Issuu on Google+

Arvid van der Wolf verinnerlijkt regiojournalist Tim Jansma

Juni 2008


“Er is niet één rode draad. In je leven volg je veel verschillende lijnen die allen zeggingskracht hebben. Voor mij zijn dat ondermeer het avontuurlijke, het speelse en het uitdagende. Maar ook het veilige, het spirituele. Ik zie mezelf in het midden die lijnen vasthouden. Ze lopen naar mijn diepste wezen. Maar het is niet altijd duidelijk welke lijnen invloed hebben op bepaalde keuzen in je leven, welke eigenschappen beslissend zijn.” Arvid van der Wolf


Voorwoord

Ik ben er altijd trots op geweest dat mijn vader journalist is. Op school genoot ik stiekem als de directeur naar me toekwam en iets zei over een stuk dat mijn vader geschreven had. Of beter nog: als ik iets provocerends deed en hij opmerkte dat ik vast Van der Wolf moest heten. Ik hield altijd mijn ogen en oren open, want als mijn tip leidde tot een stukje in de krant, dan kreeg ik tien gulden. Een verhaal op de voorpagina leverde vijfentwintig gulden op. Toch heb ik altijd heel hard geroepen dat ik geen journalist wilde worden. Dat was eigenlijk het ontkennen van het overduidelijke. Schrijven vond ik heerlijk. Daar lag mijn talent. Van mijn vader gekregen uiteraard. Gelukkig is het lichtje gaan branden en heb ik toch voor de journalistiek gekozen. Het is een prachtig vak. Ik wil net als mijn vader zoveel te weten komen over de wereld, op elke vraag een antwoord krijgen. Ik weet dat ik daar altijd verbaasd over was, nog steeds ben. Er is geen vraag die ik hem niet kan stellen. Doordat hij midden in het leven staat, weet hij overal iets van. Ik kan alleen maar hopen dat ik ooit zo goed zal worden als mijn vader. Als journalist, maar zeker ook als mens. Ik herken hem in mijn teksten, in het streven om mooi te schrijven en mensen te raken. Hij zegt dat ik dezelfde fouten maak als hij vroeger deed. Dat vat ik op als een compliment. Ook het oog voor ´zwakkeren´ heb ik van hem. Mijn vader is mijn leermeester, maar ook mijn grootste criticus. Ik weet dat ik vaak huilend en schreeuwend wegliep als hij met een lachje zei dat mijn tekst toch eigenlijk niet zo goed was. Daardoor ben ik waar ik nu ben, en laat ik hem graag zijn kritische blik op mijn teksten werpen als ik ergens onzeker over ben. Gelukkig hoeft dat steeds minder vaak. Deze biografie bevat een aantal heel persoonlijke stukken. Dat is best heftig, maar het heeft me niet verrast. Ik heb het geluk gehad om drie maanden met mijn vader door India te reizen. Daar heb ik hem écht leren kennen en heeft hij over zijn jeugd en ontwikkeling verteld. Dat wetende, kan ik alleen nog meer ontzag hebben voor de vader die hij zelf is geworden: een fijne, liefdevolle, intelligente, grappige en vooral zachte man. Hij heeft me de ruimte gegeven om te leren, te schreeuwen, te huilen en vooral om te lachen en te genieten. Ik hoop ooit te komen waar hij nu is. Myrthe van der Wolf, juni 2008


Inhoudsopgave_______________________________________________________________ Inleiding

5

1 Een ‘tweeledige’ jeugd

9

Dubbelleven

9

Van bekrompen ulo naar vrijzinnige havo

13

2 In de regiojournalistiek

17

Opgeschreven betrokkenheid

17

Bontgekleurde nieuwlichter

18

Revolutie in het dagbladlandschap

22

De kalme tred van de Zwolse Courant

23

Kritisch in dienst

31

Terugkeer naar de veilige krant

32

3 Epiloog: verinnerlijking

34

Terug in de tijd

34

Catharsis

35

Conclusie

37

Noten

39

Bronnen en literatuur

41

Bijlage

43


5

Inleiding

Arvid van der Wolf behoort tot de generatie verslaggevers die zonder enige beroepsopleiding in het journalistieke metier terechtkwamen. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw vond je de ´leerling-journalist´ bij elk dagblad. Vaak was even binnenlopen bij de redactie al voldoende om een kans te krijgen. De hoofdredacteur gaf je soms dezelfde dag nog een klus. Deed je dat goed en had je talent, dan was een vast dienstverband bijna vanzelfsprekend. Je was dan journalist. Arvid van der Wolf deed het goed bij de toenmalige Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, die in 1972 de Zwolse Courant zou gaan heten. Pas achttien was hij, toen hij er in 1969 op de binnen- en buitenlandredactie begon. Voordat Van der Wolf bij de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant begon, had hij een bewogen jeugd achter de rug. Tot zijn tiende jaar zorgde zijn vader voor dreiging in huis en nadat zijn moeder met hem en zijn broers was gevlucht, raakte hij in het begin van de jaren zestig bekend met een armoede die nog niet door de welvaartstaat was ingehaald. Deze ervaring bepaalde gedeeltelijk zijn keuze om de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant aan te schrijven. De krant bood hem een mogelijkheid om misstanden aan de kaak te stellen. Van de vroegere ’leerling journalist’ is anno 2008 weinig meer over. Hij is bijkans een anachronisme. De professionalisering van het beroep en van het dagbladbestel heeft een hoge vlucht genomen vanaf ongeveer dezelfde periode waarin Arvid van der Wolf kennis maakte met de telex. Ontzuiling, meer onderwijs voor iedereen, de televisie en de opkomende jeugdcultuur waren daarvan belangrijke aandrijvers.1 De zuilverwante dagbladen zagen hun oplagen minder sterk gegarandeerd en moesten zich grondig vernieuwen om hun eens zo trouwe lezers te behouden en nieuwe te winnen. Meer en betere scholing hadden van de abonnee een steeds minder argeloze lezer gemaakt. De omroepen maakten een nieuw journalistiek product dat kon wedijveren met de dagbladen. Tot slot bracht de jeugdcultuur een nieuw soort lezer voort. Een lezer die zich niet als vanzelfsprekend verbonden voelde met de zuil waartoe hij traditioneel behoorde, maar des te meer met zijn generatie. De krant diende te beantwoorden aan nieuwe eisen. De journalist evenzeer.


6

In 1966 kreeg Utrecht de eerste School voor Journalistiek in Nederland. Het min of meer vrije ambacht dat de journalistiek al eeuwen was, transformeerde vanaf dat moment geleidelijk in een ‘vak’ waarvoor men diende te leren. Zonder een journalistieke of academische vooropleiding is een plaats op de redactie van een dagblad vandaag de dag vrijwel onbereikbaar. Ondertussen maakte de concentratie van de Nederlandse dagbladen onder een slinkend aantal uitgevers van het journalistieke bedrijf in toenemende mate een commerciële onderneming. Dat proces is onafgerond. Het nabije verleden van de Zwolse Courant is er een sprekend voorbeeld van. ‘De Zwolse’ ging na de teloorgang van Koninklijke Tijl aan het einde van de vorige eeuw, en na hevig verzet van de redactie, op in het dagbladenbestand van uitgeverij Wegener. Enkele jaren later vormde de Zwolse samen met andere opgeslokte titels De Stentor: een grote regiokrant met verschillende edities. Ook Arvid van der Wolf belandde bij De Stentor. Hij werkt er thans op de nieuwsdienst. Ingrijpende vernieuwingen waren er aan het einde van de jaren zestig bovenal te ontdekken in het redactiebeleid van enkele dagbladen, zoals in dat van de ontketende Volkskrant, dat opzichtig een progressieve koers koos. De toon was daarnaast al kritischer dan in de eerste helft van de jaren zestig en het journalistieke verhaal kreeg meer subjectieve en beschouwende trekken, wat overigens ook gold voor veel dagbladen die geen radicaalprogressieve lijn trokken. Volgzaamheid werd ondeugd. Het ging hand in hand met de verjongingskuur die veel dagbladen volgden. Het zal niet verbazen dat deze vernieuwing zich heeft uitgestrekt over enige decennia. De cadans zette grofweg in het midden van de jaren vijftig in en duurde voort tot, ja tot wanneer eigenlijk? Ook voor de journalistieke sixties geldt wellicht wat historicus Hans Righart de ´eindeloze jaren zestig´ noemde. Een zoektocht naar een

omkadering heb ik niet ondernomen. Veel interessanter leek het mij om te kijken of, en in welke mate deze cadans resoneerde in de regio. In de bestaande literatuur over journalistieke vernieuwing in de jaren zestig en zeventig is daar amper op gelet. Het zwaartepunt is veelal bij de landelijke dagbladen gelegd en daardoor vooral bij Amsterdam. Daarover is wel eens is gezegd dat alles er vijftien jaar eerder gebeurde. Dezelfde gerichtheid op Amsterdam valt op in de handboeken die de jaren zestig in Nederland bespreken. Daarin geldt Nederland klaarblijkelijk als het equivalent van Amsterdam.


7

In deze korte biografie heb ik een poging ondernomen het karakter en het momentum van de sixties in de Zwolse Courant in woord te vangen. Het is een impressionistische en enigszins particuliere afbeelding van die sixties. Hij komt hoofdzakelijk voort uit de herinneringen van Arvid van der Wolf. Waar mogelijk heb ik zijn ervaringen getoetst aan de bestaande literatuur over de journalistieke ‘revolutie’, aan de herinneringen van oud-collega’s en aan de Zwolsche Courant zelf. Hoewel Van der Wolf pas in 1969 in Zwolle begon, heb ik voor dat laatste de periode 1960-1973 aangehouden. Ik heb ondermeer gelet op toon, onderwerpkeuze, vormgeving en bijlagen. De periode na 1973 is minder relevant, omdat Arvid vanaf 1974 enige tijd in Israël en Amerika doorbracht. De regiojournalistiek vormt een belangrijk deel van het leven van Arvid van der Wolf. Hij is volgend jaar vier decennia werkzaam in de journalistiek. Uit Deventer is hij nooit lang weggeweest. Veel bezwaren om een fors deel van deze biografie aan juist dit bestanddeel in het leven van Van der Wolf te wijden, zijn er als gevolg daarvan niet. Maar hoewel ik een zekere nadruk leg op het tijdsbeeld van de regiojournalistiek, moet het duidelijk zijn dat slechts één type jaren zestig de boventoon hoort te voeren. Dat zijn de jaren zestig van Arvid van der Wolf. Ik heb geprobeerd om binnen de geringe omvang van deze biografie een waarachtige indruk te geven van zijn rijk geschakeerde leven. Veel aandacht gaat uit aan zijn leven buiten de journalistiek en buiten de jaren zestig om. Het is veelzeggend dat juist naast de journalistiek en de sixties misschien wel de meest bepalende gebeurtenissen in zijn leven zijn voorgevallen. De breuk tussen zijn ouders kwam namelijk tot stand in Amsterdam, terwijl de ‘oude Arvid’, zoals oud-collega en vriend Sam de Visser hem noemt, in het midden van de jaren zeventig verinnerlijkte en na zijn reizen als ‘nieuwe Arvid’ bij de krant terugkeerde. Het eerste heeft richting gegeven aan zijn beleving van de jaren zestig, het tweede aan zijn verdere persoonlijke en beroepsmatige leven. Hijzelf zegt: “In de journalistiek probeer je over je eigen interesses te schrijven. Wanneer je lezers dat opmerken, spelen ze je onderwerpen toe, waardoor je er nog meer over schrijft.” Zijn interesse voor spiritualiteit werd kort voor zijn reis naar Israel gewekt en heeft daarna in belangrijke mate zijn onderwerpkeuze bepaald. De opbouw van deze biografie is zuiver chronologisch. Aan de hand van hoofdstukken maak ik onderscheid tussen Van der Wolfs jeugdjaren; zijn eerste jaren bij de Provinciale Overijsselsche en Zwolse Courant; zijn verinnerlijking vanaf halverwege jaren zeventig. Het eerste hoofdstuk is gericht op vormende ervaringen. In het tweede hoofdstuk


