langzaam de trap op liep naar haar slaapkamer, waar ze haar kist van het slot deed, het doekje openvouwde waarin de dikke gouden armband en lange hindoehalsketting zaten en eraan terugdacht hoe dit allemaal had kunnen gebeuren. Ook al waren er sindsdien vele jaren verstreken, Raziya had de vrouw onmiddellijk herkend toen ze na sluitingstijd voor haar atelier had gestaan, ze had nog hetzelfde golvende haar, dezelfde rechte houding en vooral dezelfde langgerekte ogen. Maar de verhoudingen lagen inmiddels anders, Raziya was nu een zakenvrouw en geen bediende meer; ze weigerde met de vrouw over het goud te praten, ook al had ze het niet verkocht. Ze had de dikke armband en de ketting met de hanger bewaard. De armband was bestemd voor haar schoondochter; de hanger met de geëmailleerde vlinders en pauwen zou waarschijnlijk verkocht moeten worden. Maar de gebiedende toon van de vrouw stond Raziya niet aan, ze wilde niets meer met haar te maken hebben. Toen Raziya terugliep naar de basti, besefte ze dat Humayun en zij alleen op de wereld waren en dat slechts haar snelle denkvermogen hem ervoor kon behoeden onterecht beschuldigd te worden van verkrachting, en dat het volgende bezoek dat ze moest afleggen nog veel vernederender was dan het vruchteloze bezoek dat ze net aan de professor had gebracht. Ze moest de broers van haar overleden man om hulp smeken. Zij woonden achter de tombe, allemaal bij elkaar in een familiehuis, waarvan in feite een deel aan Humayun toebehoorde. Ze hadden het ver geschopt, de ene broer had een winkeltje, de ander was autoriksjamonteur, en in het huis, al was het klein voor een hele familie die de kamertjes moest delen, stond een elektriciteitsverslindende koelkast en was een wc waar alleen zij gebruik van maakten. Zo goed als Raziya, met haar betegelde keuken en 281


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 282

badkamer met een waterkraan, hadden ze het echter niet gedaan. Zij had het het verst gebracht van hen allemaal en dat wisten haar zwagers, en zij konden deze belediging maar moeilijk verkroppen. De broers die op hun godvruchtige oude dag de gepommadeerde haardracht met scheiding en Westerse overhemden met kraag hadden afgezworen die hen in hun werkende leven aan klandizie hadden geholpen en die nu de smetteloos witte, geperste salwar kameez droegen waarmee ze zichzelf kenbaar maakten als gerespecteerde, oudere leden van de gemeenschap, die met de kralen van hun gebedsketting speelden en in hun gesprekken met Arabische zinsnedes strooiden alsof ze amandelen over een fijne witte rijstpudding sprenkelden – moesten zich tevredenstellen met haar frustratie. Ze lazen die af aan haar fonkelende ogen, de kleur op haar wangen, de bewegingen van haar hoofd en handen, en vooral aan wat ze zei over Aisha en haar moeder. ‘Maar, Raziya,’ begonnen ze zodra ze eenmaal had opgemerkt dat Aisha’s beschuldiging van verkrachting haar brandmerkte als hoer, net als haar moeder, ‘die vrouwen zijn familie van ons.’ ‘Mijn zoon is door het slijk gehaald. Ik eis genoegdoening.’ Raziya haalde adem en besloot toen niet al te veel meer te zeggen. In de stilte die volgde, hoorde ze het geklik van de kralen, het geschraap van kelen, het gezoem van de plafondventilator en het gedrens van de televisie van de buren. Het ergerde haar dat ze zo moeizaam tot enige activiteit te bewegen waren, het was net of ze uitsluitend op grond van hun man-zijn wijsheid en aanzien hadden verworven. Het ergerde haar ook dat zij sinds ze weduwe was al die tijd haar eigen zaken had afgekund en niets van die nutteloze broers van haar man had hoeven aannemen, en dat nu de politie erin gemengd was, het niet meer genoeg was om een moeder en een vrouw te zijn en dat ze gedwongen was om deze mensen om hulp te smeken. Uit de moskee klonken de eerste klanken van de oproep voor het gebed en toen ze om zich heen keek naar de mannen die in deze overvolle kamer in de basti waren verzameld, met zijn glan282


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 283

zend geschilderde wanden en rijtje kisten op de plank, waar elke ademtocht de zoetige, kwalijke geur meevoerde van te veel mensen in een te kleine ruimte, dacht Raziya weer aan haar eigen kleermakerij met het woonhuis erboven dat uitkeek over Lodhi Road, haar drie naaimachines en pas geverfde uithangbord, haar terracotta potten met tulsi en munt en koriander, het dakterras, de eenvoudige maar schone woonkamer, de badkamer, de slaapkamer en de keuken. Het was luxe en niemand begreep hoe een vrouw, een weduwe, het in haar eentje voor elkaar had gekregen. Wanneer ze deze twijfel bespeurde, haalde Raziya het voorbeeld aan van Khadija, de zakenvrouw en weduwe die met de jonge Profeet van de Islam was getrouwd en zijn missie had gesteund. Dat snoerde de mensen de mond. Hoe zouden ze kunnen weten of gissen hoe hard ze had gewerkt om dit te bereiken? Voor Humayun had ze alles over. Plotseling zei er iemand wat. Zonder haar hoofd om te draaien wist Raziya wie het was: Iqbal, Humayuns beste vriend, de zwakke jongste zoon van een van de jongste broers van Raziya’s echtgenoot – een jongen die nog niet had geleerd om de ouderen na te praten. ‘Chacchi,’ begon hij, ‘neef Humayun wil met Aisha trouwen. Dus kan Aisha hem onmogelijk hebben beschuldigd. Dat is niet de reden waarom Humayun is opgepakt. Dat komt door de vooroordelen van de politie. De waarheid is dat deze jonge mensen allebei in de nesten zitten en dat we ons best moeten doen om ze te helpen.’ Sinds Raziya over de arrestatie had gehoord, had ze verschillende dingen opgevangen over een relatie tussen Humayun en Aisha. Toen ze door de basti terugliep naar huis, mompelde de fruitverkoper voor de tombe er iets over tegen haar; in haar naaiatelier begon zelfs een van haar eigen kleermaaksters erover. Geen van deze mensen had ooit eerder een opmerking gemaakt over een persoonlijke kwestie, en nu haar nood hoog was, wilde iedereen haar laten weten dat ze helemaal op de hoogte waren van haar privézaken. Ze begreep wel dat dit deels haar eigen 283


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 284

schuld was, want ze zou deze geruchten over haar zoon natuurlijk hebben gekend als ze niet naar de andere kant van de basti was verhuisd en ze zou korte metten hebben kunnen maken met het geroddel als ze zich niet had losgemaakt van de familie bij wie ze was ingetrouwd. Dit was de reden waarom families zo verstikkend aan elkaar klitten, vooral in tijden van rampspoed, zoals nu. En nu ze naar Iqbal luisterde voelde ze de oude woede weer in zich opvlammen. Aisha’s moeder – die heks – kon aanspraak maken op haar bloedverwantschap met de familie van Raziya’s man, terwijl haar eigen man haar had verlaten en naar een ander deel van het land was vertrokken. Ze dacht met weerzin terug aan het feit dat haar man het op zijn sterfbed nog over Aisha’s moeder had gehad; hij kende haar al van kind af aan, ze waren opgegroeid in hetzelfde dorp in Bihar, en hij had altijd een zwakke plek gehad – wie weet hoe zwak – voor dat luciferdunne vrouwtje met haar hongerige gezichtje en loense blik. Nog erger vond ze dat deze vrouw Humayun in haar klauwen had gekregen door hem te laten verleiden door haar dochter. Raziya wist ook wel dat ze al eerder een huwelijk voor hem had moeten regelen. Ze dacht aan alle moeders die bij haar aan de deur waren gekomen met voorstellen voor haar zoon en hem hun lichtgetinte dochters, devote schoonheden, Qur’an hafiz, onbezoedeld, aanboden. Ze had ze allemaal trots afgewezen, want ze had nog grotere plannen voor haar zoon. ‘Ze heeft dit verhaal verzonnen om Humayun in de val te lokken,’ zei Raziya op het laatst. ‘Hoe zou hij ermee gediend kunnen zijn te trouwen met een hoerenjong?’ Maar Iqbal antwoordde voordat een van de ouderen hem de mond kon snoeren: ‘De politie heeft Humayun gisteravond vastgehouden toen hij ging aangeven dat Aisha uit het huis van de professor werd vermist.’ Hij keek Raziya aan. ‘De politie heeft jouw zoon uit pure luiheid in de cel gestopt. Humayun heeft sterke en hoogstaande gevoelens voor dat meisje, Aisha, dat jij zo wantrouwt.’ Raziya staarde hem boos aan. Wat dacht hij wel, dat hij zo 284


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 285

over haar kind praatte? Van buiten hoorde ze klaaglijke geluiden komen van de dieren naar de slager werden gebracht en het geroep van straatventers die hun etensbonnen aan pelgrims probeerden te slijten. Ze had de zwartgeblakerde puinhopen gezien die er na de brand van gisteravond waren overgebleven, haar keel kneep samen van deze onverminderde wanorde en er steeg ongewild afkeer in haar op. Was het geen juiste beslissing geweest om haar zoon uit deze chaos weg te halen en mee te nemen naar hun eigen huis aan de rand van de basti? Ze zou het weer doen, ze zou zonder aarzelen zo weer dat zware, eenzame werk doen voor Humayun. Ze wilde niet dat haar kostbare zoon in de klauwen terechtkwam van de dochter van die magere Tabasum. Ze kon niet eens precies zeggen waarom ze die vrouw zo vreselijk haatte – dat was ook niet van belang; het was vrouwelijke intuïtie. Ze rechtte haar rug en vouwde haar handen stevig in haar schoot. ‘Jullie moeten Aisha en haar moeder uit Delhi wegsturen,’ zei ze. ‘Nee,’ zei een van de jongere broers – het was Iqbals vader. ‘Dat doen we niet. Het huwelijk moet meteen worden voltrokken. Dan moet de politie de aanklacht intrekken.’ Raziya schudde haar hoofd. Het was een list, dat zag ze nu wel in. Ze wilden haar zoon, met zijn baan als chauffeur en zijn uitstekende vooruitzichten, een klasse degraderen tot beneden hun niveau. ‘Jullie verketteren mijn zoon,’ zei ze. ‘Ik heb een heleboel betere huwelijkskandidates afgewezen, en dat weten jullie. Ik wilde iets beters voor Humayun. Dat meisje heeft zichzelf in de nesten gewerkt en nu wil ze Humayun meesleuren, en jullie gaan haar er allemaal bij helpen.’ Er hing een ongemakkelijk sfeer en ten slotte schraapte de oudste broer met een reutelend geluid zijn keel en zei: ‘We zullen niet toestaan dat Humayun iets ergs overkomt, Raziya. Hij hoort bij de familie, als enig kind van onze dierbare broer. Na de gebeden zullen we met de ouderen in de tombe spreken en zij zullen ons zeggen wat ons te doen staat. Zij weten het beste hoe je moet 285


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 286

omgaan met politieprocedures. Je kunt dat soort werk maar het beste aan mannen overlaten.’ ‘Nee!’ onderbrak Raziya hem met schrille stem. ‘Doe dit mijn zoon niet aan, niet...’ Maar de man verhief zijn stem en snoerde haar de mond. ‘Jij doet helemaal niets,’ vervolgde hij. ‘Daar zijn we het allemaal over eens. Laat het alsjeblieft aan ons over. Wij zullen de zaak uitzoeken. Nu is het tijd voor het gebed.’ En de zwagers van Raziya stonden op en leidden haar de kamer uit. Aisha zag haar moeder bij het hek staan wachten toen mevrouw Ahmed haar van het politiebureau naar huis bracht. ‘Wat is je moeder mager!’ riep mevrouw Ahmed uit en zwaaide afkeurend met haar wijsvinger. Ze keken door de voorruit van de auto naar haar tengere moeder die dubbelklapte van het hoesten, dat chronisch was, en gekleed ging in een verschoten sari. Toen stapte Aisha uit de auto en sloeg haar armen om haar moeder heen. Ze snoof de warme, vertrouwde geur op. Ze huilden alle twee. Intussen had mevrouw Ahmed de voordeur van het slot gedaan. Ze noodde Aisha en haar moeder binnen, negeerde bruusk Aisha’s tranen en nam haar mee naar de keuken om wat eten warm te maken voor haar moeder, die er uitgehongerd uitzag. ‘Ik moet je moeder onder vier ogen spreken,’ zei mevrouw Ahmed grimmig tegen Aisha, terwijl ze een restje dal en subzi uit de koelkast pakte. ‘Snap je dat?’ Aisha knikte. Ze keek toe terwijl mevrouw Ahmed het eten in de magnetron zette en daarna meenam naar Aisha’s moeder, die ze naar de studeerkamer wenkte, terwijl ze Aisha naar de logeerkamer stuurde om daar te wachten. Aisha ging op het bed zitten en keek uit het raam de tuin in. Tot nu toe had ze precies gedaan wat haar was gezegd. Ze was in het huis van mevrouw Ahmed gebleven, had gegeten wat haar werd voorgezet, de kleren aangetrokken die Urvashi haar had gegeven en ze had al die tijd aan de gebeurtenissen van het afgelo286


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 287

pen etmaal teruggedacht en ook aan goede momenten van het afgelopen halfjaar. Ze maakte zich zorgen dat Humayun had gehoord wat er was gebeurd en niets meer met haar te maken wilde hebben, maar dan droogde ze haar tranen en zei ze tegen zichzelf dat het niet waar was. Dan zag ze weer het gezicht van die oude hindoeman voor zich terwijl hij boven op haar lag – bevroren, alsof hij pijn had – en daarna bleef ze nog heel lang in elkaar gedoken zitten en staarde roerloos uit het raam, totdat mevrouw Ahmed haar kwam halen. Gisteravond had Aisha gewacht tot ze absoluut zeker wist dat de hindoeman het huis van de professor had verlaten en pas toen was ze met een draaierig en misselijk gevoel overeind gekomen, ze had de dupatta zo ver naar voren getrokken dat die haar hele gezicht bedekte en was langzaam het tuinpad van de professor af gelopen en had daarna de stille weg gevolgd die tussen de huizen van de familie Chaturvedi en Ahmed in lag. Humayun had haar gewaarschuwd dat ze in het huis van Chaturvedi moest blijven wachten tot mevrouw Ahmed haar zou ophalen, maar nu de hindoeman wist waar ze werkte, kon ze niet langer wachten. Ze liep langzaam naar het huis van mevrouw Ahmed toe, de vertrouwde aanblik van de hoge ramen en het grote smeedijzeren hek stelde haar gerust. Er brandde geen licht in huis, dus deed ze het tuinhek open en ging opgerold onder de planten liggen – dat was haar vaste plekje waar ze altijd op Humayun wachtte in de pauze tussen het dweilen van de vloeren bij mevrouw Ahmed en het begin van haar werkzaamheden bij professor Chaturvedi. Op de dagen dat hij de melk niet ’s ochtends had opgehaald, haastte Humayun zich aan het einde van de middag naar Mother Dairy toe met de melkbussen die zij had schoongemaakt om in de rij te staan voor melk, en dan ging Aisha de planten begieten in de voortuin, ze keek door het gebladerte heen naar de voorbijgangers, naar hun schoenen, hun sari’s, hun halskettingen en blouses, hield in de gaten wat er zich in de buurt afspeelde en wachtte met name op de meisjes van haar leeftijd die in hun blauwe schooluniformen over de brug naar huis liepen, elke dag om 287


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 288

klokslag halfdrie – en ten slotte zag ze dan Humayun de straat in komen, die onder het lopen met zijn melkbus zwaaide en lachte, omdat hij wist dat zij naar hem keek. Ze had haar ogen dichtgedaan toen ze daar lag en haar volgende herinnering was dat mevrouw Ahmed was thuisgekomen en haar naar de logeerkamer droeg. Aisha stond op en deed de slaapkamerdeur open. Ze wilde weten waarover mevrouw Ahmed en haar moeder praatten in de studeerkamer. Ze liep stilletjes op haar blote voeten de voorkamer door en legde haar oor tegen de deur van de studeerkamer. Haar moeder praatte op zachte toon en Aisha kon slechts enkele woorden verstaan: Bihar, hoorde ze en mamu, oom, en daarna dat woord, shaadi, huwelijk. Ze vroeg zich af waarom haar moeder haar naar Bihar wilde meenemen voor een huwelijk; ze gingen daar nooit meer naartoe. Aisha was daar voor het laatst geweest als klein meisje. Ze herinnerde zich haar mamu nog wel, een dikke, oude man met een aardig gezicht, wiens vrouw al lang geleden was gestorven en wiens kinderen al volwassen waren en hun eigen gezinnen hadden gesticht. Maar het dorp, ze hield niet van het dorp, het had een erg onberekenbaar elektriciteitsnet en geen stromend water. Haar moeder verhief haar stem licht en onderbrak mevrouw Ahmed midden in een zin: ‘Maar het is de enige manier om haar eer te redden.’ Ze klonk zowel verdrietig als verontwaardigd en Aisha deinsde terug van de deur alsof ze een klap had gekregen. Dus het was geen bruiloft van een neef waar ze naartoe gingen. Haar moeder wilde dat ze zou trouwen – met haar mamu. Ze keek woest om zich heen en probeerde haar aandacht te richten op een vertrouwd voorwerp in mevrouw Ahmeds voorkamer, maar haar ogen gleden zonder troost te vinden langs de gewreven meubels en de siervoorwerpen die ze zo vaak had afgestoft. Ze wist dat vrouwen elkaar hiervoor altijd waarschuwden, met scherpe maar gedempte stemmen: de belangrijkste mannen pikten de jonge meisjes in. Ze dacht aan Humayuns belofte om met haar te trouwen – en dat hij haar onmiddellijk daarna had mee288


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 289

genomen naar zijn kamer en op zijn bed had gelegd. Het was dom geweest om met hem mee te gaan, iedereen zou zeggen dat het haar eigen schuld was. Maar hij had beloofd om met haar te trouwen en misschien zou hij die belofte zijn nagekomen als ze de deur van het huis van de professor niet had opengedaan voor die oude hindoe. Dat zou niemand haar vergeven. En nu deze derde man – deze oude oom van het platteland. Ze sloeg met de palm van haar hand tegen haar voorhoofd. Ze kon niemand vertrouwen, niemand. Zelfs Humayun was schuldig. Hij had eerst met haar moeten trouwen, ten overstaan van hun hele gemeenschap, en had haar pas daarna mee naar zijn kamer mogen nemen om kinderen bij haar te maken. Haar moeder zei weer iets, op nog luidere toon, en ze klonk gefrustreerd en vermoeid. ‘Ik heb gehoord dat zijn familie tegen ons is,’ zei ze. ‘Zij denken dat de politie Humayun heeft opgesloten omdat Aisha hem van de verkrachting heeft beschuldigd.’ ‘Maar waarom denken ze dat?’ vroeg mevrouw Ahmed, die geschokt klonk, en toen Aisha’s moeder een zucht slaakte, wist Aisha dat ze, wat ze ook zou zeggen, op begrip kon rekenen van haar werkgeefster. Ze liep stilletjes terug naar de logeerkamer en ging weer op het bed zitten. Dus Humayun zat vast op het politiebureau, dat was de reden dat hij niet naar haar toe was gekomen. Aisha’s moeder had altijd tegen haar gezegd dat het leven moeilijk en niet eerlijk was. Ze wist dat Humayun daar anders over dacht: met hard werken maakte je je eigen geluk, meende hij. Nu was het Aisha’s beurt om te kijken welke keuzes ze had. Ze kon doen wat haar moeder wilde, naar het dorp gaan en Humayun nooit meer zien. Of ze kon tegen de politie zeggen dat ze de verkeerde man te pakken hadden. Dan zou Humayun bij haar in het krijt staan. Als zij hem bevrijdde uit de politiecel, dan zou hij haar eer moeten redden en haar behoeden voor een huwelijk met haar oom. Maar stel dat ze naar de politie zou gaan, wie weet wat ze dan met hen allebei deden. Vandaag had die lange, boze agent op het politiebureau het gehad over dokterstesten en Aisha wilde niet 289


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 290

nog eens zo’n test ondergaan. De dokter die mevrouw Ahmed gisteravond had laten komen, had haar ruggelings op bed laten liggen en daarna had hij verschillende kledingstukken van haar naar boven gesjord en iets van haar huid verwijderd – en zelfs iets binnen in haar. Hij had haar hier en daar aangeraakt en gevraagd naar schrammen en blauwe plekken. ‘Wat doet u?’ had Aisha op het laatst op smekende toon gevraagd, verstard en angstig omdat ze weer halfnaakt voor een vreemde man lag. De dokter had gezucht en zich verontschuldigd: ‘Het spijt me, kleine meid, ik verzamel deze monsters voor de zekerheid.’ Aisha kon mevrouw Ahmed niet in vertrouwen nemen, omdat ze hindoe was en bepaalde dingen die ieder ander leek te weten, niet begreep. Ze kon haar moeder ook niet niet vertellen dat Humayun met haar wilde trouwen. Daar was het nu te laat voor. Als hij zijn trouwplannen een dag eerder had aangekondigd, zou alles anders zijn geweest – zijn moeder zou ertegen zijn geweest en dwars hebben gelegen, maar Humayun zou haar wel hebben weten over te halen. Dat was nu onmogelijk. Er was maar één ander persoon met wie Aisha kon praten en dat was Iqbal, Humayuns neef. Hij woonde in een klein bakstenen huisje, niet ver van de tombe. Humayun had haar eens het huis laten zien, toen hij zijn neef op Eid ging ophalen. Ze beet peinzend op haar lip: hoe kon ze het huis uit komen zonder dat mevrouw Ahmed het hoorde en hoe moest ze door de basti lopen zonder herkend te worden door Humayuns familie? Toen schoot haar te binnen dat mevrouw Ahmed van de markt was thuisgekomen met een pakje van de Islamitische boekhandel. ‘Kijk eens,’ had ze tegen Aisha gezegd en ze had het opengemaakt. Het zijdeachtige zwarte materiaal had in de lucht gewaaierd alsof mevrouw Ahmed een geest was die een donderwolk maakte. ‘Weet je wat dit is?’ vroeg ze en Aisha had geknikt. Het was een boerka in Arabische stijl, zoiets als sommige vrouwen in de basti tegenwoordig droegen. Mevrouw Ahmed trok de lagen stof over haar gezicht en bond het touwtje om haar kin. Toen lachte ze: ‘Ik ga hem nog niet aan mijn man laten zien,’ zei 290


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 291

ze. ‘Misschien is hij er wel op tegen. Ik moet hem verbergen.’ Ze trok hem uit en stopte de boerka weer in de papieren zak. ‘Ik zal hem in de rijsttrommel leggen.’ Nadat Aisha die avond afscheid had genomen van haar moeder, at ze alleen op haar slaapkamer van het bord dat op het lage tafeltje bij het raam stond. Met de roti wreef ze haar bord schoon. Daarna wachtte ze tot mevrouw Ahmed en haar man naar boven zouden gaan en zodra de lichten gedoofd waren en het overal stil was, sloop ze de logeerkamer uit en liep de marmeren hal door naar de keuken. Om te beginnen pakte ze een kruk en tastte boven in de servieskast. Op de bovenste plank, helemaal tegen de achterwand, verborgen onder het kastpapier, lag een dunne envelop met haar maandsalaris van mevrouw Ahmed in grote coupures. Ze trok hem eronderuit en stopte hem in haar zak. De rijsttrommel stond in de kast naast de gasfles onder het raam. Aisha tastte erin naar het dikke papieren pak. Staande naast de kruk waarop ze had gezeten toen Humayun haar had gekust, haalde ze de boerka uit het papier en bond hem om haar lichaam zoals mevrouw Ahmed had gedaan. Hij was haar te groot en hing in plooien vanaf de bovenkant van haar hoofd omlaag. Buiten op straat schoof ze de grendel van het hek achter zich dicht. Er was vanavond geen maan en de bomen langs de weg vormden een overkapping die haar bang maakte, omdat ze de laagjes textiel voor haar ogen nog ondoorzichtiger en zwarter maakten. Toch liep ze langzaam de straat uit, langs het huis van de professor, en toen ze de toegang tot de basti bereikte, hield ze haar pas in omdat de huizen zo dicht opeen waren gebouwd; het was stil in de straat, met de smalle, geblindeerde winkels en kiosken, en ze wilde de zijstraat naar Iqbals huis niet voorbij lopen. Ze liep langzaam en probeerde het silhouet van de huizen door de boerka heen te onderscheiden; ze waren zwartgeblakerd door het vuur, hun daken ingestort, en ze herinnerde zich wat mevrouw Ahmed haar die ochtend had verteld over de paniek en de brand. Iqbals huis stond dicht bij de tombe, achter de wijk van de ka291


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 292

bariwallahs, de heuvel op, vlak voor de meisjeskoranschool. Het was een karakteristiek huis, opgetrokken uit bakstenen en slechts twee verdiepingen hoog. Er lag een hond op straat en Aisha hoorde auto’s rijden over de hoofdweg in de verte. Toen ze bij de voordeur aankwam, hoorde ze stemmen van binnen komen en ze vroeg zich af wat ze moest zeggen. Uiteindelijk klopte ze op de houten deur en bijna meteen deed er iemand open. ‘Ja?’ Aisha noemde zacht Iqbals naam en zei: ‘Een bericht van tante Raziya.’ Het duurde even voordat Iqbal aan de deur verscheen. ‘Neem me niet kwalijk, tante,’ zei hij toen hij aan kwam lopen, ‘ik was aan het eten.’ Iqbal was kortgeleden erg gelovig geworden en hij droeg een wit hoofddeksel en had zijn bovenlip geschoren, maar zijn baard was nog steeds zo ontzettend dun en slierterig dat Humayun hem er graag mee plaagde. Aisha wenkte hem mee bij het huis vandaan, om de hond heen, naar de overkant van de weg. De wind blies de kleurenbijlage van een dagblad over het wegdek; een filmster met lang golvend haar, gekleed in een moderne nauwsluitende sari, keek hen glimlachend vanaf de voorpagina aan. ‘Ik ben Aisha,’ zei ze. ‘Aisha?’ herhaalde hij stomverbaasd, en zij voelde de hoop, die haar had verlaten toen de hindoe haar het huis in had geduwd, terugkeren als een vlucht bontgekleurde vogels die kwetterend neerstreek in een boom. ‘Humayun zit in de problemen,’ zei ze. Hij boog bevestigend het hoofd. ‘Broeder,’ vervolgde Aisha, ‘ik zit ook in de problemen.’ Fluisterend vertelde ze hem over haar moeders plannen voor het huwelijk, over de oom en het dorp. ‘Als ik in dat huis blijf,’ zei ze, ‘dan komen ze me halen en nemen ze me mee.’ ‘Ja,’ zei hij, knikkend. Toen voegde hij eraan toe: ‘Humayuns moeder zal haar zoon nooit met jou laten trouwen.’ Ze stonden samen op straat, terwijl de kranten en de as als een bontgekleurde werveling van viezigheid om hen heen woeien. Aisha wist dat ze zich moesten haasten, want als ze nog langer bleven staan zouden Humayuns ooms achterdochtig worden en 292


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 293

naar buiten komen om ze te vragen wat ze uitvoerden. Uiteindelijk zei Iqbal: ‘Je kunt het beste in de tombe wachten. Dat is de veiligste plek. Lukt je dat? Misschien krijg je het koud. Wacht bij het graf van prinses Jahanara, dat ligt het meest afgezonderd. Humayun of ik komt je morgen ophalen. Je zult heel lang moeten wachten, de hele nacht. Je moet voorzichtig zijn.’ Hij haalde wat geld uit zijn zak en gaf het aan haar. ‘Koop iets te eten bij een van de kraampjes voor de tombe. Als iemand je vragen stelt, dan zeg je dat je om een zoon bidt en dat je man je komt ophalen.’ Hij draaide zich om en wilde al weglopen, maar hield toen stil. Aisha zag hem bukken en een blauw touwtje van de grond oprapen, waarmee een stapel kranten samengebonden was geweest. ‘Maak dit vast aan de zoom van je boerka,’ zei hij, ‘zodat ik tegen Humayun kan zeggen dat hij daarop moet letten.’ Ze bedankte hem. ‘Alhamdu lillahi allaa kulli haal,’ zei Iqbal, daarna draaide hij zich om in de richting van zijn huis. Geloofd zij Allah, altijd en overal. Aisha keek hem na en bleef alleen op straat staan nadenken over wat hij precies had gezegd. Ten slotte kwam ze in beweging en liep heel langzaam naar de tombe toe, maar intussen dacht ze aan de politie en aan de misdaad waarvan Humiyan werd beticht en aan het huwelijk dat haar moeder voor haar wilde arrangeren in Bihar en aan wat Humayun met haar had gedaan – dat wat hem met haar verbond – en hoe langer ze erover nadacht, hoe duidelijker ze inzag dat Iqbals advies verkeerd was. Ze wandelde verder, liep de zijweg naar de tombe voorbij en ging rechtdoor naar de hoofdweg. Toen ze bij het politiebureau aankwam, aarzelde ze niet. Ze liep de stoep op, de envelop met geld hield ze stevig vast onder haar boerka. Ze deelde de politieman achter de balie mee waarvoor ze kwam en dat ze de verkeerde man hadden opgepakt. Toen stak ze hem het geld toe.

293


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 294

Humayun zat op de grond met zijn rug tegen de muur toen hij aan de buitenkant de deur van het slot hoorde gaan. ‘Jij daar,’ hoorde hij de politieman zeggen, ‘er is hier een vrouw die je komt ophalen. Sta op. Gauw. Opschieten.’ Hij schudde ongelovig zijn hoofd. Hij had minder dan een etmaal op het politiebureau doorgebracht, maar het voelde alsof er dagen waren verstreken. ‘Ga weg,’ zei de politieman toen Humayun overeind kwam, ‘en laat je hier niet meer zien. Als jij je gezicht ooit nog in Delhi vertoont, dan doen we met dat vriendinnetje van jou hetzelfde als wat we met jou hebben gedaan.’ Waarom vroegen ze niet om geld? Vroeg Humayun zich verbaasd af, terwijl ze de cel opendeden en hem naar buiten lieten. Toen voelde hij in zijn zak – ze hadden de envelop met zijn loon van de professor afgepakt. Zijn moeder was wel de allerlaatste die hij wilde zien. Maar toen hij buiten kwam, zag hij twee dingen: dat het nacht was en dat de persoon die bij de uitgang op hem wachtte niet zijn moeder was. Deze vrouw had een boerka aan. Ze wachtte op hem aan het einde van het pad bij het hek. ‘Wie bent u?’ vroeg Humayun toen hij bij haar was. Fluisterend antwoordde ze: ‘Ik ben Aisha.’ Even was hij met stomheid geslagen, hij staarde haar aan. Ze droeg een dikke, zwarte boerka met een strookje dun gaas over haar ogen, en hij tuurde naar haar, ontregeld door de afstand die dat kleine stukje textiel tussen hen schiep – het was alsof ze elkaar tussen een mensenmassa ontwaarden. ‘Wat hebben ze met je gedaan?’ vroeg ze en ze keek naar hem in het licht van de thana. ‘Is het alleen je gezicht of zie je er overal zo uit?’ ‘Verder nergens,’ loog hij, maar zijn lichaam brandde van pijn. ‘Alleen mijn gezicht. Wat heb je gedaan om me vrij te krijgen?’ ‘Ik ben naar je neef Iqbal gegaan. Hij zei dat ik op je moest wachten in de tombe. Maar ik dacht aan jou en dat je op het politiebureau zat...’ Ze brak haar zin af, omdat ze niet in staat was de vreselijke dingen te beschrijven die in haar waren opgekomen. 294


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 295

‘Daarom heb ik dat niet gedaan en ben ik hier gekomen.’ Hij tilde de stof voor haar gezicht weg en keek haar aan. ‘Je hebt me gered,’ zei hij. Alle uren dat hij in die cel had gelegen, was hij bestormd door de afschuwelijkste voorstellingen: dat zij op de avances van een andere man was ingegaan, dat zij zichzelf door die ander had laten beminnen. Nu wilde hij haar dicht tegen zich aan drukken om alle narigheid buiten te sluiten. ‘We moeten vannacht de stad verlaten,’ zei ze. ‘Mijn moeder wil me naar Bihar sturen om me uit te huwelijken.’ Hij knikte. ‘Heb je je loon bij je?’ ‘Dat heb ik aan de politieagent gegeven. Heb jij geld?’ ‘Dat hebben ze van me afgenomen.’ Even viel er een stilte en toen zei hij: ‘Ik zal naar mijn moeder moeten gaan om wat geld te halen.’ In de buurt van het politiebureau was het rustig, maar om naar de kleermakerij van zijn moeder te gaan, moesten ze de markt oversteken. ‘Trek die sluier weer omlaag en blijf achter me lopen.’ Ze liepen naar de markt toe. Humayun vreesde dat hij een van zijn ooms tegen zou komen, daar waar de weg van de tombe uitkwam op de hoofdstraat, omdat zij er vaak gingen bidden of met hun vrienden afspraken. Maar het was nacht en niemand hield hen tegen. Toen ze bij de kleermakerij aankwamen, zocht hij voor Aisha een plekje om te zitten op een muur naast de grote koepelgraftombe langs de weg, waaruit onlangs door het stadsbestuur de gezinnen waren gezet die erin woonden. ‘Blijf hier zitten,’ zei hij. ‘Praat met niemand. Ik kom zo gauw mogelijk terug.’ Zijn moeders kleermakerij was gesloten toen hij er aankwam, het rolluik was neergelaten, maar het licht brandde en hij wist dat ze binnen aan het werk was. Waarschijnlijk zat ze in het naaiatelier aan de voorkant de zomen en stiksels van een kledingstuk dat een van haar werkneemsters had voltooid te controleren – en wierp ze nu en dan een trotse blik op het stapeltje visitekaartjes dat ze pas had laten drukken. Hij stond daar koppig als een kind en vroeg zich af hoe hij het moest aanpakken. Hij trachtte de herinnering aan Aisha heel te houden, voordat zijn moeder die zou 295


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 296

vermorzelen met haar woede, haar driftige veroordelingen, haar sarcastische maar accurate versie van de wereld als een plek van hoererende dochters, trouweloze zoons, slappe vaders en geile hindoepolitieagenten. Ten slotte nam hij een besluit. Hij liep het steegje achter de kleermakerij in en ging de buitentrap op. Bovenaan gekomen maakte hij het hangslot van de keukendeur open, hij sloop naar binnen, liep op de tast de slaapkamer in en schoof zijn hand onder haar matras, waar ze de sleutel van haar kist bewaarde. Hij tilde de kist van de plank. Ze bewaarde haar goud op de bodem, onder haar weinige goede sari’s en haar beste keukengerei. Ze droeg de sieraden nooit en toen zij ze eens aan hem liet zien, vertelde ze dat ze die bewaarde voor haar schoondochter. Dat was lang voordat Humayun verliefd werd op Aisha. Het goud lag er nog steeds, gewikkeld in een met paarse bloemen bedrukte stof. Er zat ook een stapeltje bankbiljetten in, en hij stopte alles in de stoffen tas waarin hij als kind zijn schoolboeken had vervoerd. Daarna voelde hij met zijn hand in de zijkant van de kist naar het in plastic verpakte stapeltje paperassen, waartussen de distributiekaart zat, zijn schooldiploma en, het allerbelangrijkste, zijn rijbewijs. Hij liet de distributiekaart voor haar in de kist achter. De overige papieren stopte hij in zijn zak. Daarna sloot hij de kist af, hij zette hem terug op de plank en voordat hij het huis verliet, schreef hij een briefje aan zijn moeder: Moeder, Aisha heeft me uit het politiebureau weggehaald. De politie heeft me geslagen en me bevolen uit Delhi te vertrekken. Ik weet dat u ons huwelijk niet steunt, maar het is te laat om er iets tegen te doen. Ik heb de sieraden meegenomen die u voor mijn vrouw had bestemd, en het geld. Vergeef me alstublieft. Uw zoon, Humayun Hij legde het briefje op het bed, keek nog een laatste keer rond in het huis waar hij het grootste deel van zijn leven had doorgebracht, en voordat de paniek kon toeslaan deed hij de deur weer 296


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 297

op slot en sloop de straat uit. Ze zouden uit Delhi wegkomen met het geld. Hij zou het goud verkopen en ze zouden gaan trouwen, man en vrouw worden, en een gezin stichten. Hij zou vannacht nog treinkaartjes voor hen kopen naar een plaats hoog in de heuvels of aan zee. Aisha had de zee nog nooit gezien.