8

zoek ik de weerslag hiervan in Van der Wolfs werkzame leven. Daarin zal ik gelijktijdig de sixties in de Provinciale Overijsselsche en Zwolse Courant behandelen, in vergelijking met het algemene perspectief op de journalistieke sixties. Het laatste hoofdstuk, de epiloog, is kort en staat in het teken van het uitkristalliseren van Van der Wolfs persoonlijkheid. De biografie stopt in de tweede helft van de jaren zeventig. Dat is nogal arbitrair, want de jaren erna zijn voor Van der Wolf van een soortgelijk gewicht geweest. Wie wil betwisten dat zijn huwelijk met Gemmy, de geboorte van zijn drie kinderen en de aanstelling als chef redactie bij het Deventer Dagblad voor hem van minder belang zijn geweest? Minstens even arbitrair is mijn keuze om Arvid van der Wolf aanvankelijk als Arvid in de tekst op te voeren, om later over te schakelen op Van der Wolf. Het leek me echter toepasselijk om het bereiken van een zekere volwassenheid ook in de tekst te markeren.


9

1 Een ‘tweeledige’ jeugd  Dubbelleven “Ik was een behoorlijk gevoelige jongen toen ik een jaar of acht was. Gevoelig voor sferen. Buitenshuis was ik een avonturier en een dromer. Thuis was ik heel anders. Daar hing dreiging.”

Op zondag 26 november 1950, terwijl het overgrote merendeel van de Nederlandse bevolking in één van de christelijke kerken de dienst volgde, werd Arvid van der Wolf in de Deventerse Thomas a Kempisstraat geboren als zoon van Wilhelmina van Ewijk en Nico van der Wolf. Dat Arvid op zondag ter wereld kwam, was voor het gezin geen bijzonder gegeven. De familie was niet gelovig, wat geen uitzondering was in het industriële en daardoor behoorlijk ‘rode’ Deventer. Moskou aan de IJssel werd het destijds al genoemd. De ontkerkelijking was er vergevorderd. Vanaf 1900 was er sprake geweest van een hellend vlak. Het aandeel Deventenaren dat de kerk niet bezocht, bedroeg in 1930 al een kwart.2 Ter vergelijking: het landelijke gemiddelde zou pas dertig jaar later in de buurt van dat niveau komen.3 Arbeider en rood was Nico van der Wolf overigens bepaald niet. Hij had een baan als vertegenwoordiger van een bierbrouwer, een modaal inkomen en een auto. Volgens Arvid kon hij daarmee vloekend door de straten van Deventer rijden als het 1 mei was en de socialisten hun rode vlaggen uit de ramen hadden gehangen. Van de sociaaldemocratie moest Nico dus weinig hebben. Zijn stem bracht hij liever uit op de VVD, de liberale partij die Pieter Oud twee jaar eerder had samen met ontevreden PvdA’ers opgericht, uit heimwee naar de Vrijzinnig Democratische Bond. Nico’s vrouw Wilhelmina was twintig jaar jonger dan hij. Ze had een lieve en warme persoonlijkheid, maar was een enigszins naïeve vrouw die niet veel verantwoordelijkheden aankon. Ze was nog jong toen Arvid werd geboren en had een jaar ervoor al een zoon op de wereld gezet. Ze hadden hem Edwin genoemd. Drie jaar na Arvid kwam er nog een jongen bij in de familie Van der Wolf, Charles. De eerste acht jaar van zijn leven bracht Arvid door aan de Thomas a Kempisstraat en aan de Ceintuurbaan nabij het station. Beide lagen in wijken die in de jaren vijftig hoofdzakelijk bevolkt werden door de middenstand. De Thomas a Kempisstraat klinkt naar treinverkeer: pal ernaast loopt de spoorweg naar het achthonderd meter verderop gelegen


10

station. Arvid kon er als kleuter langslopen op weg naar zijn opa. Die woonde aan de andere kant van het spoor op de hoek van de Burgemeester Van Suchtelenstraat. Gerrit-Jan van Ewijk was een sociaal invoelende man. Een sociaalliberaal van het negentiende-eeuwse slag, uit een welgestelde familie. Altijd onberispelijk gekleed, een ouderwets zakhorloge met een ketting aan de broek verbonden. Op de begane grond van het huis bezat hij een zuivelwinkel. Daar was Arvid vaak te vinden, als hij niet met zijn vrienden aan het voetballen was of in een van de plantsoenen in de buurt rondstruinde. Het huis van zijn opa kreeg al vroeg in zijn leven de betekenis van een toevluchtsoord. Arvid was niet graag thuis. Zijn vader was een alcoholist die in dronken buien zijn vrouw mishandelde. Ook de drie broers waren niet altijd veilig voor hem: Hij was vertegenwoordiger in bier, maar dronk zelf ook een boel op. Dat kon gevaarlijk zijn, want tijdens die buien was hij gewelddadig. De kans dat ik een pak op mijn sodemieter zou krijgen was altijd aanwezig. Toen ik eens bijna onder een scooter kwam, was hij niet blij dat ik ongedeerd was, maar kreeg ik een pak slaag omdat ik schade had veroorzaakt aan de fiets van mijn moeder. Ik heb gewoon geprobeerd te overleven, hoe overdreven dat misschien ook mag klinken. En er was natuurlijk niet altijd narigheid wanneer mijn vader er was. Hij deed op zijn manier zijn best. Door zijn werk als vertegenwoordiger kwam hij overal en wist hij waar bijvoorbeeld paasvuren werden ontstoken en waar festivals werden gehouden. Daar nam hij ons mee naartoe. Ik denk dat de slechte momenten deels voortkwamen uit zijn almaar verslechterende relatie met mijn moeder, die twintig jaar jonger was en die zijn wispelturige gedrag niet accepteerde.

Er bestonden in die periode twee werelden voor Arvid. Binnen heerste vaak de dreiging van zijn vader, hoewel Nico uiteraard een groot deel van de dag afwezig was vanwege zijn werk. Buiten waren de natuur en de vrijheid, was er het huis van zijn opa en bestond er ruimte om onbekommerd te fantaseren. In de omgeving van de Ceintuurbaan lagen nogal wat parken en plantsoenen. Arvid herinnert zich dat hij daar als kleuter in de herfst naartoe ging om te zoeken naar bladeren, naar het leven in de natuur, naar klusjes bij de boer, en wat jaren later naar buurmeisjes die wilden vozen. Het roept een romantisch beeld op dat sterk contrasteert met het grillige dagelijkse leven dat zich thuis afspeelde. Het is niet moeilijk om voor te stellen dat Arvid naar buiten en in gedachten vluchtte om even aan die onvoorspelbaarheid te ontkomen. Toch kan dat avontuurlijke niet als allĂŠĂŠn een vluchtmethode worden opgevat. De dromerigheid en het vrijbuiten zaten al in zijn aard. In de tweede helft van de jaren vijftig verloor Nico zijn baan bij de bierbrouwer en in 1958 vertrok het gezin naar Amsterdam, op zoek naar een beter leven. Arvid was tien jaar oud en hoewel de hoofdstad het landelijke van Deventer miste, werd het leven buitenshuis er voor hem niet minder aantrekkelijk op. Ook hier was er genoeg te doen voor Arvid en zijn


11

broers: er waren kerkdaken om te beklimmen, boten om te ‘lenen’, vuurtjes om te stoken en bioscopen om binnen te glippen. De huiselijke situatie verslechterde ondertussen: Thuis was een ramp. Het was Deventer in het kwadraat. Je sliep met je kop onder de dekens van de afschuw en de angst. Mijn moeder is na een jaar in Amsterdam met ons naar Deventer gevlucht. Mijn vader is ons nooit achterna gekomen.

Wilhelmina trok met Arvid en zijn broers in bij haar vader aan de Van Suchtelenstraat. Deze lag in een echte leefbuurt: er was een mengeling van arbeiders en (gegoede) middenstand, van arm en rijk. Op een oppervlakte van amper een vierkante kilometer wisten alleen al een kruidenier, een supermarktje, een kapper, vier zuivelwinkels, drie groenteboeren, twee slagers en een bakker het hoofd boven water te houden. Een jaar lang woonden ze er in relatieve rust, tot Arvids opa overleed toen zijn kleinzoon elf jaar was. Wilhelmina kon met haar kinderen blijven wonen in het pand, maar moest vanaf dat moment rond zien te komen van een bijdrage van de sociale dienst, die afgetrokken werd van de waarde van het huis. Het gezin moest dus armoede lijden op eigen kosten. De onbezorgdheid van het voorgaande jaar liep daardoor af. De aanwezigheid van Gerrit-Jan van Ewijk was erg belangrijk geweest voor Arvid en zijn broers: Mijn opa is van doorslaggevend belang geweest in mijn leven en ik denk ook in dat van Edwin. Hij was een wijs en spiritueel man, die ons leerde over cultuur, over verlichte politiek. Hij gaf het goede voorbeeld dat we van onze vader niet kregen. Mijn opa was zacht, mijn vader ruw. Ik heb geprobeerd mijn kinderen op de manier van mijn opa op te voeden.

Gerrit-Jan van Ewijk kwam ook voor de broers op: als Edwin en Arvid een paar klusjes hadden gedaan bij de uitbater van de kleine supermarkt en waren afgescheept met een zak sinaasappelen, gooide hun opa ze verontwaardigd door diens winkel en zorgde hij ervoor dat er alsnog werd uitbetaald. Die volwassen rol van ‘man van het huis’ kwam aan het begin van de jaren zestig opeens toe aan Arvid. Nog niet eens een puber was hij, maar in de zorgen en het privéleven van zijn moeder werd hij volop ingewijd. Er was sprake van armoede die nauwelijks verlicht werd door de steun, die in het midden van de jaren zestig plaats zou maken voor de bijstandsuitkering. De gesteldheid van het huis verslechterde en er was niet altijd te eten. De welvaartsstaat was nog ver weg aan de Van Suchtelenstraat:


12

Je hoefde weinig te verwachten van de sociale dienst. Een mooi voorbeeld is de fiets. Iedereen had er in die vroege jaren zestig wel één, behalve wij. De sociale dienst vond dat wij er daarom ook een moesten hebben, maar wilde niet zomaar iets weggeven. Ze besloten alleen losse onderdelen voor ons te kopen. Ik moest ze zelf aan een frame monteren dat ik bij de sloop vandaan haalde. Dat is absurd voor een kind van twaalf jaar. Dezelfde hypocrisie was er ook binnen een deel van mijn moeders familie, die behoorlijk wat geld had. Er werd veel gepraat, maar als het erop aankwam staken ze geen vinger uit. Van onze buren kregen we wel veel hulp. Zonder dat we erom hoefden te vragen, werd er vaak eten gebracht door gezinnen die het soms maar net iets beter hadden dan wij. Ze beoordeelden mijn moeder ook niet omdat ze gescheiden was. Toen ben ik de ‘gewone’ mens gaan leren waarderen. Die simpelheid, maar oprechtheid en eerlijkheid. Dat heeft me sterk gevormd. Ik ben me gaan afvragen wat er te koop was en wie je kon vertrouwen. In die periode ontstond er een bewustzijn in me dat ‘kak’ niets te bieden heeft. Maar het heeft er ook voor gezorgd dat ik me vaak minderwaardig heb gevoeld. Je schaamde je voor je armoede.

Ondertussen moest Arvid steeds op zijn moeder letten. Ze was een impulsieve vrouw, die in de avonden vaak in de stad rondhing met steeds weer andere mannen en vooral met zichzelf bezig was. Arvid hield haar soms vergeefs bij de voordeur tegen om te voorkomen dat de drie jongens weer een nacht alleen thuis zouden doorbrengen. Er was geen gebrek aan liefde. Wilhelmina zorgde voor geborgenheid en een warme huiselijke omgeving. Maar zij kon de verantwoordelijkheid om voor de jongens te zorgen niet zonder hulp aan. Dat Arvid deze taak voor een deel moest overnemen, had als resultaat dat de ‘twee werelden’ waarin hij leefde, bleven bestaan. Thuis werd hij betrokken bij alle zorgen, die hij buiten van zich af kon zetten. Omstreeks het moment waarop Arvid naar het Uitgebreid Lager Onderwijs (ulo) ging, kwam er aan de armoede en de wispelturigheid van Arvids moeder min of meer een einde. Wilhelmina had een nieuwe relatie gevonden, waarmee ze overigens niet samenwoonde. Edwin was in dienst en betaalde mee aan het huishouden, terwijl ook Arvid financieel bijdroeg door kranten te lopen. In de meeste behoeften werd nu voorzien en in die periode was het leven een stuk gelukkiger aan de Van Suchtelenstraat. Er was ook meer aandacht voor Arvid: Er was nu regelmatig iemand in huis die veiligheid en gemoedelijkheid bracht. Hij zag mij staan en hield lange gesprekken met me. Ik beschouwde hem als een soort filosoof. Net als met mijn opa sprak ik met hem over


13 klassieke muziek en over artiesten, over cultuur. Hij zei dat ik alles kon worden wat ik wilde. Zo was mijn vader nooit tegen me geweest.

Het leven dat Arvid van der Wolf tot zijn puberteit leidde, liep nogal uit de pas bij dat van de gemiddelde babyboomer die Hans Righart beschrijft in De eindeloze jaren zestig; Geschiedenis van een generatieconflict. De toenemende welvaart en een relatief onbezorgde jeugd zouden voor een groot deel van de naoorlogse generatie een vanzelfsprekendheid zijn geweest. Dit stond volgens Righart in scherpe tegenstelling met de formatieve ervaring van de vooroorlogse generatie. Die ervaring zou doorspekt zijn geweest met crisis en oorlog. Het zou de vooroorlogse generatie spaarzaam en kleinburgerlijk hebben gemaakt. In zijn theorie wijst Righart deze kloof tussen jong en oud aan als de bron van het generatieconflict dat in de jaren zestig zou optreden. Als we aannemen dat er inderdaad zo’n kloof heeft bestaan, dan was daarvan geen sprake in de Van Suchtelenstraat. Door het ontbreken van zijn vader zocht Arvid als tiener eerder bevestiging bij oudere generaties, en door de weinig welvarende jaren was hij niet onbekend met spaarzaamheid.  Van bekrompen ulo naar vrijzinnige havo Stijf, truttig en schools. Die kwalificatie ging op voor eigenlijk elke middelbare school in het begin van de jaren zestig. De openbare ulo aan de Ceintuurbaan, waar Arvid in 1963 zijn middelbare schoolleven begon, ontkwam er ook al niet aan. De school was na de oorlog snel gegroeid. Zij had vanaf het einde van de jaren vijftig twee locaties, waarvan ‘de Ceintuurbaan’ de oorspronkelijke was.4 Het onderwijs werd er op klassieke wijze overgebracht: stampwerk besloeg de hoofdmoot. Arvid sprong er niet uit. Hoewel hij gevoel bleek te hebben voor wiskunde, was hij voor het overige een bovengemiddelde leerling. Van een bloeiende sociale omgeving was aan de Ceintuurbaan geen sprake. Er was weinig plek voor contacten. Dat gold vooral voor Arvid. Zijn talent voor de wiskunde had hem doen belanden in een klas die voor een groot deel bestond uit gefaalde hbs’ers. Daartussen voelde hij zich niet thuis. Maar ook buiten de klas was er weinig ruimte voor contact. Een kantine bestond nog niet, overblijven was er als gevolg daarvan niet bij en vrijwel niemand bleef na de lessen op school rondhangen. De Ceintuurbaan was daardoor voor de meeste schoolgangers strikt gescheiden van het buitenschoolse. Arvid zegt zich weinig herinneren van de schoolcultuur, maar des te meer van wat erbuiten gebeurde. Hij had twee


14

boezemvrienden die hij van school kende en waarmee hij na de lessen veel omging. Hans Bontius kwam uit een typisch socialistisch nest, zijn vader was een vakbondsman. Freddie de Jong kwam uit een modaal Deventers gezin, en komt in de richting van de babyboomer die Righart beschrijft. Hans Bontius en Freddie de Jong hadden iets dat Arvid in de in Deventer ontluikende sixties trok: muziek, politiek, losbandigheid. Met Freddie de Jong haalde Arvid allerlei rotzooi uit. En doordat Hans Bontius een platenspeler had, kon Arvid uitgebreid kennis maken met de artiesten die in het midden van de jaren zestig de toon zetten: The Beatles. De zus van Hans Bontius was bovendien één van de jongeren die in de Deventer’ voorhoede van de jeugdcultuur stond. Samen met andere jongeren richtte zij in 1964 de uitgaansgelegenheid La Cabane op, waar moderne pop werd gedraaid, een aparte wijnbar en biertonnen waren en waar goede politieke gesprekken gevoerd konden worden. Het was min of meer het middelpunt van de jeugdcultuur in Deventer. Daarvóór werd er nog in enigszins vormelijke gelegenheden gedanst, zoals in St. Tropez, dat de smaak van de sixties nog niet had opgepakt. De zus van Hans Bontius had enige tijd ervóór al een zaaltje in de Kerkstraat beheerd waar geregeld bekende bands optraden, zoals Cuby and the Blizzards en Q65. Arvid was met Hans zijdelings betrokken bij de opbouw van La Cabane, maar was de eerste jaren van haar bestaan nog niet oud genoeg om binnen te komen. In huize Bontius was hij wel vaak te vinden. Daar ging het veelal over politiek: Er werd gediscussieerd en er werd geluisterd. Je kon er je verhaal doen. Dat was totaal nieuw voor me. Ik had dat soort gesprekken wel eens met de ‘filosoof’ gehad, of met mijn opa, maar dit was allemaal veel politieker. Hier kwam de Vrij Nederland op tafel en werd je politieke en maatschappelijke gevoel aangewakkerd. Je deed ertoe voor hen. Thuis was dat toch minder aan de orde. Mijn moeder was vaak veel te druk met haarzelf. Ik denk ook dat die periode een soort kentering in mijn ‘suffe’ uloleventje plaatsvond. Ik raakte betrokken bij de hippe jongerencultuur en kwam in contact met twee andere werelden: met muziek en politiek. Het was denk ik ook het moment dat de sixties in Deventer begonnen te leven. Daarvóór was er een kleine voorhoede van oudere jongeren geweest, waartoe ook de oprichters van La Cabane behoorden. Vanaf ongeveer ’65 werd die voorhoede breder en leek er ook meer ruimte voor ons te komen.

Die ruimte voor hem en zijn jaargenoten kwam volgens Arvid uiteindelijk tot uitdrukking tijdens het jaarlijkse schoolavondje:


15 Op een zeker moment kwamen de muziek en cultuur van die tijd bij elkaar, als twee brokken ijs die tot water smelten. Zelfs leraren gingen erin mee. We hadden in 1966 een playbackshow op school en je kon merken dat die muziek en cultuur toch op één of andere manier doorkwamen. De leraren waren van de jury, wij speelden Eight days a week van The Beatles en we kregen de hele zaal, inclusief de leraren mee. Dat was echt opvallend. Het merendeel van de leraren liep toen nog in driedelig pak. Je had het gevoel dat die cultuur uit Amerika als een golf over je heen kwam.

Ondertussen was in de politiek al vanaf midden jaren vijftig een debat over de hervorming van het onderwijs gaande. Dat debat werd in 1963 afgesloten toen de twee Kamers zich schaarden achter de nieuwe onderwijswet van minister Jo Cals van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Al snel kwam de wet, die op 1 augustus 1968 in werking zou treden, te boek te staan als de Mammoetwet.5 De wet moest het onderwijs in het naoorlogse en geïndustrialiseerde tijdperk loodsen. Het regelde alle onderwijsproblematiek waar al decennia mee was geworsteld. Ulo, mms en hbs veranderden in mavo, havo en atheneum en de doorstroom hiertussen verbeterde. De scholieren hoefden niet meer alle vakken te volgen en van de gekozen vakken werd niet alles meer geëxamineerd. Het geheel steunde bovendien op nieuwe pedagogische inzichten. Er was nu aandacht voor innerlijke groei, voor persoonlijkheidsvorming, voor zelfstandigheid en voor het zoeken naar een eigen identiteit.6 Voor Arvid betekende de invoering van de Mammoetwet dat hij na het behalen van zijn ulodiploma kon instromen bij het vierde jaar van de havo. Aan de Kweekschool aan de Singel waren de laatste twee jaar van de havo bij wijze van experiment geïntegreerd. Hoewel de Mammoetwet de onderwijsproblematiek bepaald niet zou oplossen en bij voortduring onder curatele stond, was zijn uitwerking voor Arvid een openbaring: De havo is erg belangrijk voor me geweest. Je kreeg opeens scripties, deed op school leuke dingen met elkaar, wisselde gedachten uit, over de maatschappij en over politiek. Er was ruimte voor creativiteit en in die tijd leek alles langzaam op te schuiven. Op school had je steeds een kleine voorhoede die iets nieuws had verworven, wat anderen vervolgens ook weer wilden, zoals verkeringen. In dat laatste jaar kreeg ik ook een vriendinnetje, het mooiste meisje van het zwembad. Ze had boerse ouders die daar eigenlijk niet aan wilden, maar die het toch toestonden omdat ze begrepen dat ze anders hun dochter kwijtraakten.