297


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 298

7 Gewoonlijk beschouwde Shiva Prasad zijn ochtendlijke bezoek aan de badkamer als een moment van vruchtbare meditatie, waarop hij zelfs tot heldere inzichten kwam, maar de dag na de bruiloft was hij niet in staat om aan zijn gezin te denken of aan zijn ambities voor het parlement, noch aan zijn Autobiografie, zonder dat het meisje – haar zachte huid en haar verschrikte ogen – voor hem opdoemde. Hij hurkte neer, naakt, en het enige wat hij kon zien was haar kleine, donkere, doodsbange gezichtje. Uiteindelijk probeerde hij zichzelf wakker te plenzen met koel water uit de emmer. Hij kwam overeind, zeepte zich in en spoelde zich af, zeepte en spoelde, drie keer, maar nog steeds bleef dat vreemde aura van het meisje hem aankleven; het was net of haar vuilzoete geur zich voor eeuwig in zijn neusgaten had genesteld. Hij kon doen en laten wat hij wilde, maar hij kon haar niet vergeten; telkens weer herleefde hij het ogenblik van die sterke stuwende kracht, de verbijsterend spirituele tinteling, de eruptie van lichaamsvochten, het onverhoopte geschenk van de heilige uitvloeiing van zijn lichaam. Zijn hoofd vulde zich met parallellen uit India’s oude geschiedenis. Zo had je Heer Arjuna, een streng beoefenaar van de onthouding, maar zelfs hij ontvoerde gedurende zijn jaren van celibaat het meisje Subhadra (op voorstel van Heer Krishna) en verleidde twee prinsessen. Daarnaast wees Arjuna de nimf Urvashi af, die hem daarop vervloekte zodat hij een jaar moest doorbrengen als eunuch; dus wist niet elke hindoe dat je door een amoureus meisje te weigeren de kans liep ontmand te worden? Dat waren de lessen die uit de geschiedenis 298


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 299

konden worden geleerd. En Shiva Prasad ging zitten en dacht terug aan het moment van de versmelting, toen hij een kreet had geuit die zo onaards en vreemd had geklonken dat het was of er een boodschap werd overgebracht uit een verre, smetteloos witte plek. Er werd op de badkamerdeur geklopt. ‘Wat ben je allemaal aan het doen?’ riep zijn vrouw. Shiva Prasad pakte de handdoek van de haak en droogde zijn lichaam zorgvuldig af, hij trok de schone witte kurta aan die zijn vrouw voor hem had klaargelegd en peuterde met zijn vinger het oorsmeer uit allebei zijn oren. Terwijl hij dat deed, gaf hij zich over aan rationele gedachten. Er waren verscheidene belangrijke zaken: 1 Ze had geen nee gezegd. Ze had nooit concreet nee gezegd. Hij was overweldigd geweest door zijn opwinding en zij was vrijwillig op zijn avances ingegaan. (Waarom had hij haar niet betaald? Moest hij zeggen dat hij haar had betaald?) 2 Een jury zou alles geloven wat ze te horen kregen over die smerige, fundamentalistische Nizamuddin-dargah-moslims, en zeker een zorgvuldig geselecteerde hindoejury. Hij zou tegen hen zeggen dat ze hem wenkte, dat ze hem had binnengelaten, dat ze zich gedroeg als een van de dansmeisjes uit het harem van de keizer Babur. 3 Het zou natuurlijk nooit tot een rechtszaak komen. Shiva Prasad kende dit soort families: zij hadden geen zin om een dergelijke aantasting van hun eer in de openbaarheid te brengen, tenzij ze dachten dat het geld zou opleveren. Shiva Prasad was echter een steunpilaar van de gevestigde orde in Delhi. Ze konden onmogelijk winnen. 4 Waar was het bewijs? In betere stemming verliet hij de badkamer en hij riep zijn vrouw naar de slaapkamer om zijn teennagels te knippen en zijn voetzolen te poederen, totdat ze nog zachter waren dan hun normale 299


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 300

zijdeachtige zachtheid, en toen zij kasten en sieradenkistjes open begon te trekken om zich op de gebruikelijke omstandige vrouwenmanier klaar te maken voor Sunita’s huwelijkslunch, trok hij zijn fijnste katoenen dhoti aan en sloot zich in zijn studeerkamer op om een nieuw levensplan op te stellen. Een uur lang bleef Shiva Prasad volkomen onbeweeglijk uit het raam zitten staren naar de koerende duiven die nestelden op de waterkoeler, terwijl hij een voor een zijn mogelijkheden overzag. Bepaalde belangrijke veranderingen passeerden de revue ter nadere beschouwing. De eerste was de gemakkelijkste en de beste: van nu af aan zou de familie van zijn schoonzoon absoluut genegeerd worden. En omdat uitstel afstel is, ontbood Shiva Prasad zijn vrouw in zijn studeerkamer en deelde hij haar deze restrictie in niet mis te verstane bewoordingen mee. Vanaf heden, verklaarde hij, moesten ze alle omgang met professor Chaturvedi vermijden, omdat de man een antinationalistische secularist was, die had geweigerd om zijn ketterse uitlatingen over belangrijke hindoegoden terug te nemen en derhalve een persoonlijk gevaar vormde voor Shiva Prasads aanzien binnen de regeringspartij. Onder ‘omgang’ viel ook de huwelijkslunch van vandaag – hij dacht er al een tijdje zo over en ze kon hem niet van mening laten veranderen. Voordat ze tegenwerpingen kon maken en ondanks haar tranen pakte hij de telefoon, belde het India International Centre op, deelde het hoofd van de receptie mee dat hij en zijn vrouw niet bij de feestelijkheden van professor Chaturvedi aanwezig zouden zijn en verzocht hem deze boodschap aan de professor over te brengen. Daarna liet Shiva Prasad zijn assistent komen om een dringend dictaat voor zijn Autobiografie op te nemen. Strikt genomen was het Manojs vrije dag en toen hij een uur later opgewonden en verhit arriveerde, had hij een elektronisch apparaatje bij zich in een gehavend kartonnen doosje. ‘Dit is een dictafoon, meneer,’ legde hij uit. ‘U kunt uw tekst nu inspreken, dan tik ik het later uit.’ Shiva Prasad had zijn bedenkingen bij deze nieuwigheid. Hij 300


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 301

had het prettig gevonden om zijn woorden uit de zwarte Parkerpen van zijn ondergeschikte te zien vloeien. Maar Manoj zette het voorwerp op de tafel, drukte op de rode knop, en zei: ‘Hallo, hallo, dit is een test,’ en speelde toen zijn stem terug voor zijn werkgever. Ondanks alles was Shiva Prasad opmerkelijk ingenomen met dit slimme apparaatje. De rest van de dag moest zijn vrouw aan de stroom van bezoekers die met dozen vol zoetigheden en aardige glimlachen voor de deur stonden, vertellen dat haar man hard aan zijn Autobiografie werkte en niet gestoord mocht worden. Af en toe, tussen de bezoekjes in, drukte ze haar oor tegen de deur van zijn studeerkamer en luisterde naar het gemompel van zijn stem terwijl hij de luisterrijke, ongekende triomfen uit zijn leven tot dusverre insprak en tevens uit het leven dat hij nog voor zich zag liggen, een leven dat zich zou uitstrekken naar een nog mooiere toekomst. Maar de volgende morgen herinnerde Shiva Prasad zich bij het ontwaken zijn droom nog, die inhield dat hij langzaam maar zeker werd geslacht door de vader en de broers van het meisje. ‘Hij zit goed in het vlees,’ zeiden ze tegen elkaar. ‘Hij zal schoon aan de haak aardig wat opbrengen.’ Ze trokken hem zijn kleren uit en riepen er een wasman bij, een oude man met een lange witte baard die Shiva Prasad in een boerka wikkelde die naar sperma rook en hem naar het riool droeg. Daar stond het meisje zich te wassen met het stinkende water. ‘Je moet ayurvedische zeep gebruiken,’ riep Shiva Prasad haar toe. ‘Ik doe het halal,’ antwoordde het meisje. Toen zijn vrouw naar boven kwam met zijn kopje thee op bed, vroeg ze hem: ‘Waarom kreunde je zo vannacht? Je ging zo tekeer, ik was bang dat je erin zou blijven.’ En Shiva Prasad herinnerde zich weer dat hij zich in alle bochten had gewrongen om zich uit de strakke windsels te bevrijden en wanhopig het hoofd boven water trachtte te houden in het smerige water van de nala. Hij ging rechtop in bed zitten, nam een slokje thee en keek 301


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 302

zijn vrouw behoedzaam aan. Zijn droom had een beslissing bespoedigd – een die was ingegeven door angst, maar dat kon hij niet tegen haar zeggen – en hij wilde die meteen invoeren. ‘Ik ben student geweest,’ zei hij ten slotte, ‘ik ben hoofd van het gezin geweest, ik heb met succes kinderen verwekt en mijn dochter uitgehuwelijkt. Volgens de heilige teksten zijn de eerste twee stadia van het leven van een hindoe hiermee dus volbracht. Nu eist de dharma dat ik me terugtrek in het bos voor een periode van celibataire onthouding. Mijn vrouw mag me vergezellen als ze dat wenst (maar dat hoeft niet). Dan zal ik na enkele jaren het vierde stadium bereiken, waarin ik alle aardse bezittingen afzweer – inclusief jou – en zal ik tot aan mijn verscheiden het Juweel van India bereizen en mezelf uitsluitend met aalmoezen in leven houden.’ Tot zijn spijt – maar niet tot zijn verbazing, moest hij toegeven – barstte ze in tranen uit. Het was hem alleen niet helemaal duidelijk waarom, want ze hadden al jaren geen vleselijke omgang meer met elkaar. Als het niet het celibaat was waarvoor ze bang was, dan moest het om het verlies van materiële zaken gaan. De theevisites, de zijden sari’s, de bezoekjes aan haar favoriete kapper en haar nichten. Ja, ze moest haast wel huilen om dat soort overbodige zaken. Maar daar kon hij niets aan doen. Dit was dharma. Daar kon niets of niemand wat aan veranderen. ‘We vertrekken over drie dagen,’ zei Shiva Prasad op ernstige, besluitvaardige toon, terwijl hij spontaan die datum bedacht, zonder zich erom te bekommeren hoe lastig dit allemaal voor haar was. Nadat hij zijn vrouw had bevolen zich klaar te maken voor de reis naar huis, naar Amarkantak, en een jongen naar het spoorwegstation had gestuurd om de kaartjes te kopen, waste hij zich, hij kleedde zich aan en liep naar de studeerkamer beneden om zichzelf op te sluiten met de dictafoon. Hij drukte op Opnemen. ‘Ik zal nu, Manoj,’ zei Shiva Prasad Sharma in het Hindi, ‘trachten uit te leggen waarom ik ervoor heb gekozen om vanaf heden de koers van mijn glorieuze levensloop te wijzigen en als 302


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 303

een yogi verder te gaan. Net als met de astrologische wetenschap het geval is, zullen de hiernavolgende, mondeling verkondigde en later op schrift gestelde voorspellingen een overvloedige bijdrage leveren aan het publieke debat. Slechts een beperkte hoeveelheid van het lot kunnen we aan het karma overlaten. (Dit was een persoonlijke opmerking.) Heb je je pen gereed? Ben je al naar de wc geweest? Dan zal ik beginnen. En zo kwam het, zou men kunnen zeggen, dat het schitterendste en briljantste voorbeeld van hoop en toewijding aan het moederland (streep schitterendste door, Manoj, en vervang het door stralendste; haal briljantste weg en zet daar eminentste) zijn zesde decade bereikte. In dit tijdperk, eon of era, had Shiva Prasad Sharma veel uitzonderlijke dingen van hoogstaande klasse bereikt, in de traditie van de beste brahmaanse priesters van weleer. Hij was een vermaard geschiedschrijver van de orale geschiedenis van het menselijk lot geworden, die met zoetgevooisde stem sprak over de historie van deze oude landen. Hij had een edele strijd geleverd voor de verheerlijking van het hindoevolk. Hij had zich geliefd gemaakt bij het volk zonder terug te schrikken voor de kritiek van de heersende partijen. De ministers, ambtenaren en presidenten hielden allemaal van hem om zijn rappe tong en alerte zienswijzen. Regelmatig merkte hij dat tijdens een etentje door hem voorgesteld beleid ’s anderendaags werd omgezet in parlementaire edicten. Zijn vrienden en collega’s drongen er talloze malen bij hem op aan dat de enige weg vooruit, de weg naar de regering was. “Jij wordt president in minder dan geen tijd!” verzekerden ze hem. Maar op een dag nam Shiva Prasad het woord om een spectaculair besluit te verkondigen. “Mijn beste vrienden,” zei hij op ingehouden toon om hen niet al te zeer te laten schrikken, “ik keer terug naar Amarkantak. Ik keer de wereld de rug toe en reis terug naar de bron zelf, de heilige rivier. Mijn tijd als gezinshoofd is voorbij. Ik moet al mijn energie steken in de mensen die mij nodig hebben. Ik moet de hoofdstad van India verlaten en een leven van afzondering in het bos gaan leiden.”’ 303


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 304

Op dat moment waren de batterijen leeg: Shiva Prasad hoorde de klik van het apparaat en dacht met een vleugje van zijn oude, opgewonden tinteling aan de teleurstelling die hij zijn Partij zou bezorgen. Hij wist dat hem vroeg of laat een glorieuze ministerspost zou zijn aangeboden en dat mensen in heel India in de komende maanden spijtig hun hoofd zouden schudden en zeggen: Shiva Prasad wordt een Vanaprastha – wat een verlies voor de Indiase samenleving! Hoe nobel van hem dat hij zich terugtrekt in het bos, nog voordat hij zijn erkenning op deze wereld in ontvangst heeft genomen. Wat een inspirerend voorbeeld voor ons allemaal! Niets kon hem nu nog kwetsen: de wandaden van de familie Chaturvedi, het huwelijk dat Urvashi had gesloten, noch de versmading van zijn talenten door de Partij. Al duizenden jaren lang hadden de tweemaal geboren hindoes in India dit levensstadium bereikt en waren zij edele Arische Vanaprastha’s geworden. Nu was het zijn beurt om het hoofd te buigen voor de dharma en vreedzaam te volgen waarheen zij eerder waren geleid.

304


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 305

8 Ze zwommen onder water, de waterstroom kabbelde langs hun lichaam, het zachtgroene licht waste om hen heen terwijl ze door de rivier werden voortgestuwd – zo snel dat ze Meera naast zich wel kon voelen maar niet kon zien, ook al waren haar ogen open; haar sari golfde achter haar aan, deinend als zeewier. De telefoon ging. ‘Neem de telefoon op, Leela,’ zei Meera op bevelende toon, en toen haar zus zich naar haar toe keerde, keek Leela in ogen die groot, vragend en boos stonden, en zag ze de wond op Meera’s hoofd waar de vrachtwagen haar had geraakt. Ze pakte de telefoon op en hield die tegen haar oor. ‘Waar was je gisteravond?’ Maar Meera en zij hadden nooit leren zwemmen, dat had ze pas geleerd in New York. ‘Waar zat je?’ vroeg de stem van haar man. ‘Gisteravond?’ Ze wist niet meer wat er was gebeurd. ‘Je bent niet thuisgekomen. Ik heb je de hele nacht gebeld.’ ‘Ik ben wel thuisgekomen,’ zei ze met onweerlegbare logica en ze keek rond in haar eigen slaapkamer. ‘Ik ben er nu.’ ‘Het is vier uur ’s middags. Waar was je vannacht? Waar ben je geweest?’ Het licht scheen door de gordijnen. Opeens wist ze het weer. ‘Ik ben bij de kinderen van Vyasa geweest,’ zei ze triomfantelijk omdat ze het zich weer herinnerde. ‘Ik ben bij hun ayah geweest.’ Nu kwam het allemaal weer terug: Raziya, de tombe, het vuur, de journalist die de gedichten kende, Vyasa’s moeder. Niets was gegaan zoals ze had gewild. 305


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 306

‘Waarom?’ vroeg Hari. ‘Ik moest iets met hen bespreken,’ zei ze met tegenzin. ‘Maar het is me niet gelukt,’ voegde ze eraan toe. ‘Wat moest je dan bespreken?’ ‘Dat kan ik pas zeggen als ik met ze heb gesproken.’ ‘Waarom dan pas?’ ‘Het gaat over mijn zus.’ ‘Is het ernstig?’ ‘Ja.’ ‘En wat is er dan zo erg dat je het niet tegen je man kan vertellen?’ ‘Er zijn zoveel dingen, Hari,’ zei ze. ‘Zoveel dingen die zo erg zijn dat ik ze niet met jou kan bespreken.’ ‘Wil je dat niet?’ ‘Jawel.’ ‘Waarom doe je het dan niet?’ ‘Ik kan het niet.’ ‘Vooruit, vertel het me.’ ‘Nee, alsjeblieft, niet over de telefoon.’ Er volgde een stilte en toen zei Hari, heel langzaam, omdat hij een ultimatum stelde: ‘Ik kom nu naar huis. En als je me niet kunt vertellen wat er aan de hand is...’ zijn stem brak, ‘en wat er allemaal zo erg is, dan... Dan weet ik niet hoe we samen verder kunnen.’ Hij verbrak de verbinding en zij ging weer op bed liggen, ze sloot haar ogen en probeerde terug te gaan naar de rivier waarin ze met Meera had gezwommen, totdat de telefoon was gegaan. Maar het lukte niet. Ze kwam haar bed uit en ging in de badkamer onder de koude waterstraal staan. Meera was er niet meer en na twintig jaar was ze nog steeds niet in het reine met de dingen die ze elkaar hadden aangedaan. Tot dit inzicht was ze vannacht gekomen: ze realiseerde zich nu dat zij al die jaren egoïstisch, laf en fout had gehandeld. Als ze iets van haar jeugd had geleerd, dan was het wel dat het niet uitmaakte wie je grootbracht, je familie of vreemden, zolang die 306


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 307

mensen je maar liefde konden geven. En zij, die al in haar vroegste jeugd deze kostbare band had mogen ervaren, die zich niets kon herinneren van de familie die ze daarvoor had gehad, die als jonge vrouw wist dat deze kans haar haar belangrijkste levensles had geleerd – had twintig jaar geleden het bericht ontvangen dat Meera was overleden en had niets gedaan. In plaats van naar Delhi terug te keren om er te zijn voor Vyasa’s kinderen, had ze toegestaan dat haar angst en rancune het enige waar ze in geloofde hadden gesmoord. En terwijl het water over haar lijf stroomde en in haar ogen en oren, dwong Leela zichzelf terug te denken aan de laatste belofte die ze aan Meera had gedaan toen ze afscheid namen in Santiniketan. Als er iets met mij gebeurt, wil jij dan voor ze zorgen? En Leela had gezegd: Ja, Meera, dat beloof ik. Het was in het holst van de nacht geweest dat Leela het hek van Vyasa’s huis in Nizamuddin West had opengedaan. Ze had licht zien branden achter een raam beneden en ze hoopte dat het een van de kinderen was. Maar toen ze door het bloembed naar het raam toe liep en de vlezige gestalte van de welgedane oude dame zag met haar grijze vlecht, dacht ze bij zichzelf: Goed. Het was beter om het gesprek over haar zus te voeren met de moeder dan met de zoon. ‘Dag, mevrouw Chaturvedi,’ zei ze en de oude vrouw – haar voornaam luidde Nalini – keek op bij het geluid van Leela’s stem en tuurde de tuin in. Vyasa’s moeder was die nacht naar beneden gekomen omdat ze niet kon slapen. Tijdens dat soort nachten, als de slaap niet wilde komen, wachtte ze tot iedereen in bed lag en dan ging ze naar de keuken beneden, waar ze voor zichzelf het eten klaarmaakte waar ze zo dol op was en dat haar al te bezorgde dokter haar uit haar eetpatroon had geprobeerd te laten schrappen: in buffelboter gebakken boterhammen met een gebakken ei erop. De jonge Tamildokter had geklaagd dat het slecht voor haar gewicht was en dus voor haar diabetes en daarom ook voor haar gezichtsvermogen. Maar het was lekker, en hoe scherp hoefde een mens nog te zien op haar leeftijd? Ze had haar zoon zien trouwen, haar zoon weduwnaar zien worden en nu haar kleinzoon in het huwelijk zien treden. Ze 307


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 308

had de Afscheiding en de Noodtoestand beleefd en de ‘geliberaliseerde’ fase waarin jonge meisjes vriendjes hadden en zichzelf respecterende dames krappe hemdjes droegen. Ze had haar familieleden horen roddelen over het gedrag van haar kleindochter, ze had haar blauw-met-zeegroene vaas – het oudste voorwerp dat ze bezat – dankzij de dienstmeid aan scherven zien liggen. Ze had genoeg gezien. Ze nam haar bord mee naar de voorkamer, ging op haar lievelingsstoel zitten naast het openstaande raam – het briesje woei naar binnen maar het horrengaas hield de insecten buiten – en liet met elk piepklein hapje dat ze van deze verrukkelijke combinatie nam het vredige gevoel terugkeren dat ze al kwijt was sinds het ogenblik dat Bharati naar Delhi was teruggekomen. Vanavond kon ze haar kleindochter maar niet uit haar hoofd zetten. Ze hield van Bharati, maar ze wist ook dat het meisje, knap en slim als ze was, niet degene was die ze had kunnen zijn. Ze miste een zekere ernst, en dat was heel ongepast; het deed mevrouw Nalini Chaturvedi verdriet om te zien dat een ouderwets soort bescheidenheid vrijwel was verdwenen uit de manieren van de vrouwen uit de universiteitskringen van haar zoon. Vooral voor Bharati was dat erg jammer, en Nalini was er volledig van overtuigd dat dit tegen het vrouw-zijn indruiste. Het meisje had te veel emoties. Ze was een en al hart – ze deed waar ze zin in haar, gaf toe aan haar grillen – en had te weinig gezond verstand. Ze was op dit punt aangekomen met haar overpeinzingen, toen ze Leela’s stem hoorde. Omdat het buiten donker was en de lamp naast haar een warm schijnsel over haarzelf wierp en ze bovendien, gelukkig, gescheiden werden door het horrengaas, kon ze de spreekster niet goed zien. Maar Nalini wist meteen wie daar in de voortuin stond met een sjaal om haar heen getrokken, halfverborgen achter het bamboebosje. Ze onderdrukte moedig een gil toen ze deze geestverschijning zag, want ze was het meisje nooit vergeten dat haar op een dag in januari 1980 was komen opzoeken – dun en donker en bedroefd, als een verdrietige dame van zo’n schilderij 308


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 309

uit Kalighat: een ongelukkig dorpsweesje, dat uit het ene leven was weggekaapt en met veronachtzaming van alle sociale structuren in een ander leven was neergepoot. Nalini had toen door de uitdrukking op Leela’s gezicht geweten dat het meisje gevaarlijk was. ‘Ik heb begrepen dat mijn zus hier woont,’ had het jonge meisje dat voor haar op de stoep stond gezegd, maar Nalini was onaangedaan geweest en had op haar hoogmoedigste manier geantwoord: ‘Mijn schoondochter wil niet gestoord worden. Ze is met haar tweeling bezig,’ want ze had een gesprek opgevangen tussen haar zoon en zijn lastige vrouw, waarbij Meera had geschreeuwd dat ze haar zus nooit meer wilde zien, en het had Vyasa veel moeite gekost om haar te kalmeren. Leela had haar ogen neergeslagen en was zonder een woord weggegaan, en Nalini had nooit meer iets van haar gehoord. En nu was die onruststookster er weer. ‘Het is al laat,’ zei Nalini op onvriendelijke toon. Leela glimlachte en zei: ‘Het spijt me dat ik u stoor, mevrouw Chaturvedi. Ik was naar Nizamuddin gegaan om ergens een bezoek af te leggen, maar er woedde een brand in de basti en die heeft me opgehouden.’ Nalini trok haar wenkbrauwen op. ‘Ik ben blij dat je weer bent bijgekomen van je flauwte,’ merkte ze op. ‘Dat kwam vast door de lange reis die je achter de rug hebt.’ Leela lachte zenuwachtig. ‘Het spijt me. Het was een prachtige bruiloft. Ik hoop dat ik die niet heb bedorven. Het is me nooit eerder overkomen, maar na twintig jaar is alles zo vreemd voor me en toch ook zo vertrouwd.’ ‘Het lijkt erop dat onze families opnieuw zijn verenigd,’ zei Nalini. ‘Het is vooral zo raar voor me om hier te zijn zonder Meera. En om haar volwassen kinderen te zien.’ Nalini zweeg. ‘Het moet moeilijk voor ze zijn geweest om zonder moeder op te groeien,’ ging Leela voort. 309


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 310

‘Mijn zoon heeft voor ze gezorgd,’ corrigeerde Nalini gepikeerd. ‘En ik ook.’ ‘Ja,’ zei Leela. ‘Het lijken me erg aardige kinderen.’ ‘Ik ben gezegend,’ zei Nalini. Ze bestudeerde Leela door het gaas en vroeg zich af of ze haar binnen zou vragen. Ze besloot het niet te doen. ‘Heb je zelf kinderen?’ vroeg ze. ‘Nee,’ zei Leela en Vyasa’s moeder schudde haar hoofd omdat ze onwillekeurig medelijden voelde met deze tengere, donkere vondeling. ‘Meera heeft over u geschreven in een van de brieven die ze me na haar huwelijk stuurde,’ zei Leela even later met zachte stem. ‘Ze schreef zeker dat ze me niet mocht.’ Nalini nam zonder meer aan dat haar schoondochter niet solidair met haar was geweest. Meera was een stadsmeisje uit Calcutta geweest – verfijnd, bovenmatig geleerd, even lieftallig, althans dat zei iedereen, als een champakbloem. Maar Vyasa’s moeder had haar schoondochter nooit vertrouwd. Ze had gewild dat haar zoon zou trouwen met een goede, lichthuidige brahmaanse uit Uttar Pradesh, niet met een visetende, Bengaalse Kayastha. Ze vermoedde dat Meera niet van Vyasa hield, en al helemaal niet van zijn moeder. Het ergste was nog wel dat ze niet van haar kinderen leek te houden. Pas na de komst van de ayah gedijden de baby’s. En pas toen Meera dood was, twee jaar later door dat vreemde ongeluk, begon Vyasa’s moeder van haar kleinkinderen te houden. Leela zei: ‘Ik denk dat ze soms wenste dat ze terug was in Bengalen, zonder de verantwoordelijkheden van...’ ‘Dat was haar lot,’ onderbrak Nalini haar. ‘Dat is het lot van ons allemaal. En bovendien had zij ervoor gekozen. Ze had niets te klagen. Haar man hield van haar en onderhield haar goed. Hij gaf haar dit huis...’ Ze gebaarde om zich heen. ‘Wat had ze te klagen?’ ‘Ze had heimwee.’ ‘Alle jonge bruidjes hebben heimwee. Ik heb ook heimwee gehad. Zo gaat dat nu eenmaal.’ 310


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 311

‘Ze miste haar thuis.’ ‘Niet waar. Ze wilde nooit bij haar vader in Calcutta op bezoek.’ Nalini tuurde naar Leela. ‘Heb je zelf nooit kinderen willen hebben?’ Leela schudde haar hoofd en Nalini ergerde zich. Er was iets in de houding van dit weeskind dat de oude vrouw de indruk gaf van... ze wist niet precies waarvan, iets wat ze niet goed onder woorden kon brengen; arme vrouw. Dat ze geen kind had gebaard, geen kind had gezoogd, dat haar de grootste prestatie van elke vrouw was ontzegd. ‘Mevrouw Chaturvedi, mag ik even mijn gezicht wassen voordat ik wegga?’ vroeg Leela. ‘Ik ben nogal geschrokken van die brand.’ Deze keer knikte Nalini minzaam. ‘Ik zal de deur opendoen,’ zei ze en ze stond op. De kinderen waren er geen van beiden, het kon geen kwaad. Ze deed de voordeur van het slot en wees naar de trap. ‘Gebruik de badkamer maar die achter de slaapkamer tegenover de trap ligt,’ zei ze. ‘Verder is alleen mijn zoon thuis en hij slaapt op de etage erboven.’ Nalini wachtte desondanks een beetje ongerust terwijl Leela boven was en was blij dat ze al spoedig weer naar beneden kwam en vertrok. Toen ze Leela Boose nakeek terwijl die de straat uit liep, bleef er iets van het gesprek aan haar knagen. Maar ze kon er geen vinger achter krijgen, ze had alleen het gevoel dat ze op de een of andere manier gecompromitteerd was. Ze deed de voordeur weer op slot en liep langzaam de trap op naar haar bed. Bijna het eerste wat Leela zag toen ze Vyasa’s huis binnen stapte, was een ingelijste foto van Meera naast de trap. Hij was genomen op hun eerste dag als studentes aan het Presidency College in Calcutta, en je kon zien dat ze gelukkig was. Wat hadden ze een grote plannen gehad, wat een hoogdravende ideeën: als tieners hadden ze gedroomd over rijke, zinvolle levens. Ze zouden dichters worden, net als Rabindranath Tagore, en ze hadden zich in311


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 312

geschreven voor literatuurwetenschappen om de canon te lezen en te leren, van Milton, Wordsworth tot aan Shakespeare. Vele jaren later vertelde Hari zijn vrienden: Mijn vrouw is afgestudeerd in de Engelse literatuurwetenschappen!, alsof ze lid was geweest van een exclusieve, internationale club, maar Leela zelf zette nooit vraagtekens bij wat ze aan het doen waren, tot op een avond, een paar dagen na hun laatste tentamen, toen Meera bij haar was gekomen om haar laatste besluit mee te delen, namelijk om Calcutta te verruilen voor de universiteit van Tagore in Bengalen, om Sanskriet en Bengaals te studeren om betere gedichten te schrijven in een authentiekere omgeving. ‘Wil je echt daarheen verhuizen, naar het platteland, ver weg van de stad?’ had Leela ongelovig gevraagd, omdat ze wist dat haar zus het meeste plezier had in stadse pleziertjes (zoals gesprekken tot laat in de avond onder het genot van sloten koffie, middernachtelijke wandelingen, omringd zijn door elegant geklede vrouwen en toevallige ontmoetingen met welbespraakte mannen). Uiteindelijk sloot ze zich echter aan bij Meera’s plan; hun treurende vader, die altijd liberaal probeerde te zijn, liet hen gaan; en daar, in Santiniketan, had Vyasa hen gevonden. Leela maakte tegenover Vyasa’s moeder geen opmerking over de foto. Het enige wat ze van zichzelf mocht denken toen ze de trap op liep was: dus in dit huis heeft Meera de laatste twee jaren van haar leven gewoond. De open slaapkamerdeur op de overloop was klemgezet met een stapel boeken en Leela’s adem ging sneller toen ze op de drempel stond. Overal in de kamer slingerden kleren; op het bed lagen zijden sari’s die op de okerkleurige sprei waren neergesmeten en als rivieren door de bergen omlaag kronkelen. Er hing een dikke, zwart met rood geborduurde rok over de rugleuning van een stoel, die ze meteen als een kledingstuk van Meera herkende. Dit moest Bharati’s kamer zijn. Leela stapte over de half uitgepakte koffers heen en liep naar het bureau onder het raam. Het bureau lag vol met stapels boeken en het boek dat bovenop lag, had een rood omslag met een 312


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 313

zwarte schets van een vrouwengezicht erop. Meera’s profiel keek hooghartig de wereld in. Leela pakte het boek op. Ze wist van het bestaan van de uitgave sinds ze het artikel van Pablo Fernandes had gelezen in het vliegtuig, maar dit was voor het eerst dat ze het in haar handen had. Het was een dun boekje van amper zestig pagina’s. Ze bladerde het vlug door – De Lalita-serie heette het – en keek toen naar het copyright. Het was uitgegeven na Meera’s dood. Het bevatte een beknopte inleiding van de weduwnaar van de dichteres. Leela liet het boekje in haar tasje glijden en toen ze weer beneden kwam, zei ze Vyasa’s moeder gedag en liep de straat uit. Ze merkte dat ze onder het lopen beurtelings haar handen tot vuisten balde en strekte. Het was bijna drie uur in de ochtend en het was een koude nacht. Ze dacht met medelijden aan de ineengedoken gestaltes die ze in stukken karton gewikkeld tegen de met urine bevlekte muur om de wijk had zien liggen. Bij een taxistandplaats op de markt wekte Leela een chauffeur uit zijn dutje. Voordat ze weer naar huis ging, naar Hari, wilde ze de gedichten in haar eentje lezen. Ze zei tegen de chauffeur dat hij haar naar een van de vijfsterrenhotels bij Connaught Place moest brengen. Het Park Hotel rook ongepast naar wierook en toen Leela naar de koffielounge liep, merkte ze tot haar opluchting dat de muziek, die overdag onafgebroken uit de luidsprekers klonk en alle gesprekken met zijn akeligheid penetreerde, in elk geval was uitgezet. Ze ging aan een tafeltje bij het raam zitten, bestelde een kop koffie bij de jonge, slaperige ober en sloeg het boekje open. Haar samenwerking met Meera behoorde tot haar kostbaarste herinneringen. Niemand wist meer wie welke regels had geschreven, want ze hadden ze allemaal samen geschreven. Hun pact was bijna heilig geweest. Leela had de twee manuscripten zelf gemaakt: ze schreef de gedichten twee keer over in de maanden nadat Meera Santiniketan had verlaten om met Vyasa te trouwen. Ze schreef ze in de avonduren over met een zwarte vulpen, die hun vader voor haar had gekocht, en toen Meera die herfst terug313


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 314

keerde, had zij ze haar gegeven als een cadeautje van de ene zus aan de andere. In de korte inleiding van Vyasa stond dat hij de gedichten had gevonden tussen de spullen van zijn vrouw. Hij beschreef de koortsige atmosfeer op haar feestjes, waarvan het voordragen van haar gedichten een van de belangrijkste attracties was geweest: ze waren haar eigentijdse mushaira’s. Hij beschreef zijn blijdschap met de vondst van dit stapeltje gedichten, gesigneerd met de nom de plume die zijn vrouw voor zichzelf had gekozen, Lalita. Hij vertrouwde erop dat de lezer even veel genoegen zou beleven aan de jeugdige expressiviteit die uit de gedichten sprak als hijzelf. Leela riep de ober en vroeg om de rekening. Er was een gedachte in haar opgekomen. Hoe kwam het dat Meera en zij in hun gedicht ‘Het laatste dictaat’ hadden geschreven over de zussen uit het epos – Ambika en Ambalika – zonder Amba te noemen? Amba was degene die in tegenstelling tot haar meegaande zusters, weigerde om weggegeven te worden aan een man van wie ze niet hield. Ze was zo verbolgen over haar behandeling door Bhishma, de halfbroer van Vyasa, dat ze zichzelf in brand stak en stierf om te worden wedergeboren als krijger, en in haar volgende leven was zij het die op het slagveld verscheen en hem versloeg toen verder niemand in staat bleek hem te doden. Háár hadden ze als voorbeeld moeten nemen, dacht Leela nu. Een boze, opstandige vrouw, die alles aan haar laars lapte. Ze liep over de verlaten straten terug naar Kasturba Gandhi Marg en dacht aan de drie maanden waarin ze als tweeëntwintigjarige in Delhi had gewoond, terwijl ze probeerde te besluiten wat ze met haar leven ging doen en hoe tegendraads ze zich zou opstellen. Meera had haar in de decembermaand daarvoor een heleboel brieven uit Delhi gestuurd, die allemaal beschreven hoe ongelukkig ze was als echtgenote en moeder; ze schreef verbitterd over de wending die haar leven had genomen en vol rancune over Leela’s vrije, solitaire leven. Toen Leela ze aan haar vader liet lezen, smeekte hij haar er voorzichtig mee om te gaan. ‘Bemoei je er niet mee,’ zei hij. ‘Ze is een volwassen vrouw en heeft haar ei314


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 315

gen verantwoordelijkheid. Ze moet zelf het beste van haar huwelijk en haar moederschap zien te maken.’ Ook al vond Leela het moeilijk om zichzelf af te schermen voor deze brieven – de woorden stonden in haar hersens gegrift –, de daaropvolgende stilte was nog erger. Toen de brieven helemaal uitbleven, was dat onverdraaglijk. Op de dag dat ze uit Calcutta vertrok en tegen haar vader zei dat ze naar Delhi ging om te zien of Meera haar nodig had, herhaalde hij zijn advies. Leela sloeg zijn raad slechts één keer in de wind in al die tijd dat ze Delhi was, namelijk toen ze op de ochtend dat ze uit Calcutta aankwam, uitgeput door de reis, rechtstreeks naar Vyasa’s huis in Nizamuddin ging om haar zus te zien. Mevrouw Nalini Chaturvedi had echter de deur van het grote huis opengedaan waar haar zuster woonde. Ze wimpelde Leela af. ‘Wilt u wel tegen haar zeggen dat ik hier ben geweest?’ verzocht Leela haar toen ze wegging en Vyasa’s moeder had geknikt. Toch kwam er geen enkel bericht in de dagen en weken die daarop volgden, en Leela durfde niet nog eens naar het huis te gaan. Hoe langer ze alleen in Delhi verbleef, hoe vaker haar gedachten in kringetjes ronddraaiden. Ze nam de gebeurtenissen in gedachten door en herinnerde zichzelf eraan dat de tweeling een liefhebbend gezin nodig had en het ergste wat Leela kon doen, was tussen hun ouders in gaan staan. Ten slotte besloot ze dat haar vader gelijk had, en in plaats van dat ze bij haar zuster op bezoek ging, liep ze elke morgen rechtstreeks naar de school waar ze lesgaf en ging ze ’s avonds meteen weer terug naar het lege huis aan Kasturba Gandhi Marg. Ze liet zich het hof maken door Hari Sharma en ze maakten plannen om te emigreren. En pas op het allerlaatst, slechts enkele dagen voor haar vertrek uit Delhi naar New York, ging ze naar de tweeling kijken, die nooit zou weten, zich nooit zou herinneren en Meera nooit zou kunnen vertellen over de vrouw die op deze twee lentemorgens naar hen was komen kijken.

315


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 316

Leela stapte onder de douche uit, kleedde zich aan en liep de veranda op vanuit de slaapkamer. Ram zat in de tuin in Hari’s rotanstoel met zijn in een strakke witte churidar gehulde benen voor zich uitgestrekt een sigaret te roken. ‘U hebt de huwelijkslunch gemist bij iic, tante. En oom ook.’ ‘De huwelijkslunch?’ ‘De huwelijkslunch van Ash en Sunita. Een cadeau van de professor.’ Hij hief glimlachend zijn gezicht naar haar op. ‘Die was ik helemaal vergeten,’ zei ze. ‘Ik sliep. Jet lag. Was het erg dat we er niet waren?’ Ze boog zich voorover, pakte een sigaret van hem en stak hem aan. Vroeger shockeerden Meera en zij hun tantetjes graag door te roken, maar dat was puberaal gedrag en ze had het na haar huwelijk afgezworen. Pas sinds Hari met het nieuws was gekomen dat ze naar India zouden terugkeren, was roken een gewoonte van haar geworden. ‘Ja,’ zei hij. ‘Van onze kant van de familie was er niemand, alleen ik.’ ‘Niemand?’ herhaalde Leela en ze vroeg zich af of ze tegen hem zou moeten zeggen dat zij in feite familie van beide kanten was. Hij schudde zijn hoofd. Ze rookten zwijgend en na een poosje zei Ram: ‘Mijn zus heeft geboft dat ze in die familie is getrouwd.’ Daarna vroeg hij: ‘Vindt u het fijn om hier te wonen?’ ‘Er kleven veel herinneringen aan,’ zei ze. ‘Woon jij hier graag?’ Hij rilde. ‘Helemaal niet.’ Ondanks zichzelf moest ze lachen omdat hij zijn gevoelens zo duidelijk liet blijken. ‘Waarom niet?’ ‘Tja, ik had er met oom Hari een afspraak over. Ik zei: “Deze plek deugt niet en het huis is zo mistroostig.”’ Ram zuchtte. ‘Ik had een architect gevonden die zei dat hij er een mooie woonplek van kon maken, met een hal in Rajasthani-zeegroen,’ hij gebaarde, ‘een zitkamer in Mogol-rood, hindoemuurschilderingen in de badkamers... Maar oom Hari wilde overal deze saaie witte, ouderwetse inrichting.’ 316


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 317

Leela gebaarde op haar beurt naar het huis. ‘Je oom probeert de grandeur van het verleden te laten herleven.’ ‘Hij snapt niet hoe het moderne India in elkaar zit, tante!’ Ram sprong enthousiast overeind en liep met de sigaret tussen zijn vingers de tuin uit, de treden op naar de veranda. ‘Tegenwoordig zijn er andere wijken in de mode. Hij ziet de drugsverslaafden op Connaught Place en de prostituees voor de Hanuman-tempel niet. Hij ziet al die rommel niet overal liggen, evenmin als de betelnootvlekken en de naalden. Daarom zijn alle gezinnen uit dit deel van Delhi weggetrokken. Het verleden is niet van belang. Waarom zou je daarvoor hier blijven?’ ‘Dit hele gebied,’ zei ze, ‘doet hem eraan denken dat hij als jongen op bezoek ging bij familieleden in de woningwetflats op de Golmarket. Hij hield van deze plek en waar die voor stond. Hij komt uit een heel bescheiden milieu, waar ze het veel zuiniger aan moesten doen dan jij of ik.’ Onder het praten dacht ze bij zichzelf hoe merkwaardig het was dat deze vrijpostige jongeman bijna charmant op haar overkwam, terwijl ze een jongen met zijn ontwikkeling en opvoeding, uit zijn milieu, twintig jaar geleden nog zou hebben ontlopen. De gedachte aan de jaren die sindsdien waren verstreken bezorgde haar de koude rillingen: opeens besefte hoeveel tijd er voorbij was. Ze keek neer op haar handen, met hun rimpels van ouderdom. Ineens voelde ze zich oud. Ram vertrok even later – hij ging in een buitenwijk van de stad naar een Divali-feest – en Leela ging op de veranda op Hari zitten wachten en keek naar een kraai die over de rand van de balustrade paradeerde alsof hij de eigenaar zelf was. Zijn veren glansden olieachtig en nu en dan hield hij even stil om naar iets te pikken; porrend en pikkend hupte hij in steeds kleinere kringetjes rond. Ram had haar gevraagd of ze New York miste en ze had met een glimlach haar hoofd geschud. Maar nu dacht ze aan de blauweregen op haar dakterras, de rozen en de jasmijn die ze had geplant. De verre geluiden van taxi’s en sirenes in de straten onder haar. De heerlijke stilte. Ze sloot haar ogen en luisterde. 317


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 318

Ook hier was het op een bepaalde manier stil. Ze deed haar ogen weer open. Ze had als tweeĂŤntwintigjarig meisje de verkeerde beslissing genomen. Ze had naar Nizamuddin moeten terugkeren en moeten eisen dat ze haar zus te zien kreeg. Alles zou volkomen anders zijn gelopen als ze die sluwe oude vrouw niet had geloofd. Later, nadat Meera was overleden, schreef haar vader haar over het sombere gevoel dat hij over het huwelijk van haar zus had gehad. Maar het was te laat om spijt te hebben. De vraag was nu hoe ze haar vergissingen goed kon maken. Er werd een sleutel in de voordeur omgedraaid en Leela sprong zo snel overeind dat de kraai van schrik een sprongetje maakte en wegvloog. Ineens was ze ontzettend opgelucht. Na een kwarteeuw van geheimhouding zou daar met een paar simpele woorden een einde aan komen.