Hoewel het ‘opschuiven’ voor een deel ook te maken zal hebben gehad met het gegeven dat Arvid ouder werd en dus ook anders werd benaderd door volwassenen, was er niettemin wel iets aan de hand. Vrijer gedrag werd volgens Arvid oogluikend toegestaan door


16

instanties in Deventer. Het doet denken aan het pragmatisme van bovenaf waarover James Kennedy spreekt in Nieuw Babylon in aanbouw: In het midden van de jaren zestig had je een groep jongeren die altijd bezopen en agressief waren. Ze zaten vaak in dezelfde kroeg, de Zambar, en stonden onder toezicht van een jeugdinstantie. Toen ze overgingen op wiet werd dat bijna gefaciliteerd. Dan waren die jongens tenminste rustig, werd er gedacht. Die drugs werden dus gewoon toegelaten.

Zelf was Arvid nog niet echt bezig met drugs en alcohol. Sterker werd hij getrokken door de politiek. Hoewel hij geen lid was van de PvdA, was hij vaak aanwezig bij debatten tussen lokale partijleden en toonaangevende politici zoals Hans Wiegel. Ook bracht hij regelmatig partijblaadjes rond. Die verwantschap met het socialisme kwam voort uit de ervaring van armoede in de jaren ervoor, maar had ook te maken met zijn verhouding tot zijn vader. Die was zoals gezegd een rasechte VVD’er. In 1964 had Arvid zijn vader voor het eerst sinds de vlucht uit Amsterdam weer ontmoet. Hij liet niet na om hem toe te voegen dat ook zijn zoon ‘rood’ was.


17

2 In de regiojournalistiek  Opgeschreven betrokkenheid

Het eerste contact met de journalistiek maakte Arvid in het laatste jaar van de havo. Dat contact was vooral ingegeven door de politieke betrokkenheid die hij de voorgaande jaren meer en meer was gaan voelen. De progressieve sfeer die het slot van de jaren zestig kenmerkte, kreeg ook Arvid moeiteloos in zijn greep. De noodzaak van solidariteit had hij al vroeg in zijn leven gevoeld: Ik voel medeleven met de zwakkeren. Dat heb ik van opa meegekregen en ik ken de situatie. Ik kan de kwetsbaarheid van die mensen voelen.

Één manier om zijn betrokkenheid kenbaar te maken was te schrijven voor de schoolkrant. Vooral aan de Kweekschool was dat een activiteit die vrijgevochten geesten trok. Doordat de Kweekschool was gevestigd aan de Singel langs de binnenstad, stond hij bekend als de centrale school van de stad. De meeste overige scholen waren na de oorlog systematisch buiten het stadscentrum gewerkt.7 Door zijn nabijheid tot de binnenstad oefende de school een grote aantrekkingskracht uit op jeugd die op zoek was naar wat leven in de brouwerij. Wat bij die aantrekkingskracht ook meetelde was dat de tucht er al behoorlijk op zijn retour was. Dat gold weliswaar ook voor andere scholen, maar de Kweekschool liep volgens oudleerlingen onbetwist aan kop8. Er kon ongebreideld worden gespijbeld, zonder dat daar grote gevolgen aan verbonden waren. Kortom: er was een tamelijk vrij schoolklimaat. Dat het schoolbestuur echter niet altijd haar houding wist te bepalen tegenover nieuwigheden, bleek in 1968. In dat jaar weigerde het bestuur om het tijdelijke contract van Arvids tekenleraar te verlengen. Het bestuur verweet hem een te vrije opvatting van zijn vak. De leerlingen hadden alle mogelijkheden gekregen om hun creativiteit te uiten en daarbij waren de cartoon en de karikatuur als stijlvormen niet vermeden. Arvid herinnert zich niet meer precies wat de uiteindelijke aanleiding was voor de beslissing van de directie, maar hij kreeg niet de steun van de leerlingen. De reactie van de schoolkrant is wellicht illustratief voor de toenemende mondigheid en bewustwording van de leerlingen. Met een stel andere redacteurs bezocht Arvid de betreffende leraar. Het verhaal dat daaruit voortkwam kan niet


18

anders dan de verontwaardiging van het schoolbestuur hebben gewekt: ze werd erin gelijkgesteld met de communistische partijbonzen in Moskou. In het artikel vergeleek Arvid zijn tekenleraar met de Tsjechoslowaakse eerste secretaris Alexander Dubček, de Slowaak onder wie begin dat jaar de Praagse Lente was begonnen en die in augustus met harde hand was terechtgewezen door de legers van het Warschaupact. Het is een vergelijking die ongetwijfeld bijzonder overtrokken was, maar vanuit het perspectief van deze biografie treffend is. Hij toont de drang van de scholieren naar meer vrijheid, en hun weerstand tegen de knellende banden die op de ulo nog als vanzelfsprekend waren ervaren. Zoals de observatie van Arvid hierboven al luidde, schoof alles steeds een stukje op: Je zat er middenin, in die culturele revolutie. Er was iets gaande, er was verandering. Maar het was ook wel duidelijk dat het schoolbestuur natuurlijk niet all the way wilde gaan.

Veel meer durfde het schoolbestuur de touwen dus niet te laten vieren. Maar het heeft er ook de schijn van dat het schoolbestuur evenmin all the way terug wilde. Een reactie op het toch behoorlijk provocerende artikel van Arvid bleef uit.  Bontgekleurde nieuwlichter

Een jaar na het tekenleraarincident was Arvid wederom betrokken bij een relletje op de Kweekschool. In het voetspoor van de Amsterdamse studenten die in mei 1969 het Maagdenhuis hadden bezet, eisten de scholieren van de Kweekschool later in hetzelfde jaar dat ook zíj meer inspraak zouden krijgen. Ze waren in staking gegaan. Arvids rol was nu een geheel andere: hij deed verslag voor de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (voortaan afgekort als Zwolse Courant). Na de havo had hij het ‘dagblad voor Overijssel, Noord-Gelderland en Zuid-Drenthe’ aangeschreven voor de functie van ‘leerling journalist’. Hij had bij de schoolkrant het gevoel gekregen dat de pers een maatschappelijke bijdrage kon leveren, dat zij gebreken aan de kaak kon stellen. Daarnaast sloot het leven bij de krant aan bij zijn verlangen naar creatieve ruimte. Jong was hij wel: Ik kwam op gesprek en de adjunct-hoofdredacteur vroeg spottend waar mijn moeder was. Zó jong was ik, nog geen negentien. Na het gesprek moest ik op de gang staan en even later hoorde ik dat ik per 1 september kon beginnen.


19

Arvid had ook moeiteloos naar het Dagblad van het Oosten en de Twentsche Courant gekund, die hij tegelijk met de Zwolse Courant had aangeschreven. Volgens Sam de Visser, Arvids toenmalige collega en mentor op de redactie Binnen- en Buitenland bij de Zwolse Courant, was dat geen toeval: “Veel kranten volgden in die tijd een verjongingskuur. Het ging over het algemeen goed met de regionale krant, er waren genoeg fondsen en er was een voorzichtige hang naar vernieuwing. De Visser was in 1965 op drieëntwintigjarige leeftijd begonnen bij de Arnhemse Courant. “Ik mocht iets schrijven over een jongerendag. De volgende ochtend was ik al vroeg op de redactie, hoewel ik niet eens werd verwacht. Toch werd ik uitgefoeterd door de hoofdredacteur. Die vroeg me waarom ik zo laat was. Ik vertelde hem dat ik niet eens een dienstverband had. ‘Dan gaan we daar meteen voor zorgen’, zei hij. Dat was echt tekenend voor de tijd, dat speelse gemak waarmee ze je aannamen. Vanaf 1967 werd er zelfs haast gemaakt met de verjonging van de redactie. Toen zijn veel oudere redacteuren vervangen door startende journalisten.” Dat het goed ging met de regionale krant, kan worden bevestigd met cijfers. Tussen 1960 en 1980 steeg de gezamenlijke oplage van de regionale dagbladen met ongeveer één miljoen stuks. Ter vergelijking: de oplageontwikkeling van de landelijke dagbladen hield er tot 1969 gelijke tred mee. Daarna matigde de groei behoorlijk.9 Dat er in Zwolle welvaart was, blijkt ook uit het gegeven dat in 1961 een vierkleuren offsetpers was aangekocht door uitgever Koninklijke Tijl.10 Het was een hightech installatie: de grootste en modernste drukpers van het Noorden en Oosten, die computergestuurd kon zetten en drukken. De algemeen directeur van Tijl, Jan Dikker, wilde de krant opstoten in de vaart der volkeren en hoopte op een sterke concurrentiepositie. De aankoop was een strategisch knappe zet. De mate van kwaliteit en het vermogen van de persen zouden uiteindelijk een sleutelrol gaan spelen in veel dagbladsaneringen.11 Wie de investering vanwege een te beperkte oplage niet wist te doen, zou de concurrentieslag op den duur gaan verliezen.12 Het gevolg was dat de slachtoffers van de ‘dagbladoorlog’ hun zelfstandigheid niet altijd konden behouden en werden overgenomen door één van de grote uitgeverijen. Ook dat is in cijfers terug te lezen: tussen 1961 en 1970 gingen vier van de in totaal 103 dagbladtitels verloren. Het aantal zelfstandige ondernemingen daalde in dezelfde periode van 54 naar 34.13 Na drie jaar Arnhemse Courant solliciteerde De Visser bij de Zwolse Courant, om zich daar verder te ontwikkelen. Hij had daarnaast ook een negatieve motivatie: de Arnhemse