318


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 319

9 Nadat Bharati de zolderetage uit was gestormd op weg naar de huwelijkslunch van haar broer, was Pablo zijn koffer gaan inpakken voor zijn reisje naar Calcutta. Hoewel hij zichzelf graag zag als een pionierende milieuverslaggever – iemand die onvermoeibaar verslag deed van de desastreuze invloed van India’s nieuwe rijkdom op het milieu – herinnerde zijn redacteur hem er af en toe fijntjes aan dat zijn kracht in feite lag in artikelen over de literatuur, in beknopte culturele analyses en in zijn vlotte pen. Vanuit het oogpunt van de krant verdiende hij daarmee zijn brood. En daarom was hij naar Calcutta gestuurd om een stuk te schrijven over de nieuwste archeologische aanwinst. De kranten betitelden het als ‘museumdiplomatie’. India had drie kostuums uit Savile Row – één van groene harristweed en de andere twee van fijn beige linnen, plus diverse zijden dassen en één paar gestopte sokken – afgestaan aan Pakistan; ze hadden toebehoord aan de heer Jinnah en waren door een trouwe bediende ten tijde van de Afscheiding uit zijn huis in Bombay meegenomen en de daaropvolgende vijftig jaar in vloeipapier tussen de mottenballen bewaard op de bodem van een kist, verstopt onder de veel nederiger kledingstukken van hemzelf en zijn vrouw. Deze kist was in 1953 met de bediende uit Bombay meeverhuisd naar Calcutta, in 1967 uit Calcutta naar zijn geboortedorp, dat op drie uur rijden van de stad lag, en in 1982 na zijn dood met zijn weduwe terug naar Calcutta, naar het huis van hun enige dochter, waar hij onaangeroerd bleef staan, tot op de dag, tweeënvijftig jaar na de Afscheiding, waarop zijn weduwe stierf en hun kind 319


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 320

door de bezittingen van haar overleden ouders ging en het briefje aantrof in een ouderwets Engels handschrift, waarin stond dat de kostuums teruggegeven moesten worden aan de heer Muhammad Ali Jinnah, op de dag dat hij vanuit Pakistan terugkwam naar India. In de zak van het tweedpak zat een bonnetje van een boekwinkel op Charing Cross in Londen. Aangezien meneer Jinnah in 1948 was gestorven en zijn enig kind een dochter was en dus hoogstwaarschijnlijk haar vaders kleding niet zou dragen, werden de kledingstukken aan de staat gedoneerd tijdens een receptie waarvoor de dochter van de bediende uit Calcutta naar Delhi werd gehaald voor een ontmoeting met de president. Het verhaal haalde de Pakistaanse pers, en twee musea, het ene in Karachi en het andere in Islamabad, deden onmiddellijk een bod op de kledingstukken, en een slimme ambtenaar bij de Archeologische Dienst van India in Delhi las dit op een ochtend in de krant en rook meteen de unieke kans die hem dit bood op nationale roem en een snelle promotie. De afgelopen vijftig jaar voerde India al actie voor de ‘terugkeer’ naar India van een kleine Shiva-lingam die onder de Britten was opgegraven op de archeologische vindplaats van een tombe op de oever aan de overzijde van de Indus, die zich sinds de Afscheiding in Pakistan bevond. Na Gandhi’s dood in 1948 had de eerste minister-president van Pakistan, die niet veel tijd had om zich te verdiepen in oude relikwieën, toestemming gegeven voor het uitvoeren van het fallussymbool naar India, tegelijk met de Pakistaanse hindoebevolking, alleen duurde de officiële procedure voor het exporteren van antiquiteiten aanzienlijk langer en was hij veel ingewikkelder dan voor mensen; en vlak voordat de premier zijn handtekening onder de laatste paperassen zou zetten, werd hij vermoord. De nieuwe regering, van strengere en modernere snit, zag geen enkele reden waarom ze de onderhandeling over een dergelijk triviaal voorwerp zou moeten voortzetten, vooral nu India zich zo onbuigzaam opstelde ten aanzien van Kashmir. Vijftig jaar lang brachten op verzoek van de Archeologische 320


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 321

Dienst de regeringspartijen het onderwerp telkens weer ter sprake bij hun collega’s over de grens – en de huidige militaire dictator, een joviale, whisky drinkende man met een hond, die tijdens zijn laatste bezoek aan India verscheidene prettige onderonsjes had gehad met de elegante in sari gehulde minister van Cultuur, bleek sympathiek te staan tegenover de benarde toestand van de kleren van de Grondlegger en ‘het heilige klokkenspel van de hindoes’ (zoals hij het privé noemde tegenover zijn generaals, vrouw en vriendinnen in Lahore), en tot grote vreugde van het Indiase culturele bestel, de pers en de hindoepriesters, werden het fallussymbool en de kostuums geruild gedurende een zeldzaam en vaak aangehaald ogenblik van begrip tussen de verdeelde buren. Weinigen in India betreurden het vertrek van de pakken. Alle aandacht ging uit naar de lingam, die deze week in India was aangekomen, nadat hij eerste klasse was overvlogen met Pakistan International Airways naar het Indira Gandhi-vliegveld en vervolgens met politie-escorte was overgebracht naar de Archeologische Dienst bij India Gate, waar hij ten slotte – na een grondige inspectie door een team van eerbiedige archeologen – opnieuw werd ingepakt en naar Calcutta werd getransporteerd, de stad waar Jinnahs bediende zijn oude dag had gesleten en waar een gloednieuwe vitrine voor het fallussymbool was neergezet in het Indiaas Museum, pal tegenover de ingang naar de museumzaal met bodemschatten. Dat was het verhaal en het was Pablo’s opdracht om naar Calcutta te gaan en een aantal voorbijgangers te vragen naar hun gevoelens, teneinde een ‘leuk, vrolijk en cultureel stukje’ te schrijven voor, op zijn laatst, overmorgen. Zittend op zijn dakterras wachtte Pablo op de taxi die hij had besteld en dacht na over Bharati. Hij wist dat het gevoelloos van hem was geweest om zulke persoonlijke onderwerpen als haar moeders poëzie en haar van de familie vervreemde tante ter sprake te brengen – en ook nog eens onvoorstelbaar dom, aangezien zijn tienerdroom om Ash’ zus in bed te krijgen net een paar uur 321


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 322

eerder was uitgekomen. Hun hele schooltijd hadden Pablo en zijn vrienden heimelijk gehunkerd naar Ash’ afstandelijke en knappe tweelingzus. Ze kwamen naar zijn huis om te schaken of haalden hem op om naar vogels te kijken en hoopten somber op enig contact met dat beeldschone meisje. Maar Bharati was zich daarvan niet bewust. Ze sjeesde door het huis en zwaaide intussen zonder onderscheid naar ze, alsof de vriendenkring van Ash bestond uit een verzameling minder belangrijke soorten, alsof zij de vurig gepluimde flamingo was en de jongens een troepje spreeuwen, of nog erger, iets waggelends en banaals, eenden of kippen of iets dergelijks. Ze bleven echter op zondagochtend vroeg komen in de hoop haar te zien aan het familieontbijt, maar al op haar dertiende sliep Bharati ontzettend lang uit in het weekend en liet ze zich pas, verrukkelijk rommelig ogend, rond het middaguur zien om humeurig haar stekelige opmerkingen te plaatsen. Ze brachten offers voor haar mee, dundrukedities van Keats, een gehavende Anna Karenina, een ingebonden Gitanjali, maar Bharati had altijd nét haar Keats-fase achter de rug, of had juist genoeg gekregen van negentiende-eeuwse literaire heldinnen, of was de Indiase obsessie voor de zwaar bebaarde laureaat met zijn ouderwetse ideeën over vooruitgang meer dan beu. Ze bedankte hen misprijzend dan wel achteloos en hooguit een op de twintig keer trakteerde ze de verlegen jongemannen op meer dan een kort bedankje of een koele, taxerende blik. Bharati verdween net als de zeldzame trekvogel die ze was, via een hoger gelegen vluchtroute. In de straat onder hem klonk getoeter en Pablo gooide zijn tas over zijn schouder, sloot zijn zolderetage af en daalde de trap af, terwijl hij zich ondertussen afvroeg of hij zijn kansen bij Bharati had verspeeld. Hij had gedacht dat het mysterieuze gedicht haar zou intrigeren en had haar beslist niet van streek willen maken. Maar hij had vanmorgen aan een stuk door gepraat – het was alsof er tien jaar aan onderdrukte conversatie losbarstte – alsof ze weer veertien waren en hij haar nog steeds probeerde te imponeren. Misschien kon hij het goedmaken als hij uit Calcutta terug322


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 323

kwam. Hij wist niet meer wanneer ze precies terug zou gaan naar Londen; op zijn laatst over een week. Hij kon haar voorstellen om samen vogels te gaan kijken. Hij zou tegen haar zeggen dat hij geen belangstelling meer had voor de Lalita-gedichten. Maar was dat wel zo? Hij moest toegeven dat hij een beetje geobsedeerd werd door de gedachte dat Meera en Leela hadden samengewerkt. Maar als zijn veronderstelling klopte, waarom had Leela dan niet geprotesteerd toen de gedichten onder Meera’s naam werden uitgegeven? En waarom had ze geen contact met Meera’s kinderen? Hij herinnerde zich de vrouw die hij in de basti had ontmoet – zo elegant, triest en intrigerend tegelijk. Misschien zou Bharati gelukkiger zijn als ze zo iemand in haar leven had. Zittend in de vertrekhal van de binnenlandse luchthaven wachtte hij tot zijn vlucht zou worden omgeroepen. Pablo haalde een fotokopie van het herontdekte Lalita-gedicht tevoorschijn en las het over, telkens opnieuw zocht hij naar aanknopingspunten. ‘Men zegt dat de vervuiling dit jaar minder is,’ zei een man links van hem die om een praatje verlegen zat, ‘vanwege dat nieuwe samengeperste aardgas waarop de taxi’s nu rijden.’ Ofschoon Pablo het normaal gesproken leuk vond om met vreemden te praten en vooral om mensen bij te spijkeren over milieukwesties, hij paste er deze keer voor. Hij had zojuist iets aan het gedicht ontdekt, namelijk de datum en de plaats waar het was geschreven: Santiniketan, november 1979. Tweeëntwintig jaar geleden. Het jaar waarin Bharati was geboren. De maand waarin de tweeling was geboren. Ash zou zijn verjaardag aanstaande donderdag vieren. Pablo liet een kreet ontsnappen. Santiniketan, het had hem de hele tijd toegegrijnsd. Hij kwam aan in Calcutta, ging rechtstreeks naar zijn hotel en informeerde naar de vertrektijden van de treinen naar Santiniketan. De universiteit van Rabindranath Tagore lag in een buitenwijk van Bolpur, wat met de trein nog geen drie uur van Calcutta was. De treinen vertrokken elke ochtend om 6.05 uur van station Howrah en keerden om vier uur ’s middags terug. Hij kon op en 323


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 324

neer gaan zonder dat iets of iemand – zijn redacteur, de krant, de lingam – ervan te lijden zou hebben. Dit was een kans voor hem, als jonge journalist, om iets belangrijks op eigen houtje uit te pluizen, geen voorgekauwd persbericht of ministeriële verklaring of protest van een niet-gouvernementele organisatie, maar iets wat echt nieuwswaarde had. Hij moest eigenlijk morgen bij het Indiase museum de directeur interviewen, maar hij kon dat interview ook op woensdag doen, of telefonisch. Hij liet zich het reisje naar Santiniketan niet door de neus boren vanwege een gerepatrieerd fallussymbool. Vergeet het maar. De volgende morgen doezelde Pablo weg in de trein en toen hij wakker werd, reden ze door het open landschap. Zover het oog reikte zag hij dadelpalmen, meertjes en velden waarop hier en daar een boer aan het werk was. Pablo was opgegroeid in de stad, maar het Indiase platteland fascineerde hem en hij was blij dat hij er geen afkeer van had. Hij keek naar de vrouwen die op de velden werkten en de droge rijsthalmen zorgvuldig afsneden, verzamelden en op hopen schoven. Het stijfsel was al lang uit hun sari’s verdwenen, maar de vrouwen zagen er prachtig uit in hun gele en oranje kleren, met hun strakke blouses waaruit hun sleutelbeenderen en schouderbladen tevoorschijn kwamen; daar waar de modder diep was zag je zelfs hier en daar een blote knie, terwijl hun geoliede haren in een knot bijeen werden gehouden. Vlak na negen uur reed de trein Bolpur binnen. Er was één perron, en bij de uitgang stonden talloze fietsriksja’s en was het een herrie van belang. Pablo koos een fietsriksja uit met een mooie gele kap, waarvan de chauffeur een jonge en sterke indruk maakte. ‘Breng me naar de letterenfaculteit,’ zei Pablo tegen de man. Ze reden de stad door, langs winkels waar artikelen werden verkocht die je in heel India vindt: planken vol met zeepjes in knalgroene en roze verpakkingen, kilo’s suiker afgewogen en overgedaan in dichtgebonden, dunne plastic zakken, schooltassen van khadi-katoen hangend aan een haak, opgevouwen gebloemde sari’s. Er was ook een rijtje winkels die metalen hutkof324


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 325

fers verkochten, een zaak die televisies verkocht, een internetpunt en een pension. Na een poosje maakten de winkels geleidelijk aan plaats voor de stalletjes en daarna de stalletjes voor de velden, en hier sloeg de riksja links af in de richting van een verzameling door bomen omgeven gebouwen en ruim aangelegde speelvelden in de verte. De stevige, gespierde benen van de riksjachauffeur spanden zich in om ze te bereiken over de paden met rood stof, langs de vergelende jongerenhotels, onder het loof van oude bomen met brede kruinen door. ‘Universiteitscampus,’ verklaarde hij, naar rechts wijzend, en toen dreunde hij op: ‘Rabindra Bhavan, Kala Bhavan, Sangeet Bhavan, Hoofdkantoor, Hoofdbibliotheek, Chinee Bhavan, Mandir.’ De chauffeur stopte voor een groot wit gebouw met een breed bordes ervoor en toen Pablo opkeek zag hij dat hij niet naar de letterenfaculteit was gebracht, maar naar de bibliotheek. Hij voelde in zijn zak naar zijn portefeuille en haalde er het krantenknipsel uit van zijn artikel over het gedicht met een foto van Meera Chaturvedi. Daarna liep hij de treden op, hij duwde de deuren open en stelde zich voor aan de twee jongemannen achter de balie. Maar zij schudden hun hoofd toen ze het knipsel zagen. Ze waren te jong om haar te hebben gekend, dacht Pablo, en hij vroeg of hij een van de oudere bibliothecarissen kon spreken. ‘Het is erg belangrijk,’ zei hij en hij trok zijn perskaart tevoorschijn. ‘We zijn niet voltallig,’ protesteerde de ene man. ‘Het is nog steeds pooja-vakantie.’ Maar de andere man stond bereidwillig op en liep weg, daarom ging Pablo zitten en wachtte hij af. Hij wachtte heel lang en toen de oudere bibliothecaresse, een magere vrouw met een bril op, gekleed in een sari van ruwe katoen, uiteindelijk arriveerde, tuurde ze naar het artikel en schudde haar hoofd. ‘Wat heeft deze vrouw gestudeerd?’ ‘Literatuurwetenschappen,’ zei Pablo. ‘Weet u wie haar docent was?’ ‘Ved Vyasa Chaturvedi.’ 325


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 326

‘O, hij.’ De bibliothecaresse haalde haar neus op. ‘Een ogenblik.’ Ze pakte haar sleutels en deed de deur van haar kamer van het slot. ‘Komt u binnen,’ zei ze over haar schouder terwijl ze naar een grote metalen kast achter in de kamer schuifelde. ‘Hij liet dat jaar een foto maken, samen met al zijn studenten. Dat was een nieuwe trend. Alle docenten hebben het een paar jaar gedaan. Ik heb er kopieën van gehouden, omdat ik er het eerste jaar ook op stond. Daar drong hij op aan.’ Ze keek de planken vol met dossiers door. ‘Hier is hij.’ Ze haalde er een stijve kartonnen foto uit, veegde het stof eraf en gaf hem aan Pablo. ‘Ik sta onderaan, helemaal rechts.’ Pablo bekeek de foto. Hij was in zwart-wit, ze stonden op een bordes, waarschijnlijk van de bibliotheek. De bibliothecaresse zat een stukje bij de groep vandaan op een stoel met een starre grijns op haar gezicht. Ved Vyasa Chaturvedi zat in het midden vooraan, hij had zijn lippen licht getuit. Leela stond helemaal achterin en blikte heel ernstig, recht in de camera. Ze droeg haar sari met de pallu strak over haar boezem getrokken en had hem aan de onderkant stijfjes ingestopt. Naast haar, met een bloem in haar handen en een stralend gezicht, stond een meisje met lang haar dat als een waterval omlaag golfde. ‘Dat is ’r,’ zei Pablo, wijzend. ‘Meera, de vrouw die met Vyasa Chaturvedi trouwde...’ ‘Als u het zegt.’ De bibliothecaresse pakte de foto uit zijn handen, schoof hem terug in de kast en sloot de deuren met een metalige klap. ‘Meer kan ik niet voor u doen,’ zei ze, hem naar buiten begeleidend. ‘Vyasa Chaturvedi was een heel populaire docent, maar hij heeft hier maar een jaar gewerkt.’ ‘Is er misschien nog iemand die zich iets zou kunnen herinneren?’ vroeg Pablo. ‘Probeer onze voorlichter maar,’ zei ze. ‘Of vraag het anders aan Vidya Bhavan, van de faculteit Geesteswetenschappen. Dat is maar vijf minuten lopen hiervandaan. De academici hebben nog steeds pooja-vakantie, maar de administratie is er wel.’ De voorlichter was een welwillende man die zijn kantoor had 326


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 327

in een gebouwtje dat wel wat weg had van een boerenhuisje, door het hek en de bloementuin; boven zijn bureau hing een grote foto van Gandhi en Tagore. Hij liet een kop geurige Darjeeling-thee voor Pablo komen en sprak enthousiast over de universiteit, de docenten en oud-leerlingen, maar hij kon Pablo niets vertellen over Meera Bose. Twintig jaar was lang, zei hij; de enige mensen die misschien iets over haar konden vertellen, waren de academici. Maar hij betwijfelde of er iemand bij was die hier al twintig jaar werkte. Hij hief zijn handen om te laten zien dat hij niets wist en herhaalde zuchtend wat ze in de bibliotheek ook al hadden gezegd: ‘Maar die komen pas volgende week terug, als de laatste pooja voorbij is.’ Pablo zuchtte ook toen hij naar buiten liep en in de plezierige, gestippelde schaduw van de grote peepul-bomen van Santiniketan de laan uit liep naar het middelpunt van de campus. Vidya Bhavan was een langgerekt, geel gesausd gebouw. Inmiddels was het bijna middag en het grootste deel van het personeel was al met weekendverlof. Pablo ging in de deuropening staan en probeerde het probleem uit te leggen aan de enig overgebleven medewerker; met een hopeloos gevoel hield hij het knipsel voor hem op. ‘Hoe heet ze?’ vroeg de man. ‘En hoe heet haar vader?’ Maar hij schudde zijn hoofd toen Pablo dat vertelde. ‘U kunt beter overmorgen terugkomen,’ zei de beambte. ‘Dan zullen we uw vraag voorleggen aan de medewerker die erover gaat. O nee,’ liet hij er meteen op volgen, ‘de dag erna is het Divali. Komt u alstublieft aanstaande vrijdag terug, dan kan de administratie zeker antwoord geven op uw vraag.’ Pablo liep alweer naar de weg toe, toen dezelfde beambte langs hem fietste. ‘U kunt het ook op het hoofdkantoor navragen,’ riep de man hem toe. ‘Zij werken op dinsdag tot vijf uur. Misschien kunnen zij de examenuitslagen voor u opzoeken.’ Pablo stond op de weg waar zes arbeiders met lappen om hun hoofd gewikkeld uit de laadbak van een vrachtwagen fijne rode steenslag op het pad schepten. Het irriteerde hem dat de mensen hier niet aan zijn navraag wilden meewerken. Niet dat ze hem 327


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 328

ook maar iets nuttigs konden vertellen – want waar zocht hij eigenlijk naar? Dat was het probleem, dat wist hij niet precies. Ja, hij kon naar het hoofdkantoor gaan. Hij kon ook de registers van meisjesstudentenhuizen inkijken, maar misschien was hij nog wel het meest toe aan een verfrissing. ‘Thee?’ zei hij tegen de riksjachauffeur en de jongeman knikte. Het studentencafé was nog gesloten wegens vakantie, maar de riksjachauffeur kende een theehuis vlakbij, dat werd gedreven door een oude Santiniketaner: de derde generatie van de familie die het uitbaatte sinds de tijd van Tagore. Het was intussen lunchtijd geworden, en toen ze er aankwamen was het theehuis bijna leeg. Pablo en de riksjachauffeur gingen bij het raam zitten en plaatsten hun bestelling bij de ober. De ober was een oude man, mager, traag en afgetobd, zoals zoveel werkende mannen in India. Maar hij had wel precies de juiste leeftijd, dacht Pablo, en toen hij hun bestelling bracht en het dienblad op tafel zette, vroeg Pablo hem: ‘Heeft u hier altijd gewerkt?’ De man knikte en vroeg op zijn beurt: ‘Bent u hier voor zaken?’ Pablo aarzelde voordat hij antwoord gaf en de riksjachauffeur was hem voor; hij onderbrak een ogenblik zijn geslurp en zei snel iets in het Bengaals. ‘Dus u bent op zoek naar iemand?’ vroeg de ober en Pablo knikte. ‘Een vrouw?’ Pablo knikte weer en haalde het knipsel over Meera tevoorschijn. De man nam het van hem over en bestudeerde het uitgebreid. Pablo kon niets opmaken uit zijn gelaatsuitdrukking, maar toen hij het artikel teruggaf, zei de ober: ‘Die heb ik nog nooit van mijn leven gezien.’ Pablo begon zich erg dom te voelen. En wat was dit trouwens voor een primeur? Zijn redacteur zou nooit toestemming geven voor nog een artikel over deze dichteres die al twintig jaar dood was, ook al was haar dochter een uiterst begerenswaardig indivi328


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 329

du met wie de journalist in kwestie het bed deelde. Hoe moest hij zich straks in Delhi verantwoorden? Dit soort hoogdravende ideeën kreeg hij altijd door slaapgebrek en ze verdwenen zodra hij zijn maag had gevuld, om daarna slechts een vage, beschamende herinnering achter te laten. Hij pakte zijn notitieboekje en trok een dikke, onheilspellende streep door de woorden die hij pas deze ochtend in de trein boven aan het velletje papier had opgeschreven: Leela en Meera Bose. Het mysterie van het Lalita-gedicht. Santiniketan? ‘Ik kan u wel helpen,’ zei iemand, en Pablo keek op in het gezicht van een kwabbige oude man – of misschien was hij van middelbare leeftijd, dat was moeilijk te zeggen – die een bril, een innemende grijns en een lang oranje overhemd droeg, en daarbij een krant, een banaan, een paraplu, een kladblok, een dictafoon en een potlood bij zich had. Pablo zag in een oogopslag dat hij te maken had met de plaatselijke wijsneus, Santiniketan moest er vol mee zitten, met dit soort mensen die niet echt hun werk hadden kunnen maken van het uitdragen van kennis en deze daarom gratis verstrekten aan iedere willekeurige bezoeker die het ongeluk had hen tegen te komen. Voordat Pablo hem had kunnen afwimpelen, zei de man: ‘Ze is hier al ruim twintig jaar niet meer geweest.’ Hij glimlachte om Pablo’s verbaasde blik en vervolgde toen: ‘Ik herinner me haar én haar zus.’ Pablo staarde hem aan. Had hij gezegd dat hij naar twee zussen zocht? Hij wist het niet meer. ‘Ze hebben hier op de universiteit gezeten. Ze zijn ook allebei een poosje opgenomen geweest in het Santhal-missieziekenhuis.’ ‘Het missieziekenhuis?’ zei Pablo verbluft. ‘Waren ze ziek?’ ‘Nee hoor,’ zei de man met een zelfvoldaan lachje, ‘ze waren niet ziek.’ Hij wierp een blik op de riksjachauffeur en vroeg hem iets in het Bengaals. De jongeman grinnikte, maar zei niets. Pablo baalde van het onderonsje. ‘Wat mankeerden ze dan?’ wilde hij weten. 329


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 330

De ober pakte de lege theeglazen van de tafel en kuierde langzaam terug naar de keuken. ‘Ze mankeerden niets,’ zei de man en hij prikte met zijn potlood in de lucht. ‘Het waren allebei lieve meisjes. U kunt daar het beste zelf naartoe gaan om te informeren.’ ‘Naar het missieziekenhuis?’ ‘Ja, ja,’ zei de man. ‘Het is heel gemakkelijk te vinden. Het is weliswaar niet meer in gebruik, maar er is nog steeds een chowkidar en de kapel wordt schoongehouden voor de bezoekende pastoors. Neem de weg naar Ilam Bazaar, volg die drie kilometer, tot vlak voor Sriniketan. Het is een huis dat aan een weggetje links staat. Eerst zie je het meertje en dan een bosje papayabomen. Ik zal de jongen wel zeggen hoe hij er moet komen.’ ‘Redt hij dat, of kan ik beter een taxi bellen?’ vroeg Pablo, maar de man schudde zijn hoofd. ‘Hij kan je daar wel naartoe brengen.’ Hij gaf de jongen aanwijzingen in het Bengaals. ‘Succes,’ zei hij tegen Pablo toen ze vertrokken. ‘En kom maar terug als je niet vindt wat je zoekt.’ Wat is dit toch een land vol betweters, dacht Pablo ondankbaar toen ze op weg gingen. De weg naar Ilam Bazaar was smal en stil en Pablo zat rechtop op zijn zitplaats, terwijl de jongeman zijn hoofd boog en trapte. Hij had nog steeds geen flauw idee wat hij zou vinden in het ziekenhuisje waarnaar hij op weg was. Hij begon weer te betwijfelen of het eigenlijk wel zin had om erheen te gaan. Stel je voor dat zijn redacteur vanavond al een kant-enklaar artikel over de lingam wilde hebben? Intussen sloeg de riksjawallah met zijn voertuigje linksaf, en toen Pablo omkeek, zag hij het meertje dat de man had genoemd, evenals de papayabomen met hun zware, groene vruchten. Het pad was erg hobbelig en Pablo riep algauw dat de man moest stoppen. Hij zag aan het einde van het weggetje het toegangshek van het ziekenhuis, overschaduwd door grote bomen. Pablo rilde toen hij de inrit op liep. Toen hij het hek aan het einde bereikte, bleef hij even met zijn hand op de deurkruk staan om het verbleekte bordje te lezen: 330


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 331

Santhal-missieziekenhuis en -weeshuis, in 1968 gesticht door de Methodistenkerk van de synode van het district Bengalen (voorheen Methodist Missionary Society of Engeland). Medisch directeur: ds. dr. D. Ganguli Hij duwde het hek open en liep het rode onverharde pad af. Het was onlangs geveegd en ook al was de witkalk op het gebouw heel oud en vlekkerig door ontelbare natte moessons en waren verscheidene ruiten gebroken, toch zag het er niet desolaat uit. Iemand had het fruit van de papayabomen verzameld en er lag een grote berg op een laken naast het pad. Pablo liep de treden op en klopte aan. Maar er werd niet opengedaan en de deur was op slot. Hij boog zijn gezicht naar de stoffige ruit toe en zag een lange betegelde gang, die hem deed denken aan de school uit zijn jeugd. Aan weerszijden van de gang bevonden zich drie deuren, elk met een bordje erboven, maar die kon hij niet lezen. Pablo daalde de stoeptreden weer af en liep door een overwoekerde tuin om het gebouw heen naar het erf aan de achterkant. De kapel waar de oude man over had gesproken stond op enige afstand aan het einde van een pad dat werd omzoomd door rode bloempotten, waar niets in stond. Het was duidelijk dat de chowkidar achter in het gebouw woonde, waarschijnlijk in de voormalige keuken van het ziekenhuis. Pablo klopte aan. De man deed zelf open en kwam naar buiten toen hij Pablo zag staan, hij trok de deur achter zich dicht. Zonder iets te zeggen leidde hij Pablo in de richting van de kapel, weg van zijn privévertrekken, alsof hij zich ervoor schaamde, of misschien wilde hij niet dat Pablo zijn vrouw zag. Terwijl Pablo hem achterna liep, bedacht hij dat de man misschien meende dat hij was gekomen om te bidden. ‘Ik wil niet naar de kapel,’ zei Pablo plotseling in het Hindi. De chowkidar hield stil en keek om. Hij droeg een lang wit hemd en een dhoti, zijn bril met dikke glazen was met plakband gerepareerd. ‘Waarom bent u hier dan?’ vroeg hij. 331


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 332

Pablo liet hem het artikel over Meera zien. ‘Ik wil meer te weten komen over deze vrouw.’ De man pakte het met zijn gerimpelde vingers aan en hield het op een armlengte afstand. Daarna gaf hij het terug en zei: ‘Ja, zij is hier geweest. Ze kwam op het einde om bij haar zus te zijn.’ ‘Op het einde van wat?’ vroeg Pablo. De man staarde in de verte. ‘Ze kwam hier, net als alle anderen,’ zei hij. ‘Aan dit ziekenhuis was toen ook een weeshuis verbonden. Daarom was ze hier.’ ‘Juist ja,’ zei Pablo. ‘En toen?’ ‘Haar zus was hier al een poosje en toen kwam zij er op het laatst bij,’ ging de man voort. ‘En daarna zijn ze samen weggegaan.’ Pablo kon er geen touw aan vastknopen. Hij pakte zijn opschrijfboekje. ‘Weet u nog hoe ze heette?’ vroeg hij; de speurneus in hem wilde grondig te werk gaan en alles tweemaal controleren. De man leek heel erg lang over die vraag na te denken. ‘En?’ drong Pablo uiteindelijk aan. ‘Ik zal het aan mijn vrouw vragen,’ zei de man. ‘Zij werkte destijds samen met de verpleegsters. Zij zal het nog wel weten.’ De chowkidar liep over het pad terug naar zijn woongedeelte en Pablo volgde hem, in verwarring gebracht. Hij wachtte terwijl de chowkidar het gebouw in ging om zijn vrouw te halen, en toen zij naar buiten kwam en Pablo zag dat ze traag, reumatisch en verlegen was, en een met grote bloemen bedrukte sari van versleten katoen droeg, glimlachte hij haar zo vriendelijk mogelijk toe en overhandigde haar het knipsel. Ze wierp er amper een blik op en gaf het meteen terug. ‘Haar naam weet ik niet meer,’ zei ze, ‘maar haar zus, die hier als eerste kwam, die heette Leela. Zij bleef langer dan de andere en wij vonden haar de aardigste van de twee. Het was hier toen erg druk, maar Leela zullen we nooit vergeten.’ ‘Weet u het zeker?’ wilde Pablo weten. ‘Ja,’ zei ze. ‘Leela.’ Na een ogenblik vroeg ze: ‘Gaat het goed met haar? Of is haar iets overkomen?’ 332


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 333

‘Nee,’ zei Pablo, ‘het gaat goed met haar.’ Hij drukte een biljet van honderd roepie in de hand van haar echtgenoot. ‘Ik zou graag het ziekenhuis van binnen willen zien. Kan dat?’ De man aarzelde even, maar nadat hij het bankbiljet had gevoeld liet hij het in een plooi van zijn kleding verdwijnen en zonder een woord te zeggen leidden de man en de vrouw Pablo onder een grote neemboom door om het ziekenhuisje heen naar de voorkant, de stoep op naar de deur, waar de man ergens een sleutel vandaan pakte, die hij in het slot wurmde. De deur ging open en Pablo stapte achter hen aan naar binnen. ‘Een paar jaar geleden hebben ze de meubels en de apparatuur meegenomen naar het ziekenhuis in Bankura,’ zei de man terwijl Pablo om zich heen keek in het schemerige gebouw met de spinnenwebben en de kapotte stoelen, die achter in de gang op een hoop waren gesmeten. Hij probeerde zich het schoon, zonnig, vol bedrijvige artsen en christelijke verpleegsters met gesteven witte kapjes voor te stellen. ‘Waar sliep Leela?’ riep Pablo de chowkidar achterna. De oude man hield stil bij een van de deuren die uitkwamen op de gang. ‘Ze legden de baby’s op de kinderafdeling,’ zei hij. ‘Maar de ongehuwde moeders,’ zei zijn vrouw, ‘hadden een slaapzaal boven, totdat ze gingen bevallen.’ Ze wees naar het bordje boven de deur en Pablo zag het woord Kraamafdeling staan. De chowkidar duwde de deur open en Pablo en de vrouw volgden hem een grote lege zaal in. ‘Hier stonden dertig bedden,’ zei de man. ‘Mijn vrouw hield samen met een andere vrouw alles schoon.’ Ze liepen de zaal door en hun voetstappen lieten afdrukken in het stof achter. Toen ze het hoge raam in de achterwand bereikten, keek Pablo omhoog en zag door de ruit de takken van de neemboom in de tuin. De man draaide zich naar hem om en zei: ‘We hadden hier een heel goede dokter, een christelijke geestelijke, die alle locale vrouwen hielp bevallen. Leela’s zus kreeg een jongetje...’ 333


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 334

‘Kwam ze hier om te bevallen?’ onderbrak Pablo hem. ‘Ja,’ zei de man, en hij en zijn vrouw keken Pablo verrast aan. ‘Daarom waren ze hier.’ ‘Dat wist ik niet,’ zei Pablo, die zich erg dom voelde. ‘Zij kreeg een jongetje,’ hervatte de vrouw. ‘Een tweeling,’ zei Pablo op stellige toon, ‘een jongen en een meisje.’ ‘Nee,’ zei de vrouw. ‘De zus kreeg een jongetje. Leela kreeg een meisje.’ Pablo keek hen beurtelings aan. ‘Heeft Leela een baby gekregen?’ ‘Een heel mooi kindje,’ zei haar man. Hij keek even naar zijn vrouw en toen weer naar Pablo. ‘Een prachtig klein meisje.’ ‘Maar Leela bleef hier alleen achter,’ maakte zijn vrouw het verhaal gretig af, ‘en haar zus nam allebei de kinderen mee naar Delhi.’ De riksjachauffeur reed Pablo in stilte terug over de weg van Bolpur. Op het treinstation gaf Pablo hem een royale fooi en kocht hij een kaartje naar Calcutta. Hij ging op het perron zitten, waar een rij mannen met ketels melk en potten instantkoffie voorbijkwamen en vroegen: ‘Kofe?’ ‘Kabe?’ ‘Cha?’ ‘Shonpapri?’ ‘Een donatie voor de bloedziekte Thalassemie?’ Terwijl de trein naar Calcutta terug pendelde, sloeg Pablo alles af. Hij zag niet dat de dikke man uit het café een paar zitplaatsen bij hem vandaan zat en hem met een zekere voldoening opnam. Hij staarde uit het raam en de venters begrepen dat ze hem konden overslaan, deze man met zijn lege blik tot wie niets scheen door te dringen. In werkelijkheid namen Pablo’s ogen elk detail op van het landschap dat ze passeerden: de keurige heldergele en bruine lapjes grond, een ontkleed beeld van de godin Durga dat aan haar lot was overgelaten na haar recente naamdag – haar sari, versierselen en zelfs de klei waren allemaal weggewassen gedurende de heilige onderdompeling en nu restte er slechts een kaal figuur van stro, met een spies die haar op haar vahana, de leeuw, hield. Toen de trein 334


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 335

een opgedroogde rivierbedding kruiste, zag hij in het zand de pootafdrukjes van duizenden naamloze vogels. De schaduwen lengden, de trein naderde Calcutta, en op de velden zag hij mannen met witte hoofddeksels zich in gebed vooroverbuigen. En de hele tijd speelde er als een bezwering één gedachte door Pablo’s hoofd: Bharati is het kind van Leela.

335


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 336

10 Urvashi merkte dat Aisha was verdwenen zodra ze beneden kwam voor het ontbijt. De logeerkamer was leeg. Ze zou wel in allerijl zijn vertrokken om met haar moeder trouwkleding te gaan kopen, dacht Urvashi. Ze zou toch niet de trein naar Bihar hebben genomen zonder afscheid te nemen. De rest van de morgen bleef Urvashi thuis wachten. Het was de dag voor Divali, een feestdag, en ze vond het lastig om die in haar eentje door te brengen, en toen Feroze belde wilde hij geen commentaar leveren op de situatie. Urvashi vatte zijn zwijgen op alsof hij haar de voor de hand liggende verwijten had gemaakt: dat zij zich niet moest bemoeien met het leven van haar bedienden, dat ze niet had mogen ingrijpen, dat ze een burgermeisje was dat niets begreep van maatschappelijke verhoudingen en alleen maar alles in de war schopte. Terwijl ze in haar eentje thuiszat, drong het tot Urvashi door dat ze niet eens wist waar Aisha woonde. Urvashi woonde al bijna een jaar in deze wijk, maar ze was nog steeds bang voor de basti, net als de meeste andere inwoners van Nizamuddin West. Feroze had haar er een keer mee naartoe genomen en de dingen die ze er had gezien en geroken – de rook die opwalmde uit de kebabstalletjes, het samengeklitte haar van een bedelaarster, de sluwe blikken van de moslimwinkeliers met hun baarden en witte hoofddeksels, de misselijkmakend zoetige geur die uit een halalparfumwinkel tegenover het restaurant wolkte – hadden haar met walging vervuld. Tot op de dag van vandaag had ze zich niet in de achterbuurten gewaagd waar haar bedienden woonden. 336


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 337

Maar ’s middags liep Urvashi naar boven, ze trok een eenvoudige salwar kameez en platte schoenen aan en wikkelde haar vastberadenheid om zich heen als een grote dupatta. Aisha’s tante, Humayuns moeder, wist misschien wel waar Aisha woonde. Humayun had Urvashi de kleermakerij van zijn moeder eens aangewezen toen ze over Lohdi Road reden. Die bevond zich in de straat achter de tombe en Urvashi liep langzaam, via het chiquere deel van de wijk, naar de buurt waar de familie van Humayun en Aisha woonde. Ze kwam voorbij het politiebureau waar ze Aisha twee dagen eerder naartoe had gebracht en liep snel door de straten naar de tombe toe, langs een rij verminkte bedelaars voor de moskee en een koranschool. Op het plein voor de tombe waren de stoepen voor de eettentjes bezaaid met afval en de goten zaten vol met smerige vleessappen, bloed en modder. Urvashi rook iets weeïgs en vettigs. Ze vroeg de weg aan de eigenaar van een fruitstalletje en hij riep een jongetje, zijn zoon, die hij opdroeg haar naar een steegje te brengen waar stalletjes met bloemen, snoepjes en religieuze teksten stonden. Venters van vijf-roepie-maaltijden voor de armen riepen haar na toen ze langsliep. Ze bukte zich achter de jongen aan onder een boog door, een nog smaller straatje in. Ze kwamen langs een herenkapper, een put en weer een moskee. Vanuit een deuropening blaatten twee dikke schapen naar haar. Urvashi was het spoor bijster tegen de tijd dat ze aankwamen bij het kleine naaiatelier van Humayuns moeder. Toen Raziya zich ervan had vergewist dat Urvashi ook niet wist waar Humayun en Aisha uithingen, weigerde ze nog een woord te zeggen. ‘Heeft u niet al genoeg ellende veroorzaakt door dit onder uw eigen dak te laten gebeuren?’ vroeg ze. ‘Waarom heeft u mij niet verteld dat dit meisje voor u werkte? Ik zou mijn zoon nooit in haar buurt hebben laten werken.’ ‘Ik moet weten waar Aisha woont,’ zei Urvashi tegen de jongen, nadat ze door Raziya was afgepoeierd. Ze liepen terug en onderweg stopte hij bij een slagerij om ernaar te vragen. Er zat bloed op de broek van de slager: hij had net een schaap aan haken 337


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 338

gehangen en sneed met een mes de buik open. De ingewanden vielen op de vloer. ‘Aisha, de dochter van Tabasum?’ zei hij, terwijl hij het hart, de lever en de longen uitsneed en in een schaal liet vallen. ‘Die wonen hier niet meer, die zijn al lang geleden naar de nala verhuisd.’ Hij wees naar buiten, naar het kabariwallah-park, waar kinderen plasticafval sorteerden, en legde iets uit aan het joch. Urvashi en de jongen liepen voorzichtig over de modderige straat langs verscheidene verkoolde huizen. Ze voelde de armoede en de stank van deze wijk in haar haren trekken en op haar huid vastkleven. Het met afval bezaaide braakliggende land lag achter de bastimuur en nu kon ze het open riool ook ruiken. De jongen wenkte haar ongeduldig en wees naar een opening. Toen Urvashi die bereikte, stokte haar adem bij het zien van het tafereel voor haar. De stank was overweldigend. In de rommel langs het riool wroette een groot zwart varken met een stel biggetjes. De jongen wees naar de betonnen voetgangersbrug die vanaf de helling naar de overkant leidde. ‘De slager zegt dat ze tegenwoordig op de begraafplaats woont,’ zei hij. ‘Daar kunt u ze zoeken, maar ik moet nu gaan.’ Nadat de jongen weg was, bleef Urvashi aan de rand van dit landschap staan en keek naar het varken dat door het rioolwater waadde. Ze overwoog om naar huis te gaan, maar dan zou ze haar verantwoordelijkheid voor Aisha verzaken. Dus sloeg ze haar hoofddoek voor haar gezicht om de stank buiten te sluiten en ze liep het pad af, stak de vlakte met uitwerpselen en troep over, wandelde over de brug en beklom de oever aan de overkant. Ze kon het niet aan om alleen de begraafplaats op te gaan. Omdat ze hoopte iemand te vinden die haar de weg kon wijzen, liep ze naar de hutjes van flapperende repen plastic toe. Nors kijkende moeders kookten op vuurtjes van afval, smoezelige kindjes speelden blootsvoets in het stof. ‘Heeft iemand Tabasum en haar dochter Aisha misschien gezien?’ vroeg Urvashi behoedzaam. Geen van de ouders gaf antwoord, maar een stel vieze kleine kinderen rende met uitgestoken handjes naar haar toe en bedelde 338


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 339

om geld. Urvashi weigerde en liep door. ‘Waar is Tabasum en haar dochter Aisha?’ vroeg ze. Nog steeds gaf er niemand antwoord. ‘Alstublieft? Kan iemand het mij zeggen?’ Ten slotte keek er een man op: ‘We kennen niemand hier die zo heet,’ zei hij. ‘Waar is de ingang van de begraafplaats?’ vroeg Urvashi, die doodsangsten uitstond bij de gedachte dat ze daar alleen naartoe zou moeten. ‘De ingang is daar,’ zei hij, zonder aan te bieden om mee te lopen. Urvashi wandelde voorzichtig langs de muur van de begraafplaats in de richting die hij had aangewezen, tot ze het groene ijzeren hek zag. Er kwam juist een jonge moslimman met een vlasbaardje naar buiten. ‘Waar wonen Tabasum en haar dochter Aisha?’ vroeg Urvashi aan hem. De man keek haar verbaasd aan en nam haar fijne sjaal en glanzende haren in zich op. Urvashi drukte haar handtasje onder haar pashmina tegen haar lichaam aan. ‘Daar,’ zei hij. ‘Naast de hut van de bewaker. Ik kom er net vandaan. Waarvan kent u Tabasum?’ ‘Haar dochter werkt bij mij in huis,’ zei Urvashi. ‘Bent u mevrouw Ahmed?’ Urvashi knikte. ‘Ik ben op zoek naar Aisha.’ ‘Aisha is weg.’ ‘Waar is ze naartoe?’ ‘Humayun en zij zijn allebei weg,’ zei de man. ‘Ze zijn er waarschijnlijk samen vandoor gegaan.’ ‘Wie bent u?’ ‘De neef van Humayun, Iqbal. Salaam aleikum.’ ‘Waleikum salaam.’ ‘Komt u maar mee, ik zal u erheen brengen.’ Ze volgde hem over de begraafplaats en hij wees naar een witgekalkte muur, die op een heuveltje stond. Er zat een opening in en daarbinnen zag Urvashi een huisje van bakstenen met een tent ertegenaan. Daarnaast was een vuurplaats. ‘Aisha en haar moeder slapen in die tent,’ vertelde de man en hij hurkte naast het vuur. 339


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 340

Hij wees naar een bundel kleren en een pan, die in een nis in de muur stond. Achter op het ommuurde lapje grond stond een washok en aan een waslijn hingen kleren te drogen. Maar de vrouw van de oude chowkidar kwam haar huisje uit om hen weg te jagen. ‘Wat moet jij hier weer?’ zei ze tegen Iqbal en trok haar sjaal over haar hoofd. ‘Je weet toch dat we in purdah leven? Straks wordt mijn man boos.’ ‘Het spijt me, tante,’ zei hij en hij ging uit het zicht naast de opening staan. ‘Dit is mevrouw Ahmed, de bazin van haar dochter,’ riep hij naar haar. ‘Als ze terugkomt,’ zei Urvashi tegen de oude dame, ‘wilt u haar dan vragen om naar mij toe te komen? Ze weet waar ik woon. Ik heb het niet goed begrepen. Ik wil haar helpen.’ Ze trok het hek achter zich dicht en daalde de helling af naar de plek waar Iqbal wachtte. Ze kon bijna niet geloven dat haar dienstmeisje hier al die tijd had gewoond, op deze begraafplaats, en elke dag dat helse riool was overgestoken. ‘Ik wil ze helpen,’ herhaalde ze. Hij knikte. ‘Natuurlijk,’ zei hij en zijn stem klonk hees van emotie en ze besefte hoe jong, maar ook hoe ernstig hij was. ‘U kunt ze helpen door ze werk te geven als ze terugkeren naar Delhi. Maar dat is nu lastig voor ze. Zijn moeder is boos. Wees geduldig. Het is Allahs wil en Hij doet wat Hij wil. Nu kunnen we beter gaan.’ Iqbal en Urvashi liepen zwijgend terug over de begraafplaats, staken het riool over en kwamen weer op de weg uit. ‘Tot ziens, mevrouw Ahmed,’ zei hij toen ze de hutjes van de kabariwallahs op de hoek bereikten, en daarna zei hij iets in het Arabisch dat ingewikkeld en onbegrepen in Urvashi’s oor resoneerde. Ze liep naar huis. Haar hersens werkten traag, alsof ze gestold waren. Toen ze thuiskwam, trok ze haar kleren uit en weekte ze in water met zeeppoeder om de geur van de nala eruit te verdrijven. Wat ze vandaag had gezien had haar geschokt, en toen Feroze die avond haar kookkunsten prees, zweeg Urvashi. Ze dacht eraan hoe onnadenkend ze was geweest dat ze niet had geïnformeerd 340


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 341

waar Aisha en haar moeder woonden, dat ze niets had geweten van hun beproevingen. ‘Is er iets, Uzma?’ vroeg hij ten slotte. ‘Weet jij wat dna precies is?’ wilde ze weten. ‘Ja,’ zei hij verbaasd. ‘Het is de materie in onze cellen die onze genen bevatten, waarin onze erfelijke gegevens zijn vastgelegd.’ ‘Maar waar wordt het voor gebruikt?’ ‘Het vertelt ons hoe een mens is opgebouwd. Wetenschappers kunnen bepaalde ziektes aflezen uit onze genen. Het wordt gebruikt om aan te tonen wie de ouder is van een kind.’ ‘Maar waar gebruikt de politie het voor?’ ‘Menselijk weefsel dat wordt aangetroffen op een plaats delict kan worden geanalyseerd en de verdachte kan worden getest, en als de twee overeenkomen weet de politie wie de dader is.’ ‘Voor welke misdaden?’ ‘Moord, diefstal, verkrachting. Je zou het eens aan Sunita’s man moeten vragen, hij is toch geneticus?’ ‘O ja? Ik zou het niet weten.’ Feroze overpeinsde dat deze esoterische en mystieke tak van wetenschap weliswaar even grondig in het publieke bewustzijn was opgenomen als sharbat-siroop die door een glas water is geroerd, maar dat zelfs zijn eigen vrouw er niet veel van snapte. Toen hij naar boven liep om naar bed te gaan dacht hij: Nu Sunita in Nizamuddin woont, moeten we de kloof in de familie overbruggen. Hij stak zijn hand uit en liet die zachtjes rusten op de gespannen buik van zijn vrouw en hij voelde zich getroost door het leven dat in haar groeide.

341


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 342

11 Na zijn ruzie met Leela op de avond van het huwelijk had Hari zijn auto gepakt en was hij zo ver door de stad gereden als mogelijk was. Maar dat was niet ver genoeg. Hij wilde nog voorbij de stadsgrenzen, naar de wildernis, de bergen, een rivier – het maakte niet uit wat het was, als het maar een stuk ongerepte natuur was. Maar het was nacht en hij kon niets zien en trouwens, ook bij daglicht viel er in de omgeving van Delhi op dat gebied niets meer te vinden. Zijn koplampen verlichtten de stoffige weg voor hem en het enige wat hij zag waren kale stukken land en grote nederzettingen van tenten en mensen – het lukte hem niet om geen mensen te zien – steeds meer mensen, waar hij ook keek, ze sjokten door het stof of sliepen in de vuiligheid of hurkten naast de weg en staarden doelloos in de verte. Uiteindelijk zette hij de auto naast een benzinestation neer op het leegste stuk weg dat hij kon vinden en bleef in het donker zitten. Hij belde naar huis voordat hij weer terugreed, maar er werd niet opgenomen. Een uur later, toen hij in de buurt van Connaught Place kwam, probeerde hij Leela nog eens te bereiken, maar weer kreeg hij geen gehoor. En toen keerde de woede die onder het rijden was weggeëbd terug, en in plaats van Kasturba Gandhi Marg in te rijden reed hij naar Janpath, stuurde het terrein van het Imperial Hotel op en vroeg daar om een kamer en een fles whisky. Hij nam de fles mee naar boven, naar zijn kamer, waar hij bewegingloos op een stoel voor het raam bleef zitten staren naar de boeketten witte, zwaar geurende tuberozen die een personeelslid in gekleurde, glazen vazen had geschikt en die 342


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 343

hem zo sterk aan Leela deden denken. Hij wilde niet naar huis, althans niet als zij er niet was om berouw te tonen en hem te kalmeren. Toen hij daar zo zat dacht hij onwillekeurig terug aan de afgelopen zaterdagavond, toen ze terugkwam van een uitstapje en met een glimlach tegen hem had gezegd: ‘De hele stad ruikt naar raat-ki-rani-bloesem, heb je het ook geroken?’ En hij had bij zichzelf gedacht: Slimme Hari, mijn koningin van de nacht schiet eindelijk wortel, ze komt thuis. Hij pakte de fles whisky, schonk zichzelf een glas in en herinnerde zich weer hoe hardvochtig hij Leela had toegesproken toen ze van de bruiloft terugkwamen. Gedurende hun hele huwelijk was hij nog nooit zo tegen haar uitgevaren. Het leek wel of ze ineen was gekrompen van angst, maar misschien had ze zich bewust klein gemaakt en van hem teruggetrokken. Omdat hij een wellevende man was, had hij haar nooit in detail naar haar familie gevraagd. Hij wist dat het verleden pijnlijk voor haar was en hij had haar stilzwijgen gerespecteerd en haar voorgeschiedenis zelfs onbelangrijk gevonden. Hij dronk zijn glas leeg en schonk er nog een in, en nu sprongen er tranen van zelfmedelijden in zijn ogen. Wat hield ze voor hem achter? Hij huilde om zijn onnozelheid, om de kinderen die ze nooit samen hadden gekregen, om zijn koppigheid, dat hij haar per se terug mee had willen nemen naar India, om alles wat ze hem nooit had verteld. Hij keek op en zag zijn weerspiegeling in het raam: een kleine man, kaal, met wallen onder zijn ogen. Alsjeblieft, blijf bij me, smeekte hij opeens, alsof hij zich richtte tot de stad, de hemel, de goden. Hij voelde paniek opkomen. Blijf alsjeblieft bij me, Leela, zei hij en hij drukte zijn vingers tegen zijn gezicht. En Hari, die altijd rechtstreeks tegen Ganesh had gesproken, omdat die god zijn zakelijke transacties had geleid, de keuze voor een echtgenote, zijn verhuizing naar New York en zijn terugkeer naar Delhi, smeekte hem nu: Breng Leela bij mij terug. Zorg dat ze niet weggaat. De volgende ochtend na het ontbijt – toen tot hem was door343


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 344

gedrongen dat ze negen uren gescheiden hadden doorgebracht en dat het de afgrijselijkste uren van zijn leven waren geweest – ging hij een wandelingetje maken door Connaught Place. Hij wilde haar niet weer opbellen, hij wilde haar niet achtervolgen, maar hij hoopte dat zij zou bellen of dat hij haar tegenkwam. Hij zag vrouwen met hun echtgenoten langslopen, de jongeren in onberispelijk gestreken, kleurige katoenen blouses, de getrouwden in elegante nieuwe sari’s ter ere van Divali. Hij ging op een bankje zitten in een lawaaierige ijssalon vol met jongeren en lepelde langzaam een mango-kulfi op, en keek om zich heen. Hij vroeg zich af of hij ooit zoiets simpels en prettigs had gedaan met Leela. Hij zou haar graag meenemen naar een snoepwinkel, zoals ze die kende uit haar jeugd in Calcutta, om chumchum met rozensmaak voor haar te kopen en kulfi met stukjes pistachenoot, en haar te kleden in elegante katoenen stoffen en haar nek te kussen, precies onder haar golvende, geurende haren. Herinneringen aan die eerste dagen van hun huwelijk borrelden in hem op. In zijn onschuld van nieuwbakken echtgenoot had zij hem doen denken aan een vrouw uit de heldendichten, uit een wonderlijk, pre-industrieel tijdperk. Hij zag haar golvende haren en langgerekte ogen als reproducties van een leven van wel duizend jaar geleden. Ze bedreef de liefde, zo vleide hij zichzelf, met diezelfde mythische ongeremdheid. Ze wrong zich voor hem in elke mogelijke pose; haar houding had iets goddelijks. Maar er wilde niets in haar baarmoeder ontluiken. ’s Middags, toen hij de scheiding niet langer volhield, belde hij haar en zei dat hij eraan kwam. Ze wachtte op hem toen hij thuiskwam. Tot op de laatste seconde – tot hij ten slotte als vanzelf het tuinpad op liep naar zijn voordeur – had Hari geaarzeld of hij wel naar huis zou gaan en het ultimatum zou uitvoeren dat hij had gesteld. Hij wist niet zeker of hij wel in staat was om voet bij stuk te houden. Maar hij stak de sleutel in het slot en duwde de deur open – en daar was ze, ze stond aan het einde van de gang, op de veranda, op hem te wachten. Ze friemelde zenuwachtig met haar 344


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 345

pakje sigaretten en hij wist dat ze iets ging vertellen dat hen beiden zou schokken, en hij wist niet of hij dat kon verdragen. Maar hij kreeg niet de tijd om haar de mond te snoeren. ‘Voordat we trouwden, heb ik een kind gekregen.’ Ze sprak al voordat hij goed en wel binnen was. Er volgde een lange stilte, waarin hij niets anders hoorde dan het bloed dat in zijn slapen bonsde. ‘Wie was de vader?’ Ze gaf geen antwoord. ‘Wie?’ herhaalde hij. Hij trok de deur dicht en liep naar haar toe. ‘Vyasa.’ Hij kon niet voorkomen dat zijn adem stokte. ‘Ved Vyasa Chaturvedi?’ Het nieuws was zo vreselijk, dat hij met zijn mond vol tanden stond. De enige vraag die hij kon bedenken was: ‘Leeft het kind nog?’ ‘Ja. Het is Bharati, zijn dochter.’ Hij liet een lange jammerklacht ontsnappen. ‘Hari?’ ‘Waarom heb je me dat niet eerder verteld?’ ‘Ik wilde...’ Ze zweeg even. ‘Ik wilde je niet verraden.’ Ved Vyasa Chaturvedi. Het was nog erger dan hij zich had voorgesteld. Hij keek naar haar – haar lieftallige gezicht oogde prachtig berouwvol – en hij voelde de haat in zich opwellen. ‘Hoe heb je zoiets voor me verborgen kunnen houden? En ik dacht... ik dacht... dat je geen kinderen kon krijgen... Heb je me daarover ook voorgelogen?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Maar in het begin wilde ik er geen.’ ‘Leugenares!’ schreeuwde hij met gebalde vuisten. ‘En dat kind. Daar dacht je natuurlijk de hele tijd aan. Al die jaren. Wanneer is ze geboren?’ ‘In november 1979.’ ‘Dus ze is jarig... wanneer? Vandaag?’ ‘Over drie dagen.’ 345


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 346

Hij ging op de treden van de veranda zitten en liet zijn hoofd in zijn handen rusten. ‘Zo lang.’ Hij keek op. ‘Waarom?’ ‘Ik heb het tegen niemand gezegd.’ ‘Vyasa?’ ‘Nee. Hij denkt dat ze Meera’s kind is.’ ‘Je vader?’ ‘Ja.’ ‘Je zus?’ ‘Ja.’ ‘Je dochter?’ ‘Jij bent de eerste in twintig jaar aan wie ik het vertel.’ ‘Je hebt een kind gebaard!’ ‘Ja.’ ‘En toen?’ ‘En toen ben ik naar Delhi gegaan en heb ik jou ontmoet.’ Hij stond op en ijsbeerde over de veranda. Hij bleef staan en keek haar aan, zijn mooie, volmaakte modelvrouw. Toen de schemering inviel, begon Hari van alles te vragen. Hij stelde kwetsende, schadelijke vragen, waarop hij in feite geen antwoord hoefde te hebben, maar hij kon ze niet inhouden en zij zat daar maar, met gebogen hoofd, en beantwoordde ze zo getrouw mogelijk. Ze vertelde hem dat ze van meet af aan Vyasa’s goedkope versiertrucjes had doorzien en dat ze walgde van de verhalen die hij Meera opdiste; dat Vyasa had opgeschept dat hij overal in India had gewoond, dat hij in Oxford had gestudeerd, dat hij drank en drugs had uitgeprobeerd, dat hij naar Bengalen was gekomen als iemand die alles van de wereld had gezien. Hij had Darwin en Descartes geciteerd, Kalidasa en de Kamasutra; hij had overal theorieën over, van het kolonialisme tot aan de economie en de seksuele emancipatie van de vrouw. Hij had revoluties uitgevochten op afgelegen plaatsen, zei hij, en zijn littekens, die als bloemen over zijn huid waren verspreid, staafden dat. Meera dronk zijn verhalen in alsof het goddelijke openbaringen waren. Algauw praatte ze ’s nachts tegen Leela (met haar hand in die van 346


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 347

Leela, haar lippen tegen Leela’s wang) over de oude, foute gedragscodes van de bourgeoisie, ze verheerlijkte het idee van gedeeld bezit en vocht de ethische normen en waarden aan waarmee ze waren opgevoed. ‘Kijk eens naar de matriarchale clans in Zuid-India,’ zei Meera warrig, terwijl ze min of meer de woorden van Vyasa herhaalde, ‘kijk eens hoe we vroeger leefden. Waarom hebben we deze koloniale constructie overgenomen, dit monogame twee-ouder-gezin? Onze lichamen en onze seksuele vrijheden zijn aan banden gelegd door het keurslijf van de missionarissen van onze koloniale overheersers!’ ‘Wacht eens,’ onderbrak Hari haar. ‘Wilde je zus dat jij met haar vriendje naar bed ging?’ Leela haalde haar schouders op. ‘Dat zei ze.’ Eerst weigerde Leela, vertelde ze, en Meera reageerde als een afgewezen minnares, ze pruilde, deed vervelend en zei de hele tijd gemene dingen tegen Leela. Leela leed onder de verandering die haar zus had ondergaan. Maar ze dacht dat ze daar iets aan kon doen. Ze had de keus om toe te kijken hoe Meera wegliep met deze man die haar misleidde óf ze kon haar wakker schudden en instemmen met de ontmoeting die Meera en Vyasa allebei zo graag wilden. Per slot van rekening ging het alleen maar om haar lijf. Niet om haar hoofd, noch haar hart. En zo kwam het dat Leela Vyasa toestond om haar op een heldere februaridag, zo’n dag waarop de natte aarde aarzelend naar lente begint te geuren, aan te raken en te kussen, en de katoenen sari van haar af te wikkelen die Meera’s moeder haar had gegeven. En toen het achter de rug was, merkte ze... ‘Wat?’ vroeg Hari, zijn hoofd bonsde van haat voor die vent, Vyasa. ‘Dat Meera dit eigenlijk toch niet had gewild.’ Tot op dat moment had ze zich slim gevoeld, zei Leela. Ze had gedacht dat ze door hierin toe te stemmen Meera zou laten inzien wat voor een soort man die Vyasa was. Nu voelde ze zich helemaal niet slim meer; ze zag in dat Vyasa de enige was die hiervan had geprofiteerd, dat zij de dupe was en dat Meera zich verraden 347


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 348

voelde – en vanaf dat moment jaloers zou zijn op de zus van wie ze had gehouden. Er was iets misgegaan. Spoedig daarna vertrok Meera uit hun gezamenlijke kamer en ging ze aan de rand van de campus onder één dak wonen met Vyasa. Leela hoorde dat haar zus in verwachting was. Aan het einde van het semester vertrokken Vyasa en Meera uit Calcutta, waar ze waren getrouwd, en reisden door naar Delhi, om daar te gaan wonen. Alleen achtergebleven in Santiniketan merkte Leela dat ze eveneens zwanger was. Ze wachtte een poosje af, wist niet precies wat haar te doen stond, en schreef toen haar vader. ‘Vond hij het niet erg?’ vroeg Hari, die een beeld probeerde te krijgen van de schoonvader die hij nooit had gekend. ‘Hij was een aardige, zachtmoedige man,’ zei Leela. ‘Hij hield van ons allebei.’ Haar vader schreef terug en stelde voor dat ze haar opleiding zou voortzetten totdat haar zwangerschap zichtbaar zou worden. Tot op dat moment moest ze hem elke week opbellen, zei hij, om hem te vertellen hoe het met haar ging, en tijdens een van die gesprekken, terwijl Leela in de telefooncel stond en vertelde hoe vreselijk misselijk ze was, stelde hij de vraag die ze toen nog niet kon beantwoorden. ‘Wat ga je met de baby doen?’ Leela had haar hoofd geschud en niet geantwoord. Ze wist het niet. ‘En wat heb je ermee gedaan?’ vroeg Hari. ‘Ik ging naar het missieziekenhuis vlak bij de universiteit. Dat deden alle meisjes in mijn positie. Ze gaven je onderdak om je schaamte te verbergen, ze hadden dokters om je kindje te halen en daarna namen ze het van je af, ze doopten het en brachten het naar hun weeshuis, en dan was je weer een vrij mens, klaar voor een nieuwe start...’ ‘Dus je was van plan om het kind weg te geven?’ Ze wierp hem een blik toe en wendde toen snel haar ogen af. In plaats van zijn vraag te beantwoorden, beschreef ze de rust die op haar neerdaalde in die periode in het ziekenhuis. Ze kon urenlang kijken naar de overtrekkende wolkjes in de lucht of naar een geel gestreepte eekhoorn die op en neer in en uit een boom klau348


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 349

terde of naar de zonneschijn die zich verplaatste over het grasveld. Na een poosje werd ze bang van haar eigen kalmte. Hari schoof ongemakkelijk heen en weer. Hij vond het een vreselijk verhaal, zeker door de manier waarop ze het uitspon en vertraagde. Maar hij wilde ook niet dat ze dingen oversloeg. Als ze te snel ging, eiste hij dat ze weer bij het begin begon en dat ze elk afschuwelijk detail vertelde dat er was voorgevallen. ‘Meera kwam begin november ook naar het missieziekenhuis toe. Ze had tegen Vyasa gezegd dat ze naar Calcutta ging om haar kind in haar ouderlijk huis geboren te laten worden. Maar toen ze thuiskwam vertelde mijn vader wat mij was overkomen. Tot op dat moment had ze het niet geweten. Daarom ging ze naar mij toe in Santiniketan.’ Hari zou nooit vergeten hoe Leela het ogenblik van hun hereniging beschreef: twee meisjes, spiegelbeelden, die langzaam naar elkaar toe liepen over de lange weg van de Santhal-missiepost, allebei met een enorm dikke buik. ‘En toen?’ vroeg hij. ‘En toen...’ begon Leela, en zweeg. En toen. Toen lagen Meera en zij twee nachten achtereen op bedden naast elkaar in de ziekenhuiszaal onder het hoge plafond, gekleed in identieke katoenen nachthemden, die door dezelfde handen in Calcutta waren genaaid, en voelden ze hun baby’s in zich bewegen. Leela lag daar in het halfduister te luisteren naar het gekreun van Meera en keek naar haar bleke, bijna lichtgevende gezicht met ogen die van pijn heen en weer schoten als neembladeren in de wind en terwijl ze met haar blik de verpleegsters volgde die door de zaal heen en weer beenden, steeg er gefluister uit haar op, een zangerige intonatie van lang-vergeten woorden uit haar dorp: maar voordat ze hun betekenis begreep, waren ze onder de brommende ventilator alweer verdwenen in de nacht. ‘Wat ik me het beste herinner,’ zei ze, ‘is dat ik opeens een angstaanjagende liefde in me voelde opkomen, een opwelling van liefde.’ Er volgde een lange stilte. Het was inmiddels te donker om el349


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 350

kaars gezicht te kunnen onderscheiden. ‘En wat verwacht je nu?’ wilde hij weten. ‘Denk je dat ze ooit jouw dochter zal zijn? Na al die tijd?’ Ze antwoordde op enigszins scherpe toon: ‘Is Ram werkelijk jouw zoon? Zal hij dat ooit zijn? Ziet hij zichzelf als jouw zoon of zie jij dat alleen maar zo omdat je graag een kind wilt?’ Hij begon te schreeuwen. Opnieuw haatte hij haar om deze ware, maar oneerlijke vergelijking. Hij noemde haar een hoer en een leugenaarster. Hij schreeuwde net zo lang tot hij hees was en zo uitgeput van zijn emoties dat hij op hun bed moest gaan liggen, en hij huilde tot hij weer gekalmeerd was. Later die nacht, toen ze uitgeput naast elkaar lagen, voelde hij de warmte van haar lichaam op de andere helft van het bed en hij merkte dat zich binnen in hem iets samenbalde – het was een onbekend, verstrakt gevoel. Was dat zijn hart? Hij zei in het donker: ‘Morgen moet je naar Bharati gaan om haar te vertellen dat jij haar moeder bent.’ Leela zweeg. Toen legde ze haar hand in de zijne. ‘En wij dan?’ ‘Jij begon over Ram,’ zei hij. ‘Ik heb een zoon in ons leven gehaald, waarom zou jij geen dochter kunnen binnenhalen?’ ‘Ik weet niet zeker of haar vader daar zo tegenaan zal kijken,’ zei Leela. ‘En wie ben ik om na al die tijd zomaar opeens haar leven op zijn kop te zetten? Ze maakt zo’n zelfbewuste indruk.’ ‘Misschien is ze niet zo zelfbewust als je denkt,’ zei Hari. ‘Stel je eens een leven voor zonder moeder...’ ‘Ik durf het niet, Hari. Ik durf het gewoon niet. Stel dat mijn verhaal iets met haar doet...’ ‘Wat dan?’ ‘Dat het haar verdrietig maakt. Dat ze zich tegen haar vader keert. Zoiets. Wie ben ik? Ze kent me helemaal niet.’ Tot zijn schaamte voelde Hari een vurige liefde voor de vrouw naast hem in zich opvlammen, deze vrouw, die strikt gezien een vreemde voor hem was.

350


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 351

Maar toen hij de volgende ochtend wakker werd en haar in foetushouding op haar zij naast hem zag liggen, voelde hij een slap en misselijk makend gevoel van onrechtvaardigheid. Een voor hem nieuw gevoel dat hij onrechtvaardig was behandeld. Zijn eega, over wie hij had opgeschept tegen zijn vrienden en kennissen: Ik zou aan haar verslaafd kunnen raken. Dat realiseerde Hari zich nu, terwijl er een koude rilling over zijn rug kroop. Had ze het maar gewoon gezegd, dan had ik tenminste tegen de mensen kunnen zeggen dat ik het altijd al had geweten, dat ze niets voor me had verzwegen en dat ik desondanks met haar was getrouwd. En toen hij op haar neerkeek voelde hij een sprankje medelijden opvonken met alles wat ze nu belichaamde.

351


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 352

12 Hij had in de trein naar Bombay geslapen met het geld en de sieraden in zijn armen, alsof hij een baby koesterde. Zij sliep naast hem. Ze hadden samen één slaapplaats: Aisha lag aan de binnenkant met haar gezicht tegen de muur gedrukt, Humayun aan de buitenkant, en hij schermde zowel haar als het geld af van de buitenwereld. De hele nacht door was hij telkens wakker geschrokken als er iemand langsliep of als de trein knarsend tot stilstand kwam op een plattelandsstation. Hij trok haar stevig tegen zich aan en toen ze ’s morgens opstonden om hun gezichten te wassen en thee te drinken, was zij verkwikt en gelukkig. Hij vond het fijn om haar zo te zien. Hijzelf, daarentegen, voelde de zorgen op zijn schouders landen als gieren die op een stuk vlees neerstreken. De hele dag reed de trein langzaam over het platteland door een monotoon open landschap van struikgewas, elektriciteitsmasten en dorpjes in de verte, slechts hier en daar onderbroken door een boom of pomp die in de hoek van een veld water op gorgelde, en zij keek als gebiologeerd naar buiten. ‘Wat is dat?’ vroeg ze, wijzend naar een bananenboom, of ‘Waar gaan ze naartoe?’ doelend op een gezin met kleine kinderen dat langs een hek liep, dat zich tot in het oneindige leek voort te zetten. ‘Waarom gaan we naar Bombay?’ fluisterde ze tegen hem toen de schemering inviel. ‘Omdat die trein nu eenmaal vertrok,’ verklaarde hij en nu pas begon haar weetgierigheid, die hij nog niet kende, hem te vermoeien. ‘We hadden gewoon geluk.’ Hij had een vreselijk ongemakkelijke nacht doorgebracht in het Hazrat Nizamuddinstation, nog beurs van het pak slaag dat de politie hem had gege352


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 353

ven, koud door de plotselinge temperatuurdaling en verdrietig omdat hij zijn moeder in de steek liet. Hij liet er op sarcastische toon op volgen: ‘Of was je soms liever naar jouw dorp, Bihar, gegaan?’ Ze kromp een beetje in elkaar en zei urenlang niets meer, totdat een vrouw in een groen-met-roze polyester sari aan boord klom met een mand vol waterkastanjes. Toen vroeg ze: ‘Waar haalt ze die vandaan, Humayun?’ Het landschap buiten werd steeds donkerder en uiteindelijk viel Aisha tot zijn opluchting naast hem in slaap. De trein reed de volgende morgen heel vroeg Bombay binnen. Hij had een enorme drukte verwacht op het station en had zich voorgesteld dat Aisha en hij zich aan elkaar zouden vastklampen terwijl de miljoenen stadsbewoners zich langs hen heen zouden dringen. Maar het was rustig op het station en ze volgden een oude man met een wit mutsje op, die Humayun speciaal had uitgezocht om de weg aan te vragen – hij was al oud, had een zwarte vlek op zijn voorhoofd en droeg om bijna elke vinger een ring van dof zilver en email. Ze liepen achter hem aan het perron af, een lage trap op, van waaraf de oude man naar de overkant van het station wees. ‘Neem daar de C-trein,’ zei hij. ‘Snap je dat?’ En Humayun knikte, ja, de C-trein. ‘Stap uit bij de derde halte,’ ging de oude man voort, ‘dat is Marine Lines. Dan loop je verder naar het oosten, langs Vardhman Chowk, Princess Street in. Daar is de Jama Masjid, naast de Zaveri-bazaar.’ Hij gaf nauwkeurige aanwijzingen en Humayun luisterde en probeerde de namen te onthouden van de straten en de markt die de beste moskee van Bombay omringden. De man schudde zijn hoofd toen hij wegliep. ‘Ze is te jong,’ zei hij met een knikje naar Aisha en hij herhaalde wat hij aan boord van de trein ook al had gezegd: ‘Je moet je tegenwoordig aan een heleboel regels houden.’ Humayun knikte weifelend, hij onderkende het probleem, maar hij wist ook dat de bruid altijd zestien jaar of jonger was, want iedereen wist dat dat de beste leeftijd was om een meisje te laten trouwen en bovendien waren de moslimwetten boven de wetten van India gesteld. Een of andere qazi zou 353


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 354

vast wel bereid zijn om hen te trouwen onder de wetten van de sharia. Hij drukte de tas met geld en sieraden tegen zich aan en probeerde het vastbesloten gevoel weer op te roepen dat hem zo ver van Delhi had gevoerd. De C-trein arriveerde, er zaten bijna geen passagiers in en Humayun en Aisha stapten aarzelend in en gingen naast elkaar zitten. ‘De lucht ruikt hier naar vis!’ zei ze toen ze het tweede station binnen reden. ‘Dat is de zee,’ zei hij stuurs, omdat hij de juiste halte niet wilde missen. ‘De zee!’ herhaalde ze en ze wees door de tralies voor het raam en vroeg: ‘Is dat de zee, Humayun?’ ‘Ja,’ zei hij en hij keek naar een grijzige watermassa, zonder te weten of het inderdaad de zee was of een meer of een rivier. Bij de derde halte liepen ze achter een paar andere passagiers aan het station uit over een smalle metalen brug naar de weg toe. Langs Princess Street stonden hoge gele en witte huizen voorzien van sierlijk beschilderde balkons. Aisha en Humayun liepen de weg door naar de moskee verderop. Hij was bezorgd, zij was opgewonden door de stad. ‘Zullen we vanavond vis eten, Humayun?’ fluisterde ze toen de zeebries de prikkelende smaak van zout en zeeleven op haar lippen blies. Hij gaf een kneepje in haar hand. Hij zou haar vis te eten geven, hij zou haar zoetigheden te eten geven, hij zou haar het beste geven dat Bombay te bieden had. Hij dwong zichzelf om deze beloftes de enorme, onverschillige stad in te schreeuwen, en de stad keek terug en lachte om zijn ambitie. Ze liepen zwijgend voort, zijn blik viel op een binnenplaats met standbeelden van dames in nauwsluitende kleren en op grote groene bomen met reusachtige, elkaar overlappende bladeren die stuk voor stuk even groot waren als zijn hoofd, en op de mensen die overal op de stoep lagen te slapen – maar in zijn hoofd was hij alleen maar bezig met de moskee die voor hen lag. Ten slotte zagen ze de witte minaretten links van de weg oprijzen en hij merkte dat hij iets strengers en indrukwekkenders had 354


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 355

verwacht, een moskee die was opgetrokken uit rood zandsteen en ingelegd met wit, zoals de Jama Masjid in Delhi, maar de grootste moskee van Bombay torende slechts met moeite uit boven de winkels en stalletjes aan haar voet. ‘Laten we eerst maar ontbijten,’ fluisterde hij omdat hij weer bang was en ze staken de straat over naar een eetsalon, waar ze een omelet en thee bestelden en glimlachend tegenover elkaar in een nis gingen zitten, terwijl hij probeerde niet over de toekomst te piekeren. Het eerste wat hem te doen stond was een qazi vinden die hen kon trouwen. Hij zat met zijn gezicht naar de weg en keek naar de voorbijgangers, hij nam hun kleding en hun manier van lopen en praten in zich op. Schoorvoetend stond hij zichzelf toe om blij te zijn met wat hij zag. Toen er een religieuze man voorbijliep, rende hij naar buiten, hield de man tegen en informeerde op eerbiedige toon: ‘Kunt u mij alstublieft zeggen wat de naam is van de qazi van de Jama Masjid?’ De man keek naar hem, naar zijn blauwe oog en zijn andere beurse plekken, en zei op strenge toon: ‘Dat moet je aan de beheerder vragen, hij zal een qazi voor je waarschuwen. Hij heeft een kantoor aan de rechterkant, de trap op na de bibliotheek.’ Toen Humayun terugkwam in de theesalon zag hij Aisha in eerste instantie niet zitten en er welde een blinde paniek in hem op. Maar ze bleek buiten zijn gezichtsveld, in elkaar gedoken tegen de muur. Hij schoof naast haar op de bank in de nis en drukte haar even tegen zich aan, zonder zich erom te bekommeren of iemand hen zag. ‘Verstop je nooit meer voor mij,’ zei hij zacht. ‘Maar jij was naar buiten...’ begon ze en hij suste haar. ‘Ik weet het, het is mijn schuld.’ Hij onderdrukte de plotse vlaag van woede en zei: ‘Ben je klaar? Laten we dan gaan.’ Hij leidde haar om de moskee heen naar de oostelijke ingang door een smalle, overdekte gang met onopvallende winkeltjes, zonder haar te kunnen vertellen over de heimwee die hij voelde naar zijn moeder, zijn thuis, zelfs naar de auto van mevrouw Ahmed, naar de plaats waar hij was opgegroeid. Wat had Aisha met hem gedaan, dat hij dit alles in de steek had gelaten, dat hij alle 355