20

Courant was in hetzelfde jaar ten prooi gevallen aan de uitgever van Tubantia, een uitgever die net als veel andere uitgeverijen de schaalvergroting als adagium had. “Met de grote vrijheid bij de Arnhemse Courant was het toen wel gedaan. Je ging toch een beetje binnen de mal van Tubantia werken.” In Zwolle was de krant nog soeverein onder Tijl, maar De Visser kon merken dat het verschil met de krant van Arnhem en omstreken groot was: “In Arnhem was de machtsgreep van de jonge garde soepel verlopen: er waren al aardig wat jongeren werkzaam, en de oudere journalisten leken het wat rustiger aan te doen. Zij kwamen vaak pas laat in de ochtend op de krant en hadden als gevolg daarvan minder invloed op de dagelijkse gang. Een groot deel van de krant stond al in de steigers als zij binnenkwamen. Maar in Zwolle was het journaille nog overwegend van middelbare leeftijd, een generatie die in Arnhem dus al een paar jaar eerder gedeeltelijk was vervangen. Ik denk dat het verschil in de omgeving zat: Arnhem had meer grootstedelijke trekken en heeft de noodzaak van vernieuwing denk ik eerder gevoeld. In Zwolle was die druk er bijna niet. De krant was dieper ingebed in het provincialisme.” De Zwolse Courant was van oudsher een protestantsburgerlijke maar tamelijk neutrale krant, zegt De Visser. “Zonder uitspattingen en zonder verwantschap met een zuil.” Maar hij was wel sterk geworteld in de regio: “De krant was zich bewust van zijn maatschappelijke ´Umfeld´. Er was veel binding met het lezerspubliek. Als er vanuit dat publiek niet al te veel behoefte was aan vernieuwing, dan kon je dat aflezen aan de krant. Voor het omgekeerde gold denk ik ongeveer hetzelfde. Als de krant niet veranderde, dan veranderde het lezerspubliek ook minder snel.” Een inhoudelijke vernieuwingsslag was waarschijnlijk niet het motief voor de voorzichtige verjonging van de redactie, denkt De Visser. Er was financiële voorspoed en dus kwam er ruimte voor jong bloed. Arvid was één van die eerste ‘nieuwlichters’, samen met Joke Barmentloo, waarmee hij later nog zou gaan reizen. In zijn eerste jaar leerde Arvid er het journalistieke handwerk, waar de verslaggeving van de ‘opstand in de Kweekschool’ enigszins buiten viel: hij bracht zijn werktijd overwegend door achter de telex van de redactie binnen- en buitenland. Dit betekende dat Arvid zich in hoofdzaak bezig hield met redigeren, het passend maken van artikelen van de Geassocieerde Persdiensten (GPD), en het schrijven van creatieve koppen voor diezelfde artikelen. Arvid leerde het van De Visser, die gewoon was om de groentjes van de redactie op te leiden. Met Arvid voelde De Visser een verbond. “We waren opgegroeid in een vergelijkbaar milieu. Arvid kwam uit een arm


21

gezin in Deventer, ik uit een arbeidersfamilie in Zeeland. Over die achtergrond hoefden we niet eens te praten om elkaar te begrijpen. Dat is simpelweg iets waarvan je weet dat je het met elkaar deelt.” Op de redactie was Arvid nogal een verschijning: “Hij zag eruit als een vrijbuiter”, herinnert De Visser zich. “Hij droeg lang haar, bontgekleurde colberts en vertrapte schoenen. De hoofdredactie had daar soms een beetje moeite mee, vooral met die uitgewoonde schoenen. Als het echt de spuigaten uitliep werd er iets over gezegd. Dan moest hij maar weer eens naar de kapper of naar de schoenmaker.” Het beeld van Wout Slijsters, die in het begin van de jaren zeventig werkzaam werd bij de Zwolse Courant, sluit daar naadloos op aan. “Hij was een vrolijke snuiter, een nogal extraverte jongen. Vaak verkende hij de grenzen en probeerde hij de redactie te verlevendigen. Dan had hij weer eens lijm gedaan op plastic bekertjes en die plakte hij dan aan het plafond. Maar hij hield zich wel aan de codes.” Ook De Visser zag Arvid niet volledig uit de toon vallen: “Hij bleef binnen de sociale grenzen en was behoorlijk plichtsgetrouw. Toen hij in Zwolle op kamers ging, zat hij geloof ik bijna elke avond in de kroeg. Daar werd behoorlijk gedronken, tot laat in de nacht. Maar ik kan me niet herinneren dat hij ooit te laat is gekomen of zich niet aan afspraken heeft gehouden.” De kamer in Zwolle betrok Arvid in de loop van zijn eerste jaar bij de Zwolse Courant. Hij woonde bij een hospita in de statige buurt Veerallee en niet ver van het kantoor aan de Blaloweg: Die hospita was een wat oudere en burgerlijke vrouw. Ze zorgde goed voor me, ik at er altijd mee en mijn kleren werden voor me gewassen. Ze vond het prachtig dat ik bij de krant werkte en dat ik een nogal wild leven in de kroeg had. Ze wilde graag horen wat ik er allemaal meegemaakte. Dat er soms meisjes bleven slapen, vond ze prima. Dat verhoogde de pret nog meer.

Zijn verkering met het meisje met de boerse ouders was ondertussen omgezet in een knipperlichtrelatie. Arvid had er moeite mee dat ze zich maar weinig interesseerde voor de politiek. Dat werd geleidelijk een steeds groter probleem. Toch kon hij zich maar moeilijk van haar losweken:


22 Die relatie bleef te lang aan. Maar ik kwam steeds weer bij haar terug. Dat kwam doordat ze verschrikkelijk mooi en goedhartig was. Ik kon niet gemakkelijk afscheid van haar nemen. Dat fysieke werd een verslaving. En ik was ook op zoek naar een soort veiligheid, naar vertrouwdheid.

 Revolutie in het dagbladlandschap In de tijd dat Sam de Visser bij de Zwolse Courant ruimte zag komen voor nieuwigheden en jonge mensen, was de vernieuwing bij de landelijke dagbladen al volop aan de gang. Redacteuren en redacties maakten zich los uit de greep van hoofdredacteuren en directies. Ze probeerden een antwoord te formuleren op de verschuivingen in de mediawereld. De positie van de traditionele media kalfde af door de televisie. De verzuilde media zagen hun achterban bovendien verbrokkelen door de ontzuiling.14 In De metamorfose van een dagblad beschrijft persgeschiedkundige Frank de Vree hoe dat proces in gang werd gezet bij de Volkskrant. De autoritaire hoofdredacteur Joop Lűcker was in 1964 afgezet door zijn eigen personeel. Dat had al aan het einde van de jaren vijftig aan pluriformiteit gewonnen15, en begon genoeg te krijgen van Lűckers paternalisme en zijn onvoorwaardelijke steun aan de KVP.16 Na het vertrek van Lűcker werd een werkgroep gevormd, die onder leiding kwam te staan van de aanvankelijk tijdelijke hoofdredacteur Jan van der Pluijm. Deze democratiseerde de redactie, bleef op verzoek aan als hoofdredacteur en stelde zich aan de redactie voor als een ‘primus inter pares’.17 Dat was voor die tijd ongekend en het had grote gevolgen voor de weg die vanaf dat moment werd ingeslagen. De krant zocht ruimte en zette zich af tegen het staatsgezag en het katholicisme. Inhoudelijk begon zij steeds meer de agenda van progressief Nederland te vertolken.18 Hoewel er niet officieel afstand werd genomen van het katholicisme, was het schrappen van de ondertitel ‘Katholiek dagblad voor Nederland’ in 1965 het begin van een vervreemding van de religieuze wortels. In de jaren zeventig zou de Volkskrant die zelfs volledig verloochenen. De ontwikkeling van de Volkskrant was niet exemplarisch voor de volledige dagbladmarkt.19 Inspireren deed het wel. De vernieuwing met betrekking tot inhoud en stijl, die al in de jaren vijftig was ingezet20, werd nu aangejaagd door progressieve kranten als de Volkskrant en Het Parool. Beide waren een laboratorium dat experimenten voortbracht die tot de verbeelding van veel jonge journalisten spraken.


23

In Journalistiek in Nederland 1850-2000 heeft Huub Wijfjes de vernieuwingen in de dagbladjournalistiek in kaart gebracht. Hij stelt dat kranten in de jaren zestig ‘verjongden’, ontzuilden en kritisch engagement toonden. Al deze ontwikkelingen hadden effect op de inhoud en de vorm. Die werden een stuk vrijer. In progressieve bladen als de Volkskrant werd niet langer de taal van de zuil gesproken: de toon werd losser. De lead was niet langer een opsomming van feiten, maar mocht ook een schilderachtige sfeerbeschrijving zijn. Inhoudelijk kregen progressieve onderwerpen de voorkeur, zoals sociale actie, derde wereld en jeugdcultuur. In de opkomende bijlagen werden achtergrondartikelen geschreven (die overigens ook elders in de krant terrein wonnen) en verhalen vanuit een human interest benadering, met veel aandacht voor emotie. 21 Die prozaïsche journalistiek werd later betiteld als ‘New Journalism’. Deze nieuwe stijl hield in dat journalisten vertelden wat ze als subject waarnamen.22 Die vertelling werd vervolgens in een literaire stijl opgeschreven, zoals Bibeb bijvoorbeeld deed in haar interviews voor Vrij Nederland. Bij dat literaire hoorde ook dat journalisten onder eigen naam gingen schrijven, wat in de eerste helft van de jaren zestig nog als onbetamelijk was beschouwd. Al met al werd de krant kritischer, meer beschouwend en onderzoekend, en meer subjectief. De gelijktijdige ontwikkelingen in vormgeving maakten de krant ook interessanter voor het oog. Er kwam meer kleur, meer beeld, meer speelsheid in de opmaak.  De kalme tred van de Zwolse Courant Het epicentrum van New Journalism was de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant in 1969 allerminst. En van een koerswijziging á la de Volkskrant was al helemaal geen sprake geweest. Maar wie de krant tussen 1960 en 1970 bestudeert, zal toegeven dat vanaf het midden van de jaren zestig geleidelijk een andere toon ging klinken, dat de onderwerpkeuze en de vormgeving sterk veranderden en dat het geheel speelser werd. Een overzicht van de voorpagina’s tussen 1960 en 1973 is te vinden als bijlage. Een spotprent die in 1970 de voorpagina haalde, springt in het oog. Het meest opmerkelijk was echter de jongerenpagina, die vanaf 1967 af en toe verscheen. De makers probeerden jeugdige artikelen te schrijven, volledig in het tienerdialect. Vanaf 1969 werd de pagina zeer regelmatig geplaatst. In tegenstelling tot de jaren ervoor was hij ook vlotter, doordat hij nu exclusief werd samengesteld door de jonge redactieleden. Sam de Visser voerde de groep aan: “Vóór die


24 Boven: jongerenpagina van 29-09-1967 Onder: jongerenpagina van 7-11-1969

Uit de jongerenpagina van 1969 spreekt al een stuk meer jeugdig elan dan uit die van 1967. De tienertermen staan niet meer tussen aanhalingstekens, het lettertype is informeler en de koppen zijn over het geheel genomen meer onbevangen. Volgens Sam de Visser waren de twee pagina’s niet te vergelijken. De oude jongerenpagina werd gemaakt door de gevestigde redactieleden, de nieuwe door de nieuwe lichting.


25

jongerenpagina was de Zwolse Courant altijd een sufferdje geweest. Maar in de tweede helft van de jaren zestig kwam er meer leven in de krant. Hij werd ook veel meer maatschappelijk georiënteerd. Bij binnen- en buitenland kozen we steeds vaker voor berichten over Vietnam en over ontwikkelingshulp. Maar de jongerenpagina was van die verlevendiging het meest sprekende voorbeeld. Het idee om zo’n pagina te gaan maken is volgens mij voortgekomen uit de inspiratie die we kregen van dichters als Hans Verhagen, die in Algemeen Dagblad publiceerde, en bladen als Hitweek. Je ziet diezelfde vrijmoedigheid terug in onze pagina.” Arvid was in zijn eerste jaar bij de Zwolse Courant meteen bij de jongerenpagina betrokken. Volgens hem was Sam de Visser de spil: Wij van de jonge garde waren autonoom wanneer we die pagina maakten. Er zat geen ‘oude’ schakel tussen. Je kreeg een idee en werkte dat uit. Daarna gaf je het aan Sam, die ervoor zorgde dat je verhaal geredigeerd werd. De opmaak werd dan vervolgens gedaan door Willem Brinkman, die midden in de twintig was en van Het Vrije Volk kwam. Hij gaf op een vernieuwende manier vorm aan de krant. De hoofdredactie en de oudere redactieleden kregen de pagina pas te zien wanneer hij al in de krant stond. Maar van een ‘jeugdoffensief’ was op de redactie geen sprake. Eerder waren de jonge journalisten elkaars geestverwant. Dat is ook niet zo vreemd, want we waren allemaal in de jaren zestig opgegroeid en bevonden ons op een vergelijkbaar punt in onze loopbaan.