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 356

oplettendheid had laten varen en naar Bombay was gegaan met dit berooide, vaderloze kind? Welke zwarte magie had ze op hem losgelaten? Hij zette alle onzekerheden van hun leven op dit moment op een rijtje: hoe moesten ze aan eten komen, waar zouden ze een slaapplek vinden, hoe kwamen ze aan werk? Waar was hij mee bezig, waarom verbond hij zich met een meisje met dit lot en deze reputatie? ‘Blijf achter me,’ zei hij op scherpe toon tegen Aisha toen ze bij de ingang aankwamen en, zij hield op met om zich heen kijken en sloeg haar ogen onderdanig neer. Hij zuchtte om zijn eigen wreedheid, trok zijn schoenen uit bij de ingang, liet haar prutsend met haar slippers achter en liep naar het enorme verzonken stenen reservoir waarboven de moskee was opgetrokken. Toen hij bij de traptreden aankwam, draaide hij zich om naar haar nietige figuurtje, ze had haar hoofddoek over haar haren getrokken en ze leek zo hulpeloos en kwetsbaar op deze reusachtige, gewijde plek dat zijn liefde in één klap terugkeerde. Hij voelde die terugstromen en de ruimte innemen die zojuist nog met verwijten gevuld was geweest. ‘Voel je hoe koud het hierbinnen is?’ zei hij toen ze bij hem was. Ze liepen meteen door naar het water en spoelden rillend van de kou hun gezichten af en haalden hun vingers door hun haren. Ze zaten vol verwondering op een tree van ruwe grijze steen te kijken naar de donkere waterpoel waarin echte vissen zwommen, toen ze een boze kreet hoorden en een jongeman die zijn bovenlip op dezelfde manier had geschoren als Humayuns neef naar hen gebaarde vanuit het gangpad: ‘Op dit uur is het hier verboden voor vrouwen.’ ‘Maar we zijn hier gekomen om te trouwen,’ antwoordde Humayun beledigd. ‘In dat geval,’ antwoordde de man na een kort ogenblik, ‘moet je op de nazir wachten. Die komt pas om tien uur.’ Hij wees naar een langgerekt wit kantoorgebouw. ‘Wacht daar maar op hem.’ Tegen de tijd dat de beheerder arriveerde wachtte er een grote groep mannen – ze waren ouder dan Humayun en bijdehanter – 356


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 357

en ook al was hij de eerste geweest, toch moest hij eindeloos wachten. Iedereen deed geïrriteerd en schijnheilig, en niemand wilde dat hij aan de beurt kwam. Na enkele uren kwam de man met de geschoren lip de wachtruimte binnen en toen hij hem zag zitten, vroeg hij: ‘Heeft hij jou nog niet ontvangen?’ Hij bracht Humayun persoonlijk naar het kantoor van de beheerder en stelde hem voor aan de man achter het bureau. Er waren ook nog drie andere mannen in de kamer, allemaal ernstig kijkende ouderen, en ze luisterden toen Humayun de situatie uitlegde, maar alleen de nazir voerde het woord. ‘Waar is de voogd van het meisje?’ ‘Haar vader is gestorven,’ zei Humayun, wat de eerste leugen was. Niemand wist waar Aisha’s vader was. ‘En haar moeder?’ vroeg de nazir. ‘Zij is te ziek om van Delhi hierheen te reizen,’ zei Humayun. ‘Wij zijn arme mensen. Het is te duur om haar hierheen te halen.’ ‘En waarom zijn jullie uit Delhi hiernaartoe gekomen om te trouwen?’ Weer loog Humayun, hij zei dat hij hier was gekomen om te werken, hij was chauffeur van beroep en hij had meer kansen op werk in een stad als Bombay. Maar ze geloofden hem niet, want waarom zou iemand zijn geboorteplaats verlaten juist in de verheven en prachtige periode rondom het huwelijk wanneer de hele gemeenschap samenkomt om het te vieren? Ze vroegen hem naar zijn eigen familie en waarom zijn moeder en ooms geen huwelijk voor hem hadden gearrangeerd, en wanneer zijn familie over zou komen naar Bombay voor de festiviteiten. Uiteindelijk raakte Humayun verstrikt in zijn eigen leugens en ze pikten de onjuistheden even gemakkelijk uit zijn verhaal als een vrouw steentjes uit dal. En daarom moest hij uiteindelijk wel de waarheid vertellen: dat zijn moeder tegen hun huwelijk was, dat het meisje problemen had, dat er een huwelijk voor haar was gearrangeerd in Bihar met een oude oom, dat hij en zij van elkaar hielden en dat ze altijd bij elkaar wilden blijven. Na zijn verhaal spraken en humden de mannen op zachte 357


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 358

toon met elkaar. Ten slotte zei de beheerder: ‘Mijn zoon, je bent een slimme jongeman. Je hebt een toekomst. Jij kunt het beste teruggaan naar Delhi en met jouw moeder en die van het meisje gaan praten en hen overhalen om jullie in alle openheid te laten trouwen, tussen jullie eigen mensen, met hun zegen.’ ‘Mijn moeder,’ zei hij, inmiddels over zijn toeren door het wachten, de spanning en de waarheid die in hun oordeel schuilde, ‘is tegen het huwelijk.’ ‘Ik zal met de moefti praten,’ zegde de beheerder op het het laatst toe. ‘Wacht buiten, dan kom ik naar je toe om je zijn besluit mee te delen.’ Dus wachtte Humayun weer. Het was tijd voor het volgende gebed en ze liepen naar beneden om salat te verrichten met de rest van de moskeebezoekers, Humayun anoniem in de grote gebedsruimte met duizenden andere mannen, Aisha samengedrukt tussen de vrouwen in het discreet afgesloten gedeelte. Hij keerde alleen terug naar het kantoor van de beheerder om te wachten en toen het al schemerig werd kwam de beheerder eindelijk naar buiten om met hem te praten. ‘De moefti raadt je aan om terug te gaan naar Delhi,’ zei hij en hij voegde er vriendelijk aan toe, toen hij de uitdrukking op Humayuns gezicht zag: ‘Neem de raad van de ouderen ter harte, jongeman. Al het andere leidt tot problemen.’ Wat haatte hij deze religieuze mannen, dacht Humayun. Als Aisha en hij niet minderjarig waren geweest, had hij het zonder maulvi’s, moefti’s en qazi’s kunnen stellen, dan had hij rechtstreeks naar een civiele rechtbank kunnen lopen en het huwelijk onder de Indiase wet kunnen laten voltrekken. Maar die wet zei dat de man eenentwintig jaar oud moest zijn en het meisje achttien, en daarom zouden ze onder de islamitische wet in de echt moeten worden verbonden. Ergens in deze stad Bombay moest een qazi zijn die hen wilde trouwen. Maar eerst moesten ze de nacht door zien te komen. Op aanraden van een van de winkeliers zochten Humayun en Aisha in de buurt van de Mussafir Khana naar onderdak, een ho358


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 359

tel in een achterafstraatje dat naar een van de heilige islamitische plaatsen was genoemd, waar een man met een door betelnoot roodgekleurde mond achter de balie stond – terwijl er uit de kamer achter hem geluiden opklonken van gokkende mannen en de geur van illegaal gestookte alcohol in de lucht hing – die hen een tweepersoonskamer aanbood voor tachtig kostbare roepie. Ze aten beneden in een van de restaurantjes voor de allerarmsten, waar de roti was gemaakt van een slechte kwaliteit meel en het vleesgerecht heet, eetbaar en goedkoop was. Humayun, die elke dag van zijn leven langs dergelijke restaurantjes was gelopen in Delhi – ze serveerden aan massa’s bedelaars die er elke avond voor in de rij stonden te wachten tot er een rijke mam voorbijkwam die wat roepie te vergeven had –, zette zichzelf ertoe om zijn hele bord leeg te eten. Met moeite onderdrukte hij zijn tranen. Toen Aisha en hij die nacht samen in hun kamertje lagen, fluisterde ze in het donker de vraag die ze geen van tweeën hadden durven stellen sinds hun komst hier. ‘Denk je dat we ooit terug zullen gaan naar Delhi, Humayun?’ ‘Nee,’ zei hij en zijn hart liep over van heimwee. ‘We gaan nooit meer terug naar Delhi. We wonen nu hier.’ En terwijl ze in het donker lagen te luisteren naar het gekreun van hun buurman, het gerochel van iemand die slijm ophoestte, het verkeersgedruis in de verte en de branding die ze in hun fantasie hoorden, beval hij zijn hart om te verharden, niet te breken maar te verharden, zodat er altijd een klein, veerkrachtig stukje van hemzelf zou overblijven dat geen tegenslag ooit klein zou kunnen krijgen. De volgende ochtend wachtten ze voor het huis van een qazi die Humayun was aanbevolen in de Mussafir Khana, ze stonden op de smerige stoep waar andere bewoners sigarettenpeuken en glimmende pakjes supari en fruitschillen hadden neergesmeten. Maar ze waren te vroeg gekomen, om tien uur ’s ochtends sliep de qazi nog. Toen hij uiteindelijk verscheen, ontdekten ze dat hij ongelooflijk zwak en hardhorend was. Hij nam hen mee naar zijn kantoor, waar hij plaatsnam, kuchte en aan Humayun uitlegde 359


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 360

waarom hij onmogelijk het risico kon lopen om hun huwelijk te voltrekken. Stel dat haar familie in Delhi naar de politie zou stappen om aangifte te doen wegens ontvoering; stel dat zijn ouders naar Bombay zouden komen om het meisje van diefstal te beschuldigen – want om hem uit handen van de politie te krijgen moest ze toch haast wel geld hebben gestolen? Hij keek haar even aan en wendde toen zijn blik af. Nee, beslist niet, het was een risico dat hij op zijn leeftijd niet kon nemen – politiezaken waren voor qazi’s die jonger waren dan hijzelf, qazi’s zoals de man die tegenover hem woonde: die stond erom bekend dat hij hielp in dit soort kwesties (en ook dat hij daardoor goed voor zijn familie zorgde). Nee, als ze per se hier en nu wilden trouwen zonder de ouders van het meisje en zonder hun toestemming, dan moesten ze hun leeftijd kunnen bewijzen; en als ze in de haast waren vergeten om een geboortecertificaat, rantsoeneringskaart, paspoort of schooldiploma uit Delhi mee te nemen – op dit punt keek hij op en nam hoofdschuddend Humayuns gehavende gezicht in zich op – dan zouden ze naar het J.J.-ziekenhuis moeten gaan, dat was niet ver, en vragen om een leeftijdsverificatiecertificaat, want het personeel kon dat soort dingen vaststellen aan de hand van bloedmonsters en röntgenfoto’s. Opnieuw keek hij naar de kleine Aisha, en voor de tweede keer schudde hij zijn hoofd en zei langzaam, op spijtige toon: ‘Het meisje ziet er niet bepaald stevig en gezond uit.’ Humayun keek door het smerige venster naar buiten terwijl de qazi aan het woord was. Aisha had helemaal geen documenten. Ze was amper naar school geweest. In haar familie waren er geen geboortecertificaten als gevolg van hun ontregelde en chaotische levensomstandigheden en haar afwezige vader. Hij wist dat dit het eerste was wat hij voor haar had moeten doen, nog voordat hij werk voor haar had gezocht. Het was zijn schuld dat ze in het nauw zaten. Op de weg onder het raam waren mannen bezig met het bouwen van een viaduct en op de plaats waar eens de auto’s door de lucht zouden rijden, was het nu een drukte van belang met draaiende betonmolens, arbeiders met slecht passende bouwhelmen op en betonijzer dat naar alle kanten toe uit360


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 361

stak. Toen hij weer omkeek, was de qazi nog steeds aan het woord. ‘Ze kunnen het zien aan de botten,’ zei hij, ‘en met dat ossificatiebewijs ga je naar de rechtbank in Qila en haal je een beëdigde verklaring van een advocaat dat het meisje de juiste leeftijd heeft, uit vrije wil het huwelijk aangaat en dat niemand haar heeft gedwongen. Daarna zullen we kijken of we een wettig huwelijk kunnen sluiten.’ Toen stond hij op, zei beleefd salaam en schuifelde naar zijn kamer, waar zijn vrouw wachtte. ‘Denk je dat hij de politie belt?’ fluisterde Aisha toen ze de trap af liepen. Humayun stelde haar gerust, hoewel hij er zelf ook niet gerust op was. ‘Niemand belt de politie,’ zei hij. Maar die ochtend had hij angstig hun stapeltje geld geteld, waarna hij het in een zakdoek had geknoopt en onder in zijn broekzak had vastgespeld. Ze staken via de stoffige bouwplaats de weg over en betraden het gebouw waar de flexibele qazi kennelijk zitting hield. Ook in dit gebouw was het donker en op elke etage bevond zich een vervuild en uitgewoond logement met een eerbiedwaardige islamitische naam. Het kantoor van de qazi was op de derde verdieping, naast Ladoo Parfumeurs. De jongste bediende liet hen binnen en zei dat ze konden wachten op stoelen aan een tafel waarop drie kranten keurig in het gelid lagen. De qazi zou wel gauw terugkomen, hij was vertrokken voor een dringende zaak. Humayun pakte een krant en liet zijn blik al bladerend over de gedrukte tekst glijden. Een moslimhuwelijk sluiten was een kwestie van minuten, wist hij; binnen enkele seconden kon het allemaal voorbij zijn. Als deze qazi hen in de echt verbond, zou hij voor eeuwig met deze vrouw verbonden zijn en zou er geen weg meer terug zijn naar Delhi. Ze wachtten de hele middag, maar de qazi kwam niet terug. Toen het buiten bijna schemerde, zei Humayun tegen Aisha: ‘Laten we beneden iets gaan eten.’ Hij moest voedsel in zijn lijf hebben, daarom haalde hij een paar roepie tevoorschijn en leidde hij Aisha de trappen af naar het Shalimar Hotel, waar ze kebab aten, die niet in de schaduw kon staan van die in Nizamuddin, maar 361


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 362

het eten vulde desondanks hun maag en kalmeerde zijn hoofd. Toen hij die avond Aisha mee terug nam naar het kantoor van de qazi gingen ze net als eerder die dag zitten wachten, maar deze keer liep de jongste bediende een binnenkamer in en hoorden ze stemmen, en toen hij terugkwam, was dat om te vragen naar de mehr, de bruidsschat die Aisha toekwam in geval van een echtscheiding. En dus maakte Humayun zijn kostbare katoenen tasje open en haalde er de zware gouden hanger uit van zijn moeder – en na het tonen van dit bewijs was alles binnen een paar minuten geregeld. Er kwam een jongeman met een baard en een mutsje binnen, hij was nog heel jong, amper tien jaar ouder dan Humayun. Hij droeg een witte salwar kameez en Humayun keek naar hem op en leidde uit zijn humorloze gezichtsuitdrukking af dat dit de qazi in eigen persoon was en dat hij hen ging trouwen (met een kleine toeslag boven op de normale vergoeding); en dat hij hen bovendien nú ging trouwen, zonder te vragen om ossificatiebewijzen of beëdigde verklaringen van de rechtbank van Qila; en als Humayun nog iets wilde zeggen, dan moest hij dat nu doen. Humayun zei niets, en nog geen twintig minuten later waren ze getrouwd. De qazi maakte geen probleem van leeftijd, getuigen of toestemming; hij riep zijn vader erbij, zijn broer en de vriend van zijn broer, en zij deden dienst als getuigen en als wali, haar voogd. Ze dromden het kantoor binnen, bewonderden de gouden hanger, wierpen steelse blikken op Aisha en toen schraapte de qazi zijn keel en maande iedereen tot stilte, en Humayun sloot zijn ogen en luisterde naar de woorden die de qazi sprak, en daarna sprak hij op zijn beurt. Hij hoorde Aisha instemmen met het huwelijk, en opnieuw sloop de angst heel groot en onhandelbaar zijn ziel binnen. Ze was nu zijn vrouw. De qazi noteerde hun namen in een register en schreef een certificaat voor hen uit, iedereen zette er zijn handtekening onder en Humayun overhandigde de tweehonderd roepie als vrijwillige bijdrage in plaats van het vaste tarief. En dat was het. De vier mannen lieten hen alleen in de kamer en Humayun keek Aisha 362


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 363

aan. ‘We moeten gaan,’ zei hij. Maar waar moesten ze heen? Ze glimlachte naar hem en de bittere gedachte drong zich aan hem op dat voor háár alles beter was dan met haar moeder op een begraafplaats slapen. ‘Je bent moe, Humayun.’ Ze klonk rustig en hij knikte. Ja, dat was het, hij was gewoon moe. Het eerste wat Aisha de volgende ochtend als getrouwde vrouw deed, was de hindoehanger verpanden bij de goudwinkel van een Marwari. Er was een kamer beschikbaar in de lange rij houten hutten bij het Masjid Bandar-station en de hindoehospita eiste een borgsom van duizend roepie. De kamer was zeegroen geschilderd en had een verroest golfplatendak, houten wandjes en een afvoerput in de hoek om de afwas te doen en jezelf te wassen. De Marwari-goudhandelaar, met een rode tilak op zijn voorhoofd, die dik en welgedaan zetelde achter zijn met een glazen deksel bekroonde toonbank, waarin de sieraden van andere mensen lagen, met zijn broer naast hem als bewaker, telde de bankbiljetten uit; hij gaf hun vijfenzeventig procent van het gewicht van het sieraad, tegen een jaarlijkse rente van achttien procent. Aisha wist dat het een slechte transactie was en dat ze de hanger uiteindelijk waarschijnlijk kwijt zouden raken, maar ze wist ook dat Humayun goed moest eten; hij moest drie sets kleding hebben en hij kon niet als koelie werken zoals hun hospita had geopperd, wier man dat werk wel deed. Hij had werk nodig dat in lijn lag met zijn opvoeding en scholing. Aisha stelde minder eisen en met haar fijne moslimnaam en onschuldige gezichtje vond ze na drie dagen zoeken een baantje als afwasser voor een familie die Qureishi heette en twee straten bij het Shalimar Hotel vandaan woonde. ‘Ik kan kofta maken en paratha,’ zei Aisha tegen de vrouw met wie ze het sollicitatiegesprek had, en omdat ze zich Humayuns opschepperige opmerking tegen mevrouw Ahmed in Delhi herinnerde, voegde ze eraan toe: ‘Ik kan zelfs shami kebabs maken.’ De oude dame lachte en gaf een kneepje in haar kin en zei: ‘Goed zo, maar eerst moet je me maar eens laten zien dat je mijn sharbatglazen kunt 363


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 364

schoonmaken zonder ze te breken, zoals het laatste meisje deed.’ Maar ze maakte duidelijk dat als Aisha haar werk goed zou doen, haar nichten die naast haar woonden misschien ook van haar diensten gebruik wilden maken. Humayun kon echter niet goed aarden in Bombay. Elke ochtend, als het daglicht langzaam de zeegroene kamer binnen begon te stromen en hij het silhouet van zijn vrouw naast zich kon onderscheiden, wist hij dat hij straks moest opstaan om werk te zoeken in de stad. Die gedachte maakte hem misselijk. Hij had geïnformeerd hoe hij taxichauffeur kon worden – de betaling was goed – maar hij werd gewaarschuwd dat een nieuwkomer die geen Marathi sprak moeite zou hebben om aan werk te komen. Hij vroeg een paar mensen in de moskee en de omgeving daarvan naar werk als chauffeur en vertelde dat hij alle papieren daarvoor bezat, maar hij wilde niet smeken, en ook al lachte zijn vrouw hem toe als ze thuiskwam, ook al kookte ze trouw voor hem op het fornuis dat hij van zijn geld had gekocht (dat inmiddels was gehalveerd), ook al wist hij dat ze goed en eerlijk was, toch voelde hij elke avond als hij via een glibberig laddertje naar de zeegroen geverfde hut terugkeerde, de veerkracht uit zich stromen. Wanneer hij ’s nachts naast haar lag te luisteren naar de vreemde geluiden van de stad, vroeg hij zich af welke geest bezit van hem had genomen en hem hierheen had gestuurd. Hij weigerde met haar te vrijen uit angst dat de verkrachter haar zwanger had gemaakt, en de verwijdering die dat tussen hen in hun ballingschap veroorzaakte, stemde hem bitter. Zelfs die troost werd hem ontzegd. Ze had een plant gered die door een buurvrouw was weggegooid, een nutteloos klimplantje met doorzichtige bladeren, dat ze elke avond begoot met het afwaswater. Humayun keek er ’s avonds bedachtzaam naar als hij op zijn rug in hun kamertje lag te wachten op zijn eten. Het geurde niet, kreeg geen bloemen, het diende geen enkel nut, zo zag hij het tenminste, en toch verzorgde ze het trouw en de plant groeide alsof hij hun tijd in Bombay vastlegde. Hij had het gevoel dat hij en de plant elkaars concurrenten waren. 364


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 365

Aisha voelde dat hij stuurloos was en nam hem mee naar de zee om hem op te vrolijken, maar hij staarde uit over de golven en vroeg zich af welk lesje de politiemannen in Delhi hem hadden willen leren. Het was inmiddels de heilige maand van ramadan en ze probeerde hem over te halen naar de moskee te gaan, omdat ze hoopte dat hij in de gemeenschap zou worden opgenomen. Maar hij wilde er niet heen. Toen hij op een avond thuiskwam, vertelde ze dat ze had gebloed. Ze was gaan menstrueren, zodat die angst tenminste was weggenomen. Het was een zegen. ‘Mubarak,’ zei hij en hij lachte spontaan voor het eerst in weken. Die avond ging hij met een dankbaar gemoed naar de moskee om te bidden. Moslims waren vroom gedurende de vastenmaand en het was ontzettend druk in de Jama Masjid. Toen Humayun omringd door zijn moslimbroeders voor God knielde en zijn voorhoofd het tapijt voor hem raakte, bad hij voor Aisha en voor zijn moeder. En hij bad vooral dat zijn natuurlijke zelfvertrouwen en tevredenheid zouden terugkeren, eigenschappen waar hij vroeger altijd op had kunnen terugvallen en die een onvervreemdbaar deel van hem hadden uitgemaakt.

365


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 366

13 ‘De schoolvriend van Ash heeft voor je gebeld,’ zei grootmoeder toen Bharati op de avond voor Divali door de voordeur binnen zwalkte. Bharati was behoorlijk aangeschoten. Ze had de dag na de huwelijkslunch met Ash en Sunita doorgebracht, omdat de verjaardag van de tweeling erbij in zou schieten vanwege de Sanskrietlezing die hun vader op die dag zou houden en ze toch nog wat tijd met haar broer wilde doorbrengen voordat zij naar Londen zou terugkeren en het jonge paar op huwelijksreis zou gaan. Maar om bij te komen van het tuttige gezelschap van haar schoonzus en haar constante Hindi-Engelse geleuter, was Bharati ’s avonds naar haar vriendin Kavita gegaan, met wie ze had gelachen, gekletst, vettige kebabs van de markt had gegeten en te veel bier had gedronken – en wat nog het belangrijkste was, een heleboel wiet had gerookt, zoals ze dat gewend was in Delhi. Bharati sloop met de overdreven voorzichtigheid van een dronkaard de voorkamer in, waar haar grootmoeder voor het raam bleek te zitten met een schaal vol rasmalai op de tafel voor haar. ‘Hij belde uit Calcutta,’ ging de oude vrouw voort (Bharati liep slingerend naar haar toe en werkte twee van de zoete pasteitjes naar binnen, waarbij de melk langs haar vingers drupte). ‘Pablo. Hij zei dat je hem moest terugbellen, hoe laat je ook thuiskwam.’ En ze gaf haar kleindochter een papiertje waarop ze in haar hanenpoten Pablo’s telefoonnummer had genoteerd. ‘Wat een aardige jongeman is dat.’ ‘Vond u hem aardig?’ vroeg Bharati en ze grinnikte omdat de 366


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 367

lekkernij mierzoet was, terwijl haar ondeugende dadi aan suikerziekte leed. ‘Ik herinner me hem nog uit jullie schooltijd.’ ‘O ja,’ zei Bharati. Ze kuste haar grootmoeder welterusten en liep terug door de hal, toen haar blik op de oude zwart-witfoto boven de trapopgang viel, van haar moeder op de universiteit in Calcutta. ‘Die zus van mam over wie niemand ooit praat,’ zei ze. ‘Heeft u gezien dat ze op de bruiloft van Ash was?’ Haar grootmoeder reageerde scherp: ‘Die vrouw betekent niets dan ellende,’ zei ze, en Bharati liep naar boven zonder door te vragen. Maar ze dacht bij zichzelf: Dat is al het derde familielid dat niet wil praten over mijn moeders zuster. En ze dacht terug aan haar woordenwisseling met Pablo, hoe boos ze was geweest dat hij had zitten wroeten in haar moeders verleden, en ze vroeg zich af of hij misschien toch gelijk had met zijn nieuwsgierigheid. Zittend op bed belde Bharati het nummer en toen hij opnam, zei ze: ‘Mijn oma is helemaal weg van je.’ Hij lachte, ingenomen met zijn succes. ‘Alles is geoorloofd om de mooie kleindochter van de eerbiedwaardige dame voor me te winnen.’ ‘Wat voer je uit in Cal?’ wilde Bharati weten. ‘Ik schrijf een zeer belangrijk artikel over de lingam,’ zei Pablo. ‘Mijn hoofdredacteur heeft de pest aan me. Maar vandaag ben ik naar Santiniketan geweest.’ Er viel een stilte. ‘En?’ vroeg Bharati. ‘En ik ben iets te weten gekomen over je moeder.’ ‘En?’ ‘En dat kan ik je niet door de telefoon zeggen. Maar het is belangrijk. Heel erg belangrijk. ‘O ja?’ ‘Beloof me één ding.’ ‘En dat is?’ ‘Dat je morgen Leela Sharma gaat opzoeken. Morgen.’ ‘Leela? Waarom?’ Ze werd weer wantrouwig. 367


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 368

‘Dit is haar telefoonnummer,’ zei hij, zonder acht te slaan op haar vraag. ‘Ik heb het gekregen van de krant, want Leela’s man is...’ ‘Ja, ja, dat weet ik.’ Hij las het nummer op. ‘Beloof het.’ ‘Waarom al die haast?’ vroeg ze weer. ‘Omdat... omdat ik wil dat Leela jou heel belangrijke informatie geeft...’ Bharati lachte onsympathiek. ‘Zeg tegen haar dat ik naar het Santhal-missieziekenhuis ben geweest,’ zei hij een beetje opstandig. ‘Wat?’ ‘Zeg het maar gewoon tegen haar. Beloof het me.’ ‘Goed, ik beloof het.’ ‘Wanneer zie ik je weer?’ vroeg hij. ‘Wanneer kom je terug?’ ‘Morgenavond.’ ‘Kom me dan maar ophalen,’ zei ze, met een door de cannabis ingegeven mildheid. ‘Echt?’ ‘Vat het niet persoonlijk op.’ Ze lachte. ‘Ik doe alles om uit de buurt van Sunita te blijven.’ Hij lachte ook, al was hij teleurgesteld. ‘Ik haal je morgenavond om tien uur op.’ Ze viel in slaap met de gedachte: Waarom dringt hij toch zo aan? Maar toen ze de volgende ochtend wakker werd, was het eerste wat ze deed het nummer bellen dat hij haar had gegeven. Haar man, Hari Sharma, nam op. ‘Ik ben de schoonzus van Sunita,’ legde Bharati uit, ‘de zus van Ash Chaturvedi...’ ‘Bharati.’ ‘Ja.’ Ze was verbaasd dat hij haar naam kende. ‘Wil je mijn vrouw spreken?’ ‘Graag. Is ze thuis?’ 368


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 369

‘Verwachtte ze jouw telefoontje?’ ‘Nee.’ ‘Ik zal haar even roepen,’ zei hij. ‘Dank u,’ zei Bharati. ‘Het is belangrijk. Het gaat over Meera, mijn moeder.’ ‘Oké,’ zei hij. Toen Leela aan de telefoon kwam, klonk ze veel gereserveerder dan haar man. Eerst wilde ze geen afspraak maken, maar Bharati haalde haar over door te zeggen dat ze alleen maar wilde praten over Meera’s gedichten. Uiteindelijk spraken ze om vier uur af voor de ingang van de tombe van Humayun. Om halfvier verliet Bharati haar ouderlijk huis en ze liep naar de tombe toe die, als ze via de basti liep en de hoofdstraat overstak naast de plantenkwekerij, op amper tien minuten afstand lag. De lichaamsbeweging deed haar goed. Ze voelde zich rustig en goed voorbereid, gereed om kennis te maken met de zus van haar moeder, ook al ging dat in tegen de uitdrukkelijke wens van zowel haar vader als haar grootmoeder. Pablo’s nerveuze opwinding en zijn vasthoudendheid maakten haar nieuwsgierig. Ze werd aangestoken door de hele toestand die hij ervan had gemaakt. En toch begon ze zich hoe langer hoe ongemakkelijker te voelen toen ze in de kou stond te wachten. Ze vroeg zich voor het eerst af hoe het kwam dat broers of zussen van elkaar vervreemdden. Bharati kon zich niet voorstellen dat ze Ash ooit uit haar leven zou willen verbannen (ook al was hij getrouwd met een vrouw in wie ze niets zag). Wat zou hij haar ooit kunnen aandoen of waartoe zou hij ooit in staat kunnen zijn, waardoor zíj zou zeggen: Ik wil je nooit meer zien...? Ze kon zich er niets bij voorstellen. Bharati had die ochtend De Lalita-serie herlezen. Ze had de bundel die ze uit Londen had meegenomen niet kunnen vinden, daarom had ze die uit haar vaders bibliotheek gepakt. Ze had geprobeerd er verwijzingen in te vinden naar een co-auteurschap, of op zijn minst een vermoeden, maar ze had niets gevonden. Al369


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 370

leen in het nieuwe gedicht dat Pablo haar had laten zien, zinspeelde de dichteres op een creatieve samenwerking. Een zusterschap van bloed en inkt; het bewijs van ons samenspel. En alleen in dit gedicht, dacht Bharati, kijkend naar een witte auto die voor de ingang van de tombe stopte, werd Ved Vyasa op deze boosaardige manier genoemd. ‘Het laatste dictaat’ was geschreven in november 1979. De maand waarin de tweeling was geboren. Haar moeder was toen inmiddels getrouwd. Getrouwd met een man die Vyasa heette en de kost verdiende met het doceren van de Mahabharata. Er stapte een vrouw uit de witte auto en Bharati wist dat zij het was, de vrouw van de bruiloft. Nu ze haar terugzag realiseerde ze zich dat ze haar daarom bekend was voorgekomen op het feest. Bharati moest haar gezicht hebben gezien op de achtergrond van de foto’s die haar vader in zijn bibliotheek in een doos bewaarde. Leela Sharma droeg een diep saffraangele katoenen sari en had een grote zachte sjaal omgeslagen. Toen ze naar het hek toe liep waar Bharati op haar wachtte, glimlachte ze en haar gezicht, dat een ogenblik geleden nog zo ernstig en gespannen had geleken, zag er heel even gelukkig uit. ‘Hallo, Bharati,’ zei Leela. ‘Hallo.’ Ze kochten toegangskaartjes bij de kiosk. Bharati betaalde en praatte in het Hindi tegen de man, en toen zei ze om het ijs te breken tussen Leela en haar, gewoon om iets te zeggen en omdat ze zich zo gespannen voelde: ‘De scriptie die ik aan het schrijven ben, gaat gedeeltelijk over De Lalita-serie.’ ‘O ja?’ Leela Sharma trok verrast haar wenkbrauwen op. ‘Ik kijk vooral naar de lijn van politieke desillusie die door alle gedichten heen loopt en naar het milieu waarin ze werden geschreven, de schrijversworkshops in Calcutta in de jaren zeventig, de Engelse vertaling van de Mahabharata van P. Lal... Denkt u dat die van invloed was? Denkt u dat mijn moeder naar een van zijn voordrachten op zondagmiddag is geweest? Ik weet dat ze 370


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 371

nu, twintig jaar later, nog steeds worden gehouden en ik denk erover om tijdens mijn verblijf hier naar Cal te gaan om er zelf een bij te wonen. Misschien herinnert hij zich haar nog, wat denkt u?’ Ze wist dat ze aan het kwebbelen was. Leela pakte intussen een gedichtenbundel van Bharati’s moeder uit haar tas. Ze hield hem voor haar op en keek er een beetje verwonderd naar. ‘Ik denk dat deze van jou is. Ik heb hem geleend uit jouw huis.’ ‘Die is inderdaad van mij,’ zei Bharati geïrriteerd, terwijl de kaartjesverkoper haar het wisselgeld teruggaf. ‘Ik zocht hem vanmorgen al. Wanneer heeft u die geleend? Ik heb hem pas afgelopen zondag uit Londen meegenomen.’ ‘Ik ben zondagnacht na de bruiloft van je broer langs geweest. Ik heb een poos met je oma gepraat. Heeft ze dat niet verteld?’ ‘Nee,’ zei Bharati. ‘Ach,’ zei Leela. ‘Hoezo ach?’ Bharati gaf Leela haar kaartje en liep voor haar uit door het hek de tuinen in. ‘Ze had ook geen reden om het tegen je te zeggen,’ zei Leela toen ze Bharati had ingehaald, die op het pad op haar wachtte. ‘Ik had haar niet meer gezien sinds ik een jonge vrouw was. En sinds jij een baby was. Ik maak geen deel meer uit van de familie.’ Daarna liepen ze zwijgend verder over het rechte pad naar de eerste van de twee bogen die voor de tombe prijkten. Vanaf dit punt zag je precies de bleke marmeren koepel van de tombe in de verte op één lijn met de bovenkant van de boog. Leela had op kalme toon gepraat, maar toen ze de treden op liepen en onder de boog door liepen zag Bharati dat haar moeders zuster rilde. ‘Heeft u het koud?’ vroeg ze verbaasd. En toen rende ze zonder op Leela te wachten – misschien omdat ze zich zo onbeholpen voelde in haar aanwezigheid – de treden af, over het pad naar de tweede boog, de boog van rood zandsteen die rechtstreeks toegang gaf tot de tuinen van de tombe. ‘Dus,’ zei Bharati tegen Leela toen zij eraan kwam lopen, in een poging om terug te keren naar de reden van hun ontmoeting, 371


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 372

‘u bent de lang verloren zuster van mijn moeder.’ Ze stonden naast elkaar en namen de tombe in zich op en de tuinen, die evenwijdig werden doorsneden door smalle waterlopen. ‘Zullen we de tombe in gaan?’ stelde Leela voor bij wijze van antwoord, en deze keer volgde Bharati haar, langs het kanaaltje, de treden op naar waar de grafmonumenten van keizer Humayun, zijn familie en hovelingen stonden opgesteld in het enorme mausoleum van rood zandsteen, in een doolhof van verduisterde ruimtes die werden verbonden en afgescheiden door stenen rasterwerk, zodat elk doorkijkje werd belemmerd door schaduwen en doorsneden door stervormen. ‘Jullie raakten van elkaar vervreemd,’ drong Bharati aan, en haar stem weerklonk luid in de stenen ruimte, zonder zich iets aan te trekken van de vele toeristen en bezoekers die haar hoorden, alleen van het feit dat haar stem gespannen en onnatuurlijk klonk. ‘Tenminste, dat heeft iedereen tegen me gezegd.’ Nog steeds gaf Leela geen antwoord en pas nadat Bharati haar weer de tuin in was gevolgd, waar het groen van de bomen duizelingwekkend was en de treden naar het gazon was afgedaald, antwoordde ze: ‘Er zijn inderdaad een of twee maanden geweest waarin we niet met elkaar hebben gepraat. Maar tegen de tijd dat jij en je broer werden geboren, was dat al niet meer zo. Een bepaalde gebeurtenis maakte het daarna echter onmogelijk om elkaar nog te zien.’ ‘Omdat u met uw man naar Amerika verhuisde,’ preciseerde Bharati. Ze gingen naast elkaar op het gras in de schaduw van vier grote bomen zitten. Leela gaf geen antwoord. In plaats daarvan gaf ze Bharati haar dichtbundel terug en zei: ‘Nog bedankt.’ Bharati fronste haar wenkbrauwen omdat ze het gevoel had dat ze er niets meer van begreep. ‘Mijn vriend Pablo denkt dat u de gedichten samen hebt geschreven,’ zei ze. ‘Hij zei tegen me dat ik u moest bellen.’ En voordat Leela iets terug kon zeggen, zei ze: ‘Maar mijn vader zegt dat dat onbekende gedicht, u weet wel, dat in de Delhi Star is afgedrukt...’ 372


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 373

‘“Het laatste dictaat”.’ ‘Ja, dat het nep is. Dat iemand Meera heeft geïmiteerd uit jaloezie of iets dergelijks.’ ‘Waarom zou iemand dat doen?’ ‘Dat weet ik niet.’ Even viel er een stilte en toen vroeg Bharati, intussen nieuwsgierig geworden: ‘Wat vindt u van het gedicht?’ ‘Het is niet nep,’ zei Leela, haar recht aankijkend, en Bharati werd getroffen door haar eerlijke uitdrukking en door haar langgerekte, donkere ogen. ‘We hebben het samen geschreven...’ ‘Juist,’ zei Bharati. ‘Hebben jullie alle gedichten samen geschreven of alleen dit?’ ‘Allemaal.’ ‘Dus...’ begon Bharati. Dus haar moeder was toch niet de enige auteur van De Lalita-serie, het was precies zoals Pablo had gezegd. ‘Waarom deden jullie dat?’ vroeg ze. ‘En waarom gaat dat gedicht over Vyasa? Dat is de naam van mijn vader en...’ Ze wilde niet hardop zeggen dat de Vyasa in het gedicht gemeen, liederlijk en egoïstisch was. De volgende vraag wilde ze eigenlijk ook niet stellen, maar iets in Leela Sharma’s gedrag maakte haar onrustig en voordat ze het wist flapte ze haar vraag eruit: ‘Hield mijn moeder van mijn vader?’ Zodra ze het had gezegd, wist ze dat ze verraad pleegde, en ze zou zich diep schamen als haar vader of grootmoeder dit gesprek hoorde. Even bleef de vraag in de lucht hangen en Bharati was geschokt door haar gedachten, die elkaar in zo’n razend tempo opvolgden dat ze de betekenis van de ene nog niet had kunnen doorgronden of de volgende drong zich al aan haar op. Door de vraag die ze zojuist had gesteld, zag ze opeens haar moeder voor zich die met de tweeling in Delhi woonde, gescheiden van haar zus in New York en haar vader in Calcutta, en daarna dacht Bharati aan haar moeders onverwachte dood en de toespelingen die zij als kind had opgevangen van mensen die niet tot de familie behoorden, opmerkingen waar ze opzettelijk geen aandacht aan had geschonken en die ze zelfs niet met Ash had besproken, over 373