De Visser was acht jaar ouder dan Arvid en was in 1969 dus zevenentwintig jaar. Volgens Wout Slijsters hield hij de jonge journalisten uit de wind. “Sam zorgde ervoor dat er frisse nieuwe dingen in de krant kwamen te staan en dat de hoofdredactie daarmee akkoord ging. Hij genoot van alle kanten aanzien en kon dus een bemiddelingsrol spelen. Niet dat daar steeds noodzaak toe was, want er was behoorlijk wat ruimte voor frisse wind. Je mocht doorgaans uitvoeren wat je wilde. Soms was er wel wat weerstand tegen, dan was er een conflict en vlogen de asbakken over de tafel. Maar binnen de krant leek er ook een besef te zijn dat vernieuwing nodig was.” De jongerenpagina was soms taboedoorbrekend. Er werden verhalen in geplaatst over de pil, over de Dolle Mina’s en over krakers. Ook seks kwam als onderwerp regelmatig aan bod. Arvid schreef vaak artikelen voor de jongerenpagina, naast het werk dat hij voor binnen- en buitenland deed. “Je zag Arvids belangstelling voor de mens daar duidelijk in terug”, zegt Sam de Visser. “Hij was totaal niet institutioneel gericht. Het was duidelijk dat hij zocht naar vormen waarin hij kon uitleggen hoe bepaalde dingen écht zaten. Buiten de


26

jongerenpagina was dat nog veel sterker. Daar probeerde hij steeds recht te doen aan de maatschappelijke relevantie van onderwerpen. Niet alle jongeren op de redactie waren daarmee behept. Ook in de omgang met andere redactieleden was die gedrevenheid te merken. Hij schrok er niet voor terug om je te vertellen dat je onderwerp volstrekte kul was.” De invoering van deze jongerenpagina in 1967 was het meest opzichtige moment van vernieuwing binnen de Zwolse Courant. Andere vernieuwingen waren veel geleidelijker gekomen. Zoals het commentaar: in 1960 was dat nog zeer sporadisch te lezen geweest. Er moest heel wat gebeuren om een kritische noot aan de redactie te ontlokken. Rond 1965 was de verschijningsfrequentie van het commentaar echter al regelmatig te noemen en in de jaren daarna werd het een element dat bijna dagelijks terugkeerde. In 1970 was het al even vertrouwd geworden als de rubriek ‘Buitenlands Overzicht’, dat eveneens op pagina drie stond. Vaak was in de toon nog wel het gematigde conservatisme te horen dat de Zwolse Courant kenmerkte, zoals in het commentaar links op de volgende pagina. Dat kwam doordat de rubriek doorgaans was gereserveerd voor adjunct-hoofdredacteur Van Rij. Het maakte vanaf datzelfde jaar 1970 deel uit van de nieuwe pagina ‘Meningen achtergronden, commentaren’ (rechts op de volgende pagina). Deze was een voortzetting van de onregelmatig verschijnende pagina ‘Tijdspiegel’, een geesteskindje van Sam de Visser. Daarin waren opinie, cartoons en cursiefjes bij elkaar geplaatst. In ‘Meningen, achtergronden, commentaren’ klonk zo nu en dan de progressiviteit door van de jonge garde: In ‘Meningen, achtergronden, commentaren’ kon je nieuwe ideeën kwijt. Je mocht concluderend schrijven. Meestal golden de progressieve journalisten van de Volkskrant als voorbeeld. Ik lette in die tijd bijvoorbeeld veel op Lambiek Berends. De binnen- en buitenlandredactie was bovendien erg links. Sam en ik waren openlijk PvdA-lid. Hein Eskens zat zelfs voor de PvdA in de gemeenteraad. Met dergelijke banden hoef je tegenwoordig niet meer bij een krant aan te komen. Destijds was dat echter geen probleem. Al merkte je soms wel wat tegendruk van de hoofdredactie. Die was namelijk anti-Volkskrant. En er moest niet al te veel veranderen, want voor de lezers hoefde dat niet. Omdat de Zwolse Courant goed naar zijn lezers luisterde, ging dergelijke vernieuwing bij ons dus wat langzamer dan elders.


27

21-10-1967, pagina 3

4-11-1972, pagina 7


28

‘Elders’ was bijvoorbeeld het Deventer Dagblad: Daar vond in de jaren zeventig een soort revolutie plaats, die vergelijkbaar was met de omwenteling binnen de Volkskrant. De hoofdredacteur werd er weliswaar niet uitgebonjourd, maar toen hij met pensioen ging heeft de redactie het moment aangegrepen. Ze heeft haar eigen kandidaat op de troon gezet, een jonge vent met smoel. Zo’n benoeming was voorheen altijd het voorrecht van de directie geweest. Onder de nieuwe hoofdredacteur is die democratisering voortgezet. De redactie had de touwtjes in handen: ze had een redactieraad, een redactiestatuut en eiste overal bij te worden betrokken. De krant kreeg daardoor een uitgesproken cultuur. Dat las je ook terug. Het Deventer Dagblad werd een krant die het voortouw nam. Ze schreven daar vaak onder eigen naam over gevoelige zaken als euthanasie: dan werd een artikel vóór en een artikel tégen geschreven. Voor die tijd was dat echt gewaagd. In Zwolle was die vrijmaking niet zo gemakkelijk. Dat kwam omdat de directie veel nauwer was verbonden met de redactie. En de echte wil was er bij ons ook niet. Je kon leuke ideeën uitwerken, als je het niet al te gek maakte. Dat was voor ons genoeg. Er was geen verdeeldheid op de redactie, alleen een stroming die graag vernieuwend bezig was, daartoe het initiatief nam en dat initiatief kreeg.

Op de opiniebladen werd ook steeds meer gelet: in de rubriek ‘Uit de weekbladen’, die in 1968 startte, kwamen de meest in het oog springende verhalen van ondermeer De Groene Amsterdammer, Elsevier en Vrij Nederland aan bod. De opinie werd op prikkelende wijze doorgenomen. Aanvankelijk besloeg de rubriek twee kolommen over een halve pagina. Vanaf het begin van de jaren zeventig verdubbelde dat: twee kolommen over de lengte van een volledige pagina. De bewondering voor de opiniebladen en voor de Volkskrant was in die vroege jaren zeventig niet alleen impliciet waar te nemen: de rubriek ‘Mixer’ was in de geest van de Volkskrantrubriek ‘Dag in, dag uit’. Daarin kwamen allerlei trivialiteiten terecht. Het was een soort vergaarbak van grappige berichtjes die de krant eerder niet haalden. De Visser: “We hebben die rubriek gewoon in de krant gezet. De volgende dag las adjunct-hoofdredacteur Van Rij dat en bromde wat. Het was niet naar zijn smaak, maar hij hield ons niet tegen.” De bijlage ‘Tot en met’ was nog zo’n element binnen de krant dat met bravoure werd gemaakt. ‘Tot en met’ verscheen vanaf het einde van de jaren zestig en omvatte eigenlijk alle weekendproducties die vóór haar verschijnen nog enigszins gefragmenteerd in de krant waren geplaatst. Daarnaast was het de vlag waaronder veel achtergrondverhalen en forse interviews konden worden geschreven. Dat schrijven ging vaak met veel gevoel, zoals het


29

interview met Johan Fabricius op de volgende pagina, waarvan de lead luchtig chtig en persoonlijk is: .

8-11-1969, p22


30

De journalistieke vrijmaking in de jaren zestig was in Zwolle dus allerminst een revolutie. De krant was als de stad: in kalme tred werd steeds iets opgeschoven. Er lijkt zeker geen plan te zijn geweest, wat beaamd wordt door Van der Wolf, De Visser en Slijsters. Rubrieken veranderden van binnenuit, kregen geleidelijk een andere toon. Dat zal te maken hebben gehad met het gegeven dat de krant aan het einde van de jaren zestig verjongde. Nieuwe journalisten hadden een nieuwe werkwijze en kregen van de hoofdredactie de ruimte om dat te laten doorklinken in de krant. Zoals Wout Slijsters het verwoordt: “Je kon kritiek krijgen op je kleding, maar niet op je denkbeelden. Voor dat laatste was ruimte in de krant.” Stilaan werd de ‘oude’ Zwolse Courant geïnfiltreerd door de ‘nieuwe’ Zwolse Courant. Het heeft er de schijn van dat dit zo nu en dan werd opgemerkt, dat er door reflectie op het gemaakte product conclusies werden getrokken. Als een bepaald soort journalistiek product steeds vaker in de krant verscheen, dan werd deze gegroepeerd en kreeg hij een noemer. Zo ging dat bijvoorbeeld met ‘meningen, achtergronden, commentaren’. Eerst was er het commentaar op pagina drie, waarnaast andere door subjectiviteit getinte verhalen werden geplaatst vanwege de verwantschap. Naarmate de frequentie van die verhalen toenam, werd de stap om het geheel te rubriceren kleiner. De ‘jongerenpagina’, ‘Mixer’ en ‘Uit de weekbladen’ lijken de enige vernieuwende rubrieken die uit het niets in de krant verschenen. En op sommige inhoud van de krant had de hoofdredactie van de Zwolse Courant simpelweg geen invloed. Een deel van de nieuwsgaring en achtergrond kwam van de Geassocieerde Persdiensten (GPD), een soort persbureau voor en door regionale kranten waaraan de Zwolse Courant was verbonden. De GPD had in de jaren zestig een progressieve reputatie opgebouwd en kon prikkelende artikelen afleveren. Te concluderen is dat de langzame vernieuwing van de Zwolse Courant in de tweede helft van de jaren zestig op gang kwam en nooit voor controversen heeft gezorgd. Het nieuwe journalistieke tijdperk was zonder haast binnengewandeld en vooral ook zonder plan. Zowel op de redactie als bij het lezerspubliek is er nooit een echt noemenswaardige discussie geweest over de lijn van de krant. Als de journalisten van de Zwolse Courant de drang voelden om iets nieuws te maken, dan deden ze dat en legde de hoofdredactie hen doorgaans weinig in de weg. De aanwezigheid van een ‘as’ van jongeren moeten echter niet worden onderschat. Jongeren als Arvid van der Wolf, Joke Barmentloo en Willem Brinkman gaven de eerste aanzet en een vorm aan de vernieuwing. Sam de Visser is wellicht van nog groter belang geweest. Hij wist alle partijen tevreden te houden en kon zonder toestemming


31

te vragen de krant van nieuwe elementen voorzien. Toch moet ook gezegd dat de ‘as’ niet radicaal vernieuwend was en niet als een oppositie opereerde. Daardoor kwam de vernieuwing organisch en voelde deze voor alle partijen als natuurlijk.  Kritisch in dienst In 1970 kwam Arvid van der Wolf tijdelijk ver van de journalistieke praktijk te staan. Hij werd opgeroepen voor dienst bij de marechaussee, dat één van de meer aanzienlijke krijgsmachtonderdelen is. Op Van der Wolf maakte dat geen indruk, zoals de krijgsmacht in de jaren zeventig op weinig dienstplichtigen indruk maakte. Hij deed een poging om zich te laten afkeuren. Dat mislukte, waarna hij zich aansloot bij de radicale Bond voor Dienstweigeraars: Ik was niet principieel tegen wapens, dus ik ging in dienst. Maar niet zonder kritiek. De Bond van Dienstplichtigen bestond uit dienstweigeraars die de krijgsmacht van binnenuit wilden opblazen. Als er acties binnen het leger waren, dan was ik daarbij. Later was ik lokaal lid van de Vereniging van Dienstplichtige Militairen. Dat was ook een kritische vereniging, maar minder radicaal dan de BD.

De herinneringen die Van der Wolf heeft van de krijgsmacht in de jaren zeventig, sluiten aan bij de heersende perceptie: dat zij een ongedisciplineerde boel was. In die perceptie overheerst het beeld van de dienstplichtige met het lange haar. Die haardracht was echter nog niet verworven toen Van der Wolf in het leger trad. Maar, stelt Jan van der Meulen in de bundel Krijgsmacht en samenleving: hij stond al wel ter discussie. De ‘vermaatschappelijking’ van de krijgsmacht had vanaf 1970 aan kracht gewonnen en de groetplicht en haardracht vormden hiervan de scharnierpunten.23 En inderdaad: toen er een provocatieve demonstratie was tegen de verplichte korte haardracht, was ook Van der Wolf erbij. Nog geen twee weken was hij in het leger of hij werd al overgeplaatst. Vanaf dat moment heb ik voortdurend onder curatele gestaan. Ik ben nog verschillende keren overgeplaatst vanwege mijn deelname aan demonstraties. De officieren hadden een bloedhekel aan me. Uiteindelijk belandde ik bij de werktroepen, wat het laagste van het laagste is. Dat was in Eefde. We hebben toen voortdurend de boel gesaboteerd. We spraken bijvoorbeeld af dat de verschillende pelotons bij de mars elk naar een andere kant zouden lopen. Het hele bataljon is toen gearresteerd.


32

Het heeft iets ludieks, maar er was volgens Van der Wolf ook een andere dimensie: Iedereen had natuurlijk de pest aan de dienst, dat speelde mee. Maar het was ook een protest tegen de houding van de officieren, vooral de administratieve. Hun corruptie en liederlijkheid, daar had ik echt een hekel aan. In 1972 zat mijn tijd erop. Toen zijn de duimschroeven door de legerleiding flink aangedraaid. Dat was vanuit hun oogpunt ook nodig, want op een gegeven moment werd er maar niet meer om discipline gevraagd. We hadden een soort vrijstaat gecreëerd. De haardracht was vrij, de groetplicht was afgeschaft en we hoefden ons niet meer te melden.

Het beeld dat Van der Meulen in Krijgsmacht en Samenleving schetst komt daarmee ongeveer overeen. Nog vóór 1972 schafte de krijgsmacht de groetplicht af werd de haardracht vrij. Maar er werd ook duidelijk gemaakt dat de ‘revolutie’ nu toch echt over was.24  Terugkeer naar de veilige krant Na twee jaar dienst stond de deur van de journalistiek weer wagenwijd voor Van der Wolf open. Met de ervaring die hij in zijn eerste jaar bij de Zwolse Courant had opgedaan, kon hij gemakkelijk bij een krant terecht. Dat wetend, schreef Van der Wolf Het Vrije Volk aan. Die krant was aan het opkrabbelen uit het dal waarin zij was beland door de vrije val van haar edities.25 Doordat de krant zich had teruggetrokken tot Rotterdam en omstreken en mee was gaan zweven in het hogedrukgebied van de progressiviteit, herwon zij een stabieler positie in de dagbladmarkt. Voor Van der Wolf was dat een reden om te solliciteren: Bij Het Vrije Volk werd nieuwe journalistiek bedreven. Daar wilde ik bij zijn. Ik had een provocerende brief geschreven en mocht op gesprek komen in Rotterdam. Een paar dagen later kreeg ik bericht dat ik was aangenomen. Daar schrok ik van. Ik had bij de Zwolse alleen op binnen- en buitenland gewerkt en had nog geen ervaring in de regio. Tegelijkertijd probeerde adjunct-hoofdredacteur Van Rij me te behouden voor de Zwolse Courant. Ik kon daar ook in de regio aan de slag. Dat was doorslaggevend. Rotterdam stond me bovendien tegen. Het betekende dat ik weg moest uit de buurt van Deventer en dus ook weg van mijn familie. Maar dat kon ik niet. Deventer was voor mij altijd een veilige plek geweest, sinds we uit Amsterdam waren gevlucht. Als het Vrije Volk in Amsterdam had gezeten, dan was ik zeker vertrokken. Toch heb ik er later nog wel eens spijt van gehad dat ik niet ben gegaan.


33

Een grotere tegenstelling dan tussen Rotterdam en plattelandsdorpjes als Genemuiden, Zwartsluis en Hasselt, laat zich lastig vinden. Toch was de editie van de Zwolse Courant die deze regio bediende óók een plek waar Van der Wolf nieuwe journalistiek kon bedrijven. Zonder begeleiding kreeg hij de mogelijkheid om forse verhalen te schrijven. Vaak waren dat ‘kleine’ verhalen, vanuit een diep menselijk perspectief, soms was er een sterk kritisch verhaal dat neigde naar de toen opkomende onderzoeksjournalistiek. Ook in Genemuiden, Zwartsluis en Hasselt waren er misstanden om aan de kaak te stellen: In Genemuiden woedde er een kerkstrijd in een van de protestantse gemeenten. Ik kreeg daar lucht van, maar merkte dat niemand erover wilde praten. Uiteindelijk heb ik anonieme contacten kunnen vinden die me steeds informatie aanleverden. Ik was pas begin twintig, maar had al mijn eigen Watergate. En ik probeerde die stijl van het Vrije Volk ook in mijn eigen stukken te laten terugkomen. Dat je dus niet sprak van een tandarts, maar van een ‘tandenreparateur’, niet van een directeur maar van een ‘grote baas’.

Intussen was Van der Wolf ook alweer regelmatig te vinden in de Ierse pub in Zwolle. De Irish Inn aan de Sassenstraat was de vaste stek van het Zwolse journaille. Er werd verwoed gediscussieerd, maar vooral ook veel gedronken. Van der Wolf was geen uitzondering.


34

3 Epiloog: verinnerlijking  Terug in de tijd “Ik denk dat ik stuk was gegaan als ik niet had ingegrepen.”

Dat Van der Wolf geen uitzondering was in de groep journalisten die na werktijd aandeed, is eigenlijk een eufemisme. Hij had een paar jaar vrijwel elke avond tot diep in de nacht in de kroeg gezeten. Dat begon uiteindelijk zijn tol te eisen: Ik kon soms nauwelijks nog uit mijn ogen kijken. Het liep uit de hand, het werk ging eronder lijden. Mijn bloeddruk was gevaarlijk hoog. Het is eens voorgekomen dat ik zestien keer het woord ‘volgens’ in een stuk had gebruikt. Ik had het geluk dat zulke stukken door een vriendelijk gezinde eindredacteur waren geredigeerd. Ik was anders in de problemen gekomen op de redactie. Het was trouwens niet alleen de drank. Ik was ook faalangstig, voelde me belaagd. Dat was de erfenis van de periode dat mijn vader nog bij ons woonde. Ik voelde steeds ketenen die me naar beneden trokken. Toen ik begin twintig was, ben ik daar eens voor in psychotherapie geweest. Dat had geholpen, maar ik zocht nog steeds iets waarin ik rust kon vinden. Bij toeval ben ik bij Transcendente Meditatie terechtgekomen van Maharishi Mahesh Yogi. In die tijd was die behoorlijk populair, doordat de Beatles in zijn ban waren. Je zag overal advertenties voor TM staan. Maar ik wilde ook weg uit Nederland. Ik wilde reizen.

Net als Van der Wolfs eerste periode bij de Zwolse Courant, duurde ook zijn tweede periode kort. Tijdens een interview voor een menselijk verhaal over de Jom Kippoeroorlog tussen

Israël 1974

Israel 1974, met Joke Barmentloo


35

Israel en de alliantie Egypte, Jordanië en Syrië, kwam Van der Wolf in de greep van Israël. De mensen waarmee hij sprak waren oude Nederlandse joden. Hun verhalen over Israël, de joodse religiositeit en de kibbutz spraken tot zijn verbeelding. Vooral de kibbutz als idealistische commune had zijn belangstelling. In 1974 reisde Van der Wolf met Joke Barmentloo naar Israël, om er een half jaar te verblijven en onder meer in de kibbutz Hama’pil als vrijwilliger te werken. Ik vereenzelvigde me met dat volk, dat had ik altijd al gedaan. In mijn jeugd las ik de Exodus en over de Holocaust wist ik alles. De Exodus: dat schitterende avontuur van jongeren die iets doen tegen onderdrukking, Die de havens in gingen, met een open mind, om mensen naar het beloofde land te helpen. De romantiek dat het lukt. In de kibbutz kon ik iets met dat gevoel. Daar kon ik het leven van binnenuit meemaken.

Een half jaar nadat hij uit Israël was teruggekomen vertrok hij naar Amerika, om er een halfjaar liftend rond te trekken.



Catharsis

“Ik denk dat de spiritualiteit belangrijker voor me is geweest dan de journalistiek. Het heeft me balans, helderheid en ideeën gegeven. De reizen naar Israël en in Amerika hadden Van der Wolf verfrist. Maar het was de Transcendente Meditatie (T.M) die hem werkelijk veranderde. Wanneer mogelijk bracht hij weken door in de bergen van Duitsland om te mediteren. In dezelfde periode groeide zijn interesse voor spirituele leermeesters als Paramhansa Yogananda en Sathya Sai Baba. De laatste claimt goddelijke almacht en heeft veel aanhangers in de wereld. Hij is controversieel in Nederland door de kritische columns die psycholoog dr. Piet Vroon schreef. Vroon stelde Sai Baba voor als een charlatan, die goocheltrucs als wonderen presenteert. Het vraagstuk van deze wonderen of goocheltrucs hoeft hier niet onderzocht te worden. Het is Sai Baba’s leer die Van der Wolf ingrijpend heeft beïnvloed: Het belang dat ik aan politiek hechtte, nam af. De wereld draait niet om vergankelijke politiek. Je bent niet een sterfelijke die één ding op de wereld doet, maar een onsterfelijke die de wereld in zich draagt. Dat heeft een grote invloed op mijn leven gehad. Mijn kijk op het leven veranderde. Ik ben altijd een positieve denker


36 geweest, maar had ook donkere kanten. Ik heb geleden, maar ik ben door de spiritualiteit door een catharsis gegaan, een zuivering. En wat goed is, dat zet je door. Op de krant heb ik eens een prikbord voor positief nieuws gemaakt, om aan te zetten om de focus van cynisch naar positief nieuws te verschuiven. Vanuit die benadering leef en werk ik nog steeds. Ik schrijf graag over mensen die over het leven denken en daarin iets positiefs zoeken. Op de krant is daar altijd wat meewarig over gedaan. De laatste jaren is er echter meer ruimte gekomen voor spiritualiteit en idealisme. Dat mijn project ‘Verbeter de wereld’ is opgenomen in de krant, voelt alsof er een nieuwe tijd is gekomen.