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 374

de omstandigheden van deze plotselinge en tragische dood. En daarom stelde Bharati nog voordat Leela de eerste vraag kon beantwoorden een volgende vraag. ‘Wilde mijn moeder op die manier doodgaan? Was het opzet?’ ‘Ach, Bharati.’ Er rolde een traan uit Leela Sharma’s oog. ‘Nou?’ drong Bharati aan. ‘Was het dat?’ Leela schudde haar hoofd en veegde de traan weg. ‘Dat weet ik niet,’ zei ze. ‘Ik woonde toen al in New York. Maar mijn vader heeft me verteld... hij zei dat ze...’ Ze stokte en schraapte haar keel. ‘Heeft Vyasa hier nooit met je over gepraat?’ Bharati schudde haar hoofd. ‘Hoe zou ik er dan met je over kunnen praten?’ zei Leela. ‘We waren zo gelukkig, zij was zo gelukkig, toen we opgroeiden. Ze was zo’n vrolijk meisje.’ ‘En toen was ze niet meer gelukkig?’ Leela barstte in snikken uit en Bharati, die huilen verafschuwde, voelde eveneens een traan over haar wang lopen bij de gedachte aan haar moeder, en ze wendde vol walging haar blik af van Leela. In plaats daarvan staarde ze naar de boog waar ze zojuist onderdoor waren gelopen en waar nu twee magere mannen, waarschijnlijk de kaartjesverkopers, luierden en met elkaar kletsten, terwijl ze intussen alle mooie meisjes bekeken die de tuinen in en uit liepen in hun nieuwe Divali-kleren, en zij dacht aan iets dat haar ayah een keer tegen haar had gezegd, namelijk dat haar moeder het lastig had gevonden om voor de tweeling te zorgen. ‘Wat maakte haar dan verdrietig? Het feit dat ze moeder was?’ Leela keek haar aan. ‘Nee, dat was het niet. Dat mag je niet denken.’ Ze veegde haar gezicht af met een punt van haar sari. ‘Toen ik er later met vader over sprak, vermoedde hij dat het was begonnen nadat onze moeder was overleden. Dat denk ik ook. Toen we op de universiteit van Calcutta zaten kreeg onze moeder kanker en het ging allemaal zo snel, dat we pas hoorden dat ze ziek was toen het al te laat was. Ze wilden niet dat we ons zorgen zouden maken en zo kwam het dat ze er van het ene moment op het andere,’ Leela knipte in haar vingers om aan te geven hoe snel 374


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 375

het was gegaan, ‘niet meer was. En we hadden natuurlijk geen tijd meer om haar van alles te vragen, wat we wel zouden hebben gedaan als we hadden geweten dat ze stervende was. Meera nam dit mijn vader erg kwalijk. Maar we waren geen kinderen meer toen het gebeurde, we studeerden al. We hadden het gevoel dat we als kinderen werden behandeld, denk ik. Vooral Meera. Vanaf die tijd straalde ze een zekere triestheid uit, niet altijd, maar nu en dan.’ ‘Mijn vriend Pablo wilde dat ik met u zou praten,’ zei Bharati, ‘omdat u mij iets moet vertellen, zegt hij.’ ‘Is hij de journalist? Pablo Fernandes? Degene die...’ ‘Hij heeft over de gedichten geschreven, dat klopt. Hij is in Calcutta. Gisteren is hij naar Santiniketan gegaan. En hij belde me om te zeggen dat hij iets belangrijks had ontdekt.’ ‘Juist,’ zei Leela. ‘Hij zei dat hij naar een ziekenhuis was geweest,’ ging Bharati voort. ‘Bharati.’ Leela ademde diep in en verstrengelde haar vingers. ‘Ik ben vandaag niet gekomen om je dat te vertellen.’ ‘Ik moet het toch weten?’ zei Bharati. ‘Als Pablo het weet, dan moet ik het ook weten.’ ‘Ach, Bharati. Het spijt me. Ik hoop dat je het me kunt vergeven.’ ‘Wat moet ik u vergeven? Vertel op, gauw.’ ‘Ik heb het je niet eerder gezegd, omdat ik jou en de mensen om je heen niet van streek wilde maken. Meera wist het en onze vader wist het, maar verder niemand.’ ‘Wat dan?’ vroeg Bharati. ‘Toen ik wegging heb ik Meera een belofte gedaan, en daarom zeg ik het nu tegen je. Ik hoop dat je het me zult vergeven...’ ‘Wel verdorie!’ ‘Zie je, het was namelijk zo dat we allebei in dezelfde periode zwanger werden. Jouw moeder was getrouwd en ik niet...’ Leela had een smekende en tegelijk opstandige uitdrukking op haar gezicht. 375


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 376

‘U hebt geen kinderen.’ ‘Ik heb er nu geen.’ ‘Maar u heeft ze ooit wel gehad?’ ‘Ik heb één kind gekregen.’ ‘En wat is daarmee gebeurd?’ ‘Meera heeft haar genomen.’ ‘Haar?’ Bharati sprong overeind en duwde haar gestrekte handen voor haar borst van zich af alsof ze de woorden van Leela wilde wegdrukken. ‘Néé.’ En toen gilde ze zo hard dat de duiven opvlogen van de treden voor de tombe: ‘Nee! Waag het niet om dat soort praatjes over mij en mijn moeder te verkopen. Wie ben jij eigenlijk?’ Ze beende weg over het pad en bleef toen peinzend naar de tombe staren, daarna keek ze om naar de zus van haar moeder, met haar golvende haren, net als die van haarzelf, en haar ogen die zo op de hare leken. Ze liep terug naar de plaats waar Leela zat. ‘Waarom zeg je het niet hardop?’ Leela keek haar aan, haar ogen stonden vol tranen. ‘Zeg het dan!’ ‘Je bent mijn dochter, Bharati.’ ‘En wie zou mijn vader moeten zijn?’ ‘Dezelfde als van Ash.’ ‘Wat? Jullie allebei? Met hem?’ Ze staarde Leela Sharma aan. ‘Jullie alle drie, tegelijk?’ Wat deze vrouw beweerde was stuitend: hoe kon haar vader bij twee verschillende vrouwen, bij twee zussen nog wel, kinderen hebben verwekt? Het was te schokkend om waar te kunnen zijn. ‘Ik geloof je niet,’ riep Bharati uit. ‘Het is niet gegaan zoals je denkt,’ onderbrak Leela Sharma haar. ‘Hoe was het dan wel?’ zei Bharati. ‘Je durft het niet eens hardop te zeggen! Je komt na twintig jaar naar me toe en dan kan je het niet eens duidelijk zeggen. Schaam je je dan zo?’ ‘Het spijt me,’ zei Leela. ‘Het spijt me. Ik heb er nooit een geheim van willen maken, maar ik heb het tegen niemand verteld omdat...’ 376


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 377

‘Waarom?’ ‘Omdat ik jouw leven niet nog moeilijker wilde maken.’ ‘Dus toen heb je me maar weggegeven en ben je naar Amerika vertrokken?’ ‘Ja,’ zei Leela, met gebogen hoofd. Bharati keek op haar neer. ‘Hoe heb je me zo kunnen bedriegen? Leugenaarster!’ Ze dacht aan haar vader. Haar lieve vader. Kon hij echt zoiets hebben gedaan? Onmogelijk. Maar als het wel waar was en hij dit al die tijd net zo min had geweten als zij, dan was hij ook bedrogen. ‘Je hebt baba bedrogen! Jullie hebben allebei tegen baba gelogen. Of niet soms?’ Leela knikte. ‘We hebben het niet tegen je vader verteld. Maar...’ ‘Dus je hebt me in de steek gelaten,’ zei Bharati. ‘Nee, ik heb je niet in de steek gelaten.’ ‘Waarom ben je nu opeens opgedoken? Waar ben je precies op uit?’ ‘Ik heb dit niet voorzien,’ herhaalde Leela. ‘Ik ben hier vandaag niet naartoe gekomen om...’ ‘Hield jij van mijn vader?’ ‘Nee.’ ‘Maar hij is wel mijn vader. Er moet toch iets gebeurd zijn?’ ‘Het is moeilijk uit te leggen,’ begon Leela. ‘Ik zou alles voor Meera hebben gedaan. Ik heb nooit van je vader gehouden, ik heb nooit...’ ‘Maar je hebt het bed gedeeld met de vriend van mijn moeder...’ ‘Zo was het niet...’ ‘En toen ben je zwanger geraakt en heeft mijn moeder de baby genomen.’ Bharati liep opnieuw vol walging weg en deze keer liep ze met een ruime boog om de tombe heen, ze stapte over waterloopjes heen, passeerde een kraai die uit de kraan dronk en een man die in de bosjes stond te plassen, helemaal tot aan de muur achter in de tuin, waar aan de andere kant een krottenwijk was gebouwd 377


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 378

die doorliep tot aan het spoorwegstation. Ze dacht erover om over de muur te klimmen zoals ze als tiener wel had gedaan en te landen in een berg gras die de tuinlieden daar hadden opgeworpen, om zo te ontsnappen aan deze vrouw en al haar beweringen. Ze kon vanavond weer naar Kavita gaan en samen met haar stoned worden en stoned blijven totdat ze zaterdagochtend terugvloog naar Londen. Maar het had geen zin om weg te rennen. Het had geen zin om iets anders te doen dan ze deed, namelijk langzaam om de tombe heen teruglopen naar de voorkant, waar Leela nog steeds op het gras zat, en zeggen: ‘Het was moeilijk om zonder moeder op te groeien. En nu te weten dat ik er een had die ergens anders woonde en die me niet eens wilde zien...’ Leela keek op toen ze Bharati hoorde praten. ‘Ik wilde je wel zien, natuurlijk wel. Maar na je geboorte moest ik een keus maken. Het belangrijkste vond ik om jou te beschermen op de manier waarop ik zelf was beschermd.’ Ze schudde haar hoofd: ‘Misschien dat het tegenwoordig eenvoudiger is om niet volgens de regels te leven, maar toen jij werd geboren was dat anders. Je weet wat Meera’s ouders voor mij hebben gedaan – stel je voor dat ze dat niet hadden gedaan. Stel je eens voor hoe moeilijk jouw leven zou zijn geweest als Meera je niet had meegenomen.’ Ze vervolgde op smekende toon: ‘Wat voor een leven zou je bij mij hebben gehad? We zouden met moeite het hoofd boven water hebben gehouden. Je zou niet naar een goede school zijn gegaan, je zou niet aan een Engelstalige universiteit hebben gestudeerd. Je zou niet samen met je broer zijn opgegroeid en je vader en je grootmoeder ook niet in je buurt hebben gehad. Je zou alleen mij hebben gehad.’ ‘Je hoeft niet zo verdomd neerbuigend te doen,’ zei Bharati. ‘Jouw vader zou heus wel voor ons hebben gezorgd...’ ‘Hij was al oud en hij is kort daarna gestorven.’ ‘Je had bij ons in de buurt kunnen gaan wonen en een soort van surrogaatmoeder kunnen zijn, een tante.’ ‘Dat kon ik niet.’ ‘Je bent niet bepaald dapper, hè? Dat je het aan de mannen 378


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 379

hebt overgelaten om voor je kinderen te zorgen?’ ‘Hoe kun jij weten wat dapper is en wat niet?’ ‘Waarom zou ik dat verdomme niet weten?’ Bharati ging op het gras zitten. Ze had het gevoel dat ze vanbinnen, op een zacht, gevoelig plekje, was gekwetst. Ze voelde een pijn die ze nog niet kende. Ze schudde haar hoofd. Geloofde ze het? Leela Sharma loog. ‘Naar welk ziekenhuis is Pablo in Santiniketan geweest?’ ‘Daar waar jij bent geboren. Het Santhal-missieziekenhuis.’ Die naam had Pablo ook genoemd. Pablo zou vanavond terugkeren en alles bevestigen wat Leela had gezegd. Ze verborg haar gezicht in haar handen, het was allemaal zo oneerlijk. ‘Het is ontzettend gemeen van je dat je me niet eerder hebt opgezocht,’ barstte ze uit, haar stem klonk als die van een gekwetst kind. ‘Je hebt tegen baba gelogen over zijn eigen kinderen. Hoe heb je dat kunnen doen?’ Ze barstte in huilen uit en sprak verder met horten en stoten: ‘Je hebt tegen iedereen gelogen. Jij liet mij denken dat mijn moeder dóód was. Je hebt me om mijn dode moeder laten rouwen. O god!’ Ze wierp haar hoofd in haar nek en gilde tegen de lucht. ‘Je hebt Ash en mij laten geloven dat we tweelingen zijn! Dat heb jij ons wijsgemaakt. Interesseert het je allemaal niet? Heb je dan helemaal geen gevoel?’ ‘Het spijt me,’ zei Leela. ‘Ik heb een enorme, vreselijke fout begaan. Meera en ik dachten dat het op deze manier voor jou het beste zou zijn. Het zou een schandaal voor je vader zijn geweest als het ooit was uitgekomen dat hij twee meisje tegelijk zwanger had gemaakt, twee zussen nog wel...’ ‘Dus het is gegaan zoals in het gedicht?’ ‘Ja, zoals in het gedicht is beschreven. Zoals in het epos.’ ‘Maar waarom ben je niet teruggekomen om me te halen? Ze is overleden toen we twee jaar oud waren. We waren nog báby’s.’ ‘Natuurlijk verlangde ik ernaar om dat te doen.’ Leela stak haar hand uit en legde die op haar schouder. ‘Ik heb het erg moeilijk gehad met Meera’s dood. Daardoor zag ik lange tijd alleen nog maar het slechte van de wereld en de treurigheid. Het leek 379


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 380

me niet fijn voor jou om zo’n moeder te hebben. En toen stierf mijn vader... en toen had ik alleen nog mijn man Hari en ik dacht...’ ‘maar je had mij toch!’ schreeuwde Bharati en ze duwde haar hand weg. Op dat moment kwam er een in oudemannengedachten verzonken bejaarde man met een wandelstok langslopen en tot haar afschuw herkende ze hem, want hij was de gepensioneerde rechter die in het huis achter hen woonde en verzot was op het kweken van goudsbloemen, die hij in het voorjaar in het gemeenschappelijke park pootte. ‘Ja, ik had jou,’ zei Leela, die achteruitdeinsde, ‘maar ik wilde me niet aan je opdringen.’ ‘Maar dat heb je net gedaan.’ Leela begon weer te huilen en Bharati luisterde naar haar gesnik en deed geen poging om haar te troosten. Geleidelijk aan verstomden haar snikken. Ze bleven zwijgend naast elkaar zitten, zonder elkaar aan te kijken, terwijl de zon bezig was onder te gaan en de picknickende gezinnen, verliefde stelletjes en gymnastiekende oudjes een voor een de tuinen verlieten. ‘Vind je het erg als ik rook?’ vroeg Leela, de stilte verbrekend. ‘Het is een heel slechte gewoonte, maar...’ Bharati schudde haar hoofd. ‘Dan neem ik er ook een.’ Leela gaf haar een sigaret en de lucifers en zodra Bharati een trekje nam, voelde ze zich rustiger worden. Toen de sigaret bijna op was, kwam een van de kaartjesverkopers op hen toe en verzocht hen naar de uitgang te gaan. Bharati stond op. Ze voelde zich inmiddels niet alleen rustig maar zelfs superieur, verdoofd misschien. ‘Ik moet weg,’ zei ze. ‘Ik ga uit eten met mijn vader. Ash is vertrokken om Divali te vieren bij zijn fantastische schoonfamilie.’ ‘Zeg je het tegen Vyasa?’ vroeg Leela. ‘Dat zal wel moeten, of niet soms?’ ‘Vanavond?’ ‘Ik denk van wel.’ ‘Wanneer spreken we elkaar weer?’ 380


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 381

‘Ik ga zaterdag naar Londen.’ ‘Ach, Bharati,’ Leela stond ook op. ‘Ga alsjeblieft niet op deze manier weg. Kunnen we nog iets afspreken? Ik wil je dolgraag nog een keer zien.’ Bharati hief haar handen op. ‘Vader houdt morgen een lezing in het oude fort.’ ‘Zie ik je daar?’ Bharati haalde haar schouders op. ‘Tot ziens, Leela,’ zei ze, voordat de vrouw haar probeerde te omhelzen of nog meer beloftes af te dwingen. Ze liep weg, maar Leela riep haar achterna: ‘Morgen ben je jarig.’ ‘Dat weet ik ook wel,’ zei Bharati en draaide zich om. ‘Ik heb tenminste altijd gedacht dat ik op die dag ben geboren. Maar misschien ga je me nu iets anders vertellen. Dat je me in maart ter wereld hebt gebracht in een of andere ashram, dat mijn naam eigenlijk...’ Ze maakte haar zin niet af, omdat ze haar eigen toon verafschuwde. ‘Je bent geboren op vijftien november, net als je broer.’ ‘Mooi. Geweldig. Fantastisch. Dus. Ik zie je morgen,’ zei Bharati en voordat Leela kon reageren, liep ze weg in de richting van de boog. Pas toen ze de treden bereikte welde er een onbekend, beklemmend gevoel van eenzaamheid en angst in haar op, en ze draaide zich nog een keer om naar de vrouw die beweerde dat ze haar moeder was. Leela stond nog in haar eentje op het gras en keek Bharati na – met dat haar en die langgerekte ogen en die lippen die precies hetzelfde gevormd waren als die van haarzelf en die zorgelijke frons op haar voorhoofd. Er laaide een vreemde, onwillekeurige herkenning in Bharati op, waardoor ze even ineenkromp alsof ze pijn had en ze haastte zich weg, naar haar vader toe, en dacht: die vrouw is mijn moeder.

381


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 382

14 Ash Chaturvedi bracht Divali door in zijn lab aan Mall Road, aan de rand van de universiteitscampus. Dit was ontegenzeggelijk het mooiste wetenschappelijke instituut van Delhi en tevens een van de mooiste van India: het was een enorm, imposant betonnen bouwwerk, ultramodern, met gangen die op ogenschijnlijk willekeurige plaatsen waren bekleed met rood marmer; het geheel vormde een smetteloze stolp van vooruitgang, die losstond van de rest van het land. Waar zijn leven hem in de toekomst ook zou brengen, Ash zou de tijd die hij in deze afgezonderde intellectuele gemeenschap had doorgebracht altijd blijven koesteren. Maar nu zuchtte hij toen hij door de gang van zijn laboratorium naar zijn kamer liep. Hij was al vanaf vanmorgen vroeg in touw met het verzamelen van menselijke genmonsters uit een dokterspraktijk in Bhogal, die hij in een taxi helemaal naar het cbt had meegenomen en daar in zijn eentje in zijn lab had verwerkt – hij had het dna geïsoleerd, vermeerderd en daarna door het apparaat gehaald om het te sequencen – en nu waren alle gegevens gegenereerd en in de computer ingevoerd, waar ze samen met alle andere monsters netjes in zijn genenbibliotheek zouden worden opgeslagen. En dit had hij allemaal gedaan op uitdrukkelijk verzoek van zijn schoonzus. Het telefoontje dat hij vanmorgen vroeg had ontvangen was erg onverwacht geweest. Natuurlijk wist hij van het bestaan van Urvashi en hij drong er bij Sunita al lang op aan om haar zus aan zijn familie voor te stellen, ten slotte waren ze buurtgenoten. Maar toen zijn grootmoeder hem al vóór het ontbijt had geroe382


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 383

pen omdat er telefoon voor hem was, was hij stomverbaasd geweest om te horen dat zij het was. ‘Het is Uzma Ahmed,’ zei ze toen hij de trap af kwam. ‘Schiet alsjeblieft op. Ze wacht al uren tot je eindelijk klaar zou zijn met flossen.’ Hij was in de badkamer geweest toen de telefoon ging en Sunita lag daar nog steeds in bad. Hij nam de hoorn van zijn grootmoeder over en probeerde zich te herinneren of hij iemand kende die Uzma Ahmed heette. Misschien was het iemand van het reisbureau die belde over hun huwelijksreis naar Goa. ‘Hallo?’ zei hij. Toen ontspon zich een wel heel onverwacht gesprek. Uzma Ahmed bleek Urvashi Sharma te zijn en ze wilde dat Ash het dna onderzocht van de man die haar dienstmeisje had verkracht in de nacht van zijn bruiloft. ‘Ik geloof dat ze ook bij jou werkt,’ zei Urvashi aan het einde van het gesprek. Ze sprak beleefd maar vastberaden. In haar stem klonken haar keurige Hindi-scholing en opvoeding door, net als bij Sunita, alleen zat er nog iets bij: ze gebruikte modernere woorden en sprak nadrukkelijker. ‘Je moet zelf de monsters bij de dokter ophalen,’ zei Urvashi, ‘want hij geeft ze niet aan mij mee.’ ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Ash en hij dacht erover na. ‘Ik heb toestemming nodig van mijn baas in het lab. Dat kan lastig zijn met Divali. Is er geen standaardprocedure die je kunt volgen?’ ‘Nee,’ zei Urvashi resoluut. ‘De politie is niet gemotiveerd. Wist je dat ze Humayun in elkaar hebben geslagen en dat hij nu spoorloos is verdwenen?’ ‘Nee, dat wist ik niet,’ zei hij. ‘Nou ja,’ ze probeerde begripvol te klinken, ‘jij hebt net je bruiloft en alles achter de rug. Je hebt het druk gehad.’ ‘Ik zal het met het hoofd van het lab bespreken,’ zei Ash. ‘Het zal wel lukken om toestemming te krijgen. Elk nieuw monster is bruikbaar voor mijn forensisch identificatieprotocol.’ Het beklemmende gevoel waarmee hij was opgestaan vanwege het vooruitzicht om op Divali de hele dag met Sunita alleen te moeten zijn, verdween. Dit was het perfecte excuus om het huis te verlaten. Sunita zou zich uitstekend vermaken: tot aan vrijdag, 383


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 384

wanneer ze op huwelijksreis zouden gaan, zou ze constant bezig zijn om de kok al haar lievelingsrecepten te leren koken en een plekje te vinden voor haar gloednieuwe bezittingen. ‘Heb je het nummer van de dokter?’ vroeg hij aan Urvashi. ‘Ik ga direct naar hem toe.’ Op zijn kamer gekomen bekeek Ash meteen de uitslagen van het dna. Ten behoeve van zijn hoofdstuk over forensisch onderzoek bestudeerde hij negen markers op het autosomaal dna en iedere keer als hij een nieuw monster onder handen had was hij een beetje opgewonden. De dokter had hem een niet-vervuild monster gegeven van het dna van het dienstmeisje uit haar wangslijmvlies, en verder een uit haar vagina, dat vermoedelijk haar dna en dat van de verkrachter zou bevatten. Er waren slechts drie sets gekleurde uitschieters op zijn chromatogram, inclusief de controleset, en het zou de software waarschijnlijk nog geen dertig minuten kosten om de geverifieerde kenmerken van het meisje uit het dna-mengsel uit haar vagina te filteren, om zo het dna van de schuldige te isoleren. Dat zou hij afdrukken en rechtstreeks naar Urvashi Ahmed brengen, als bewijs dat hij had gedaan wat ze hem had gevraagd. Hij moest zich echter haasten, want straks moest hij Sunita ophalen voor het Divali-diner bij haar ouders. Ash liet de software zijn werk doen en ging naar beneden om te kijken of hij een theestalletje kon vinden dat open was met Divali. Toen hij een halfuur later terugkeerde, ging hij achter zijn computer zitten en opende de spreadsheet van Excel. Hij stond op het punt om die af te drukken, toen hij een bericht op zijn scherm zag verschijnen waardoor hij zijn bril op zijn neus omhoog duwde en in verwarring naar het beeldscherm tuurde. De software had automatisch in zijn reeds bestaande gegevensbestand op de computer gezocht naar duplicaten van de nieuwe informatie – en had er een gevonden. Ash knipperde met zijn ogen en staarde naar het scherm. Hij wreef zijn ogen uit en 384


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 385

keek nog eens. Hij snapte het niet. Zijn computer beweerde iets wat onmogelijk waar kon zijn. In zijn hoofd ging hij langzaam en systematisch alle mogelijke verklaringen na voor het resultaat waarmee de computer was gekomen. Misschien waren de monsters van de dokter vervuild geweest, functioneerde de software niet goed of was er iets mis met zijn ogen. Toen sloot hij het programma af, hij startte de computer weer op, voerde het programma voor de tweede keer uit en wachtte. Tien minuten later verscheen dezelfde uitkomst en zag Ash zich geconfronteerd met de mogelijkheid dat... Maar dat kon hij niet aan. Er hing een telefoon naast de deur en hij liep er met onvaste schreden langzaam naartoe. Hij koos het nummer van zijn schoonzus. Ze nam meteen op en herkende zijn stem. ‘Heb je de test uitgevoerd?’ ‘Ja.’ ‘Heeft het iets opgeleverd?’ Ze klonk opgewonden. Ash keek om naar de plek waar zijn computer stond. ‘Ik denk dat we erover moeten praten,’ zei hij. ‘Ik kom wel naar je huis toe. Maar rep er met geen woord over tegen anderen.’ Urvashi Ahmed was niet alleen toen Ash bij haar huis in Nizamuddin aankwam. Een lange man in een wit overhemd en een spijkerbroek, die ze aan hem voorstelde als haar man, stond samen met haar in de deuropening om hem te begroeten. ‘Dus we zijn familie,’ zei de man die Feroze heette met een voorzichtig glimlachje en hij schudde Ash de hand. ‘Welkom.’ Ash stapte over de drempel en stond in de hal van het huis van zijn schoonzus. Hij keek verlegen naar Urvashi. Ze zag er heel anders uit dan haar zus. Ze droeg bungelende oorbellen met parels en een losvallende salwar kameez van bedrukte stof. Hij keek naar haar enorme, wijd uitstaande haardos, haar gezonde uitstraling en prettig mollige figuur. Hij voelde zich enorm opgelucht dat hij eindelijk met haar kennismaakte. 385


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 386

‘Zal ik iets te drinken voor je inschenken?’ vroeg Feroze, die Ash op een van de stoelen bij het raam liet plaatsnemen. Ash knikte en vroeg om een biertje. Toen Feroze naar de keuken liep, glimlachte de zus van zijn vrouw naar hem. Dus dit was de vrouw die door haar vader was verstoten. ‘Weet Sunita dat je hier bent?’ vroeg ze opeens, alsof ze zijn gedachten kon lezen, en Ash schudde zijn hoofd. ‘Maar ik het vertel het haar straks zodra ik thuiskom. Het spijt me...’ hakkelde hij en zweeg toen. Ze keek hem onderzoekend aan. ‘...dat je niet naar de bruiloft kon komen,’ vulde hij aan, en hij wilde dat hij zich in deze kwestie tegen Sunita’s vader had verzet. Ze schudde haar hoofd maar zei niets en zodra Feroze terugkwam met het biertje, stond ze vlug op en liep de kamer uit. Ze was duidelijk van streek. Ash zuchtte en keek om zich heen. Het huis was erg groot voor een jong stel, de zaken van haar man moesten wel goed lopen. Of misschien woonden er familieleden bij hen in. Hij nam het flesje van Feroze aan en vroeg: ‘Wonen jullie hier alleen?’ ‘Op het ogenblik nog wel,’ zei Feroze en er verscheen een glimlach op zijn gezicht. ‘Maar vanaf volgend jaar mei...’ Hij zweeg en wachtte tot Ash zijn zin afmaakte. ‘Is ze in verwachting?’ ‘Ja!’ beaamde Feroze. ‘Heeft Sunita het niet verteld? Over zes maanden is ze moeder.’ ‘Ik wist het niet.’ Ash schudde zijn hoofd. Sunita had er niets over gezegd. Toen Urvashi terugkwam met een schaaltje met zoutjes had ze haar gezichtsuitdrukking weer onder controle en kon Ash haar feliciteren met haar blijde verwachting, zonder dat de tranen opnieuw in haar ogen sprongen. Hij deed hem goed om bij zijn schoonzuster en haar man te zijn en hij betreurde het weer dat hij niet beter zijn best had gedaan om de familiebanden te herstellen voordat hij met Sunita was getrouwd... Maar wat hij Sunita aandeed door zijn geheime relatie met haar broer kon hij nog niet 386


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 387

onder ogen zien, laat staan de traumatische onthulling die hij op zak had in de vorm van zijn dna-analyse. Hij nam nog een slokje bier en zweeg even, omdat hij niet kon bedenken in welke bewoordingen hij zijn verbijsterende ontdekking moest beschrijven. ‘Ben je geneticus?’ Ash keek op. Feroze had de vraag gesteld. ‘Ja,’ zei Ash, ‘daarom ben ik hier. Het gaat over de verkrachting van het dienstmeisje.’ Hij zette zijn bierflesje op tafel neer. Hij merkte dat er een afwachtende stilte in de kamer hing. Ze wachtten tot hij verder zou praten. Hij zuchtte en zei tegen Urvashi. ‘Neem me niet kwalijk. Ik moet je iets heel erg moeilijks vertellen. Zal ik het je hier zeggen of kunnen we elkaar ergens onder vier ogen spreken?’ Ze wierp een nerveuze blik op haar man, maar hij knikte slechts. ‘Waarom gaan jullie niet even in mijn studeerkamer zitten?’ Urvashi knikte en Ash volgde haar naar de kamer ernaast. Er stonden boeken op de planken en een computer op het bureau en daarnaast een grote trouwfoto in kleur van Urvashi, gekleed in rode zijde met een zware gouden tikka in haar haren, en Feroze, met een ernstige uitdrukking op zijn gezicht, gekleed in een donkere sherwani, die naast haar stond en zijn hand op haar schouder liet rusten. Ash en Urvashi gingen tegenover elkaar aan het bureau zitten. ‘En?’ vroeg ze uiteindelijk. ‘Wat heb je ontdekt?’ Ash vouwde de uitdraaien open en liet ze zien. Ze pakte ze aan en bestudeerde ze enige ogenblikken in stilte. ‘Het eerste wat ik erbij moet zeggen,’ stak hij van wal om zich juridisch in te dekken, ‘is dat de pcr die ik heb gedaan om de str’s te krijgen slechts een ruwe analyse is. Het bewijst dat iets waar is, maar heeft geen juridische bewijskracht. Het cbt is geen forensisch instituut en om dit te controleren zul je moeten...’ ‘Ik snap het niet,’ onderbrak ze hem. ‘Wat laat dit zien? Wat is pcr? str?’ 387


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 388

Ash zuchtte. ‘pcr staat voor polymerase-kettingreactie. str voor short tandem repeats. Het is een manier om...’ Maar hij brak zijn zin af toen hij de neutrale uitdrukking op haar gezicht zag. Hij nam zijn bril af en wreef in zijn ogen. Toen zette hij hem weer op, hij wierp zijn schoonzuster een begrijpende glimlach toe en legde het toen zo duidelijk en eenvoudig mogelijk uit. ‘Het monster dat de dokter me gaf bevatte niet het dna van twee mensen, zoals ik verwachtte – het slachtoffer en de verkrachter – maar van drie mensen. Dat laat de gelmatrix zien.’ Hij wees naar het betreffende gedeelte. ‘Toevallig kwamen de gegevens van een van deze personen overeen met iemand in mijn... genendatabase. Ik had al een paar mensen in jouw familie getest. Ik had je vader al getest.’ ‘Mijn vader?’ ‘Ja,’ beaamde hij en vervolgde moedig: ‘Hij wilde dat ik het bestaan van een Arisch gen in hem zou aantonen. Daarom zit hij in mijn database. Dus wat mijn analyse opleverde was het dna van Aisha, zoals verwacht. Dan was er een tweede, anonieme persoon, die afgaande op de statistische waarden vermoedelijk een familielid van haar is. En dan was er nog een derde persoon, die zich, zoals ik al zei, in mijn database bevond.’ Hij keek Urvashi strak aan onder het praten, vastbesloten om het hardop uit te spreken, om helder en duidelijk te zijn en er niet omheen te draaien. ‘Je vader stond al in mijn database...’ Maar ze onderbrak hem. ‘Mijn vader? Je wilt toch niet zeggen dat mijn vader...?’ Hij knikte. ‘Hoe bedoel je?’ ‘Ik moet weten of je vader onlangs in dit huis is geweest. Heeft hij in jouw huis geslapen of een badkamer gebruikt die Aisha daarna heeft schoongemaakt of heeft hij haar ooit ontmoet? Is het mogelijk dat het monster dat de dokter heeft genomen per ongeluk vervuild was?’ ‘Mijn vader is hier nog nooit geweest. Sinds ik bij mijn ouders ben weggegaan om te trouwen heeft hij me niet meer gesproken of gezien.’ 388


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 389

‘Juist,’ zei Ash langzaam. In plaats van aan de gruwelijke misdaad te denken die Sunita’s vader wellicht had begaan, dacht hij aan de schande die een dergelijke onthulling over de familie zou afroepen, niet alleen over die van Sunita maar ook die van hem. ‘En dan is er nog iets,’ zei hij. ‘Het dna van de tweede persoon, Aisha’s bloedverwant. Heb je enig idee hoe dat kan?’ ‘Ja,’ zei Urvashi. ‘Aisha had iets met haar neef, onze chauffeur.’ Het klopte wat zijn moeder had gezegd: ze hadden haar om de tuin geleid met hun stiekeme romance. ‘En Humayun en Aisha zijn inderdaad familie van elkaar?’ ging Ash voort, zonder toe te willen geven dat dat hij hier heimelijk op had gehoopt, namelijk dat iemand anders dan Shiva Prasad het jonge moslimdienstmeisje van zijn oma had verkracht. ‘Ze zijn neef en nicht,’ zei Urvashi. Er viel een stilte. ‘Dat betekent natuurlijk niet dat hij haar heeft verkracht,’ liet ze erop volgen. ‘Nee,’ zei Ash, ‘maar ze is wel minderjarig, zei je.’ ‘Maar Humayun was van plan om met Aisha te trouwen.’ ‘O ja?’ ‘En,’ zei Urvashi met een benepen stemmetje, ‘ze zei tegen me dat de verkrachter een oude hindoeman was.’ Ash keek naar Urvashi, die met neergeslagen ogen tegenover hem zat te spelen met de gouden islamitische hanger om haar nek. Hij wist dat hij de resultaten van de monsters die hij had geanalyseerd aan de politie zou moeten overdragen. Hij wist alleen niet zeker of hij wettelijk verplicht was hun aandacht te vestigen op de genetische overeenkomst die hij had ontdekt (door zuiver toeval, tenslotte). Zonder dit toeval was de kans dat ooit aan het licht zou komen dat Shiva Prasad zich aan het meisje had vergrepen, zeer gering. Het lag meer voor de hand dat de politie uit de gegevens zou afleiden dat Aisha door een familielid was verkracht en dat ze daarop door zouden gaan. ‘In de genetica is niets honderd procent zeker, maar als je ervan uitgaat dat geen van de beide monsters vervuild was...’ zei Ash. Plotseling sprong hij overeind. ‘Maar het zou heel goed kun389


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 390

nen dat ze wel vervuild waren! Ik heb het dna van Shiva Prasad in mijn lab getest. Daar kan heel eenvoudig een vermenging hebben plaatsgevonden.’ Urvashi keek hem opgelucht aan. ‘Ja,’ zei ze. ‘Dat zou zomaar kunnen. Weet Sunita het al?’ ‘Nee.’ ‘Gelukkig. Het zou heel erg moeilijk voor haar zijn. Ze houdt van haar vader.’ Hij ging weer zitten en zei na een poosje: ‘Maar ik moet de politie inlichten dat het monster is geanalyseerd. Dat ben ik verplicht.’ Ze pakte de telefoon van het bureau, keek in het telefoonboek en koos een nummer. Toen gaf ze de hoorn aan hem. Ash sprak in het Hindi tegen de politieman en probeerde autoritair te klinken. Hij wierp er een paar woorden Engels tussen, om te laten zien dat het hem ernst was. Maar de politieman snapte het niet. ‘Verbind me door met je chef,’ zei Ash uiteindelijk gepikeerd. Het duurde lang voordat de chef aan het toestel kwam. Deze keer verklaarde Ash dat hij de zoon was van professor Chaturvedi uit Nizamuddin West, blok G. ‘Professor wie?’ Deze man begreep het ook niet. Ash legde het hele verhaal weer uit – over de verkrachting, de monsters die er door de dokter waren genomen van de lichaamssappen en dat hij die zelf had geanalyseerd. ‘Meneer,’ zei de politiechef, ‘het meisje in kwestie was hier gisteren. Ze heeft haar verklaring ingetrokken en we hebben de jongen laten gaan.’ Ash legde zijn hand over de hoorn en overlegde met Urvashi. ‘Dat klopt,’ zei ze, ‘ze zijn allebei weg, ze zijn ervandoor gegaan.’ De politieman had haar antwoord gehoord. ‘Nu de aanklacht is ingetrokken en het meisje is ondergedoken, kunnen we geen onderzoek instellen. Deze zaak is afgesloten, meneer.’ ‘En als mijn werk aantoont wie de verkrachter is?’ informeerde Ash. 390


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 391

‘Dat is erg nuttig, meneer, dank u wel. Maar haal eerst het meisje maar eens terug naar Delhi. Tot op dat moment kunnen wij niets doen, dat verzeker ik u.’ In de kamer ernaast nam Ram, die zijn zus een halfuur eerder had opgebeld om te vragen of hij langs mocht komen en toen te horen had gekregen dat ze Ash Chaturvedi elk moment verwachtte, mistroostig een biertje aan van Feroze en verzonk in zelfmedelijden. ‘Waar hebben ze het eigenlijk over?’ vroeg hij op een gegeven moment aan Feroze. Ze hadden elkaar pas een paar keer gezien, maar hij vond zijn moslimzwager een aardige, eerlijke vent. Gewoonlijk praatten ze graag over zaken, maar vandaag niet. Feroze haalde zijn schouders op in antwoord op Rams vraag, als om te beduiden dat het leven vol grappige, niet al te spannende mysteriën zat – een opvatting die Ram volstrekt niet deelde. ‘Het heeft iets te maken met het genetische werk van Ash Chaturvedi. Wil je nog een biertje?’ Ram schudde zijn hoofd. Een poosje waren er alleen de onverstaanbare stemmen van Urvashi en Ash te horen, die van achter de gesloten deur van de studeerkamer klonken. Ram stond op en liep naar de voordeur toe. ‘Ik wacht wel in de tuin,’ zei hij. ‘Ik moet even roken.’ Feroze knikte en nam het boek weer ter hand dat hij aan het lezen was. ‘Ze heeft haleem gemaakt. Deze keer moet je echt blijven eten.’ ‘Goed,’ zei Ram en hij vluchtte de tuin in. Hij wist dat Ash hem had ontlopen sinds de nacht die ze samen hadden doorgebracht. Tijdens de huwelijkslunch wilde hij hem niet eens aankijken of laten blijken dat hij hem had gezien. Hij kwam om middernacht niet meer online en nam ook de telefoon niet aan als Ram naar zijn huis belde, erger nog, hij stuurde Sunita om met hem te praten. Het ergste was nog wel dat Ram bijna de hele tijd jaloers was. Tot aan de bruiloft had hij zeker geweten dat Ash en Sunita nog geen seksuele omgang hadden ge391