37

Conclusie

Het leven van Arvid van der Wolf leest soms als proza. Daar zijn twee verklaringen voor. Ten eerste zijn dat de sterke contrasten in zijn jeugd- en schoolgaande jaren, het leven in de journalistiek en zijn geestelijke ontwikkeling. Die geven ruimte aan de verbeelding. Ten tweede zijn dat de geringe omvang en het perspectief van deze biografie. Zij hebben bepaald dat ik weinig kon afwijken van de hoofdlijnen in het leven Van der Wolf en de hoofdlijnen in de sixties. De meest relevante gebeurtenissen zijn als gevolg daarvan kort achter elkaar beschreven. Als vanzelfsprekend krijgen ze daardoor een verklarende kracht, die wordt benadrukt door Van der Wolfs geparafraseerde commentaar en mijn eigen opmerkingen. Ik meen dat dit geen afbreuk doet aan het doel dat ik omschreef in de inleiding: een waarachtige indruk geven van het leven van Arvid van der Wolf. Ze zijn echter niet de enige mogelijke verklaringen en bovenal is deze biografie niet het enige verhaal dat verteld kan worden. Daarom mag het citaat van Van der Wolf - dat na de titelpagina volgt - als waarschuwing worden opgevat. Het is een waarschuwing die niet alleen geldt voor mijn beschrijving van Van der Wolfs leven, maar ook voor die van de sixties in de Zwolse Courant en voor de conclusies die ik hier zal trekken. Het dominante oogpunt in deze beschrijving van Van der Wolfs persoonlijke leven is de ‘tweeledigheid’. Zij heeft zich op verschillende wijzen gemanifesteerd. Tot Arvids tiende jaar was er de dreiging van Nico van der Wolf, die het leven binnenshuis in scherpe tegenstelling deed staan met het leven buitenshuis. Hoewel hij ook goede momenten met zijn vader deelde, voelde Arvid zich thuis vaak onveilig. Op straat, in de plantsoenen en bij zijn opa kon hij daaraan ontsnappen. Door de vlucht uit Amsterdam kwam hieraan kortstondig een einde, maar door de dood van zijn opa ontstond opnieuw een tweedeling. Binnen was er de harde realiteit van de armoede en van de gevraagde volwassenheid en verantwoordelijkheid voor het gezin, terwijl er buiten ruimte was voor onbezorgdheid. Een gebrek aan liefde was er niet, maar wel aan een wijze en inspirerende man die zijn opa was geweest. Deze tweeledigheid is altijd een rol blijven spelen in het leven van Van der Wolf. Oud-collega’s Sam de Visser en Wout Slijsters herkennen enerzijds zijn hang naar het vrijbuiten, anderzijds zijn zoektocht naar de veiligheid en inspiratie (die zijn opa bood). De


38

keuze om een brutale sollicitatiebrief naar Het Vrije Volk te sturen kwam mede voort uit die hang naar avontuur, om het daaropvolgende baanaanbod af te slaan mede uit een hang naar veiligheid. Zijn verdieping in politiek en spiritualiteit was het resultaat van de inspiratie en hoge waarden die zijn opa hem had meegegeven en tot op zekere hoogte van de behoefte aan veiligheid. Een ander soort tweeledigheid was er voor Arvid in het middelbare schoolleven, doordat hij na het voltooien van de ulo naar de havo ging. De Mammoetwet had in 1968 het stijfsel van het voortgezet onderwijs geklopt, waardoor een ware ‘scholierencultuur’ kon ontstaan. Mondigheid en creativiteit kwamen voor onderdanigheid en ‘stampen’ in de plaats. De geschiedenis van de schoolkrant was hiervan een treffende illustratie. De ‘golf’ van Amerikaanse jeugdcultuur had overigens rond 1965 al voor meer levendigheid gezorgd, die Arvid vooral associeert met twee symbolen: Hans Bontius’ platenspeler en Freddie de Jongs brommer. Scherpe tweedelingen zijn in de ontwikkeling van de Zwolse Courant in de jaren zestig niet te ontdekken. De analyse van de jaargangen 1960-1973 laat een dergelijke conclusie niet toe, de percepties van oud-medewerkers evenmin. De krant ontwikkelde zich later dan de meeste landelijke kranten, in een gelijkmatiger tempo en vrijwel zonder ‘breukmomenten’. Slechts sporadisch was er een kleine versnelling waar te nemen, zoals de invoering van de jongerenpagina. De hoofdredactie van de Zwolse Courant stond evenwel niet principieel sceptisch tegenover vernieuwingen. Zij deed simpelweg wat in de jaren tachtig tot leidraad van de meeste dagbladen zou worden verheven: goed luisteren naar de lezer. Die lezer was in de jaren zestig overwegend gematigd conservatief. Maar de hoofdredactie en de lezer kenden evengoed marges. Door de verjonging van de redactie kwam de verkenning daarvan op gang, vooral in de jaren zeventig. De ‘as’ van jonge medewerkers waartoe Van der Wolf behoorde, dreef voorzichtige vernieuwing aan op het gebied van de journalistiek en de vormgeving. Dat geschiedde doorgaans op een voorzichtige manier. Heftige reacties van lezers, hoofdredactie en directie bleven daardoor uit. Sam de Vissers uitspraak over Van Rij's commentaar op de rubriek 'Mixer' vat het pakkend samen: “[Hij] bromde iets. Het was bepaald niet naar zijn smaak, maar hij hield ons niet tegen.”


39

Noten

1

Wijfjes, Journalistiek in Nederland 1850-2000; Beroep, cultuur en organisatie (Amsterdam 2005), 329/338.

2

Jan ten Hove, Een uitgestippeld leven; Deventenaren in de eerste helft van de twintigste eeuw (Kampen 1994), 163

3

Manfred te Grotenhuis, Peer Scheepers, Rob Eisinga, ‘Welke gevolgen heeft ontkerkelijking?’, Tijdschrift voor sociologie 4 (1998), 5. 4

Clemens Hogestijn, De akker van de geest bewerken; Geschiedenis van het voortgezet onderwijs te Deventer: van Kapittelschool tot Etty Hillesum Lyceum (Nieuwegein 2005), 142.

5

Ibidem, 182.

6

Ibidem, 181.

7

Ibidem, 139.

8

De oud-leerlingen Gerdie Jansma en Jos Vlaskamp.

9

Marcel Broersma, Tegen de trend; Regionale journalistiek in een veranderende samenleving (Apeldoorn 2003), 11.

10

Auteur onbekend, ‘Zwolle’s burgemeester stelt grootste vier-kleurenpers in werking’, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 4 november 1961, p2.

11

Wijfjes, Journalistiek in Nederland 1850-2000, 332.

12

Idem.

13

M.L. Snijders, J.R. Soetenhorst, De krant in het nauw (Meppel 1972), 13.

14

Ibidem, 329.

15

Frank de Vree, De metamorfose van een dagblad; Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant (Amsterdam 1996), 41. 16

Ibidem, 47.

17

Ibidem, 47, 51.

18

Wijfjes, Journalistiek in Nederland 1850-200, 330.

19

Ibidem, 333.

20

Ibidem, 296/310

21

Ibidem, 335/341.

22

Ibidem, 339.


40

23

R. Moelker, J. Soeters (red.), Krijgsmacht en samenleving; Klassieke en eigentijdse inzichten (Amsterdam 2003), 47, 48.

24

Moelker, Krijgsmacht en samenleving, 48.

25

Wijfjes, Journalistiek in Nederland 1850-2000, 332.


41

Bronnen en literatuur

Bronnen Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, vol. 175, afl. 297 (17 dec. 1964)-vol. 183, afl. 61 (13 mrt. 1972), Koninklijke Bibliotheek Den Haag. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, jrg. 1960-1972, Digitaal Archief Historisch Centrum Overijssel. Zwolse Courant, jrg. 1972-1973, Digitaal Archief Historisch Centrum Overijssel.

Mondelinge bronnen Sam de Visser, oud-redacteur van de Zwolse Courant Wout Slijsters, redacteur van de Zwolse Courant Clemens Hogestijn, stadshistoricus van Deventer. Gerdie Jansma, oud-leerling van de Kweekschool aan de Singel. Jos Vlaskamp, oud-leerling van de Kweekschool aan de Singel Hans Kok, lid van de Deventerse sixtiesband Les Haricots.

Literatuur Broersma, M., Tegen de trend; Regionale journalistiek in een veranderende samenleving (Apeldoorn 2003). te Grotenhuis, M, P. Scheepers en R. Eisinga, ‘Welke gevolgen heeft ontkerkelijking?’, Tijdschrift voor sociologie 4 (1998). Hogestijn, C. De akker van de geest bewerken; Geschiedenis van het voortgezet onderwijs te Deventer: van Kapittelschool tot Etty Hillesum Lyceum (Nieuwegein 2005). Ten Hove, J., Een uitgestippeld leven; Deventenaren in de eerste helft van de twintigste eeuw (Kampen 1994). Kennedy, J.C., Nieuw Babylon in aanbouw; Nederland in de jaren zestig (Amsterdam 1997).


42

Moelker, R., J. Soeters (red.), Krijgsmacht en samenleving; Klassieke en eigentijdse inzichten (Amsterdam 2003). Righart, H., De eindeloze jaren zestig; Geschiedenis van een generatieconflict (Amsterdam 1995) Snijders, M.L., J.R. Soetenhorst, De krant in het nauw (Meppel 1972). de Vree, F., De metamorfose van een dagblad; Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant (Amsterdam 1996). Wijfjes, H., Journalistiek in Nederland 1850-2000; Beroep, cultuur en organisatie (Amsterdam 2005).


43

Bijlage

Zaterdag 5 november 1960

Zaterdag 4 november 1961

Zaterdag 3 november 1962

Zaterdag 2 november 1963


44

Zaterdag 7 november 1964

Zaterdag 6 november 1965

Zaterdag 5 november 1966

Zaterdag 4 november 1967


45

Zaterdag 2 november 1968

Zaterdag 1 november 1969

Zaterdag 7 november 1970

Zaterdag 6 november 1971


46

Zaterdag 4 november 1972

Zaterdag 3 november 1973


Timbo