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 392

had, maar sindsdien was elke daaropvolgende nacht een marteling geweest. Midden in de nacht schrok hij zwetend wakker en stelde zich voor dat zijn minnaar in de meest stuitende omhelzingen met zijn zus was verstrengeld, en omdat dit allemaal nogal verontrustend was en hij iemand nodig had om mee te praten over alles wat er in zijn hoofd omging, had hij Urvashi gebeld om naar zijn problemen te luisteren. Gisteren had hij overwogen om zijn hart te luchten bij tante Leela, maar hij had het op het nippertje toch maar niet gedaan – en nu kwam hij erachter dat Ash hem voor was en zelf zijn hart uitstortte bij Urvashi. Zou Ash echt aan Urvashi vertellen wat er was gebeurd? En zo ja, wat zou ze ervan zeggen? En ineens kwam de gedachte bij Ram op dat Urvashi misschien wel vond dat hij zich schuldig maakte aan onrust zaaien binnen een kersvers huwelijk. Hij ging op de bank naast de varens van zijn zus zitten en verwierp die gedachte ongeduldig. De zelfgenoegzaamheid van die getrouwde lui maakte hem boos, ze gingen er altijd van uit dat hun manier van doen de juiste was. Hij en Sunita kenden Ash even lang. Alleen omdat de ene relatie in de ogen van de wereld legitiem was en de andere niet, wilde dat nog niet zeggen dat die beter was. Desondanks vroeg hij zich af wat Ash echt gelukkig zou maken. In de huwelijksnacht had Ram tegen Ash opgeschept dat ze samen reisjes konden maken naar Londen, Parijs en New York. Hij had beschreven hoe ze samen over Leicester Square zouden lopen en oom Hari’s geld zouden uitgeven in bars en nachtclubs; de Eiffeltoren beklimmen, zwemmen in Europese zeeën die je huid deden rimpelen, lust opwekkende oesters eten en miljonairskaviaar. Maar nu hij hier zat te roken kreeg Ram nog een visioen van Ash, maar dan in zijn andere, conventionelere gedaante van de echtgenoot die samen met Sunita in een boot over de groene lagunes en binnenmeren van Kerala voer, die in een te wijde korte broek met haar stoeide in de branding op het strand van Goa, die met haar op stap ging om dingen aan te schaffen die echtparen graag kopen, zoals gordijnen voor de slaapkamers en 392


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 393

waarschijnlijk groenten voor het avondeten en kleren voor hun kinderen. Hij vergeleek deze tegenstrijdige beelden met elkaar en besefte heel goed dat ze onverenigbaar waren. Ash was te verlegen om sluw te zijn en hij zou altijd bang zijn voor de schande. Ram zelf was gewend geraakt aan de heimelijkheid die in India geboden was, hij vond het niet erg, zolang je het maar niet openlijk zei was het zelfs mogelijk om je in het openbaar liefdevol tegenover elkaar te gedragen. Maar dat zou Ash nooit doen. Hij zou een leven in de schaduw willen, hij zou de trouwe echtgenoot spelen en zo gauw mogelijk een liefhebbende vader worden. Intussen was het belangrijk om de relatie geheim te houden voor oom Hari. En voor het eerst vroeg Ram zich af of dit wellicht het soort zonde was waardoor hele families uiteenvielen en elkaar zelfs onterfden. Ram stak nog een sigaret op en inhaleerde de rook tot diep in zijn longen om daarmee de woede die hij voelde over dit onrecht tot bedaren te brengen. Hij ademde de rook krachtig in en uit en herinnerde zichzelf eraan dat er in zijn leven niets te verbeteren viel, dat wist hij best, dat wist hij zelfs heel goed. Hij dacht aan alle mondaine plaatsen die hij op zijn reizen zou bezoeken, al het geld dat hij naar believen kon uitgeven en alle verrukkelijke mannen die hij zou tegenkomen. Ash was slechts één boom in het bos, weliswaar een bijzonder ontroerende, verdwaalde en lieflijke boom, maar toch slechts een van de vele. En Ram dwong zichzelf om het bos voor zich te zien, uitgestrekt vanaf Londen tot aan New York, tot in de groene, wazige verten. En toch vroeg hij zich hier, zittend in het donker, af of hij Ash niet gauw kon overhalen om nog een nacht met hem door te brengen – een laatste nacht voordat hij op huwelijksreis zou gaan – nog één laatste afspraakje voordat alles voorbij zou zijn. Hij hoorde stemmen opklinken in het huis en Ram wist dat het gesprek tussen Urvashi en Ash was afgelopen. Straks zouden ze tegenover elkaar staan. Hij drukte zijn sigaret uit en liep naar de voordeur. ‘Ik moet naar huis,’ hoorde hij Ash tegen Urvashi 393


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 394

zeggen, hij sloeg een uitnodiging af. ‘Sunita wacht op me. We gaan naar haar ouders... naar jouw ouders, voor het Divali-diner.’ ‘Als jullie terug zijn van de huwelijksreis moeten jullie maar eens komen eten,’ zei Feroze tegen Ash. ‘Wanneer vertrekken jullie?’ ‘Vrijdag,’ zei Ash. ‘We zijn over twee weken weer terug.’ ‘Dan spreken we af met Sunita erbij zodra jullie terug zijn,’ zei Feroze en toen ging de deur open, het licht uit het huis scheen de tuin in en opeens stond Ash voor hem. Ram keek op en zag de man met wie hij de nacht had doorgebracht, de man met wie hij het afgelopen jaar twee keer per week had gechat, de man die hem nu door zijn bril een vluchtige blik toewierp en toen opeens zo breed naar hem lachte dat Ram terugdeinsde. Toen verdween de lach van zijn gezicht en duwde hij zijn bril op zijn neus omhoog, hij nam afscheid van Urvashi en Feroze en rende bijna, zonder een woord tegen Ram te zeggen, het pad af naar het tuinhek. ‘Blijf jij dan vanavond hier eten om Divali te vieren?’ vroeg Feroze aan zijn zwager. Het drong nauwelijks tot Ram door dat deze uitnodiging rechtstreeks indruiste tegen zijn vaders verbod. Hij keek zijn zus strak aan. ‘Wat deed Ash Chaturvedi hier?’ vroeg hij. Er trok een angstige uitdrukking over haar gezicht en ze draaide zich om alsof ze het huis in wilde gaan. ‘Wat heeft hij verteld?’ drong Ram aan. ‘Hij heeft het dna geanalyseerd van de man die ons dienstmeisje heeft verkracht,’ zei Feroze sussend. ‘Kom binnen. Ik haal nog een biertje voor je.’ ‘Wat heeft hij tegen je gezegd?’ Ram schreeuwde nu bijna tegen Urvashi. ‘Hij heeft een dna-test gedaan,’ zei ze en draaide zich eindelijk naar hem toe. ‘Maar de monsters waren vervuild,’ vervolgde ze en haar stem klonk met elk woord zelfverzekerder, ‘en de politie heeft geen belangstelling voor de zaak en het meisje is weggelopen, dus we kunnen er vanavond niets meer aan doen. We gaan 394


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 395

samen Divali vieren. Kom binnen en blijf eten, zoals Feroze al zei.’ En voordat Ram Sunita’s echtgenoot kon volgen over het pad naar waar hem dat ook zou voeren op aarde, trok zij hem het huis in en sloot de deur achter hem.

395


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 396

15 De hele weg van het restaurant naar huis legden Vyasa en Bharati in stilte af. ‘Je zult een test moeten laten doen om het te bewijzen,’ zei hij opeens toen ze afsloegen naar Nizamuddin West. Bharati keek opzij en zei tegen hem op een toon die veel te uitgeblust was voor iemand van tweeëntwintig jaar (dat merkte ze zelf ook wel): ‘We lijken op elkaar, baba, doe niet zo lullig.’ Hij voer tegen haar uit (‘Hoe durf je tegen je vader...’), maar de blik die zij hem toezond was zo vernietigend dat de zin in zijn mond verstomde. ‘Ben je met haar naar bed geweest, zoals zij zegt?’ ‘Eén keer.’ ‘Eén keer is genoeg, baba, om een vrouw zwanger te maken. Denk je dat er daarbuiten nog iemand rondloopt die de vruchten heeft mogen plukken van jouw verzuim om een voorbehoedsmiddel te gebruiken?’ Intussen waren ze bij het huis aangekomen. Bharati stapte uit de auto, gooide het portier achter zich dicht en rende de treden op – waar ze Pablo in de woonkamer aantrof achter een biertje, samen met Ash, die na een uitputtend diner bij zijn schoonfamilie was thuisgekomen. Bharati keek Pablo met gefronste wenkbrauwen aan, zodra ze hem het huis uit had weten te krijgen. Hij was met de avondvlucht uit Calcutta aangekomen en meteen naar haar huis toe gegaan. Fluisterend voerden ze een gesprek in de tuin. ‘Ik heb Leela vandaag ontmoet. Ik heb het tegen mijn vader 396


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 397

gezegd. Ik wil hier vannacht niet blijven. Kan ik bij jou slapen?’ ‘Ja, natuurlijk.’ Hij boog zich voorover en kuste haar, maar ze schudde hem van zich af. ‘Hoor eens, als je een artikel gaat schrijven over wat je in Santiniketan te weten bent gekomen, dan vermoord ik je.’ ‘Ik zat er wel over te denken, als ik het met mijn redacteur bespreek...’ ‘Nee!’ ‘Het is een belangrijk verhaal, het verhaal van het gedicht, het co-auteurschap, hun gedeelde creativiteit...’ ‘Het is wel mijn leven, eikel. Je maakt mijn familie te schande.’ ‘Maar als...’ ‘En trouwens,’ vervolgde ze voordat hij verder kon praten, ‘ze zullen nooit iets onflatteus schrijven over Hari’s vrouw, en eerlijk gezegd is het geen verhaal waar een journalist zijn tijd in zou moeten steken. Je hebt toch zeker ook wel een artikel geschreven over de lingam?’ ‘Dat ding!’ ‘Het spijt me,’ ze ze met een onaardig lachje, ‘heb ik je primeur verpest? Ja?’ ‘Ja,’ zei hij, terwijl hij zijn best deed om in dat ene woord zo veel mogelijk pathos te leggen, ‘maar je hebt gelijk. Ik zal het tegen niemand zeggen.’ ‘Dank je,’ zei ze en beloonde hem met een meelevende kus. Pas veel later die nacht, toen ze samen in bed lagen te luisteren naar het Divali-vuurwerk dat in de hele stad werd afgestoken, durfde Pablo haar te vragen: ‘Wat zei hij toen je het hem vertelde?’ ‘Wie?’ ‘Je vader.’ Bharati dacht eraan dat hij eerst had ontkend dat zoiets mogelijk was en dat ze het hem woord voor woord had moeten voorkauwen. Ze vroeg zich af welk antwoord het beste zou zijn. ‘Hij heeft het verknald,’ zei ze luchthartig. 397


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 398

‘Wat?’ ‘In het epos maakt Ved Vyasa drie vrouwen zwanger, twee zussen en...’ ‘De bediende.’ Ze lachte. ‘Jij weet ook alles.’ Toen zei ze op serieuzere toon: ‘Ik geloof dat mijn vader zich dood is geschrokken. Maar stel je voor, hoe heeft hij het in zijn hoofd kunnen halen? Indira Gandhi liet het platteland steriliseren en daar komt hij aan, midden in de rimboe, en vermenigvuldigt zich. Waar was hij mee bezig?’ ‘En Ash, wat vindt hij ervan?’ ‘Die weet het nog niet.’ ‘Moet je niet...’ begon hij. Maar ze draaide zich naar hem toe en legde haar vinger op zijn lippen. ‘Nee, nog niet.’ En toen wilde hij nog iets weten: ‘Wat vond je van haar?’ Er volgde een lange stilte. ‘Ik weet het niet. Ze heeft me weggegeven.’ ‘Ze dacht waarschijnlijk dat dat het beste was voor jou.’ ‘Misschien.’ ‘Vind je haar aardig? Ik vond haar aardig.’ ‘Misschien. Ik weet het niet. We wachten af.’ De volgende ochtend werd ze wakker toen het nog donker was en haar eerste gedachte was: ja, ik vind haar toch wel aardig. Natuurlijk was ze te trots om dit aan wie dan ook toe te geven en voelde ze medelijden met Ash, wiens eigen moeder altijd dood zou blijven. Ze draaide zich rusteloos om in bed en Pablo fluisterde: ‘Ben je wakker?’ ‘Ja.’ ‘Laten we dan opstaan. Dan neem ik je mee naar een bijzonder plekje.’ ‘Waarheen?’ Maar dat wilde hij niet zeggen. Hij stond erop dat ze zich warm zou aankleden met een muts 398


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 399

onder de motorhelm, twee paar sokken, zijn trui, haar sjaal. Pas toen ze al onderweg waren, zij bij hem achter op de motor, vertelde hij dat ze vogels gingen kijken in Delhi. ‘Nee!’ riep ze geschokt naar hem tegen de suizende wind in. ‘Dat meen je niet!’ ‘Jawel,’ riep hij terug, vermaakt door haar toon. ‘Ik weet dat het een van je diepste wensen is.’ ‘Zijn de vogels niet weggevlucht voor het vuurwerk?’ vroeg ze. Maar de vogels waren niet weggevlucht en de nevel die op dat tijdstip boven de stad hing kon zijn enthousiasme evenmin drukken. ‘In de rivier zitten flamingo’s,’ riep hij toen ze naar het zuiden reden over een bijna lege weg in de richting van de Okhlastuwdam. ‘We gaan toch niet naar de Yamunarivier?’ vroeg ze angstig vanwege de kou, de afstand en de inspanningen die haar te wachten stonden. ‘Jazeker,’ antwoordde hij vrolijk. ‘Net als Radha en Krishna. We zijn er over twintig minuten.’ Een halfuur later zette hij de motor neer aan het einde van een onverhard pad, bleef even staan om haar de rivier te laten zien vanaf deze plek – die lag er mistig en groen van de waterhyacinten bij, het gegons van de stad klonk verontrustend ver weg – en toen nam hij haar mee naar de oever van de rivier, de rietkragen in. Terwijl Bharati rilde van de kou liet Pablo haar door zijn verrekijker kijken naar een groene bijeneter, daarna naar een blauwborst en ten slotte een purperkoet: ‘De lippenstiftvogel!’ Hij legde haar uit hoe het zat met de locale trekvogels en de andere vogels die in deze tijd van het jaar van de andere kant van de wereld arriveerden. ‘Het zijn zulke enorme verplaatsingen!’ zei hij. ‘Zulke lange en avontuurlijke reizen.’ ‘Wat is dat voor een vreselijk gekrijs?’ vroeg ze. Ergens hoog in de lucht klonk een hoge kreet. ‘Is het een zwarte wouw?’ ‘Nee, nog beter, het is een visarend,’ zei hij naar boven turend 399


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 400

en hij wees naar het zwevende figuurtje ver boven hun hoofd. ‘Ze klinken als rouwende vrouwen.’ ‘Vind je?’ vroeg ze en ze klampte zich nog steviger aan hem vast. Terwijl de zon opkwam liet hij haar door zijn verrekijker de vlugge, onduidelijke vormen zien van andere vogels waarvan ze de namen meteen weer vergat, en toen ze terugreden naar Nizamuddin wilde hij haar meenemen naar de Tuinen van Lodhi om te kijken naar een glimlachende of lachende duif of zoiets, maar ze weigerde vanuit haar principe dat je mensen niet mag blootstellen aan een dergelijke kou, op een dergelijk tijdstip, zo lang, voor zoiets onnozels. Haar vingers waren ijskoud, haar neus en wangen verstijfd door de wind en ze had het gevoel dat zelfs haar inwendige organen langzaam maar zeker bevroren waren. Toen ze Nizamuddin bereikten stond ze erop om meteen naar haar vaders huis te rijden, waar altijd gegarandeerd warm water uit de kraan kwam en waar de kok een fameus, ongezond, gebakken ontbijt voor je maakte, dat je weg kon spoelen met een sloot koffie van haar vader. ‘Baba zal inmiddels wel naar het fort zijn vertrokken,’ liet ze er gauw op volgen, toen hij vanaf de hoofdweg de afslag naar Nizamuddin West nam, ‘maar mijn grootmoeder zal wel thuis zijn. Dan kun je met haar kennismaken. En daarna moet ik weg om Ash te feliciteren met zijn verjaardag.’ Maar toen hij bij het tuinhek aankwam en zijn motor op slot deed, zei hij: ‘Ik kan hier toch niet zomaar met jou op komen dagen en je familie verrassen, zonder ze eerst te waarschuwen?’ ‘Omdat je in een artikel hebt geschreven dat onze moeder niet de enige auteur was van De Lalita-serie?’ ‘Omdat je de nacht bij mij hebt doorgebracht, Bharati.’ ‘O, daar zou ik maar niet over inzitten. En trouwens, Ash en Sunita zijn toch nog niet wakker. We gaan eerst naar mijn dadi. We zullen haar een ontbijtje brengen.’ ‘Keurt zij het dan niet af?’ ‘Ik hoef toch niet tegen haar te zeggen waar ik heb geslapen?’ zei Bharati. ‘En trouwens, ze kent jou nog uit onze schooltijd. Als 400


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 401

lief twaalfjarig jongetje was je hier niet weg te krijgen.’ Ze lachte naar hem. ‘Met je schaakbord en je vogelboeken en je dure verrekijker.’ ‘Ze zal het meteen doorhebben.’ ‘Jammer dan. Vader deed precies hetzelfde in zijn tijd. Ik zal het wel van hem hebben.’ Ze draaide zich om, ging hem voor naar het huis en hij volgde haar naar binnen om kennis te maken met haar geliefde oma. De oude vrouw was ondanks hun angstige voorgevoelens in een opperbest humeur. Ze zat rechtop in bed met een zachte sjaal om zich heen gewikkeld en in plaats van Pablo te vragen naar zijn familieachtergrond en zijn vooruitzichten, zoals Bharati had gevreesd, wilde ze meer weten over de vogels: ‘Waar zijn de Bengaalse gieren gebleven?’ vroeg ze, alsof de teruggang van de populatie zijn fout was. ‘Waar zijn de kraaien naartoe gegaan? Ze verzamelden zich altijd in troepen, maar ik zie ze nergens meer. En de watervogels op de nala? En de huismussen?’ ‘O!’ zei Pablo en ze verzeilden met hun tweeën in een ornithologisch rijk van superlatieven en zorgen, terwijl Bharati uit het raam kijkend haar derde kopje koffie dronk en zich door en door aards voelde. De telefoon ging en Bharati rende naar beneden om op te nemen. ‘Bharati,’ zei een vrouwenstem, die ze in eerste instantie niet kon thuisbrengen. ‘Je spreekt met Linda,’ zei de stem, en toen wist Bharati het weer. ‘Linda, hoe gaat het met je?’ Ze glimlachte bij de gedachte aan haar sjofele en onelegante Engelse vriendin. ‘Waarom bel je? Wat is er gebeurd? Is het in Engeland niet midden in de nacht?’ ‘Ik ben in Delhi,’ zei Linda. ‘Mijn paper is goedgekeurd door de Academie voor levend Sanskriet. Ik heb je een mailtje gestuurd. Ik nam aan dat je het al wist. Ik ben gisteravond aangekomen en ik geef vanmorgen om elf uur mijn lezing. Wil je komen? Kunnen we iets afspreken?’ ‘Ben je hier voor de lezingen van mijn vader?’ 401


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 402

‘Ja. Hij verzorgt het welkomstwoord en dan geef ik mijn lezing, daarna is er een lunch en dan komt er ’s middags nog een andere spreker.’ ‘Geweldig,’ zei Bharati, die niet wist wat ze anders moest zeggen. ‘Hoe lang blijf je?’ ‘O, een week,’ zei Linda. ‘Er is nog iets, maar dat kan ik je niet telefonisch zeggen.’ ‘Wat is dat dan?’ ‘Ik zal het je uitleggen als we elkaar zien. Het is erg verwarrend. En ik weet niet zeker of ik het wel geloof.’ ‘Wat geloof?’ ‘De taxi staat voor om me naar het oude fort te brengen,’ zei Linda. ‘Ik moet gaan. En nog gefeliciteerd met je verjaardag.’

402


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 403

16 ‘Het is bijna tijd,’ riep Feroze naar Urvashi in de keuken. ‘Schiet op met de thee. We moeten zo weg.’ Ze werden om tien uur bij oom Hari thuis verwacht. Hij had gisteravond gebeld, vlak nadat Ram was vertrokken, om ze een gelukkig Divali te wensen en uit te nodigen voor een familiebijeenkomst. ‘Een verzoening,’ had hij op zijn dwingende manier gezegd. ‘Ik wil dat alles tussen mijn broer en mij weer goed komt. Hoe eerder hij je man leert kennen en ziet wat voor een geweldige vent hij is, hoe eerder hij het zal beseffen.’ ‘Wat zal beseffen, oom Hari?’ had Urvashi gevraagd, denkend aan de discussie die ze zojuist met Feroze had gehad over de dna-analyse van Ash Chaturvedi. ‘Hoe dom het van hem was dat hij je al die tijd niet wilde zien,’ zei oom Hari lachend. ‘Maak je geen zorgen, Pinki. Ik heb alles onder controle. Kunnen we jullie hier om tien uur verwachten?’ ‘Goed, oom Hari,’ had Urvashi geantwoord. Maar vanmorgen kon ze bijna niet meer normaal nadenken van de spanning. ‘Moet ik van nu af aan een hoofddoek om?’ vroeg ze met een verontruste blik op haar man toen ze de thee op tafel neerzette. ‘Beslist niet,’ zei Feroze. ‘Hoe kom kom je erbij? Ik vind je haar prachtig.’ ‘En vind je het niet erg dat andere mensen het zien?’ Ze schonk hem nog wat thee bij en wachtte op zijn antwoord. Hij keek haar aan. ‘Denk je soms dat ik een Taliban ben of zo?’ ‘Nee,’ zei ze en zweeg even. ‘Ik dacht alleen dat het zo in de Koran stond.’ 403


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 404

‘Dat is een uiterst onduidelijke verwijzing,’ zei Feroze en hij besmeerde zijn toast met vuurrode jam. ‘En wij leven veertienhonderd jaar later dan de Profeet. En volgens mij is kleding wel het alleronbelangrijkste aspect van ons geloof. Maak je om dat soort dingen toch niet druk. Bedenk liever wat je tegen je vader gaat zeggen.’ Ze ging aan tafel zitten. ‘Ik wil hem niet zien,’ fluisterde ze. ‘Hoe kan ik hem onder ogen komen nu ik weet dat...?’ ‘Hoor eens,’ zei hij en hij hief gelaten zijn handen op, ‘dat moet jij zelf beslissen. Het is jouw vader. Aisha is er vandoor gegaan en waarschijnlijk zien we haar nooit meer terug. Als je de wettelijke weg wilt bewandelen met die dna-test, dan zal ik je honderd procent steunen. Als je dat niet doet, is dat ook jouw beslissing. Ik dacht dat je zei dat het monster misschien vervuild was.’ ‘Allah zal me leiden,’ zei Urvashi vroom en ze dacht aan het vredige gevoel dat ze gisteravond had gehad toen ze was neergeknield om haar gebed te zeggen en haar voorhoofd tegen het tapijt had gedrukt en de woorden had gepreveld die haar schoonmoeder haar had geleerd. ‘Nee, dat doet hij niet,’ zei Feroze. ‘Je moet je eigen verstand gebruiken en zelf beslissen wat het beste is.’ ‘O mijn hemel,’ barstte Urvashi weer uit. Ze voelde haar maag zo samentrekken bij de gedachte dat ze haar vader straks zou zien, dat ze opstond, naar Feroze toe liep en haar armen om hem heen sloeg. Ze duwde haar gezicht tegen zijn borst en klampte zich aan zijn overhemd vast. Terwijl hij haar tegen zich aan drukte, probeerde ze diep in en uit te ademen en haar mans geur in zich op te nemen, zijn schone kurta, de geur van zijn pas gestreken katoenen khadi, maar haar misselijkheid nam niet af. Ze wilde huilen en krijsen, maar de tranen wilden niet komen. Ze had het gevoel dat ze viel en er welde een verstikt geluid uit haar keel op. Ik wil dat mijn vader weer van mij houdt. Onderweg naar Connaught Place in het noorden was ze in ieder geval blij dat de ontmoeting niet in het huis van haar ouders 404


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 405

plaatsvond. In de eerste maanden van hun huwelijk had ze er heel erg naar verlangd om weer naar het huis te gaan waarin ze was opgegroeid. Als ze ’s nachts naast haar man lag in hun overvolle slaapkamer in het claustrofobische huis van zijn ouders, had ze zachtjes gehuild, zo graag wilde ze terugkeren naar dat kleine, vertrouwde appartement met zijn geur van geelwortel en asafoetida, ooit de enige geuren waarmee ze binnenshuis bekend was. Ze was sinds de dag waarop ze was weggelopen niet meer terug geweest en vanaf dat moment hadden Feroze en zij het zuidelijke deel van de stad vermeden. Als het even kon, gingen ze niet verder zuidelijk dan Lajpat Nagar: ze reden liever een stukje verder naar de bioscoop in het zuidwesten, dan dat ze naar de leukere bioscoop gingen in Saket. Haar ouders woonden nog steeds in hetzelfde flatje waarin zij was opgegroeid, en het leek intussen net of er een onzichtbare muur langs de rondweg door Delhi liep, tussen Defence Colony en Greater Kailash, Sarojini Nagar en Safdarjung, die hun twee werelden scheidde. Ze staarde door de voorruit naar de eindeloze stroom auto’s, die allemaal hun ramen stijf dicht hadden vanwege de airco, en naar de gammele bussen waar de wind doorheen waaide. Ze passeerden het oude fort en de omringende gracht waarin bootjes met verliefde tienerstelletjes voeren. De stad als geheel voelde ver weg, onwezenlijk en geïsoleerd, nu ze in de strak afgebakende cirkel Nizamuddin, Khan Market en Defence Colony woonde. Ze realiseerde zich dat het kleine groepje mensen dat ze om zich heen had verzameld – Humayun de chauffeur, Aisha het dienstmeisje en de kleermaker op de markt – haar dierbaar was. Ze bad weer, tot Allah, dat het Humayun en Aisha goed zou gaan. En toen ze doorreden zag ze India voor zich, dat enorme land dat zich helemaal uitstrekt van de bergen naar de zee, met daarin de twee nietige stipjes van Humayun en Aisha, die verloren voortliepen over een weg die Urvashi zelf nooit had gezien, Kerala of Karnataka of Tamil Nadu, met hun bezittingen in een doek op Humayuns rug gebonden. De auto hield stil voor een stoplicht en een bedelares, een 405


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 406

vrouw met een baby, tikte tegen de ruit. Feroze tastte in een vakje naast de versnellingspook en haalde er een handvol munten uit. Hij draaide het raam open en gaf ze aan de vrouw; haar gejammer drong de auto binnen. ‘Nog tien roepie,’ smeekte ze. ‘Mijn kindje is ziek. God zal u zegenen met kinderen.’ Maar het licht sprong op groen en Feroze zette de auto in de versnelling, de bedelares liep met een geërgerd gebaar terug naar het trottoir. ‘Geef je ze altijd geld?’ vroeg Urvashi verrast. Ze kon zich niet herinneren dat hij dat al voor hun trouwen had gedaan, toen ze lange tochten in de omgeving van de stad maakten. ‘Ja.’ Hij wierp haar een zijdelingse blik toe en keek toen weer naar de weg. ‘Maar het zijn oplichters,’ zei ze. Hij was even stil en pas toen ze India Gate bereikten, zei hij: ‘Ik heb te doen met de kinderen.’ En hij legde zijn hand op haar buik en hield die daar totdat ze op Kasturba Gandhi Marg arriveerden. Het huis van oom Hari lag een stukje van de weg af. Het was zo’n koloniaal huis dat Urvashi vaak vanbuiten had gezien, maar waar ze nog nooit binnen was geweest. Ze voelde zich raar opgewonden. In dit huis woonde haar broertje nu. De voordeur werd opengedaan door oom Hari, die hen allebei toelachte. Hij schudde Feroze de hand en omhelsde Urvashi langdurig. Toen deed hij een stap naar achteren en keek naar haar: ‘Wanneer komt de kleine?’ vroeg hij. ‘In april,’ fluisterde ze en hij grijnsde breed, precies zoals ze zich herinnerde van vroeger. ‘Ben je bang om je vader te zien?’ wilde hij weten en toen ze knikte, zei hij op uiterst zelfverzekerde toon: ‘Het zal allemaal goed gaan,’ en ging hij hen zonder verdere plichtplegingen voor door de donkere gang naar een enorme zitkamer met ramen aan alle kanten, waar haar familie bijeen zat. Aan het hoge plafond hingen rijk bewerkte glazen kroonluchters. Urvashi zag vier gezichten hun kant uit kijken. Haar zusje Sunita zat stijfjes op een stoel midden in de kamer. Ze zag er keurig en zelfingenomen uit, 406


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 407

met haar glaasje sap in haar hand. Haar knappe broer Ram hing onderuitgezakt in een stoel. Haar moeder zat op een canapé, haar omvangrijke en eens zo vertrouwde gestalte was gewikkeld in een zacht paarse katoenen sari. En daar, naast haar, zat de man naar wie Urvashi zo lang had verlangd, haar vader. Hij sprak luid en geforceerd tegen niemand in het bijzonder toen ze binnenkwamen en hij zweeg niet eens toen Hari de van hem vervreemde dochter met haar moslimechtgenoot de kamer in liet. ‘Ik snap niet hoe iemand het kan verdragen om hier te wonen,’ zei hij. ‘Het is een wonder dat er nog steeds gezinnen in deze buurt wonen, want er zijn hier zo weinig voorzieningen en faciliteiten. Geen groenteventers, geen bewonersvereniging.’ ‘Er ontbreekt niets. Wij vinden het hier heerlijk,’ reageerde Hari en hij wilde nog iets zeggen, maar Shiva Prasad onderbrak hem. ‘Connaught Place zelf is ook erg veranderd,’ zei hij. ‘Toen ik pas in Delhi woonde, was het er schoon en netjes. Erachter, waar nu die flatgebouwen staan, speelden de jongens uit de buurt cricket. In het trouwseizoen kwamen de vrouwen er op zaterdagmiddag in een tonga naartoe om er hun sari’s te kopen bij Glamour.’ ‘In een tonga!’ riep Sunita uit, die vermoedelijk verbaasd was over het feit dat er een wereld zonder gemotoriseerde voertuigen had bestaan. Urvashi wendde haar ogen af van haar moeders blik, ze ging op de bank naast Feroze zitten en legde beschermend een hand op haar buik. Ze bevochtigde haar mond en ademde langzaam door haar neus om de angst die ze voelde tot bedaren te brengen. ‘Sunita,’ zei haar oom, ‘schenk jij even een glas limonade in voor je zus en Feroze?’ Terwijl Sunita met twee hoge glazen aan kwam zetten, gevuld met priklimonade en knappende ijsklontjes, praatte Urvashi’s vader maar door. ‘Er was een boekhandel die alle goede boeken in het Hindi verkocht,’ zei hij, en hij keek zoekend naar instemming van zijn kinderen om zich heen. Maar Ram viel hem in de rede. ‘En nu is er een McDonald’s en 407


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 408

een Benetton en allemaal andere fantastische buitenlandse winkels.’ ‘Professor Chaturvedi,’ Sunita deed ook een duit in het zakje, ‘zegt dat globalisering een gevaar is voor de Indiase cultuur.’ Ram richtte zich tot zijn vader: ‘Dan zijn de professor en jij het in ieder geval over één ding eens.’ Urvashi merkte dat haar broer zich uitsloofde, iets was hij vroeger thuis nooit op die manier deed. ‘Heb je hem nog onder handen genomen op de avond van de bruiloft, zoals je van plan was?’ vervolgde Ram. ‘Amma zei dat je al vroeg bent vertrokken omdat je wilde dat hij zijn antinationalistische theorieën herriep.’ De moeder van de kinderen maakte een sussend geluid. ‘Beta, jouw vader is een keurige man. Hij is naar de professor gegaan om bepaalde ideologische kwesties te bespreken. Begin hier alsjeblieft niet over waar Sunita bij is.’ ‘En was de professor het met je eens?’ drong Ram aan. Zijn ogen glansden, omdat hij voor het eerst het gevoel had dat hij zijn vader de baas was in een discussie. Shiva Prasad maakt een wegwerpgebaar. ‘Hij was niet thuis. Alleen het dienstmeisje was er.’ Op dat moment kwam oom Hari overeind en vroeg om stilte. ‘Ik heb jullie hier vandaag allemaal uitgenodigd,’ begon hij, ‘omdat ik onze familie weer bijeen wil brengen. We hebben ons allemaal op een of andere manier schuldig gemaakt aan het uiteenvallen ervan. Ik ben te lang weggeweest...’ Maar Urvashi hoorde amper wat haar oom zei. Er was een kilte in haar binnenste doorgedrongen. Alleen het dienstmeisje was er. Hari boog zijn hoofd: ‘...uit India, van mijn familie en mijn dierbaren...’ Alleen het dienstmeisje was er. ‘Mijn broer Shiva heeft zijn dochter verstoten...’ En nu gingen alle ogen naar Urvashi. ‘Maar het ogenblik is gekomen om de pijn uit het verleden achter ons te laten.’ Alleen het dienstmeisje was er. 408


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 409

Urvashi’s moeder begon opeens te jammeren op de hysterische, geforceerde manier die op begrafenissen gewoon is. ‘Mijn dochter, mijn dochter. We hebben onze dochter nooit verboden om met deze moslimmeneer te trouwen,’ zei ze en gebaarde in de richting van Feroze. ‘Ze is zelf weggelopen bij haar familie. Zij zou haar ouders om vergiffenis moeten vragen.’ ‘Ma!’ riep Ram uit, ‘ze is helemaal niet weggelopen. Wat zeg je nou? Pita-ji verbood het huwelijk en jij ook.’ Hun moeder had deze uitbarsting van haar zoon blijkbaar verwacht. Ze keek naar Urvashi en wachtte op wat zij zou zeggen. Jij was altijd het lievelingetje van je vader, hoorde Urvashi haar moeder weer zeggen in de stilte. Van jou hield hij het meest. Laat zien dat je een trouwe en respectvolle dochter bent, net als vroeger, tot je met die moslim trouwde. Toon je boetvaardig. Maar voordat Urvashi antwoord kon geven, stond haar vader op en liep hij naar haar toe met een vergevingsgezinde uitdrukking op zijn gezicht, haar geliefde vader die ze zo erg miste, en toen hij bij haar gekomen zijn hand uitstak en die op de bolling van de baby in haar buik legde, een gebaar waaruit zowel nederigheid als bezitsdrang sprak, toen keek Urvashi naar hem op. ‘Alleen het dienstmeisje was er. Wat bedoel je met dat alleen het dienstmeisje er was?’ Zijn gezicht nam een gekrenkte uitdrukking aan. Urvashi duwde zijn hand weg en stond langzaam op. ‘Mijn dienstmeisje – dat ook bij professor Chaturvedi werkt – werd op de avond van Sunita’s huwelijk verkracht.’ Het was haar stem, zij was aan het woord. ‘Vader is naar het huis gegaan toen er niemand thuis was omdat iedereen op de bruiloft was, alleen het dienstmeisje was er.’ Ze keek hen beurtelings aan en stelde zich de uitwerking voor van de woorden die ze ging zeggen. ‘Vaders dna is aangetroffen in het meisje.’ Er viel een langdurige stilte en toen begon haar moeder weer te gillen. Oom Hari draaide zich met woest zwaaiende armen naar haar toe. ‘Wat zeg je? Waarvan beschuldig je hem?’ Ram – of 409


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 410

was het Sunita? – schreeuwde dat Urvashi was geïndoctrineerd door moslimpropaganda. ‘Ik heb iedereen vandaag uitgenodigd om vrede te sluiten, niet om met elkaar op de vuist te gaan,’ riep oom Hari. Maar Urvashi was niet te stuiten. Ze wendde zich tot Sunita en legde uit dat het meisje was onderzocht door een dokter en dat hun vader aan de verkrachting kon worden gekoppeld dankzij het Arische-genenproject van Ash Chaturvedi, maar dat het meisje inmiddels naar Bombay was gevlucht en dat de politie niets ondernam. ‘Het genenproject van Ash?’ zei iemand, waarschijnlijk Ram. ‘Dat zou Ash nooit doen!’ zei Sunita geschrokken en Urvashi wist dat het nieuws voor haar zus het moeilijkst te verwerken zou zijn – zij was de jongste en onschuldigste van hen drieën. Urvashi hoorde dat haar moeder haar uitschold en zag haar toen op zich af komen. Ze merkte dat Feroze en Hari allebei voor haar gingen staan om haar af te schermen. Ze zag dat Ram zijn moeder bij haar schouders pakte en zijzelf liet zich door Feroze naar de deur leiden; en het allerlaatste wat ze zag toen ze vertrok was haar vader, die alleen in het midden van de kamer stond met gebogen hoofd, ineengeslagen handen en geopende mond alsof hij bad, en ze heeft nooit geweten (en in de daaropvolgende weken kon ook niemand het haar zeggen) of hij haar om vergeving smeekte of niet. Urvashi Ahmed zag de moeder van Humayun die winter nog één keer. Op een avond aan het einde van de ramadan kwam ze langs om te vragen of Urvashi iets van haar zoon had gehoord. Maar natuurlijk had Urvashi niets gehoord en ze moest de vrouw onverrichter zake laten vertrekken. Raziya liep van Urvashi’s huis terug over de weg langs het riool naar de woning van de professor. Ze had er een gewoonte van gemaakt om elke week, nadat ze haar atelier op slot had gedaan en voordat ze eten ging koken, bij Chaturvedi langs te gaan om aan de voordeur te vragen of ze een telefoontje hadden gehad, of 410


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 411

iemand iets had gehoord, wat dan ook. En steeds gaf de moeder van de professor hetzelfde antwoord: nog niet, maar zodra we iets horen laten we het je weten. In het begin wist Raziya zeker dat haar zoon zou terugkomen. Ze had zijn briefje gelezen en ze wist dat hij een gehoorzame jongen was, hoe trouw hij altijd alles had gedaan wat ze hem had gevraagd, dat hij braaf naar school was gegaan tot en met klas tien, dat hij elke maand zijn loon aan haar had afgedragen. De eerste dagen na zijn verdwijning dacht ze voortdurend aan hem. Ze dacht aan hem als ze bestellingen van haar klanten opnam – over een maand zou het Eid zijn en alle dames in de wijk dachten al aan de nieuwe kleren die ze zouden dragen en ze wilden allemaal praten over de voordelen van de wijd uitlopende mouw ten opzichte van de driekwart mouw, over een boothals of een hartvormige halslijn, afgezet met een bies of met de hand geborduurd, waarvoor Raziya’s atelier dertig roepie per tien vierkante centimeter berekende. Steeds dacht ze eraan waar hij zou kunnen zijn en wat hij deed. Ze dacht aan hem als ze ’s nachts in bed lag en maakte zich zorgen over zijn omstandigheden en over zijn veiligheid. Ze dacht aan hem als ze het atelier afsloot, als ze haar verdiensten telde en de helft ervan in een nieuwe afgesloten kist in haar slaapkamer opborg en met de andere helft naar de bank liep. Na drie dagen vergaf ze hem dat hij er zonder haar toestemming vandoor was gegaan. Er gingen vijf dagen voorbij en ze zag door de vingers dat hij het goud en haar geld had meegenomen. Na een week vervloekte ze zelfs zijn liefje niet meer. Ze begon te wensen dat zij hun verkering niet zo haastig had afgewezen. Op een middag informeerde Raziya bij haar bank op de markt naar haar saldo en zag toen dat ze behalve het zwarte geld dat zij net als iedereen in het land thuis of onder haar kleren had verstopt, in de afgelopen tien jaren twintigduizend roepie had gespaard. Een gedeelte daarvan bestond uit Humayuns loon. En dat had zij gespaard – waarvoor? Voor haar zoon en zijn vrouw en hun toekomstige kinderen, Raziya’s eigen kleinkinderen, die kleine ongeboren engeltjes, die zij zou aankleden, vertroetelen, op411


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 412

voeden en een leven vol geluk en overvloed zou bezorgen. De volgende zondag, nadat ze haar atelier al vroeg had dichtgedaan, nam Raziya de bus naar de grote markt in Lajpat Nagar, ze liep met vijfhonderd roepie in haar handtas de weg uit en koos een uur later in een winkel op de overdekte markt een lichtgroen babyhansopje uit met borduursel van kleine rode bloemetjes op de borst. Voordat ze weer naar huis ging, liep ze nog de eerste de beste armbandenwinkel binnen die ze tegenkwam, waar ze een doos met twaalf mooie rood glazen armbanden voor Aisha kocht. Terug in Nizamuddin keek Raziya in haar kleine huisje om zich heen en probeerde zich een voorstelling te maken van hoe het zou zijn als haar schoondochter bij haar in zou trekken. Ze overwoog of ze bij haar in deze kamer konden verblijven – het zou een kleine moeite zijn om een mooi dik gordijn te naaien dat de slaapruimte in tweeën deelde – of dat zijzelf beter in de gang naar de keuken kon slapen. Dan was er nog de vraag waar de kindjes moesten blijven. Ten slotte besloot ze dat ze een muur in het midden van de slaapkamer zou laten plaatsen en ze belde een man van de markt, die met zijn rolmaat aan kwam zetten. De man ging gekleed in een smoezelig bruin overhemd dat nodig gewassen moest worden – hij was een hindoe –, hij trok zijn schoenen uit, keek eerbiedig het kamertje rond dat zij aan hem liet zien en vroeg op bedachtzame toon nadat hij op en neer drentelend wat maten had opgenomen: ‘Heeft u ook toegang tot het dak?’ Ze knikte: natuurlijk, het dak. Daar stond toch bijna niets, alleen een paar potten met tulsi en koriander, een kleine rode peper en de watertank. Ze gingen samen naar het dak en de man liet zien hoe hij een grote slaapkamer van betonblokken en een geïsoleerd dak kon bouwen in minder dan geen tijd en voor slechts tienduizend roepie. Raziya dacht erover na en dong af tot vijfduizend door te kiezen voor betonplaten bekleed met piepschuim. De man keerde de volgende morgen terug met zijn mannen en toog aan het werk, en Raziya richtte in gedachten de ruimte in, ze vulde die 412


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 413

met voorwerpen die geschikt waren voor een bruidskamer. Inmiddels was het de tweede week van ramadan en al haar personeel vastte en in de kleine ruimte waar de naaisters werkten (achter het kamertje waar Raziya haar klanten ontving) liepen de irritaties hoog op – ze klaagden allemaal over het overal rondstuivende stof dat de hindoeaannemer veroorzaakte en dat zijn mannen aan hun schoenen mee naar beneden namen, en over het lawaai dat het zagen van planken veroorzaakte en vooral over de sigarettenrook die van het dak naar beneden dreef, en rond schafttijd klaagden ze over de heerlijke geuren van de in gamellen meegenomen hindoelunches. Maar de man was snel en de kamer was binnen een week klaar. Zodra hij klaar was liet Raziya een andere man komen – deze keer iemand uit de basti – en ze betaalde hem driehonderd roepie voor verf (uit Bhogal) en tweehonderd roepie voor zijn werk, en ruimschoots voor Eid was de kamer glanzend wit en rook hij naar de hoogglanslak die op het houtwerk was aangebracht. Raziya had intussen een bezoek gebracht aan de timmerman die aan de rand van de bastimarkt woonde en had een tweepersoons bed besteld, waarvoor ze negenhonderd roepie neertelde. De timmerman had het van degelijke Indiase multiplex gemaakt, met een lattenbodem van hardhout, die een beetje zoetig en wee rook, alsof hij uit een vuilnishoop was getrokken, en de volgende dag kwam Raziya uit Bhogal thuis in een fietsriksja waarop een nieuw schuimrubberen matras balanceerde, twee tweepersoonslakens en een dikke groen met roze deken, die nog in hun doorzichtige verpakking zaten, en een paar rode rozen van stof met dauwdruppels op de bladeren geplakt, die ze had gekocht in de winkel met wenskaarten en cadeautjes naast de drogist. Toen het bed in elkaar zat en was opgemaakt en de rozen in een vaas op de vensterbank prijkten, pakte ze uit de rij hangertjes in haar kleermakerij de kleding die zij hoogstpersoonlijk had genaaid: een witte kurta en pyjama van handgesponnen en -geweven khadikatoen voor haar zoon en een eenvoudig, maar mooi 413


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 414

belijnd ensemble van een in rood- en paarstinten bedrukte dikke katoenen stof met een bijpassende doorschijnende sluier voor zijn vrouw, en dit alles droeg ze naar het dak, waar ze het hangslot van de kamer openmaakte en de kleren naast het babypakje uitspreidde op het tweepersoonsbed, met zijn nieuwe lakens en gekleurde deken. Ze ging op het voeteneinde van het bed zitten, stak haar kin in de lucht en luisterde; ze stelde zich op deze plek haar zoon voor met zijn vrouw en kind. Ze hoorde niets, alleen de auto’s op Lohdi Road, de kraaien op de elektriciteitsdraden en de roofvogels die ver boven haar hoofd door de lucht suisden.

414


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 415

17 Linda liep naar de lessenaar en keek om zich heen naar het fort van keizer Humayun met zijn authentieke middeleeuwse kantelen en achthoekige bibliotheek van roze zandsteen (precies zoals in de geschiedenisboeken was beschreven), zijn enorme, voor olifantenprocessies geschikte toegangspoort en indrukwekkende uitzicht over de stad. Zij stond te midden van dit alles en keek naar het publiek dat in dichte rijen op de betonnen treden zat van wat doorging voor het openluchtauditorium van het fort – op deze zelfde plek hadden vluchtelingen op weg naar Pakistan, hovelingen van keizer Humayun en de gebroeders Pandava ook allemaal gestaan. Ze kon nog steeds niet geloven dat ze eindelijk in India was en op deze gewijde plaats, waar ze in het verleden zo vaak aan had gedacht, op haar verjaardag nog wel, een lezing gaf over de Mahabharata. Sinds ze de luchthaven uit was gewandeld en de warme, kruidige lucht had opgesnoven, had ze er steeds aan moeten denken hoe vreemd dit allemaal was. Ze dacht aan haar moeder, die vóór haar hier was geweest op weg naar de oostelijke gebieden van het land en toen nog jonger was geweest dan Linda nu; die gedachte prikkelde haar toch al vermoeiende permanente staat van verbijstering nog meer. Ze dacht aan haar moeder toen ze een taxi naar het stadscentrum nam, toen ze haar hotel uit liep en naar de straten keek die haar omringden, zich vergaapte, luisterde en zwolg in alle tinten rood, oranje en groen – zoals ze als dertienjarig dorpskind ook met stomheid geslagen was geweest op Leicester Square. En onder de aantekeningen voor haar lezing lag de keurig uit415


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 416

getypte zogenaamde ‘roman’ die ze voor de mysterieuze Indiase klant op schrift had gesteld. Het keurige typoscript verloochende de chaos. Linda was een vurig aanhangster van het proces van de verbeelding, maar er werden dingen in beweerd waarvan zij wist dat ze feitelijk onjuist waren. Het was verzonnen of het was een bewerkelijke grap, die de spot dreef met haar eigen masterscriptie. Er stond echter ook een heleboel in dat wel klopte. Linda legde haar aantekeningen op de lessenaar en wierp een blik op de menigte verwachtingsvolle gezichten. Professor Chaturvedi had zojuist de inleiding verzorgd, waarin hij de gebruikelijke dingen vertelde over de god Ganesh, vermengd met een paar politieke uitspraken over de huidige regering, en zijn overbeleefde dank had uitgesproken aan de grondleggers van de Academie en een tamelijk korte en droge verklaring had afgelegd over wat dit nieuwe instituut hoopte te bereiken in India en daarbuiten. Nu was het Linda’s beurt. Natuurlijk was ze zenuwachtig. Ze hoopte maar dat ze niet al te erg zou blozen. Ze bad dat haar stem het niet zou begeven, dat haar handen niet zouden trillen, dat de velletjes papier van haar lezing niet tussen het publiek zouden waaien. Ze had goed naar de professor gekeken toen hij sprak. Voor haar onderzoek had ze bijna alles gelezen wat hij had gepubliceerd. Ze was vertrouwd met zijn frequente, prettige stembuigingen, zijn in academische kringen zeldzame talent om hele periodes uit de geschiedenis met een paar brede, heldere penseelstreken neer te zetten. Zij had zich vanmorgen zodra ze aan elkaar waren voorgesteld gerealiseerd dat zijn vermogen om de oude tijden tot leven te brengen, gedeeltelijk te danken was aan zijn eigen houding, die open, aantrekkelijk en toegankelijk was. Daarbij waren zijn omgangsvormen losjes: seksuele diplomatie, betrekkingen met het andere geslacht, vrouwen was zijn visitekaartje. Te oordelen naar het aantal jonge vrouwen in het publiek vonden zijn studentes dat in gelijke mate schokkend en stimulerend. Als docent werd hij duidelijk erg bewonderd. Linda vroeg zich af hoe ze Bharati moest vertellen wat ze te weten was gekomen over professor Chaturvedi. 416


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 417

‘De legende van Ganesh als de scribent van de Mahabharata,’ stak Linda van wal, ‘valt onder geleerden niet in goede aarde. Hoewel Ganesh een populaire god is, die alomtegenwoordig is in de folklore, zijn juist deze woorden – populair en folklore – Sanskriet-geleerden een gruwel. Zij hebben over het algemeen minachtend neergekeken op de literaire kwalificaties van Ganesh, hem als anachronistisch afgedaan en uit hun edities geschreven. Vandaag wil ik de god Ganesh zijn plaats teruggeven in het hart van de Indiase literaire canon.’ Toen ze de blik opving van haar vriendin Bharati, die op de derde rij zat naast een man krullen die Linda inschatte als haar nieuwste vriendje, glimlachte ze. ‘De beschrijving van de rol van Ganesh als scribent hoort bij de opbouw van het epos, en toch is die sinds het einde van de negentiende eeuw al in gevaar, toen de opvatting in zwang kwam dat Ganesh een valse, latere toevoeging aan het epos was. Uit de eind-twintigste-eeuwse Chicago-vertaling van de Mahabharata is de episode met Ganesh zelfs helemaal geschrapt.’ Linda wist dat professor Chaturvedi deze opvatting, dat Ganesh een latere toevoeging was, als uitgangspunt had gebruikt voor zijn veel geciteerde dissertatie over deze god en dat de theorie die zij aan haar toehoorders voorlegde, die ook zijn toehoorders waren, een subtiel vraagteken plaatste bij zijn geleerdheid. Dat was geen veelbelovend begin voor hun toekomstige betrekkingen, maar dat was dan jammer. Ze nam een slokje water. Ze voelde zich heel rustig. ‘Waar kwam dit idee vandaan? De eerste persoon die dit opperde was een van de grondleggers van de Sanskriet-studies in Europa, de bekende negentiende-eeuwse geleerde Moriz Winternitz. Winternitz merkte op dat er flagrante verschillen bestonden tussen de verschillende versies van de Mahabharata, hetgeen niet verrassend was, gezien de lengte en ouderdom ervan en de oorspronkelijk mondelinge overlevering van de tekst.’ Ze keek zijdelings naar professor Chaturvedi. Hij luisterde heel aandachtig naar wat ze te zeggen had. 417


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 418

‘De belangrijkste verschillen die geleerden vonden toen ze de diverse edities naast elkaar legden, was de “opmerkelijke” weglating van de Ganesh-legende in de Zuid-Indiase tekst. Daarom stelde Winternitz voor een “Genootschap voor epische teksten in het Sanskriet” op te richten, dat als einddoel de publicatie van een ultieme editie van de Mahabharata had, waarin alle verschillen zouden zijn verenigd. Dit voorstel leidde tot de Bhandarkar-editie, die op zijn beurt de marginalisatie van de Ganesh-legende tot gevolg had.’ Linda kreeg er plezier in. Ze zocht het publiek af naar de personages van de Dictator, met wie zij de laatste tijd zo vertrouwd was geraakt. Misschien was dat ‘Pablo de Beschermer’ wel, die naast Bharati zat. En wie was die zorgelijk kijkende jongen aan haar andere zijde? ‘Ash de Genealoog’? Was de verlegen en teruggetrokken Sunita naar de lezing gekomen? Was ‘Urvashi de Waarheidsverkondigster’ aanwezig? ‘Het is te begrijpen waarom Winternitz en zijn volgelingen tot deze conclusie kwamen. Behalve in de episode waarin het dicteren wordt beschreven, wordt Ganesh nergens in de Mahabharata genoemd, niet in de Ramayana, noch in de Veda’s, en gegeven het feit dat de eerste geverifieerde tekstuele opwachting die hij elders in de Sanskriet-literatuur maakt pas in de betrekkelijk recente Purana’s is – van omstreeks de vijfde eeuw na Christus, dus mogelijk duizend jaar na de eerste vertelling van de Mahabharata – hebben geleerden tot nu toe een goede reden gehad om aan te nemen dat de legende over het dictaat niet voor die datum in het epos heeft kunnen bestaan.’ Linda zag professor Chaturvedi instemmend knikken. ‘Voorts wordt er in de historische Puranische verering van Ganesh, die eenvoudiger te traceren is, geen enkele keer gerept over de olifantgod als scribent. Zoals een geleerde in de twintigste eeuw opmerkte: “Geen enkele oude Indiase muurschildering en geen enkel oud Indiaas beeld laat hem in die rol zien.” Iemand anders betoogde dat de “late inlassing” een pragmatische poging achteraf zou zijn om “Ganesh in het epos te krijgen, omdat erover 418


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 419

wordt beweerd dat alles wat er niet in is opgenomen, niet bestaat”. En toch zijn er wel degelijk bepaalde kenmerken in de Purana’s te vinden die gekoppeld kunnen worden aan de dicteerlegende van de Mahabharata. Ik geloof dan ook dat deze aantonen dat de Ganesh-legende al van het begin af aan was opgenomen in de Mahabharata en dat hij daar om een speciale, historische reden in stond.’ Professor Chaturvedi keek inmiddels uitgesproken alert. Linda kon haar plezier niet onderdrukken. Tijdens het uittypen van het dictaat van de Dictator had ze zich aanvankelijk laten meeslepen door de geringschattende visie die de verteller had op Vyasa in de Mahabharata, maar haar huidige positie tegenover de professor maakte het lastig om die visie nu uit te dragen. ‘In de Purana’s,’ vervolgde ze, ‘worden Ganesh vrouwen (of attributen) geschonken, die wel Buddhi of Siddhi heten, of Buddhi en Riddhi. Geleerden hebben lange tijd aangevoerd’ – ze wist dat ze met dit punt indirect kritiek leverde op professor Chaturvedi zelf – ‘dat de associatie van Ganesh met het geschrift voortkwam uit het verwarren van de naam van zijn vrouw Siddhi (het woord siddhi betekent succes) met siddham (een term voor het Hindialfabet uit vroeger tijden). Maar de geleerden hebben niet bestudeerd of het mogelijk is dat de naam Buddhi in feite verwijst naar de Boeddha.’ Een vrouw die een paar rijen achter Bharati zat, keek met een ruk op. Linda had haar al eerder opgemerkt omdat ze steeds notities zat te maken, en nu keek ze beurtelings naar de vrouw en Bharati. Ze leken op elkaar. Zou zij wellicht de beroemde Leela zijn? ‘Ik zou willen aanvoeren dat Ganesh’ rol in de Mahabharata een reactie is op de concurrentie die het boeddhisme vanaf de zesde eeuw voor Christus vormde voor de mondelinge hegemonie van de Veda’s. Houd in gedachten dat waar de Vedische traditie was gebaseerd op mondelinge overlevering middels het “perfecte”, elitaire voertuig van het Sanskriet, het boeddhisme een deugd maakte van het verspreiden van zijn boodschap in alle dia419


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 420

lecten, talen en geschriften waar het maar mee in aanraking kwam. En terwijl de Vedische priesters de nadruk legden op veda (aankondigen of verklaren), was de Boeddha gericht op budh (begrijpen, bewustwording), dat wil zeggen op het werkelijk begríjpen van de geschriften in plaats van ze eenvoudigweg te herhálen.’ Die Leela-mevrouw was echt beeldschoon. Ze had donker golvend haar, net als Bharati, en de langwerpigste, grootste ogen die Linda ooit had gezien. Linda dacht aan de Dictators beschrijving van Leela in zijn boek – haar met ‘koeienwimpers’ bekroonde ogen – en bedacht dat dit haar geen recht deed. Ze was toch al niet zo ingenomen geweest met de vrouwelijke personages van de Dictator. Ze had zo haar twijfels over hun al te weelderige gestaltes, hun glanzende huid, hun donkere, golvende haren die net zo krachtig glansden als de Ganges. Ze twijfelde aan hun borsten; die ergerlijk volmaakte rondingen, die zo groot en glad waren als supermarktmeloenen. ‘Ganesh’ huwelijk met Buddhi in de Purana’s staaft de aanspraak die de hindoes maken op de geschriften. Maar je kunt met hetzelfde gemak betogen dat hij door de hindoes in de Mahabharata is opgenomen om het nieuwe en tot dusverre geschuwde medium te annexeren: dat van het schrift, dat dankzij de boeddhisten steeds populairder werd in India.’ Deze Leela-dame vormde de enige uitzondering. Ofschoon de Dictator zich nog weleens liet meeslepen door zijn verhaal (dat merkte Linda aan de kramp die ze in haar vingers kreeg als ze een breed uitgesponnen verhaal uittypte), en ze soms in verwarring werd gebracht door zijn wonderbaarlijke verhalen over Leela’s wel en wee, toch voelde ze een zekere bewondering. Als ze naar de bedaarde Indiase stem luisterde die uitweidde over de diverse incarnaties van Leela, dan was ze nu en dan zelfs jaloers. Zo’n vrouw wilde zij ook zijn. Zij wilde ook beschreven worden als een moedige en onverschrokken vrouw die bij iedereen hartstocht opwekte. ‘We kunnen dit zien aan de manier waarop de episode over 420


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 421

het dicteren aan Ganesh is beschreven in de Noord-Indiase editie van het epos. Hierin beschermt het op schrift stellen “de goddelijke woorden in de taal der waarheid”. Voor het eerst in de geschiedenis wordt het geschreven woord een integraal onderdeel van het Vedisch hindoeïsme.’ Hoe meer ze Leela’s verhaal volgde – en dat van Meera, haar speelkameraadje, steun en bondgenoot – hoe meer Linda ook zichzelf in het boek begon te wensen. Ze wilde een van de volgelingen van Leela zijn. Ze wilde in die koele binnenhoven van klei zitten, in de schaduw van die tamarisken, naast ijskoude bergrivieren. Het duurde niet lang of elke episode die de Dictator over Leela bedacht, onderging in haar fantasie diezelfde metamorfose. ‘Maar de vraag blijft,’ zei Linda, ‘als het Vedisch hindoeïsme Ganesh heeft gebruikt als reactie op de aspecten van het boeddhisme die als zeer bedreigend werden – vanwege het “begrijpen” en opschrijven van teksten –, hoe verklaart men dan de Ganeshverering binnen het boeddhisme? Waar komt Ganesh vandaan? Al het materiaal dat ik heb bekeken wijst erop dat Ganesh in het boeddhisme onafhankelijk, in dezelfde periode, werd vereerd. De dochter van keizer Indiase mastboom nam de Ganeshverering mee naar Nepal. De Boeddha zelf openbaarde een mantra ter ere van Ganesh aan zijn metgezellen. Door het boeddhisme heeft de verering van Ganesh zich wijd verbreid tot buiten de grenzen van India naar de boeddhisten in Nepal, China en Tibet, evenals Birma en Indonesië. De boeddhistische schilderingen en beelden uit China zijn zelfs ouder dan alle Ganeshbeeltenissen van India. Als het boeddhisme de Ganesh-verering al zo vroeg naar China heeft gebracht, dan zou die logischerwijze daarvóór al in India moeten hebben bestaan.’ Pas toen ze aan het einde was gekomen van de bandjes van de Dictator zag ze in hoe sterk dit verhaal verbonden was met dat van Bharati. Waarom had deze onbekende man zich geroepen gevoeld om een fantastisch verhaal in een dictafoon in te spreken over Bharati’s vader Vyasa en het aan haar te geven om het op papier te zetten? Moest ze Bharati waarschuwen? Ze stond op het 421


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 422

punt om haar moeder op te bellen, die er trouwens faliekant tegen was geweest dat zij het typewerk voor de Indiër zou doen, om haar advies te vragen, toen ze een e-mail kreeg dat haar paper was geaccepteerd door de Academie voor levend Sanskriet. Ze ging naar Delhi! ‘Ganesh zelf,’ zei Linda, ‘vertegenwoordigt waarschijnlijk een pan-Indiase god die nog ouder is dan de Veda’s, die reeds in preArische tijden werd vereerd en later symbool zou staan voor de omverwerping van de elitaire Sanskriethiërarchie en de gedachteloze herhaling, ten gunste van werkelijk begrip, door de tekst op te schrijven.’ Dus toen ze haar moeder belde ging dat niet meer over het typewerk, maar was ze inmiddels dolenthousiast en vol van haar reis naar India, waar ze haar paper in het bijzijn van Ved Vyasa Chaturvedi zou voorlezen. ‘O, Linda!’ flapte haar moeder eruit. ‘Als je naar Delhi gaat om die lezing te geven, kom je oog in oog te staan met je vader!’ ‘Waar heb je het over, mam?’ vroeg Linda. En toen kwam het er allemaal uit: dat de man die haar in 1979 zwanger had gemaakt een Sanskriet-geleerde was, dat ze zijn naam wel kende, maar dat hij onmogelijk kon weten waar zij naartoe was gegaan en dat ze een kind van hem had gekregen, en daarom was het baby’tje Linda grootgebracht als een Engels meisje, als dochter van een jeugdliefde met wie haar moeder haastig was getrouwd toen ze terugkeerde uit India. ‘Mam! Waarom heb je me dat niet eerder verteld?’ ‘Dat wilde ik wel,’ zei haar moeder, ‘en toen ik begreep dat je je in India verdiepte, ben ik naar Londen toe gekomen om je het te vertellen. Maar ik kon het niet. Stel dat je vader je niet zou willen leren kennen, na al die jaren?’ En moeder en dochter huilden samen door de telefoon, door emoties overmand. ‘Wat deze weggestopte geschiedenis laat zien,’ besloot Linda, ‘is dat Ganesh de schrijver er was om alles bij elkaar te brengen. De Mahabharata is een reusachtig, allesomvattend werk waar tal422


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 423

rijke denkers in de loop van honderden jaren aan hebben gewerkt. Een tekst die van iedereen is, die de neerslag is van ontelbare verhalen, hofkronieken, geloven, praktijken en religies, het werk van vele denkers vervat in een lang en zeer divers heldendicht over de geschiedenis van India. Daar het epos geschreven is in de loop van honderden jaren komt er een zeer groot aantal uiteenlopende personages, plaatsen en gebeurtenissen in voor, en is het zo’n mengeling van tradities, orthodox en onorthodox, dat het na één keer lezen onmogelijk te bevatten is. Ganesh en zijn pen maken het epos begrijpelijk. Door de Mahabharata op te schrijven heeft Ganesh een nieuw tijdperk ingeluid.’

423


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 424

18 Mijn doel was om broers en zussen te herenigen, moeders en dochters samen te brengen, de obstakels uit de levens van mijn personages te verwijderen die hun geluk in de weg stonden en om Vyasa’s wandaden aan het licht te brengen. Ik kon niet anders dan mezelf feliciteren toen ik daar, in het fort, naar mijn personages keek die zich hadden verzameld in Indraprashta. Ik overzag het tafereel en de krachtige emotionele woelingen, en dacht tijdens een plezierig gedachtesprongetje aan alle hoogdravende zinnen, die Vyasa mij in zijn tomeloze trots had opgedragen in zijn epos op te schrijven over het paleis van de Pandava’s. (De bloemen die uit de hemel regenden, de van goud gemaakte bomen, de edelstenen die hierheen waren gebracht van een berg ten noorden Kailash om de wanden te versieren.) Ik genoot ervan dat de woorden van Linda de aandacht van het publiek zo effectief van Vyasa hadden afgeleid: wat had ze me slim in ere hersteld, onder de onwetende auspiciën van Vyasa, in het hart van de Indiase geschiedenis en traditie. Ik zag van een afstand dat Bharati Linda aan haar broer voorstelde, en toen zag ik Leela naar hen toe lopen. Er trok een weifelende uitdrukking over Bharati’s gezicht en dat van Leela had even iets angstigs, maar tot mijn onuitsprekelijke vreugde en oneindige tevredenheid stak Bharati haar armen uit naar haar moeder. Ik zal die aanblik nog eonenlang koesteren. Even keken Pablo, Linda en Ash ademloos naar de omhelzing van de vrouwen en toen maakte Bharati zich abrupt los, ze keek met een strijdlustige blik in het rond en begon omstandig te gebaren terwijl ze wijs probeerde te worden uit het 424


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 425

verhaal van Linda over de ontdekking van een kersvers Engels zusje en de dictafoon van een merkwaardige Indiase schrijver. En ik stond erbij, keek ernaar, en wist zeker dat het verhaal dat ze vertelde, het mijne was. De laatste woorden die ik in de dictafoon sprak, luidden: Dit verhaal is voor Leela. En toen Linda het typoscript gehoorzaam aan mijn heldin overhandigde, voelde ik dan ook grote vreugde over het feit dat mijn personages precies hadden gedaan wat ik voor hen in petto had gehad. Mocht ik nog een zorg hebben, dan betrof die de arme Ash, die werd verscheurd tussen Sunita en Ram en niet in staat was deze twee kanten van zichzelf te verenigen. Maar ik vertrouwde erop dat Leela en hij bevriend zouden raken en dat zij hem zou helpen bij het vinden van zijn weg. Het werd trouwens onderhand tijd dat hij ook een moeder kreeg. Nu was mijn enige taak het boek zelf. Ook al ging ik volledig op in deze glorieuze overpeinzingen, toch vergat ik me niet te vermommen voor mijn laatste ontmoeting met Leela. Ik liep haar achterna over de grasvelden van het fort, wikkelde intussen mijn hoofd in een sjaal, pakte een grote straatbezem en veegde de bladeren van het pad op de bedachtzame (sommigen zouden zeggen lijzige) manier die is voorbehouden aan Indiase tuinlieden in overheidsdienst. Op die manier zou ze mijn bestaan niet eens opmerken, vermoedde ik, ook al was ik enigszins te welgevuld voor het werk. Ik had gelijk. Nadat ze met haar dochter had gepraat en het manuscript had aangenomen van mijn kleine Engelse typiste, maakte ze zich los van het gedrang en liep rechtstreeks naar de achthoekige stenen bibliotheek van keizer Humayun, met een stralende lach, die ik in geen eeuwen op haar gezicht had gezien. Leela ging op de bovenste tree van de bibliotheek zitten en keek uit over het groene bomenbaldakijn van dit omvangrijke fort, met het boek op schoot. Ik keek naar de kloeke contouren van de bibliotheek, die gebouwd was door de inlijvende en ingelijfde Afghaanse koning, met zijn in rood zandsteen ingelegde witmarmeren sterren, en ik dacht aan mijn personages, die als sterren in 425


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 426

de hemel door de tijd waren verspreid en die nu voor altijd waren vastgelegd op de bladzijden van mijn boek. Toen begon Leela het typoscript van Linda te lezen en ik zag met genoegen dat haar glimlach plaatsmaakte voor een blik van verwarring en daarna verwondering. Ze sloeg bladzijde na bladzijde om van het script dat ik in mijn wijsheid had ingesproken en toen ze het uit had, keek ze op en blikte met een diepe frons op haar voorhoofd in de verte. Ten slotte ordende ze de losse vellen papier en stopte die terug in de envelop. Toen haalde ze een notitieblokje tevoorschijn en boog haar hoofd, ze keek zelfs niet op toen ik in haar buurt kwam. Ik zag dat ze aan het schrijven was – ze schreef, streepte door en schreef opnieuw. Maar iemand verstoorde dit kalme tafereeltje, waarin sprake was van wederzijdse schepping. Ik liet mijn bezem met overdreven streken rondwaaieren en stapte in de coulissen toen Vyasa met grote passen over het grasveld aan kwam zetten. Hij schraapte zijn keel en toen ze niet reageerde, sprak hij haar met zijn allerverleidelijkste stem aan: ‘Leela?’ Ze keek op en ik zag meteen aan haar gezichtsuitdrukking dat ze, ook al stond ze open voor de wereld der boeken, monumenten, olifantenscribenten en dochters, hém altijd op afstand zou houden. Dat deed mij genoegen. ‘Dag, Vyasa,’ zei ze. ‘Ik hoop dat ik je niet stoor,’ zei hij. (Ik was opgetogen om te zien hoe zenuwachtig hij zich losjes trachtte voor te doen.) ‘Erg aardig dat je naar de lezing bent gekomen.’ Leela zweeg even voordat ze antwoordde: ‘De laatste lezing was erg interessant. De spreekster zit bij Bharati op de universiteit, is het niet?’ ‘O ja?’ zei Vyasa, maar kennelijk wilde hij iets anders aan haar kwijt. ‘Bharati vertelde me dat... dat...’ Hij leek het niet over zijn lippen te kunnen krijgen. ‘Ik wilde je zeggen dat ik het erg spijtig vind,’ zei hij uiteindelijk. ‘Wat vind je spijtig?’ ‘Alles wat er gebeurd is,’ zei hij en hij probeerde zijn stem onder controle te houden. ‘Ik had geen idee dat je een kind had ge426


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 427

kregen. En dat Meera dat wist.’ Hij streek over zijn baard. ‘En dan de gedichten.’ ‘Die gedichten doen er niet toe,’ zei ze. ‘Dat is een jeugdwerk.’ Haar stem klonk prachtig helder en rustig. Ze richtte haar blik weer op de woorden die ze aan het schrijven was, maar hij bleef staan. Ze keek op en zuchtte. ‘Wilde je nog iets zeggen, Vyasa?’ ‘Nee,’ zei hij. ‘Nou ja, het feit dat je...’ Hij keek haar smekend aan. ‘...Bharati’s moeder bent...’ Tot mijn grote voldoening zag ik dat hij zich als een verlegen tiener gedroeg. Hij wilde duidelijk dat ze een verzoenende opmerking zou maken. Maar ze hield haar mond en daarom zei hij (omdat hij tot het wijze inzicht was gekomen dat hij misschien nooit meer zo’n kans zou krijgen als nu): ‘Waarom heeft zij het kind genomen?’ ‘Waarom? Omdat ze mijn zus was. Omdat ze zich verantwoordelijk voelde. Maar ik geloof niet dat het nodig is om over het verleden te praten.’ ‘Nee, natuurlijk niet,’ haastte hij zich te zeggen, hoewel het glashelder was dat hij precies het tegenovergestelde voelde. ‘Leela? Ik hoop echt dat wij... vrienden kunnen zijn?’ ‘We zien wel,’ zei Leela, die abrupt opstond en de treden af liep. ‘Heb je een vuurtje voor me?’ riep ze. Ik keek op. Ze praatte tegen mij. Ze hield een sigaret in de hoogte. Inmiddels had ik de bladeren en het gemaaide gras op een enorme hoop geveegd in een hoek van het pad dat om de acht zijden van de bibliotheek heen liep. Tijdens hun gesprek was ik naar achteren gelopen en weer naar voren, op en neer, wel en niet passend bij mijn personage. Het zweet was me zelfs uitgebroken. Pas toen ik voor mijn bladerhoop was neergehurkt en er behoorlijk lang naar had gestaard – alsof ik die intens boeiend vond en hij het antwoord bevatte op alle geheimen van het universum – en uiteindelijk toch maar een lucifer had gepakt, sprak ze me aan. Toen ik naar haar luisterde voelde ik mijn liefde voor haar zwellen als de keel van een zangvogel. 427


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 428

‘Wilt u een vuurtje?’ vroeg ik. ‘Graag,’ antwoordde ze. Ze kwam naar me toe met het manuscript onder haar arm en bleef naast mijn bladerhoop staan, pakte de lucifer over en stak haar sigaret aan. Toen wierp ze een laatste blik op Vyasa. ‘We moeten het hier maar eens een andere keer over hebben,’ zei ze niet onvriendelijk, ‘niet nu. Kijk.’ Ze wees over het gazon heen naar de plek waar Bharati, Ash en Linda stonden. ‘Je kinderen hebben je iets belangrijks te vertellen. Tot ziens, Vyasa.’ Ze wachtte rustig tot Vyasa over de grasvelden was weggelopen en vestigde haar blik toen op mij. ‘Rookt dat niet erg,’ vroeg ze op de bladerhoop wijzend, ‘als je die nu aansteekt?’ ‘Het ruikt juist heerlijk,’ zei ik stoutmoedig en ik liet er poëtisch op volgen: ‘De geur van zovele herfsten in Delhi.’ ‘En hoeveel herfsten heb jij al meegemaakt?’ wilde ze weten, terwijl ze me aankeek met die zijdelingse blik waar ik zo van hield en een trekje van haar sigaret nam. Ik zweeg even, alsof ik in mijn hoofd aan het tellen was. ‘Dat is moeilijk te zeggen,’ zei ik op het laatst. ‘Zoveel?’ Ze trok een wenkbrauw op. ‘Ben je hier geboren?’ ‘Nee, mevrouw,’ zei ik, om er moedig aan toe te voegen: ‘Ik ben ergens heel ver hiervandaan geboren.’ ‘En ga je daar gauw weer naartoe?’ vroeg ze. ‘O nee!’ Ik keek haar geschrokken aan. Terug naar Kailash? Stel je voor. ‘Dus je blijft voorgoed hier?’ vroeg ze. ‘Mevrouw, ik probeer niet aan mijn dood te denken. Het gaat tenslotte om wat we doen tussen onze geboorte en het zekere einde in.’ ‘Zeg je daarmee dat het einde definitief is?’ ‘Ik zeg alleen dat wat ertussenin ligt belangrijk is.’ ‘Inderdaad,’ beaamde ze. ‘Wat ertussenin ligt is van het grootste belang.’ Toen ze dat zei, wist ik dat ze zich rechtstreeks tot mij richtte, 428


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 429

in mijn goddelijke hoedanigheid. Ze liet me weten dat ik voor haar had gedaan wat ik kon: ik had de hand gehad in ontmoetingen en onthullingen. Ik had getracht haar te verzoenen met haar rol. Ik had aardig wat hindernissen uit de weg geruimd. ‘Er mag geen tijd worden verspild,’ voegde ze eraan toe. ‘Zeker niet,’ beaamde ik wat minder krachtig. ‘Tot ziens,’ zei ze beleefd en ik keek naar haar op en dacht: Is dit het? Is dit het grote moment? Is dit het einde van onze kennismaking als stervelingen? Moet ik al zo gauw weer afscheid van haar nemen? De ruimte tussen ons in, de lucht, het zonlicht, de voelbare warmte van de zandstenen bibliotheek, Delhi als geheel sprankelde van de onbezongen mogelijkheden. ‘Wacht,’ riep ik haar na toen ze wegliep. ‘Wat heeft u opgeschreven?’ Ze draaide zich om en er verscheen een frons op haar voorhoofd toen ze de gestalte van haar schepper in zich opnam. ‘Ik schrijf een boek voor Bharati,’ zei ze ten slotte. ‘De Mahabharata?’ riep ik uit, omdat ik mijn vreugde nauwelijks kon bedwingen. ‘Die tekst met een miljoen stemmen?’ ‘Nee!’ lachte ze. ‘Een boek voor Bharati. Maar er zullen inderdaad een heleboel stemmen in voorkomen.’ ‘Die allemaal uit de overlevering komen,’ waagde ik het op te merken. ‘Dat is mogelijk,’ zei ze met haar allerliefste glimlach. En toen liep ze weg over het pad dat ik had geveegd, tussen de grasvelden van Humayuns fort door, terug naar de dochter die ze had gevonden.

429


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 430


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 431

Dankbetuiging

Mijn dank gaat uit naar Tristram Stuart (die dit boek van meet af aan heeft gestimuleerd) en naar Shuddhabrata Sengupta en S. Gautham voor jaren van vriendschap en wijze raad. Dankzij fondsgelden van de Arts and Humanities Research Board kon ik mijn onderzoek naar de Ganesh-legendes verrichten, terwijl het specifieke onderwerp van Ved Vyasa’s reputatie in de Indiase traditie werd verhelderd door het boek van Bruce M. Sullivan, getiteld Krsna Dvaipayana Vyasa and the Mahabharata: a new interpretation (Leiden, 1989). Nandini Mehta, dr. Arijit Mukhopadhyay, dr. Bhaswar Maity, Taran Khan, Ananda Bannerjee en Nikhat, Ashraf, Yusuf en Sulaiman Mohamedy schonken me hun tijd, ideeÍn en correcties. Tahmima Anam en Roland Lamb waren grootmoedige lezers, Ellie Steel van Harvill Secker werkte hard aan de definitieve versie, Ben Madden was edelmoedig, Jin Auh, Charles Buchan en iedereen van Wylie Agency zorgde ervoor dat daartussenin alles gebeurde. Tot slot bedank ik drie mensen in het bijzonder: Sarah Chalfant, mijn verbijsterend goede agente, de formidabele Chiki Sarkar van Random House India, en Rebecca Carter, die deze roman zo ongelooflijk kundig heeft geredigeerd.

431


Albinia Leelas boek 15-11-12 16:10 Pagina 432